,,uren ,,met ,,schopenhauer ,,een ,,keur ,,van ,,stukken ,,uit ,,zijne ,,werken1 ,,vertaald ,,en ,,van ,,een ,,inleiding ,,en ,,aanteekeningen ,,voorzien ,,door ,prof4 ,dr4 ,jhr4 ,b4 ,h4 ,c4 ,k4 ,,van ,,der ,,wijck ,,uitgegeven ,,door ,,de ,,hollandia-,,drukkerij ,,te ,,baarn ,,in ,,het ,,jaar ,,mcmxvi ,,tweede ,,druk ,toen ik kort na de verschijning van zijn mooi boek over ,auguste ,comte tot ,littr de opmerking maakte1 dat zijn meester en vriend een hoogst onaangenaam mensch bleek geweest te zijn1 luidde het beminnelijk maar eenzijdig antwoord3 ,n'importe2 l'homme passe1 l'uvre reste04 ,afscheiding van den persoon en zijn werk is onhoudbaar1 tenzij het werk een stel onpersoonlijke1 b4v4 wiskundige waarheden behelst4 ,onhoudbaar1 wanneer er van een levensopvatting1 een wereldbeschouwing1 een kunstwerk sprake is1 omdat zich daarin temperament en karakter van den mensch afspiegelen4 ,hier moet ik tweerlei geestesrichting1 die van den intellektualist en die van den voluntarist1 onderscheiden4 ,het verschil tusschen beiden doet zich reeds in de middeleeuwen voor4 ,men denke aan de tegenstelling tusschen ,thomas van ,aquino en ,duns ,scotus4 ,de eerste meent1 dat het hoogste geluk in niets anders gezocht moet worden dan in verstandswerkzaamheid1 wijl er geen verhevener begeerte is1 dan die om de waarheid te doorgronden04 ,het staat bij hem onvoorwaardelijk vast1 dat de leer der ,kerk de waarheid is1 en nu is er volgens hem geen schooner levensdoel dan den inhoud van die leer zoo goed mogelijk te verstaan4 ,ook ,duns ,scotus gaat van de waarheid van het kerkelijk geloof uit en hij ontkent niet1 dat er b4v4 voor het bestaan van ,god bewijzen te leveren zijn1 welke door ieder1 die zijn verstand wil gebruiken als afdoende moeten worden erkend4 ,in de opvatting van het levensdoel echter staat bij ,duns ,scotus niet de theorie1 maar de practijk op den voorgrond4 ,de theologie moet volgens hem niet strekken om den mensch van zijne onkunde te verlossen1 maar om hem door kracht van redenen tot dat zedelijk handelen te brengen1 waarvan de zaligheid1 het genieten van het goddelijke afhangt4 ,duns ,scotus is even recht geloovig als ,thomas en zelfs veel onverdraagzamer1 maar scheurt het weefsel der redeneeringen van den laatste bij menige gelegenheid uiteen en zegt3 niet het syllogisme heeft waarde voor den godsdienst1 doch enkel het geloof1 niet het verstand is de kern der menschelijke persoonlijkheid1 doch de wil4 ,het verschil tusschen deze beide kerkleeraren bracht ,luther er toe te zeggen3 ,duns ,scotus is een voortreffelijk meester1 maar ,thomas van ,aquino is een babbelaar4 ,ook in den nieuwen tijd doet zich het kontrast tusschen intellektualisme en voluntarisme gelden4 ,doch het neemt soms een anderen vorm aan4 ,let op tegenvoeters als ,hegel en ,schopenhauer4 ,tot recht verstand van ,schopenhauer wil ik over de betrekking tusschen beiden iets zeggen4 ,meestal spreekt men van willen1 waar met overdachten rade gehandeld wordt4 ,laat ons den term wil0 ruimer nemen en daaronder samenvatten3 lust1 onlust1 hartstocht1 blinde drift1 ieder streven in een zekere richting1 drang tot zelfbehoud1 kortom alles wat de schepselen der natuur op een zekere wijze doet werken4 ,men stelle daartegen over wat tot de sfeer van het intellekt behoort3 gewaarwording1 voorstelling1 gedachte1 rede4 ,dan laat zich met ,schopenhauer zeggen3 wil is het eerste en het algemeene1 het alomtegenwoordige4 ,wil is het eerste1 niet kennis1 niet theorie4 ,wij noemen iets goed1 wijl wij het begeeren2 niet omgekeerd begeeren wij het1 omdat wij inzien dat het goed is4 ,de meest treffende schildering van een hoog en edel doel laat ons koud als ijs1 tenzij onze wil met den inhoud van dat ideaal instemt4 ,het intellekt kent geen waarden1 enkel het gemoed doet ons in geestdrift ontsteken4 ,als een moeder het voegzaam en goed noemt dat zij zorgt voor haar kind1 dan is dat niet1 omdat zij bewijzen kan dat dit gepast is1 maar omdat het hart haar noopt over dat zwakke schepseltje te waken4 ,zoo is ook wil het meest algemeene4 ,daar men het onbekende door het bekende en niet omgekeerd het bekende door het onbekende moet verklaren1 ligt het voor de hand natuurkracht liever tot wil te herleiden1 dan omgekeerd wil als kracht op te vatten4 ,wij zullen dus spreken van een onbewusten wil1 die de sterren in hare banen doet rondloopen1 die den boom zijn wortels omlaag1 zijn takken omhoog doet drijven1 van een overal werkzamen wil1 van blinde aandrift1 die ten slotte enkel bij de hooger staande dieren1 in voorstelling en denken1 in het intellekt1 zich een licht ontsteekt1 om het begeerde door doeltreffende keuze van middelen des te zekerder te bereiken4 ,immers intellekt staat oorspronkelijk geheel in den dienst van het leven2 eerst op een aanzienlijken trap van beschaving houdt het op slaaf te zijn1 komt het tot vrijheid1 vertoont het zich als onbaatzuchtige liefde tot waarheid4 ,ziedaar ,schopenhauer's leer4 ,neen1 zegt de intellektualist als ,hegel3 rede1 logos1 ,god is oorsprong der wereld1 is albeheerschend beginsel4 ,bewust of onbewust gaat ieder onderzoek van de hypothese uit1 dat de werkelijkheid begrijpelijk is1 dat zij in gedachten kan worden omgezet1 dat dus gedachten in haar belichaamd zijn4 ,volgens deze onderstelling1 zonder welke drang naar wetenschap doelloos zou zijn1 is dus gedachte de wortel van het universum1 albeweger1 alomvattende oorzaak1 aanvang en tevens doel der wereld4 ,om het in de taal der vromen uit te drukken3 ,god is ,schepper en tevens einddoel van het al4 ,waartoe dient de natuur8 ,welke is de zin1 die zich in de geschiedenis van ons geslacht vertolkt8 ,natuur en geschiedenis zijn er om de werkelijkheid tot zelfbewustzijn te doen komen1 om den eindigen mensch1 die van ,gods geslacht is1 zich als een oneindig wereldwezen te doen kennen4 ,het onderscheid tusschen ,hegel en ,schopenhauer is1 dat zij zich het hoogste goed niet op dezelfde wijze afbeelden en dientengevolge aan het zijnde een verschillende taak opdragen4 ,voor ,hegel is het edelste en voornaamste een denken1 dat niet door invallen en vooroordeelen gestoord wordt1 en enkel de wet van zijn ontwikkeling volgt4 ,waar zoo de individualiteit van den kleinen mensch op den achtergrond wordt gehouden1 is er geen kloof meer tusschen zijne rede en de goddelijke rede1 maar zijn beiden n4 ,van de macht van het vrije1 zuiver zakelijke1 echt geestelijke denken kan men alles verwachten2 voor zoodanig denken bestaan er geen onpeilbare diepten1 geen onbereikbare hoogten2 steeds door dezelfde wet der noodzakelijkheid vooruitgedreven1 raakt het ten slotte in het bezit der oneindigheid en wordt het in werkelijkheid wat het van den aanvang af in aanleg was3 alomvattend zelfbewustzijn4 ,geheel anders stelt een man als ,schopenhauer zich het hoogste ideaal voor4 ,alles was bij hem kolossaal3 zijn intellektueele behoefte1 die hem reeds vroeg naar een oplossing van het wereldraadsel deed hunkeren en hem steeds met dezelfde problemen deed rondloopen tot hij ten slotte niet kon zeggen wat er het eerst in hem was geweest3 zijn kenleer1 zijn kosmologie1 zijn ethika1 zijn sthetika4 ,het stelsel was in hem gegroeid1 gelijk een kind in den moederschoot4 ,daar naast stond zijn buitensporig gevoel van eigenwaarde1 dat hem op alles deed vitten en hem op andere menschen1 enkele genien uitgezonderd1 met geringschatting liet neerzien4 ,goethe1 die zich tot den genialen jongeling aangetrokken gevoelde1 schreef de volgende waarschuwende woorden in zijn album3 ,willst du dich deines ,wertes freuen1 ,so musst der ,welt du ,wert verleih'n04 ,ten slotte bezielde hem een heftige drang naar zinnelijk genot1 die hem tot tijdelijke schade van zijn gezondheid achter ,venus ,vulgivaga deed aanloopen4 ,flaubert voert ergens de ,ontucht aldus sprekende in3 ,men rept zich naar samenkomsten1 die angst inboezemen4 ,men legt zich ketenen aan1 die men verwenscht4 ,vanwaar de betoovering der lichtekooien1 de buitensporigheid der droomen--vanwaar mijne onmetelijke droefheid80 ,deze woorden zouden ,schopenhauer1 die zoo diep neerslachtig kon zijn1 uit de ziel zijn gesproken4 ,als #ah-;jarig jongeling1 zong hij reeds van de hel0 van den zinnenlust4 ,zoo was hij dus een onharmonische natuur1 die1 gelijk andere denkers1 op den zijnsgrond overbracht wat hij in zich zelf vond4 ,het innerlijk wezen der wereld is volgens hem wil1 die niets wil dan als wil bestaan1 blinde op geen doel gerichte wil1 die geen bevrediging kent1 bijgevolg onzalig is4 ,behalve den wil is er nog de materie4 ,die materie is niet een gewrocht van den wil1 maar zijn verschijning1 geobjektiveerde wil1 welke niets op zich zelf is1 doch enkel in de voorstelling van individun bestaat4 ,op zich zelf is er uitsluitend het innerlijk verscheurde1 tegen zich zelf verdeelde1 overal gelijke blinde willen4 ,zoo heeft dus de wereld twee zijden3 een innerlijke en een uiterlijke2 in beide opzichten is zij slecht en rampzalig4 ,is er verlossing mogelijk8 ,het intellekt1 als het een hoogen graad van ontwikkeling bereikt1 doorziet dat ,wil vloekvaardig is en doet dan zeggen3 ,wil om te leven moet gedood worden1 zal er vrede zijn4 ,groote wereldgodsdiensten1 als ,christendom en ,buddhisme1 wijzen ons hier den weg1 die door bewonderenswaardige asceten met goed gevolg bewandeld werd4 ,ook kunst en wetenschap zijn middelen om1 althans tijdelijk1 verzachting van leed te verschaffen4 ,want de mensch vergeet zich zelf1 als hij in onbaatzuchtige beschouwing opgaat4 ,verschillende personen smeden uit hetzelfde metaal verschillende wapenen4 ,hegel geloofde aan de heerschappij van rede in natuur en geschiedenis4 ,daaraan geloofden ook andere groote wijsgeeren1 ,kant1 ,fichte1 ,schelling1 ,schleiermacher1 ieder op zijne wijze4 ,schopenhauer1 hij het allereerst1 niet4 ,die origineel waagde het luide te verkondigen1 dat de wereld allerminst op een godsopenbaring gelijkt4 ,naar dat rondborstig getuigenis werd aanvankelijk niet geluisterd4 ,het druischte zoo geheel tegen de heerschende overtuigingen in1 dat men er geen notitie van nam4 ,wanneer er iets van zijn kloeke stem tot de vrijwillig dooven doordrong1 dan werd zijn woord met hoon ontvangen4 ,schopenhauer vergold het hun dapper door ze allen te gader1 ,hegel in de eerste plaats1 voor kwakzalvers en ,unsinnschmierer0 uit te schelden4 ,zooals de waard is1 vertrouwt hij zijn gasten4 ,dit ietwat platte spreekwoord behelst een diepe waarheid4 ,ieder is geneigd wat hij als kern van zijn eigen wezen meent te ontdekken1 voor kern der geheele werkelijkheid te houden4 ,tot ,schopenhauer toe was alle philosofie min of meer een kompliment1 dat het intellekt zich zelf maakte4 ,het begroette in de bespiegeling der denkers zich zelf als wereldmacht4 ,dit verandert bij ,schopenhauer1 die met zijn intellekt het tegendeel ervan1 het onredelijke1 op den wereldtroon plaatst4 ,natuurlijk heeft dit pessimisme ten gevolge4 ,en even natuurlijk wordt het thans de groote vraag of en hoe ,zeus 7het ,intellekt7 er in slagen kan om den vloekwaardigen ,titan1 den wil om te bestaan1 in den ,tartarus te storten4 ,thans begrijpen wij hoe ,hegel en ,schopenhauer van dezelfde prmis uitgaande tot een geheel tegengestelde leer konden komen4 ,beiden houden vast aan het dogma der algemeene relativiteit4 ,de dingen zijn er enkel in betrekking tot elkander en tot den geest1 terwijl de geest er enkel in betrekking tot de dingen is4 ,doch als alles enkel voor iets anders bestaat1 dan bestaat niets voor zichzelf1 dan is er op de keper beschouwd niets4 ,wij moeten dus aannemen1 dat het n en het al1 dat het universum1 voor zich zelf bestaat1 subjekt en tevens objekt1 denken en zijn1 enheid van beide1 geest is1 dat het kan zeggen3 ik heb zelfbesef4 ,het universum is het zelfstandige1 dat van niets afhangt1 waarvoor dus noodzakelijkheid en vrijheid samenvallen4 ,zoo concludeert ,hegel en is optimist1 intellektualist4 ,maar ,schopenhauer zegt3 wij moeten dus aannemen1 dat het universum voor zich zelf bestaat1 dat de blinde drift1 het onredelijke in ons en buiten ons1 dat de innerlijk verdeelde1 onzalige wil het waarachtig zijnde is4 ,zoo is ,schopenhauer pessimist en voluntarist4 ,schopenhauer's onvoorwaardelijk pessimisme1 dat zelfs de mogelijkheid der verbetering van individuen en maatschappelijke toestanden buitensluit1 hangt samen met zijn blindheid voor bepaalde feiten van het geestelijk leven4 ,als rechtgeaard zoon van een romantisch tijdperk had hij groote sympathie voor mystici en voor asceten1 ook als deze ,christenen waren4 ,doch het geheim dat ,christus der wereld geopenbaard heeft3 het ,koninkrijk ,gods is binnen in u1 het woont in u als een in den akker verborgen schat1 had hem1 zoo die boodschap ook tot hem doorgedrongen ware1 weerhouden om het menschelijk lot enkel jammer en ellende te noemen4 ,schopenhauer droeg oogkleppen1 welke hem beletten te zien wat niet in het kader van zijn stelsel paste4 ,had hij beseft1 dat onze aarde den hemel kan herbergen1 dan zou hij de wereld niet zoo slecht hebben genoemd als maar eenigermate met haar voortbestaan zich nog laat rijmen4 ,doch hier steunt ,schopenhauer op de leer van ,buddha1 welke verder van die van ,christus af staat dan de eene ster van de andere4 ,niet volgens ,christus1 maar volgens ,buddha is het leven enkel lijden en is het eenig begeerlijke verlossing van het lijden door den dood4 ,maar het gewone sterven is volgens ,buddha en ,schopenhauer geen echt sterven1 want er bestaat zielsverhuizing3 dezelfde individuen worden telkens opnieuw geboren4 ,de werkelijk bevrijdende dood is enkel voor hem mogelijk1 die alles wat hem aan het leven boeit van zich werpt1 alle liefde1 alle hopen1 alle wenschen in zich vernietigt1 m4a4w4 levend sterft4 ,met deze leer1 welke door ,schopenhauer werd aanvaard1 vormt de ,christelijke1 waaraan hij voorbijging1 een tegenstelling4 ,overigens rijmt zijn pessimisme slecht met wat hij1 ten deele althans1 van ,plato had overgenomen4 ,hij erkent eeuwige1 onveranderlijke1 boven tijd en ruimte verheven typen1 ideen of soorten1 welke1 met voortbrengende kracht uitgerust1 zich verwerkelijken in de exemplaren van dieren en planten1 die hier op aarde geboren worden en sterven4 ,hoe kan de blinde en onbepaalde wil van ,schopenhauer1 die enkel wil is om te willen1 zich in grondvormen objektiveeren1 welke de beschouwing der natuur een artistiek genot doen zijn8 ,het idealisme van ,plato is een willekeurig ingeschoven bestanddeel in het systeem van onzen irrationalist4 ,de wereld is mijne voorstelling01 ziedaar de eerste volzin van ,die ,welt als ,wille und ,vorstellung01 het boek dat het systeem van ,schopenhauer behelst4 ,hij noemt zich discipel van ,kant1 maar draagt er roem op een zelfstandig volgeling te zijn4 ,inderdaad wijkt hij zeer van ,kant af4 ,van ,schopenhauer kan gezegd worden1 dat hij1 de meest gelezene1 immers de meest leesbare van alle moderne philosofen1 ook het meest heeft bijgedragen om de kritiek van den behoedzamen ,kant1 die geen wetenschap buiten die der ervaring overeind liet staan1 in vergetelheid te brengen4 ,de voorzichtige oudere denker zou er zich wel voor gewacht hebben iets aangaande de wereld an sich1 de wereld1 die buiten het bewustzijn en op zich zelve bestaat1 te verzekeren4 ,daarvoor was hij te anti-dogmatisch1 te zeer overtuigd1 dat men geen stelling zonder voldoenden kengrond mag aanvaarden4 ,maar idealist was hij evenzeer als ,schopenhauer1 want ook hij leerde dat de wereld der ervaring1 de wereld der objekten1 enkel in betrekking tot subjekten bestaat4 ,ook is het duidelijk wat ,kant en ,schopenhauer bedoelen4 ,het bestaan der wereld van objekten hangt volgens hen aan een enkelen lichten draad1 het bewustzijn1 waarin ze aanwezig is4 ,stel u voor dat alle bewustzijn uitgedoofd werd1 die wereld zelve zou daarmede verdwijnen4 ,het eigenaardige van een objekt is in de voorstelling van een subjekt te bestaan4 ,objekt en voorstelling zijn hetzelfde4 ,daaruit vloeit voort1 dat de geheele wereld der objekten voorstelling is en blijft4 ,alleen het bewustzijn is ons rechtstreeks gegeven en die wereld is er enkel als inhoud van bewustzijn4 ,gelijk er geen objekt zonder subjekt is1 bestaat er omgekeerd geen subjekt zonder objekt1 geen bewustzijn zonder inhoud4 ,subjekt en objekt zijn onafscheidelijk gelijk rechts en links1 gelijk noord en zuid4 ,schopenhauer tracht zijne stelling nader te staven door op de idealiteit van ruimte en tijd te wijzen4 ,hij gebruikt daarbij de argumenten1 die ,kant in zijne transcendentale sthetiek0 heeft gegeven4 ,b4v4 dit1 dat wij achtereenvolgens alles uit de ruimte kunnen wegdenken1 maar de ruimte zelve niet kunnen kwijt raken4 ,zoodra wij welk stuk der materie ook ons voorstellen1 moeten wij de geheele ruimte mededenken4 ,daaruit volgt dat de ruimte bij ons behoort1 dat zij subjektief is1 dat dus gestalte1 grootte1 beweging1 al het ruimtelijke1 eveneens subjektief moet heeten4 ,wij kennen niet de dingen zooals zij op zich zelve zijn1 maar slechts gelijk zij verschijnen4 ,dit is de groote leer van den grooten ,kant04 ,schopenhauer voegt er aan toe1 dat het stellig de meest absurde1 doch tevens de meest vruchtbare van alle dwalingen is1 de oneindige ruimte als onafhankelijk van ons aanwezig te beschouwen4 dus te meenen dat een beeld van dat oneindige door de oogen0 in ons brein zou dringen4 ,wie de ongerijmdheid van die stelling doorziet1 weet tevens dat de wereld enkel hersenphnomeen0 is1 dus als zoodanig met den dood der hersenen verdwijnt1 om een geheel andere wereld over te laten1 de wereld van het op zich zelf zijnde1 die van den wil1 betreffende welke het onzin is te vragen3 waar is zij8 daar zij met ruimte en tijd niets te maken heeft4 ,schopenhauer zegt1 dat de ruimte in ons hoofd is4 ,maar tevens1 natuurlijk1 dat ons hoofd in de ruimte is4 ,zoo plaatst hij met tergende zorgeloosheid schijnbaar tegenstrijdige stellingen naast elkander4 ,hij zegt1 dat de hersenen de atlas zijn1 waardoor de geheele wereld wordt gedragen1 want de wereld is voorstelling1 en voorstelling is volgens de leer der physiologen aan de hersenen gebonden4 ,maar anderzijds erkent hij1 gelijk ieder die bij zijn zinnen is1 dat alle hersenbrij te samen slechts een klein fragment van het universum uitmaakt4 ,hier is geen echte contradictie4 ,het zichtbare1 dat wij hersenen noemen1 is de vaste voorwaarde van dat andere onzichtbare1 dat voorstelling1 illusie heet4 ,dit is een physiologische waarheid1 welke gelijk alle natuurkennis1 van de wereld geldt1 die in tijd en ruimte is uitgebreid en dan als op eigen voeten staande wordt aangemerkt4 ,de metaphysische waarheid1 de echte waarheid is deze1 dat alle materie1 de hersenen inkluis1 slechts voorstelling van het kennende subjekt is1 dat hersenen en kennis beiden verschijningen zijn van het waarlijk zijnde3 ,wil4 ,nu rest nog het raadsel1 hoe wil als kennend subjekt verschijnt4 ,dat is volgens ,schopenhauer het groote mirakel1 de hypothese1 die door niets verklaard wordt1 daar zij zelve alles verklaart4 ,om ,schopenhauer wel te verstaan moet men in het oog houden1 dat de wereld bij hem de schaduw van een droom0 is1 fata morgana door het intellekt geschapen1 dat in zijn kader3 tijd1 ruimte en causaliteit1 gewaarwordingen opneemt4 ,het intellekt is in ieder kennend individu aanwezig1 maar met geen individu te vereenzelvigen1 zoodat de individuen kunnen geboren worden en sterven1 terwijl de voorstelling van objekten blijft bestaan4 ,deze leer laat de empirische realiteit der wereld onaangetast1 maar sluit in zich1 dat de wereld in al hare deelen van het intellekt1 het subjekt1 afhangt4 ,ja zelfs hangt zij daarvan op tweerlei manier af4 ,ten eerste is er1 gelijk reeds ,berkeley heeft ingezien1 geen objekt denkbaar tenzij in de voorstelling van een subjekt2 ten tweede gaat de wijze1 waarop wordt voorgesteld1 het objekt-zijn als ruimte vullend en aan tijd en causaliteit onderworpen1 zooals ,kant heeft geleerd1 van het subjekt uit4 ,het intellekt is niet iets zelfstandigs1 en de wereld der dingen is niet iets anders1 dat eveneens op eigen voeten staat2 dan toch ware het onbegrijpelijk1 dat wij en zelfs de dieren zoo volkomen in de wereld te huis zijn en ons van den aanvang af daarin terecht vinden2 intellekt en wereld vormen n geheel1 want het intellekt schept de wereldorde2 omgekeerd ware het niets zonder die wereld1 daar het dan zonder inhoud zou zijn4 ,intellekt en wereld zijn1 ieder op zich zelve beschouwd1 enkel afgetrokkenheden1 onwezenlijk4 ,schopenhauer drukt dat in de taal der ,indische wijzen uit1 door van ,maja te spreken1 de moeder van allen schijn1 de godin die ons een sluier voor de oogen bindt1 in welks plooien het beeld van al het geschapene zich vertoont4 ,ook de moraal van ,schopenhauer toont een ,indisch karakter4 ,hier wijkt hij sterk van ,kant af4 ,kant kiest zijn uitgangspunt in het plichtbesef4 ,daar de mensch een redelijk wezen is1 kan hij afzien van neiging en eigenbelang en1 een algemeen standpunt innemende1 vragen3 wat is behoorlijk8 ,hoe die vraag beantwoord wordt1 is van ondergeschikte beteekenis4 ,de kennis van den plicht laat verschillende graden toe1 is niet overal evenzeer ontwikkeld4 ,daarenboven kan al naar gelang van omstandigheden de eisch van den plicht wisselen4 ,maar dt er een plicht is1 weet ieder redelijk schepsel4 ,ziedaar een waarheid1 welke hem door geen philosofie ter wereld kan worden ontfutseld1 en aan ieder gezond menschenverstand is geopenbaard4 ,schopenhauer daarentegen bouwt niet op de redelijke natuur van den mensch1 maar op het gevoel1 op het medelijden1 zijne moraal4 ,medelijden is ons een openbaring van de eenheid van alle zijn4 ,het zegt ons1 als wij tegenover een lijdend schepsel ons geplaatst zien3 tat twam asi1 dat zijt gij6 ,medelijden is vertolking in de taal des gemoeds van het feit1 den ,indischen wijzen reeds eeuwen bekend1 dat de veelheid der wezens inbeelding is4 ,bij den aanblik van den schamelen bedelaar1 die zijn hand naar ons uitstrekt1 van den worm die aan onzen voet ineenkrimpt1 bij het zien van al wat lijdt1 zegt de wijze3 dat ben ik6 ,het noopt om te helpen4 ,schopenhauer is te verstandig om medelijden als plicht voor te schrijven4 ,medelijden is een feit1 een geheimzinnig feit1 aan welks invloed zich zelfs de ruwste en onkundigste niet voortdurend kan onttrekken4 ,juist ten gevolge van zijn algemeenheid heeft het invoering van levensregels bewerkt1 welke allen tot twee zich laten herleiden3 doe niemand kwaad1 sta allen bij zooveel ge kunt6 ,intusschen kan verzachting van individueel leed hem niet voldoen1 die alle afzonderlijk bestaan als een ramp beschouwt4 ,smart is heilzaam1 zegt ,schopenhauer1 daar zij van den lust om te leven geneest1 en zoo de ,meeresstille des ,gemths0 veroorzaakt1 welke veroorlooft het ,nirwana binnen te treden4 ,dat ,nirwana1 zoo luidt het slotwoord van het hoofdwerk1 is niets voor den dwaas1 wiens hart vol is van de dingen dezer wereld1 maar alles voor wie doorziet1 dat het universum met zijn zonnen en melkwegen inderdaad niets is4 ,ten slotte moeten wij nog opmerken1 dat ,schopenhauer1 ondanks het strengste determinisme1 den mensch verantwoordelijk acht voor zijne daden4 ,het werken volgt op het zijn4 ,al onze handelingen vloeien met noodzakelijkheid uit het karakter voort1 waarmee wij ter wereld zijn gekomen4 ,maar dat karakter1 dat zich in den tijd aan zijn eigenaar openbaart1 en hem verborgen zou blijven1 indien hij niet velerlei aanleiding tot handelen had1 bestaat tevens buiten den tijd in de vrije wereld van het bovenzinnelijke4 ,vandaar onze verantwoordelijkheid4 ,het is dus niet onze fout1 dat wij doen wat wij doen1 b4v4 ons als lafaards gedragen1 wanneer wij lafaards zijn1 maar stellig is het onze schuld1 dat wij zijn1 zooals wij zijn4 ,schopenhauer maakt hier een degelijk onderscheid tusschen empirisch en intelligibel karakter als reeds door ,kant werd aangegeven4 ,vrijheid is een geheimenis1 maar als noodwendig tegenstuk van moeten is zij onloochenbaar4 ,ziedaar een ruwe schets van het systeem1 dat gedurende de tweede helft der #ai;de eeuw in driemaal honderdduizend exemplaren is verspreid geworden en thans1 terwijl de zon van ,nietzsche reeds begint te tanen1 nog steeds opgang maakt4 ,ik heb eens door een beroemd landgenoot hooren zeggen1 dat het hem even onmogelijk zou zijn de leer van ,schopenhauer als den ,heidelberger catechismus onvoorwaardelijk te beamen4 ,die woorden wil ik graag voor mijne rekening nemen4 ,als het onderscheid der individuen schijn is1 rijst de vraag1 wie er door dien schijn bedrogen wordt1 en wie er met dien schijn bedriegt4 ,het eenig mogelijk1 doch niet zeer verstaanbaar antwoord is hier3 de oneindige wil draait zich een rad voor de oogen1 is prooi van zelfmisleiding4 ,ik ben het met ,schopenhauer eens3 zoo'n dwaas en onzalig wezen behoort in het ,nirwana weg te zinken4 ,alleen begrijp ik niet1 hoe schepselen der inbeelding als gij1 mijn lezer1 en ik1 daarbij een handje zouden kunnen helpen4 ,toch vindt onze wijsgeer nog tal van volgelingen4 ,geen wonder4 ,zijne leer ligt in de lijn van zekere hedendaagsche geestesstroomingen4 ,zoo wordt aan het pessimisme thans meer dan ooit recht toegekend4 ,het geloof aan den vooruitgang is geschokt4 ,het wordt niet meer als een axioma beschouwd1 dat alles zal terecht komen4 ,het optimisme1 dat onze vaderen veroorloofde zich op de golven van het wereldgebeuren met blij vertrouwen te laten verder dragen1 schijnt thans lichtzinnig en ietwat kinderachtig4 ,dat de natuur in menig opzicht onbarmhartig is en zich om lief en leed van hare schepselen niet bekreunt1 is een bittere waarheid1 voor welke de oogen geopend zijn4 ,steeds meer dringt de gedachte door1 dat het menschelijk leven slechts in zoover zin en waarde heeft1 als wij zelve in staat en gezind zijn er een belangrijken inhoud aan te verleenen4 ,zoo noopt het pessimisme tot krachtsinspanning volgens het woord van ,schopenhauer zelf1 die een van zijn boeken van het volgende motto heeft voorzien3 een gelukkig leven is onmogelijk2 het hoogste wat wij bereiken kunnen is een heroeke levensloop04 ,ook ligt het in den geest van onzen tijd het mysterieuse van ons bestaan te erkennen4 ,welnu1 volgens ,schopenhauer is de verschijning van den wil onder een individueelen vorm1 in de gestalte van een kennend en denkend subjekt1 een onoplosbaar raadsel4 ,op zijne wijze is hij evolutionist4 ,van de leer van ,darwin1 wiens boek kort vr zijn dood verscheen1 wilde hij niets weten4 ,dat het hoogere uit het lagere1 het meerdere uit het mindere zou voortspruiten1 scheen hem tergende onzin4 ,maar wel stond het bij hem vast1 dat de openbaringen van den wil een rangorde doorloopen en dat de verschijning van bewustzijn en rede1 geheel nieuwe feiten1 al de voorafgaande lagere levensvormen onderstellen1 gelijk deze weder de onbewerktuigde natuur4 ,ook hier kan dus de tegenwoordige tijd bij ,schopenhauer aanknoopen4 ,zelfs het tegenwoordig zoozeer verspreide pragmatisme1 dat waarheid als een instrument om te handelen beschouwt1 vindt steun bij ,schopenhauer4 ,ook heeft ,schopenhauer de leer van ,kant weliswaar verminkt1 maar tevens z gefiltreerd1 dat ieder dilettant zich nu enkele hoofdtrekken er van met gemak kan toeigenen4 ,ten slotte heeft hij met zijne beschouwingen over kunst en liefde niet enkel ,wagner en ,nietzsche1 maar ook dichters1 romanschrijvers en dramatici bezield4 ,volgens ,schopenhauer is wie zich door den hevigsten van alle hartstochten laat medesleepen de onbewuste dienaar van de soort1 zijn liefde en begeerte waanzin1 jacht op de schaduw van een schaduw4 ,is het niet alsof men ,flaubert leest8 ,het werk van ,schopenhauer1 die stoute synthese van ,kantianisme1 ,platonisme1 ,indische wijsheid en ,europeesche natuurkennis is nog in menig opzicht jong en frisch4 ,arthur ,schopenhauer werd in #aghh in de toenmalige vrije rijksstad ,dantzig geboren4 ,zijn vader was een aanzienlijk koopman en veel ouder dan zijn moeder4 ,toen in #agic ,dantzig bij ,pruissen werd ingelijfd vertrok de stoere republikein met zijn gezin1 dat intusschen tot vier personen was aangegroeid1 daar ,arthur een zusje ,adele had gekregen1 naar ,hamburg4 ,de vader had zich voorgenomen van den knaap een koopman te maken1 maar de aanleg van den jongen wees in andere richting4 ,toen de vader1 misschien door zelfmoord1 plotseling gestorven was1 gevoelde de zoon zich verplicht den wensch van den overledene te eerbiedigen en nam hij dus plaats op de kantoorkruk4 ,de betrekkelijk nog jonge weduwe ging zich vestigen in ,weimar1 waar zij de vriendschap van ,goethe genoot1 en talrijke1 zeer bewonderde romans schreef4 ,de brieven1 die uit dien tijd bewaard zijn gebleven1 doen ,johanna ,schopenhauer als een beminnelijke1 verstandige en helderziende vrouw kennen4 ,zoo schreef zij in #ahjg aan haar toen #ai-;jarigen zoon3 ,ik ken uw hart en weet dat weinig menschen beter zijn dan gij4 ,maar al uwe goede eigenschappen worden verduisterd en als het ware verlamd door uwe aanmatiging4 ,ge wilt alles beter weten dan andere menschen1 bij ieder behalve bij u zelven gebreken ontdekken en in uw omgeving steeds alles naar uwe hand zetten444 ,als ge niet waart die ge zijt1 dan zoudt ge eenvoudig belachelijk wezen1 maar nu verbittert ge allen tegen u04 ,in hetzelfde jaar schrijft zij hem nog3 ,ik misken niet de goede kanten van uwe natuur en wat mij afstoot is niet uwe innerlijke gezindheid1 maar uwe manier van beschouwen1 veroordeelen1 de wijze waarop ge u gedraagt4 ,wanneer ge eenige dagen bij ons doorbrengt1 komt het altoos tot geweldige tooneelen om niets en minder dan niets4 ,uwe eeuwige jeremiaden1 uw begrafenisgezicht1 uw orakeltoon1 dat alles drukt ter neer4 ,ik weet dat ge uw zwartgalligheid van uw vader gerfd hebt2 tracht haar te overwinnen04 ,in datzelfde jaar #ahjg hield ,arthur op klerk te zijn en begon hij zich met toestemming van zijn moeder tot de universitaire studin aan het gymnasium van ,gotha voor te bereiden4 ,satirieke verzen op een van de leeraren deden hem van daar verjagen4 ,en nu kwam hij op het gymnasium te ,weimar1 maar zijn moeder wilde hem niet in huis hebben1 en dus woonde hij bij een der leeraren4 ,in den tijd van twee jaar bracht hij het zoo ver in zijn klassieke studin dat al de verloren tijd was ingehaald en hij in #ahji als student bij de faculteit der medicijnen aan de ,universiteit te ,gttingen kon worden ingeschreven4 ,hij was nu meerderjarig1 had zijn klein fortuin in handen1 en las ,tacitus1 ,horatius1 ,lucretius1 ,herodotus1 zonder zich veel om de geneeskunst te bekreunen1 die hem bij nadere kennismaking niet scheen aan te trekken4 ,prof4 ,schulze 7,aenesidemus71 die zijn aanleg voor de philosofie doorzag1 gaf hem den raad voorloopig enkel ,plato en ,kant te bestudeeren4 ,dien raad volgde hij op1 en zoo werd hij door die twee groote denkers met de gedachte vertrouwd gemaakt1 dat de wereld der verschijnselen en het ding op zich zelf twee zijn4 ,veel vrienden aan de academie schijnt hij niet gehad te hebben4 ,in het curriculum vitae1 dat hij later bij de ,berlijner faculteit indiende1 schreef hij betreffende zijn studentenjaren3 mijn rijper leeftijd1 mijn rijker ervaring en mijn ongewoon karakter maakten dat ik verlaten en eenzaam was04 ,in het vreemdelingenboek van een oud kasteel schreef hij #e ,sept4 #ahaa3 ,wohl manches ,mal saht ihr mich einsam wandern1 ,und ernst und einsam geh' ich jetzt zu andern04 ,toch knoopte hij in ,gttingen eenige vriendschapsbanden aan1 b4v4 met ,osann en in #ahbj noemde hij in een brief aan dezen gericht1 de ,gttinger jaren de schoonste van zijn leven4 ,vandaar ging hij naar ,berlijn1 waar hij ,fichte en ,schleiermacher hoorde1 niet ,hegel4 ,met ,prof4 ,fichte disputeerde hij hevig op diens privatissima4 ,door den vrijheidsoorlog1 voor welken hij volstrekt niets gevoelde1 in het schrijven van zijn dissertatie gestoord1 week hij uit naar ,rudolstadt in ,thringen1 waar hij tot zijn vreugde geen soldaat te zien1 geen tamboer te hooren kreeg4 ,hij zond het handschrift van zijn dissertatie per post naar het naburige ,jena1 vanwaar hij na korten tijd1 eveneens per post1 zijn doctors-diploma ontving4 ,zijn dissertatie verscheen onder den titel3 ,ueber die vierfache ,wurzel des ,satzes vom zureichenden ,grunde04 ,van dit merkwaardig geschrift1 dat als de inleiding tot zijn hoofdwerk kan worden beschouwd1 heeft hij later een vermeerderde editie in het licht gezonden4 ,arthur keerde thans naar ,weimar terug1 waar hij veel met ,goethe sprak4 ,er was groot verschil tusschen die beide mannen1 gelijk daaruit blijkt1 dat ,schopenhauer in #ahac aan den beroemden grijsaard kon schrijven3 ,van u zelf weet ik1 dat letterkundige arbeid voor u altijd bijzaak1 en het werkelijke leven hoofdzaak is geweest4 ,bij mij is het omgekeerde het geval2 mijn denken1 mijn werk1 dat alleen heeft voor mij waarde en beteekenis04 ,maar tevens was er overeenkomst in geestesrichting4 ,beiden waren zieners en wilden putten uit de levende bron van ervaring en bewustzijn4 ,vandaar dat voor ,schopenhauer de philosofie niet zoozeer wetenschap als wel kunst was4 ,hij streefde er naar een volkomen objektieve en door geen langwijlige redeneeringen bedorven wijsbegeerte te stichten1 welke een echt kunstgewrocht zou zijn1 daar zij niet op den trant der philosofasters1 van ,fichte en zelfs van ,spinoza1 tusschen subjekt en objekt den bedriegelijken sluier van afgetrokken begrippen zou dulden04 ,goethe beschreef in die dagen1 in een brief aan ,knobel1 zijn jongen vriend als een merkwaardig man1 die met helderziende koppigheid bezig is het kaartenspel van onze moderne philosofen in de war te sturen04 ,met profetischen blik voegt hij er aan toe3 het staat te bezien of de meesters in het vak hem in hun gilde zullen opnemen4 ,ik vind hem vol geest04 ,goethe1 getroffen door de rol1 die ,schopenhauer in zijn dissertatie bij het meetkundig betoog aan de aanschouwing wilde zien toegewezen1 spoorde hem tot optische studin aan1 waarvan hij zelf in die dagen vervuld was4 ,inderdaad deed ,schopenhauer later als tweede van zijne geschriften een boek ,ueber das ,sehen und die ,farben0 verschijnen4 ,vr de publicatie had hij zijn manuscript aan ,goethe ter beoordeeling toegezonden1 maar ondanks al zijn dringen en smeeken was het hem niet gelukt aan den dichter1 die hem telkens zeer beleefd antwoordde1 een enkel teeken van goed- of afkeuring te ontlokken4 ,schopenhauer had het verschil der kleuren op een andere wijze dan ,goethe het deed verklaard4 ,johanna herbergde op dat oogenblik den romanschrijver ,fr4 ,mller4 ,arthur toonde op zulk een wijze zijn misnoegen over de aanwezigheid van dien vreemdeling1 dat de moeder er toe overging haar zoon de deur te wijzen4 ,dit geschiedde in ,mei #ahad4 ,de breuk was onherstelbaar4 ,arthur ging naar ,dresden en heeft noch zijn moeder1 noch zijn zuster1 met welke laatste hij ten minste voorloopig in briefwisseling bleef1 ooit teruggezien4 ,in ,dresden1 destijds de artistieke hoofdstad van ,duitschland1 genoot ,arthur veel van kunst4 ,ook had hij er enkele vrienden1 waarvan er n aan ,adele schreef3 ,uw broeder is van nature teeder en gemoedelijk04 ,intusschen werkte hij ijverig aan zijn3 ,welt als ,wille und ,vorstellung04 ,het boek verscheen in #ahah bij ,brockhaus1 maar werd zoo slecht verkocht en zoo totaal gegnoreerd1 dat de uitgeversfirma na verloop van eenigen tijd van het grootste aantal der exemplaren papierpap maakte4 ,schopenhauer ging naar ,itali4 ,zijn reis1 gedurende welke hij in zijn journaal enkel philosofische gedachten neerschreef1 werd op pijnlijke wijze afgebroken door de handelscrisis1 die de firma trof1 waaraan ,johanna en ,adele haar geheele vermogen en ,arthur een aanzienlijk deel ervan hadden toevertrouwd4 ,hij verklaarde zich bereid met moeder en zuster te deelen wat hij nog had overgehouden1 maar weigerde halsstarrig in de schikking te treden1 die door de overige schuldeischers werd aanvaard4 ,hij had geen koopmansgenie1 doch stond op zijn recht en wantrouwde de menschen1 ten gevolge waarvan hij hier de wijste partij koos4 ,na een paar jaar stond de firma weer overeind en kreeg ,arthur al zijn geld terug1 terwijl moeder en dochter twee derden van haar fortuin verloren hadden4 ,intusschen wist hij niet vooraf hoe de zaak zou loopen en trachtte hij zich dus aan de universiteit te ,berlijn een positie als leeraar te scheppen4 ,op #bc ,maart #ahbc hield hij zijn proefles4 ,hegel opponeerde1 maar ,schopenhauer antwoordde zoo flink1 dat hem de titel van privaat-docent verleend werd4 ,nu ging ,schopenhauer een half jaar lang #e uur college per week geven4 ,hij had weinig of geen succes4 ,was het1 omdat hij dezelfde uren had gekozen als waarop ,hegel zijne lessen gaf8 ,zoolang het intellektualisme zijn zegetocht nog niet voleindigd had1 kon het voluntarisme in geen geval gehoor vinden4 ,nadat zijn fortuin zich hersteld had1 keerde ,schopenhauer naar ,itali terug4 ,hij schrijft vroolijke brieven aan ,osann en geeft een vermakelijke schets van den levenslust1 de bedriegelijkheid en welgemanierdheid der ,italianen4 ,toch keert hij weer naar ,berlijn terug en slijt daar zes jaren van zijn leven1 totdat de cholera in #ahca hem ten gevolge van een droom1 waaraan hij waarschuwende kracht toekent1 naar het gezonde ,frankfort doet verhuizen4 ,hier blijft hij #bg jaren1 tot aan zijn dood in #ahfj4 ,ervan overtuigd dat het uur van zijn beroemdheid zal komen1 daar hij naar zijn inzien het wereldraadsel opgelost en aan de menschheid daarmee den grootst mogelijken dienst heeft bewezen1 bewerkt hij een tweede editie van zijn ,welt als ,wille und ,vorstellung0 en schrijft hij tevens zijn ,parerga und ,paralipomena01 die als een toelichting op het hoofdwerk kunnen gelden4 ,ook verzamelt hij bij natuurvorschers en geneesheeren feiten1 welke als openbaringen van den levenswil kunnen gelden en doet1 wellicht op zijn eigen kosten1 na een zwijgen van #ah jaren1 in #ahcf ,ueber den ,willen in der ,natur0 verschijnen4 ,het boek wordt niet opgemerkt4 ,zijn eerste voldoening van eigenliefde was1 dat hij vermocht ,rosenkrantz en ,schubert te overtuigen dat niet1 zooals hun plan was1 de tweede1 maar de eerste editie van de ,kritik der reinen ,vernunft0 bij de door hen voorgenomen uitgave van de complete werken van ,kant moest worden gevolgd4 ,kort daarna in #ahci behaalt hij een gouden medaille met een verhandeling over de vrijheid van den wil bij de maatschappij van wetenschappen te ,drontheim1 maar een tweede prijsverhandeling over de grondslagen der moraal wordt door de maatschappij van wetenschappen te ,kopenhagen afgewezen1 vooral om het afschuwelijk schelden op de drie ,sophisten01 ,fichte1 ,schelling en ,hegel4 ,hij vereenigt de twee stukken en geeft ze uit onder den titel ,die beiden ,grundprobleme der ,ethik04 ,de kritiek zwijgt ook dit werk dood4 ,eindelijk1 in #ahea gelukt het zijn eersten discipel1 een ,jood van ,russischen oorsprong1 ,julius ,frauenstaedt1 een uitgever in ,berlijn te vinden voor de ,parerga04 ,dit boek slaat in4 ,men ontdekt dat ,schopenhauer een onovertroffen schrijver van essays is4 ,nu is de nieuwsgierigheid naar zijn vroegere werken opgewekt4 ,hij krijgt erkentelijke brieven van ,bahnsen1 een leeraar aan een gymnasium1 van ,lindner1 een ,berlijnsch journalist1 van ,adam von ,doss1 een ,beiersch jurist1 enz4 ,de inhoud is steeds dezelfde4 ,de schillen zijn mij van de oogen gevallen4 ,vol verrassing roep ik uit3 ,heureka60 ,een man als ,saint-,ren-,taillandier schrijft over hem in de ,revue des deux ,mondes4 ,challemel-,lacour bezoekt hem en schrijft in de ,revue des deux ,mondes van de ijskoude atmosfeer1 welke hem bij die gelegenheid uit de half geopende deur van het ,niet0 kwam toestroomen4 ,een niet minder bekend man1 ,foucher de ,careil1 dringt ook tot hem door en beschrijft hem als een grijsaard met levendige blauwe oogen1 om welke een ietwat sarkastische glimlach speelt2 het hooge voorhoofd met de uitstaande witte lokken verleent aan het geestig gelaat een stempel van zielenadel en voornaamheid4 ,zijn manieren zijn die van een man van de wereld4 ,hij is ouderwetsch gekleed met een witte das en een kanten jabot4 ,van nature teruggetrokken1 laat hij zich gaan als hij met vreemdelingen te doen heeft en dan is zijn gesprek buitengewoon levendig4 ,hij strooit rond met latijnsche1 grieksche1 fransche1 engelsche1 italiaansche citaten2 de uren vliegen als minuten voorbij en als de middernachtsklok slaat1 vertoonen zijn trekken niet de minste vermoeidheid en het vuur van zijn blik is geen seconde uitgedoofd geweest4 ,zoo was de avond van zijn leven de dageraad van zijn roem4 ,toen op #ah ,sept4 #ahdh het oproer door de straten van ,frankfort trok1 leende hij met de grootste bereidwilligheid zijn kijker aan den ,oostenrijkschen officier1 die van uit zijn vensters op het souvereine gepeupel liet schieten1 dat ginds op den brug een barricade opwierp4 ,twaalf jaar later bleek1 dat hij aan de soldaten1 die bij de verdediging van de wettelijke orde invalide waren geworden1 het leeuwendeel van zijn vermogen had nagelaten4 ,geldgeschenken waren toegewezen aan bloedverwanten1 aan een oude dienstmaagd1 die tevens zijn meubels en zilverwerk kreeg1 en aan een tooneelprinses1 die indertijd zijn hartevriendin was geweest4 ,ook zijn hond had hij niet vergeten2 deze erfde f #cjj voor zijn levensonderhoud4 ,frauenstaedt kreeg de manuscripten en op hem gingen al de auteursrechten over4 ,gwinner1 rechter in ,frankfort1 uitvoerder van den laatsten wil1 kwam in het bezit van zijn bibliotheek4 ,het was in tegenwoordigheid van dezen ,gwinner1 dat ,schopenhauer eens1 na lang op het portret van de ,ranc1 den stichter van de orde der ,trappisten1 te hebben gestaard1 op neerslachtigen toon zei3 ,dat is het werk der genade04 ,schopenhauer heeft de wereldverloochenaars1 zijn heiligen1 vurig bewonderd1 maar zelf niet als een hunner geleefd4 ,hij was geen zonnige natuur1 stak vol grieven4 ,zoo tegen de vrouwen1 de schepselen met lange haren en korte gedachten4 ,zoo vooral tegen de ,joden1 die met hun scheppingsleer de ,europeesche menschheid vergiftigd hadden4 ,hij was niet goedhartig1 maar wel volkomen eerlijk tegenover zichzelf en anderen2 hij meende alles wat hij zeide2 dat was zijn kracht als schrijver4 ,hij was veel vatbaarder voor pijnlijke dan voor aangename indrukken4 ,reeds in zijn jeugd was het zoo4 ,twee jaar lang heeft hij toen met zijn ouders door ,europa gezworven4 ,als hij aan armoedige hutten voorbijkwam1 was zijn genot voor den geheelen dag vergald4 ,men begrijpt dat hij in ,toulon van het verblijf der galeiboeven een onuitwischbaren indruk had gekregen4 ,hij heeft zich dikwijls zeer eenzaam gevoeld en zich ten slotte met de gedachte getroost3 zoo is het lot der ,koningen6 ,waarom is hij ongehuwd gebleven8 ,in ,veneti was hij zoo verliefd op een rijke jonge dame van goeden huize1 dat hij1 jaloersch van hare bewondering voor ,byron1 den introductiebrief bij den engelschen dichter1 dien hij van ,goethe had meegekregen1 niet afgaf4 ,wij weten dit uit een brief van ,arthur aan zijn zuster4 ,verder weten wij niets van deze episode in zijn leven4 ,wel weten we iets anders4 ,reeds in #ahad noteerde hij voor zich zelf een woord uit het ,indisch geschrift ,oepnethak03 als de kennis komt1 verdwijnt de liefde04 ,later werd datzelfde woord het motto voor een deel van zijn hoofdwerk4 ,schopenhauer was hartstochtelijk in ieder opzicht4 ,wanneer een gedachte hem voor den geest zweefde1 liet hij alles in den steek om haar op te vangen1 en hare waarde te toetsen4 ,hij heeft de weelde van het genie gekend en was er van overtuigd1 dat zijn intellekt niet aan hem zelf1 maar aan de wereld toebehoorde1 dat hij een zending had4 ,zijn denken is de nheid van zijn leven geweest4 ,zijn altijd bezige geest was er steeds op uit om n en dezelfde gedachte toe te lichten4 ,want zijn stelsel bestond1 gelijk hij zelf heeft erkend1 uit ne gedachte3 de tegenstelling van verschijnsel en wil4 ,hij vergeleek het met ,thebe1 waar men door honderd poorten kon binnen treden en steeds op hetzelfde middelpunt uitkwam4 ,op #d ,sept4 #ahfj werd hij dood op zijn kanap gevonden4 ,doch genoeg over ,schopenhauer en zijn werk4 ,thans willen wij hem zelf het woord geven4 ,,fragmenten ,,uit3 ,,ueber ,,die ,,vierfache ,,wurzel ,,des ,,satzes ,,vom ,,zureichenden ,,grunde0 ,de echte wijsgeer zoekt overal helderheid en duidelijkheid4 ,hij is niet als een troebele1 wilde1 door regens gezwollen beek1 maar als een ,zwitsersch meer1 dat1 onbewogen1 bij groote diepte1 groote klaarheid heeft1 welke de diepte zichtbaar maakt4 ,de onechte daarentegen tracht1 wel niet1 volgens den stelregel van ,talleyrand1 door woorden zijn gedachten1 wel echter het gebrek aan gedachten te verbergen4 ,de onverstaanbaarheid zijner leeringen1 welke het gevolg van de onklaarheid van zijn denken is1 wijt hij aan den lezer4 ,dat is de reden1 waarom in eenige geschriften1 b4v4 die van ,schelling1 de onderwijzende toon zoo dikwijls in den schimptoon omslaat2 bij voorbaat scheldt hij op den lezer in de verwachting1 dat deze niet zal verstaan4 ,ons kennend bewustzijn behelst subjekt en objekt1 niets meer dan dat4 ,objekt voor het subjekt zijn en onze voorstelling zijn is hetzelfde4 ,alle voorstellingen zijn objekten van het subjekt1 en alle objekten van het subjekt zijn voorstellingen4 ,nu is het hier echter zoo mee geschapen1 dat alle onze voorstellingen volgens vaste wetten onderling verbonden zijn en niets wat1 los gescheurd van al het overige1 geheel op eigen voeten staat1 objekt voor ons kan zijn4 ,deze verbinding is het1 zegt ,schopenhauer1 welke door de stelling van den voldoenden grond in haar algemeenheid wordt uitgedrukt1 wanneer men de formule gebruikt3 ,niets is zonder grond waarom het is04 ,zoo kan men bij oordeelen vragen waarom zij waar heeten1 bij veranderingen waarom zij plaats grijpen4 ,ginds vragen wij naar kengronden2 hier naar oorzaken4 ,maar er zijn nog meer gevallen1 waarin we het recht hebben waarom8 te vragen4 ,waarom zijn b4v4 bij dien driehoek de drie zijden aan elkander gelijk8 ,het antwoord luidt3 omdat de drie hoeken gelijk zijn4 ,is nu de gelijkheid der hoeken oorzaak van de gelijkheid der zijden8 ,neen1 want hier is van geen verandering1 dus van geen werking1 die een oorzaak zou hebben1 sprake4 ,is zij enkel kengrond8 ,evenmin1 want de gelijkheid der hoeken is niet enkel bewijs van de gelijkheid der zijden1 niet enkel grond van een oordeel4 ,afgezien van het oordeel1 moeten de zijden gelijk zijn1 daarom dat de hoeken gelijk zijn4 ,er is hier een noodwendige verbinding tusschen hoeken en zijden1 dus nog iets anders dan een verbinding tusschen twee oordeelen4 ,de gelijkheid der hoeken is de zijnsgrond van de gelijkheid der zijden4 ,een vierde gestalte neemt het principe van den grond aan1 wanneer het subjekt als willend wordt beschouwd4 ,men vraagt naar de beweegredenen van het willen1 naar den voldoenden grond waarom er zoo gehandeld wordt als er gehandeld wordt4 ,zoo is er dus vierderlei noodzakelijkheid1 waarmee iets uit zijn grond voortvloeit4 ,er is logische noodzakelijkheid1 waarmee de stellingen uit hare kengronden1 er is physische noodzakelijkheid1 waarmee de gevolgen uit hunne oorzaken voortvloeien1 er is mathematische noodzakelijkheid1 waarmede omdat het eene is ook het andere is1 er is praktische noodzakelijkheid waarmee de handelingen uit hare motieven volgen4 ,alle noodzakelijkheid is relatief1 geldt ten opzichte van haar grond4 ,absolute noodzakelijkheid1 zonder grond1 is onzin4 ,de wet der causaliteit bepaalt dat1 wanneer een nieuwe toestand bij n of meer objekten der werkelijkheid intreedt1 een andere toestand moet zijn voorafgegaan1 op welken die nieuwe toestand regelmatig volgen moet4 ,b4v4 een lichaam vangt aan te branden3 aan dien toestand van branden moet zijn voorafgegaan een toestand #a4 van verwantschap tot de zuurstof1 #b4 van aanraking met de zuurstof1 #c4 van een bepaalden warmtegraad4 ,daar1 zoodra die drievoudige toestand voorhanden was1 de ontbranding onmiddellijk volgen moest1 deze echter eerst nu gevolgd is1 kan ook die toestand er niet vroeger geweest zijn1 maar moet hij eerst nu zijn ingetreden4 ,dat intreden heet een verandering4 ,derhalve geldt de wet der causaliteit uitsluitend voor veranderingen4 ,iedere werking is1 bij haar te voorschijn treden1 een verandering en verwijst1 juist omdat ze niet vroeger is ingetreden1 met onfeilbare zekerheid naar eene andere1 haar voorafgaande verandering1 welke in betrekking tot haar oorzaak1 in betrekking tot eene derde1 haar zelve weder noodzakelijk voorafgegane verandering1 werking heet4 ,dit is de keten der causaliteit2 zij is zonder aanvang4 ,iedere nieuwe toestand moet dus het gevolg zijn van een daaraan voorafgaande verandering2 b4v4 in het zooeven vermelde geval moest de temperatuurverhooging voortspruiten uit het toetreden van vrije warmte tot het lichaam2 dit toetreden van warmte hing weder af van een voorafgaande verandering1 b4v4 het vallen van de zonnestralen op een brandspiegel2 dit laatste van het wegtrekken van een wolk voorbij de zon2 dat wegtrekken van de wolk werd veroorzaakt door wind2 die wind door ongelijke dichtheid van lucht2 die ongelijke dichtheid door andere toestanden en zoo in het oneindige4 ,wanneer er aan een toestand om voorwaarde van het optreden van iets nieuws te zijn1 slechts ne omstandigheid ontbreekt1 noemt men deze laatste1 zoo zij er eindelijk ook nog bijkomt1 de oorzaak bij uitnemendheid2 het is in zoover juist1 als men zich daarbij aan de laatste werkelijk beslissende verandering houdt2 daarvan afgezien heeft echter voor de vaststelling van het oorzakelijk verband der gebeurtenissen in het algemeen1 de laatst bijkomende voorwaarde niets op de overige voor4 ,zoo is in het door ons genoemde voorbeeld het wegtrekken van de wolk in zoover oorzaak der ontbranding te noemen als het later dan het richten van den brandspiegel op het voorwerp plaats greep4 ,dit richten van den brandspiegel had evenwel later kunnen geschieden dan het wegtrekken van de wolk en het toelaten van de zuurstof weder later dan dit3 zulke toevallige tijdsbepalingen hebben dan te beslissen wat de oorzaak is4 ,wanneer men de zaak nauwkeurig beschouwt1 bevinden wij dat de toestand in zijn geheel oorzaak van den volgenden is en dat het er betrekkelijk weinig toe doet welke van de vereischten het laatst komt om het getal vol te maken4 ,voorwaarden van veranderingen zijn altijd andere en voorafgaande veranderingen1 geen dingen4 ,zoo zou het in ons geval glad verkeerd zijn1 om den brandspiegel1 de wolk1 de zon1 de zuurstof1 oorzaak te noemen4 ,het heeft geen zin te zeggen1 dat een objekt oorzaak is van een ander objekt2 in de eerste plaats1 omdat wij bij de objekten behalve vorm en hoedanigheid1 ook stof1 materie aantreffen1 welke noch ontstaat1 noch vergaat2 in de tweede plaats omdat de wet der causaliteit uitsluitend voor veranderingen geldt1 voor het verschijnen en verdwijnen van toestanden in den tijd4 ,de scheeve opvattingen van de causaliteitsverhouding kunnen zeker grootendeels aan onklaarheid van het denken worden toegeschreven2 maar stellig is daarbij ook dikwijls eene theologische bedoeling in het spel1 waardoor de formeele kennis a priori1 die moedermelk van het menschelijk verstand1 vervalscht wordt4 ,men wil namelijk1 volgens ,schopenhauer1 een ,schepper der stof hebben1 een zoogenaamde eerste oorzaak1 waarbij men stichtelijk de oogen verdraaien0 kan1 als ware een eerste oorzaak niet een contradictio in adjecto4 ,een eerste oorzaak is even weinig denkbaar als een plaats1 waar de ruimte een einde neemt1 of een oogenblik1 waarop de tijd een aanvang zou hebben genomen4 ,iedere oorzaak is een verandering1 bij welke men naar de haar tot stand is gekomen1 noodwendig vragen moet1 en zoo tot in het oneindige6 ,niet eens is een eerste toestand der materie denkbaar1 waaruit alle volgende zouden zijn voortgesproten4 ,want die volgende toestanden zouden er dan reeds vroeger hebben moeten zijn1 tenzij men gelieft aan te nemen1 dat die eerste toestand eerst op een bepaald oogenblik begonnen heeft causaal te werken2 maar dan zou er op dat oogenblik iets veranderd moeten zijn1 waardoor die eerste toestand ophield te rusten2 welnu1 als er een verandering is bijgekomen1 dan moeten we naar haar oorzaak1 naar de daaraan voorafgaande verandering vragen1 en zoo zijn wij weder op de ladder der oorzaken aangeland en worden door de onverbiddelijke wet der causaliteit voortgezweept om hooger en hooger te klimmen1 steeds hooger1 tot in het oneindige4 ,de wet der causaliteit laat zich niet gebruiken als een fiaker1 dien men1 aangekomen waar men wil zijn1 naar huis zendt4 ,zij gelijkt veeleer op den bezem1 die1 door ,goethe's tooverleerling bezield en aan het werk gezet1 niet meer ophoudt te loopen en te vegen1 zoodat de oude heksenmeester er zelf bij moet komen om hem tot rust te brengen4 ,helaas de heeren professoren1 die er verlegen mee zitten1 dat ,kant aan hun dierbaar kosmologisch bewijs 7alles wat bestaat heeft een oorzaak1 de wereld bestaat1 dus heeft de wereld een oorzaak7 den doodsteek heeft toegebracht1 zijn geen heksenmeesters4 ,zij hebben dus een slimmen streek bedacht4 ,vriend01 hebben zij tot het kosmologisch bewijs gezegd1 het staat slecht met u1 zeer slecht1 sedert uwe noodlottige ontmoeting met den ouden dwarskop uit ,koningsbergen2 even slecht als met uwe broeders1 het ontologisch en het physikotheologisch4 ,maar troost u1 wij verlaten u daarom niet2 ge weet1 we worden er voor betaald2 toch moet ge1 het kan niet anders1 van naam en kleeding verwisselen2 want noemen we u bij uw echten naam1 dan loopt alles weg4 ,inkognito nemen we u onder den arm en brengen u weder onder de menschen2 enkel1 zooals ge hoort1 inkognito2 zoo gaat het6 ,wij spreken voortaan van het absolute01 dat klinkt vreemd1 fatsoenlijk en voornaam2 en hoeveel men met voornaam-doen bij de ,duitschers kan uitrichten1 weten wij het allerbest2 wat gemeend wordt1 verstaat toch ieder en houdt zich nog op den koop toe daarbij voor wijs4 ,zonder syllogismen en praemissen treedt gij als een man van weinig woorden fier en driest op en zijt met n sprong aan het doel4 ,het absolute01 schreeuwt gij1 en wij met u1 dat moet er toch om den duivel zijn3 anders ware er volstrekt niets04 ,hierbij slaat ge op de tafel4 ,vanwaar echter het absolute8 ,domme vraag6 ,heb ik niet gezegd3 het absolute08--,werkelijk1 het gaat6 ,de ,duitschers zijn gewoon woorden in plaats van begrippen aan te nemen2 daartoe worden zij1 van kindsbeen af1 door ons gedresseerd2 let maar op de ,hegelei02 wat is zij anders dan holle1 leege1 daarbij misselijke woordenkraam8 ,en toch1 hoe schitterend was de carrire van dat philosophisch minister-creatuur6 ,er waren enkel eenige veile gezellen noodig om den roem van het slechte uit te bazuinen en hun stem vond in den hollen schedel van duizend domkoppen een nog op dit oogenblik naklinkende en zich voortplantende echo3 zie1 zoo werd er uit een gemeenen kwakzalver een groote wijsgeer gemaakt4 ,dus moed gevat6 ,daarenboven helpen wij u nog op andere wijze2 wij kunnen toch zonder u niet leven6 ,heeft de oude ,koningsberger de rede gekritiseerd en haar de vleugels gekortwiekt2 goed6 dan vinden wij een nieuwe rede uit1 van welke tot dusverre geen mensch iets gehoord had1 een rede1 welke niet denkt1 maar onmiddellijk aanschouwt1 ideen 7een voornam woord tot mystificatie geschapen7 aanschouwt2 of ook ze verneemt1 onmiddellijk verneemt1 wat gij en anderen eerst bewijzen wilden2 of ook ze donker beseft1 als men het met weinig voor lief wil nemen en niet veel wil toegeven4 ,vroeg ingeprente volksbegrippen geven we zoo voor rechtstreeksche ingevingen van deze1 onze nieuwe rede uit1 voor ingevingen uit den hooge4 ,de oude rede1 die degradeeren wij1 noemen wij voortaan verstand en laten haar kuieren4 ,en het ware1 eigenlijke verstand8 ,wat1 in alle wereld1 gaat ons het ware1 eigenlijke verstand aan8 ,gij lacht ongeloovig2 maar wij kennen ons publiek en de studenten1 die wij op de banken voor ons hebben4 ,reeds ,baco heeft gezegd3 ,op universiteiten leeren de jonge mannen gelooven04 ,van ons kunnen ze iets rechts leeren6 ,wij hebben een goeden voorraad van geloofsartikelen04 ,uit de wet der causaliteit vloeien twee gewichtige nevenstellingen voort3 namelijk de wet der traagheid en die van het voortduren der stof4 ,de eerste zegt1 dat iedere toestand1 dus zoowel de rust van een lichaam als ook zijn beweging1 van welken aard ook1 onveranderd1 onverminderd1 onvermeerderd voortduren1 den eindeloozen tijd door aanhouden moet1 tenzij er een oorzaak bijkomt1 welke verandering teweeg brengt4--,de tweede wet1 welke de materie als eeuwigdurend doet kennen1 volgt daaruit1 dat de wet der causaliteit slechts op de toestanden der dingen1 dus op hun rust1 beweging1 vorm1 kwaliteit betrekking heeft1 het ontstaan en vergaan dier toestanden in den tijd beheerscht2 niet op het bestaan van den drager dier toestanden1 aan welken men1 juist om aan te duiden dat er bij hem van ontstaan en vergaan geen sprake kan zijn1 de naam substantie heeft gegeven4 ,de stof blijft3 d4w4z4 zij kan noch ontstaan noch vergaan1 dus de in de wereld voorhanden hoeveelheid is niet aan vermeerdering1 evenmin aan vermindering onderhevig4 ,dat we dit a priori weten1 blijkt uit de onwrikbare zekerheid1 waarmede ieder1 die een gegeven lichaam1 hetzij door goochelaarskunsten1 hetzij door verdeeling1 verbranding1 vervluchtiging1 of op welke manier ook heeft zien verdwijnen1 er nochtans vast van overtuigd is1 dat1 wat er ook uit den vorm van het lichaam geworden moge zijn1 de substantie1 dat is de materie ervan1 onverminderd ergens aan te treffen moet zijn4 ,de zekerheid1 waarmede wij dit bij voorbaat vaststellen1 vloeit daaruit voort1 dat het ons verstand aan een middel om ontstaan of vergaan der materie te denken1 volstrekt hapert4 ,immers de wet der causaliteit1 welke de eenige vorm is waaronder wij veranderingen kunnen denken1 geldt enkel voor de toestanden der lichamen1 niet voor het bestaan van den drager van alle toestanden1 de materie4 ,daarom noem ik de grondstelling van het voortduren der stof een korollarium1 d4i4 een nevenstelling van de causaliteitswet4 ,de overtuiging van het voortbestaan der stof kunnen we nooit door ervaring verworven hebben2 in de meeste gevallen zou het ons onmogelijk zijn empirisch vast te stellen dat er niets verloren of bijgekomen is2 daarenboven staat iedere empirische1 door generalisatie verkregen kundigheid niet onvoorwaardelijk vast1 maar is zij slechts bij benadering zeker1 dus onzeker4 ,onze overtuiging betreffende de geldigheid van die grondstelling heeft dan ook een geheel ander karakter dan die van een empirische natuurwet4 ,zoo kan men de vraag opwerpen1 of er ook tusschen lichamen1 die door een volstrekt ledig van elkander gescheiden zijn1 gravitatie zou bestaan1 met andere woorden1 of er voor de gravitatie niet een medium1 als b4v4 de ther1 vereischt wordt4 ,dat overigens substantie eenvoudig hetzelfde als materie is1 blijkt daaruit1 dat we het begrip substantie enkel op materie kunnen toepassen4 ,dus niet op zieleleven8 ,behooren wenschen1 gedachten1 gewaarwordingen1 bij welke het onzin zou zijn van gestalte en uitgebreidheid te droomen1 niet in een geheel andere sfeer thuis dan steenen1 boomen1 dieren8 ,wordt er voor de psychische toestanden1 welke toch ook afwisselen1 evengoed ontstaan en verdwijnen als bloemen1 geen blijvend substraat vereischt8 ,jawel1 maar ,schopenhauer meent ook voor die onstoffelijke veranderingen geen ander duurzaam wezen dan de materie te behoeven4 ,hij verwerpt de leer1 dat er twee soorten van wezens1 lichamen en zielen1 zouden zijn4 ,hij ontdekt in het heelal enkel lichamen4 ,toch is hij een fel antimaterialist4 ,hoe is dat mogelijk8 ,de oplossing van het raadsel is eenvoudig deze1 dat volgens ,schopenhauer het stoffelijk heelal niet buiten het bewustzijn bestaat1 maar er enkel is voor en door het intellekt4 ,hij zegt3 ,men moet van alle goden verlaten zijn om den waan te koesteren1 dat de aanschouwelijke wereld daarbuiten1 zooals zij de ruimte in hare drie afmetingen vult1 zich in den tijd voortbeweegt en bij iedere schrede door de onkreukbare wet der causaliteit wordt beheerscht1 in al deze opzichten evenwel enkel de wetten volgt1 welke wij1 onafhankelijk van alle ervaring1 kunnen aangeven1--dat een zoodanige wereld1 zonder ons toedoen en als zelfstandige werkelijkheid1 voorhanden zou zijn1 om vervolgens door de zinnelijke gewaarwording ons brein binnen te dringen en aldaar nu nog eens1 als beeld1 op dezelfde wijze als daarbuiten1 te bestaan4 ,wat een armelijk ding is toch de zinnelijke gewaarwording op zichzelve6 ,zelfs bij de edelste zintuigen is zij niets meer dan een voorbijgaand binnen de grenzen van haar soort voor eenige afwisseling vatbaar1 doch op zichzelf steeds individueel gevoel1 dat als zoodanig niets objektiefs1 niets wat naar een aanschouwing zweemt kan behelzen444 ,de gewaarwording kan aangenaam of onaangenaam zijn1 dus in een bepaalde verhouding tot ons willen staan1 maar de verwijzing naar een ding ligt nooit in haar opgesloten4 ,ook komen veranderingen op het gebied der gewaarwording enkel in den vorm van den innerlijken zin1 dus in den tijd1 als elkander opvolgende1 tot het bewustzijn4 ,eerst wanneer het verstand1 een functie van het zoo kunstig en vreemd gebouwde1 drie tot vijf pond wegende lichaamsdeel1 dat wij hersenen noemen1 aanvangt te werken en zijn eenigen vorm1 de wet der causaliteit1 in toepassing brengt1 grijpt er een machtige verandering plaats1 daar dan uit de subjektieve gewaarwording de objektieve aanschouwing wordt geboren4 ,het verstand namelijk vat1 vr alle ervaring 7want deze is tot dusverre nog niet mogelijk7 de gegeven gewaarwording als een werking op1 die als zoodanig noodwendig een oorzaak moet hebben4 ,tegelijkertijd plaatst het verstand die oorzaak in den vorm van den uitwendigen zin1 dus in de ruimte3 zoo eerst ontstaat het buiten-elkander der verschillende objekten1 tot welke ook ons eigen lichaam behoort2 zoo is dus de aanschouwing a priori der ruimte de grondslag der empirische aanschouwing4 ,bij deze verrichting neemt het verstand alle1 zelfs de fijnste data der aanwezige gewaarwording te hulp om dienovereenkomstig de oorzaak der gewaarwording in de ruimte te construeeren444 ,het verstand heeft dus de wereld der objekten het eerst te scheppen3 onmogelijk kan die wereld1 als ware zij reeds kant en klaar1 door de zinnen ons brein binnenwandelen4 ,de zinnen leveren niets anders dan licht1 geluid1 geur enz41 met andere woorden de ruwe stof1 welke allereerst door het verstand1 met behulp van de drie vormen van ruimte1 tijd en causaliteit1 tot de objektieve opvatting van een wettelijk geregelde1 stoffelijke wereld wordt omgewerkt4 ,in den dienst der objektieve aanschouwing staan eigenlijk slechts twee zinnen3 het tastgevoel en het gezicht4 ,zij alleen leveren de data1 op welker grondslag het verstand de objektieve wereld laat ontstaan4 ,de overige drie zinnen blijven in de hoofdzaak subjektief2 hunne gewaarwordingen wijzen wel naar een uiterlijke oorzaak1 maar behelzen geen data1 welke tot het vaststellen van ruimtebetrekkingen kunnen dienen4 ,die drie zinnen kunnen ons de aanwezigheid van voorwerpen in de ruimte aankondigen1 wanneer deze ons reeds van elders bekend zijn1 maar hunne data zijn op zichzelve niet voldoende om tot een constructie in de ruimte1 dus tot een objektieve aanschouwing1 in staat te stellen4 ,uit den reuk kunnen wij nooit de roos construeeren2 ook kan een blinde zijn leven lang muziek hooren zonder van de muzikanten1 of van de instrumenten1 of van de trillingen der lucht de geringste objektieve voorstelling te erlangen4 ,het gehoor heeft zijn hooge waarde als medium der taal1 waardoor het de zin der rede is1 ook als medium van muziek1 dus als eenig middel om samengestelde getalsverhoudingen niet maar in het afgetrokkene1 doch onmiddellijk1 dus op konkrete wijze1 op te vatten4 ,maar de toon verwijst nooit naar ruimtebetrekkingen1 verraadt ons niet hoe het met zijn oorzaak geschapen staat1 hij brengt ons niet verder en is dus geen datum voor het verstand1 dat de objektieve wereld opbouwt4 ,dat zijn alleen de gewaarwordingen van den tastzin en het gezicht4 ,toch is wat tastzin en gezicht ons leveren nog geenszins aanschouwing1 maar enkel de ruwe stof er toe2 in de gewaarwordingen van deze zinnen ligt zoo weinig de aanschouwing opgesloten1 dat die gewaarwordingen veeleer volstrekt geen overeenkomst hebben met de eigenschappen der dingen1 die door hare bemiddeling zich aan ons openbaren4 ,om dat in te zien moet men wat werkelijk aan de gewaarwording eigen is1 duidelijk afscheiden van wat er bij de aanschouwing door het intellekt aan wordt toegevoegd4 ,dit is aanvankelijk zwaar2 immers wij zijn er zoozeer aan gewend van de gewaarwording oogenblikkelijk tot hare oorzaak over te gaan1 dat we verzuimen op de gewaarwording zelve1 welke hier als het ware de prmis tot een gevolgtrekking van het verstand levert1 behoorlijk acht te geven4 ,als een blindgeborene een kubus betast1 dan is er niets in zijne gewaarwordingen1 wat met een kubus overeenkomst vertoont4 ,maar uit den gevoelden tegenstand besluit zijn verstand a priori en onbewust tot een oorzaak er van2 uit de bewegingen1 welke bij het tasten de armen maken1 terwijl de gewaarwording in de handen dezelfde blijft1 construeert hij in de hem a priori gegeven ruimte de kubieke gestalte van het lichaam4 ,bracht hij de voorstelling van een oorzaak en van ruimte niet reeds mede1 zoo zou nooit het successieve gevoel in zijn hand het beeld van een kubus voor zijn geest doen verrijzen4 ,laat men door zijn gesloten hand een koord loopen1 zoo zal hij als oorzaak van de wrijving en van haar duur bij zoodanige houding zijner hand zich een lang cylindervormig in n richting gelijkvormig voortloopend lichaam construeeren4 ,nooit echter zou uit het gevoel in zijne hand de voorstelling van beweging1 dat is van verandering van plaats in den tijd1 kunnen ontstaan4 ,zijn intellekt moet1 vr alle ervaring1 ruimte1 tijd en causaliteit als voorwaarden van waarneming1 aan welke het zich niet kan onttrekken1 in zich hebben1 om van de alleen empirisch gegeven gewaarwording over te gaan tot een oorzaak er van en die oorzaak dan als een zich z bewegend lichaam van dien en dien vorm te construeeren4 ,hoe groot toch is niet de afstand tusschen gewaarwording in de hand en voorstelling van oorzakelijkheid1 materialiteit en beweging in de ruimte4 ,de gewaarwording in de hand is1 ook bij verschil van aanraking en positie1 iets veel te eenvormigs en te armoedigs1 dan dat het mogelijk ware daaruit de voorstelling van de ruimte met hare drie afmetingen1 die der inwerking van lichamen op elkander1 die van eigenschappen als uitgebreidheid1 ondoordringbaarheid1 cohaesie1 gestalte1 hardheid1 weekheid1 rust en beweging af te leiden2 dat alles treedt slechts daardoor in ons bewustzijn op1 dat in het intellekt zelf de ruimte als vorm der aanschouwing1 de tijd als vorm der verandering en de wet der causaliteit als regulateur van de intreding van veranderingen bij voorbaat klaar liggen4 ,het aan alle aanschouwing voorafgaande bestaan dier vormen doet het intellekt zijn wat het is4 ,uit een physiologisch oogpunt kan men het intellekt een verrichting der hersenen noemen1 welke hare werkzaamheid evenmin door ervaring behoeven aan te leeren1 als de maag het verteren1 of de lever de afscheiding van gal4 ,slechts zoo is het verklaarbaar1 dat vele blindgeborenen een volledige kennis der ruimtebetrekkingen erlangen2 men denke aan ,saunderson1 die1 schoon van zijn prille jeugd af blind1 nochtans in ,cambridge mathesis1 optica en astronomie vermocht te onderwijzen4 ,op dezelfde wijze is wat bij het zien de gewaarwording levert1 niets meer dan een veelvoudige aandoening van de retina1 met den aanblik van een palet te vergelijken1 waarop velerlei bonte klodders van verven worden aangetroffen2 niets meer dan dit zou in het bewustzijn overblijven1 wanneer men aan hem1 die van een uitgebreid en rijk uitzicht staat te genieten1 door verlamming van de hersenen plotseling het verstand geheel ontnam1 terwijl hem nochtans de gewaarwording werd gelaten2 want dit was de ruwe stof1 waaruit vroeger zijn verstand die aanschouwing schiep4 ,uit het voorafgaande volgt1 dat de zinnen slechts de handlangers zijn1 die aan het verstand1 aan den kunstenaar in ons1 geroepen om het werk te verrichten1 het daartoe vereischte materiaal leveren4 ,het verstand past daarbij de wet der causaliteit toe1 welke natuurlijk niet uit aanschouwing der wereld geput kan zijn1 daar juist door die toepassing de wereld geboren wordt4 ,wij vinden derhalve alle elementen der empirische aanschouwing in ons aanwezig en niets is daarin vervat1 wat zou kunnen heenwijzen naar een van ons verschillende en op eigen voeten staande werkelijkheid4 ,ook moet dit overwogen worden3 onder het begrip der materie denken we wat van de lichamen overblijft1 wanneer we ze van hun vorm en van alle specifieke kwaliteiten ontdoen1 dus datgene wat bij alle lichamen n en hetzelfde moet zijn4 ,die door ons weggedachte vormen en kwaliteiten vertegenwoordigen juist de bijzondere en zeer bepaalde werkingswijzen der lichamen1 welke hunne verscheidenheid uitmaken4 ,dus is1 wanneer we daarvan afzien1 het dan nog overblijvende eenvoudig werkzaamheid in het algemeen1 werken als zoodanig1 de causaliteit zelve1 objektief gedacht1 de weerglans van ons eigen verstand1 het naar buiten uitgestraalde beeld van zijn eenige verrichting2 de materie is geheel en al uitsluitend causaliteit1 haar wezen is haar werken4 ,om die reden kan op de materie zelve de wet der causaliteit niet worden toegepast2 zij is de causaliteit zelve1 objektief opgevat2 zij kan hare macht niet over zich zelve uitoefenen2 zoo kan het oog alles zien1 behalve zichzelf4 ,dit zijn dus de resultaten1 waartoe het ware1 het transcendentale idealisme leidt4 ,tot het ding op zichzelf1 tot datgene1 wat er achter de vermomming aanwezig is1 kunnen we niet op den weg der voorstelling geraken2 daartoe moeten wij een anderen weg inslaan1 die door het innerlijk der dingen leidt en ons als het ware door verraad de vesting doen ontsluiten4 ,zinnelijke gewaarwordingen zijn dus de uitgangspunten tot de allereerste toepassing van de causaalwet4 ,zij zijn noodig voor de aanschouwing van alle objekten1 ons eigen lichaam inkluis4 ,de deelen van dat lichaam moeten op de zinnen werken2 het oog moet dat lichaam zien1 de hand het betasten enz41 zullen we in staat zijn ons eigen lichaam in de ruimte te construeeren4 ,geen enkel objekt wordt door ons onmiddellijk1 zonder tusschenkomst van gewaarwordingen1 gekend4 ,natuurlijk besefte ,schopenhauer dat vormen als ruimte1 tijd1 causaliteit eerst met en aan de materie der kennis tot ons bewustzijn komen4 ,enkel de mensch is in staat om die vormen afzonderlijk te denken en te noemen4 ,schopenhauer zegt3 ,het groote onderscheid tusschen mensch en dier bestaat daarin1 dat de mensch een klasse van voorstellingen heeft1 welke het dier mist4 ,wij bedoelen die afgetrokken1 uit de aanschouwelijke voorstelling door aftrekking verkregen voorstellingen1 welke begrippen heeten4 ,de handelingen der menschen grijpen met niet minder strenge noodzakelijkheid plaats1 dan die der dieren2 doch daar de mensch begrippen heeft1 kan hij zich door een ander soort van beweegredenen dan het dier laten leiden1 namelijk door gedachten2 hij kan handelen met opzet1 met overleg1 volgens een plan1 volgens stelregels in overeenstemming met anderen enz41 in plaats van enkel den impuls op te volgen1 welke door aanschouwelijke1 bij de hand zijnde voorwerpen wordt uitgeoefend4 ,zoo ontstaat alles1 wat het menschelijk leven rijk1 kunstig en verschrikkelijk maakt4 ,de kloof tusschen menschen en dieren wordt ten slotte zoo breed1 dat de mensch zijn broeders1 de dieren1 niet meer kent1 ze voor iets geheel anders houdt dan hij zelf is en om zich in dien waan te bevestigen1 ze beesten noemt1 alle levensverrichtingen1 welke hij met de dieren gemeen heeft1 met schimpnamen aanduidt1 de dieren voor rechteloos uitgeeft en zich1 althans hier in het westen1 halsstarrig verzet tegen de zich hem opdringende identiteit van wezen bij mensch en dier4 ,toch is het eenig verschil1 zooals gezegd1 enkel dit1 dat de mensch niet enkel aanschouwelijke1 maar ook afgetrokken voorstellingen heeft1 begrippen genaamd1 wijl ieder van hen ontelbare dingen onder zich begrijpt4 ,men kan de begrippen definieeren als voorstellingen uit voorstellingen4 ,bij hunne vorming worden de volledige1 dus aanschouwelijke voorstellingen in hunne bestanddeelen gesplitst1 om deze afzonderlijk1 ieder voor zich1 te kunnen denken als verschillende eigenschappen der dingen of als betrekkingen tusschen de dingen4 ,wanneer dit plaats grijpt1 raken de voorstellingen noodzakelijk haar karakter van aanschouwelijkheid kwijt1 gelijk water1 dat in zijn elementen wordt ontleed1 zijn vloeibaarheid verliest4 ,want iedere afzonderlijke geabstraheerde eigenschap laat zich wel alleen denken1 maar niet op zichzelve ook alleen aanschouwen4 ,de vorming van een begrip grijpt op deze wijze plaats1 dat men van het aanschouwelijke veel laat wegvallen1 om dan het overblijvende op zichzelf te kunnen denken3 men denkt dus minder dan er aanschouwd werd4 ,heeft men verschillende aanschouwelijke voorstellingen de revue laten passeeren1 van ieder dier voorstellingen iets anders doen wegvallen en toch bij allen hetzelfde overgehouden1 dan is dat het genus eener soort4444 ,de hoogste1 de meest algemeene begrippen1 zijn natuurlijk de holste en de armste1 ledige hulzen als b4v4 zijn1 wezen1 ding1 worden1 enz4 ,men kan begrijpen1 hoe oneindig hol en arm1 hoe benauwend vervelend wijsgeerige stelsels moeten uitvallen1 die uit zulke ledige hulzen worden te voorschijn gesponnen4 ,enkel omdat de dieren tot aanschouwelijke voorstelling beperkt zijn1 hebben zij geen taal1 zelfs al zijn zij in staat woorden uit te spreken2 ze verstaan enkel eigennamen4 ,om dezelfde reden lachen de dieren niet4 ,wanneer men een ietwat lange en samenhangende toespraak van een ruw en onbeschaafd mensch ontleedt1 dan vindt men daarin nochtans zulk een rijkdom van logische vormen1 wendingen1 onderscheidingen en fijnheden van iedere soort1 behoorlijk door grammatikale buigingen en konstrukties uitgedrukt1 dat men van verbazing de handen ineen slaat en een zeer uitgebreid en samenhangend weten daarin ontdekt4 ,die gansche ontwikkeling rust op den grondslag van aanschouwing en wordt verkregen door het wezen der aanschouwelijke wereld in afgetrokken begrippen om te zetten3 door de rede1 die als onmisbaar hulpmiddel zich daarbij van de taal bedient1 werd het groote werk verricht4 ,met het aanleeren der taal komt dus het geheele mechanisme der rede1 het wezenlijke der logica1 tot het bewustzijn van het kind4 ,natuurlijk geschiedt dit niet zonder groote inspanning des geestes1 zonder welwillende opmerkzaamheid1 maar daartoe hebben de kinderen de kracht1 want hun leergierigheid is sterk1 wanneer ze het werkelijk bruikbare en onmisbare tegenover zich zien2 slechts dan schijnt die leergierigheid zwak1 als men hun datgene wat hun niet voegt wil opdringen4 ,dus bij het aanleeren der taal met hare tal van wendingen en fijnheden1 zoowel door het luisteren naar wat volwassenen zeggen als door zelf te spreken1 erlangt het kind1 zelfs al wordt het zeer ruw opgevoed1 die ontwikkelde rede en verwerft het die konkrete logika1 welke niet in de kennis der logische regelen bestaat1 maar geschikt maakt om ze onmiddellijk en rechtstreeks toe te passen2 zoo leert een mensch van muzikalen aanleg1 zonder het lezen van noten en zonder generaalbas1 door eenvoudig pianospelen op het gehoor1 de regels der harmonie4 ,daardoor1 dat begrippen minder inhoud hebben dan de voorstellingen1 waaruit ze worden geabstraheerd1 zijn ze zoo handig4 ,zij stellen ons in staat1 om juist dat deel der voorstellingen te gebruiken1 dat men op een gegeven oogenblik noodig heeft1 terwijl1 wanneer men zich door de fantasie