,,aristoteles' ,,zielkunde ,,met ,,een ,,inleiding1 ,,korte ,,overzichten ,,en ,,verklarende ,,aanteekeningen ,,door ,dr ,j4 ,m4 ,,fraenkel ,,bij ,j4 ,b4 ,,wolters' ,u4 ,m4--,,groningen1 ,,den ,,haag1 #aiai ,,inleiding4 ,wanneer wij na de lezing van ,plato voor het eerst kennis maken met het traktaat van ,aristoteles over de ziel1 dan kost het ons moeite onze teleurstelling te verbergen4 ,al zochten wij niet de bekoring van de kunst van ,plato1 die uit denken en schoonheid n leven schept en onze ziel zachtkens omhoog voert0--toen wij ons verplaatsten van het tooneel naar de grijze collegekamer1 rekenden wij op een regelmatige en volledige uiteenzetting van het onderwerp en aangezien de vorm van het traktaat niets aantrekkelijker is dan die onzer hedendaagsche wetenschappelijke geschriften1 verwachtten wij evenveel wetenschappelijkheid4 ,hierin worden we dan in velerlei opzicht teleurgesteld4 ,aristoteles is gedrongen en daardoor vaak duister1 gebruikt voortdurend wijsgeerige termen wier oorsprong hij niet aangeeft2 het verband begeeft ons dikwijls en de wetenschap die hier voor ,plato's kunst en verhevenheid in de plaats treedt1 verschijnt in nog onontwikkelde vorm4 ,bij ,plato moet men naar wetenschappelijkheid nog niet vragen2 zijn ,sokrates1 zijn wijsheid1 levert hymnen op ,apollo1 medeslaaf van de zwanen0 7,phaedo #he ,b72 weliswaar heeft ,aristoteles in alle wetenschap van hem geleerd1 maar de wetenschap komt eerst in ,aristoteles tot stand4 ,we behoeven dan ook eigenlijk niet om ,aristoteles' traktaat te begrijpen1 te vragen wat ,plato over de ziel geleeraard heeft4 ,plato leert nergens stelselmatig over de ziel1 al zijn ,theaetetus ,phaedo ,republiek en ,timaeus vol van haar4 ,want hoe spreekt b4v4 de ,phaedo1 het drama van ,sokrates' onsterfelijkheidsvertrouwen1 over de ziel8 ,de onderscheiding--heet het--van het zintuigelijk waarnemen 7het onware kennen7 en het denken der ideen 7het ware weten7 voert tot het wezen van de ziel1 7#fe ,d7 en het wezen der ziel doet zich kennen als het blijvende in den kringloop van ontstaan en vergaan 7#gb ,d74 ,het denken verder is de wetenschap1 die in aanleg1 blijkens de ervaring van het leeren 7#gc ,a7 met de ziel gegeven is en die door stelselmatige herinnering tot stand wordt gebracht4 ,zij betreft de idee1 het algemeene1 blijvende1 onveranderlijke1 waarnaar de waarnemingen verwijzen1 en dat aan de waarnemingen voorafgaat4 ,dat wezenlijke heeft de ziel tot grondslag 7#gf ,e71 die tevens de grondslag is van het leven 7#gg ,d74 ,zoo is de ziel als onzichtbare grondslag het niet-samengestelde 7#gh ,c72 zij is het goddelijke1 onsterfelijke1 alleen denkbare1 het eenvormige1 ondeelbare1 altijd met zichzelf eenzelvige 7#hj ,b71 geen harmonie van stoffelijke elementen 7#hf ,b7 of product 7#hg ,b71 en niet slechts noodzakelijke bestaansvoorwaarde 7#ii ,b7 maar de ware oorzaak van het leven1 als grondslag van het leven even onverdelgbaar als het leven zelf 7#ajd74 ,zoo is de psychologie van den ,phaedo2 in dien trant spreken ook de andere dialogen2 het is moeilijk en hard dat alles te ontleden en 't is1 zooals gezegd is1 niet noodig in deze inleiding4 ,aristoteles heeft het leerstellige van ,plato in zijn eigen verband opgenomen1 en dit zal voor zoover noodig bij deze vertaling toegelicht worden2 de toon van zijn kritiek is soms grimmig3 4 etc4 de ,ideen laat ik daar1 dat is klinkklank0 zegt hij 7,anal4 ,post4 ,i #hc a #cb vgl4 ,met4 #iia a #bj71 maar wel begrijpelijk als van den wetenschappelijke tegenover den theosoof4 ,want ,aristoteles' denken is stelselmatig1 hij staat in het teeken der wetenschap en wat boven gezegd is1 dat de wetenschap bij hem nog onontwikkeld is1 dat is juist het bewijs van zijn wetenschappelijkheid2 hij moet veel zeggen wat wij met meer kennis zeggen2 want phantasie en kunst zijn voor alle tijden1 maar oude wetenschap vergaat in nieuwe4 ,met dit besef evenwel staan wij niet op den bodem van de moderne beschouwing omtrent ,aristoteles2 an keiner ,philosophie 7hat7 die neuere ,zeit sich so vergangen als an ihr 7d4i4 aan de ,aristotelische70 zegt ,hegel's ,gesch4 der ,phil4 7p4 #dfh ed4 ,bolland74 ,daar is ,e4 ,zeller's uitvoerig werk1 die in zijn slotbeschouwing 7p4 #hja7 zegt dat daargelaten de absolute waarheid van ,a4's leer 7waarover hij niet wil spreken7 hij en anderen moeten erkennen1 dat het ,a4 niet gelukt is de leidende gezichtspunten van zijn systeem zonder tegenspraak te verbinden4 ,waarvan dan zeker een staaltje is wat p4 #cab een hoogst ingrijpende tegenspraak in 't systeem van den ,philosoof0 heet1 dat n4l4 ,a4 nu eens het enkele ding dan weer het ,algemeene de ware substantie 77 noemt4 ,de onverzoenlijkheid van die tegenspraak staat voor ,zeller vast4 ,toch weet hij wel dat ,a41 anders dan ,plato1 het ,algemeene niet op zichzelf stelt1 niet scheidt van het ,enkele1 maar daarin het wezen van het ,enkele vindt3 in zoover kan het ,algemeene naar de gelegenheid vordert het ware heeten4 ,doch tegenover die eenzijdigheid staat met gelijk recht1 die welke het ,enkele het ware noemt1 juist omdat het andere te zeggen ook eenzijdigheid is4 ,geen van beide op zichzelf is waar of onwaar of het ware--als men 't ware zeggen wil1 dan kan men naar omstandigheden 't ,enkele zoowel als 't ,algemeene het ware noemen4 ,dat doet ,a4 geen liefhebber van eenzijdigheid1 die b4v4 in 't begin der ,metaphysica de wetenschap het hoogste noemende1 erkent dat de ervaring zonder wetenschap even goed en soms beter is4 ,het ,aristotelische systeem1 voorbeeldig voor het ,hegelsche1 is werkelijkheidssysteem en vindt de werkelijkheid in de volledigheid4 ,als men in iedere richting philosofeert10 zoo zegt ,a4 ,polit4 #abgi b #ab en niet alleen naar de praktijk ziet1 is het gepast niets voorbij te zien of weg te laten1 maar de waarheid omtrent alles duidelijk te maken40 ,bewegelijkheid is de philosophie van ,a41 zooals zij is het principe van de natuur 7,phys4 #bec b #e vgl4 #aib b #bj74 ,voor ,zeller is dus ,a4's systeem een 7gebrekkige7 leer1 die haar tijd gehad heeft4 ,gewoonlijk echter wordt een ander oordeel over ,a4 uitgesproken4 ,hoor ,r4 ,d4 ,hicks1 de verdienstelijke uitgever van ons traktaat voor de ,cambridge ,university 7#aijg7 in zijn inleiding p4 ,l n4 #a ,van onze hoogere kennis uit kunnen wij ons vergunnen te glimlachen over de naeve onnoozelheid1 de brutale vermetelheid1 die beweert den groei te verklaren zonder iets te weten van cellen1 die gevoel en beweging bespreekt zonder kennis van de natuur en de functies der zenuwen en die vuur als een element behandelt in zalige onwetendheid van de chemische verbrandingsverschijnselen40 ,lewes ,aristoteles p4 #bbc 7vert4 van ,carus73 zijn geest1 die noodwendig tot ongerijmdheden moest vervallen1 als hij over warmte theoretiseerde zonder thermometer en over physica zonder kennis der bewegingswetten1 stijgt tot bewonderenswaardige hoogte wanneer hij de hoogere algemeenheden van het leven en den geest behandelt40 ,hem citeert met instemming ,rudolf ,eucken1 iemand van naam en groote kennis op dit gebied1 wiens oordeel en behandeling typisch mogen heeten3 zie die ,methode der ,aristot4 ,forschung0 7#ahgb7 ,schlusswort p4 #ehd vlg4 ,hij zegt dat hij zijn beschouwing zooveel mogelijk historisch gehouden heeft en dan ,a4 voortreffelijk acht2 maar dat verder de waarde van de methode toch ook nog te beoordeelen is4 ,en oordeelende blijkt hem dat op 't eerste gezicht ,a4 niet van waarde is voor onzen tijd1 dan alleen door zijn fouten--de fouten van een grooten geest--die wij kunnen leeren vermijden en waardoor wij onze zekerheid meer kunnen beseffen4 ,maar1 zegt hij1 dat maakt de vereering van de nieuweren voor ,a4 nog niet begrijpelijk4 ,die moet gegrond zijn op de blijvende beteekenis van zijn methode van onderzoek en in 't bizonder op zijn streven om met en door de nauwkeurige studie van de onderdeelen tot een geheel van wereldverklaring te komen4 ,en hierin vindt de hoofdzakelijk kritische richting van de nieuwere philosophie de aanvulling1 die zij misschien behoeft2 want kritiek is niet het laatste doel1 maar dt is alleen door vereenigend denken te bereiken4 ,alzoo spreekt ,eucken--heen en weer1 zoodat wij met zijn oordeel denzelfde graad van moeite hebben als hij zelf met ,aristoteles--wel is waar niet dezelfde soort van moeite4 ,hij zegt wel iets1 dat wij begrijpen2 hij waardeert het vereenigend denken van ,a41 maar wij vernemen niet--waar het op aankomt--of die vereeniging1 dat geheel van wereldverklaring1 bevredigend tot stand gekomen is en zoo ja1 hoe dat in zijn werk gegaan is bij ,a4's gebrekkige methode2 zoo neen1 wat er eigenlijk van houdbaar is4 ,de onrust nu zelf van zulk een onbepaald oordeel als van ,eucken en zoovelen doet ons beseften dat in hun beschouwing het begrip zich nog niet heeft gevonden4 ,dit geldt van den heelen ,a41 dit geldt van de ,anima4 ,ik heb gezegd hoe gebrekkig en zwak dat geschrift is2 maar het schijnt toch zeer gewaardeerd te worden2 waarom anders die prachtige uitgaven van ,trendlenburg1 ,rodier1 ,hicks--,duitsch1 ,fransch1 ,engelsch8 ,laten we dan nauwkeuriger nagaan wat van het geschrift te denken is4 ,het is schetsmatig1 nergens uitvoerig of geordend2 wij erkennen het en hetzelfde geldt van al het voornaamste ,aristotelische4 ,maar door alles loopt een draad2 zooals te verwachten was bij den #co in de rij2 want ,sokrates begint1 ,plato zet voort en ,a4 voltooit4 ,daarom is zijn philosophie systeem in den waren zin1 zelfvoltooiing van het begrip 7voortgaande heeft de zaak zelf hen den weg gebaand en door de waarheid zelve genoodigd zochten zij verder0 zegt hij ,met4 #ihd a #ai b #aj van de oude denkers74 ,en toch ook weer niet2 want wij moeten uit de geschriften het systeem eerst halen1 het verspreidde samenvatten1 toevoegsels afscheiden1 samenhang herstellen1 kortom het begrip er in brengen4 ,doch eerst moet men vertrouwen in het ,aristotelische hebben en wekken1 zooals hijzelf vertrouwen heeft in het menschelijk denken--de aanleg van de menschen1 zegt hij 7,rhet4 #acee a #ae7 is voldoende voor het ware en in 't meeste treffen zij de waarheid40--,alle menschen--zoo begint de ,metaphysica--streven van nature naar het weten2 dat bewijst de lust in het gewaarworden2 immers ook afgezien van het nut geven de gewaarwordingen voldoening en in 't bizonder die door de oogen4 ,want niet alleen om te handelen1 maar ook zonder dat wij iets willen doen1 verkiezen wij het gezicht boven alle andere gewaarwordingen4 ,hiervan is de oorzaak dat die gewaarwording ons 't meest doet kennen en vele onderscheidingen mogelijk maakt40 ,dit vertrouwen in de wetenschap doet ,a4 kennen als een denker voor wien de werkelijkheid redelijk en het redelijke ook werkelijk is en het bepaalt de houding tegenover zijn meester en voorganger ,plato4 ,hierbij een toelichtend staaltje4 ,plato in zijn dialoog ,gorgias0 ontzegt der rhetorica den naam van kunst omdat zij niet op de waarheid maar op den schijn gericht is protegit haec sontes1 immeritosque premit0 7zij beschermt schuldigen en verdrukt onschuldigen7 zooals ,ovidius zegt4 ,aristoteles merkt op 7,rhet4 #aced a #d etc474 ,alle menschen hebben in zekeren zin deel aan beide 7nl4 aan rhetorica en dialektiek71 want zij beproeven allen tot op een zekere hoogte te toetsen1 rekenschap te geven1 te verdedigen en aan te vallen4 ,de groote menigte doet dit f op goed geluk af f door gewoonte en aard4 ,daar het dus op beide wijzen gaat1 is het duidelijk dat men er ook methode in kan brengen2 want het is mogelijk de oorzaak na te gaan1 waardoor op beide wijzen het succes volgt3 en dit na te gaan zal ieder toegeven het werk van kunst te zijn40 ,en op 't eind van het hoofdstuk 7#acee b #b74 ,het argument dat wie onrechtvaardig de woordkunst gebruikt1 groot nadeel stichten kan1 geldt voor alle goed 7behalve de deugd7 en in 't bizonder voor het nuttigste als kracht1 gezondheid1 rijkdom1 veldheerstalent2 daarmede kan men bij rechtvaardig gebruik 't grootste nut doen1 bij onrechtvaardig het grootste kwaad stichten0--en op deze wijze zet ,a4 de bewering van ,plato op zij of terecht4 ,veel meer dergelijke rake kritiek1 die tevens methode en begrip is1 leveren de ,politica op ,plato's beide staatkundige werken1 en de ,metaphysica op zijn ,ideenleer2 maar daarover wil ik niet uitwijden4 ,in de tweede plaats wordt ons vertrouwen versterkt door de bevinding dat de werken van ,a4 z samenhangen1 dat het niet geheel mogelijk is uit den inhoud te zien wat het eerst1 wat het laatst geschreven is2 op elk punt schijnt het geheele systeem present te zijn1 zooals dat ook bij ,hegel gaat4 ,ons traktaat b4v4 is zeker later dan het tot een ander deel der leer behoorende boek over de dialektische gezichtspunten 7,topica071 maar toch staat ,top4 #aaa b #d over de beweging der ziel hetzelfde als in de ,anima4 ,de uitgevers hebben dan de gewoonte bij elke plaats alle anderen van denzelfden inhoud te citeeren2 zoo wordt hun commentaar lijvig1 maar van de eenheid van het ,aristotelische systeem gewagen zij niet4 ,dus beantwoorden zij b4v4 de vraag niet of ,a4 verband stelt tusschen de abstracte denkleer van zijn logica 7het ,organon07 en zijn ,metaphysica4 ,dat dit wl het geval is1 kan blijken uit ,metaphys4 #ajcd a #cg waar van een betoog dat de wording uit het zijn voortkomt1 het slot luidt3 zooals bij de sluitredenen het principe van allen het wezen is--want uit het begrip zijn de sluitredenen--zoo hier 7uit het zijn7 de wordingen40 ,de modernen die uitdrukkingen als en wezen1 begrip1 zijn0 verstarren en waar ,a4 onderscheidt gescheiden houden1 ontnemen zich daarmede de mogelijkheid om te begrijpen4 ,plaatsen nu als de geciteerde zijn er meer2 b4v4 ,met4 #ajad b #a2 die moeten ons dienen als leiddraad om in het geschrijf het systeem te volgen4 ,een algemeene inleiding1 zooals door lateren voor ,a4 wl gemaakt zijn maar dan op hn manier1 bestaat er niet en toch wordt iets algemeens van dien aard1 't zij als geschreven1 't zij mondeling1 vaak voorondersteld in de bestaande werken4 ,de tijd heeft nog veel wonderlijker omgesprongen met de wijsheid van ,a4 dan met ,hegel4 ,er is geen grooter verschil denkbaar dan tusschen de ongeveer volkomen overlevering van de dialogen van ,plato en de toevallige stukken en brokken die ,aristotelisch zijn en heeten4 ,maar alles is uit n geest3 in dien geest moet ik ook ons traktaat behandelen anders dan in den aanvang1 toen ik de gewone beschouwingswijze volgde alleen wat eerlijker of nog eenzijdiger dan deze zich gewoonlijk uitspreekt4 ,wanneer de verschillende boeken die de geschiedenis der philosophie behandelen bij ,aristoteles en ,hegel komen1 raken ook de degelijksten de kluts kwijt3 bij deze twee vindt eenzijdige kritiek van hoofd0punten geen baat2 al is die kritiek zoo welwillend als in 't geval van ,a4 bij ,eucken1 die bij elke bestrijding tevens een verontschuldiging voegt en met het geheel verlegen blijft1 zooals we zagen4 ,ik wil trachten naar vermogen het begrip in ,a4's geschrift na te gaan als volgt4 ,het boek de ,anima begint met de opmerking dat de studie der ziel boven andere studin gewichtig is doordat zij overgang vormt tusschen de algemeene waarheid en de natuur--geest1 ziel en leven alzoo4 ,gewichtig en evenzeer moeilijk1 omdat met het onderwerp tevens de methode en de grondslagen van het onderzoek behandeld moeten worden4 ,hierdoor worden wij er op voorbereid dat de ziel niet van uit eenig meer of min bewust van te voren bepaald standpunt zal bestudeerd worden2 op hetzelfde wijzen de volgende algemeene vraagpunten en vooral de zinsnede3 ,wie immers nu wetenschappelijk spreken over de ziel1 lijken alleen de menschelijke ziel na te gaan04 ,ten slotte staat dat de studie der ziel kan zijn de studie van de waarneembaarheden en denkbaarheden als zoodanig1 want van het begrip komt men tot de wetten der ervaring1 maar omgekeerd is de ervaring op te nemen als kenbron van het begrip4 ,de ware wezensdefinitie moet van de verschijnselen rekenschap geven en de ziel is niet geestelijk zonder meer1 maar zij heeft blijkens de aandoeningen ook een natuurlijken kant1 zij is niet als lijn of vlak4 ,de rest van het boek dient om in de theorien van de voorgangers kaf en koren te onderscheiden2 dat ,a4 dit doet van zijn eigen systeem uit en dat de modernen hem dit verwijten kan ons naar wat wij gehoord hebben even weinig bevreemden als dat bij ,hegel de geschiedenis der ,philosophie er anders uitziet dan in de overige philosophiegeschiedenissen en dat de modernen ,hegel dit verwijten4 ,zoo zegt ,enrico ,soulier in een boek over ,eraclito ,efesio 7,roma #ahhe7 p4 #cc3 costrurre a priori la storia del pensiero filosofico1 come volle ,hegel1 cio ridurre la sostanza dei sistemi diversi ad una mera successione di categorie logiche necessarie1 sarebbe dunque volere annientare in ciascun sistema la particolarit che lo distingue40 ,de schrijver drukt zich onnauwkeurig uit3 hij bedoelt dat ,hegel door de substantie van de verschillende systemen te maken tot een simpele opeenvolging van logische kategorien afziet van de bijkomstigheden van elk systeem4 ,dat keurt hij af4 ,evenzoo ,eucken p4 #ab3 ,wenn ,a4 444 durch die geschichtliche ,betrachtung eine ,bekrftigung der eignen ,anschauungen erstrebt und dabei den eignen ,standpunkt als einen abgeschlossenen voraussetzt1 so kann er natrlich die ,vorgnger nicht unbefangen betrachten1 er wird vielmehr in den ,fehler verfallen1 seine eignen ,gesichtspunkte in sie hineinzutragen enz4 enz4444 ,dass er aber den eignen ,standpunkt also zum massgebenden auch fr seine ,vorgnger macht1 dazu trug ohne ,zweifel eben die ,ansicht bei1 dass 444 seine ,philosophie die geistige ,bewegung abzuschliessen bestimmt sei4 ,eine solche berzeugung konnte ihn dazu verleiten den eignen ,standpunkt fr den absoluten zu halten und darnach alle geschichtlichen ,erscheinungen zu messen40 ,maar als #co in de opvolging der ,voor-,sokratische1 ,platonische en eigen philosophie n als man der wetenschap die het zoeken der waarheid geen zinneloosheid 7 7 noemt 7,met4 #ajji b #ch7 had ,a4 inderdaad terecht deze opvatting en dat geeft hem het recht of legt hem de plicht op in zijn voltooidheid van de bizonderheden der voorgangers af te zien1 wat zeker niet geoorloofd is1 als 't gaat om de beschrijving van eenig systeem op zichzelf genomen4 ,ook ik kan in deze beschouwing weer afzien van deze ,aristotelische kritiek1 die voornamelijk ,plato en zijn onmiddellijken opvolger ,speusippos geldt2 alleen neem ik enkele passages op1 die opbouwend zijn1 zooals dat de beweging die de ziel geeft geen natuurlijke maar een geestelijke moet heeten en dat de eenheid van den geest en de gedachte geen natuurlijke maar een eenheid als die des getals is2 en stukken als ,deze ongerijmdheid0 en uit het gezegde blijkt0 7vertaling p4 #ec en #ef74 ,afgezien van deze en dergelijke plaatsen is verder het eerste boek gewijd aan op zij- en terechtzetting van de 7de meeningen der vroegeren7 die vaak1 om met ,xenophanes te spreken--slechts 7verzinsels7 blijken4 ,daarom moet methodisch onderzocht worden en begint het #bo boek met de algemeene bepaling van alle ziel3 de eerste 7d4i4 aanvankelijke7 entelechie van een bewerktuigd natuurlijk lichaam40 ,wat de entelechie is--in de ,anima wordt de term als bekend voorondersteld2 't door ,a4 gemaakte woord moet voltooidheid0 beteekenen--dat had ,hermolas ,barbarus 7,hegel ,gesch4 der ,phil4 p4 #dgb ,boll47 niet aan den ,duivel moeten vragen2 ,a4 zelf zegt #c tekstregels na zijn definitie1 dat de entelechie is het ware ne en het ware zijn1 die het levend wezen tot n maakt1 n uit en in onderscheid van stof en vorm4 ,laten wij zeggen3 de ,aristotelische definitie van ziel luidt3 de ziel is de aanvankelijke zelfbepaling van het bewerktuigde natuurlijke4 ,het natuurlijke definieert dan ,a4 als datgene1 wat beginsel van beweging en stilstand in zichzelf heeft--en dus als datgene1 wat ziel heeft2 en we hebben dus welbeschouwd hier te doen met een cirkelredeneering in de bepaling4 ,edoch1 wij deinzen daarvoor niet terug2 wie zelfbepaling begrijpt1 begrijpt ook cirkelredeneering in de bepaling2 want zelfbepaling is ook cirkelredeneering1 eenheid van het bepalende en het bepaalde in zelfbewerking of terugkeer tot zichzelf4 ,het wezen van de ziel wordt dan voorloopig verduidelijkt door de vergelijking die het gezicht de ziel van het oog noemt4 ,hieruit volgt dat de ziel niet te scheiden is van het lichaam1 behalve wanneer wij werkingen van haar kennen die van geen lichamelijk orgaan afhangen of wanneer de ziel moet genomen worden als leider van het lichamelijk geheel in de verhouding van stuurman tot schip4 ,van de gegeven definitie zal dan verderop verklaard worden1 dat zij niets leert omtrent het bizondere en op zichzelf evenmin bevredigt als men in de meetkunde tevreden kan zijn met een algemeene bepaling van figuur1 zonder te letten op #c-;hoek1 #d-;hoek enz4 ,let men op de ervaring1 die zegt dat de ziel de oorzaak van het leven is--dan is leven om te beginnen voeding1 groei en 't tegendeel2 verder plaatselijke beweging1 gewaarwording1 denken4 ,van deze vermogens is het threptikon1 het onderhoudende1 voor 't leven de grondslag en 't noodzakelijke3 de andere1 de gewaarwording1 de plaatselijke beweging1 het denken treden op met den voortgang van het levende4 ,evenzoo is in de gewaarwording de eerste1 de tastzin1 de noodzakelijke2 de anderen treden op in overeenstemming met de algemeene vermogens4 ,planten hebben alleen de voedende ziel1 dieren op zijn minst nog bovendien den tastzin4 ,zoo is er een uitbreiding van het psychische met het levend wezen1 waarvan reden moet worden gegeven4 ,levende planten en sommige dieren blijken splitsbaar zonder wezensverandering3 zoo blijkt het voedende en het gewaarwordende en daarmede het voorstellende en begeerende--en dus1 al het zielige1 voorloopig afgezien van den geest--met het levende lichamelijke samen te gaan en onafscheidelijk te zijn4 ,die functin moeten dus in hun opvolging onderzocht worden om tot het ware begrip van de ziel te komen en de functin worden bepaald uit hun uitwerksel1 de voedende uit voeding1 de gewaarwordende uit het waarneembare1 de denkende uit het denkbare4 ,de algemeenste functie1 de voedende1 heeft betrekking op voeding en voortplanting en daardoor reeds is het natuurlijk levende boven het natuurlijke zonder meer uit en heeft elk in verschillende graden deel aan het eeuwige1 goddelijke1 waarnaar al het natuurlijke streeft4 ,zoo is dan de ziel het wezen van het lichaam als oorzaak van het leven1 het doel van het lichaam dat van nature voor de ziel is bewerktuigd1 bewust of onbewust2 en ten slotte de oorzaak van de beweging en de verandering1 die aan de gewaarwording vast zit4 ,daardoor is de mechanische opvatting betreffende de voeding van ,empedokles weerlegd1 alsook van hen1 die de voeding tot verbranding herleiden4 ,bij de voeding doet zich de vraag op1 of het gelijke voor het gelijke of het tegengestelde voor het tegengestelde voedsel is4 ,aan den eenen kant verandert het voedsel door de voeding en is het dus het ongelijke2 aan den anderen kant1 als oorzaak van de groei1 is het het gelijke4 ,het blijkt dus dat beide opvattingen gelden naar gelang men voedsel noemt het aanvankelijke1 onverteerde of het aangeeigende1 verteerde4 ,voedsel is noodzakelijk1 niet bijkomstig1 verbonden aan het begrip van het bezielde1 omdat alleen het bezielde lichaam gevoed wordt4 ,het voedsel als zoodanig is te onderscheiden van hetgeen wasdom veroorzaakt2 want het betreft niet de grootte maar het wezen zelf van het levende wezen en het heeft als doel de voortplanting2 daarom behoort de voedende ziel de voortplantende te heeten4 ,zooals hand n stuurriem in verschillenden zin bij het sturen werken1 zoo is in de voeding bij het voedsel de warmte noodzakelijk die het doet verteeren2 dus heeft al het bezielde warmte4 ,het omtrent het voedsel gezegde is bedoeld als schets2 de bizonderheden komen elders ter sprake4 ,bij de gewaarwording herhaalt zich de vraag omtrent gelijkheid of tegenstelling1 die elders behandeld wordt en komt verder de vraag op1 waarom men de gewaarwordingen zelf niet gewaarwordt en voorwerpen van buiten noodig zijn1 terwijl toch de elementen1 die men in de voorwerpen gewaarwordt1 in de zintuigen aanwezig zijn4 ,dus zijn de elementen in de zintuigen alleen naar mogelijkheid1 niet in werkzaamheid1 zooals het brandbare het vuur-in-werkelijkheid noodig heeft om te branden4 ,daarom moet men onderscheiden tusschen gewaarworden naar mogelijkheid en werkzaamheid4 ,en die onderscheiding lost ook de #ao vraag omtrent gelijkheid of tegenstelling op4 ,naar mogelijkheid lijdt het tegengestelde door het tegengestelde1 naar werkelijkheid het gelijke door het gelijke4 ,de onderscheiding tusschen mogelijkheid en werkzaamheid moet nog verdiept worden4 ,de mensch is naar mogelijkheid b4v4 taalkundig1 als geschikt voor wetenschap2 ook taalkundig als bezittende de taalkunde2 en eindelijk of in werkzaamheid taalkundig als bestudeerende en kennende een bepaald punt van taalkunde4 ,de eerste twee wijzen--beide naar mogelijkheid--staan niet gelijk2 de eerste alleen kan verandering1 soms omslaan1 heeten4 ,zoo is ook het ondergaan der werking niet nduidig2 het is deels vernietiging1 deels voltooiing b4v4 wanneer het denkende denkt of de bouwmeester bouwt4 ,dat bij het denken niet1 bij het gewaarworden wl voorwerpen van buiten noodig zijn1 komt omdat deze de enkelheden betreft1 het denken het algemeene dat van zelf in de ziel aanwezig is4 ,daarom kan men wel denken1 maar niet gewaar worden wanneer men wil en betreffen ook de wetenschappen der gewaarwordingen de enkelheden die van buiten komen4 ,als slotsom blijft dat het gewaarwordende naar mogelijkheid is wat het waarneembare in werkzaamheid is2 het gewaarwordende ondergaat het waarneembare als het niet gelijke1 maar is er aan gelijk gemaakt gewaargeworden hebbende4 ,het waarneembare is in #c;erlei zin3 f het aan elke gewaarwording alleen eigene 7zooals kleur aan gezicht71 waaromtrent geen vergissing mogelijk is2 f de algemeene waarneembaarheden3 beweging1 stilstand1 getal1 figuur1 grootte 7want beweging b4v4 is waarneembaar n door den tastzin n door 't gezicht72 f de bijkomstige waarneembaarheden b4v4 dat het witte1 dat ik zie1 een bepaalde persoon is2 dat heeft voor de gewaarwording als zoodanig geen belang4 ,van het niet-bijkomstige maar op zichzelf waarneembare is het eigene of bizondere het eigenlijke1 waarvan het wezen van elke gewaarwording afhangt4 ,dan volgt in de rest van het boek de behandeling van de verschillende gewaarwordingen2 waarop ik niet inga2 ook hier is meer te begrijpen van het algemeene dan de behandeling der modernen in ,aristoteles opmerkt4 ,een enkel staaltje3 de samenhang tusschen gewaarworden en denken op 't eind4 ,wij worden1 staat er bij de behandeling van den tastzin1 