,,platoons ,,phaidoon ,illustratie3 ,,wereld ,,bibliotheek ,illustratie ,,onder ,,leiding ,,van ,l4 ,,simons4 ,illustratie ,,uitgegeven ,,door3 ,,de ,,maatschappij ,,voor ,,goede ,,en ,,goedkoope ,,lectuur ,,amsterdam ,,platoons ,,phaidoon ,,uit ,,het ,,grieksch ,,overgebracht ,,door ,p4 ,c4 ,,boutens #aiai ,illustratie3 ,,platoons ,,phaidoon ,,uit ,,het ,,grieksch ,,overgebracht ,,door ,p4 ,c4 ,,boutens ,illustratie #aiai ,,gedrukt ,,ter ,,drukkerij ,,de ,,degel0 -- ,,amsterdam ,,personen ,,echekrates ,,phaidoon ,,apollodoros ,,sokrates ,,kebes ,,simmias ,,kritoon ,,dienaar ,,der ,,elfmannen4 ,,platoons ,,phaidoon ,kanttekening3 #eg;,a ,,echekrates3 ,zijt gij zelf1 o ,phaidoon1 bij ,sokrates geweest dien dag waarop hij het gif dronk in de gevangenis8 ,of hebt gij het van iemand anders gehoord8 ,,phaidoon3 ,ik ben er zelf bij geweest1 o ,echekrates4 ,,echekrates3 ,welke dingen heeft de man dan wel gezegd vor zijn dood8 ,en hoe was zijn sterven8 ,mij zo het een genot zijn dit te vernemen4 ,want het komt tegenwoordig niet veel voor1 dat een mijner medeburgers uit ,phlioes te ,athenai zich ophoudt1 en ook is langen-tijd-aan-en geen ,kanttekening3 #eg;,b gastvriend vandaar aangekomen1 die ons iets zekers omtrent deze dingen zo hebben kunnen berichten1--behalve dan dat hij gif gedronken had en zoo gestorven was4 ,maar verdere bizonderheden kon hij ons niet geven4 ,kanttekening3 #eh;,a ,,phaidoon3 ,hebt gij dan ook niet van het geding gehoord1 hoe het daarme geloopen is8 ,,echekrates3 ,zeker1 dat heeft iemand ons bericht4 ,en1 o ja1 wij verwonderden ons1 dat hij veel later1 lang nadat het geding afgeloopen was1 gestorven blijkt te zijn4 ,hoe kwam dat1 ,phaidoon8 ,,phaidoon3 ,een uitzonderlijk toeval1 o ,echekrates4 ,juist toch op den dag vor het proces was de achtersteven bekranst van het schip dat de ,atheners naar ,delos zenden4 ,,echekrates3 ,wat is daarme8 ,,phaidoon3 ,dat is het schip waarop1 naar de ,atheners zeggen1 ,theseus indertijd naar ,kreta die bekende zeven ,kanttekening3 #eh;,b paren wegvoerde en wer behouden mede-terug-bracht4 ,aan ,apolloon nu deden zij1 zooals verhaald wordt1 toen de gelofte om1 als zij behouden zouden terugkeeren1 elk jaar uit dankbaarheid een feestgezantschap naar ,delos te zenden1 dat de ,atheners van-toen-af ook nu nog altijd jaarlijks den god plechtig sturen4 ,wanneer zij nu een aanvang gemaakt hebben met de feestzending1 moet1 naar een wet van hen1 de stad in dien tijd rein zijn en mag men niemand van-staats-wegen ter-dood-brengen1 vordat het schip in ,delos en wer terug is aangekomen4 ,daarme gaat nu-en-dan een lange tijd heen1 wanneer winden hen bij-geval van de ,kanttekening3 #eh;,c vaart houden4 ,de aanvang der feestzending is het oogenblik wanneer de priester van ,apolloon den achtersteven van het schip bekranst heeft4 ,en dat1 zooals ik zeg1 was juist op den dag vor het rechtsgeding geschied4 ,daarom heeft ,sokrates ook langen tijd in de gevangenis doorgebracht1 tusschen geding en terechtstelling4 ,,echekrates3 ,en hoe is het bij zijn dood zelf toegegaan1 o ,phaidoon8 ,wat is er gesproken en gebeurd1 en wie van 's mans bekenden waren tegenwoordig8 ,of lieten de bewindvoerders hun niet toe erbij te zijn1 maar is hij eenzaam van vrienden gestorven8 ,kanttekening3 #eh;,d ,,phaidoon3 ,geenerwijs4 ,er waren erbij tegenwoordig1 en wel velen4 ,,echekrates3 ,wees dan zoo vriendelijk ons van dat alles zoo nauwkeurig mogelijk verslag te geven1 of gij moest eenige andere