de volledige voorstellingen moest voor den geest roepen1 men allerlei ballast zou moeten meenemen en gevaar loopen daaronder te bezwijken4 ,juist omdat de taal ons veroorlooft overbodig pak weg te werpen1 zijn wij denkende wezens4 ,dat denken verleent den mensch de bezonnenheid1 welke bij het dier gemist wordt4 ,zij stelt hem in staat duizend dingen door een begrip te omvatten en telkens datgene1 waarop het aankomt1 zich voor den geest te houden1 allerlei verschillen1 ook die van ruimte en tijd1 buiten zijn horizon te bannen1 zich het afwezige1 het verleden1 de toekomst1 voor den geest te stellen1 terwijl het dier in ieder opzicht aan het heden gebonden is4 ,het vermogen om zich te bezinnen1 tot zichzelf te komen1 is de wortel van alle theoretische en praktische verrichtingen1 door welke de mensch het dier overtreft2 zoo is hij in staat onder terugblik op het verleden voor de toekomst te zorgen1 opzettelijk1 volgens een vast plan1 methodisch te handelen1 met velen tot n doel samen te werken1 zich aan orde1 zich aan een wet te onderwerpen1 in een staat te leven4 ,alle denken1 in den ruimen zin des woords1 alle geesteswerkzaamheid1 heeft f woorden1 f fantasiebeelden noodig3 van beiden verstoken heeft het geen steun1 waarop het rust4 ,er zijn waarheden1 die wij ontdekken door reflexie1 dat is door zelfonderzoek4 ,zoo bespeuren wij1 dat we niet in strijd met de wet der contradictie kunnen denken1 want iedere poging daartoe mislukt2 we kunnen het evenmin als onze ledematen tegen de richting der gewrichten in bewegen4 ,voor zulk een proef hebben we voorstellingen1 objekten noodig en enkel door met deze te experimenteeren ontdekken we de wetten van het denken4 ,beproeven we een verandering zonder voorafgaande oorzaak1 of wel een ontstaan1 of vergaan van materie te denken1 dan krijgen we het bewustzijn dat het onmogelijk is2 de wortel dier onmogelijkheid is in ons intellekt2 anders zouden we haar niet op den subjektieven weg kunnen ontdekken2 maar die onmogelijkheid geldt voor objekten2 door met objekten proeven te nemen wordt zij opgespoord4 ,rechtstreeks1 zonder behulp van objekten1 kan het subjekt zich niet leeren kennen4 ,de dieren hebben enkel verstand4 ,de mensch is tevens een redelijk wezen4 ,dat de dieren verstand hebben1 blijkt daaruit1 dat ook zij uit hunne gewaarwordingen door toepassing van de wet der causaliteit tot aanschouwing van voorwerpen in de ruimte opklimmen4 ,maar de mensch1 die in een wereld van begrippen leeft en een sprekend wezen is1 dus tot bezonnenheid en echt menschelijke verrichtingen in staat1 is in het bezit der rede4 ,zoo heeft men te allen tijde tot dusverre de grens getrokken1 maar in den laatsten tijd hebben de philosofieprofessoren goed gevonden om in strijd met het spraakgebruik verstand te noemen wat tot dusverre rede heette en driestweg met den naam van rede een nieuw door hen uitgedacht vermogen aan te duiden1 een vermogen om door een zich openend venster in een bovennatuurlijke wereld te schouwen en zoo waarheden betreffende het zoogenaamd absolute1 betreffende de ,idee in ontvangst te nemen4 ,ook schermen ze dan veel op gemoedelijken en sentimenteelen toon met ideen1 als het goede1 het ware1 het schoone1 welke op de keper beschouwd slechts zeer ruime en hoogst abstrakte1 immers uit een oneindig getal van dingen en betrekkingen afgetrokken1 dus aan inhoud uiterst arme begrippen zijn4 ,kennis kan1 volgens ,schopenhauer1 enkel wat haar vorm betreft1 a priori zijn4 ,daarentegen moet alle inhoud van kennis uit de ervaring zijn geput4 ,vorm van kennis is steeds voorwaarde van kennis1 aan welke het kennend subjekt bij waarneming en denken gebonden is4 ,als de rede een vermogen ware1 berekend om kundigheden1 ook wat haar stof betreft1 te leveren en dus inzichten te geven aangaande wat de mogelijkheid van alle ervaring te boven gaat1 dan moest er over de onderwerpen der metaphysica1 welke dezelfde zijn als die van den godsdienst1 een even groote overeenstemming onder de menschen heerschen1 als over de onderwerpen der mathesis2 het gevolg zou zijn1 dat wanneer iemand er afwijkende inzichten op nahield1 hij als niet recht bij zijn verstand zou worden beschouwd4 ,maar juist het omgekeerde grijpt plaats4 ,sedert de menschen denken1 staan overal de philosofische stelsels ten deele diametraal tegenover elkander2 en sedert de menschen gelooven1 wat van nog ouder datum is1 bestrijden de godsdiensten elkander te vuur en te zwaard met vervloekingen en kerkregels4 ,voor alleen loopende ketters waren er in den tijd van het levende geloof geen krankzinnigenhuizen1 maar kerkers der inquisitie met wat er bij behoort4 ,dus ook hier spreekt de ervaring luide en onloochenbaar tegen het leugenachtig voorwenden van een rede1 die een vermogen tot onmiddellijke metaphysische kundigheden1 of1 duidelijker gezegd1 tot ingevingen uit den hooge ware1 over welke het dus wel tijd is een streng gericht te houden2 het is afschuwelijk welk een lamme leugentaal sedert een halve eeuw in ,duitschland overal wordt gekolporteerd1 jaar in jaar uit van den katheder naar de studentenbanken en dan weder van de banken naar den katheder verhuist2 ja zelfs in ,frankrijk zijn er thans een paar onnoozele bloeden1 die zich het sprookje hebben laten diets maken en het nu onder hunne landgenooten rondventen2 echter zal de bon sens der ,franschen aan de raison transcendentale wel spoedig de deur wijzen4 ,ik moet bekennen1 het is niemand minder dan ,kant1 die met zijn praktische rede en zijn kategorischen imperatief tot al dat gezwets aanleiding heeft gegeven4 ,toen die praktische rede eenmaal was aangenomen1 was er niets meer noodig dan haar een theoretische rede als tweelingzuster toe te voegen1 die eveneens ex tripode bovennatuurlijke waarheden zou verkondigen444 ,het is een vloek1 die ten gevolge van zijn verwantschap met het verkeerde en slechte op het geslacht der tweevoeters drukt1 dat van het werk der groote geesten juist de gebreken het meest bekoren2 zij worden geprezen en bewonderd1 maar het werkelijk groote laat men terzijde liggen4 ,wat diep is in de philosophie van ,kant is slechts aan uiterst weinigen bekend3 zijn geschriften worden enkel ter loops gelezen door lieden1 die meenen1 dat eerst na hem het rechte gekomen is2 aan hun spreken merkt men dadelijk1 dat zij enkel de schaal1 de buitenzijde kennen1 een vagen omtrek ervan mee naar huis hebben genomen1 maar nooit in den diepen zin en den geest zijn doorgedrongen4 ,thans is eindelijk een tijdperk ingetreden1 dat reeds lang voorspeld was geworden2 de kerk wankelt1 wankelt zoo sterk1 dat zich vragen laat of zij ooit haar zwaartepunt zal terugvinden4 ,het getal van hen1 die een zekere graad en omvang van kundigheden ongeschikt maakt om te gelooven1 is bedenkelijk groot geworden4 ,daarvan getuigt de algemeene verbreiding van het platte rationalisme1 dat zijn bulhondentronie steeds breeder maakt4 ,de diepe mysterin van het christendom1 over welke de eeuwen gebroed en gestreden hebben1 worden met een kleermakersel uitgemeten en veroordeeld4 ,het hoofddogma van het christendom1 de leer van de erfzonde1 is bij de rationalistische plathoofden een thema van kinderspot geworden1 want niets schijnt hun klaarder en zekerder1 dan dat het bestaan van ieder met zijn geboorte aanvangt en hij dus onmogelijk met schuld beladen op de wereld kan zijn gekomen4 ,hoe scherpzinnig6--,en gelijk1 wanneer verarming en verwaarloozing gestadig toenemen1 de wolven aanvangen zich in het dorp te vertoonen1 zoo verheft onder deze omstandigheden het steeds op de loer liggende materialisme het hoofd en komt met zijn geleider1 het bestialisme1 aan de hand aanwandelen4 ,met het onvermogen om te gelooven groeit echter de behoefte aan kennis4 ,,fragmenten ,,uit ,,welt ,,als ,,wille ,,und ,,vorstellung0 ,locke zegt3 ,het is duidelijk1 dat de geest de dingen niet rechtstreeks kent1 maar enkel door tusschenkomst van ideen of voorstellingen1 welke de dingen vertegenwoordigen2 bijgevolg is onze kennis slechts in zooverre juist als er overeenkomst bestaat tusschen onze ideen en de voorwerpen1 waarop die ideen betrekking hebben04 ,deze theorie1 volgens welke er bij de waarneming ideen of beelden tusschen ons en de dingen zouden in staan1 leidt tot scepticisme4 ,hoe zullen we onze ideen met hare modellen1 d4i4 met de werkelijkheid zelve1 vergelijken1 indien1 zooals wordt ondersteld1 men tot de werkelijkheid geen anderen toegang heeft dan door middel van idee of beeld8 ,wij willen ons vergewissen of het beeld1 dat wij ons van gindschen boom gevormd hebben1 al dan niet aan den boom beantwoordt2 wat kunnen wij nu volgens ,locke's hypothese anders doen dan naar den boom kijken en ons zoo een nieuw beeld van den boom verwerven1 dat wij met het oude beeld vergelijken8 ,maar zoo blijven wij steeds binnen den kring van beelden of voorstellingen opgesloten4 ,vandaar dat de beroemde ,euler in zijn ,brieven aan een duitsche prinses0 kon schrijven3 ,ik meen dat de gewaarwordingen der zinnen nog iets meer behelzen dan de philosofen zich inbeelden4 ,zij zijn niet maar waarnemingen van zekere in de hersenen gemaakte indrukken4 ,zij geven niet maar aan de ziel ideen van dingen1 doch zij stellen haar tevens werkelijk de dingen voor1 die buiten haar bestaan1 ook al kan men niet begrijpen1 hoe dat eigenlijk in zijn werk gaat04 ,schopenhauer is het met een gedeelte van deze opmerking van ,euler volkomen eens4 ,ook hij is van oordeel1 dat wij de dingen zelve buiten ons waarnemen1 doch1 voegt hij er aan toe3 die dingen zelve zijn onze voorstellingen1 onze ideen4 ,door deze uitspraak doet ,schopenhauer zich als idealist kennen4 ,natuurlijk heeft men bij dit gebruik van het woord niet aan geestdrift voor idealen te denken1 maar enkel aan vereenzelviging van ideen en dingen4 ,de waarneming is volgens ,schopenhauer niet onbegrijpelijk1 daar zij door toepassing van de ons a priori bewuste wet der causaliteit op de gewaarwordingen ontstaat2 zoo besluiten wij1 bij het zien1 van de werking1 de gezichtsgewaarwording1 tot haar oorzaak1 het aanschouwde ding2 maar die overgang van werking tot oorzaak grijpt zoo snel plaats1 dat zij niet in het bewustzijn valt1 en de zinnelijke gewaarwording1 de stof waaruit het aanschouwde ding wordt opgebouwd1 zich niet laat afscheiden van de door het verstand gevormde voorstelling4 ,dat wij den oorsprong onzer zinnelijke gewaarwordingen bij het niet-ik zoeken1 is aan de wet der causaliteit te danken1 die het menschelijk intellekt beheerscht4 ,dat wij het niet-ik als uitgebreid waarnemen1 ligt daaraan1 dat de ruimte een noodzakelijke vorm van ons aanschouwingsvermogen is4 ,doch daar ruimte en causaliteit bij ons behooren1 zijn de dingen1 die wij rechtstreeks waarnemen1 tegelijkertijd slechts onze voorstellingen4 ,de overgang bij de waarneming van de gewaarwording tot haar oorzaak laat zich1 wat haar onmiddellijkheid en bewusteloosheid betreft1 ophelderen door een analoge gebeurtenis1 die bij het afgetrokken voorstellen of denken plaats grijpt4 ,bij het lezen en hooren worden ons enkel woorden verschaft1 maar van deze gaan we zoo onmiddellijk tot de daardoor aangeduide begrippen over1 dat het is1 alsof we rechtstreeks de begrippen ontvingen4 ,vandaar dat we soms niet weten1 in welke taal we gister iets1 dat we ons herinneren1 gelezen hebben4 ,dat de overgang nochtans telkens plaats grijpt1 wordt bespeurd1 wanneer wij eens bij uitzondering1 doordat we verstrooid zijn1 gedachteloos lezen en vervolgens bemerken1 dat wij enkel letters en woorden gezien1 maar niets begrepen hebben4 ,zoo is het in de dagen van het schrikbewind in ,frankrijk gebeurd dat een klerk1 die talrijke doodvonnissen had te kopieeren1 zijn eigen doodvonnis neerschreef1 zonder dat het door hem bemerkt werd4 ,enkel wanneer we van abstrakte begrippen tot beelden der fantasie overgaan1 b4v4 bij de arke ,noachs ons een reusachtig houten gevaarte op de zwarte1 golvende watermassa verbeelden1 komt de omzetting van het woord in wat er door beteekend wordt1 tot ons bewustzijn4 ,de grondfout van alle stelsels is volgens ,schopenhauer miskenning van deze waarheid1 dat het intellekt en de materie korrelata zijn1 d4i4 dat het eene er enkel voor het andere is1 dat beide met elkander staan en vallen1 dat zij elkander afspiegelen1 ja dat zij eigenlijk een en hetzelfde zijn1 van twee tegengestelde zijden beschouwd4 ,laat hier bij voorbaat gezegd worden dat dit ne verschijning is van den wil1 van het ding op zich zelf4 ,intellekt en materie zijn dus geen van beide oorspronkelijk en het is verkeerd om gelijk alle stelsels1 het ,spinozisme uitgezonderd1 deden1 den oorsprong der dingen bij n van beide te zoeken4 ,als de materie er zich op beroemt den oneindigen tijd te doorleven en de oneindige ruimte te vullen1 dan moet haar geantwoord worden1 dat tijd en ruimte enkel in het subjekt1 d4i4 in het intellekt1 voorhanden zijn1 alleen als vormen zijner voorstelling bestaan1 vormen in welke de materie zich vertoont en zonder welke zij er niet zou zijn4 ,kon het intellekt of het subjekt zelf vernietigd worden1 dan zou die vernietiging tevens de materie treffen3 dood treft dan ook enkel het lichaam1 dat gedurende korten tijd drager is van het intellekt en1 gelijk al het overige1 voorwerp van het intellekt4 ,datgene1 wat alles kent en nooit gekend wordt1 is het subjekt4 ,het is onontbeerlijke voorwaarde van al het verschijnende1 van ieder objekt1 want enkel voor het subjekt is er alles wat bestaat4 ,als dat subjekt vindt ieder zichzelf1 echter slechts in zoover als hij kent1 niet in zoover als hij voorwerp van kennis is4 ,voorwerp is reeds het lichaam1 het is een objekt te midden van objekten en aan de wetten der lichamen onderworpen4 ,het bestaat dus gelijk alle objekten der waarneming in de vormen van alle kennis1 in tijd en ruimte1 door welke de veelheid er is4 ,het subjekt echter1 het kennende1 nooit gekende1 bestaat niet in ruimte en tijd1 daar het integendeel door ruimte en tijd ondersteld wordt4 ,van het subjekt kan dus evenmin gezegd worden dat het veelheid als dat het eenheid is4 ,het wordt niet gekend1 omdat het datgene is1 wat alles kent4 ,de wereld als voorstelling bestaat uit twee van elkander onafscheidelijke helften4 ,de eene is het objekt1 welks vorm is3 ruimte en tijd2 aan dien vorm heeft het te danken dat het een veelheid is4 ,de andere helft1 het subjekt1 ligt niet in ruimte of tijd3 zij is geheel en onverdeeld in ieder kennend wezen voorhanden2 dus is een eenig van deze wezens voldoende om met het objekt de wereld als voorstelling kompleet te doen zijn2 daartoe zijn niet de bestaande millioenen noodig2 verdween ten slotte ook dat eenige wezen1 dan zou de wereld als voorstelling er niet meer zijn4 ,deze helften zijn dus voor elkander onmisbaar1 zelfs in de gedachte3 want ieder van beide heeft slechts door en voor de andere beteekenis en aanzijn1 is er met haar en verdwijnt met haar4 ,zij begrenzen elkander onmiddellijk3 waar het objekt aanvangt1 houdt het subjekt op4 ,de gemeenschappelijkheid dier grens toont zich juist daarin1 dat de onontbeerlijke en dus algemeene vormen van alle objekt1 welke tijd1 ruimte en causaliteit zijn1 van het subjekt uit gevonden en volledig gekend kunnen worden of1 om hetzelfde in ,kant's spraakgebruik uit te drukken1 a priori in ons bewustzijn liggen4 ,dit ontdekt te hebben is de zeer groote hoofdverdienste van ,kant4 ,dat de mathematische betrekkingen1 juist zoo als ik ze bij de dingen denk1 in alle mogelijke ervaring steeds moeten voorhanden zijn1 dat er dus1 zooals ,kant het uitdrukt1 synthetische oordeelen a priori mogelijk zijn1 is door dien reus onder de denkers aangetoond en verklaard geworden4 ,aan ieder dringen zich vragen als de volgende op3 wat is tijd8 wat is dat voor een ding1 dat nooit stilstaat1 louter beweging is1 zonder iets dat zich beweegt8 ,en wat is ruimte1 dat alomtegenwoordige niets1 waaruit geen ding kan wegsluipen1 zonder op te houden iets te zijn8 ,kant heeft ontdekt1 dat tijd en ruimte het subjekt aanhangen1 de manier zijn1 waarop alle waarneming van objekten voltrokken wordt1 gelijk reeds daaruit blijkt1 dat men wel alles1 wat in tijd en ruimte voorkomt1 maar niet tijd en ruimte zelve kan wegdenken4 ,zoo kan de hand alles loslaten1 alleen zich zelve niet4 ,intusschen kunnen er nog andere bewijzen dan die door ,kant gegeven werden voor de waarheid van zijne stelling worden aangevoerd4 ,een rechthoekige1 gelijkzijdige driehoek0 behelst geen logische tegenstrijdigheid1 want de prdikaten heffen ieder voor zich het subjekt niet op1 en evenmin zijn zij begripmatig onvereenigbaar4 ,eerst wanneer men een dergelijke figuur in zijn voorstelling tracht te construeeren1 blijkt het dat zij onbestaanbaar is4 ,wilde men om die reden van een tegenstrijdigheid gewagen1 dan zou ook iedere physische onmogelijkheid een kontradiktie moeten heeten1 zelfs al is zij eerst in later tijden ontdekt1 b4v4 dat horens en snijtanden in de bovenkaak niet bij hetzelfde dier kunnen samengaan4 ,alleen de logische onmogelijkheid is een tegenstrijdigheid1 niet de physische en evenmin de mathematische4 ,gelijkzijdig en rechthoekig spreken elkander niet tegen2 in het kwadraat gaan zij gepaard en evenmin is een van beide in strijd met een driehoek4 ,daarom kan de onvereenigbaarheid van die begrippen nooit door het zuivere denken ontdekt worden1 maar zij blijkt eerst bij de aanschouwing1 welke intusschen van dien aard is1 dat er geen ervaring1 geen werkelijk ding voor haar noodig is1 daar de aanschouwing hier een zuiver innerlijke is4 ,tot hetzelfde gebied behoort de stelling van ,giordano ,bruno3 een oneindig groot lichaam is noodwendig onbewegelijk01 want die stelling kan niet op ervaring berusten en evenmin op het axioma der kontradiktie2 hier wordt van een ding gesproken1 dat in geen ervaring kan voorkomen1 terwijl de begrippen oneindig groot0 en bewegelijk0 elkander in het denken niet buitensluiten2 alleen de zuivere aanschouwing doet zien1 dat beweging een ruimte buiten het lichaam vereischt1 terwijl oneindige grootte geen ruimte daarbuiten overlaat4--,wilde men tegen het eerste mathematische voorbeeld aanvoeren1 dat het er van afhangt1 hoe volledig het begrip is1 dat het oordeelend subjekt betreffende een driehoek heeft1 7want1 wanneer er niets aan haperde1 dan zou het ook de onmogelijkheid in zich sluiten1 dat een driehoek rechthoekig en toch gelijkzijdig is71 dan luidt het antwoord3 laat ons stellen dat zijn begrip van een driehoek nog gebrekkig is1 dan kan hij1 zonder de ervaring te hulp te roepen1 door de eenvoudige konstruktie van den driehoek in zijne fantasie1 dat begrip aanvullen en zich voor alle eeuwigheid overtuigen1 dat een rechthoekige1 gelijkzijdige driehoek onmogelijk is2 juist een dergelijke verrichting des geestes brengt een synthetisch oordeel a priori voort1 dat is een zoodanig1 waardoor wij1 zonder alle ervaring en toch met geldigheid voor alle ervaring1 onze begrippen vormen en aanvullen4--,het spreekt wel van zelf1 dat een begrip in het eene hoofd vollediger kan zijn dan in het ander3 het begrip kat0 behelst in het brein van ,cuvier honderdmaal meer dan in dat van zijn bediende4 ,om die reden kunnen dezelfde oordeelen voor den een synthetisch1 voor den ander analytisch zijn4 ,neemt men echter de begrippen objektief en wil men beslissen of een gegeven oordeel analytisch dan wel synthetisch is1 dan vervange men het prdikaat door zijn kontradiktorisch tegendeel en verbinde het1 zonder copula1 met het subjekt3 geeft dat een contradictio in adjecto1 dan was het oordeel analytisch1 zoo niet3 synthetisch4 ,dat de rekenkunde op de zuivere aanschouwing van den tijd berust1 is niet zoo klaarblijkelijk1 als dat de meetkunde in die der ruimte gegrond is4 ,men kan het echter op de volgende manier bewijzen4 ,alle tellen bestaat in het herhaald stellen der eenheid3 enkel om te weten1 hoe dikwijls wij dat reeds gedaan hebben1 duiden wij haar telkens aan met een ander woord3 dit zijn de telwoorden4 ,nu is herhaling slechts mogelijk door opvolging3 deze echter1 dus het na-elkander1 rust onmiddellijk op de aanschouwing van den tijd1 is een begrip dat slechts door tijd verstaanbaar is3 dus is ook het tellen enkel door middel van den tijd mogelijk4 ,dit berusten van alle tellen op den tijd verraadt zich ook daardoor1 dat in alle talen de vermenigvuldiging door maal0 aangeduid wordt1 ergo door een tijdsbegrip3 six fois1 six times1 sexies4 ,nu is echter reeds het eenvoudige tellen een vermenigvuldigen met n1 weshalve in het instituut van ,pestalozzi de kinderen steeds zoo vermenigvuldigen moesten3 #b maal #b is #d maal n4 ,ook ,aristoteles heeft reeds de enge verwantschap van het getal met den tijd bespeurd4 ,de tijd heet bij hem het getal der beweging4 ,diepzinnig werpt hij de vraag op1 of de tijd er zou kunnen zijn1 wanneer er geen ziel ware1 en geeft daarop een ontkennend antwoord4 ,ten onrechte heeft men uit deze redeneering van ,schopenhauer afgeleid dat1 gelijk de geometrie ruimtemeting is1 zoo volgens hem de rekenkunde tijdmeting zou zijn4 ,dat zegt hij niet4 ,ook zou het zeer verkeerd zijn dat te zeggen4 ,men kan niet enkel uren en dagen1 maar ook de verschillende beteekenissen van een woord tellen4 ,tellen kan men overal1 waar te onderscheiden valt4 ,er is geen eenheid1 geen getal1 tenzij in ons denken4 ,eenheid en getal worden geboren door ons letten op wat wij doen1 als wij het een van het ander onderscheiden4 ,toch is de redeneering van ,schopenhauer niet geheel zuiver4 ,want gelijk het tellen1 zoo is ook het meten enkel in den tijd mogelijk4 ,ofschoon de tijd gelijk de ruimte de kenvorm van het subjekt is1 doet hij zich1 ook in dat opzicht aan de ruimte weder gelijk1 voor1 alsof hij onafhankelijk ware van het subjekt4 ,tegen onzen wil of zonder ons weten vliegt of draalt de tijd3 men vraagt hoe laat het is1 men vorscht naar den tijd als naar iets1 dat geheel objektief is4 ,en wat is dat objektieve8 ,niet de beweging der sterren of der uurwijzers1 welke eenvoudig dient om den loop van den tijd daaraan te meten3 dat objektieve is iets1 dat van alle dingen verschilt1 doch1 even als die dingen1 onafhankelijk van ons weten en willen voorhanden is4 ,tijd bestaat slechts in de hoofden der kennende wezens1 maar de gelijkmatigheid van zijn gang en zijn onafhankelijkheid van den wil geeft hem het recht objektief te heeten4 ,de tijd is in de eerste plaats de vorm van den innerlijken zin4 ,bij voorbaat wil ik hier opmerken1 dat het eenig voorwerp van den innerlijken zin de eigen wil van het kennend subjekt is4 ,de tijd is dus de vorm1 door middel van welken de wil1 die oorspronkelijk van alle kennis verstoken is1 tot zelfkennis in staat wordt gesteld4 ,in den tijd doet zich dat eenvoudig en identisch willen voor als tot een levensloop uitgerafeld4 ,juist wegens die oorspronkelijke eenvoudigheid en identiteit van datgene wat z verschijnt1 blijft het karakter steeds hetzelfde1 weshalve ook de levensloop steeds denzelfden grondtoon behoudt1 en de menigvuldige gebeurtenissen en tooneelen1 waaruit hij bestaat1 als variaties op een en hetzelfde thema kunnen worden beschouwd4 ,maine de ,biran zocht den oorsprong van het causaliteitsbegrip in de ervaring1 dat op het wilsbesluit als oorzaak de beweging van het lichaam als werking volgt4 ,wat hier als een empirisch feit wordt vermeld is geen feit4 ,wij bespeuren volstrekt niet1 dat het wilsbesluit om den arm te bewegen en de beweging van den arm zelve twee verschillende gebeurtenissen zijn en dat die twee door den band der causaliteit zijn samengeknoopt4 ,juister schijnt het te zeggen1 dat beide een en hetzelfde zijn1 maar op tweerlei wijze waargenomen3 wat nl4 aan de innerlijke waarneming1 dus aan het zelfbewustzijn1 zich als een werkelijk wilsbesluit aankondigt1 datzelfde doet zich bij de uitwendige aanschouwing1 in welke het lichaam objektief voorhanden is1 onmiddellijk als werkzaamheid des lichaams voor4 ,dat physiologisch de verrichting der zenuw aan die van den spier voorafgaat1 doet hier niets ter zake1 want dat valt niet onder het bereik van het zelfbewustzijn2 ook is er geen sprake van de verhouding tusschen spier en zenuw1 maar van die tusschen wilshandeling en lichamelijke verrichting4 ,deze nu kondigt zich niet als een causaliteitsbetrekking aan1 want tusschen wilshandeling en lichamelijke verrichting grijpt geen opvolging plaats2 zij zijn er tegelijk4 ,wanneer zij zich als oorzaak en werking voordeden1 zou de verbinding ons niet zoo onbegrijpelijk wezen1 als zij inderdaad is3 want wat we uit zijn oorzaak verstaan1 dat verstaan wij1 zooverre er voor ons van verstaan sprake kan zijn4 ,daarentegen is de beweging van onze ledematen krachtens wilsbesluiten een alledaagsch wonder1 dat wij verzuimen op te merken4 ,richten wij er eenmaal de gedachte op1 dan treedt het onbegrijpelijke der zaak levendig voor ons bewustzijn1 juist omdat we hier iets vr ons hebben1 wat we niet als werking van zijn oorzaak verstaan4 ,nooit kon dus deze waarneming1 waarin de voorstelling van causaliteit totaal ontbreekt1 ons die voorstelling verschaffen4 ,niet minder verkeerd is het de wet der causaliteit te willen afleiden uit de empirisch waargenomen inwerking van ons eigen lichaam op andere lichamen4 ,b4v4 met inspanning sluiten we een deur waar de wind op staat1 doch om deur en hand in de ruimte waar te nemen1 is reeds toepassing van de wet der causaliteit noodig4 ,er is een breede kloof tusschen gewaarwording en de aanschouwing van een objektieve wereld2 de eenige brug1 die daarover heenvoert is de wet der causaliteit1 welke voor hare toepassing de beide andere haar verwante vormen1 ruimte en tijd1 onderstelt4 ,of nu de gewaarwording1 van welke wij uitgaan om verder tot waarneming te komen1 door den weerstand geboren wordt1 dien de krachtsuiting onzer spieren ondergaat1 dan wel door een lichtindruk op het netvlies of een geluidsindruk op de gehoorzenuw1 komt hier op hetzelfde neer3 altijd blijft de gewaarwording een gegeven voor het verstand1 dat alleen bij machte is haar als werking van een daarvan verschillende oorzaak op te vatten1 welke het verstand nu als iets uitwendigs aanschouwt door haar te plaatsen in den eveneens vr alle ervaring ons inwonenden vorm der ruimte4 ,zonder die intellektueele verrichting zou nooit uit eenvoudige gewaarwordingen iets geheel anders1 nl4 de aanschouwing van een wereld1 kunnen ontstaan4 ,hoe is het denkbaar1 dat het bij een gewilde beweging zich belemmerd gevoelen1 wat overigens ook bij verlammingen plaats grijpt1 daartoe voldoende zou zijn8 ,er komt nog bij dat1 zal ik beproeven op uitwendige dingen te werken1 deze noodzakelijk vooraf op mij moeten gewerkt hebben1 want anders ontbreken de beweegredenen3 ook om die reden moet dus de opvatting der buitenwereld voorafgaan4 ,volgens de theorie1 die thans bestreden wordt1 zou een schepsel zonder armen en beenen in het geheel niet tot voorstelling van causaliteit1 en dus ook niet tot waarneming der buitenwereld kunnen komen4 ,dat dit echter niet zoo is1 blijkt uit ,frorieps ,notizen0 #ahch ,juli no4 #acc1 waarin uitvoerig bericht wordt gegeven over ,eva ,sauk uit ,esthland1 toen #ad jaar oud1 geheel zonder armen en beenen1 zooals men zien kan op het toegevoegde portret4 ,volgens de mededeelingen der moeder had ,eva zich geestelijk even snel ontwikkeld als hare andere kinderen en was zij spoedig tot een juist oordeel over grootte en afstand der zichtbare voorwerpen gekomen4 ,men moet niet meenen dat oorzaak en gevolg gelijktijdig kunnen zijn4 ,ook dan1 als de opvolging wegens hare groote snelheid niet kan worden waargenomen1 zijn wij er toch van overtuigd1 dat er tijd verstrijkt4 ,wij halen b4v4 de haan van het geweer over en de kogel vliegt onmiddellijk uit den loop2 toch weten wij dat het afdrukken1 het ontvonken1 het voortplanten van het vuur1 de ontploffing en het wegvliegen van den kogel in die bepaalde orde elkander moeten zijn opgevolgd4 ,die opvolging van gebeurtenissen is nog door geen mensch ooit waargenomen1 maar wij weten1 welke van die gebeurtenissen telkens in den tijd aan de andere moet voorafgaan1 dus weten wij ook1 dat er gedurende het verloop der heele reeks een zekere tijd verstrijkt1 ook al is hij zoo kort1 dat hij aan onze waarneming ontsnapt4 ,bijgevolg is ons niet enkel de wet der causaliteit1 maar ook hare betrekking tot den tijd en de noodzakelijkheid der opvolging van oorzaak en werking bij voorbaat bekend4 ,wanneer wij weten1 welke van twee toestanden oorzaak en welke werking is1 dan is ons tevens bekend1 in welke orde zij in den tijd plaats grijpen3 strekt onze wetenschap daarentegen niet zoo ver en is ons enkel bekend1 dat er causaalverband tusschen de twee toestanden is1 dan trachten wij door proeven uit te maken1 hoe de opvolging is en zoo te beslissen1 welke van beide oorzaak en welke werking is4 ,de valschheid der bewering van sommige wijsgeeren1 dat oorzaak en gevolg gelijktijdig zouden zijn1 blijkt ook uit de volgende beschouwing4 ,een onafgebroken keten van oorzaken en werkingen vult den geheelen tijd4 ,ware de keten op zeker tijdstip afgebroken1 dan zou de wereld toen hebben stil gestaan1 of er had1 om haar weer in beweging te brengen1 een werking zonder oorzaak moeten plaats grijpen4 ,ware nu iedere werking met haar oorzaak gelijktijdig1 dan zou iedere werking opgeschoven zijn in den tijd van haar oorzaak1 zoodat een keten van oorzaken en werkingen1 hoevele schakels zij ook mocht tellen1 in het geheel geen tijd zou innemen1 maar alles er op hetzelfde oogenblik zou zijn4 ,zoo schrompelt1 bij de onderstelling dat oorzaak en werking gelijktijdig zijn1 de wereldloop samen tot het feit van n oogenblik4 ,dit bewijs vertoont overeenkomst met de redeneering1 dat ieder blad papier dikte moet hebben1 daar anders het geheele boek zonder dikte zou zijn4 ,aan te geven wanneer de oorzaak ophoudt en de werking aanvangt1 is bijna altoos moeilijk en dikwijls onmogelijk4 ,want de veranderingen of de opvolgende toestanden vormen een continuum1 gelijk de tijd1 welken zij vullen1 en zijn dus1 zooals deze1 in het oneindige deelbaar4 ,maar de orde1 waarin zij elkander afwisselen1 is even noodzakelijk bepaald en onmiskenbaar1 als het feit dat heden enkel op gister en niet rechtstreeks op eergister kon volgen4 ,het realistisch dogmatisme1 het eigenlijke materialisme1 neemt stof1 tijd en ruimte als eenvoudig bestaande aan en miskent de betrekking tot het subjekt1 zonder welke dat alles er niet zou zijn4 ,als leiddraad bezigt het de causaalwet en beschouwt die als behoorende tot een zelfstandige orde der dingen1 terwijl zoo het verstand wordt op zij geschoven1 voor hetwelk alle causaliteit er is4 ,nu spoort het den eenvoudigsten1 zoogenaamd eersten toestand der materie op1 om van daar uit al het overige af te leiden3 van mechanisme tracht het te komen tot chemisme1 tot polariteit1 tot vegetatie1 tot dierlijk leven4 ,gesteld dat dit alles gelukte1 dan zou de laatste schakel der keten gevoel en waarneming zijn1 welke dus eenvoudig als modificaties der stof1 als door causaliteit te voorschijn gebrachte toestanden der stof te voorschijn zouden treden4 ,waren we nu het materialisme met aanschouwelijke voorstellingen tot zoover gevolgd1 dan zouden wij1 op den bergtop aangeland1 plotseling neiging gevoelen om in een ,homerisch gelach uit te barsten1 daar wij als uit een droom ontwakend zouden bespeuren1 dat zijn laatste zoo moeilijk verkregen resultaat1 gevoel en kennis1 reeds bij het allereerste uitgangspunt te gelijk met de materie als onontbeerlijke voorwaarde was ondersteld en wij ons wel hadden ingebeeld aan de materie zonder meer te denken1 maar inderdaad aan niets anders hadden gedacht dan aan het de materie zich voorstellende subjekt1 het haar aanschouwende oog1 de haar betastende hand1 het haar doorgrondende verstand4 ,zoo onthulde zich dan plotseling de enorme logische fout3 de laatste schakel bleek de spijker te zijn1 waaraan reeds de eerste was opgehangen1 zoodat de keten bleek den cirkelvorm te hebben aangenomen4 ,werkelijk gelijkt dan ook de materialist op den baron von ,mnchhausen1 die het paard1 waarop hij zit1 met zijn beenen en zichzelf aan den staart van zijn pruik omhoog wil trekken4 ,de bewering1 dat bewustzijn modificatie van materie zou zijn1 is niet meer waard dan de omgekeerde1 dat materie slechts modificatie van bewustzijn zou zijn4 ,toch is in den grond het doel en het ideaal van alle natuurwetenschap een konsekwent volgehouden materialisme4 ,dat het materialisme een ongerijmdheid is1 kan slechts tot bevestiging van deze waarheid dienen1 dat alle wetenschap nooit een laatste doel kan bereiken1 nooit een genoegzame verklaring kan geven1 dat zij het innerlijk wezen der wereld niet raakt1 nooit verder dan de voorstelling komt en op de keper beschouwd niets anders dan de verhouding van de eene voorstelling tot de andere onthult4 ,geen objekt zonder subjekt1--ziedaar de stelling welke voor eeuwig alle materialisme onmogelijk maakt4 ,zonnen en planeten1 zonder een oog dat ze ziet of een verstand dat ze kent1 laten zich in woorden noemen1 maar niet denken4 ,intusschen dwingt ons het onderzoek der natuur aan te nemen1 dat in den tijd ieder hooger bewerktuigde toestand der materie voorafgegaan is door een lager bestaan1 dat de dieren er vr de menschen zijn geweest1 de visschen vr de zoogdieren1 de planten alweer vroeger1 het onbewerktuigde vr al het bewerktuigde2 dat bij gevolg de oorspronkelijke massa een lange reeks van veranderingen heeft moeten doorloopen1 vr dat het eerste oog zich kon ontsluiten4 ,en toch blijft altoos van dat eerste oog het bestaan van die geheele wereld afhankelijk1 want dat oog was het onontbeerlijke middel om de wereld te kennen en zonder dat oog is zij niet denkbaar1 daar de wereld voorstelling is en als zoodanig het kennend subjekt1 den drager van haar aanzijn1 noodig heeft2 ja1 die lange reeks van eeuwen1 waarin ontelbare veranderingen hebben plaats gegrepen en de materie zich tot steeds hooger gestalte1 ontwikkelde1 totdat eindelijk het eerste kennende dier geboren werd1 die geheele tijd is alleen denkbaar in de identiteit van een bewustzijn1 welks opvolging van voorstellingen die tijd is en zonder hetwelk hij alle beteekenis verliest en volstrekt niets is4 ,zoo zien wij van den eenen kant het bestaan der wereld afhankelijk van het eerste kennende wezen1 aan den anderen kant bespeuren wij dat dit eerste kennende dier afhankelijk moet geweest zijn van een lange daaraan voorafgaande keten van oorzaken en werkingen1 in welke het zelf als een kleine schakel optrad4 ,deze twee elkander weersprekende beschouwingen1 tot ieder van welke wij met dezelfde noodzakelijkheid geleid worden1 zou men een antinomie in ons kenvermogen kunnen noemen1 indien zij niet daarin hare oplossing vond dat1 om in ,kant's taal te spreken1 tijd1 ruimte en causaliteit niet aan het ding op zichzelf toebehooren1 maar alleen aan zijn verschijning1 wier vormen zij zijn2 iets wat in mijne taal aldus luidt1 dat de objektieve wereld1 de wereld als voorstelling1 niet de eenige is1 maar enkel de eene1 om zoo te zeggen uiterlijke zijde1 terwijl de andere zijde het innerlijkst wezen der wereld1 haar kern1 het ding op zichzelf is1 dat wat wij ,wil noemen naar de meest onmiddellijke van zijne openbaringen4 ,de wereld als voorstelling echter1 met welke wij hier alleen te maken hebben1 begint werkelijk1 als het eerste oog haar aanschouwt1 zonder welk medium van kennis zij er niet kan zijn4 ,zonder dat oog1 m4a4w4 buiten de kennis1 was er ook geen vroeger1 geen tijd4 ,toch moet men daaruit niet afleiden1 dat de tijd een begin had1 want alle begin is in den tijd2 daar hij echter de meest algemeene vorm van kenbaarheid is1 naar welken zich alle verschijnselen krachtens de wet der causaliteit voegen1 zoo staat met het eerste kennen ook de tijd met zijn geheele oneindigheid in beide richtingen tegenover het kennende subjekt3 m4a4w4 het verschijnsel1 dat het eerst als aanwezig wordt opgemerkt1 moet dadelijk worden opgevat als in causaalverband staande met en afhankelijk van een reeks van verschijnselen1 die zich tot in het oneindige in het verleden uitstrekt2 dat verleden is hier de voorwaarde van het eerste heden1 zooals omgekeerd dat eerste heden voorwaarde is van het verleden2 beide1 heden en verleden1 zijn van het kennend subjekt afhankelijk en zonder dat subjekt niets2 het ligt aan het subjekt1 dat het eerste heden niet als de aanvang van den tijd1 niet als iets wat geen verleden tot vader heeft1 maar als gevolg van dat verleden zich noodwendig voordoet4 ,wie aan de mythologie hier een beeld wil ontleenen om het te voorschijn treden van den tijd zonder aanvang uit te drukken1 denke aan de geboorte van ,kronos1 den tijd1 den jongsten der ,titanen1 met wien1 daar hij zijn vader ontmande1 de ruwe voortbrengselen van hemel en aarde ophielden om de geslachten der goden en der menschen op het tooneel te doen verschijnen4 ,het is opmerkelijk1 dat ,schopenhauer1 de felle antimaterialist1 telkens spreekt als ware hij zelf een overtuigd materialist4 ,zoo zegt hij op menige plaats1 dat de wereld een hersenphenomeen is4 ,onwillekeurig vraagt men3 wat zijn dan de hersenen zelve1 die een deel der wereld uitmaken8 ,is de wereld misschien phenomeen van een phenomeen1 phenomeen in de tweede macht8 ,dergelijke uitspraken zijn1 naar mijn oordeel1 geen bewijs van gedachteloosheid1 maar een bedenkelijk gevolg van de kunstenaarsbehoefte1 welke ,schopenhauer eigen was1 om alles zoo plastisch mogelijk voor te stellen4 ,opzettelijk trachtte hij den bedriegelijken sluier van afgetrokken begrippen01 welke bij andere denkers subjekt en objekt van elkander scheidt1 in flarden te scheuren4 ,zoo kwam hij er toe te onpas de taal der physiologen te gebruiken en de zuiverheid zoowel van zijn denken als van zijn spreken aan aanschouwelijkheid op te offeren4 ,de soms dwaze formules1 waarin hij zijn gedachten hult1 werden hem door zijn intellektueel temperament aan de hand gedaan1 dat aanschouwing boven afgetrokken1 dorre redeneering verkiest en dat een warm1 zonnig1 kleurrijk1 schitterend woord hooger stelt dan