alleen gewaar wat meer of minder warm of koud enz4 is dan wijzelf2 dus fungeert de gewaarwording als een midden en wordt oordeelend2 want het midden is het oordeelende2 het wordt nl4 tegenover elk van beide uitersten het andere uiterste4 ,men ziet hier tevens weer het verband bij ,a4 tusschen logica 7immers het midden is ook in de sluitrede het oordeelende7 en wat men gewoonlijk ontologie noemt4 ,het slot van boek #b zegt dat de gewaarwording is wat de vormen zonder de stof 7andersgezegd wat de waarheid7 aan de waarneembaarheden opneemt2 naar 't begrip te onderscheiden van het waarneembare doordat zij geen grootheid is1 maar een verhouding van en vermogen in een grootheid2 verhouding die verstoord kan worden door overmaat van het waarneembare1 waardoor de gewaarwordingsorganen vernietigd worden als de toon bij te sterke spanning der snaren4 ,daarom nemen de planten niet waar1 al bezitten zij een begin van tastzin3 zij hebben geen onderscheidend midden en nemen niet vorm zonder stof aan4 ,zooals de gewaarwording is voor het waarneembare1 zoo is het waarneembare ook alleen voor de gewaarwording--te weten het in werkzaamheid waarneembare1 zooals hij elders er bijvoegt4 ,het #c;e boek begint met de aanvulling en toelichting van het behandelde over de gewaarwording2 wij moeten dit voorbij gaan4 ,het #c;e hoofdstuk bespreekt de #c;e functie van de ziel1 het denken4 ,de vr-,socratici en nog anderen onderscheidden het ten onrechte niet van het gewaarworden en meenden tevens dat het gelijke door het gelijke waargenomen en gekend werd2 zoodat voor hen f alle verschijnselen waarheid waren of alleen in het ongelijke het bedrog mogelijk was2 terwijl toch waarheid en bedrog omtrent het tegengestelde n en hetzelfde zijn1 ieder levend wezen gewaarwordt1 maar weinige denken en het denken1 niet de gewaarwording als zoodanig foutief kan zijn4 ,de voorstelling 77 staat tusschen gewaarwording en denken in en is iets anders dan beiden2 want voorstellen is willekeurig1 denken is aan waarheid of leugen gebonden2 het laatste werkt onmiddellijk op het gevoel in 7het denken van 't schrikwekkende veroorzaakt schrik71 het eerste indirekt1 als het zien van een schilderij4 ,gewaarwording is zij niet2 want voorstelling is in werkzaamheid ook in den slaap1 gewaarwording niet2 gewaarwording is naar mogelijkheid of in werkzaamheid steeds aanwezig1 voorstelling niet2 in werkzaamheid zijn ze ook niet hetzelfde1 want niet alle dieren hebben voorstelling2 gewaarwordingen zijn altijd waar1 voorstellingen grootendeels onwaar4 ,voorstelling is niet weten of begrip1 want er is ook valsche voorstelling2 niet meening1 want daarmede is overtuiging verbonden die de dieren missen1 die toch veelal voorstelling hebben2 niet meening met of door gewaarwording of verbinding van 't een en 't ander4 ,maar daar de voorstelling toch met de gewaarwording verbonden is1 behoort zij tot een soort van gewaarwording die niet als de eigenlijke steeds waar is1 maar tot de werkelijkheid van die gemeenschappelijke gewaarwording 7als beweging en grootte7 die het bijkomstige betreft1 die waar en valsch kan zijn1 't laatste vooral wanneer het waarneembare verwijderd is4 ,de voorstellingen beklijven en gelijken de gewaarwordingen en zijn voor de dieren de gronden van vele handelingen en voor de menschen wanneer door hartstocht of ziekte of slaap het verstand omhuld is4 ,wat het denken is1 komt nu ter sprake4 ,het verhoudt zich tot de denkbaarheden als het gewaarworden tot de waarneembaarheden en moet dus allen kunnen bevatten2 dus moet de geest1 zooals ,anaxagoras zegt1 zelf rein zijn en is in werkzaamheid niets1 voordat men denkt4 ,het eigenlijke denkbare is het zuivere begrip en dat is in de dingen als zoodanig en op zich zelf alleen naar mogelijkheid aanwezig3 de geest of het denken is de ware werkelijkheid der dingen4 ,zoo is in den geest zelf te onderscheiden de geest als het werkzame1 zooals in de natuur het licht dat de kleuren zichtbaar maakt1 en de geest als het in mogelijkheid zijnde1 de passieve2 het eerste is dan het eeuwige dat ons bewustzijn overschrijdt4 ,dan komt de gedachte ter sprake1 de eenheid waartoe door den geest het vele wordt gebracht2 de gedachte berust op de voorstellingen4 ,tot de gedachten heeft de geest dezelfde verhouding als tot de werktuigen de hand1 het werktuig par excellence1 dat de anderen eerst tot werktuigen maakt4 ,het slot van het traktaat behandelt den praktischen geest1 waarvan plaatselijke beweging1 begeerte en streven uitgaan en den grond van de opeenvolging der zielsvermogens in verband met de lichamelijkheden4 ,zoo is in hoofdzaak de inhoud van ,a4's zielkunde2 in kleinere geschriften 7de zoog4 ,parva naturalia07 worden bizonderheden uitgewerkt4 ,wie daarin mist de behandeling van de natuurlijke zijde van de ziel1 verhouding van hersenen of hart tot het denken1 functie der zenuwen en afzonderlijke organen1 miskent de taak van de zielkunde zooals van de wijsbegeerte in 't geheel4 ,zij bevat geen beschrijving van pathologische of normale verschijnselen in voorondersteld verband van veroorzaking1 maar volgt in alle betrekkelijkheden1 die liggen tusschen natuur en geest1 de zelfontvouwing van het begrip dat ook volgens ons traktaat alle dingen omvat 7 74 ,dit begrijpen blijft onder alle vermeerdering van bizondere wetenschap de taak van de algemeene1 de wetenschap des ,begrips1 die ,a4 gegrondvest en in een zekere mate voltooid heeft en ,hegel zegt terecht3 ,wrde es ,ernst mit der ,philosophie1 so wre nichts wrdiger als ber ,aristoteles ,vorlesungen zu halten0 7,gesch4 der ,phil4 p4 #djh ed4 ,bolland74 ,de moeilijkheden1 die de studie van ,a4 den beginner oplevert1 zal ik voor ons geschrift in de vertaling zelf trachten te verlichten en in deze inleiding door eene ,,uiteenzetting ,,betreffende ,,de ,,terminologie4 #a7 ,het begrip 7,zeller ,,ii#b #co dr4 p4 #bjg n4 #b7 wordt uitgedrukt door 1 1 1 1 4 ,de laatste term in onderscheiding van den voorlaatsten1 spreekt het begrip uit niet zooals men er mede begint1 niet in zijn aanvankelijke onmiddellijkheid1 maar als het door redeneering--zegge door zichzelf--bereikte1 naar de ,grieksche spreekmanier door het imperfekt1 die b4v4 ook in het quod erat demonstrandum0 van de wiskundigen geldt4 ,alzoo vatten wij als het begrip van het wezen4 ' ' 0 zegt men1 als men des ,pudels ,kern01 het wezen van iets1 erkent1 2 wanneer men naar 't wezen vraagt en is de gestelde wezenlijkheid1 het ,wezen4 ,zoo staat in dit traktaat #dab b #bj #a3 444 4 d4i4 de ziel is de begripszijde1 het wezen1 van het bepaalde lichaam--en verderop3 zooals het gezicht is de begripszijde van het oog4 ,zoo #dai a #i dit is het wezen van kleur0 #dbd a #ca ' dit is het wezen der gewaarwording02 zoo staat ,metaph4 #ihc a #bg synoniem met als het eerste der principes 77 en ,metaph4 #ajab b #ad ' met het bedoel ik het wezen zonder de stof40 ,het bepaalde begrip wordt uitgedrukt volgens de formule 1 b4v4 in de geciteerde plaats 7#dab b #ac7 het wezen van een bijl0 en #dai a #i3 het wezen van een kleur02 waarin de datief het op iets gericht zijn01 de voltooide ontwikkeling van het begrip aanduidt1 datgene1 waartoe het begrip zelf de strekking heeft zich te ontwikkelen4 #b7 ,de term ziet af van de toevalligheid der verschijning1 die in de algemeene term niet afgescheiden wordt2 van daar dat1 terwijl ,analyt4 ,post4 ,i #gi a #ch staat 444 betreft het algemeene01 in de ,metaph4 #ajbh a #ag de vraag naar beantwoord wordt met 4 ,maar het is begrip afgezien van de stof0 7,metaph4 #ajgd a #cc74 ,het onderscheid tusschen beide termen wordt evenals elders bij ,a4 in dit traktaat verduidelijkt door de verhouding van en #dbi b #ac 1 ' 1 2 het vleesch is niet zonder de stof1 maar als het wipneuzige1 belichaamde vorm0 ,metaph4 #ajbe b #cb 4 1 4 ,het wipneuzige is samengevat met de stof2 want het wipneuzige is holle neus1 maar de holheid is zonder waarneembare stof40 staat tot als tot 4 #c7 ,zooals wij in de sub #a7 geciteerde plaats 7#dab b #bj7 zagen1 geldt ook het woord voor begrip03 4 ,zoo staat het tegenover #dah b #bd 7de verschijnselen7 of ,metaph4 #ajc b #cd 7de dingen7 en tegenover 7de stof7 en is dan synoniem met of 7de vorm7 #djc b #a en #dad a #i en verderop 1 ' 4 ,en staat in ons tractaat #dab a #aj #dae b #ad heet het3 en #dab b #af is synoniem met 1 het wezen4 ,ten derde staat tegenover 7waarneming7 ,metaph4 #ihf b #cb ,phys4 #ahi a #g4 ,voorzeker behoort tot de de woorden van velerlei beteekenis01 zooals ,a4 zegt4 ,behalve in het alledaagsche gebruik voor woord1 spraak1 uiting1 mededeeling0--ook wel in tegenstelling tot de gedachte1 de daad1 het feit--en voor redevoering1 verhandeling1 verhaal of fabel0 en dergelijke1 dient het meer philosophisch voor redeneering0 #djg a #be 4 7alle is definitie of bewijs71 voor definitie0 7#djj b #b eigenlijk #dac a #ad2 zoo vaak b4v4 of 71 voor oordeel1 rekenschap1 rede0 7zoo aanleg1 gewoonte1 rede7 en voor verhouding02 zoo is volgens #dbf a #bg-;b #g zoowel het waarnemende als het waargenomen-wordende en de waarneming 1 verhouding4 ,deze uitvoerigere bespreking van 1 omdat dit woord voorbeeldig is voor de moeilijkheid der oude talen1 vooral van het ,grieksch4 ,wel is waar zijn ook in de nieuwe talen de woorden niet van n beteekenis1 maar het voortgezette gebruik beperkt steeds meer de onbepaalde afwisseling der beteekenissen4 ,dit geldt meer van de zaaknamen dan van de afgetrokkenheden3 maar in 't ,grieksch zijn deze nog veel meer onbepaald4 ,we zagen dat ,a4 n tegenover stelt n de een noemt4 ,het begrip op zichzelf1 waarvan bij ,plato nog weinig sprake is1 worstelt bij ,a4 om zichzelf te vatten4 #d7 ,we kunnen korter zijn met 1 dat behalve uiterlijk1 gedaante0 logisch de soort1 het onderdeel van het geslacht1 aanwijst2 voorts metaphysisch in 't algemeen1 synoniem met en 1 het bepalende01 de vorm0 tegenover de 1 de stof1 zie #dab a #g vlg43 de vervalt in en en het uit beiden voortkomend geheel4 ,daarom is ook uitdrukking voor de ,platonische ideen 774 moet meer a heeten dan 7,metaph4 #ajbi a #bi7 als het algemeen bepalende tegenover het onbepaalde algemeene1 het kenbare tegenover het onmiddellijke1 aanvankelijke en daarom kan het alomvattende1 de geest 7 7 heeten het begrip der begrippen0 7 #dcb a #b71 zooals de hand het werktuig der werktuigen04 #e7 ,na wat boven over gezegd is1 behoeft het niet te verwonderen1 dat het meest algemeene woord groote verlegenheden baart1 z dat ,zeller 7,,ii#c p4 #cab7 en anderen in de ,aristotelische bepaling van dit begrip een defekt en diepingrijpende tegenspraak in het systeem van den philosoof0 moeten vaststellen4 ,niemand heeft bezwaar tegen het gebruik van voor vermogen01 of voor het aanzijn1 de waarheid1 het wezen0 zooals ,plato en verderen het woord gebruiken voor wat bij de vr-,sokratische denkers heette2 zoo #djg b #a ' 1 als haar beweging niet haar wezen is1 dan is die onnatuurlijk04 ,maar staat als het eigenlijke1 het eigen zijn1 de substantie0 tegenover de bijkomstigheden0 7 1 de accidentia #djb a #h71 dan vraagt men3 wat is voor ,a4 de substantie8 ,zij is in de rij der algemeene begrippen 7kategorien7 de eerste1 grond van alle anderen1 maar waarvan geldt zij8 ,van het enkele-- ' heet het telkens--of van het begrip1 het wezen1 als principe en oorzaak 7 7 van het aanzijn der dingen8 ,zoo van het enkele1 dan is er geen kennis van en het begrip1 het kenbare1 is dan niet het ware2 want dat is dan het enkele4 ,dat is het bezwaar van ,zeller en de meesten4 ,maar men heeft aan te nemen dat ,a4's philosophie in dezen wel onderscheidt1 maar niet scheidt4 ,wanneer hij vaak 7zooals #dab a #g vlg47 van de spreekt eenerzijds als 1 anderdeels als en ten derde als 7wat uit beiden voorkomt7 en de natuurlijke dingen1 de elementen 7 7 de eigenlijkste noemt1 dan blijkt de het alomvattende vooronderstelde algemeene te zijn1 dat wel is waar alleen als het enkele werkelijk voorkomt1 maar z dat de waarheid er aan alleen het begrijpelijke1 het begrip d4i4 het algemeene is4 ,dus stelt ,a4 een eenheid van tegendeelen1 waartoe hij komt van de alledaagsche ervaring der enkele dingen uit2 van daar het veelvuldige 444 7pleegt men te noemen074 ,een voorbeeld ter verduidelijking3 een woord is innerlijk1 van wege zijn beteekenis1 het algemeene1 uiterlijk 7deze klank en niet die klank07 het enkele2 beide zijden kunnen heeten1 in klankleer 7phonetiek1 geldt als de uiterlijke1 in beteekenisleer 7semantiek7 de innerlijke zijde2 als de meer ware geldt de innerlijke van het standpunt van den geest2 de natuur geeft het onmiddellijke1 onbewuste1 waarmee men ook kan beginnen doch alleen om het op te heffen tot het geestelijke1 dat aanvang en einde in nen is4 #f7 ,de is de eerste in de rij der 1 ook genoemd 7#djb a #bc7 of 7,metaph4 #ajcd b #i71 der kategorien of algemeenste begrippen1 waarvan ,a4 er #h of #aj optelt1 niet opstelt of althans niet duidelijk maakt dat er deze1 zooveel en zoo moeten zijn in de 7,metaphys4 #ajgd b #cd7 als het begrip zichzelf begrijpt40 ,hetgeen eerst bij ,hegel bereikt is #b en daardoor is de eisch der redeleer bevredigd4 ,de #h kategorien van ,a4 zijn3 7substantie1 quidditas71 hoeveelheid1 hoedanigheid1 betrekking1 plaats1 tijd1 doen1 lijden3 verder de #b 7liggen7 7hebben71 die ik hier alleen noem4 #g7 ,wij hebben de hooren noemen principium et causa0 7,zeller #cbg vlg47 ,zulke tweeledige uitdrukkingen gebruikt ,a4 dikwijls b4v4 hier in 't begin #djb a #g 444 7na te gaan en te begrijpen haar natuur en haar wezen074 ,zij zijn van ,homerus af een in 't ,grieksch veel voorkomende wending om de volledigheid aan te geven3 de aangehaalde uitdrukking komt in alledaagsch gebruik voor bij ,demosthenes over den ,vrede0 #ae de oorsprong en de oorzaak van den oorlog01 in 't ,latijn bij ,tacitus1 ,histori ,,ii3 #a struebat iam fortuna 444 initia causasque imperio de fortuin bereidde reeds de beginselen en oorzaken voor een keizerschap0 etc4 ,zoo neemt het alledaagsch gebruik uitdrukkingen der philosophen halfbewust over4 ,de philosophie houdt zich bezig met het bepalen van de eerste beginselen 7,metaph4 #iha b #bh74 ,bij de vr-,sokratische denkers waren deze meer of minder van stoffelijken aard 771 waarom dan ook nog #daj a #ai 7,metaph4 #ihc b #aj7 op hun standpunt van 7elementen7 gesproken wordt4 ,bij ,a4 heeten de elementen 7 1 7 de van de andere lichamen 7#dab a #ab72 maar wanneer de ziel als bepaald wordt 7#dae b #h71 dan staat de tegenover de als #dcj a #ah voortreffelijker is de 4 dan de 4 ,evenzoo in den aanhef van het traktaat de ziel is om zoo te zeggen het principe van het levende01 om zoo te zeggen01 want de ware is niet de ziel 77 maar de of ,metaph4 #ajgb a #cj en 't heele #go hoofdstuk4 beteekent ook grond van het kenvermogen 7#djb a #ba73 denken er zijn vallen bij ,a4 nog meestal uiteen4 ,de zoogen4 denkwet1 het principium contradictionis1 is een en voor de verschillende onderzoekingen gelden verschillende 7#djb a #ba74 ,dus is het begrip wijder dan dat van 1 waarmede synoniem is4 #h7 ,de causae 7 of 7 stelt ,a4 gewoonlijk ten getale van vier op die tot n herleid kunnen worden3 de causa formalis 7 71 materialis 7 7 efficiens 7 7 en finalis 7 7 ,metaph4 #ihc a #bg-cb ,zeller ,,ii#b p4 #cbg vlg4 ,zoo is aan het kunstwerk wezenlijk 7c4 form47 de vorm1 die de kunst geeft2 materieel1 de stof of het voorloopige1 vooronderstelde1 naar vorming strevende1 efficint de kunst des kunstenaars en finaal 7de schoonheid van7 het geheel4 ,bij het verschijnsel vallen deze momenten het meest uiteen1 behalve vorm en stof2 in het wezen zijn zij n4 ,daarom is het volledige onderzoek naar de causae het geheel der philosophie 7,metaph4 #ihb b #i3 de wetenschap moet de beschouwing zijn van de eerste beginselen en gronden074 #i7 ,de verhouding tusschen het stof- en vormmoment1 tusschen of en het 1 welke ook in 't algemeen geldt1 wordt nader begrepen als die van mogelijkheid 77 en werkzaamheid 77 ,metaph4 #ajad a #h4 ,het algemeene geheel1 als eenheid van het onbepaalde en het bepalende1 het lijdende en werkende1 stof en vorm en het bizondere of reeds bepaalde onderscheidt zich naar mogelijkheid en werkzaamheid2 in het algemeene eerste 7in 't onbepaalde1 het lijdende1 de stof7 ligt de mogelijkheid van de werkzaamheid van het andere 7het bepalende1 het werkende1 de vorm7 vgl4 #dad a #aa72 en het bizondere is f in aanleg f ontwikkeld4 ,zooals in 't algemeen de mogelijkheid of aanleg is voor de verwerkelijking van het 1 zoo is elke lagere vorm van de ziel in den telkens hoogeren naar mogelijkheid0 aanwezig1 naar wij zeggen opgeheven en bewaard0 7#dad b #bi7 en tot het lijf zelf staat de ziel als tegenover 7#dab a #bj74 ,deze onderscheiding1 reeds bij ,plato aangegeven 7,theaetetus71 geldt eerst bij ,a4 stelselmatig2 zij is het die aan de leer de eenheid en bewegelijkheid geeft1 die het kenmerk van de waarheid is4 #aj7 ,t4a4p4 7#dab a #ba7 is sprake van 4 ,de vorming van dit woord1 van het adjektief d4i4 7voltooidheidhebbende7 als voor is na veler pogingen eindelijk verklaard door ,herman ,diels in ,kuhn's ,zeitschrift #aiaf p4 #bja door vergelijking met bij ,demosth4 c4 ,polyclem #ah die volledig loon heeft40 ,de term is veelal synoniem met 7zie ,no4 #i7 b4v4 #dag a #i van het vuur dat in werkzaamheid is0 en evenzoo in het geheele #eo hoofdstuk van het #bo boek4 ,de werkzaamheid is echter slechts een zijde van het geheel der entelechie4 ,zooals de ,part4 ,anim4 ,,ii #fdf a #bj staat dat de elementen er zijn voor de gelijkdeelige1 deze voor de ongelijkdeelige of organische deelen des lichaams1 want deze vormen het doel en de voltooiing10 zoo wordt de ziel eene des lichaams genoemd1 zijnde deze vorm 77 tegenover de stof4 ,want 7#dab a #aj7 en 7#dae b #ad7 7de ziel of7 de entelechie is het begrip van het naar mogelijkheid zijnde40 ,zoo verklaart een scholium 7oude aanteekening7 terecht door en wordt er mede bedoeld de voltooidheid van het begrip in elke verhouding4 ,tegenover valt zij samen met de 1 ten opzichte van het begrip op zichzelf duidt zij de volstrektheid1 de alomvattendheid1 de voltooidheid aan1 als #dca a #c alles wat wordt1 wordt uit wat in voltooidheid is10 #dab b #i het ware 7zijn7 is de entelechie40 ,van daar ,metaph4 #ajci a #g de entelechie stelt op zichzelf1 sluit verdere bepaling uit0 zoodat het niet aangaat met de scholastici als bij een bizonderheid nadere bepaling der entelechie te vragen4 ,de laatst geciteerde plaats doet denken dat het begrip van het voor-zich-zijn1 de terugkeer van het begrip tot zichzelf met aangeduid wordt4 #aa7 ,de overige termen1 die in het traktaat voorkomen3 7deductief bewijs7 7analyse ontleding7 7ook 71 7opvatting71 7voorstelling uit zintuigelijk waarnemen7 7ontzegging1 ontstentenis71 7bezit1 toestand1 eigenschap7 zijn duidelijk uit het verband4 ,hiermede vertrouw ik deze vertaling aan de belangstellenden toe1 slechts een poging om van de diepzinzinnigheid van het oorspronkelijke besef te geven4 ,wanneer ik aan ,hegel's bovenvermelde aanmaning op mijn wijze heb gehoorzaamd1 dan vertrouw ik1 al zijn er na ,aristoteles en ,hegel beiden vele nieuwe philosophien geweest1 niet slechts philologisch werk te hebben verricht4 ,dr4 ,j4 ,m4 ,,fraenkel4 ,utrecht1 #ca ,jan4 #aiai4 ,,aristoteles' ,,zielkunde4 #djb;a#a--bb4 ,voortreffelijkheid der zielkunde boven andere studien doordat de ziel overgang vormt tusschen de waarheid in 't algemeen en de natuur4 ,haar onderwerp in 't algemeen4 ,hare moeilijkheid omdat met het onderwerp tevens de methode van wijsgeerig onderzoek en de grondslagen van het onderzoek moeten gevonden worden4 #djb;a4 ,als wij het weten iets schoons en kostbaars achten en de eene wetenschap meer dan de andere of door hare nauwkeurige methode of omdat haar onderwerp beter en belangwekkender is1 stellen wij met recht om beide redenen de zielkunde voorop4 ,de kennis der ziel zal ook voor alle waarheid veel bijdragen en voornamelijk voor de 7kennis der7 natuur2 want de ziel is1 zoo te zeggen1 het principe #c der levende wezens4 ,wij zoeken hare natuur en wezen te leeren kennen en dan verder hare eigenschappen2 sommige daarvan denkt men zich als aan de ziel op zich zelf eigen1 andere zullen door haar ook aan 't levend geheel behooren4 t ,is in alle opzichten allermoeilijkst eenige zekere kennis omtrent haar te erlangen4 ,want daar de vraag omtrent het wezen ook voorkomt in vele andere gevallen1 zou men allicht denken aan n methode voor alles1 waarvan wij het wezen willen leeren kennen--zooals afleiding geldt voor de tot het wezen behoorende eigenschappen #d--;en dan zou men dus die methode moeten zoeken4 ,wanneer de eene en algemeene methode betreffende het wezen ontbreekt1 wordt de behandeling nog moeilijker1 want dan zal men de voor elk geval geldige manier moeten krijgen4 ,en als het blijkt of die afleiding is of ontleding #e1 of ook eenige andere methode1 brengt de vraag nog moeilijkheden en dwalingen genoeg1 waarvan het onderzoek moet uitgaan2 want de elementen van verschillende dingen zijn verschillend1 zooals van getallen en vlakken #f4 #djb a #bc--;b #af4 ,algemeene vragen3 #a4 ,tot welke der kategorien behoort de ziel8 #b4 ,is zij mogelijkheid of werkzaamheid4 #c4 ,gedeeld of ondeelbaar8 #d4 ,zijn alle zielen gelijksoortig8 ,zoo niet1 geldt het onderscheid het geslacht of alleen de soort8 #e4 ,is er n algemeene bepaling voor ziel1 levend wezen en dergelijke algemeenheden8 #f4 ,als de ziel gedeeld is1 moet men beginnen met het geheel of met de deelen8 #g4 ,hoe onderscheiden zich de deelen8 #h4 ,moet men eerst de werking der deelen onderzoeken en nog eerder hun voorwerpen8 ,vooreerst zat men wel moeten bepalen tot welke kategorie #g de ziel behoort1 tot die der substantie1 der hoedanigheid1 der hoeveelheid of tot een andere der onderscheiden kategorien4 ,voorts--wat niet weinig verschilt--of zij aanleg is dan veeleer een zekere werkzaamheid #h4 #djb;b4 ,ook moet men nagaan of zij deelbaar of ongedeeld is en of alle ziel gelijksoortig is of niet2 en zoo niet1 of zij dan naar soort of naar geslacht onderscheiden zijn4 ,wie immers nu wetenschappelijk spreken over de ziel1 lijken alleen de menschelijke ziel na te gaan4 ,wij dienen er op te letten1 evenals bij andere algemeene begrippen1 of van de ziel n definitie geldt1 zooals van levend wezen1 dan of die met elke ziel wisselt1 zooals van paard1 hond1 mensch en god1 terwijl dan het levend wezen in 't algemeen niets meer is dat een abstractie #i4 ,verder als er niet van meerdere zielen sprake kan zijn1 maar van deelen 7van ne71 of men 't onderzoek beginnen moet met de heele ziel of met de deelen4 ,ook is het moeilijk te bepalen wat het verschil is tusschen de deelen onderling en of men eerst de deelen moet na gaan of hun verrichtingen bijv4 het denken of den geest1 het waarnemen of het waarnemingsvermogen enz4 #aj4 ,zoo men moet beginnen met de verrichtingen1 dan zou men weer kunnen vragen of men niet nog eerder de objecten moet nagaan bijv4 het waarneembare vr het waarnemingsvermogen en de denkbaarheid vr den geest4 #djb b #af--djc a #b4 7,want verrichting en voorwerp kunnen het wezen doen kennen74 ,men kan door het wezen de eigenschappen onderzoeken of omgekeerd steunen op de ervaring der eigenschappen voor de bepaling van het wezen en de bepaling van het wezen 7aanvang van het bewijs7 die niets omtrent de eigenschappen leert1 is zinledig4 ,blijkbaar is niet slechts de kennis van het wezen van nut tot het begrijpen van de gronden van de eigenschappen der dingen--zooals in de wiskunde het begrip van het rechte en kromme of van lijn en vlak tot het inzicht aan hoeveel rechten de hoeken van den driehoek gelijk zijn--maar omgekeerd strekken ook de eigenschappen grootelijks tot de kennis van het wezen2 want wanneer wij uit de voorstelling omtrent de eigenschappen1 allen of de meesten1 rede kunnen staan zullen wij ook het best over het wezen kunnen spreken4 #djc;a4 ,daar alle bewijs #aa uitgaat van het wezen1 zijn wezensbepalingen die niet tot de kennis der eigenschappen leiden1 ja niet eens licht gissingen dienaangaande mogelijk maken1 blijkbaar samen niets dan ijdele woord-definities4 #djc a #c--;b #ai4 ,de aandoeningen1 ook wel het denken1 zijn in verband met de stof2 dus houdt de zielkunde verband met de natuurleer4 ,excurs3 onderscheid in de opvatting van het voorwerp tusschen den natuurkundige1 den kunstenaar1 den wiskundige en den begripskundige4 ,betreffende de aandoeningen der ziel kan men onzeker zijn of allen aan het dragende gemeen zijn of dat er ook eenige aan de ziel op zichzelf eigen is2 dit is wel noodzakelijk na te gaan1 maar niet gemakkelijk4 ,de ziel schijnt in de meeste gevallen niets zonder het lichaam te ondergaan of te doen1 als bij toorn1 gerustheid1 begeerte en gewaarwording in 't algemeen4 ,het denken lijkt wel het meest het eigene te zijn1 maar indien ook dit voorstelling is of van voorstelling vergezeld moet zijn1 kan ook het denken niet zonder lichaam voorkomen4 ,is nu eenig doen of ondergaan van de ziel haar eigen1 dan zou zij gescheiden kunnen worden2 is er niets haar eigen1 dan is zij niet scheidbaar en gaat het daarmee als met de rechte 7lijn7 die1 als recht onder andere eigenschappen deze heeft den koperen bol in een punt te raken2 het is echter niet het rechte gescheiden dat zoo raakt1 immers het is onscheidbaar1 daar het altijd met eenig lichaam verbonden is #ab4 ,ook alle aandoeningen der ziel lijken het lichaam mede te betreffen1 drift1 zachtzinnigheid1 vrees1 medelijden1 gerustheid1 ook vreugde en liefde en haat1 want hun optreden werkt tegelijk op 't lichaam in4 ,een teeken hiervan is dat terwijl men soms bij aanwezigheid van krachtige en zich opdringende aandoeningen in 't geheel niet geraakt wordt of ontstelt1 men soms door geringe en zwakke gedreven wordt1 wanneer het lichaam tiert en in een toestand is als bij toorn4 ,nog duidelijker 7teeken7 is dit1 dat zonder dat iets vreeswekkends aanwezig is1 de verschijnselen van vrees getoond worden #ac4 ,als het zoo is1 dan zijn de aandoeningen blijkbaar verhoudingen in stoffelijkheden4 ,dus moeten de definities z luiden1 dat bijv4 toorn is de inwerking op een bepaald lichaam of lichaamsdeel of vermogen door een bepaalde oorzaak en met een bepaalde strekking4 ,en daarom is het de taak reeds van den natuurkundige de ziel1 althans de zoodanige1 na te gaan4--,de definities van den natuurkundige en den redekundige zullen in elk van deze gevallen verschillen1 bijv4 toorn zal de een definieeren als streven naar wederkeerige krenking of iets dergelijks1 de ander als verhitting van het warme hartebloed4 #djc;b4 ,de laatste geeft het stoffelijke aan1 de eerste 't wezen en het begrip4 ,want dit is 't begrip van de zaak1 maar dat moet werkelijk worden in een bepaalde stof4 ,zoo is het begrip van huis dat het is een beschutting tegen ondergang door wind en regen en hitte2 de ander noemt het steenen1 tichels en hout1 de derde noemt het3 in