bezigheid hebben4 ,,phaidoon3 ,wel ik hb den tijd1 en zal beproeven het voor u te doorloopen4 ,want om mij ,sokrates te herinneren1 zoowel als ik zelf over hem spreek als wanneer ik dat een ander hoor doen1 is mij steeds van alles aangenaamst4 ,,echekrates3 ,gij kunt ervan op-aan1 ,phaidoon1 dat gij ook zulke luisteraars zult hebben4 ,doch tracht zoo nauwkeurig als gij kunt1 alles uiteen te zetten4 ,kanttekening3 #eh;,e ,,phaidoon3 ,ziet1 ik-voor-mij heb onder het bijwonen eene wonderlijke ervaring gehad4 ,want aan den enen kant kwam geen gevoel van medelijden bij mij op als men verwachten zo bij den dood van een bevriend man4 ,want gelukzalig kwam mij de man voor1 o ,echekrates1 zoowel van gedraging als van woorden3 hoe onbevreesd en elgemoed hij eindigde4 ,zoodat ik den indruk kreeg1 dat hij ok nu hij naar het huis van ,hades ging1 niet ging buiten goddelijke beschikking1 maar dat hij ook wanneer hij daar gekomen zo ,kanttekening3 #ei;,a zijn1 het goed zo hebben zoo nog ooit eenig ander4 ,daarom had ik heelemaal geen gevoel van deernis als natuurlijk zo lijken in den bijwoner van een rouwtooneel4 ,maar anderszins ontbrak ook de genieting van bezig te zijn met wijsbegeerte gelijk wij die plachten te hebben--de gesprekken toch waren van die soort--1 maar een eenvoudigweg onverbeeldbaar gevoel was mij bij en een ongewone menging uit genot tegelijk samengesteld1 en uit smart1 zoo vaak ik bedacht dat hij op het oogenblik zo moeten sterven4 ,en alle aanwezigen waren wij vrijwel in dien toestand1 ,kanttekening3 #ei;,b nu-eens lachend1 dan-wer weenend1 en en van ons zelfs onderscheidenlijk1 ,apollodoros4 ,gij kent den man immers wel en zijn aard8 ,,echekrates3 ,hoe zo ik niet8 ,,phaidoon3 ,hij dan nu was geheel in dien staat1 en ook ik zelf was geschokt en de overigen4 ,,echekrates3 ,en wie waren zoo al tegenwoordig1 ,phaidoon8 ,,phaidoon3 ,deze dan1 ,apollodoros1 was erbij van de menschen uit de stad1 en ,kritoboelos en zijn vader1 en verder ,hermogenes en ,epigenes en ,aischines en ,antisthenes4 ,en ook was er ,ktesippos uit den demos ,paiania en ,menexenos en eenige andere der landgenooten4 ,platoon1 meen ik1 was ziek4 ,kanttekening3 #ei;,c ,,echekrates3 ,en waren er sommigen van buiten8 ,,phaidoon3 ,ja1 ,simmias uit ,thebai en ,kebes en ,phaidoondes1 en uit ,megara ,eukleides en ,terpsioon4 ,,echekrates3 ,hoe nu8 ,waren ,aristippos en ,kleombrotos niet tegenwoordig8 ,,phaidoon3 ,neen1 bepaald niet4 ,want men ze nog1 dat zij op ,aigina waren4 ,,echekrates3 ,was er nog iemand anders8 ,,phaidoon3 ,ik denk dat dat vrijwel zijn wie tegenwoordig waren4 ,,echekrates3 ,hoe dan verder8 ,welke1 zegt gij1 waren de gesprekken8 ,,phaidoon3 ,ik zal alles met u van het begin af trachten ,kanttekening3 #ei;,d door te gaan4 ,voortdurend namelijk1 ook de voorafgaande dagen1 waren wij gewoon ,sokrates te bezoeken zoowel ik als de overigen4 ,wij kwamen dan 's morgens vroeg bijeen in de gerechtszaal waar ook het geding plaats gehad had2 want die was vlak bij de gevangenis4 ,wij wachtten daar dan telkens tot de gevangenis geopend werd1 en onderhielden ons met elkander2 want zij ging niet vroeg open4 ,en wanneer opengedaan was1 gingen wij naar binnen tot ,sokrates en brachten meest den heelen dag met hem door4 ,ook waren wij dien dag vroeger samengekomen4 ,want den vorigen dag toen wij 's avonds uit de gevangenis gekomen waren1 ,kanttekening3 #ei;,e hadden wij vernomen dat het schip uit ,delos aangekomen was4 ,wij spraken