fijne onderscheiding en eerbiediging van de regels der logika1 wanneer deze het gebruik van voor oningewijden moeilijk verstaanbare technische termen1 gelijk men ze in massa in de geschriften van ,kant aantreft1 zouden met zich voeren4 ,in dit verband zij het mij veroorloofd nog een andere opmerking in te vlechten4 ,schopenhauer gebruikt den term objekt in ruimer zin dan bij ,kant en andere denkers gemeenlijk plaats grijpt4 ,onder objekt toch verstaat men bij voorkeur den inhoud van een algemeen geldige1 van een wetenschappelijke voorstelling1 zooals die door een onberispelijk denker1 mits hij over alle ter zake dienende gegevens beschikt1 gevormd wordt2 daarmede erkent men de mogelijkheid1 dat er waarnemingen of voorstellingen zijn1 die enkel subjektieve beteekenis hebben1 die gebrekkig1 onjuist1 valsch moeten heeten4 ,dit onderscheid wordt bedoeld1 als men vraagt1 hoe werkelijkheid en schijn kunnen worden onderscheiden4 ,aan die vraag schenkt ,schopenhauer weinig aandacht4 ,ziehier evenwel de wijze1 waarop een aanverwante vraag door hem wordt beantwoord4 ,wij hebben droomen2 is niet misschien het geheele leven een droom8 ,of meer bepaald3 is er een afdoend kenmerk om droom en werkelijkheid1 om fantasmen en echte objekten te onderscheiden8 ,de bewering1 dat aanschouwing in den droom minder levendig en duidelijk is dan aanschouwing van werkelijkheid1 verdient in het geheel niet in aanmerking te komen2 niemand toch is er ooit in geslaagd deze beide naast elkander te plaatsen en ze dan te vergelijken2 het eenige wat men doen kan is de herinnering van een droom tegenover de aanwezige werkelijkheid te stellen4--,kant lost de vraag aldus op3 ,de onderlinge samenhang der voorstellingen volgens de wet der causaliteit onderscheidt het leven van den droom04--,daarop is te antwoorden dat1 ook in den droom1 alle bizonderheden een voldoenden grond hebben4 ,de samenhang blijkt enkel verbroken1 wanneer leven en droom elkander afwisselen of wanneer men op verschillende droomen let4 ,kant had dus behooren te zeggen3 de lange droom1 die het leven heet1 vertoont een doorgaanden samenhang en staat op zich zelf tegenover de korte droomen1 die er zich inschuiven2 de brug tusschen leven en droomen ontbreekt en daardoor onderscheidt men ze4--,intusschen zou het onderzoek1 of iets gedroomd dan wel geschied is1 met behulp van dit kriterium1 zeer moeilijk en dikwijls in het geheel niet tot het doel geleiden2 immers wij zijn volstrekt niet in staat om tusschen iedere werkelijk doorleefde gebeurtenis en het tegenwoordig oogenblik alle schakels van causaalverband aan te wijzen en zullen ons dus niet wegens dat onvermogen gerechtigd achten om in een bepaald geval te zeggen1 dat wij enkel hebben gedroomd4 ,daarom bedient men zich in het werkelijke leven niet van dien toetssteen4 ,het eenig afdoende kenmerk om droom en werkelijkheid te onderscheiden is inderdaad geen ander dan het zuiver empirische ontwaken1 waardoor de causaalband tusschen de gedroomde gebeurtenissen en de feiten van het wakende leven nadrukkelijk en voelbaar wordt verscheurd4 ,een voortreffelijk bewijs hiervoor is de opmerking1 die ,hobbes in zijn ,leviathan hoofdst4 ,,ii ten beste geeft3 dat wij n4l4 droomen dan licht in later tijd voor werkelijkheid houden1 wanneer wij zonder opzet over dag niet ontkleed geslapen hebben4 ,vooral echter1 wanneer daar nog bijkomt1 dat een onderneming of een plan al onze gedachten in beslag neemt en ons in den droom evenzeer als gedurende het waken bezig houdt3 in zulke gevallen wordt het ontwaken schier even weinig als het inslapen opgemerkt2 de droom vloeit met de werkelijkheid samen en wordt met haar vereenzelvigd4 ,hier blijft er inderdaad niets anders over dan den door ,kant aangegeven toetssteen te gebruiken3 wanneer nu echter naderhand1 zooals dikwijls het geval is1 er niet meer is op te sporen of de causaalband met het heden aanwezig is dan wel ontbreekt1 dan moet het onbeslist blijven of een gebeurtenis gedroomd dan wel geschied is4 ,zoo treedt de nauwe verwantschap tusschen leven en droom zonneklaar ons te gemoet4 ,inderdaad is op die verwantschap door vele groote geesten dan ook met nadruk gewezen4 ,de ,veden en ,purana's vergelijken telkens onze kennis der werkelijkheid1 welke zij het weefsel van ,maja noemen1 met den droom4 ,plato zegt herhaaldelijk1 dat de menschen slechts in een droom leven en alleen de philosoof er naar streeft om wakker te zijn4 ,pindarus noemt den mensch den droom van een schaduw4 ,sophocles zegt3 ik zie dat wij1 die leven1 enkel beelden en zwevende schaduwen zijn2 terwijl wij bij ,shakespeare lezen3 wij zijn van de stof waaruit droomen worden geweven1 en ons kortstondig leven wordt door slaap omlijst4 ,na deze dichterlijke citaten zij het ook mij vergund mijn bedoeling door een vergelijking duidelijk te maken4 ,het leven en de droomen zijn bladen van hetzelfde boek4 ,geregeld doorlezen heet3 het werkelijk leven4 ,wanneer echter de leestijd door het aanbreken van den nacht ten einde is en het uur van rusten slaat1 dan bladeren wij nog slaperig in ons boek en zonder orde lezen wij nu eens hier1 dan weer daar2 dikwijls is het een blad1 dat we reeds kenden1 dikwijls een1 dat we nog niet kenden1 maar altoos is het uit hetzelfde boek4 ,bij een afzonderlijk gelezen blad ontbreekt de samenhang met vroeger en later1 dien het geregeld doorlezen doet bespeuren1 maar daarom staat het nog niet zoozeer bij dit laatste ten achter1 want ook het boek in zijn geheel vangt plotseling zonder voorbericht aan en het eindigt eveneens midden in een volzin1 zoodat het heel goed als een zeer groot ergens uitgescheurd blad kan worden beschouwd4 ,volgens ,schopenhauer geven de zinnen enkel gewaarwordingen1 welke nog op lange na geen aanschouwingen zijn2 immers voor deze is toepassing der causaalwet noodig1 die de eenige functie van het verstand bij hem heet4 ,om die reden noemt hij de aanschouwing of waarneming der wereld intellektueel en kent hij aan alle dieren verstand toe1 maar onderscheidt tevens verschillende graden van verstand4 ,het kennen1 zegt hij1 en het daarmee gepaard gaande handelen volgens beweegredenen is het1 wat het dier een dier doet zijn1 terwijl de beweging op prikkels het wezen van de plant uitmaakt en de beweging van het onbewerktuigde enkel van mechanische oorzaken afhangt1 waarbij actie en reactie aan elkander gelijk zijn4 ,het verstand is bij alle dieren en alle menschen hetzelfde4 ,het heeft slechts n verrichting3 van werking tot oorzaak en van oorzaak tot werking over te gaan en geen andere dan die4 ,maar zijn scherpte en de uitgebreidheid van de sfeer1 waarbinnen het zich doet gelden1 zijn zeer verschillend en doen niet alleen de menschen1 maar ook de onderscheiden soorten van dieren1 op lager of hooger trap van verstand staan4 ,waar het verstand zeer gebrekkig is1 gewagen wij van domheid1 bij mensch en dier beiden4 ,zoo spreken wij van domme ganzen en domme kippen1 omdat zij zich zoo licht laten overrijden1 schoon beide soorten verstand genoeg hebben om voedsel op te sporen en weg te pikken4 ,domheid is traagheid of onvermogen in het opvatten van rechtstreeksch1 aanschouwelijk causaalverband4 ,het tegendeel is schranderheid1 zooals ze bij den olifant werd opgemerkt die1 nadat hij op zijn reis door ,europa reeds over vele bruggen was gegaan1 weigerde een nieuwen brug te betreden1 daar deze hem voor zijn gewicht te licht gebouwd voorkwam4 ,aan den anderen kant verwondert men zich dat een zoo slim dier als de orang-outang het vuur1 waaraan hij zich warmt1 niet door toevoeging van brandstof weet te onderhouden2 men mag dit als een bewijs beschouwen1 dat voor zoodanig inzicht als hiertoe vereischt wordt begrippen noodig zijn4 ,het verstand bespeurt n4l4 volgens ,schopenhauer slechts ne betrekking1 die tusschen oorzaken en werkingen1 doch1 als het aan zich zelf wordt overgelaten en niet1 gelijk bij den mensch1 door het gebruik der rede versterkt wordt1 ontdekt het die betrekking slechts in zooverre als zij konkreet1 rechtstreeks waarneembaar is4 ,denk aan den hond1 die den stok op zijn rug voelt neerkomen en daarvan pijn ondervindt4 ,voortaan vlucht hij1 zoodra de stok wordt opgeheven4 ,de rede1 het vermogen om begrippen1 d4i4 algemeene voorstellingen te vormen1 is volgens ,schopenhauer het eigenaardige van den mensch1 waardoor hij zich van het dier1 slaaf van het oogenblik1 onderscheidt4 ,het gebruik der rede treedt het helderst aan den dag1 waar het bizondere door het algemeene1 het enkele geval door den regel1 deze door een nog algemeener regel verklaard wordt en zoo steeds ruimer gezichtspunten verworven worden3 door zulk een overzicht ziet men zich in staat gesteld beter te onthouden wat men weet1 en krijgt de kennis een graad van volkomenheid1 welke anders onbereikbaar zou zijn4 ,even groot als de overgang is van het onmiddellijk licht der zon tot den geborgden weerschijn van de maan1 is die van de aanschouwelijke1 rechtstreeksche1 haar waarborg van juistheid met zich voerende waarneming of oorspronkelijke voorstelling tot de afgeleide1 abstrakte voorstellingen der rede1 die wij begrippen noemen en die haar waarde en inhoud enkel aan die aanschouwelijke kennis ontleenen4 ,zoolang wij in een staat van zuivere aanschouwing verkeeren1 is alles klaar1 vast en zeker4 ,voor vragen1 twijfelingen1 dwaling is hier geen ruimte2 men wil niet verder1 kan niet verder1 vindt rust in de aanschouwing1 bevrediging in het heden4 ,de aanschouwing is zich zelve genoeg2 vandaar dat wat enkel uit haar is voortgekomen en haar is trouw gebleven1 gelijk het echte kunstwerk1 nooit valsch zijn noch te eeniger tijd wederlegd kan worden2 immers het behelst geen meening1 maar geeft de zaak zelve4 ,doch met de begripmatige kennis1 met de rede1 treedt op theoretisch gebied twijfel en dwaling1 op praktisch gebied zorg en berouw ons tegemoet4--,hier is een nieuw bewustzijn1 dat zeer treffend en volgens een juist gebruik der taal reflexie wordt genoemd4 ,want het is inderdaad een weerschijn1 iets dat van aanschouwelijke kennis is afgeleid1 maar een geheel anderen aard vertoont4 ,het kent de vormen der aanschouwelijke kennis niet en het beginsel van den voldoenden grond1 dat als causaalwet over alles wat objekt is heerscht1 neemt hier een geheel andere gestalte aan1 die van kengrond4 ,dit nieuwe hooger bewustzijn1 die afgeleide weerspiegeling van al het intutieve in de niet-aanschouwelijke begrippen der rede bezorgt den mensch hooger macht en tevens dieper lijden dan voor zijn onredelijke medeschepselen bereikbaar is1 want daardoor leeft hij in toekomst en verleden1 daardoor houdt hij op geheel een prooi van den oogenblikkelijken indruk te zijn1 en laat hij zich leiden door andere motieven dan die rechtstreeks aan het aanschouwelijke zijn ontleend4 ,daardoor maakt hij plannen en voert ze uit of wel handelt volgens stelregels1 zonder acht te geven op wat toevallig het heden brengt4 ,hij kan met gelatenheid maatregelen tot zijn eigen dood nemen1 zich anders voordoen dan hij is1 een geheim mede in het graf nemen2 hij heeft de keus tusschen verschillende beweegredenen1 want slechts in abstracto1 als begrippen1 kunnen deze naast elkander in het bewustzijn bestaan en zoo het inzicht verschaffen dat zij elkander buitensluiten2 nu kunnen ze hun macht over den wil tegen elkander afmeten1 zoodat de uitslag van wikken en wegen1 van langdurig overleggen afhangt4 ,de oogenblikkelijke indruk daarentegen beheerscht het dier2 alleen de vrees voor onmiddellijke straf kan zijn begeerte in toom houden1 totdat die vrees eindelijk gewoonte is geworden en als zoodanig het dier onafgebroken beheerscht3 dat is dressuur4 ,het dier gevoelt en aanschouwt2 de mensch denkt daarenboven en weet2 beiden willen4 ,het dier deelt zijn gevoel en zijn stemming door gebaren en klanken mede1 de mensch openbaart zijn gedachten door de taal1 of verbergt zijn gedachten1 weder door de taal4 ,taal is het eerste voortbrengsel en het onontbeerlijke werktuig der rede4 ,vandaar dat bij vele volken rede en taal door n en hetzelfde woord worden aangeduid4 ,taal kan als een uitmuntende telegraaf worden beschouwd1 die willekeurige teekens met groote snelheid en fijne schakeering overbrengt4 ,wat beduiden echter die teekens8 ,hoe worden ze uitgelegd8 ,vertolken wij misschien1 wanneer iemand tot ons spreekt1 de door hem gebezigde taal in beelden der fantasie1 die bliksemsnel aan ons voorbijvliegen1 zich aaneenschakelen1 zich omvormen en uitgewerkt worden1 al naar gelang de voorbijstroomende woorden en hunne grammatikale buigingen het meebrengen8 ,welk een tumult zou er dan in ons brein plaats grijpen bij het aanhooren van een rede of bij het lezen van een boek6 ,neen1 de zin der rede wordt onmiddellijk vernomen1 nauwkeurig en bepaald opgevat1 zonder dat anders dan bij uitzondering beelden voor ons geestesoog opduiken4 ,het is de rede1 die rechtstreeks tot de rede spreekt en binnen de grenzen van haar gebied blijft1 want wat er meegedeeld en wat er ontvangen wordt zijn begrippen1 niet-aanschouwelijke voorstellingen1 die1 eens voor altijd gevormd1 en1 ofschoon betrekkelijk gering in aantal1 de ontelbare objekten der werkelijke wereld omvatten en vertegenwoordigen4 ,hieruit alleen is het verklaarbaar1 dat geen dier spreken en verstaan kan1 ook al beschikt het over spraakwerktuigen en al heeft het aanschouwelijke voorstellingen met ons gemeen3 juist omdat de woorden die geheel eigenaardige klasse van voorstellingen beteekenen1 wier subjektief korrelaat de rede is1 zijn zij voor het dier zonder zin en beteekenis4 ,de bron van de taal1 gelijk van alles wat wij op rekening der rede stellen1 is uitsluitend te zoeken bij de begrippen1 bij niet-aanschouwelijke1 algemeene1 niet aan tijd en ruimte gebonden1 niet-individueele voorstellingen4 ,de geheele wereld der begrippen vindt haar kengrond in de wereld der aanschouwing4 ,daarom is dit het onderscheid tusschen de abstrakte of afgetrokken voorstellingen en de concrete of aanschouwelijke1 dat bij de laatste het beginsel van den voldoenden grond altijd enkel een betrekking tot een voorstelling van dezelfde klasse vereischt1 terwijl bij de eerste er ten slotte een betrekking tot een voorstelling uit een andere klasse moet bestaan4 ,natuurlijk zijn niet alle begrippen even abstrakt4 ,in den hoogsten graad komt die eigenschap toe aan begrippen als deugd1 onderzoek1 aanvang2 in veel geringer graad aan begrippen als mensch1 steen1 paard4 ,het onderscheid is1 dat de laatsten hun grond rechtstreeks in de aanschouwelijke wereld vinden1 terwijl de kengrond der eersten zelf reeds tot de wereld der begrippen behoort4 ,er zijn begrippen1 door welke n enkel werkelijk voorwerp wordt gedacht en die nochtans abstrakt en algemeen zijn1 daar zij werkelijk begrippen zijn en volstrekt niet op den naam van aanschouwelijke voorstellingen kunnen aanspraak maken3 van dien aard is b4v4 het begrip1 dat iemand van een bepaalde stad heeft1 welke hij enkel uit de geografie kent3 slechts die ne stad wordt door dat begrip gedacht1 maar toch is het mogelijk1 dat er verschillende andere steden zijn1 voor welke hetzelfde begrip zou passen4 ,dus heeft een begrip niet drdoor algemeenheid1 dat het aan een groep van voorwerpen werd ontleend1 maar omgekeerd1 omdat algemeenheid1 niet individueele bepaaldheid1 aan het begrip als gewrocht der rede eigen is1 kunnen verschillende dingen door hetzelfde begrip gedacht worden4 ,uit het gezegde blijkt1 dat ieder begrip1 juist omdat het een niet volledig bepaalde1 niet-aanschouwelijke voorstelling is1 een omvang of een sfeer heeft1 waar binnen het kan worden toegepast4 ,door ,euler is de gewoonte ingevoerd om die sferen als kringen af te beelden4 ,nu bevinden wij1 dat de kring van ieder begrip met kringen van andere begrippen ten deele samenvalt1 dat dus in die begrippen ten deele hetzelfde gedacht wordt1 terwijl1 wanneer twee begrippen werkelijk verschillende begrippen zijn1 ten minste n van die twee iets behelst1 dat het andere begrip niet in zich sluit3 men denke aan de verhouding tusschen begrippen als dier en paard of als bloem en rood4 ,verhoudingen tusschen begrippen aanwijzen1 m4a4w4 aan subjekten prdikaten toekennen1 dat is het wat men oordeelen noemt3 het paard is een dier1 sommige roode dingen zijn bloemen4 ,praktisch gebruik van de logika willen maken zou hetzelfde zijn als datgene wat ons in bizondere gevallen onmiddellijk volkomen zeker is met ontzaggelijke moeite uit regels te willen afleiden4 ,wie de logika bestudeert om er nut van te trekken1 gelijkt op den mensch1 die een bever tot het bouwen van zijn huis zou willen africhten4 ,de rede is vrouwelijk1 zij kan slechts geven nadat zij ontvangen heeft4 ,uit zich zelve heeft zij niets behalve de vormen harer werkzaamheid4 ,die vormen heeten3 beginselen der identiteit1 der kontradiktie1 van het buitengesloten derde en van den voldoenden kengrond4 ,wanneer men nu vraagt1 hoe zekerheid te erlangen is1 hoe oordeelen te rechtvaardigen zijn1 wat het is dat het weten tot een weten maakt1 dan beduidt die vraag1 dat er een voldoende kengrond wordt geischt4 ,zoo heeft de mathesis haar voldoenden kengrond in de onafhankelijk van alle ervaring ons bewuste ruimteverhoudingen4 ,in zoover wij vr alle ervaring over den loop der natuur kunnen oordeelen1 vindt dat weten zijn voldoenden kengrond in de a priori ons bewuste wet der causaliteit4 ,waar het weten niet a priori is1 moet het gerechtvaardigd worden door de ervaring4 ,alleen de begripmatige kennis is weten en daarom kunnen wij op de keper beschouwd niet zeggen1 dat de dieren iets weten1 al hebben ze aanschouwelijke kennis1 zelfs herinnering en om die reden ook fantasie1 zooals hun droomen aantoont4 ,de abstrakte kennis vindt haar grootste waarde daarin1 dat zij voor mededeeling vatbaar is en met behulp van woorden gemakkelijk in den geest vastgespijkerd kan worden2 om die twee redenen heeft zij voor de praktijk een zoo groote beteekenis4 ,het is mogelijk1 dat iemand van den samenhang van veranderingen en bewegingen een rechtstreeksch aanschouwelijke kennis heeft en daarin volle bevrediging vindt2 voor mededeeling wordt die kennis eerst dan geschikt1 wanneer ze in begrippen is vastgelegd4 ,zelfs uit een praktisch oogpunt is aanschouwelijke kennis voldoende1 zoolang hij1 die haar bezit1 geen vreemde hulp noodig heeft en de voorgenomen handeling geheel voor eigen rekening kan nemen2 maar dat wordt anders1 zoodra er een wloverlegd plan noodig is1 en de uitvoering over verschillende tijden moet worden verdeeld4 ,een geoefend biljartspeler kan een aanschouwelijke kennis van de wetten van den stoot van elastische lichamen op elkander hebben en bij het spel komt hij met die kennis volkomen uit2 daarentegen kan enkel van een weten van die wetten gesproken worden1 waar de kennis in abstracto bestaat4 ,zelfs voor de samenstelling van werktuigen is zuiver aanschouwelijke1 zoogenaamd intutieve kennis voldoende1 zooals men bij talentvolle handwerkslieden bespeuren kan1 die zonder wetenschap en zonder hulp van anderen iets nieuws uitvinden4 ,zoodra daarentegen vele menschen en eene samengestelde1 over verschillende tijdstippen verdeelde werkzaamheid voor de uitvoering b4v4 van een bouwwerk noodig zijn1 moet hij1 die het werk leidt1 het plan in abstracto ontwerpen en dus zijn rede gebruiken4 ,merkwaardig is het1 dat bij die eerste soort van werkzaamheid1 waar iemand alleen1 in een onafgebroken handeling iets uitvoert1 het weten1 het gebruik der rede1 de reflexie juist een hinderpaal kan zijn2 zoo bij het biljartspel1 bij het vechten1 bij het stemmen van een instrument1 bij het zingen3 hier moet de aanschouwelijke kennis het werk rechtstreeks leiden2 het nadenken geeft onzekerheid1 daar het de opmerkzaamheid verdeelt en dus den menschen in verwarring brengt4 ,daarom voeren wilde en ruwe menschen1 die zeer weinig gewoon zijn te denken1 vele lichaamsoefeningen1 den strijd met dieren1 het treffen met den pijl enz4 met een zekerheid en een snelheid uit1 welke de nadenkende ,europeaan nooit bereikt1 juist omdat zijn overleggen hem doet aarzelen2 hij zoekt de rechte plaats of wel het juiste tijdstip uit den gelijken afstand tot twee onjuiste uitersten te bepalen2 de natuurmensch treft onmiddellijk zijn doel1 zonder op verkeerde wegen te letten4 ,zoo helpt het mij niet1 of ik den hoek1 waarin ik het scheermes heb aan te zetten1 in graden en minuten weet aan te geven2 waar het op aankomt is1 dat ik den juisten greep heb1 dat mijn kennis intutief is4 ,op gelijke wijze storend is het gebruik der rede bij het ontcijferen van gelaatstrekken2 de uitdrukking1 de beteekenis der physionomie laat zich1 zoo zegt men1 enkel gevoelen1 d4i4 zij laat zich niet onder begrippen brengen4 ,hier zijn de schakeeringen zelfs zoo fijn1 dat het begrip ze niet bereiken kan4 ,gelijk bij een mozaek de scheidingen tusschen de steentjes steeds overblijven en er dus geen onafgebroken overgang van den eenen tint tot den anderen mogelijk is1 zoo zijn ook de begrippen1 door hun starheid en scherpe begrenzing1 hoe haarfijn men ze ook splitsen moge1 niet in staat de nog fijner schakeeringen van het intutieve te bereiken1 op welke het1 zooals bij het lezen van gelaatstrekken1 juist aankomt4 ,begripmatige kennis en rechtstreeksche aanschouwing dekken elkander nooit geheel4 ,de eerste staat tot de tweede als een mozaek tot een schilderij4 ,alle waarheid en alle wijsheid moeten ten slotte op aanschouwing berusten4 ,deze alleen is kennis uit de eerste hand en de begripmatige kennis is slechts haar schaduw4 ,toch kunnen wij het niet zonder begrippen stellen1 daar aanschouwingen zich niet laten vasthouden en evenmin mededeelen4 ,intusschen is dikwijls opgemerkt1 dat in het werkelijke leven de geleerde1 ondanks zijn rijkdom aan begripmatige kundigheden1 het moet afleggen tegenover den man van de wereld1 daar deze meer intutieve kennis bezit1 tengevolge van oorspronkelijken aanleg en rijke ervaring4 ,de verhouding tusschen beide soorten van kennis is dezelfde als die tusschen papiergeld en klinkende munt2 nu eens verdient het eene1 dan weer het andere de voorkeur4 ,gelijk echter een bank1 die papiergeld uitgeeft1 om soliede te zijn1 kontanten in kas moet hebben1 ten einde zoo noodig de banknoten te kunnen inwisselen1 zoo zorge men er voor1 dat men zijne begrippen ten slotte steeds door aanschouwingen kan rechtvaardigen4 ,waar dat niet het geval is1 teert men enkel op woorden4 ,de ware levenswijsheid1 de juiste blik en het treffende oordeel zijn gevolg van de wijze1 waarop de mensch de aanschouwelijke wereld opvat1 niet van zijn weten1 niet van zijn afgetrokken begrippen4 ,wijs is hij1 die scherp en juist het aanschouwelijke in zich opneemt4 ,een enkel geval uit eigen ervaring leert dien wijze meer dan de geleerde weet door middel van duizend gevallen1 over welke hij gehoord of gelezen heeft4 ,dat ne geval dat hij zelf gezien heeft1 vertegenwoordigt voor hem talrijke andere4 ,onder alle standen vinden wij menschen met een groot intellekt en zonder eenige geleerdheid4 ,gelijk het gehalte van alle wetenschap niet in de bewijzen en evenmin in het bewezene bestaat1 maar in het onbewezene1 waarop de bewijzen steunen en dat aanschouwelijk wordt opgevat1 zoo bestaat ook het fonds van alle wijsheid en werkelijk inzicht niet in begrippen en abstrakt weten1 maar in de levendigheid van juiste aanschouwing4 ,zooals alleen de mensch een redelijk wezen is1 zoo kan ook hij alleen lachen4 ,en de aanleiding tot dat lachen is steeds1 dat een begrip niet past bij de dingen der werkelijkheid1 welke er in zeker opzicht door gedacht worden4 ,het lachen zelf is het bewijs1 dat men die ongepastheid bespeurt4 ,er zijn twee soorten van het lachwekkende2 bij de eene soort gaan aanschouwelijke1 zeer verschillende dingen vooraf1 welke willekeurig onder n en hetzelfde begrip worden thuis gebracht3 in dat geval spreekt men van geestige zetten4 ,bij de tweede soort gaat men van een begrip uit en past dat toe op dingen1 die in den grond zeer onderscheiden zijn1 maar nochtans onder dat ne begrip kunnen worden samengevat2 wanneer nu die dingen als gelijk aangezien en behandeld worden1 dan treedt tot verbazing van den handelenden persoon het groote verschil ten slotte te voorschijn2 in dat geval is het lachwekkende een dwaasheid4 ,laat ons een paar voorbeelden van geestigheid geven4 ,men kent de anekdote van den ,gaskonjer1 om wien de koning lachte1 wijl hij bij strenge winterkoude in lichte zomerkleeding verscheen en die daarop zeide3 als ,uwe ,majesteit droeg1 wat ik heb aangetrokken1 dan zou ,u het zeer warm hebben04 ,op de vraag3 wat hebt ge dan aangetrokken80 luidde het antwoord3 mijn geheele garderobe06 ,onder dat laatste begrip laat zich zoowel de onuitputtelijke kleederenschat van den koning als het eenige zomerrokje van een armen duivel denken4--,het grafschrift van een geneesheer3 hier ligt hij als een held en de door hem verslagenen liggen om hem heen04 ,onder het voor den held eervolle begrip van te liggen te midden der door hem gedoode vijanden1 wordt de arts opgenomen1 wiens taak het is het leven te redden4--,toen op het ,berlijnsch theater alle improvisatie juist streng verboden was en een schouwspeler te paard op het tooneel moest verschijnen1 liet dat dier1 terwijl het voor het publiek stond1 iets vallen1 waardoor de menschen reeds aan het lachen geraakten1 maar het werd schateren1 daar de man tot zijn paard zeide3 wat doe je nu8 ,weet je niet dat alle improvisatie hier verboden is80--,het theaterpubliek te ,parijs verlangde1 dat de ,marseillaise zou worden gespeeld en begon te tieren en te razen1 toen dat niet geschiedde4 ,eindelijk verscheen een commissaris van politie in uniform op het tooneel en verklaarde dat enkel wat op de programma's stond mocht worden verlangd1 waarop een stem riep3 en gij1 mijnheer1 staat gij dan op het programma80 welke inval uitbundig gejuich verwekte4 ,en nu de tweede soort van het lachwekkende4 ,iemand zegt dat hij graag alleen wandelen gaat2 een aanwezige antwoordt3 ik verkeer in hetzelfde geval1 ik ga met u60 ,hij gaat uit van het begrip dat een genoegen1 dat twee personen gemeen hebben1 ook gemeenschappelijk kan genoten worden1 en brengt nu onder dat begrip het geval1 dat juist de gemeenschap buitensluit4--,een knecht bespeurt1 dat het zeehondenvel aan de koffer van zijn meester is afgeschaafd en smeert het met macasserolie in1 omdat hij gehoord heeft1 dat die olie haren doet aangroeien4--,de soldaten in een wachthuis veroorloven aan een arrestant1 dien ze juist hebben binnengebracht1 met hen kaart te spelen4 ,daar de kerel valsch speelt1 gooien ze hem de deur uit1 waarbij zij zich laten leiden door het algemeene begrip1 dat slechte gezellen worden op straat gezet1 maar ze vergeten1 dat de man tevens hun arrestant is1 dus iemand die moet worden vastgehouden4 ,vanwaar nu gelach in zulke gevallen8 ,aanschouwing is de oorspronkelijke1 van de dierlijke natuur onafscheidelijke wijze van kennen2 door haar is iets aanwezig2 ook kost aanschouwing geen moeite4 ,van denken geldt het tegendeel2 het is kennis uit de tweede hand1 gaat steeds met eenige1 vaak met aanzienlijke inspanning gepaard2 de begrippen1 waarin wij denken1 verzetten zich dikwijls tegen de bevrediging van onze wenschen1 daar zij1 als vertegenwoordigers van het verleden1 de toekomst en den levensernst1 ons doen vreezen1 berouwen1 onder zorgen gebukt gaan4 ,van deze strenge1 onvermoeide1 bij uitstek lastige tuchtmeesteres1 de rede1 soms te bespeuren1 dat zij den verkeerden kant uitwijst1 moet tot vroolijkheid stemmen4 ,vandaar het lachen1 als het niet-gelijksoortige1 onjuist1 onder n begrip wordt saamgevat4 ,het opzettelijk lachwekkende heet scherts1 waaraan ernst als zijn tegendeel over staat4 ,verbergt zich de scherts achter den ernst1 dan ontstaat de ironie1 waarin ,socrates tegenover de sophisten zich een onovertroffen meester toonde3 met voorgewenden ernst ging hij op hun meeningen in en veinsde ze te aanvaarden1 totdat er eindelijk een resultaat te voorschijn kwam1 dat verbijsterend was en het tegendeel van wat verwacht werd4--,van humor spreekt men1 wanneer ernst achter schuil gaat4 ,verklaringen als3 humor is wederzijdsche doordringing van het eindige en het oneindige0 toonen enkel het volslagen onvermogen om te denken bij hen1 die in zoodanig woordgerinkel behagen scheppen4--,ironie is objektief1 op anderen berekend2 humor daarentegen subjektief1 legt het eigen innerlijk bloot1 berust op een ernstige1 verheven stemming1 welke onwillekeurig in strijd geraakt met een haar niet verwante alledaagsche buitenwereld1 die men niet uit den weg kan gaan1 terwijl men nochtans gaarne zichzelf wil blijven4 ,dan zoekt men den strijd tusschen eigen beschouwing en buitenwereld te vereffenen door begrippen1 welke de incongruentie tusschen stemming en werkelijkheid nochtans niet bemantelen kunnen4 ,zoo zegt b4v4 ,polonius3 ,edele ,heer1 ik wil eerbiedig afscheid van u nemen04 ,hamlet antwoordt3 ,ge kunt niets van mij nemen1 wat ik met grooter bereidwilligheid afsta1--uitgezonderd mijn leven1 mijn leven1 mijn leven04--,als werkelijk humorist doet zich ,heinrich ,heine in zijn ,romancero kennen2 achter al zijn grappen bemerken wij een diepen ernst1 die er zich voor schaamt ongesluierd te voorschijn te treden4 ,er wordt een goed oordeel vereischt om het aanschouwelijk gekende in passende begrippen voor het nadenken vast te leggen1 zoodat eenerzijds het gemeenschappelijke van vele dingen in n begrip1 anderzijds hun verschilpunten in even zoovele begrippen uitdrukking vinden4 ,wie hierin totaal te kort schiet1 heet onnoozel4 ,de zoodanige miskent nu eens de betreffelijke verscheidenheid van wat in n opzicht identisch is1 dan weder de gelijkheid van het ten deele verschillende4 ,nog n opmerking aangaande de verhouding tusschen aanschouwelijke en begripmatige kennis4 ,daar alle bewijzen gevolgtrekkingen zijn1 is voor een nieuwe waarheid niet in de eerste plaats bewijs1 maar rechtstreeksche evidentie te zoeken2 slechts zoolang die nog ontbreekt1 moet het bewijs voorloopig dienst doen4 ,ten volle bewijsbaar kan geen enkele wetenschap zijn2 evenmin als een huis in de lucht kan staan3 alle bewijzen moeten terugslaan op iets aanschouwelijks1 dat dus niet meer bewijsbaar is4 ,de geheele wereld der reflexie berust op en wortelt in de aanschouwelijke wereld4 ,alle laatste1 d4i4 oorspronkelijke evidentie is aanschouwelijk2 dit duidt het woord reeds aan4 ,derhalve is zij f empirisch f op de intutie der voorwaarden van mogelijke ervaring gegrondvest4 ,ieder begrip ontleent zijn waarde1 ofschoon misschien langs een grooten omweg1 aan aanschouwelijke voorstelling3 wat van de begrippen geldt1 geldt ook van de daaruit samengestelde oordeelen en van de wetenschap in haar geheel4 ,daarom moet het op de een of andere wijze mogelijk zijn iedere waarheid1 die1 door gevolgtrekkingen gestaafd en door bewijzen voortgeplant wordt1 ook zonder redeneeringen rechtstreeks te ontdekken4 ,het moeilijkst zal dat zeker zijn bij vele gecompliceerde1 mathematische stellingen1 tot welke wij alleen door ketens van sluitredenen komen4 ,bij een meetkunstig betoog krijgt men wel de overtuiging dat de bewezen stelling waar is1 maar het rechte inzicht ontbreekt1 waarom de stelling waar is4 ,het is omdat het betoog ons wel een kengrond verschaft1 maar den zijnsgrond niet onthult4 ,vandaar dat zoo'n betoog een onaangenaam gevoel achterlaat1 gelijk gemis aan inzicht overal geeft1 en hier is dat gevoel dubbel sterk1 omdat wij1 terwijl wij niet weten waarom iets zoo is1 nochtans ten volle zeker zijn dat het zoo is4 ,het gevoel heeft overeenkomst met datgene1 wat wij ondervinden1 als een goochelaar ons iets in of uit den zak heeft gespeeld en wij niet begrijpen hoe hij dat deed4 ,daarentegen verschaft de aanschouwing van den zijnsgrond bij meetkundige waarheden volle bevrediging4 ,een voorbeeld4 ,wanneer van een driehoek twee hoeken gelijk zijn1 dan zijn ook de tegenover liggende zijden gelijk04 ,het bewijs1 dat ,euclides geeft1 levert den kengrond van de waarheid dier stelling4 ,wie echter doet zijn overtuiging op dat bewijs steunen en niet veeleer op den aanschouwden zijnsgrond8 ,men ziet het3 wanneer door de twee eindpunten eener lijn twee andere lijnen henenloopen1 die gelijkelijk zich neigen tot de eerste lijn1 dan moeten zij op een punt samentreffen1 dat van beide eindpunten even ver verwijderd is1 want de ontstaande twee hoeken zijn slechts een en dezelfde hoek1 die enkel door verschil van ligging zich dubbel voordoet1 weshalve er geen grond voorhanden is1 waarom de lijnen elkander dichter bij het eene dan bij het andere punt zouden ontmoeten4 ,en nu het theorema van ,pythagoras3 het vierkant1 beschreven op de schuine zijde van een rechthoekigen driehoek1 heeft denzelfden inhoud als de twee vierkanten te samen1 beschreven op de rechthoekszijden04 ,wanneer men die drie vierkanten op het bord trekt1 dan krijgt men door den eenvoudigen aanblik1 zonder eenig gebruik van woorden1 van de waarheid der stelling een twintigmaal levendiger overtuiging dan het bewijs van ,euclides1 dat veel op een muizenval gelijkt1 ooit kan geven4 ,nu wij van ,kant geleerd hebben1 dat de aanschouwing der ruimte van iederen indruk op de zinnen onafhankelijk is en dus niet de geringste kans op zinsbedrog overlaat1 kunnen wij inzien1 dat de logische behandeling der mathesis1 zooals zij bij ,euclides voorkomt1 een geheel overtollige voorzichtigheid verraadt en als een kruk voor gezonde beenen kan worden beschouwd4 ,er worden hulplijnen getrokken1 zonder dat men weet waarom2 weldra blijkt het1 dat het strikken waren1 die onverwacht worden toegehaald en waarin de leerling zich gevangen ziet1 zoodat hij nu verwonderd moet toegeven1 dat het zoo is1 als de stelling aangeeft1 terwijl de reden1 waarom het zoo is1 hem verborgen blijft2 hij kan dan ook zijn geheelen ,euclides doorstudeeren zonder inzicht te erlangen in de wetten der ruimtebetrekkingen daar hij enkel resultaten en manieren van bewijs van buiten leert4 ,de methode van ,euclides levert een soort van kennis1 gelijk aan die van den arts1 die ziekte en geneesmiddel weet te noemen1 maar wien de samenhang tusschen beide verborgen blijft4 ,ziedaar het gevolg1 wanneer men grillig op zeker gebied van kennis de daar passende evidentie afwijst en een onvoegzame methode met geweld invoert4 ,intusschen verdient de manier waarop ,euclides aan het eens opgevatte plan om zooveel mogelijk alles door redeneering te bewijzen trouw gebleven is1 werkelijk de bewondering1 die hem door zoovele eeuwen achtereenvolgens geschonken werd en zijne wijze van behandeling der wiskunde voor het model van alle wetenschappelijk onderwijs deed doorgaan4 ,toch is die methode enkel een schitterende verkeerdheid1 een afdwaling voor welke men den grond kan vinden in de toenmalige wijsbegeerte4 ,de ,eleaten hadden verschil1 ja dikwijls strijd ontdekt tusschen wat men aanschouwt en wat men denkt4 ,daarna kwamen de sophisten1 die de aandacht richtten op het zoogenaamde zinsbedrog1 op schijn1 van welken de rede met zekerheid weet1 dat er geen werkelijkheid aan beantwoordt1 b4v4 de gebroken staf in het water4 ,uit het feit1 dat de zinnelijke aanschouwing niet zonder kontrole onvoorwaardelijk te vertrouwen is1 leidde men ten onrechte af1 dat alleen het redelijke1 logische denken vasten grond onder de voeten verschaft4 ,zoo ontstond het rationalisme1 dat op mathematisch gebied alles bewijzen wilde wat maar eenigermate te bewijzen viel1 en1 enkel door nood gedrongen1 de axioma's op aanschouwelijke evidentie liet berusten4 ,als wij1 zegt ,schopenhauer1 aan de engeltjes van ,raphal gelijk1 gevleugelde kopjes zonder lijf waren1 dan zouden wij vrede kunnen hebben met het denkbeeld1 dat de wereld enkel voorstelling is1 enkel droom1 enkel spookgestalte4 ,maar nu wij een lichaam hebben1 dat door honger1 dorst en menigen anderen hartstocht wordt gekweld1 weet ieder onzer met volslagen zekerheid1 dat hij nog iets meer is dan subjekt van voorstelling1 dat hij tevens is een willend wezen4 ,willen en doen nu zijn n4 ,zeker1 men kan besluiten iets in de toekomst te doen1 maar dat beduidt enkel3 ik denk op dit moment iets te zullen willen op een later moment1 ik fantaseer over wat nog moet geschieden1 heb een voorstelling1 die misschien geen werkelijkheid zal worden1 want in den tusschentijd kan er veel gebeuren1 dat een andere richting aan ons streven geeft4 ,de echte wil is handeling4 ,gelijk nu wil en handeling n zijn1 zoo zijn volgens ,schopenhauer wil en lichaam zelf n4 ,immers het willen van een bepaalde handeling is tevens het willen van de daartoe vereischte werktuigen4 ,het menschelijk willen is niet enkel op het leven van een mensch gericht1 maar verschijnt tevens als menschelijk lichaam4 ,en dat geldt van alle willende schepselen4 ,de wil van den leeuw openbaart zich als het lichaam van een leeuw1 de wil van de slak als het slijmerig lijf van de slak in zijn huisje4 ,zoo houdt het dierlijk lichaam op enkel voorstelling te zijn en wordt het verschijning van wat onzichtbaar daar achter ligt2 bij analogie wordt daarna besloten1 dat alle lichamen verschijningen zijn van n en hetzelfde3 wil4 ,hier is het mogelijk verschillende vraagteekens te plaatsen4 ,er wordt meer verzekerd dan hetzij rechtstreeks aantoonbaar1 hetzij langs een omweg bewijsbaar is4 ,het ik1 dat in een ziek en zwakkelijk lijf huist1 heeft geen reden te gelooven1 dat zijn organisme uitdrukking is van zijn wil4 ,door die bedenking zou ,schopenhauer zich waarschijnlijk niet getroffen hebben gevoeld4 ,immers hij leert1 dat aan de geheele natuur een en hetzelfde an sich ten grondslag ligt1 een bewustelooze1 rustelooze wil1 die in ieder van zijn tallooze verschijnselen volledig aanwezig is1--die zich telkens ten volle openbaart1 als drang van het water naar omlaag1 als richting van den magneetnaald naar het noorden1 als verlangen van het ijzer naar den magnaatsteen1 als heelkracht der natuur enz4 ,die eenheid van oorsprong verklaart dan volgens ,schopenhauer den wettelijken gang van den natuurloop1 de doelmatigheid1 waarmee het