deze materialen de vorm #ad met een bepaalde strekking4 ,wie van dezen heeft de natuurkundige te heeten8 ,die de stof behandelt zonder kennis van het begrip of die alleen het begrip behandelt8 ,veeleer die beiden vereenigt4 ,hoe dan met elk van de twee anderen8 ,geen behandelt de van de stof onscheidbare eigenschappen als ongescheiden #ae1 maar de natuurkundige alle doen en lijden van een bepaald lichaam en een bepaalde stof2 van die bepaalde stof afziende werkt niet hij1 maar ten deele soms de kunstenaar1 bijv4 de timmerman of de dokter2 eveneens het onscheidbare1 wat bij wijze van afgetrokkenheid1 maar niet aan een bepaald lichaam verbonden gedacht wordt1 behandelt de wiskundige1 en als gescheiden 7het wezen op zichzelf7 de metaphysicus4 ,maar laat ons terugkeeren van deze uitwijding4 ,wij zeiden dat de aandoeningen der ziel1 in zooverre zij eigenschappen heeft als moed en vrees1 niet af te scheiden zijn van de stof bij levende wezens en anders zijn dan lijn en vlak4 #djc;b #ai--dje;b #cj4 ,de leeringen der vroegeren3 de ziel het bewegende1 het zichzelf bewegende2 ,democritus1 ,leucippus1 de ,pythagorers1 ,anaxagoras4 ,de ziel uit de elementen1 het kennende en waarnemende2 ,empedocles1 ,plato4 ,de elementen stoffelijk1 onstoffelijk of gemengd1 n of meer4 ,democritus1 ,anaxagoras1 ,thales1 ,diogenes e4a41 ,heraclitus1 ,alcmaeon1 ,hippo1 ,critias4 ,samenvatting3 de ziel is het bewegende1 waarnemende1 onstoffelijke1 te herleiden tot de elementen1 meer of n1 uit tegendeelen of een daarvan4 ,etymologie4 ,bij het onderzoek over de ziel is het noodig onder het stellen der verlegenheden1 die in den voortgang hun oplossing moeten vinden1 de meeningen der voorgangers betreffende de ziel er bij op te nemen om het goede te aanvaarden en hun fouten te vermijden4 ,wij beginnen het onderzoek met aan te geven wat de ziel naar men zegt van nature 't meest eigen is4 ,het bezielde dan onderscheidt zich in twee opzichten voornamelijk van het onbezielde1 door beweging en gewaarwording4 ,deze twee opvattingen ongeveer over de ziel hebben wij ook van de voorgangers geleerd2 sommigen dan noemen de ziel het voornamelijk en eigenlijk bewegende4 ,en aangezien zij meenden dat wat zelf niet bewogen werd niet iets anders kan bewegen1 vatten zij de ziel op als iets dat bewogen wordt4 #djd;a4 ,daarom noemt ,demokritos haar iets van vuur en warmte1 want terwijl er oneindig vele schemen of atomen zijn #af1 zooals de zoogenaamde stofjes in de lucht1 die in de zonnestralen door de vensters zichtbaar worden1 noemt hij hun mengeling de elementen van de heele natuur--evenzoo ,leukippos--en daaronder de bolvormige vuur en ziel1 omdat zulke vormsels het meest door alles heen kunnen dringen en zij de rest bewegen1 terwijl ze ook zelf bewogen worden1 volgens hun opvatting dat de ziel is wat aan de levende wezens de beweging verschaft4 ,dat daarom ook de ademhaling het werk van het leven is1 want dat terwijl de atmosfeer de lichamen samendringt en de atomen uitperst1 die door dat ze zelf nooit in rust zijn aan de levende wezens de beweging verschaffen1 er van buiten hulp komt door het binnenkomen van andere dergelijke atomen bij het ademhalen2 want dat deze ook de uitstooting van de in de levende wezens aanwezige atomen beletten1 het samendringen en verstijven keerende2 en dat men leeft1 zoolang men dat kan doen4 ,ook wat de ,pythagorers zeggen schijnt denzelfde zin te hebben3 eenigen van hen zeiden dat de ziel was de stofjes in de lucht1 anderen wat deze beweegt4 ,hierover is gezegd dat zij voortdurend in beweging blijken ook bij volkomen windstilte4 ,op hetzelfde komen neer die de ziel het zich zelf bewegende noemen2 want al deze lijken te meenen dat de beweging het meest eigen is aan de ziel en dat alle andere dingen bewogen worden door de ziel en deze door zichzelf1 omdat zij van niets waarnemen dat het beweging geeft of het wordt ook zelf bewogen4 ,eveneens noemt ,anaxagoras de ziel het bewegende en wie anders heeft gezegd dat de geest het heelal heeft bewogen #ag1 evenwel niet geheel zooals ,demokritos4 ,deze immers noemt zonder meer ziel en geest hetzelfde en volgens hem is het ware het verschijnsel1 waarom ,homerus juist dicht3 ,hektor lag buiten denken0 #ah4 7,ilias #bde vgl4 ,odys4 #cgd74 ,hij weet dus niet van den geest als een vermogen omtrent de waarheid1 maar noemt ziel en geest hetzelfde4 #djd;b4 ,anaxagoras is hierover minder duidelijk2 dikwijls immers spreekt hij van den geest als de oorzaak van de rechte ordening1 doch elders noemt hij den geest de ziel1 zeggende dat hij in alle levende wezens aanwezig is1 groote en kleine1 hooge en lage4 ,echter schijnt niet de als denkend bedoelde geest bij alle levende wezens gelijkelijk aanwezig te zijn1 ja niet eens bij alle menschen4 ,zij nu die op de beweging van het bezielde het oog richten1 vatten de ziel als het meest bewegende2 die letten op het kennen en waarnemen der dingen1 noemen de ziel de elementen1 die er meerdere aannemen1 die meerderen1 die n aannemen dit eene4 ,zoo stelt ,empedokles de ziel samen uit alle elementen z dat elk element ook ziel is1 in deze verzen3 ,aarde zien we met aarde en water zien we met water ,lucht doet ons godd'lijke lucht en vuur het verdelgende vuur zien ,liefde met liefde en met haat aanschouwen we 't bittere haten40 ,op dezelfde wijze stelt ,plato in den ,timaeus de ziel uit de elementen samen1 zeggende dat het gelijke door het gelijke gekend wordt en dat de dingen uit de elementen bestaan #ai4 ,een soortgelijke bepaling werd gegeven in de philosophische voordrachten1 het levende wezen op zichzelf #bj samengesteld uit het begrip op zichzelf van het ne en het begrip van lengte1 breedte en diepte en het overige desgelijks4 ,of nog anders3 de geest het ne1 't weten de twee--immers met n richting heeft het n eindpunt--het getal van het vlak de meening1 dat van het lichaam de gewaarwording1 want de getallen werden genoemd de ideen zelf en de bestaansgronden en zij bestaan toch uit de elementen #ba4 ,de dingen worden deels door den geest1 deels door 't weten1 deels door de meening1 deels door de gewaarwording beoordeeld en deze getallen zijn de ideen der dingen4 ,daar nu de ziel ook het bewegende scheen evenals het kennende hebben eenigen hun definitie uit beiden samengevlochten1 die de ziel noemden een zichzelf bewegend getal4 ,er is verschil van opvatting welke en hoevele de principes zijn1 vooral tusschen het stellen van stoffelijke of onstoffelijke en de vermenging van de eenen en de anderen4 #dje;a4 ,wat het aantal betreft1 sommigen noemen n principe1 anderen meerderen4 ,hiermee overeenstemmend definieeren zij de ziel1 want zij noemen haar niet onbegrijpelijk dt element dat van nature 't bewegelijke is4 ,derhalve hebben sommigen verklaard dat de ziel vuur is2 immers dit is het fijnste en onstoffelijkste element en het ondergaat beweging en beweegt het andere onmiddellijk4 ,demokritos geeft nog helderder uiteenzetting waarom beide omstandigheden 7van de ziel gelden72 de ziel is namelijk volgens hem hetzelfde als de geest en behoort tot de ondeelbare elementen1 die dan bewegelijk zijn door hun kleinheid en figuur2 van de figuren noemt hij het bewegelijkst het bolvormige en zoodanig is dan de geest en het vuur4 ,anaxagoras schijnt ziel en geest te onderscheiden1 zooals wij boven zeiden1 maar in de behandeling zijn beiden bij hem n natuur2 toch stelt hij den geest allermeest als 't principe1 als hij namelijk zegt dat van alle dingen alleen de geest eenvoudig1 onvermengd en rein is4 ,kennen en bewegen beiden schrijft hij toe aan hetzelfde principe1 als hij zegt dat de geest het ,al heeft bewogen4 ,volgens de overleveringen omtrent hem schijnt ook ,thales de ziel als iets bewegends opgevat te hebben1 immers hij zeide dat de 7magneet7steen een ziel heeft omdat zij 't ijzer beweegt4 ,diogenes evenals eenige anderen noemt de ziel lucht1 in de meening dat die het fijnste van alles is en principe2 en dat daardoor de ziel kent en beweegt1 kent in zooverre zij element is en uit haar als oorsprong het overige is1 en beweeglijk inzoover zij het fijnste is4 ,ook ,herakleitos zegt dat het principe ziel is1 immers ziel noemt hij de uitdamping1 waaruit hij het andere vormt2 en 't meest onstoffelijk en steeds vloeiend2 en wat bewogen wordt wordt dan volgens hem gekend door wat bewogen wordt4 ,hij evenals de meesten meenden dat de dingen in beweging zijn4 ,overeenstemmend met dezen schijnt de meening van ,alkmaion over de ziel2 hij zegt nl43 dat de ziel onsterfelijk is doordat zij gelijkt op 't onsterfelijke1 en dat dit haar toekomt als altijd bewogen1 want dat ook al de goddelijke dingen altijddoor bewogen worden1 maan1 zon1 sterren en de heele hemel4 #dje;b4 ,sommige groveren1 zooals ,hippon1 hebben de ziel water genoemd2 zij lijken tot die overtuiging gekomen doordat aller zaad vochtig is4 ,immers hij bestrijdt degenen die de ziel bloed noemen1 omdat het zaad geen bloed is en het zaad is de ziel in aanleg4 ,anderen als ,kritias1 spreken van 't bloed1 meenende dat de gewaarwording het meest aan de ziel eigen is en dat deze aanwezig is door de natuur van het bloed4 ,alle elementen hebben dus hun verdediger gevonden1 behalve de aarde2 die heeft niemand tot ziel verklaard1 behalve alwie de ziel uit alle elementen samengesteld of alles ziel acht4 ,allen ongeveer bepalen de ziel naar drie zijden1 beweging1 gewaarwording1 onstoffelijkheid en elk dier bepalingen houdt verband met de principes4 ,derhalve stellen zij1 die het kennen als bepaling geven1 de ziel als een element of als samengesteld uit de elementen1 op n na #bb1 onderling overeenstemmend in de opvatting dat het gelijke door het gelijke gekend wordt2 want aangezien de ziel alle dingen erkent1 stellen zij haar samen uit alle elementen4 ,die dus n principe en n element aannemen1 stellen ook de ziel als n bijv4 vuur of lucht2 die meerdere principes aannemen1 stellen ook een veelheid in de ziel4 ,anaxagoras alleen noemt den geest onaangedaan en met niets van het andere iets gemeen hebbend4 ,als hij zoo is1 hoe hij dan zal kennen en door welke oorzaak1 dat heeft ,a4 niet gezegd noch blijkt het uit wat hij zegt4 ,zij die in de principes tegenstellingen zien1 achten ook de ziel uit de tegenstellingen gevormd2 zij die n zijde van de tegenstellingen als principe aannemen bijv4 het warme of het koude of iets dergelijks1 stellen overeenkomstig de ziel als een daarvan4 ,zoo dan volgen zij 't spoor van de woorden3 de eenen spreken van 't warme1 omdat daarnaar ook het leven genoemd is2 de anderen van het koude1 zeggende dat het ademhalen en de afkoeling aan de ziel den naam geeft 7- 1 -74 ,dit alzoo is wat ons geleerd is over de ziel met de gronden waarop de meeningen steunen4 #djf a #a--djg;b #bf4 ,heeft de ziel van nature eigen 7niet bijkomstige7 beweging8 ,neen1 want die vooronderstelt plaats2 stelt als mogelijk dwangbeweging en rust1 maakt haar tot een element en verplaatsbaar1 heft haar bijkomstige beweging op en brengt haar buiten zichzelf4 ,kritiek van ,democritus en ,plato's ,timaeus4 ,de besproken theorien behandelen eenzijdig de ziel afgescheiden van het lichaam4 #djf;a4 ,eerst nu moeten wij de beweging onderzoeken2 want misschien is het niet slechts onjuist dat het wezen der ziel zoodanig iets is1 dat zichzelf beweegt of kan bewegen1 zooals sommigen zeggen1 maar is het onmogelijk dat zij beweging heeft4 ,dat het nu niet noodzakelijk is dat het bewegende zelf bewogen wordt1 is vroeger #bc gezegd4 ,beweging is tweerlei2 alles nl4 beweegt f betrekkelijk f op zichzelf1 het eerste1 al wat beweegt doordat het zich in 't bewegende bevindt1 als de schippers1 immers hun beweging is niet gelijksoortig met die van het schip2 dit toch beweegt op zichzelf1 zij doordat ze zich bevinden in het bewegende4 ,wat uitkomt bij de onderdeelen3 want de eigen beweging der voeten is het loopen en zoo ook van de menschen en die hebben de schippers dan niet4 ,terwijl nu beweging in tweerlei zin gezegd wordt1 onderzoeken wij nu of de ziel op zichzelf beweegt en aan beweging deel heeft4 ,er zijn vier bewegingen3 verplaatsing1 verandering1 afneming en groei2 een of meer daarvan zal de ziel moeten hebben of allen4 ,is haar beweging geen bijkomstigheid1 dan heeft zij haar van nature en heeft zij daarmede ook een plaats2 want alle genoemde bewegingen geschieden op een plaats4 ,is het wezen van de ziel daarin gelegen dat zij zichzelf beweegt1 dan is haar beweging geen bijkomstigheid1 zooals bij het witte of #c el lange2 ook hierin immers is beweging1 maar die is bijkomstig2 het lichaam nl4 waarmee zij verbonden zijn1 beweegt4 ,zoo is er dan ook van hen geen plaats1 zooals van de ziel wl1 als beweging van nature haar deel is4 ,en verder als zij van nature beweegt1 zou zij ook door geweld kunnen bewogen worden en omgekeerd4 ,hetzelfde geldt van de rust2 de ziel zou dan plaatsen hebben van natuurlijke of gewelddadige beweging en rust4 ,maar welke de gewelddadige bewegingen en rust der ziel zijn1 dat zal men zich niet licht zelfs maar kunnen verbeelden4 ,gaat verder de beweging der ziel naar boven1 dan moet zij vuur zijn1 naar beneden1 aarde--want dit zijn de bewegingen van die lichamen--en overeenkomstig is de betrekking tot de tusschenliggende elementen4 ,voorts daar zij het lichaam blijkt te bewegen1 is het aannemelijk dat zij haar eigen bewegingen aan het lichaam meedeelt en dus omgekeerd naar waarheid te zeggen1 dat de beweging van het lichaam ook de hare is4 #djf;b4 ,de beweging van het lichaam is plaatsverandering2 dus zou ook de ziel op de wijze van het lichaam geheel of gedeeltelijk zich verplaatsen4 ,is dit mogelijk dan zou zij ook uit en weer in kunnen gaan en bij gevolg zouden de dooden kunnen opstaan4 ,de bijkomstige beweging zou zij van iets anders kunnen ontvangen2 zoo wanneer het levend wezen met geweld gestooten wordt4 ,maar behalve in dier voege moet datgene1 welks wezen zelfbeweging is1 niet door iets anders bewogen worden1 evenmin als het goede op zichzelf of door zichzelf om of door iets anders moet zijn4 ,en van de ziel zou men toch zeggen1 dat zij voornamelijk door de waarneembaarheden bewogen wordt1 ls zij bewogen wordt4 ,maar voorwaar ook indien zij zichzelf beweegt1 wordt zij toch ook bewogen en daar alle beweging wat bewogen wordt doet uittreden in de beweging1 zou de ziel ook uit haar wezen moeten uitgaan #bd1 als zij niet bijkomstig zichzelf beweegt1 maar de beweging tot haar eigen wezen op zichzelf behoort4 ,sommigen zeggen ook dat de ziel het lichaam waarin zij is haar eigen beweging meedeelt1 zooals ,demokritos in overeenstemming met den blijspeldichter ,philippos1 die ,daidalos de houten ,aphrodite laat maken en bewegen doordat hij er kwikzilver ingoot2 desgelijks zegt ook ,demokritos dat de bewegende ondeelbare bollen doordat ze van nature nooit in stilstand zijn het geheele lichaam meesleepen en bewegen4 ,wij vragen dan of ditzelfde ook de rust zal veroorzaken4 ,hoe dat zou gaan1 is moeilijk of liever onmogelijk te zeggen4 ,welbeschouwd schijnt de ziel niet z het levend wezen te bewegen maar door iets als bedoeling en gedachte4 ,op dezelfde wijs beschouwt ook de natuurleer van den ,timaios #be de beweging die de ziel aan 't lichaam meedeelt2 door haar eigen beweging beweegt zij het lichaam1 waarmede zij verbonden is4 ,terwijl zij samengesteld is uit de elementen en ingedeeld naar harmonische verhouding1 opdat zij aangeboren gewaarwording van harmonie hebbe en het heelal zich harmonisch bewege1 heeft 7de demiurg7 haar rechte baan tot een kring omgebogen en den eenen kring in twee gesplitst hebbende1 die bij twee punten verbonden zijn1 heeft hij weder den eenen in zeven kringen gesplitst1 daar 7volgens ,plato7 de hemelbewegingen die der ziel zijn4 #djg;a4 ,vooreerst nu is het niet behoorlijk de ziel een grootte te noemen2 blijkbaar nl4 bedoelt hij met de ,alziel zooiets als wat men wel #bf den geest noemt en niet iets als de gewaarwordende of de begeerende ziel1 want hun beweging is geen kringloop2 de geest is n en aaneen als het denken en het denken is de gedachten1 welke n zijn bij opeenvolging als het getal maar niet als de grootte2 daarom is ook de geest niet z aaneen1 maar f ondeelbaar f niet als een grootte aaneen4 ,en hoe ook zal hij denken als hij grootte is8 ,met eenig deel van zichzelf8 ,een deel dat grootte heeft of puntsgewijze is1 als men een punt ook een deel moet noemen4 ,gaat het puntsgewijze1 dan komt blijkbaar de gedachte nooit tot stand1 daar de punten eindeloos zijn2 en gaat het met grootte dan zal men dikwijls of eindeloos veel malen hetzelfde denken1 maar het blijkt dat het ook eenmaal mogelijk is #bg4 ,als voldoende is de aanraking met eenig deel1 waartoe is dan kringbeweging noodig of moet er in 't geheel van een grootte sprake zijn8 ,wanneer het denken aanraking door den geheelen kring vereischt1 wat doet dan de aanraking met de deelen8 ,en verder hoe kan men het gedeelde denken met het ongedeelde of omgekeerd8 ,het is noodzakelijk dat de geest de gezegde kring is1 want de beweging van den geest is het denken1 van den kring de draaiing2 is nu het denken de draaiing1 dan moet de geest de kring zijn welks zoodanige draaiing het denken is4 ,maar wat zal het zijn dat de geest altijd door denkt8--immers de draaiing duurt altijd door4 ,maar de gedachten van toegepaste wetenschap hebben grenzen1 want zij allen beoogen iets buiten zich2 en de theoretische overwegingen hebben eveneens hun grenzen in de redeneeringen1 zijnde allen f definitie f bewijs2 het bewijs nu gaat van een onderstelling uit en heeft op eenige wijze zijn einde in de sluitrede of de gevolgtrekking2 en als zij niet afloopen1 zoo keeren zij toch niet terug tot het uitgangspunt1 maar gaan voorwaarts met toevoeging telkens van middenterm en conclusie2 terwijl de draaiing weer tot 't begin ombuigt4 ,de definities zijn allen begrensd4 ,gebeurt verder dezelfde draaiing dikwijls dan zal men dikwijls hetzelfde moeten denken4 ,verder lijkt de gedachte meer op een rust en halt dan op beweging2 desgelijks de sluitrede4 #djg;b4 ,voorzeker is ook niet gelukzalig wat niet gemakkelijk gaat maar met geweld2 indien nu de beweging der ziel haar wezen niet is1 dan wordt zij tegen haar natuur bewogen #bh4 ,bezwaarlijk is het ook 7voor den geest7 onafscheidelijk gemengd te zijn met het lichaam2 ja zelfs verwerpelijk1 als het werkelijk voor den geest beter is zonder het lichaam te zijn1 zooals ,plato pleegt te zeggen1 waarmee dan velen instemmen4 ,onduidelijk blijft ook de oorzaak van de kringbeweging des heelals1 want noch is het wezen der ziel oorzaak der kringbeweging1 maar die is haar bijkomstig1 noch is het lichaam oorzaak1 maar veeleer is de ziel oorzaak voor 't lichaam4 ,en eindelijk ontbreekt ook het bewijs waarom het dienstig is1 terwijl toch de godheid daarom de kringbeweging aan de ziel moest geven omdat het haar dienstiger is te bewegen dan te rusten en z te bewegen en niet anders4 ,maar daar dergelijk onderzoek in een andere wetenschap meer thuis hoort1 willen wij het thans daarlaten4 ,deze ongerijmdheid deelt ,plato's redeneering met de meesten over de ziel1 dat zij n4l4 de ziel verbinden met en stellen in het lichaam zonder de bepaling erbij te voegen van de oorzaak 7dier verbinding7 en van de verhouding van 't lichaam4 ,en dat mag toch een eisch heeten2 want door de gemeenschap is het eene werkend1 het andere lijdend en wordt het eene bewogen terwijl het andere beweegt en deze verhoudingen gelden nimmer voor onverschillige dingen onderling4 ,maar zij beproeven alleen te bepalen wat de ziel is1 doch geven er verder geen bepaling bij van het lichaam dat de ziel moet opnemen1 alsof het mogelijk ware dat naar de verhalen der ,pythagorers een ziel1 welke ook1 haar intrek nam in 't eerste 't beste lichaam4 ,neen1 elk lichaam moet wel eigen gestalte en vorm #bi hebben4 't ,is hetzelfde alsof men zeide dat de timmerkunst fluiten betrok2 want de kunst moet haar 7eigen7 werktuigen en de ziel het lichaam gebruiken4 #djg b #bg--djh a #bh4 ,de ziel is geen harmonie1 zooals velen gelooven3 noch harmonie als samenstelling van deelen noch als de verhouding in de samenstelling4 ,bezwaren tegen ,empedocles1 die de ziel uit al de elementen maakt en elk element als verhouding denkt en tevens de 7liefde7 oorzaak der verbinding doet zijn1 dus iets buiten de verbinding zelve4 ,maar hoe dan te denken over de scheiding van ziel en lichaam8 ,ook is een andere meening geleerd over de ziel die bij velen niet minder geloof vindt dan eenige andere der behandelden en die ook in de tot gemeen goed gemaakte besprekingen #cj een soort van proces heeft doorstaan4 ,men zegt nl4 dat zij een zekere harmonie is2 dat immers de harmonie een menging en samenvoeging van tegendeelen is en dat het lichaam samengesteld is uit tegendeelen4 ,evenwel de harmonie is een verhouding van de gemengden of een samenvoeging en de ziel kan geen van beiden zijn4 ,verder is bewegen geen eigenschap van harmonie en dat schrijven allen wel ongeveer 't meest aan de ziel toe4 ,het past meer bij gezondheid van harmonie te spreken en in 't algemeen bij de lichamelijke deugden dan bij de ziel4 ,het duidelijkst blijkt 7de ongelijkheid7 wanneer men zou beproeven het doen en lijden der ziel op een harmonie over te brengen--dat is moeilijk te harmonieeren4 ,voorts als wij spreken van harmonie in twee gevallen en wel eigenlijk bij de grootheden die beweging en plaats hebben hun samenvoeging zdanig dat zij niets gelijksoortigs kan opnemen en ten tweede ook de verhouding van de gemengden--nu1 dan zijn geen van beide opvattingen 7voor de ziel7 aannemelijk en die van de harmonische samenvoeging der lichaamsdeelen laat zich al te gemakkelijk weerleggen4 ,want er zijn vele samenvoegingen der deelen en op vele wijzen2 van welk deel of hoe moet men nu aannemen dat de geest een samenvoeging is of de gewaarwording of de begeerte8 ,even ongerijmd is de meening dat de ziel de verhouding van de menging is2 want de verhouding bij de vermenging der elementen is niet dezelfde voor vleesch en been4 ,waaruit volgt dat men vele zielen zal hebben en door het heele lichaam heen1 als alles bestaat uit het mengsel der elementen en de verhouding der menging harmonie en ziel is4 ,hierover zou men ook ,empedocles rekenschap kunnen vragen1 die zegt dat elk der deelen naar een bepaalde verhouding 7der elementen7 ingericht is2 is nu de verhouding de ziel of komt deze als iets nieuws in de deelen8 ,is verder de liefde de oorzaak van onverschillig welke menging of van die naar de juiste verhouding8 ,en is deze de verhouding of iets anders daarnevens8 ,dat alles zijn daarbij verlegenheden4 ,en als de ziel iets anders dan de menging is1 waarom wordt zij dan vernietigd met het bestaan van het vleesch en van de andere deelen van het levend wezen8 ,bovendien indien niet ieder der deelen een ziel heeft1 en indien de ziel niet is de verhouding der menging1 wat wordt dan eigenlijk vernietigd als de ziel weg gaat8 #djh a #bi--;b #bi4 ,van beweging der ziel spreekt men minder juist1 wanneer het juiste is lichamelijke beweging van haar uitgaande of tot haar strekkende1 als bij gewaarwording of herinnering2 de werkzaamheid ook van den geest lijdt van ziekte en ouderdom1 dus van 't lichamelijke1 maar de geest zelf is een zelfstandigheid4 ,uit het gezegde nu blijkt dat de ziel onmogelijk harmonie kan zijn noch kringbeweging kan hebben4 ,wel kan zij1 zooals gezegd is1 bijkomstig bewogen worden en zichzelf bewegen1 zoo b4v4 dat datgene bewogen wordt1 waarin zij is en wel door de ziel bewogen wordt1 anders is ruimtelijke beweging voor haar onmogelijk4 #djh;b4 ,met meer grond zou men over hare beweging kunnen redekavelen uit dergelijke overwegingen1 dat men zegt dat de ziel smart en vreugde ondervindt1 gerust is of vreest1 voorts toornig wordt1 waarneemt en denkt2 want dat alles zullen bewegingen zijn4 ,en dus zou men meenen dat zij bewogen wordt1 maar dat is niet noodzakelijk4 ,want al zijn ook werkelijk smart1 vreugde en denken bewegingen en is elk daarvan bewogen worden1 bewogen worden door de ziel--b4v4 toornig worden of vreezen zulk een beweging van het hart1 denken 7beweging7 van dit wellicht of van iets anders--en gebeurt dit bij eenige ervan door verplaatsende beweging1 bij anderen door verandering van hoedanigheid 7bij welke en welke verandering is hier niet de vraag72 dan is het zeggen dat de ziel toornig wordt1 zoo1 alsof men zeide dat de ziel weeft of bouwt4 ,het lijkt wel beter niet te zeggen dat de ziel medelijden heeft of leert of denkt1 maar de mensch met zijn ziel en wel omdat de beweging niet in haar is1 maar soms tot aan haar1 soms van haar uit b4v4 de gewaarwording van deze voorwerpen hier uitgaande tot aan haar1 de herinnering van haar uit naar de bewegingen of stilstanden in de zintuigen4 ,de geest schijnt 7in den mensch7 te zijn een zelfstandigheid1 die onvernietigbaar is4 ,anders moest hij vooral vernietigd worden door de verduistering in den ouderdom2 doch denkelijk geldt hier hetzelfde als bij de zintuigen2 als de grijsaard eens zlk een oog kreeg1 dan zou hij kunnen zien als een jongeling4 ,alzoo heeft de ouderdom niet tot oorzaak eenig ondervinden van de ziel1 maar van 't lichaam waarin zij is1 zooals bij dronkenschap en ziekte4 ,zoo kwijnt dan het denken en studeeren doordat iets anders inwendig afbreuk lijdt1 maar zelf is het onaantastbaar4 ,het denken1 beminnen en haten tasten niet den geest aan1 maar dat bepaalde1 dat hem bevat in zoover het hem bevat4 ,gaat daarom dat 7bevattende7 te loor1 dan houdt herinneren #ca en beminnen op2 want die behoorden niet aan den geest1 maar aan het geheel1 dat verloren is4 ,de geest echter lijkt wel iets goddelijkers en onaangedaan4 #djh b #cj--dji b #ah4 7,xenokrates'7 leer der ziel als zelfbewegend getal4 ,uit deze beschouwingen dus blijkt dat het niet mogelijk is dat de ziel bewogen wordt en als zij in 't geheel niet bewogen wordt1 dan natuurlijk ook niet door zich zelf4 ,verreweg het ongerijmds van de beweringen is die1 dat de ziel een zichzelf bewegend getal is2 want wie dat zeggen hebben vooreerst de onmogelijkheden die uit de beweging voortkomen en dan nog bizondere uit de stelling dat zij getal is4 ,hoe toch moet men denken een eenheid1 die bewogen wordt1 door wat en hoe1 daar zij ongedeeld en ononderscheiden is8 ,is zij immers bewegend en bewogen dan moet er onderscheid in zijn4 ,en dan3 aangezien naar men zegt de beweging van een lijn een vlak1 die van een punt een lijn maakt1 zoo zullen ook de bewegingen van de eenheden lijnen zijn2 het punt is nl4 een eenheid met plaats en het getal van de ziel is dan zeker ergens en heeft een plaats4 ,verder3 als men van een getal een getal of een eenheid aftrekt1 dan blijft er een ander getal over2 maar de planten en vele dieren blijven na verdeeling leven en blijken dan soortelijk dezelfde ziel te houden4 ,men zou ook evengoed als van eenheden kunnen spreken van molekels2 