,,theaetetus1 ,,of ,,opleiding ,,tot ,,de ,,wijsbegeerte4 ,,uit ,,het ,,grieksch ,,van ,,plato1 ,,in ,,het ,,hollandsch ,,overgezet1 ,,en ,,met ,,ophelderende ,,en ,,beoordeelende ,,aanmerkingen ,,voorzien1 ,,door ,dr4 ,d4 ,,burger1 ,jr4 ,,amsterdam1 ,p4 ,n4 ,,van ,,kampen4 #ahdg4 ,,voorberigt4 ,toen ik1 voor omtrent vier jaren1 wenschte te promoveren1 ried mij mijn hooggeschatte leermeester1 de ,hoogleeraar ,bake1 den ,theaetetus tot onderwerp mijner dissertatie te nemen4 ,dien raad volgde ik op en bevond er mij wel bij4 ,sedert heb ik altijd voor die zamenspraak veel genegenheid behouden1 en werd daardoor1 na het uitgeven mijner vertaling van den ,phaedo1 tot eene dergelijke bewerking van den ,theaetetus aangezet4 ,hierin werd ik versterkt door het groote verband1 dat mij tusschen het onderwerp van beide dialogen scheen te bestaan1 en door de opmerking1 dat hier en daar bij ons een eenzijdig materialismus schijnt veld te winnen1 hetwelk1 schoon ook zijne regten hebbende1 door eene grondige studie der zielkunde binnen zijne grenzen moet gehouden worden4 ,tot dit laatste kan de studie van den ,theaetetus welligt iets bijdragen2 althans ook met dat doel heb ik juist dit werk van ,plato zoeken op te helderen4 ,misschien heeft het sommigen verwonderd1 dat ik tegenwoordig alleen over de ,grieksche ,wijsbegeerte schrijf1 en niet mede strijd op het wijsgeerig-theologische slagveld4 ,behalve door de belangrijkheid der ,grieksche ,wijsbegeerte1 die op zich zelve aantrekkelijk genoeg is1 om bij uitsluiting beoefend te worden1 ben ik daartoe genoopt3 vooreerst door mijn afkeer van theologische twisten1 die meest verbitteren en zelden verbeteren1 daar de ,grieksche ,wijsbegeerte door den tijd van haren bloei in dit opzigt meer onzijdig is1 en haren beoefenaar1 niet meer dan hij zelf wil1 met theologische strijdpunten in aanraking brengt2 ten andere door mijne overtuiging1 dat eene meer oplettende beschouwing dier ,wijsbegeerte nog tegenwoordig van onberekenbaar nut is2 eindelijk door mijn beroep3 het geven van privaat-onderwijs in de oude letteren1 daar ik mijne neiging tot de ,wijsbegeerte door die studie althans gedeeltelijk voldoen kan1 zonder mijn dagelijksch werk te benadeelen4 ,naarmate toch iemands beroep en studie meer zamenvallen1 kan hij beiden beter uitoefenen1 daar dan beiden elkander schragen en bevorderen4 ,ik heb bij den ,theaetetus eenige taalkundige aanmerkingen gevoegd1 zoo om mijne vertaling te regtvaardigen1 als om eene soort van letterkundige geloofsbelijdenis af te leggen4 ,hoezeer volmondig erkennende1--en wie zal zulks na de redevoering van den ,hoogleeraar ,cobet nog tegenspreken8--dat vele plaatsen der oude schrijvers alleen door verandering der lezing kunnen verklaard worden1 heb ik echter altijd meer neiging tot interpreteren dan tot emenderen gehad4 ,daar ik nu1 vooral in den ,theaetetus1 menige plaats1 die oppervlakkig zeer verward is1 door naauwkeurige interpretatie1 zonder verandering der lezing1 meen te kunnen redden1 heb ik hiervan eenige proeven gegeven1 om daardoor het oordeel van bevoegde beoordeelaars uit te lokken4 ,dit moge volstaan tot regtvaardiging van mijne handelwijs4 ,verder hoop ik1 dat ook door deze vertaling en opheldering van den ,theaetetus iets moge bijgedragen worden1 om de ontwikkeling der ,wijsbegeerte in ,nederland te bevorderen4 ,amsterdam1 #ai ,april1 #ahdg4 ,d4 ,burger jr4 ,,inleiding4 ,de zamenspraak van ,plato1 die ik hier aan mijne landgenooten zoek te verklaren1 is1 hoewel geenszins een vervolg op den ,phaedo1 door haren inhoud zeer geschikt1 om onmiddellijk na den ,phaedo behandeld te worden1 zooals ik hoop1 dat bij eene naauwkeurige lezing blijken zal4 ,in den ,phaedo wordt de onsterfelijkheid der ziel tot de vraag teruggebragt1 of de ziel eene eigenschap des ligchaams1 of een wezen op zich zelf is4 ,dat inderdaad van het antwoord op deze vraag ons oordeel over het voortduren der ziel moet afhangen1 valt gemakkelijk in te zien1 wanneer wij bedenken1 dat eene eigenschap niet langer bestaat1 dan het wezen waarvan zij eigenschap is1 en dat bij gevolg1 zoo de ziel slechts eene eigenschap des ligchaams is1 haar bestaan geheel en al van het bestaan des ligchaams afhangt1 en dus met het ophouden van het bestaan des ligchaams ophoudt4 ,daar alzoo de vraag naar de onsterfelijkheid der ziel voor een groot deel afhangt van het oordeel1 dat wij over haar verband met het ligchaam vellen1 zoo is het1 nadat de vraag over hare onsterfelijkheid geopperd is1 allezins dienstig1 de gronden te overwegen1 die voor eene onderscheiding der ziel van het ligchaam kunnen pleiten4 ,in den ,theaetetus nu wordt een deel dier gronden behandeld en de vraag wordt hier op een gebied overgebragt1 waarop1 na ,plato1 vele groote wijsgeeren dezelfde vraag hebben meenen te moeten overbrengen4 ,het is namelijk de wezenheid der menschelijke kennis1 die hier behandeld wordt1 welke kennis f geheel uit de zinnen stamt1 f gedeeltelijk uit eene hoogere bron ontleend is4 ,naarmate dit laatste wordt beantwoord1 valt ook ons oordeel uit aangaande het al of niet onderscheiden zijn van ziel en ligchaam4 ,voordat er met de lezing een begin gemaakt wordt1 zal het niet ondienstig zijn1 een enkel woord te zeggen zoowel over den tijd1 waarin de ,theaetetus geschreven is1 als over het doel1 dat ,plato er mede beoogde1 waarna ik nog kortelijk over de daarin voorkomende personen zal handelen4 ,bij het beoordeelen van ,plato's geschriften rigt ik mij vooral naar de door ,karl ,fr4 ,hermann uiteengezette verhouding tusschen ,plato's leven en zijne wijsgeerige ontwikkeling4 ,in de inleiding voor mijnen ,phaedo heb ik dat punt uitvoeriger behandeld1 en kan daarop verwijzen1 zoodat hier een enkel woord over dat onderwerp voldoende is4 ,wij weten1 dat ,plato na ,socrates dood zich naar ,megara begaf1 en aldaar eenigen tijd de lessen van ,euclides1 een ouder leerling van ,socrates1 bijwoonde4 ,wij kunnen den ,theaetetus in het tijdperk stellen1 dat ,plato te ,megara doorbragt1 en zien in het begin van den ,theaetetus eene soort van toewijding van dit werk aan zijne vrienden te ,megara2 ja1 ,plato geeft niet onduidelijk te kennen1 dat hij de hier vermelde bijzonderheden in ,megara vernomen heeft1 hetgeen wel verdicht zal wezen1 daar ,plato1 hetgeen ,socrates betrof1 niet uit de tweede hand behoefde te vernemen1 en het bekend is1 hoe weinig zijne geschriften op geschiedkundige waarheid aanspraak maken1 doch hetgeen slechts ten bewijze van de goede verstandhouding tusschen ,plato en ,euclides en ter aanleiding der bron daarvan1 namelijk de gemeenschappelijke vereering van hunnen meester1 kan dienen4 ,verder wordt de leer der sensualisten1 die alle kennis uit de zinnelijke waarneming afleiden1 en daartoe1 gelijk wij zien zullen1 de leer van ,heracliet misbruikten1 in dit werk hevig bestreden2 en ieder1 die weet1 dat ,euclides de leer der ,eleaten1 die juist de redekennis ten koste der zinnelijke waarneming beoefenden1 met de ,socratische wijsbegeerte zocht te verbinden1 zal gemakkelijk begrijpen1 dat ,plato nergens eerder dan te ,megara eene bestrijding van die sensualistische theorie kon in den zin krijgen4 ,hierbij komt nog1 dat wij in den ,theaetetus eene vrij uitvoerige beschrijving vinden van de onaangename botsingen tusschen den wijsgeer en het werkelijke leven1 waarin duidelijk de verbittering doorstraalt1 die ,plato wegens de veroordeeling van zijnen meester gevoelde4 ,eindelijk wordt in den ,theaetetus een groot deel des gespreks aan den wiskunstenaar ,theodorus opgedragen1 die ten tijde van ,socrates in ,athene de meetkunst onderwezen heeft4 ,deze wiskunstenaar was van ,cyrene geboortig1 en wij weten1 dat ,plato van ,megara naar ,cyrene gegaan is1 om zijne lessen bij te wonen4 ,daar hij nu ,theodorus als leerling van ,protagoras doet optreden1 maar hem tevens met de grootste eere vermeldt1 en hem de verklaring in den mond geeft1 dat hij zich tegenwoordig alleen met de meetkunst bezig hield1 zie ik hierin een uitvloeisel van ,plato's verlangen1 om dien wiskundige in zijne woonplaats op te zoeken en door zijne lessen in de wiskunde onderwezen te worden4 ,daarom is het welligt niet onjuist1 wanneer wij aannemen1 dat ,plato den ,theaetetus in den laatsten tijd van zijn verblijf te ,megara geschreven heeft1 toen hij op het punt stond om de reis naar ,cyrene te ondernemen4 ,of ,plato echter toen dit zijn werk heeft uitgegeven1 is onzeker1 ja wordt onwaarschijnlijk door de vermelding der oorlogsdaden van ,theaetetus en van het gevecht bij ,corinthe1 dat eerst na ,plato's terugkomst schijnt plaats gehad te hebben1 waarom de meening geenszins verwerpelijk is1 dat hij den ,theaetetus eerst later heeft uitgegeven1 zonder er veel in te veranderen1 en dat hij alleen het begin eenigzins heeft gewijzigd4 ,nu willen wij nog met een enkel woord het doel van den ,theaetetus behandelen1 hoewel dit punt eerst na de lezing der geheele zamenspraak behoorlijk kan uiteengezet worden4 ,nadat er uitvoerig gesproken is van de bekwaamheid van ,socrates1 om door vragen de waarheid uit den geest zijner toehoorders te ontwikkelen1 wordt de leer1 dat alle kennis uit de zinnen stamt1 bestreden1 en het bestaan van een hooger kenvermogen aangetoond4 ,hierop volgen nog eenige aanmerkingen1 waarvan wij lager melding zullen maken2 het aangemerkte is1 geloof ik1 voldoende1 om voorloopig eenig denkbeeld te geven van hetgeen wij van den ,theaetetus te verwachten hebben4 ,wij zullen hier namelijk een betoog vinden van de stelling1 dat niet de zinnen1 maar de geest zelf1 de rede zouden wij zeggen1 de bron is der ware kennis4 ,het boek1 dat wij voor ons hebben1 is dus eene soort van inleiding in de eigenlijke philosophie1 eene beschouwing van het kenvermogen1 geschikt om tot de wijsbegeerte voor te bereiden1 en reeds in de verte het ware voorwerp der wijsbegeerte volgens ,plato1 de leer der ,iden namelijk1 te doen opmerken4 ,dit laatste geschiedt echter slechts in het voorbijgaan1 waaruit blijkt1 dat het ,plato's voornemen niet was1 de vraag naar den aard der menschelijke kennis hier geheel en volledig te beantwoorden2 daar hij dan de leer der ,iden niet in het voorbijgaan1 maar meer opzettelijk zou behandeld hebben2 maar dat hij slechts eene inleiding in de wijsbegeerte wilde geven4 ,hieruit kan reeds blijken1 dat ik in mijn oordeel over deze zamenspraak van ,van ,heusde verschil1 daar deze van gevoelen is1 dat vooral het vertoonen der ,socratische wijze van ondervragen het doel van dit werk is1 terwijl ik daarentegen meen1 dat ,plato alleen daarvan gesproken heeft1 om op die wijze eene proefondervindelijke werlegging te geven van de leer1 dat alle kennis uit de zinnen stamt4 ,wij zullen echter dit onderwerp na het lezen van den ,theaetetus uitvoeriger moeten behandelen4 ,nu wilde ik nog kortelijk van de hier voorkomende personen spreken1 daar dit tot beter verstand des boeks dienstig is4 ,de eerste persoon1 die hier in aanmerking komt1 is natuurlijk ,theaetetus zelf4 ,van dezen weten wij weinig1 behalve hetgeen in onze zamenspraak van hem vermeld wordt4 ,hij komt hier1 zooals wij zien zullen1 allergunstigst voor1 zoo om zijne zedigheid1 als om zijnen uitstekenden aanleg en zijne dapperheid in den oorlog4 ,later zegt men1 dat hij ,plato gehoord heeft1 eindelijk naar ,heraclea vertrokken is1 en daar de wiskunst heeft onderwezen4 ,te gelijk met ,theaetetus wordt zijn leermeester ,theodorus vermeld1 van wien wij reeds gezegd hebben1 dat hij1 hoewel de wijsbegeerte eene poos beoefend hebbende1 later zich vooral op de meetkunst heeft toegelegd1 en daarin zooveel naam had1 dat zijne vermaardheid ,plato naar ,cyrene lokte1 waar deze zijn onderwijs een tijd lang genoten heeft4 ,de voorname bron1 waaruit wij hem kennen1 is1 even als bij ,theaetetus1 het voor ons liggende werk4 ,theodorus had zich vooral op de leer van ,protagoras toegelegd4 ,er is een werk van ,plato1 dat naar dezen genoemd wordt1 hoewel daarin zijne leer vrij wat minder grondig dan in den ,theaetetus wordt aangegrepen1 hetgeen voor den hoogeren ouderdom van ,plato's ,protagoras pleit4 ,men verhaalt van ,protagoras1 dat hij van ,abdera geboortig en door ,democritus in de wijsbegeerte was ingewijd1 maar zich later beter met de leer van ,heracliet had kunnen vereenigen4 ,een wijsgeer echter verdient hij niet te heeten1 daar hij een voorstander was der wijsbegeerte van den schijn1 en1 gelijk uit de naar hem genoemde zamenspraak blijkt1 zich er op beroemde1 dat hij het eerst openlijk den naam van sophist had gedragen4 ,hij bekwam door zijn onderwijs veel aanzien en rijkdom2 doch toen hij zich eindelijk had laten ontvallen1 dat hij het bestaan der ,goden als onzeker beschouwde1 werden zijne boeken verbrand en hij zelf wegens ongodisterij veroordeeld4 ,hij ontvlood uit ,athene1 maar kwam op zee om4 ,protagoras volgde de leer van ,heracliet1 dat is1 hij nam daaruit eenige deelen over1 die zich gemakkelijk lieten gebruiken voor het doel1 dat hij beoogde4 ,heracliet de ,ephesier was door eenzame overpeinzingen en gebrekkige gezondheid tot eene zwaarmoedige geestgesteldheid vervallen1 die zich ook in de duisterheid van zijnen stijl vertoonde4 ,wij weten van zijne leer1 dat hij alle zinnelijke waarneming voor uiterst gebrekkig hield1 daar de stoffelijke wereld onophoudelijk verandert1 en geen oogenblik in denzelfden toestand blijft4 ,hierbij kwam echter een belangrijk toevoegsel1 dat door zijne navolgers verwaarloosd is1 hoewel het de noodzakelijke keerzijde van zijn gevoelen aangaande de veranderlijkheid der natuur uitmaakte4 ,hij erkende namelijk het bestaan van eenen algemeenen geest1 die1 alles doordringende en al wat bestaat beurtelings voortbrengende en weder in zich opnemende1 eigenlijk in het vuur als het grond-element zijnen zetel had1 en zelf de bron was van alle orde en wijsheid2 zoodat de menschelijke geest1 die van hem was uitgevloeid1 alleen door zich aan hem vast te houden1 der ware wijsheid kon deelachtig worden1 en het kwaad eigenlijk daarin bestond1 dat het enkele wezen1 zijnen zamenhang met het algemeen vergetende1 op zich zelf wilde staan en handelen4 ,dit laatste echter is door zijne navolgers niet vastgehouden1 zooals uit den ,theaetetus blijken kan1 hoewel het hier moest vermeld worden1 om te doen inzien1 dat de leer van ,heracliet in zijnen oorspronkelijken vorm vrij wat hooger stond1 dan hetgeen later uit dezelve gemaakt is4 ,tot een staaltje van zijne duisterheid diene de anecdote1 dat hij1 aan waterzucht lijdende1 de geneesheeren vroeg1 of zij regen in droogte konden veranderen1 hetgeen door deze1 zooals ik bijna niet behoef te zeggen1 niet begrepen werd4 ,verder komen hier nog ,euclides en ,terpsion in aanmerking1 twee getrouwe leerlingen van ,socrates1 vooral de eerste1 die zelfs met gevaar van zijn leven des nachts naar ,athene kwam1 om ,socrates lessen te hooren4 ,hij bezat zelfstandigheid genoeg1 om eene poging te wagen1 ten einde de ,socratische wijsbegeerte door die der ,eleaten aan te vullen1 en stichtte te ,megara eene school1 die nog eenigen tijd gebloeid heeft1 vooral de redeneerkunde met ijver beoefende1 en in wetenschappelijken strijd met ,aristoteles is gewikkeld geworden4 ,hoezeer deze school door die van ,plato en ,aristoteles eindelijk geheel is overschaduwd1 verdient zij echter met eere vermeld te worden1 al was het alleen1 omdat zij den heilzaamsten invloed op ,plato heeft uitgeoefend1 en hem tot de kennis der ,eleatische wijsbegeerte heeft opgeleid4--,van ,terpsion is ons weinig of niets bekend4 ,nu kunnen wij tot de lezing van den ,theaetetus zelven overgaan4 ,,theaetetus4 ,i4 ,eucl4 ,zijt gij daar even van het land gekomen1 ,terpsion6 of reeds eene poos geleden8 ,terp4 ,al eene vrij lange poos geleden4 ,en ik zocht u op de markt #a en verwonderde mij1 dat ik u niet vinden kon4 ,eucl4 ,dat is geen wonder1 want ik was niet in de stad4 ,ter4 ,waar dan8 ,eu4 ,ik was naar de haven gegaan1 en vond daar ,theaetetus1 die van ,corinthe1 uit het leger1 naar ,athene gebragt werd #b4 ,ter4 ,was hij dood of levend8 ,eu4 ,hij was nog levend1 maar op het randje van den dood1 want hij lijdt aan verscheidene wonden1 maar nog meer tast hem de ziekte aan1 die in het leger ontstaan is4 ,ter4 ,toch niet de roode loop8 ,eu4 ,juist4 ,ter4 ,welk een man zegt gij daar1 dat in levensgevaar is6 ,eu4 ,een uitstekend man1 ,terpsion3 zoo als ik ook nu weder gehoord heb van menschen1 die zijne dapperheid in het gevecht bijzonder roemden4 ,ter4 ,dat is ook niet vreemd2 het zou veel verwonderlijker zijn1 als hij zoo niet was #c4 ,maar waarom hield hij hier1 te ,megara1 niet stil8 ,eu4 ,hij had groot verlangen naar huis4 ,althans ik bad hem en ried hem te blijven1 maar hij wilde niet4 ,en ik verzeker u #d1 dat1 toen ik hem een eind wegs begeleid had1 en wederkeerde1 ik mij met verwondering te binnen bragt1 hoe ,socrates ook omtrent hem als een profeet heeft gesproken4 ,want ik meen1 dat hij kort voor zijnen dood hem1 die toen nog een knaap was1 ontmoet heeft1 en nadat hij eenigen tijd met hem gesproken had1 zijnen inborst #e zeer heeft bewonderd4 ,en toen ik te ,athene kwam1 verhaalde hij mij1 wat hij met hem gesproken had #f1 hetwelk zeer hoorenswaard was1 en hij zeide1 dat hij noodzakelijk uitstekend #g zou worden1 wanneer hij op jaren gekomen was4 ,ter4 ,en hij schijnt de waarheid gezegd te hebben #h4 ,maar wat was dat dan voor een gesprek8 zoudt gij het kunnen verhalen #i4 ,eu4 ,bij ,zeus6 zoo uit mijn hoofd onmogelijk4 ,maar ik hield toen1 zoodra ik te huis kwam1 voor mij zelven aanteekeningen1 en naderhand schreef ik op mijn gemak er bij1 wat ik mij herinnerde1 en zoo dikwijls ik naar ,athene kwam1 vroeg ik ,socrates weder wat ik mij niet herinnerde1 en als ik hier kwam1 verbeterde ik het2 zoodat ik genoegzaam het geheele gesprek op schrift heb #aj4 ,ter4 ,ja1 dat heb ik reeds te voren van u gehoord1 en terwijl ik altijd voornemens was1 u te verzoeken het mij te laten zien1 heb ik daarmede tot nu toe getalmd4 ,maar wat belet ons het nu door te loopen8 ,ik heb toch buitendien behoefte aan rust1 daar ik van het land kom4 ,eu4 ,dat is niet alleen met u het geval1 maar ik heb ,theaetetus tot ,erineus #aa begeleid1 zoodat ik niet ongaarne wat zou rusten4 ,laat ons dan gaan1 en wanneer wij rusten1 zal mijn slaaf het ons meteen voorlezen #ab4 ,ter4 ,dat is goed4 ,eu4 ,dit is het boek1 ,terpsion6 ,en ik heb het gesprek aldus opgeschreven1 dat ik niet ,socrates als aan mij verhalende voorstelde1 maar als sprekende met diegenen1 met wie hij zeide gesproken te hebben #ac4 ,hij nu zeide1 dat hij het gesprek gevoerd had met den meetkunstenaar ,theodorus en met ,theaetetus4 ,opdat nu in het geschrift die tusschen de redekaveling ingevoegde vermeldingen over ,socrates1 wanneer hij sprak1 b4 v41 en ik zeide1 of en ik sprak1 of ook over den anderen #ad3 hij stemde toe1 of hij ontkende het1 niet lastig zouden zijn1 daarom heb ik het geschreven1 alsof hij zelf met hen sprak1 met vermijding van die dingen4 ,ter4 ,en daaraan hebt gij goed gedaan1 ,euclides6 ,eu4 ,wij willen dan niet langer talmen1 maar1 jongen6 neemt het boek en lees4-- ,,ii4 ,so4 ,zoo ik mij meer om de inwoners van ,cyrene bekommerde1 ,theodorus6 dan zou ik u vragen naar hetgeen daar geschiedt1 en over hen1 of aldaar eenige jongelingen zijn1 die werk maken van de meetkunst of eenige andere wetenschap #ae1 maar nu1 daar ik hen minder dan mijne landgenooten #af lief heb1 en meer verlang te weten1 wie van onze jongelingen uitstekend schijnen te zullen worden1 onderzoek ik dit laatste zooveel ik kan zelf1 en vraag er de anderen naar1 met wie ik de jongelingen gaarne zie omgaan4 ,nu komen tot u waarlijk niet de minsten1 en dat met regt2 want gij verdient het1 n om andere redenen1 n ook om de meetkunst4 ,zoo gij dus iemand ontmoet hebt1 die vermelding verdient1 zou ik het gaarne vernemen4 ,theo4 ,en waarlijk1 ,socrates6 het is voor mij de moeite waard om te zeggen1 en voor u om te hooren1 met welk een knaap #ag uit uwe medeburgers ik kennis gemaakt heb4 ,en zoo hij schoon was1 dan zou ik vreezen mij daar sterk over uit te laten1 uit vrees dat iemand meenen zou1 dat ik verliefd op hem was #ah2 maar neem het mij niet kwalijk1 hij is niet schoon en gelijkt op u in platheid van neus en uitpuilende oogen2 slechts heeft hij dat iets minder dan gij2 en bij gevolg zeg ik het onbeschroomd4 ,want weet1 dat van allen1 die ik ooit ontmoet heb1 7en ik heb er met vrij wat omgegaan71 ik nooit iemand heb opgemerkt van zulk eenen goeden aanleg #ai4 ,want vlug van begrip zijnde1 even uitstekend zachtmoedig te zijn als men anders in dat geval lastig van humeur is1 en daarbij vol geestkracht #bj1--;dat zou ik niet denken1 dat mogelijk was1 en ik zie1 ook niemand1 bij wien het plaats heeft2 maar die zoo levendig zijn als hij en zoo vlug van bevatting en met zulk een goed geheugen begaafd1 zijn gewoonlijk ook ligt tot toorn #ba geneigd1 en worden met geweld geslingerd1 even als schepen zonder ballast1 en zijn van nature meer driftig dan verkrachtig2 en zij1 die meer bedaardheid hebben1 zijn vaak langzaam in het leeren en van een slecht geheugen voorzien4 ,hij echter komt zoo gemakkelijk en geleidelijk #bb en steeds voortgaande tot de studie en het onderzoek1 en met zoo veel zachtmoedigheid1 gelijk eene beek van olie1 die vloeit zonder geraas te maken1 dat het een wonder is1 dat iemand1 nog zoo jong1 dit zoo kan tot stand brengen4 ,so4 ,daar zegt gij wat goeds4 ,maar van welken ,athener is hij een zoon8 ,theo4 ,ik heb den naam wel gehoord1 maar herinner mij dien niet4 ,maar dat komt er niet op aan1 want hij is de middelste van de knapen1 die daar aankomen4 ,want daar even waren hij en deze zijne makkers in den buitensten omgang #bc1 bezig zich met olie in te wrijven #bd1 en nu meen ik1 dat zij daarmede gereed zijn #be en herwaarts komen4 ,maar zie eens1 of gij hem kent4 ,so4 ,ik ken hem4 ,hij is de zoon van ,euphronius van ,sunium #bf1 een man1 mijn vriend6 die geheel was1 zoo als gij dezen beschrijft1 en buitendien zeer gezien1 en die ook veel geld heeft nagelaten4 ,maar den naam van den knaap weet ik niet4 ,theo4 ,zijn naam1 ,socrates6 is ,theaetetus1 maar zijn geld geloof ik1 dat zijne voogden #bg opgemaakt hebben4 ,doch hij is tevens ook verwonderlijk los van het geld1 ,socrates6 ,so4 ,gij geeft hem daar eene schoone lofspraak #bh4 ,verzoek hem hier bij mij te komen zitten4 ,theo4 ,dat zal gebeuren4 ,theaetetus6 kom hier bij ,socrates4 ,so4 ,ja1 doe dat1 ,theaetetus1 opdat ik mij zelven beschouwe1 hoedanig een gelaat ik heb2 want ,theodorus zegt1 dat ik er een heb1 dat op het uwe gelijkt4 ,maar zoo wij nu eens ieder eene lier hadden1 en hij zeide1 dat die eveneens gestemd waren1 zouden wij hem dan terstond gelooven1 of zouden wij onderzoeken1 of hij dat zeide1 omdat hij kennis had van de muzijk8 ,theaet4 ,dat zouden wij onderzoeken4 ,so4 ,en wanneer wij hem dan z vonden #bi1 zouden wij hem zeker gelooven1 maar zoo hij geene muzijk verstond1 niet4 ,theaet4 ,dat is waar4 ,so4 ,maar nu geloof ik1 zoo de gelijkheid van aangezigt ons niet onverschillig is1 dat wij dan onderzoeken moeten1 of hij het zegt1 omdat hij er verstand van heeft1 of niet4 ,theaet4 ,ik geloof ja4 ,so4 ,maar is ,theodorus dan een schilder8 ,theaet4 ,zoo ver ik weet1 niet #cj4 ,so4 ,maar is hij ook geen meetkunstenaar8 ,theaet4 ,wel zeker1 ,socrates6 ,so4 ,en ook een beoefenaar van sterrekunde en cijferkunst en muzijk1 en wat meer tot de opvoeding behoort8 ,theaet4 ,ik geloof ja4 ,so4 ,zoo hij dus met goed- of afkeuring zegt1 dat wij in eenig deel des ligchaams gelijk zijn1 komt het niet te pas1 bijzonder op hem te letten #ca4 ,theaet4 ,het schijnt van neen4 ,so4 ,maar zoo hij nu de ziel van een van ons beiden prees om deugd en wijsheid1 zou het dan niet passen aan hem1 die het gehoord heeft1 dat hij ijverig den geprezenen onderzocht1 en aan den anderen1 dat hij bereidwillig zich vertoonde8 ,theaet4 ,ongetwijfeld1 ,socrates6 ,,iii4 ,so4 ,dus is het dan1 mijn waarde ,theaetetus6 voor u de tijd om u te vertoonen1 en voor mij om u te onderzoeken #cb2 want wees verzekerd1 dat ,theodorus tegenover mij vele vreemden en inboorlingen geprezen heeft1 maar nooit iemand zoo als u4 ,theaet4 ,dat zou goed zijn1 ,socrates6 ,maar zie eens1 of hij het ook schertsend zeide4 ,so4 ,dat is de gewoonte van ,theodorus niet4 ,maar ontwijk het toegestemde niet1 door voor te geven1 dat hij schertsend sprak1 opdat hij niet gedwongen worde een uitdrukkelijk getuigenis af te leggen2 want niemand zal hem toch wel van valsche getuigenis beschuldigen4 ,maar houdt gij vol moed het toegestemde vast4 ,theaet4 ,dat moet ik doen1 zoo gij het goedvindt4 ,so4 ,zeg mij dan nu3 leert gij van ,theodorus het een en ander van de meetkunst8 ,theaet4 ,ja4 ,so4 ,en van hetgeen de sterrekunde en de harmonie en de berekeningen betreft8 ,theaet4 ,ik hoop er me te beginnen4 ,so4 ,jongelief6 ik zou het ook wel willen leeren1 zoo van hem1 als van anderen1 die ik meen dat iets van die dingen verstaan #cc4 ,maar echter ben ik overigens met mijnen toestand in dezen nog #cd al tevreden1 doch ik heb ne zwarigheid1 die ik met u en met hen moet onderzoeken4 ,zeg mij daarom eens3 is niet leeren hetzelfde als kundiger #ce worden in hetgeen iemand leert8 ,theaet4 ,ongetwijfeld4 ,so4 ,en de kundigen zijn kundig door kunde8 ,theaet4 ,ja4 ,so4 ,maar verschilt dit nu van kennis8 ,theaet4 ,wat8 ,so4 ,de kunde4 ,of hebben wij niet kennis van datgeen1 waarin wij kundig zijn8 ,theaet4 ,ongetwijfeld4 ,so4 ,dus is kennis en kunde hetzelfde8 ,theaet4 ,ja4 ,so4 ,juist dit nu is het1 wat ik niet begrijp #cf en niet behoorlijk bij mij zelven kan bevatten #cg1 wat toch eigenlijk de kennis is4 ,kunnen wij het niet zeggen8 ,wat zegt gij #ch8 ,wie onzer zal het het eerste zeggen8 en die fout gezegd heeft1 en telkens #ci ieder die fout zegt1 moet1 zoo als de jongens zeggen1 die met den bal spelen1 voor ezel zitten2 maar die er doorkomt zonder fouten te maken1 zal onze koning zijn en voorschrijven wat hij wil #dj4 ,waarom zwijgt gij8 ,theodorus6 ik wordt toch niet onbeleefd door mijne praatzucht8 want ik verlang onder ons een vriendschappelijk gesprek aan te knoopen4 ,theo4 ,socrates6 zoo iets kan nooit onbeleefd zijn1 maar laat een der knapen u antwoorden2 want ik ben niet gewoon aan die soort van gesprek #da1 en ik heb den leeftijd niet om er aan te gewennen2 maar dit zou hun passen1 en zij zouden veel meer vorderen2 want waarlijk1 de jeugd is voor alle vorderingen geschikt4 ,doch laat1 zoo als gij begonnen zijt1 ,theaetetus niet los1 maar vraag hem4 ,so4 ,gij hoort1 ,theaetetus6 wat ,theodorus zegt1 wien toch ook gij wel zult willen gelooven1 te meer1 daar het in zulke dingen een jonger persoon niet vrij staat1 aan een kundig man ongehoorzaam te zijn1 wanneer hij ons iets beveelt2 talm dus niet1 maar zeg mij fiks en ronduit3 wat gelooft gij dat de kennis is8 ,theaet4 ,het moet wel1 ,socrates6 wanneer gij het beveelt2 want1 wanneer ik eenige fouten maak1 zult gij die stellig wel verbeteren4 ,,iv4 ,so4 ,wel zeker1 als wij maar kunnen4 ,theaet4 ,ik geloof dan1 dat hetgeen iemand van ,theodorus zou kunnen leeren1 kennis is1 namelijk meetkunst en de andere1 die gij genoemd hebt1 en ook het schoenmaken1 en al de andere1 kunsten1 die door de ambachtslieden worden uitgeoefend2 die allen en iedere daarvan houd ik voor niets anders dan kennis #db4 ,so4 ,roijaal en mild1 mijn beste6 geeft gij om n gevraagd zijnde veel en allerlei in plaats van n4 ,theaet4 ,wat zegt gij daar1 ,socrates8 ,so4 ,misschien niets3 maar wat ik bedoel1 zal ik zeggen4 ,wanneer gij van schoenmakerskunst spreekt1 dan meent gij toch niet anders dan de kennis van het maken van schoenen8 ,theaet4 ,niets anders4 ,so4 ,maar wanneer gij van schrijnwerkerskunst spreekt1 meent gij dan wel iets anders1 dan de kennis van het maken van houten huisraad8 ,theaet4 ,neen #dc4 ,so4 ,dus bepaalt gij bij beiden1 datgene1 waarvan ieder de kennis is8 ,theaet4 ,ja4 ,so4 ,maar het gevraagde1 ,theaetetus6 was niet1 welke de voorwerpen der kennis zijn1 of hoeveel soorten van kennis er zijn4 ,want wij vroegen het niet1 omdat wij ze wilden tellen1 maar omdat wij wilden weten #dd1 wat de kennis zelve is #de4 ,niet waar8 ,theaet4 ,juist4 ,so4 ,onderzoek dan nu ook eens dit4 ,zoo iemand ons vroeg aangaande die dingen van weinig waarde1 die voor de hand liggen1 b4 v4 wat klei is1 zoo wij dan antwoordden3 de klei van de pottenbakkers1 en de klei van de steenbakkers1 enz41 zouden wij ons dan niet bespottelijk maken8 ,theaet4 ,waarschijnlijk4 ,so4 ,vooral denkelijk1 omdat wij meenden1 dat hij1 die het vroeg1 ons antwoord begrijpen zou1 wanneer wij zeiden3 klei1 en er bijvoegden van pottenbakkers of van eenige andere fabrijkanten4 ,of meent gij1 dat #df iemand den naam begrijpt van een ding1 waarvan hij niet weet wat het is8 ,theaet4 ,wel neen4 ,so4 ,dus begrijpt iemand1 die niet weet1 wat kennis is1 ook de uitdrukking3 kennis van het maken van schoenen niet #dg8 ,theaet4 ,neen4 ,so4 ,dus begrijpt iemand het woord3 schoenmakerskunst niet1 noch den naam van eenige andere kunst1 zoo hij niet weet1 wat kennis is #dh4 ,theaet4 ,juist zoo4 ,so4 ,dus is het een bespottelijk antwoord1 wanneer men1 gevraagd zijnde1 wat kennis is1 den naam van eenige kunst antwoordt4 ,want dan antwoordt men1 wat het voorwerp der kennis is1 maar hiernaar werd men niet gevraagd4 ,theaet4 ,het schijnt zoo4 ,so4 ,terwijl het verder geoorloofd was #di1 gemakkelijk en kort te antwoorden1 maakt men eenen oneindigen omweg4 ,zoo als het bij de vraag naar de klei gemakkelijk en eenvoudig was te zeggen3 klei is eene soort van aarde1 met water gekneed1 en het waarvan #ej te laten rusten4 ,v4 ,theaet4 ,socrates6 dit ziet er oppervlakkig vrij gemakkelijk uit2 maar #ea gij schijnt iets te vragen1 zoo als hetgeen ons onlangs bij een gesprek voorkwam1 namelijk mij en dezen uwen naamgenoot1 ,socrates4 ,so4 ,wat meent gij1 ,theaetetus8 ,theaet4 ,theodorus1 die hier staat1 helderde ons de leer der inhouden met figuren op1 en toonde van de vlakteinhoud van drie en van vijf vierkante voeten1 dat zij in de lengte niet door nen vierkanten voet deelbaar zijn1 en alzoo doorliep hij ze n voor n1 tot aan de vlakte van zeventien vierkante voeten2 en daar hield hij op4 ,wij nu kregen zoodanig iets in onze gedachte1 namelijk om1 daar die inhouden oneindig in menigte schenen1 te pogen ze onder nen naam te brengen1 waarmede wij ze allen zouden kunnen benoemen #eb4 ,so4 ,en hebt gij zoodanig iets gevonden8 ,theaet4 ,ik geloof van ja4 ,zie gij het ook eens4 ,so4 ,zeg op4 ,theaet4 ,wij hebben alle getallen in twee soorten verdeeld4 ,de getallen1 die gelijk in lengte en breedte kunnen gemaakt worden1 vergeleken wij1 wat de figuur betreft1 bij het vierkant1 en noemden ze gelijkzijdig4 ,so4 ,goed zoo4 ,theaet4 ,de getallen1 die tusschen deze inliggen1 waartoe #c en #e behooren en al die onmogelijk gelijk in lengte en breedte kunnen gemaakt worden1 maar f meer lengte dan breedte1 f meer breedte dan lengte hebben1 zoodat eene grootere en kleinere zijde ze insluit1 die vergeleken wij bij de langwerpige figuur en noemden ze langwerpige getallen4 ,so4 ,opperbest3 maar wat nu verder8 ,theaet4 ,aan al de lijnen1 die dienen om de gelijkzijdige getallen in de vlakte als een vierkant af te beelden1 gaven wij den naam van lengte1 en die dienen1 om dit met de langwerpige getallen te doen1 den naam van inhoudsmaten1 daar zij in de lengte geene gemeene maat met die anderen hebben1 maar wel in de vierkanten1 waarvan zij den inhoud uitdrukken4 ,en met de wiskunstige ligchamen hebben wij desgelijks gehandeld4 ,so4 ,uitmuntend1 jongens6 zoodat ik geloof1 dat ,theodorus niet van valsche getuigenis zal kunnen beschuldigd worden4 ,theaet4 ,edoch1 ,socrates6 wat gij aangaande de kennis vraagt1 zou ik niet even goed kunnen beantwoorden1 als de vraag over de lengte en de inhoudsmaat2 indien ik ten minste goed inzie1 dat gij iets dergelijks zoekt2 zoodat ,theodorus nu weder een leugenaar schijnt4 ,so4 ,hoe dat8 zoo hij u1 ten opzigte van het loopen prijzende1 zeide1 dat hij nooit eenen knaap ontmoet had1 die zoo goed loopen kon1 en gij vervolgens in eenen wedloop wijken moest voor eenen #ec1 die zijne volle krachten had en uitmuntte in snelheid1 zoudt gij dan gelooven1 dat hij u eenigzins minder naar waarheid geprezen had8 ,theaet4 ,wel neen4 ,so4 ,maar houdt gij het dan voor eene kleine en niet voor eene van de allerzwaarste zaken1 om1 zoo als ik zeide1 uit te vinden1 wat de kennis is #ed8 ,theaet4 ,waarlijk1 bij ,zeus1 ik houd het voor eene van de allerzwaarste4 ,so4 ,houd maar moed over u zelven1 en geloof1 dat ,theodorus iets van gewigt #ee gezegd heeft en bevlijtig u op allerlei wijs1 zoo omtrent de andere dingen1 als omtrent de kennis1 om rekenschap te bekomen1 wat het toch is4 ,theaet4 ,voor zoo ver het van mijne vlijt afhangt1 ,socrates6 zal het blijken4 ,,vi4 ,so4 ,komaan dan2 want daareven zijt gij goed voorgegaan2 beproef eens1 het antwoord aangaande de inhoudsmaten nabootsende1 even als gij die1 hoe vele zij ook waren1 met n geslacht omvat hebt1 alzoo ook de vele soorten van kennis met ne bepaling te beschrijven4 ,theaet4 ,maar wees verzekerd1 ,socrates6 dat ik dikwijls beproefd heb dit te onderzoeken1 wanneer ik de door u voorgestelde vragen hoorde verhalen2 maar weinig heeft het mij geholpen1 daar ik mij zelven niet kan overtuigen1 dat ik iets zeg1 dat voldoende is1 en het1 evenmin z van een' ander kan hooren als gij verlangt2 hoewel ik aan den anderen kant mijn voornemen niet kan laten varen #ef4 ,so4 ,dat is geen wonder1 mijn beste ,theaetetus6 want gij zijt in barensnood1 daar gij niet ledig1 maar zwanger zijt4 ,theaet4 ,ik weet het niet1 ,socrates6 maar ik zeg u den toestand1 waarin ik ben #eg4 ,so4 ,maar1 mijn gekje6 #eh hebt gij dan niet gehoord1 dat ik een zoon ben van eene zeer voortreffelijke en eerwaardige vroedvrouw1 van ,phaenabete8 ,theaet4 ,dat heb ik reeds gehoord4 ,so4 ,maar hebt gij ook gehoord1 dat ik dezelfde kunst uitoefen8 ,theaet4 ,wel neen6 ,so4 ,maar wees toch verzekerd1 dat het zoo is #ei4 ,verklap mij echter niet bij de anderen4 ,want1 mijn vriend6 het is niet bekend1 dat ik die kunst heb1 en daar #fj zij #fa dit dus niet weten1 zeggen zij dit niet van mij1 maar wel1 dat ik allerzotst ben en de menschen in de war breng #fb4 ,dat hebt gij toch wel gehoord8 ,theo4 ,wel zeker4 ,so4 ,wil ik u dan de reden eens zeggen8 ,theaet4 ,gaarne4 ,so4 ,bedenk dan eens1 hoe al1 wat eene vroedvrouw aangaat1 gesteld is1 en gij zult gemakkelijker begrijpen1 wat ik wil4 ,want gij weet1 dat geene derzelve1 zoo lang zij nog zelve zwanger wordt en kinderen baart1 andere vrouwen helpt verlossen1 maar dat zij dit doen die niet meer in staat zijn te baren4 ,theaet4 ,wel zeker4 ,so4 ,men zegt1 dat ,artemis daarvan de oorzaak is1 daar zij1 zonder zelve te baren1 het opzigt over het baren der kraamvrouwen gekregen heeft #fc4 ,aan onvruchtbare vrouwen nu pleegt zij de vroedkunst niet te verleenen #fd1 wijl de menschelijke natuur te zwak is1 om de theorie te vatten van iets1 waarvan zij geene ondervinding heeft2 maar aan de vrouwen1 die door haren ouderdom niet meer baren1 heeft zij dit opgedragen en ze daardoor1 wijl zij aan haar gelijk zijn1 eervol onderscheiden4 ,theaet4 ,waarschijnlijk #fe4 ,so4 ,is dan ook dit niet waarschijnlijk en noodzakelijk1 dat de zwangere en niet zwangere vrouwen beter door de vroedvrouwen1 dan door andere onderscheiden #ff worden8 ,theaet4 ,wel zeker4 ,so4 ,verder kunnen de vroedvrouwen ook door dranken te geven en tooverformulieren #fg te zingen1 de ween opwekken1 en1 zoo zij willen1 verzachten1 en de vrouwen1 die moeijelijk baren1 laten baren1 en zoo het haar noodig schijnt de vrucht af te wenden1 die afwenden4 ,theaet4 ,dat is zoo4 ,so4 ,hebt gij ook dit reeds van haar bemerkt1 dat zij ook zeer goede aanbindsters van het huwelijk zijn1 daar zij zeer bekwaam zijn1 om te beslissen1 hoedanige vrouw met hoedanigen man de beste kinderen kan voortbrengen8 ,theaet4 ,dat weet #fh ik nog niet regt4 ,so4 ,maar weet dan1 dat zij zich meer daarop verheffen1 dan op het navelsnijden2 want denk eens3 gelooft gij1 dat het kweeken en inzamelen der aardvruchten dezelfde of eene andere kunst #fi is1 dan het beoordeelen1 in hoedanige aarde hoedanige planten en zaden moeten gelegd worden8 ,theaet4 ,neen1 maar van dezelfde4 ,so4 ,maar mijn beste6 gelooft gij dan1 dat1 ten opzigte eener vrouw1 eene andere de kennis is van het laatste1 eene andere van het inzamelen #gj8 ,theaet4 ,dat is niet waarschijnlijk4 ,so4 ,neen zeker niet4 ,maar om het onregtmatige en onkundige bijeenbrengen van man en vrouw1 dat koppelen genoemd wordt1 ontwijken de vroedvrouwen het aanbinden van huwelijken1 daar zij eerwaardig zijn1 en vreezen zich daardoor die beschuldiging te berokkenen1 terwijl het toch alleenlijk aan de wezenlijke vroedvrouwen toekomt1 een huwelijk goed aan te binden4 ,theaet4 ,het schijnt zoo4 ,so4 ,dit nu is het werk der vroedvrouwen1 dat geringer is dan het mijne4 ,want het gebeurt aan vrouwen niet1 somtijds schimmen1 en dan weer #ga waarachtige kinderen te baren1 die niet gemakkelijk te onderkennen zijn1 want zoo dat er bij was1 dan zou het voor de vroedvrouwen het schoonste werk zijn1 het ware en niet ware te onderscheiden1 of meent gij dit niet8 ,theaet4 ,ja6 ,,vii4 ,so4 ,mijne vroedkunst nu heeft het overige zooals zij #gb1 maar verschilt daarin1 dat zij mannen en geen vrouwen verlost1 en dat zij de zielen als zij baren in het oog houdt1 maar niet de ligchamen4 ,maar dit is het voornaamste in onze kunst1 in staat te zijn op allerlei wijs te onderzoeken1 of het verstand van den jongeling eene schim en leugen baart1 of iets dat echt en waar is4 ,verder heb ik ook dit1 dat aan de vroedvrouwen eigen is3 ik baar zelf geene wijsheid1 en wat reeds velen mij verweten hebben1 dat ik de anderen vraag1 maar zelf over niets eenig antwoord geef1 daar ik volstrekt geene wijsheid heb1 dat verwijten zij mij met regt #gc4 ,de oorzaak nu hiervan is deze1 dat de godheid mij dwingt om de vroedkunst uit te oefenen1 maar mij belet heeft te baren #gd4 ,ik nu ben zelf wel niet bijzonder wijs1 en heb geene zoodanige #ge uitvinding gedaan1 die het kind is van mijnen geest2 doch zij1 die met mij omgaan1 schijnen in het eerst1 sommigen zelfs bijzonder dom1 maar bij voortgaanden omgang schijnen allen1 wien ,god dit toestaat1 naar hun eigen oordeel en dat van anderen1 verwonderlijk toe te nemen2 en het is duidelijk1 dat zij dit doen zonder ooit iets van mij te leeren1 maar door zelve uit zich zelve vele schoone dingen te vinden en vast te houden2 de verlossing echter is dan door mij met ,gods hulp bewerkt4 ,dit nu blijkt aldus4 ,reeds velen1 die dit niet begrepen en zich zelve de oorzaak noemden1 maar mij niet telden1 zijn1 hetzij vrijwillig1 hetzij door anderen overgehaald1 vroeger dan behoorde heengegaan1 en nadat zij heengegaan waren1 hebben zij verder miskramen gehad door de slechte behandeling1 en hebben1 hetgeen door mij verlost was1 met slecht voedsel verdorven1 daar zij leugens en schimmen hooger stelden dan de waarheid1 en eindelijk #gf schenen zij aan zich zelve en aan anderen bijzonder onwetend4 ,hiertoe behoort ,aristides1 de zoon van ,lysimachus1 en vele anderen4 ,en wanneer die wederkomen1 en om mijnen omgang verzoeken1 en allerlei vreemde dingen doen #gg1 dan belet het goddelijke #gh teeken1 dat mij verleend wordt1 mij om met sommigen om te gaan1 en met anderen vergunt het zulks2 en die nemen dan weder toe4 ,zij nu1 die met mij omgaan1 hebben ook dit met de kraamvrouwen gemeen1 dat zij zelfs vrij wat meer ween hebben en nacht en dag met benaauwdheid vervuld worden4 ,die ween kan mijne kunst opwekken en tot bedaren brengen4 ,zoo nu gaat het met hen #gi4 ,maar somtijds1 ,theaetetus6 zoo er zijn1 die mij niet zwanger schijnen1 en waarvan ik inzie1 dat zij mij geenszins behoeven1 ben ik zoo goed ze aan den man te helpen1 en 7menschelijker wijs gesproken #hj17 kan ik al zeer goed gissen1 van wiens omgang zij nut kunnen trekken4 ,vele hunner heb ik aan ,prodicus of aan andere wijze en uitstekende mannen overgegeven4 ,dit1 mijn beste6 heb ik u daarom zoo uitvoerig verteld1 omdat #ha ik giste1 dat gij1 zoo als gij ook zelf meent1 ween hebt1 daar gij zwanger zijt4 ,gedraag u dus jegens mij als jegens den zoon eener vroedvrouw1 die zelf de vroedkunst verstaat1 en bevlijtig u mijne vragen zoo goed gij kunt te beantwoorden #hb4 ,en zoo ik dan1 iets onderzoekende van hetgeen gij zegt1 dat voor eene schim en voor niet waarachtig houd1 en het vervolgens opneem en wegwerp1 wees dan niet boos op mij1 zoo als de voor het eerst barende ten opzigte der kinderen4 ,want velen1 mijn waardste6 waren z jegens mij gesteld1 dat zij waarlijk op het punt waren mij te bijten1 wanneer ik hun eenige beuzelarij ontrukte1 en niet geloofden1 dat ik dit uit welwillendheid deed1 daar zij ver waren van het inzigt1 dat geen god jegens de menschen kwaadgezind #hc is1 en ik niets van dien aard uit kwaadwilligheid doe1 maar dat het mij geenszins vrij staat een leugen toe te stemmen1 en iets waars te verduisteren4 ,,viii4 ,beproef dan nog eens van voren af aan1 ,theaetetus6 te zeggen1 wat kennis is2 maar zeg nooit1 dat gij er niet toe in staat zijt1 want1 zoo ,god wil en gij u mannelijk gedraagt1 zult gij er toe in staat zijn4 ,theaet4 ,maar #hd waarlijk1 ,socrates6 daar gij mij aldus aanspoort1 zou het schandelijk wezen1 niet in alle opzigten zijn best te doen1 om alles te zeggen1 wat men kan4 ,ik geloof dan1 dat hij1 die iets kent1 dat1 wat bij kent1 voelt1 en1 naar mij nu voorkomt1 is de kennis niets anders dan gevoel #he4 ,so4 ,goed zoo1 mijn jongen6 want zoo moet men vrijuit spreken4 ,maar kom aan6 laten wij dit te zamen onderzoeken1 of het goed of ijdel #hf is4 ,gij zegt3 kennis is gevoel #hg8 ,theaet4 ,ja4 ,so4 ,gij schijnt daar waarlijk eene niet onbelangrijke uitspraak over de kennis te doen1 maar dezelfde bepaling te geven als ,protagoras4 ,hij toch zeide volkomen hetzelfde #hh1 met eenigzins andere woorden4 ,want hij zegt1 als ik wel heb #hi1 dat de mensch de maat van alle dingen is1 van de dingen die zijn1 dat zij zijn1 en van de dingen die niet zijn1 dat zij niet zijn4 ,hebt gij dat niet wel eens gelezen8 ,theaet4 ,ja1 dikwijls4 ,so4 ,zegt hij dan niet ongeveer dit8 ,dat1 gelijk alle dingen aan mij toeschijnen1 zij alzoo ook voor mij zijn1 en gelijk zij aan u toeschijnen1 voor u2 edoch dat gij en ik menschen zijn8 ,theaet4 ,ja3 dat zegt hij4 ,so4 ,het is waarlijk niet te denken1 dat een verstandig man onzin praat3 laten wij hem dus volgen4 ,is niet somtijds1 terwijl dezelfde wind waait1 de een onzer koud1 de ander niet8 en de een een weinig1 de ander zeer8 ,theaet4 ,ongetwijfeld4 ,so4 ,zullen wij dan nu den wind op zich zelven koud of niet koud noemen8 of zullen wij ,protagoras gelooven1 dat hij voor hem1 die het koud heeft1 koud is1 en voor den anderen niet8 ,theaet4 ,het laatste #ij4 ,so4 ,edoch het komt aan ieder alzoo voor4 ,theaet4 ,ja4 ,so4 ,dat is3 ieder voelt het zoo4 ,theaet4 ,juist4 ,so4 ,dus komt het voor waar houden en het voelen in het warme en alle dergelijken op hetzelfde ner4 ,want wat ieder voelt1 dat schijnt voor ieder ook te zijn4 ,theaet4 ,het schijnt zoo4 ,so4 ,derhalve heeft het gevoel altijd het wezenlijke en de waarheid tot voorwerp #ia1 daar het kennis is4 ,theaet4 ,het schijnt zoo4 ,so4 ,maar1 bij de ,gratin6 was dan ,protagoras een doorgeleerd man1 die voor ons als den grooten hoop zich zoo duister uitdrukte1 maar aan zijne leerlingen in het verborgen de waarheid zeide #ib8 ,theaet4 ,hoe meent gij dat1 ,socrates8 ,so4 ,ik zal u die waarlijk niet verwerpelijke redenering mededeelen #ic1 namelijk1 dat niets op zich zelf bestaat1 en dat gij aan niets met regt deze of die hoedanigheid of eigenschap #id kunt toeschrijven1 maar1 zoo gij het groot noemt1 zal het ook klein schijnen1 en1 zoo gij het zwaar noemt1 ligt1 enz4 daar niets n1 of dit1 of zoodanig is2 maar alles1 wat wij verkeerdelijk zeggen te bestaan1 eigenlijk ontstaat uit beweging en onderlinge vermenging2 want nooit is er iets1 maar steeds wordt het4 ,en daarover is de geheele rij der wijzen1 behalve ,parmenides #ie1 het eens1 namelijk ,protagoras en ,heracliet en ,empedocles1 en de eerste dichters van beide dichtsoorten1 ,epicharmus van de ,comedie1 en ,homerus van de ,tragedie2 want1 toen de laatste sprak van den ,oceaan1 den vader der goden1 en hunne moeder ,tethys1 leerde hij1 dat alles uit vloeijing en verandering ontstaan is2 of dunkt u niet1 dat hij dat bedoelt8 ,theaet4 ,ongetwijfeld4 ,,ix4 ,so4 ,wie zou dan nu nog in staat zijn aan zulk een leger1 aangevoerd door eenen veldheer als ,homerus1 werstand te bieden1 zonder zich schande te berokkenen8 ,theaet4 ,dat is niet gemakkelijk1 ,socrates6 ,so4 ,zekerlijk niet1 ,theaetetus6 te meer1 daar de waarheid dezer leer ook voldoende daardoor wordt aangeduid1 dat verandering de bron is van den schijn van bestaan en van het worden1 maar rust van het niet bestaan en het vergaan #if2 want de warmte en het vuur1 dat de andere dingen doet ontstaan1 en in stand houdt1 wordt zelf voortgebragt door beweging #ig en wrijving1 en die twee door verandering4 ,of is dat niet de oorsprong van het vuur8 ,theaet4 ,ongetwijfeld4 ,so4 ,en ook de dieren nemen hunnen oorsprong uit hetzelfde4 ,theaet4 ,zeer zeker4 ,so4 ,wordt verder #ih de toestand der ligchamen niet door rust en ledigheid bedorven1 maar door oefening en beweging over het geheel bewaard8 ,theaet4 ,ja4 ,so4 ,en is het niet door studie en oefening1 dat is door beweging1 dat de #ii ziel kennis verkrijgt en die voor zich bewaart en beter wordt1 terwijl zij door rust1 dat is door verwaarloozing en gebrek aan studie1 niet alleen niet leert1 maar ook nog daarenboven hetgeen zij geleerd heeft1 vergeet #ajj8 ,theaet4 ,ongetwijfeld4 ,so4 ,dus is het goede voor ziel en ligchaam beweging1 het kwade daarentegen het tegenovergestelde #aja8 ,theaet4 ,het schijnt zoo4 ,so4 ,moet ik nu nog stilte van wind en water1 enz4 noemen en zeggen dat rust rotting en verderf veroorzaakt1 maar het tegenovergestelde bewaart8 en moet ik daarop nu nog de kroon zetten #ajb1 daarbij bewerende1 dat ,homerus met de gouden keten niets anders meent dan de zon1 en te kennen geeft1 dat1 zoo lang als het omwentelen en de zon in beweging blijft1 alles onder de ,goden en de menschen bestaat en behouden blijft2 maar dat1 zoo die als gebonden bleef staan1 alles bedorven en1 naar het spreekwoord zegt1 te onderste boven gekeerd zou worden #ajc8 ,theaet4 ,ik geloof1 ,socrates6 dat dit te kennen geeft1 wat gij zegt4 ,x4 ,so4 ,vat het dan nu aldus op1 mijn beste6 ,vooreerst wat betreft de oogen1 dat1 hetgeen gij witte kleur noemt1 niets op zich zelf is buiten de oogen noch in de oogen2 en dat er geene vaste plaats aan kan toegewezen worden4 ,want zoodra gij dat deedt1 was hetgeen bestaat1 ergens in eenen vastgestelden toestand1 en zou blijven en niet meer aanhoudend worden4 ,theaet4 ,maar hoe dan8 ,so4 ,laat ons1 het daareven gezegde volgende1 niets als op zich zelf bestaand beschouwen2 en het zal alzoo blijken1 dat zwart en wit en elke andere kleur voor ons ontstaat uit het stuiten der oogen op de daarmede overeenstemmende #ajd beweging2 en al wat wij kleur noemen1 zal noch het stuitende noch hetgeen1 waarop gestuit wordt1 zijn1 maar voor ieder iets bijzonders1 dat daartusschen wordt2 of zoudt gij durven beweren1 dat1 zoo als iedere kleur u voorkomt1 zij eveneens voorkomt aan eenen hond en aan elk ander dier8 ,theaet4 ,neen1 waarlijk niet4 ,so4 ,maar verder3 komt iets eveneens voor aan een ander en aan u8 zijt gij daar zeker van1 of veel meer1 dat ook aan u hetzelfde niet eveneens voorkomt1 daar gij nooit in denzelfden toestand zijt als vroeger8 ,theaet4 ,het laatste komt mij waarschijnlijker voor dan het eerste4 ,so4 ,zoo dus1 hetgeen wij met iets anders meten of hetgeen wij aanraken1 groot of wit of warm was1 dan zou het nooit met een ander in aanraking komende1 wat anders geworden zijn1 zonder dat het zelf veranderde2 en zoo het gemetene of aangeraakte ieder van die dingen #aje was1 dan zou het niet1 wanneer iets anders er bij kwam1 of iets onderging1 zonder zelf iets ondergaan te hebben1 anders geworden zijn #ajf1 daar wij nu1 mijn vriend6 zoo wij dit beweren gedwongen worden iets vreemds en bespottelijks te zeggen1 zoo als ,protagoras en ieder1 die hem poogt te volgen1 zou aanmerken4 ,theaet4 ,hoe en wat meent gij8 ,so4 ,ik zal u een klein voorbeeld geven #ajg1 en gij zult alles weten1 wat ik bedoel4 ,immers zoo gij met zes dobbelsteenen1 vier vergelijkt1 zeggen wij1 dat de zes meer zijn dan de vier en wel anderhalf maal zooveel1 maar1 zoo gij er twaalf mede vergelijkt1 minder en de helft2 en het is niet toe te laten1 dat men het anders zegt2 of zoudt gij het toelaten8 ,theaet4 ,wel neen4 ,so4 ,wat nu8 zoo ,protagoras of iemand anders u vroeg3 ,theaetetus6 is het mogelijk1 dat iets op eene andere wijs grooter of meer wordt1 dan door vermeerdering #ajh8 wat zoudt gij antwoorden8 ,theaet4 ,wanneer ik1 ,socrates6 op het nu gevraagde moet antwoorden1 wat mij voorkomt1 dan zou ik antwoorden1 dat het niet mogelijk is1 maar wegens de vorige vraag1 zal ik1 om mij niet tegen te spreken1 zeggen1 dat het wel mogelijk is #aji4 ,so4 ,mooi1 bij ,hera6 mijn vriend1 en goddelijk2 maar1 waarschijnlijk zal er1 zoo gij antwoordt1 dat het mogelijk is1 iets als het door ,euripides #aaj vermelde plaats hebben2 want onze tong zal de tegenstrijdigheid vermeden hebben1 maar onze geest niet #aaa4 ,theaet4 ,dat is waar4 ,so4 ,dus wanneer ik en gij knap #aab en wijs waren1 dan zouden wij de zaak1 voor zoo ver zij onzen geest raakt1 als voldoende onderzocht beschouwende1 verder voor tijdverdrijf elkanders krachten beproeven en als ,sophisten zulk eenen strijd ondernemen1 en met redeneringen elkanders redeneringen verslaan2 maar nu1 daar wij maar gewone menschen zijn1 willen wij eerst eens stuk voor stuk onderzoeken1 wat het is1 wat wij denken1 en of wij er tegenstrijdigheid in merken of niet #aac4 ,theaet4 ,dat zou ik zeer gaarne willen4 ,,xi4 ,so4 ,en ik niet minder4 ,wanneer het er nu zoo me staat1 willen wij dan wel iets anders doen dan bedaard1 daar wij zeer veel tijd hebben1 nog eens van voren af aan nasporen2 zonder ons moeijelijk te maken1 maar waarlijk ons zelve onderzoekende1 wat die verschijnsels #aad in ons te beduiden hebben4 ,dit ons onderzoek1 denk ik1 zullen wij beginnen met vast te stellen1 dat niets ooit1 hetzij in omvang1 hetzij in aantal1 grooter of kleiner wordt1 zoolang het aan zich zelf gelijk is4 ,is het niet zoo8 ,theaet4 ,ja4 ,so4 ,verder1 dat waar niets bij of af gaat1 dat dit meer noch minder wordt1 maar altijd gelijk is4 ,theaet4 ,ongetwijfeld4 ,so4 ,kunnen wij ook niet ten derde vaststellen1 dat hetgeen vroeger niet was1 later niet zijn kan zonder te worden #aae8 ,theaet4 ,het komt mij althans zoo voor4 ,so4 ,deze drie toegestemde stellingen nu strijden in onzen geest met elkander1 wanneer wij het voorbeeld der dobbelsteenen bezigen1 of wanneer wij zeggen1 dat1 nu ik van deze lengte ben1 ik in een jaar nu grooter ben dan gij1 die jong zijt1 en later kleiner1 terwijl er niets van mijne grootte wordt afgenomen1 maar gij groeit4 ,want ik ben later wat ik vroeger niet was1 zonder dat ik het geworden ben2 want zonder worden1 is geworden zijn niet mogelijk1 en zonder iets van mijne grootte te verliezen1 zou ik nooit kleiner worden4 ,en zoo wij dit aannemen1 zijn oneindig vele andere dingen eveneens gesteld #aaf1 want1 ,theaetetus6 ik geloof1 dat gij hierin niet onbedreven zijt4 ,theaet4 ,en bij de ,goden1 ,socrates6 ik verwacht met verwondering1 wat dat toch is1 en somtijds word ik waarlijk1 als ik hierop zie1 duizelig4 ,so4 ,theodorus1 mijn vriend6 schijnt niet kwaad omtrent uwen aard te gissen4 ,deze aandoening toch1 de verwondering1 is vooral #aag aan den wijsgeer eigen2 want er is geen ander begin #aah van de wijsbegeerte dan dit1 en hij1 die ,iris de dochter van ,thaumas noemde1 schijnt niet kwaad hare afkomst op te geven #aai4 ,maar begrijpt gij dan nu1 waarom dit zoodanig is1 volgens hetgeen wij zeggen dat ,protagoras leert1 of nog niet #abj8 ,theaet4 ,ik geloof nog niet4 ,so4 ,zult gij het mij dan dank weten1 zoo ik met u de verborgene waarheid der gedachte van een1 of liever van verscheidene beroemde mannen uitvind #aba8 ,theaet4 ,hoe zou ik u daarvoor niet zeer veel dank weten8 ,,xii4 ,so4 ,zie dan nu eens goed in de rondte1 of niemand van de oningewijden ons beluistert4 ,zij nu zijn diegenen1 die niets voor wezenlijk houden1 dan hetgeen zij vast met de handen kunnen grijpen1 maar die handelingen en wordingen en al het onzigtbare niet als wezenlijk erkennen #abb4 ,theaet4 ,waarlijk1 ,socrates6 gij noemt daar al zeer drooge en werbarstige menschen4 ,so4 ,ja1 jongen6 zij zijn zeer onbeschaafd4 ,maar er zijn andere veel geestiger lieden1 wier geheimenissen ik u zal mededeelen4 ,hun beginsel nu1 waaruit ook al hetgeen wij daareven #abc reeds zeiden is afgeleid1 is dit1 dat alles beweging is #abd en verder niets1 en dat er twee soorten van beweging zijn1 die ieder oneindig vele onderdeelen hebben1 maar de eene de kracht van doen1 de andere van lijden hebben #abe4 ,uit haar onderling verkeer en hare wrijving tegen elkander ontstaan voortbrengsels1 die wel oneindig in getal zijn1 maar in twee hoofdsoorten kunnen verdeeld worden1 namelijk het voelbare en het gevoel1 dat steeds tegelijk met het voelbare vergaat en ontstaat4 ,de aandoeningen nu des gevoels worden door ons benoemd met de namen van3 gezigt1 gehoor1 reukaandoeningen1 koude1 hitte1 vermaken1 smarten1 begeerten1 vrees #abf en andere1 waarvan eene oneindige menigte nog onbenoemd is1 maar toch de benoemde zeer veel in getal zijn2 en de voelbare soort komt met ieder van dezen overeen #abg1 met al de verschillende gezigtsaandoeningen1 de verschillende kleuren1 en zoo ook de klanken met de gehoorsaandoeningen1 en de overige voelbare dingen1 die met de overige aandoeningen des gevoels van dezelfde soort worden4 ,wat wil nu dit gezegde ten opzigte van het vorige1 ,theaetetus8 begrijpt gij het8 ,theaet4 ,niet bijzonder1 ,socrates6 ,so4 ,maar zie1 of gij het op eenigerlei wijze begrijpt1 wanneer #abh het voluit gezegd is4 ,want het wil zeggen #abi1 dat dit alles1 zooals wij zeggen1 bewogen wordt1 en dat in hunne beweging snelheid en traagheid is4 ,wat nu traag is1 heeft de beweging op dezelfde #acj plaats en naar het digtbijzijnde1 en brengt alz eene gevoelsaandoening voort1 en het alzoo voortgebragte is trager2 en wat snel is1 heeft de beweging naar het meer verwijderde en brengt aldus voort1 en het voortgebragte is alzoo sneller4 ,want het beweegt zich in de ruimte1 en de beweging is beweging in de ruimte #aca4 ,wanneer nu een oog en iets anders van de dingen1 die daarmede overeenstemmen #acb1 tot elkander genaderd zijnde1 de witheid en eene gevoelsaandoening1 die daarmede overeenstemt1 doet ontstaan1 hetgeen nooit zou plaats hebben1 wanneer een hunner bij iets anders gekomen was1 dan pleegt1 terwijl zich tusschen het oog en het zigtbare het gezigt van den kant der oogen en de witheid van dien der mede-oorzaak van de kleur beweegt1 het oog vol te worden met gezigt1 en dan ziet het1 en wordt niet gezigt1 maar een oog dat ziet2 en hetgeen mede de kleur verwekt heeft1 wordt rondom met witheid gevuld #acc en wordt niet witheid1 maar wit1 hetzij een stok of een steen1 of welk ding ook met zoodanige kleur gekleurd is4 ,en het andere1 het harde1 warme1 enz4 moet men even zoo opvatten1 dat het op zich zelf niets is1 wat wij ook daareven zeiden1 maar dat bij het onderlinge verkeer alles wordt en allerlei eigenschappen bekomt door de beweging1 daar het niet geoorloofd is #acd eens vooral1 zoo als men zegt1 het bedrijvende en het lijdende onder een vast begrip te brengen4 ,want niets is bedrijvend voordat het met het lijdende zamenkomt1 noch lijdend voordat het met het bedrijvende zamenkomt2 en wat1 met het eene zamenkomend1 bedrijvend is1 vertoont zich1 in verband met iets anders1 als lijdend4 ,zoodat volgens dit alles1 hetgeen wij van den beginne zeiden1 niets van eene onveranderlijke hoedanigheid is1 maar alle dingen #ace steeds in eenig opzigt worden1 doch het zijn overal moet uitgesloten worden1 alhoewel #acf wij nog daarzoo door ongewoonte en onbekwaamheid dikwijls genoopt werden1 die uitdrukking te gebruiken4 ,dit is echter1 gelijk de wijzen zeggen1 niet geoorloofd1 en evenmin iets te bevestigen1 of van iemand1 of van mij1 of dit of dat1 of eenig ander woord1 dat eenen blijvenden toestand uitdrukt2 maar men moet #acg1 zoo als de natuur vordert1 spreken van ontstaan1 en gemaakt worden1 en vergaan1 en veranderd worden2 daar hij1 die beweert1 dat iets bestendig is1 gemakkelijk kan werlegd worden4 ,en men moet zoo van ieder afzonderlijk #ach spreken en van velen te zamen1 die vereenigd den naam van mensch1 steen1 dier1 enz4 bekomen4 ,bevalt u dit1 ,theaetetus6 en smaakt het u1 zoodat gij er van eten wilt8 ,theaet4 ,ik weet het niet1 ,socrates6 want ik kan ook aan u niet merken #aci1 of gij zegt1 wat gij meent1 dan of gij mij beproeft4 ,so4 ,herinnert gij u dan niet1 mijn vriend6 dat ik geen van die dingen weet1 noch mij toeigen1 maar dat ik daarin onvruchtbaar ben1 doch u help verlossen1 en daarom u voorzing en u van de meeningen van al de wijzen laat proeven1 totdat ik uwe meening aan het licht gebragt heb2 en wanneer die aan het licht gebragt is1 dan zal ik zien1 of het wind of een gezond kind zal blijken te zijn4 ,maar houd moed1 en verman u1 en antwoord fiks en ronduit1 wat u dunkt van hetgeen ik u vraag4 ,theaet4 ,vraag op6 ,,xiii4 ,so4 ,zeg dan nu nog eens1 of het u behaagt1 dat niets is1 maar dat het goede en schoone #adj en al wat wij daareven doorliepen1 steeds wordt4 ,theaet4 ,maar wanneer gij het z uiteenzet1 dan schijnt het mij bijzonder veel vr zich te hebben1 gelijk gij het hebt uiteengezet1 en te moeten aangenomen worden4 ,so4 ,laten wij dan niet weglaten1 wat ik nog heb overgeslagen4 ,nu blijft nog over te spreken van de droomen en ziekten1 inzonderheid #ada van de krankzinnigheid1 en waar verder verkeerd hooren of verkeerd zien1 of eenige andere verkeerde #adb waarneming genoemd wordt4 ,want gij weet waarschijnlijk wel1 dat door die alle1 volgens het algemeene gevoelen1 het daareven gezegde schijnt werlegd te worden1 daar wij zeer zeker in die alle valsche waarnemingen hebben1 en het veel scheelt1 dat hetgeen aan ieder voorkomt1 ook is1 maar integendeel niets is van hetgeen schijnt4 ,theaet4 ,gij zegt volkomen de waarheid1 ,socrates6 ,so4 ,wat blijft er dan nu nog te zeggen #adc over1 jongen6 voor hem1 die het gevoel als kennis stelt1 en dat hetgeen aan ieder voorkomt1 dit ook is voor dien1 aan wien het voorkomt8 ,theaet4 ,socrates6 ik durf eigenlijk niet te zeggen1 dat ik nog niet weet wat ik zeggen moet1 daar gij mij daareven beknord hebt1 toen ik dat zeide1 en ik zou toch gaarne mijne onwetenheid bekennen1 daar ik waarlijk niet kan betwijfelen1 dat de krankzinnigen en de droomenden eene valsche meening hebben1 wanneer sommige hunner zich ,goden wanen1 andere vogels en zich in den slaap als vliegend denken4 ,so4 ,denkt gij ook niet om de volgende twijfeling over deze toestanden1 vooral over droomen en waken #add8 ,theaet4 ,welke meent gij8 ,so4 ,wat ik geloof1 dat gij sommigen dikwijls hebt hooren vragen #ade1 namelijk1 welk bewijs iemand zou kunnen aanvoeren1 zoo men hem nu zoo in eens vroeg1 of wij slapen en alles wat wij denken droomen1 dan of wij wakker zijn1 en in wakenden toestand met elkander spreken4 ,theaet4 ,ja waarlijk1 ,socrates6 het is ondenkbaar1 dat men daarvoor een bewijs zou kunnen aanvoeren2 want voor beide gevallen volgt alles volkomen op dezelfde wijze4 ,niets toch belet ons in den droom #adf te meenen1 dat wij met elkander spreken over het daareven verhandelde2 en wanneer wij in den droom ons verbeelden droomen te verhalen1 dan is de gelijkenis van dit met dat #adg1 allervreemdst4 ,so4 ,gij ziet dus1 dat het niet moeijelijk is gronden van twijfel te vinden1 wanneer er zelfs getwijfeld wordt1 of wij in wakenden of slapenden toestand zijn1 en waarlijk1 terwijl de tijd1 waarin wij slapen1 gelijk is aan dien1 waarin wij wakker zijn1 beweert onze ziel in beiden1 dat de meeningen1 die zij dan koestert1 ongetwijfeld waar zijn1 zoodat wij eenen gelijken tijd het een en het ander voor werkelijk bestaand verklaren1 en dit eveneens van beiden beweren4 ,theaet4 ,dat is ongetwijfeld waar4 ,so4 ,geldt niet dezelfde bewering van krankzinnigheid en ziekte1 behalve dat de tijd niet gelijk is #adh8 ,theaet4 ,ja4 ,so4 ,wat dan8 zal het ware door lengte of kortheid van tijd bepaald worden #adi8 ,theaet4 ,dat zou waarlijk allergekst wezen4 ,so4 ,maar hebt gij iets anders om duidelijk aan te wijzen1 welke dier meeningen waar is8 ,theaet4 ,ik geloof van neen4 ,,xiv4 ,so4 ,hoor dan nu eens van mij1 wat zij hierover zouden zeggen1 die beweren1 dat telkens1 hetgeen aan iemand toeschijnt1 waar is voor hem1 aan wien het zoo toeschijnt #aej4 ,zij nu spreken naar mijn inzien aldus1 vragende3 ,theaetetus6 wat in alle opzigten verschillend is1 zal dat wel in eenige kracht1 die het heeft1 overeenkomen met hetgeen1 waarvan het verschilt8 en moeten wij niet oordeelen1 dat hetgeen wij vragen1 niet in n opzigt hetzelfde1 in een ander anders is1 maar integendeel in alle opzigten anders is8 ,theaet4 ,het is inderdaad onmogelijk1 dat het f in kracht1 f in eenig ander opzigt1 iets hetzelfde heeft1 wanneer het volkomen anders is4 ,so4 ,maar moeten wij dan ook niet toestemmen1 dat het zoodanige ongelijk is8 ,theaet4 ,ik geloof van ja4 ,so4 ,zoo het dus gebeurt1 dat iets aan zich zelf of aan iets anders gelijk of ongelijk wordt1 zullen wij dan niet1 zoo het gelijk wordt1 zeggen1 dat het hetzelfde wordt1 en zoo het ongelijk wordt1 anders8 ,theaet4 ,noodzakelijk4 ,so4 ,zeiden wij niet te voren #aea1 dat het bedrijvende veel1 ja #aeb oneindig is1 en evenzoo het lijdende8 ,theaet4 ,ja4 ,so4 ,en immers ook1 dat1 wanneer iets anders met iets anders en weder met iets anders vereenigd wordt1 het niet hetzelfde1 maar wat anders zal voortbrengen8 ,theaet4 ,zeer zeker4 ,so4 ,laten wij dan nu volgens dezelfde redenering van mij en van u en van al het andere spreken1 b4 v4 van den gezonden en den zieken ,socrates4 ,zullen wij zeggen1 dat dit laatste aan het eerste gelijk of ongelijk is8 ,theaet4 ,meent gij den zieken ,socrates in zijn geheel1 aan den gezonden ,socrates in zijn geheel8 ,so4 ,goed begrepen6 juist dat meen ik4 ,theaet4 ,zeker ongelijk4 ,so4 ,en dat hij dus1 voor zoo verre hij ongelijk is1 een ander is8 ,theaet4 ,noodzakelijk #aec4 ,so4 ,en zult gij van den slapenden en van al wat wij verder gezegd hebben1 hetzelfde zeggen #aed8 ,theaet4 ,dat zal ik4 ,so4 ,elk dus van die dingen1 welke de eigenschap hebben1 dat zij op een ander werken1 zullen1 wanneer zij den gezonden ,socrates aantreffen1 op mij als op een' ander werken1 dan wanneer zij den zieken aantreffen4 ,theaet4 ,waarom zou dat niet8 ,so4 ,dus zullen in beide gevallen1 ik1 die lijdend ben1 en dat1 hetwelk bedrijvend is1 te zamen iets anders voortbrengen8 ,theaet4 ,natuurlijk4 ,so4 ,wanneer ik nu gezond zijnde1 wijn drink1 schijnt die mij aangenaam en zoet4 ,theaet4 ,ja4 ,so4 ,want volgens het te voren toegestemde bragt het bedrijvende en lijdende1 zoetheid en gevoelsaandoening voort1 die beiden te gelijk in beweging zijn2 en de gevoelsaandoening1 die haren oorsprong neemt van den lijdende1 maakt #aee de tong voelend2 en de zoetheid1 die1 van den wijn ontstaande1 zich rond denzelven beweegt1 doet den wijn voor de gezonde tong zoet zijn en schijnen4 ,theaet4 ,wij hebben het vorige volkomen aldus toegestemd4 ,so4 ,maar wanneer de wijn mij ziek aantreft1 dan treft hij immers #aef1 vooreerst in waarheid1 niet denzelfden aan1 want hij komt bij iemand1 die niet gelijk is8 ,theaet4 ,ja4 ,so4 ,dus brengen ook die ,socrates en het drinken van den wijn wat anders voort1 namelijk aan de tong gevoel van bitterheid1 en aan den wijn wordende en zich bewegende #aeg bitterheid2 en maken hm niet bitterheid1 maar bitter1 en mij niet gevoel1 maar voelend8 ,theaet4 ,ongetwijfeld4 ,so4 #aeh ,dus zal ik nooit in dien toestand komen bij het voelen van iets anders1 want ieder ding heeft zijne eigenaardige gevoelsaandoening1 en wijzigt den toestand van den voelende op eene eigenaardige wijs2 en dat1 hetwelk mij aandoet #aei1 zal nooit met een ander zamenkomend1 hetzelfde voortbrengen en zoodanig worden1 want door ieder1 waarme het zamenkomt1 zal het iets eigenaardigs voortbrengen1 en eene eigenaardige wijziging ondergaan4 ,theaet4 ,dat is waar4 ,so4 ,en ik voor mij alleen zal zoodanig niet worden1 en dat voor zich alleen evenmin4 ,theaet4 ,waarlijk niet4 ,so4 ,maar het is dan toch noodig1 dat ik iets voel wanneer ik voelend wordt1 want voelend te worden en niet te voelen1 is onmogelijk2 en even noodig is het1 dat dat voor iemand worde1 wanneer het zoet1 of bitter1 of iets dergelijks wordt3 want het is onmogelijk1 zoet1 en niet voor iemand zoet te worden #afj4 ,theaet4 ,ongetwijfeld4 ,so4 ,dus blijft1 geloof ik1 over1 dat wij #afa voor elkander1 zoo wij zijn1 zijn1 of1 zoo wij worden1 worden2 daar de noodzakelijkheid onze wezenheid wel verbindt1 maar met niets anders1 zelfs niet met ons zelven #afb4 ,dus blijft dan over1 dat zij met elkander verbonden zijn2 zoodat1 zoo iemand van iets zegt1 dat het is of wordt1 hij zeggen moet1 dat het voor iemand1 of van iemand1 of met betrekking tot iets #afc is1 of wordt2 maar1 dat iets op zich zelf is of wordt1 moet hij zelf niet zeggen noch van een ander aannemen1 zooals de redekaveling1 die wij zoo even doorloopen hebben1 aantoont4 ,theaet4 ,zeer zeker1 ,socrates6 ,so4 ,wanneer dus hetgeen mij aandoet1 voor mij is1 en niet voor een ander1 dan voel ik het ook1 maar een ander niet8 ,theaet4 ,natuurlijk4 ,so4 ,edoch mijn gevoel is voor mij waar1 want het behoort altijd tot mijne wezenheid4 ,en ik heb1 volgens ,protagoras1 regt om te oordeelen over hetgeen voor mij is1 dat het is1 en over hetgeen voor mij niet is1 dat het niet is4 ,theaet4 ,dat schijnt zoo4 ,,xv4 ,so4 ,hoe zou ik dan nu1 daar ik mij niet bedrieg of vergis in mijne meening ten opzigte van het zijnde of wordende1 hetgeen ik gevoel1 niet kennen #afd8 ,theaet4 ,dat kan niet anders4 ,so4 ,dus hebt gij uitmuntend gezegd1 dat kennis niets anders is dan gevoel1 en het komt op n uit1 dat1 volgens ,homerus and ,heracliet en al hunne aanhangers1 alles als een stroom in beweging is1 en dat volgens den diep geleerden ,protagoras1 de mensch de maat is van alle dingen1 en dat volgens ,theaetetus1 als dit zoo is1 het gevoel kennis wordt #afe2 want1 niet waar1 ,theaetetus6 wij moeten zeggen1 dat dit uw jonggeboren kind is1 waarvan gij door mij verlost zijt8 of hoe zegt gij8 ,theaet4 ,noodzakelijk z1 ,socrates6 ,so4 ,dit hebben wij dan nu1 naar het schijnt1 met moeite aan het licht gebragt1 wat het ook wezen moge4 ,na de geboorte nu moeten wij er in waarheid in de redekaveling me rondloopen #aff1 onderzoekende of het welligt winderig en valsch1 en dus de opvoeding niet waard is4 ,of meent gij1 dat het uwe volstrekt opgevoed en niet te vondeling gelegd moet worden #afg8 ,of zult gij het dulden1 wanneer gij ziet1 dat het wordt afgekeurd1 en men het eerste1 dat gij gebaard hebt1 van u wegneemt8 ,theod4 ,theaetetus zal het dulden1 ,socrates6 want hij is volstrekt niet kwalijk nemend4 ,maar zeg mij in 's hemels naam6 is het dan zoo niet8 ,so4 ,waarlijk1 ,theodorus6 gij houdt van redekavelen en zijt wel heel goed met te denken1 dat ik een zak vol redekavelingen heb #afh1 waaruit ik er met gemak eene nemen kan1 om te bewijzen1 dat het gezegde zoo niet is4 ,gij let echter niet op1 hoe het gaat2 namelijk1 dat geene der redekavelingen van mij komt1 maar altijd van hem1 die met mij spreekt1 daar ik niets weet1 dan ne kleinigheid1 namelijk1 om hetgeen een ander1 die het weet1 zegt1 te ontvangen #afi en behoorlijk op te nemen4 ,en nu zal ik dit bij hem beproeven1 maar niet1 zelf te spreken4 ,theaet4 ,wat gij zegt1 ,socrates6 is beter2 doe zoo4 ,,xvi4 ,so4 ,weet gij nu1 ,theodorus6 waarover ik mij bij uwen vriend ,protagoras verwonder8 ,theod4 ,wat meent gij8 ,so4 ,overigens heeft hij zeer naar mijnen smaak aangetoond1 dat hetgeen aan ieder voorkomt1 ook is2 maar ik heb mij verwonderd over het begin der redekaveling1 dat hij niet in het begin der ,waarheid #agj gezegd heeft1 dat een zwijn of aap of een nog nietiger gevoelend wezen1 de maat van alle dingen is2 om alzoo1 met grootschheid en verachting van allen spot1 ons dadelijk in het begin te toonen1 dat wij hem als een ,god om zijne wijsheid bewonderden #aga1 maar dat hij in wijsheid niet boven eenen kikvorsch1 laat staan boven eenig ander #agb mensch1 uitmunt4 ,of hoe moeten wij zeggen1 ,theodorus8 ,want zoo voor ieder waar is #agc1 wat hij op grond van het gevoel meent1 en niemand eens anders aandoening beter onderscheidt1 noch geschikter is om te onderzoeken1 of de meening van een ander waar of valsch is1 dan die andere zelf2 maar1 gelijk vaak gezegd is1 ieder alleen over het zijne kan oordeelen1 en dat oordeel geheel in den haak #agd en waar is2 hoe is dan toch1 mijn vriend6 ,protagoras zoo geleerd1 dat hij zelfs verdient als de leermeester van anderen veel loon te ontvangen1 maar wij minder geleerd1 zoodat wij tot hem gaan #age moeten1 terwijl toch ieder de maatstaf is voor zijne eigene kennis8 ,wat moeten wij zeggen1 dat ,protagoras met die geestigheid bedoelt8 ,ik spreek nu niet van mij en mijne vroedkunst1 hoe bespottelijk wij worden1 maar ik geloof1 dat dit plaats heeft met alle bemoeijing omtrent het redekavelen4 ,want is dan het onderzoeken en trachten te werleggen van eens anders gevoelen #agf en meeningen1 daar die van ieder waar zijn1 niet eene zeer groote #agg ijdelheid1 zoo althans de waarheid van ,protagoras waar is1 maar hij niet van achter de schermen een grap gezegd heeft8 ,theod4 ,socrates6 de man was mijn vriend1 gelijk gij daareven gezegd hebt4 ,daarom zou ik niet verlangen1 dat ,protagoras werlegd werd door mijn toestemmen der tegen zijne leer gemaakte bedenkingen1 en evenmin zou ik u1 tegen mijn gevoelen1 willen tegenspreken #agh4 ,neem daarom ,theaetetus weder4 ,hij scheen u toch ook daareven met allen mogelijken ijver te volgen4 ,so4 ,theodorus6 zoudt gij ook1 te ,lacedaemon in de scholen der gymnastiek komende1 wanneer gij anderen1 waaronder sommige zwakken1 naakt zaagt1 verlangen1 om niet zelf insgelijks uwe kleederen af te leggen en uwe gedaante te toonen #agi8 ,theod4 ,waarom niet1 zoo zij zich lieten overreden om het mij toe te laten8 gelijk ik nu hoop heb u te overreden1 dat gij mij zult vergunnen toe te kijken1 zonder mij1 die reeds stijf ben1 tot het mededoen der gymnastische oefeningen te noodzaken1 en dat gij zult worstelen met hem1 die jonger en leniger is4 ,,xvii4 ,so4 ,nu1 als gij het zoo goed vindt1 ,theodorus6 vind ik het niet kwaad1 zegt het spreekwoord4 ,dus moet ik mij weder tot onzen knappen ,theaetetus vervoegen4 ,theaetetus6 zeg dan nu vooreerst1 wat wij daareven uiteenzetten #ahj1 of gij u niet insgelijks verwondert1 dat gij zoo op eens blijkt volstrekt niet minder in wijsheid te zijn1 dan eenig mensch of god8 of gelooft gij1 dat het maat zijn van ,protagoras eenigzins minder van de goden1 dan van de menschen gezegd wordt8 ,theaet4 ,wel neen4 ,en ik verwonder mij zeer over hetgeen gij vraagt4 ,want terwijl wij bezig waren met uiteen te zetten1 hoe men zeide1 dat hetgeen aan ieder toeschijnt1 ook is voor hem1 aan wien het toeschijnt1 scheen mij dat zeer goed gezegd te worden4 ,nu echter is het op eens tot #aha het tegenovergestelde omgeslagen4 ,so4 ,dat is geen wonder1 want gij zijt jong1 jongelief6 daarom stemt gij het gezegde spoedig toe en geeft spoedig gewonnen aan de redekaveling #ahb4 ,want hierop zou ,protagoras of een ander in zijne plaats zeggen3 ,mijne waarde kinderen en grijsaards1 gij spreekt daar bij elkander zittend1 en brengt daar ,goden bij1 die ik uitsluit van het spreken of schrijven over hun bestaan of niet bestaan2 en wat de menigte1 het hoorende1 zou aannemen1 dat zegt gij #ahc1 namelijk dat het erg zou zijn1 zoo geen mensch in wijsheid iets voor had boven eenig beest2 doch een noodzakelijk bewijs geeft gij in het geheel niet2 maar gij bedient u van de waarschijnlijkheid1 waarvan ,theodorus of een ander meetkunstenaar zich niet kan bedienen1 zonder gevaar te loopen van nietswaardig te zijn4 ,onderzoek gij dan eens met ,theodorus1 of gij redekavelingen over zulke dingen1 die zich op overreding #ahd en waarschijnlijkheid steunen1 kunt aannemen4 ,theaet4 ,dat mag niet1 ,socrates6 zouden gij en wij zeggen4 ,so4 ,dus moeten wij het op eene andere wijs onderzoeken1 zoo als gij en ,theodorus zegt4 ,theaet4 ,ja zeker3 op eene andere wijs4 ,so4 ,laten wij dan aldus #ahe onderzoeken1 of kennis en gevoel hetzelfde of iets anders zijn4 ,want onze geheele redekaveling liep toch daarop uit #ahf1 en daarom hebben wij vele dwaze dingen geopperd4 ,niet waar8 ,theaet4 ,wel zeker4 ,so4 ,zullen wij dan nu toestemmen1 dat wij al1 wat wij door het gezigt of het gehoor waarnemen1 tevens kennen8 b4 v41 zullen wij zeggen1 dat wij de taal der ,barbaren1 voordat wij die geleerd hebben1 wanneer zij spreken1 niet hooren1 of #ahg dat wij die hooren en hunne meening kennen8 en zullen wij beweren1 dat wij letters1 die wij niet kennen1 wanneer wij er de oogen op vestigen1 niet zien1 of dat wij ze verstaan1 wanneer wij ze zien8 ,theaet4 ,wij zullen zeggen1 ,socrates6 dat wij juist dat1 wat wij er van zien en hooren1 kennen2 want dat wij van de laatsten de gedaante en de kleur zien en kennen1 en van de eersten #ahh den hoogen en lagen klank hooren en tevens kennen2 maar wat de schoolmeesters en de tolken daarvan leeren1 dat wij dit door het gehoor en het gezigt niet waarnemen1 noch kennen4 ,so4 ,mooi6 ,theaetetus1 en het is niet goed1 u dit te betwisten1 opdat gij moed moogt scheppen4 ,,xviii4 ,maar zie nu ook eens wat er verder bijkomt1 en bezie eens1 hoe wij dat zullen redden4 ,theaet4 ,wat toch8 ,so4 ,dit3 zoo iemand vroeg1 of het mogelijk is1 hetgeen men eens geweten heeft1 terwijl men de herinnering daarvan nog heeft en voor zich bewaart #ahi1 dan1 wanneer men het zich herinnert1 niettegenstaande dat herinneren #aij1 toch niet te kennen4 ,maar ik schijn meer woorden dan noodig is te bezigen1 daar ik vragen wil1 of iemand1 wat hij geleerd heeft en zich herinnert1 niet weet #aia4 ,theaet4 ,hoe dat1 ,socrates8 ,hetgeen gij zegt1 zou een wonder zijn4 ,so4 ,raaskal ik dan misschien8 bezie het eens4 ,noemt gij het zien niet eene soort van voelen1 en het gezigt eene soort van gevoel8 ,theaet4 ,ja zeker4 ,so4 ,heeft niet hij1 die iets gezien heeft1 volgens het daareven gezegde1 kennis bekomen van hetgeen1 dat hij gezien heeft8 ,theaet4 ,ja4 ,so4 ,hoe dan nu8 ,er is toch iets1 dat geheugen genoemd wordt4 ,theaet4 ,ja4 ,so4 ,is dat een geheugen van niets of van iets8 ,theaet4 ,zekerlijk van iets4 ,so4 ,immers van zoodanige dingen1 die men geleerd en gevoeld heeft8 ,theaet4 ,ongetwijfeld4 ,so4 ,wat nu iemand gezien heeft1 herinnert hij zich somwijlen8 ,theaet4 ,wel zeker4 ,so4 ,ook wanneer hij de oogen gesloten heeft8 of is hij het dan vergeten8 ,theaet4 ,het zou ongerijmd #aib wezen1 ,socrates6 dit te beweren4 ,so4 ,en toch kan het niet anders #aic1 zoo wij het vroeger beweerde willen redden2 maar zoo wij deze bewering niet willen vasthouden1 gaat dat vroeger beweerde verloren4 ,theaet4 ,waarlijk6 ik vermoed #aid het ook al1 doch ik zie het echter niet behoorlijk in2 maar zeg waarom8 ,so4 ,daarom4 ,die ziet1 kent1 zeggen wij1 datgene wat #aie hij ziet2 want wij zijn overeengekomen1 dat gezigt en gevoel en kennis hetzelfde is4 ,theaet4 ,ongetwijfeld4 ,so4 ,maar zoo hij1 die zag en hetgeen hij zag kende1 de oogen sluit1 dan herinnert hij het zich wel1 maar ziet het niet4 ,niet waar8 ,theaet4 ,ja4 ,so4 ,maar zoo zien kennen is1 dan is niet zien niet kennen4 ,theaet4 ,dat is waar4 ,so4 ,dus volgt1 dat iemand1 wat hij heeft leeren kennen1 terwijl hij het zich nog herinnert1 niet kent1 daar hij het niet ziet2 hetgeen wij zeiden1 dat een wonder zijn zou4 ,theaet4 ,dat zegt gij zeer naar waarheid4 ,so4 ,dus schijnt het1 dat er iets onmogelijks volgt1 wanneer iemand zegt1 dat kennis en gevoel hetzelfde is4 ,theaet4 ,het schijnt zoo4 ,so4 ,dus moeten wij die twee voor onderscheiden verklaren #aif4 ,theaet4 ,ik geloof van ja4 ,so4 ,wat zou dan nu de kennis wezen8 ,het schijnt1 dat wij dit weder van voren af aan moeten zeggen4 ,maar1 ,theaetetus6 wat gaan wij doen8 ,theaet4 ,hoe zoo8 ,so4 ,wij schijnen1 als een haan van onedel ras1 voordat wij overwonnen hebben1 van de redekaveling weg te springen en triomf te kraaijen4 ,theaet4 ,hoe dat8 ,so4 ,wij schijnen als liefhebbers van disputeren1 volgens de door ons bepaalde overeenkomst van woorden1 ons oordeel te hebben ingerigt1 en ons te verheugen1 dat wij daardoor de redekaveling zijn te boven gekomen1 en terwijl wij beweren1 geen redetwisters1 maar wijsgeeren te zijn1 merken wij zelve niet1 dat wij volkomen hetzelfde als die knappe menschen verrigten4 ,theaet4 ,ik begrijp nog niet1 hoe gij dat bedoelt4 ,so4 ,maar ik zal trachten duidelijk te maken1 wat ik hieromtrent in den zin heb #aig4 ,want wij vroegen1 of iemand iets1 wanneer hij het geleerd heeft1 en zich herinnert1 niet kent1 en toen wij hadden aangetoond1 dat hij1 die gezien en de oogen gesloten heeft1 zich wel herinnert1 maar niet ziet1 toonden wij aan1 dat hij het te gelijk niet kende en zich herinnerde1 en zeiden1 dat dit onmogelijk is #aih4 ,en alzoo werd de leer van ,protagoras doodgepraat en tevens de uwe1 dat kennis en gevoel hetzelfde is4 ,theaet4 ,dat schijnt zoo4 ,so4 ,nog zoo gaauw niet1 geloof ik1 mijn beste6 zoo de vader van de eerste leer nog leefde1 maar hij zou veel tot verdediging bijbrengen2 nu echter verstooten wij ze smadelijk1 als eene wees4 ,want ook de voogden1 die ,protagoras achterliet1 waaronder deze ,theodorus1 willen niet helpen4 ,doch dan zullen wij zelf om der billijkheid wille het wagen #aii haar bij te staan4 ,theod4 ,dat moet mij niet verweten worden1 want ,socrates6 niet ik1 maar veel meer ,callias1 de zoon van ,hipponicus #bjj is de voogd van hetgeen ,protagoras achterliet4 ,wij echter zijn te spoedig #bja uit die haarkloverijen naar de meetkunst geweken4 ,wij zullen u echter dankbaar zijn1 wanneer gij hem bijstaat4 ,so4 ,gij zegt goed1 ,theodorus6 let dan nu eens naauwkeurig op mijne hulp4 ,want erger dingen1 dan het daareven gezegde1 zou iemand toestemmen1 die niet lette op de woorden1 waarmede #bjb wij gewoonlijk bevestigen of ontkennen4 ,wil ik aan ,theaetetus of aan u zeggen1 hoe dat is8 ,theod4 ,zeg het aan ons beiden1 maar laat den jongste antwoorden4 ,want zoo hij verkeerd zegt1 zal het hem minder schande wezen4 ,,xix4 ,so4 ,ik spreek nu van de allerlastigste vraag4 ,zij is1 meen ik1 ongeveer van dezen inhoud4 ,is het mogelijk1 dat n en dezelfde1 iets kennende1 dat1 wat hij kent1 niet kent8 ,theod4 ,wat zullen wij antwoorden1 ,theaetetus8 ,theaet4 ,het is volstrekt onmogelijk1 geloof ik4 ,so4 ,dat is het niet1 zoo gij het zien als kennen beschouwt #bjc4 ,want hoe zult gij het maken met die onvermijdelijke vraag1 wanneer gij1 om zoo te spreken1 in den put zit #bjd1 doordien een man1 die zich niet ligt laat overbluffen1 met zijne hand uw ne oog bedekt1 er u vraagt1 of gij met het andere zijn kleed ziet8 ,theaet4 ,ik zal1 meen ik1 zeggen3 met het ne niet1 maar wel met het andere4 ,so4 ,dus ziet gij hetzelfde1 wel en niet te gelijk4 ,theaet4 ,in zooverre1 ja4 ,so4 ,dat3 in hoe verre1 zal hij zeggen1 neem ik niet in aanmerking1 want ik vroeg er niet naar1 maar eenvoudig1 of gij hetgeen gij kent1 te gelijk niet kent4 ,nu blijkt #bje het echter1 dat gij1 wat gij niet ziet1 wel ziet4 ,edoch1 gij hebt toegestemd1 dat het zien1 kennen1 en het niet zien1 niet kennen is4 ,beredeneer nu eens1 wat daaruit voor u volgt4 ,theaet4 ,het tegenovergestelde van hetgeen ik gesteld had4 ,so4 ,misschien1 mijn waarde6 zou u datzelfde nog meer zijn overgekomen1 zoo iemand u daarbij vroeg1 of het mogelijk is1 scherp of dof te kennen1 en van nabij wel1 maar niet van verre1 en hetzelfde veel en weinig te gelijk1 en duizend andere dingen1 die een ligtgewapend huurkrijgsknecht #bjf in het redeneren en u lagen leggende1 zou kunnen vragen1 wanneer gij kennis en gevoel als hetzelfde gesteld hadt2 daar hij1 eenen aanval op het hooren en rieken en andere dergelijke zinnelijke waarnemingen gedaan hebbende1 u zou werleggen en vasthouden en niet loslaten1 voordat gij1 zijne begeerlijke wijsheid bewonderend1 door hem waart vastgezet1 waarop hij u zou grijpen en vastbinden en vervolgens zou loslaten voor zoo veel geld als gij onder elkander kondt overeenkomen4 ,wat zou dan nu ,protagoras1 zoudt gij welligt zeggen1 kunnen bijbrengen1 om zijne stellingen te verdedigen8 ,willen wij het pogen te zeggen8 ,theaet4 ,zeer gaarne4 ,,xx4 ,dit alles #bjg zal hij bijbrengen1 wat wij nu tot zijne verdediging gaan zeggen1 en hij zal1 geloof ik1 op ons aandringen1 ons verachtende en zeggende3 die beste ,socrates heeft daar1 toen een kind1 op zijne #bjh vraag1 of dezelfde hetzelfde te gelijk in het geheugen bewaren en niet kennen kan1 bevreesd werd1 #bji en dit uit vrees en gebrek aan inzigt #baj ontkende1 mij in zijne redekaveling bespottelijk #baa gemaakt4 ,z is echter het geval1 o ligtzinnige ,socrates6 ,wanneer gij door vragen en antwoorden eene mijner stellingen onderzoekt1 indien dan de ondervraagde hetzelfde antwoordt1 wat ik zou geantwoord hebben en daarna wordt werlegd1 dan word ik werlegd2 maar zoo hij wat anders antwoordt1 dan wordt de gevraagde zelf werlegd4 ,want gelooft gij1 dat iemand u zoo terstond zal toegeven1 dat de herinnering1 welke iemand ook na het ondergaan van het ondergane bijblijft1 dezelfde aandoening is1 als toen hij onderging #bab8 ,het scheelt veel4 ,of dat hij aarzelen zal1 de mogelijkheid toe te geven1 dat dezelfde hetzelfde kent en niet kent8 of1 zoo hij drvoor vreest1 dat hij ooit zal toegeven1 dat hij1 die ongelijk wordt1 dezelfde is1 die hij was1 vr hij ongelijk werd8 of liever1 dat iemand n persoon en niet veel meer verscheidene personen is1 die oneindig in menigte worden #bac1 wanneer het ongelijk worden plaats grijpt1 zoo wij althans van elkander woordenvitterijen te duchten hebben8 ,maar1 mijn beste6 zal hij zeggen1 pak hetgeen ik zeg ridderlijker aan1 en werleg het1 zoo gij kunt1 aantoonende #bad dat niet ieder onzer zijne eigene gevoelsaandoeningen heeft1 of dat1 nu zij aan ieder in het bijzonder eigen zijn1 daarom geen zier meer1 hetgeen schijnt1 alleen voor hem schijnt1 of1 zoo dit zijn moet heeten1 voor hem is1 aan wien het schijnt4 ,maar door er zwijnen en apen bij te slepen1 handelt gij niet alleen zelf als een zwijn1 maar overreedt ook de hoorders1 om dit tegen mijne geschriften te doen1 waaraan gij niet mooi handelt4 ,want ik zeg1 dat het waar is1 zoo als ik geschreven heb1 en dat ieder onzer de maat is van het zijnde en niet zijnde1 doch dat de een van den ander duizendvoudig juist daardoor verschilt1 dat voor den een het ne schijnt1 en voor den ander wat anders4 ,en ik ben er ver van af te zeggen1 dat wijsheid en wijze mannen niet bestaan1 maar juist dien noem ik wijs #bae1 die bij eenen onzer1 voor wien kwaad schijnt en is1 dit verandert en maakt dat het goed schijnt en is4 ,en bestrijd mijne redekaveling niet op den klank af1 maar leer aldus nog duidelijker inzien1 wat ik zeg4 ,want herinner u1 hoe in het vorige gezegd werd1 dat voor den zieken1 hetgeen hij eet1 bitter schijnt en is1 maar voor den gezonden het tegenovergestelde schijnt en is4 ,nu moet men wel geen' hunner wijzer maken1 want dat is niet eens mogelijk1 en men moet ook den zieken niet van domheid beschuldigen #baf1 omdat hij zulke meeningen koestert1 noch den gezonden wijs noemen1 omdat hij andere denkbeelden heeft1 maar men moet den eersten tot het andere doen overgaan2 want de tweede toestand is beter4 ,even zoo moet men ook bij het onderwijs van den eenen toestand tot den beteren #bag doen overgaan4 ,maar de arts bewerkt dien overgang door geneesmiddelen1 doch de sophist door woorden1 zoodat geenszins iemand eenen anderen1 die valsche denkbeelden heeft1 later ware meeningen doet koesteren2 want het is niet mogelijk1 wat niet is1 in zijne meening op te nemen #bah1 noch iets anders dan men gevoelt1 en dat is altijd waar4 ,maar1 meen ik1 de goede meening doet hen1 die1 door eenen slechten toestand van ziel1 daarmede overeenkomstige meeningen koesteren1 andere #bai zulke meeningen #bbj koesteren1 welke sommigen door hunne onbedrevenheid waar noemen1 doch ik noem wel de eene beter dan de andere1 maar geen zier meer waar4 ,en ik ben er ver af1 mijn beste ,socrates6 om de wijzen kikvorschen te noemen1 maar voor zoo ver hunne wijsheid betrekking heeft op de ligchamen1 noem ik ze artsen1 en voor zoo ver die betrekking heeft op de planten1 noem ik ze landbouwers #bba4 ,want ik beweer1 dat ook deze bij de planten1 in plaats van slechte gevoelsaandoeningen1 wanneer eene harer ziek is1 goede en gezonde gevoelsaandoeningen en waarheden doen ontstaan1 maar dat de wijze en goede redenaars #bbb het goede1 in plaats van het slechte1 aan de staten regtvaardig laten schijnen2 want dat1 hetgeen aan elken staat regtvaardig en schoon toeschijnt1 dit ook voor hem is1 zoo lang hij het daarvoor houdt3 doch de wijze laat voor hen1 in plaats dan alles wat kwaad is1 het goede zijn en schijnen2 en volgens diezelfde redenering is de sophist1 die in staat is zijne leerlingen aldus te onderwijzen1 wijs en voor zijne kweekelingen veel geld waard4 ,en alzoo is de een wijzer dan de ander1 en toch heeft niemand eene valsche meening1 en gij moet1 of gij wilt of niet1 er genoegen in nemen1 een maat te zijn2 want deze redenering wordt in dit opzigt gered2 en zoo gij tegen het beginsel1 waarop zij steunt1 iets hebt in het midden te brengen1 doe dat dan in eene doorloopende redekaveling1 of1 zoo gij het liever met vragen wilt doen1 met vragen2 want ook dat moet niet ontweken1 maar door den verstandigen bijzonder gezocht worden #bbc4 ,doe echter alzoo4 ,bezig bij het vragen geene kwade trouw2 want het is bijster ongerijmd1 dat iemand1 die beweert zich op de deugd toe te leggen1 voortdurend met kwade trouw in het redekavelen te werk gaat4 ,kwade trouw nu1 komt in dergelijke dingen voor1 wanneer men niet anders redekavelt bij het disputeren tot oefening1 dan bij het wetenschappelijk gesprek #bbd2 daar #bbe men in het eerste speelt en fopt zoo veel als men kan1 bij het wetenschappelijk gesprek daarentegen met