een op het ander schijnt aangelegd1 de overeenkomst van typen in planten- en dierenwereld4 ,maakt zij ook begrijpelijk1 dat strijd de vader is van alle dingen1 dat de wereld n groot slagveld moet heeten1 dat de macht1 die alles te voorschijn brengt1 onafgebroken wroet en woelt in eigen ingewanden8 ,en indien op de keper beschouwd beul en slachtoffer hetzelfde wezen zijn1 hoe moeten wij die eenheid dan verstaan8 ,schopenhauer ontkent nadrukkelijk1 dat aan de wereld een numerieke eenheid zou ten grondslag liggen1 de eenheid van een objekt1 welke slechts in tegenstelling met mogelijke of werkelijke veelheid bestaanbaar is3 immers wij behooren aan een eenheid buiten tijd en ruimte te denken4 ,evenmin vat hij haar als logische eenheid op1 als eenheid van een begrip1 welke door abstraktie uit veelheid wordt afgeleid4 ,wat is zij dan8 ,schopenhauer zegt3 ,zij is die eenheid1 welke buiten de mogelijkheid van alle veelheid1 immers buiten tijd en ruimte1 ligt04 ,door deze negatieve omschrijving van het eeuwige achten wij ons weinig gebaat4 ,zij is verre van doorzichtig4 ,zelfs de eenheid van een begrip vereischt1 dat we het eene begrip aan het andere kunnen overstellen4 ,en hoe moeten wij nu de eenheid van wil en lichaam opvatten1 waarvan straks sprake was1 toen ik mensch en slak noemde8 ,schopenhauer zegt1 dat zij niet bewijsbaar is1 juist om deze reden dat zij rechtstreeks door ieder individu bij intutie beseft wordt en het onzin is naar bewijs te vragen1 waar men een uitgangspunt van bewijs heeft4 ,de wereld moet eenheid en veelheid tevens zijn om een van beide te kunnen zijn4 ,hoe zij eenheid en hoe zij veelheid is1 ziedaar het geheim der werkelijkheid1 welke verder reikt dan 's menschen inzicht4 ,schopenhauer heeft zijn kolossale geestesgaven besteed aan de beantwoording van de slotvraag1 waarmede al ons weten bekroond zou worden1 indien die bekroning mogelijk ware4 ,die vraag luidt aldus3 ,hoe moeten wij ons den algrond1 het wezen aller wezens1 de bron van alle zijn en geschieden1 denken om ons de wereld der ervaring zoo verstaanbaar mogelijk te maken8 ,de voorzichtige ,kant waarschuwt tegen het onverzadelijk verlangen om te weten1 waar weten onbereikbaar en enkel willekeurige fantasie mogelijk is4 ,hij raadt den vorscher aan zich niet op een holle1 onstuimige zee te wagen1 welke door geen kust begrensd wordt1 maar liever den vruchtbaren akker der ervaring te beploegen4 ,doch zelfs de schrijver der ,kritik0 was er1 hoe scherp ook metaphysica1 die enkel speelt met begrippen als substantie1 allerwezenlijkst wezen enz41 door hem als onvruchtbaar gevonnisd werd1 niet afkeerig van op grond van feiten over den ,algrond te speculeeren4 ,zoo zag hij zich door zijn plichtbesef gerechtvaardigd om aan een hoogere wereld te gelooven4 ,wij mogen het dus niet in ,schopenhauer als een afval van zijn meester beschouwen1 dat hij het wezen aller wezens eenigermate trachtte te onthullen4 ,het is maar de vraag1 op welke gegevens der ervaring hij daarbij steunde4 ,ook in dat opzicht aan ,kant getrouw1 wachtte hij er zich wel voor den inhoud van het zelfbewustzijn met kennis van het ,ansich0 op ne lijn te stellen4 ,uit het eerstvolgend citaat zullen wij bespeuren1 dat volgens ,schopenhauer de tijd een sluier is1 waarachter de echte werkelijkheid ons verborgen blijft4 ,alsof1 wanneer wij den tijd uit onze beschouwing van het zijnde konden wegcijferen1 niet alles verdwijnen zou4 ,men bedenke3 zonder tijd geen verandering noch duur1 geen worden noch zijn1 geen wereld noch ik4--,doch geven wij thans den romanesken1 dichterlijken denker zelven weer het woord4 ,het zelfbewustzijn doet ons in het ik tweerlei ontdekken3 dat wat kent1 intellekt1 en dat wat gekend wordt1 wil2 het intellekt wordt niet gekend en de wil kent niet1 ofschoon beide tot het bewustzijn van een en hetzelfde ik samenvloeien4 ,doch juist daarom staat dit ik niet op een voet van volkomen intimiteit met zich zelf1 het vindt in zich zelf een voor licht ontoegankelijk donkerte en blijft zich zelf een raadsel4 ,dus ook bij de kennis1 die op het innerlijke is gericht1 blijft er nog een verschil over tusschen het bestaan van haar objekt1 zooals het op zich zelf is1 en de waarneming ervan in het kennende subjekt4 ,intusschen is de innerlijke kennis bevrijd van twee vormen1 welke op het uiterlijke gerichte kennis aankleven1 n4l4 van dien der ruimte en van dien der causaliteit4 ,daarentegen rest nog de vorm van den tijd1 zooals ook die van het gekend worden en het kennen in het algemeen4 ,dus heeft in deze zelfkennis het ding an sich zijn sluiers wel is waar grootendeels afgeworpen1 maar toch treedt het nog niet geheel naakt op4 ,ten gevolge van den hem nog aanklevenden tijdsvorm kent ieder zijn wil enkel in diens opeenvolgende afzonderlijke handelingen1 niet echter in zijn geheel3 vandaar dat iemand zijn eigen karakter bij voorbaat kent1 maar het eerst aan de hand der ervaring en dan op onvolkomen wijze leert kennen4 ,desalniettemin is de waarneming1 waardoor wij de bewegingen en handelingen van onzen eigen wil bespeuren1 veel meer rechtstreeks dan iedere andere3 zij is het punt waar het ding an sich op de meest onmiddellijke wijze tot verschijning komt en de afstand tot het kennende subjekt de geringst mogelijke is2 vandaar dat de zoo intiem gekende gebeurtenis eenig en alleen geschikt is om alle overige feiten te verklaren4 ,intusschen laat zich ondanks dit alles nog de vraag opwerpen wat die wil1 die zich in de wereld en als de wereld vertoont1 ten slotte op zich zelf is1 m4a4w4 wat hij is1 afgezien daarvan1 dat hij zich als wil voordoet1 kortom dat hij verschijnt1 dat hij gekend wordt4 ,deze vraag is nooit te beantwoorden3 immers het gekend worden laat zich niet rijmen met het an sich0 zijn1 met het zijn zooals het is buiten alle kennis4 ,ieder gekend ding is als zoodanig reeds verschijnsel4 ,in ons eigen bewustzijn treedt de wil steeds als het oorspronkelijke en fundamenteele op en heeft het den voorrang boven het intellekt1 dat het sekundaire1 ongeschikte1 afhankelijke blijkt te zijn4 ,het is hoog noodig daarop de aandacht te vestigen1 want alle vroegere filosofen1 van den eersten af tot den laatsten toe1 hebben het eigenlijk wezen1 de duurzame kern van den mensch1 in zijn kennend bewustzijn geplaatst en dus het ik1 of wel dat1 wat als de blijvende drager van dat ik werd ondersteld1 de ziel1 in de eerste plaats als kennend1 ja als denkend1 en1 eerst als gevolg hiervan1 in de tweede plaats en op afgeleide wijze1 als willend opgevat en beschreven4 ,mijn doel is het deze overoude en volstrekt algemeene gronddwaling voor goed op zijde te schuiven en de natuurlijke gesteldheid der zaak tot helder bewustzijn te brengen4 ,vr mij hebben alle philosofen de waarheid op den kop gezet2 ten deele is dit daaruit te verklaren dat zij zich beijverden--iets wat bij uitstek van de ,christenen geldt--de kloof tusschen mensch en dier zoo breed mogelijk te maken1 terwijl zij tevens een donker besef hadden1 dat beider verschil niet in het willen1 maar in het intellekt school2 onbewust kwam zoo de neiging te voorschijn om het intellekt den eersten rang toe te kennen en het willen als iets van ondergeschikte orde op te vatten2 ja het eenvoudig als een funktie van het intellekt te beschrijven4 ,het begrip ziel is dan ook niet alleen1 gelijk door ,kant werd aangetoond1 onhoudbaar1 maar tevens een bron van ongeneeslijke dwalingen1 want door de ziel als iets enkelvoudigs aan te merken1 wordt er bij voorbaat een ondeelbare eenheid van kennis en wil vastgesteld1 terwijl scheiding van beide juist de weg tot de waarheid is4 ,het meest voor de hand liggende en zeer onaangename gevolg der gemeenschappelijke gronddwaling is dit3 door den dood der hersenen gaat het kennend bewustzijn klaarblijkelijk te gronde2 men moet dus f den dood als vernietiging van den mensch laten gelden1 iets waartegen ons wezen in opstand komt1 f men moet het kennend bewustzijn laten voortduren1 doch daarvoor is een zeer sterk geloof noodig1 daar ieder bij eigen ervaring weet1 dat zijn kennend bewustzijn van zijn hersenen afhankelijk is en men even goed aan vertering zonder maag zou kunnen gelooven4 ,men weet immers1 dat ingespannen denken het hoofd vermoeit1 gelijk de hand van schrijven ten slotte lam wordt4 ,alleen mijn philosofie vermijdt het pijnlijk dilemma1 daar zij het duurzaam wezen van den mensch niet in het bewustzijn1 maar in den wil plaatst1 die niet noodzakelijk met bewustzijn verbonden is1 daarentegen tot het bewustzijn1 d4i4 tot de kennis1 in dezelfde verhouding staat als een ding tot een zijner toevallige eigenschappen1 als een zichtbaar voorwerp tot het licht1 als een snaar tot den klankbodem4 ,bij mijn theorie heet onverwoestbaar de kern van ons wezen1 de wil1 datgene wat niet van buiten af gelijk de lichamelijke wereld1 maar van binnen uit in het bewustzijn valt2 mijn theorie laat tevens recht wedervaren aan het feit1 dat het bewustzijn in den dood verdwijnt1 zooals het vr de geboorte niet bestond4 ,het intellekt is even vergankelijk als de hersenen1 terwijl de hersenen1 gelijk het geheele organisme1 verschijning of voortbrengsel is van wil1 en wil alleen is onvergankelijk4 ,bewustzijn en kennis is n en hetzelfde2 voor kennis nu is tweerlei noodig3 iets dat kent en iets dat gekend wordt2 vandaar dan ook dat zelfbewustzijn onmogelijk zou zijn1 wanneer niet ook hier aan het kennende iets wat daarvan verschilt als gekend overstond4 ,het bewustzijn of intellekt gelijkt op de zon1 welke de ruimte niet verlicht1 tenzij er een voorwerp is1 waardoor haar stralen worden teruggeworpen4 ,het kennende zelf kan1 juist als zoodanig1 niet gekend worden3 anders zou het zijn het gekende van iets anders1 dat kent4 ,als het gekende treffen wij in het zelfbewustzijn niets anders dan wil aan4 ,immers niet enkel willen in den engsten zin des woords1 maar ook alle streven1 wenschen1 vlieden1 hopen1 vreezen1 minnen1 haten1 kortom alles wat eigen wel en wee1 lust en onlust uitmaakt1 is enkel aandoening van wil1 is beweging1 wijziging van willen en niet-willen1 is datgene wat1 als het naar buiten werkt1 zich als wilshandeling openbaart4 ,merkwaardig is het1 dat reeds ,augustinus in het #ad;e boek van ,de civitate ,dei1 hoofdst4 #f1 dit heeft uitgesproken4 ,hij brengt de gemoedsaandoeningen onder vier rubrieken1 welke begeerte1 vrees1 blijdschap1 droefheid heeten1 en zegt3 wil is in die allen aanwezig2 zelfs zijn ze niets anders dan wilsvormen3 want wat is begeerte en blijdschap1 tenzij een willen1 waarbij wij onze toestemming geven aan dat1 wat wij willen8 ,wat zijn vrees en droefheid anders dan een willen1 waarbij wij afwijzen1 wat wij niet willen8 ,het ik is het tijdelijk identisch subjekt van kennen en willen1 welks identiteit het wonder bij uitnemendheid mag heeten4 ,het is het tijdelijk aanvangspunt1 het aanknoopingspunt van de geheele wereld der verschijning1 van al datgene1 waarin het willen zich objektiveert3 het is voorwaarde van verschijning1 maar vindt tevens in verschijning zijn eigen voorwaarde4 ,wij kunnen door een gelijkenis dit aldus uitdrukken4 ,een plant heeft twee polen3 wortel en kroon1 waarvan de eerste naar het donkere1 vochtige1 koude1 de laatste naar het licht1 het koesterende1 het warme streeft2 daar waar die twee polen uit elkander gaan1 vlak bij den grond1 is de stam van den wortel4 ,als deze sterft1 gaat de kroon ook te loor2 hij is het oorspronkelijke2 de kroon daarentegen is dat wat men ziet1 wat ontspruit en1 zonder dat de wortel sterft1 kan worden weggenomen4 ,de wortel stelt den wil voor1 de kroon het intellekt2 het punt1 waar beide samentreffen1 het gemeenschappelijk eindpunt1 dat aan beide toebehoort1 zou het ik kunnen heeten4 ,men zou die parallel volgens ,schopenhauer nog kunnen doortrekken en zeggen3 gelijk een groote kroon slechts uit een machtigen wortel pleegt te ontspruiten1 zoo worden groote geestelijke vermogens slechts daar gevonden1 waar tevens een heftig en hartstochtelijk willen is4 ,een genie met zwakke passies is ondenkbaar04 ,onbetwistbaar toonde ,schopenhauer zelfkennis1 toen hij die laatste woorden schreef4 ,de daaraan voorafgaande doen bespeuren1 dat hij persoonlijke onsterfelijkheid onmogelijk achtte4 ,natuurlijk1 want individueel bestaan is bij hem slechts schijn1 daar in den grond alle schepselen een en hetzelfde zijn4 ,tot rechtvaardiging van zijn leer wijst hij op de wereld van bedriegelijke vertooning zelve1 op den loop der natuur1 die het enkele telkens als waardeloos vernietigt1 terwijl uitsluitend de algemeene typen en natuurkrachten gehandhaafd blijven4 ,men zou kunnen antwoorden1 dat de wereldgrond1 het wezen aller wezens1 juist omdat hij niet alleen het enkele telkens opheft1 maar het tevens onafgebroken voortbrengt1 aan grooten rijkdom van individueel bestaan toont te hechten4 ,doch daarop zou ,schopenhauer antwoorden3 ,de vraag waar de wil naar streeft1 die als het wezen der wereld te beschouwen is1 rust op misverstand1 op verwisseling van het an sich0 met zijn verschijning4 ,enkel van verschijnselen als zoodanig1 van afzonderlijke dingen1 laat zich een grond aangeven2 nooit van den wil zelf of van de natuurkracht1 die zich in ontelbare gelijke verschijnselen openbaart4 ,het is echt onverstand1 gebrek aan bezonnenheid1 te vragen naar een oorzaak der zwaarte1 der elektriciteit enz4 ,slechts dan wanneer het gebleken was1 dat zwaarte en elektriciteit geen oorspronkelijke1 eigenaardige natuurkrachten1 maar slechts vormen eener meer algemeene1 reeds bekende natuurkracht waren1 zou men mogen vragen3 waarom die natuurkracht hier juist als zwaarte1 ginds als elektriciteit optreedt4 ,zoo heeft iedere afzonderlijke wilshandeling noodwendig een motief1 of die handeling ware uitgebleven2 maar gelijk de stoffelijke oorzaak enkel beslist1 dat op een bepaald tijdstip1 een bepaalde plaats1 bij een bepaalde materie zich deze of die natuurkracht moet openbaren1 dus enkel gelegenheidsoorzaak is1 zoo beslist ook het motief enkel1 dat er op dien bepaalden tijd1 op die bepaalde plaats1 onder die omstandigheden1 door een kennend wezen gewild zal worden2 het motief schept niet den wil van dat wezen en evenmin het karakter van dien wil1 dat gelijk de wil zelf zonder grond is1 daar het buiten het gebied van den voldoenden grond ligt4 ,om die reden heeft ieder mensch bestendig doeleinden en motieven1 waarnaar hij zijn handelen inricht2 hij kan dus ook van iedere afzonderlijke daad altoos rekenschap geven3 vroeg men hem echter1 waarom hij in het algemeen wil of waarom hij in het algemeen bestaan wil1 dan zou hij geen antwoord hebben en zou hem die vraag ongerijmd schijnen2 op die wijze zou zich het bewustzijn vertolken1 dat hij zelfs niets dan wil is1 dat het dus vanzelf spreekt dat hij wil en dat enkel de afzonderlijke handelingen ieder op haar tijd motieven noodig hebben om bepaald te worden4 ,afwezigheid van alle doel1 van alle grenzen1 eindeloos streven behoort tot het wezen van den wil zelf4 ,zoo doet zich de wil reeds kennen op den allerlaagsten trap1 waar hij verschijnt1 nl4 als zwaarte1 een bestendig streven1 dat onmogelijk op een einddoel kan zijn gericht4 ,want al ware ook door de zwaarte alle bestaande materie tot n klomp saamgeperst1 dan zou zij toch binnen in die klomp naar het middelpunt streven en voortdurend worstelen met ondoordringbaarheid4 ,het streven der materie kan dus wel belemmerd1 maar nooit geheel bevredigd worden4 ,hetzelfde geldt van alle streven4 ,ieder bereikt doel is weer aanvang van een nieuwe loopbaan en zoo tot in het oneindige4 ,de plantenkiem rust niet1 voordat ze door stam en blad bloesem en eindelijk vrucht heeft voortgebracht1 die weer beginsel is van nieuwe kiem1 van een nieuw individu1 dat andermaal dezelfde baan doorloopt1 en zoo altoos verder4 ,bij het dier is de voortteling het hoogtepunt van zijn bestaan2 is dat punt eens bereikt1 dan zinkt het leven van het eerste individu1 snel of langzaam1 terwijl een nieuw als waarborg van het behoud der soort optreedt en alles zich herhaalt4 ,ja1 eenvoudig als een openbaring van dat bestendige streven en wisselen is ook de vernieuwing van stof aan te merken2 de physiologen houden thans op daarin een noodzakelijke vergoeding te zien van de stof1 die bij de beweging verbruikt is2 aan het afslijten van de machine beantwoordt niet als schadeloosstelling de bestendige toevoer van voedende stof3 eeuwig worden1 eindelooze stroom behoort tot de openbaring van den wil4 ,hetzelfde vertoont zich ook bij alle menschelijk streven en wenschen1 waarvan de vervulling ons steeds als een rustpunt voor het willen voor oogen wordt getooverd2 is het doel eens bereikt1 dan ziet het er geheel anders uit1 en wordt het1 ook al bekent men het zich niet dadelijk1 op den duur toch immer als vrucht van zelfmisleiding1 als verouderd en verschaald op zijde geschoven2 van geluk mag men spreken1 wanneer nog iets te wenschen overblijft1 zoodat het spel voortduurt1 waarbij men telkens van begeerte tot bevrediging en van deze weer tot nieuwe begeerte overgaat1 een spel waarvan de vlugge gang voorspoed1 de langzame lijden wordt geheeten2 neemt het een einde1 dan vertoont zich de afgrijselijke1 alle leven doodende verveling1 een kwijnend hunkeren naar het onbestemde4--,de slotsom is1 dat de wil1 waar hij door kennis wordt bestraald1 steeds weet wat hij hier en n wil1 nooit echter wat hij blijvend wil3 iedere afzonderlijke handeling heeft een doel1 het willen in zijn geheel heeft er geen1 op dezelfde manier als ieder afzonderlijke gebeurtenis in de natuur door een voldoende oorzaak er toe bepaald wordt om juist hier en n op te treden1 terwijl de in haar zich openbarende kracht geen oorzaak heeft1 daar die kracht enkel een verschijningsphase is van het ,an sich01 van den grondeloozen wil4--,de eenige zelfkennis van den wil in zijn geheel is de voorstelling in haar geheel1 de aanschouwelijke wereld in haar geheel4 ,zij is zijn openbaring1 zijn spiegel1 de tastbaar en zichtbaar geworden wil4 ,de wereld in haar geheel spiegel van den tijdeloozen wil4 ,hoe dit bedoeld is1 blijkt uit het volgende citaat4 ,allereerst bij den mensch1 maar vervolgens bij ieder voorwerp der natuur zijn willen en werken volgens ,schopenhauer n en hetzelfde4 ,het subjekt der kennis1 dat door zijn identiteit met het lichaam als individu optreedt1 kent dat lichaam op tweerlei wijze3 in de eerste plaats als voorstelling1 waartoe verstandelijke aanschouwing noodig is1 als objekt te midden van objekten en aan wetten onderworpen2 in de tweede plaats nog op een geheel andere wijze1 nl4 als dat waarmede ieder onzer rechtstreeks en innig vertrouwd is1 namelijk wil4 ,verrichting des lichaams is niets anders dan geobjektiveerd1 tot voorwerp van zinnelijke waarneming geworden willen4 ,en dit geldt van iedere beweging van het lichaam1 niet alleen van die door motieven bestierd wordt1 maar ook van de onwillekeurige2 ja1 het geheele lichaam is niets anders dan voorstelling geworden wil4 ,gelijk willen lichamelijk handelen is1 zoo is omgekeerd iedere indruk op het lichaam terstond en onmiddellijk ook inwerking op den wil3 zij heet pijn1 wanneer zij strijdt met den wil2 lust1 welbehagen1 wanneer zij beantwoordt aan den wil4 ,de graden van beide zijn zeer talrijk4 ,men heeft echter volkomen ongelijk1 wanneer men pijn en lust voorstellingen noemt3 dat zijn ze geenszins1 doch rechtstreeksche aandoeningen van den wil1 een onbedwingbaar1 oogenblikkelijk willen of niet-willen van den indruk1 dien het lichaam ondergaat4 ,als uitzonderingen op dien regel en als echte voorstellingen zijn slechts die lichamelijke indrukken te beschouwen1 welke den wil koel laten1 indrukken van gezicht1 gehoor en gevoel1 wanneer de betreffende zintuigen op de hun eigene natuurlijke wijze en daarenboven in zwakke mate geprikkeld worden1 zoodat er uitsluitend aan het verstand gegevens worden verschaft om te aanschouwen of een objekt zich voor te stellen4 ,iedere sterkere of niet passende aandoening der zintuigen is daarentegen pijnlijk1 in strijd met den wil4--,van zenuwzwakte wordt er gesproken1 als de indrukken1 welke in den regel enkel dien graad van sterkte hebben1 die voldoende is om ze tot gegevens voor het verstand te maken1 den hoogeren graad bereiken1 waarbij zij den wil in beweging brengen1 dus pijn of wellust verwekken1 meestal evenwel pijn1 die echter dof en onbestemd is2 zoo zijn dan niet maar alle geluiden en gewoon daglicht onaangename gewaarwordingen1 maar er heerscht een doorgaande zwartgallige stemming1 waarvan de bron zich niet duidelijk laat aangeven4 ,ook toont zich de identiteit van lichaam en wil o4 a4 daarin1 dat iedere heftige en buitensporige wilsbeweging het lichaam ontroert en den gang der levensverrichtingen verstoort4 ,de kennis1 die ik van mijn wil heb1 zegt ,schopenhauer1 is rechtstreeksch1 maar toch voortdurend stukwerk1 geen kennis van mijn wil in zijn geheel1 van mijn wil als eenheid1 maar van afzonderlijke wilshandelingen1 die zoowel een physische als een psychische zijde hebben4 ,juist daardoor1 dat wil en lichaam n zijn1 ben ik individu1 sta ik tot mijn lichaam1 dat overigens1 gelijk alle andere lichamen1 slechts voorstelling zou zijn1 in een geheel eenige betrekking4 ,het karakter der individualiteit brengt mede1 dat ieder slechts n wezen kan zijn1 maar alle wezens kan aanschouwen4 ,identiteit van wil en lichaam heet bij ,schopenhauer de philosophische waarheid bij uitnemendheid1 daar zij als sleutel kan dienen om tot het wezen van alle natuurvoorwerpen door te dringen4 ,behalve wil en voorstelling is ons niets bekend en is er evenmin iets voor ons denkbaar4 ,wanneer wij aan de natuur in haar geheel1 welke onmiddellijk enkel in onze voorstelling bestaat1 de grootste ons bekende werkelijkheid willen toeschrijven1 dan houden wij haar voor even werkelijk als ons eigen lichaam2 want dit heeft voor ieder den hoogsten graad van werkelijkheid4 ,maar als wij nu de werkelijkheid van dat lichaam en van zijn verrichtingen ontleden1 dan treffen wij buiten voorstelling niets anders aan dan wil4 ,zal dus de natuur nog iets meer zijn dan onze voorstelling1 dan moeten wij zeggen dat zij in haar diepste wezen datgene is1 wat wij in ons zelf als wil vinden4 ,ik zeg3 in haar diepste wezen1 en daarmede bedoel ik1 dat wij wat de wil zelf is hebben te onderscheiden van wat enkel zijn verschijning is4 ,zoo behoort tot de verschijning van den wil en niet tot zijn eigenlijk wezen1 dat hij met zelfkennis gepaard gaat en door motieven bestierd wordt4 ,dit is immers alleen bij dier en mensch het geval4 ,zeg ik dus3 de kracht1 welke den steen naar de aarde drijft1 is wil1 dan moet men mij niet de dolle meening toedichten1 dat de steen zich omlaag beweegt1 door het een of ander bewuste motief daartoe gebracht4 ,wij kunnen het niet in ,keppler goedkeuren dat deze1 in zijn verhandeling over de planeet ,mars1 meent aan de planeten kennis te moeten toeschrijven1 daar zij hare elliptische banen zoo juist weten te treffen en de snelheid harer beweging zoo nauwkeurig afmeten1 dat deze altijd aan de wiskunstige formule beantwoordt4 ,willekeurige bewegingen hebben een grond in hare motieven4 ,intusschen bepalen die motieven enkel1 dat ik op dit tijdstip1 op die plaats1 onder die omstandigheden wil2 niet het feit dat ik wil1 evenmin wat ik wil1 dus niet het karakter1 dat mijn willen voortdurend kenmerkt1 hangt van de motieven af4 ,dus is mijn willen niet in zijn geheelen omvang uit de motieven te verklaren2 deze zijn slechts de aanleiding waarbij wil zich vertoont2 zelf ligt hij buiten het bereik der motieven2 enkel zijn te voorschijn treden op ieder tijdstip is wettelijk bepaald4 ,laat ik iemands aard buiten rekening en vraag ik dan1 waarom hij juist dit en niet dat wil1 dan is daarop geen antwoord mogelijk2 enkel voor de verschijning van den wil is er een grond op te sporen1 niet voor den wil zelven1 die zonder grond is4 ,dat het eene verschijnsel in het andere1 dat de daad in het motief haren grond vindt en daaruit met noodzakelijkheid voortvloeit1 laat zich zeer goed rijmen met de stelling3 het wezen van het eerste verschijnsel is wil1 die zelf geen grond heeft02 immers het beginsel van den voldoenden grond is een vorm van kennis en zijn geldigheid blijft dus beperkt tot de wereld der kennis1 tot de zichtbaarheid van den wil1 strekt zich niet tot den wil zelven uit1 tot datgene wat achter al het verschijnende ligt4 ,het ding op zich zelf1 als zoodanig nooit objekt1 daar immers ieder objekt verschijning ervan is1 moest1 om er over te kunnen spreken1 naam en begrip ontleenen aan een objekt1 dus aan een zijner openbaringen2 daar nu als de volmaaktste1 duidelijkste1 meest ontwikkelde openbaring van het ding an sich0 de door zelfbewustzijn bestraalde wil des menschen kan gelden1 kozen wij den naam van wil1 ter aanduiding van het op zich zelf zijnde4 ,de wil als ,ding an sich0 is volkomen vrij van alle vormen1 welke hij eerst in de verschijning aanneemt4 ,reeds de algemeenste vorm van alle voorstelling1 die van een objekt voor een subjekt1 raakt den wil niet4 ,nog minder behooren tijd1 ruimte en de daardoor mogelijk geworden veelheid tot het wezen van den wil4 ,dat de wil zonder grond is1 heeft men1 waar hij met den hoogsten graad van duidelijkheid zich openbaart1 bij den mensch1 zeer goed beseft4 ,doch terwijl men den wil dus terecht vrij en onafhankelijk noemde1 heeft men de noodzakelijkheid1 waaraan zijn verschijning allerwege onderworpen is1 voorbij gezien en ook de daden voor vrij verklaard1 wat zij niet zijn1 daar iedere handeling uit de werking van het motief op het karakter met strenge noodzakelijkheid voortvloeit4 ,alle noodzakelijkheid is niets anders dan de wijze1 waarop een gevolg uit zijn grond voortkomt4 ,naar een grond behoort men te vragen bij alles wat verschijnt en dus ook bij het handelen van den mensch4 ,daar echter in het zelfbewustzijn de wil rechtstreeks gekend wordt1 vindt men daar het besef van vrijheid4 ,echter wordt er over het hoofd gezien dat het individu1 de persoon1 niet wil op zich zelf is1 maar verschijning van wil en als zoodanig gedetermineerd4 ,vandaar het wonderlijk feit1 dat ieder zich bij voorbaat voor geheel vrij houdt1 ook in zijn afzonderlijke handelingen2 hij meent1 dat hij ieder oogenblik een anderen levenswandel zou kunnen beginnen1 een ander mensch zou kunnen worden4 ,maar bij den terugblik ontdekt hij tot zijn verbazing1 dat hij niet vrij was1 dat1 ondanks al zijn voornemens en overwegingen1 zijn doen onveranderd bleef1 dat hij van den aanvang af tot het einde toe het door hem misprezen karakter behouden heeft1 dat hij de door hem aangenomen rol tot aan het slot heeft moeten vervullen4 ,de wil en zijn openbaringen behooren in twee geheel verschillende werelden tehuis2 men behoort er dus geen aanstoot aan te nemen1 dat de wil zelf voor ons besef vrij is en ongebonden1 terwijl zijn openbaringen met onverbiddelijke noodzakelijkheid uit de motieven voortvloeien4 ,evenmin moet het slakkenhuis aan een vreemden wil worden toegeschreven1 die met kennis van doel en middelen ten behoeve van dat diertje bouwt1 als wij het huis1 dat wij zelve bouwen1 door een anderen wil dan de onze opgetrokken achten3 beide huizen zijn gewrochten van een en denzelfden wil1 die in ons door motieven wordt geleid1 terwijl hij bij de slak enkel blinde1 naar buiten gerichte scheppingsdrang is4 ,ook in ons1 menschen1 werkt wil in menig opzicht werktuigelijk2 men denke aan verrichtingen als spijsvertering1 bloedsomloop1 afscheiding1 groei enz4 ,ofschoon wil zich volgens ,schopenhauer overal vertoont1 staan zijn openbaringen niet allen op hetzelfde peil4 ,de eene is hooger1 de andere lager2 er is een ladder1 waarvan de sporten aan de onveranderlijke soorten en onverderfelijke natuurkrachten beantwoorden1 welke naar het voorbeeld van ,plato met den naam van ideen worden bestempeld2 dus slaagt de wil er in steeds krachtiger te verschijnen2 aanvankelijk1 in de onbezielde natuur1 gaat wil als zwaarte1 ondoordringbaarheid1 elektriciteit enz4 geheel schuil achter werktuigelijk geschieden1 maar van trap tot trap klimt hij langzamerhand tot die aanzienlijke hoogte1 waar van zoogenaamd redelijk handelen sprake kan zijn4 ,kant's ,ding an sich0 en ,plato's idee zijn wel niet identisch1 maar toch zeer aan elkander verwant4444 ,kant zegt in hoofdzaak het volgende3 tijd1 ruimte en causaliteit zijn geen eigenschappen van het ding op zich zelf1 maar behooren enkel aan zijn verschijning toe1 daar zij kenvormen zijn4 ,alle veelheid1 alle ontstaan en vergaan zijn uitsluitend door tijd1 ruimte en causaliteit mogelijk2 daaruit volgt1 dat veelheid1 ontstaan en vergaan alleen de wereld der verschijnselen aanhangen4 ,daar onze kennis door hare vormen bepaald wordt1 is zij enkel kennis van de wereld der verschijnselen4 ,dit laatste geldt zelfs van ons eigen ik2 wij kennen het enkel als verschijnsel1 als objekt van ervaring1 weten niet wat het op zich zelf is04 ,dit is in hoofdzaak1 wat het thans aan de orde zijnde onderwerp betreft1 zin en inhoud der leer van ,kant4--,plato nu zegt3 de dingen dezer wereld1 die door onze zinnen worden waargenomen1 zijn er niet in den echten zin des woords3 zij worden1 veranderen onophoudelijk1 bestaan nooit3 slechts in betrekkelijken zin zijn zij er1 in zoover zij tot elkander in betrekking staan3 men kan dus hun aanzijn evengoed een niet-zijn noemen4 ,bij gevolg zijn ze ook geen voorwerpen van echte kennis1 want die is enkel mogelijk bij werkelijkheden1 welke op zich zelve en altijd op gelijke wijze bestaan4 ,zij zijn enkel het voorwerp van meening1 die op gewaarwording steunt4 ,zoolang we tot waarneming van dingen beperkt blijven1 gelijken wij op menschen1 die in een donker hol z vastgebonden zitten1 dat zij zelfs het hoofd niet kunnen omdraaien en niets zien dan bij het licht van een achter hen brandend vuur2 aan den muur tegenover hen aanschouwen ze schaduwbeelden van werkelijke dingen1 welke tusschen hen en het vuur worden voorbij gedragen1 en ook van elkander1 ja van zich zelve1 bespeuren zij enkel de schaduwen op den muur4 ,hun eenige wijsheid zou daarin bestaan de opvolging dier schaduwen door ervaring te ontdekken en zoo te voorspellen1 welke te wachten zijn4 ,wat daarentegen waarachtig zijnde kan genoemd worden1 wijl het altijd is1 nooit wordt1 nooit vergaat1 dat zijn de oorspronkelijke modellen van die schaduwen1 de eeuwige ideen1 de duurzame vormen van alle dingen4 ,hun komt geen veelheid toe1 want iedere idee is uit haar aard slechts ne1 terwijl haar kopien of afdrukken de onbegrensd vele1 afzonderlijke1 vergankelijke dingen derzelfde soort zijn1 die n en denzelfden naam dragen4 ,ook ontstaan en vergaan de ideen niet2 ze worden nooit1 gaan niet te gronde gelijk hunne wegkwijnende afdrukken4 7,daarin ligt opgesloten1 dat tijd1 ruimte en causaliteit niet gelden voor de ideen74 ,van ideen alleen is er dus echte kennis mogelijk1 want daartoe wordt vereischt een objekt1 dat altijd en in ieder opzicht is1 niet iets1 wat is en niet is1 al naar gelang men het beschouwt04--,ziedaar ,plato's leer4 ,het is duidelijk1 dat de innerlijke zin van wat ,plato en ,kant hier leeren geheel dezelfde is1 dat beiden de zichtbare wereld voor een vertooning houden1 welke op zich zelve nietig is en slechts door datgene1 wat er in wordt uitgedrukt 7,ding an sich0 bij ,kant1 idee0 bij ,plato71 beteekenis en geleende realiteit heeft2 terwijl aan het waarachtig zijnde de algemeene en onmisbare vormen van iedere verschijning totaal vreemd zijn4 ,de merkwaardige overeenstemming tusschen beide denkers laat zich door een voorbeeld aanschouwelijk maken4 ,laat er een dier voor ons staan in zijn volle levenskracht4 ,plato zal zeggen3 dit dier heeft geen echt1 maar slechts een schijnbaar bestaan1 want als onophoudelijk veranderend heeft het slechts een betrekkelijk zijn1 dat evengoed niet-zijn als zijn kan heeten4 ,waarlijk zijnde is alleen de idee1 die zich in dat dier afbeeldt1 het dier op zich zelf1 dat van niets afhangt1 ongeboren1 onsterfelijk1 altoos op gelijke wijze bestaand4 ,zoover we nu in dat dier1 dat hier aanwezig is1 de idee van het dier herkennen1 is het geheel eenerlei en zonder beteekenis1 of we nu juist dt dier voor ons hebben1 dan wel zijn voorouder1 die duizend jaar geleden leefde1 of het op deze plek dan wel in een ver afgelegen land is1 of het deze dan wel een andere houding aanneemt1 of het dit dan wel een ander individu der soort is2 dat alles is nietig en betreft enkel het verschijnende2 de idee van het dier alleen heeft waarachtig zijn en is voorwerp van werkelijke kennis04--,z ,plato4 ,kant zou kunnen zeggen3 dat dier is een verschijning in tijd1 ruimte en causaliteit1 welke de in ons kenvermogen liggende voorwaarden van alle ervaring zijn en derhalve niet kunnen strekken om het ding op zich zelf1 zooals het is buiten de ervaring1 te bepalen4 ,derhalve is dit dier1 gelijk wij het op dezen bepaalden tijd en op deze plek1 in den samenhang der ervaring1 volgens de keten van oorzaken en werkingen geboren en noodwendig sterfelijk1 waarnemen1 geen ding op zich zelf1 maar slechts eene in betrekking tot ons kenvermogen geldige verschijning4 ,om te beslissen wat daaraan1 onafhankelijk van tijd1 ruimte en causaliteit1 ten grondslag ligt1 zouden wij een ander kenvermogen moeten bezitten dan het voor ons alleen mogelijke1 dat zinnen en verstand omvat04 ,om ,kant's zienswijze nog meer in overeenstemming te brengen met die van ,plato1 zou men kunnen beweren3 tijd1 ruimte en causaliteit zijn de inrichting van ons intellekt1 krachtens welke het eigenlijk alleen bestaande ne wezen van iedere soort aan ons verschijnt als een veelheid van gelijksoortige1 steeds opnieuw ontstaande en vergaande wezens1 in eindelooze opvolging4 ,volgens deze beschouwing behoort enkel aan de ideen waarachtig bestaan te worden toegeschreven1 terwijl de dingen in ruimte en tijd1 welke voor den individu werkelijkheid zijn1 slechts een droomwereld moeten heeten4 ,daar een en dezelfde idee zich in vele exemplaren openbaart1 vertoont zij ons haar wezen slechts broksgewijze1 ne zijde na de andere4 ,dus zal men de idee hebben te onderscheiden van de manier1 waarop zij aan het waarnemend individu zich voordoet en die manier onwezenlijk hebben te noemen4 ,men kan dit toelichten door voorbeelden1 zoowel aan het geringste als aan het grootste ontleend4--,wanneer de wolken trekken1 zijn de figuren1 welke zij vormen1 van geen belang3 maar dat zij als elastische nevel door den windstoot samengeperst1 weggedreven1 uitgerekt1 verscheurd worden1 dat is der wolken natuur1 is het wezen der krachten1 die zich daarin uitdrukken1 is de idee3 enkel voor den individueelen waarnemer bestaan hun tijdelijke gestalten4--,bij den bergstroom1 die over rotsblokken naar beneden stort1 zijn draaikolken1 golven1 opbruisend schuim van geen wezenlijk belang2 dat die stroom aan de wet der zwaartekracht gehoorzaamt1 zich als een niet-elastische1 totaal verschuifbare1 vormlooze1 doorzichtige vloeistof gedraagt1 dit is zijn wezen1 zijn idee2 enkel voor ons1 zoolang wij als individuen kennen1 zijn er de afwisselende gestalten4--,wanneer het water op onze vensterruit bevriest1 schiet het tot kristallen volgens vaste wetten1 welke het wezen der hier te voorschijn tredende natuurkracht1 hare idee1 openbaren2 maar de boomen en bloemen1 daarbij gevormd1 zijn onwezenlijk4--,wat in wolken1 bergstroom en kristal verschijnt1 is de zwakste nagalm van dien wil1 die volkomener in de plant1 nog volkomener in het dier1 het allervolkomenst in den mensch te voorschijn treedt4 ,maar enkel het wezenlijke van al die graden van wilsuiting is3 de idee4 ,zoo is de geschiedenis van het menschelijk geslacht1 het gewoel der gebeurtenissen1 de afwisseling der tijden1 de rijkdom der vormen van het menschelijk leven in verschillende landen en eeuwen1 enkel toevallige gedaante1 waaronder de idee zich vertoont4 ,voor hem1 die dit wl gevat heeft1 zullen dus de wereldgebeurtenissen slechts in zoover beteekenis hebben als zij de letters zijn1 waaruit de idee van den mensch zich lezen laat4 ,hij zal niet met de groote schare gelooven1 dat de tijd iets werkelijk nieuws en gewichtigs te voorschijn kan brengen1 of dat tijd in zijn geheel begin en einde heeft1 dat er in den tijd een plan verwerkelijkt wordt en dat als voorloopig einddoel de hoogste volkomenheid van het thans levende geslacht te beschouwen is4 ,derhalve zal hij evenmin met ,homerus een geheelen ,olymp vol goden tot leiding der gebeurtenissen verdichten1 als hij met ,ossian de figuren der wolken voor individueele wezens zal aanzien1 daar1 gelijk gezegd1 zoowel het een als het ander1 in verhouding tot de daarin verschijnende idee1 even veel en even weinig beteekenis heeft4 ,de bron1 waaruit de individuen en hunne krachten voortvloeien1 is onuitputtelijk en oneindig gelijk tijd en ruimte2 want1 gelijk deze beide vormen van alle verschijning1 zijn ook de individuen en hunne krachten enkel verschijning1 zichtbaarheid van den wil2 geen eindige maat is bij machte die oneindige bron leeg te scheppen2 welk groot werk1 welke zegenrijke gebeurtenis1 welke geniale aanleg ook in de kiem verstikt moge worden1 geen nood1 want de oneindige mogelijkheid van terugkeer blijft eeuwig dezelfde4 ,in deze wereld der verschijning is evenmin waar verlies als ware winst mogelijk4 ,de wil alleen bestaat1 hij1 de eeuwige4 ,de verhouding van wil en intellekt kan het best door een gelijkenis worden uitgedrukt3 de sterke blinde1 die den zienden lamme op zijn schouders draagt4 ,in den regel is het intellekt enkel dienstknecht van den wil2 het is dan ook uit den wil zoo voortgekomen als het hoofd uit den romp4 ,bij de dieren is de dienstbaarheid van het intellekt nooit op te heffen4 ,bij den mensch1 bij uitzondering1 wl4 ,want door de kracht des geestes omhoog gedragen kan hij de gewone beschouwingswijze der dingen laten varen1 ophouden te letten op de betrekkingen1 waarin de dingen tot elkander staan1 niet langer vragen wat zij voor zijn eigen belang beteekenen1 zich niet bekreunen om het waar1 het wanneer1 het waarom1 het waartoe der dingen1 maar eenig