derhalve met elkander af om zoo vroeg mogelijk naar de gewone plaats te komen4 ,toen wij er dan waren1 kwam de deurwachter die ons placht open te doen1 naar buiten en zeide ons te wachten en niet eerder te komen aankloppen1 totdat hij zelf ons binnennooden zo4 ,want1 ze hij1 de elfmannen zijn bezig ,sokrates te ontboeien en kondigen hem aan1 hoe hij dezen dag zal moeten sterven4 ,niet langen tijd nu wachtte hij van te komen en ,kanttekening3 #fj;,a verzocht ons binnen te gaan4 ,wij traden derhalve binnen en vonden ,sokrates pas ontboeid en ,xanthippe--gij kent haar immers8--naast hem gezeten1 met zijn zoontje bij zich4 ,toen nu ,xanthippe ons zag1 jammerde zij luide en zeide dergelijke dingen als vrouwen gewoon zijn3 o ,sokrates1 dit is nu de laatste maal1 dat gij en uw vrienden elkander zult toespreken6 ,en ,sokrates zag naar ,kritoon en ze3 o ,kritoon1 laat iemand haar naar huis brengen4 ,en haar leidden enkele van ,kritoons mannen weg1 terwijl zij luid weende en rouwmisbaar ,kanttekening3 #fj;,b maakte4 ,onderhand ging ,sokrates op zijn bed overeind zitten en trok zijn been op en wreef het met de hand1 en zeide al wrijvende3 ,wat een vreemd ding1 o mannen1 lijkt dat te zijn wat de menschen 't aangename noemen6 ,hoe wonderlijk verhoudt het zich van-nature tegenover zijn algemeen erkend tegengestelde1 het smartelijke1 dat beide tegelijk niet bij den mensch willen wezen1 maar dat als men het ene najaagt en krijgt1 men zoo goed als gedwongen wordt ook het tweede te krijgen1 alsof zij hoewel zij twee blijven1 met en toppunt aan elkander zijn vastgemaakt4 ,kanttekening3 #fj;,c ,en mij komt het voor1 zeide hij1 dat ,aisopos1 als hij op hen bedacht ware geweest1 er een fabel van zo samengesteld hebben1 dat de godheid met de bedoeling om hen in hun vijandschap te verzoenen1 toen hij dat niet kon1 hunne toppunten aan-en heeft geknoopt1 en dat daarom bij wien het ene gekomen is1 later ook het tweede volgt4 ,zooals het nu ook bij mij zelven lijkt3 nadat tengevolge van de boei in mijn been het pijnlijke was1 blijkt nu daar-achteraan-vast te komen het aangename4 ,kebes nam nu het woord en zeide3 ,bij ,zeus1 o ,sokrates1 dat is goed van u1 dat gij er mij aan herinnert6 ,want omtrent ,kanttekening3 #fj;,d de verzen toch1 die gij gemaakt hebt door de fabelen van ,aisopos op maat te brengen en het proem te dichten op ,apolloon1 hebben mij sommige anderen reeds gevraagd1 doch een paar dagen geleden ook ,euenos1 met welke bedoeling gij1 nadat gij hier gekomen waart1 hen vervaardigd hebt1 terwijl gij vroeger nog nooit iets gedicht hebt4 ,als gij er derhalve belang in stelt1 dat ik ,euenos antwoord kan geven1 wanneer hij het wer vraagt--want ik weet wel dat hij het vragen zal--1 zeg mij wat ik moet zeggen4--,zeg hem dan de waarheid1 o ,kebes1 dat ik die niet gemaakt heb met den wil om een kunst-mededinger te zijn van hem ,kanttekening3 #fj;,e en zijne gedichten4 ,want ik wist dat dit niet gemakkelijk zo zijn4 ,maar om zekerheid te hebben omtrent de bedoeling van bepaalde droomen en een onbezwaard geweten te hebben1 indien misschien dit de moezische kunst was1 welke die droomen mij herhaaldelijk opdroegen te vervaardigen4 ,zij waren namelijk van den volgenden aard4 ,vele malen bezocht mij dezelfde droom in mijn voorbije leven1 nu onder dit1 dan onder dat gezicht verschijnende1 maar met dezelfde boodschap3 o ,sokrates1 vervaardig moezische kunst en houd u daarme bezig4 ,en ik veronderstelde ,kanttekening3 #fa;,a in