ernst te werk gaat en zijne tegenpartij teregt brengt1 door hem eenvoudig de struikelingen te doen opmerken1 waarin hij door eigen toedoen en vroegere bijeenkomsten gestort is #bbf4 ,want wanneer gij alzoo doet1 dan zullen zij1 die met u omgaan1 hunne verwarring en radeloosheid aan zich zelven wijten1 maar niet aan u1 en zij zullen u naloopen en liefhebben1 maar zich zelven haten1 en van zich zelven naar de wijsbegeerte vlugten1 opdat zij1 andere menschen geworden zijnde1 verlost worden van hetgeen zij vroeger waren2 maar zoo gij1 gelijk de meesten1 het tegenovergestelde hiervan doet1 dan zal u het tegenovergestelde gebeuren1 en gij zult uwe toehoorders1 in plaats van tot wijsgeeren1 tot vijanden van dit werk maken #bbg1 wanneer zij wat ouder worden #bbh4 ,zoo gij dus mijnen raad volgt1 zult gij niet kwaadaardig en twistgierig1 maar met een kalm gemoed u tot ons aflatende1 in waarheid onderzoeken1 wat wij toch zeggen1 wanneer wij aantoonen1 dat alles in beweging is1 en dat1 hetgeen aan ieder voorkomt1 ook is1 zoowel voor een op zich zelf staand mensch1 als voor eenen staat2 en naar aanleiding hiervan zult gij dan onderzoeken1 of kennis en gevoel hetzelfde1 of iets anders is1 maar gij zult dit niet doen naar aanleiding van bekende woorden en namen1 welke de gewone menschen naar alle kanten heentrekken1 waardoor zij aan elkander allerlei onzekerheid berokkenen #bbi4 ,hiermede1 ,theodorus6 ben ik begonnen #bcj uwen vriend te helpen1 zoo goed ik kon1 hoewel het weinig beduidt door mijne geringe krachten2 maar zoo hij zelf leefde1 zou hij het zijne vrij wat uitstekender beschermd hebben4 ,,xxi4 ,theod4 ,gij schertst1 ,socrates6 want gij hebt hem fiks bijgestaan4 ,so4 ,gij zijt wel goed1 mijn vriend6 ,zeg mij dan nu eens1 of gij daareven op de woorden van ,protagoras gelet hebt1 toen hij ons verweet1 dat wij1 met een kind redekavelende1 ons bij het bestrijden zijner leer van de vrees van dat kind bedienden1 en hoe hij dat eene zotheid noemde1 en de leer van den maat aller dingen aanprees1 ons vermanende1 zijn stelsel ernstig te overwegen #bca4 ,theod4 ,wel zeker heb ik daarop gelet1 ,socrates6 ,so4 ,wat dan8 staat gij er op1 dat wij hem gehoor geven8 ,theod4 ,zeker4 ,so4 ,gij ziet dan1 dat deze allen buiten u kinderen zijn4 ,zoo wij hem dus zullen gehoor geven1 dan moeten ik en gij1 elkander vragende en antwoordende1 zijn stelsel ernstig overwegen1 opdat hij niet zou kunnen klagen1 dat wij dat stelsel al spelende met knaapjes onderzocht hebben #bcb4 ,theod4 ,wat6 ,zou dan ,theaetetus niet beter dan vele personen met groote baarden zulk een wijsgeerig onderzoek kunnen volgen8 ,so4 ,dat wel1 ,theodorus6 maar toch niet beter dan gij4 ,meen dan niet1 dat ik uwen gestorven vriend op allerlei wijs moet helpen1 en gij op geenerlei2 maar1 kom aan1 mijn beste6 volg de redekaveling een weinig1 tot wij op dat punt derzelve #bcc gekomen zijn1 waar wij kunnen zien1 of gij de maatstaf moet wezen bij het beoordeelen der meetkunstige figuren1 dan wel of allen1 even als gij1 voor zich zelven genoeg zijn1 ten opzigte van de sterrekunde en de andere dingen1 waarin gij met regt voor uitstekend gehouden wordt4 ,theod4 ,het is niet gemakkelijk1 ,socrates6 bij u te zitten1 zonder rekenschap te geven1 en ik heb daareven geraaskald1 toen ik beweerde1 dat gij mij zoudt veroorlooven mijne kleederen aan te houden1 en mij niet1 gelijk de ,lacedaemoniers1 zoudt dwingen2 maar ik vind1 dat gij meer naar ,antaeus #bcd overhelt4 ,de ,lacedaemoniers toch bevelen heen te gaan of zich uit te kleeden1 maar ik vind1 dat gij doet als ,antaeus2 want die tot u komt1 laat gij niet los1 voor gij hem gedwongen hebt zich uit te kleeden1 en in het redekavelen met u te worstelen4 ,so4 ,theodorus6 gij hebt daar eene opperbeste vergelijking voor mijne kwaal gevonden1 maar ik ben nog sterker dan zij #bce4 ,want reeds bij de duizend mannen als ,hercules en ,theseus #bcf zijn mij ontmoet1 en daar zij sterk waren in het redetwisten1 hebben zij mij deerlijk gebeukt1 maar toch scheid ik er niet uit2 zulk eene geweldige liefhebberij voor die oefening is in mij gevaren4 ,laat dan niet na1 door met mij te worstelen1 u zelven en mij tevens van dienst te zijn #bcg4 ,theod4 ,ik spreek niet langer tegen1 maar ga gij voort1 zoo als gij wilt2 want ik moet toch in dit punt het noodlot1 dat gij mij toespint1 verduren en mij laten werleggen4 ,ik zal mij echter niet verder tot uwe dienst kunnen stellen1 dat tot aan het punt1 dat gij opgeeft #bch4 ,so4 ,zoo ver is ook genoeg4 ,en pas nu vooral daarop1 dat wij niet onbedacht ons aan spelen met woorden schuldig maken #bci1 en iemand ons dat later weder verwijt4 ,theod4 ,ik zal het beproeven1 zooveel ik kan4 ,,xxii4 ,so4 ,wij moeten dan vooreerst het reeds behandelde weder opvatten1 en overwegen1 of wij te regt of ten onregte op dat stelsel moeijelijk werden1 omdat het ieder ten opzigte der kennis zelf genoegzaam maakt1 en of ,protagoras ons teregt of ten onregte heeft toegestemd1 dat sommigen uitstekend zijn ten opzigte van het goede en kwade1 en dat zij wijzen zijn4 ,niet waar8 ,theod4 ,ja4 ,so4 ,zoo hij nu zelf ons hier toestemde1 en niet wij1 hem verdedigend1 in zijnen naam hadden toegestemd1 dan was het geenszins noodig dit nog eens van voren af aan vast te stellen2 maar nu zou ligt iemand ons het regt van zulk toestemmen in zijnen naam betwisten #bdj4 ,daarom is het beter1 met meer naauwkeurigheid onze toestemming in dit opzigt te behandelen2 want het is geen klein verschil1 of het z is of anders4 ,theod4 ,gij zegt de waarheid4 ,so4 ,laat ons dan niet door andere #bda1 maar uit zijne eigene woorden zoo kort mogelijk vaststellen1 wat wij kunnen toestemmen4 ,theod4 ,hoe8 ,so4 ,aldus4 ,hij zegt immers1 dat hetgeen aan ieder zoo toeschijnt1 ook zoo is voor hem1 aan wien het zoo toeschijnt8 ,theod4 ,ja1 dat zegt hij4 ,so4 ,derhalve1 ,protagoras6 spreken wij van de meening van sommige1 ja1 van alle menschen1 en beweren1 dat geen sterveling niet in eenige dingen zich zelven wijzer beschouwt dan anderen1 en in andere dingen1 anderen dan hem1 en dat zij in de grootste gevaren1 bij voorbeeld wanneer zij in veldtogten1 ziekten of zeereizen aan ongelukken blootstaan #bdb1 schier goddelijken eerbied hebben voor hen1 die daarbij het bewind voeren1 en hunne redding verwachten van menschen1 die slechts door meerdere kennis van hen verschillen4 ,en overal onder de menschen worden er gevonden1 die leermeesters en overheden1 zoo voor zich1 als voor de andere dieren en werkzaamheden zoeken1 en tevens1 die zich beschouwen als geschikt1 om te onderwijzen of te regeren4 ,en wat kunnen wij in al die gevallen anders zeggen1 dan dat de menschen zelve #bdc meenen1 dat onder hen kennis en onkunde is8 ,theod4 ,niets anders4 ,so4 ,houden zij niet de kennis voor ware meening1 en de onkunde voor valsche8 ,theod4 ,ongetwijfeld4 ,so4 ,hoe zullen wij het nu maken met de redekaveling1 ,protagoras8 ,moeten wij zeggen1 dat de menschen altijd eene ware meening koesteren1 of dan eens ware1 dan eens valsche8 ,want uit beiden volgt1 dat zij niet altijd ware1 maar beiderlei meening koesteren4 ,want zie eens1 ,theodorus6 of het iemand der aanhangers van ,protagoras1 of u zelven1 ernst wezen kan met de bewering1 dat niemand eenen anderen voor onwetend en valsche meening koesterend aanziet4 ,theod4 ,dat is ondenkbaar1 ,socrates6 ,so4 ,en toch is die bewering onvermijdelijk geworden voor de leer1 dat de mensch de maat is van alle dingen4 #bdd ,theod4 ,hoe dat8 ,so4 ,wanneer gij1 bij u zelven een oordeel geveld hebbende1 uw gevoelen over iets aan mij kenbaar maakt1 dan moge dat1 volgens zijne leer1 voor u waar wezen1 maar staat het nu ons anderen niet vrij1 over uw oordeel te oordeelen8 of oordeelen wij altijd1 dat uwe meening waar is8 of strijden niet telkens velen tegen u1 die eene tegenstrijdige meening koesteren1 maar uw oordeel en uwe meening voor valsch houden8 ,theod4 ,in waarheid ,socrates6 er zijn vele duizenden1 zooals ,homerus zegt1 die mij allerlei tegenstand doen ondervinden #bde4 ,so4 ,wat nu8 wilt gij1 dat wij zeggen1 dat gij alsdan voor u zelven eene ware meening koestert1 maar voor die duizenden eene valsche8 ,theod4 ,zoo schijnt het noodzakelijk uit de redekaveling te volgen4 ,so4 ,en hoe is het nu met ,protagoras zelven8 ,is het niet noodig1 dat1 zoo hij eens evenmin als de menigte1 den mensch voor de maat aller dingen hield1 die waarheid1 welke hij geschreven heeft1 voor niemand bestond8 ,en zoo hij zelf haar wel voor waar hield1 maar de menigte die meening niet deelt1 weet gij wel1 dat zij dan1 naarmate meerderen haar verwerpen1 meer niet dan wel waar is8 ,theod4 ,noodzakelijk1 indien zij althans1 naar iedere meening1 zijn en niet zijn zal4 ,so4 ,verder heeft hij deze alleraardigste eigenschap4 ,hij erkent de meening zijner tegenstrevers1 waarmede zij zijne leer voor valsch houden1 als waar1 wanneer hij toestemt1 dat allen ware meeningen koesteren4 ,theod4 ,ongetwijfeld4 ,so4 ,maar geeft hij dan de valschheid zijner meeningen niet toe1 wanneer hij erkent1 dat die van hen1 die hem van leugen betichten1 waar is8 ,theod4 ,noodzakelijk4 ,so4 ,maar de anderen geven niet toe1 dat zij het mis hebben8 ,theod4 ,wel neen6 ,so4 ,hij echter erkent volgens zijne geschriften ook die meening voor waar4 ,theod4 ,het schijnt zoo4 ,so4 ,dus zullen allen1 met ,protagoras voorop1 betwijfelen #bdf1 of liever1 wanneer hij erkent1 dat degeen die hem tegenspreekt1 eene ware meening koestert1 #bdg ronduit ontkennen1 dat een hond of een zoo maar opgeraapt mensch de maat is in eenig vak1 dat hij niet geleerd heeft4 ,niet waar8 ,theod4 ,ja4 ,so4 ,daar zij dus door allen betwijfeld wordt1 zou de waarheid van ,protagoras voor niemand waar zijn1 noch voor iemand anders1 noch voor hem zelven4 ,theod4 ,socrates1 wij loopen mijnen vriend bitter tegen het lijf4 ,so4 ,maar1 mijn vriend6 het is onzeker1 of wij misschien het regte punt voorbijloopen4 ,het is althans waarschijnlijk1 dat hij1 ouder zijnde1 wijzer is dan wij2 en zoo hij nu op het oogenblik hier tot aan den nek uit den grond opkeek1 zou hij denkelijk1 na mij om mijn doorslaan1 en u om uw toestemmen1 met verwijtingen overladen te hebben1 wer onderduiken en eensklaps op den loop gaan4 ,maar wij moeten1 geloof ik1 ons bedienen van onze krachten1 hoe die ook zijn #bdh1 en steeds datgene zeggen1 wat ons waar voorkomt4 ,en kunnen wij waarlijk nu wel iets anders zeggen1 dan dat ieder toestemt1 dat de een wijzer is dan de andere1 of soms ook dommer8 ,theod4 ,zoo komt het mij althans voor4 ,,xxiii4 ,so4 ,en dat de leer van ,protagoras vooral tot staan gebragt wordt in het punt1 dat wij1 toen wij hem beschermden1 geschetst hebben1 namelijk dat de meeste dingen1 gelijk zij schijnen1 zoo ook voor ieder warm1 droog1 zoet1 enz4 #bdi zijn1 en dat1 zoo men in het geheel toestemt1 dat in eenig opzigt de een van den ander verschilt1 dat men dan aangaande het gezonde en zieke wil erkennen1 dat niet ieder vrouwtje1 of kindje1 of diertje1 in staat is1 om zich zelven te genezen1 dewijl het weet1 wat voor hetzelve gezond is2 maar dat daar1 zoo ergens1 de een van den ander verschilt8 ,theod4 ,zoo komt het mij althans voor4 ,so4 ,dus ook in het staatkundige1 dat het schoone1 leelijke1 regtvaardige of onregtvaardige1 heilige of onheilige1 wat iedere staat als zoodanig beschouwende1 voor zich zelven vaststelt1 zulks voor hem #bej ook in waarheid is1 en dat daarin geen enkel mensch of staat wijzer dan een ander mensch of staat is2 maar hij zal toestemmen1 dat1 zoo ergens1 in het vaststellen van het voor zich nuttige of niet1 de eene raadsman van den andere en de eene meening van den staat van de andere ten opzigte der waarheid verschilt1 en hij zou niet stellig durven beweren1 dat hetgeen een staat1 omdat hij het nuttig voor zich waant1 bepaalt1 ongetwijfeld ook nuttig zal wezen4 ,maar daar1 waar ik zeg1 in het regtvaardige en onregtvaardige1 en heilige en onheilige1 wil men staande houden1 dat geen van die dingen zijne eigene wezenheid heeft1 maar dat hetgeen aan de menigte zoo toeschijnt1 waar wordt1 wanneer het toeschijnt en zoo lang als het toeschijnt4 ,en zoo velen als niet geheel en al ,protagoras napraten1 verkondigen ongeveer deze leer #bea4 ,maar ,theodorus6 de eene redekaveling na de andere1 en wel telkens grootere1 houden ons bezig4 ,theod4 ,maar wij hebben immers ledigen tijd #beb1 ,socrates6 ,so4 ,dat schijnt zoo4 ,en bij vele andere gelegenheden1 mijn vriend6 maar vooral #bec nu1 heb ik opgemerkt1 dat natuurlijk zij1 die in wijsgeerige studin #bed veel tijd hebben doorgebragt1 zoo zij in de regthuizen komen1 zich als redenaars bespottelijk voordoen4 ,theod4 ,hoe meent gij dat dan8 ,so4 ,zij1 die van hunne jeugd af aan zich in regthuizen en dergelijke dingen ophouden #bee1 schijnen in vergelijking van hen1 die in de wijsbegeerte en dergelijke bezigheid opgevoed zijn1 als slaven in vergelijking van vrijen opgevoed te wezen4 ,theod4 ,hoe zoo8 ,so4 ,daar aan de eersten de ledige tijd1 waarvan gij spreekt1 nooit ontbreekt1 en zij hunne redekavelingen in vrede en ledigen tijd opstellen1 en gelijk wij nu reeds de derde opvolgende redekaveling opvatten1 zoo ook zij1 indien hun eene nieuwe redekaveling meer dan de behandeld wordende #bef bevalt1 zoo als dat met ons het geval is1 de laatste verkiezen1 en het hun om het even is1 of zij lange of korte redeneringen bezigen1 zoo zij maar het wezenlijke vatten4 ,de anderen echter spreken altijd in haast1 want het stroomende water #beg drijft ze voort1 en laat hun niet toe1 te spreken waarover zij willen1 maar de tegenpartij staat tegenover hen1 een dwangmiddel hebbende en een boekje1 dat er bij gelezen wordt #beh1 waarbuiten niet mag gesproken worden #bei1 en de rede wordt altijd over eenen mededienstknecht gehouden in tegenwoordigheid van den heer1 die daar zit en het regt in zijne hand heeft1 en de strijd is nooit vrij1 maar steeds over een bepaald onderwerp1 ja dikwijls is het een gevecht #bfj op leven of dood4 ,zoodat zij door dit alles scherp en slim worden en leeren hunnen heer met woorden te vleijen en met daden te believen #bfa1 daar zij kleingeestig en niet opregt van gezindheid zijn4 ,want het dienen van kindsbeen af1 vernietigt de verheffing van ziel1 de opregtheid en de edelaardigheid #bfb1 daar zij dwingt om slinksch te handelen1 en de nog teedere zielen in groote gevaren en angsten stort1 die zij niet met billijkheid en opregtheid #bfc kunnen doorstaan1 en daarom zich terstond naar het liegen en elkander benadeelen wendende1 zich zeer buigen en wringen1 zoodat zij van knapen eindelijk mannen worden1 zonder iets gezonds in hunne ziel te hebben1 terwijl zij zich verbeelden1 knap en wijs geworden te zijn4 ,zoo zijn zij1 ,theodorus6 en wilt gij nu1 dat wij de mannen van onze partij beschrijven1 of dat wij ze voorbijgaan en ons terstond weder tot onze redekaveling wenden #bfd1 ten einde niet1 gelijk wij daareven zeiden1 wat veel misbruik te maken van de vrijheid om het voorwerp der redekaveling te veranderen8 ,theod4 ,wel neen1 ,socrates6 maar wij moeten ze beschrijven4 ,want gij hebt zeer juist aangemerkt1 dat wij niet zulke dienaars der redekaveling zijn als de menschen van die partij #bfe1 maar de redekavelingen zijd ons als het ware dienstbaar1 en elke daarvan wacht om voleindigd te worden tot het ons goeddunkt1 want bij ons is geen regter of toeschouwer 7als bij de dichters7 #bff1 om ons te berispen en te besturen4 ,,xxiv4 ,so4 ,laat ons dan1 zoo als betamelijk is1 daar gij het goedvindt1 over de aanvoerders spreken2 want waarom zou iemand spreken van hen1 die zich flaauw op de wijsbegeerte toeleggen8 ,zij nu weten van hunne jeugd af aan1 vooreerst den weg niet naar de markt1 noch waar de regtbank of het raadhuis of eenige andere vergaderplaats van den staat is2 en wetten of besluiten1 die verhandeld worden of vroeger geschreven zijn1 zien zij niet in1 noch hooren er naar #bfg4 ,het streven naar vereenigingen tot het bekomen van posten en het houden van staatkundige bijeenkomsten en maaltijden en feesten met fluitspeelsters komt hen in den droom niet op #bfh4 ,en of iemand in de stad van aanzienlijke of geringe afkomst is1 of er aan iemand van zijne voorouders1 van vaders- of moeders- kant eenige smet kleeft1 dat weet hij nog minder1 dan hoeveel emmers water in de zee gaan4 ,en hij weet niet eens1 dat hij dat alles niet weet1 want hij onthoudt er zich niet van uit eerzucht #bfi1 maar in waarheid is alleen zijn ligchaam in den staat aanwezig en woont daar1 maar zijn geest1 die dit alles voor weinig1 ja voor niets acht1 veracht het en zweeft volgens ,pindarus overal heen1 hetgeen onder de aarde en op dezelve is1 berekenend1 en de bovenste streken des hemels #bgj aan sterrekundig onderzoek onderwerpend1 en de algemeene wezenheid1 al wat ergens bestaat1 onderzoekend #bga1 zonder zich tot een der nabijgelegene dingen af te laten4 ,theod4 ,hoe meent gij dat1 ,socrates8 ,so4 ,eveneens1 ,theodorus6 als toen1 naar men verhaalt1 eene geestige en aardige ,thracische slavin ,thales1 die de sterren bestudeerde en naar boven keek en in een' put viel1 bespotte1 omdat hij begeerde te weten1 wat in den hemel was1 maar hetgeen voor hem en bij zijne voeten was1 niet wist4 ,want waarlijk is aan zoo iemand zijn naaste buurman onbekend1 niet alleen in hetgeen hij doet1 maar bijna of hij een mensch is of eenig ander wezen2 maar wat toch de mensch is1 en wat zulk een wezen meer dan andere moet doen en lijden1 dat onderzoekt hij en legt er zich op toe1 om dat uit te vorschen4 ,gij begrijpt toch wat ik meen1 niet waar1 ,theodorus8 ,theod4 ,ja zeker1 en gij zegt de waarheid4 ,so4 ,daarom1 mijn vriend6 wanneer zoo iemand1 met wien dan ook1 in het bijzondere of openbare leven te doen krijgt1 zoo als ik in den beginne #bgb zeide1 wanneer hij in het regthuis of elders over hetgeen voor de voeten en voor oogen ligt moet spreken1 dan verwekt hij gelach1 niet slechts bij3 ,thracische slavinnen1 maar ook bij de andere menigte1 daar hij door gebrek aan oefening #bgc in putten en allerlei verlegenheid valt1 en een gek figuur maakt1 waardoor hij voor onbeschaafd wordt gehouden4 ,want bij het doen van verwijtingen kan hij niemand zijne bijzondere gebreken verwijten1 daar hij van niemand eenig kwaad weet1 omdat bij daarvan geen werk gemaakt heeft #bgd2 weshalve hij door zijne verlegenheid bespottelijk schijnt2 en bij de loftuitingen en de pralerijen van anderen1 blijkt het1 dat hij daarover niet uiterlijk1 maar in zijnen geest lacht1 waardoor hij een dwaas #bge schijnt te wezen4 ,want wanneer hij eenen vorst of koning hoort gelukkig noemen1 meent hij eenen herder1 b4 v4 een zwijnendrijver1 schapenhoeder of koeboer1 die dapper melkt1 gelukkig te hooren noemen1 behalve dat zij een lastiger en werspanniger dier hoeden en melken1 maar hij oordeelt1 dat zoodanig iemand door gebrek aan tijd niet minder boersch en onbeschaafd moet worden1 dan de herders1 terwijl hij zich1 als in eene schaapskooi op een' berg1 in zijnen burg opsluit4 ,en wanneer hij tienduizend bunders of nog meer eene verwonderlijk groote bezitting hoort noemen #bgf1 dan meent hij zeer weinig te hooren1 daar hij gewoon is1 de geheele aarde te beschouwen4 ,en de loftuiting van hen1 die de aanzienlijke geslachten prijzen1 zeggende1 dat iemand welgeboren is1 die zeven rijke voorvaders kan aanwijzen1 houdt hij voor de taal #bgg van menschen1 die stomp en bekrompen van gezigt zijn1 daar zij door onkunde #bgh niet in staat zijn1 steeds het geheel in het oog te vatten1 en te beredeneren1 dat ieder ontelbaar vele duizenden #bgi van voorouders heeft1 waaronder voor ieder vele duizenden rijken en armen1 koningen en slaven1 ,barbaren en ,grieken zijn2 en zoo sommigen zich op een lijn van #ba voorouders verheffen en hun geslacht uitrekenen tot op ,hercules1 den zoon van ,amphitryon1 schijnt hem dat eene ongerijmde kleingeestigheid1 en hij lacht1 omdat zij niet inzien1 dat de #be;e van ,amphitryon opwaarts zoo was als het toeval mebragt1 en evenzoo de #ej;e van dezen opwaarts gerekend1 en omdat zij de opgeblazenheid hunner dwaze ziel niet kunnen afleggen4 ,in al deze punten nu wordt zoo iemand door de menigte uitgelagchen1 daar hij deels zich trotschelijk schijnt aan te stellen1 deels hetgeen voor de voeten ligt niet te kennen1 en telkens in de war te wezen4 ,theod4 ,gij zegt het juist zoo als het gebeurt1 ,socrates6 ,,xxv4 ,so4 ,maar1 mijn vriend6 wanneer hij nu zelf iemand naar boven trekt1 en wil1 dat die van het klagen over aangedaan onregt #bhj zich wende tot het beschouwen van de regtvaardigheid en onregtvaardigheid zelve1 wat ieder derzelve is1 en waarin zij van andere dingen of van elkaar verschillen1 of van het gelukkig prijzen der koningen #bha en rijken tot het beschouwen van het koningrijk en van het menschelijk geluk en ongeluk in het algemeen1 wat zij zijn en hoe het met de natuur #bhb van den mensch overeenkomt1 het eene na te jagen1 het andere te ontvlugten3 wanneer die kleingeestige1 scherpe1 twistgierige mensch van dat alles rekenschap moet geven1 dan is het zijne beurt1 en daar hij duizelend1 van de hoogte waarop hij geplaatst is1 naar beneden ziet en door ongewoonte geen raad weet1 en in benaauwdheid zit1 en onzin spreekt1 verwekt hij gelach1 niet bij ,thracische slavinnen en andere ongeleerde menschen1 die het niet eens merken2 maar bij allen1 die anders dan slaven zijn opgevoed4 ,dit is beider levenswijs1 ,theodorus6 de ne van iemand1 die waarlijk in vrijheid en ledigen tijd is opgevoed1 wien gij den naam geeft van wijsgeer1 die geen verwijt verdient #bhc1 omdat hij dom en nietswaardig schijnt1 wanneer hij met slaafsche werkzaamheden in aanraking komt1 en b4 v4 geen reiskoffer pakken1 of taarten bakken1 of pluimstrijken kan3 de andere van iemand1 die dat alles glad en spoedig kan uitvoeren1 maar niet in staat is1 zich behoorlijk voor te doen1 of met betamelijke woorden de ,goden en het ware levensgeluk der menschen te bezingen4 ,theod4 ,socrates6 wanneer gij allen1 evenzeer als mij1 overtuigdet van hetgeen gij zegt1 dan zou er meer vrede en minder ellende onder de menschen zijn4 ,so4 ,maar het is onmogelijk1 dat het kwaad verga1 ,theodorus6 daar er steeds een tegenhanger van het goed moet wezen2 of dat het in de ,godheid gegrond is3 maar naar de wet der noodzakelijkheid kleeft het aan de menschelijke natuur en aan dezelfde plaats #bhd4 ,daarom moet men ook pogen1 zoo spoedig mogelijk van hier derwaarts #bhe te vlugten4 ,deze vlugt bestaat in het zooveel mogelijk gelijk worden aan ,god #bhf1 en die gelijkheid bestaat in regtvaardig en heilig en wijs te worden4 ,doch1 mijn beste6 daar #bhg het niet zeer gemakkelijk is de menschen te overtuigen1 dat men niet om de reden1 die de menigte voor het ontvlugten der zonde en het najagen der deugd opgeeft1 namelijk om niet kwaad maar goed te schijnen1 de eene moet beoefenen en de andere niet1 dewijl dit1 naar mijn inzien1 oudewijvenpraat is2 zoo willen wij de waarheid op deze wijs in het licht stellen4 ,god is volstrekt in geen opzigt onregtvaardig1 maar zoo regtvaardig mogelijk2 en niemand is meer aan hem gelijk1 dan wie onder ons het regtvaardigste wordt4 ,hieraan #bhh moet de waarachtige voortreffelijkheid1 nietswaardigheid en flaauwheid van een mensch gemeten worden #bhi4 ,de kennis toch hiervan is waarachtige wijsheid en deugd1 en de onkunde klaarblijkelijke onwetendheid en slechtheid #bij2 maar de andere schijnbare voortreffelijkheid en wijsheid is op staatkundig en wetenschappelijk gebied slechts laag en zonder waarde4 ,dus is het voor hem1 die onregt doet en met woord of daad heiligschennis pleegt1 verre het beste1 hem niet toe te laten zich door onregt te laten gelden #bia4 ,want zij verheffen zich op de schande en meenen van zich te hooren zeggen1 dat zij geen beuzelaars en ballasten der aarde zijn1 maar mannen zooals het behoort2 die zich in de maatschappij #bib weten te handhaven4 ,dus moet men de waarheid zeggen1 namelijk1 dat zij meer zijn wat zij meenen niet te zijn1 naarmate zij dit minder meenen1 daar zij die straf der onregtvaardigheid niet kennen1 die het minst onbekend mag blijven4 ,want het is niet die1 welke zij meenen1 geeselslagen en dood1 waarvan soms ook volkomen onschuldigen hun deel krijgen #bic1 maar eene straf1 die niet kan ontweken worden4 ,theod4 ,welke meent gij dan8 ,so4 ,deze1 mijn vriend6 dat1 terwijl er in de denkbeeldige wereld #bid twee toonbeelden zijn1 het eene van den aan ,god gelijkvormigen en tevens zeer gelukkigen1 het andere van den goddeloozen en tevens zeer ongelukkigen1 zij1 deze waarheid niet inziende1 door hunne domheid en uiterste onkunde niet merken1 dat zij aan het tweede door hunne onregtvaardige daden gelijk worden1 en ongelijk aan het eerste1 waarvoor zij dan boeten door het leiden van een leven1 overeenkomstig met het toonbeeld1 waarop zij gelijken4 ,en #bie zoo wij zeggen1 dat1 zoo zij hunne bedrevenheid niet afleggen1 ook na hunnen dood die van alle kwaad zuivere plaats #bif hen niet zal opnemen1 maar dat zij in het andere leven steeds een lot zullen hebben1 aan hunne handelwijze gelijk #big1 daar zij1 zelve boos zijnde1 alleen met boozen zullen omgaan1 dan zullen zij in hunne hooge wijsheid zeker meenen de taal van krankzinnigen te hooren4 ,theod4 ,ongetwijfeld1 ,socrates6 ,so4 ,ik ben er zeker van overtuigd1 mijn vriend6 n ding echter gebeurt hun zeker #bih1 namelijk1 dat1 zoo zij in een gesprek #bii rekenschap moeten geven en ontvangen over hetgeen zij berispen1 en dit moedig een geruimen tijd willen volhouden1 en niet laf op den loop gaan1 eindelijk1 mijn vriend6 hetgeen zij zeggen hunzelven niet meer voldoet1 en hunne beroemde welsprekendheid zoo zeer verwelkt1 dat zij niet van kinderen schijnen te verschillen4 ,laat ons nu hierover1 daar wij het slechts als bijzaak behandelen1 uitscheiden2 want zoo wij dat niet doen1 zal er steeds meer bijkomen en onze oorspronkelijke redekaveling verstikken2 maar laat ons tot het vorige terugkeeren1 zoo het ook u goeddunkt4 ,theod4 ,socrates6 ik hoor zulke dingen niet minder gaarne2 want het is voor iemand van mijne jaren gemakkelijker te volgen2 zoo gij het echter verlangt1 laat ons dan tot ons onderwerp terugkeeren4 ,,xxvi4 ,so4 ,wij waren dan in onze redekaveling gekomen tot het punt1 waarop wij oordeelden #cjj1 dat de voorstanders der aanhoudende beweging van het zijnde #cja1 en der waarheid van iedere meening voor den meenenden1 in andere dingen1 vooral in regt en onregt1 willen staande houden1 dat ongetwijfeld1 wat een staat als zijn oordeel vaststelt1 ook voor hem1 zoolang het vastgesteld blijft1 regt is2 maar dat niemand nog moedig genoeg is1 om van het goede te durven beweren1 dat1 wat een staat nuttig meenende1 voor zich vaststelt1 ook nuttig is1 zoolang als het vastgesteld blijft1 behalve zoo men den naam meende2 maar dat zou spotten zijn met hetgeen wij zeggen #cjb4 ,theod4 ,dat zou het4 ,so4 ,men moet niet spreken van den naam1 maar van de zaak in questie1 die door dien naam wordt aangeduid4 ,theod4 ,natuurlijk4 ,so4 ,maar zoo nu de staat iets nuttig #cjc noemt1 en dit door eene wet vaststelt1 dan streeft hij daarbij naar het nuttige1 en maakt alle wetten1 naar zijn beste weten en vermogen1 zoo nuttig mogelijk voor zich zelven4 ,of maakt hij wel wetten met eenig ander doel8 ,theod4 ,wel neen4 ,so4 ,en bereikt elke staat dat doel telkens1 of wordt het dikwijls gemist8 ,theod4 ,ik geloof1 dat het ook wel gemist wordt4 ,so4 ,nu zouden allen ditzelfde nog eerder uit dit oogpunt toestemmen1 zoo men het vroeg van het geheele geslacht1 waartoe ook het nuttige behoort1 namelijk1 van het gebied der toekomst #cjd4 ,want wanneer wij wetten maken1 dan stellen wij die vast1 opdat zij voor den volgenden tijd nuttig mogen zijn2 en dit kunnen wij met regt het gebied der toekomst heeten4 ,theod4 ,ongetwijfeld4 ,so4 ,komaan6 laten wij dan ,protagoras of eenen anderen uit degenen1 die met hem instemmen1 aldus ondervragen4 ,protagoras6 de mensch is immers1 volgens uwe leer1 de maat van alle dingen1 van het witte1 zware1 ligte1 ja van al wat van die soort is8 ,want daarvan het kenmerk in zich hebbende1 daar hij oordeelt zooals hij gevoelt1 oordeelt hij zooals het voor hem waar en werkelijk is1 niet waar8 ,theod4 ,ja4 ,so4 ,maar1 ,protagoras6 zullen wij zeggen1 heeft hij dan ook het kenmerk van de toekomst in zich1 en1 zooals hij meent dat het wezen zal1 is het ook alzoo voor den meenenden8 b4 v4 wat het heete betreft1 wanneer een ongeleerde meent1 dat hij de koorts zal krijgen1 en dat dus die hitte zal plaats hebben2 en een ander1 een arts1 het tegenovergestelde meent1 naar wiens meening moeten wij dan zeggen1 dat het toekomstige zal uitvallen8 toch niet naar die van beiden1 zoodat hij voor den geneesheer niet heet noch koortsig zal worden1 maar voor zich zelven beide8 ,theod4 ,dat zou inderdaad bespottelijk zijn4 ,so4 ,en hierbij blijft het niet #cje1 maar ik meen1 dat ook over de toekomstige zoetheid of zuurte van wijn1 de meening van den landman en niet die van den harpspeler de baas is4 ,theod4 ,natuurlijk4 ,so4 ,en over hetgeen goed of kwaad zal klinken1 zou een schoolmeester niet beter kunnen oordeelen1 dan een musicus1 zelfs over hetgeen de schoolmeester zelf later goed of kwalijk klinkend zal vinden4 ,theod4 ,wel neen6 ,so4 ,dus is ook het oordeel van eenen1 die smullen zal1 maar geene kookkunst verstaat1 bij het bereiden van het feest1 ten opzigte van den toekomstigen lekkeren smaak1 van minder belang dan dat van den pasteibakker4 ,want wij willen nu over hetgeen voor ieder lekker is of geweest is volstrekt niet met het stelsel twisten1 maar1 of ieder voor zich zelven de beste beoordeelaar is van hetgeen voor hem zal schijnen en zijn4 ,zoudt gij1 ,protagoras6 niet beter dan eenig ongeleerde te voren kunnen oordeelen1 wat in eene geregtelijke redevoering ieder onzer geloofwaardig zal voorkomen8 ,theod4 ,wel zeker1 ,socrates6 juist hierin beweerde hij ver boven allen uit te munten4 ,so4 ,bij ,zeus1 mijn waardste6 niemand zou zijn onderwijs voor veel geld gezocht hebben1 zoo hij zijne leerlingen had overtuigd1 dat ook hetgeen zou wezen en schijnen1 door geen wigchelaar of iemand anders beter zou kunnen beoordeeld worden1 dan door ieder voor zich zelven #cjf4 ,theod4 ,dat is zeer waar4 ,so4 ,dus stellen de wetgevingen zich het nut in de toekomst voor1 en ieder moet toestemmen #cjg1 dat een staat1 die wetten maakt1 noodzakelijk dikwijls het nuttigste niet treffen kan4 ,theod4 ,ongetwijfeld4 ,so4 ,dus zullen wij met regt uwen leermeester oproepen om toe te stemmen1 dat de een wijzer dan de ander is1 en dat de zoodanige maat is2 maar dat ik1 die onkundig ben1 volstrekt niet in de noodzakelijkheid ben van maat te worden1 hoewel in de daareven voor hem gehoudene pleitrede beweerd werd1 dat ik zulks willens of onwillens wezen moest4 ,theod4 ,ik geloof1 ,socrates6 dat zijn stelsel vooral hierin mank gaat1 en tevens daarin1 dat het ook de gevoelens der anderen1 die zijne meeningen1 zoo als wij zagen1 verwerpen1 als waar moet erkennen4 ,so4 ,zulk een stelsel1 ,theodorus6 gaat nog in vele andere punten mank1 daar het telkens blijkt1 dat niet alle meeningen1 die ieder koestert1 waar zijn2 maar van de uit ieders tegenwoordigen toestand #cjh ontspruitende gevoelsaandoeningen en de daaraan zich hechtende meeningen is het moeijelijker te bewijzen1 dat zij niet waar #cji zijn4 ,misschien echter zeg ik niets #caj1 daar zij welligt onwederlegbaar zijn1 en degenen1 die ze voor klaarblijkelijke kennis houden1 misschien de waarheid zeggen1 en onze ,theaetetus niet mis geoordeeld heeft1 toen hij gevoel en kennis hetzelfde noemde4 ,dus moeten wij naderbij komen1 gelijk de verdedigingsrede van ,protagoras voorschreef1 en die leer der eeuwige beweging onderzoeken1 daartegen kloppende1 om te hooren of zij eenen zuiveren of eenen zieken klank geeft #caa4 ,en de strijd hierover is niet gering en niet tegen weinigen4 ,,xxvii4 ,theod4 ,het is er ver van af1 dat de strijd tegen die meening gering is1 daar zij integendeel in de streken van ,jonie zeer bloeit1 want de navolgers van ,heracliet staan dezelve krachtig voor4 ,so4 ,daarom1 mijn waarde ,theodorus6 moeten wij haar des te meer beschouwen en wel van voren af aan1 gelijk zij voorgaan4 ,theod4 ,dat is opperbest4 ,want1 ,socrates6 wat die navolgers van ,heracliet1 of1 zoo als gij zegt1 van ,homerus #cab en van nog ouderen aangaat1 met die te ,ephesus1 welke voorwenden deze leer te verstaan1 is het niet mr mogelijk te spreken dan met razenden4 ,want zij zijn in waarheid even bewegelijk als zij schrijven1 en bij eene stelling of een vraagstuk te blijven en kalm op hunne beurt te antwoorden en te vragen1 wordt onder hen in het minst niet gevonden2 ja1 rust is in hen nog minder dan in het geheel niet1 maar1 zoo gij iemand hunner iets vraagt1 haalt hij als uit een' pijlkoker korte raadselachtige gezegden en schiet die af1 en zoo gij hem rekenschap vraagt1 wat hij gezegd heeft1 dan wordt gij getroffen #cac met een ander van vreemde beteekenis1 maar gij zult met niemand hunner ooit iets vorderen1 en ook zij met elkander niet2 maar zij zorgen wel1 noch in hunne woorden1 noch in hunne zielen iets bestendigs te laten1 daar zij dat1 geloof ik1 voor stilstand houden1 waartegen zij met geweld strijden en dien zij zoo veel mogelijk overal uitwerpen4 ,so4 ,misschien1 ,theodorus6 hebt gij die menschen al strijdend bijgewoond1 maar ze niet in vrede gevonden2 want zij zijn uwe vrienden niet #cad4 ,maar ik geloof1 dat zij die dingen aan hunne leerlingen1 die zij aan zich gelijk willen maken1 op hun gemak uitleggen4 ,theod4 ,wat leerlingen6 mijn vriend6 ,bij hen is niemand leerling van een ander1 maar zij komen van zelfs op1 naarmate ieder hunner den geest krijgt1 en de een houdt den ander voor een weetniet4 ,van hen nu1 zoo als ik zeide1 zoudt gij nooit goedschiks of kwaadschiks #cae rekenschap krijgen2 maar men moet hen zelven als vraagstuk nemen #caf en onderzoeken4 ,so4 ,dat zegt gij goed4 ,maar hebben wij niet het vraagstuk ontvangen van de ouden1 die in een dichterlijk kleed voor de menigte verborgen #cag1 dat de oorsprong van alles1 ,oceaan en ,tethys1 stroomen zijn1 en dat niets staat1 en van de lateren1 die het1 daar zij geleerder waren1 openlijk verkondigden1 opdat ook de schoenlappers #cah1 dat hoorende1 hunne wijsheid zouden overnemen1 en niet langer in hunne onnoozelheid zouden meenen1 dat sommige dingen stilstaan en andere zich bewegen1 maar geleerd hebbende1 dat alles in beweging is1 hen zouden vereeren8 ,maar1 ,theodorus6 ik was bijna vergeten1 dat anderen het tegendeel hiervan hebben beweerd1 namelijk1 dat aan het al slechts de naam van het onveranderlijk zijn toekomt #cai1 en dat1 gelijk ,melissus en ,parmenides tegen al dat vorige volhouden1 het al n is1 en in zich zelf gegrond vaststaat1 zonder plaats om in te bewegen4 ,mijn vriend6 hoe zullen wij ons omtrent die allen gedragen8 want terwijl wij langzaam voortgingen1 zijn wij ongevoelig tusschen die twee partijen ingekomen1 #cbj en zoo wij ons er niet door weten te slaan1 zullen wij boeten1 gelijk zij1 die bij de ligchaamsoefeningen al spelend op den streep komen en door den troep aan weerskanten gegrepen1 naar twee verschillende zijden getrokken worden #cba4 ,ik ben dus van oordeel1 dat wij eerst die partij moeten beschouwen1 waarmede wij nu bezig zijn1 namelijk de vloeijenden4 ,en zoo zij iets van belang schijnen te zeggen1 zullen wij ons zelven met hen mede laten trekken en de anderen pogen te ontvlugten2 maar zoo zij1 die het al doen stil staan1 meer waarheid schijnen te spreken1 zullen wij tot hen vlugten en diegenen ontwijken1 die zelfs het onbeweeglijke bewegen4 ,maar zoo geen van beiden iets goeds schijnt te zeggen1 dan staan wij bloot aan bespotting1 daar wij1 geringe lieden1 zelve iets meenen te zeggen en zulke oude en doorgeleerde menschen verwerpen4 ,zie nu eens1 ,theodorus6 of het de moeite waard is1 zich aan zulk een gevaar bloot te stellen4 ,theod4 ,socrates6 wij moeten volstrekt niet dralen met te onderzoeken1 wat beide partijen zeggen4 ,,xxviii4 ,so4 ,wanneer gij er zoo zeer naar verlangt1 moet het onderzocht worden4 ,ik geloof dus1 dat het begin van het onderzoek naar de beweging moet gemaakt worden met de vraag1 wat toch zij meenen1 die beweren1 dat alles in beweging is #cbb4 ,dit nu is hetgeen ik bedoel3 of zij van ne soort derzelve1 of1 gelijk mij voorkomt1 van twee soorten spreken4 ,doch dit moet niet aan mij alleen zoo voorkomen1 maar neem gij er deel aan1 opdat1 zoo het noodig is1 wij ons lot deelen1 en zeg mij3 noemt gij het geen bewegen1 wanneer iets de eene plaats met de andere verruilt1 of wanneer het zich in dezelfde plaats omwentelt8 #cbc ,theod4 ,dat doe ik4 ,so4 ,dit zij dan de ne soort4 ,maar wanneer nu iets op dezelfde plaats blijft1 maar oud1 of van wit zwart1 of van zacht hard wordt1 of op eenige andere wijs verandert1 wordt dat dan niet met regt als eene andere soort van beweging beschouwd8 ,theod4 ,ik geloof van ja4 ,so4 ,het kan niet anders4 ,dus noem ik deze twee soorten van beweging3 verandering en de andere plaatsverwisseling #cbd4 ,theod4 ,dat zegt gij goed4 ,so4 ,laat ons nu1 na dit alzoo verdeeld te hebben1 hen aanspreken1 die zeggen1 dat alles in beweging is1 en hen vragen3 zegt gij1 dat alles op beide wijzen in beweging is1 en dus tevens van plaats verwisselt en verandert8 of het eene op beide wijzen1 het andere op ne der twee8 ,theod4 ,bij ,zeus6 ik weet niet1 wat ik zeggen moet1 maar ik geloof1 dat zij zeggen zouden3 op beide wijzen4 ,so4 ,zoo zij dat niet doen1 mijn vriend6 dan zal het hun schijnen te bewegen en stil te staan1 en het zal niet beter zijn te zeggen1 dat alles in beweging is1 dan dat alles stil staat #cbe4 ,theod4 ,gij zegt volkomen de waarheid4 ,so4 ,daar het dus in beweging moet zijn en het niet in beweging zijn nergens wezen mag1 wordt alles altijd volgens beide soort van beweging #cbf bewogen4 ,theod4 ,dat is noodig4 ,so4 ,onderzoek er dan nog eens dit van4 ,zeiden wij niet #cbg1 dat wij den oorsprong van warmte1 of witheid1 of wat dan ook aldus stellen1 dat ieder dier dingen tegelijk met de waarneming zich tusschen het bedrijvende en het lijdende beweegt1 zoodat het lijdende waarnemend1 maar daarom nog niet waarneming wordt1 en het bedrijvende hoedanig1 maar niet hoedanigheid8 ,misschien echter schijnt het woord hoedanigheid #cbh u vreemd1 zoodat gij die algemeene uitdrukking niet vat4 ,ik wil het u dan met voorbeelden ophelderen #cbi4 ,het bedrijvende wordt geen warmte of witheid1 maar warm of wit1 en het overige even zoo4 ,want gij herinnert u wel1 dat wij in het vorige alzoo zeiden3 dat niets op zich zelf is1 noch het bedrijvende1 noch het lijdende1 maar dat zij1 door hunne zamenkomst de gevoelsaandoeningen en de gevoelde dingen #ccj voortbrengende1 deels met eene bepaalde hoedanigheid voorzien1 deels voelend worden #cca4 ,theod4 ,ik herinner het mij2 hoe zou ik het vergeten zijn8 #ccb ,so4 ,laat ons dus het andere laten rusten1 en niet onderzoeken1 of zij dat anders of aldus meenen1 maar nu alleen datgene in het oog houden1 waarover #ccc wij spreken1 vragende3 alles is1 naar gij zegt1 in beweging en vloeijing1 niet waar8 ,theod4 ,ja4 ,so4 ,dus met beide bewegingen1 waarin wij het verdeeld hebben1 namelijk de plaatsverwisseling en de verandering8 ,theod4 ,natuurlijk3 daar het volkomen in beweging moet wezen4 ,so4 ,zoo het nu alleen van plaats wisselde1 en niet veranderde1 dan zouden wij kunnen zeggen1 welke bewogene dingen van plaats wisselen1 of hoe zeggen wij8 #ccd ,theod4 ,alzoo4 ,so4 ,maar daar nu zelfs dit niet blijft1 dat b4 v4 het witte van plaats wisselt1 maar verandert1 zoodat ook de witheid zelve wegvloeit en in eene andere kleur overgaat1 om niet in dat opzigt stil te staan1 is het dan mogelijk1 eenige kleur met eenen goeden naam te bestempelen8 ,theod4 ,hoe is dat hiervan of van eenige andere dergelijke zaak mogelijk1 ,socrates6 daar het in beweging zijnde steeds aan den sprekende ontvliedt #cce8 ,so4 ,maar wat zullen wij nu van elke gevoelsaandoening zeggen1 b4 v41 van het zien of hooren8 ,dat zij ooit blijft wat zij is1 namelijk zien of hooren #ccf8 ,theod4 ,daar alles in beweging is1 mag dat niet4 ,so4 ,dus mogen wij ook1 wanneer alles in alle opzigten in beweging is1 het woord zien niet meer bezigen dan het woord niet zien1 en van niet ne gevoelsaandoening meer dan van de tegenovergestelde spreken4 ,theod4 ,wel neen4 ,so4 ,edoch gevoel is kennis #ccg1 zoo als ik en ,theaetetus beweerd hebben4 ,theod4 ,ja4 ,so4 ,dus hebben wij op de vraag1 wat kennis is1 een antwoord gegeven1 dat zoowel kennis als niet-kennis uitdrukt4 ,theod4 ,dat schijnt zoo4 ,so4 ,dus hebben wij eene fraaije bevestiging van ons antwoord #cch gekregen1 daar wij1 om dat antwoord te kunnen redden1 poogden aan te toonen1 dat alles in beweging is4 ,want nu schijnt het uitgemaakt1 dat1 zoo alles in beweging is1 ieder antwoord1 op elke vraag1 even waar is1 en dat wij mogen zeggen1 dat het zoo is en niet zoo is1 of1 indien gij wilt1 wordt1 opdat wij hen #cci niet door onze woorden tot stilstand nopen4 ,theod4 ,gij zegt goed4 ,so4 ,behalve1 ,theodorus6 dat ik sprak van z en niet z4 ,want #cdj wij moeten dat woord z niet eens bezigen2 want als het z was1 dan was het niet meer in beweging2 noch ook niet-z1 want ook dit is geene beweging2 maar wij moeten voor hen1 die deze leer verkondigen1 eene andere uitdrukking verzinnen1 daar zij voor hunne meening geen woorden hebben1 behalve misschien3 in het geheel niet4 ,dit toch zou hun nog het beste passen1 wanneer het zoo onbepaald mogelijk genomen werd4 ,theod4 ,deze uitdrukking past hun ten minste vrij goed4 ,so4 ,dus1 ,theodorus6 wij zijn met uwen vriend klaar gekomen1 en geven hem nog niet toe1 dat ieder mensch1 ook de onverstandige1 de maat is van alle dingen2 en volgens de leer1 dat alles beweegt1 zullen wij niet toestemmen1 dat het gevoel kennis is4 ,of ,theaetetus moest iets anders zeggen4 ,theod4 ,socrates6 gij zegt daar iets heel goeds1 want nu dit klaar is1 moet ook ik volgens de overeenkomst #cda er van af zijn om u te antwoorden1 daar de redekaveling over ,protagoras uit is4 ,,xxix4 ,theaet4 ,och neen1 ,theodorus6 niet voordat ,socrates en gij ook hen1 die alles doen stil staan1 gelijk gij daareven voornemens waart #cdb1 hebt behandeld4 ,theod4 ,theaetetus6 leert gij1 die nog zoo jong zijt1 andere menschen onregt plegen en hunne overeenkomsten overtreden8 ,dat zal niet gebeuren1 maar houd u gereed1 om ,socrates over de rest te woord te staan4 ,theaet4 ,wanneer hij ten minste wil4 ,ik zou echter daarover liever hooren4 ,theod4 ,gij roept ruiters in de vlakte #cdc1 zoo gij ,socrates tot redekavelingen roept3 vraag dan maar op1 en gij zult het hooren4 ,so4 ,dat is waar1 ,theodorus6 en toch heb ik geen plan1 aan het verzoek van ,theaetetus gehoor te geven4 ,theod4 ,waarom niet8 ,so4 ,hoewel ik door schaamte werhouden werd1 om ,melissus en de anderen1 die leeren1 dat het al n en stilstaand is1 oppervlakkig te beoordeelen1 heb ik echter voor hen allen nog minder eerbied dan voor ,parmenides alleen4 ,parmenides toch schijnt mij1 om met ,homerus te spreken1 te gelijk eerwaardig en ontzaginboezemend4 ,want1 toen ik nog zeer jong was en hij reeds zeer oud1 heb ik hem ontmoet1 en het kwam mij voor1 dat hij begaafd was met echte diepzinnigheid #cdd4 ,daarom vrees ik1 dat wij de woorden niet zouden