want als men de bolletjes van ,demokritos terugbrengt tot punten1 zoodat slechts de veelheid blijft1 moet daarin zijn het onderscheid van bewegen en bewogen worden evenals in het aaneengesloten geheel2 dat onderscheid immers hangt niet samen met het verschil van grootte of kleinheid1 maar het is er om het aantal4 ,dus moet er iets zijn dat de eenheden bewegen kan4 ,wanneer nu in het levend wezen het bewegende de ziel is1 dan is zij het ook in het getal en dus zou de ziel niet zijn het bewegende en wat bewogen wordt1 maar alleen het bewegende4 ,hoe kan dat dan een eenheid zijn8 ,er moet dan toch een onderscheid zijn tusschen haar en de andere 7eenheden74 ,en welk onderscheid kan een eenheid-punt hebben behalve van plaats8 ,zijn nu de punten in het lichaam verschillend van de eenheden1 dan zullen de eenheden op dezelfde plaats zijn 7met de punten72 want elke zal de plaats van een punt innemen4 ,echter wat belet dat1 zoo er twee1 dan ook eindeloos vele op dezelfde plaats zijn8 ,want dingen wier plaats ongescheiden is1 zijn zelf ook ongescheiden4 ,en indien de punten in 't lichaam het getal van de ziel zijn of indien het getal van de punten in 't lichaam de ziel is1 waarom hebben dan niet alle lichamen een ziel8 ,punten moeten er toch in allen zijn en wel eindeloos vele4 ,en dan hoe is het mogelijk dat de punten gescheiden en afgescheiden worden van 't lichaam1 terwijl toch niet de lijnen zich laten verdeelen in punten8 ,zooals gezegd is1 stemmen zij eenerzijds overeen met hen die de ziel iets fijns lichamelijks noemen1 anderzijds is er een bizondere ongerijmdheid doordat zij als ,demokritos de beweging laten uitgaan van de ziel4 #dji;b4 ,want daar toch de ziel in het geheele gewaarwordende lichaam is1 moeten er twee lichamen op dezelfde plaats zijn1 als de ziel een lichaam is2 die de ziel een getal noemen1 moeten aannemen dat in het eene punt vele punten zijn of dat elk lichaam een ziel heeft1 wanneer niet het er in zijnd getal verschillend is en iets anders dan het getal van de in de lichamen zijnde punten4 ,ook is een gevolgtrekking dat het levend wezen bewogen wordt door het getal1 zooals wij zeiden dat ook ,demokritos het laat bewegen2 want welk verschil maakt het te spreken van kleine bolletjes of groote eenheden of in 't geheel van bewegende eenheden8 ,op beide wijzen toch is noodzakelijk de beweging van 't levend wezen door hen veroorzaakt doordat zij bewogen worden4 ,die dus beweging en getal samenvlechten leiden tot die en vele dergelijke gevolgen4 ,zoo iets kan immers niet slechts geen definitie van de ziel zijn1 maar zelfs geen bijkomstigheid4 ,dit blijkt als men zou beproeven op grond van die bewering rekenschap te geven van 't lijden en doen van de ziel1 b4v4 van redeneeringen1 gewaarwordingen1 vreugden1 smarten enz4 ,immers die beweringen geven1 zooals wij vroeger zeiden1 niet eens licht grond tot gissingen #cb4 #dji b #ai--daj b #ae4 ,de ziel1 het waarnemende1 uit de elementen1 z dat het gelijke het gelijke waarneemt4 ,bezwaren tegen deze theorie en tegen ,empedokles4 ,drie wijzen zijn geleerd waarop men de ziel definieert3 als 't bij uitstek bewegende doordat zij zich zelf beweegt2 als het fijnste of meest onlichamelijke lichaam2 de moeilijkheden en tegenspraken die zich hierbij voordoen hebben wij in hoofdzaak besproken en er blijft over na te gaan hoe het staat met de bewering dat de ziel uit de elementen bestaat4 ,dat zegt men1 opdat zij de dingen zal waarnemen en elk ding zal kennen1 maar vele onmogelijkheden volgen uit die redeneering noodzakelijk4 ,men stelt n4l4 dat het gelijke het gelijke kent1 de ziel als 't ware de dingen noemende4 ,maar dat zijn niet alleen deze 7de elementen7 maar nog vele anderen of liever tallooze die er uit samengesteld zijn4 ,toegegeven dat de ziel kent en waarneemt de elk ding samenstellende elementen2 waardoor zal zij echter het geheel kennen of waarnemen1 b4v4 god1 mensch1 vleesch of been en desgelijks elk ander samenstel8 ,want ieder daarvan is niet uit de elementen willekeurig1 maar in een bepaalde verhouding en samenstelling1 zooals ,empedokles omtrent gebeente zegt3 ,de vriendelijke aarde nam in den ruimen smeltkroes twee achtste deelen glanzend vocht en vier deelen ,hephaestus3 zoo ontstonden de witte beenderen0 #cc4 ,het helpt dus niets dat de elementen in de ziel zijn1 indien niet ook de verhoudingen en de samenvoeging er in zijn2 elk element immers zal het gelijke erkennen1 maar niets het gebeente of den mensch1 zoo niet deze ook er in zijn--onmogelijkheid die geen betoog behoeft2 want wie kan twijfelen of er in de ziel een steen of mensch is8 ,evenzoo zal niets het goede en 't omgekeerde erkennen2 en zoo ook met 't andere4 ,verder wordt er van het zijnde in vele beteekenissen gesproken3 als substantie1 hoeveelheid1 hoedanigheid of eenige andere der onderscheiden kategorien2 zal nu de ziel uit allen bestaan of niet8 ,maar het blijkt niet dat er elementen zijn die aan alle kategorien gemeenschappelijk zijn4 ,dan alleen uit de substantie-elementen8 ,hoe kent zij dan al het andere8 ,of zal men aannemen dat er van elke kategorie eigen elementen en principes zijn en dat de ziel daaruit bestaat8 ,dan zal er hoeveelheid1 hoedanigheid en substantie 7in7 zijn4 ,maar het is onmogelijk dat uit hoeveelheids-elementen een substantie1 niet een hoeveelheid is4 ,die dus de ziel uit alle elementen samenstellen treffen deze en meer dergelijke bezwaren4 ,het is ook ongerijmd te zeggen dat het gelijke onaandoenlijk is voor het gelijke en dat het gelijke het gelijke waarneemt en door het gelijke het gelijke kent1 terwijl men het waarnemen een lijden en bewogen worden noemt en desgelijks het denken en kennen4 ,van de vele verlegenheden en moeilijkheden die het geeft om met ,empedokles te zeggen dat alle dingen door de stoffelijke elementen gekend worden1 en bovendien het gelijke door het gelijke1 is n aanwijzing wat nu gezegd wordt3 alles nl4 wat in de lichamen der levende wezens zonder meer aarde is1 als gebeente1 spieren1 haren1 blijken niets waar te nemen en dus ook niet het gelijke1 wat toch behoorde4 ,bovendien zal elk der elementen meer onkunde dan begrip hebben2 want elk zal n ding kennen maar vele dingen niet kennen nl4 al de andere4 ,empedokles moet besluiten dat de godheid het onwijst is2 hij toch alleen kent n element1 de strijd #cd niet2 wel alle sterfelijke dingen1 die immers uit alle elementen bestaan4 ,waarom in 't geheel hebben niet alle dingen een ziel1 daar elk ding of een element is of uit een of meer of alle elementen bestaat1 z dat het een of eenige of alle dingen moet kennen8 ,ook zou men de vraag kunnen opwerpen wat het wel is dat in de elementen de eenheid maakt2 want zij gelijken de stof en dat samenhoudende1 wat het ook zij1 is het krachtigste2 maar het is onmogelijk dat er iets krachtigers zou zijn dan de ziel of dat voorgaat2 nog onmogelijker dan de geest2 die moet redelijkerwijze de eerste en heerschend uitteraard zijn2 maar zij zeggen dat de elementen de eersten der dingen zijn4 #daj b #af--daa a #bc4 ,deze opvatting omtrent de ziel en die van de ziel als het bewegende omvatten niet alle ziel noch eenige in haar geheel2 bij beperking van de eerste tot denken en waarnemen evenmin4 ,bezwaren tegen de ,orphische leer omtrent de ziel als deel van de ,alziel door inademing opgenomen4 ,de ziel behoeft om te kennen niet uit alle elementen te bestaan1 maar slechts uit de eene helft der tegengestelde4 ,thales' ,alziel4 ,allen zoowel die zeggen dat de ziel uit de elementen is om het kennen en gewaarworden van de dingen1 als die haar het allerbewegelijkste noemen1 spreken niet over elke ziel4 ,want eensdeels is niet al wat gewaarwordt bewegend2 #ce aangezien sommige levende wezens aan hun plaats gebonden blijken2 en toch geeft de ziel wel deze beweging in 't bizonder aan het levende wezen4 't ,zelfde geldt van wie den geest en het gewaarwordingsvermogen uit de elementen doen bestaan2 want het blijkt dat de planten leven zonder beweging en waarneming en dat vele dieren geen verstand hebben4 ,als men dit ook zou toestaan dat men den geest en desgelijks het waarnemingsvermogen een deel van de ziel noemt1 dan spreken zij toch niet gemeenschappelijk over alle ziel noch over eenige in haar geheel4 ,dit geldt ook van de opvatting in de zoogenaamde ,orphische verzen3 dat de ziel uit het heelal intreedt bij het ademhalen1 gedragen door de winden4 ,dan kan dit niet uitkomen voor de planten en voor eenige dieren1 daar niet allen ademhalen2 maar dit hebben zij1 die zoo meenen1 niet opgemerkt4 ,en als men de ziel uit de elementen moet doen bestaan1 behoeft het geenszins te zijn uit alle2 want van de tegendeelen is de eene helft voldoende om zichzelf te beoordeelen en het tegendeel4 ,immers door het rechte kennen wij dit zelf en het kromme1 want over beiden oordeelt het richtsnoer1 maar het kromme noch over zich zelf noch over het rechte4 ,ook zeggen sommigen dat de ziel in het heelal gemengd is1 van waar misschien ook ,thales meende dat alles vol van goden was4 ,dit baart eenige verlegenheden2 waarom toch maakt de ziel in de lucht of het vuur geen levend wezen1 maar wel in de mengselen en dat nog wel als zij in de eersten beter moet zijn8 ,verder zou men moeten vragen waarom de ziel in de lucht beter en onsterfelijker is dan die in de levende wezens4 ,in beide gevallen komt men tot iets ongerijmds en onredelijks2 immers het vuur of de lucht een levend wezen te noemen is erg onredelijk en geen levende wezens aan te nemen als de ziel er in is1 is ongerijmd4 ,het schijnt dat zij meenen dat de ziel in deze 7elementen7 is1 omdat het geheel gelijksoortig is met de deelen2 zoodat zij ook moeten zeggen dat de ziel gelijksoortig is met haar deelen1 als de levende wezens bezield worden doordat een deel van de atmosfeer in hen afgezonderd wordt4 ,maar als de lucht na verdeeling gelijksoortig en de ziel ongelijksoortig van deelen is1 zal er blijkbaar iets van haar aanwezig zijn en iets anders niet4 ,alzoo moet de ziel f gelijksoortig van deelen zijn of niet in elk willekeurig deel van 't geheel daar zijn4 #daa a #bd--;b #cj4 ,kritiek van de leer der soortelijk onderscheiden zielsdeelen4 ,de ziel blijft n na verdeeling van het lichaam bij planten en sommige insecten2 die ziel is dan het principe dat planten en dieren gemeen hebben4 ,uit het gezegde blijkt dus dat het kenvermogen der ziel niet tot grond heeft dat zij uit de elementen bestaat en dat van een beweging der ziel niet goed of waar gesproken wordt4 ,daar nu het kennen tot de ziel behoort en het gewaarworden en meenen en verder het begeeren en willen en de neigingen in 't geheel en ook de plaatselijke beweging voor de levende wezens uit de ziel voortkomt en bovendien groei1 rijpheid en neergang1 komt de vraag op of dit alles tot de heele ziel behoort1 of wij met de heele ziel denken1 gewaarworden1 bewegen en al 't andere doen en lijden of dat er verschillende deelen met verschillende werking zijn8 #daa;b4 ,en het leven eindelijk1 ligt dat in een van de deelen of in meer of in allen of heeft het nog een anderen grond8 ,sommigen dan zeggen dat de ziel deelen heeft en dat een deel denkt1 een ander begeert4 ,wat is het dan toch wel1 dat de ziel samenhoudt als zij gedeeld is8 ,toch wel niet het lichaam2 omgekeerd zal veeleer de ziel het lichaam samenhouden2 immers als de ziel uitgetreden is1 verwaait en vergaat0 #cf het lichaam4 ,als dus iets anders haar n maakt1 dan is dt eigenlijk de ziel en daarvan zal men weer moeten vragen of het n of meerledig is4 ,is het n1 waarom dan niet van 't begin af ook de ziel n8 ,is het gedeeld1 dan moet de redeneering weer naar het samenhoudende daarvan vragen en gaat zij zoo voort in 't eindelooze4 ,men zou ook kunnen vragen omtrent de deelen der ziel1 welk vermogen elk deel in het lichaam heeft4 ,immers indien de heele ziel het geheele lichaam samenhoudt1 moet ook elk deel een deel van het lichaam samenhouden4 ,dat lijkt iets onmogelijks2 welk deel toch de geest samenhoudt of hoe1 valt moeilijk zelfs te verzinnen4 ,het blijkt ook dat de planten bij verdeeling leven en onder de dieren eenige insecten1 z dat de deelen dezelfde ziel hebben soortelijk1 ofschoon niet numeriek2 want elk van de helften hebben gewaarwording en plaatselijke beweging een tijd lang4 ,dat het niet blijvend is1 is niet vreemd2 want zij hebben niet de organen om hun wezen te handhaven4 ,maar desniettemin hebben elk der helften alle deelen van de ziel en de deelzielen zijn soortgelijk onderling en met de geheele ziel1 tegenover elkaar als of zij 7de deelzielen7 niet zelfstandig zijn1 tegenover de geheele ziel z dat die deelbaar is4 ,ook lijkt het principe in de planten een soort ziel2 want dit alleen is gemeenschappelijk aan dieren en planten en het bestaat gescheiden van het principe der gewaarwording1 maar niets heeft gewaarwording zonder dit principe4 ,einde van boek ,i4 #daa b #ca--dab b #i4 ,algemeene definitie3 de ziel is de eerste 7voorloopige7 werkelijkheid van een natuurlijk bewerktuigd lichaam4 ,deze werkelijkheid is de ware eenheid van ziel en lichaam4 #dab;a4 ,wat de vroegeren omtrent de ziel geleerd hebben1 daaromtrent volsta het gezegde2 laat ons als van 't begin af terugkeeren en trachten de ziel te bepalen en de algemeenste definitie er van op te geven4 ,wij noemen dan een kategorie der dingen de substantie en van deze spreken wij eenerzijds als stof1 wat op zichzelf niet iets bepaalds is1 anderzijds als vorm en gestalte1 naar welke eerst van iets bepaalds sprake is2 als derde noemen we wat uit beiden voortkomt4 ,de stof is mogelijkheid1 de vorm werkelijkheid #cg en dat in tweevoudigen zin1 deels zooals de kennis1 deels zooals het studeeren4 ,substanties in den eigenlijksten zin zijn de lichamen en van deze de natuurlijke2 want die zijn de ,principes van de anderen4 ,de natuurlijke lichamen zijn levend of levenloos2 leven is zelfonderhouding1 groei en afname4 ,dus is elk natuurlijk1 levend1 lichaam substantie en wel als de samengestelde4 ,daar nu ook van een zoodanig geheel1 nl4 een levend lichaam1 sprake is1 is het niet het lichaam dat de ziel is2 want het lichaam is geen op een voorondersteld iets betrokken zijn1 maar verhoudt zich veeleer als vooronderstelde en stof4 ,derhalve moet de ziel substantie zijn als vorm van een natuurlijk lichaam1 dat naar mogelijkheid leven heeft4 ,die substantie is werkelijkheid4 ,de ziel is dus van een zoodanig lichaam de werkelijkheid4 ,deze is tweevoudig1 deels zooals de kennis1 deels zooals het studeeren4 ,blijkbaar dus zooals de kennis2 want in 't aanzijn van de ziel is n slaap n waken2 het waken is overeenkomstig met het uitoefenen1 de slaap met het bezitten zonder werkzaamheid2 als verschijnsel is bij den enkeling de kennis voorafgaand4 ,derhalve is de ziel de eerste werkelijkheid van een natuurlijk lichaam dat naar mogelijkheid leven heeft4 ,een zoodanig lichaam is dat1 wat bewerktuigd is4 ,organen zijn ook de deelen der planten1 maar gansch eenvoudige3 zoo is het blad omhulsel van de vruchtwand1 de vruchtwand van de vrucht2 de wortels zijn overeenkomstig met den mond1 want beiden nemen het voedsel op4 #dab;b4 ,moet men dus een voor alle ziel gemeenschappelijke definitie geven dan is zij de eerste werkelijkheid van een natuurlijk1 bewerktuigd1 lichaam4 ,daarom moet men ook niet vragen of de ziel en het lichaam n is1 evenmin als van de was en de figuur of in 't algemeen van de stof van elk ding en datgene waarvan de stof grondslag is4 ,want terwijl men van n0 en zijn0 spreekt in verscheiden zin1 is het eigenlijke de werkelijkheid4 #dab;b #aj--dac a #aj4 ,de ziel het wezen van het lichaam1 als het gezicht het wezen van het oog en de gewaarwording van het heele gewaarwordende lichaam4 ,het naar mogelijkheid levende is niet het doode1 noch is de ziel meer dan in aanleg het werkzame4 ,scheiding van ziel en lichaam4 ,ziel en lichaam als schipper en schip8 ,wat nu de ziel is1 is in 't algemeen gezegd nl4 substantie naar het begrip beschouwd4 ,en dat is het wezen voor het bepaald lichaam4 ,stel dat een werktuig b4v4 een bijl een natuurlijk lichaam was1 dan zou immers het bijlwezen zijn substantie zijn en de ziel zou dt zijn2 van deze gescheiden zou het alleen nog in naam een bijl zijn4 ,maar nu is het een bijl2 immers niet bij een zoodanig lichaam is het wezen en het begrip de ziel1 maar van een bepaald natuurlijk lichaam dat het principe van beweging en rust in zichzelf heeft4 ,men moet het gezegde ook bij de onderdeelen nagaan4 ,als 't oog een levend wezen was1 dan zou 't gezicht daarvan de ziel zijn1 want dat is de substantie van 't oog naar het begrip beschouwd4 ,het oog is de stof van het gezicht2 ontbreekt dit dan is het geen oog meer behalve in naam1 als 't steenen oog of 't geschilderde4 ,wat nu van 't deel geldt moet men toepassen op 't geheele levende lichaam2 want zooals 't deel 7van 't gewaarworden7 staat tot 't 7lichaams7deel1 zoo de geheele gewaarwording tegenover het heele gewaarwordende lichaam als zoodanig4 ,niet wat de ziel verloren heeft1 heeft naar mogelijkheid de strekking tot leven1 maar wat de ziel heeft2 het zaad en de vrucht is naar mogelijkheid het bepaalde lichaam4 #dac;a4 ,en zooals het snijden en het aanschouwen1 zoo is ook het waken de werkelijkheid1 zooals het gezicht en de kracht van het werktuig1 de ziel2 en het lichaam is het naar mogelijkheid zijnde2 maar zooals het oog de pupil mt het gezicht is1 zoo hier een levend wezen de ziel mt het lichaam4 ,dat nu de ziel niet gescheiden is van 't lichaam1 of als zij deelbaar is1 deelen van haar1 is duidelijk2 want van eenige 7zielsdeelen7 is de werkelijkheid bij de deelen 7des lichaams7 zelf behoorend2 niets intusschen belet de scheiding bij sommige deelen1 doordat die geen werkelijkheid van eenig lichaam zijn4 ,bovendien is nog niet duidelijk of niet de ziel z de werkelijkheid des lichaams is als de schipper van een schip4 ,zoo nu moeten in 't algemeen de bepalingen en omtrekken van de ziel zijn4 #dac a #aa--dad a #c4 ,eisch voor de ware definitie3 zij moet van de ervaring tot het begrip voeren4 ,de ziel is het kenmerk van het leven4 ,het leven is op zijn minst zelfonderhoud1 groei en afname1 als bij de planten2 bij de dieren komt er gewaarwording bij en daarvan allereerst de tastzin2 beiden om nader te bespreken reden4 ,de vermogens en hun onderdeelen bestaan trapsgewijze1 de verderen niet zonder de eersten4 ,bij verdeeling van planten en insecten blijft de ziel n met hare vermogens2 die zijn dus niet zelfstandig1 behalve misschien het denkvermogen4 ,alleen in begrip zijn de vermogens te scheiden4 ,daar uit het meer bekende maar dat onduidelijk is voortkomt het duidelijke en wat naar 't begrip meer kenbaarheid heeft1 moeten wij weer beproeven op die wijs haar wezen na te gaan2 immers de definitie moet niet alleen het dat0 uitdrukken1 zooals de meeste definities doen1 maar moeten ook de oorzaak inhouden en doen blijken4 ,nu lijken de definities wel conclusies van de sluitredenen b4v4 kwadraatmaken is het maken van een gelijkzijdige rechthoek gelijk aan een ongelijkzijdigen4 ,zulk een definitie is de conclusie van de sluitrede2 maar de 7def47 die kwadraatmaking noemt het vinden van een gemiddelde noemt de oorzaak van de zaak4 ,als uitgangspunt van het onderzoek dan nemen wij dat het bezielde van het onbezielde onderscheiden is door het leven4 ,wanneer van de meerdere opvattingen die het woord leven heeft er maar n in het ding aanwezig is1 zeggen wij dat het leeft1 zooals verstand1 gewaarwording1 plaatselijke beweging en rust1 ook inwerking door voeding en afname en groei4 ,daarom spreekt men ook van leven bij alle planten2 immers die blijken in zich een vermogen en principe te hebben zoodanig dat zij afnemen en aangroeien in de tegengestelde richtingen2 want niet naar boven alleen groeien zij en niet naar onder1 maar gelijkelijk in beide richtingen en overal heen voeden zij zich en leven voortdurend1 zoolang zij voedsel kunnen nemen4 ,dit vermogen kan van de anderen afgescheiden worden1 de anderen niet hiervan in de sterfelijke wezens4 ,dit blijkt bij de gewassen1 die geen ander zielsvermogen hebben4 #dac;b4 ,het leven nu bezitten de levende wezens door dit principe1 maar met de gewaarwording eerst is er sprake van het dier3 immers ook wat zich niet beweegt noch van plaats verandert1 maar gewaarwording heeft1 noemen wij dier en niet slechts levend wezen4 ,van gewaarwording bezitten allereerst allen tastzin4 ,zooals het voedingsvermogen kan afgescheiden worden van den tastzin en alle gewaarwording1 zoo de tastzin van de andere gewaarwordingen4 ,het voedende noemen wij het zoodanige deel van de ziel1 dat ook de gewassen toekomt2 al de dieren blijken den tastzin te bezitten2 door welke oorzaak het eene en het andere zoo is1 zal later ter sprake komen4 ,nu willen wij ons hiertoe bepalen1 dat de ziel van de genoemde vermogens de bron is en zich daarnaar onderscheidt als 't voedende1 gewaarwordende1 denkende en de beweging4 ,of elk daarvan ziel of deel der ziel is1 en zoo deel1 scheidbaar alleen in begrip of ook in plaats1 dat is betreffende sommigen dier vermogens niet moeilijk te zien1 maar eenigen geven bezwaar4 ,zooals immers bij de planten eenigen bij verdeeling blijken te leven1 gescheiden van elkaar1 en de ziel dus daarin in werkelijkheid n is in elke plant1 maar is mogelijkheid meervoudig1 hetzelfde zien wij in andere onderscheidingen van de ziel gebeuren bij de gelede dieren als zij doorgesneden worden2 immers elk van beide deelen heeft gewaarwording en plaatselijke beweging en met gewaarwording immers ook voorstelling en streven2 want waar gewaarwording is1 is ook smart en vreugde en waar deze zijn is noodzakelijk ook begeerte4 ,wat den geest betreft en het denkvermogen is nog niets gebleken1 maar het lijkt een ander soort van ziel te zijn en dit alleen kan afgescheiden bestaan als het eeuwige afgescheiden van het vergankelijke4 ,de overige deelen van de ziel zijn1 zooals uit het gezegde blijkt1 niet afscheidbaar1 gelijk sommigen #ch zeggen1 maar wl verschillend volgens het begrip2 want gewaarwording hebben en vermogen tot oordeelen is verschillend1 daar toch gewaarworden verschilt van oordeelen4 ,en hetzelfde geldt van elk van de andere genoemde vermogens4 ,en verder hebben eenige der levende wezens al deze vermogens1 sommige sommigen er van en eenigen slechts n--en hierin zal het onderscheid tusschen de levende wezens gevonden worden--2 de oorzaak hiervan moeten wij later nagaan4 #dad;a4 ,hetzelfde geldt voor de gewaarwordingen2 sommigen bezitten allen1 anderen eenigen1 anderen alleen de noodzakelijkste1 den tastzin4 #dad a #d--bh4 ,de ziel1 als eigenlijke bron van het leven1 is vorm1 niet stof en vorm van een bepaald lichaam1 zooals de vorm in 't algemeen een eigen stof vooronderstelt4 ,datgene nu waardoor wij leven en gewaarworden laat zich op twee wijzen bespreken evenals datgene waardoor wij weten 7aan de eene kant wetenschap1 aan de andere de ziel2 want door elk van deze beiden zeggen wij te weten72 en evenzeer is datgene1 waardoor wij gezond zijn1 aan de eene kant gezondheid1 aan den anderen een deel of 't geheel van 't lichaam4 ,naardien nu de wetenschap en de gezondheid vorm en gestalte en begrip en om zoo te zeggen werkelijkheid van het opnemende is1 de eerste de werkelijkheid van het voorkennis-geschikte1 de andere van het op-de-gezondheid-betrekkinghebbende 7daar namelijk in het lijdende en aangedane de werkelijkheid van het werkende is7 en de ziel datgene is waardoor wij leven en gewaarworden en denken in eigenlijken zin1 is dus de ziel een begrip en gestalte1 maar niet stof en substraat4 ,daar substantie1 zooals wij zeiden1 drierlei beteekent1 eensdeels vorm1 anderdeels stof1 eindelijk beider samenstel en hiervan de stof mogelijkheid1 de vorm werkelijkheid en beider samenstel het bezielde is1 is niet het lichaam de werkelijkheid van de ziel1 maar deze die van een bepaald lichaam4 ,en daarom oordeelen zij juist1 die meenen dat de ziel niet zonder lichaam is1 maar ook geen lichaam2 want zij is geen lichaam maar verbonden met het lichaam en is daarom in een lichaam aanwezig en in een bepaald lichaam1 niet zooals de vroegeren haar in een lichaam voegden zonder nadere bepaling in welk en hoedanig lichaam1 ofschoon ook volgens de ervaring niet iets willekeurigs iets wat dan ook opneemt4 ,zoo is het ook in overeenstemming met het begrip2 want de werkelijkheid van ieder ding pleegt te komen in wat de mogelijkheid inhoudt en in de bijbehoorende stof4 ,dat de ziel nu een werkelijkheid is en begrip van datgene wat de mogelijkheid heeft om het resultaat te zijn1 is hieruit duidelijk4 #dad a #bi--dae a #ac4 ,de vermogens van de ziel van het eenvoudigste tot het hoogste--van het voedingsvermogen tot het denken--vormen een reeks1 waarnaar de levende wezens onderscheiden worden4 ,de algemeene definitie voldoet bij ziel evenmin als bij figuur2 de volgorde moet begrepen en elk zielsvermogen afzonderlijk behandeld worden en nog in 't bizonder de denkende geest4 ,van de vermogens der ziel hebben sommigen alle genoemden zooals wij zeiden1 anderen eenigen1 eenigen slechts n4 ,als vermogens noemden wij het voedende1 het strevende1 het gewaarwordende1 het plaatselijk bewegende1 het denkende4 ,de planten hebben alleen het voedingsvermogen1 anderen dit en het gewaarwordingsvermogen4 ,hebben zij dit1 dan ook het streefvermogen2 want streven is begeerte en drang en willen en alle dieren hebben althans n gewaarwording1 den tastzin2 voor wat gewaarwording heeft1 geldt vreugde en smart en 't aangename en smartelijke en voor wat die gelden1 daarvoor geldt ook de begeerte2 want dat is het streven naar 't aangename4 ,ook hebben zij gewaarwording van het voedsel2 want de tastzin is de gewaarwording van het voedsel2 want alle levende wezens worden door 't drooge1 natte1 warme en koude gevoed en daarvan is de tastzin de gewaarwording2 zij betreft de andere waarneembaarheden bijkomstig4 ,immers tot voeding draagt niets bij geluid noch kleur noch reuk en de smaak is iets van de tastbaarheden4 ,honger en dorst is begeerte1 honger naar 't droge en warme1 dorst naar het koude en natte en de smaak is als iets dat dezen kruidt4 ,later zal dit verduidelijkt worden2 nu bepalen wij ons hiertoe1 dat de dieren die tastzin hebben ook streven bezitten4 ,omtrent de voorstelling is niets uitgemaakt en dat moet later nagegaan worden4 ,eenigen hebben bovendien de plaatselijke beweging1 anderen het denkvermogen en den geest1 als de menschen en wat verder zoodanig is of hooger4 ,dus is het duidelijk dat er op dezelfde wijze n definitie van ziel kan zijn als van figuur2 want hier is geen figuur buiten driehoek enz41 noch dr ziel buiten de genoemden4 ,er is ook bij de figuren een gemeenschappelijke definitie mogelijk1 die op allen zal passen maar aan geen figuur eigen zal zijn2 evenzoo bij de gezegde zielen4 ,daarom is het dwaas hierbij en bij andere dingen