en alleen om het wat2 daarbij niet het afgetrokken denken1 de begrippen der rede1 het bewustzijn laten innemen1 maar zich1 zooals het zoo zinrijk in de taal wordt uitgedrukt1 geheel in de aanschouwing van een landschap1 een boom1 een rots1 een gebouw1 verliezen1 zijn belang vergeten1 geheel alleen als subjekt1 als heldere spiegel van het objekt1 blijven bestaan1 zoodat het is1 alsof het ding op zichzelf er ware1 zonder iemand die het waarneemt1 daar het aanschouwde en de aanschouwer zich niet meer laten scheiden1 beide n geworden zijn1 het geheele bewustzijn door een eenig aanschouwelijk beeld gevuld en ingenomen wordt2 waar zoo het object buiten alle verhouding tot iets anders1 het subjekt buiten alle verhouding tot den wil staat1 is datgene1 wat alzoo gekend wordt1 niet meer het afzonderlijke ding als zoodanig1 maar de idee1 de eeuwige vorm1 de onmiddellijke verschijning van den wil op dien bepaalden trap1 en dan is de aanschouwer niet meer individu1 want het individu verdwijnt hier in wat het ziet1 doch zuiver1 willoos1 tijdeloos subjekt van kennis4 ,dit is het wat ,spinoza voor den geest zweefde1 toen hij schreef3 de geest is eeuwig1 in zoover hij de dingen onder de gestalte der eeuwigheid zich voorstelt4 ,de individu als zoodanig kent slechts enkele dingen1 schakels in de keten van oorzaken en werkingen2 het zuiver subjekt der kennis1 dat tijd en plaats vergeet1 aanschouwt enkel de ideen1 die buiten de sfeer van den individu als zoodanig liggen4 ,de vrucht van die aanschouwing is de kunst4 ,de kunst herhaalt de door belangelooze kontemplatie opgevatte eeuwige ideen2 naar gelang van de stof1 waarin zij herhaalt1 heet zij beeldende kunst1 pozie of muziek4 ,haar eenige oorsprong is kennis der ideen2 haar eenig doel mededeeling dier kennis4--,terwijl de wetenschap den rusteloozen stroom van gronden en gevolgen naspeurt1 nooit aan het doel is1 steeds verder wordt gewezen1 nooit het einde bereikt1 nooit volle bevrediging schenkt1 even weinig als men door loopen het punt kan bereiken waar de wolken den horizont aanraken1 is de kunst daarentegen overal aan haar doel4 ,want zij beurt het voorwerp van hare kontemplatie uit den wereldloop omhoog en stelt het1 los van al het andere1 tegenover zich3 terwijl het in dien stroom een verdwijnend klein deel was1 wordt het1 daaraan ontrukt1 vertegenwoordiger van een universum1 quivalent van het in ruimte en tijd oneindig vele4 ,de kunst blijft dus staan bij het afzonderlijke ding2 het rad van den tijd houdt zij vast2 de betrekkingen verdwijnen voor haar2 enkel het wezenlijke1 de idee1 is haar objekt4 ,het wezen van het genie bestaat in een overwegend vermogen tot zoodanige kontemplatie4 ,genialiteit is een objektieve geestesrichting1 waarbij eigenbelang geheel ter zijde wordt gesteld1 de persoonlijkheid tijdelijk buiten spel blijft en er enkel een subjekt van zuivere kennis1 een klaar wereldoog overblijft1 en dat maar niet voor enkele oogenblikken1 maar zoo aanhoudend en met zooveel bezonnenheid als noodig is om het typisch aanschouwde door middel van kunst weer te geven en wat in nevelachtige gestalten voor oogen zweeft1 in duurzame gedachten vast te leggen4 ,buitengewone sterkte van fantasie is onmisbare voorwaarde van genialiteit4 ,immers zonder fantasie zou de horizont niet verder reiken dan persoonlijke ervaring2 het is noodig uit het weinige1 dat de werkelijkheid onder ons bereik brengt1 het overige op te bouwen en zoo schier alle mogelijke levensbeelden aan zich te laten voorbijtrekken4 ,ook zijn de werkelijke dingen slechts zeer gebrekkige exemplaren der daardoor uitgedrukte idee4 ,het genie heeft dus fantasie noodig om in de dingen niet dat te zien1 wat de natuur werkelijk heeft voortgebracht1 maar wat zij heeft willen voortbrengen1 terwijl zij bij dat werk1 door den strijd der vormen onderling om een en hetzelfde stuk materie1 belemmerd werd4 ,doch al begeleidt sterke fantasie alle genialiteit1 daaruit volgt niet dat ieder1 die veel fantasie heeft1 ook een genie zou zijn4 ,zooals men een werkelijk ding op tweerlei wijze beschouwen kan3 zuiver objektief als een middel tot kennis der idee1 en op alledaagsche wijze1 in verhouding tot andere dingen en tot den persoonlijken wil1 zoo kan ook het beeld der fantasie op tweerlei trant worden gebezigd3 tot het scheppen van een kunstwerk1 doch eveneens tot het bouwen van luchtkasteelen1 die zelfzucht en eigen luim bevredigen1 tijdelijk vermaken en iets voorgoochelen4 ,wie zich met dit laatste spel bezighoudt is een fantast3 licht zal hij de beelden1 waaraan hij in de eenzaamheid zijn hart ophaalt1 met de werkelijkheid doen samenvloeien en zich voor het leven ongeschikt maken4 ,bij het neerschrijven van visioenen ontstaan zoo de romans van allerhande soort1 die het groote publiek medeslepen1 daar de lezer zich in de plaats van den held gaat droomen en dan de schildering heel gemoedelijk vindt4 ,de gewone mensch1 die fabriekwaar der natuur1 zooals ze er dagelijks duizenden te voorschijn brengt1 is tot een onbaatzuchtige beschouwing van eenigszins langen duur niet in staat2 hij kan zijn opmerkzaamheid slechts in zoover op de dingen richten1 als ze1 zij het dan ook zijdelings1 in betrekking staan tot zijn wil4 ,maar daarvoor is het voldoende en meestal zelfs nuttiger ze onder afgetrokken begrippen te brengen2 dus verwijlt zijn blik niet lang bij eenig voorwerp1 maar snel zoekt hij de rubriek1 waarin het te huis behoort1 zooals de luiaard een stoel zoekt2 dan heeft hij er mee afgedaan4 ,bij kunstwerken1 schoone natuurgewrochten1 bij het in al zijne fazen zoo belangwekkend tooneel des levens verwijlt hij niet2 hij spoort zijn eigen weg op1 kijkt uit naar alles wat misschien eenmaal zijn weg zou kunnen worden1 verzamelt plaatsbeschrijvende bizonderheden3 met de komtemplatie als zoodanig verliest hij geen tijd4 ,de man van genie daarentegen1 bij wien het kenvermogen het overwicht heeft1 en dus1 althans ten deele1 aan den dienst van den wil zich onttrekt1 streeft er naar de idee van ieder ding te doorgronden en verzuimt vaak op zijn eigen weg in het leven te letten1 bewandelt dien dikwijls onbeholpen genoeg4 ,terwijl voor den gewonen mensch het kenvermogen de lantaarn is1 die zijn weg verlicht2 is het voor den genialen mensch de zon1 die de wereld bestraalt4 ,geniale individuen hebben meestal de gebreken1 welke het verzuimen van die manier van kennen na zich sleept1 waardoor de wetenschap tot stand gebracht en het leven wijs en redelijk wordt ingericht4 ,het is een geluk voor hen1 dat de felle en spontane inspanning1 welke voor een willooze opvatting der ideen vereischt wordt1 niet onafgebroken kan voortduren2 dat zij gedurende groote tusschenruimten bijna in ieder opzicht met gewone menschen gelijk staan4 ,vandaar dat men ten allen tijde het werken van het genie als een inspiratie heeft opgevat1 als bezieling door een bovenmenschelijke macht1 die periodiek den individu in bezit neemt4 ,gedurende zulke tijden hapert het aan scherpe opvatting van causaalbetrekkingen en beweegredenen1 en is dus een geniaal mensch1 in zoover en zoolang als hij dat is1 uit een praktisch oogpunt onwijs4 ,ook staat de aanschouwelijke kennis1 op wier gebied de idee te huis behoort1 lijnrecht over aan de redelijke en afgetrokken kennis1 die zich door het beginsel van den afdoenden grond laat leiden4 ,vandaar dat groote genialiteit en groote redelijkheid meestal niet gepaard gaan en omgekeerd geniale individuen dikwijls door onredelijke en hevige hartstochten worden meegesleept4 ,de oorzaak daarvan is niet zwakte van het redevermogen1 maar ten deele de buitengewone energie1 die het geniale individu eigen is1 en zich in heftigheid van al zijn wilshandelingen openbaart1 deels het overwicht van de beschouwende kennis door zinnen en verstand op de abstrakte1 welke uit kleurlooze begrippen bestaat3 derhalve is de indruk1 dien zij van het heden ontvangen1 zoo buitengewoon machtig en sleept hij hen mee tot niet-overlegde handelingen4 ,daar hun kennis zich1 ten deele althans1 aan den dienst van den wil onttrokken heeft1 denken zij in het gesprek niet zoozeer aan den persoon tot wien1 als wel aan de zaak1 waarover zij spreken1 die hun levendig voor den geest staat2 ze oordeelen onpartijdiger dan hun belang medebrengt en vertellen wat liever had moeten worden verzwegen2 zij hellen over tot alleenspraken en vertoonen vele zwakke kanten1 die aan waanzin doen denken4 ,dat genialiteit en waanzin aan elkander grenzen1 ja in elkander overgaan1 is dikwijls opgemerkt2 zelfs heeft reeds ,horatius de geestdrift van den dichter een beminnelijken waanzin genoemd4 ,pope zegt3 ,great wits to madness sure are near allied1 ,and thin partitions do their bounds divide4 ,aan waanzin is de groote geest verwant1 ,en beiden scheidt slechts een zeer dunne wand4 ,bij veelvuldig bezoek van krankzinnigenhuizen heb ik enkele lijders met onmiskenbaar grooten aanleg aangetroffen2 hun genialiteit scheen duidelijk door den waanzin heen1 die echter geheel de overhand had4 ,dit kan niet toevallig zijn1 want het aantal waanzinnigen is betrekkelijk zeer klein1 terwijl een geniaal individu een hoogst zeldzame uitzondering mag heeten4 ,ik wil kort mijn meening zeggen over den grond van de verwantschap tusschen waanzin en genialiteit4 ,de kennis van den waanzinnige heeft met die van het dier gemeen1 dat beiden tot het aanwezige beperkt zijn4 ,toch is er verschil4 ,het dier heeft geen voorstelling van het verleden1 ofschoon het door de kracht der gewoonte er de werking van ondervindt2 na jaren herkent de hond zijn vroegeren meester1 d4w4z4 ondervindt bij zijn aanblik den ouden indruk4 ,doch van den sedert verloopen tijd herinnert het dier zich niets4 ,de waanzinnige daarentegen draagt in zijn rede een valsch beeld van het verleden met zich rond en onder den invloed van dat beeld is hij niet in staat van het heden op de juiste manier partij te trekken1 iets wat het dier wel vermag4 ,dat heftig geestelijk leed1 onverwachte ontzettende gebeurtenissen dikwijls waanzin veroorzaken1 verklaar ik op de volgende wijze4 ,voorzoover leed als werkelijke gebeurtenis tot het heden beperkt blijft1 is het voorbijgaande en niet ondragelijk zwaar2 overmatig groot wordt het eerst als blijvende smart1 maar als zoodanig steunt het op het geheugen en is het dus gedachte2 wanneer nu een uiterst smartelijk weten of herdenken een zoo ontzettende kwelling is1 dat zij niet langer te dragen is en de individu er onder bezwijken zou1 dan grijpt de in de engte gedreven natuur naar den waanzin als naar het laatste middel om het leven te redden2 de zoo fel gepijnigde geest verscheurt den draad van het geheugen1 vult de leemten met waanvoorstellingen aan en ontvlucht op die wijze zijn verdriet1 gelijk men een door koud vuur aangetast been afzet en het door een houten vervangt4 ,als voorbeeld noem ik den razenden ,ajax1 ,koning ,lear en ,ophelia4 ,hoewel scheppingen van het genie1 zijn ze aan levende personen gelijk te stellen4 ,een zwakke overeenkomst met dezen overgang van smart tot waanzin is dat wij allen een pijnlijke herinnering1 die ons plotseling invalt1 werktuigelijk door heftige bewegingen of luide klanken trachten te verjagen om zoo met geweld ons zelven te verstrooien4 ,men lette ook hierop1 dat de geniale mensch de kennis van den samenhang der dingen uit het oog verliest4 ,en geval geldt bij hem voor duizende1 n ding vertegenwoordigt bij hem een geheele soort4 ,het objekt van zijn beschouwing verschijnt hem in zoo helder licht1 dat de schakels der keten1 waardoor het met allerlei andere dingen verbonden is1 verduisterd worden1 en dat juist is weer een punt van overeenkomst met den waanzin4 ,wat in het voorhanden ding slechts onvolkomen en door bijomstandigheden verzwakt aanwezig is1 wordt door de beschouwingswijze van het genie tot volkomenheid verheven4 ,zoo ziet het genie overal uitersten en vervalt ook zijn handelen tot uitersten4 ,hij weet de rechte maat niet te treffen4 ,hij kent de ideen1 maar niet de individuen4 ,dikwijls heeft men opgemerkt1 dat een dichter1 die den mensch diep en grondig doorziet1 zich door de menschen om den tuin laat leiden en een speeltuig is in de handen van den listige4 ,het vermogen om ideen te aanschouwen1 ieder genie in buitengewone mate eigen1 komt ook den gewonen sterveling in geringer graad toe2 anders zou hij evenmin in staat zijn de gewrochten der kunst te genieten als ze zelf voort te brengen1 en zouden woorden als schoonheid en verhevenheid voor hem louter klanken zijn4 ,het sthetisch welbehagen is een en hetzelfde1 het moge door een werk der kunst of door aanschouwing van natuur en leven te voorschijn worden geroepen4 ,dat uit het kunstwerk de idee duidelijker tot ons spreekt dan uit de natuur of het leven1 moet daaraan worden toegeschreven1 dat de kunstenaar in staat is alle storende toevalligheden1 welke den glans der idee in de werkelijkheid verduisteren1 opzettelijk weg te laten4 ,de kunstenaar laat ons door zijne oogen in de wereld kijken4 ,dat hij die oogen heeft1 waardoor hij het typische der dingen ontdekt1 is natuurgave1 maar techniek1 verworven kunst is het1 dat hij ons door zijn oogen kan doen zien4 ,alle willen ontspruit uit behoefte1 dus uit gebrek1 dus uit lijden4 ,aan dat lijden maakt de vervulling der behoefte een einde4 ,maar tegenover n wensch1 die wordt bevredigd1 blijven er ten minste tien onvoldaan4 ,de verlangens gaan tot in het oneindige1 het begeeren duurt lang1 maar de voldoening wordt kortstondig en karig toegemeten4 ,dikwijls is ze zelfs niet meer dan schijnbaar4 ,de bevredigde wensch maakt terstond voor een nieuwen plaats4 ,gene blijkt de reeds gekende1 deze is de nog onbekende dwaling4 ,duurzame1 niet meer wijkende bevrediging is door niets te verschaffen4 ,de vervulde behoefte is gelijk een aalmoes den bedelaar toegeworpen2 zij rekt zijn leven voor heden1 zoodat hij morgen opnieuw zijn ellende zal kunnen gevoelen4--,daarom1 zoolang ons bewustzijn vol is van ons willen1 zoolang wij aan den drang der wenschen met zijn gedurig hopen en vreezen ons overgeven1 valt ons geen blijvend geluk1 geen rust te beurt4 ,hetzij wij genot najagen of onheil ontvlieden1 in den grond der zaak komt dat op hetzelfde neer3 de zorg voor den steeds eischenden wil1 onverschillig onder welke gestalte1 neemt het bewustzijn in beslag en zweept het voortdurend verder4 ,zonder rust geen echt welzijn4 ,zoo ligt het subjekt van het willen voortdurend op het draaiende rad van ,ixion1 het schept bestendig in het doorzeefde vat der ,danaden1 het is de eeuwig smachtende ,tantalus4 ,gaat men daarentegen op in aanschouwing1 vergeet men zijn individualiteit1 verliest men zich in het objekt1 daar het buiten alle betrekking tot andere objekten en ons zelf wordt opgevat1 komt het als idee van zijn soort tegenover ons te staan en wordt zoo de mensch willoos subjekt van kennis1 dan zijn voorwerp en subjekt beiden uit het gewoel des tijds omhoog gebeurd en komt het op hetzelfde neer of men uit een kerker dan wel uit een paleis de zon prachtig ziet ondergaan4 ,zulk een toestand1 waarbij het kennen het overwicht heeft op het willen1 kan1 indien de vereischte stemming des gemoeds er is1 in iedere omgeving worden te voorschijn geroepen4 ,dit toonen ons de voortreffelijke ,nederlanders1 die hun objektieve beschouwing op de meest onbeteekenende dingen richten en een duurzaam monument van hun geestesrust in hun stillevens0 ons te aanschouwen geven4 ,wie die doeken ziet1 voelt zich ontroerd1 daar ze hem den stillen1 rustigen1 willoozen gemoedstoestand van den kunstenaar vertegenwoordigen1 die noodig was om zoo nietige dingen met zoo groote liefde gade te slaan1 en het beschouwde zoo bezonnen weer te geven2 terwijl het beeld ons oproept om aan dergelijke stemming deel te hebben1 wordt onze ontroering misschien nog verhoogd door de tegenstelling met ons eigen onrustig1 heftig1 troebel willen4 ,in denzelfden geest hebben dikwijls landschapschilders1 in het bizonder ,ruysdael gearbeid en zoo dezelfde werking op nog blijder trant te voorschijn geroepen4 ,thans zal men begrijpen1 hoe de door hartstochten voortgezweepte1 door nood en zorgen gekwelde plotseling zich verkwikt1 opgevroolijkt en overeind gericht kan gevoelen1 wanneer het hem gelukt zich aan den slavendienst van den wil voor een oogenblik te ontworstelen en een enkelen vrijen blik op een schoon natuurtafereel te richten4 ,die zaligheid van het willooze aanschouwen is het ten slotte1 welke over het verleden en het vr-afzijnde een zoo tooverachtig licht uitgiet en door zelfmisleiding dat alles veel fraaier doet schijnen dan het was4 ,immers als we lang verloopen dagen in een ver verwijderd oord ons voorstellen1 dan zijn het de dingen alleen1 die onze fantasie terugroept1 niet het subjekt van het willen1 dat toen evenzeer als thans zijn ongeneeselijk leed met zich ronddroeg4 ,dit laatste is vergeten1 omdat het sedert voor zoo menig ander verdriet heeft plaats geruimd4 ,nu werkt de objektieve aanschouwing in de herinnering op dezelfde manier als de tegenwoordige dat zou doen1 indien wij maar in staat waren ons willoos aan haar over te geven4 ,daardoor komt het dat1 vooral wanneer wij meer dan gewoonlijk door nood en angst ons gekweld gevoelen1 de plotselinge herinnering aan tooneelen uit het verleden en aan ver afgelegen oorden1 als een verloren paradijs aan ons voorbijvliegt4 ,de sthetische toestand van zuivere aanschouwing wordt1 gelijk vanzelf spreekt1 het gemakkelijkst geboren wanneer de voorwerpen door rijkdom en bepaaldheid van gestalte duidelijke vertegenwoordigers van hunne ideen en dus in den objektieven zin des woords schoon zijn4 ,dat is de reden waarom licht het meest verblijdende van alle dingen is en als symbool van al het goede en zegenrijke geldt4 ,in alle godsdiensten beteekent het3 eeuwig heil--maar duisternis daarentegen verdoemenis4 ,er komt bij1 dat het zien niet1 gelijk de aandoening van andere zinnen1 op zich zelf reeds aangenaam of onaangenaam behoeft te zijn2 eerst de in het verstand geboren aanschouwing brengt het objekt in betrekking met den wil4 ,reeds bij het gehoor is dit anders3 geluiden kunnen rechtstreeks pijnlijk zijn of streelend1 afgezien van harmonie en melodie4 ,het gevoel is nog meer aan dezen onmiddellijken invloed op den wil onderworpen3 toch is er een tasten1 dat niet met smart of wellust gepaard gaat4 ,reuk en smaak daarentegen bezorgen altijd lust of onlust4 ,de beide laatstgenoemde zinnen zijn dus het meest door den wil bezoedeld1 en heeten daarom de onedele1 of wel1 zooals bij ,kant1 de subjektieve zinnen4 ,de blijdschap over het licht is enkel blijdschap over de objektieve mogelijkheid van zuivere1 aanschouwelijke kennis1 waarbij de wil op nonactiviteit is gesteld en dus het sthetisch genot tot zijn recht kan komen4 ,men denke maar eens aan de groote schoonheid1 welke de afspiegeling der voorwerpen in het water te voorschijn toovert4 ,wanneer echter die voorwerpen1 wier door licht bestraalde gestalten ons tot kontemplatie uitnoodigen1 vijandig staan tegenover het menschelijk lichaam door hun allen weerstand verpletterende overmacht1 of wel door hun onmetelijken omvang den mensch dwingen zijn nietigheid te gevoelen1 terwijl bij de beschouwing1 ofschoon dat alles waargenomen en erkend wordt1 het met opzet buiten rekening blijft1 de mensch dus met geweld zich losscheurt van zijn wil1 ten einde enkel kennend subjekt te zijn1 hij zich zoo boven zichzelf verheft1 dan vervult hem het gevoel van het verhevene1 dan beseft hij wat verhevenheid is4 ,er is verschil tusschen gevoel voor het verhevene en dat voor het schoone3 bij het laatste wint het zuivere kennen zonder strijd de bovenhand1 daar de eigenaardigheid van het objekt waardoor het zijn idee afspiegelt1 zonder weerstand en dus onmerkbaar den wil tot zwijgen brengt1 de in zijn dienst staande kennis van verhoudingen uit het bewustzijn verwijdert en zoo enkel het zuiver objekt der kennis overblijft2 bij het verhevene daarentegen wordt die toestand van zuivere kennis eerst daardoor gewonnen1 dat men met geweld zijn aandacht aftrekt van de vijandige betrekkingen1 waarin het objekt tot ons staat1 en men zich dus vrij1 met bewustzijn1 boven het met lust en onlust rekening houdend inzicht verheft4 ,die verheven stemming moet niet enkel gewonnen1 maar ook gehandhaafd worden1 gaat dus gepaard met voortdurend denken aan den wil1 doch niet aan individueel willen1 zooals vreezen of wenschen1 maar aan menschelijk willen in het algemeen1 in zoover het door zijn objektieve verschijning1 het menschelijk lichaam1 wordt uitgedrukt4 ,indien een werkelijk bepaald willen in het bewustzijn optrad ten gevolge van persoonlijk gevaar1 waarmede het objekt ons bedreigde1 dan zou de zoo in beweging gebrachte individueele wil terstond de bovenhand erlangen1 de rust der kontemplatie verstoord worden1 de indruk van het verhevene verloren gaan1 voor angst plaats maken2 de individu zou trachten zich te redden en daarbij iedere andere gedachte uit het bewustzijn verdrongen worden4 ,uit een objektief oogpunt is er geen wezenlijk verschil tusschen het schoone en het verhevene1 want in beide gevallen is het voorwerp der sthetische beschouwing niet het enkele ding1 maar de daarin zich openbarende idee1 welke met tijd en zelfs met ruimte niets te maken heeft1 want niet de mij voor oogen zwevende uitgebreide gestalte1 maar de uitdrukking1 de beteekenis er van1 haar innerlijk wezen1 dat wat zich voor mij ontsluit en mij toespreekt1 ziedaar de idee1 welke bij groot verschil van ruimte- en tijdsbetrekkingen geheel dezelfde kan zijn4 ,daar in ieder ding de wil op zekeren trap van zijn ontwikkeling verschijnt1 en het dus uitdrukking van een idee is1 moet ieder ding schoon heeten4 ,het bleek ons reeds1 dat zelfs het meest onaanzienlijke in de ,nederlandsche schilderschool zich als schoon bewaarheidt1 daar het onbaatzuchtige beschouwing gedoogt4 ,schooner is evenwel het eene dan het andere daardoor1 dat het tot die zuiver objektieve beschouwing uitnoodigt1 ja er als het ware toe dwingt1 in welk geval wij iets zeer schoon noemen4 ,zoo is de mensch meer dan alle andere schepselen schoon en de openbaring van zijn wezen het hoogste doel der kunst1 want de idee die uit dit schepsel spreekt1 openbaart ons den wil op den hoogsten trap van zijn ontwikkeling4 ,menschelijke gestalte en uitdrukking van menschelijk zieleleven bekleeden in de beeldende kunst de voornaamste plaats1 zooals het menschelijk handelen in de pozie den eersten rang inneemt4 ,toch heeft ieder ding zijn eigenaardige schoonheid1 en dat geldt zelfs van het onbewerktuigde1 het vormlooze4 ,hier openbaren zich de ideen1 welke de wil op de laagste trappen van zijn ontwikkeling inneemt1 en die om zoo te zeggen de diepste1 nagalmende bastonen der natuur doen weerklinken4 ,de bouwkunst1 enkel als schoone1 niet als nuttige kunst opgevat1 heeft geen ander doel dan de ideen1 welke de wil op de laatste trappen inneemt1 tot duidelijke aanschouwing te brengen3 zwaarte1 cohesie1 vastheid1 hardheid1 de algemeene eigenschappen van den steen1 doch daarenboven nog het licht1 dat in menig opzicht een tegenstelling met die eerste1 eenvoudigste1 dofste zichtbaarheden van den wil vormt4 ,zelfs hier openbaart zich het wezen van den wil in tweedracht1 want eigenlijk is de strijd tusschen zwaarte en vastheid het eenige sthetische motief der architektuur2 dien strijd op menigvuldige wijze volkomen duidelijk te voorschijn te doen treden1 is hare taak4 ,zij vervult ze door aan die onverdelgbare krachten den kortsten weg tot hare openbaring te versperren en ze langs een omweg te leiden1 waardoor de strijd verlengd en het onuitputtelijk streven van beide krachten op menigvuldige wijze zichtbaar wordt4 ,de gansche steenmassa zou1 aan haar oorspronkelijke neiging overgelaten1 een enkelen klomp uitmaken1 zoo nauw mogelijk met den aardbodem verbonden1 want dat is het1 waartoe de zwaarte1 als hoedanig de wil hier verschijnt1 onophoudelijk dringt1 terwijl de vastheid1 eveneens openbaring van den wil1 weerstand biedt4 ,maar1 zooals gezegd1 die neiging1 dat streven wordt door de bouwkunst verplicht langs een omweg zijn bevrediging te zoeken4 ,zoo worden de balken gedwongen1 door middel van de zuilen1 niet rechtstreeks1 de aarde te drukken2 het gewelf moet zich zelf dragen en enkel door tusschenkomst van de pilaren kan het zijn streven naar omlaag voldoen4 ,maar juist door die belemmeringen ontvouwen zich de krachten1 welke in de ruwe steenmassa huizen1 zoo duidelijk en veelzijdig mogelijk3 verder kan het zuiver sthetisch doel der bouwkunst niet gaan4 ,de schoonheid van een gebouw bestaat in de zichtbare doelmatigheid van ieder deel1 niet ten opzichte van het daarbuiten liggend doel des menschen1 maar ten opzichte van de stevigheid van het geheel2 tot haar moet ieder onderdeel door zijn plaats1 zijn grootte1 zijn vorm in zoo noodwendige verhouding staan1 dat1 wanneer het kon worden weggenomen1 het gansche gebouw zou instorten4 ,want slechts in zoover als ieder deel zooveel draagt als het voegzaam kan1 en juist daar en in die mate gesteund wordt als noodwendig is1 ontplooit zich de strijd tusschen vastheid en zwaarte1 welke het leven1 de wilsuitingen van den steen zijn1 tot volkomen zichtbaarheid4 ,voor willekeur mag er bij dit alles geen plaats zijn4 ,de vorm van ieder deel moet door zijn bestemming en zijn verhouding tot het geheel zijn bepaald4 ,zoo is b4v4 de gewonden zuil smakeloos4 ,voor het sthetisch genot van een bouwwerk is het onontbeerlijk van zijn materie1 wat haar gewicht1 cohesie en vastheid betreft1 een rechtstreeksche1 aanschouwelijke kennis te hebben1 en onze vreugde over zoodanig werk zou door de mededeeling1 dat het uit puimsteen bestond1 zeer verzwakken1 want dan zou het een schijnvertooning zijn4 ,het eenige en bestendige thema is hier steun en last2 de grondwet luidt3 geen last zonder voldoenden steun1 geen steun zonder daarvoor passenden last4 ,ik herinner mij bij ,cicero gelezen te hebben1 dat hij1 door de straten van ,athene wandelende1 tot zijn verbazing1 enkel leelijke menschen zag4 ,waar hebben dan de groote beeldhouwers hunne heerlijke godengestalten vandaan gehaald6 ,schopenhauer1 die over alles heeft nagedacht1 weet ook op die vraag een antwoord4 ,dat wij allen de menschelijke schoonheid opmerken1 wanneer wij haar zien1 en dit in den echten kunstenaar met zooveel klaarheid geschiedt1 dat hij haar toont1 zooals hij haar nooit gezien heeft1 dat hij dus de natuur in zijn werk overtreft1 is slechts op ne wijze te verklaren3 wij zelve zijn de wil1 wiens hoogste openbaring3 ht menschelijk lichaam1 hier beoordeeld en gevonden wordt4 ,daardoor alleen kunnen wij vooruitloopen op wat de natuur zich inspant om voort te brengen2 de wil der natuur is hier ons eigen wezen2 het echte genie heeft maar een half woord noodig om de natuur te verstaan en zuiver uit te spreken wat zij stamelende ten gehoore brengt2 zoo gelukt het hem de schoonheid van den vorm in het harde marmer uit te drukken1 en1 het door hem geschapen beeld aan de min of meer mislukte gewrochten der natuur overstellende1 deze laatste als het ware toe te roepen3 dt was het1 wat gij zeggen wildet60 ,ja01 zegt de kenner1 dat was het60 ,de mogelijkheid1 dat zoo de kunstenaar het ideaal van menschelijke schoonheid aan zich zelf ontleent1 en dat de kenner1 als hij het in beeld tegenover zich ziet staan1 het als zoodanig waardeert1 berust hierop1 dat kunstenaar en kenner beiden het an sich0 der natuur1 de zich verwerkelijkende wil zelve zijn4 ,want enkel het gelijke wordt door het gelijke verstaan4 ,enkel natuur kan zich zelve doorgronden1 enkel geest kan geest begrijpen4 ,voor sthetisch genot en artistieke schepping is het noodig de ideen der dingen te aanschouwen1 welke geheel iets anders zijn dan de op de dingen passende begrippen4 ,het begrip is afgetrokken1 enkel bepaald in zoover het grenzen trekt1 binnen zijn eigen sfeer geheel onbepaald4 ,het is door definitie voor mededeeling vatbaar4 ,de idee daarentegen is een visioen in alle mogelijke opzichten volkomen bepaald2 zij vertegenwoordigt op volmaakte en aanschouwelijke wijze het begrip en ook de oneindige menigte afzonderlijke dingen1 welke onder het bereik van het begrip vallen4 ,het begrip is uit de veelheid afgeleide eenheid1 maar de idee is de oorspronkelijke eenheid1 welke ten gevolge van onze waarnemingsvormen1 ruimte en tijd1 in veelheid uiteenvalt4 ,de idee roept in hem1 die haar aanschouwt1 nieuwe voorstellingen op2 zij is als een levend met teelkracht uitgerust organisme1 dat iets nieuws voortbrengt4 ,het begrip is1 hoe nuttig en bruikbaar ook voor leven en wetenschap1 eeuwig onvruchtbaar voor de kunst4 ,daarentegen is de idee de echte en eenige bron van ieder kunstwerk4 ,in haar krachtige oorspronkelijkheid ontspruit zij uit het leven zelf1 uit de wereld1 maar enkel in dien mensch1 die door de geestdrift van het genie bezield wordt4 ,juist omdat de idee aanschouwelijk is en blijft1 schept de kunstenaar zonder doel1 gelijk de ,god van ,spinoza2 hij kan van zijn werken geen rekenschap geven2 hij arbeidt1 gelijk de menschen het uitdrukken1 enkel door gevoel gedreven1 onbewust1 instinktmatig4 ,de nabootsers daarentegen1 zij1 die zich een zekere manier hebben eigen gemaakt1 gaan in de kunst van het begrip uit2 zij merken op wat het is1 dat bij de echte kunstwerken behaagt1 vormen zich daarvan een duidelijk begrip1 bootsen het nu in het geheim met wijs opzet na4 ,als parasieten zuigen zij hun voedsel uit vreemde werken en vertoonen gelijk polypen de kleur van dat1 waarop zij teren4 ,de domme menigte van zeker tijdstip1 die zelve eveneens slechts begrippen kent en daaraan hecht1 neemt wat de manier van den dag vertoont met bijval op1 maar na weinige jaren reeds is zulk maakwerk ongenietbaar1 want de tijdgeest is een andere geworden1 d4i4 de heerschende begrippen1 waarin die niet-geniale gewrochten wortelen konden1 zijn verouderd en door nieuwe vervangen4 ,de echte kunstgewrochten daarentegen1 welke rechtstreeks uit de natuur1 uit het leven zijn geput1 blijven eeuwig jong en eeuwig frisch4 ,een allegorie is een kunstwerk1 dat iets anders beteekent dan het te aanschouwen of te lezen geeft1 nl4 een begrip4 ,hier moet dus beeld of schilderij een gedachte opwekken1 welke het woord op veel volkomener wijze rechtstreeks kan uitdrukken4 ,het doel der kunst1 voorstelling van een aanschouwelijke idee1 wordt zoo uit het oog verloren4 ,wanneer de samenhang tusschen het teeken en het beteekende geheel conventioneel is1 dan hebben wij met die soort van allegorie te maken1 welke symbool is4 ,zoo is de roos symbool van het zwijgen1 de laurier van den roem1 de schelp van het pelgrimschap enz4 ,de ,grieksche beeldhouwkunst richt zich tot de aanschouwing en is dus sthetisch2 die van ,hindostan tot het begrip en is dus symbolisch4 ,het voorbeeld van ,winckelmann1 die de allegorie1 in plaats van haar als vreemd aan de kunst te verwerpen1 overal in bescherming neemt en als hoogste doel der kunst de aanduiding van algemeene begrippen noemt1 bewijst1 dat men zeer gevoelig kan zijn voor kunstschoon en daarover juist oordeelen1 zonder nochtans van het wezen van schoonheid en kunst rekenschap te kunnen geven1 gelijk men edel en deugdzaam in hooge mate kan zijn en een fijn geweten hebben1 dat nauwkeurig als een goudschaal in ieder bizonder geval beslist wat goed en behoorlijk is1 zonder dat men daarom de ethische beteekenis van handelingen op wijsgeerigen trant weet te doorgronden en in woorden uit te drukken4 ,te midden van de schoone kunsten neemt volgens ,schopenhauer de muziek een geheel eigen plaats in4 ,om de theorie1 die hij over haar ontvouwt1 juist te vatten1 moeten wij op het volgende letten4 ,voor opzettelijk handelen1 dat doel zal treffen1 wordt kennis vereischt4 ,het intellekt is volgens ,schopenhauer dan ook oorspronkelijk enkel bestemd om motieven aan het handelen te verschaffen4 ,vandaar dat bij de dieren en zelfs bij de meeste menschen de lust om waar te nemen gaat kwijnen1 zoodra er niets mee te bereiken valt4 ,bij sommigen is er echter een overschot van verstandelijke kracht1 dat tot aanschouwing kan worden besteed1 welke1 aan de doeleinden van den wil gemeten1 nutteloos en daarom juist zuiver objektief is4 ,als er niet gevraagd wordt naar de betrekkingen waarin een ding1 rechtstreeks of zijdelings1 mogelijkerwijze tot den wil staat1 er dus niet gelet wordt op de plaats waar en den tijd waarin1 niet op de oorzaken waardoor en de middelen waartoe1 als men m4a4w4 alleen het voorwerp in het oog vat1 dan staat men1 wel niet tegenover den wil1 die zich in dat ding vertoont1 want wil wordt enkel gekend door bewustzijn van eigen streven1 maar tegenover de idee1 die zich in het verschijnsel afspiegelt4 ,dan is men zonder begeerte en louter kennend subjekt4 ,dan ondervindt men den wellust1 die extase heet2 dan verliest men zich in het aanschouwde4 ,ziedaar het genot1 dat door alle kunsten bezorgd wordt1 met uitzondering van de muziek4 ,zij alleen brengt ons niet met aanschouwelijke ideen in betrekking1 maar ontsluiert ons den grond van al het aanschouwelijke1 het wezen aller wezens1 den wil4 ,in dit gedeelte van ,schopenhauer's schoonheidsleer laten zich twee partijen van ongelijke waarde onderscheiden4 ,op fantastische wijze1 als een echt romantikus1 trekt hij een hoogst willekeurige parallel tusschen de wereld der geluiden en de wereld der ideen4 ,de grondbas met zijn diepe tonen vertegenwoordigt de onbewerktuigde stof2 de hoogere tonen heeten overeenkomst te hebben met planten en dieren2 de intervallen van de toonladder duiden de scheiding der levende wezens in verschillende soorten aan enz4 ,aantrekkelijker dan deze poging om in alles1 wat op muzikaal gebied gevonden wordt1 een kosmisch symbool te ontdekken1 is zijne beschouwing over de ontroering1 die zich van den mensch meester maakt1 bij het luisteren naar een voortreffelijk toondicht4 ,de muziek is een zoo groote en heerlijke kunst1 werkt zoo machtig op het gemoed1 wordt zoo volledig als een algemeene taal door ieder beschaafd mensch verstaan1 overtreft zoozeer in duidelijkheid zelfs de aanschouwelijke wereld1 dat wij zeker meer in haar te zoeken hebben dan het onbewust tellen1 waarvoor ,leibnitz haar hield1 daar hij enkel op de uitwendige schaal en niet op de kern lette4 ,ware zij niets meer dan dat1 zoo moest de bevrediging1 welke zij verschaft1 gelijksoortig zijn aan die1 welke wij bij de juiste uitkomst van een rekensom gevoelen1 en ze kon niet die zalige vreugde zijn1 waarmede wij de diepste diepten van ons wezen vertolkt gevoelen4 ,om de sthetische werking der muziek te verstaan1 moeten wij haar een veel ernstiger en dieper beteekenis toekennen1 die op het innerlijk wezen van wereld en mensch betrekking heeft4 ,de getalsverhoudingen1 waarin zij zich laat oplossen1 kunnen hoogstens enkel als teekenen gelden4 ,het doel van alle overige kunsten is ons met de ideen bekend te maken2 daar onze wereld niets anders is dan de verschijning van ideen in veelheid van dingen1 is de muziek1 die alle ideen overslaat1 van de wereld der verschijnselen geheel onafhankelijk4 ,muziek zou1 als zij zonder instrumenten kon bestaan1 ook al ware de wereld er niet1 toch kunnen genoten worden1 wat zich niet van de overige kunsten zeggen laat4 ,muziek is even rechtstreeksche afspiegeling van den wereldwil als de wereld zelve dat is4 ,daardoor juist is de werking der muziek zooveel machtiger dan die der overige kunsten3 want deze spreken enkel van de schaduw1 zij van het wezen4 ,begrip is hier1 gelijk overal in de kunst1 onvruchtbaar4 ,de komponist openbaart het diepste wezen der wereld en spreekt de hoogste wijsheid uit in een taal1 die zijn rede niet verstaat1 gelijk de magnetische somnambule mededeelingen doet over dingen1 van welke zij in wakenden toestand geen besef heeft4 ,daarom is bij den komponist1 meer dan bij iemand anders1 de mensch van den kunstenaar geheel te scheiden4 ,juist omdat de muziek het innerlijk wezen der wereld vertolkt en nooit tot het verschijnende zelf in rechtstreeksche betrekking staat1 kan zij geen uitdrukking geven aan bizondere1 bepaalde blijdschap1 droefheid1 ontzetting1 onder die en die omstandigheden1 maar slechts de vreugde1 de smart1 den jubel1 de gemoedsrust1 om zoo te zeggen in het afgetrokkene1 het wezenlijke van dat alles1 zonder eenig bijwerk1 ten gehoore brengen4 ,toch verstaan wij haar volkomen4 ,dat is de reden waarom onze fantasie zoo licht door haar in beweging wordt gebracht en dan beproeft die onzichtbare en toch zoo levendig tot ons sprekende geestelijke wereld met vleesch en been te bekleeden1 haar dus in een analoog voorbeeld te belichamen4 ,ziedaar de oorsprong van het gezang met woorden en ten slotte van de opera1 maar een groote fout is het1 wanneer datgene1 wat hoofdzaak moet zijn1 de muziek1 daarbij in ondergeschikte stelling geraakt4 ,juist de algemeenheid van de muziek1 waardoor het buiten hare macht ligt bizondere gebeurtenissen te vertolken of bepaalde toestanden aan te wijzen1 schenkt haar de hooge waarde1 welke zij als geneesmiddel van menschelijk lijden heeft4 ,wanneer dus de muziek te zeer zich bij de woorden tracht aan te sluiten en naar de gebeurtenissen zich tracht te schikken1 dan beproeft zij een taal te spreken1 die de hare niet is4 ,van deze fout heeft ,rossini zich meer dan iemand anders vrij gehouden2 zijne muziek spreekt zoo duidelijk en zuiver haar eigen taal1 dat zij de woorden in het geheel niet noodig heeft1 en1 enkel met instrumenten uitgevoerd1 hare volle werking blijft uitoefenen4 ,uit de innige verhouding1 waarin de muziek tot het ware wezen van alle dingen staat1 is ook dit te verklaren1 dat1 wanneer begeleidende muziek ten volle past bij een handeling1 gebeurtenis1 tooneelinrichting1 omgeving1 zij als de duidelijkste kommentaar daarop zich gelden doet2 eveneens is het hem1 die zich aan den indruk van een symfonie geheel overgeeft1 als zag hij alle mogelijke gebeurtenissen des levens aan zich voorbijtrekken2 toch kan hij1 wanneer hij zich bezint1 geen overeenkomst aangeven tusschen het toondicht en de dingen die hem