den voorafgaanden tijd1 dat de droom mij aanspoorde en bijval toeriep om dat te doen waarme ik bezig was1 evenals toeschouwers in de renbaan de loopers aanmoedigen1--dat ook zoo de droom mij toejuichend aanspoorde te doen wat ik al deed1 moezische kunst maken1 daar philosofie1 als ik meende1 de grootste moezische kunst was1 en ik mij daarmede bezig hield4 ,maar nu1 nadat het proces afgeloopen was1 en tegelijk het feest van den god verhinderde dat ik stierf1 meende ik dat1 indien de droom mij weder herhaaldelijk mocht opdragen die moezische kunst1 nu-dan naar de gemeene volksopvatting1 te vervaardigen1 ik den droom niet ongehoorzaam mocht wezen1 maar behoorde te dichten4 ,want ik dacht1 dat het veiliger was niet heen te ,kanttekening3 #fa;,b gaan1 vor ik mij gereinigd had van de verplichting om gedichten te maken1 en zoo den droom gehoorzaam te zijn4 ,zoo heb ik dan in de eerste plaats een lied gemaakt op den god wiens offerfeest het was1 en na den god heb ik1 bedenkende dat een dichter1 zal hij werkelijk dichter zijn1 verzinselen en geen feiten behoort te dichten1 omdat ik zelf geen fabelverzinner was1 de fabelen die ik bij de hand had en uit mijn hoofd kende1 de fabelen van ,aisopos1 op maat gebracht1 de eerste waar ik op kwam4 ,zeg dit derhalve1 o ,kebes1 aan ,euenos1 en dat het hem welga1 en dat hij1 als hij verstandig is1 mij zoo spoedig mogelijk volge4 ,kanttekening3 #fa;,c ,want ik zal1 naar het schijnt1 vandaag heengaan4 ,de ,atheners toch gebieden het4--,en ,simmias zeide3 ,wat is dat voor eene aanmaning1 o ,sokrates1 aan ,euenos8444 ,want reeds vele malen heb ik den man ontmoet4 ,uit wat ik nu waargenomen heb1 is het vrijwel zeker1 dat hij uit-eigen-wil geenerwijs uw raad zal opvolgen4--,wat zegt gij daar8 ,is ,euenos geen wijsgeer8--,mij dunkt van-wel1 zeide ,simmias4--,dan zal hij dat gaarne doen1 zoowel ,euenos als ieder die daaraan waardiglijk deel heeft4 ,toch zal hij niet waarschijnlijk geweld aan zichzelf plegen2 want dat is niet geoorloofd1 zegt men4--,onder 't zeggen van deze ,kanttekening3 #fa;,d woorden liet hij zijn beenen op den grond ner1 en van dat oogenblik voerde hij zoo gezeten het gesprek4--,kebes nu vroeg hem3 ,hoe bedoelt gij dit1 ,sokrates1 dat het niet geoorloofd is geweld aan zichzelf te plegen1 maar dat toch de wijsgeer met den stervende graag zo megaan8--,wat1 ,kebes1 hebt gij en ,simmias die bij ,philolaos in de leer zijt geweest1 hieromtrent niet gehoord8--,niets zekers tenminste1 o ,sokrates4--,ook ik-voor-mij praat er maar van-hooren-zeggen over4 ,doch wat ik bij-geval gehoord heb1 heb ik geen enkele reden te verzwijgen4 ,immers1 past het wel1 vooral nu ik op het punt sta daarheen af te reizen1 ,kanttekening3 #fa;,e eens verstandelijk na te gaan en in woorden uit te beelden1 wat-voor meening wij hebben omtrent de reis daarheen4 ,en ook--wat zo men anders doen in den tijd tot den ondergang der zon8 --,op welken grond dan toch wel beweert men1 dat het niet geoorloofd is zichzelf te dooden1 o ,sokrates8 ,want ik heb 7waarnaar gij mij zoo-even vraagdet7 ook van ,philolaos1 toen die bij ons verkeerde1 en ook al van verscheidene anderen gehoord1 dat men dit niet mag doen4 ,maar iets beredeneerd-nauwkeurigs heb ik nog nooit van iemand erover ,kanttekening3 #fb;,a gehoord4--,houd maar goeden moed1 zeide hij1 want misschien zult gij het nog wel hooren4444 ,het zal u evenwel denkelijk wonderlijk schijnen1 dat dit alleen onder alle dingen eenvoudig vaststaat en nooit voor