de gemeenschappelijke definitie te zoeken1 die bij geen der wezens eigenlijk zal behooren1 noch betrekking heeft op het eigene en verenkelde soort en die wl zoo is1 daar te laten4 ,bij de figuren en de ziel is dezelfde verhouding2 steeds is in het volgende in mogelijkheid aanwezig het vroegere bij de figuren en bij de bezielde wezens1 zooals in den vierhoek de driehoek1 in het gewaarwordingsvermogen het voedingsvermogen4 ,dus moet men afzonderlijk nagaan wat de ziel van elk wezen is1 b4v4 wat die van een plant1 van een mensch of dier is4 ,en waarom ze zich zoo in opeenvolging verhouden moet men nagaan4 #dae a4 ,want zonder het voedingsvermogen bestaat het gewaarwordingsvermogen niet1 maar van het gewaarwordingsvermogen is het voedingsvermogen afgescheiden in de planten4 ,wederom is zonder den tastzin geen andere gewaarwording aanwezig1 wel tastzin zonder de anderen2 want vele dieren hebben noch gezicht noch gehoor noch gewaarwording van reuk4 ,en van die gewaarwording bezitten hebben sommigen het plaatselijk bewegingsvermogen1 anderen niet4 ,als laatste hebben het kleinste aantal begrip en verstand2 want de eindige wezens die begrip bezitten hebben ook al de overige vermogens1 maar die elk daarvan bezitten hebben niet allen begrip1 maar sommigen niet eens voorstelling1 terwijl anderen alleen daarop leven4 ,over de beschouwende geest geldt een andere redeneering4 ,het blijkt dus dat de redeneering over elk van deze 7vermogens7 ook de meest geldige omtrent de ziel is4 #dae a #ad--;b #g4 ,de vermogens komen na hun werkingen en deze na hun uitwerksel4 ,het eerste en de grondslag is de voeding en voortplanting1 die de band vormt tusschen het eindige en het eeuwige4 ,het is noodzakelijk wanneer men hiernaar onderzoek doet1 omtrent elk der 7vermogens7 te bepalen wat het is en zoo verder omtrent de volgende en de overige dingen na te gaan4 ,als men moet zeggen wat elk er van is b4v4 wat het denk-1 of gewaarwordings- of voedingsvermogen is1 moet men nog eerder zeggen wat het denken of gewaarworden is2 want vr de vermogens zijn naar het begrip de verwerkelijkingen en verrichtingen4 ,als dat zoo is1 en men nog eerder dan deze de objecten moet nagegaan hebben1 moet men eerst omtrent dezen bepalen om dezelfde reden1 nl4 omtrent voeding1 het waarneembare en het denkbare4 ,alzoo moet eerst over voeding en voortplanting gesproken worden1 immers de voedende ziel bezitten ook de anderen en dit is het eerste en gemeenschappelijkste vermogen van de ziel1 waarop bij allen het leven berust4 ,de verrichtingen daarvan zijn zich voortplanten en voedsel gebruiken2 immers de natuurlijkste verrichting van de levende wezens1 voor zoover zij volledig en niet defekten zijn1 of van zelf ontstaan1 is het maken van een ander naar zijn eigen aard1 een dier een dier1 een plant een plant1 opdat zij het eeuwige en goddelijke deelen naar vermogen2 want daarnaar streeft alles en daarom verricht alles alle handelingen volgens de natuur4 #dae;b4 ,het daarom0 is tweevoudig1 eensdeels 7de zaak7 waarom1 anderdeels 7de persoon7 waarvoor #ci4 ,daar het 7enkele7 nu niet het eeuwige en goddelijke ononderbroken deelachtig kan zijn doordat geen eindig ding n en hetzelfde kan blijven1 neemt alles er aan deel zooals het kan1 het eene meer het andere minder en wat blijft is niet het enkele zelf maar het zoodanige1 niet naar getal maar naar wezen n4 #dae b #h--daf a #ah4 ,de ziel is principe van beweging1 doel en wezen van 't levende lichaam4 ,op een doel wijzen de organen4 ,verandering en groei en afname betreffen de ziel3 kritiek van ,empedocles' mechanisme4 ,voeding is ook niet verbranding zonder meer1 want die mist de zelfbepaling4 ,de ziel is van het levende lichaam oorzaak en principe woorden van meer dan n beteekenis2 en overeenkomstig is de ziel oorzaak naar de drie onderscheiden wijzen1 want zij is de bron van de beweging1 en het doel2 en als het wezen van de bezielde lichamen is de ziel oorzaak4 ,het laatste wordt ingezien omdat voor alles het wezen de oorzaak is van het zijn1 en voor de levende wezens het zijn leven is en daarvan de ziel oorzaak en principe is4 ,bovendien is de werkelijkheid 7de ziel7 het begrip van wat naar mogelijkheid is4 't ,is duidelijk dat ook als doel de ziel oorzaak is2 want zooals de geest om iets handelt1 op dezelfde wijze ook de natuur en dat is haar doel4 ,zoodanig iets is bij de levende wezens de ziel1 ook naar de natuur beschouwd2 want al de natuurlijke lichamen zijn werktuigen der ziel1 en zooals bij de dieren zoo ook bij de planten1 als zijnde ter wille van de ziel4 ,het terwille van0 is tweevoudig1 eensdeels de zaak waarom1 anderdeels de persoon waarvoor4 ,en verder is ook de bron van de plaatselijke beweging ziel2 maar niet alle levende wezens bezitten dit vermogen4 ,ook verandering en groei betreft de ziel2 immers de gewaarwording is wel een zekere verandering en niets heeft gewaarwording zonder ziel4 ,evenzoo staat het met groei en afname2 immers niets neemt af of groeit van nature zonder voeding en niets wordt gevoed dat niet aan leven deel heeft4 ,hier is ,empedokles af te keuren wanneer hij zegt dat door bijvoeging de planten hun groei krijgen1 terwijl zij naar onderen wortel schieten doordat zoo de natuurlijke beweging van de aarde is en naar boven 7klimmen7 doordat het vuur die richting neemt4 #daf;a4 ,want hij spreekt verkeerd van naar boven en naar onderen2 immers boven en onder beteekenen niet hetzelfde voor elk ding als voor het geheel1 maar als het hoofd van de dieren zoo verhouden zich de wortels van de planten1 als men de organen anderen of dezelfde moet noemen naar hun werking4 ,en bovendien1 wat is het dat het vuur en de aarde1 die tegengestelde richtingen zoeken1 samenhoudt8 ,want is er niets dat tegenhoudt1 dan zullen ze uiteengerukt worden2 is er wl iets1 dan is dat de ziel en de oorzaak van het groeien en de voeding4 ,sommigen meenen dat de natuur van het vuur op zichzelf oorzaak van de voeding en de groei is2 immers het blijkt het eenige van de lichamen of elementen dat vanzelf gevoed wordt en groeit en dus zou men ook bij de planten en de dieren daaraan die werking moeten toeschrijven4 ,echter is het wel in zekeren zin medeoorzaak1 maar niet eenvoudig oorzaak1 wat veeleer de ziel is2 want de groei van het vuur gaat onbepaald door zoolang er brandstof is1 maar alle natuurlijk samengestelde lichamen hebben een grens en bepaling van grootte en wasdom2 dit zijn dingen van de ziel maar niet van vuur en veeleer van begrip dan van stof4 #daf a #ai-;b #ca4 ,voeding werking van tegendeelen op elkaar of van gelijk op gelijk8 ,vooronderstelt bezield zijn en is te onderscheiden van wasdom1 maar leidt tot de voortplanting1 die dus doel is van de eerste 7eenvoudigste7 ziel4 ,bij voeding is de verwerkende warmte voorondersteld als de hand bij het sturen4 ,daar hetzelfde vermogen van de ziel voedings- en voortplantingsvermogen is1 is het noodig ook eerst omtrent voeding te spreken1 want door die verrichting onderscheidt zich dit vermogen van de anderen4 ,men meent dat de voeding is tegendeel met tegendeel1 maar niet elk met elk1 maar die tegendeelen die niet alleen ontstaan uit elkander hebben maar ook wasdom2 immers vele dingen ontstaan uit elkaar die niet allen bepaalde grootheden zijn1 zooals het gezonde uit het zieke4 ,ook de bepaalde grootheden blijken niet evenzeer voor elkander voeding te zijn1 maar het water wl voor het vuur1 het vuur echter voedt het water niet4 ,onder de enkelvoudige lichamen nu zijn deze 7tegendeelen7 wel eenerzijds voeding1 anderzijds wat gevoed wordt4 ,de moeilijkheid doet zich voor dat volgens de eenen het gelijke door het gelijke gevoed wordt alsook groeit1 de anderen denken1 zooals gezegd is1 omgekeerd het tegendeel door het tegendeel1 daar het gelijke geen werking ondervindt van het gelijke en het voedsel verandert en verteerd wordt3 en de verandering gaat bij alles naar het tegengestelde of het midden 7neutrale74 #daf;b4 ,verder ondervindt het voedsel werking van wat gevoed wordt1 maar niet omgekeerd1 evenals de timmerman niet van de stof maar de stof van hem1 en de timmerman verandert alleen van rust tot bedrijvigheid4 ,maar of het voedsel het laatst bijkomende is of het eerste1 dat maakt onderscheid4 ,zoo beide1 maar het eerst bijkomende als onverteerd1 het laatste als verteerd1 dan kan men in beiderlei zin over het voedsel spreken2 in zoover het onverteerd is1 wordt het tegendeel door het tegendeel gevoed1 in zoover het verteerd is1 het gelijke door het gelijke4 ,dus blijkt dat beiden in zeker opzicht juist en niet juist spreken4 ,daar niets zich voedt dat geen deel heeft aan leven1 is het bezielde lichaam als zoodanig hetgeen gevoed wordt en het voedsel heeft niet slechts een bijkomstige betrekking tot het bezielde4 ,het begrip van voeding en bewerking van groei is niet hetzelfde2 in zoover n4l4 het bezielde een grootheid is1 geldt bewerking van groei1 inzoover het een bepaald iets en wezen is1 voeding2 want deze handhaaft het wezen en iets bestaat zoolang het gevoed wordt en de voeding veroorzaakt de wording1 niet van hetgeen gevoed wordt1 maar van zijnsgelijke2 want zijn wezen bestaat reeds en niets verwekt zichzelf maar handhaaft zich4 ,dus is het zoodanige zielsprincipe het vermogen dat den bezitter handhaaft in zijn wezen en het voedsel brengt dat vermogen tot bedrijvigheid4 ,daarom is zonder voedsel geen bestaan mogelijk4 ,als wij drie onderscheiden1 wat gevoed wordt1 waardoor het gevoed wordt en het voedende1 is het voedende de eerste ziel1 wat gevoed wordt het deze bezittende lichaam1 waardoor het gevoed wordt het voedsel4 ,daar men naar het doel alles behoort te noemen en het doel is de verwekking van zijnsgelijke1 is de eerste ziel datgene wat het zijnsgelijke verwekken kan4 ,waardoor het gevoed wordt0 is tweevoudig1 evenals waardoor men stuurt1 en de hand en het roer1 het eene bewegende en bewogen wordende1 het andere alleen bewogen wordende4 ,alle voedsel nu moet noodzakelijk verteerd kunnen worden1 en het is de warmte die de vertering bewerkt2 daarom heeft elk bezield wezen warmte4 ,in omtrek nu is hiermede gezegd wat voeding is1 uitvoeriger moet later de zaak verduidelijkt worden in de daarover handelende geschriften #dj4 #daf b #cb--dah a #f4 ,van voeding tot gewaarwording komende1 eerst over deze in 't algemeen als een verandering4 ,hierbij dezelfde vraag als bij de voeding en voorts waarom zij niet inwendig werkt maar objecten vereischt4 ,zij is alleen naar mogelijkheid4 ,onderscheidingen in de mogelijkheid1 bij doen en lijden of veranderen--veranderen tot vernietiging of tot verwezenlijking4 ,dit onderscheid is niet met een woord te noemen4 ,de gewaarwording betreft het enkele1 anders dan de kennis die het algemeene betreft2 dit laatste is in de ziel1 het eerste is van buiten4 ,de verhouding van zintuig en waarneembaarheid als tusschen mogelijkheid en werkzaamheid lost ook de eerste vraag naar 't gelijke of 't ongelijke op4 ,na deze uiteenzetting willen wij over alle waarneming in 't algemeen spreken4 ,de gewaarwording gaat door 't bewogen worden en lijden1 zooals gezegd is2 want zij is een zekere verandering4 ,maar sommigen zeggen dat ook het gelijke van het gelijke inwerking lijdt2 hoe dit mogelijk of onmogelijk is hebben wij in de algemeene besprekingen omtrent 't doen en lijden #da gezegd4 ,er doet zich een moeilijkheid voor1 waarom er ook van de gewaarwordingen zelf geen gewaarwording is en waarom 7de zintuigen7 zonder de dingen van buiten geen gewaarwording tot stand brengen1 terwijl ze vuur1 aarde en de andere elementen inhouden1 waarop de gewaarwording zich richt1 op hen zelf of op hun bijkomstigheden4 ,het is dus duidelijk dat het zintuig niet in bedrijvigheid is1 maar slechts in mogelijkheid4 ,dus is het er mede zoo1 gelijk het brandbare niet brandt op zich zelf zonder het verbrandende2 anders zou het zichzelf verbranden en niet het vuur in werkelijkheid noodig hebben4 ,daar wij op tweerlei wijze spreken van gewaarworden 7want wij zeggen dat hetgeen naar mogelijkheid hoort en ziet1 hoort en ziet1 ook als het slaapt1 evenals hetgeen nu bedrijvig is71 spreekt men ook op tweerlei wijze van de gewaarwording1 eenerzijds als naar vermogen1 anderzijds als in bedrijvigheid en evenzeer van het gewaarworden1 naar vermogen en in werkzaamheid4 ,laten wij nu eerst spreken alsof het inwerking lijden en het bewogen worden en het werkzaam zijn hetzelfde is2 want de beweging is een zekere werkzaamheid1 die echter onvoltooid is #db1 zooals elders gezegd is4 ,alles lijdt inwerking en wordt bewogen door het bewerkende en in werkzaamheid zijnde2 daarom laat zich zeggen dat het inwerking lijdt van het gelijke alsook van het ongelijke1 zooals wij zeiden2 want de inwerking lijdt het ongelijke1 maar die geleden hebbende is het gelijk4 ,ook moeten wij onderscheiding maken omtrent vermogen en werkelijkheid2 nu immers spreken wij er zonder onderscheid over4 ,er is iets kundig op die wijze1 zooals wij een mensch kundig noemen omdat de mensch behoort tot de kundigen en de kennis hebbenden2 ook op die wijze1 zooals wij kundig noemen hem die de spraakleer kent2 ieder van deze beiden bezit het vermogen niet op dezelfde wijze1 maar de een omdat zijn soort en stof dusdanig is1 de andere omdat hij1 als hij wil in staat is tot kennisuitoefening1 als niets van buiten het belet2 die nu aan de uitoefening is1 is kundig in werkelijkheid en in eigenlijken zin kennende deze ,a4 ,de beide eersten nu zijn naar mogelijkheid kundig1 maar de een is veranderd door leering en misschien uit de tegengestelde toestand omgeslagen1 maar anders die uit het bezitten van de gewaarwording of de spraakleer zonder uitoefening tot het uitoefenen overgaat4 #dag;b4 ,ook het inwerking ondergaan is niet eenvoudig1 maar het eene is een zekere vernietiging door zijn tegendeel1 het andere veeleer een bestendiging van het in mogelijkheid zijnde door het in werkelijkheid zijnde en dat zoo eraan gelijk is als mogelijkheid zich verhoudt tot werkelijkheid2 want dat wat de kunde heeft wordt kennisnemend1 wat f geen verandering is 7immers de toename is tot eigen voleinding en tot werkelijkheid7 f een ander soort van verandering4 ,daarom moet men niet zeggen dat het denkende in het denken verandert evenmin als de bouwmeester wanneer hij bouwt4 ,wat nu tot werkelijkheid voert uit hetgeen in mogelijkheid is moet betreffende het denken en beseffen niet leering heeten maar anders2 maar wat uit den staat van mogelijkheid leert en kennis krijgt door wat in werkelijkheid en onderwijzend is1 daarvan moet men niet zeggen dat het lijdt of twee wijzen aannemen van verandering1 de verandering tot de ontstentenis en die tot de gesteldheid en wezenlijkheid4 ,voor het gewaarwordingsvermogen is de eerste verandering door het verwekkende1 wanneer het verwekt is1 verhoudt het zich reeds als kunde en het gewaarworden #dc4 ,en het gewaarworden in bedrijvigheid wordt gezegd evenals het kennisnemen1 maar het verschilt doordat bij het gewaarworden de oorzaken van de bedrijvigheid van buiten komen1 het zichtbare en het hoorbare1 en eveneens de overige waarneembaarheden4 ,de oorzaak hiervan is dat de gewaarwording in werkzaamheid de enkele dingen betreft1 de kunde de algemeenheden2 deze laatsten zijn op zekere wijze in de ziel zelf4 ,daarom staat het denken in eigen macht wanneer men wil1 gewaarworden niet in eigen macht2 immers het is noodig dat het waarneembare aanwezig is4 ,hetzelfde is het geval met de wetenschappen betreffende de waarneembaarheden en door dezelfde oorzaak1 omdat de waarneembaarheden zijn de enkele dingen van buiten4 ,maar hierover hebben wij later gelegenheid tot duidelijker uiteenzetting4 ,nu gelde deze bepaling dat hetgeen als in mogelijkheid genoemd wordt niet enkelvoudig is1 maar eenerzijds zooals men zegt dat het kind veldheer kan zijn1 anderzijds zooals men het van hem1 die de militaire leeftijd heeft zegt en dat zoo zich ook het gewaarwordingsvermogen verhoudt4 #dah;a4 ,daar het onderscheid hiervan geen naam heeft1 maar het als onderscheid en als welk onderscheid bepaald is1 moet men noodzakelijk het lijden en veranderen als de geldige benamingen gebruiken4 ,het gewaarwordingsvermogen is in mogelijkheid zooals het waarneembare reeds in werkelijkheid is1 gelijk gezegd is4 ,het ondergaat inwerking als het niet gelijke1 maar na de inwerking is het gelijk gemaakt en is zooals het andere4 #dah a #g--;a #be4 ,waarneembaarheid3 algemeene1 eigene1 bijkomstige4 ,de eigene zijn de eigenlijke1 waarnaar het wezen van de gewaarwording bepaald is4 #f4 ,bij elke gewaarwording moeten wij over het waarneembare eerst spreken4 ,van het waarneembare spreekt men in drierlei zin2 hierbij neemt men twee dingen eigenlijk waar1 n bijkomstiglijk4 ,van de twee is het eene eigen aan elke gewaarwording1 het andere gemeenschappelijk aan allen4 ,eigen noem ik dat1 wat men met een andere gewaarwording niet kan waarnemen en waaromtrent men zich niet kan vergissen1 als het gezicht tegenover de kleur1 het gehoor tegenover het geluid en de smaakzin tegenover de smaak4 ,de tastzin laat meerdere onderscheidingen gelden2 toch oordeelt elke 7zin7 over dze dingen en vergist zich niet dat er kleur of geluid is1 maar wat het gekleurde is of waar1 of wat het geluidgevende is of waar4 ,dergelijke dingen nu zijn eigen aan elke 7zin71 gemeenschappelijk zijn beweging1 rust1 getal1 vorm en grootte2 want dergelijke zijn aan geen zin eigen1 maar gemeenschappelijk aan allen4 ,immers voor den tastzin is een zekere beweging waarneembaar en voor het gezicht4 ,van bijkomstiglijk waarneembaar spreekt men b4v4 wanneer het witte de zoon van ,diares is2 want dat neemt men bijkomstiglijk waar1 omdat het witte dit als bijkomstigheid heeft1 wat men waarneemt4 ,daarom ondervindt men in zooverre geen inwerking van het waarneembare4 ,van de eigenlijke waarneembaarheden zijn de eigene de waarneembaarheden in waren zin en die1 waarop elke gewaarwording in haar wezen betrekking heeft4 #dah a #bf--dai b #c4 ,zichtbaarheid3 kleur en iets nameloos4 ,kleur en licht4 ,licht werkzaamheid van het doorschijnende 7aether74 ,kritiek op ,empedocles' beweging van het licht4 ,phosforescentie4 ,kleur is de inwerking op het actueel doorschijnende d4i4 op het licht als middenstof4 ,kritiek op ,demokritos4 ,de middenstof is ook vereischt bij geluid en reuk1 schijnbaar niet bij tastzin en smaak4 ,bij reuk iets dat water en lucht gemeen hebben4 ,het is het zichtbare1 waarop het gezicht betrekking heeft4 ,het zichtbare is kleur en wat door een omschrijving is te zeggen maar geen naam heeft2 in het vervolg zal wel blijken wat wij bedoelen4 ,het zichtbare dan is de kleur4 ,dat is wat behoort bij het zelfstandig zichtbare2 zelfstandig niet naar 't begrip #dd1 maar omdat het in zichzelf de oorzaak heeft van zijn zichtbaarheid4 ,alle kleur beweegt hetgeen in werkelijkheid doorschijnend is en dat is haar wezen4 #dah;b4 ,daarom is zij niet zichtbaar zonder licht maar wordt alle kleur van alles in licht gezien4 ,daarom moeten wij eerst over het wezen van het licht spreken4 ,er is dan iets doorschijnends4 ,doorschijnend noem ik wat wel zichtbaar is1 maar niet zelfstandig zichtbaar eenvoudig gezegd1 maar door vreemde kleur4 ,zoodanig is lucht en water en vele vaste lichamen2 want niet als water of lucht zijn zij doorschijnend1 maar omdat dezelfde natuur in deze beiden aanwezig is als in het eeuwige bovenaardsche lichaam #de4 ,licht is de werkzaamheid daarvan1 van het doorschijnende als zoodanig4 ,waarin dit in mogelijkheid is1 is ook de duisternis #df4 ,het licht is als de kleur van het doorschijnende1 wanneer het in werkelijkheid doorschijnend is door vuur of iets zoodanigs als het bovenaardsche lichaam2 want ook dit heeft iets dat een en hetzelfde is4 ,dus1 wat het doorschijnende en wat het licht is1 is gezegd1 dat het noch vuur noch in 't geheel een lichaam1 noch een uitvloeiing van eenig lichaam is 7want in dat geval zou het ok een zeker lichaam zijn71 maar de aanwezigheid van vuur of iets zoodanigs in het doorschijnende2 immers het is niet mogelijk dat twee lichamen tegelijk in dezelfde ruimte zijn4 ,en het licht is het tegendeel van de duisternis2 de duisternis is de ontstentenis van dusdanige geaardheid bij het doorschijnende1 dus is blijkbaar ook de aanwezigheid er van het licht4 ,empedocles en wie verder zoo gezegd heeft leert niet juist dat het licht zich beweegt en te eeniger tijd tusschen de aarde en 't hemelruim komt1 buiten onze waarneming2 want dat strijdt met de klaarheid van het begrip en met de verschijnselen2 want in een kleine ruimte zou het aan de waarneming kunnen ontgaan2 maar voor de afstand van zonsopgang tot zonsondergang is die eisch te kras4 ,wat kleur aanneemt is het ongekleurde1 voor 't geluid het geluidlooze4 ,kleurloos is het doorschijnende en het onzichtbare of nauwlijks zichtbare1 zooals zal zijn het duistere4 ,zoodanig is het doorschijnende1 maar niet wanneer het in werkelijkheid maar wanneer het in mogelijkheid doorschijnend is2 want 't zelfde wezen is nu duisternis1 dan licht4 #dai;a4 ,niet alle dingen zijn zichtbaar in 't licht1 maar alleen de eigen kleur van alles2 immers eenige dingen worden niet gezien in 't licht1 maar laten zich waarnemen in de duisternis1 zooals de vuurachtige en stralende verschijnselen 7die gezamenlijk geen naam hebben7 als paddestoelen1 hoorn1 vischkoppen1 schubben en oogen2 maar van niets daarvan ziet men de eigen kleur4 ,door welke oorzaak nu deze dingen gezien worden blijft hier onbesproken2 nu blijkt zooveel dat wat in 't licht gezien wordt1 kleur is2 daarom ook wordt die niet gezien zonder licht2 want dat was het wezen van de kleur dat zij bewerkt het in werkzaamheid doorschijnende en de werkelijkheid van het doorschijnende is het licht4 ,een duidelijk teeken hiervan is dat1 als men het gekleurde op het oog zelf houdt1 men het niet zal zien1 maar de kleur bewerkt het doorschijnende b4v4 de lucht en daardoor als samenhangend geheel wordt op het zintuig ingewerkt4 ,want hierin vergist ,demokritos zich als hij meent dat1 wanneer de tusschenruimte ledig was1 ook een mier in den hemel duidelijk zou gezien worden2 want dat is onmogelijk4 ,immers het zien geschiedt doordat de zin iets ondergaat1 dit kan niet gebeuren door de kleur zelf die gezien wordt2 dus blijft er over dat het door de middenstof gebeurt1 zoodat er noodzakelijk een middenstof moet zijn1 maar wanneer de ruimte ledig is1 zal er niet alleen niet duidelijk1 maar in 't geheel niets gezien worden4 ,waarom het nu noodzakelijk is dat de kleur in 't licht gezien wordt1 is gezegd4 ,vuur wordt in beiden1 in duisternis en in licht1 gezien eveneens met noodzakelijkheid2 want het doorschijnende wordt daardoor doorschijnend4 ,dezelfde redeneering geldt voor geluid en reuk2 want niets daarvan verwekt de gewaarwording wanneer het het zintuig aanraakt1 maar door reuk en geluid wordt de middenstof bewerkt en daardoor elk van beide zintuigen1 maar wanneer men het geluidgevende of riekende op het zintuig zelf plaatst1 verwekt het geen gewaarwording4 ,met tastzin en smaak staat het evenzoo1 ofschoon het niet zoo schijnt2 later zal blijken waardoor4 ,de middenstof voor geluiden is de lucht1 voor reuk heeft zij geen naam2 want zooals het doorschijnende voor kleur1 zoo is het voor wat zich laat ruiken een gemeenschappelijk iets bij lucht en water1 dat in deze beide aanwezig is2 immers ook de waterdieren blijken reukgewaarwording te bezitten4 ,maar de mensch en de ademhalende landdieren kunnen niet ruiken zonder ademhalen4 #dai;b4 ,de oorzaak ook hiervan zal later besproken worden4 #dai b #d--dba a #f4 ,geluid1 gehoor en stem 7bezield geluid74 ,beteekenis van hoog en laag4 ,nu willen wij eerst over geluid en gehoor handelen4 ,geluid is tweevoudig1 eensdeels geluid in werkzaamheid1 anderdeels in mogelijkheid2 want sommige dingen noemen wij geluidloos1 als spons1 wol1 andere niet geluidloos b4v4 koper en al wat vast en glad is1 omdat het het vermogen heeft geluid te geven4 ,dat is tusschen zich en het gehoor een geluid in werkzaamheid te maken4 ,het geluid in werkzaamheid gebeurt steeds van iets tegen iets en in iets2 want het is de slag die 't geluid maakt en daarom is 't ook onmogelijk dat er geluid ontstaat wanneer er maar n ding is2 immers hetgeen slaat is iets anders dan wat geslagen wordt2 dus wat geluid geeft doet dat tegen iets 7slaande7 en 't slaan is niet zonder beweging4 ,zooals wij zeiden ontstaat geluid niet door den slag van willekeurige dingen2 immers wol die geslagen wordt maakt geen geluid1 maar wel koper en al wat glad en hol is2 koper omdat het glad is2 het holle maakt door de terugkaatsing vele slagen na de eerste1 daar datgene wat bewogen wordt er niet kan uitgaan4 ,ook hoort men in lucht en water1 maar minder4 ,niet van de lucht of het water hangt het geluid af1 maar er moet een slag van vaste lichamen zijn tegen elkaar en tegen de lucht en dit gebeurt1 wanneer de lucht die geslagen wordt standhoudt en niet vervloeit4 ,daarom1 wanneer de lucht snel en hard wordt geslagen1 geeft zij geluid2 want de beweging van het zweepen moet de breking van de lucht voorkomen1 zooals wanneer men een hoop of kring van dwarrelend zand zou slaan1 die in snelle beweging is4 ,weerklank ontstaat1 wanneer van de lucht die bijeengehouden wordt doordat het vat haar afscheidt en verhindert gebroken te worden1 de lucht teruggestooten wordt als een bal4 ,het lijkt dat er altijd weerklank is1 maar niet duidelijk2 immers het gaat met het geluid als met het licht2 want ook het licht wordt altijd weerkaatst--anders zou er niet overal licht zijn1 maar duisternis buiten wat de zon beschijnt--maar het wordt niet z weerkaatst als van water of koper of iets anders glads1 dat het schaduw maakt1 waardoor wij het licht onderscheiden4 ,terecht acht men het ledige datgene1 waarvan het hooren afhangt4 ,immers de lucht is wel het ledige en die maakt dat men hoort1 wanneer zij als n en samenhangend bewogen wordt4 ,maar doordat zij ijl is1 klinkt zij niet wanneer het geslagene niet glad is4 ,in dat geval wordt zij n en in samenhang #dg door het oppervlak2 want het oppervlak van het gladde is n4 ,geluidgevend nu is wat de aaneengesloten luchteenheid tot aan 't gehoor beweegt4 ,het gehoor is van nature verbonden met de lucht2 doordat het in de lucht is1 wordt bij beweging van de buitenlucht de lucht er in bewogen4 ,daarom heeft het levend wezen niet overal gehoor noch dringt de lucht overal door2 immers het deel dat bewogen moet worden en bezield is heeft niet overal lucht4 ,de lucht zelf nu is zonder geluid door haar onvastheid2 maar wanneer zij verhinderd wordt te breken dan is haar beweging geluid4 ,de lucht in de ooren is ingebouwd met 't oog op onbewegelijkheid1 opdat men nauwkeurig al de onderscheidingen der beweging zal waarnemen4 ,daarom hooren wij ook in water1 omdat het niet indringt tot de met 't gehoor verbonden lucht zelf1 zelfs niet in de ooren