verstaan en den zin nog veel minder vatten #cde1 en wat het ergste is1 dat het eigenlijke doel onzer redekaveling1 de vraag wat kennis is1 zoo wij ons aan de zich indringende redekavelingen stoorden #cdf1 onbehandeld zou blijven2 vooral daar het uitgebreide onderwerp1 dat wij daareven aanroerden1 in het voorbijgaan niet behoorlijk kan behandeld worden1 en zoo het behoorlijk behandeld werd1 door zijnen omvang het onderzoek naar de kennis zou in de schaduw stellen4 ,geen van beiden echter mag plaats hebben1 maar wij moeten #cdg ,theaetetus door onze vroedkunst pogen te verlossen van hetgeen1 waarvan hij ten opzigte der kennis zwanger is4 ,theod4 ,wij moeten dan maar z doen1 indien gij het goedvindt4 ,so4 ,theaetetus6 onderzoek dan nog eens dit aangaande het gezegde4 ,gij hebt immers geantwoord1 dat kennis gevoel is8 ,theaet4 ,ja4 ,so4 ,zoo dan nu iemand u aldus vroeg3 ,waarmede ziet iemand het witte en het zwarte1 en waarmede hoort hij het hooge en het lage8 dan zoudt gij1 geloof ik1 zeggen3 met zijne oogen en ooren4 ,theaet4 ,ja4 ,so4 ,over het geheel nu is het een bewijs van vrijzinnigheid1 wanneer men gemakkelijk is omtrent woorden en uitdrukkingen1 en die niet naauwkeurig uitpluist1 daar veeleer het tegenovergestelde een blijk is van bekrompenheid2 maar soms #cdh is dit noodzakelijk1 gelijk het nu noodig is1 uw antwoord1 voor zoo ver het niet juist is1 te gispen #cdi3 want zie eens1 welk antwoord juister is3 dat de oogen dat zijn1 waarmede1 of dat1 waardoor wij zien2 en de ooren dat1 waarmede1 of dat1 waardoor #cej wij hooren8 ,theaet4 ,socrates6 ik houd dat waardoor1 voor juister1 dan dat waarmede wij alles waarnemen4 ,so4 ,het zou dan ook erg zijn1 jongelief6 zoo in ons1 als in houten paarden #cea1 zinnen zaten1 en niet dit alles op n wezen1 het moge dan ziel heeten of iets anders1 zamenliep1 waarmede wij door die dingen #ceb als door werktuigen alles waarnemen1 wat zinnelijk waarneembaar is4 ,theaet4 ,ik geloof dan ook het laatste meer dan het eerste4 ,so4 ,maar waarom behandel ik dit voor u zoo uitvoerig8 ,om te onderzoeken1 of wij met n en hetzelfde deel van ons wezen #cec door de oogen het witte en het zwarte bereiken1 en door de andere zintuigen andere dingen2 en of gij1 er naar gevraagd zijnde1 dit alles op het ligchaam zoudt kunnen te huis brengen4 ,maar misschien is het beter1 dat gij het liever #ced zelf door uwe antwoorden te kennen geeft1 dan dat ik mij om u vermoei4 ,zeg mij dan3 hetgeen1 waardoor gij het warme en harde en ligte en zoete waarneemt1 houdt gij dat alles voor tot het ligchaam behoorend1 of tot iets anders8 ,theaet4 ,tot niets anders4 ,so4 ,zoudt gij ook willen toestemmen1 dat het onmogelijk is1 wat gij door den nen zin waarneemt1 door den anderen waar te nemen1 bij voorbeeld1 wat gij door het gehoor waarneemt1 door het gezigt1 of wat gij door het gezigt waarneemt1 door het gehoor8 ,theaet4 ,waarom niet8 ,so4 ,zoo gij dus iets omtrent beiden denkt1 zoudt gij dat noch door het ne1 noch door het andere zintuig van beiden kunnen waarnemen4 ,theaet4 ,wel neen4 ,so4 ,maar gij denkt toch aangaande geluid en kleur vooreerst ditzelfde van beiden1 dat beiden zijn8 ,theaet4 ,ja4 ,so4 ,immers ook1 dat ieder1 ten opzigte van den anderen1 wat anders1 ten opzigte van zich zelven hetzelfde is8 ,theaet4 ,natuurlijk4 ,so4 ,en dat zij te zamen twee zijn1 en ieder afzonderlijk n is8 ,theaet4 ,ook dat4 ,so4 ,kunt gij ook beschouwen1 of zij ongelijk of gelijk aan elkander zijn8 ,theaet4 ,misschien wel4 ,so4 ,waardoor nu denkt gij dat alles aangaande hen8 ,want het is toch niet mogelijk1 door het gehoor of gezigt het algemeene in beiden te vatten #cee4 ,want zoo het mogelijk was beiden te onderzoeken1 of zij zout zijn of niet1 dan zoudt gij wel zeker in staat zijn te zeggen1 waarmede gij het zoudt onderzoeken2 en dat schijnt geen gezigt of gehoor1 maar iets anders te wezen4 ,theaet4 ,natuurlijk3 te weten de zin1 die in de tong is gevestigd4 ,so4 ,dat zegt gij goed4 ,maar welke zin maakt u nu bekend met het aan allen en dus ook aan deze gemeenschappelijke1 namelijk met het zijn en niet zijn en wat wij daareven verder over dezelve vroegen #cef8 ,welke zintuigen zult gij voor dit alles opgeven1 door welke datgene ze waarneemt1 wat in ons alles waarneemt8 ,theaet4 ,gij meent het zijn en niet zijn1 de gelijkheid en ongelijkheid1 de identiteit en onderscheidenheid #ceg1 de eenheid en de andere hoeveelheden1 die wij van dezelve opgeven4 ,natuurlijk vraagt gij ook1 door welk zintuig wij toch het evene en onevene1 en wat daar verder bij hoort1 met de ziel waarnemen #ceh8 ,so4 ,theaetetus6 gij volgt mij uitstekend1 want dit is juist hetgeen ik vraag4 ,theaet4 ,maar waarlijk1 ,socrates6 ik kan niet anders zeggen1 dan dat1 naar mij voorkomt1 daarvoor in het geheel geen afzonderlijk zintuig bestaat1 zooals voor die anderen1 maar dat de ziel zelve door zich zelve die algemeene op alles toepasselijke dingen beschouwt4 ,so4 ,ik heb schik in u1 ,theaetetus6 want gij zijt schoon #cei1 en niet leelijk1 zooals ,theodorus zeide4 ,hij toch1 die schoon kan spreken1 is schoon en goed4 ,en behalve dat schoone in uw antwoord1 hebt gij goed gedaan1 door mij van eene zeer lange redekaveling te verlossen1 zoo het u voorkomt1 dat de ziel het eene zelve door zich zelve waarneemt1 het andere door de zintuigen4 ,dit toch kwam mij zoo voor1 maar ik wilde1 dat het ook u zoo voorkwam #cfj4 ,theaet4 ,welnu1 het komt mij zoo voor4 ,,xxx4 ,so4 ,tot welke soort nu rekent gij het zijn8 ,dit toch is het meest algemeene4 ,theaet4 ,tot die dingen1 welke de ziel zelve op zich zelve bereikt4 ,so4 ,rekent gij daartoe ook de gelijkheid en ongelijkheid1 de identiteit en onderscheidenheid8 ,theaet4 ,ja4 ,so4 ,en de schoonheid en de leelijkheid1 de goedheid en de kwaadheid8 ,theaet4 ,ik geloof1 dat de ziel ook vooral hunne wezenheid #cfa beschouwt1 wanneer zij bij zich zelve het verledene en tegenwoordige in betrekking tot elkander en tot het toekomstige beschouwt #cfb4 ,so4 ,houd op #cfc6 en antwoord mij liever op deze vraag4 ,neemt zij niet de hardheid van het harde door den tastzin waar1 en de zachtheid van het zachte insgelijks8 ,theaet4 ,ja4 ,so4 ,maar het zijn1 en de wezenheid1 en de onderlinge tegenstelling1 en de wezenheid der tegenstelling zoekt onze ziel zelve te beoordeelen1 door zich tot die dingen te wenden en ze met elkander te vergelijken4 ,theaet4 ,zeer zeker4 ,so4 ,is het nu niet door de natuur aan menschen en dieren gegeven1 sommige dingen terstond na hunne geboorte waar te nemen1 namelijk al de aandoeningen1 die door het ligchaam tot de ziel komen2 terwijl de redeneringen over hunne wezenheid en nuttigheid moeijelijk en langzaam en met veel arbeid en studie het deel worden van die weinigen1 wier deel zij worden8 ,theaet4 ,zeer zeker4 ,so4 ,is het nu mogelijk1 dat hij1 die de waarheid bereikt1 de wezenheid niet bereiken kan8 ,theaet4 ,neen4 ,so4 ,maar kan iemand ooit datgene kennen1 waarvan hij de wezenheid niet bereiken kan8 ,theaet4 ,hoe zou dat mogelijk zijn1 ,socrates8 ,so4 ,dus is er geene kennis in de aandoeningen der zinnen1 maar in de redekaveling over dezelve #cfd3 want in de laatste is het mogelijk de wezenheid en de waarheid te bereiken1 maar in de eerste niet4 ,theaet4 ,het schijnt zoo4 ,so4 ,maar noemt gij nu die twee1 die zoo verschillen #cfe1 hetzelfde8 ,theaet4 ,dat zou onbillijk zijn4 ,so4 ,welken naam geeft gij nu aan het zien1 hooren1 rieken1 koud of warm zijn8 ,theaet4 ,geen anderen dan dien van gevoelsaandoeningen4 ,so4 ,dus noemt gij ze met n woord3 gevoel4 ,theaet4 ,dat is noodzakelijk4 ,so4 ,en dit kan de waarheid niet bereiken1 daar het de wezenheid niet bereiken kan8 ,theaet4 ,neen4 ,so4 ,dus ook de kennis niet8 ,theaet4 ,neen4 ,so4 ,dus1 ,theaetetus6 kan gevoel en kennis nooit hetzelfde zijn8 ,theaet4 ,het schijnt van neen1 ,socrates6 en vooral door het laatste is het zeer duidelijk geworden1 dat kennis iets anders is dan gevoel4 ,so4 ,maar wij zijn geenszins daarom aan het onderzoeken gegaan1 opdat wij vinden zouden1 wat de kennis niet is1 maar wat zij wel is #cff4 ,wij zijn echter zooveel gevorderd1 dat wij haar in het geheel niet meer in het gevoel zoeken1 maar in datgene1 wat de ziel heeft1 wanneer zij zelve op zich zelve met het zijnde bezig is4 ,theaet4 ,dit nu1 ,socrates6 wordt1 geloof ik1 meening genoemd4 ,so4 ,uw geloof is goed1 mijn waarde #cfg6 ,en onderzoek dan nu eens van voren af aan1 met wegdenking #cfh van al het vorige1 of gij nu iets meer ziet1 nadat gij zoover gevorderd zijt1 en zeg wederom1 wat kennis is4 ,,xxxi4 ,theaet4 ,het is onmogelijk1 ,socrates6 alle meening voor kennis te verklaren1 daar er ook valsche meening is2 maar de ware meening schijnt kennis te wezen1 en dit zij dan mijn antwoord4 ,want zoo dit evenmin als het vorige tegen verder onderzoek bestand is1 dan zullen wij trachten iets anders te zeggen4 ,so4 ,het is beter1 ,theaetetus6 zoo bereidwillig uwe meening te zeggen1 dan1 gelijk in den beginne1 met antwoord geven te talmen4 ,want zoo wij alzoo doen1 dan zal een van beiden gebeuren3 f wij zullen vinden1 waar wij naar streven1 f wij zullen minder meenen te weten1 wat wij volstrekt niet weten2 en zulk een loon zou toch niet verwerpelijk wezen4 ,wat zegt gij dan nu8 ,bepaalt gij1 na de meening in twee soorten1 de ware en de valsche1 verdeeld te hebben1 de ware meening als kennis8 ,theaet4 ,ja3 want dit komt mij nu zoo voor4 ,so4 ,is het dan nu niet noodig1 de meening nog eens van voren af aan te onderzoeken #cfi8 ,theaet4 ,hoe meent gij dat8 ,so4 ,nu en bij andere gelegenheden word ik dikwijls in onzekerheid gebragt1 wat ik denken en spreken moet1 doordien ik niet in staat ben te zeggen1 wat dat voor eene aandoening in ons is1 en hoe zij ontstaat #cgj4 ,theaet4 ,wat meent gij toch8 ,so4 ,het hebben van valsche meening4 ,ik ben het dan ook nu nog niet met mij zelven eens1 of wij het moeten laten rusten1 of het op eene andere wijs dan daareven beschouwen4 ,theaet4 ,waarom zoudt gij het laatste niet doen1 ,socrates8 ,houdt gij het er niet voor1 dat wij het1 hoe dan ook1 moeten onderzoeken8 ,daareven toch hebt gij1 ,theodorus van den ledigen tijd sprekende1 zoo goed gezegd1 dat bij zulke dingen niets ons dringt4 ,so4 ,dat brengt gij mij juist van pas te binnen4 ,want misschien is het niet ondienstig1 als het ware onze voetstappen nog eens langs te gaan4 ,want het is toch beter1 een weinig goed1 dan veel niet behoorlijk tot stand te brengen #cga4 ,theaet4 ,ongetwijfeld4 ,so4 ,hoe zeggen wij dan nu8 ,immers1 dat er telkens valsche meeningen zijn1 en dat de een onzer het valsche1 de ander het ware tot voorwerp zijner meening heeft1 daar beiden werkelijk bestaan4 #cgb ,theaet4 ,ja1 dat zeggen wij4 ,so4 #cgc ,geldt nu niet voor ons ten opzigte van alle dingen1 dat wij ze f kennen f niet kennen8 ,want leeren en vergeten1 die tusschen die twee inliggen1 laat ik voor het tegenwoordige rusten2 want zij zijn ons nu niet dienstig voor de redekaveling #cgd4 ,theaet4 ,waarlijk1 ,socrates6 dan blijft er voor ieder niets anders over dan kennen of niet kennen4 ,so4 ,dus is het dan nu noodig1 dat hij1 die meent1 meening koestert aangaande dingen1 die hij kent of niet kent4 ,theaet4 ,noodzakelijk4 ,so4 ,edoch iets kennende1 datzelfde niet te kennen1 of niet kennende1 te kennen1 is onmogelijk4 ,theaet4 ,hoe zou dat anders8 ,so4 ,maar wanneer nu iemand valsche meening koestert1 gelooft hij dan1 dat hetgeen hij kent1 niet dat is1 maar iets anders1 uit de dingen1 die hij kent2 zoodat hij beiden kennende1 ze beiden wederom niet kent8 ,theaet4 ,dat is onmogelijk1 ,socrates6 ,so4 ,maar houdt hij dan1 hetgeen hij niet kent1 voor iets anders1 dat hij ook niet kent1 en is #cge het voor iemand1 die noch ,theaetetus noch ,socrates kent1 mogelijk1 in zijne hersens te krijgen1 dat ,socrates ,theaetetus of ,theaetetus ,socrates is8 ,theaet4 ,wel neen4 ,so4 ,maar wat iemand kent1 houdt hij toch niet voor hetgeen hij niet kent1 noch wat hij niet kent voor hetgeen hij kent4 ,theaet4 ,dat zou wel een wonder zijn4 ,so4 ,hoe kan iemand dan nog valsche meening koesteren8 ,want het is toch niet mogelijk1 buitendien nog meening te koesteren1 daar wij alles kennen of niet kennen1 en het daarbij nergens mogelijk schijnt1 valsche meening te koesteren4 ,theaet4 ,dat is volkomen waar4 ,so4 ,willen wij nu hetgeen wij zoeken1 eens beschouwen1 niet naar het weten en niet weten1 maar naar het zijn en niet zijn8 ,theaet4 ,hoe zegt gij8 ,so4 ,of het niet zonder uitzondering waar #cgf is1 dat hij1 die over iets het niet zijnde meent1 onvermijdelijk valsche meening koestert1 hoe het ook overigens met zijn verstand gesteld is4 ,theaet4 ,dat schijnt zoo1 ,socrates4 ,so4 ,wat zouden wij dan nu zeggen1 ,theaetetus6 zoo iemand ons vroeg3 is hetgeen gij daar zegt #cgg voor iemand mogelijk1 en kan eenig sterveling het niet zijnde tot voorwerp zijner meening nemen1 hetzij met betrekking tot eenig ander ding1 hetzij op zich zelf8 ,zouden wij niet waarschijnlijk daarop zeggen3 wanneer hij1 geloovende ware meening te hebben1 die niet heeft4 ,of hoe zullen wij zeggen8 ,theaet4 ,z4 ,so4 ,heeft dit nu ergens elders plaats8 ,theaet4 ,wat8 ,so4 ,bij voorbeeld1 dat iemand iets ziet en toch niets ziet #cgh4 ,theaet4 ,hoe zou dat kunnen8 ,so4 ,edoch1 zoo hij het n of ander ding ziet1 dan ziet hij iets dat is4 ,of rekent gij zulk een ding onder het niet zijnde #cgi8 ,theaet4 ,wel neen4 ,so4 ,die dus iets ziet1 ziet iets dat is4 ,theaet4 ,het schijnt zoo4 ,so4 ,en die dus iets hoort1 hoort het een of ander1 en iets dat is4 ,theaet4 ,ja4 ,so4 ,en die iets betast1 betast een of ander ding1 en bij gevolg iets dat is4 ,theaet4 ,ook dit4 ,so4 ,en die meent1 meent immers het een of ander8 ,theaet4 ,toegestemd4 ,so4 ,nu meent immers hij1 die het niet zijnde meent1 niets #chj8 ,theaet4 ,ik geloof neen4 ,so4 ,maar die niets meent1 meent eigenlijk in het geheel niet8 ,theaet4 ,dat is duidelijk1 zou men zeggen4 ,so4 ,dus is het niet mogelijk1 het niet zijnde te meenen1 noch ten aanzien van andere dingen1 noch op zich zelf4 ,theaet4 ,het schijnt van neen4 ,so4 ,dus is het koesteren van valsche meening wat anders1 dan het meenen van het niet zijnde4 ,theaet4 ,het schijnt wat anders4 ,so4 ,dus is alzoo evenmin1 als gelijk wij het daareven beschouwden1 valsche meening in ons aanwezig4 ,theaet4 ,dat is zij niet4 ,,xxxii4 ,so4 ,maar ontstaat ook hetgeen wij dien naam geven misschien aldus #cha8 ,theaet4 ,hoe8 ,so4 ,geven wij den naam van valsche meening ook aan eene verwisseling van begrippen #chb1 wanneer iemand een der bestaande dingen voor een ander der bestaande dingen houdt1 die in zijne meening verwisselende8 ,alzoo toch meent hij altijd een zijnde1 maar het ne in plaats van het andere1 en wanneer hij het bedoelde niet treft1 kan hij teregt als valsche meening koesterend beschouwd worden4 ,theaet4 ,nu geloof ik1 dat gij het opperbest gezegd hebt4 ,want zoo iemand iets dat schoon is voor leelijk1 of iets dat leelijk is voor schoon houdt #chc1 dan koestert hij in waarheid valsche meening4 ,so4 ,ik merk1 ,theaetetus6 dat gij niet schroomt mij voor den gek te houden4 ,theaet4 ,hoe dat8 ,so4 ,gij denkt1 geloof ik1 dat ik niet vallen zal over die in waarheid valsche meening1 u vragende1 of het mogelijk is1 dat het snelle traag1 of het ligte zwaar1 of eenig ander lid eener tegenstelling niet naar zijnen aard1 maar naar dien van het andere1 het tegenovergestelde van zich zelf wordt #chd4 ,doch hier wil ik over heen stappen om u niet te ontmoedigen4 ,het is dus1 zoo als gij zegt1 uwe meening1 dat het koesteren van valsche meening verwisselen van meening is8 ,theaet4 ,ja4 ,so4 ,dus is het naar uw gevoelen mogelijk #che1 iets als #chf iets anders en niet als dat wat het is in de gedachte te stellen4 ,theaet4 ,dat is zoo4 ,so4 ,wanneer dus iemand dit in de gedachte doet1 is het dan niet noodig1 dat hij beide of althans het ne denkt8 ,theaet4 ,wel zeker4 ,so4 ,en wel tegelijk of beurtelings #chg8 ,theaet4 ,opperbest4 ,so4 ,maar vat gij nu het denken even zoo op als ik #chh8 ,theaet4 ,hoe vat gij het op8 ,so4 ,als een gesprek1 dat de ziel met zich zelve houdt over hetgeen zij onderzoekt4 ,ik geef u echter deze verklaring voor hetgeen zij is #chi4 ,want ik geloof1 dat de ziel1 wanneer zij denkt1 niets anders doet dan een gesprek voeren1 zich zelve vragende en antwoordende1 en toestemmende en ontkennende #cij4 ,wanneer zij nu1 hetzij met veel1 hetzij met weinig moeite1 eene bepaling gegeven hebbende1 zich bij hetzelfde houdt en niet twijfelt1 dan noemen wij dat hare meening4 ,zoo noem ik dan het meenen spreken1 en meening de slotsom van #cia een gesprek1 dat niet met een ander en door middel der stem1 maar in stilte door de ziel met zich zelve gehouden wordt4 ,en hoe doet gij8 ,theaet4 ,even z4 ,so4 ,wanneer dan nu iemand het ne voor iets anders houdt1 dan zegt hij ook1 naar het schijnt1 tot zich zelven1 dat het ne het andere is4 ,theaet4 ,ongetwijfeld4 ,so4 ,herinner u dan nu eens1 of gij ooit tot u zelven gezegd hebt1 dat stellig het schoone leelijk is1 of het onregtvaardige regtvaardig1 of1 om het in eens #cib te zeggen1 onderzoek eens1 of gij ooit u zelven hebt zoeken te overreden1 dat stellig het ne het andere is2 en of gij niet integendeel zelfs in den slaap nooit tot u zelven hebt durven zeggen1 dat het onevene stellig even is1 of iets anders dergelijks4 ,theaet4 ,gij zegt de waarheid4 ,so4 ,of gelooft gij1 dat iemand anders1 hetzij hij bij zijne zinnen is of niet1 in ernst tot zich zelven zou durven #cic zeggen1 en zich wijsmaken1 dat noodzakelijk een os een paard is1 of twee n4 ,theaet4 ,wel neen ik4 ,so4 ,wanneer dus het spreken tot zich zelf meenen #cid is1 dan zou niemand1 beiden zeggende en meenende en met de ziel aanrakende1 zeggen en meenen1 dat het ne het andere is4 ,dus moet gij van het ne die uitdrukking niet meer bezigen #cie4 ,want ik beweer1 dat niemand meent1 dat het leelijke schoon is1 of iets anders dergelijks #cif4 ,theaet4 ,dat zal ik dan maar niet meer doen1 ,socrates6 want ik ben het met u eens4 ,so4 ,dus is het onmogelijk1 wanneer men beiden voor den geest heeft1 te meenen1 dat het ne het andere is4 ,theaet4 ,het schijnt zoo4 ,so4 ,maar iemand1 die alleen het ne voor den geest heeft en het andere volstrekt niet1 zal nooit meenen1 dat het ne het andere is4 ,theaet4 ,gij zegt de waarheid2 want hij zou gedwongen worden1 datgene voor den geest te hebben1 wat hij niet voor den geest heeft4 ,so4 ,dus is het verwisselen der begrippen niet mogelijk1 wanneer men beiden2 en ook niet1 wanneer men n van beiden voor den geest heeft2 weshalve iemand1 die de valsche meening als het verwisselen van begrippen bepaalde1 niets zou zeggen4 ,want noch aldus1 noch volgens het vorige1 schijnt er valsche meening in ons te bestaan4 ,theaet4 ,het schijnt van neen4 ,,xxxiii4 ,so4 ,maar waarlijk1 ,theaetetus6 zoo dat #cig niet schijnt te bestaan1 dan zullen wij in de noodzakelijkheid zijn1 vele dwaze dingen toe te stemmen4 ,theaet4 ,welke dan8 ,so4 ,ik zal het u niet zeggen1 voordat ik het van alle kanten beschouwd en onderzocht heb4 ,want ik zou mij over ons schamen1 zoo wij ten opzigte van het voor ons duistere punt gedwongen werden1 wat ik bedoel1 toe te stemmen #cih4 ,maar zoo wij het vinden en vrij worden1 dan zullen wij1 zelve voor bespotting veilig1 over de anderen spreken1 die in dien toestand zijn #cii2 en zoo wij er volstrekt geen raad op weten1 dan zullen wij1 denk ik1 vernederd zijnde1 ons door de redekaveling1 als zeereizigers in eenen storm1 door de matrozen laten met voeten treden en naar willekeur behandelen #djj4 ,hoor dan nu eens1 hoe ik nog eenigen raad voor ons onderzoek meen te vinden4 ,theaet4 ,zeg maar op4 ,so4 ,ik zal ontkennen1 dat wij teregt hebben toegestemd1 toen wij toestemden1 dat het onmogelijk is1 dat iemand hetgeen hij kent houdt voor hetgeen hij niet kent1 en zich daarin vergist2 maar zal beweren1 dat zulks in sommige opzigten mogelijk is4 ,theaet4 ,meent ge welligt1 dat het zoo is1 als ik1 toen wij dat zeiden1 reeds vermoedde1 namelijk dat ik somtijds1 hoewel ,socrates kennende1 wanneer ik van verre iemand anders zie1 dien ik niet ken1 dien voor ,socrates aanzie1 dien ik wel ken4 ,want in zulk een geval gebeurt hetgeen gij zegt4 ,so4 ,hebben wij dat niet laten varen1 omdat het1 wat wij kennen1 hoewel wij het kennen1 niet #dja deed kennen8 ,theaet4 ,juist4 ,so4 ,laat ons het dan niet z stellen1 maar op deze wijs2 en misschien zal het ons gunstig1 misschien ongunstig zijn4 ,maar wij zijn in zulk eenen toestand1 waarin het noodig is alle redekaveling van alle kanten #djb te onderzoeken4 ,zie dan eens1 of ik iets zeg4 ,is het mogelijk iets1 dat men niet weet1 later te leeren8 ,theaet4 ,wel zeker ,so4 ,dus ook even zoo wat anders en weer wat anders8 ,theaet4 ,waarom niet8 ,so4 ,stel dan nu eens om der wille van de redekaveling1 dat in onze ziel een stuk was #djc is1 bij den eenen grooter1 bij den anderen kleiner2 en bij den eenen van zuiverder was1 bij den anderen van onzuiverder en harder1 en bij sommigen vochtiger dan bij anderen1 bij eenigen #djd van de behoorlijke maat4 ,theaet4 ,ik stel het4 ,so4 ,laat ons dan zeggen1 dat dit een geschenk is van ,mnemosyne1 de moeder der ,muzen1 en dat wij1 hetgeen wij gehoord of zelve bedacht hebben en willen onthouden1 in hetzelve afbeelden1 door het onder de zinnelijke indrukken of gedachten te plaatsen1 als of wij er zegels in afdrukten4 ,en dat wij wat er in afgedrukt is1 onthouden en weten1 zoo lang als zijn beeld er in is1 maar1 wanneer het is uitgewischt of er niet in kon afgedrukt worden1 vergeten zijn en niet weten4 ,theaet4 ,het zij zoo4 ,so4 ,zie dan nu eens1 of iemand1 wanneer hij iets1 dat hij kent1 uit de dingen1 die hij ziet of hoort1 beschouwt1 ook op deze wijs valsche meening zou kunnen koesteren #dje4 ,theaet4 ,op welke wijs8 ,so4 ,wanneer hij1 hetgeen hij kent1 dan eens houdt voor hetgeen hij kent1 dan eens voor hetgeen hij niet kent4 ,dit toch hebben wij in het vorige verkeerdelijk voor onmogelijk verklaard4 ,theaet4 ,maar hoe zegt gij dan nu8 ,so4 ,wij moeten het van voren af aan alzoo uiteenzetten1 dat het niet mogelijk is1 wat men kent1 en in de ziel heeft afgedrukt1 maar niet waarneemt1 te houden voor iets anders van hetgeen men insgelijks kent en in de ziel heeft afgedrukt1 maar niet waarneemt4 ,noch ook wat men kent te houden voor hetgeen men niet kent en niet heeft afgedrukt2 noch wat men niet kent voor hetgeen men niet kent2 noch wat men niet kent voor hetgeen men kent2 noch wat men waarneemt voor iets anders van hetgeen men waarneemt2 noch wat men waarneemt voor iets anders1 dat men niet waarneemt2 noch wat men niet waarneemt voor iets dat men niet waarneemt2 noch wat men niet waarneemt voor iets1 dat men waarneemt4 ,en schier #djf nog onmogelijker is het1 datgene wat men kent en waarneemt en overeenkomstig met de waarneming in de ziel heeft afgedrukt1 te houden voor iets anders1 dat men kent en waarneemt1 en insgelijks overeenkomstig met de waarneming in de ziel heeft afgedrukt4 ,en het is ook onmogelijk1 wat men kent en waarneemt en goed #djg heeft afgedrukt1 te houden voor hetgeen men kent2 en wat men kent en waarneemt1 en evenzoo #djh heeft voor hetgeen men waarneemt3 en wat men niet kent noch waarneemt voor hetgeen men niet kent noch waarneemt2 en wat men niet kent noch waarneemt voor hetgeen men niet kent2 en wat men niet kent noch waarneemt voor hetgeen men niet waarneemt4 ,dit alles onderscheidt zich door de onmogelijkheid om daarin valsche meening te koesteren4 ,na blijft echter nog over1 dat het1 zoo ergens1 dan hierin plaats heeft4 ,theaet4 ,waarin dan8 misschien zal ik er vrede me hebben zoo ik er wat meer van geleerd heb2 want nu kan ik het niet volgen4 ,so4 ,in hetgeen men kent1 maar voor iets anders houdt van hetgeen men kent en waarneemt1 of van hetgeen men niet kent1 maar waarneemt2 of in hetgeen men kent en waarneemt1 maar voor iets anders houdt1 dat men ook kent en waarneemt #dji4 ,,xxxiv4 ,theaet4 ,nu kan ik u nog veel minder volgen dan vroeger4 ,so4 ,hoor het dan nu nog eens op deze wijs4 ,wanneer ik ,theodorus ken en mij herinner1 hoe hij is1 en ,theaetetus even zoo1 dan zie ik ze immers somtijds en somtijds niet1 en betast ze somtijds en somtijds niet1 en neem ze somtijds met het gehoor of eenigen anderen zin waar1 terwijl ik somtijds van u volstrekt geene waarneming heb1 en mij u niettemin herinner en u bij mij zelven ken8 ,theaet4 ,dat is waar4 ,so4 ,begrijp dan nu uit hetgeen ik wil duidelijk maken1 vooreerst dit1 dat het mogelijk is1 wat men kent1 niet waar te nemen1 en ook het wel waar te nemen4 ,theaet4 ,dat is zoo4 ,so4 ,en het gebeurt immers ook dikwijls1 dat1 wat men niet kent1 tevens niet wordt waargenomen1 en ook dikwijls1 dat het alleen wordt waargenomen4 ,theaet4 ,ja4 ,so4 ,zie dan eens1 of gij het nu meer volgen kunt4 ,socrates kent ,theodorus en ,theaetetus1 maar ziet ze geen van beiden1 en heeft van hen ook geene andere waarneming4 ,in dat geval zou hij nooit bij zich zelven meenen1 dat ,theaetetus ,theodorus is4 ,zeg ik iets of niets8 ,theaet4 ,gij zegt de waarheid4 ,so4 ,dit nu was het eerste van hetgeen ik zeide4 ,theaet4 ,dat was het4 ,so4 ,en het tweede1 dat ik den eenen uwer kennende en den anderen niet1 en geen van beiden waarnemende1 nooit zou meenen1 dat hij1 dien ik ken1 degeen is1 dien ik niet ken4 ,theaet4 ,juist4 ,so4 ,en het derde1 dat ik geen van beiden kennende noch waarnemende1 niet meenen zou1 dat hij1 dien ik ken1 een ander is1 dien ik niet ken4 ,en houd nu al die vorige gevallen maar voor gehoord1 waarin ik nooit over u en ,theodorus valsche meening zal koesteren1 hetzij ik beiden ken1 of niet ken1 of den eenen wel1 den anderen niet4 ,en evenzoo over de zinnelijke waarnemingen1 zoo gij het volgen kunt4 ,theaet4 ,ik kan het volgen4 ,so4 ,dus blijft dan het koesteren van valsche meening nog hierin1 wanneer ik u en ,theodorus kennende1 en in dat stuk was1 van u beiden als van zegels de afdrukken hebbende1 u beiden op eenen afstand en niet behoorlijk ziende1 ieders eigen beeld met zijne gedaante #daj begeerde #daa zamen te brengen1 door haar als in hare vroeger achtergelatene sporen te doen gaan1 opdat er herkenning plaats hebbe2 en nu daarin mistast1 en als zij1 die de schoenen om en om dragen1 de gedaante van den eenen met die van den anderen verwissel en bij het beeld van die andere breng1 of ook in hetzelfde geval verkeerende als het gezigt bij de spiegels1 dat van regts en links wordt #dab1 daardoor tot dwaling kom3 in dat geval is het verwisselen der meeningen en het koesteren van valsche meening mogelijk4 ,theaet4 ,hetgeen met de meening gebeurt1 ,socrates6 gelijkt bijzonder veel op hetgeen gij zegt4 ,so4 ,en ook1 wanneer ik beiden kennende1 den eenen nog daarenboven waarneem1 en den anderen niet1 maar de kennis van den eenen niet overeenkomstig met de waarneming heb1 zooals ik in het vorige zeide1 toen gij mij niet hebt begrepen4 ,theaet4 ,ja1 dat begreep ik niet4 ,so4 ,dit nu zeide ik1 dat hij1 die iemand kent en waarneemt1 en de kennis van hem overeenkomstig met de waarneming heeft1 nooit meenen zal1 dat hij een ander is dan degeen1 dien hij kent en waarneemt en wiens kennis hij insgelijks overeenkomstig met de waarneming heeft4 ,dit was het immers8 ,theaet4 ,ja4 ,so4 ,er toen bleef nog over wat wij nu zeggen1 namelijk1 dat de valsche meening ontstaat1 wanneer men beiden kent en beiden ziet1 of er eenige andere waarneming van heeft1 doch beider beelden niet ieder overeenkomstig met zijne waarneming heeft1 maar als een slechte boogschutter in het schieten voorbij het doel treft en mist1 hetgeen toch den naam draagt van valschheid #dac4 ,theaet4 ,het schijnt althans zoo4 ,so4 ,en wanneer nu bij het een der beelden de waarneming aanwezig is1 bij het andere niet1 en de ziel het beeld der afwezige waarneming bij de aanwezige brengt1 in al die opzigten bedriegt zij zich4 ,en met n woord1 hetgeen iemand niet kent1 noch ooit heeft waargenomen1 daaromtrent kan1 naar het schijnt1 geene valschheid of valsche meening bestaan1 zoo wij ten minste nu iets goeds #dad zeggen2 maar wat betreft hetgeen wij kennen en waarnemen1 daarin wendt en keert zich de meening en wordt valsch en waar2 waar1 zoo zij de afbeeldsels en het afgebeelde regelregt en in hun behoorlijk verband te zamen brengt2 valsch1 zoo zij dit schuins en scheef doet #dae4 ,theaet4 ,zegt men dat dan niet met regt1 ,socrates8 ,so4 ,gij zult nog meer in dier voege spreken1 wanneer gij het volgende gehoord hebt4 ,ware meening te koesteren is immers schoon1 en valsche leelijk8 ,theaet4 ,natuurlijk4 ,so4 ,dit nu zegt men1 dat daardoor geschiedt4 ,wanneer het was in iemands ziel diep1 en overvloedig1 en glad1 en behoorlijk gekneed is #daf1 dan wordt hetgeen door de zinnen gaande wordt afgebeeld in dat was in de ziel1 hetwelk reeds in duistere bewoordingen door ,homerus is aangeduid #dag1 dan worden ook bij hen de afdrukken1 die zuiver en van behoorlijke diepte gemaakt worden1 voor langen duur geschikt1 en zulke personen zijn vooreerst vlug van bevatting1 ten andere vast van geheugen1 ten derde verwisselen zij de afdrukken der waarnemingen niet1 maar hebben ware meening4 ,want daar die afdrukken duidelijk en in genoegzame ruimte zijn1 rigten zij ze spoedig ieder op zijn origineel1 dat het zijnde genoemd wordt2 en om die bekwaamheid worden zij wijzen genoemd4 ,of dunkt u dit niet8 ,theaet4 ,wel zeker4 ,so4 ,wanneer nu het was bij iemand ruig is1 hetgeen de in alles bedrevene dichter geprezen heeft #dah1 of wanneer het vuil en van niet gezuiverde stof is1 of zeer vochtig of hard #dai1 dan zijn zij1 wier was vochtig is1 wel bevattelijk maar vergeetachtig1 en zij1 wier was hard is1 het tegendeel4 ,en zij1 die het ruig en ruw en steenachtig hebben1 doordien er aarde of vuiligheid onder vermengd is1 hebben onduidelijke afdruksels4 ,dit is ook het geval met hen1 die harde was hebben #dbj1 daar er geene diepte in de afdruksels is1 en met hem1 die vochtige was hebben1 daar de afdruksels spoedig zamenvloeijen en onduidelijk worden4 ,maar zoo nu die afdruksels bovendien in een klein zieltje door gebrek aan plaats op elkander vallen1 dan wordt hunne onduidelijkheid nog erger4 ,deze allen nu zijn vatbaar voor valsche meening2 want wanneer zij iets zien1 of hooren1 of bedenken1 kunnen zij niet aanstonds iederen afdruk op zijn 7origineel7 te huis brengen1 maar uit domheid daarin mistastende1 zien1 hooren en denken zij meestal verkeerd1 en worden bij gevolg dwalend en onwetend genoemd4 ,theaet4 ,gij zegt opperbest1 ,socrates6 ,so4 ,moeten wij dus zeggen1 dat in ons valsche meening bestaat8 ,theaet4 ,ongetwijfeld1 ,so4 ,en ware toch ook8 ,theaet4 ,ook ware4 ,so4 ,hebben wij dan nu niet met regt toegestemd1 dat beide soorten van meening zekerlijk bestaan8 ,theaet4 ,met volkomen regt4 ,,xxxv4 ,so4 ,een praatziek mensch1 ,theaetetus6 is toch waarlijk iets ergs en onaangenaams4 ,theaet4 ,hoe zoo8 ,waarop doelt gij hiermede8 ,so4 ,ik ben boos op mijne eigene onbevattelijkheid en echte praatzucht4 ,welken anderen naam toch kan men er aan geven1 wanneer iemand door onbevattelijkheid zich niet laat overtuigen1 maar iedere redekaveling heen en wer trekt en er maar niet van scheiden kan8 ,theaet4 ,waarom zijt gij dan boos8 ,so4 ,ik ben niet alleen boos1 maar ook bevreesd1 dat ik niet zal weten1 wat ik zeggen moet1 wanneer iemand mij vraagt3 ,socrates6 gij hebt immers gevonden1 dat valsche meening noch in de onderlinge betrekking van de waarnemingen der zinnen1 noch in de gedachte aanwezig is1 maar wel in de verbinding van zinnelijke waarneming en gedachte8 ,ik zal dan1 meen ik1 ja zeggen1 en mij er nog op verheffen #dba1 dat wij zulk eene schoone ontdekking gedaan hebben4 ,theaet4 ,maar1 ,socrates6 ik vind het nu bewezene dan toch ook niet leelijk4 ,so4 ,dus beweert gij dan1 zal hij zeggen1 dat wij eenen mensch1 dien wij ons alleen voorstellen1 maar niet zien1 nooit voor een paard kunnen houden1 dat wij ook niet zien1 noch betasten1 maar ons alleen voorstellen en verder volstrekt niet waarnemen8 ,theaet4 ,en te regt4 ,so4 ,maar1 zal hij zeggen1 zou dan iemand volgens die redenering nooit een getal1 b4 v4 elf1 wanneer hij het zich alleen voorstelt1 voor een ander getal1 dat hij zich ook alleen voorstelt1 b4 v4 twaalf houden8 ,komaan6 antwoord gij eens4 ,theaet4 ,dan zal ik antwoorden1 dat iemand1 elf ziende of betastende1 ze voor twaalf zou kunnen houden1 maar dat1 voor zoo ver hij ze zich alleen voorstelt1 hij er nooit zoo iets van zal meenen4 ,so4 ,wat nu8 gelooft gij1 dat1 wanneer iemand zich heeft voorgenomen vijf en zeven te beschouwen 7ik spreek nu niet van vijf en zeven menschen of iets anders dergelijks1 maar van de getallen vijf en zeven zelve1 die wij daareven voor afdruksels in het was verklaarden1 waarbij het niet mogelijk was valsche meening te hebben71 zoo nu eenig mensch deze beschouwt en tot zich zelven de vraag rigt1 hoeveel zij te zamen zijn1 en de een elf zegt en de ander twaalf1 of zeggen en meenen allen1 dat zij te zamen twaalf zijn #dbb8 ,theaet4 ,wel neen zij3 maar velen elf4 ,en zoo iemand dit onderzoek bij een grooter getal tot stand brengt1 maakt hij nog meer fouten4 ,want ik geloof1 dat gij eigenlijk van alle getallen in het algemeen spreekt4 ,so4 ,daar hebt gij gelijk in4 ,en bedenk dan nu eens1 of er wel iets anders gebeurt1 dan dat de twaalf zelf1 die in het was zijn afgedrukt1 voor elf gehouden worden8 ,theaet4 ,dat schijnt zoo4 ,so4 ,dus zijn wij weder tot het daareven gezegde gekomen #dbc4 ,hij toch1 met wien dat gebeurd is1 houdt hetgeen hij weet1 voor iets anders van hetgeen hij weet1 hetgeen wij voor onmogelijk hielden en waaruit wij zelfs hebben willen bewijzen1 dat er geene valsche meening bestaat1 om de noodzakelijkheid te vermijden1 dat dezelfde hetzelfde tegelijk niet en wel zou kennen4 ,theaet4 ,dat is zeer waar4 ,so4 ,dus moeten wij eene andere bepaling van de valsche meening geven1 dan dat zij bestaat in het verkeerd te huis brengen van gedachten op zinnelijke waarnemingen #dbd4 ,want zoo het dit was1 dan zouden wij nooit dwalen in de bloote gedachten #dbe2 maar nu is er f geen valsche meening1 f het is mogelijk1 datgene niet te kennen wat men wel kent2 welke van die twee verkiest gij8 ,theaet4 ,gij stelt mij daar eene moeijelijke keus voor1 ,socrates6 ,so4 ,maar het schijnt toch1 dat de redekaveling niet beiden zal toelaten4 ,doch1 want wij moeten alles beproeven1 wat zoudt gij er van zeggen1 zoo wij eens onbeschaamd poogden te wezen8 ,theaet4 ,hoe meent gij #dbf8 ,so4 ,zoo wij ons verstoutten te zeggen1 wat kennen is8 ,theaet4 ,en wat is daarin voor onbeschaamdheid8 ,so4 ,gij schijnt u niet te herinneren1 dat onze geheele redekaveling van den beginne af een onderzoek naar de kennis is1 daar wij niet wisten1 waarin zij eigenlijk bestaat4 ,theaet4 ,ja1 dat herinner ik mij wel4 ,so4 ,maar vindt gij het dan #dbg niet onbeschaamd1 dat wij1 niet wetende1 waarin de kennis eigenlijk bestaat1 zoeken aan te toonen1 wat kennis is8 ,maar1 ,theaetetus6 wij hebben reeds veelmalen verkeerd gesproken4 ,want wij hebben duizend maal gesproken van kennen en niet kennen1 en weten en niet weten1 even als of wij elkander konden verstaan1 zonder te weten wat kennis is4 ,ja1 zoo gij wilt1 hebben wij op het oogenblik nog gesproken van niet weten en verstaan1 even als of wij1 zonder kennis te hebben1 die woorden mogten gebruiken #dbh4 ,theaet4 ,maar hoe zult gij dan spreken1 ,socrates6 zoo gij u daarvan onthoudt8 ,so4 ,ik voor mij zie er geen middel op4 ,maar zoo ik een twistredenaar was #dbi1 zou het wel gaan1 en zoo zulk een man hier was1 zou hij beweren1 zich daarvan te onthouden1 en ons hevige verwijten doen over hetgeen ik zeg4 ,doch daar wij slechts gewone menschen zijn1 wil ik mij nu maar verstouten te zeggen1 wat kennen is2 want ik geloof1 dat wij er eenigen baat bij zullen hebben4 ,theaet4 ,verstout er u dan maar toe1 bij ,zeus6 ,en zoo gij u van die woorden niet onthoudt1 zal het u niet kwalijk genomen worden4 ,,xxxvi4 ,so4 ,hebt gij dan ook gehoord1 wat men tegenwoordig zegt1 dat het kennen is8 #dcj ,theaet4 ,misschien wel1 maar op het oogenblik herinner ik het mij niet4 ,so4 ,men zegt1 dat het is3 het hebben #dca van kennis4 ,theaet4 ,dat is waar4 ,so4 ,laten wij het echter een weinig veranderen en zeggen3 het bezitten van kennis4 ,theaet4 ,maar welk onderscheid zegt gij dan1 dat tusschen die twee bestaat8 ,so4 ,misschien geen2 maar onderzoek eens met mij het onderscheid1 dat ik er in meen te vinden4 ,theaet4 ,zoo ik daartoe ten minste in staat ben4 ,so4 ,ik houd dan bezitten en hebben niet voor hetzelfde4 ,bij voorbeeld1 wanneer iemand een kleed gekocht en in zijne magt had1 maar het niet droeg1 dan zouden wij zeggen1 dat hij het wel bezat1 maar het niet had4 ,theaet4 ,en te regt4 ,so4 ,zie dan nu eens1 of het mogelijk is1 aldus kennis te bezitten1 maar niet te hebben #dcb2 gelijk wanneer iemand1 wilde vogels1 duiven bij voorbeeld1 gevangen hebbende1 dezelve voedde in eene kooi1 die hij in zijn huis had laten maken4 ,in zekeren zin toch zouden wij zeggen1 dat hij ze altijd had1 omdat hij ze bezat1 niet waar8 ,theaet4 ,ja4 ,so4 ,in een anderen zin echter zouden wij zeggen1 dat hij er geen een' had1 maar dat hij ten opzigte van dezelve in staat was1 daar hij ze in zijn huis had opgesloten1 om ze te vatten en te hebben wanneer hij wilde1 daar hij naar willekeur ieder derzelve1 zoo vaak hem goeddacht1 kon vangen en weder loslaten4 ,theaet4 ,dat is zoo4 ,so4 ,laat ons dan1 zooals wij in het vorige eene figuur van was in de zielen gemaakt hebben1 nu integendeel #dcc in iedere ziel eene kooi maken met allerlei vogels1 die deels bij afgezonderde troepen1 deels met weinigen te zamen zijn1 deels ieder voor zich door al de anderen1 naar het uitkomt1 heenvliegen4 ,theaet4 ,zij is gemaakt4 ,maar wat nu8 ,so4 ,nu moet men zeggen1 dat in onze jeugd die kooi nog ledig is1 namelijk van kundigheden1 die men hier in plaats van vogels moet denken2 en zoo iemand eene kundigheid heeft bekomen en in die kooi opgesloten1 dan zegge men1 dat hij het voorwerp dier kundigheid geleerd of uitgevonden heeft1 en dat dit kennen is4 ,theaet4 ,het zij zoo4 ,so4 ,zie dan nu eens1 welke namen voor het naar verkiezing weder vangen1 en vatten1 en hebben1 en wer loslaten van die kundigheden noodig zijn1 hetzij dezelfde als vroeger1 toen men ze verwierf1 of andere4 ,maar gij zult hieruit duidelijker inzien1 wat ik zeg4 ,gij erkent immers de rekenkunst voor eene kundigheid #dcd8 ,theaet4 ,ja4 ,so4 ,beschouw deze dan nu als het vangen van de kundigheden van al het evene en onevene4 ,theaet4 ,ik beschouw haar aldus4 ,so4 ,door die kundigheid nu heeft1 geloof ik1 hij die haar bezit #dce de kundigheden der getallen in zijne magt1 en deelt ze aan anderen mede4 ,theaet4 ,juist4 ,so4 ,en wij noemen #dcf het mededeelen onderwijzen1 het aannemen leeren1 het bezitten1 doordien men ze in die kooi heeft opgesloten1 kennen4 ,theaet4 ,ongetwijfeld4 ,so4 ,let nu eens op hetgeen hieruit volgt4 ,een volmaakt rekenkundige kent immers alle getallen8 want van alle getallen zijn de kundigheden in zijne ziel4 ,theaet4 ,natuurlijk4 ,so4 ,zou dan nu zoodanig iemand ooit f iets bij zich zelven1 f iets van de uitwendige aan getal onderworpene dingen berekenen8 #dcg ,theaet4 ,waarom niet8 ,so4 ,en wij zullen toch het rekenen niet anders bepalen1 dan als het onderzoeken1 hoe groot het een of ander getal is4 ,theaet4 ,zoo zullen wij doen4 ,so4 ,wat hij dus kent1 schijnt hij te onderzoeken1 als het niet kennende1 hoewel wij hebben toegestemd1 dat hij alle getallen kent4 ,want gij zijt immers met dergelijke vraagstukken bekend #dch8 ,theaet4 ,ja zeker4 ,,xxxvii4 ,so4 ,dus zullen wij1 onze vergelijking van het bekomen en vangen der duiven ontleenende1 zeggen1 dat er eene dubbele vangst is1 namelijk1 deels die vr het bekomen1 om ze te bekomen2 deels die na het bekomen1 om het reeds bekomene te vatten en in de handen te hebben4 ,alzoo kan iemand hetzelfde1 waarvan hij de kundigheden reeds lang te voren had opgedaan1 en dat hij dus kende1 weder leeren1 door elke dier kundigheden op te nemen en dus datgene te hebben1 wat hij reeds lang bezat1 maar op het oogenblik niet voor zijn bewustzijn had #dci4 ,theaet4 ,dat is waar4 ,so4 ,dit nu was wat ik vroeg3 hoe wij het noemen moeten1 wanneer een rekenkundige gaat rekenen1 of een taalkundige bij zich zelven overdenkt1 hoe hij schrijven moet #ddj4 ,in zulk een geval toch gaat hij weder #dda van zich zelven leeren1 wat hij reeds kent4 ,theaet4 ,maar dat is toch wat gek1 ,socrates6 ,so4 ,maar moeten wij dan zeggen1 dat zij1 wat zij niet kennen1 gaan berekenen of overdenken1 terwijl wij toch gesteld hebben1 dat zij de geheele kennis der getallen of van de taal hebben8 ,theaet4 ,dat gaat evenmin4 ,so4 ,willen wij dan nu maar zeggen1 dat het ons volstrekt niet raakt1 hoe iemand de woorden kennen en leeren wil mishandelen1 maar dat wij1 onderscheid makende tusschen het bezitten en het hebben van kennis1 geene mogelijkheid zien1 dat iemand1 wat hij bezit1 niet zou bezitten1 en dus evenmin1 dat hij niet zou kennen1 wat hij wel kent2 maar dat het toch wel mogelijk is1 daaromtrent valsche meening te bekomen2 want dat het gebeuren kan1 dat hij niet #ddb de kundigheid die hij hebben moet1 maar eene andere vasthoudt1 wanneer hij dezelve1 terwijl zij door de kooi in zijne ziel rondvliegt #ddc zoekt te vangen1 maar bij vergissing de eene in plaats van de andere grijpt1 en alzoo bij voorbeeld elf voor twaalf houdt1 door de kundigheid #ddd van elf in plaats van die van twaalf te grijpen1 alsof hij in die kooi eene tortelduif in plaats van eene woudduif beetpakte4 ,theaet4 ,dat gaat op4 ,so4 ,en dat1 wanneer hij de gezochte grijpt1 geene valsche1 maar ware meening door hem wordt opgevat1 en dat alzoo ware en valsche meening bestaan1 en de vorige moeijelijkheden hier in het geheel niet hinderen4 ,misschien zult gij mij toestemmen1 of hoe zult gij doen8 ,theaet4 ,aldus4 ,so4 ,wij zijn dan ook verlost van dat niet te kennen wat men wel kent1 want1 of men zich vergist of niet1 het niet bezitten van hetgeen men wel bezit komt niet meer in aanmerking4 ,ik zie echter een ander vrij wat erger geval voor den dag komen4 ,theaet4 ,wat dan8 ,so4 ,of het verwisselen der kundigheden wel ooit valsche meening worden kan4 ,theaet4 ,hoe zoo8 ,so4 ,vooreerst1 dat men1 van iets kennis hebbende1 datzelfde niet kent2 en wel niet door onkunde1 maar door zijne kennis2 verder1 dat men dit voor iets anders houdt en het andere voor dat1 is zulks niet wat heel gek8 daar dan door de aanwezigheid van kennis de ziel niets kent1 maar van alles onkundig is8 ,volgens die redenering toch belet niets1 dat het bijkomen van onkunde iets doet kennen1 en van blindheid iets doet zien2 zoo althans ooit kennis de oorzaak is1 dat wij iets niet kennen #dde4 ,theaet4 ,dat is toch nog wel te redden #ddf1 ,socrates6 want misschien hebben wij verkeerdelijk die vogels alleen als kundigheden gesteld1 daar wij ook onkundigheden #ddg moesten stellen1 die te gelijk met dezelve door de ziel vliegen1 zoodat hij1 die ze poogt te vangen1 dan eens eene kundigheid1 dan eens eene onkundigheid aangaande hetzelfde grijpende1 door de onkundigheid valsche1 door de kundigheid ware meening bekomt4 ,so4 ,het is moeijelijk1 ,theaetetus6 u niet te prijzen4 ,bezie echter het gezegde nog eens4 ,het zij1 gelijk gij beweert4 ,gij zegt dan1 dat degeen1 die eene onkundigheid gegrepen heeft1 valsche meening zal hebben1 niet waar8 ,theaet4 ,ja4 ,so4 ,maar hij zal zijne meening niet voor valsch houden4 ,theaet4 ,hoe zou hij daartoe komen8 ,so4 ,voor waar dus2 en hij zal zich verbeelden1 datgene te kennen1 waaromtrent hij dwaalt4 ,theaet4 ,natuurlijk4 ,so4 ,dus zal hij meenen1 eene kundigheid1 geene onkundigheid gevangen te hebben4 ,theaet4 ,dat spreekt4 ,so4 ,dus zijn wij1 na eenen langen omweg1 wer bij de eerste zwarigheid aangeland4 ,die vitter toch zal lagchende zeggen3 hoe nu1 mijne vrienden6 houdt iemand1 n de kundigheid n de onkundigheid kennende1 die welke hij kent voor de andere1 die hij ook kent8 of zal hij1 geene van beide kennende1 de ne1 die hij niet kent1 voor de andere houden1 die hij ook niet kent8 of de ne kennende en de andere niet1 die welke hij kent voor die welke hij niet kent8 of zal hij die1 welke hij niet kent1 houden voor die1 welke hij kent1 of zult gij mij wederom zeggen1 dat er van die kundigheden en onkundigheden nog eens kundigheden zijn1 die men1 ze bekomen hebbende1 in andere belagchelijke kooijen of stukken was opsluit1 en alzoo kent als men ze bezit1 ook zonder ze voor het bewustzijn te hebben8 en zult gij aldus in de noodzakelijkheid komen1 om duizendmaal denzelfden weg te gaan1 zonder iets te vorderen8 ,theaetetus6 wat zullen wij daarop antwoorden8 ,theaet4 ,waarlijk1 ,socrates6 ik heb er niets op te zeggen4 ,so4 ,jongelief6 bestraft ons de redekaveling dan niet te regt1 door aan den dag te brengen1 dat wij verkeerdelijk de valsche meening vr de kennis zochten1 en die laatste verwaarloosden8 ,en dit #ddh kan men toch onmogelijk kennen1 voor men behoorlijk de kennis heeft gevat1 wat zij eigenlijk is #ddi4 ,theaet4 ,het is op het oogenblik onvermijdelijk1 ,socrates6 zoo te oordeelen als gij daar zegt4 #dej ,,xxxviii4 ,so4 ,welke bepaling zal dan nu1 om nog eens van voren te beginnen1 van de kennis gegeven worden8 want wij zullen het toch niet opgeven4 #dea ,theaet4 ,wel neen6 zoo gij er ten minste u niet aan onttrekt4 ,so4 ,zeg dan eens1 met welke bepaling wij ons zelve het minst zouden tegenspreken8 ,theaet4 ,met de vroeger gegevene1 ,socrates6 ik althans heb geene andere4 ,so4 ,welke8 ,theaet4 ,dat de kennis ware meening is4 ,de ware meening toch is vrij van dwaling1 en al wat door haar gedaan wordt1 is schoon en goed4 ,so4 ,de wegwijzer in de fabel zegt1 #deb dat de diepte van het water zichzelve zal bekend maken1 en zoo zal ook1 zoo wij dit gaan onderzoeken1 het gezochte misschien van zelfs voor den dag komen1 maar zoo wij stil staan1 wordt er zeker niets opgehelderd4 ,theaet4 ,gij zegt goed2 komaan dan6 laat ons het onderzoeken4 ,so4 ,hier is geen omslagtig onderzoek noodig1 want eene geheele kunst strekt ten blijk1 dat dit niet de bepaling der kennis is4 ,theaet4 ,hoe zoo8 wat is dat voor eene kunst8 ,so4 ,die van de knapste lieden1 namelijk van de redenaars in de volksvergadering en de pleitzaal4 ,zij toch brengen door hunne overredingskunst geene kennis1 maar de meening1 welke zij verkiezen1 te weeg4 ,of gelooft gij aan het bestaan van zulke bekwame leermeesters1 die iemand de ware toedragt van eenen diefstal of eene andere gewelddadige handeling1 die hij niet heeft bijgewoond1 onder het wegloopen van een weinig water kunnen doen kennen #dec8 ,theaet4 ,wel neen6 meer dan overreden kunnen zij niet4 ,so4 ,maar is nu overreden niet het te weeg brengen van meening8 ,theaet4 ,natuurlijk4 ,so4 ,wanneer dus regters1 op eene billijke wijs overreed zijnde van iets1 hetwelk men alleen door het zien en anders niet kan weten1 dit op het gehoor beoordeelen1 dan oordeelen zij1 zoo zij goed regtspreken1 zonder kennis1 doch naar ware meening1 daar zij goed overreed zijn4 #ded ,theaet4 ,ongetwijfeld4 ,so4 ,maar1 mijn vriend6 zoo ware meening en kennis hetzelfde was1 zou een goed regter nooit ware meening zonder kennis hebben2 weshalve zij van elkander schijnen te verschillen #dee4 ,theaet4 ,ik herinner mij nu iets1 ,socrates1 dat ik iemand heb hooren zeggen1 maar dat mij ontgaan was #def4 ,hij toch zeide1 dat ware meening met bepaling kennis is1 maar dat zij zonder bepaling op dien naam geen aanspraak heeft2 en wat buiten de bepaling valt1 noemde hij #deg onkenbaar1 maar wat er binnen valt1 kenbaar4 ,so4 ,dat zegt gij goed4 ,maar zeg dan nu eens1 hoe hij die kenbare en onkenbare dingen verdeelde1 opdat wij weten1 of gij en ik het op dezelfde wijs gehoord hebben4 ,theaet4 ,maar ik weet niet1 of ik het mij wel zal te binnen brengen #deh4 ,ik zou het echter1 denk ik1 wel kunnen volgen1 wanneer een ander het zeide4 ,,xxxix4 ,so4 ,hoor dan nu eens den eenen droom in plaats van den anderen4 ,want ik meen ook van iemand gehoord te hebben1 dat de grondbestanddeelen1 waaruit wij en al het overige zijn zamengesteld1 door geene bepaling bevat worden4 ,want dat het alleen mogelijk is1 ieder hunner bij zijn eigen naam te noemen1 zonder er eenige andere eigenschap aan toe te kennen of te ontzeggen1 daar dan zijn of niet zijn er aan zou toegekend worden1 terwijl men er niets mag bijbrengen1 zoo men het alleen en op zich zelf wil uitspreken4 ,dat men bijgevolg #dei de woorden zelf1 dit1 dat1 ieder1 alleen1 enz4 er niet op mag toepassen1 daar die beurtelings op alles toegepast worden1 en verschillend zijn van hetgeen1 waarop men ze toepast1 maar dat1 zoo het mogelijk was1 ze #dfj te bepalen en er eene eigene bepaling van te geven1 men ze zonder al die andere moest uitspreken4 ,dat het nu echter onmogelijk is1 eene bepaling van een dier grondbestanddeelen te geven1 want dat men ze alleen kan noemen1 daar zij bloot eenen naam hebben1 maar dat hetgeen daaruit1 door hunne namen z te verbinden als zij zelve verbonden zijn1 is zamengesteld1 eene bepaling is2 daar deze alleen door het verbinden der verschillende praedicaten kan tot stand komen4 ,dat alzoo de grondbestanddeelen buiten de bepaling en de kennis vallen1 maar moeten waargenomen worden2 doch dat hunne verbindingen kenbaar en uitspreekbaar en door ware meening te vatten zijn4 ,dat nu1 wanneer iemand zonder bepaling de ware meening over eene zaak opvat1 zijne ziel daarvan wel de waarheid bezit1 maar ze toch niet kent1 want dat hij1 die eene zaak niet kan bepalen1 daarvan #dfa geene kennis heeft1 maar dat hij1 die er eene bepaling bij bekomen heeft1 daartoe in staat is1 en volkomen is in de kennis4 ,hebt gij den droom z of anders gehoord8 ,theaet4 ,volkomen z4 ,so4 ,behaagt het u dus1 en stelt gij het z1 dat ware meening met bepaling kennis is8 ,theaet4 ,ongetwijfeld4 #dfb ,so4 ,wel1 ,theaetetus6 hebben wij dan alzoo heden gevat1 wat vele wijzen hun geheele leven door vergeefs gezocht hebben8 ,theaet4 ,ik geloof althans1 ,socrates6 dat het nu gezegde goed gezegd is4 ,so4 ,en dat het zoo is1 heeft ook veel schijn2 want hoe zou kennis kunnen bestaan zonder bepaling en ware meening8 ,in het gezegde is echter n ding1 dat mij niet bevalt4 ,theaet4 ,wat dan8 ,so4 ,juist hetgeen de meeste vertooning maakt1 namelijk dat de grondbestanddeelen onkenbaar1 maar de verbindingen kenbaar zijn4 ,theaet4 ,welke8 ,so4 ,de grondbestanddeelen der woorden en hunne verbindingen4 ,of gelooft gij1 dat hij1 die het vermelde gezegd heeft1 daarbij op iets anders het oog had8 #dfc ,theaet4 ,neen1 maar daarop4 ,,xl4 ,so4 ,laat ons dan dit nog eens ophalen1 of laat ons liever ons zelven onderzoeken1 of wij alzoo of anders lezen geleerd hebben4 ,zeg mij eerst dit4 ,de verbindingen zijn dus voor bepaling vatbaar1 maar de grondbestanddeelen niet8 ,theaet4 ,het schijnt zoo4 ,so4 ,ik ben ook geheel van die meening4 ,wanneer dan nu iemand naar de eerste lettergreep van het woord ,socrates vroeg1 zeggende3 ,theaetetus6 zeg eens1 wat is so8 wat zoudt gij antwoorden8 ,theaet4 ,ik zou zeggen s en o4 ,so4 ,dit is dus uwe bepaling van die lettergreep8 ,theaet4 ,ja4 ,so4 ,komaan6 zeg dan zoo ook eens de bepaling van de s4 ,theaet4 ,maar hoe zal iemand de grondbestanddeelen der grondbestanddeelen zeggen8 ,want1 ,socrates6 de s behoort onder de medeklinkers1 en is slechts eene soort van gesis der tong1 terwijl bij de c en de meeste andere zelfs dit niet gevonden wordt4 ,derhalve is het zeer juist1 ze buiten de bepaling te stellen1 daar die vijf1 welke nog het meeste hebben in te brengen1 alleen eenen klank hebben1 maar geene bepaling toelaten #dfd4 ,so4 ,dus1 mijn beste6 zijn wij aangaande de kennis hiermede klaar gekomen4 ,theaet4 ,het schijnt zoo4 ,so4 ,maar hebben wij dan nu behoorlijk bewezen1 dat de grondbestanddeelen niet kenbaar zijn1 en de verbindingen wel8 ,theaet4 ,het schijnt van ja4 ,so4 ,zeg dan nu eens1 of wij de beide letters grondbestanddeelen en1 zoo er meer dan twee zijn1 die allen lettergreep 7verbinding7 noemen1 of dat wij daar ne zaak mede bedoelen1 die door hunne zamenstelling ontstaat8 ,theaet4 ,ik geloof1 dat wij die allen bedoelen4 ,so4 ,zie het dan eens aan twee1 de s en de o4 ,zij beiden maken toch de eerste lettergreep van mijnen naam uit4 ,die nu die lettergreep kent1 kent ze immers beiden8 ,theaet4 ,ongetwijfeld4 ,so4 ,dus kent hij de s en de o8 ,theaet4 ,ja4 ,so4 ,maar kent hij ze nu ieder op zich zelf niet1 zoodat hij1 geen van beiden kennende1 ze beiden kent8 ,theaet4 ,dat zou dwaas en ongerijmd zijn1 ,socrates6 ,so4 ,edoch zoo het1 om ze beiden te kennen1 noodig is ieder op zich zelf te kennen1 dan is het volstrekt noodig voor iemand1 die ooit de lettergreep zal kennen1 eerst de letters te kennen1 en zoo gaat dan die schoone redekaveling ons in eens ontvlugten4 ,theaet4 ,en dat zoo onverwacht6 ,so4 ,wij passen er ook niet goed op4 ,want misschien was het beter1 de lettergreep niet met de letters gelijk te stellen1 maar met ne zaak1 die daaruit ontstaat1 hare eigene wezenheid heeft1 en van de letters onderscheiden is4 ,theaet4 ,ik geloof ook dat wij er niet goed op passen2 en misschien draagt het zich meer aldus toe1 dan op de eerst genoemde wijs4 ,so4 ,wij moeten het onderzoeken en eene belangrijke en fraaije redekaveling niet zoo maar laten loopen4 ,theaet4 ,wel neen4 ,so4 ,laat het dan eens zijn1 zoo als wij zeggen1 dat de verbinding ne zaak is1 die uit de vereeniging van al de grondbestanddeelen ontstaat1 zoowel bij de woorden1 als bij alle andere dingen4 ,theaet4 ,het zij zoo4 ,so4 ,maar moet die dan geen deelen hebben8 ,theaet4 ,hoe zoo8 ,so4 ,omdat1 waar deelen zijn1 het geheel noodzakelijk uit al de deelen bestaat4 ,of houdt gij het geheel1 dat uit die deelen ontstaan is1 voor iets anders dan al die deelen te zamen8 ,theaet4 ,ja4 ,so4 ,maar houdt gij nu het al en het geheel voor hetzelfde of voor twee verschillende dingen8 ,theaet4 ,ik zie het wel niet duidelijk in1 maar omdat gij wilt1 dat ik vrijmoedig antwoorde1 zoo wil ik er naar raden en zeggen3 voor twee verschillende dingen4 ,so4 ,die vrijmoedigheid is goed1 ,theaetetus1 maar of het antwoord zulks ook is1 zullen wij zien4 ,theaet4 ,dat spreekt4 ,,xli4 ,so4 ,dus zou dan1 volgens onze tegenwoordige redekaveling1 het geheel en het al verschillen8 ,theaet4 ,ja4 ,so4 ,maar verschillen dan nu ook al de deelen en het al8 bij voorbeeld1 wanneer wij zeggen3 n1 twee1 drie1 vier1 vijf1 zes #dfe1 of twee maal drie1 of drie maal twee1 of vier en twee1 of drie en twee en n1 of vijf en n1 zeggen wij dan bij die allen hetzelfde of iets anders8 ,theaet4 ,hetzelfde4 ,so4 ,is het wel iets anders dan zes8 ,theaet4 ,neen4 ,so4 ,dus hebben wij door ieder dier spreekwijzen al de zes uitgedrukt4 ,theaet4 ,ja4 ,so4 ,maar als wij nu in dit geval van het al spreken1 zeggen wij toch ook iets #dff8 ,theaet4 ,wel zeker4 ,so4 ,iets anders dan de zes8 ,theaet4 ,neen4 ,so4 ,dus houden wij althans in de getallen #dfg het al en al de deelen voor hetzelfde4 ,theaet4 ,het schijnt zoo4 ,so4 ,dit is dan ook de gewone wijs van spreken4 ,zoo beteekent ook het getal voeten eener roede en de roede hetzelfde1 niet waar8 ,theaet4 ,ja4 ,so4 ,en evenzoo is het met de mijl8 ,theaet4 ,ja4 ,so4 ,en zoo ook met het getal soldaten eens legers en het leger1 en al het dergelijke eveneens4 ,het getal van al de deelen toch is het al van ieder hunner4 ,theaet4 ,ja4 ,so4 ,en het getal van al die deelen is toch niets anders dan de deelen zelve8 ,theaet4 ,wel neen4 ,so4 ,maar wat nu deelen heeft1 bestaat uit die deelen4 ,theaet4 ,het schijnt zoo4 ,so4 ,maar nu wordt toegestemd1 dat al die deelen het al zijn1 zoo ten minste het getal deelen eener zaak haar al is #dfh4 ,theaet4 ,juist4 ,so4 ,maar dan bestaat ook het geheel niet uit deelen2 want dan zou hetzelve al de deelen en dus het al zijn8 ,theaet4 ,het schijnt van neen4 ,so4 ,maar kan nu een deel van iets anders deel wezen1 dan van het geheel8 ,theaet4 ,immers van het al4 ,so4 ,gij houdt u goed1 ,theaetetus6 ,maar is dan het al niet juist dn het al1 wanneer er niets aan ontbreekt8 ,theaet4 ,noodzakelijk4 ,so4 ,en is nu het geheel niet juist datzelfde1 waaraan volstrekt niets ontbreekt8 en waar iets aan ontbreekt1 dat is immers noch het geheel noch het al1 zoodat die twee uit hetzelfde ontstaande1 hetzelfde zijn8 ,theaet4 ,nu geloof ik ook1 dat het geheel en het al volstrekt niet verschillen #dfi4 ,so4 ,zeiden wij niet1 dat1 waar deelen zijn1 het geheel en het al1 al de deelen zijn #dgj8 ,theaet4 ,ja zeker4 ,so4 ,zeg mij dan nu nog eens1 of het niet1 gelijk ik daar zoo reeds begon te zeggen1 noodig is1 dat zoo de lettergreep niet de letters is1 zij die letters niet als hare deelen heeft1 of dat zij1 hetzelfde als die deelen zijnde1 evenzeer als dezelve kenbaar is8 ,theaet4 ,juist4 ,so4 ,hebben wij niet1 om dit te vermijden1 haar als iets anders beschouwd8 ,theaet4 ,ja4 ,so4 ,maar wat dan8 zoo de letters niet de deelen der lettergreep zijn1 kunt gij dan eenige andere dingen noemen1 die wel de deelen zijn der lettergreep1 maar toch niet hare letters8 ,theaet4 ,wel neen6 want1 ,socrates6 zoo ik toestemde1 dat zij deelen heeft1 dan zou het zot zijn de letters te laten loopen en andere te zoeken4 ,so4 ,dus zou dan1 ,theaetetus6 volgens de tegenwoordige redekaveling de lettergreep ne ondeelbare zaak #dga zijn4 ,theaet4 ,het schijnt zoo4 ,so4 ,herinnert gij u nu1 mijn vriend6 dat wij daareven als goed gezegd aannamen1 dat er geene bepaling is van de grondbestanddeelen1 waaruit de andere dingen zijn zamengesteld1 omdat ieder op zich zelf niet zamengesteld is2 en dat het niet eens goed is1 daaraan het zijn of het dit #dgb toe te schrijven1 daar er dan iets anders en vreemds van gezegd wordt1 en dat die oorzaak het onbepaalbaar en onkenbaar maakt8 ,theaet4 ,ja1 dit herinner ik mij4 ,so4 ,maar is er van die onbepaalbaarheid en onkenbaarheid nu wel eene andere oorzaak1 dan deze3 dat zij enkelvoudig en ondeelbaar zijn8 ik althans zie geene andere4 ,theaet4 ,er schijnt dan ook geene andere te wezen4 ,so4 ,dus is dan de verbinding van dezelfde soort als die dingen geworden1 zoo zij geene deelen heeft en enkelvoudig is #dgc4 ,theaet4 ,zeer zeker4 ,so4 ,zoo dus de verbinding vele grondbestanddeelen en een geheel is1 en die grondbestanddeelen hare deelen zijn1 dan zijn de verbindingen even zoo kenbaar en bepaalbaar #dgd als de grondbestanddeelen1 nademaal al de deelen hetzelfde blijken te zijn als het geheel4 ,theaet4 ,ongetwijfeld4 ,so4 ,maar zoo zij n en ondeelbaar is1 dan is de verbinding even zoo zeer als het grondbestanddeel onbepaalbaar en onkenbaar2 want dezelfde oorzaak zal wel dezelfde gevolgen te weeg brengen4 ,theaet4 ,het is niet anders4 ,so4 ,laten wij het dus niet aannemen1 wanneer iemand de verbinding voor kenbaar en bepaalbaar1 en het grondbestanddeel voor het tegendeel verklaart4 ,theaet4 ,zeker niet1 zoo wij althans aan de redekaveling gehoor geven4 ,so4 ,maar wat dan8 zoudt gij niet veeleer1 wegens hetgeen gij weet dat u bij het leeren lezen gebeurd is1 het tegengestelde aannemen8 ,theaet4 ,wat meent gij8 ,so4 ,dat gij een geruimen tijd niets anders gedaan #dge hebt1 dan trachten om de letters ieder op zich zelve door het gezigt en het gehoor te onderkennen1 opdat gij niet in de war zoudt komen bij hare plaatsing in het spreken of schrijven4 ,theaet4 ,gij zegt volkomen de waarheid4 ,so4 ,en was op school bij den muzijkmeester het volmaakt kennen van uwe les wel iets anders dan bij iederen toon te kunnen aangeven1 van welke snaar zij was8 en ieder zal toch toestemmen1 dat dit de grondbestanddeelen der muzijk genoemd worden4 ,theaet4 ,niets anders4 ,so4 ,zoo wij dus van de ons bekende bestanddeelen en verbindingen tot de andere mogen besluiten1 dan moeten wij zeggen1 dat die soort van dingen1 waartoe de grondbestanddeelen behooren1 eene veel meer klaarblijkelijke en gewigtige #dgf kennis dan de verbinding aanbrengt1 tot het volkomen verkrijgen van elke kennis2 en zoo iemand zegt1 dat de verbinding wel kenbaar is1 maar het beginsel niet1 dan moeten wij oordeelen1 dat hij vrijwillig of onwillekeurig zotteklap spreekt4 ,theaet4 ,zeer zeker4 ,,xlii4 ,so4 ,hiervan zouden echter1 naar mijn inzien1 nog wel andere bewijzen te vinden zijn2 maar wij moeten ons daardoor niet laten aftrekken van ons onderzoek1 wat het toch zeggen wil1 dat bepaling1 bij ware meening komende1 de volmaakte #dgg kennis doet ontstaan4 ,theaet4 ,wij moeten dat dan beschouwen4 ,so4 ,komaan dan6 wat wil dat woord bepaling #dgh hier te kennen geven8 ,naar mijne meening n van drie4 ,theaet4 ,van welke8 ,so4 ,vooreerst zou het wezen3 zijne gedachte door de stem met behulp van woorden en namen te openbaren1 en zoo zijne meening1 als het ware in eenen spiegel of in het water1 te werkaatsen in de stem4 ,of houdt gij de bepaling niet voor zoo iets8 ,theaet4 ,ja2 wij zeggen van hem1 die dat doet1 dat hij eene bepaling van zijne meening geeft #dgi4 ,so4 ,maar is dan niet ieder1 die niet stom of doof geboren is1 in staat1 om te kennen te geven1 hoe hij ergens over denkt1 zoodat allen1 die ware meening hebben1 dan daar de bepaling bij hebben1 en er nergens ware meening zonder kennis gevonden wordt #dhj8 ,theaet4 ,dat is waar4 ,so4 ,laat ons echter hem1 die de kennis op de ons bezighoudende wijze bepaald heeft1 niet ligtvaardig vonnissen4 ,misschien toch meende hij er niet dit mede1 maar dat men1 op de vraag1 wat ieder ding is1 door het opgeven der grondbestanddeelen kan antwoorden4 ,theaet4 ,hoe meent gij dat1 ,socrates8 ,so4 ,zoo als bij voorbeeld ,hesiodus van een' wagen zegt3 de bestanddeelen van eenen wagen zijn honderd40 ,die zou ik wel niet kunnen opgeven1 en gij1 denk ik1 evenmin2 maar wij zouden op de vraag1 wat een wagen is1 heel tevreden zijn met het antwoord3 wielen1 eene as1 een bovenstuk1 zijstukken1 een juk4 ,theaet4 ,wel zeker4 ,so4 ,maar hij zou misschien oordeelen1 dat wij even bespottelijk waren1 als zoo wij1 naar uwen naam gewaagd zijnde1 deszelfs lettergrepen opnoemden1 en nu meenden1 dat wij een taalkundig antwoord gaven en den naam ,theaetetus bepaalden2 want dat men van geen ding met kennis spreekt1 zoo men het niet uit grondbestanddeelen met ware meening zamenstelt1 zoo als ook daareven reeds gezegd is4 ,theaet4 ,ja4 ,so4 ,en dat wij aldus ook over eenen wagen wel ware meening hebben1 maar dat hij1 die zijne wezenheid naar zijne honderd stukken beschrijven kan1 daardoor bepaling bij de ware meening verkregen heeft1 en van ware meening tot kennis en begrip van de wezenheid eens wagens is opgeklommen1 door het geheel uit de deelen zamen te stellen4 ,theaet4 ,maar vindt gij dat oordeel niet juist1 ,socrates8 ,so4 ,zeg eens1 mijn beste6 of gij het zoo vindt1 en toestemt1 dat de bepaling eener zaak bestaat in het volledig opgeven harer grondbestanddeelen1 terwijl het opgeven van derzelver eerste verbindingen of van nog grooter stukken nog geene bepaling is8 ,theaet4 ,wel zeker stem ik dat toe4 ,so4 ,maar houdt gij dan iemand voor een' kenner van iets1 wanneer hetzelfde hem dan eens tot dit1 en dan weer tot dat schijnt te behooren1 of wanneer hij dan eens dit1 en dan eens dat aan hetzelfde toeschrijft8 ,theaet4 ,wel neen ik4 ,so4 ,en is het u dan ontschoten1 hoe gij en uwe makkers bij het leeren lezen in den beginne juist zoo gedaan hebt8 ,theaet4 ,meent gij1 dat wij in dezelfde lettergreep dan deze en dan die letter meenden te zien1 en dezelfde letter dan eens in de goede1 dan eens in eene verkeerde lettergreep plaatsten4 ,so4 ,dat meen ik4 ,theaet4 ,neen waarlijk1 dat is mij niet ontschoten1 en ik geloof ook niet1 dat zij1 die zoo gesteld zijn1 kennis bezitten4 ,so4 ,wat dan8 wanneer iemand1 in dien tijd ,theaetetus schrijvende1 t1 h en e meent te moeten schrijven en schrijft2 maar ,theodorus willende schrijven1 t en e meent te moeten schrijven en schrijft2 zullen wij dan zeggen1 dat hij de eerste lettergreep van uw beider namen kent8 ,theaet4 ,maar wij hebben daareven beredeneerd1 dat die zoo gesteld is1 nog geene kennis bezit4 ,so4 ,verhindert hem dan wel iets1 om even zoo omtrent de tweede1 derde en vierde lettergreep gesteld te zijn8 ,theaet4 ,wel neen4 ,so4 ,maar zal hij niet1 in het eerste geval de letters allen bijeenhebbende1 met ware meening ,theaetetus schrijven1 wanneer hij ze naar volgorde schrijft8 ,theaet4 ,natuurlijk4 ,so4 ,dus zonder nog te kennen1 maar1 zooals wij zeiden1 met ware meening8 ,theaet4 ,ja4 ,so4 ,edoch bepaling en ware meening hebbende4 ,want schrijvende1 stelde hij het woord uit de grondbestanddeelen zamen1 en dat noemden wij bepaling4 ,theaet4 ,dat is waar4 ,so4 ,dus1 mijn beste6 is er eene ware meening met bepaling1 die wij nog geen kennis kunnen noemen4 ,theaet4 ,dat schijnt zoo4 ,,xliii4 ,so4 ,dus hebben1 wij ons1 naar het schijnt1 met een schaduwbeeld gevleid1 toen1 wij meenden de juiste bepaling der kennis te bezitten4 ,maar wacht6 wij kunnen nog geen vonnis vellen4 ,want misschien zal iemand het niet z bepalen1 maar de laatste kiezen der drie verklaringen1 waarvoor wij zeiden1 dat de bepaling der kennis als ware meening met bepaling vatbaar is4 ,theaet4 ,gij doet wel1 mij daaraan te herinneren1 want er is nog ne over4 ,de eerste toch was het als het ware afbeelden der gedachte in de spraak1 de tweede de daareven besprokene samenstelling des geheels uit de grondbestanddeelen1 en de derde8 ,so4 ,wat de meesten zouden zeggen1 namelijk3 in staat te zijn eenig teeken te zeggen1 waardoor het gevraagde van alle andere dingen onderscheiden wordt4 ,theaet4 ,en kunt gij mij zulk eene bepaling ergens van geven #dha8 ,so4 ,bij voorbeeld1 zoo gij wilt1 meen ik u de zon genoeg uitgeduid te hebben1 zoo ik zeg1 dat zij het schitterendste hemellicht is1 dat rond de aarde loopt #dhb4 ,theaet4 ,wel zeker4 ,so4 ,hoor dan nu eens1 waarom dit gezegd is4 ,het is1 wat wij daareven zeiden1 dat1 zoo gij van eenig ding het verschil1 waardoor het van de anderen onderscheiden is1 vatten kunt1 gij volgens sommigen eene bepaling hebt2 maar dat1 zoo lang gij iets vat1 dat aan velen gemeen is1 gij slechts in het algemeen spreken kunt over de dingen1 die door dat algemeene omvat worden4 ,theaet4 ,nu begrijp ik het1 en ik geloof1 dat het goed is1 zoo iets bepaling te noemen4 ,so4 ,en hij nu1 die bij de ware meening over eenig ding het verschil van de andere bekomt1 zal dan datgene kennen1 waaromtrent hij te voren slechts meening koesterde4 ,theaet4 ,zoo zeggen wij dat het is4 ,so4 ,waarlijk1 ,theaetetus6 het gaat mij met die uitspraak als met een schijnbedrog #dhc2 nu ik er nader bij kom1 begrijp ik er niet het minste van2 hoewel ik1 uit de verte oordeelende1 meende1 dat er heel wat gezegd was4 ,theaet4 ,hoe dat8 ,so4 ,ik zal het zeggen1 zoo ik er toe in staat ben4 ,wanneer ik ware meening over u koester en uwe bepaling er bij bekom1 dan ken ik u2 maar zoo niet1 dan breng ik het niet verder dan meening4 ,theaet4 ,ja4 ,so4 ,en de bepaling was het aanduiden van hetgeen1 waardoor gij onderscheiden zijt8 ,theaet4 ,juist4 ,so4 ,maar toen ik slechts meening koesterde1 vatte ik dan toen met mijn verstand niets van hetgeen waardoor gij van anderen onderscheiden zijt8 ,theaet4 ,het schijnt van neen4 ,so4 ,dus vatte ik slechts het gemeenschappelijke1 dat gij volstrekt niet mr hebt dan een ander4 ,theaet4 ,natuurlijk4 ,so4 ,komaan dan1 bij ,zeus6 hoe meende ik dan in dat geval u meer dan iemand anders8 ,want stel eens1 dat ik dacht1 dat ,theaetetus een mensch is1 en een neus1 oogen1 een mond1 enz4 heeft4 ,zal zulk eene gedachte mij meer ,theaetetus1 dan ,theodorus1 of1 zooals men zegt1 den geringsten ,mysir doen denken8 ,theaet4 ,wel neen4 ,so4 ,maar zoo ik nu niet alleen iemand denk1 die een neus en oogen heeft1 maar ook iemand met een platten neus en uitpuilende oogen1 zal ik dan meer u meenen1 dan mij zelven of anderen van dat uiterlijk8 ,theaet4 ,volstrekt niet4 ,so4 ,maar ,theaetetus zal1 denk ik1 niet voor mijnen geest staan1 voordat die platneuzigheid een van de anderen1 die ik gezien heb1 verschillend kenmerk in mijn geest heeft geprent1 en uwe andere ligchaamsdeelen evenzoo1 waardoor zij mij1 ook zoo ik u morgen tegenkom1 aan u herinneren en ware meening over u doen koesteren4 ,theaet4 ,dat is volkomen waar4 ,so4 ,dus zou dan ook de ware meening over eenig ding het onderscheid tot voorwerp hebben4 ,theaet4 ,het schijnt zoo4 ,so4 ,maar wat zou dan het bekomen van bepaling bij de ware meening beduiden8 want zoo het beteekent er datgene bij te meenen1 waardoor iets van het overige verschilt1 dan is dat een allergekst voorschrift4 ,theaet4 ,hoe zoo8 ,so4 ,het schrijft ons dan voor1 van die dingen1 waaromtrent wij ware meening aangaande hun onderscheid van het overige hebben1 ware meening aangaande hun onderscheid van het overige te bekomen4 ,en zoo zou dan1 in dat voorschrift1 het omwinden met de scytala of het bovenstuk #dhd1 of hoe het ook heet1 niets te beduiden hebben1 maar veeleer de raadgeving van een blinde zijn2 want het voorschrift1 dat wij1 hetgeen wij reeds hebben1 er bij nemen moeten1 om wat wij meenen1 te leeren kennen1 heeft waarlijk veel van in den blinde rond te tasten4 ,theaet4 ,maar zeg dan nu eens1 wat gij daareven woudt vragen4 ,so4 ,jongelief6 zoo het bekomen van eene bepaling ons voorschrijft1 het onderscheid te kennen en niet te meenen1 dan zou het er gek uitzien met die fraaije redenering over de kennis2 want het kennen is toch het bezitten van kennis1 niet waar8 ,theaet4 ,ja4 ,so4 ,zij zal dus op de vraag1 wat kennis is1 ten antwoord geven1 dat zij ware meening is met kennis van het onderscheid4 ,want volgens haar zou dit de beteekenis van het bekomen van kennis zijn4 ,theaet4 ,het schijnt zoo4 ,so4 ,en het is dan ook waarlijk onnoozel1 nu wij de kennis onderzoeken1 te zeggen1 dat zij ware meening is met kennis van het onderscheid of van wat dan ook4 ,dus1 ,theaetetus6 kan noch gevoel1 noch ware meening1 noch ware meening met bepaling kennis wezen #dhe4 ,theaet4 ,het schijnt van neen4 ,so4 ,zijn wij nu nog zwanger1 mijn waarde6 en in barensnood over de kennis1 of hebben wij alles ten einde toe gebaard8 ,theaet4 ,waarlijk1 bij ,zeus6 door uwe hulp heb ik meer gezegd dan in mij was4 ,so4 ,en zegt nu de vroedkunst ons niet1 dat dit alles winderig en de opvoeding niet waardig is8 ,theaet4 ,ongetwijfeld4 ,,xliv4 ,so4 ,theaetetus6 zoo gij nu hierna nog van iets anders poogt zwanger te worden1 en zoo u dat gelukt1 zult gij1 ten gevolge van het onderzoek van heden1 van betere dingen zwanger zijn2 en zoo het u niet gelukt1 zult gij minder lastig en handelbaarder zijn voor uwe bekenden1 daar gij bescheiden uwe onkunde van hetgeen gij niet weet zult erkennen4 ,dit toch is het eenigste1 dat mijne kunst vermag1 meer niet2 daar ik niets versta van datgene1 waardoor anderen zich aanzien en roem hebben weten te bezorgen4 ,deze vroedkunst echter hebben ik en mijne moeder van de goden ontvangen2 zij om vrouwen1 ik om jongelingen van edelen inborst en schoone gedaante te verlossen #dhf4 ,nu moet ik mij naar de koninklijke gaanderij #dhg begeven1 wegens de mij door ,meletus aangedane beschuldiging2 maar morgen vroeg1 ,theodorus6 willen wij elkander hier weder vinden4 ,,overzigt ,,der ,,redekaveling4 ,socrates vraagt aan ,theodorus1 welke ,atheensche jongelingen vooral uitmunten4 ,theodorus roemt ,theaetetus om zijne vlugheid in het leeren1 zijne zachtmoedigheid en zijne losheid van het geld4 ,hierop zoekt ,socrates ,theaetetus in een gesprek te wikkelen1 en legt hem de vraag voor1 wat kennis is4 ,theaetetus zegt1 dit dikwijls onderzocht te hebben1 maar het niet te kunnen vinden1 waarop ,socrates zegt1 zelf geene kennis te hebben1 maar wel de kunst te verstaan1 van de begrippen1 die in den geest van anderen sluimeren1 door vragen te ontwikkelen4 ,hierdoor aangespoord1 zegt ,theaetetus3 kennis is gevoel4 ,dit antwoord onderzoekt ,socrates op deze wijs4 ,het komt op hetzelfde ner als de leer van ,protagoras3 dat de mensch de maat is van alle dingen1 met andere woorden3 dat alle kennis subjectief is1 dewijl zij ontstaat door de zamenwerking van de indrukken1 op de zinnen gemaakt door de aanhoudend veranderende dingen buiten ons1 en van den toestand1 waarin hij1 die de indrukken ontvangt1 zich op het oogenblik bevindt1 waaruit volgt1 dat alle meening op het oogenblik waar is1 doch alleen voor hem1 die dezelve koestert1 en dat geene hoedanigheid of eigenschap1 die wij aan de zaken toekennen1 op zich zelve bestaat1 maar alles slechts betrekkelijk is en aanhoudend verandert4 ,nu zou men kunnen zeggen1 dat dan ook de meeningen van gekken1 droomenden of zieken waar zijn1 en anderen daarmede niets te maken hebben4 ,men zou kunnen tegenwerpen3 #ao4 dat alzoo ieder even wijs is1 en het dwaasheid zijn zou1 anderen te willen leeren1 #bo4 dat wij dan talen1 die wij niet kennen1 zoo wij ze hooren spreken of geschreven zien1 ook verstaan moeten1 welk laatste zoo kan werlegd worden1 dat wij alleen kennen1 wat wij hooren en zien1 doch de rest niet in aanmerking komt4 #co4 ,dat dan iemand1 wat hij niet ziet noch hoort1 maar zich wel uit vroegere waarneming herinnert1 ook niet kent4 #do4 ,dat men dan iets1 dat men slechts met het ne oog ziet1 tegelijk kent en niet kent1 en dat al de eigenschappen van de aandoeningen der zinnen dus op de kennis van toepassing zijn4 ,hierop zou ,protagoras kunnen antwoorden3 #a4 ,het doel van het leeren is niet meer ware1 maar meer nuttige meening te doen ontstaan1 want alle meening is wel even waar1 doch alle meening is niet even nuttig4 #b4 ,op deze tegenwerping is reeds geantwoord4 #c4 ,herinnering is geheel iets anders dan waarneming en kan dus niet evenzeer kennis genoemd worden4 ,ook is iemand1 zoo hij van waarnemend herinnerend geworden is1 niet meer dezelfde1 maar hij is veranderd4 #d4 ,kennen en niet kennen kan best zamengaan1 zooals juist uit het vorige blijkt4 ,hierna weet ,socrates ,theodorus in het gesprek te doen deelen en werlegt1 met hem sprekende1 ,protagoras aldus4 #a4 ,de ondervinding leert1 dat de menschen wel degelijk in vele gevallen meenen1 dat anderen de waarheid beter kennen dan zij4 ,deze meening is waar of niet4 ,is zij waar1 dan wordt daardoor ,protagoras werlegd2 en is zij niet waar1 dan wordt hij ook werlegd1 daar wij dan hier eene valsche meening hebben4 #b4 ,dus hangt de waarheid der meening van ,protagoras van het oordeel der anderen af1 en zij is niet waar1 zoodra niemand ze aanneemt1 terwijl hij zelf de meening van hen1 die zijne leer verwerpen1 als waar moet erkennen4 #c4 ,al stemt men toe1 dat de leer van ,protagoras waar is1 ten opzigte van de enkele aandoeningen der zinnen1 en van deugd en regtvaardigheid2 ten opzigte van het nuttige wordt zij echter door de ondervinding wersproken4 ,hier volgt eene episode1 waarin1 naar eene gezochte aanleiding1 de toestand van den wijsgeer1 die de eeuwige iden naspoort1 verheven wordt boven het lot van hem1 die zich op de zaken van het dagelijksche leven toelegt2 hoewel wordt toegestemd1 dat de wijsgeer niet minder ongeschikt is voor het dagelijksche leven1 dan de anderen voor wijsgeerig onderzoek2 daar de wijsgeer hoe langer hoe beter1 de andere hoe langer hoe slechter wordt1 en de eerste veel meer grond van hoop op eene gelukkige onsterfelijkheid heeft dan de andere4 ,nu wordt de werlegging van ,protagoras wer opgevat4 #d4 ,ten opzigte van het toekomstige is het duidelijk1 dat niet alle meening even waar is1 dewijl zij1 die eene kunst verstaan1 al wat daarop betrekking heeft1 zelfs de toekomstige meeningen van anderen over de voortbrengselen dier kunst1 veel beter dan die anderen kunnen vooruitzien4 ,wat nu de leer betreft1 waarop de meening van ,protagoras steunt1 namelijk1 dat alles in beweging is3 zij veroordeelt zich zelve door den onderlingen strijd harer aanhangers en de onmogelijkheid der kennis1 die uit dezelve voortvloeit1 daar1 zoo alles steeds in beweging is en steeds verandert1 het zintuig evenmin als het waargenomene z of z is1 en dus het toekennen van eigenschappen of hoedanigheden ongerijmd moet geacht worden4 ,verder heeft iedere zin zijn eigen gebied1 en de eene neemt de voorwerpen van de anderen niet waar4 ,wij hebben echter begrippen1 b4 v41 van zijn1 van gelijkheid en ongelijkheid1 van nheid en veelheid1 enz41 die op de waarnemingen van al de zinnen toepasselijk zijn4 ,dus moeten wij eene ziel aannemen1 die boven de zinnen staat1 hun middelpunt uitmaakt1 en die begrippen door zich zelve kent4 ,die begrippen bevatten de waarheid2 dus kan alleen de ziel de waarheid bereiken1 en de zinnen1 welke die begrippen niet kunnen vatten1 zijn van de waarheid en dus van de kennis verstoken4 ,dus is de kennis geen gevoel4 ,maar wat dan8 ,zij moet dus in de verrigtingen der ziel gezocht worden1 en kan bepaald worden als meening1 en wel1 daar zij waar zijn moet1 als ware meening4 ,maar is dan valsche meening bestaanbaar8 ,men kan er tegen inbrengen1 dat1 daar men elke zaak kent of niet kent1 valsche meening niet bestaan kan1 noch over hetgeen men kent1 en welks waarheid dus voor onzen geest is1 noch over hetgeen men niet kent1 en dus in het geheel niet voor den geest heeft4 ,verder1 dat1 daar elke zaak is of niet is1 hij1 die meent wat is1 ware meening heeft1 en die meent wat niet is1 niets meent4 ,maar is valsche meening dan ook verwisseling van begrippen8 ,het is onmogelijk1 zoo men beide begrippen voor den geest heeft1 ze te verwisselen1 en dit kan evenmin geschieden1 zoo men er maar n voor den geest heeft4 ,valsche meening is echter mogelijk1 wanneer de vorige tegenstelling van kennen en niet kennen niet in de uitersten wordt vastgehouden1 maar1 f het begrip f de waarneming onvolkomen zijnde1 beide op elkander worden toegepast2 en ook wanneer niet volkomen heldere begrippen met elkaar worden in verband gebragt4 ,maar hoe is het mogelijk1 begrippen te hebben en zich er toch in te vergissen8 ,zoo men ze wel bezit1 maar niet duidelijk voor het bewustzijn heeft4 ,hierin zijn nog wel zwarigheden1 want zoo men een waar begrip voor het bewustzijn haalt1 hoe kan dat ons tot valsche meening brengen8 ,hiertoe moet aangenomen worden1 dat wij ook valsche begrippen in onzen geest hebben4 ,hoe zullen wij die onderscheiden8 ,natuurlijk door kennis4 ,dus komen wij weder tot de vraag3 wat is kennis8 ,ware meening is er een bestanddeel van1 maar voldoende is zij niet1 daar er dikwijls ware meening gevonden wordt1 die als bij toeval ontstaat en dus den naam van kennis niet verdient4 ,daarom willen wij beproeven1 de kennis aldus te bepalen3 kennis is ware meening met bepaling4 ,voor wij dit onderzoeken1 moet opgemerkt worden1 dat men beweert de grondbestanddeelen der begrippen niet te kunnen bepalen1 maar wel derzelver verbindingen4 ,zoo zouden dan die grondbestanddeelen onkenbaar zijn4 ,dit laatste is echter niet waar1 want1 zijn de grondbestanddeelen onkenbaar1 dan is het ook datgene1 wat daaruit is zamengesteld1 en het leeren van eenige kunst of wetenschap bestaat juist in het verkrijgen van kennis harer grondbestanddeelen4 ,nu kan men het woord bepalen in drierlei zin opvatten4 ,of als het uitdrukken zijner meening door woorden2 doch dit is geene uitsluitende eigenschap der ware meening2 of als het opgeven der grondbestanddeelen2 doch dit kan ook bij toeval goed gedaan worden2 of als het opgeven van bet kenmerkend onderscheid2 doch ook dit is niet voldoende2 want het onderscheid er bij te meenen1 geeft niets1 en het er bij te kennen1 veronderstelt reeds kennis1 en neemt dus1 wat moet bepaald worden1 in de bepaling op4 ,,beoordeeling ,,der ,,redekaveling4 ,hier kunnen wij ons twee vragen voorstellen1 wier beantwoording ons in staat stelt1 den ,theaetetus te beoordeelen4 #a4 ,wat was het doel van ,plato met dit werk8 #b4 ,heeft hij dat doel bereikt8 #a4 ,bij het beantwoorden dezer vraag moeten wij vooral twee bijzonderheden in het oog houden4 a4 ,plato stelt in het begin van deze zamenspraak de vraag3 wat is kennis8 b4 aan het einde wordt deze vraag niet beantwoord1 maar het werk eindigt met de bekentenis1 dat het eigenlijke antwoord op die vraag niet gevonden is4 ,zoo nu het uitdrukkelijk beantwoorden der vraag zijn doel geweest ware1 dan zouden wij met regt kunnen zeggen1 dat zijn werk mislukt was2 doch het is niet denkelijk1 dat ,plato het in dat geval zou in het licht gegeven hebben4 ,wij weten buitendien1 dat ,plato de kennis in een hooger gebied stelde1 dan waarop hij zich hier beweegt1 namelijk in de eeuwige iden1 en dat hij als een kenmerk der kennis de noodzakelijkheid en algemeenheid beschouwde1 zoodat hij daarover hetzelfde oordeel velde1 als zijn leerling ,aristoteles1 wiens woorden wij op blz4 #baa hebben aangehaald4 ,dit zijn gevoelen duidt ,plato hier en daar aan1 onder anderen in de met geweld bijgesleepte episode van den wijsgeer 7zie blz4 #aja volgg471 in zijne aanmerkingen over de begrippen1 waarin de waarheid huisvest 7zie blz4 #add71 in zijne aanmerkingen over de toevalligheid der ware meening 7zie blz4 #bjd74 ,hij had dus deze leer reeds voor zich zelven ontwikkeld1 toen hij den ,theaetetus schreef1 en dat hij ze hier niet heeft uiteengezet1 is met voordacht geschied4 ,daar nu deze aanmerkingen tegen het einde menigvuldiger worden1 en daar in dit werk in de gemelde episode de ware wijsgeer geschilderd wordt1 meen ik het er voor te mogen houden1 dat ,plato met den ,theaetetus op het oog had1 eene inleiding in de wijsbegeerte te geven1 en zoowel den weg te wijzen en het pad te banen1 waarop de wijsbegeerte zich moest voortbewegen1 als den lust tot hare beoefening op te wekken4 ,hoe hij daarin geslaagd is1 willen wij verder zien1 en daartoe de tweede vraag beantwoorden4 #b4 ,plato heeft a4 zoeken aan te wijzen1 dat de wijsgeerige kennis niet van buiten komt1 maar uit den geest zelven moet ontwikkeld worden1 en noch in zinnelijke waarneming1 noch in meening1 al is die ook waar en naauwkeurig1 maar in de noodzakelijke en algemeene redewaarheden moet gezocht worden4 b4 ,om dit te bereiken1 heeft hij het begrip van kennis1 van de eerste beginselen tot op het standpunt der redewaarheden1 trapsgewijze zoeken te ontwikkelen4 c4 ,hij heeft het verheven standpunt van den waren wijsgeer geschetst1 en aangetoond1 dat opregte waarheidsliefde en geregeld redeneren voldoende is1 om dat standpunt te bereiken4 a4 ,wij zullen hier de bewijzen niet herhalen1 die ,plato zoo voor het een als voor het ander gegeven heeft1 maar alleen aanmerken1 dat zoowel zijne opmerking1 dat de theorie1 die alle kennis uit de zinnen afleidt1 en beweert1 dat alle meening subjectief waar is1 zich zelve vernietigt1 als die1 dat de zinnen niet alle begrippen1 die wij hebben1 opleveren1 en dat de eenheid1 die hare verscheidenheid beheerscht1 het bestaan van den geest waarborgt2 benevens zijn oordeel over de ware meening en de ware meening met bepaling1 dat zij het kenmerk der noodzakelijkheid missen1 van blijvende waarde zijn2 en dat hij geen beter bewijs van de mogelijkheid der ontwikkeling van de wijsbegeerte uit den geest kon geven1 dan de ,socratische vroedkunst1 die door geregeld ondervragen de wijsgeerige denkbeelden als van zelve doet opkomen1 waaruit de gelijkheid der denkwetten bij alle menschen en de algemeenheid harer toepassing op alle voorwerpen blijkt2 terwijl het aanwijzen van begrippen in den geest1 die niet uit de zinnen ontleend zijn1 den geest zelven als de bron der ware wijsbegeerte doet kennen4 ,verder heeft hij op de reeds in #a aangehaalde plaatsen in de eeuwige redewaarheden juist die eigenschappen laten opmerken1 wier ontbreken het gebrekkige der zinnelijke waarneming en der ware meening uitmaakt1 zoodat de gevolgtrekking1 dat daarin de kennis moet gezocht worden1 zich als van zelfs voordoet4 b4 ,de ontwikkeling van de redekaveling in den ,theaetetus is allezins opmerkelijk4 ,wij behoeven dit slechts aan te wijzen1 daar het uit ons overzigt genoegzaam blijken kan4 ,dat de kennis gevoel is1 ligt het meest voor de hand1 en dit antwoord zou waarschijnlijk door velen gegeven worden4 ,daarom moet het werlegd worden1 en wordt door ,plato alzoo werlegd1 dat hij het laatst de tegenwerping bezigt1 dat de algemeene redewaarheden voor de zinnen onbereikbaar zijn1 waaruit van zelfs het volgende standpunt voor den dag komt1 op hetwelk de geest als eigenaar der kennis erkend wordt4 ,nu wordt het gebied1 waarop de kennis zich voordoet1 naar het op dit standpunt het meest voor de hand liggende oordeel1 als meening bepaald1 doch1 hetgeen ook door ieder zal erkend worden1 de waarheid wordt als hare noodzakelijke hoedanigheid aangewezen4 ,daar nu echter in het vorige reeds veel over ware en valsche meening gesproken is1 neemt ,plato hieruit aanleiding1 om de valsche meening te beschouwen1 en de gevolgtrekking uit die beschouwing1 namelijk1 dat het gebrekkig denken of waarnemen de oorzaak der valsche meening is1 baant den weg om de bepaling als vereischte der kennis te erkennen1 terwijl de drie verklaringen dier bepaling3 als uitdrukking der gedachten door woorden1 hetgeen een blijk van helder bewustzijn van het gedachte is2 als opgave der grondbestanddeelen1 dat ons van zelfs op de eeuwige redewaarheden heenwijst2 en als de opgave van het kenmerkend onderscheid1 hetgeen in een geregeld stelsel van wijsbegeerte zulk een voornaam vereischte is2 benevens de herhaalde aanmerking1 dat hier nog de noodzakelijkheid1 die bij de kennis gevorderd wordt1 ontbreekt1 ons duidelijk heenwijst op het eigenlijke gebied der kennis1 waar de algemeene noodzakelijke redebegrippen den scepter voeren4 c4 ,om dit doel te zekerder te bereiken1 en tevens den lust tot de beoefening der wijsbegeerte op te wekken1 heeft hij in de episode blz4 #aja volgg4 den waren wijsgeer geschetst1 als bezitter van zuivere kennis1 als verheven boven aardsche rampen1 als toenemend in gelijkvormigheid aan ,god1 als bezitter van gegronde verwachting der ware gelukzaligheid na den dood2 en opdat niemand zou wanhopen1 dit verheven standpunt te bereiken1 heeft hij aan ,socrates tot medespreker eenen knaap gegeven1 die1 hoewel niets bezittende dan een helder verstand en zuivere waarheidsliefde1 door ,socrates trapsgewijze1 langs eenen weg1 dien ieder volgen kan1 tot aan de poort van den tempel der waarheid wordt voortgeleid4 ,na deze opmerkingen twijfel ik niet1 of ieder zal met ,brandis 7,handbuch der ,geschichte der ,griechisch-,rmischen ,philosophie1 ,,ii4 #a4 blz4 #aib7 erkennen1 dat de ,theaetetus als een van de meest volkomene ,platonische gesprekken verdient beschouwd te worden4 ,,einde4 ,,aanteekeningen #a ' 4 ,de ,grieken bragten een groot gedeelte van den dag op de markt door1 waar zij elkander ontmoetten en allerlei dingen verhandelden4 ,zij leefden veel meer