den mensch van omstandigheden afhangt zooals de andere dingen wel3 het zal u misschien wonderlijk voorkomen1 zeg ik1 dat1 hoewel het verscheidenen op verscheidene tijden beter is dood te zijn dan te leven1 het dien menschen wien het beter is dood te zijn1 niet oorbaar is zichzelf wel te doen1 maar zij een anderen weldoener moeten afwachten4--,en ,kebes glimlachte even en3 ,dat weet ,deus1 zeide hij in zijn eigen ,kanttekening3 #fb;,b tongval4--,het zo ook om-zoo-te hooren1 zeide ,sokrates1 onverklaarbaar kunnen klinken1 maar niettemin heeft het wellicht eenigen grond4 ,de verklaring nu die ons hieromtrent in de oude mysterin gegeven wordt1 dat wij menschen in een soort van gevangenschap zijn1 en dat men zich uit deze niet mag bevrijden en niet wegloopen1 lijkt mij een groote-bewering te zijn en niet gemakkelijk om te doorzien4 ,doch in-elk-geval schijnt mij het volgende terecht beweerd te worden1 dat het de goden zijn1 die voor ons zorg dragen1 en dat de menschen voor de goden een hunner bezittingen zijn4 ,of denkt gij er niet zoo over8--,ja ,kanttekening3 #fb;,c zeker1 zeide ,kebes4--,zoudt nu ook gij niet1 indien een uwer slaven zichzelf doodde zonder aanwijzing van u dat gij dit wildet1 boos op hem zijn en hem straffen als gij kondt8--,voorzeker4--,misschien is het dan op dezelfde wijze niet ongegrond1 dat men zelf zich niet eerder mag in den dood begeven1 vor de godheid een-of-andere noodzakelijkheid op ons afzendt1 zooals nu in ons geval4--,wel1 dit althans komt mij waarschijnlijk voor4 ,wat gij evenwel daar-straks zeidet1 dat de wijsgeeren reede zouden ,kanttekening3 #fb;,d willen sterven1 dat lijkt vreemd1 ,sokrates1 indien wat wij zoo-juist beweerden steek houdt1 dat het namelijk de godheid is die voor ons zorgdraagt1 en dat wij zijne bezittingen zijn4 ,want dat het den verstandigsten geen leed zo doen heen te gaan uit deze dienstbaarheid waarin over hen gesteld zijn die de beste toezieners zijn van alle bestaande1 de goden1 heeft geen zin4 ,want zoo-een meent allicht niet1 dat hij1 vrij geworden1 zelf beter voor zich zorgen zal4 ,maar een nverstandig mensch waarschijnlijk zal dit denken1 dat hij weg moet loopen van zijn heer1 en ,kanttekening3 #fb;,e zal niet berekenen dat men van zijn geden heer tenminste niet mag wegloopen1 maar boven-al bij hem behoort te blijven1 omdat het onzinnig zo zijn weg te loopen4 ,doch een verstandig man zal allicht begeeren voor altijd bij zijnen betere te zijn4 ,en toch1 zoo schijnt het tegenovergestelde waar te zijn van wat daarnet beweerd werd3 de verstandigen behooren bedroefd te zijn bij hun sterven1 de onverstandigen blij4--,op het hooren hiervan had ,sokrates1 ,kanttekening3 #fc;,a kwam mij voor1 genoegen in ,kebes' gevatheid4 ,hij wierp ons een blik toe en zeide3 ,altijd toch spoort ,kebes een-of-andere tegenwerping op1 en wil zich nooit erg gauw laten overtuigen van wat men ook beweert4--,en ,simmias sprak3 ,maar nu toch1 o ,sokrates1 vind ik ook zelf1 dat ,kebes iets van belang beweert4 ,want met welke bedoeling zouden naar-waarheid wijze mannen heeren die hun beteren zijn1 willen ontloopen en zich lichtvaardig van hen ontdoen8 ,ook komt het mij voor1 dat ,kebes in zijn woorden op doelt1 dat gij het zoo licht opneemt1 zoowel om ,kanttekening3 #fc;,b ons te verlaten als goede bestuurderen1 zooals gij zelf toegeeft1 de goden4--,gij vraagt uw recht1 zeide hij4 ,want uwe bedoeling is1 meen ik1 dat ik mij daaromtrent behoor te verdedigen als voor een