voor den geest zweven4 ,immers de muziek is daarin van alle andere kunsten verschillend1 dat ze geen afbeelding van de wereld der voorstelling1 maar van den wil zelven is en dus niet het physische maar het metaphysische tot uitdrukking brengt4 ,men zou de wereld evengoed een belichaming van muziek als van wil kunnen noemen4 ,het onuitsprekelijk innige van muziek1 dat haar als een paradijs doet zijn1 waarin wij geheel ons tehuis gevoelen1 terwijl het toch onmetelijk ver van ons af ligt1 dat volkomen begrijpelijke en toch zoo vreemde van muziek1 vindt daarin zijn oorsprong1 dat ze alle bewegingen van de diepste diepten onzer ziel wedergeeft1 maar geheel buiten de werkelijkheid om en dus zonder eenige bezoedeling met 's levens ellende4 ,de wereld als voorstelling is de spiegel1 waarin de wereld als wil zich zelf aanschouwt4 ,oorspronkelijk is de wil blinde1 doffe drang2 enkel daar1 waar kennis1 met andere woorden voorstelling1 geboren wordt1 komt de wil tot zelfbewustzijn1 bespeurt hij1 wat het is1 dat hij wil1 dat hij namelijk niet anders wil dan deze wereld1 het leven juist zooals het is4 ,tevens ontdekt de wil dan dat de individuen voor hem geen waarde hebben en dat het hem enkel om de soorten te doen is4 ,op naeve wijze verkondigt zoo de natuur deze groote waarheid1 dat uitsluitend de ideen werkelijkheid bezitten4 ,de juiste theorie der geslachtsliefde is geheel in overeenstemming met deze leer1 gelijk wij thans zien zullen4 ,alle verliefdheid1 hoe etherisch zij zich ook moge aanstellen1 wortelt enkel in het sexueele verlangen en is enkel een nader bepaald1 op dit of dat individu gericht instinkt4 ,wanneer men1 dit in aanmerking nemende1 de gewichtige rol gadeslaat1 welke de liefde1 in al haar graden en schakeeringen1 niet enkel op het tooneel en in de romans1 maar ook in de werkelijke wereld vervult1 waar zij1 naast de liefde tot het leven zich als de sterkste van alle drijfveeren openbaart1 de helft der krachten en gedachten der jongere menschheid voortdurend in beslag neemt1 het laatste doel van bijna ieder menschelijk streven is1 op de gewichtigste aangelegenheden den nadeeligsten invloed erlangt1 de ernstigste bezigheden ieder oogenblik doet afbreken1 soms zelfs de helderste hoofden voor een wijle in verwarring brengt1 zich niet ontziet te midden van de verhandelingen der staatsmannen en de onderzoekingen der geleerden storend met haar nesterijen in te grijpen1 haar liefdesbrieven en haarlokken1 zelfs in portefeuilles van ministers en manuscripten van philosofen1 weet binnen te smokkelen1 niet minder dagelijks de hevigste en meest ingewikkelde twisten doet ontbranden1 de hechtste banden verscheurt1 betrekkingen van de allerhoogste waarde ontbindt1 nu eens leven of gezondheid1 dan weer rijkdom1 aanzien en voorspoed tot haar offer kiest1 ja den braafste gewetenloos1 den trouwste verraderlijk maakt1 dus over het geheel genomen als een vijandige demon optreedt1 die er op uit is verwarring te stichten en alles omver te werpen2--dan met men wel uitroepen3 ,waartoe al die drukte8 ,waartoe dat dringen en razen1 die angst en die nood8 ,het komt er toch maar op aan1 dat ieder ,hans zijn ,gretchen krijgt3 waarom moet zulk een kleinigheid een zoo gewichtige rol spelen1 en telkens stoornis en verwarring te weeg brengen in het wl geordende menschelijke leven8--,de geest der waarheid antwoordt hier aan iederen ernstigen denker3 het is geen kleinigheid die hier op het spel staat1 het geldt hier een zaak1 gewichtiger dan alle andere doeleinden1 en daarom de diepe ernst1 waarmee ieder haar behartigt1 ten volle waard4 ,dt namelijk1 wat hier beslist moet worden1 is niets minder dan de samenstelling der volgende generatie4 ,door die beuzelachtige minnarijen wordt uitgemaakt1 welke handelende personen op het tooneel zullen werkzaam zijn1 wanneer wij zelve zullen zijn afgetreden4 ,en van de samenstelling van dat op ons volgende geslacht hangen weer tallooze later komende geslachten af4 ,dit hooge gewicht der zaak1 waarbij het niet om wl en wee van thans levende individuen1 maar om bestaan en karakter van het menschelijk geslacht in toekomstige tijden gaat1 heeft ten gevolge1 dat de wil van den enkeling hier in verhoogde macht als wil der soort te voorschijn treedt2 dit is het1 waarop het pathetische en het verhevene van alle liefdesaangelegenheden1 het alles te boven gaande van hare verrukkingen en smarten berust1 wat de dichters in talrijke voorbeelden sedert duizenden van jaren niet moede worden ons voor oogen te stellen2 geen onderwerp is zoo belangrijk als dit1 daar het hier het wel en wee der soort betreft en dus tot alle overige1 welke slechts het welzijn der enkelingen raken1 zich als een lichaam tot een vlak verhoudt4 ,daarom juist is het zoo moeielijk een drama zonder minnehandel belangrijk te doen zijn en daarom geldt het hier een thema1 dat zelfs door het dagelijksch gebruik niet afgezaagd wordt4 ,wat in het bewustzijn zich voordoet als het sexueele verlangen op een bepaald individu gericht1 is op zich zelf de wil als een bepaald individu geboren te worden4 ,in dit geval weet de geslachtsdrift1 ofschoon op zich zelve een subjektieve behoefte1 zeer geschikt het masker van objektieve bewondering aan te nemen en zoo het bewustzijn om den tuin te leiden2 tot bereiking van hare doeleinden heeft de natuur die krijgslist van noode4 ,dat het echter1 hoe objektief en hoe verheven ook die bewondering moge schijnen1 bij alle verliefdheid toch enkel om de voortbrenging van een bepaald individu te doen is1 wordt vooral daardoor bevestigd1 dat niet weerkeerige liefde1 maar bezit1 als hoofdzaak hier beschouwd wordt4 ,de zekerheid van beantwoorde liefde kan nooit over het gemis aan bezit troosten2 integendeel heeft menigmaal zulk een toestand tot zelfmoord geleid4 ,daarentegen neemt iemand1 die hevig verliefd is1 wanneer hij zijn liefde niet beantwoord kan krijgen1 het desnoods met de door geschenken afgekochte gunst van een vrouw of ook met verkrachting voor lief4 ,bij iederen liefdesroman is het doel1 ook al begrijpen de partijen het zelve niet1 dat er dit of dat bepaalde kind worde verwekt2 de manier1 waarop dit doel bereikt wordt1 is bijzaak4 ,hoe luide ook de gevoelvolle1 verliefde paartjes zich tegen het grove realisme van dergelijke beschouwing mogen verzetten1 toch dwalen zij4 ,werkelijk is het de toekomstige generatie in haar individueele bepaaldheid1 die1 bij al de omslachtigheden en eindelooze bemoeienissen tot het erlangen der geliefde vrouw1 er naar hunkert om te voorschijn te treden4 ,de aanwassende genegenheid van een minnend paar is eigenlijk reeds de drang om te leven van het nieuwe individu1 dat zij zouden kunnen en zouden willen verwekken2 ja1 in de blikken vol verlangen1 waarmede zij elkander aanzien1 ontvlamt reeds het nieuwe leven en kondigt het zich aan als een toekomstige1 harmonisch samengestelde individualiteit4 ,het egosme is een zoo diep gewortelde eigenschap bij alle individuen dat1 wil men ze aan het werk zetten1 zelfzuchtige doeleinden de eenige zijn1 waarop men met zekerheid rekenen kan4 ,nu heeft zeker de soort op het individu een nader1 hooger en ouder recht dan het voorbijgaande individu op zich zelf3 wanneer echter het individu voor bestaan en welzijn der soort zorgen en zelfs offers brengen moet1 dan kan aan zijn intellekt1 dat er enkel op ingericht is om zelfzuchtige doeleinden na te streven1 het gewicht dier aangelegenheid niet zoo duidelijk worden gemaakt1 dat er dienovereenkomstig gehandeld wordt4 ,derhalve kan in zoodanig geval de natuur haar doel slechts daardoor bereiken1 dat zij den individu een zekeren waan in het gemoed plant1 ten gevolge van welken hem als een goed voor hem zelf toeschijnt wat in waarheid slechts een goed voor de soort is1 zoodat hij de soort dient1 terwijl hij meent zich zelf te dienen2 bij welke gebeurtenis hem een hersenschim voor den geest zweeft1 die als beweegkracht de plaats van werkelijkheid inneemt en bestemd is onmiddellijk daarna te verdwijnen4 ,deze waan is het instinkt4 ,in de allermeeste gevallen is instinkt de genius der soort1 welke datgene wat der soort ten nutte komt door den wil verrichten doet4 ,de uitwendige verschijning van het instinkt nemen wij het best bij de dieren waar1 doch de binnenzijde er van kunnen wij1 gelijk al het innerlijke1 enkel aan ons zelven leeren kennen4 ,nu is het een zeer bepaald1 hoogst samengesteld instinkt1 dat de keuze van een individu voor geslachtsbevrediging met zoo diepen ernst en groote eigenzinnigheid juist op een bepaalden persoon richt444 ,de duizelingwekkende verrukking1 die zich van den man bij den aanblik van juist die en geen andere vrouw meester maakt en hem de vereeniging met haar als het hoogste goed voorspiegelt1 is een instinkt1 dat op het welzijn der soort is gericht1 terwijl de mensch zich verbeeldt enkel zijn eigen genot te zoeken4 ,inderdaad ontsluiert zich hier het wezen van alle instinkt4 ,het is een werken1 dat meestal door een bepaald doel1 n4l4 het welzijn der soort1 wordt geleid1 terwijl in werkelijkheid dat doel niet tot het besef van den werkenden individu komt4 ,de zorgvuldigheid1 waarmede een insekt een bepaalde bloem of vrucht of de een of andere larve opzoekt1 om juist dr zijn eieren te leggen1 en1 om dat te bereiken1 moeite noch gevaar ontziet1 vertoont groote overeenkomst met die1 waarmede een man de vrouw uitkiest tot geslachtsbevrediging en daarbij zijn eigen levensgeluk dikwijls opoffert of zelfs door misdaad als echtbreuk of verkrachting zijn doel weet te bereiken1 en dat alles om aan den souvereinen wil der natuur te gehoorzamen en ten koste van den individu het belang der soort te dienen4 ,een waan is het1 die den man voorgoochelt1 dat hij in de armen van een bepaalde vrouw en van geen andere een oneindig grooter bevrediging zal vinden2 dus meent hij voor zijn eigen genot zich moeite en opoffering te getroosten1 terwijl het er enkel om te doen is1 dat een bepaald individu1 dat enkel van dat ouderenpaar afkomstig kan zijn1 in het aanzijn zal treden4 ,overeenkomstig deze opvatting ziet ieder verliefde1 wanneer hij eindelijk zijn doel bereikt heeft1 zich wonderlijk ontgoocheld en bevreemdt het hem1 dat de hartstochtelijk begeerde gemeenschap geen grooter geluk schonk1 dan hij ook elders had kunnen vinden4 ,dit alles werpt licht op het instinkt1 dat den vogel zijn nest doet bouwen1 het insekt naar prooi doet jagen1 die1 voor dat diertje zelf ongenietbaar1 als voedsel voor de toekomstige larven naast de eieren wordt gelegd4 ,al die dieren worden ongetwijfeld door een waan geleid1 welke den dienst der soort achter het masker van een egostisch doel verbergt4 ,in dit verband wijst ,schopenhauer er vervolgens op1 dat de man naar afwisseling haakt1 terwijl de vrouw in den regel aanhankelijk blijft aan den individu harer keuze4 ,hij verklaart dit uit het doel der natuur1 dat op behoud en sterke vermeerdering der soort gericht is2 de man kan in korten tijd een talrijk nakroost verwekken1 terwijl de vrouw in dienzelfden tijd slechts n kind kan ter wereld brengen4 ,ook drijft de natuur de vrouw om den voeder en beschermer der kinderen voor zich te behouden4 ,echtelijke trouw is voor den man1 volgens ,schopenhauer1 een kunstmatig verkregen produkt der beschaving1 terwijl zij voor de vrouw natuurlijk is en echtbreuk bij haar1 niet enkel wegens de gevolgen1 maar ook om zijn tegennatuurlijk karakter1 veel onvergeeflijker is dan bij den man4 ,schopenhauer vat zijne beschouwing in deze woorden samen3 ,het liefdesverlangen1 door de dichters van alle tijden op alle wijzen bezongen1 terwijl het onderwerp onuitputtelijk blijft1 dat verlangen1 waardoor aan het bezit van een bepaalde vrouw de voorstelling van oneindige zaligheid wordt vastgeknoopt1 terwijl de gedachte dat zij buiten zijn bereik zou kunnen blijven den man onuitsprekelijk doet lijden1 dat verlangen en die pijn der liefde kunnen niet wortelen in de behoeften van een vergankelijk individu2 hier hooren wij de verzuchtingen van den genius der soort1 welke in tegenstelling met den individu oneindig leven heeft1 en dus voor oneindige wenschen en oneindige smarten vatbaar is4 ,maar die wenschen en smarten zijn opgesloten in de enge borst van een sterveling1 welke onder dien machtigen druk schijnt te willen barsten4 ,alleen de genius der soort is in staat om met n blik te zien1 welke waarde voor hare doeleinden een zeker paar menschen kan hebben4 ,de groote hartstochten ontstaan dan ook in den regel bij den eersten aanblik4 ,daarom is het verlies der geliefde door een mededinger of door den dood voor den vurigen minnaar een smart1 die alle andere te boven gaat4 ,zij treft hem niet enkel als individu1 maar grijpt hem aan in zijn eeuwig wezen1 in het leven der soort1 tot welks lastdrager en wilsuitvoerder hij geroepen werd4 ,om die reden is ijverzucht zoo grimmig en pijnlijk en is er geen grooter offer denkbaar dan van een geliefde te moeten afstand doen4 ,een held schaamt er zich voor jammerkreten te slaken1 maar liefdesklachten laat hij hooren1 want in dezen is het niet hij zelf1 maar de soort1 die haar schreiende stem verheft4 ,het lijdt geen twijfel of ,wagner heeft zich o4 a4 bij zijn schepping van ,tristan en ,isolde door ,schopenhauer tot die hooge opvatting der liefde laten bezielen1 volgens welke zij oneindig meer is dan een festijn1 waaraan een paar menschen in hun wittebroodsweken zelfzuchtig te gast gaan4 ,,fragmenten ,,uit ,,ueber ,,den ,,willen ,,in ,,der ,,natur0 ,reeds ,copernicus heeft gezegd3 ,ik geloof1 dat de zwaarte niets anders is dan een natuurlijk verlangen1 hetwelk aan alle deelen der stof door den ,schepper is ingeblazen1 zoodat zij er naar streven zich saam te voegen en een kogelgestalte aannemen4 ,dit streven schijnt ook aan zon1 maan en andere planeten eigen te zijn1 waardoor zij hunne ronde gestalte handhaven04 ,ook ,herschel heeft duidelijk ingezien1 dat1 wanneer wij niet gelijk ,cartesius alle beweging door van buiten komenden stoot willen verklaren1 wij een wil moeten aannemen1 welke in de dingen woont4 ,wij staan voor dit alternatief3 f den oorsprong van iedere beweging in een uitwendige oorzaak te zoeken1 f in het bewogene zelf een innerlijken drang te leggen4 ,zoodanigen drang kunnen wij ons niet anders verklaren dan als verwant aan datgene1 wat in ons wil is4 ,het verschil tusschen ons en de niet-bewerktuigde natuur is enkel dit1 dat bij ons de richting van den wil niet eenzijdig loodrecht op het middelpunt der aarde is gericht1 maar1 naar gelang van de beelden die het intellekt ons verschaft1 met noodwendigheid nu eens hierheen dan weder daarheen streeft4 ,dat het wezen der krachten in de ons omringende natuur identisch is met den wil in ons1 kan door niemand1 die ernstig nadenkt1 betwijfeld worden4 ,wanneer die waarheid een paradox schijnt1 bewijst dat enkel1 dat zij een zeer gewichtige ontdekking moet heeten4 ,het is duidelijk dat als wij het woord wil in zoo ruimen zin nemen1 het enkel een term is voor een onbekende zaak4 ,wat wij in onszelf als wil aantreffen1 is volgens ,schopenhauer geen ,an sich01 maar een verschijnsel er van4 ,hij noemt het een ,urphnomen01 een oorspronkelijk verschijnsel1 maar dan is het onbetwistbaar toch niet de werkelijkheid1 welke aan alle verschijnselen ten grondslag ligt4 ,leugen en bedrog1 die overal in de wereld veelvuldig zijn1 hebben nergens een zoo vrije speelruimte als daar1 waar de wetten der natuur verklaard worden te zijn opgeheven4 ,intusschen kan er aan de werkelijkheid van dierlijk magnetisme en van sommige sympathetische genezingen niet getwijfeld worden4 ,om aan al zoodanige geheimzinnige verschijnselen met een voornamen glimlach voorbij te gaan1 moet men de wereld al zeer begrijpelijk vinden1 er niet het minste besef van hebben1 dat wij door een zee van raadselen zijn omgeven en rechtstreeks noch de dingen1 noch ons zelve doorgronden4 ,juist de aan deze oppervlakkige gezindheid tegengestelde bewerkt1 dat bijna alle groote mannen van alle tijden en alle volken een zekeren zweem van bijgeloof hebben vertoond4 ,wanneer onze natuurlijke wijze van kennen een zoodanige ware1 dat ze rechtstreeks de dingen op zich zelve en de verhoudingen1 waarin ze tot elkander staan1 ons deed peilen1 dan zouden wij inderdaad het recht kunnen hebben alle voorwetenschap van de toekomst1 alle verschijningen van afwezigen1 van stervenden1 ja van gestorvenen1 alle magische inwerking bij voorbaat en onvoorwaardelijk te verwerpen4 ,wanneer echter1 zooals ,kant meent1 wat wij leeren kennen enkel verschijnselen zijn1 wier vormen en wetten niet voor de dingen op zich zelve gelden1 dan is zoodanige verwerping voorbarig1 daar in dat geval de dingen op zich zelve1 waartoe ook ons eigen innerlijk zelf behoort1 niet aan die wetten onderworpen zijn4 ,die dingen kunnen dus in verhoudingen tot ons staan1 die magische gebeurtenissen ten gevolge hebben1 en alleen de ervaring moet in dat geval beslissen1 of en in hoever dat plaats grijpt4 ,de bewegingen van het eigen lichaam zijn ten volle onverklaarbaar en moeten aan een bovennatuurlijken invloed van den wil worden toegeschreven4 ,waarom1 zoo dacht men1 zou die wil zich ook niet tot andere lichamen kunnen uitstrekken8 ,hiertoe den weg te vinden1 de afzondering1 waarin de wil zich in ieder individu bevindt1 op te heffen1 de sfeer van het rechtstreeksche willen te verruimen en het verder te doen reiken dan het eigen lichaam van den willenden persoon1 ziedaar de taak1 welke de magie zich stelt4 ,dierlijk magnetisme en sympathetische genezingen kunnen niets anders zijn dan een werken1 waarbij de wil1 die anders enkel binnen de grenzen van den willenden individu zijn rechtstreeksche kracht openbaart1 ook daar buiten optreedt4 ,door ondubbelzinnige getuigenissen is aan te toonen1 dat zij1 die in de oude magie dieper waren ingewijd1 eenstemmig al haar werkingen aan den wil van den zoogenaamden toovenaar vastknoopten4 ,dit is een sterk empirisch bewijs voor mijne leer1 dat datgene1 wat er nog buiten de voorstelling bestaat1 niets anders is dan wat wij in ons zelve als wil aantreffen4 ,wat men het verbond met den ,satan noemt is niets anders dan de inwerking van den boozen wil1 welke1 bijvoorbeeld door afgesneden haren te verbranden of door figuurtjes van was met naalden te doorboren1 zich wreekt op den een of anderen persoon4 ,het is wel merkwaardig dat zoodanige hekserij op de meest verschillende plaatsen der wereld en in alle tijden inheemsch is4 ,theurgie en dmonologie daarentegen zijn onzin4 ,wat magischen invloed uitoefent is niets anders dan de wil4 ,mogelijk is het1 zegt ,paraselsus1 dat zonder behulp van mijn lichaam1 enkel ten gevolge van mijn vurig begeeren1 mijn zwaard een vijand doorboort4 ,in het jaar #ahed heb ik het geluk gehad ,regazoni uit ,bergamo te zien werken4 ,zijne met hem in rapport staande somnambule bracht hij1 zoodra hij verkoos1 in een toestand van katalepsie2 hij kon bloot door zijn wil1 zonder een enkel gebaar te maken1 achter haar staande haar op den rug doen vallen4 ,hij kon haar verlammen1 in verstijvende kramp brengen1 haar uitgezette pupillen en volledige gevoelloosheid bezorgen4 ,een dame uit het publiek liet hij piano spelen1 en plotseling vijftien schreden achter haar staande verlamde hij haar1 enkel door zijn wil1 zoodat zij geen noot meer kon ten gehoore brengen4 ,hij tooverde haar vast tegen een zuil1 zoodat zij1 ondanks de grootste inspanning1 geen vin verroeren kon4 ,schopenhauer leert elders1 dat de onkreukbaarheid der natuurwetten schier huiveringwekkend is en dat het aan haar is toe te schrijven1 wanneer1 heden zoo goed als voor duizend jaren1 onder gelijke omstandigheden gelijke verschijnselen plaats grijpen4 ,het bevreemdende van dien regelmaat verdwijnt echter volgens hem1 wanneer men in aanmerking neemt1 dat ruimte1 tijd en causaliteit enkel vormen onzer kennis zijn en niets met den wil1 niets met het ding op zich zelf1 te maken hebben4 ,iedere zich openbarende natuurkracht is enkel de wil op een bepaalden trap van zijn verschijning en dus onveranderlijk4 ,wie dit voorziet1 begrijpt tevens dat uitzonderingen op natuurwetten onmogelijk zijn1 dat dus de keten der oorzaken en werkingen nergens en nooit door een oorspronkelijke kracht kan verbroken worden4 ,de vraag is hoe ,schopenhauer in strijd met dat alles magische verschijnselen kon aannemen4 ,die vraag klemt te meer1 wanneer men in aanmerking neemt1 dat volgens ,schopenhauer ieder lichaam zichtbare wil is4 ,het lichaam van den mensch is de zichtbare wil om als een mensch te leven1 de hersenmassa van een mensch de zichtbare wil om als een mensch te kennen en te denken4 ,wil en wereld zijn twee zijden van een en het zelfde4 ,dan begrijp ik niet hoe de eene zijde kan ingrijpen in de andere4 ,,fragmenten ,,uit ,,die ,,beiden ,,grundprobleme ,,der ,,ethik1 ,,behandelt ,,in ,,zwei ,,akademischen ,,preisschriften0 ,enkel door tijd en ruimte is er veelheid van het gelijksoortige1 verscheidenheid van individuen mogelijk4 ,maar tijd en ruimte zijn slechts kenvormen4 ,het is dus schijn1 dat de wil zich in een veelheid van individuen splitst4 ,deze veelheid treft niet den wil als ding op zich zelf1 maar enkel zijne verschijning2 in ieder individu is de wil geheel en ongesplitst voorhanden1 en aanschouwt hij om zich heen het tallooze malen herhaalde beeld van zijn eigen wezen4 ,dit wezen1 het in den echten zin werkelijke1 vindt ieder rechtstreeks in zijn innerlijk4 ,daarom wil ieder alles voor zich1 wenscht alles te bezitten1 ten minste te beheerschen2 wat hem weerstand biedt1 zou hij willen vernietigen4 ,hierbij komt1 dat1 althans bij de kennende wezens1 het individu tevens subjekt en dit drager der wereld is2 m4a4w4 de geheele natuur daar buiten1 alle overige individuen inkluis1 bestaan in zijn voorstelling2 hij heeft er bewustzijn van dat al zijn medeschepselen in zoover afhangen van zijn eigen bestaan1 dat met zijn bewustzijn noodzakelijk ook zijn wereld te gronde gaat4 ,ieder individu is dus mikrokosmos1 kleine wereld1 in zoover met den makrokosmos1 de groote wereld1 gelijkwaardig4 ,de altijd en overal waarachtige natuur zelve geeft hem1 oorspronkelijk en onafhankelijk van alle nadenken1 deze eenvoudige en onmiddellijk zekere kennis4 ,dat is de reden1 waarom ieder in het grenzeloos heelal verdwijnend individu zich zelf tot middelpunt der wereld maakt1 zijn eigen bestaan en welzijn boven al het overige behartigt1 ja al het andere bereid is daaraan op te offeren1 de wereld zou willen vernietigen om slechts zijn eigen zelf1 dien druppel in de zee1 iets langer in aanzijn te doen blijven4 ,deze gezindheid is het egosme1 dat ieder schepsel aankleeft4 ,in haar openbaart zich op vreeselijke wijze de innerlijke tweespalt van den wil met zich zelf4 ,want zij wortelt in de tegenstelling tusschen mikrokosmos en makrokosmos4 ,zij vindt daarin haar grond1 dat de wil in den vorm der individualiteit verschijnt1 zoo ontelbare malen en wel telkens op tweerlei wijze1 als wil en voorstelling1 geheel en volledig optreedt4 ,terwijl ieder dus zich zelf als wil in zijn geheel en als subjekt der wereld gevoelt1 gaan hem eigen bestaan en eigen welzijn boven alles ter harte4 ,naar zijn eigen dood ziet ieder uit als naar het einde der wereld1 terwijl hij het overlijden van zijn bekenden als een tamelijk onverschillige zaak opvat1 wanneer hij niet persoonlijk daarbij betrokken is4 ,waar het bewustzijn1 gelijk bij den mensch1 den hoogsten graad erlangt1 moet ook het zelfgevoel in de hoogste mate te voorschijn treden1 en dus de strijd tusschen de individuen onderling op de meest ontzettende wijze gevoerd worden4 ,het duidelijkst blijkt dit1 wanneer wet en overheid tijdelijk met onmacht geslagen zijn4 ,dan tracht ieder aan den ander te ontrukken wat hij zelf hebben wil1 en dat niet alleen1 maar1 om het eigen welzijn ook maar eenigszins te vermeerderen1 worden geluk en leven van anderen opgeofferd4 ,deze oorspronkelijke tweespalt van den wil met zich zelven is een onuitputtelijke bron van lijden1 ondanks alle dammen1 welke men daartegen heeft opgeworpen2 ja zij is de hoofdbron der ellende1 welke alle leven onvermijdelijk vergezelt4 ,behalve egosme huist er in den mensch ook nog eigenlijk gezegde boosaardigheid1 namelijk onzelfzuchtige vreugde over vreemd lijden4 ,de verklaring hiervan is de volgende4 ,daar de mensch verschijning van den wil is1 die door heldere kennis wordt bestraald1 meet hij de werkelijke en gevoelde bevrediging van zijn wenschen af naar wat als mogelijk zich aan hem voordoet4 ,zoo ontstaat de nijd3 iedere ontbering wordt door aanschouwing van vreemd genot feller gevoeld omgekeerd door te weten1 dat ook anderen hetzelfde missen1 dragelijker gemaakt4 ,het kwaad1 dat allen gemeenschappelijk hebben te verduren1 daar het van het menschenleven onafscheidelijk is1 bedroeft ons weinig2 zoo schikken we ons in de guurheid van het klimaat4 ,de herinnering aan grooter leed dan het onze stilt onze smart2 de aanschouwing van vreemd lijden tempert ons eigen leed4 ,wanneer nu een mensch1 die door een heftigen wilsdrang wordt bezield1 alles zou willen bijeengaren om den dorst van zijn egosme te lesschen1 en daarbij1 zooals noodzakelijk is1 ervaren moet1 dat alle bevrediging slechts schijnbaar is1 het erlangde nooit verschaft wat het1 toen het nog begeerd werd1 beloofde1 dat door de vervulling van een wensch de drang om te willen slechts van gestalte verandert en nu onder een nieuwen vorm gaat kwellen1 dat ten slotte1 wanneer alle begeerten zijn uitgeput1 de wilsdrang zelf1 ook zonder gekend motief1 overblijft en zich als gevoel van leegte en ontzettende verveling kond doet1 dan zoekt hij voor zijn ongeneeslijke ellende heul langs een omweg1 door den aanblik van vreemd lijden1 waaraan hij zich tevens om deze reden vergast1 dat het hem zijn macht over anderen toont4 ,ziedaar de oorsprong van wreedheid1 van bloeddorst1 waarvan de geschiedenis ons zoo menig voorbeeld geeft4 ,met boosaardigheid verwant is de wraakzucht1 die kwaad met kwaad vergeldt1 niet met het oog op de toekomst1 want dat is het karakter van straf1 welke1 indien zij redelijk is1 herhaling der slechte daad tracht te voorkomen1 en dus tot beveiliging wordt opgelegd1 maar enkel om wat er geschied is1 om wat achter ligt1 wijl men zich vergasten wil aan het leed van hem1 die eerst leed heeft berokkend4 ,wat wraak onderscheidt van eigenlijke boosheid en haar eenigermate verontschuldigt is een schijn van recht1 in zoover n4l4 dezelfde handeling1 die n wraak is1 wanneer zij in naam der wet1 dus volgens een vooraf bepaalden en bekenden regel in een maatschappij1 die haar bekrachtigd heeft1 plaats greep1 inderdaad straf en dus recht zou zijn4 ,hoe dicht ook de sluier van ,maja den zin van den egost moge omhullen1 hoe vast hij er dientengevolge van moge overtuigd zijn1 dat zijn persoon door een onoverkomelijke kloof van ieder ander gescheiden is1 en hoezeer hij ook aan die overtuiging moge vasthouden om er zijn egosme op te doen steunen1 want ook hier wordt1 gelijk zoo dikwijls1 het inzicht door den wil beheerscht1 toch verheft zich soms het donker besef1 dat die orde der dingen1 welke in tijd en ruimte bestaat1 en volgens welke de rampen1 die andere individuen treffen1 ons niet aangaan1 ijdele waan is4 ,op deze wijze laat zich de ontzetting verklaren1 welke een boosdoener over zijn eigen daad kan gevoelen3 het doemt in hem op1 dat hij en zijn slachtoffer n zijn1 dat de scheiding tusschen de individuen enkel een bedriegelijke droom is1 dat alle lijden van anderen in werkelijkheid ook zijn lijden is4 ,zoo wordt de gewetensangst geboren1 die den misdadiger tot zelfmoord kan drijven4 ,doch de dood gelijkt op den ondergang der zon1 die slechts in schijn door den nacht verzwolgen wordt1 maar inderdaad onophoudelijk gloed van zich geeft1 aan nieuwe werelden nieuwe dagen schenkt1 voortdurend verrijst en voortdurend ondergaat4 ,aanvang en einde treft enkel het individu door middel van den tijd1 vorm van alle verschijning4 ,buiten den tijd ligt alleen de wil1 ,kant's ,ding an sich01 en de volledige vertegenwoordiger van dien wil1 ,plato's idee4 ,daarom baat zelfmoord niet2 wat ieder in het diepst van zijn gemoed wil1 dat moet hij zijn1 en wat ieder is1 dat wil hij ook4 ,deze waarheid is het1 welke op mythische wijze door de leer der zielsverhuizing wordt uitgedrukt4 ,wat aan het geweten zijn angel geeft1 is enkel het gevoelde besef der nietigheid van de voorstellingsvormen1 waardoor de individuen van elkander worden afgezonderd4 ,het is dat zelfde besef1 waardoor het medelijden wordt verklaard4 ,immers dit onderstelt1 dat ik mij met een ander1 die lijdt1 vereenzelvigd heb en bij gevolg de slagboom tusschen ik en niet-ik1 voor het oogenblik althans1 is opgeheven4 ,slechts zoo wordt het lot van dien ander1 zijn behoefte1 zijn nood1 onmiddellijk het mijne4 ,in hem lijd ik mede1 ofschoon mijn huid niet zijne zenuwen omspant4 ,zelfs de hardvochtigste kent dat gevoel van medelijden bij tijd en wijle4 ,dagelijks openbaart het zich aan onze oogen1 overal waar een mensch een ander helpt en bijstaat1 ja misschien zijn leven voor iemand1 dien hij den eersten keer ziet1 in gevaar brengt1 zonder daarbij meer te denken dan dat die ander in grooten nood verkeert4 ,egosme1 boosaardigheid en medelijden1 ziedaar de drie oorspronkelijke drijfveeren van alle menschelijke handelingen1 die drie ingredinten1 waaruit het karakter van alles1 wat een menschengelaat vertoont1 is samengesteld4 ,het behoeft wel niet gezegd te worden1 dat die drie bestanddeelen in verschillenden graad bij verschillende personen worden aangetroffen en dat daaraan ieder zijn individueel karakter te danken heeft4 ,egosme1 dat het eigen welzijn wil1 levert handelingen op1 die ten deele verwerpelijk heeten1 ten deele uit een moreel oogpunt onverschillig zijn4 ,boosaardigheid1 die het vreemde leed wil1 is altijd slecht4 ,medelijden1 dat het vreemde welzijn wil1 is de bron waaruit goede handelingen ontspringen4 ,medelijden1 niet medevreugde1 is een oorspronkelijke drijfveer4 ,de grond daarvan is1 dat enkel lijden1 waartoe alle gebrek1 ontbering1 behoefte1 ja wensch behoort1 positief is1 rechtstreeksch ondervonden4 ,bevrediging1 genot1 geluk bestaat daarin1 dat een gemis is opgeheven1 een smart gestild4 ,zij zijn dus negatief4 ,behoefte1 onlust is voorwaarde van lust4 ,dit zag reeds ,plato in en maakte enkel voor de welriekende geuren en de geestelijke vreugden een uitzondering4 ,ook ,voltaire zegt3 il n'est de vrai plaisir qu'avec de vrais besoins04 ,dus het positieve1 het zich door zich zelf aankondigende1 is de smart2 bevrediging1 genot is het negatieve1 de eenvoudige opheffing van het eerste4 ,hierop vooral berust het1 dat slechts lijden1 gebrek1 gevaar1 hulpeloosheid van een ander rechtstreeks tot deelneming prikkelt4 ,de gelukkige1 tevredene als zoodanig laat ons onverschillig1 want zijn toestand is negatief4 ,natuurlijk kunnen wij ons wel over den voorspoed van anderen verheugen1 maar dit is dan een secundair verschijnsel en vindt daarin zijn oorzaak1 dat we ons vroeger over lijden bedroefden2 of wel wij nemen deel aan hun geluk1 niet omdat het geluk is1 maar omdat ons kind1 onze vader1 onze vriend1 hier door de fortuin wordt begunstigd4 ,zelfs waar het onzen eigen persoon betreft is het enkel lijden1 waartoe wensch1 behoefte1 ieder gemis te tellen is1 dat ons in beweging brengt2 een toestand van tevredenheid en voldaanheid laat ons in trage rust2 hoe zou het ten opzichte van anderen niet evenzoo zijn8 ,immers deelneming met anderen wortelt daarin1 dat wij ons met hen vereenzelvigen4 ,dit laatste wordt betwist door hen die meenen1 dat medelijden daarin wortelt1 dat wij ons in de plaats van den lijdenden persoon denken en zoo in de verbeelding zijne smarten ondergaan4 ,zoo is het geenszins2 voortdurend blijft het ons duidelijk1 dat de ander de lijder is1 niet wij2 juist in hem1 niet in ons ontdekken wij het lijden tot onze smart4 ,wij voelen zijn verdriet als het zijne en beelden ons niet in dat het ons verdriet is2 hoe gelukkiger juist onze eigen toestand is1 hoe grooter kontrast er dus bestaat met den toestand van den ander1 des te vatbaarder zijn wij voor het medelijden4 ,medelijden is een mysterie2 de verklaring ervan is niet op den weg der psychologie te bereiken2 zij wortelt in het inzicht1 dat de slagboomen tusschen de individuen slechts schijnbaar zijn en in werkelijkheid1 afgezien van tijd en ruimte1 er geen verschil is tusschen u en mij4 ,wanneer er iets is1 waaruit de bewonderenswaardige diepzinnigheid van ,kant duidelijk blijkt1 dan is het zijne leer van de idealiteit van tijd en ruimte4 ,hij heeft haar op zoo afdoende manier bewezen1 dat er niets meer tegen haar kan worden ingebracht en zij als een definitieve verovering op het gebied der metaphysica kan worden aangemerkt4 ,volgens haar zijn ruimte en tijd de vormen van ons eigen aanschouwingsvermogen en behooren zij dus niet aan de daardoor gekende dingen op zich zelve toe1 worden zij enkel in de wereld der verschijnselen aangetroffen4 ,maar als tijd en ruimte aan het echte wezen der wereld vreemd zijn1 dan is daaraan ook geen veelheid toe te kennen2 dus kan zich in de tallooze verschijnselen van het zinnelijk heelal slechts n en hetzelfde1 steeds identische wezen1 openbaren4 ,omgekeerd moet wat zich als veelheid1 dus in tijd en ruimte1 voordoet1 schijn zijn4 ,deze leer van al-eenheid is veel ouder dan ,kant1 zij wordt aangetroffen in het oudste boek der wereld1 de heilige ,veden1 wier dogmatisch deel1 in de ,upanischads voorhanden1 de wijsheid behelst voor de ingewijden bestemd4 ,hier vinden wij haar in tallooze wendingen uitgesproken en door beelden en gelijkenissen toegelicht4 ,wij treffen haar ook in de school der ,eleaten aan4 ,later waren er de ,neo-,platonici van doordrongen1 dat van wege de eenheid van alle dingen ook alle zielen n waren04 ,in de negende eeuw zien wij die leer onverwacht bij ,scotus ,erigena optreden1 die haar in de vormen en uitdrukkingen van den christelijken godsdienst hult4 ,onder de ,mohammedanen treffen wij haar als de mystiek der ,sufis aan4 ,ook de christelijke mystici worden door haar bezield4 ,spinoza's naam is met haar vereenzelvigd4 ,in onze dagen eindelijk1 nadat ,kant het oude dogmatisme had vernietigd en de wereld vol ontzetting voor de door hem aangerichte verwoesting terugbeefde1 werd zij weder door ,schelling in omloop gebracht4 ,het is wel merkwaardig1 dat het strenge bewijs der leer van de al-nheid enkel bij ,kant gevonden wordt en nogtans ,kant zelf die leer niet afgekondigd heeft3 op den trant van wijze redenaars gaf hij enkel de praemissen aan en gunde aan de toehoorders de vreugde om daaruit de conclusie te trekken4 ,meent men1 dat ieder individu een van alle anderen onderscheiden wezen is en dat men enkel in het eigen zelf een echt zijn heeft1 dat al het overige niet-ik en dus vreemd is1 dan belijdt men een stelling1 voor wier waarheid vleesch en bloed getuigenis afleggen1 die aan alle egosme ten grondslag ligt en waarvan de uitdrukking in iedere liefdelooze1 onrechtvaardige1 boosaardige1 handeling te vinden is4 ,kon hij1 die volgens dat inzicht handelt1 in het diepste innerlijk van zijn doodvijand binnendringen1 dan zou hij daar tot zijn verrassing zich zelf ontdekken4 ,evengoed als in den droom in alle ons verschijnende personen wij zelven steken1 is dat ook in wakenden toestand het geval1 ofschoon het dan niet zoo gemakkelijk is in te zien4 ,terwijl voor den booze of den egost alles wat buiten hem is niet-ik is1 zijn anderen voor een goed karakter3 ik nog eenmaal4 ,een beminnelijk mensch1 die in alles wat leeft zijn eigen zelf aanschouwt en lief heeft1 wiens bestaan derhalve met het bestaan van alle anderen samenvloeit1 verliest door den dood slechts een klein deel van zijn aanzijn2 hij leeft voort in alle overigen1 als de misleiding verdwijnt1 die zijn bewustzijn scheidde van dat der overigen4 ,dit zal wel1 zoo niet de eenige1 dan toch de hoofdreden zijn1 waarom zeer goede en zeer slechte menschen het stervensuur op zoo verschillende wijze te gemoet zien4 ,het medelijden1 vereenzelviging van ons zelf met anderen1 is de eenige bron van de twee kardinale deugden3 rechtvaardigheid en menschenliefde4 ,rechtvaardigheid1 die negatief is1 er zich voor wacht anderen kwaad te doen2 liefde1 die positief is1 er op uit anderen goed te doen4 ,is mijn gemoed voor medelijden ontvankelijk1 dan zal het mij terughouden vreemd lijden als middel te gebruiken tot bereiking van eigen geluk4 ,ik zal dus niet het eigendom en den persoon van een ander aantasten1 hem evenmin geestelijk als lichamelijk leed veroorzaken1 hem niet krenken1 ergeren1 angst aanjagen1 belasteren1 evenmin als ik hem verminken zal4 ,ik zal niet de bevrediging mijner lusten ten koste van het levensgeluk van vrouwen najagen1 niet de echtgenoote van een ander verleiden1 niet jongelingen zedelijk en lichamelijk ten gronde richten4 ,hier blijkt het dat wij goede beginselen noodig hebben1 want wanneer in ieder bizonder geval voor het nalaten van wat kwaad is het medelijden zelf in hooge mate moest worden opgewekt1 dan zou het wel eens te laat kunnen komen4 ,uit de eens voor altijd verkregen kennis van het lijden1 dat iedere onrechtvaardige handeling noodwendig voor anderen na zich sleept en dat door het gevoel van het zelf onrecht lijden1 van het pijnlijk zwichten voor vreemde overmacht1 verscherpt wordt1 vloeit in edele gemoederen de stelregel voort3 krenk niemand4 ,redelijk nadenken verheft dan dien regel tot het voor eens en immer vaste voornemen de rechten van een ieder te eerbiedigen1 niet uit baatzucht of boosheid in de levenssfeer van een ander in te dringen1 zich niet het zelfverwijt op den hals te halen dat men vreemd lijden veroorzaakt heeft1 dus zijn eigen deel van de lasten en rampen des levens zelf te dragen1 dit niet door geweld of list anderen toe te schuiven1 zoo niet de ellende van anderen te vergrooten4 ,ofschoon stelregels nooit de oorspronkelijke bron of het echte fundament van zedelijkheid zijn1 toch mag men ze voor een goeden levenswandel onontbeerlijk noemen1 want ze zijn de plaats