door de windingen4 ,wanneer dit gebeurt1 hoort men niet1 en ook niet wanneer het trommelvlies aangedaan is zooals de menbraan van de pupil4 ,maar juist een teeken van het wel of niet hooren is dat altijd het oor ruischt als de hoorn2 want steeds heeft de lucht in de ooren een eigen beweging2 maar het geluid is vreemd en niet eigen4 ,en daarom zegt men dat men hoort met het ledige en ruischende1 omdat wij hooren met wat begrensde lucht heeft4 ,is hetgeen geslagen wordt of het slaande wat klinkt8 ,veeleer beiden1 maar op verschillende wijze2 want het geluid is de beweging van wat kan bewogen worden op die wijze als hetgeen van de gladde oppervlakken afgestooten wordt1 wanneer men ze aanstoot4 ,niet dus alles1 zooals gezegd is1 klinkt wanneer het geslagen wordt en slaat b4v4 wanneer iemand een naald met een naald treft2 maar wat geslagen wordt moet effen zijn1 zoodat de lucht vereenigd afgestooten wordt en trilt4 ,de onderscheidingen der geluidgevende dingen komen uit in het geluid in werkzaamheid2 want zooals zonder licht de kleuren niet gezien worden1 zoo blijkt ook zonder geluid het hooge en 't lage niet #dh4 ,deze benamingen zijn overgebracht van de tastbaarheden2 immers het scherpe treft de waarneming in weinig tijd diep1 het zware in veel tijd weinig diep4 ,nu is niet het scherpe snel1 het zware traag1 maar van het eerste wordt de beweging door de snelheid zoodanig1 van het tweede door de traagheid4 #dbj;b4 ,en er schijnt overeenkomst te bestaan met het scherpe en stompe bij den tastzin2 want het scherpe steekt1 om zoo te zeggen1 't stompe stoot1 doordat het eene in weinig tijd beweegt1 het andere in veel tijd1 zoodat bijkomstiglijk 't eene snel1 't andere traag is4 ,dit zij nu omtrent geluid vastgesteld4 ,de stem is een bepaald geluid van het bezielde2 want van het onbezielde heeft niets een stem1 maar men spreekt in beeld van de stem van fluit b4v4 en lier en de andere onbezielde dingen die volume1 toon en voordracht hebben2 want het lijkt dat ook de stem die heeft4 ,vele dieren hebben geen stem1 zooals de bloedelooze en van die bloed hebben de visschen4 ,dit heeft ook zijn grond1 daar immers het geluid een bepaalde beweging van de lucht is4 ,maar die naar men zegt stem hebben1 zooals de visschen in den ,achelos1 maken geluid met hun kieuwen of iets anders zoodanigs4 ,stem is het geluid van een dier1 niet elk #di en niet met een willekeurig lichaamsdeel4 ,maar daar alle geluid ontstaat doordat iets slaat tegen iets en in iets en dat is de lucht1 kan met reden alleen datgene stem uitten dat de lucht opneemt4 ,immers de lucht bij de ademhaling gebruikt de natuur op dit punt voor twee verrichtingen1 evenals de tong voor den smaak en het spreken1 van welke de smaak is iets noodzakelijks1 7die daarom ook bij meerderen aanwezig is7 terwijl de spraak voor het hoogere is4 ,zoo gebruikt zij ook de adem voor de inwendige warmte als iets noodzakelijks 7de oorzaak zal elders ter sprake komen7 en voor de stem opdat het hoogere aanwezig zij4 ,het orgaan voor de ademhaling is de luchtpijp2 waarvoor dit lichaamsdeel ook is1 dat is de long1 want in dit lichaamsdeel hebben de landdieren het meeste warmte van allen4 ,ook de hartstreek heeft in de eerste plaats de ademhaling noodig4 ,daarom is het noodzakelijk dat door de inademing de lucht binnen komt4 ,dus is de stoot van de ingeademde lucht bewerkt door de ziel in die deelen tegen de zoogenaamde luchtpijp1 de stem4 ,want zooals wij zeiden is niet ieder geluid van een dier stem 7want men kan met de tong geluid maken en zooals bij hoesten71 maar het stootende moet bezield zijn en vergezeld zijn van eenige voorstelling1 want de stem is een geluid met beteekenis2 en de stem is niet 't geluid van de ingeademde lucht1 zooals de hoest1 maar daarmede stoot men de lucht in de luchtpijp tegen deze4 #dba;a4 ,een bewijs is dat men geen stem kan uiten bij in- of uitademing1 maar als men den adem inhoudt2 want daardoor veroorzaakt die den adem inhoudt de beweging4 ,ook blijkt waardoor de visschen stom zijn1 doordat zij nl4 geen luchtpijp hebben4 ,dat lichaamsdeel missen zij omdat zij de lucht niet opnemen noch inademen4 ,de reden nu waarom dit zoo is1 behoort in een andere behandeling4 #dba a #g--dbb a #g4 ,de reuk1 overeenkomst met de smaak4 ,onderscheidingen1 ,middenstof1 ,bizonderheid bij de menschelijke reukgewaarwording4 ,de reuk betreft het droge4 ,over den reuk en het ruikbare is de bepaling minder gemakkelijk dan bij het behandelde2 want de aard van de reuk is niet zoo duidelijk als het geluid of de kleur1 de oorzaak is dat wij deze gewaarwording niet nauwkeurig bezitten maar minder dan vele dieren2 want de mensch ruikt slecht en heeft geen reukgewaarwording zonder gevoel van afkeer of genot1 daar blijkbaar het zintuig niet nauwkeurig is4 ,het is aannemelijk dat op deze wijze ook de staroogigen de kleuren gewaarworden en de onderscheiden der kleuren hen alleen blijken doordat zij al of niet vrees verwekken2 zoo neemt ook het menschelijk geslacht de reuken waar4 ,want de reuk schijnt overeenkomst te hebben met de smaak en de soorten van de smaken met die van de reuk1 maar wij hebben nauwkeurigen smaak omdat deze een soort tastzin is en de mensch die gewaarwording 't nauwkeurigst heeft2 want in de andere gewaarwordingen blijft de mensch bij velen van de dieren achter1 maar in den tastzin bezit hij de andere ver overtreffende nauwkeurigheid4 ,daarom is hij ook het verstandigste der levende wezens4 ,een bewijs is dat ook onder het menschelijk geslacht het onderscheid van aanleg van dat zintuig afhangt en van niets anders2 want de hardvleezigen zijn slecht van aanleg voor 't denken1 de zachtvleezigen goed4 ,zooals bij smaken de eene zoet1 de andere bitter is1 zoo ook bij de reuken4 ,maar sommige dingen hebben overeenkomstigen reuk en smaak b4v4 zoete reuk en zoete smaak1 andere omgekeerd4 ,eveneens is er bittere1 wrange1 zure en zoete reuk2 maar1 gelijk wij zeiden1 doordat de reuken in hun onderscheid niet zeer duidelijk zijn1 zooals de smaken1 hebben zij daaraan hun namen ontleend naar de gelijksoortigheid der zaken2 nl4 de zoete van saffraan en honig1 de bittere van thym en dergelijke en zoo de anderen4 #dba;b4 ,evenals bij het gehoor en iedere gewaarwording1 deze het hoorbare betreft en het onhoorbare1 gene het zichtbare en het onzichtbare1 zoo betreft de reuk het reukbare en onreukbare4 ,het onreukbare is deels gezegd van wat in 't geheel geen reuk kan hebben1 deels van wat weinig of slechte reuk heeft4 ,evenzoo spreekt men ook van wat geen smaak heeft4 ,ook de reuk gaat door een middenstof als lucht of water2 want ook de waterdieren blijken reukgewaarwordingen te hebben1 de bloedige evenals de bloedelooze1 zooals ook de dieren in de lucht2 want eenigen van dezen komen van verre op het voedsel af waarvan zij de reuk krijgen4 ,daarom doet zich een moeilijkheid voor dat1 terwijl alles gelijkelijk ruikt1 de mensch wl bij inademing1 maar niet wanneer hij uitademt of zijn adem inhoudt1 noch van verre noch van dichtbij1 zelfs niet wanneer het voorwerp binnen op het neusgat wordt geplaatst4 ,en dat hetgeen op het zintuig zelf geplaatst wordt onwaarneembaar wordt is aan alle zintuigen gemeen1 maar dat zonder inademing geen 7reuk7waarneming plaats vindt is een bizonderheid bij de menschen1 die bij proefneming blijkt2 dus zouden de bloedelooze dieren1 daar zij niet inademen1 eenige andere gewaarwording bezitten naast de bekenden4 ,dit is echter onmogelijk1 daar zij immers de reuk waarnemen1 want de waarneming van het riekende1 het wel- of kwalijk riekende1 is de reuk4 ,ook blijken zij vernietigd te worden door dezelfde sterke reuken als de mensch1 zooals van asphalt1 zwavel en dergelijke4 ,ruiken dus is noodzakelijk1 maar niet met inademen4 ,het lijkt dat dit zintuig bij de menschen tegenover dat van de andere dieren verschilt zooals de oogen tegenover die der staroogigen2 want de oogen van den mensch hebben als een schut of hulsel de oogleden1 die men moet bewegen en optrekken om te zien2 de staroogigen hebben niets zoodanigs1 maar zien onmiddellijk wat zich in het doorschijnende bevindt3 zoo lijkt ook het reukzintuig bij den eenen onbedekt te zijn als 't oog1 en bij hen die de lucht opnemen een bedeksel te hebben dat bij inademen opengaat terwijl de aderen en porien zich verwijden4 #dbb;a4 ,en daarom ruiken de inademende dieren niet in het water1 want zij moeten door inademen ruiken en dat is onmogelijk in het water4 ,de reuk betreft het droge1 zooals de smaak het vochtige2 het reukzintuig is naar mogelijkheid zoodanig #ej4 #dbb a #h--;b #af4 ,smaak4 ,geen middenstof1 als bij den tastzin4 ,betreft het vochtige4 ,onderscheidingen van smaken4 ,het voorwerp van de smaak is iets tastbaars en dat is de oorzaak waarom het niet waarneembaar is door het midden1 dat een vreemd lichaam is2 immers hetzelfde geldt van den tastzin4 ,en het lichaam waarin de smaak is1 het proefbare1 is in 't vochtige als zijn materie en dat is iets tastbaars4 ,daarom ook indien we in 't water waren zouden wij het daarin geworpen zoete waarnemen2 maar dan zou onze gewaarwording niet gaan door den middenstof1 maar doordat het zoete met het natte vermengd werd evenals bij den drank4 ,de kleur wordt niet zoo gezien1 door het vermengd worden noch door de uitvloeiingen4 ,aan de middenstof 7bij het zien7 beantwoordt 7bij de smaak7 niets2 maar zooals het zichtbare de kleur is1 zoo het proefbare de smaak4 ,niets verwekt smaakgewaarwording zonder vochtigheid1 maar het heeft in werkzaamheid of naar mogelijkheid vochtigheid1 zooals het zoute2 want dat is zelf licht smeltbaar en doet de tong mede aan door 't smelten4 ,zooals het gezicht betreft het zichtbare en onzichtbare 7immers de duisternis is onzichtbaar1 maar ook die onderscheidt het gezicht7 en bovendien het te zeer schitterende 7want ook dat is onzichtbaar maar op andere wijze dan de duisternis7 en tevens het gehoor gaat over geluid en stilte1 waarvan het eene hoorbaar het andere onhoorbaar is1 en over groot geluid1 evenals het gezicht over het schitterende 7want zooals het geringe geluid onhoorbaar is1 zoo op een zekere wijze ook het groote en gewelddadige7 en men eenerzijds van het volstrekt onzichtbare spreekt1 zooals in andere gevallen van het onmogelijke1 anderzijds van 't niet waarneembare dan1 wanneer iets wat zijn natuur meebrengt niet of in onvoldoende mate bezit1 zooals het voet- en pitlooze2 zoo betreft dan ook de smaak het proefbare en niet proefbare1 dat is hetgeen weinig of slechte smaak heeft of een smaak die den zin vernietigt4 ,de grondslag zal zijn het drinkbare en ondrinkbare2 want beiden zijn een smaak1 maar het laatste een slechte en die den zin bederft1 het eerste naar de natuur4 ,het gemeenschappelijke van tastzin en smaak is het drinkbare4 #dbb;b4 ,daar het proefbare vochtig is moet het dit betreffende zintuig noch in werkelijkheid vochtig zijn1 noch buiten de mogelijkheid zijn vochtig te worden4 ,want de smaak ondervindt iets van het proefbare als zoodanig4 ,dus moet het zintuig van de smaak bevochtigd worden terwijl het niet nat is1 maar nat kan worden zonder vernietiging4 ,een bewijs is dat de tong niet waarneemt wanneer zij verdroogd noch wanneer zij te vochtig is2 want dan is de aanraking met het eerstkomende vochtige1 zooals wanneer men na vooraf een sterke smaak geproefd te hebben een andere proeft en zooals den zieken alles bitter voorkomt omdat zij met de tong vol van dergelijke vochtigheid waarnemen4 ,de soorten van de smaak zijn1 zooals bij de kleuren1 als enkelvoudig tegengesteld1 het zoete en het bittere1 aansluitend bij het eerste het vettige1 bij het andere het zoute1 daartusschen het scherpe en strenge en wrange en zure2 dat zijn ongeveer de onderscheidingen van de smaken4 ,dus het smaakzintuig is wat in mogelijkheid zoodanig is1 het proefbare wat het zintuig in werkelijkheid zoo maakt4 #dbb b #ag--dbd a #af4 ,tastzin4 ,verschil in de waarneembaarheden daarbij en bij de andere zinnen en omtrent het midden--dat bij den tastzin met het lichaam n is2 bij de tong is tastzin en smaak hetzelfde4 ,er moet bij den tastzin evenzeer een midden zijn als bij de anderen1 wil de werkzaamheid mogelijk zijn4 ,maar anders dan bij de anderen wordt het zintuig tegelijk met het midden--niet dr het midden--aangedaan4--,de waarneembaarheid verwerkelijkt het naar mogelijkheid aan haar gelijke tastzintuig2 het zintuig treedt als gemiddelde op tegenover de tastbaarheden en wordt dus oordeelend--en neemt het tastbare en 't niet tastbare waar4 ,over het tastbare en den tastzin geldt dezelfde redeneering2 want als de tastzin niet n gewaarwording is maar meerdere1 dan moeten ook de tastbaarheden meerdere zijn4 ,er is te vragen of zij meerdere gewaarwordingen zijn dan wel ne en wat het zintuig van den tastzin is1 het vleesch en het daarmede overeenkomstige in de andere dingen of niet1 maar dat dit de middenstof is en het eigenlijke zintuig iets anders inwendigs4 ,want iedere gewaarwording betreft n tegenstelling b4v4 gezicht wit en zwart1 gehoor hoog en laag en smaak bitter en zoet2 maar in het tastbare zijn vele tegenstellingen1 warm en koud1 droog en vochtig1 hard en zacht enz4 ,deze vraag vindt een zekere oplossing doordat ook bij de andere gewaarwordingen meerdere tegenstellingen bestaan1 zooals bij de stem niet alleen hoog en laag maar ook luid en zacht1 vloeiend en ruw en andere dergelijke4 ,ook bij kleur zijn andere dergelijke onderscheidingen4 ,maar wat het eene is dat de grondslag vormt1 zooals bij gehoor geluid1 dat is bij den tastzin niet duidelijk4 #dbc;a4 ,of het zintuig inwendig is of niet1 maar onmiddellijk het vleesch1 dat wordt niet uitgemaakt doordat de gewaarwording tegelijk met de aanraking komt4 ,immers ook wanneer men om het vleesch iets van een vlies spande1 merkt men evenzeer de gewaarwording terstond bij de aanraking2 en toch is het duidelijk dat daarin het zintuig niet is2 en ware het aangegroeid1 dan zou de gewaarwording nog sneller doordringen4 ,daarom schijnt het zoodanige deel van het lichaam zoo te zijn alsof de lucht in een kring om ons heen gegroeid was2 want dan zouden wij meenen met n midden geluid kleur en reuk waar te nemen en gezicht gehoor en reuk zouden n gewaarwording schijnen3 ,maar nu doordat datgene1 waardoor heen de bewegingen geschieden1 gescheiden is 7van het lichaam71 blijken de gezegde zintuigen verschillend te zijn4 ,bij den tastzin is dit nu onduidelijk2 immers het is onmogelijk dat het bezielde lichaam uit lucht of water bestaat1 want er moet iets vasts zijn4 ,er blijft over dat het gemengd is uit aarde en die dingen #ea1 zooals het vleesch1 en wat daarmee overeenkomstig is1 bedoelt te zijn2 zoodat noodzakelijk ook het lichaam is het midden van den tastzin1 dat aangegroeid is1 waardoor de gewaarwordingen gaan1 die meerderen zijn4 ,dat zij meerderen zijn bewijst de aanraking bij de tong2 want zij neemt alle tastbaarheden met haar zelfde deel waar als de smaak4 ,als nu ook het overige vleesch de smaak waarnam1 dan zou de smaak en de tastzin een en dezelfde gewaarwording schijnen2 nu zijn zij twee doordat zij niet onderling te verwisselen zijn4 ,hier doet zich een moeilijkheid voor4 ,als ieder lichaam diepte heeft als derde afmeting1 en twee lichamen waartusschen eenig lichaam is1 elkaar niet kunnen aanraken1 en het natte niet zonder lichaam is noch het bevochtigde1 maar het noodzakelijk water is of water heeft2 en wat elkaar aanraakt in 't water1 terwijl de uiteinden niet droog zijn1 noodzakelijk water tusschenbeide heeft dat de uiteinden dekt2 zoo dit waar is1 dan kan het een het ander niet aanraken in het water en op dezelfde wijze ook in de lucht 7want de lucht is tegenover de in haar zijnde dingen als het water tot de daarin zijnde dingen1 maar wij merken dat minder1 evenals ook de dieren in het water1 wanneer wat vochtig is het vochtige aanraakt74 #dbc;b4 ,gaat dus de waarneming van alles op dezelfde wijze of bij verschillende dingen verschillend1 zooals men maar aanneemt dat de smaak en de tastzin door aanraking en de anderen gescheiden waarnemen8 ,niet alzoo1 maar ook het harde en zachte nemen wij door andere 7middenstoffen7 waar evenals het geluidgevende1 het zichtbare en het ruikbare1 maar deze van verre1 de eersten van dichtbij4 ,daarom merken wij het niet1 immers wij nemen alles waar door de middenstof1 maar bij die gewaarwordingen merken wij het niet4 ,en toch1 zooals wij ook vroeger zeiden1 ook indien wij door een vlies alle tastbaarheden waarnamen zonder te merken dat het afscheidt1 zouden wij ons zoo verhouden als nu in 't water en in de lucht2 want wij meenen nu de dingen zelf aan te raken zonder dat er een middenstof is4 ,maar het tastbare onderscheidt zich van de zichtbaarheden en geluidgevende dingen doordat wij die gewaarworden door een inwerking van de middenstof op ons1 maar de tastbaarheden niet door toedoen van de middenstof maar daarmede tegelijk1 zooals die een stoot krijgt door zijn schild heen2 immers niet het schild krijgt en geeft den stoot1 maar beiden 7persoon en schild7 krijgen hem tegelijk4 ,in 't geheel lijkt het dat vleesch en de tong zich tegenover het zintuig zoo verhoudt als de lucht en het water tot het gezicht en 't gehoor en de reuk4 ,wanneer het zintuig zelf aangeraakt wordt1 kan er noch bij de laatsten noch bij het eersten waarneming zijn b4v4 wanneer men eenig wit lichaam onmiddellijk op het oog legt4 ,hieruit blijkt dat het gewaarwordingsvermogen bij het tastbare inwendig is4 ,want dan geldt hetzelfde als voor de andere 7zinnen72 immers wanneer de waarneembaarheden op het zintuig gelegd worden heeft geen gewaarwording plaats1 maar wanneer ze op het vleesch gelegd worden1 wl2 dus is het vleesch de middenstof van den tastzin4 ,tastbaar nu zijn de onderscheidingen van het lichaam als zoodanig2 ik bedoel de onderscheidingen tusschen de elementen1 warm1 koud droog en nat1 waarover wij vroeger hebben gesproken in het geschrift over de elementen #eb4 ,het dezen betreffende tastzintuig1 dat1 waarin de gewaarwording die tasten heet eigenlijk aanwezig is1 is het lichaamsdeel dat in mogelijkheid dusdanig is2 want gewaarworden is iets ondergaan4 #dbd;a4 ,dus hetgeen dit naar werkzaamheid aan zichzelf gelijk maakt1 werkt daarop in terwijl dit naar mogelijkheid dusdanig is4 ,daarom nemen wij het even warme en koude of harde en zachte niet waar1 maar de overmaat1 daar de waarneming als een midden is tusschen de tegenstelling in de waarneembaarheden4 ,en daarom beoordeelt 7de waarneming7 de waarneembaarheden4 ,want het midden is oordeelkundig1 want het verhoudt zich tot elk van beide tegendeelen als hun tegendeel en zooals wat wit en zwart zal waarnemen geen van beide in werkzaamheid moet zijn en beiden in mogelijkheid 7evenzoo bij de andere7 zoo moet bij den tastzin 7het waarnemende7 noch warm noch koud 7zijn74 ,zooals verder het gezicht in zekeren zin het zichtbare en het onzichtbare betrof en eveneens de andere de tegenstellingen waarnamen1 zoo betreft ook de tastzin het tastbare en ontastbare2 ontastbaar is de tastbaarheid die zeer geringe onderscheiding biedt1 zooals de lucht1 en de overmaat onder de tastbaarheden zooals de vernietigende4 ,zoo is nu elk der gewaarwording in omtrek behandeld4 #dbd a #ag--;b #ah4 ,gewaarwording in 't algemeen betreft de vormen1 niet de materie4 ,het waarnemende verschilt in wezen van het object1 doordat het geen grootheid maar een verhouding aan de grootheid is1 die daarom vernietigbaar is en niet bij planten voorkomt4 ,de waarneembaarheid is er alleen voor het betreffende vermogen1 ook bij tastzin en reuk4 ,in 't algemeen moet men betreffende alle gewaarwording begrijpen dat de gewaarwording is hetgeen de waarneembare vormen aanneemt zonder de materie1 zooals de was het merk van den ring opneemt zonder het ijzer en het goud en het gouden of koperen merk aanneemt maar niet als goud of koper2 eveneens wordt de waarneming van ieder aangedaan door hetgeen kleur of smaak of geluid heeft1 maar niet in zoover elk van die dingen 7iets7 maar iets zoodanigs genoemd wordt en naar het begrip4 ,en het zintuig is allereerst datgene1 waarin het zoodanige vermogen is4 ,in aanzijn nu is het hetzelfde1 maar in begrip iets anders2 want het waarnemende is een grootheid1 maar het begrip van het waarnemend-zijn en de waarneming is niet grootheid maar een verhouding en vermogen van de grootheid4 ,hieruit blijkt ook waarom toch de overmaat der waarneembaarheden de zintuigen vernietigen2 immers wanneer de beweging van het zintuig te sterk is1 wordt de verhouding 7d4w4z4 de waarneming7 opgeheven evenals ook het accoord en de toon1 wanneer de snaren sterk getokkeld worden2 en waarom de planten niet waarnemen die iets van ziel hebben en iets ondergaan van de tastbaarheden zelve1 immers zij worden koud en warm2 de oorzaak is nl4 dat zij geen middentoestand hebben noch zulk een principe dat de vormen van de waarneembaarheden kan opnemen1 maar zij ondergaan ze met de stof4 #dbd;b4 ,men zou kunnen vragen of datgene wat niet kan ruiken iets ondergaat van de reuk of van de kleur wat niet kan zien1 en evenzoo bij de anderen4 ,maar wanneer het ruikbare de reuk is1 bewerkt de reuk1 zoo iets1 het ruiken2 dus kan niets wat niet kan ruiken iets ondergaan van de reuk en hetzelfde geldt van de anderen1 noch iets van wat wl kan1 anders dan in zoover elk het bepaalde waarnemingsvermogen heeft4 ,ook blijkt dit aldus4 ,noch licht of duisternis noch geluid noch reuk doet de lichamen aan maar hun dragers1 b4v4 de lucht met donder splijt het hout4 ,maar wl doen de tastbaarheden en de smaken de lichamen aan2 want waardoor zouden anders de onbezielde lichamen aangedaan en veranderd worden8 ,doen dan soms ook die anderen 7nl4 licht1 geluid1 reuk7 aan of is niet elk lichaam vatbaar voor inwerking door reuk en geluid en die aangedaan worden zijn onbepaald en houden geen stand1 zooals de lucht2 want die riekt als op eenige wijze aangedaan4 ,wat dan is ruiken anders dan iets ondergaan8 ,of is ruiken ook waarnemen1 maar de lucht die aangedaan is1 wordt in korten tijd waarneembaar 7niet waarnemend47 ,eind van boek ,,ii4 #dbd b #bb--dbe b #aa4 ,niet meer dan #e zinnen mogelijk 7de tastzin en die wier elementen water en lucht zijn74 ,geen bizondere zin voor de gemeenschappelijke waarneembaarheden4 ,waarom meerdere gewaarwordingen4 ,dat er geen andere gewaarwording is behalve de vijf--gezicht1 gehoor1 reuk1 smaak1 tastzin--kan men hieruit gelooven4 ,namelijk van alles1 waarvan de gewaarwording tastzin is1 hebben wij werkelijk gewaarwording 7want alle gevallen van het tastbare als zoodanig zijn voor ons door den tastzin waarneembaar72 voorts is het noodzakelijk dat1 wanneer een gewaarwording ontbreekt1 ons ook een zintuig ontbreekt2 wat wij door onmiddellijke aanraking waarnemen is door den tastzin waarneembaar1 dien wij werkelijk bezitten1 wat wij niet onmiddellijk maar door middenstof waarnemen1 nemen wij waar door de elementen als lucht en water4 ,nu is het zoo gesteld dat als wij door n midden meerdere ongelijksoortige waarneembaarheden waarnemen1 hij die het overeenkomstige zintuig heeft1 noodzakelijk beide moet kunnen waarnemen 7als b4v4 het zintuig uit lucht is en de lucht de middenstof is voor geluid en kleur72 als er meer middenstoffen voor dezelfde gewaarwording zijn b4v4 voor kleur lucht en water 7want beide zijn doorschijnend71 zal degeen die slechts een van beide middenstoffen heeft1 waarnemen wat door beiden gaat4 #dbe;a4 ,en alleen uit deze twee der elementen zijn de zintuigen1 uit lucht en water2 7want de pupil is van water1 het gehoor van lucht1 de reuk van elk van beiden72 het vuur behoort tot geen zintuig of gemeenschappelijk tot allen 7want niets is tot waarnemen in staat zonder warmte72 aarde of tot geen zintuig of is 't meest met den tastzin bizonderlijk gemengd2 zoodat er overblijft dat er geen zintuig is buiten water en lucht4 ,deze bezitten werkelijk eenige levende wezens en dus bezitten alle gewaarwordingen de niet onvoltooide of gebrekkige wezens2 want ook de mol blijkt onder de huid oogen te hebben4 ,dus als er niet een ander lichaam is of een eigenschap tot geen der aardsche lichamen behoorende1 dan ontbreekt er geen gewaarwording4 ,verder kan er ook geen bizonder zintuig zijn van het gemeenschappelijke dat wij met iedere waarneming bijkomstig waarnemen1 als beweging1 stilstand1 vorm1 grootte1 getal en eenheid2 al deze nl4 nemen wij door beweging waar1 zooals grootte door beweging en dus ook vorm1 want de vorm is een grootte2 en het rustende door het niet bewegen2 het getal door de ontkenning van het aann zijn en door de bizondere waarnemingen2 want elke waarneming neemt n ding waar4 ,het is dus duidelijk dat er van geen enkele van deze een eigen gewaarwording zijn kan b4v4 van beweging2 want het zal zoo zijn1 zooals wij nu met het gezicht het zoete waarnemen4 ,dit komt omdat wij van beiden gewaarwording hebben waardoor wij ook wanneer zij samenvallen ze tegelijk kennen2 zoo niet1 dan zouden wij het alleen bijkomstiglijk waarnemen1 zooals den zoon van ,kleon niet als zoon van ,kleon maar als wit en dit 7witte7 heeft als bijkomstigheid zoon van ,kleon te zijn4 ,van het gemeenschappelijke hebben wij stellig een gemeenschappelijke1 niet bijkomstige1 gewaarwording1 die dus niet een eigene is2 want anders zouden wij ze niet waarnemen dan zooals gezegd is betreffende het zien van ,kleon's zoon4 ,de bij elkaar als eigen behoorende waarneembaarheden nemen de gewaarwordingen bijkomstiglijk waar1 niet als die enkelen zoodanig1 maar in zoover de gewaarwording n is1 wanneer zij tegelijk hetzelfde betreft b4v4 van gal als bitter en geel2 want het is niet het werk van een andere gewaarwording te zeggen dat beiden n zijn2 daarom vergist men zich ook en meent men1 wanneer iets geel is1 dat het gal is4 #dbe;b4 ,men zou kunnen vragen waarom wij meerdere gewaarwordingen en niet eene alleen hebben4 ,wellicht opdat de als algemeenheden met de gewaarwordingen verbondene ons niet zouden ontgaan1 als beweging1 grootte en getal2 want indien alleen het gezicht er was en dat het witte betrof1 zou van alles veel ontgaan en hetzelfde schijnen doordat tegelijk kleur en grootte met elkaar verbonden waren4 ,maar daar nu ook in een andere waarneembaarheid de algemeenheden aanwezig zijn1 wordt het duidelijk dat elk van dezen iets anders is4 #dbd b #ab--dbg a #af4 ,gewaarwording van de waarneembaarheid gaat gepaard met die welke zichzelve betreft4 ,gewaarwording in werkzaamheid is hetzelfde als het waarneembare in werkelijkheid en werkzaam in het naar mogelijkheid waarneembare4 ,dit laatste blijft ook zonder de gewaarwording in werkzaamheid4 ,gewaarwording is evenals accoord een verhouding van het zintuig en het waarneembare1 die verstoord kan worden door overmaat4 ,het gemengde geeft meer genot in de gewaarwording dan het eenvoudige4 ,onderscheiding van gelijktijdige ongelijksoortige waarneembaarheden door n gewaarwording1 die