buiten dan binnen 's huis4 #b ,hier wordt waarschijnlijk gedoeld op den slag van ,corinthe1 die geleverd is in het jaar #cid van onze tijdrekening tusschen de ,atheners1 ,corinthiers en hunne bondgenooten aan den eenen1 en de ,lacedaemoniers en hunne partij aan den anderen kant4 ,deze slag had plaats1 nadat ,agesilaus reeds uit ,azie was wedergekeerd1 zoodat hij de tijding er van te ,amphipolis ontving4 #c ,theaetetus was1 zooals wij later zien zullen1 reeds in zijne jeugd bekend om zijnen goeden aanleg en vlijt1 en had zeer goed onderwijs genoten1 zoodat men alles goeds van hem verwachten kon4 #d behoort bij en 4 #e beteekent soms de natuur in het algemeen1 soms de natuur1 de wezenheid van eenig ding in het bijzonder4 #f 4 ,het werkwoord behoort onder de ,deponentia passiva1 dat is zulke1 die eenen aor4 pass4 met active beteekenis hebben4 ,overigens is voor te verklaren uit het voorgaande 1 daar die woorden te zamen dezelfde kracht als een adjectivum of participium hebben1 zoodat dan als het tweede adjectivum bij kan beschouwd worden4 #g is hij1 die medegerekend en niet achter de bank geschoven of vergeten wordt4 #h ,de leerlingen van ,socrates namen na den dood huns meesters gretig alle gelegenheden waar1 om zijne nagedachtenis hulde te doen4 ,hetzelfde edele streven openbaart zich bij de onmiddellijke leerlingen van ,krause4 ,zoo besluit onder anderen ,lindemann zijne verdediging van ,krause's stelsel 7voorkomende in het ,zeitschrift fr ,philosophie und spekulative ,theologie1 uitgegeven door ,j4 ,h4 ,fichte1 ,,xv4 #a71 met deze merkwaardige woorden3 ,had ik nu tegenover zulke nietige tegenwerpingen ongelijk1 toen ik in het begin dezer verhandeling de bewering nederschreef1 dat de tegenstanders het ,krausische stelsel meestal niet bestuderen1 maar meer uit nieuwsgierigheid1 of omdat het nu niet langer kan overgeslagen worden1 doorlezen8 ,ja1 heb ik ongelijk1 wanneer ik hier bijvoeg1 dat zij het meest met vooroordeel er tegen1 of hoogstens daarom in de hand nemen1 om het van hun standpunt uit door de spitsroeden te laten loopen2 zoo toch schijnen tot nog toe de meeste tegenwerpingen daartegen ontstaan te zijn4 ,vandaar ook de meest verkeerde oordeelvellingen over dit stelsel1 dat niet behoeft te vreezen voor eene echte en redelijke kritiek1 en daarvoor gaarne de onvolkomenheden1 die er aan kleven1 wil afleggen4 ,zulke geestelijke mishandelingen van eenen grooten doode die zich niet meer kan verdedigen1 tegen te gaan1 zal ik van nu af als mijnen heiligen pligt beschouwen4 ,de dankbaarheid jegens mijnen geestelijken vader1 aan wien ik mijne wedergeboorte1 het herleven van mijnen zielevrede en van mijn kinderlijk vertrouwen op ,god1 de voortdurende geestdrift voor al het hoogere1 en de verzoening met de rampen des levens te danken heb1 roepen mij daartoe op1 hoezeer anders mijn geheele gemoed afkeerig is van den strijd4 ,en dit is geenszins de gedwongene gelofte en bekentenis van eenen dweepzieken jongeling1 maar van eenen man1 die reeds het midden des levens voorbij is1 en die van kindsbeen af vele beproevingen had te verduren40 ,hierbij heb ik slechts dit te voegen1 dat eene echte en redelijke kritiek1 zoo als ,lindemann voor het stelsel van ,krause wenscht1 onlangs door ,mr4 ,opzoomer geleverd is1 en dat ik in de meeste punten met die kritiek instem1 alleen aanmerkende1 dat ik de door hem op blz4 #ge in ,krause's stelsel gegispte fout1 reeds op de aldaar aangehaalde blz4 van mijn ,opklimmend deel der ,wijsbegeerte heb pogen te verbeteren1 gelijk uit eene opmerkzame lezing dier bladzijde blijken kan2 en dat ,krause's leer van het ,opperwezen ,god1 naar mijn inzien1 niet eindig maakt1 daar ,god in dat leerstuk niet naar zijne geheele wezenheid beschouwd wordt4 ,god als ,opperwezen beteekent1 naar mijne opvatting1 bij ,krause hetzelfde1 als ,god de ,vader bij de ,hegelianen der regter zijde4 #i beteekent eigenlijk uitvoerig verhalen1 zoodat al de bijzonderheden behoorlijk in het licht gesteld worden4 #aj 4 ,het ,grieksche perfectum heeft meestal de beteekenis van eenen tegenwoordigen toestand1 die het gevolg is eener volvoerde handeling4 #aa ,eene plaats aldus genoemd1 digt bij ,eleusis4 #ab duidt hier de gelijktijdigheid van het rusten en voorlezen aan4 #ac --4 ,ik geloof1 dat achter een colon staan moest1 zoodat hetgeen dan volgt1 de ontwikkeling is van het door aangeduide4 #ad 4 is de tweede spreker in een wijsgeerig gesprek1 dat door den eersten geleid wordt4 ,het wordt ook bij disputeren van den defendendus gebezigd4 ,overigens blijkt hier1 hoe lastig de door de gewoonte aangenomene schrijftrant 7in dialogen7 tusschen beide voor ,plato was4 ,zou het hier voorkomende ook tot hulpmiddel kunnen dienen1 om de voor en na den ,theaetetus geschrevene dialogen van elkander te onderscheiden8 #ae 4 ,de ouden waren zeer mild met dit woord4 ,zoo noemt ,strabo de aardrijkskunde philosophie1 en ,hippocrates de medicijnen4 #af 4 wordt hier in denzelfden zin als gebezigd1 zoodat het1 tegenover geplaatst1 de naastbijzijnde1 de verste beteekent4 #ag 4 ,te ,athene werd een jongen tot op zijn #ad;e jaar geheeten4 #ah ,het is bekend1 dat in ,griekenland1 vooral te ,athene1 eene betrekking tusschen mannen en jongelingen bestond1 die geheel met onze zeden in strijd is1 doch daar als iets zeer gewoons beschouwd werd4 ,zie ,paulus brief aan de ,romeinen1 ,hoofdstuk ,i4 vs4 #bf en #bg4 #ai 4 ,hier wordt vooral de natuurlijke geaardheid bedoeld1 hetgeen bevestigd wordt door bet woord 1 natuur1 dat van dit werkwoord is afgeleid4 #bj ,men denke hier vooral aan iemand1 die tegen geene moeite opziet en niet bang is om te werken2 iets1 dat nog tegenwoordig tot de zeldzaamheden behoort4 #ba wordt gezegd van alles1 wat ligt het evenwigt verliest en naar de eene of andere zijde overhelt4 #bb 1 eigenlijk3 zonder zich te stooten4 #bc van het gymnasium4 ,het geheele gesprek wordt voorgesteld als in een gymnasium plaats hebbende4 ,men denke hierbij aan de oorspronkelijke beteekenis des woords3 die van eene school voor ligchaamsoefeningen4 #bd ,de ,grieken maakten veel gebruik van olie1 om hunne leden lenig en buigzaam en daardoor meer geschikt voor vlugge beweging te maken4 #be en 4 ,het imperfectum duidt eene in het verledene voortdurende handeling aan2 de aoristus geeft hier te kennen1 dat die handeling voleindigd is4 ,zoo hier een perfectum stond1 zou daarmede te kennen gegeven worden1 dat het gevolg dier handeling nog voortduurde4 ,zoo zou men1 om te zeggen3 ,hij is gereed voor de gymnastische oefeningen1 want hij is met olie ingewreven1 in het ,grieksch niet 1 maar bezigen4 ,zie ,buttmann1 ,gr4 ,gr4 #acg4 #bf ,sunium was de naam van een voorgebergte in het zuiden van ,attica1 tegenwoordig ,kaap ,colonna1 waarop een gehucht en een tempel van ,athene was4 ,overigens was het bekend1 dat alle inwoners van ,attica het burgerregt van ,athene hadden1 en dus als ,atheners beschouwd werden4 #bg ,het schijnt1 dat de ,atheensche wetgeving geen voldoende waarborgen gaf tegen het verkeerd besturen der geldmiddelen van weezen door voogden4 ,demosthenes had zich over hetzelfde te beklagen als ,theaetetus1 maar wist reeds op zijn #ah;e jaar1 door eene welsprekende en bondige pleitrede tegen zijne voogden1 althans een deel van zijn goed terug te bekomen4 #bh 4 is de tweede accusativus achter 4 #bi ,eigenlijk3 zoo gevonden hadden4 ,de ,grieken spraken ten opzigte van de tijdsbepaling naauwkeuriger dan wij4 #cj 4 ,dit gebruik van den infinitivus is zeer gewoon4 ,zie ,buttmann1 ,gr4 ,gr4 #adj4 #f4 aanm41 #e4 #ca 4 ,hoewel eigenlijk waardig beteekent1 kan het ook absoluut geplaatst worden1 en beteekent dan3 betamelijk1 goed1 behoorlijk4 #cb ,de hier voorkomende constructie is hetgeen ,de ,sacy zou noemen3 eene proposition nominale1 dat is een volzin zonder werkwoord1 waarin het werkwoord zijn uit het verband moet aangevuld worden4 ,het is genoeg bekend1 dat dergelijke constructies bij ,plato telkens voorkomen4 #cc ,plato schijnt hier op zijne eigene reis naar ,cyrene te doelen4 #cd heeft de beteekenis van aan de vereischte maat te beantwoorden1 te zijn zoo als het behoort4 #ce ,men denke bij aan door studie verkregene kennis1 niet zoo zeer aan gezond verstand of practische bekwaamheid4 #cf is eigenlijk geen doorgang zien en is als zoodanig intransitief4 ,daarom geloof ik1 dat1 wanneer dit werkwoord met eenen accusativus geconstrueerd wordt1 deze behoort tot die soort van accusativen1 die gewoonlijk door het uitgelatene voorzetsel verklaard worden4 #cg ,deze uitdrukking is wel zinnebeeldig1 maar toch zeer juist4 ,een duister begrip zweeft voor onzen geest2 telkens schijnt het wat naar voren te komen1 maar zoodra wij het zoeken te vatten1 ontglipt het ons weder4 #ch ,socrates roept allen1 die tegenwoordig zijn1 op1 om hun gevoelen te openbaren1 maar niemand verroert zich4 #ci 1 telkens4 ,xenophon1 ,anab4 ,,iv4 c4 ,,vii4 #bc4 4 ,buttmann1 ,gr4 ,gr4 #aej1 p4 #dgj4 #dj 4 ,dit woord is hinderlijk4 ,een antwoord is natuurlijk nooit geheel willekeurig1 maar hangt altijd van de vraag af4 ,ik geloof1 dat het moet worden uitgeworpen1 of dat men lezen moet3 4 #da beteekent oorspronkelijk3 eenvoudig gesprek2 de beteekenis van tongval is eene afgeleide4 #db ,theaetetus begaat hier de gewone fout1 die de medesprekers in de dialogen van ,plato begaan4 ,zij zoeken zich gewoonlijk met voorbeelden te behelpen1 wanneer zij om eene bepaling worden aangesproken4 ,aristoteles berigt ook1 dat het geven van bepalingen eene der voornaamste ontdekkingen van ,socrates is4 #dc 4 ,dit moet verklaard worden door de uitlating der woorden3 4 4 4 #dd hangt af van 4 #de is de accusativus van 4 is neutrum per attractionem2 de constructie is dus3 1 ' 4 #df 1 4 ,hier is eigenlijk eene vraag door een asyndeton in twee vragen opgelost4 #dg 4 ,het is duidelijk1 dat hier bedoeld wordt3 wat deze woorden beteekenen4 #dh ,wij zouden hier andere voorbeelden gebezigd hebben1 daar wij gewoon zijn1 de hier vermelde vakken volstrekt niet als theoretisch1 maar slechts als eene soort van handigheid te beschouwen4 ,overigens ziet men in de soort van voorbeelden1 die hier1 en ook elders bij ,plato en ,xenophon1 door ,socrates worden aangehaald1 duidelijk het democratische element van ,athene doorschijnen4 #di 1 accusativus absolutus4 ,zie ,buttmann1 ,gr4 ,gr4 #ade4 ,aanm4 #g4 #ej 4 ,zulke soort van uitdrukkingen komen dikwijls bij de ,grieksche wijsgeeren voor4 ,zoo lezen wij bij ,aristoteles dikwijls3 1 1 en wij zeggen eveneens3 het hoe1 het wat1 het waarom1 enz4 ,deze spreekwijs mist het latijn1 omdat het geen lidwoord heeft4 #ea ,wat doet hier3 maar8 ,theaetetus had in het gesprek1 dat hij hier vermeldt1 gemerkt1 hoe moeijelijk het geven van juiste bepalingen is1 al scheen het nu nog zoo gemakkelijk4 #eb ,wij moeten dit aldus opvatten3 ,de verhoudingen der getallen kunnen door figuren worden opgehelderd4 ,nu is de wortel van een getal1 een ander getal1 dat1 met zich zelf vermenigvuldigd zijnde1 het eerste getal geeft1 en dat eerste getal is dan de magt van dien wortel4 ,dit wordt in figuren aldus afgebeeld1 dat1 de lengte van een vierkant gelijk zijnde aan de breedte1 de lengte of breedte den wortel1 en de inhoud de tweede magt van dien wortel uitdrukt4 ,dus heeft een vierkant van #d vierkante voeten eene lengte en breedte ieder van #b voet2 een vierkant van #i vierkante voeten eene lengte en breedte ieder van #c voet1 enz4 ,dus zijn de zijden van een vierkant van #d of van #i vierkante voeten door eene lijn van nen voet meetbaar4 ,de zijden echter van een vierkant van #c of van #e vierkante voeten zijn niet meetbaar met nen voet2 of1 zoo men de figuur z wil maken1 dat de zijden door nen voet meetbaar worden1 dan moet men het opgeven een volkomen vierkant te krijgen1 maar de lengte en de breedte ongelijk maken1 waardoor de figuur langwerpig wordt4 ,hierdoor bekomen wij van zelfs twee soorten van getallen1 die wij naar de figuren1 waarmede zij worden opgehelderd1 vierkant of langwerpig kunnen noemen4 ,daar verder1 zoo beide soorten met vierkanten worden afgebeeld1 de zijden der vierkanten van de ne soort geheele getallen geven1 en die van de andere soort door de eenheid niet meetbaar zijn2 met andere woorden1 daar de wortels van #d1 #i enz4 door geheelen1 die van #b1 #c1 enz4 alleen door gebrokens kunnen worden uitgedrukt1 zoo kunnen die zijden en de getallen1 die de zijden uitdrukken1 zoowel als de inhouden en de getallen1 welke met die inhouden overeenkomen1 in twee soorten verdeeld worden4 #ec voor 4 ,deze genitivus moet verklaard worden door het begrip van comparativus1 dat in besloten ligt4 #ed ,de constructie is3 1 4 is de genitivus partitivus3 n van de alleruitersten in moeijelijkheid4 #ee ,zie ,act4 ,apost4 ,v4 #cf4 ,want vr deze dagen stond ,theudas op1 10 hetgeen door ,van der ,palm vertaald is3 zeggende van zich dat hij iets groots was4 #ef 4 ,eigenlijk3 los worden van het zullen1 dat is3 het voornemen1 om het nog eens te beproeven1 laten varen4 ,overigens is het duidelijk1 dat van afhangt4 #eg ,het ,perfectum duidt aan1 dat de gevolgen eener verledene handeling tegenwoordig voortduren4 ,zoo is eigenlijk het perfectum van en beteekent3 ik heb het gezien1 dat is3 ik weet het1 en 1 het perfectum van 1 beteekent3 ik heb ondergaan1 dat is3 ik ben in den toestand1 die een gevolg is van dat ondergaan4 #eh 4 ,men neme dit woord niet in de sterke beteekenis1 die het oorspronkelijk heeft4 ,de geheele toon van het gesprek geeft geene reden voor zulk eene scherpe uitdrukking4 #ei ,achter moet uit het vorige in de gedachte worden aangevuld3 4 #fj is de accusativus1 die gewoonlijk door verklaard wordt4 ,het is welligt beter eenen aldus gebezigden accusativus den casus adverbialis te noemen1 daar het woord1 dat daarin geplaatst is1 de kracht bekomt van een bijwoord4 ,men kan hiermede de adverbiale complementen in het ,hebreeuwsch vergelijken4 ,zie ,veth1 ,beknopte ,hebreeuwsche spraakkunst1 #ie4 #bj4 #fa ,die anderen4 #fb ,hierbij kan men naslaan3 ,meno4 pag4 #hj4 ,a1 ,b1 waar ,socrates bij de krampvisch vergeleken wordt1 zijnde deze eene soort van rog1 die bij het aanraken een' elektrischen schok geeft1 en daardoor al wat hem aanraakt1 doet verstijven4 #fc wordt eigenlijk gezegd van de portie1 die iemand bij eene verdeeling door het lot bekomt4 ,nu werden in ,athene de ambten door het lot vergeven1 en hierdoor heeft dit werkwoord de beteekenis van het verkrijgen van een ambt bekomen4 #fd ,de beteekenis van plegen1 die de aor4 heeft1 is1 naar mijn inzien1 gegrond in eene ellips1 daar de aoristus eigenlijk bloot het verledene beteekent1 maar waarbij wordt gedacht1 dat het altijd zoo was2 dat het dus door de ondervinding gebleken is1 dat het zoo pleegt te zijn4 #fe voor 4 ,datgeen1 wat gelijkt 7op de waarheid namelijk47 #ff ,hoewel eigenlijk niets dan kennen beteekent1 kan het hier door onderscheiden vertaald worden1 daar hij1 die de twee leden eener tegenstelling kent1 ze noodzakelijk van elkander onderscheidt4 #fg ,in de ,grieksche geneeskunst had men veel op met tooverformulieren4 ,zoo lezen wij ,odyss4 ,,xix4 #deg1 van de zoons van ,autolicus1 dat zij1 toen ,ulysses op de jagt door een wild zwijn gewond was1 het bloed door een tooverformulier beletten te vloeijen4 #fh ,hier is te regt gebezigd1 daar het in dezen zin beter is dan eenige andere uitdrukking voor weten4 beteekent eigenlijk3 ik heb gezien1 waarvan de beteekenis3 ik weet1 is afgeleid1 zoodat op de vraag '-- met geen beter werkwoord kon geantwoord worden4 #fi 4 ,deze genitivus is de gewone genitivus bij 1 die gebezigd wordt om eigendom1 eigenschap1 gewoonheid of mogelijkheid uit te drukken4 ,zie ,buttm41 ,gr4 ,gr4 #acb4 ,aanm4 #d4 #gj ,het is bekend1 dat de ,grieken het huwelijk vaak bij het bewerken van eenen akker vergeleken1 en eene huismoeder bij een veld1 waarop burgers voor het vaderland groeiden4 #ga ' is in deze spreekwijs zoo zeer tot n woord zamengesmolten1 dat het dezelfde kracht heeft als 1 waar het hier tegenover staat4 ,zie ,buttm41 ,gr4 ,gr4 #aej4 blz4 #dfi4 #gb ,in deze uitdrukking is iets onvolkomens1 daar ' tegenover gesteld wordt4 ,de juistheid der tegenstelling valt meer in het oog1 zoo men bedenkt1 dat ' in dezen zin gelijk staat met 1 en dat de personen1 die door bedoeld worden1 hier alleen van den kant der kunst1 die zij uitoefenen1 in aanmerking komen4 ,het subject van moet uit worden aangevuld4 ,dit is eene logische constructie1 daarop gebouwd1 dat op hetzelfde nerkomt als 4 #gc ,overtuigd van de geldigheid der eeuwige beginselen van waarheid1 deugd en godsdienst1 en oordeelende1 dat die beginselen in de kiem bij ieder aanwezig zijn1 leerde ,socrates niet zelf1 maar zocht door vragen anderen op te wekken tot het ontwikkelen der begrippen1 die in hunnen geest waren opgesloten4 #gd ,dit moet opgehelderd worden uit de ,apologie1 waar ,socrates verhaalt1 dat hij door de uitspraak van het orakel te ,delphi1 dat hem den wijsten der menschen noemde1 genoopt was1 om de door hem gekozene levensmanier te volgen4 #ge ziet op 1 zoodat men hier ook zou kunnen lezen3 4 #gf ,eindelijk4 ,woordelijk eindigend4 ,het ,grieksche deelwoord wordt hier in het ,hollandsch door een bijwoord overgezet4 ,dat iets dergelijks ook in andere talen1 b4 v4 in de ,arabische1 plaats heeft1 blijkt uit de voorbeelden1 aangehaald door ,de ,sacy1 ,gramm4 ,ar41 ,tom4 ,,ii4 ,no #hjj-hjg4 #gg ,namelijk om mij weer goed te maken4 #gh 4 ,veel is over dit dmonium getwist4 ,ik geloof1 dat ,socrates1 het bestuur der ,voorzienigheid erkennende en overtuigd zijnde1 dat hij zelf een werktuig der ,voorzienigheid was1 zijne onwillekeurige invallen en ook wel zijne gevoelens van sympathie en antipathie aan goddelijke ingeving toeschreef4 ,overigens is het bekend1 dat bijvoegelijk is en door het uitgelatene moet verklaard worden4 #gi 1 scil4 4 ,dit toevoegsel1 dat nog iets kinderlijks in den stijl schijnt te verraden1 is bij ,herodotus menigvuldig1 en zelfs bij ,aristoteles1 b4 v4 ,phys4 acr4 ,i4 c4 ,,ix4 #e4 ,hist4 animm4 ,i4 c4 ,,xiv4 7,,xvii7 #i4 ,soph4 ,el4 ,,xv4 #ah4 #hj ,men ziet hier weder een staaltje van het meermalen opgemerkte1 dat de ,grieken bevreesd waren te veel vertrouwen op eigen krachten te doen blijken4 ,stallbaum heeft echter goed gezien1 dat hier eene vinnige ironie doorschijnt1 daar ,socrates te kennen geeft1 dat alleen zij1 die volstrekt geen fonds in zich zelven hebben1 geschikte leerlingen zijn voor de ,sophisten4 #ha --4 ,hier zijn twee constructies verbonden1 daar het begrip van reden geven1 dat door wordt uitgedrukt1 ook in het deelwoord ligt opgesloten4 ,zie ,buttm41 ,gr4 ,gr4 #add4 ,aanm4 #f4 #hb ,de constructie is3 ' 4 #hc ,socrates hield zich1 zooals wij boven zagen1 voor een werktuig der ,godheid1 en kon in zooverre de hem te beurt vallende miskenning als eene miskenning der ,godheid beschouwen4 #hd moet door eene ellips verklaard worden4 ,ik heb er weinig moed op maar enz4 ,dergelijke ellipsen komen in de platonische dialogen telkens voor4 #he ,gevoel wordt hier als algemeene uitdrukking gebezigd1 om de verschillende aandoeningen der zinnen aan te wijzen4 ,aan zedelijk of godsdienstig gevoel wordt in het geheel niet gedacht4 #hf ,woordelijk3 of het een vruchtbaar of een windei is4 #hg is het subject1 het praedicaat4 ,het is eene zoogenoemde proposition nominale4 #hh 4 ,de gelijkheid1 die in ligt1 wordt door de aanwijzing in versterkt1 waardoor eene beteekenis ontstaat1 die omtrent met onze uitdrukking3 volkomen hetzelfde1 overeenkomt4 #hi is een gevolg van de meermalen opgemerkte gewoonte der ,atheners om zich zelden volkomen stellig uit te drukken4 ,men kan het echter ook vertalen door3 ergens4 #ij ,dit ziet natuurlijk op de laatste door ,socrates gedane vraag4 #ia ,deze zin is voluit3 4 4 4 #ib ,socrates bedoelt1 dat deze leer werkelijk geheel iets anders is1 dan zij schijnt2 namelijk1 dat zij de kennis schijnt te bepalen1 maar zoo zij consequent wordt doorgedacht1 eigentlijk de kennis vernietigt4 #ic ,dat hier ironie onder loopt1 behoeft naauwelijks gezegd te worden4 #id ,zie blz4 #dd4 #ie ,parmenides1 die door ,plato zeer gewaardeerd werd1 was de voornaamste wijsgeer der ,eleatische school1 die het abstracte begrip van het zijn eenzijdig beschouwde1 maar juist daardoor de noodzakelijke keerzijde daarstelde der andere rigting1 die overal verandering en nergens iets blijvends zag4 #if ,de constructie is3 1 4 #ig --4 is eene algemeene uitdrukking om alle verandering aan te duiden1 zoo die van plaats1 als die van toestand of hoedanigheid4 ,aristoteles sluit het ontstaan en vergaan hiervan uit1 omdat niet zijn geen toestand1 maar eene ontkenning van alle toestanden is1 en alle beweging van een punt tot een ander gaan moet4 ,phys4 ausc4 ,v4 c4 ,,ii4 ,in het vervolg zal ik gedwongen zijn door beweging te vertalen1 daar er dan zulke eigenschappen aan worden toegekend1 die alleen van beweging in de ruimte kunnen gezegd worden4 #ih wordt gezegd1 wanneer een nieuw bewijs wordt aangevoerd4 #ii is hier eigenlijk hetzelfde als 1 doch ,plato schijnt dit woord verkozen te hebben1 omdat de ziel door dit alles wel in eenen meer of minder goeden toestand komt1 maar echter niet ontstaat of vergaat4 ,met dat al is het echter niet juist te zeggen3 4 4 4 #ajj 4 ,in ligt het denkbeeld van daarenboven4 #aja ,deze zin is voluit3 1 4 #ajb voor moet gelezen worden in den conjunctivus4 kan hier niet in de beteekenis van door klem van redenen betoogen genomen worden1 daar het bij 1 niet bij behoort4 #ajc ,hier wordt gespot met hen1 die alle wijsheid in ,homerus meenden te vinden1 en elk zijne theorie met plaatsen uit dien dichter wilden bewijzen4 ,de hier aangehaalde plaats staat3 ,il4 ,,viii4 vs4 #ah-bg1 waar ,zeus de ,goden uitdaagt1 om eene gouden keten van den hemel te hangen1 waaraan zij van onderen en hij van boven zoude trekken1 met dat gevolg1 dat hij hen allen benevens de aarde en de zee zou naar boven halen4 ,het behoeft naauwelijks gezegd te worden1 dat in de aangehaalde plaats niets van de gemelde theorie gelezen wordt4 #ajd beteekent eigenlijk3 aankomen1 maar hier denke men aan de beweging1 die op die kleur aankomt1 dat is3 die er mede overeenstemt4 #aje ,namelijk groot1 of wit1 of warm1 enz4 #ajf ,de zin is3 daar ieder op zijne wijs de eigenschappen der dingen beoordeelt1 en ieder op verschillende tijden dezelfde zaak anders beschouwt1 zoo blijkt het1 dat die eigenschappen niet in de zaak liggen1 maar het product zijn van de zaken en onzen toestand1 zoodat zij door het veranderen van eenen dier factoren kunnen gewijzigd worden1 ook al ondergaat de andere factor geene verandering4 #ajg ,wij zeggen niet3 neem een voorbeeld1 maar3 ik zal u een voorbeeld geven1 welk laatste met het eerste op hetzelfde nerkomt1 hoewel het de zaak van de kant van den gever1 niet van hem1 aan wien gegeven wordt1 beschouwt4 #ajh ,in de hier voorkomende redenering is eene fout1 daaruit ontstaande1 dat het onderscheid tusschen zelfstandige begrippen en betrekkingsbegrippen wordt over het hoofd gezien4 ,alle begrippen1 die eene betrekking uitdrukken1 kunnen als het product van twee factoren beschouwd worden1 en zijn daarom1 zoodra de eene factor veranderd wordt1 zelve aan verandering onderhevig4 ,zie mijne vertaling van den ,phaedo1 blz4 #abc4 7#a74 #aji ,dit antwoord is alleen uit de daareven aangewezene verwarring te verklaren3 groot en klein zijn afhankelijk van twee zaken1 die met elkander vergeleken worden4 ,zoodra de eene verandert1 verandert ook het groote en kleine1 zonder dat de andere iets behoeft te ondergaan4 #aaj ,euripides werd door de ,grieken zeer bewonderd1 en als de treurspeldichter bij uitnemendheid beschouwd1 hoewel hij tegenwoordig lager dan zijne twee voorgangers gesteld wordt4 ,aristophanes echter bespot zijn jagt maken op effect en pathetische uitdrukking1 en ,plato bestrijdt van tijd tot tijd de immorele rigting1 die in zijne schriften wel eens voorkomt4 ,de hier bedoelde plaats is te vinden ,hippolitus vs4 #fab4 waar wij lezen3 ,de tong heeft gezworen1 maar de geest nam geen deel aan den eed40 #aaa ,dat is3 door iets ongerijmds toe te stemmen1 kunnen wij er ons doorpraten1 hoewel wij zelve zeer goed inzien1 dat de vraag eigentlijk eene grondige tegenwerping behelst4 #aab wordt door ,plato vooral van de sophisten gezegd1 die zich overal wisten door te praten4 #aac ,deze periode verklaar ik aldus3 ziet op het vorige3 4 ,het perfectum beteekent dan hetgeen volmaakt verleden en dus afgedaan is1 waar dus niet meer naar onderzocht wordt4 --4 ,dit is eigentlijk voluit3 ' 4 ,verder is de dativus ethicus1 en behoort niet bij 1 maar ziet op en hangt af van 4 #aad ,namelijk die tegenstrijdigheden1 waarin wij onwillekeurig vervallen zijn4 #aae ,het komt mij voor1 dat alleen of is goed te keuren1 en dat1 toen het ne1 7namelijk 7 in sommige handschriften in veranderd was1 beide lezingen in den gewonen tekst zijn opgenomen en door verbonden4 ,nu verkies ik boven 1 omdat de ,grieken gewoonlijk vrij naauwkeurig de verhouding der verschillende tijden uitdrukten1 en het worden het bestaan voorafgaat1 waarom het hier door eenen verledenen tijd moet worden uitgedrukt4 #aaf ,eigentlijk moest ,socrates gezegd hebben3 ,en van oneindig vele andere dingen zullen wij hetzelfde moeten zeggen1 daar de toestand dier dingen niet van hunne redekaveling afhing1 maar wel hun vinden van dezelve4 #aag moet bij het uitgelatene werkwoord gevoegd worden1 zoodat dan hier gedrukt wordt op het toekomen van deze aandoening aan den wijsgeer4 #aah ,hier wordt niet de objective1 maar de subjective grond der wijsbegeerte bedoeld4 ,niet de grond1 waaruit moet bewezen worden1 ook niet het eerste punt1 waarvan het wijsgeerig onderzoek uitgaat1 maar de oorzaak1 waardoor de lust naar onderzoek wordt opgewekt1 is hetgeen hier bedoeld wordt4 ,zie ,aristot4 ,metaph4 ,i4 cap4 ,,ii4 #aai ,dit is een staaltje van de allegorische verklaring der oude mythologie1 dat echter door ,plato slechts als rhetorisch sieraad gebezigd wordt4 ,iris is de bodesse der ,goden1 dus de ,godin1 die aan de menschen bekend maakt1 wat in den ,hemel besloten is1 en als zoodanig wordt zij hier als persoonsverbeelding der wijsbegeerte gebezigd4 ,de woordspeling met en valt genoeg in het oog4 ,het is1 als zeiden wij3 die de bodes der ,goden de dochter der verwondering noemde4 #abj ,men ziet1 dat hier de apagogische bewijstrant gebezigd wordt1 die daarin bestaat1 dat men zoekt te bewijzen1 dat de stelling der tegenpartij tot ongerijmde gevolgtrekking leiden moet4 ,zie ,nieuwenhuis1 ,inst4 ,phil4 ,log4 #adg4 #d4 blz4 #cff4 #aba staat hier eigentlijk geheel overtollig1 doch dit gebruik van het voornaamwoord is in het ,grieksch zeer gewoon4 ,zie ,matthiae1 ,ausf4 ,gr4 ,gr4 #dgb4 #a4 b4 #abb ,hier wordt waarschijnlijk de school van ,leucippus en ,democritus bedoeld1 die als echte materialisten geene andere beginsels dan de atomen en de ledige ruimte erkenden1 en daaruit het ontstaan der wereld voldoende meenden te kunnen verklaren4 7,zie ,brandis1 ,handbuch4 ,i4 ,,lx4 blz4 #bid4 volgg474 ,plato behandelt deze leer overal met veel verachting1 maar bestrijdt ze nergens uitdrukkelijk2 hoewel juist zij zijne ergste vijandin was4 7,zie ,hermann1 ,gesch4 u4 ,syst4 der ,platon4 ,phil4 ,i4 blz4 #aeb4 volgg47 ,met dat al is het wel slagen van zijne werlegging van ,protagoras eigentlijk te gelijk eene werlegging van ,democriet1 daar het bestaan van den geest als hoogere1 boven de zinnelijkheid verhevene kenbron1 die in staat is het algemeene te bevatten1 de onvolledigheid der atomistiek voldoende doet uitkomen4 ,daarom was1 zooals ,krause zeer juist opmerkt 7,zie ,grundwahrheiten1 blz4 #bfd4 volgg471 ,democriet door zijn redekavelen over oorzaken en beginselen1 die niet in de onmiddellijke waarneming gegeven zijn1 eigenlijk reeds practisch zijn eigen standpunt te boven gekomen4 #abc ,hoofdst4 ,,viii-,x4 #abd schijnt hier ten gevalle van de consecutio temporum wegens het voorgaande gezegd te zijn4 ,deze soort van constructie komt ook bij ,cicero dikwijls voor1 b4 v4 ,tusc4 ,quaest4 ,i4 #ha4 ,zij is logisch geenszins goed te keuren1 daar in dezelve de vorm der woorden meer wordt in het oog gehouden1 dan de begrippen1 die er door worden uitgedrukt4 ,dit blijkt vooral bij uitdrukkingen als deze1 waar in de woorden geene historische zaak1 maar eene uitspraak1 die als eeuwige waarheid werd voorgedragen1 wordt uitgedrukt4 #abe ,dat is3 hoe vele onderdeelen iedere soort ook bevat1 de twee kenmerken van doen en lijden maken het hoofdkarakter uit1 waardoor die twee rigtingen in al hunne onderdeelen genoegzaam zijn onderscheiden4 #abf staat hier eigentlijk overbodig1 maar is welligt door ,plato gebezigd1 om al die namen van gevoelsaandoeningen in den nominativus te kunnen laten4 #abg scil4 4 #abh ,in mijne dissertatie heb ik de gissing geopperd1 dat achter 1 moet ingevoegd worden1 en ik meen ook nu die gissing te moeten behouden4 #abi ,dit is eene der vele spreekwijzen1 die het ,grieksch met onze taal gemeen heeft4 #acj scil4 4 #aca ,zie blz4 #db1 7#a7 #acb ,iets zigtbaars4 #acc ,van het oog is 1 en van de zaak gezegd1 om aan te duiden1 dat de witheid niet in de zaak is1 maar haar van buiten omgeeft1 terwijl zij daarentegen in het oog gevonden wordt4 ,wij vinden hier de leer1 dat de zaken op zich zelve onkenbaar zijn1 daar wij alleen de indrukken op onze zintuigen waarnemen1 en niet in staat zijn1 die met haar voorwerp te vergelijken4 #acd staat voor 1 welke infinitivus van afhangt4 ,verder moet het adverbium met verbonden worden4 #ace 4 ,stallbaum merkt te regt aan1 dat achter uit het voorgaande 1 of in de gedachte moet ingevoegd worden4 #acf ,van zegt ,matthiae1 ,ausf4 ,gr4 ,gr4 #fbd4 #d3 ,ook staat bij ,plato vaak1 om aan te toonen1 dat men wel iets vermeldt1 maar toch niet wil in aanmerking nemen1 waar in het ,latijn quamquam na den hoofdzin gezet wordt1 eigenlijk3 ik wil niet zeggen--dat4 ,ook beteekent het3 alhoewel2 zie ,protag4 p4 #ccf4 ,d40 #acg ,hier moet uit het vorige alleen worden bijgedacht4 #ach beteekent hier niet gedeeltelijk1 maar3 naar het hem bescheiden deel1 afzonderlijk4 ,ik geloof1 om de tegenstelling tegen en de aangehaalde voorbeelden1 dat met dat de atomen of de elementen bedoeld worden4 #aci ,deze trek is karakteristiek4 ,wij zien hier eene duidelijke voorstelling van de objectiviteit van ,socrates1 die de gaaf had1 de zaak zich zelve te laten ontwikkelen1 zonder dat zijne eigene meening op den voorgrond kwam4 #adj ,deze voorbeelden zijn niet willekeurig gekozen1 maar duiden bepaaldelijk de iden aan1 die1 zooals bekend is1 door ,plato als boven de verandering en het worden verheven1 beschouwd werden4 #ada 4 ,hier wordt de krankzinnigheid op den voorgrond geplaatst1 daar zij alleen bij haren naam genoemd wordt1 en alle andere ziekten onder de algemeene uitdrukking begrepen worden4 ,het doel hiervan is dit1 dat nergens de dwaasheid der leer van ,protagoras meer uitkwam1 dan juist bij de krankzinnigheid4 #adb ----4 ,dit gebruik van is1 meen ik1 ontleend van boogschutters1 die niet in1 maar naast het doel raken4 ,overigens is de hier voorkomende uitdrukking niet volkomen juist1 daar niet de ziekte verkeerd waarneemt1 maar wel hij1 die er door getroffen is4 #adc is een van die woorden1 die voor velerlei uitlegging vatbaar zijn4 ,alle beteekenissen van dit woord schijnen echter uit de grondbeteekenis3 gezegde te kunnen afgeleid worden4 ,de ,oostersch ,grieksche beteekenis van het woord 1 waarin het bij voorbeeld door ,philo ,judaeus genomen wordt1 en de opperste emanatie uit de ,godheid beteekent1 komt1 zoo ver mij bekend is1 nergens bij ,plato voor4 ,zij heeft haren grond in eene wijsbegeerte1 die1 zonder geest van onderscheid te werk gaande1 en denkbeelden uit geheel verschillende bronnen afgeleid1 door elkander halende1 aan het door ,god gezegde1 als een op zich zelf bestaand wezen1 een afzonderlijk bestaan toekende4 #add en staan1 geloof ik1 in den accusativus en worden als bijwoorden gebruikt4 ,wij zouden het vrij woordelijk aldus kunnen uitdrukken3 vooral over de uitdrukkingen3 in den droom1 en in wakenden toestand40 ,overigens is het bekend1 dat ,plato zegt1 wanneer hij een nieuw voorbeeld of nieuw bewijs gaat mededeelen4 #ade hangt van 1 dit laatste van af4 #adf 4 ,er is eene andere lezing3 1 die ik boven de lezing van den tekst verkies1 omdat slaap eenen algemeenen toestand uitdrukt1 maar meer een enkel droomgezigt beteekent4 ,wil men het laatste houden1 dan moet het lidwoord wegvallen4 #adg 4 ,ik geloof1 dat op 1 op ziet1 maar beiden per attractionem wegens het naast voorgaande in plurali staan4 7,buttm41 ,gr4 ,gr4 #aea47 #adh ,dat is3 geldt het niet evenzoo van ziekte of krankzinnigheid1 dat de zieke of krankzinnige zijne meening1 hoe veel die ook van die des gezonden of verstandigen verschille1 voor ontwijfelbaar waar houdt8 ,het onderscheid is hier alleen dit1 dat de tijd van waken en die van slapen ongeveer gelijk is1 maar de duur van ziekte of krankzinnigheid gewoonlijk veel korter is1 dan die van den gezonden toestand4 #adi ,dat is3 hangt de waarheid eener stelling af van den duur des tijds1 waarin zij als waar wordt aangenomen8 #aej -- 4 ,hier wordt te gelijk in de beteekenis van schijnen en van meenen genomen1 iets1 dat ik niet kan goedkeuren1 daar het aan de duidelijkheid in den weg staat4 ,over het geheel is ,plato niet vast in zijne terminologie1 en gebruikt hij hetzelfde woord dikwijls in verschillende beteekenissen1 of drukt ook wel hetzelfde denkbeeld door verschillende woorden uit4 ,dit blijkt onder anderen uit het gebruik der woorden en in hoofdst4 ,,xl en ,,xli4 #aea ,zie hoofdst4 ,,xii4 #aeb wordt ook gebruikt om twee woorden te verbinden1 waarvan het tweede hetzelfde begrip als het eerste1 maar sterker uitdrukt4 ,zie ,matth41 ,ausf4 ,gr4 ,gr4 #fbj4 #a4 e4 #aec staat in den nominativus1 want het is eigenlijk per ellipsin geschreven voor 4 #aed ,namelijk dat iemand in slapenden toestand1 voor zoo ver de toestand verschilt1 een ander is1 dan iemand in wakenden toestand4 #aee 4 ,de aor4 beteekent hier weder1 gelijk zoo dikwijls1 het gewoonlijk plaats hebben der handeling4 #aef staat per ellipsin voor 1 dat1 in eene vraag geplaatst1 dient om het gevraagde te bevestigen4 ,de zin is dan voluit3 ,is het iets anders dan8 waarop het antwoord verwacht wordt3 ,wel neen6 maar juist dit4 #aeg 4 is zeer duidelijk1 want daarmede wordt te kennen gegeven1 dat de bitterheid eerst op het oogenblik der aanraking tusschen de tong en den wijn ontstaat2 maar wat is 8 ,ik geloof1 dat het te kennen geeft1 dat die bitterheid geene blijvende eigenschap is1 maar bloot eene voorbijgaande aandoening4 #aeh ,hier is eene verbetering noodig1 daar de woorden1 zoo als zij nu staan1 geenen gezonden zin opleveren1 en gemakkelijk te verhelpen zijn4 ,men leze door eenvoudige transpositie3 3 en alles zal in orde zijn1 gelijk1 naar ik hoop1 uit de vertaling blijkt4 ,heeft iemand zwarigheid in het plaatsen van alleen achter 1 dan blijft nog over alles te laten zoo als het is1 en alleen achter 1 te schrijven1 waardoor dezelfde zin verkregen wordt4 #aei ,stallbaum zegt naar waarheid1 dat beteekent3 hetgeen mij aandoet1 maar hij verzuimt de reden van die vertaling te geven4 ,ik zoek ze daarin1 dat hier in de gedachte moet ingelascht worden1 gelijk op blz4 #aei ,e uit bij -- in de gedachte moet ingevoegd worden4 #afj ,alle gevoel is eene betrekking1 die alleen kan plaats hebben1 waar de twee leden aanwezig zijn4 #afa ,namelijk ik en de wijn1 of in het algemeen de voelende en het gevoelde4 #afb ,voelend is iemand door iets te voelen2 gevoeld is iets door iemand gevoeld te worden4 ,dus vorderen deze twee begrippen elkander wederkeerig1 en het ne is zonder het andere ongerijmd4 #afc 4 ,het verband vordert hier3 1 tenzij men aanneme1 dat ,plato hier het geval zoo algemeen mogelijk stelt1 en met dat zijn en worden1 het zijn of worden van het gevoelde1 zoowel als van den voelende1 te kennen geeft4 #afd ,d4 i4 het gevoel1 voor zoover het onze verhouding tot de dingen aangaat1 is ontwijfelbaar1 en bezit dus al de vereischten1 om als zekere kennis aangemerkt te worden4 #afe ,d4 i4 dat dan daaruit volgt1 dat het gevoel kennis is4 ,hier is subject en praedicaat omgezet1 en te regt1 want al is alle gevoel kennis1 dan volgt nog niet1 dat daarom alle kennis gevoel is4 ,het is eene zoogenaamde conversio per accidens4 ,zie ,nieuwenhuis1 ,initia ,philosophiae ,logicae4 p4 #ahd4 #ac4 #aff ,in ,athene werd #e dagen na de geboorte het jonge kind door de vroedvrouw rond den haard gedragen4 #afg ,de vader kon bij de ,grieken weigeren1 zijne kinderen op te voeden1 en ze te vondeling leggen1 hetgeen natuurlijk meest met zwakke of mismaakte kinderen plaats had4 ,de ,thebanen maakten hier eene uitzondering4 #afh 4 ,hier moet f niets veranderd worden1 f voor gelezen4 ,de gissing van ,stallbaum1 die voor wil lezen1 kan ik geenszins goedkeuren1 daar dan de accusativus bezwaarlijk te verklaren is4 #afi 4 ,hierin is1 geloof ik1 met voordacht eenige dubbelzinnigheid1 daar ook rekenschap beteekent1 en zij1 die met ,socrates redekavelden1 er meest ongelukkig afkwamen4 #agj ,een zeer beroemd geschrift van ,protagoras1 doch hetgeen hem en zijne leer te ,athene deed veroordeelen1 daar hij het bestaan der ,goden daarin als geheel twijfelachtig voorstelde4 ,zie de inleiding4 #aga is zeer naauwkeurig gesproken4 ,wij bewonderden hem1 voordat wij het hier vermelde inzagen1 maar nu niet langer4 #agb beteekent natuurlijk een ander dan ,protagoras zelf4 #agc -- enz4 ,deze futura geven te kennen1 dat de zaak nog niet is uitgemaakt1 en dat ons voor waar houden derzelve nog van de toekomstige redekaveling afhangt4 ,de stelling in quaestie is f eeuwig waar1 f eeuwig onwaar4 ,zij staat buiten den tijd1 en ons voor waar houden is op het oogenblik nog toekomstig4 #agd 4 ,een muur1 die regtop staat1 maakt een' regten hoek met den grond1 zoo die gelijk verondersteld wordt waterpas is4 ,dus is de muur in den haak1 want haak beteekent in onze spreekwijs eenen houten regten hoek1 dien de timmerlieden en metselaars bezigen1 om te onderzoeken1 of de gegevene hoeken regt zijn4 #age 1 en wordt bepaaldelijk van leerlingen gezegd1 even als het latijnsche audire en auditor4 ,zie ,plato1 ,rep4 ,,viii4 p4 #efc4 ,a4 #agf beteekent eigenlijk al wat dan iemand toeschijnt1 zoowel door verbeeldingskracht1 als door de aandoeningen der zinnen1 of de eene of andere meening 7,zie ,plato ,sophist4 p4 #bfd4 ,a474 #agg ,eigenlijk3 eene lange en breede ijdelheid4 #agh hangt af van 1 dat bij ' uit het vorige moet bijgedacht worden4 #agi ,de zin is deze3 te ,lacedaemon moest men bij die oefeningen medoen of heengaan1 maar mogt niet de anderen staan uitlagchen1 zonder zich aan hetzelfde bloot te stellen4 ,dit wordt op het redekavelen toegepast4 ,socrates laat ,theodorus voelen1 dat het niet billijk zou wezen1 zoo hij zich onzijdig hield1 in plaats van mede te doen4 ,men ziet hier denzelfden geest doorstralen1 als in de bepaling van ,solon1 dat in openbare twisten ieder partij moest kiezen4 #ahj 1 1 1 worden bij ,plato gebezigd van het geregeld uiteenzetten eener redekaveling1 waarbij verschillende punten achtereenvolgens in aanmerking komen4 #aha 4 ,ik geloof1 dat hier moet gelezen worden4 #ahb ,ik vind hier geene bijzondere kracht in 1 maar de uitdrukking houd ik voor een spreekwoord1 ontleend aan de openbare vergaderingen1 waar dit woord oorspronkelijk te huis is4 ,overigens wordt hier dezelfde fout berispt1 die zoo velen begaan1 en waarvan ,zschokke in zijn ,leven1 denken en werken zich zelven beschuldigt1 namelijk1 het altijd koesteren van dezelfde meening als de laatste verhandeling1 die men gehoord of gelezen heeft4 #ahc ,gij sluit u aan de gangbare meeningen aan1 waardoor gij de menigte voor uw gevoelen wint1 en mij bespottelijk maakt1 zonder dat zulk eene manier van doen eigentlijk iets goeds kan voor den dag brengen4 #ahd kan hier niet veel anders beteekenen1 dan het bezigen van argumenta ad hominem1 dat is van zulke bewijzen1 die niet door de kracht der waarheid1 maar door het voortbouwen op iemands bijzondere denkwijs1 overreding zoeken te weeg te brengen4 #ahe 3 aldus als nu volgt4 ,wanneer ,plato bezigt1 doelt hij meestal op de eerstvolgende redekaveling4 #ahf ,namelijk op de betrekking tusschen kennis en gevoel4 #ahg 4 ,hier moet uit het vorige eenvoudig worden aangevuld1 waaruit blijkt1 dat geenszins onbepaald in de beteekenis van ontkennen gebruikt wordt1 maar dat de ,grieken wel degelijk in het taalgebruik en als twee afzonderlijke woorden beschouwden4 ,omtrent het gebruik van meen ik te moeten aanmerken1 dat f als bijwoord bij kan gebruikt worden1 wanneer het eenvoudig beteekent3 ik zeg niet1 f dat als het object van kan aangemerkt worden1 wanneer het beteekent3 ik zeg neen1 en vandaar3 ik ontken4 #ahh ,namelijk3 4 #ahi is hier medium1 even als hoofdst4 ,,ix4 p4 #aec ,b4 #aij 1 4 ,hierin is eene bijzondere groote breedheid van stijl1 daar dit zelfde reeds1 in het begin van den volzin1 door de woorden is uitgedrukt4 ,dit wordt hier zoo uitvoerig behandeld1 om duidelijk te doen uitkomen1 dat het dezelfde zaak is1 die te gelijk onthouden en niet gekend moet worden4 #aia ,wanneer ,plato zelf het vorige te omslagtig vond1 waarom liet hij het dan staan8 ,om het ongerijmde dezer stelling duidelijk te doen in het oog vallen1 terwijl de hier gegevene kortere uitdrukking het vorige1 tot gemakkelijker overzigt1 nu nog eens in korte bewoordingen zamenvat4 ,deze wijze van doen heeft hare eigenaardige voordeelen1 want eene korte1 krachtige wijs van uitdrukken doet eene reeds begrepene stelling gemakkelijk in de gedachte blijven1 maar is op zich zelve dikwijls niet duidelijk genoeg4 #aib schijnt oorspronkelijk zeer groot te beteekenen1 en vandaar zoowel de beteekenis van verschrikkelijk1 als van uitstekend verkregen te hebben4 ,hier beteekent het eigenlijk ongeveer hetzelfde1 als wanneer wij zeggen3 zulk eene bewering is wat al te sterk4 #aic heeft hier den zin van eene logische1 niet van eene morele noodzakelijkheid1 daar hier alleen op het verband tusschen de twee beweringen gezien wordt4 #aid komt van 1 eigenlijk onderkijkend1 dat is3 die onder eens anders mantel ziet1 of hij ook wapens bij zich heeft1 vandaar2 ergdenkend1 wantrouwend4 #aie 4 ,deze genitivus moet per attractionem verklaard worden1 tenzij men de lezing verkieze1 die in sommige handschriften gevonden wordt1 en om de grammaticale overeenkomst met de voorkeur schijnt te verdienen4 ,deze lezing wordt ook door het genoegzaam onmiddellijk volgende3 bevestigd4 #aif ziet op en 4 beteekent hier wat anders1 namelijk1 dat wat anders is dan en omgekeerd4 #aig ,de constructie is3 ' 4 ,overigens wordt hier de aor4 duidelijk zonder eenig denkbeeld van tijd gebezigd1 hetgeen vooral in den infinitivus zeer dikwijls met den aoristus plaats heeft4 #aih ' 4 schijnt hier niet zoo zeer de accusativus cum infinitivo met te zijn1 als wel het object van 1 waarbij ter nadere verklaring gevoegd is4 ,vele voorbeelden van den accusativus cum infinitivo schijnen op deze wijs verklaard te moeten worden4 #aii ,dit was altijd een waagstuk1 daar ,socrates1 dat is ,plato1 door alles wat voor de leer van ,protagoras kon gezegd worden1 op te zoeken1 eigenlijk zijne zaak in gevaar bragt4 ,men ziet hier de groote waarheidsliefde en vaste