gerecht4--,ja juist1 zeide ,simmias4 --,welaan dan1 zeide hij1 laat ik trachten met meer overtuigenden uitslag mij tegenover u te verdedigen dan tegenover mijne eerste rechters4 ,indien ik namelijk1 o ,simmias en ,kebes1 niet meende te zullen komen vooreerst tot andere goede en wijze goden1 en verder tot gestorven menschen1 betere dan die hier zijn1 zoude het zondig van mij wezen niet bedroefd te zijn om mijn dood4 ,maar nu1 weet wel1 ,kanttekening3 #fc;,c dat ik hoop te zullen komen tot goede menschen1--en dit wil ik nog niet zoo zeker beweren14444 dat ik evenwel tot goden zal komen1 die zeer goede heeren voor mij zullen zijn1 weet wel dat ik1 zoo eenig ander ding van dien aard1 dit zo durven verzekeren4 ,zoodat ik daarom geen reden heb bedroefd te zijn1 maar welgemoed ben1 dat er voor de menschen na hun dood nog iets bestaat1 en zooals ook vanouds overgeleverd wordt1 iets dat veel beter is voor de goeden dan voor de slechten4--,hoe dan1 ,sokrates1 zeide ,simmias1 zijt gij van-plan heen te gaan en deze overtuiging ,kanttekening3 #fc;,d voor uzelf te houden1 of zult gij ons haar mededeelen8 ,want het komt mij voor1 dat dit een goed is1 waar ook wij recht op hebben1 en tegelijk zal het u voor verdediging gelden1 wanneer gij ons overtuigt van wat gij zegt4--,ik zal het beproeven1 zeide hij4 ,maar laten wij eerst zien wat ,kritoon hier wil4 ,het komt mij voor1 dat hij al geruimen tijd iets te zeggen had4--,niets anders1 o ,sokrates1 zeide ,kritoon1 dan dat de man die u het gif zal toedienen1 mij voortdurend zegt1 dat ik u moet beduiden zoo weinig mogelijk te praten4 ,want1 zegt hij1 bij het praten maken de menschen zich warm meer dan goed is1 en zoo-iets mag heelemaal niet gebeuren bij het drinken van den giftbeker1 ,kanttekening3 #fc;,e en als men niet naar hem luistert1 zijn menschen die zoo-iets doen1 somtijds gedwongen twee-1 ja driemaal te drinken4--,en ,sokrates zeide3 ,laat hem praten4 ,als hij maar zijn eigen werk in orde brengt1 alsof hij dan tweemaal1 of als het noodig mocht zijn1 zelfs driemaal zal moeten toedienen4--,ik wist uw antwoord al vooruit1 ze ,kritoon4 ,maar de man is lastig4--,laat hem1 zeide hij4 ,maar tegenover u dan1 mijne rechters1 wil ik nu mijne verantwoording afleggen1 dat ik op goede gronden meen1 dat een man die zijn leven inderdaad in wijsbegeerte heeft doorgebracht1 goedsmoeds is op het oogenblik van zijn ,kanttekening3 #fd;,a dood en goederhoop1 dat hij daarginds de grootste goede dingen zal behalen1 wanneer hij gestorven is4 ,hoe dit zoo komt te zijn1 o ,simmias en ,kebes1 zal ik trachten u duidelijk te maken4 ,het heeft er namelijk veel van1 dat van allen zoovelen zich ordelijk toeleggen op wijsbegeerte1 de overigen niet bemerken1 dat zij-voor-zich niets anders bestreven dan sterven en dood-zijn4 ,indien dit nu de waarheid is1 zo het natuurlijk ongerijmd zijn van hen1 in hun geheele leven niets anders dan dit te bestreven en dan1 wanneer juist datgene komt1 waarvan zij al-lang hun dagelijksch streven maakten1 mistroostig te zijn4--,en ,simmias zeide lachend3 ,bij ,zeus1 o ,sokrates1 ik ben op het oogenblik ,kanttekening3 #fd;,b niet erg tot lachen gestemd1 maar gij doet mij lachen4 ,want ik meen1 dat de gemeene luiden die dit hoorden1 zouden vinden1 dat juist dit erg van pas gezegd was aan het adres der wijsgeeren1 en het zouden beamen1 de menschen bij ons vooral1 dat inderdaad de wijsgeeren naar den dood hunkeren1 en verdienen zoo te varen1 en dat zij dit heel goed van