gelijkheid en verschil tegelijk waarneemt zooals het punt n of twee is4 ,daar wij gewaarworden dat wij zien en hooren1 moet men door het gezicht waarnemen dat men ziet of door een andere gewaarwording4 ,maar dan betreft dezelfde waarneming het gezicht en de voorwerpelijke kleur en zoo zullen twee waarnemingen bij hetzelfde voorwerp zijn of de waarneming zal zichzelf betreffen4 ,neemt men aan dat de gewaarwording van het gezicht een andere is1 dan komt men tot eindeloosheid of eenige waarneming zal zichzelf betreffen4 ,dus moet men dat van de eerste waarneming laten gelden4 ,hier is de moeilijkheid dat1 als gezichtswaarneming zien is er wat gezien wordt kleur of het kleurhoudende is1 wanneer men het ziende ziet1 het eerste ziende kleur moet hebben4 ,dus blijkt dat gezichtswaarneming hebben niet n is2 immers ook wanneer wij niet zien1 oordeelen wij met het gezicht en de duisternis en het licht1 maar niet op gelijke wijze4 ,verder is ook het ziende in zekeren zin gekleurd2 want het zintuig neemt elk der waarneembaarheden op zonder de stof4 ,daarom zijn ook wanneer de waarneembaarheden verwijderd zijn de waarnemingen en beelden in de zintuigen4 ,in de werkzaamheid zijn het waarneembare en de waarneming een en hetzelfde1 in het begrip niet4 ,b4v4 het geluid en het gehoor in werkzaamheid2 men kan nl4 gehoor hebben zonder te hooren en wat geluid heeft maakt niet steeds geluid4 ,maar wanneer wat kan hooren en wat geluid kan geven in werkzaamheid is1 dan komt tegelijk het gehoor in werkzaamheid en het geluid in werkzaamheid2 het eene kan men hooring en het andere geluiding noemen4 #dbf;a4 ,indien nu de beweging en de bewerking en inwerking ligt in wat bewerkt wordt1 moet ook het geluid en het gehoor in werkzaamheid liggen in wat de mogelijkheid bezit2 want de werkzaamheid van het bewerkende en bewegende ligt in het lijdende2 daarom is het niet noodzakelijk dat het bewegende bewogen wordt4 ,de werkzaamheid nu van het geluid hebbende is geluid of geluiding1 van het gehoorhebbende gehoor of hooring2 want gehoor is tweerlei en geluid en hetzelfde geldt van de andere waarnemingen en waarneembaarheden4 ,namelijk zooals de bewerking en de inwerking ligt in het lijdende en niet in het bewerkende1 zoo ligt ook de werkzaamheid van het waarneembare en het waarneming hebbende in het waarneming hebbende4 ,maar bij eenige is er een woord voor b4v4 de geluiding en de hooring1 bij eenige is een van beide nameloos2 men spreekt van aanschouwing als het gezicht in werkzaamheid is1 maar de werkzaamheid van de kleur is zonder naam1 en het smaken is de werkzaamheid van het smaak hebbende1 maar die van 7't voorwerp van7 de smaak is zonder naam4 ,daar in werkzaamheid het waarneembare en het waarneminghebbende n is1 maar in begrip onderscheiden1 moeten noodzakelijk het gehoor en geluid in dien zin tegelijk te loor gaan en behouden blijven1 evenzoo 't voorwerp van smaak en het smaken enz41 doch niet noodzakelijk wat in mogelijkheid zoo is2 maar de vroegere natuurkundigen dwaalden in hun meening dat niets wit of zwart zonder gezicht1 noch voorwerp van smaak was zonder smaken4 ,immers in een zin hadden zij gelijk1 in een anderen zin dwaalden zij3 want terwijl men in tweerlei zin spreekt van de gewaarwording en het waarneembare1 deels als van dingen in mogelijkheid1 deels in werkzaamheid1 geldt het gezegde van de laatsten1 maar geldt niet van de eersten4 ,maar zij spraken in volstrekten zin over wat niet ononderscheiden geldt4 ,als het accoord een stemklank is1 en de stemklank en het gehoor in een opzicht n 7in een ander niet n7 en het accoord een verhouding is1 moet ook het gehoor een verhouding zijn4 ,en daarom ook vernietigt elke overmaat1 zoowel het hooge als het lage1 het gehoor2 eveneens in de smaken de smaak en in de kleuren het zeer schitterende of duistere het gezicht en bij den reuk de sterke reuk1 zoo de zoete als de bittere1 omdat de gewaarwording een verhouding is4 #dbf;b4 ,daarom geven wel ook de waarneembaarheden wanneer zij zuiver en ongemengd in de verhouding komen genot1 als het zure of zoete of zoute2 dan immers geven zij genot2 maar in 't geheel meer het gemengde1 het accoord #ec1 dan het hooge of het lage4 ,voor den tastzin is het aangename wat verwarmd of verkoeld kan worden en de gewaarwording is de verhouding2 bij overmaat is er pijn of vernietiging4 ,elke waarneming nu betreft het voorwerpelijke waarneembare en is aanwezig in het zintuig als zoodanig en beoordeelt de onderscheiden van het voorwerpelijke waarneembare1 b4v4 wit en zwart het gezicht1 zoet en en bitter de smaak enz4 ,daar wij ook het witte en het zoete en iedere andere waarneembaarheid met iedere andere vergelijken1 waardoor dan nemen wij hun onderscheid waar8 ,noodwendiglijk door waarneming1 aangezien het waarneembaarheden zijn4 ,hieruit blijkt ook dat het vleesch niet het eigenlijke zintuig is2 want dan zou noodzakelijkerwijze het vergelijkende het ding zelf moeten aanraken4 ,maar het is ook niet mogelijk met afzonderlijke zintuigen te oordeelen dat het zoete iets anders is dan het witte1 maar noodzakelijk moeten beiden voor n enkel 7zintuig7 duidelijk zijn4 ,want anders zou ook indien ik het eene en gij het andere zoudt waarnemen1 duidelijk zijn dat de beide voorwerpen verschillend zijn4 ,maar het ne moet zeggen dat het iets anders is2 want het zoete is iets anders dan het witte4 ,het is blijkbaar hetzelfde1 wat zoo zegt en zooals het zegt1 zoo ook denkt het en wordt het gewaar4 ,het blijkt dus nu dat het niet mogelijk is met verschillende zintuigen de verschillende waarneembaarheden te oordeelen2 dat het evenmin mogelijk is in verschillende tijden1 blijkt hieruit4 ,zooals namelijk hetzelfde zegt dat het goede iets anders is dan het kwade1 zoo ook wanneer het zegt dat het eene en het andere iets anders zijn1 is het wanneer0 geen bijkomstigheid1 d4w4z4 dat ik nu zeg1 dat het iets anders is1 maar niet dat het nu iets anders is2 maar nu zegt men dat het zoo is en dat het nu zoo is1 dus tegelijk4 ,en dus ongescheiden en in ongescheiden tijd4 ,evenwel het is onmogelijk dat hetzelfde tegelijk tegengestelde bewegingen ondergaat als ongedeeld en in ongedeelden tijd4 ,want iets zoets brengt deze beweging in de gewaarwording of het denken1 het bittere de tegengestelde en het witte een andere4 #dbg;a4 ,is dus niet het oordeelende tegelijkertijd en in getal ongedeeld en onscheidbaar1 maar in begrip onderscheiden8 ,dan is het dus eenerzijds het gedeelde dat de gedeelden waarneemt1 anderzijds zooals het als ongedeeld is2 immers in begrip gedeeld1 naar plaats en getal ongedeeld4 ,is dit wel mogelijk8 ,immers in mogelijkheid zijn de tegendeelen hetzelfde en ongedeeld 7ofschoon niet in het begrip71 maar in werkzaamheid gedeeld en het is niet mogelijk dat iets tegelijk wit en zwart is1 dus ook niet dat iets de vormen daarvan opneemt1 als dat waarnemen en denken is4 ,maar dit verhoudt zich zooals wat sommigen het punt noemen1 het eene als twee en in zooverre gedeeld4 ,in zoover nu het ongedeeld is1 is het oordeelende een en tegelijkertijd1 in zoover het gedeeld is1 is het niet n2 immers men gebruikt twee keer hetzelfde punt tegelijk2 in zoover men nu het grenspunt als twee gebruikt1 zijn het twee die oordeelen en gescheiden als met in zekeren zin gescheiden waarneming2 in zooverre het punt n is1 oordeelt men met n en tegelijk #ed4 ,over het principe nu volgens hetwelk het levend wezen gewaarwording heeft1 mogen zulke bepalingen gelden4 #dbg a #ag--;b #bf4 ,onderscheid tusschen gewaarworden1 denken en voorstelling4 ,naar twee onderscheidingen wordt hoofdzakelijk de ziel bepaald1 naar plaatselijke beweging en naar het denken en het oordeelen en waarnemen4 ,ook het begrijpen en denken schijnt een waarnemen te zijn 7want in deze beiden oordeelt en kent de ziel eenig ding74 ,en de ouden noemen zeker het denken en waarnemen hetzelfde1 zooals ook ,empedokles heeft gezegd3 naar het aanwezige groeit de gedachte bij de menschen0 en elders3 van daar overkomt het hen ook steeds anderssoortige dingen te denken0 en hetzelfde bedoelt ook het ,homerische3 zoodanig toch is de geest0 #ee4 ,deze allen immers achten het denken evenals het waarnemen van lichamelijken aard en dat men met het gelijke waarneemt en denkt het gelijke1 zooals wij in den aanvang uiteen hebben gezet4 #dbg;b4 ,echter hadden zij tevens ook over de dwaling moeten spreken1 die immers aan de levende wezens meer eigen is en daarin verblijft de ziel den meesten tijd4 ,dus is het noodzakelijk dat of1 zooals sommigen zeggen1 alle verschijnselen waar zijn of dat de aanraking van het ongelijke dwaling is1 want dat staat tegenover het kennen van het gelijke door het gelijke2 en ook is de dwaling en het weten betreffende de tegendeelen hetzelfde4 ,echter blijkt dat het waarnemen en het denken niet hetzelfde zijn4 ,want het eerste bezitten alle dieren1 het laatste weinigen4 ,maar ook het begrijpen1 dat juist en onjuist kan zijn1 juist als verstand1 wetenschap en ware meening1 onjuist als het omgekeerde daarvan1 ook dat is niet hetzelfde als het waarnemen2 want de waarneming betreffende de eigen waarneembaarheden is altijd waar en is aanwezig bij alle dieren1 maar denken kan men ook onwaar en niemand heeft het die ook niet rede bezit2 want voorstelling is iets anders dan waarneming en begrip1 en zij 7de voorstelling7 wordt niet zonder waarneming en zonder haar is er geen opvatting4 ,dat de voorstelling #ef niet zelf begrip en opvatting is1 is duidelijk4 ,want dit gebeuren 7van de voorstelling7 is van onzen wil afhankelijk 7want men kan zich iets voor oogen stellen1 zooals zij die in de geheugenkunst door beelden iets vasthouden71 maar niet het meenen1 want 7daarbij7 moet men f onwaar f waar zijn4 ,bovendien wanneer wij iets ergs of vreeselijks meenen1 ondergaan wij onmiddellijk die gewaarwording tevens en eveneens bij het bemoedigende2 bij de voorstelling verhouden wij ons zoo alsof wij het vreeselijke of bemoedigende geschilderd aanschouwden4 ,er zijn ook van de opvatting zelf onderscheidingen1 wetenschap1 meening1 verstand en hun tegendeelen2 over het onderscheid daartusschen moet elders gesproken worden4 #dbg b #bg-dbi a #i4 ,voorstelling1 een vermogen van oordeelen1 is niet gewaarwording2 ook niet kennis of begrip4 ,evenmin is zij meening met of door gewaarwording of verbinding van 't eene en 't andere b4v4 voorstelling van en meening omtrent de grootte van de zon4 ,de voorstelling is een beweging uit die der gewaarwording in werkzaamheid voortkomende1 welke beweging vooral bij de algemeene bijkomstige gewaarwordingen valsch kan zijn1 vooral als het voorwerp ver verwijderd is4 ,naam en werking der voorstelling4 ,het denken1 iets anders dan het waarnemen1 is deels voorstelling deels opvatting2 na de bepaling van de voorstelling1 moeten wij spreken over het andere4 #dbh;a4 ,als dan de voorstelling datgene is dat in ons een beeld doet opkomen1 en niet overdrachtelijk is bedoeld1 dan is zij een vermogen of gesteldheid van diegenen1 volgens dewelke wij oordeelen1 waar of onwaar4 ,dezulke zijn gewaarwording1 meening1 wetenschap1 begrip4 ,dat de voorstelling nu niet gewaarwording is1 blijkt hieruit dat gewaarwording of mogelijkheid of werkzaamheid is b4v4 gezicht en aanschouwing1 maar voorstelling is dr1 ook zonder dat een van beiden aanwezig is1 zooals bij droomen4 ,verder is gewaarwording altijd aanwezig1 voorstelling niet4 ,als zij in werkzaamheid hetzelfde waren1 zouden alle dieren voorstelling kunnen hebben1 doch dit is niet aan te nemen b4v4 bij een mier1 bij of worm4 ,verder zijn de gewaarwordingen altijd waar1 de meeste voorstellingen onwaar4 ,vervolgens zeggen wij ook niet1 wanneer wij nauwkeurig in het waarneembare werkzaam zijn dit schijnt ons een mensch01 maar veeleer wanneer wij niet duidelijk gewaarworden4 ,en ook zooals wij vroeger zeiden1 verschijnen gezichten ook als men de oogen sluit4 ,maar ook kan zij geen zijn van die altijd waar zijn1 als wetenschap of begrip2 want er is ook onware voorstelling4 ,er blijft dus over na te gaan of zij meening is2 want meening is en waar en onwaar4 ,maar met meening gaat geloof samen 7want het is onmogelijk bij meening niet te gelooven wat men meent7 en geloof heeft geen dier1 maar in velen is voorstelling4 ,verder gaat elke meening vergezeld van geloof1 geloof van overtuigd zijn1 overtuiging van rede2 van de dieren hebben sommigen wel voorstelling1 maar geen rede4 ,het blijkt verder dat voorstelling ook niet meening met of door gewaarwording of vereeniging van meening en gewaarwording kan zijn om genoemde redenen en hierom3 natuurlijk betreft de meening niet iets anders1 maar datgene dat ook de waarneming betreft nl4 uit de meening en de waarneming van het witte komt als hun vereeniging de voorstelling1 immers niet uit de meening van het goede en de waarneming van het witte3 zoo is dan het zich voorstellen het meenen van wat men niet bijkomstig waarneemt4 #dbh;b4 ,maar in de voorstelling zijn ook onwaarheden waaromtrent men tegelijk een ware opvatting heeft b4v4 de zon stelt men zich voor als van n voet middellijn1 maar men is overtuigd dat zij grooter is dan de aarde2 waaruit dus volgt dat men f zijn ware meening heeft verloren1 die men had1 terwijl het voorwerp onveranderd blijft1 zonder die vergeten te zijn of bewustelijk veranderd te hebben f als men haar nog heeft1 dan moet noodzakelijk dezelfde meening waar en onwaar zijn4 ,maar zij werd onwaar1 zoo dikwijls men niet bemerkte dat het voorwerp omsloeg #eg4 ,alzoo is de voorstelling noch een van deze noch uit deze 7gewaarwording1 meening7 voortkomend4 ,maar het is mogelijk dat wanneer een ding bewogen wordt daardoor een ander bewogen wordt en de voorstelling schijnt een beweging te zijn en niet zonder waarneming te gebeuren maar bij waarnemenden en betreffende hetgeen waarneembaar is2 en het is mogelijk dat een beweging ontstaat door de werkzaamheid der waarneming1 die noodzakelijk overeenkomstig moet zijn met de waarneming4 ,zoo is dan deze beweging niet mogelijk zonder waarneming noch kan zij aanwezig zijn bij wie niet waarnemen en door haar kan het subjekt veel doen en lijden en zij kan waar en onwaar zijn4 ,dit volgt hieruit4 ,de waarneming van de eigen waarneembaarheden is waar of heeft het minst onwaarheid4 ,daarna de waarneming van deze dingen als bijkomstigheden2 hierin kan men zich dan bedriegen3 dat nl4 iets wit is1 daarin bedriegt men zich niet2 dat het witte dit of iets anders is1 daarin wl4 ,ten derde de waarneming van de algemeene bepalingen die de bijkomstigheden vergezellen als de eigen waarneembaarheden aanwezig zijn1 zooals beweging en grootte die bijkomstigheden zijn van de waarneembaarheden2 hieromtrent kan men zich in de waarneming dan het meest bedriegen4 ,de beweging voortkomend uit de werkzaamheid der waarneming moet verschillen bij elk van die drie waarnemingen4 ,en de eerste is als de waarneming er bij is1 waar1 de anderen kunnen n bij aan- n bij afwezigheid 7der waarneming7 onwaar zijn1 vooral wanneer de waarneembaarheid ver verwijderd is4 #dbi;a4 ,als dus de voorstelling niets anders is #eh dan is zij een beweging door de werkzaamheid der waarneming opgewekt4 ,daar het gezicht in de eerste plaats waarneming is1 heeft zij ook haar naam van 7licht7 gekregen1 daar men zonder licht niet zien kan4 ,en omdat de voorstellingen bijblijven en overeenkomstig zijn aan de gewaarwordingen1 handelen de levende wezens vaak daarnaar1 deels doordat ze geen verstand hebben als de dieren1 deels doordat het verstand soms bedekt wordt door hartstocht1 of ziekten of slaap1 als bij de menschen4 ,zooveel nu over de voorstelling1 wat zij is en waardoor zij is4 #dbi a #aj-;b #i4 ,het denkvermogen of de geest1 onbepaald1 vatbaar voor alle vormen1 in mogelijkheid alle denkbaarheden en zuiver1 is in zijn wezen mogelijkheid1 en dus niet lichamelijk bepaald4 ,de onbepaaldheid der zintuigen bij zinnelijke gewaarwording is niet volstrekt1 als die van den geest4 ,op zichzelf betrokken is de geest ook nog in mogelijkheid4 ,over het deel van de ziel waardoor de ziel kent en denkt moet men 't onderscheid nagaan of het scheidbaar is dan wel onscheidbaar naar grootte maar niet naar 't begrip en hoe eigenlijk het denken tot stand komt4 ,alsnu het denken is als het waarnemen1 dan is het iets ondergaan door het denkbare of iets dergelijks4 ,dus moet het onaangedaan zijn1 geschikt om den vorm te vatten en naar mogelijkheid iets zoodanigs maar niet dit ding en zooals het waarnemingsvermogen tegenover de waarneembaarheden zoo moet de geest zich verhouden tot de denkbaarheden4 ,dus moet de geest1 daar hij alles denkt1 onvermengd zijn1 zooals ,anaxagoras zegt1 opdat hij beheersche d4w4z4 opdat hij kenne2 want het vreemde dat zich bijtoont hindert en verspert2 dus heeft de geest geen andere natuur dan dat hij iets in mogelijkheid is4 ,het geest genoemde deel van de ziel 7geest noem ik dat waarmee de ziel denkt en opvat7 is dus in werkzaamheid niets van de dingen alvorens te denken4 ,daarom heeft het ook geen zin dat hij vermengd is met het lichaam2 want dan zou hij bepaald worden1 koud of warm1 of hij zou ook een zintuig hebben1 zooals het waarnemingsvermogen1 en toch heeft hij er geen4 ,en die de ziel de plaats der vormen noemen1 doen niet verkeerd1 doch niet de heele ziel maar de denkende en de vormen niet in werkzaamheid maar in mogelijkheid4 ,dat het onaangedaan zijn van het waarnemingsvermogen en het denkvermogen niet gelijksoortig is1 blijkt bij de zintuigen en de waarneming4 #dbi;b4 ,want de waarneming kan niet waarnemen na het in hooge mate waarneembare b4v4 geluid na sterke geluiden of na sterke kleuren en reuken zien of ruiken2 maar de geest1 wanneer hij iets zeer denkbaars denkt1 denkt niet minder de mindere denkbaarheden maar veeleer meer2 want het waarnemingsvermogen is niet zonder lichaam1 maar de geest is gescheiden4 ,wanneer hij z alles wordt1 zooals men spreekt van de in werkzaamheid kundige 7dit gebeurt wanneer hij door zichzelf tot werkzaamheid kan komen71 zoo is hij ook dan in zeker opzicht in mogelijkheid1 maar maar niet zooals voordat hij geleerd of gevonden heeft2 en ook zichzelf kan hij dan denken4 #dbi b #aj-dcj a #i4 ,het onmiddellijke1 het mathematische1 het begrip staan verschillend tegenover den geest4 ,als onaangedaan en zuiver en zichzelf denkend is de geest alles in mogelijkheid1 niets in werkelijkheid vr zijn werking1 als een onbeschreven blad4 ,denken en begrip zijn hetzelfde2 het zakelijke is begrip in mogelijkheid1 afgezien van de stof4 ,daar grootte en het begrip van grootte1 water en 't begrip van water te onderscheiden is 7zoo ook bij vele andere dingen1 doch niet bij allen1 want bij sommigen is het hetzelfde7 oordeelt men het begrip van vleesch en het vleesch ook met iets anders of met iets in andere verhouding2 want het vleesch is niet zonder de materie maar als het stompneuzige1 bepaalde vorm in bepaalde materie4 ,met het waarnemingsvermogen nu oordeelt men over het warme en koude en die elementen waarvan het vleesch een bepaalde verhouding is2 het begrip van vleesch met iets anders f iets gescheidens f dat is als de verhouding van de gebroken lijn tot zichzelf als gestrekte4 ,verder bij de wiskundige dingen het rechte als het stompneuzige1 want het is gebonden aan uitgebreidheid2 maar het begrip1 als het begrip van het rechte en het rechte verschillend zijn1 is iets anders2 laat het zijn tweeheid4 ,dus oordeelt men het met iets anders of dat zich anders verhoudt4 ,en zooals dus in 't geheel de zaken gescheiden zijn van de materie1 zoo ook gaat het met den geest4 ,men kan vragen1 als de geest eenvoudig is en onaangedaan en met niets iets gemeen heeft1 zooals ,anaxagoras zegt1 hoe hij dan zal denken1 indien het denken is iets ondergaan4 ,want in zoover twee dingen iets gemeen hebben1 is het eene werkend het andere lijdend4 ,bovendien1 7is er de verlegenheid71 als hij zelf denkbaar is4 ,want dan moet of bij de andere dingen geest aanwezig zijn1 als de geest zelf niet om iets anders denkbaar is en het denkbare n is in soort1 f de geest moet iets gemengds hebben dat hem denkbaar maakt als de andere dingen4 ,maar het lijden in iets gemeenschappelijks is vroeger onderscheiden1 dat de geest in zekeren zin naar mogelijkheid de denkbaarheden is1 maar niets in werkelijkheid voordat hij denkt4 #dcj;a4 ,men begrijpe het zoo als op een schrijftafel1 waarop niets in werkelijkheid geschreven is2 wat het geval is bij den geest4 ,en zelf is hij denkbaar zooals de denkbaarheden4 ,want bij de dingen zonder materie is het denkende en het gedachte hetzelfde2 want de theoretische kennis en wat zoo gekend wordt is hetzelfde4 ,de oorzaak dat men niet altijd denkt moet nagegaan worden4 ,in de materieele dingen is in mogelijkheid elk der denkbaarheden4 ,dus bezitten zij geen geest 7want de geest is de mogelijkheid der zoodanige dingen zonder hun materie7 maar de geest bezit wel het denkbare4 #dcj a #aj-;a #be4 ,als in de geheele natuur1 zoo ook in den geest onderscheiding van materie en vorm1 passieve en actieve geest4 ,de actieve een gesteldheid als 't licht1 naar wezen werkzaamheid1 zelfstandig1 onaangedaan1 zuiver en alleen onsterfelijk en eeuwig zichzelf4 ,die kan niet omvat worden door het sterfelijk bewustzijn1 want de actieve geest denkt niets zonder het sterfelijk bewustzijn1 dat eenheid van lijden en werken is4 ,daar er1 evenals in de heele natuur1 iets is eenerzijds materie voor elk soort 7dat is wat in mogelijkheid al de dingen van die soort is7 anderzijds het veroorzakende en bewerkende doordat het alle dingen maakt1 7zooals de verhouding is tusschen de kunst en de materie71 zoo moeten ook in de ziel deze onderscheidingen aanwezig zijn4 ,en zoodanig is de eene geest door alles te worden1 de andere door alles te maken1 als een gesteldheid1 gelijk het licht2 want op een zekere wijze maakt ook het licht de kleuren naar mogelijkheid tot kleuren in werkzaamheid4 ,en deze geest is gescheiden1 onaangedaan en ongemengd1 van wezen werkzaamheid zijnde4 ,want altijd is hooger het bewerkende dan het lijdende en het principe dan de stof4 ,en de kennis in werkzaamheid is hetzelfde als de zaak2 7de kennis naar mogelijkheid gaat in tijd vooraf bij den enkele1 maar in 't geheel ook niet in tijd7 en deze geest denkt niet nu wl1 dan niet4 ,op zichzelf is hij alleen dat wat hij is en dat alleen is onsterfelijk en eeuwig4 ,wij hebben er geen bewustzijn van1 omdat dit onaangedaan is en de lijdende geest vergankelijk is en 7de actieve geest7 zonder deze niets denkt4 #dcj a #bf-;b #cj4 ,bij denken van het ongedeelde geen waarheid of onwaarheid2 dat komt eerst in de verbinding2 het verbindende is de geest4 ,denken van het ongedeelde naar aantal of naar de soort4 ,denken van het negatieve en de tegenstelling en van wat geen tegenstelling heeft4 ,oordeel is waar of onwaar1 begrip van het wezen steeds waar1 als het zien van het eigenlijk zichtbare4 #f4 ,het begrip nu der ongedeeldheden betreft die dingen1 waaromtrent geen onwaarheid is4 ,die1 waarin van waarheid en onwaarheid sprake is1 zijn dan een verbinding van begrippen als een nheid vormende1 zooals ,empedokles zeide3 gelijk van velen hoofden zonder hals ontsproten0 die dan door de liefde verbonden werden1 zoo worden ook deze gescheiden zijnde verbonden1 zooals het onderling onmeetbaar zijn en de diagonaal2 wanneer er sprake is van in 't verleden of in de toekomst1 denkt men er den tijd bij en stelt dien samen4 #dcj;b4 ,want de onwaarheid ligt altijd in de verbinding2 immers noemt men het witte niet wit1 dan heeft men het niet witte verbonden4 ,men kan ook alles scheiding noemen4 ,maar zeker is niet alleen 't ware of onware dat ,kleon wit is1 maar ook dat hij wit was of zijn zal4 ,dat wat de eenheid bewerkt is bij alles de geest4 ,aangezien het ondeelbare tweevoudiglijk geldt1 of naar mogelijkheid of in werkzaamheid1 belet niets te denken het ondeelbare1 wanneer men denkt de lengte 7die is nl4 ondeelbaar in werkzaamheid7 ook in ondeelbaren tijd3 want de tijd is deelbaar en ondeelbaar overeenkomstig de lengte4 ,nu kan men niet zeggen wat men in elk van beide helften denkt2 want die bestaan slechts1 als de verdeeling niet geschiedt1 in mogelijkheid4 ,denkt men elk van beide helften afzonderlijk1 dan verdeelt men ook tegelijk de tijd en dan denkt men 7lengte7 als lengten4 ,denkt men 7lengte7 als uit beide 7helften7 dan denkt men ook in den tijd voor beiden4 ,wat niet als grootte maar soortelijk ondeelbaar is1 denkt men in ondeelbare tijd en met 't ondeelbare van de ziel2 maar bijkomstiglijk en niet zooals die vorigen1 zijn deelbaar waarmee men denkt en de tijd waarin men denkt2 want ook in dezen is iets ondeelbaars1 maar misschien niet gescheiden1 7't zelfde7 dat de tijd en de lengte n maakt4 ,en dat is evenzoo in alle uitgebreidheid van tijd en lengte4 ,het punt en alle verdeeling en wat zoo ondeelbaar is1 wordt verduidelijkt als de ontkenning4 ,en de redeneering is gelijk voor de andere dingen b4v4 hoe men het booze of het zwarte kent2 nl4 men kent het zoo te zeggen door het tegengestelde4 ,het kennende moet in mogelijkheid zijn en eenheid hebben4 ,als eenige der oorzaken geen tegendeel heeft1 kent zij zichzelf en is in werkzaamheid en gescheiden4 ,het oordeel spreekt iets uit van iets1 zooals de bevestiging en is altijd waar of onwaar2 het begrip niet altijd1 maar het begrip van het ding naar zijn wezen is waar en niet eenige bepaling omtrent iets2 maar zooals het zien van het eigenlijke waar is1 maar niet altijd waar of het witte een mensch is of niet1 zoo verhouden zich de onstoffelijkheden4 #dca a #a-dca b #a4 ,het door het waarneembare in werkzaamheid gebrachte waarnemingsvermogen1 leidt tot streven en vermijden2 voor het denkvermogen zijn de voorstellingen als waarneembaarheden4 ,er is een centraliteit van waarneming4 ,die oordeelt ook over ongelijksoortige eigenschappen in nen4 #dca;a4 ,de kennis in werkzaamheid is hetzelfde als de zaak4 ,die in mogelijkheid is naar tijd eerder in den eenen maar in 't geheel ook niet in tijd2 want alles wat wordt komt voort uit wat in werkelijkheid is4 ,het blijkt dat het waarneembare het waarnemingsvermogen uit mogelijkheid tot werkzaamheid brengt1 want het lijdt of verandert niet4 ,daarom is dit een ander soort van beweging2 immers de beweging was de werkzaamheid van het onvoltooide1 maar de volstrekte werkzaamheid1 die van het voltooide1 is een andere4 ,het waarnemen nu komt overeen met het zeggen en denken alleen2 wanneer men het aangename of onaangename 7waarneemt71 overeenkomstig met beaming of ontkenning1 streeft men na of vermijdt2 en genot en smart gevoelen is werkzaam zijn met het waarnemend gemiddelde ten opzichte van het goede of het kwade als zoodanig4 ,en het vermijden en de nastreving zijn in werkzaamheid hetzelfde en het streefvermogen en 't vermijdingsvermogen zijn niet verschillend noch onderling noch van het waarnemingsvermogen1 maar het begrip verschilt4 ,voor de denkende ziel zijn de voorstellingen als waarnemingen2 wanneer zij bij goed of kwaad beaamt of ontkent1 vermijdt zij of streeft zij na4 ,daarom denkt de ziel nooit zonder voorstelling4 ,en zooals de lucht de pupil op bepaalde wijze aandoet en deze iets anders en het gehoor evenzoo1 en het laatste n is en n gemiddelde1 maar het begrip daarvan veelvoudig #ei444 ,waarmee men beoordeelt het verschil van zoet en warm1 is ook vroeger gezegd1 en 't kan ook z gezegd worden4 ,het is nl4 een eenheid1 zooals ook de grens4 ,en deze1 n zijnde als door verhouding en naar aantal1 verhouden zich tot elk van beiden als die tot elkaar2 want wat verschilt het te vragen hoe men de ongelijksoortige dingen beoordeelt of de tegendeelen als wit en zwart3 laat als wit 7,a7 zich verhoudt tot zwart 7,b7 zoo ,c staan tot ,d1 dus ook omgekeerd4 ,als dus ,c ,d bij n ding aanwezig is1 zal het zich verhouden als ,a ,b1 n en het zelfde1 maar naar begrip niet hetzelfde en 't andere eveneens4 ,dezelfde redeneering geldt als ,a het zoete is en ,b het witte4 #dca b #b-ai4 ,denken en voorstelling met of zonder waarneming1 met of zonder handeling4 ,denken van het afgetrokkene4 ,de geest in werkzaamheid is n met zijn objecten4 ,de begrippen nu denkt het denkvermogen in de voorstellingen en als daarin 7verkeerende7 onderscheidt zich voor 't denkvermogen het nastreefbare en vermijdbare en buiten de waarneming wanneer het in de voorstellingen verkeert1 wordt het bewogen b4v4 van het signaal waarnemende het vuur1 erkent het door de algemeene zin de beweging ziende1 dat er een vijand is4 ,anders berekent en overweegt het door de voorstellingen of gedachten in de ziel als ziende de toekomstige dingen tegenover de aanwezige2 en wanneer het zooals dr zegt het aangename of onaangename1 zoo vermijdt het hier of streeft na en in 't geheel bij het handelen4 ,en ook hetgeen zonder handeling is1 het ware en onware1 is in 't zelfde geslacht met het goede en kwade1 maar het verschilt als volstrekt of betrekkelijk4 ,de afgetrokkenheden denkt het zooals men het wipneuzige zou denken als wipneuzig niet gescheiden1 maar als hol1 zou men het als men het in werkzaamheid dacht1 zonder het vleesch denken waarin de holheid is2 zoo denkt het de wiskundige dingen die ongescheiden zijn als gescheiden1 wanneer men geene denkt4 ,in 't geheel is de geest in werkzaamheid de zaken4 ,of het mogelijk is iets gescheidens te denken zelf niet gescheiden zijnde van grootte of niet1 moet later nagegaan worden4 #dca b #bj-dcb a #ad4 ,de ziel is als 't ware de voorwerpen1 waarneembaarheden en denkbaarheden als vormen2 de ziel is de vorm der vormen als de hand het werktuig der werktuigen4 ,de denkbaarheden zijn in de waarneembaarheden4 ,waarneming en voorstelling zijn noodzakelijk voor het begrijpen2 maar voorstelling en gedachte zijn niet hetzelfde4 #h4 ,wanneer wij nu het gezegde omtrent de ziel samenvatten1 zullen wij zeggen dat de ziel zoo te zeggen de dingen is2 want al de dingen zijn of waarneembaarheden of denkbaarheden en de kennis is als 't ware de kenbaarheden1 de waarneming de waarneembaarheden2 de nadere bepaling hiervan moet men zoeken4 ,de kennis nu en de waarneming verdeelen zich over de dingen1 die in mogelijkheid over mogelijkheden1 die in werkelijkheid over werkelijkheden4 ,van de ziel is het waarnemingsvermogen en het kenvermogen in mogelijkheid hetzelfde1 het eene het kenbare 't ander het waarneembare4 ,dit moeten of de dingen zelf of de vormen zijn4 ,nu zijn het niet de dingen zelf1 want niet de steen is in de ziel1 maar de vorm2 zoodat de ziel is als de hand2 immers ook de hand is als het werktuig der werktuigen en de geest is de vorm der vormen en de waarneming de vorm der waarneembaarheden4 #dcb;a4 ,daar er geenerlei ding is buiten de waarneembare grootheden 7en7 gescheiden1 zijn de denkbaarheden in de waarneembare vormen1 de als afgetrokkenheden gezegde en alles wat toestanden en bewerkingen van de waarneembaarheden zijn4 ,en daarom is 't onmogelijk zonder iets waar te nemen iets te leeren of te begrijpen en wanneer men bespiegelt is het noodzakelijk met voorstelling te bespiegelen2 want de voorstellingen zijn als waargenomen dingen doch zonder materie4 ,de voorstelling is iets anders dan beaming of ontkenning2 want de waarheid of onwaarheid is een samenvoeging van begrippen4 ,maar wat zal het verschil zijn tusschen de eerste begrippen en de voorstellingen zijn8 ,veeleer zijn ook de andere geen voorstellingen1 maar niet zonder voorstellingen4 #dcb a #ae-dcc a #cj4 ,plaatselijke beweging en zielsdeelen4 ,streefvermogen met gedachte of voorstelling bron van de plaatselijke beweging en in de eerste plaats het streefvermogen1 dat zich richt op het als mogelijk goed zich voordoende4 #i4 ,daar de ziel der levende wezens door twee vermogens bepaald is1 door het oordeelsvermogen1 wat het werk is van denken en waarneming en bovendien door de plaatselijke beweging1 zij over waarneming en geest dit bepaald1 en moeten wij nagaan wat wel in de ziel het bewegende is1 of het is een bepaald deel der ziel1 gescheiden naar grootte of in begrip1 of de heele ziel en zoo eenig bepaald deel1 of het een bizonder deel is naast die gewoonlijk genoemd worden en die gezegd zijn of een daarvan4 ,wij hebben alvast de moeilijkheid hoe men van zielsdeelen moet spreken en van hoevele4 ,immers zij lijken in zeker opzicht onbepaald vele en niet alleen die welke sommigen #fj onderscheiden1 het redelijke1 hartstochtelijke en begeerende1 of zooals anderen het redelijke en onredelijke2 want in vergelijking met de verschillen waardoor zij deze deelen onderscheiden1 zullen andere verder uit elkaar blijken te staan dan deze1 waarover hier ook gesproken is1 het voedingsvermogen1 dat ook de gewassen en alle dieren hebben en het waarnemingsvermogen1 dat men niet licht of onredelijk of redelijk kan noemen4 ,verder het voorstellingsvermogen dat in 't begrip van allen verschilt1 maar waarvan het zeer moeilijk is te zeggen met welk van deze het n is of verschilt1 als men gescheiden deelen van de ziel aanneemt4 #dcb;b4 ,bovendien het streefvermogen1 dat en in begrip en in werking als van allen verschillend geldt4 ,dan is het ongerijmd dit uiteen te rukken2 immers in het redelijke ligt de wil en in het niet-redelijke de begeerte en de hartstocht2 wanneer de ziel driedeelig is1 komt in elk deel het streefvermogen4 ,eindelijk datgene waarvan nu sprake is1 wat is het dat de plaatselijke beweging aan het levende wezen geeft8 ,want de beweging van groei en afname1 die bij allen aanwezig is1 zal voortkomen uit het bij allen aanwezige voortbrengings- en voedingsvermogen2 over in- en uitademing1 slaap en waken moeten wij later handelen #fa2 want ook daarbij doen zich vele vragen voor4 ,maar wij moeten nagaan omtrent de plaatselijke beweging1 wat het is dat aan het levende wezen de beweging van het gaan geeft4 ,blijkbaar niet het voedingsvermogen2 want deze beweging heeft steeds een doel en is vergezeld van voorstelling of streven2 want zonder streven of vermijden is er geen andere beweging dan door geweld4 ,bovendien zouden dan ook de gewassen bewegingsvermogen hebben en eenig orgaan voor deze beweging4 ,evenmin het waarnemingsvermogen2 immers vele dieren hebben wel waarneming maar zijn rustend en onbewegelijk steeds door4 ,aangenomen nu dat de natuur niets doelloos maakt noch iets noodzakelijks weglaat behalve in de gebrekkigheden en onvoltooidheden2 de zoodanige levende wezens nu zijn voltooid en geen gebrekkigheden1 waarvoor het bewijs is dat zij teelkracht hebben en wasdom en afname2 zoo zouden zij dus ook de organen voor den gang moeten hebben4 ,maar ook het denkvermogen en de zoogenaamde geest is niet het bewegende2 want de bespiegelende geest denkt niets betreffende handeling en zegt niets omtrent wat te vermijden of na te jagen is1 terwijl de beweging altijd is van iets vermijden of najagen4 ,maar zelfs niet als hij iets zoodanigs beschouwt1 beveelt hij tegelijk na te jagen of te vermijden b4v4 dikwijls bedenkt hij iets vreeswekkends of aangenaams1 zonder dat hij gelast te vreezen1 maar het hart komt in beweging of1 bij het aangename1 eenig ander deel4 #dcc;a4 ,verder ook als de geest gelast en de gedachte beveelt iets te vermijden of na te jagen1 wordt men 7daardoor7 niet bewogen maar handelt naar de begeerte1 gelijk de losbandige4 ,en in 't algemeen zien wij1 dat hij die de geneeskunde verstaat1 niet geneest als zijnde iets anders beslissend bij het doen volgens de wetenschap1 maar niet de wetenschap4 ,maar ook is het niet het streefvermogen dat die beweging beheerscht2 immers de zelfbeheerschenden doen ondanks streven en begeeren niet dat1 waartoe zij neiging hebben1 maar volgens den 7redelijken7 geest4 ,het blijkt echter dat deze twee bewegen1 of streefvermogen of geest1 als men de voorstelling een soort van denken noemt2 want velen volgen tegen de kennis de voorstellingen en de andere dieren bezitten geen denken of overweging1 maar voorstelling4 ,dus zijn 't deze beiden die de plaatselijke beweging geven1 geest en streefvermogen1 nl4 de met een doel overwegende1 praktische geest2 deze verschilt van de theoretische door het doel4 ,ook elk streefvermogen betreft een doel2 immers het doel van het streven is het begin van de praktische geest en het eind daarvan is 't begin van de handeling4 ,dus blijken redelijkerwijze deze twee de bewegenden1 streefvermogen en praktische gedachte2 want het nagestreefde beweegt en daardoor de gedachte1 omdat het nagestreefde haar begin is4 ,ook wanneer de voorstelling beweegt1 doet zij dit niet zonder streven4 ,dus is het n ding dat beweegt1 het streefvermogen4 ,want indien twee1 begrip en streven1 bewogen1 zouden zij dit uit een gemeenschappelijken vorm doen4 ,nu echter blijkt het begrip niet te bewegen zonder streven2 want de wil is streven1 en wanneer men naar de overweging bewogen wordt1 wordt men ook naar den wil bewogen4 ,het streven beweegt tegen de overweging1 want de begeerte is een zeker streven4 ,alle begrip nu is juist2 streven en voorstelling zoowel juist als niet juist4 ,derhalve is het altijd het nagestreefde dat beweegt1 maar dit is of het goede of wat goed lijkt1 en niet al het goede maar het goede van de praktijk4 ,dit is wat de mogelijkheid toelaat van anderszijn4 #dcc a #ca-;b #cj4 ,weerstrevingen bij streven weerspreken niet de eenheid in het streefvermogen4 ,verband met het lichamelijke4 ,rust bij de beweging4 ,het streefvermogen oorzaak van de plaatselijke beweging in verband met voorstelling uit gedachte of gewaarwording4 #dcc;b4 ,het blijkt nu dat het zoodanige zielsvermogen1 het zoogenaamde streven1 beweegt4 ,die de ziel in deelen verdeelen1 krijgen1 wanneer ze naar de vermogens verdeelen en scheiden1 vele deelen1 voedingsvermogen1 waarnemingsvermogen1 denkvermogen1 beraadslagingsen streefvermogen2 want het onderscheid tusschen dezen is grooter dan tusschen de begeerte en de hartstocht #fb4 ,daar strevingen voorkomen met elkaar in strijd1 en dit gebeurt wanneer de rede en de begeerten in strijd zijn en bij hen1 die waarneming van tijd hebben 7want de geest verzet zich wegens de toekomst1 de begeerte gelast om het oogenblikkelijke #fc2 immers het oogenblikkelijk aangename lijkt volstrekt aangenaam en volstrekt goed1 doordat men de toekomst niet ziet71 zoo is naar vorm het bewegende n1 het streefvermogen als zoodanig en allereerst het nagestreefde 7want dit beweegt zonder bewogen te worden door gedacht of voorgesteld te worden71 maar naar aantal zijn de bewegenden meer4 ,daar er drie zijn1 een het bewegende1 het tweede waardoor het beweegt en verder het derde wat bewogen wordt1 en het bewegende is dubbel1 deels onbewogen deels bewegend en bewogen wordend2 zoo is het onbewogene het goede van de praktijk1 het bewegende en bewogen wordende het streefvermogen 7want het strevende als zoodanig wordt bewogen en het streven als werkzaamheid is een beweging7 en het bewogen wordende het levende wezen1 en het werktuig eindelijk waarmede het streven beweegt is lichamelijk2 derhalve moet dat onderzocht worden bij de gemeenschappelijke verrichtingen van ziel en lichaam4 ,nu1 in hoofdzaak gezegd1 is het door organen bewegende daar waar begin en einde hetzelfde is1 zooals het gewricht2 want daar is het gebogene en het holle 't eene einde 't andere begin2 daarom rust het eene en het andere wordt bewogen1 naar begrip verschillend maar in uitgebreidheid ongescheiden2 want alles wordt door stoot en trek bewogen4 ,daarom moet er als 7't middelpunt7 in een cirkel iets rusten1 en daarvan moet de beweging beginnen4 ,in 't geheel dus1 zooals gezegd is1 is het levende wezen als voorzien van streefvermogen voorzien van 't vermogen van zelfbeweging2 het bezit van streefvermogen is niet zonder voorstelling2 alle voorstelling is of verstandelijk of uit de gewaarwording4 ,deze is ook het deel van de andere levende wezens4 #dcc b #ca-dcd a #ba4 ,streven en redeneering in wederzijdsche verhouding en weerstreving in het streven4 ,het bizondere1 niet het algemeene1 uitgangspunt van het streven4 ,wij moeten ook nagaan wat het bewegende is bij de onvolmaakte wezens die alleen den tastzin als gewaarwording hebben1 of deze voorstelling en begeerte kunnen hebben of niet4 #dcd;a4 ,het blijkt dat zij voor smart en genot plaats hebben4 ,met deze moeten zij noodzakelijk ook begeerte hebben4 ,maar hoe zouden zij voorstelling kunnen hebben8 ,of zooals zij zich onbepaald bewegen1 zoo zijn er ook deze vermogens in aanwezig maar onbepaald4 ,de op gewaarwording berustende voorstelling nu is1 zooals gezegd is1 ook in de andere levende wezens aanwezig1 die uit de overweging voortkomt1 in de met rede begaafden2 want de keus tusschen twee handelingen is ten slotte het werk van redeneering en maakt een maatstaf noodzakelijk1 want men zoekt het grootere4 ,dus kan zij uit meerdere voorstellingen er n maken4 ,en dit is de oorzaak dat zij zonder oordeelskracht lijkt1 omdat zij het oordeel uit de sluitrede niet heeft1 wel omgekeerd dat haar4 ,daarom heeft het streven niet de oordeelskracht1 soms echter overtreft het die en beweegt den wil2 soms deze het streven1 soms als de bal het eene streven het andere #fd1 wanneer er losbandigheid is2 van nature is altijd de hoogere heerschend en beweegt2 zoodat er ten slotte drie bewegingen gelden4 ,het wetende wordt niet bewogen maar rust4 ,daar opvatting en begrip deels het algemeene deels het bizondere betreft1 7de eerste nl4 zegt dat de zoodanige het zoodanige moet doen1 de tweede3 dit nu is zoodanig en ik ben een zoodanige71 is het ten slotte deze meening die beweegt1 niet de algemeene2 of beiden1 maar de eene meer rustende1 de andere niet4 #dcd a #bb-dce b #be4 ,rangorde in de zielsvermogens en overeenkomstige bepaaldheid des lichaams4 ,de tastzin als het algemeenste vereischt het samengesteld-zijn van het lichaam en zij is zelf noodzakelijk voor het bestaan1 de andere zinnen voor het hoogere4 ,de voedende ziel moet noodzakelijk alles hebben wat leeft en ziel heeft #fe van de geboorte af en tot den ondergang2 want het is noodzakelijk dat het geborene groeit en hoogtepunt en ondergang heeft en dit is onmogelijk zonder voeding2 dus moet noodzakelijk de voedingskracht aanwezig zijn in alles wat groeit en afneemt4 ,gewaarwording is niet noodzakelijk in alle levende wezens2 want alle wier lichaam enkelvoudig is1 kunnen geen tastzin hebben1 noch die de vormen niet kunnen opnemen zonder de materie4 ,maar het dier moet noodzakelijk gewaarwording hebben1 indien de natuur niets doelloos maakt4 ,want alle natuurlijke dingen strekken tot iets of zijn bijkomstigheden van de doelbeoogende dingen4 ,indien dus elk lichaam dat loopen kan1 als het geen gewaarwording bezat1 zou omkomen en zijn voltooiing niet zou bereiken1 wat het werk van de natuur is2 immers hoe zal het zich voeden8 #dcd;b4 ,de rustende immers hebben datgene waaruit zij gegroeid zijn 7als voedingsbodem74 ,ook is het niet mogelijk dat een lichaam een ziel en oordeelende geest heeft maar geen gewaarwording bezit1 wanneer het niet rustend is en iets gewordens is4 ,want waarom zou het die hebben8 ,of is 't belang van de ziel of van 't lichaam4 ,in 't gestelde geval geen van beiden2 want de ziel zal toch niet kunnen denken en 't lichaam niet meer kunnen bestaan daardoor4 ,dus heeft geen lichaam1 dat niet rustend is1 een ziel zonder gewaarwording4 ,verder als het lichaam gewaarwording heeft1 moet het of enkelvoudig of gemengd zijn4 ,maar het kan niet enkelvoudig zijn1 want dan kan het geen tastzin hebben1 die het noodzakelijk moet hebben4 ,dit blijkt uit het volgende4 ,daar immers het levende wezen een bezield lichaam is en alle lichaam tastbaar1 d4i4 waarneembaar voor den tastzin is1 moet ook het lichaam van het levende wezen tastgevoel hebben als het in stand zal blijven4 ,want de andere gewaarwordingen als reuk1 gezicht1 gehoor gaan door middenstoffen1 maar als er aanraking is zonder gewaarwording1 zal het wezen niet in staat zijn het eene te vermijden het andere te nemen en in dat geval zal het zich niet kunnen handhaven4 ,daarom ook is de smaak als een tastgevoel1 want zij betreft het voedsel en het voedsel is het tastbare lichaam4 ,geluid en kleur en reuk voeden niet noch veroorzaken groei of afname4 ,dus moet ook de smaak een tastgevoel zijn1 omdat zij de gewaarwording van het tastbare en voedende is2 deze nu zijn noodzakelijk voor het levende wezen en het is duidelijk dat zonder tastgevoel geen levend wezen kan zijn4 ,de anderen zijn voor het hoogere en moeten dan ook niet voor een willekeurig soort aanwezig zijn maar voor sommigen1 als voor het voortgaande2 want indien dit zich zal handhaven moet het niet alleen bij aanraking maar ook op afstand gewaarworden4 ,dit is mogelijk1 wanneer het gewaarwording heeft door de middenstof1 doordat deze door het waarneembare aangedaan wordt en het levend wezen door de middenstof4 ,want zooals het plaatselijk bewegende tot een bepaald punt doet veranderen en het stootende iets anders doet stooten en de beweging in het midden is en het eerste stoot zonder gestooten te worden1 het laatste alleen gestooten wordt zonder te stooten en het midden beiden1 terwijl het midden veelvoudig is1 zoo is het ook met verandering1 behalve dat die plaats heeft terwijl het voorwerp zijn plaats bewaart1 zooals indien men 7iets7 in was doopt1 de was zoover bewogen wordt als het indoopen gaat2 een steen in 't geheel niet1 maar 't water ver door en de lucht wordt het verst bewogen en doet aan en wordt aangedaan als hij blijft en n is4 #dce;a4 ,daarom is het betreffende weerkaatsing beter 7te zeggen71 niet dat het gezicht uitgaande weerkaatst wordt1 maar dat de lucht door den vorm en kleur aangedaan wordt tot zoover hij n is4 ,op het gladde is hij n2 daarom beweegt weder deze het gezicht1 even alsof het merk in de was doorgevoerd werd tot aan het einde4 ,dat het lichaam van het levende wezen niet enkelvoudig kan zijn b4v4 van vuur of lucht1 is duidelijk4 ,want zonder tastgevoel kan het geen andere gewaarwording hebben2 want alle bezield lichaam bezit tastzin1 zooals gezegd is4 ,de andere elementen behalve aarde kunnen zintuigen zijn1 en allen bewerken de waarneming door iets anders1 de middenstoffen4 ,de tastzin vereischt de aanraking van de dingen zelf en heeft daardoor dien naam4 ,evenwel ook de andere zintuigen nemen door aanraking waar1 maar door iets anders heen1 de tastzin blijkt alleen door zichzelf waar te nemen4 ,dus kan geen lichaam van het levend wezen uit dergelijke elementen zijn4 ,ook niet van aarde4 ,want de tastzin betreft alle tastbaarheden als een gemiddelde en het zintuig neemt niet alleen de verschillen van aarde op1 maar ook van warm en koud en alle andere tastbaarheden4 ,en daarom nemen wij door beenderen1 haren en dergelijke deelen niet waar omdat die van aarde zijn4 #dce;b4 ,en de planten hebben daardoor geen waarneming omdat zij van aarde zijn2 maar zonder tastzin kan geen andere gewaarwording aanwezig zijn en dat zintuig is noch van aarde noch van een ander element4 ,het blijkt nu dat beroofd van deze waarneming alleen de levende wezens noodzakelijk moeten sterven2 want het is niet mogelijk dat een niet-levend wezen deze heeft noch is het noodzakelijk dat een levend wezen een andere behalve deze heeft4 ,en daarom vernietigen de andere waarneembaarheden door overmaat het levende wezen niet1 als kleur en geluid en reuk1 maar alleen de zintuigen1 behalve bijkomstiglijk als b4v4 met het geluid tegelijk stoot en slag komt en door gezichten en reuk andere dingen bewogen worden die door aanraking vernietigen4 ,ook de smaak vernietigt in zoover hij tevens als aanrakend werken kan4 ,maar de overmaat der tastbaarheden als warme koude en harde dingen vernietigt het levende wezen2 want de overmaat van elke waarneembaarheid vernietigt het zintuig1 dus ook het tastbare den tastzin en daardoor is het leven bepaald1 want er is aangetoond dat zonder tastzin het levend wezen niet kan bestaan4 ,daarom vernietigt de overmaat der tastbaarheden niet alleen het zintuig1 maar ook het levende wezen1 omdat het noodzakelijk dezen zin alleen moet bezitten4 ,de andere gewaarwordingen heeft het levend wezen1 zooals gezegd is1 niet om het bestaan maar om het hoogere1 als gezicht omdat het in lucht en water1 of in 't algemeen in het doorschijnende is en moet zien1 smaak om het aangename en onaangename in het voedsel waar te nemen en te begeeren en aangedaan te worden1 gehoor om een mededeeling te ontvangen1 de tong om aan een ander een mededeeling te doen #ff4 ,,einde4 ,,aanteekeningen #a ,zie ook beneden4 #b en zuiverder in ,prof4 ,bolland's logica4 #c ,inleiding ,no4 #g4 #d ,b4v4 die der meetkundige figuren4 #e ,afleiding als in de meetkunde2 ontleding naar geslacht soort en het enkele1 als in ,plato's ,sophista en ,politicus4 #f ,bij de behandeling der getallen gaat men uit van de eenheid1 het gescheidene2 bij de vlakken van de lijn1 het samenhangende4 #g ,inl4 ,no4 #f4 #h ,inl4 ,no4 #i4 #i ,naar 't ,grieksche idioom 7bijna niemand07 vertaal ik zoo hier 4 #aj ,evenzoo ook bij de andere 7vermogens70 zegt ,a4 uitvoeriger1 hier en elders4 #aa ,bewijs 77 gaat uit van het begrip en brengt het tot stand 7,zeller die ,phil4 der ,gr4 ,,ii #b p4 #bcc #c;e dr474 #ab ,het rechte op zichzelf komt niet voor2 als 't raken zal1 moet het voorkomen d4i4 aan een lichaam verschijnen4 ,de dan mogelijke verhouding van het belichaamde rechte tegenover den koperen bol1 is als raakverhouding op zichzelf genomen--d4i4 afgezien van de stof van lichaam en bol--eigenschap van het rechte op zichzelf4 ,zoo kan de ziel1 ook niet gescheiden van het lichaam1 toch eigenschappen op zich zelf hebben4 #ac ,zie #dcb b #bi vlg4 #ad ,inl4 ,no4 #d4 #ae ,de geheel bizondere eigenschappen van een enkel voorwerp1 die niet als algemeenheden te behandelen zijn4 #af ,hierachter staat in de handschriften3 hij noemt de bolvormige vuur en ziel01 verkeerd uit een aan 't volgende ontleende randaanteekening ingevoegd4 ,in 't volgende moet uit ,cod4 ,v vuur0 opgenomen worden4 #ag ,hermotimus van ,clazomenae 7,metaph4 #ihd b #ai74 #ah ,moet zijn3 buiten waarneming2 bedwelmd door den slag4 #ai ,zie beneden4 #bj ,d4i4 de wereld als denkbaarheid1 die het overige0--dus de ziel ook--omvat4 ,z in de mondelinge voordrachten van ,plato4 #ba ,dit alles naar 't laatste stadium van het ,platonisme1 waarin idee en getal vereenzelvigd werd en van het getal de eenheid en de onbepaalde #b7veelheid7 de elementen zijn4 #bb ,anaxagoras4 #bc ,slaat misschien op 't einde van p4 #djc;b of eerder op de ,physica 7#bef b #bc vlg47 #bd ,d4i4 vernietigd worden1 volgens ,philoponus4 #be ,plato ,tim4 p4 #cd ,b enz4 #bf ,oneigenlijke naamgeving duidt ,a4 vaak aan door bijvoeging van het tegenwoordig deelwoord 0 genoemd wordend04 #bg ,beter zin krijgt men door voorvoeging der ontkenning 773 ,het blijkt niet ook nmaal mogelijk0 7nl4 hetzelfde te denken74 #bh ,misschien worden de laatste twee zinnen1 beter omgezet4 #bi ,inl4 #d4 #cj ,slaat waarschijnlijk op den ,eudemus1 een verloren dialoog van ,aristoteles 7,zeller ,,iii p4 #aab n4 #c74 #ca ,of3 bewustzijn4 #cb ,tegen ,xenokrates' bepaling van de ziel als een zelfbewegend getal voert ,a4 aan3 #a4 het getal1 als eenheid 7monade7 is ononderscheiden3 de zielsmonade moet onderscheiding hebben van bewegen en bewogen worden4 #b4 ,zielsmonade in het lichaam is als een punt3 bij beweging alzoo dus lijn1 vlak enz4 #c4 ,getal verandert bij bewerking2 ziel bij bewerking van het zielige niet steeds b4v4 bij planten en lagere diersoorten4 #d4 ,de ,demokritische molekels worden bewogen en hierin ligt niet haar verschil met monaden2 die dus ook onderscheiden zouden moeten zijn4 #e4 ,zijn lichaamspunten en monaden onderscheidden dan zullen toch steeds #a punt en #a monade samen zijn1 dus twee 7of dan ook wel eindeloos velen7 op n plaats zijn4 #f4 ,volgens ,x4 zou alles bezield moeten zijn4 #g4 ,scheiding van ziel en lichaam is volgens hem onbegrijpelijk4 #cc ,uit #b deelen aarde #b water en #d vuur4 #cd ,liefde 77 en ,strijd 77 zijn bij ,empedokles de krachten die het ,al 7de ,sphaira7 vereenigen en scheiden4 #ce ,elk van beide theorien is gebrekkig en de beiden omvattende betreft niet alle ziel4 #cf ,woorden van ,plato 7,phaedo #hj ,c74 #cg ,inl4 #i4 #ch ,plato4 ,tim4 #fi ,d4 #ci ,beneden dezelfde zin bij de ziel als doel1 waarbij de persoon voorop staat2 hier de zaak3 de eeuwigheid4 #dj ,bestaan niet meer van ,aristoteles4 #da ,slaat op het geschrift #8,over worden en vergaan1' #cbc;b #ah vlg4 #db ,bij de afzonderlijke momenten der beweging4 #dc ,ik lees i4 pl4 v4 den #do4 naamval4 #dd ,de zichtbaarheid is niet het wezen van het ding1 noch kenmerk1 noch grond van de definitie4 #de ,de aether4 #df ,beneden3 dezelfde natuur is nu eens duisternis dan weer licht0 7#dah b #ca74 #dg ,lees 4 #dh ,hiervoor zegt het grieksch3 het scherpe en 't zware4 #di ,niet elk0 moet ingelast worden 7beneden #bi74 #ej ,n4l4 droog4 #ea nl4 lucht en water4 #eb ,zie over worden en vergaan0 ,,ii c4 #b en #c4 #ec ,lees het lidwoord vr 4 #ed ,ik lees 77 4 #ee ,odyss4 #acf sq4 444 als de dag1 dien ,zeus aanbrengt04 #ef ,lees3 7 7 4 #eg ,omtrent de grootte van de zon is voorstelling met meening in strijd4 ,waren zij identiek1 dan zou men zijn ware meening verloren moeten hebben of 7voorstelling en7 meening tegelijk waar en onwaar moeten zijn4 ,maar als 't voorwerp ongemerkt verandert1 dan wordt alleen de meening onwaar1 niet de gewaarwording tevens4 ,voorstelling is dus niet vereeniging van gewaarwording en meening4 #eh ,iets uitgelaten als onecht4 #ei ,deze zin over de centraliteit van waarneming is defect vgl4 #dbf b #ab etc4 ,het volgende is onduidelijk4 ,verhouding0 77 staat voor overeenkomstigheid4 #fj ,slaat op ,plato4 #fa ,in de zoogen4 ,parva naturalia4 #fb ,bij ,plato4 #fc ,lees3 1 ' 4 #fd ,ingevoegd3 vr vgl4 #dai b #bg4 #fe ,lees met enkele ,h ,s ,s4 en ,bekker4 #ff ,vgl4 #dbj b #ah-bj4