overtuiging1 waarmede ,plato te werk ging4 ,men vergelijke uit dit oogpunt1 en ook in het geheel om de groote overeenkomst met den hier gevonden strijd1 de polemiek van ,emile ,saisset tegen de stellige wijsbegeerte1 in de ,revue des deux mondes van ,julij #ahdf4 #bjj ,callias was een groot voorstander van ,protagoras1 zooals uit de zamenspraak van ,plato1 die den naam van ,protagoras draagt1 blijken kan4 #bja 4 ,de comparativus moet hier aldus verklaard worden3 spoediger dan wij hadden moeten doen1 zoo wij als vertegenwoordigers dier rigting wilden gelden4 #bjb 4 ,hier wordt als bijwoord gebruikt1 en ziet tevens op 4 ,deze constructie heeft eene verwonderlijke overeenkomst met het ,hollandsche waarmede voor met welke4 #bjc ,dus komt de hier voorkomende verdediging daarop neder1 dat ,socrates het werleggen van ,protagoras standpunt afkeurt1 omdat de feiten1 die tegen hem worden aangevoerd1 door hem op eene zijn gevoelen begunstigende wijs kunnen worden uitgelegd4 #bjd 4 ,dit ziet op de onbeschaamdheid der sophisten1 die zich niet ligt uit het veld lieten slaan1 daar zij de grootste ongerijmdheden durfden aannemen1 om hun gevoelen door te drijven4 #bje is hier ,attisch voor 1 dus de tweede persoon enkelvoud4 ,overigens ziet men1 dat deze geheele redenering gebouwd is op het schermen met het abstracte1 dat is3 het weglaten van nadere bepalingen der begrippen1 waardoor zij verder gewijzigd worden1 en op het niet in het oog houden van de ziel als bron van de eenheid der verschillende zinnelijke waarnemingen4 #bjf 4 ,hiermede wordt een sophist aangeduid1 daar die lieden vooral in vlugheid1 of liever vlugtigheid uitmuntten1 en1 bij hun beoefenen van wetenschappelijke vraagstukken1 altijd hun geldelijk voordeel op het oog hadden4 ,overigens meene men niet1 dat het toeschrijven dier tegenwerpingen aan sophisten1 een bewijs is1 dat ,plato de leer van ,protagoras goedkeurde4 ,integendeel moet hierin een bewijs gezocht worden van zijne verachting voor die leer1 daar hij te kennen geeft1 dat de minste sophist haar gemakkelijk kon werleggen4 #bjg 4 ,deze woorden staan in den accusativus1 die afhangt van 1 dat uit de naastvorige woorden van ,socrates hier moet bijgedacht worden4 #bjh is een dativus commodi1 waarin hier de hatelijke beteekenis ligt1 dat de vrees van dat kind ,socrates uitstekend te stade kwam4 #bji ,de constructie is3 1 1 4 #baj ,hierin schijnt eene hatelijkheid tegen de sophisten te schuilen4 beteekent eigenlijk vooruitzien4 ,wat moest nu ,theaetetus vooruitgezien hebben8 ,immers dat1 zoo hij ontkende1 de leer van ,protagoras zou vallen4 ,edoch1 wanneer hij dat ontkennen naliet1 niet omdat hij wezenlijk overtuigd was1 dat hij het moest nalaten1 maar omdat zijne stelling daardoor vallen moest1 dan was het doel der redekaveling niet1 waarheid te zoeken1 maar gelijk te hebben4 #baa 4 ,dat voor staat1 doch sterker is1 daar hier de persoon1 als eenzelvig met het gelach1 als door en door bespottelijk wordt voorgesteld1 is duidelijk genoeg4 ,het lidwoord echter voor heeft meer zwarigheid4 ,stallbaum komt mij voor1 de waarheid vrij goed gevoeld te hebben4 ,plato laat ,protagoras zich zelven zoo naauwkeurig aanwijzen1 om hem daardoor te doen aanduiden1 dat de geheele strijd eigenlijk uit persoonlijkheid tegen hem ontstaan was4 #bab ,de constructie is3 1 1 4 #bac 4 ,zeer juist heeft ,plato hier 1 niet gebezigd1 want wanneer enkele achtereenvolgende eenheden eene oneindigheid daarstellen1 dan kan dit alleen door eene oneindige reeks geschieden1 die steeds wordt1 maar nimmer voltooid is4 #bad 1 4 ,dit is eene constructio praegnans1 daar uit hetzij of een ander woord van dezelfde beteekenis moet ingevuld worden4 #bae 4 ,dit is moeijelijk te verdedigen1 tenzij er iets is uitgevallen1 b4 v4 of iets dergelijks4 ,misschien echter is na uitgevallen1 hetgeen door de overeenkomst in klank met het volgende kan veroorzaakt wezen4 #baf 4 ,dit kan op twee wijzen verklaard worden1 want beteekent eigenlijk beschuldigen1 maar is later gebezigd van het toekennen eener eigenschap in het algemeen1 vanwaar in de ,aristotelische wijsbegeerte het woord 1 praedicamentum1 gebezigd is1 om de algemeene rubrieken aan te duiden1 waaronder de verschillende hoedanigheden1 die aan de dingen worden toegekend1 begrepen zijn4 ,neemt men de laatste beteekenis1 dan is alles duidelijk1 want dan zegt ,plato hier eenvoudig1 dat men noch aan den zieken de eigenschap van domheid1 noch aan den gezonden die van wijsheid moet toekennen2 doch dit laatste gebruik is meer ,aristotelisch dan ,platonisch4 ,daarom geef ik de voorkeur aan de eerste beteekenis1 die van beschuldigen1 en verklaar dan den zin aldus1 dat ,plato bij den zieken aan eigenlijk beschuldigen gedacht heeft1 maar bij den gezonden uit het voorgaande beschuldigen een woord in de gedachte heeft ingevuld1 dat tot beschuldigen in dezelfde reden staat1 als wijsheid tot domheid4 ,zie ,matthiae1 ,ausf4 ,gr4 ,gr4 #fcd41 #c1 #f4 #bag 4 ,deze spreekwijs is weder voor twee uitleggingen vatbaar1 daar men namelijk f kan vertalen3 de andere dan de betere1 dat is de slechtere1 f aannemen1 dat ,plato begonnen is1 als had hij willen schrijven3 1 maar1 omdat hierdoor alleen verandering1 maar niet verandering ten goede zou aangeduid worden1 in plaats van 1 geschreven heeft4 #bah ,deze redenering komt hierop neder3 ,eene ware meening is zooals de zaken zijn2 dus zijn de zaken1 die werkelijk bestaan1 haar voorwerp4 ,is nu hetgeen werkelijk bestaat1 het voorwerp der ware meening1 dan is1 hetgeen niet werkelijk bestaat1 het voorwerp der valsche4 ,edoch1 wat niet bestaat1 heeft geene eigenschappen1 dus ook niet die van voorwerp eener meening te zijn4 ,dus heeft de valsche meening geen voorwerp4 ,dus bestaat zij niet1 q4 e4 d4 ,het is naauwelijks noodig te doen opmerken1 dat deze redenering verkeerd is1 omdat zij het onderscheid over het hoofd ziet tusschen het bestaan van de meening en hare voorwerpen in den geest1 en het buiten den geest aanwezig zijn van voorwerpen1 die daarmede overeenkomen4 #bai staat hier voor en ziet op 1 daar de goede meening evenzeer met den goeden toestand van de ziel verwant is1 als de kwade met den kwaden4 #bbj hoort eigenlijk in den vorigen zin4 ,zie ,buttm41 ,gr4 ,gr4 #adc4 #d4 #bba ,er staat woordelijk3 naar de ligchamen noem ik ze artsen en naar de planten landbouwers4 ,in dezen zin kon zulk eene constructie nog eenigzins toegelaten worden1 maar zoo ,plato eens gezegd had3 naar de ligchamen noem ik ze artsen en naar de zielen sophisten1 dan zou dit1 volgens de in de vertaling gevolgde wijs van verklaren1 zeer juist geweest zijn1 doch tevens aanleiding tot eene dubbelzinnigheid gegeven hebben1 daar deze woorden1 oppervlakkig beschouwd1 den schijn zouden hebben1 als werden daarin de wijzen naar ziel en ligchaam beschreven1 daar dan ziel en ligchaam moeijelijk iets anders dan de ziel en het ligchaam der wijzen zou kunnen beteekenen4 ,in den tekst is nu wel deze verklaarwijs niet mogelijk1 doch dat zij hier niet kan toegelaten worden1 blijkt niet uit den grammaticalen zamenhang1 maar uit de ongerijmde resultaten1 waartoe zij voeren zou4 ,dit meen ik als een gebrek in ,plato's stijl te dezer plaatse te moeten aanmerken4 #bbb ,hier komt reeds de zwakheid dezer theorie aan den dag1 daar het goede en kwade hier beurt om beurt regtvaardig heet1 maar daardoor zelf1 als op zich zelf1 onafhankelijk van de meening der menschen1 goed of kwaad zijnde beschouwd wordt4 #bbc ,dit laatste kan op twee wijzen verklaard worden2 namelijk1 f van het dulden van tegenspraak in het algemeen1 f van het toelaten der vragende methode1 welke laatste door ,socrates gewoonlijk werd toegepast1 dewijl hij daardoor de sophisten belette in lange redevoeringen door de kracht der welsprekendheid hunne toehoorders te misleiden4 ,vragen en lange redevoeringen staan dan ook bij ,plato steeds tegen elkander over1 maar ,protagoras had1 zooals uit de naar hem genoemde zamenspraak kan blijken1 van beiden zijn werk gemaakt4 #bbd --4 ,dit sluit niet goed op elkander1 daar de symmetrie vordert f tweemaal1 f in het geheel niet te schrijven4 ,ik verklaar mij voor het laatste1 omdat hier niet aan eene vertooning1 een spiegelgevecht1 maar aan werkelijk redekavelen moet gedacht worden4 #bbe 4 ,ik heb door daar vertaald1 dewijl wij1 omdat de periode na slechts eene bevestigende uitbreiding van de voorgaande is1 hier het voegwoord daar zouden verwachten1 ofschoon de ,griek zich vergenoegt met twee zulke perioden eenvoudig door en te verbinden1 en het opmerken der nadere betrekking aan de scherpzinnigheid der lezers overlaat4 #bbf 4 ,ik heb vroeger gemeend hier te moeten lezen1 en dacht dan om struikelingen1 die door den teregtbrenger vroeger begaan waren1 doch waarvan hij genezen was2 maar nu houd ik het voor beter1 hier te denken aan die struikelingen1 welke de teregtbrenger aan den teregtgebragten verwijt4 ,dan is de zin deze3 ,hij zal hem niet in de war helpen1 om hem dan later de fouten1 die hij hem heeft laten doen1 te verwijten1 maar hij zal hem alleen de fouten1 die hij van zelfs maakt1 onder het oog brengen1 daar het hier om waarheid1 niet om gelijk hebben te doen is4 #bbg 4 ,dit woord beteekent eigenlijk vertoonen1 maar wordt van het ten toon stellen van eigen arbeid1 en vandaar van den arbeid zelven gebezigd4 #bbh ,dit laatste is duidelijk een paskwil op ,protagoras zelven1 wiens tegenwoordige leerling ,theodorus de wijsbegeerte voor de meetkunst had laten loopen4 ,over het geheel is1 hetgeen ,socrates hier uit naam van ,protagoras aan zich zelven voorschrijft1 eigentlijk niet tegen ,socrates gerigt1 daar deze juist die regels opvolgde1 maar tegen zijne tegenpartij1 de sophisten1 wien het om gelijk hebben1 niet om waarheid te doen was4 ,men vergelijke hier de door ,aristoteles van eenen sophist gegevene bepaling3 1 4 1 ' 4 7,soph4 elench4 #a4 #f47 d4 i43 de ,sophistiek is eene schijnbare1 maar niet werkelijke wijsheid1 en een sophist is iemand1 die zich door schijnbare1 maar niet werkelijke wijsheid zoekt rijk te maken4 #bbi ,hierin is eene belangrijke waarheid opgesloten4 ,onze meeste woorden1 ja onze meeste begrippen1 zijn zonder de noodige zaakkennis gevormd1 waarvan het onvermijdelijk gevolg is1 dat daaronder vele gebrekkige en valsche woorden en begrippen gevonden worden2 weshalve het bij wijsgeerig onderzoek volstrekt noodig is1 hierop naauwkeurig acht te geven1 en het gewone niet dadelijk voor het werkelijk bekende te houden4 ,om hier met juistheid te werk te gaan1 is eene genetische ontwikkeling vooral aan te bevelen4 ,zie ,theod4 ,waitz1 ,grundlegung der ,psychologie1 p4 #a-h4 #bcj ,de uitleggers hebben hier vele zwarigheden gezien1 en zelfs gemeend1 dat hier veranderingen noodzakelijk waren4 ,ik geloof echter1 dat zulks onnoodig is1 en dat de beteekenis van beginnen hier uitstekend op hare plaats is4 ,socrates geeft te kennen1 dat hij begonnen is ,protagoras te verdedigen1 daarmede ,theodorus zijdelings aansporende1 om het daar niet bij te laten blijven1 maar hetgeen hij begonnen had1 verder te voltooijen4 #bca -- 4 ,deze verbinding is vreemd1 daar hier een gen4 abs4 met een werkwoord in de aantoonende wijs wordt verbonden4 ,zwarigheid is er echter niet in1 daar de woorden op hetzelfde neerkomen1 alsof er stond3 4 #bcb ,merkwaardig is de aardige wijs1 waarop ,socrates ,theodorus in het gesprek weet in te wikkelen4 ,hierdoor wil ,plato waarschijnlijk te kennen geven1 dat het hier volgend onderzoek van het hoogste gewigt is en eene groote rijpheid van oordeel vordert4 #bcc 4 ,dit kan het best verklaard worden1 door achter de woorden in de gedachte in te voegen4 #bcd 4 ,ik heb gemeend1 hier te moeten lezen1 daar ,sciron in dezen zamenhang volstrekt niet te pas komt1 en ,plato in het volgende1 niet ,sciron1 maar ,antaeus vermeldt1 welke laatste hier met regt wordt aangehaald1 daar hij al de voorbijgangers dwong1 om met hem te worstelen4 ,zie overigens het aangeteekende op hoofdst4 ,,xvi41 blz4 #gj 7#a74 #bce 4 ,dit zou doen vermoeden1 dat ,sciron in het overige op zijne plaats was1 hetgeen door de vermelding van ,theseus1 die met ,sciron gevochten heeft1 bevestigd wordt4 ,met dat al komt ,sciron in het vorige niet te pas1 waarom ik liever op ,antaeus en zijns gelijken in het algemeen laat slaan1 en de vermelding van ,theseus beschouw1 als onwillekeurig voortgevloeid uit het nationaal gevoel van ,plato1 die ,hercules noemende1 den grooten ,atheenschen held niet kon voorbijgaan1 terwijl dan daarom in het vorige ,sciron door een afschrijver ten onpas is ingevoegd4 #bcf ,die mannen zijn de sophisten1 die1 gelijk bekend is1 aanhoudend met ,socrates in twist waren1 daar ,socrates zich juist ten doel had gesteld1 hunnen verderfelijken invloed te weren4 #bcg ,theodorus zou ,socrates van dienst zijn1 doordien hij hem genoegen zou geven2 en zich zelven1 doordien hij zijnen vriend zou verdedigen4 #bch ,namelijk3 tot aan het eindoordeel over de leer van ,protagoras4 #bci ,woordelijk3 eene spelende soort van redekaveling maken4 #bdj ,de zin is woordelijk3 nu zou iemand ons ligt zonder magt over de toestemming in zijnen naam stellen4 #bda ' 4 ,hier zal wel onder verstaan worden4 ,de zin is dan deze3 niet door algemeene redeneringen1 buiten het stelsel van ,protagoras om1 maar uit dat stelsel zelf1 moeten wij zijn gevoelen opmaken4 #bdb ziet alleen op 1 maar uit dat verbum moeten de met en overeenkomende werkwoorden bij die woorden worden ingevoegd4 ,zie over eene dergelijke plaats bij ,aristoteles1 mijne aanteekeningen op de ,anima ,,ii4 cap4 ,,viii4 #aj1 voorkomende in het #h;e nommer der ,symbolae literariae4 #bdc beteekent in dezen zin3 niet het oordeel van anderen1 maar van de menschen over zich zelve4 #bdd ,woordelijk3 edoch het gezegde1 dat den mensch de maat van alle dingen noemt1 is tot dat der noodzakelijkheid gekomen4 is genitivus partitivus en beteekent dan3 dit bepaalde punt in de rij der noodzakelijk elkander opvolgende dingen4 ,zie ,buttm41 ,gr4 ,gr4 #acb4 #b4 b47 ,anm4 #c4 #bde 4 ,woordelijk3 die mij de moeite berokkenen1 welke uit menschen ontstaat2 hetgeen in dezen zin moeijelijk iets anders beteekenen kan1 dan3 die mij al de moeite berokkenen1 welke de eene mensch den anderen kan aandoen4 #bdf is hier twijfelen en wordt door eene sterkere ontkenning verbeterd1 welke uitgedrukt wordt door met een negatief praedicaat4 #bdg 4 ,ik heb deze woorden in de vertaling weggelaten1 omdat zij geheel overtollig zijn4 ,zij behooren tot de vaak al te groote omslagtigheid van ,plato's stijl1 die gegrond is in zijn pogen1 om den vrijen loop van een dagelijksch gesprek na te bootsen4 #bdh ,woordelijk3 ons zelven gebruiken1 hoedanig wij ook zijn4 #bdi 4 ,deze woorden komen hier volmaakt overeen met 4 4 42 men zou ze kunnen vertalen3 al wat tot deze soort 7tot dit rubriek7 behoort2 doch deze omslagtige uitdrukking zou althans in het ,hollandsch de rondheid der periode belemmeren4 ,ik houd het voor een vereischte in eenen goeden stijl1 althans in wijsgeerige werken1 dat men alle stopwoorden zoo kort mogelijk maakt1 om de opmerkzaamheid van den lezer niet af te leiden4 #bej ziet natuurlijk op vr 1 zoodat hier wordt gezegd1 dat voor iederen staat1 datgene regtvaardig1 enz41 is1 wat die staat als zoodanig wil beschouwen4 ,deze aanmerking diene dus om het misverstand te voorkomen1 als werd hier geleerd1 dat hetgeen iedere staat bepaalt1 een algemeene regel wordt1 die voor iederen staat geldig is4 ,dit kon welligt uit de woorden gehaald worden1 maar strijdt regelregt tegen de leer van ,protagoras1 die juist van het algemeene niet hooren wilde1 maar ieder enkel wezen op zich zelf nam1 en de volkomene subjectiviteit en subjective waarheid der verschillende meeningen voorstond4 #bea ,deze leer toch is1 zoo als ieder ligtelijk inziet1 een gewijzigd ,protagorismus1 als het ware de uitlegging zijner leer door de ,protagoristen van de regterzijde4 #beb ,het is opmerkelijk de verandering van beteekenis na te gaan1 die met dit woord heeft plaats gehad4 beteekent oorspronkelijk ledigen tijd4 ,daar nu oudtijds de studie liefhebberij was1 en alleen1 hetgeen tot levensonderhoud dienen moest1 als werk beschouwd werd1 is in gebruik gekomen voor liefhebberij-studie4 ,vandaar is het van alle studie gebezigd1 en eindelijk ook van die studie der jeugd1 die alles behalve uit liefhebberij plaats heeft4 #bec wordt hier door vooral vertaald1 hoezeer het eenvoudig en beteekent4 ,de oorzaak is1 dat door eene constructie als de hier plaats hebbende1 het woord1 waar bijstaat1 bijzonder op den voorgrond komt1 daar het daardoor uitgedrukte denkbeeld uit eene menigte andere alleen wordt genoemd4 ,dit drukken wij uit door vooral1 zonder daarom te beweren1 dat ooit vooral kan beteekenen4 #bed beteekent wijsgeerige studin1 verschillende vakken van wijsbegeerte1 gelijk virtutes in het ,latijn van goede hoedanigheden1 van verschillende onderdeelen der ne deugd wordt gebezigd4 #bee 4 ,in dit woord ligt eene beteekenis van verachtelijkheid1 die hier in ,socrates mond zeer goed geplaatst is4 ,het komt omtrent op hetzelfde ner1 als wanneer wij spreken van zich rondwentelen in zingenot4 #bef 4 ,eigenlijk de vr hem liggende1 vandaar die1 welke hem tegenwoordig bezig houdt4 ,zoo beteekent het dan juist het tegenovergestelde van voorgesteld1 in de verte aangewezen4 ,wij zeggen ook3 voor de handliggend in denzelfden zin4 ,evenzoo moet dit woord1 naar mijn inzien1 opgevat worden3 ,hebr4 ,,xii4 #b4 #beg 4 ,hiermede wordt de bedoeld1 namelijk een wateruurwerk1 waardoor de tijd naauwkeurig bepaald werd1 die men voor eene geregtelijke redevoering besteden mogt4 #beh 4 ,stallbaum merkt zeer juist aan1 dat hiermede waarschijnlijk eene korte opgaaf van de punten der beschuldiging1 die moesten werlegd worden1 bedoeld wordt4 ,hoezeer ik geenszins geloof1 dat1 althans bij alle soorten van processen1 eene bepaalde wet den verdediger aan die opgave bond1 zoo spreekt het echter van zelf1 dat de wijze1 waarop de beschuldiging was ingerigt1 de verdediging moest wijzigen1 daar zij alleen tot afwending van die beschuldiging werd aangewend4 ,immers1 die zich niet aan de punten der beschuldiging hield1 liep daardoor veeltijds gevaar1 eene onvolledige verdediging te leveren4 #bei ,de woorden worden teregt door ,stallbaum1 op het voetspoor van ,abresch1 uitgeworpen1 daar zij geheel den vorm van eene randteekening hebben1 die bij vergissing in den tekst is opgenomen4 #bfj wordt eigenlijk van den wedstrijd in het loopen gezegd1 maar hier komt het voor in de algemeene beteekenis van strijd4 #bfa ,het is bekend1 dat in ,athene de gedaagden allerlei kunsten aanwendden1 om de regters in hun voordeel te stemmen1 en dat het verwaarloozen dier kunsten juist de oorzaak der veroordeeling van ,socrates is geweest4 ,zie ,apolog4 cap4 ,,xxiii en ,,xxiv4 #bfb 1 woordelijk3 het vrije1 dat is1 die gezindheid1 die vrije menschen past4 ,men ziet hier den invloed van de inrigting der maatschappij op de taal1 daar eene spreekwijs als deze slechts in eenen staat1 waarin slavernij bestond1 ontstaan kon4 #bfc is hier subjectief genomen1 dat is1 het beteekent niet zoo zeer de waarheid op zich zelve1 als wel die gezindheid1 die het ware doet spreken en in daden aan den dag leggen4 ,daarom heb ik gemeend hier opregtheid te mogen vertalen4 #bfd ,woordelijk3 dat wij de mannen van onze rij doorgegaan of voorbijgegaan zijnde1 ons weder tot de redekaveling wenden4 ,dus stond het terugkeeren tot de redekaveling vast1 en het was alleen de vraag1 of zulks dan eerst zou geschieden1 nadat ook de ware wijsgeeren beschreven waren1 of met voorbijgaan van die beschrijving4 #bfe 4 is eigenlijk een rei zangers op het tooneel1 doch het is bekend1 dat in het ,attische treurspel zulke reien dikwijls gesplitst werden1 zoodat de twee halve reien dan tegen elkander overstonden4 ,van hier is deze uitdrukking voor partijschappen gebezigd4 ,dit is weder een voorbeeld van den invloed der zeden op de taal4 #bff 4 ,hoewel ook de waarde der tooneelstukken door regters beoordeeld werd1 ziet dit echter vooral op 1 daar meer tot het vorige1 voornamelijk tot de processen behoort4 ,de vermelding der dichters is hier veroorzaakt door de van de reien in de treurspelen ontleende uitdrukking4 #bfg --4 wordt1 geloof ik1 gezegd van de wetten en besluiten1 die op het oogenblik behandeld worden1 van zoodanige1 die vroeger vastgesteld zijn1 en nu als bewijs voor of tegen worden aangehaald4 ,verder ziet natuurlijk op de geschrevene1 op de hangende wetten en besluiten4 #bfh kan verklaard worden1 gelijk onze ,hollandsche uitdrukking3 om te doen1 terwijl dan enz4 subjecten zijn van 1 dat in singulari gezet wordt1 omdat die subjecten1 van verschillend geslacht en levenlooze dingen zijnde1 als neutra beschouwd worden4 #bfi ,dat is3 hij wendt geene verachting der wereldsche dingen voor1 om daardoor den schijn aan te nemen1 als ware hij boven het gewone peil der menschelijkheid verheven4 #bgj 4 ,woordelijk3 wat boven den hemel is1 namelijk de spheer der vaste sterren4 ,men kan echter welligt ook van het uitgelatene laten afhangen en meer als bijwoord beschouwen4 #bga --4 ,woordelijk3 en overal elke natuur onderzoekend van ieder geheel der bestaande dingen4 zal hier wel het genus beteekenen1 zoodat dan deze woorden aldus moeten uitgelegd worden1 dat de ziel van alle geslachten van bestaande dingen het algemeene onderzoekt1 zonder zich tot de individu's af te laten4 #bgb 4 ,men merke het gebruik der deelwoorden en bijvoegelijke naamwoorden in het ,grieksch op1 daar in die taal deze woorden veelvuldig gebezigd worden1 waar wij bijwoorden of voorzetsels met hunnen naamval 7hetgeen op hetzelfde nerkomt7 bezigen4 #bgc beteekent bepaaldelijk3 gebrek aan oefening4 ,zoo zegt ,aristoteles3 ,de ontstaat bij de menschen uit de herinnering4 ,want vele herinneringen aan dezelfde zaak brengen eene tot stand10 enz4 ,metaph4 ,i4 #a41 waar herinnering1 bekwaamheid door oefening1 theoretische kennis1 als de drie trappen der ontwikkeling van den geest worden opgegeven4 #bgd ,bij de oneindige processen te ,athene was het van veel belang1 zooveel mogelijk kwaad van anderen te weten1 om1 zoo men beschuldigd werd1 den aanklager zijne gebreken te kunnen verwijten1 en daardoor zijne aanklagt te ontzenuwen4 #bge is eigenlijk iemand1 die vol grillen is4 #bgf 4 4 4 ,men ziet hier het voordeel der declinatie1 waardoor de ouden veel beter dan wij in staat waren1 de woorden zoo te rangschikken1 dat het hoofddenkbeeld op den voorgrond kwam4 ,natuurlijk staat hier 7in den genitivus partitivus7 scherp tegenover 4 #bgg ,dit moet hier ingevoegd worden1 hoewel het in het ,grieksch niet noodig is1 daar de bovenaangestipte vrijheid der ,grieksche taal ,plato hier in staat stelde1 met den genitivus1 die van afhangt1 te beginnen1 hetgeen voor ons onmogelijk is4 #bgh is eigenlijk3 gebrek aan opvoeding1 doch hier wordt niet zoo zeer dat gebrek zelf1 maar de onwetenheid1 die daaruit volgt1 bedoeld4 #bgi ,hier begaat ,plato eene fout1 die zeer gewoon is4 ,volgens de gewone berekening heeft het menschelijk geslacht ongeveer #fjjj jaar op aarde gewoond4 ,een geslacht wordt gerekend op #cj jaar4 ,dit geeft #bjj geslachten4 ,al geeft men nu toe1 dat de berekening van de tegenwoordige oudheid des menschdoms zeer gebrekkig is1 zoo is het toch alleronwaarschijnlijkst1 dat de fout dier berekening groot genoeg is1 om reeds in ,plato's tijd zulk eene groote menigte voorouders aan iemand te kunnen toeschrijven4 #bhj ,woordelijk3 van het3 wat beleedig ik u1 of gij mij8 ,met deze woorden worden de klagten over onregt als werkelijk plaats hebbende geschilderd4 #bha ,de koninklijke magt werd toen ter tijde als het hoogste toppunt van aardsche zaligheid geschilderd4 ,deze rigting openbaarde zich reeds bij ,euripides1 hetgeen hem door ,plato verweten werd4 ,zie ,rep4 ,,viii4 cap4 ,,xviii4 #bhb 1 natura1 natuur lijden allen aan de dubbelzinnigheid1 dat zij dan eens de natuur in het algemeen1 dan eens de wezenheid van een bepaald wezen beteekenen4 #bhc is eigenlijk hij1 die niets van de straf der goddelijke geregtigheid te vreezen heeft4 #bhd ,hier heeft ,plato zich door de tegenstelling tusschen kwaad en goed laten verleiden1 om het kwaad noodzakelijk voor het bestaan van het goed te noemen2 eene dwaling1 die hij trouwens niet voor de laatste maal verkondigd heeft4 ,plato zelf echter was reeds op den weg om ze te verbeteren1 daar hij beweerde1 dat het kwaad niet in de ,godheid kan gegrond zijn1 hetgeen hij niet kan volhouden1 zoo hij de ,godheid goed noemt1 en het goede zonder het kwade niet denken kan4 ,indien kwaad de positive tegenstelling van goed is1 dan vorderen zij elkander1 maar zoo kwaad slechts een ontkennend begrip is1 dan laat het zich begrijpen1 hoe men het bij eindige wezens onvermijdelijk kan noemen1 en het toch aan de ,godheid ontzeggen4 ,zie ,opklimmend deel der wijsbegeerte1 blz4 #df 7#a74 #bhe ,namelijk3 van het aardsche naar het goddelijke4 #bhf ,namelijk3 daarin1 dat men zijn heil zoekt in het eeuwige1 onveranderlijke1 goddelijke1 en zich van het aardsche losmaakt2 waarvan het gevolg is1 dat de aardsche rampen ons minder treffen4 ,want waar uw schat is1 daar zal ook uw hart zijn4 #bhg 4 begint eenen zin1 die dadelijk wer wordt afgebroken1 om met en hetgeen daarop volgt1 de reden van hetgeen daarin zou gezegd worden te geven1 terwijl die afgebroken zin bij weder wordt opgevat4 #bhh 4 ziet geenszins op ,god1 maar op het zooveel mogelijk regtvaardig worden4 #bhi ,woordelijk3 ten opzigte van dit1 is de ware voortreffelijkheid1 nietswaardigheid1 en onmannelijkheid van een man4 ,de ,grieken1 vooral de ,atheners1 hielden de vrouwen buiten alle beschaving en spraken daarom steeds van mannen alleen1 waar wij van menschen in het algemeen spreken4 ,ik heb echter gemeend hier mensch te mogen vertalen1 zoo omdat de zaak zelve medebrengt1 dat hier even zoo zeer aan vrouwen als aan mannen moet gedacht worden1 als om de bekende uitspraak van ,plato1 dat de vrouwen van natuur voor dezelfde ontwikkeling vatbaar zijn als de mannen1 en dat1 zoo zij van vele dingen zijn uitgesloten1 zulks alleen aan de verkeerde opvoeding te wijten is4 ,zie ,rep4 ,v4 cap4 ,,iv-,,vi4 ,wanneer dus ,plato van mannen spreekt1 waar hij van menschen moest spreken1 schikt hij zich naar het gewone spraakgebruik4 #bij ,plato hield zich overtuigd1 dat de oorzaak van het zedelijk kwaad onkunde is1 daar niemand wetens en willens zijn waarachtig belang zal verwaarloozen4 ,aristoteles daarentegen hield kennis wel zeer noodig voor een deugdzaam leven1 maar niet voldoende2 daar er volgens hem nog oefening moet bijkomen4 #bia ,zoo men de schijnbare voordeelen der misdaad daarvan kon wegnemen1 zouden de misdadigers hun ware belang inzien en zich beteren4 #bib ,eigenlijk3 in den staat1 hetgeen voor de ,atheners1 die in eene democratie leefden1 waar elk zich met politiek bemoeide1 hetzelfde beteekende1 als wanneer wij van de maatschappij spreken4 #bic ,terwijl velen door den tegenspoed der vromen in hun geloof aan een wijs en magtig wereldbestuur zijn aan het wankelen gebragt1 meende ,plato en later de ,stocijnen in dien tegenspoed een bewijs te zien1 dat de ware belooning der deugd niet buiten1 maar in de deugd moet gezocht worden1 en dat de uiterlijke omstandigheden weinig of geen invloed hebben op het waarachtig levensgeluk4 #bid 4 ,woordelijk3 in het zijnde1 maar daar ,plato de wereld der iden1 of de denkbeeldige wereld1 voor het ware zijnde hield1 heb ik gemeend dit woord aldus te mogen vertalen4 ,zie mijne vertaling van den ,phdo1 blz4 #ec-eg4 #bie 4 ,hierin ligt de aanduiding1 dat er wat nieuws komt1 sterker dan het voorgaande4 #bif ,de denkbeeldige wereld1 waar de reine zielen wonen en zich verheugen in het aanschouwen der eeuwige iden4 ,zie mijne vertaling van den ,phdo1 blz4 #ada-aeg4 #big ,woordelijk3 maar dat zij dr steeds de met hen overeenstemmende gelijkheid van levenswijs zullen hebben4 #bih ,hiermede wil ,socrates niet te kennen geven1 dat het andere naar zijn inzien niet zeker was1 maar alleen1 dat zij het nog eerder konden ontkennen dan dit4 ,zie ,luc4 ,v4 #bc41 waar niet bedoeld wordt1 dat het eene zooveel moeijelijker dan het andere was om uit te spreken1 maar dat de ne uitspraak vrij wat beter dan de andere aan de uitkomst kon getoetst worden1 en dus met vrij wat meer gevaar voor beschaming gepaard ging4 #bii 3 d4 i4 niet voor het publiek1 dat zich met bombast laat inpakken1 maar in een bedaard gesprek1 waar punt voor punt bedaard overwogen wordt4 #cjj 1 eigenlijk3 zeiden1 maar zeggen is het gevolg van oordeelen4 #cja ,woordelijk3 zij die de zich bewegende wezenheid zeggen4 #cjb ,d4 i43 de naam blijft1 zoolang zij niet wordt afgeschaft2 doch dit belet niet1 dat de zaak ondertusschen geheel van aard kan veranderen2 en1 al blijft zij nuttig heeten1 werkelijk schadelijk kan worden4 ,wij spreken hier echter van de zaak zelve2 de naam is ons onverschillig4 #cjc namelijk 4 is de eerste en de tweede accusativus van 4 #cjd 4 ,het geslacht omvat het enkele1 dat er toe gerekend wordt4 ,hier is het toekomstige het geslacht1 en het nuttige wordt beschouwd als eene soort1 die er toe gerekend wordt4 ,of dit nuttige nog onder een ander geslacht behoort1 wordt hier niet gezegd1 en is ook geheel onverschillig4 ,daarom staat hier geheel voor niet1 terwijl het bij zeer goed geplaatst is1 daar het geslacht meer dan ne soort omvat1 en dus het toekomstige1 dat hier als het geslacht beschouwd wordt1 meer soorten heeft dan het nuttige alleen4 ,daarom geloof ik1 dat in onzen tekst uit bij ontstaan is1 en meen in plaats daarvan te moeten lezen4 beteekent dan de dingen1 die op den toekomstigen tijd betrekking hebben1 het toekomstige4 #cje ,dit toevoegsel was noodig om te verklaren1 daar het allezins vreemd zou zijn1 dat een zin1 die dient1 om het vorige te bevestigen1 met maar begint4 #cjf ,hierin ligt eene vrij hatelijke1 doch welverdiende beschuldiging van ,protagoras opgesloten4 ,door consequent op zijne leer door te redeneren1 moest alle onderwijs voor gekheid verklaard worden1 vooral dat in de welsprekendheid1 daar dit juist ten doel heeft1 de kunst te leeren om anderen van onze meeningen te overtuigen1 en de middelen te bedenken1 om den uitslag van een regtsgeding naar ons welgevallen te doen plaats hebben4 ,dus was ,protagoras f zeer inconsequent1 f hij was een bedrieger1 die anderen voor veel geld eene kunst leerde1 welke hij zelf wist1 dat geene de minste waarde had4 ,het voorbeeld van een wigchelaar echter heeft hier niets hatelijks1 maar wordt alleen in dezen zin gebezigd1 dat al was de wigchelarij eene ware kunst1 toch volgens ,protagoras de beste wigchelaar niet beter over iemands toekomstigen toestand zou kunnen oordeelen1 dan ieder voor zich zelven4 ,dat echter ,plato niet in de wigchelarij geloofde1 meen ik aangetoond te hebben in de aanteekening 7#b7 op blz4 #aej mijner vertaling van den ,phdo4 #cjg 4 ,eigenlijk3 en ieder zou toestemmen1 namelijk1 zoo het hem gevraagd werd4 #cjh 1 4 ,het pronomen relativum staat hier in het meervoud1 omdat in 1 zooals uit blijkt1 duidelijk het denkbeeld van meer dan nen toestand ligt opgesloten4 ,het zou echter welligt aanneembaar zijn1 dat tusschen en moet ingevoegd worden4 #cji ,daar duidelijk op ziet1 heb ik gemeend dit woord in de vertaling terstond met het voorzetsel van te moeten verbinden4 ,dat dit bij ,plato geen plaats heeft1 kan ik1 met welke grammaticale kunsttermen het ook bedekt worde1 niet anders1 dan als een gebrek in zijnen stijl beschouwen4 #caj ,d4 i43 niets goeds4 #caa ,zooals b4 v4 tegenwoordig de borst door percussie onderzocht wordt4 #cab ,zie ,hoofdst4 ,,viii4 op het einde4 #cac 4 ,woordelijk3 gij zult getroffen zijn1 dat is1 hij zal u zoo plotseling antwoorden1 dat gij het antwoord reeds beet hebt1 als uwe vraag op zijn best is uitgesproken4 #cad ,het is zeer karakteristiek1 dat juist ,theodorus1 die althans in naam tot dezelfde partij behoorde1 dit ongunstige oordeel moest vellen4 ,hiermede wil ,plato te kennen geven1 dat het oordeel van een wetenschappelijk mensch van zelf tegen deze leer moest opkomen4 #cae ,socrates was beroemd om zijne kunst van de menschen de waarheid als uit de keel te halen4 ,zelfs hij zou echter met die lieden niets vorderen4 #caf hoort niet bij 1 maar is het subject van den infinitivus 4 #cag ,het is steeds moeijelijk1 bij uitspraken als deze1 te beslissen1 of ,plato schertsend of ernstig spreekt4 ,ik hel echter meer tot het eerste over1 en geloof niet1 dat hij zulk eenen diepen zin in de oude dichters gezocht heeft1 zoo om zijn oordeel over de dichterlijke geestvervoering1 gelijk ons dat in den ,io wordt medegedeeld1 als omdat hij1 gelijk bekend is1 de dichters uit zijne republiek wilde verbannen4 #cah ,wij zouden zeggen3 jan en alle man4 #cai ,zie over deze plaats van ,parmenides1 ,karsten1 ,philosophorum veterum reliqui1 ,,iii4 p4 #aje4 #cbj ,deze plaats is allezins merkwaardig voor het standpunt van ,plato1 dat1 de eenzijdigheid en relative waarde der ,eleatische en ,heraclitische wijsbegeerte erkennende1 de hoogere eenheid zocht daar te stellen1 waarin zij beiden werden opgenomen4 ,hier schijnt hij echter nog meer tusschen de tegenstrijdige gevoelens in te staan1 dan er zich boven verheven te hebben4 ,zie mijne vertaling van den ,phdo1 blz4 #aj1 #aa4 #cba ,het is juist gezien van ,plato1 dat hij hier eene vergelijking bezigt1 aan de worstelspelen ontleend1 daar dit gesprek1 zooals uit ,hoofdst4 ,,ii4 blijkt1 in een gymnasium 7school van ligchaamsoefeningen7 gehouden is1 of althans alzoo wordt voorgesteld4 #cbb --4 ,de woorden zijn te zamen het subject van het werkwoord 4 #cbc ,de leer der beweging heeft bijzonder de aandacht van ,aristoteles getrokken4 ,in zijne ,physische voorlezingen behandelt hij haar op vele plaatsen vrij uitvoerig4 ,in het ,ve boek1 cap4 #c1 stelt hij drie soorten van beweging1 naar de drie categorin der hoegrootheid1 der hoedanigheid en van de plaats2 namelijk vermeerdering en vermindering1 verandering1 en plaatsverwisseling4 ,van die laatste erkende hij drie soorten1 de cirkelbeweging1 de beweging in eene regte lijn1 en de gemengde4 ,van de soorten van beweging hield hij de plaatsverwisseling voor de eerste1 en van de soorten van plaatsverwisseling de cirkelbeweging4 ,verder beredeneert hij1 dat alle beweging eene bewegende oorzaak vordert1 en dat de eerste bewegende oorzaak zelve onbewogen zijn moet4 ,daar nu het heelal voortdurende beweging vertoont1 zoo moet er eene onbewogene oorzaak van de beweging des heelals zijn1 waarmede het bestaan der ,godheid als oorzaak van de beweging des heelals bewezen is4 #cbd ,hier staat in de handschriften 1 cirkelbeweging1 maar ,heindorf heeft te regt opgemerkt1 dat1 daar de cirkelbeweging slechts een onderdeel is van de tweede soort1 die hier bedoeld wordt1 voor liever moet gelezen worden4 #cbe ,wij zien hier de moeijelijkheid1 waarin men komt1 door bijzondere stellingen algemeen te maken1 of hetgeen alleen onder zekere bepalingen geldt1 onbepaald te willen staande houden4 ,dat alles in beweging is1 geldt alleen van de verschijnselen1 maar door het als volstrekt algemeene waarheid te verkondigen1 werden zij genoodzaakt alle bestaan1 alle waarheid1 alle waarneming te ontkennen1 zooals in het vervolg door ,plato wordt aangetoond4 #cbf 4 ,woordelijk3 volgens alle beweging1 maar alle beweging omvat noodzakelijk de beide soorten van beweging1 waarom ik gemeend heb1 het aldus te mogen overzetten4 #cbg ,hoofdst4 ,,xii4 #cbh ,algemeene begrippen vast te houden1 schijnt voor ,plato's tijdgenooten verbazend moeijelijk geweest te zijn1 daar hij hier ,socrates zelfs aan eenen meetkundige laat zeggen1 dat hij dit waarschijnlijk niet begrijpen zal4 ,het is echter mogelijk1 dat het woord toen ter tijde nog ongewoon was4 ,zie overigens blz4 #bb4 7#b74 #cbi ,woordelijk3 hoor het dan bij stukken4 #ccj 4 ,hier wordt natuurlijk niet van het ontstaan der gevoelde dingen1 maar van het ontstaan der gevoelde dingen gesproken4 ,de dingen bestonden vroeger evenzeer1 maar niet als gevoelde dingen4 #cca ' --4 is het object van 4 ,het lidwoord voor zal weggelaten zijn1 om eene te groote opeenstapeling van lidwoorden te voorkomen1 daar dadelijk nog -- volgt4 #ccb ,deze bevestigende vraag past zeer goed in den mond van ,theodorus1 die daarin zijn eigen gevoelen had wedergevonden1 en dus die uiteenzetting met veel belangstelling gevolgd was4 #ccc 4 ,eigenlijk waarom1 doch daar het doel des gespreks meestal1 en hier althans zeker1 in het ophelderen van het onderwerp des gespreks moet gezocht worden1 heb ik gemeend1 waarover te mogen vertalen4 #ccd ,zoo het alleen van plaats verwisselde1 maar niet veranderde1 dan zouden er bepaalde dingen zijn1 die in beweging waren1 en het zou dus mogelijk zijn1 datgene1 wat in beweging was1 met eenen vasten naam te bestempelen4 #cce ,dit is geheel consequent1 want zoo alles niet alleen steeds in beweging was1 maar tevens aanhoudend veranderde1 zoodat er letterlijk niets blijvends gevonden werd1 dan zou iedere naam n enkel oogenblik gelden1 daar in het volgende tijdstip een andere naam zou vereischt worden4 #ccf ,woordelijk3 dat zij ooit in het zien of hooren blijft4 ,de zin is dus1 gelijk uit het vervolg blijkt1 dat1 zoo alles steeds verandert1 ook de aandoeningen des gevoels geen oogenblik dezelfde blijven en alzoo de bestendigheid missen1 die bij de kennis gevorderd wordt4 #ccg ,dit is maar half goed1 want al is alle kennis gevoel1 dan is daarom alle gevoel nog geen kennis4 ,het volgde echter uit de leer van ,protagoras1 die kennis en gevoel als genoegzaam hetzelfde beschouwde1 weshalve ook in dien geest gevoel1 niet als het geslacht1 waaronder ook kennis behoort1 maar als identisch met kennis beschouwd is4 #cch ,namelijk1 het antwoord op de vraag3 wat is kennis8 te weten3 kennis is gevoel4 #cci 4 ,ik heb hier vroeger willen lezen1 hetgeen dezen zin zou geven3 om niets door onze woorden te doen stil staan4 ,men kan echter behouden1 en het op de voorstanders van de leer der beweging laten zien1 of lezen1 wanneer het beteekenen zou3 om ons zelven niet tot stilstand te nopen4 ,over bij den eersten persoon1 zie ,buttmann1 ,gr4 ,gr4 #abg4 ,anm4 #e4 #cdj ,ik heb hier door want vertaald1 zonder daarom te beweren1 dat ooit want kan beteekenen4 ,de woorden3 -- geven de tegenstelling tegen het naastvoorgaande1 dat afgekeurd wordt4 ,daarom geven zij de reden dier afkeuring1 hetgeen in de ,hollandsche uitdrukking wordt te kennen gegeven1 terwijl de ,grieksche zich met het aanduiden der tegenstelling vergenoegt4 #cda ,zie hoofdst4 ,,xxi4 #cdb ,zie hoofdst4 ,,xxvii op het einde4 ,hoewel ,socrates zelf hier weigert de ,eleaten te bestrijden1 heeft ,plato het daar aangeduide in den sophist1 die zich onmiddellijk aan den ,theaetetus aansluit1 volvoerd4 ,hij heeft daar echter aan de ,eleaten de beleefdheid bewezen1 dat hij hun standpunt niet door ,socrates1 maar door eenen ,eleatischen vreemdeling laat werleggen2 denkelijk1 om aan te duiden1 dat hunne leer slechts eene meerdere ontwikkeling behoefde1 daar zij naar zijn oordeel op den regten weg waren4 #cdc 4 ,het is bekend1 dat ruiterij in de bergen weinig1 maar in de vlakte veel kan uitrigten1 en dat daarom een leger1 welks voornaamste kracht in de ruiterij bestaat1 zijne stellingen in de vlakte neemt4 ,dus wordt ruiters in de vlakte te roepen1 gezegd voor iemand tot iets uit te noodigen1 dat hij gaarne doet4 #cdd ,hier wordt de ,parmenides reeds voorbereid1 waarin dit gesprek wordt beschreven1 of liever1 waarin een dialectisch onderzoek voorkomt1 dat ingekleed is in den vorm van een gesprek tusschen ,socrates en ,parmenides4 ,plato heeft in dat werk zijnen eerbied voor ,parmenides doen blijken1 door ,socrates zelven1 hoewel als een knaap1 door ,parmenides te laten werleggen4 #cde ,dat wij1 ook al waren al de uitdrukkingen ons duidelijk1 toch den zamenhang der redekaveling niet zouden kunnen begrijpen4 #cdf 4 ,het voorzetsel wordt achter geplaatst1 daar de zin dezer woorden is1 dat de indringende redekavelingen de oorzaak zouden zijn1 waardoor dat onderwerp niet zou behandeld worden2 zoodat de zin der uitdrukking dezelfde is1 als ware dit laatste door een passivum uitgedrukt4 ,overigens wordt eigenlijk gezegd van eenen troep beschonken jongelieden1 die1 van een feest komende1 gezamenlijk ergens indringen4 #cdg hangt nog af van 4 ,bij kan men gevoegelijk verstaan1 tenzij men als gedeeltelijk persoonlijk wil opvatten1 en als deszelfs subject beschouwen4 #cdh beteekent hetzelfde als ons somtijds4 ,de uitdrukking heeft de kracht van een bijwoord gekregen1 maar oorspronkelijk schijnt zij te beteekenen3 maar er zijn gevallen1 wanneer4 #cdi beteekent eigenlijk aanpakken1 hetgeen ook wij in het dagelijksch leven wel bezigen van het bestrijden eener meening4 #cej --' 4 ,wanneer1 zoo als hier1 en ' van elkander onderscheiden worden1 beteekent datgene1 wat naauwer verbonden is met den handelenden1 terwijl ' een van hem onderscheiden werktuig beteekent4 ,zoo gesproken werd van eenen sterrekundige1 die met zijne oogen door eenen kijker de sterren beschouwt1 dan zou van de oogen1 ' van den kijker gezegd worden4 ,hier komt ongeveer hetzelfde onderscheid voor1 dat ,socrates in den ,phaedo maakt tusschen de beginselen1 waaruit hij handelde1 en zijne ledematen1 die hij tot die handelingen noodig had4 ,zie mijne vertaling bl4 #aag en volgg4 #cea ,dit is eene zinspeling op het ,trojaansche paard1 waarin de ,grieksche helden zaten1 die ,troje hebben ingenomen4 ,dezelfde vergelijking bezigt ,cicero in eenen anderen zin1 wanneer hij zegt1 dat1 gelijk uit het ,trojaansche paard niets dan helden kwamen1 de school van ,isocrates slechts groote redenaars opleverde4 ,zie ,cic41 de ,orat4 ,,ii4 c4 #bb4 #ceb ,namelijk de zinnen4 #cec 4 en hoort bij elkander1 en drukt te zamen uit1 dat niet zoo zeer de zaak zelve1 waarmede dit geschiedt1 als wel hare identiteit bij de verschillende verschijnselen wordt onderzocht4 #ced --4 ,zoo men niet erkennen wil1 dat ,plato zich hier aan eene zekere wijdloopigheid schuldig maakt1 die trouwens bij hem dikwijls genoeg gevonden wordt1 dan moet men aannemen1 dat op den geheelen zin ziet1 van tot 1 en dat het andere lid1 dat met dezen zin door middel van vergeleken wordt1 geheel verzwegen is4 ,dit andere lid is dan natuurlijk niet anders dan het volslagen tegendeel van den zin1 waar vrstaat4 ,overigens is de reden1 waarom dit beter is1 te zoeken in de eigenaardige methode van ,socrates1 die zijne toehoorders liever zelf liet vinden1 dan dat hij hun oordeel door zijne uitspraken zocht te wijzigen4 ,het is de eigenschap der ,socratische 1 dat de leermeester zich niet op den voorgrond plaatst1 maar alleen den leerling aan het denken helpt4 ,zie blz4 #bi volgg4 #cee ,het zou nog wel mogelijk zijn1 het aan beiden gemeenschappelijke in beiden waar te nemen1 maar hiermede is dit nog niet als gemeenschappelijk erkend4 ,daartoe is het noodig1 die twee zinnelijke waarnemingen onder een hooger gezigtspunt zamen te vatten1 iets1 dat buiten het bereik der waarneming van de enkele zinnen valt4 #cef ,woordelijk3 maar de waardoor werkende kracht maakt u het aan allen en aan dezen gemeenschappelijke bekend1 waaraan gij den naam geeft van het zijn en het niet zijn1 en wat wij nu over dezelve vroegen8 #ceg 4 ,het gebrek van abstracte