waarin de gezindheid wordt voor anker gelegd1 die uit de bron der moraliteit1 welke niet onafgebroken vloeit1 ontsprongen is2 wanneer het nu later op handelen aankomt1 wordt zij door een afgeleid kanaal in de vereischte richting geleid4 ,zonder vaste stelregels zouden wij aan de onzedelijke drijfveeren1 wanneer ze door de omstandigheden in ons worden wakker gemaakt1 onweerstaanbaar zijn prijsgegeven4 ,het vasthouden en opvolgen van stelregels1 ondanks daartegen indruischende machten1 heet zelfbeheersching4 ,vrouwen zijn meestal minder goed in staat dan mannen om algemeene beginselen te begrijpen en tot richtsnoer te nemen1 daar zij1 ook uit het oogpunt der rede1 het zwakke geslacht zijn2 daarom staan zij in den regel achter bij de mannen in rechtvaardigheid1 eerlijkheid en nauwgezetheid van geweten4 ,zij vervallen eerder tot leugen en valschheid2 daarentegen overtreffen zij de mannen in barmhartigheid1 want hier is de aanleiding meestal aanschouwelijk en spreekt dus rechtstreeks tot het medelijden1 waarvoor de vrouwen zeer ontvankelijk zijn4 ,slechts het aanwezige1 het onmiddellijk voorhandene bestaat voor de vrouw in den eigenlijken zin des woords2 wat enkel door begrippen gekend wordt1 het afwezige1 verledene1 toekomstige1 is voor haar niet zoo bevattelijk4 ,dus is er kompensatie3 rechtvaardigheid is meer de mannelijke1 barmhartigheid meer de vrouwelijke deugd4 ,de gedachte vrouwen in den rechterstoel te plaatsen doet lachen2 maar als liefdezusters winnen zij het gewoonlijk van de broeders van barmhartigheid4 ,feitelijk is er ten allen tijde menschenliefde geweest1 maar theoretisch ter sprake gebracht en nadrukkelijk als deugd1 ja zelfs als de grootste van alle deugden erkend1 werd zij eerst door het ,christendom1 dat zelfs de vijanden niet van de werking dier liefde wilde buitensluiten4 ,daarin bestaat dan ook de grootste verdienste van het ,christendom1 ten minste voor ,europa1 want in ,azi gold reeds duizende jaren vroeger de regel1 dat men geen onderscheid moet maken tusschen zich zelf en anderen4 ,wanneer wij enkel op de theorie letten1 dan moeten wij erkennen1 dat de filosofen der europeesche oudheid1 zelfs ,plato meegerekend1 wl rechtvaardigheid1 vrijwillige1 onbaatzuchtige rechtvaardigheid aanbevolen hebben1 maar liefde en barmhartigheid nog niet als deugden hebben beschouwd4 ,liefde is het zedelijk motief1 als medelijden niet enkel weerhoudt een ander te krenken1 doch zelfs aanspoort hem te helpen4 ,de stelregel1 waarnaar die deugd zich richt1 luidt aldus3 help allen1 zooveel in uw vermogen is04 ,natuurlijk moeten de handelingen1 waarmee ik een ander bijsta1 niet mijn eigen welzijn op het oog hebben1 dus niet om loon in deze of een andere wereld verricht worden1 ook niet daarom dat ik door ze na te laten de achting der menschen of de achting voor mij zelf zou verliezen2 wanneer zulke beweegredenen in het spel zijn1 moet het liefdebetoon uit een zedelijk oogpunt onverschillig heeten4 ,zeer juist wordt dan ook in het evangelie van ,mattheus gezegd1 dat wie met zijn giften pronkt zijn loon weg heeft4 ,eveneens wordt in de ,vedas verzekerd1 dat wie loon voor zijn werken begeert1 nog op den weg der duisternis wandelt en niet rijp is voor de verlossing4 ,als de stelregel3 niemand te krenken door de handelingen van den rechtvaardige1 in toepassing wordt gebracht1 werkt het medelijden niet rechtstreeks1 maar toch blijft het steeds bereid om te voorschijn te treden4 ,stel b4v4 dat iemand in strijd met zijn beginsel lust bespeurt om een door hem gevonden kostbaar voorwerp te behouden1 dan zal1 met terzijdestelling van alle berekeningen van voorzichtigheid en van vrees voor het hiernamaals1 niets hem zoo gemakkelijk op het pad der rechtvaardigheid terugbrengen1 als de voorstelling van den angst1 het harteleed en de weeklachten van den verliezer4 ,in het besef van deze waarheid wordt dikwijls aan de oproeping in de dagbladen om verloren geld terug te brengen toegevoegd1 dat de verliezer een arm mensch is1 iemand die het niet missen kan4 ,deze beschouwingen zullen duidelijk maken1 dat rechtvaardigheid als echte1 vrije deugd1 inderdaad haar oorsprong heeft in medelijden4 ,men bedenke hierbij hoe gering de maat van vrijwillige1 onzelfzuchtige1 onopgesierde1 rechtvaardigheid is1 welke onder de menschen wordt aangetroffen1 hoezeer zij altoos als verrassende uitzondering voorkomt en tot haar namaak1 uit berekening voortvloeiende en overal luid rondgebazuinde rechtvaardigheid1 wat hoedanigheid en hoeveelheid betreft1 in dezelfde verhouding staat als goud tot koper4 ,ik zou de laatste de algemeene1 de andere de hemelsche rechtvaardigheid willen noemen1 want zij is het1 die volgens ,hesiodus in de ijzeren eeuw de aarde verliet1 om boven bij de goden te wonen4 ,voor deze zeldzame en op aarde steeds uitheemsche plant is de wortel van het medelijden sterk genoeg4 ,onrecht bestaat altijd in krenking van een ander4 ,dus is het begrip onrecht positief en gaat het vr aan het begrip recht1 dat negatief is1 en enkel de handelingen aanduidt1 die men verrichten kan1 zonder anderen kwaad te doen1 zonder onrecht te plegen4 ,het ligt voor de hand1 dat tot die sfeer van het recht ook alle handelingen behooren1 welke geen ander doel hebben dan onrecht af te weren4 ,immers geen medelijden met een ander kan mij er toe brengen mij gewillig door hem te laten benadeelen4 ,dat het begrip recht negatief is1 blijkt ook uit de verklaring1 die de vader der filosofische rechtsleer1 ,hugo ,grotius1 aan het begin van zijn werk over ,het ,recht van oorlog en vrede0 geeft in deze woorden3 ,recht beteekent hier niets anders dan wat rechtvaardig is1 en dit meer in een ontkennenden dan in een stellenden zin1 in zoover recht is1 wat geen onrecht is04 ,de negativiteit van het recht blijkt ook1 in strijd met den schijn1 uit de gewone definitie3 ieder het zijne geven04 ,is het 't zijne1 dan hoeft men het hem niet te geven2 de bedoeling is dus3 niemand het zijne nemen04 ,daar recht enkel negatief is1 laat het zich afdwingen1 want de regel doe niemand kwaad01 kan door allen gelijktijdig in praktijk worden gebracht4 ,het dwanginstituut daartoe is de ,staat1 wiens eenig doel is de enkelingen tegen elkander en het geheel tegen buitenlandsche vijanden te beschermen4 ,eenige filosofen van den tegenwoordigen tijd zouden den ,staat wel willen verdraaien tot een zedelijkheids- of opvoedingsinstituut1 maar dan komt men er licht toe om de persoonlijke vrijheid aan te randen1 de individueele ontwikkeling te belemmeren4 ,op dien weg is men vroeger tot inquisitie1 auto's da fe1 godsdienstoorlogen afgedwaald2 het woord van ,frederik den ,groote3 in mijn land moet ieder op zijn eigen faon voor zijn zaligheid kunnen zorgen0 gaf te kennen1 dat hij dien verkeerden weg nooit wilde betreden4 ,daarentegen zien wij ook thans nog overal1 met uitzondering misschien van ,noord-,amerika1 den ,staat de behartiging der metaphysische behoeften van zijn burgers op zich nemen4 ,de regenten schijnen tot hun beginsel de woorden van ,quintus ,curtius gekozen te hebben3 ,niets bestuurt den grooten hoop zoo zeker als het bijgeloof2 de in den regel teugellooze1 wreede en wankelmoedige massa gehoorzaamt1 als ze door godsdienstwaan wordt aangegrepen1 eer haar priesters dan haar overheden04 ,hier is het noodig voor het begrip plicht1 waaraan zoowel in de ethika als in het leven een te groote uitbreiding wordt gegeven1 de juiste grens te trekken4 ,onrecht is altijd krenking van een ander in zijn persoon1 zijn vrijheid1 zijn eigendom1 zijn eer4 ,dus schijnt te volgen1 dat ieder onrecht een werkelijke aanranding1 een daad moet zijn4 ,intusschen zijn er handelingen1 welke men niet nalaten kan1 zonder onrecht te plegen4 ,dat zijn de eigenlijke plichten4 ,ziedaar de juiste bepaling van het begrip plicht1 dat zijn eigenaardigheid geheel verliest1 wanneer men1 gelijk in de heerschende moraal1 iedere loffelijke handeling plicht noemt1 en dus vergeet1 dat wat plicht is ook schuld moet zijn4 ,plicht1 le devoir1 duty is een handeling1 welke men niet ongedaan kan laten1 zonder een ander te benadeelen4 ,maar dat kan slechts dn het geval zijn1 wanneer men zich tot een zoodanige handeling verbonden1 dus verplicht heeft4 ,alle plichten berusten op een uitdrukkelijke1 wederkeerige overeenkomst1 zooals tusschen vorst en volk1 regeering en beambten1 heer en knecht1 advokaat en clint1 geneesheer en zieke4 ,daarom geeft iedere plicht een recht1 want niemand kan zich verplichten zonder een motief1 zonder eenig voordeel voor zich er in te zien4 ,slechts n verplichting is mij bekend1 die niet op een overeenkomst berust1 maar eenvoudig uit een handeling voortspruit1 daar hij1 jegens wien men ze heeft1 nog niet bestond1 toen men haar aanvaardde3 het is die der ouders tegenover hunne kinderen4 ,wie een kind in de wereld brengt1 is verplicht het te onderhouden tot het zich zelf onderhouden kan1 dus onder omstandigheden levenslang4 ,dit alles schijnt hoogst eenvoudig1 maar ,schopenhauer1 die een denker is1 en dus de conclusies uit zijne prmissen weet te trekken1 voegt er aan toe3 ,geen plicht is het een hongerlijder brood te geven4 ,hard en onmenschelijk mag dat heeten1 maar van plicht behoort enkel daar sprake te zijn1 waar recht er aan over staat4 ,inderdaad is het verkeerd het begrip plicht z uit te breiden1 dat alles wat goed en loffelijk is er onder valt1 want de echte plichten komen dan in het gedrang en loopen gevaar voor het publiek besef hun bindend karakter te verliezen4 ,misbruik van de taal kan een nadeeligen invloed uitoefenen op de zeden van een volk en is dikwijls zelf een spiegel van bederf en karakterzwakte4 ,men moet dankbaarheid geen plicht noemen1 ook al is het uitblijven er van hatelijk en ergerlijk2 immers men kan niet beweren1 dat de weldoener een koop heeft willen sluiten en zich dus in zijn recht gekrenkt mag achten1 als hij geen dank te oogsten krijgt4 ,zoo is het ook beter het met de strikte rechtvaardigheid1 dan met de zoogenaamde billijkheid te houden2 wie zich in de eerste plaats vriend van billijkheid noemt1 loopt gevaar in voorkomende omstandigheden niet op zijn eigen recht te staan1 zelfs aan het recht van derden afbreuk te doen4 ,grootmoedigheid is heerlijk1 maar noodiger is stipte rechtvaardigheid4 ,vandaar de staatstaak om onrecht met geweld af te weren en zoo aan het grenzenlooze egosme1 de boosheid van velen1 de wreedheid van enkelen paal en perk te stellen4 ,zonder den dwang der wetten1 en de bescherming1 die door justitie en politie wordt uitgeoefend1 zou het blijken1 dat te midden van de duizenden1 die vreedzaam op straat naast en door elkander loopen1 tal van tijgers en wolven worden aangetroffen1 die zeer zeker een muilkorf van noode hebben4 ,waarop berust het groote verschil der menschen uit een zedelijk oogpunt8 ,als medelijden de gronddrijfveer is tot alle echte1 dus onbaatzuchtige rechtvaardigheid en menschenliefde1 waarom wordt de een wl1 de ander niet daardoor bewogen8 ,is misschien de ethika1 terwijl zij de zedelijke drijfveeren aanwijst1 ook in staat ze aan het werk te zetten8 ,kan zij den hardvochtigen mensch in een medelijdend en zoo in een rechtvaardig en liefderijk mensch omscheppen8--,stellig niet4 ,gelijk aan den slang gifttanden en giftblaas zijn aangeboren1 zoo is den boosaardige zijn boosheid aangeboren4 ,willen wordt niet door onderwijs aangeleerd01 heeft de opvoeder van ,nero gezegd4 ,reeds ,theognis verzekerde1 dat men door sermoenen van een slechtaard nooit een goed mensch zou kunnen maken4 ,wanneer niet het karakter als oorspronkelijk en onveranderlijk voor alle verbetering ontoegankelijk ware1 dan zouden de vele godsdienstige inrichtingen en moraliseerende genootschappen haar doel stellig niet gemist hebben en in doorsnede de oudere helft van ons geslacht beter zijn dan de jongere4 ,daarvan is echter zoo weinig een spoor te vinden1 dat wij omgekeerd eer van jongelieden dan van ouden grootmoedigheid en zielenadel verwachten4 ,het kan gebeuren1 dat een mensch1 als hij op jaren is gekomen1 beter of slechter schijnt dan hij in zijn jeugd was3 dit ligt slechts daaraan dat in den ouderdom1 tengevolge van juister en rijper kennis1 het karakter zuiverder te voorschijn treedt1 terwijl in de jeugd1 door onwetendheid1 dwalingen en hersenschimmen1 valsche motieven den wil kunnen bepalen4 ,want de motieven1 welke op een mensch invloed uitoefenen1 zijn niet1 gelijk bij het dier1 zonder uitzondering aanschouwelijke voorstellingen1 dus rechtstreeks aan de werkelijkheid ontleend1 maar dikwijls gedachten1 welke zoowel onjuist als juist kunnen zijn4 ,doch van welken aard de motieven ook mogen zijn1 voor welke een bepaald karakter op een zeker tijdstip toegankelijk is1 wanneer zij zich doen gelden1 werken zij met dezelfde noodzakelijkheid als oorzaken in het algemeen4 ,gelijk iedere werking in de onbezielde natuur het noodwendig produkt is van twee factoren1 namelijk van de hier zich uitende onveranderlijke natuurkracht en van de die uiting te voorschijn roepende afzonderlijke oorzaak1 zoo is iedere daad van een mensch het produkt van zijn individueel karakter en van het ingetreden motief4 ,zijn die beide gegeven1 dan volgt de daad onvermijdelijk4 ,om een andere daad te doen ontstaan1 zou er een ander motief of een ander karakter noodig zijn4 ,een mensch kan wat hij wil1 als hij niet stoffelijk gebonden is4 ,ziedaar het vrijheidsbesef1 waarvan het zelfbewustzijn getuigt4 ,maar wat hij wil en dus doet1 dat hangt af van zijn onveranderlijk karakter en van de motieven1 voor welke hij1 ten gevolge van zijn meerdere of mindere kennis1 ontvankelijk is4 ,wanneer de verzoekingen van een lang leven iemand niet tot misdaad hebben kunnen bewegen1 dan zal hij ook later niet licht motieven daartoe ontmoeten4 ,dat schijnt mij de reden te zijn van de achting1 die aan den ouderdom wordt bewezen1 want voorwaarde van die achting is1 dat de grijsaard een onbesproken naam behouden heeft4 ,door de beloften der moralisten om de menschen beter te maken heeft men zich dan ook in het werkelijke leven nooit laten om den tuin leiden1 maar aan hem1 die eenmaal zich slecht had betoond1 geen vertrouwen meer geschonken4 ,omgekeerd bouwt men huizen op de edelmoedigheid van hem1 die eenmaal daarvan bewijzen heeft gegeven4 ,het werken volgt op het zijn0 is een stelling der scholastiek2 ieder ding in de wereld werkt naar zijn onveranderlijken aard1 die zijn wezen uitmaakt2 zoo ook de mensch4 ,zooals iemand is1 zoo zal1 zoo moet hij handelen2 de zoogenaamde vrije wil01 die veroorloven zou op hetzelfde oogenblik zus maar ook zoo te handelen1 een wil om zich een wil te kiezen1 is een lang versleten fabeltje uit de kindsche dagen der filosofie1 waarmee enkel nog eenige oude wijven1 met een doctorshoed getooid1 te koop loopen4 ,de drie gronddrijfveeren van den mensch1 egosme1 boosaardigheid1 medelijden1 worden in ontelbaar verschillende verhoudingen bij de verschillende menschen aangetroffen1 maar bij niemand gemist4 ,zoo zijn er egosten1 die hun eigen belang nooit zullen opofferen om zich op hun vijand te wreken of om hun vriend te helpen4 ,anderen1 die voor boosaardige motieven sterk ontvankelijk zijn1 zullen er niet voor terugdeinzen zich zelf nadeel toe te brengen1 wanneer zij maar hun vijand schade kunnen berokkenen4 ,zij zijn in staat een moord te begaan op hen1 van wie ze nadeel hebben ondervonden1 en onmiddellijk daarna1 om de straf te ontloopen1 zich zelf te dooden4 ,daarentegen bestaat de goedheid des harten in een diep gevoeld1 alles omvattend medelijden met alles wat leven heeft1 natuurlijk in de eerste plaats met den mensch1 daar met de versterking van het intellekt de vatbaarheid voor lijden gelijken tred houdt2 om die reden leggen de geestelijke en lichamelijke smarten van den mensch veel sterker beslag op het medelijden dan de alleen physische en dan nog doffe pijn van het dier4 ,karakters van zeldzame goedheid trekken zich vreemd lijden soms nog meer aan dan het eigene1 en brengen1 om dat te verzachten1 offers1 door welke zij zich zelven meer leed op den hals halen dan zij aan den ander hulp verleenen4 ,waar zeer velen tegelijk te helpen zijn1 deinzen zij er niet voor terug zelve in den dood te gaan4 ,men denke aan ,arnold von ,winkelried1 die1 om zijn vrienden te doen zegevieren1 de punten van zooveel speren als hij omvatten kon1 op zijn eigen borst richtte4 ,het juiste inzicht in de onveranderlijkheid der grondtrekken van het individueel karakter deed ,schopenhauer de bedenkelijke stelling nederschrijven1 dat de menschen door opvoeding en ervaring wel wijzer1 maar niet beter kunnen worden4 ,ik neem de vrijheid die stelling bedenkelijk te noemen1 wijl door zoo scherpe scheiding tusschen hoofd en hart de eenheid der menschelijke natuur verbroken en tevens de waarheid miskend wordt1 dat door de gewoonte om op zekere manier te handelen er een tweede natuur ontstaat4 ,overeenkomstig het ongeloofelijk groot1 oorspronkelijk verschil tusschen de karakters zullen voor ieder slechts die motieven gelden1 welke indruk op hem maken2 het is hier juist zooals bij de stoffen1 waarvan de eene enkel op zuren1 de andere enkel op alkalin reageert2 gelijk dit laatste1 zoo is ook het eerste niet te veranderen4 ,wil men nogtans iemand1 die schier alleen voor egostische motieven ontvankelijk is1 er toe brengen zich als een menschenvriend te gedragen1 dan kan dat enkel geschieden door hem voor te spiegelen1 dat de verzachting van vreemd leed1 langs een omweg1 zijn eigen voordeel is1 b4v4 hem een plaats in den hemel zal bereiden4 ,daardoor wordt echter zijn wil niet verbeterd4 ,om dt te bereiken1 zou het noodig zijn1 hem zoo te veranderen1 dat vreemd lijden als zoodanig hem niet meer onverschillig was4 ,dit is echter veel stelliger onmogelijk dan de verandering van lood in goud4 ,men kan een mensch het hart in zijn lijf niet omkeeren1 de diepste diepte van zijn wezen niet omscheppen4 ,het eenige1 wat men doen kan1 is het hoofd te verhelderen1 het inzicht juister te maken1 den mensch tot een richtiger opvatting van de werkelijkheid1 van de echte levensverhoudingen te brengen4 ,daardoor wordt echter niets verder bereikt dan dat de geaardheid van zijn wil zich konsekwenter1 duidelijker1 met meer beslistheid uitspreekt4 ,want1 gelijk vele goede handelingen in den grond op valsche motieven1 op welgemeende voorspiegelingen van daardoor in deze of een andere wereld te erlangen voordeel berusten1 zoo ontspruiten ook vele misdaden uit een valsche beschouwing der menschelijke levensverhoudingen4 ,hierop steunt het ,amerikaansche strafstelsel2 het heeft niet tot doel het hart van den misdadiger te verbeteren1 maar enkel hem het hoofd recht te zetten1 hem het inzicht te doen erlangen1 dat arbeid en eerlijkheid een veiliger1 ja gemakkelijker weg tot eigen welvaart zijn dan spitsboeverij4 ,men zal vragen3 waar blijft1 bij deze streng deterministische beschouwing1 de vrijheid1 de schuld1 het gevoel van verantwoordelijkheid8 ,zij gelden niet voor de afzonderlijke handelingen1 maar voor het aangeboren en onveranderlijk karakter4 ,schopenhauer maakt hier onderscheid tusschen het empirisch karakter1 dat1 gelijk de geheele mensch1 voorwerp van ervaring1 loutere verschijning1 dus aan tijd en ruimte en causaliteit gebonden is1 en het intelligibel karakter1 dat1 als ,ding an sich01 met de vormen der verschijning3 tijd1 ruimte en causaliteit1 niets te maken heeft1 en juist dientengevolge volstrekt vrij en onafhankelijk mag heeten4 ,ten gevolge van deze vrijheid zijn alle daden des menschen zijn eigen werk4 ,onze vrijheid hebben we niet1 gelijk de heerschende beschouwing het doet1 in de afzonderlijke handelingen1 maar in ons geheele zijn en wezen1 in onze existentie en essentie te zoeken1 die gedacht moeten worden als een vrije daad4 ,enkel voor het aan tijd1 ruimte en causaliteit gebonden kenvermogen openbaart zich dat werk der vrijheid in een veelheid en verscheidenheid van handelingen1 welke echter1 juist omdat er eens voor altijd gekozen is1 allen hetzelfde karakter dragen4 ,de vrijheid1 welke niet bij het handelen is aan te treffen1 ligt in het bestaan4 ,het is een gronddwaling van alle tijden geweest de noodwendigheid aan het bestaan en de vrijheid aan het handelen toe te schrijven04 ,uit dat wat wij doen bespeuren wij wat we zijn4 ,het komt er enkel op aan wat iemand is3 wat hij doet1 vloeit daaruit met noodzakelijkheid voort4 ,het alle onze daden1 trots hare afhankelijkheid van de motieven1 onloochenbaar begeleidend bewustzijn van eigen macht en oorspronkelijkheid bedriegt dus niet2 maar de inhoud ervan schuilt dieper dan de daden1 want het beteekent3 ieder is1 wat hij wil04 ,de vrijheid wordt dus door deze beschouwing niet opgeheven1 maar uit het gebied der afzonderlijke handelingen1 waar zij zeer stellig niet aan te treffen is1 naar hooger voor ons inzicht niet zoo licht toegankelijk oord verplaatst4 ,la libert est un mystre01 roept ,schopenhauer met ,malebranche uit4 ,het onveranderlijk karakter van ieder mensch is zijn eigen werk1 buiten den tijd tot stand gekomen4 ,vatte dit1 wie het vatten kan4 ,er is een eeuwige gerechtigheid1 welke slechts door hem begrepen wordt1 die inziet1 dat aan den wil op zich zelf1 aan het ,ding an sich01 de vormen der verschijning niet toebehooren4 ,wie met de ervaring te rade gaat1 ergert zich1 wanneer hij den onderdrukte een leven vol lijden tot aan het graf ziet voortslepen1 zonder dat zich een wreker1 een vergelder vertoont4 ,maar wie beseft dat martelaar en slachtoffer in den grond n en hetzelfde wezen zijn1 dat het dezelfde wil is1 die hier onrecht pleegt1 ginds onrecht lijdt1 dat het bestaan als individu1 of1 wat op hetzelfde nederkomt1 de wil om als individu te bestaan1 zonde en bron van ellende is1 zal tevens verstaan1 dat er juist evenveel geleden als misdreven wordt4 ,het eenige1 wat in werkelijkheid bestaat1 is de wil2 hij lijdt wat hij zich zelf aandoet1 naar verdienste4 ,raadzaam is het dus1 ziedaar ,schopenhauer's slotsom1 althans waar men dat kan1 dus in eigen gemoed1 den wil om te bestaan te breken1 en zich zoo de poorten van het zalig ,nirwana te ontsluiten4 ,dante heeft de stof tot zijn hel1 gelijk van zelf spreekt1 aan onze werkelijkheid ontleend4 ,toch is het een echte hel geworden4 ,toen hij zich echter voornam den hemel en zijne vreugden te schilderen1 stuitte hij op een onoverkomelijke zwarigheid3 onze wereld levert geen materialen daartoe4 ,dus restte hem niets dan ons mede te deelen wat hij daar van zijn voorvader1 van zijne ,beatrice en van verschillende heiligen aan wijze lessen te hooren kreeg4 ,hieruit blijkt genoegzaam in wat voor soort van wereld wij leven4 ,kon men den meest verstokten optimist door de ziekenhuizen1 de barakken voor besmettelijke krankheden1 de chirurgische folterkamers voeren1 ook door de gevangenissen1 de martelplaatsen met hare pijnbanken1 ook over de slavenmarkten1 de slagvelden1 de strafplaatsen1 vervolgens hem de sombere woningen ontsluiten1 waar de armoede zich voor de blikken van koude nieuwsgierigheid schuil houdt1 hem ten slotte in den hongertoren van ,ugolino een blik laten werpen1 dan zou zelfs hij eindelijk inzien1 hoe het met le meilleur des mondes0 geschapen staat4 ,van de ellende dezer wereld verlost te worden is werkelijk het allerbeste4 ,voor wie dit doorziet1 worden de dingen1 welke vroeger motieven1 prikkels tot daden waren1 quietieven3 zij brengen den wil tot rust4 ,de beul en zijn slachtoffer zijn n4 ,de eerste dwaalt1 daar hij aan het lijden1 de laatste1 daar hij aan de schuld geen deel meent te hebben4 ,gingen hun beiden de oogen open1 dan zou hij1 die het leed berokkent1 inzien1 dat hij in alles leeft1 wat op deze wijde wereld lijdt1 en1 voorzoover het met rede is begaafd1 te vergeefs vraagt1 waarom het tot zoo groot leed in het aanzijn werd geroepen2 het slachtoffer zou inzien1 dat al het booze1 dat op deze wereld wordt verricht1 uit dien wil voortvloeit1 die ook zijn wezen uitmaakt1 ook in hem verschijnt1 dat hij1 door zoo te verschijnen1 alle leed op zich genomen heeft1 die uit zulk een wil voortspruit1 dat hij dus volgens billijkheid door leed getroffen wordt1 zoolang hij die wil is4 ,calderon zegt3 de grootste schuld des menschen is dat hij geboren werd04 ,hoe zou het niet een schuld zijn1 daar volgens een eeuwige wet de dood daarop staat8 ,let1 zegt ,schopenhauer1 op de heiligen4 ,als men hun vraagt1 waarom zij vasten1 zich kastijden1 den levenswil trachten af te sterven1 de genietingen des levens verafschuwen1 dan geven zij zonderlinge antwoorden4 ,het is omdat wie bij intutie de waarheid beseft1 daarom nog niet in staat is haar in de afgetrokken taal van het weten te vertolken4 ,intutie is een innerlijke overtuiging1 die onder woorden gebracht1 in den vorm van afgetrokken begrippen gegoten1 geheel anders luidt bij den heilige en bij den wijsgeer1 bij den ,christen en bij den ,boeddhist1 ook al bedoelen zij allen een en hetzelfde3 de noodzakelijkheid om den levenswil te verzaken en dus het lichaam1 waarin die wil zichtbaar wordt1 te kastijden4 ,zij allen kennen de waarheid en brengen haar ieder op zijn manier in praktijk4 ,zij allen zijn van hetzelfde overtuigd1 want dat blijkt uit hunne daden1 terwijl de dogmen1 bij mannen van een zelfde innerlijke overtuiging1 zeer verschillend kunnen klinken4 ,de gemeenschappelijke overtuiging is1 dat men geen onderscheid moet maken tusschen zich zelf en anderen1 dat dus door askese de eigen wil gebroken moet worden2 dat men trachten moet te verzinken in het ,alne4 ,,slotwoord ,ziedaar1 hoofdzakelijk in de eigen woorden van ,schopenhauer1 een niet al te onvolledig beeld van zijn leer4 ,uit de ,parerga und ,paralipomena0 behoefde ik niets mede te deelen1 want zij zijn voortreffelijk in het ,hollandsch vertaald door ,dr4 van den ,bergh van ,eysinga1 predikant te ,zutphen4 ,het is niet te loochenen1 dat wij talrijke woorden van wijsheid te hooren kregen4 ,toch waagde ik het hier en daar een aanmerking in te vlechten4 ,ik had er meer kunnen maken4 ,over ons kenvermogen spreekt ,schopenhauer z1 alsof het ons een beletsel is om te kennen4 ,hij meent dat alle begrippen1 causaliteit alleen uitgezonderd1 in aanschouwing wortelen4 ,die meening schijnt mij onjuist4 ,voorts3 gelijk het niet raadzaam is margarine onder den naam van boter op de markt toe te laten of bedeeling voor pensioen te doen doorgaan1 zoo is het bedenkelijk aan het begrip wil0 een zoo kolossale uitbreiding te geven1 dat het echt menschelijke willen erdoor in de schaduw komt te staan4 ,maar dat zijn kleinigheden1 immers in hoofdzaak enkel theoretische bedenkingen4 ,wat weerzin inboezemt en een rilling over het lijf jaagt1 is de verachting van dezen genialen en bewonderenswaardigen man voor de wereld en het leven1 zijn onverholen athesme1 zijn pessimisme2 welnu1 dat alles vloeit uit een en dezelfde bron4 ,van waarde0 kan volgens ,schopenhauer enkel sprake zijn als er handel gedreven wordt3 zooveel gerst staat met zooveel tarwe gelijk4 ,volstrekte waarde is er niet4 ,schopenhauer heeft1 van die onderstelling uitgaande1 gelijk3 als niets op zichzelf begeerlijk is1 als geen einddoel ons wenkt1 dan is het leven een kringloop over een gloeiende plaat1 die slechts hier en daar wat koeler plekken oplevert1 dan kan er van vooruitgang evenmin als van achteruitgang sprake zijn1 dan is er enkel zinloos loopen1 plaatsverwisseling4 ,schopenhauer heeft gelijk3 als wij ook in de diepste diepten der ziel enkel doeleinden aantreffen1 die niet waard zijn gewild te worden1 als het geheele leven1 zelfs dat der besten1 een akelige klucht is1 als wij ons enkel met zeepbellen vermaken1 dan is het willen-leven onzin1 en het niet-willen-leven de hoogste wijsheid4 ,schopenhauer heeft gelijk3 als er geen vast doel is1 dan moet alle geschiedenis onbelangrijk heeten1 dan weet wie ,herodotus gelezen heeft genoeg van den zwaren en verwarden droom1 die het menschelijk leven uitmaakt en behoeft men niet nieuwsgierig te zijn naar wat nog andere historici te vertellen hebben4 ,maar1 mag ik vragen1 verraadt het niet eenig gebrek aan zelfbezinning1 te loochenen dat het leven een doel zou hebben8 ,vanwaar ons besef van volstrekte waarde1 zoo alles1 op de keper beschouwd1 nietig en onbeteekenend is8 ,vanwaar ons denkbeeld van het onverderfelijke1 wanneer wij in en buiten ons enkel het vergankelijke aantreffen8 ,hier geldt misschien het oude woord3 wij zouden u niet zoeken1 o ,god1 zoo wij u niet reeds gevonden hadden04 ,men meene niet1 dat dit een vermomde wederinvoering is van het ontologisch bewijs1 een verkeerde conclusie van begrip tot bestaan4 ,mijn bedoeling is deze3 als de waarde van alle bestaan nul is1 waar halen wij dan den maatstaf vandaan1 die ons veroorlooft het vonnis van nietigheid te vellen8 ,schopenhauer was veel te verstandig om de balans te willen opmaken van lust en onlust in deze wereld4 ,aan het platte optimisme antwoordt hij terecht3 het groote schandaal is niet het overwicht1 maar het bestaan van het kwaad4 ,laten er duizenden in weelde en voorspoed leven2 dat vermindert in geenen deele de ellende van een enkel ongelukskind4 ,wat wij echter moeten opmerken is1 dat er onstoffelijke goederen zijn van duurzame beteekenis1 zooals zielenadel en karaktersterkte1 wetenschap en kunst1 gerechtigheid1 nationale onafhankelijkheid1 staatkundige1 maatschappelijke1 geestelijke vrijheid1 welke verder reiken dan de belangen van den nietigen enkeling4 ,de individu kan aan zulke zaken zijn hart verpanden2 het bewijst dat het individueele bestaan geen zonde is1 doet zelfs vermoeden1 dat de mensch meer is dan een ndagsvlieg4 ,de wereld is niet voltooid en de mensch evenmin4 ,licht en duisternis1 het heilige en het onheilige1 recht en onrecht worstelen om den voorrang4 ,het is onzen taak in dien strijd aan den goeden kant te staan4 ,dat de mensch niet enkel voor zijn pleizier in de wereld is1 wist men reeds lang voor ,schopenhauer4 ,ook valt het te begrijpen dat iemand1 die genot als maatstaf aanlegt1 het leven slecht noemt4 ,geheel anders luidt het oordeel1 als men meent dat het 's menschen bestemming is in het rijk der geesten een rang te veroveren1 zelf medebouwmeester te zijn van een geestelijk heelal4 ,schopenhauer zegt3 het geweten is het protokol onzer daden04 ,hij voegt er aan toe1 dat wij meestal ons zelven tegenvallen1 als wij door onze handelingen aan ons zelven ontdekt worden4 ,wat wil dat anders zeggen dan dat wij tegenover een rechter staan1 die in onzen boezem woont1 beurtelings ons vrijspreekt en vonnist8 ,en toch zou plicht een herschenschim zijn8 ,toch zou het onvoorwaardelijk gebod0 een misbaksel zijn1 dat ,kant enkel aan het toeval van zijn ,joodsch-,christelijke opvoeding1 aan zijn vroege kennismaking met de de ,tien geboden0 te danken zou hebben8 ,neen1 het beter bewustzijn01 waarvan ,schopenhauer zelf spreekt1 het beste in den mensch01 zooals hij het elders noemt1 was bij hem1 gelijk bij ieder onzer1 een levende waarheid1 maar mag tevens een afdoende weerlegging van zijn athesme en pessimisme worden genoemd4 ,schopenhauer prijst ,mad4 ,guion1 waar zij zegt3 mij is alles onverschillig2 ik kan niets meer willen2 ik weet dikwijls niet of ik leef dan wel niet leef04 ,met ,bossuet keuren wij dat quietisme af1 dat jagen naar doode rust4 ,wij achten het beter den wil te stalen dan hem te dooden4 ,hadden wij ongelijk1 toen wij op de eerste bladzijde van dit boek beweerden1 dat de mensch ,schopenhauer en zijn wijsbegeerte niet van elkander te scheiden zijn8 ,de groote grief der moeder was reeds3 gij zijt zoo bedilziek en erkent niets boven u4 ,,inhoudsopgave ,blz4 ,werk en persoonlijkheid bij ,schopenhauer niet te scheiden #a ,tweerlei geestesrichting1 die van den intellektualist en die van den voluntarist #a ,vergelijking tusschen ,hegel en ,schopenhauer #b ,schopenhauer's pessimisme en sympathie voor ,buddhisme #i ,zijn betrekkelijk ,kantianisme #aa ,zijn moraal vertoont een ,indisch karakter #ae ,geen onderscheid tusschen u en mij #af ,verwantschap tusschen ,schopenhauer en hedendaagsche geestesstroomingen #ah ,schopenhauer's inborst en levensgeschiedenis #ai ,goethe en ,schopenhauer #bc ,schopenhauer wordt op zijn ouden dag beroemd #bg ,zijn testament en dood #bi ,fragmenten uit3 ,ueber die vierfache ,wurzel des ,satzes vom zureichenden ,grunde0 #cb ,verschil tusschen oorzaken1 kengronden1 zijnsgronden en beweegredenen #cc ,oorzaken en hare werkingen zijn steeds veranderingen #ce ,geen eerste oorzaak #cg ,het begrip substantie3 enkel de stof blijft #db ,maar de stof is er niet buiten het bewustzijn #de ,het intellekt roept de stoffelijke dingen in het aanzijn #df ,bouwt ze op uit gewaarwordingen met behulp van tijd1 ruimte en causaliteit1 welke drie subjektieve opvattingswijzen zijn #di ,dus zijn de lichamen enkel aanschouwelijke voorstellingen #ej ,tot welke de dieren beperkt blijven1 terwijl de mensch er afgetrokken voorstellingen1 begrippen1 van maakt #ed ,de mensch is zoo een redelijk en sprekend wezen #ef ,wanneer komen de wolven8 #fd ,fragmenten uit3 ,welt als ,wille und ,vorstellung0 #ff ,vergelijking tusschen ,locke en ,schopenhauer #ff ,het subjekt1 dat alles kent1 kent alleen zich zelf niet #gj ,subjekt en objekt1 de kenner en het gekende1 zijn van elkaar onafscheidelijk #gj ,daar tijd1 ruimte en causaliteit manieren van opvatting zijn1 worden zij van het subjekt uit1 a priori1 gekend1 maar enkel bij de objekten aangetroffen #ga ,gelijk ,kant bewees en ,schopenhauer met eigen argumenten nader staaft #gb ,oorzaak en werking zijn niet gelijktijdig #ha ,het materialisme is dwaasheid volgens ,schopenhauer #hd ,hoe kan hij dan de wereld een hersenphenomeen noemen8 #hi ,verschil tusschen droom en werkelijkheid #ia ,intellekt past bij mensch en dier de causaalwet toe #ie ,maar het onredelijk dier is slaaf van het oogenblik #ig ,de bron der taal is bij de begrippen te zoeken1 welke zelve zijn afgeleid uit aanschouwingen #ajj ,verschil tusschen aanschouwelijke en begripmatige kennis en betrekkelijke waarde van beide #aje ,waarom lacht alleen de mensch8 #aji ,twee soorten van het lachwekkende #aaj ,over scherts1 ernst1 ironie en humor #aac ,rechtstreeksche evidentie voorwaarde van bewijs #aae ,en op meetkundig gebied te verkiezen boven bewijs #aaf ,de wereld is niet enkel voorstelling1 maar tevens wil #abj ,vraagteekens bij ,schopenhauer's uitspraken geplaatst #aba ,in het zelfbewustzijn verschijnt men aan zich zelf als willend #abd ,maar die zelfkennis is geen kennis van echte werkelijkheid1 daar zij aan den tijdsvorm gebonden is #abe ,ons eigenlijk wezen is een wil1 die van tijd1 ruimte en gronden onafhankelijk is1 een ongebonden en onredelijke wil1 van welken zich enkel zeggen laat wat hij niet is #abe ,die zelfde onkenbare wil is het wezen van alle andere dingen #abf ,bewustzijn1 kennis is secundair1 enkel doellooze wil is oorspronkelijk #abh ,willen en werken zijn n #acf ,verschijning van wil is allerwege aan de wet der noodzakelijkheid onderworpen #adb ,de verschijningen van den wil staan op verschillend peil #add ,er spiegelen zich in haar verschillende onverderfelijke ideen af #adi ,de kunstenaar in ons verliest zich in de blijde aanschouwing der ideen en wordt zoo tijdelijk van zijn egosme bevrijd1 onttrokken aan het vergankelijke4 ,voorbeelden van ideen #aej ,definitie van kunst #aed ,definitie van genialiteit #aee ,verhouding van genialiteit en fantasie tot elkaar #aef ,hoe genialiteit en waanzin1 schoon zeer verschillend1 aan elkander grenzen #aei ,wat hebben waanzinnige en dier gemeen en waarin verschillen zij8 #afa ,in hoever een echt kunstwerk hooger staat dan de werkelijkheid #afc ,uitnemendheid der ,nederlandsche schilderschool #aff ,verschil tusschen het schoone en het verhevene #afi ,in hoever ieder ding schoon is1 maar de mensch het in schoonheid wint van alle schepselen #aga ,over bouwkunst #agb ,hoe de kunstenaar het schoone uit zich zelf put #age ,verschil tusschen ideen en begrippen #agf ,verschil tusschen echte kunstenaars en nabootsers #agg ,over allegorie en symbool #agh ,waarom muziek te midden der schoone kunsten een geheel eenige plaats inneemt #ahj ,hoe de natuur niet aan de individuen1 enkel aan de soorten hecht #ahf ,waarom verliefdheid zich op een bepaald individu richt #ahi ,dit verschijnsel te vergelijken met werkingen van instinkt #aib ,door welke enkel het belang der soort gediend wordt #aid ,schopenhauer en ,wagner #aif ,fragmenten uit3 ,ueber den ,willen in der ,natur0 #aig ,copernicus en anderen noemen zwaarte een verlangen der stof #aig ,waarom groote denkers dikwijls ietwat bijgeloovig zijn #aii ,over magie #bjj ,de onkreukbaarheid der natuurwetten is begrijpelijk #bjb ,hoe is zij te rijmen met ,schopenhauer's erkenning van magische gebeurtenissen8 #bjc ,fragmenten uit3 ,die beiden ,grundprobleme der ,ethik0 #bjd ,hoe onbegrensd egosme te verklaren #bje ,hoe boosaardigheid te verklaren #bjg ,hoe gewetensangst te verklaren #bji ,hoe medelijden1 bron van de twee kardinale deugden1 te verklaren #baj ,rechtvaardigheid onthoudt zich anderen kwaad te doen #bag ,liefde beijvert zich anderen goed te doen #bag ,onontbeerlijk zijn goede stelregels #bah ,waarom mannen meer tot rechtvaardigheid1 vrouwen meer tot medelijden overhellen #bai ,in ,europa werd liefde het eerst door het ,christendom als deugd erkend #bbj ,onrecht is een positief1 recht een negatief begrip #bbb ,de ,staatstaak worde beperkt opgevat4 ,de ,staat zij geen opvoedingsinstituut #bbd ,hongerlijders te voeden is geen plicht0 #bbf ,het karakter van ieder mensch is onveranderlijk #bbh ,de motieven1 voor welke een mensch toegankelijk is1 worden door zijn karakter en zijn kennis bepaald en beslissen hoe hij zich gedraagt #bbi ,de zoogenaamde vrije wil0 is een sprookje #bcj ,verantwoordelijk is ieder1 want hij is wat hij wil #bcd ,raadzaam is het den levenswil te breken #ccg ,slotwoord #bci ,hoe het kwam1 dat ,schopenhauer door den daemon van het pessimisme werd bezeten #bdj ,bevrijding er van slechts mogelijk door de erkenning van geestelijke waarden #bda ,ook bij ,schopenhauer ontbrak die erkenning niet geheel #bdc