hen merken4--,dan zouden zij de waarheid zeggen1 o ,simmias1 behalve de bewering1 dat zij het zouden merken4 ,want het ontgaat hun1 hoe naar den dood hunkeren en hoe en welken dood verdienen de waarachtige ,kanttekening3 #fd;,c philosofen4 ,doch laten wij dien anderen vaarwel zeggen en praten alleen lettend op onszelven4 ,meenen wij1 dat de dood iets bepaalds is8--,zeker1 gaf ,simmias daarop ten antwoord4--,wel iets anders dan de scheiding der ziel van het lichaam8 ,en dat dood-zijn dit is1 dat enszijds het lichaam van de ziel afgescheiden iets op-zich-zelfs komt te zijn1 en anderszijds de ziel van het lichaam gescheiden op-zich-zelf is8 ,bestaat er soms kans1 dat de dood iets anders zo zijn dan dit8--,neen1 dit alleen1 zeide hij4--,ga dan even na1 mijn waarde1 of ook gij over het volgende denkt als ik4 ,want hiervan uitgaande zullen wij tot beter inzicht komen in de dingen waarover ,kanttekening3 #fd;,d wij redeneeren4444 ,lijkt het u eens wijsgeers bezigheid te zijn ernst te maken met zulke zoogenaamde genietingen als die van eten en drinken8--,allerminst1 o ,sokrates1 ze ,simmias4--,en verder de lusten-in-liefde8--,geenerwijs4--,en verder14444 lijkt u de zoodanige de overige dienstplegingen betreffende het lichaam van-waarde te houden1 als de verwervingen van keur-onderscheiden opperkleederen en schoeiselen en de overige uiterlijk-vermooiingen betreffende het lichaam84444 denkt gij1 dat hij ze van-waarde ,kanttekening3 #fd;,e zal achten of waardelos voor-zoo-ver er geen groote noodzakelijkheid bestaat er deel aan te hebben8--,ik denk1 dat hij ze waardeloos acht1 tenminste de waarachtige wijsgeer4--,dunkt u dan niet over-'t-geheel de leefbezigheid van den zoodanige niet te gaan om het lichaam1 maar zooveel als kan1 zich daarvan op een afstand te houden en naar de zijde der ziel gericht te zijn8--,ja4--,valt het derhalve soms 7in de eerste plaats in dergelijke zaken7 ,kanttekening3 #fe;,a van den wijsgeer in 't licht1 dat hij zooveel mogelijk de ziel tracht los te maken van hare gemeenschap met het lichaam op een van de overige menschen verschillende wijze8--,het schijnt zoo4--,en daarom natuurlijk lijkt het1 o ,simmias1 aan de groote menigte der menschen1 dat hij wien niets van dergelijke dingen genot geeft en die geen deel aan hen heeft1 niet waard is te leven1 maar dat heel dicht aan dood-zijn reikt de man die zich niet kommert om de lusten die door het lichaam heen ons bereiken4--,gij zegt de volle waarheid4-- --,maar hoe staat het dan met de verwerving zelve van inzicht8 ,is het lichaam een voetstoot of niet1 wanneer men het bij het zoeken daarnaar als ,kanttekening3 #fe;,b speurgenoot met zich medeneemt8 ,ik bedoel bij-voorbeeld het volgende3 ,heeft gezicht en gehoor voor de menschen wel eenige waarachtigheid8 ,of zijn maar praatjes-voor-den-vaak1 ook van de dichters1 diergelijke beweringen die zij ons aldoor houden1 dat wij met nauwkeurigheid noch iets hooren noch zien8 ,toch1 als van de lichamelijke waarnemingen deze niet nauwkeurig en niet zeker zijn1 zijn de andere het niet-licht2 want alle zijn zij wel gebrekkiger4 ,of vindt gij van-niet8--,neen1 bepaald van-wel4--,wanneer derhalve beroert de ziel de waarheid8 ,wanneer zij immers in gezelschap van het lichaam iets tracht te onderzoeken1 dan wordt zij1 dat is duidelijk1 daardoor ,kanttekening3 #fe;,c misleid4--,gij spreekt de waarheid4--,wordt derhalve niet1 zoo ergens anders1 in het denken iets van de werkelijkheid haar eigen8--,ja4--,en