woorden in de talen is ten allen tijde een kruis voor de wijsgeeren geweest1 en heeft ze gedwongen nieuwe woorden te maken1 hetgeen aan de literatoren gewoonlijk aanleiding gaf1 om hen van barbarismus te beschuldigen4 ,zulk onverstandig ijveren heeft ons beroofd van het voorregt1 in het latijn eene taal der geleerden te bezitten4 ,de scholastici hadden het latijn uit zich zelve ontwikkeld1 en geschikt gemaakt tot het uitdrukken der wijsgeerige begrippen4 ,daar komen de literatoren en roepen3 dat latijn deugt niet1 want het werd in den tijd van ,augustus zoo niet gesproken60 ,dit oordeel verschrikte de mannen van andere vakken1 die latijn schreven1 en daar zij het latijn der tijdgenooten van ,augustus niet konden1 en het latijn der scholastici niet mogten gebruiken1 werden zij gedwongen de geheele taal te laten loopen1 en zich ieder van hunne moedertaal te bedienen1 hetgeen nadeelig op hunne sympathie voor de studie der oude letteren gewerkt heeft4 ,nu roepen zij op hunne beurt3 het latijn is nutteloos geworden6 ,alle vakken zijn reeds zoo goed in de moderne talen behandeld1 dat men het latijn wel missen kan60 en daardoor loopt de geheele studie der oude letteren1 althans in de verte1 gevaar2 daar de mannen van andere vakken zich meer en meer van dezelve1 als van eenen nutteloozen last1 zoeken te ontslaan4 ,zoo hebben de literatoren door onverstandigen ijver hunne eigen glazen ingeworpen1 daar zij niet wilden inzien1 dat de ontwikkeling der taal gelijken tred moet houden met de ontwikkeling der denkbeelden1 die in die taal worden uitgedrukt4 #ceh ,hier wordt een bewijs voor het bestaan der ziel gebouwd op de kennis der algemeene begrippen4 ,deze redenering is kortelijk aldus3 ,iedere zin heeft zijn eigen scherp begrensd gebied1 en de ne neemt de voorwerpen van den anderen niet waar4 ,wij hebben begrippen1 die het gemeenschappelijke in de waarnemingen der verschillende zinnen uitdrukken4 ,die begrippen kunnen niet afstammen uit eene der vijf van elkander scherp onderscheidene zinnen4 ,zij moeten dus gekend worden door een vermogen1 dat van die zinnen onderscheiden is1 en ze te zamen omvat4 ,dit vermogen willen wij ziel noemen4 ,dit vermogen kan 7aldus moeten wij ,plato aanvullen7 niet ligchamelijk zijn1 omdat de voorwerpen1 die er door worden waargenomen1 wel op alle ligchamelijke dingen worden toegepast1 maar zelve wegens hunne algemeenheid geenszins op ligchamelijke wijs kunnen waargenomen worden4 #cei ,dit klinkt voor onze ooren vreemd1 doch het was zulks niet voor de ,grieken1 die op schoonheid ook bij mannen zoo veel prijs stelden1 dat zelfs de wijze ,solon de schoonheid uitdrukkelijk onder de bestanddeelen van een volmaakt geluk opnoemde4 ,zie ,herod4 ,i4 ,cap4 #cb4 #cfj ,socrates is hier beter over ,theaetetus tevreden dan ik1 want juist hetgeen hier zoo voetstoots wordt aangenomen1 is aan vrij wat bedenking onderhevig1 daar de tegenpartij kan zeggen1 dat die algemeene begrippen niets anders zijn1 dan de bij alle zinnelijke waarneming telkens op nieuw op de hersenmassa gemaakte indrukken1 die1 juist omdat zij telkens wederkomen1 veel vaster dan het bijzondere1 dat telkens afwisselt1 blijven zitten1 en daardoor van zelfs een karakter van algemeenheid bekomen4 ,plato heeft echter in den ,phaedo eene andere opmerking gedaan1 die hier van zeer veel belang is4 ,zij is deze1 dat wij begrippen hebben1 die niet alleen niet afzonderlijk voorkomen1 maar zelfs nergens in zulke volkomenheid bestaan als wij ze denken4 ,zie mijne vertaling van den ,phdo1 blz4 #ec-eg en blz4 #age en #agf4 ,opklimmend deel der wijsbegeerte1 blz4 #fj en blz4 #fe en #ff4 #cfa ,stallbaum heeft zeer juist aangemerkt1 dat in dit hoofdstuk dan eens wezenheid en dan eens zijn beteekent4 #cfb ,deze zin moet1 geloof ik1 aldus verbeterd worden3 1 4 #cfc ,theaetetus laat zich door de in hem opkomende denkbeelden medeslepen1 om meer te zeggen1 dan hier eigenlijk noodig was4 ,hoewel ,plato deze uitweiding misschien alleen om den vurigen geest van ,theaetetus te schetsen gemaakt heeft1 ligt echter in deze woorden eene diepe waarheid verborgen4 ,het waarnemen van verband tusschen het verledene en tegenwoordige1 met het bewustzijn1 dat het verledene verleden is1 en het redeneren over het toekomstige laat zich onmogelijk uit stoffelijke werkingen verklaren1 en is een duidelijk bewijs voor het bestaan van eenen geest1 die zijne verschillende toestanden in de eenheid van zijn bewustzijn omvat4 #cfd ,de stelling1 dat de zinnen de wezenheid der dingen niet vatten1 is op zich zelve waar1 daar de zinnen alleen den indruk1 dien zij krijgen1 aan de ziel bekend maken1 maar over de oorzaak van dien indruk niets te kennen geven2 doch het bewijs1 door ,plato geleverd1 namelijk1 dat de zinnen de waarheid niet kunnen vatten1 daar de waarheid eener zaak in hare wezenheid gelegen is1 en de zinnen het afgetrokkene begrip3 wezenheid niet vatten1 is niet goed ingerigt2 daar hierdoor de vraag nog niet is afgesneden1 of niet welligt1 al wordt dit afgetrokkene begrip niet zinnelijk waargenomen1 toch de wezenheid1 dat is de waarheid1 van ieder ding in het bijzonder ons door de zinnen wordt bekend gemaakt4 ,plato had moeten aantoonen1 dat de zinnen ons wel de uiterlijke gedaante1 maar niet de inwendige wezenheid der dingen bekend maken4 #cfe ,namelijk1 de aandoeningen der zinnen en de kennis4 #cff ,hoezeer het altijd heilzaam is1 dwalingen weg te nemen1 is dit echter geenszins voldoende1 daar zoowel in het theoretische als in het practische de menschelijke geest stellige1 niet bloot ontkennende1 begrippen noodig heeft4 ,daarom geeft eene bloot negatieve kritiek altijd onbevredigende uitkomsten4 #cfg ,dit klinkt om het volgende vreemd4 ,men bedenke echter1 dat hier meening als geslacht tegenover het gevoel gesteld wordt1 en dat in zoo verre dit antwoord goed is1 hoezeer het nog vrij wat ontwikkeling vordert4 #cfh 1 eigenlijk3 uitgewischt hebbende4 ,het is eene zinnebeeldige uitdrukking1 ontleend aan de wassen schrijftafeltjes1 waarop men het geschrevene1 zoo het niet deugde1 met het platte einde van de schrijfstift uitwischte4 ,vandaar de bekende les3 saepe stilum vertas1 7,hor4 ,sat4 ,i #aj4 #gb47 dat is3 vlak dikwijls het geschrevene uit1 om het te verbeteren4 #cfi ,de leer1 dat alle meening zich op gevoelsaandoening moet gronden1 en dat alle meeningen juist daarom even waar zijn1 is reeds in het vorige behandeld4 ,daarbij is uitgemaakt1 dat niet alle meening even waar is1 en dat er wel degelijk valsche meening bestaat4 ,in plaats echter van die zaak als afgedaan te beschouwen1 wordt de vraag naar de valsche meening in het volgende nog eens behandeld1 ten einde1 zoo mogelijk1 het eigenlijke onderscheid tusschen de ware en de valsche meening op te sporen4 ,het is hetzelfde onderwerp1 dat later onder den naam van het kenmerk der waarheid de ,stocijnen en ,academici tegen elkander in het harnas joeg4 #cgj ,plato heeft hier de constructie verlaten1 waarmede hij begonnen was4 ,het werkwoord doet verwachten1 dat achter zal komen 1 maar ,plato heeft in plaats van met den indicativus de constructie met het deelwoord verkozen4 ,zie ,buttm41 ,gr4 ,gr4 #add4 ,verder heb ik vertaald door3 in onzekerheid wat ik denken en spreken moet1 omdat wij voor ons zelven denken en tot anderen spreken4 #cga ,deze echt wijsgeerige spreuk wordt theoretisch door ieder toegestemd1 maar practisch door bijna niemand toegepast1 daar het in onze eeuw vooral op het maken van effect aankomt4 #cgb ,dat is in onze wijs van spreken3 daar waarheid en leugen niet alleen subjectief1 maar wel degelijk objectief zijn4 #cgc ,hier volgen eenige zoogenaamde 7zwarigheden71 die dienen moeten om eene meer naauwkeurige ontwikkeling van de hier voorkomende begrippen te weeg te brengen4 ,aristoteles zegt in het eerste hoofdstuk van het tweede boek zijner ,metaphysica daarover het volgende3 ,het is voor hen1 die van zwarigheden willen vrij zijn1 heilzaam1 eerst goed door de zwarigheden heen te worstelen4 ,die latere gemakkelijkheid toch is een gevolg van de oplossing der vorige zwarigheden4 ,nu kan men niet oplossen zonder den knoop te weten2 maar het zoeken van zwarigheden toont1 waar dezelve zit40 ,verder merkt hij aan1 dat het zoeken der zwarigheden ook goed is1 om zich helder bewust te worden van het eigenlijke doel des onderzoeks2 om te weten of men dat doel bereikt heeft of niet1 en om zijn oordeel juist te maken1 door als het ware beide partijen te hooren4 #cgd ,zoo kennen en niet kennen te zamen dit geheele gebied omvatten1 en alle overgangsstandpunten worden uitgesloten1 dan kent men iets of kent het niet1 zonder meer2 en dan blijven alle verschijnselen1 die slechts uit gebrekkige of gedeeltelijke kennis verklaarbaar zijn1 een onoplosbaar raadsel4 #cge heeft hier de kracht van 4 #cgf 4 ,de eigenlijke beteekenis van is nvoudig4 ,waar nu meer gevallen mogelijk zijn1 is ieder in zooverre toevallig1 maar waar slechts n geval bestaat1 daar is dat ook onvermijdelijk en noodzakelijk1 hetgeen1 op de kennis toegepast1 de beteekenis van zonder uitzondering waar doet geboren worden4 #cgg 4 ,ik verklaar mij voor de gissing3 1 omdat hier niet van een algemeen bekend gezegde1 maar bepaaldelijk van het pas gesprokene wordt melding gemaakt1 en die verdichte tegenspreker hier wordt voorgesteld als het woord tot ,socrates en ,theaetetus rigtend4 #cgh ,dat is3 dat iets te gelijk is en niet is4 ,hier wordt zijn en niet zijn even volstrekt genomen en uitdrukkelijk aan elkander tegengesteld1 als boven3 kennen en niet kennen4 #cgi ,het hier voorkomende is waarschijnlijk een schimpscheut op de ,heracliters1 die beweerden1 dat er niets is dan de eeuwige beweging1 of op ,gorgias1 die een boek geschreven heeft1 ten titel voerende3 ,over de natuur of het niet zijnde4 #chj ,deze redenering is in zooverre sophistisch1 als hier het subjectief en objectief niet zijnde verwisseld wordt4 ,al meen ik iets1 dat niet bestaat1 dan heeft mijne meening daarom toch wel een voorwerp1 hoewel dat voorwerp alleen in mijne meening1 maar niet buiten dezelve gevonden wordt4 ,later echter heeft ,plato dit verbeterd1 waaruit ik meen te mogen besluiten1 dat deze redenering door hem niet als absoluut waar1 maar slechts als op dit standpunt onvermijdelijk beschouwd werd4 #cha ,woordelijk3 ,noemen wij het alzoo ontstaande ook aldus8 ,in de vragende zinnen wijkt de ,grieksche constructie van de onze af1 daar het bij de ,grieken niet noodig is1 het woord1 waar het in de vraag op aankomt1 tot het grammaticale hoofdwoord van den zin te maken4 ,zie ,matthiae1 ,ausf4 ,gr4 ,gr4 #fab4 #chb ,woordelijk3 ,zeggen wij ook1 dat valsche meening bestaat1 zijnde eene verwisseling van begrippen4 is eigenlijk het meenen van wat anders dan het ware1 doch1 daar de begrippen de voorwerpen der meening zijn1 zoo heb ik het door verwisseling van begrippen overgezet4 #chc ,woordelijk3 wanneer iemand1 in plaats van leelijk1 schoon1 of in plaats van schoon1 leelijk meent4 #chd ,het hier voorkomende heeft geheel de kleur eener bespotting van sommige sophisten1 die1 gelijk in den ,euthydemus door ,plato naar het leven wordt geschilderd1 met dergelijke sophisterijen hunne hoorders in de war bragten4 ,theaetetus toch had niets misdreven1 want hij meende niet1 dat die valsche meening waar was1 maar dat het waar was1 dat die meening valsch kon genoemd worden4 #che kan op twee wijzen verklaard worden3 f door het met gelijk te stellen1 f door het op te vatten als de copula1 tusschen het hier in de gedachte herhaalde 1 en het begrip1 dat uitgedrukt wordt door de woorden --4 ,hoewel ik de eerste verklaring gevolgd ben1 kan ik niet ontveinzen1 dat ook de andere zich zeer goed laat verdedigen4 #chf ziet op het volgende 1 daar twee van elkander verschillende dingen het n steeds een ander dan het andere is4 #chg ,dat is3 ,en hij denkt immers die twee aan elkander tegenovergestelden f te gelijk f achtereenvolgens4 #chh ,woordelijk3 noemt gij het denken1 wat ik het noem2 dat is3 geeft gij dezelfde bepaling van het denken als ik8 #chi ,woordelijk3 als het niet wetende4 ,socrates houdt zich hier1 zoo als altijd1 onwetend1 en wel verre van te zeggen3 zoo is het1 stelt hij zijn gevoelen als eene bloote gissing voor4 ,overigens is het hier voorkomende slechts eene voorloopige bepaling1 die de wezenheid der zaak niet uitdrukt4 #cij beteekent zoo veel als ons3 neen zeggende1 dat is ontkennende4 #cia ,ik heb hier de woorden3 de slotsom van ingevoegd1 want als denken een inwendig gesprek is1 dan is de meening1 die door dat gesprek tot stand komt1 niet het gesprek zelf1 maar deszelfs slotsom4 ,hetzelfde wordt trouwens door het ,grieksche aangeduid1 want het perfectum drukt immers eenen tegenwoordigen toestand uit1 die het gevolg is eener verledene handeling4 #cib beteekent hier niet het voornaamste van allen1 maar het allen omvattende begrip1 de algemeene uitdrukking1 die op hen allen toepasselijk is4 #cic 4 ,dit is een duidelijk voorbeeld van de algemeene beteekenis1 die de ,grieksche aoristus zoo dikwijls in den infinitivus heeft4 ,zie ,buttm41 ,gr4 ,gr4 #acg4 #e4 #cid ,hier heeft eene verwisseling van subject en praedicaat plaats1 zooals bij ,plato meer voorkomt2 hoewel zij eigenlijk alleen dan geoorloofd is1 wanneer subject en praedicaat van gelijken omvang zijn en elkander volkomen dekken4 ,al is het oordeel3 alle vogels zijn dieren1 volkomen waar1 dan kan het nog niet worden omgekeerd3 alle dieren zijn vogels1 maar bij eene bepaling mag zulks wel1 daar eene goede bepaling de bepaalde zaak juist uitdrukt en alleen op haar toepasselijk is4 #cie 4 ,deze woorden hebben veel onderzoek in de wereld gebragt4 ,ik geloof1 dat zij niet goed verstaan zijn ten gevolge van eene onnaauwkeurigheid in ,plato's uitdrukking1 daar hij 1 dat in deze redekaveling een kunstterm is1 hier in de gewone beteekenis gebruikt heeft1 om er het ne geval mede aan te duiden1 namelijk1 dat de beide met elkaar verwisselde denkbeelden te gelijk voor den geest tegenwoordig zijn4 beteekent dan hier de uitdrukking 4 ,het komt mij verder noodig voor1 in te veranderen1 daar hier geene tegenstelling tegen1 maar veeleer eene gevolgtrekking uit het vorige voorkomt1 tenzij deze plaats onder de plaatsen gerekend worde1 waar in de beteekenis van gebruikt wordt4 #cif ,dat is3 dat niemand iets1 dat hij leelijk vindt1 toch schoon vindt1 enz4 #cig ,namelijk het koesteren van valsche meening4 #cih ,de constructie is3 4 #cii ,socrates had aangetoond1 tot welke dwaasheden ,protagoras kwam1 door alle meeningen voor waar te erkennen4 ,nu merkt hij echter op1 dat hij voor hetzelfde bloot stond1 zoo hij geen kans zag de mogelijkheid van het ontstaan der valsche meening aan te wijzen4 #djj ,stallbaum ziet hier te regt nabootsing van ,sophocles ,aj4 v4 #aadb1 sqq4 #dja 4 ,hier benijd ik het ,grieksch1 dat1 door of te zetten1 kan aanduiden of de ontkenning bij deed of bij kennen hoort4 ,ook het ,latijnsche ignorare zou hier zeer te pas komen4 #djb hoort niet bij 1 maar bij 1 dat hier in de gedachte moet ingevoegd worden4 ,wij zouden hier verwachten1 en ik ben in de verzoeking geweest1 om dit alhier te willen lezen2 maar het is niet noodig1 daar zeer wel op het onbepaalde subject van den infinitivus kan te huis gebragt worden4 ,zie ,matth41 ,ausf4 ,gr4 ,gr4 #eef4 ,anm4 #c4 #djc ,men heeft veel geredetwist over de vraag1 of hier ,plato's gevoelen1 of eene persifflage van eens anders meening gevonden wordt4 ,ik geloof1 dat alles wordt uitgemaakt door de woorden3 stel dan nu eens1 om der wille van de redekaveling4 ,wij hebben hier slechts eene zinnebeeldige voorstelling van de waarheid1 dat het geheugen niet alles volkomen bewaart1 dat de helderheid der herinnering van de helderheid der waarneming en de sterkte des geheugens afhangt1 dat het geheugen niet bij allen even sterk is4 #djd ' staat volkomen gelijk met 1 daar het oorspronkelijk beteekent3 daar is er1 aan wie4 ,zie ,buttm4 ,gr4 ,gr4 #aej4 #dje 1 4 4 4 ,deze zin is eenigzins ingewikkeld1 maar kan het best worden opgehelderd door haar op deze wijs om te zetten3 4 4 4 ,niet1 dat ik aldus wil lezen2 integendeel houd ik de hier voorkomende uitdrukking voor echt ,platonisch4 #djf ---- 4 ,woordelijk3 en nog onmogelijker1 zoo het mogelijk is2 dat is3 en zoo er een nog grooter trap van onmogelijkheid bestaan kan4 ,daar echter deze op de onmogelijkheid toegepaste mogelijkheid mij hinderde1 heb ik er het ,hollandsche schier voor in de plaats gezet1 dat in dit verband ongeveer op hetzelfde nerkomt1 zonder dat ik in het minst wil beweren1 dat hetzelfde beteekent als ons schier4 ,niets is nadeeliger voor gezonde uitlegkunde dan de dwaling1 dat1 wanneer de eene spreekwijs de andere wergeeft1 zij ook lid voor lid overeenkomen4 ,daardoor is het misbruik ontstaan1 dat in sommige woordenboeken n woord vaak wel twintig of meer beteekenissen heeft1 hetgeen toch eigenlijk ondenkbaar is4 #djg beteekent hier hetzelfde als het vorige 4 #djh d4 i4 1 4 #dji -- 4 ,deze zin is niet duidelijk4 ,het beste schijnt het1 haar door invoeging aldus te verklaren3 ' 4 ,overigens merke men op1 dat hier is weggelaten3 en overeenkomstig met de waarneming in de ziel heeft afgedrukt1 daar volgens deze redekaveling de mogelijkheid der valsche meening te zoeken is in het gebied der gebrekkige overeenkomst tusschen waarneming en herinnering4 #daj heeft hier eene objectieve beteekenis1 daar het niet zoo zeer het zien1 als wel datgene1 wat gezien wordt1 aanduidt4 ,zoo beteekent in het ,n4 ,t4 prediking1 daar het eigenlijk gehoor1 en vandaar wat gehoord wordt1 te kennen geeft4 #daa hangt af van 1 waarbij opmerking verdient1 dat het eigenlijke object1 van niet daar1 maar bij het deelwoord gezet is1 dat met het subject van overeenkomt4 ,wij zouden bij althans een voornaamwoord plaatsen1 om het object aan te duiden1 hoewel dit volstrekt niet noodig is1 daar het object nu toch afhangt van een woord1 dat verbonden is met het subject van het werkwoord1 waardoor de infinitivus van geregeerd wordt4 ,zie ,buttmann1 ,gr4 ,gr4 #acj4 #e4 ,anm4 #a4 #dab 4 ,buttmann wil hier lezen 4 4 4 2 ,stallbaum verkiest 4 ,beide gissingen verbeteren den zin1 maar die van ,stallbaum heeft voor zich1 dat in het vorige melding gemaakt is van 1 hetgeen die gissing aannemelijker maakt1 waarbij de meer als passief dan als actief wordt voorgesteld4 #dac ,valschheid beteekent hier niets anders dan onwaarheid4 ,hoewel het woord dubbelzinnig is1 en ook bedekte kwaadwilligheid kan beteekenen1 heb ik het behouden1 om eene abstracte uitdrukking te hebben1 die met valsche meening overeenkomt4 #dad wordt vaak van redekavelingen gebruikt1 ongeveer in den zin1 waarin wij van gezonde redenering1 gezond verstand1 enz41 spreken4 #dae ,en alzoo het afbeeldsel van ,a met ,b1 dat van ,b met ,a zamenbrengt4 #daf -- 4 ,zoo deze zin niet bedorven is1 dan moet hij aldus verklaard worden4 ,de protasis loopt van tot 4 ,nu begint de apodosis bij 1 maar door de lengte van dien zin1 ten gevolge van de aanhaling uit ,homerus1 wordt de aandacht van den zamenhang afgetrokken1 weshalve ,plato de apodosis nog eens begint1 en nu met de partikel inleidt4 ,verder ziet en het lager voorkomende op in de protasis1 waarbij het onderscheid in getal niet hindert1 omdat hier niet zoozeer van n individu1 als wel van allen1 die in dat geval zijn1 gesproken wordt4 #dag ,deze aanhaling uit ,homerus schijnt niet vrij van valsch vernuft1 zoo zij ten minste ernstig gemeend is1 en niet dienen moet1 om den eenen of anderen bespottelijk te maken4 ,ik ben echter voor het laatste1 daar ,plato geenszins zulk eenen onbepaalden eerbied voor ,homerus had1 zoo als onder anderen blijkt uit de ,republiek1 ,,iii h4 ,,ix1 waar hij hem met de andere dichters uit zijnen volmaakten staat wil geweerd hebben1 hetgeen wel degelijk op ,homerus ziet1 zoo als blijken kan uit de vergelijking met hoofdst4 ,,vi4 ,zie ook de andere plaatsen uit de ,republiek1 waar ,homerus door ,plato berispt wordt1 aangehaald door ,stallbaum in den index achter zijne uitgaaf van dat werk4 #dah ,deze uitval tegen ,homerus is waarschijnlijk wederom persifflage1 anders is zij bijster vreemd1 daar het toch ,homerus niet kan ten kwade geduid worden1 dat hij aan het hart een epitheton gegeven heeft1 dat zich met ,plato's zinnebeeldige voorstelling niet laat rijmen4 #dai 4 ,hier begint de apodosis4 #dbj ,in deze zinnen is eene fout1 daar en in het meervoud gezet zijn1 als zagen zij op de afdrukken1 terwijl zij in het enkelvoud moesten staan1 daar zij1 volgens het verband1 op het was zien moeten4 ,in zoo verre echter de indrukken1 die in het was gemaakt zijn1 slechts eene wijziging van dat was zijn1 en niet op zich zelve bestaan1 is het te verdedigen1 dat de epitheta1 die van het was gelden1 ook van die indrukken gebezigd worden4 #dba is eigenlijk zijn gelaat schoon te maken of voor schoon houden2 vandaar zich verheffen1 zich opblazen4 #dbb ,dit geheele door ,socrates gesprokene stuk is zoo deerlijk verward van constructie1 dat het schier onmogelijk is1 dien chaos te ontwarren4 ,vooreerst staat in den tusschenzin1 die zich uitstrekt van tot 1 terwijl het in den hoofdzin te huis behoort4 ,verder begint na den tusschenzin eene andere constructie dan vr denzelven1 hetgeen trouwens veel voorkomt1 en door sommige geleerden zelfs als sieraad in den stijl wordt aangemerkt4 ,daarenboven begint de zin onmiddellijk achter den tusschenzin met 1 hetgeen zou doen vermoeden1 dat wij hier eene protasis hebben1 wier apodosis nog volgen zal4 ,die apodosis blijft echter weg1 en in plaats daarvan gaat de constructie op eene vraag over4 ,dit prijze wie wil en noeme het los1 het komt mij voor1 dat het eene al te gezochte en daardoor stijve losheid is4 #dbc wordt hier1 gelijk bekend is1 in de beteekenis van het perfectum gebruikt4 ,verder staat het f onpersoonlijk1 f men moet als subject in de gedachte aanvullen4 #dbd ,hiermede wordt het vorige niet voor valsch1 maar slechts voor onvolledig verklaard4 ,om den ,theaetetus goed te begrijpen1 moet men vooral letten op de geregelde ontwikkeling der redekaveling1 die zich hier1 op eene inderdaad voorbeeldige wijze1 met trappen van het bloot zinnelijk standpunt1 tot aan 7niet tot op7 de kennis der iden voortbeweegt4 ,de uiteenzetting hiervan zal eerst aan het einde des werks geleverd worden1 opdat de lezer behoorlijk voorbereid zij1 om zelf te oordeelen1 en over de juistheid of onjuistheid van onze opvatting vonnis te vellen4 #dbe ,woordelijk3 in de gedachten zelve1 dat is in de gedachten1 zoo als zij op zich zelve zijn1 zonder dat zij in verband tot de zinnelijke waarneming gebragt worden4 #dbf 4 ,buttmann heeft teregt aangetoond1 dat het denkbeeld van voornemen1 trachten insluit1 dus1 meer dan het bloote wenschen 77 te kennen geeft4 #dbg wordt vaak bij eene gevolgtrekking gebezigd1 waarbij waarschijnlijk de redenering ten grondslag ligt3 post hoc1 ergo propter hoc4 #dbh ,hierin ligt het ware denkbeeld ten grondslag1 dat men eenige kennis moet hebben1 om in kennis te kunnen toenemen4 ,om naar iets te kunnen zoeken1 moet althans eenig besef daarvan bij ons aanwezig zijn4 ,zie ,opklimmend deel der wijsbegeerte1 blz4 #ajd4 #dbi 4 ,dit is eene protasis zonder apodosis4 ,de apodosis heb ik er voor de duidelijkheid bijgevoegd4 ,men kan dezelve aanvullen uit hetgeen volgt achter de woorden --1 of door het tegengestelde aan te nemen van --1 zoo als naar den zin in de vertaling geschied is4 #dcj ,hier wordt waarschijnlijk op eene toen ter tijde verdedigde wijsgeerige meening gedoeld4 ,welke die echter is1 waag ik niet te beslissen4 ,overigens ziet ieder ligt1 dat zulk eene bepaling1 ook zonder eigenlijk te weten1 wat kennis is1 gemakkelijk kan gegeven worden4 ,misschien is de verontschuldiging van ,socrates1 voordat hij deze bepaling geeft1 eigenlijk eene bespotting van hen1 die door zulk eene bepaling heel wat meenden gewonnen te hebben4 ,men kan echter ook alles uit den gang der redekaveling verklaren4 #dca ,men denke hier aan de eigenaardige kracht van het woord 1 dat zoowel hebben als vasthouden beteekenen kan4 ,daar dit bezwaarlijk met n woord in het ,hollandsch is uit te drukken1 moeten wij onze lezers verzoeken1 bij het woord hebben tevens het begrip van vasthouden mede te denken4 #dcb ,de constructie is 4 ,hetgeen hier volgt1 is even als het stuk was1 slechts een zinnebeeld1 en wordt hier gebezigd om aan te duiden1 dat dikwijls begrippen potentia in den geest bestaan1 zonder actu voor het bewustzijn te komen1 zoodat de geest soms slechts ten halve heer zijner eigene bezittingen is4 #dcc heb ik door integendeel vertaald1 niet omdat het ooit die beteekenis heeft1 maar omdat1 bij het wederom maken van zulk eene figuur in de ziel1 eene andere1 aan de vorige tegengestelde figuur is voor den dag gekomen4 #dcd beteekent meer dan hetgeen wij gewoonlijk door kunst verstaan1 daar er niet alleen het denkbeeld van geschiktheid in het uitvoeren1 maar ook wel degelijk theoretische kennis door wordt uitgedrukt1 welk laatste bij ons door het woord wetenschap wordt te kennen gegeven4 ,overigens beschouw ik en als dubbelen accusativus bij 4 ,wij zouden het kunnen vertalen3 ,gij geeft immers aan eene zekere kunst den naam van rekenkunst4 ,dit zou echter1 hoewel woordelijker1 den zin niet zoo goed uitdrukken als mijne meer vrije vertaling1 daar hier niet van het al of niet geven der benaming1 maar van het al of niet gepaste van het gekozen voorbeeld gesproken wordt4 #dce -- 4 ,uit achter blijkt1 dat men achter in de gedachte moet aanvullen1 zooals in de vertaling geschied is4 #dcf is hier minder juist1 daar dit werkwoord f 1 en 1 en --2 f 1 en 1 en zou doen verwachten4 #dcg --4 ,deze zin is bedorven4 ,het beste komt mij nog de lezing van ,stallbaum voor1 die aldus leest3 4--,hier worden dan de getallen zelve1 waarvan hij de begrippen in zijne ziel heeft1 onderscheiden van de empirisch gegevene getallen1 die in de uitwendige dingen worden aangetroffen4 #dch --4 ,dit kan opgevat worden als eene aanduiding1 dat het hier gezegde aan eene toen bekende wijsgeerige school ontleend is4 ,men kan het echter ook in het algemeen van dergelijke soort van vraagstukken opvatten1 gelijk ik in de vertaling gedaan heb1 daar het mij voorkomt1 dat1 hoe vaak ,plato ook op anderen zinspeelt1 echter niet die zinspelingen1 maar de geregelde ontwikkeling der redekaveling het punt is1 dat hier vooral opmerking verdient1 en er ook in den tekst niet 1 maar gelezen wordt4 #dci ,woordelijk3 maar voor zijn denkvermogen niet voor de hand had4 #ddj 4 ,dit tweede voorbeeld is minder juist4 ,voor ik het echter bespreek1 moet ik doen opmerken1 dat niet een grammaticus1 een' taalkenner1 maar een' schoolmeester1 die lezen en schrijven onderwijst1 beteekent4 ,zoo nu zoodanig iemand iets gaat lezen1 dan is hij niet in het geval1 dat hij hetgeen hij weet1 bij zich zelven door nadenken moet voor den dag halen1 daar hier niet de inwendige ontwikkeling der denkbeelden1 zooals bij den rekenkundige1 maar het toepassen van hetgeen men weet1 op de werkelijkheid1 in aanmerking komt4 ,daarom is dit voorbeeld niet volkomen juist1 en heb ik de vrijheid genomen het eenigzins te veranderen4 #dda 4 hoort bij 4 #ddb 4 ,de constructie is3 4 #ddc --4 ,ik geloof1 dat deze plaats bezwaarlijk te redden is1 tenzij men leze3 7of ' 1 zoo men wil7 4 #ddd ,het begrip4 #dde --4 ,dit laatste staat eenigzins pleonastisch1 daar hetzelfde begrip reeds door is uitgedrukt4 #ddf ,door deze en dergelijke tusschenvoegingen1 moeten1 gelijk reeds boven gezegd is1 de partikels 1 enz41 die bij ,plato zoo vaak in het begin van eenen geheel nieuwen zin voorkomen1 verklaard worden4 #ddg 4 ,dit woord is waarschijnlijk door ,plato gemaakt1 hetgeen hem evenmin als ,aristoteles euvel geduid wordt1 hoewel er bij nieuwere wijsgeeren jammerkreten over worden aangeheven4 ,misschien echter kan het hen1 die zich daaraan ergeren1 geruststellen1 wanneer zij hooren1 dat het maken van nieuwe woorden echt klassiek is1 en dat ,plato en ,aristoteles ons daarin zijn voorgegaan4 ,krause1 zoo ik dien nog mag aanhalen1 zegt van den laatsten3 ,ueberhaupt hat ,aristoteles die ,griechische ,sprache fr die ,wissenschaft mit einer ,freiheit behandelt und ausgebildet1 von welcher bisjetzt fr die ,deutsche ,sprache noch kein ,philosoph ein ,beispiel gegeben hat1 so unerlslich diess fr die ,darstellung der weiter und tiefer ausgebildeten ,wissenschaft gefordert wird4--,diese ,eigenthmlichkeit der ,sprache mag wohl auch den ,lehrsysteme des ,aristoteles bei seinen ,zeitgenossen den ,eingang erschwert haben4 ,aber er arbeitete fr die ,wissenschaft selbst und fr die ,nachwelt40 ,grundwahrheiten1 ,,xiv4 ,wissenschaftgeschichte1 p4 #bhj4 #ddh is hier het aanwijzend voornaamwoord1 en staat in het onzijdige1 hoewel het op ziet1 volgens de eigenaardigheid der ,grieksche taal1 dat1 zoo het bijvoegelijke naamwoord van zijn zelfstandig verwijderd is1 het dikwijls in het onzijdige geslacht staat1 daar dan hetgeen waar het op ziet1 eenvoudig als een ding1 als iets beschouwd wordt4 ,zie ,buttm41 ,gr4 ,gr4 #abi4 #f4 #ddi ,hier ligt het ware denkbeeld ten grondslag1 dat het ontkennende niet op zich zelf bestaat1 maar alleen aan het stellige gevonden wordt4 ,zie ,aristoteles1 ,anal4 post4 #a4 ,,xxv4 #e4 #dej ,theaetetus is bevreesd geworden1 om iets stellig en onbepaald toe te stemmen4 ,hier ligt het denkbeeld ten grondslag1 dat iets op een bepaald standpunt waar kan wezen1 zonder daarom eens voor altijd geldig te zijn4 ,zijn de praemissen eenzijdig1 dan is het ook de daaruit getrokkene gevolgtrekking1 en wel te meer1 naarmate die gevolgtrekking met meer juistheid gemaakt is4 #dea beteekent eigenlijk3 f wij zullen het afslaan1 zeggen1 dat wij het niet willen hebben1 laten loopen2 f wij zullen uitspreken1 onzen voorraad van denkbeelden uitputten en daarom moeten ophouden4 ,beiden komen hier op hetzelfde ner4 #deb 4 ,de accusativus moet waarschijnlijk verklaard worden uit de propositie in 4 ,het is als stond er3 4 ,overigens is te regt door ,stallbaum aangemerkt1 dat hier gedoeld wordt op het een of ander volkssprookje4 ,dergelijke aardigheden worden bloot tot verlevendiging van den stijl door ,plato er in gevlochten4 #dec --4 ,in dezen zin heeft ,stallbaum in plaats van het gewone geschreven4 ,ik geef aan de voorkeur en verklaar het dan aldus3 ziet op en is het object van 2 ziet op ------4 ,de constructie is bij veranderd1 even als of het antecedens van was4 ,overigens is het duidelijk1 dat door het wateruurwerk wordt aangeduid1 waarmede de tijd werd gemeten1 die voor elke pleitrede was toegestaan4 #ded ,het schijnt1 dat bij de processen te ,athene1 nadat de voorbereidende werkzaamheden verrigt waren1 de geheele zaak op nen dag werd bepleit en beslist2 en het is bekend1 dat bij dit bepleiten gewoonlijk het gevoel der regters ruim zooveel als hun verstand door de partijen werd bewerkt4 ,zie ,schoemann1 ,antiquitates ,juris ,publici ,graecorum1 ,v4 ,,lviii4 #dee --4 ,dit laatste is eene gevolgtrekking uit het vorige1 die door behulp van een hypothetisch syllogisme gemaakt is4 ,zie ,nieuwenhuis4 ,initia ,philosophiae logicae #ii4 #def ' 4 ,ik geloof1 dat moet uitgeworpen worden1 daar eigenlijk ziet op het verzwegene object van 4 ,het is echter welligt te redden door den zin aldus aan te vullen3 ik zal u iets zeggen 4 4 4 #deg 4 ,de woorden en schijnen in ,plato's tijd nieuw geweest te zijn1 en daarom aan eenen ongenoemden te worden toegeschreven1 daar ,plato ze niet op zijn eigen naam wilde invoeren4 #deh 4 ,hier verraadt ,plato zich zelven1 en laat zien1 dat die voorgewende persoon niemand anders is dan ,theaetetus1 dat is1 dan ,plato zelf4 ,ik heb de vrijheid genomen1 in de vertaling de waarschijnlijkheid der fictie wat meer te bewaren4 #dei staat hier in denzelfden zin als 4 ,zie ,aristoteles de ,anima ,,ii4 ,,ii4 #ac4 #dfj 4 ,het woord is een kruis voor hem1 die ,plato in eene andere taal wil overbrengen1 daar het schier onmogelijk is er ne uitdrukking voor te vinden4 ,het is omtrent even rekbaar als het latijnsche ratio4 ,de zin1 waarin het hier en in het vervolg voorkomt1 wordt nog het best door bepaling uitgedrukt4 #dfa ziet hier op het bij uitgelatene 4 #dfb beteekent eigenlijk met zorg4 ,daar nu een denkbeeld1 dat met zorg overwogen is1 met vertrouwen kan uitgesproken worden1 is aan dit woord de beteekenis van voorzeker1 stellig1 ongetwijfeld gegeven2 en deze is1 zoo als het dikwijls gaat1 onafhankelijk van de oorspronkelijke beteekenis1 in gebruik gebleven4 #dfc 4 ,in het ,grieksch is hier eene dubbelzinnigheid1 die in onze taal niet is weer te geven2 beteekent grondbestanddeel1 en tevens letter1 beteekent verbinding1 en tevens lettergreep4 ,het is ligt in te zien1 dat deze dubbelzinnigheid aan den grondtekst eene gemakkelijkheid geeft1 die de vertaling moet missen4 #dfd heb ik door de vijf vertaald1 omdat hier duidelijk de klinkers bedoeld worden1 maar wij slechts vijf klinkers hebben1 en niet zeven1 zoo als de ,grieken4 ,overigens is het opmerkelijk1 dat hier het meeste gewigt aan de klinkers gehecht wordt1 terwijl toch de oorspronkelijke kracht der woorden veel meer in de medeklinkers dan in de klinkers schijnt te huisvesten1 zooals vooral in de ,oostersche talen blijkt4 ,zie ,veth1 ,beknopte ,hebreeuwsche spraakkunst1 #ca4 #dfe ,dat is3 wanneer wij tot #f tellen en dan alleen die #f vasthouden1 daar de vorige getallen slechts dienden om tot #f te komen4 ,zoo men het anders opvat1 is al wat hier staat onzin1 daar #a #b #c #d #e #f #ba is en dus eene geheel andere uitkomst dan het volgende geeft4 #dff 4 ,ik heb hier genomen1 hoewel ik geloof1 dat de fout niet hier1 maar in het vorige schuilt2 omdat het veel gemakkelijker is1 hier voor te lezen1 dan uit de woorden -- de ware lezing op te maken4 ,zie ,stallbaums aanmerking4 #dfg ,dit toevoegsel is noodig1 daar de getallen hier eigenlijk eene uitzondering maken1 omdat een getal een afgetrokken begrip is1 dat alleen de hoeveelheid aanduidt4 #dfh 4 ,het is hinderlijk bij het vertalen dezer plaats1 dat wij geen twee bijvoegelijke naamwoorden hebben1 die met en overeenkomen4 kan wel overgezet worden3 het geheele getal1 maar dan stuit men op het vervolg1 daar het geheel eerst in de conclusie voorkomt4 #dfi ,deze redenering gaat van de overeenkomst in negatieve kenmerken uit1 doch kan juist daardoor niets tot stand brengen4 7,zie mijne vertaling van den ,phaedo1 blz4 #agg-agi4 ,nieuwenhuis1 ,initia ,philosophiae ,logicae1 p4 #baj4 ,,vi47 ,het geheel en het al verschillen dan ook wel degelijk4 ,onwillekeurig denkt men hier aan de geestige woorden van ,goethe3 ,wer will was ,lebendig's erkennen und beschreiben1 ,sucht erst den ,geist heraus zu treiben1 ,dann hat er die ,theile in seiner ,hand1 ,fehlt leider6 nur das geistige ,band4 ,encheiresin naturae nent's die ,chemie2 ,spottet ihrer selbst und weisz nicht wie4 ,zoo is1 in het door ,plato gebezigde voorbeeld van een leger1 het al en het geheel geenszins hetzelfde1 want de wezenheid van het leger bestaat niet bloot in de voltalligheid1 maar wel degelijk vooral in de orde1 waarin de deelen verbonden zijn4 ,of was niet de ,macedonische phalanx oneindig sterker1 dan hetzelfde of een grooter aantal soldaten1 zonder orde bijeengevoegd8 ,en nu spreken wij nog niet eens van het onderscheid tusschen nheid1 verscheidenheid en harmonie1 waarbij het geheel1 als nheid1 wel degelijk van het al1 als harmonie1 onderscheiden wordt4 7,zie ,opzoomer1 ,de leer van ,god bij ,schelling1 ,hegel en ,krause4 ,i4 blz4 #dg4 volgg47 #dgj ,hier wordt het onmiddelijk voorgaande eenigzins beperkt1 en als zoodanig is het waar4 ,de negatieve kenmerken worden hier van den positieven kant genomen1 en geven alzoo eene werkelijke overeenstemming van het geheel en het al1 daarin bestaande1 dat beiden al de deelen omvatten4 ,zoo men ze nu alleen in zooverre voor hetzelfde houdt1 en over hunne verdere betrekking geen oordeel velt1 dan kan deze redenering worden goedgekeurd1 anders niet4 #dga ,plato maakt zich in deze geheele redekaveling schuldig aan een voor den lezer allervermoeijendst door elkander en in verschillende beteekenissen gebruiken van de woorden en 4 ,zie p4 #bjc4 ,c4 ,e4 p4 #bjd4 ,a4 p4 #bje4 ,d4 #dgb 4 ,stallbaum wil hier lezen4 ,dit komt mij onnoodig voor1 daar hier eenvoudig een paar der boven uitgeslotene praedicaten wordt opgenoemd1 terwijl het aan den lezer wordt overgelaten1 de overigen er bij te denken4 #dgc en heb ik door enkelvoudig vertaald1 daar er eigenlijk datgene door bedoeld wordt1 welks begrip evenmin uit andere begrippen is zamengesteld1 als het zelf uit verschillende deelen bestaat4 ,hierbij ging ik van het zoo vaak verwaarloosde beginsel uit1 dat bij juiste bepalingen en redeneringen de begrippen op dezelfde wijs moeten verbonden worden1 als de zaken verbonden zijn1 die door dezelve worden uitgedrukt1 en dat men dus b4 v4 den grond van een begrip a slechts dan in een begrip b kan vinden1 wanneer de zaak1 die door a wordt uitgedrukt1 gegrond is in de zaak1 die door b wordt uitgedrukt4 ,ik spreek hier natuurlijk niet van subjectieve gronden van overtuiging1 daar de psychologische aanleiding1 waardoor iemand tot deze of die denkwijze komt1 dikwijls niets te maken heeft met het begrip1 waarin het door hem aangenomen begrip gegrond is4 ,zie hoofdst4 ,,xxxviii4 #dgd heb ik door bepaalbaar vertaald1 omdat het duidelijk tegen in de volgende woorden van ,socrates overstaat1 en ik dat het best door onbepaalbaar meen te kunnen overzetten4 #dge 4 ,er staat eigenlijk3 niets anders geleerd hebt1 doch zoo dit in de vertaling wordt opgenomen1 kan niet overgezet worden1 daar de uitdrukking eigenlijk onjuist is4 ,immers leerde hij niet het trachten1 maar dat trachten was zelf het leeren4 #dgf 4 beteekent ongeveer hetzelfde als ons woord voornm1 hetgeen ook wel in de beteekenis van gewigtig kan gebruikt worden4 #dgg 4 ,dit woord is van veel belang4 ,dat ware meening een der bestanddeelen van de kennis is1 al gaat zij er dan ook niet geheel in op1 wilde ,plato geenszins ontkennen4 ,wij zullen in de ontwikkeling der redekaveling hierop terugkomen1 en nu alleen opmerken1 dat ,plato het overige niet voor onwaar1 maar alleen voor onvolledig houdt4 #dgh 4 ,stallbaum1 heeft te regt aangemerkt1 dat het lidwoord hier onverklaarbaar is1 en voorgeslagen 7het woord 7 te lezen4 ,ik hecht er mijn zegel aan1 maar zou liever onveranderd laten1 omdat het in het onmiddelijk vorige ook in den accusativus staat1 en deze accusativus de reden zijn kan1 waarom door eenen afschrijver in veranderd is4 #dgi 4 ,daar van is afgeleid1 is het verband in het ,grieksch duidelijk1 maar is in het ,hollandsch moeijelijk wer te geven1 tenzij men 1 zoo als ik gedaan heb1 in eene ongewone beteekenis neme1 die echter door het verband wordt gevorderd4 ,onze vertaling laat zich ook verdedigen door de opmerking1 dat het onder woorden brengen der denkbeelden eerst mogelijk is1 wanneer zij eenen genoegzamen graad van helderheid bekomen hebben4 #dhj ,de meening van deze wat kort uitgedrukte tegenwerping is1 dat deze bepaling van de kennis te ruim is genomen1 daar men hetzelfde van alle ware1 ja van alle valsche meening zeggen kan4 ,zie ,nieuwenhuis1 ,initia ,philosophiae ,logicae1 #adj4 #b4 #a4 #dha --4 ,om dezen zin te verklaren1 moeten wij onze toevlugt nemen tot de ook in het ,latijn zeer gewone constructie van het relativum in plaats van het voegwoord met het demonstrativum4 ,zet men in plaats van 1 dan is alles duidelijk1 mits men dan de voornaamwoorden en onbepaald1 niet vragend neme4 #dhb ,het is te bejammeren1 dat ,plato en ,aristoteles de theorie der ,pythagoristen aangaande de beweging der aarde verworpen hebben1 daar1 zoo vooral de laatste die leer omhelsd had1 het stelsel van ,copernicus vele eeuwen vroeger door het beschaafde ,europa zou aangenomen zijn4 ,zie v4 ,humboldt1 ,kosmos1 ,hollandsche vertaling1 blz4 #chb 7#ah71 waar ditzelfde ten opzigte der kometen wordt opgemerkt4 #dhc ,dit laat zich het best ophelderen door de volgende plaats uit den ,sophist1 p4 #bce-bcf3 ,gastvriend uit ,elea4 ,volgens de daareven gebezigde wijs van verdeelen1 geloof ik ook nu twee soorten van de nabootsende kunst te zien4-- ,theaetetus4 ,zeg ons dan maar eerst1 welke die twee soorten zijn4 ,g4 ,vooreerst zie ik daarin de afbeeldende kunst4 ,deze wordt voornamelijk uitgeoefend1 wanneer men naar de verhouding van de afmetingen der lengte1 breedte en diepte van het origineel1 en daarenboven met de aan ieder deel toekomende kleuren het beeld tot stand brengt4 ,t4 ,maar zoeken dan niet alle beeldende kunstenaars zoo iets te doen8 ,g4 ,niet zij1 die groote werken beeldhouwen of schilderen4 ,want zoo zij de ware verhouding der afmetingen van schoone voorwerpen weergaven1 dan zou het bovenste te klein en het onderste te groot schijnen1 doordien het eerste van verre1 het andere van nabij gezien wordt4 ,t4 ,ongetwijfeld4 ,g4 ,laten dus de kunstenaars niet de waarheid loopen1 zoodat zij niet de ware verhoudingen uitdrukken1 maar die1 welke zich aan de beelden schoon zullen vertoonen8 ,t4 ,ongetwijfeld4 ,g4 ,maar is het nu niet behoorlijk1 het eene1 daar het afgebeeld is1 eene beeldtenis te noemen8 ,t4 ,ja4 ,g4 ,en het deel der nabootsende kunst1 dat daarop betrekking heeft1 zooals wij te voren zeiden1 de afbeeldende8 ,t4 ,juist4 ,g4 ,maar hetgeen nu1 doordien het van een goed standpunt gezien wordt1 aan het schoone gelijk schijnt1 doch zoo men het naauwkeurig kon bezien1 volstrekt niet gelijken zou op hetgeen1 waarop het heet te gelijken1 hoe zullen wij dat noemen8 ,immers daar het wel schijnt te gelijken1 maar dit toch niet doet1 een schijnbedrog8 ,t4 ,zekerlijk4 #dhd --4 ,men denke hier aan een soort van geheim schrift1 daarin bestaande1 dat iets op eenen reep leder of iets dergelijks zoodanig geschreven was1 dat men het alleen kon lezen door dien reep om een houtje van eene bepaalde dikte te winden2 of aan een doorgeknipt geschrift1 waarvan men beide stukken hebben moest en die aan elkander moesten passen1 om het te kunnen lezen4 ,zoo nu op beide stukken hetzelfde stond en zij elkander niet aanvulden1 had men er natuurlijk niets aan4 #dhe ,hetgeen hier nog ontbreekt1 is de inwendige noodzakelijkheid1 waardoor wij ons genoopt zien1 z te denken en niet anders1 en de algemeenheid1 waardoor onze gedachten eerst waarheden worden1 die op de enkele dingen van toepassing zijn4 ,dit is duidelijk uitgesproken door ,aristoteles1 die1 ,anal4 ,post4 #a4 ,,xxxiii4 #a1 het volgende zegt3 ,het kenbare en de kennis verschilt van het meenbare en de meening daardoor1 dat de kennis het algemeene omvat en door noodzakelijke ontwikkeling tot stand komt1--doch de meening plaats heeft ten opzigte van hetgeen waar of valsch is1 maar ook anders zou kunnen zijn40 ,daar ,plato dit noodzakelijke en algemeene in de iden zocht1 zoo is het ligt in te zien1 dat hij de iden als het eigenlijke voorwerp der kennis beschouwde4 ,tot de meest klassieke plaatsen over dit onderwerp behoort voorzeker het #f;e boek der ,republiek4 #dhf ,hoezeer uit het voorbeeld van ,theaetetus blijkt1 dat ,plato niet onbepaald op het uiterlijk afging1 schijnt hij toch veel waarde aan den indruk1 dien iemands voorkomen maakt1 gehecht te hebben4 #dhg ,hier zat de 1 om kennis te nemen van de regtszaken1 die tot zijne bevoegdheid behoorden1 vooral van al1 wat op de godsdienst betrekking had4