denkt zij misschien dan schonst1 wanneer niets van deze dingen haar hindert1 noch gehoor1 noch gezicht1 noch pijn1 noch eenige lust1 maar wanneer zij zooveel mogelijk op-zich-zelf komt te zijn en het lichaam aan zijn lot overlaat en1 zooveel zij kan1 daar geen deel aan neemt en er niet me in aanraking is1 en dan naar de waarheid reikt8--,dat is zoo4--,schat derhalve ook daarbij de ziel van den wijsgeer het lichaam niet ten zeerste waardeloos en vlucht er vandaan en zoekt ,kanttekening3 #fe;,d op-zich-zelf alleen te zijn8--,dat is helder4----,en wat dunkt u verder van het volgende3 ,beweren wij dat het begrip rechtvaardig iets bestaands is of niets8--,voorzeker bij ,zeus4--,en het begrip schoon en het begrip goed8--,hoe niet8--,hebt gij dan wel ooit eenig van diergelijke dingen met uw oogen gezien8--,geenszins1 zeide hij4--,maar hebt gij met eenige andere der door het lichaam heengaande waarnemingen hen beroerd8 ,ik bedoel alle dingen als grootte1 gezondheid1 kracht1 in-en-woord ,kanttekening3 #fe;,e het wezen van de gezamenlijke overige dingen1 wat elk afzonderlijk eigenlijk is4 ,wordt door het lichaam heen hun waarachtigste wezen aanschouwd8 ,of is het er zo me3 wie van ons zich toelegt om het wezen van elk ding afzonderlijk waar hij onderzoek naar doet1 meest en nauwgezetst met de gedchte te doorgronden1 zal de wel het naast komen tot de bewustwording van elk afzonderlijk8--,volslagen zoo4--,zal derhalve die man dat het zuiverst doen1 die zooveel mogelijk met de gedachte zelve op elk ding afgaat zonder het gezicht bij het doordenken erbij ,kanttekening3 #ff;,a te nemen1 noch eenig ander zintuig bij de overweging erbij te halen1 maar die met de zonnezuivere gedachte op-zich-zelf ieder ding zonnezuiver op-zich-zelf tracht na te jagen van de bestaande dingen1 na zich zooveel mogelijk ontdaan te hebben van oogen en ooren en om-zoo-te-zeggen van het geheele lichaam1 daar dit1 wanneer het deelgenoot is1 de ziel verwart en niet toestaat dat zij waarheid en inzicht verwerft1--is niet dze1 o ,simmias1 indien eenig andere1 de man die het werkelijk bestaande treffen zal8--,bovenmate1 zeide ,simmias1 zegt gij de waarheid1 o ,sokrates4--,derhalve1 ,kanttekening3 #ff;,b zeide hij1 komt tengevolge van al deze dingen zulk eene meening bij de oprechte wijsgeeren op1 dat zij volgenderwijze tot elkander spreken3 ,de dood schijnt als een afsnijdend voetpad dat ons uitleidt1 omdat1 zoolang als wij het lichaam verbonden met de rede bij ons onderzoek hebben1 en onze ziel met zulk een kwaad vermengd is1 er geen kans bestaat1 dat wij ooit voldoende verwerven datgene waarnaar wij verlangen en waarvan wij beweren dat het het ware is4 ,want ontelbare beslommeringen schaft ons het lichaam wegens zijn noodzakelijk ,kanttekening3 #ff;,c onderhoud4 ,en verder wanneer ziekten ons toevallen1 verhinderen die ons in de jacht naar het bestaande4 ,en met liefden en begeerten en vreezen en allerhande schijnbeelden en beuzelarij veel vervult het ons1 zoodat1 naar men pleegt te zeggen1 het ons inderdaad door toedoen van het lichaam onmogelijk is ooit in eenig ding ook maar inzicht te krijgen4 ,want oorlogen en burgertwisten en strijden schaft niets anders dan het lichaam en zijne begeerten4 ,want om het verwerven van have ontstaan al de oorlogen1 en tot het verwerven van have worden wij gedwongen ,kanttekening3 #ff;,d wegens ons lichaam1 daar wij slaven zijn van zijn verpleging4 ,dientengevolge hebben wij om al deze dingen geen vrijen tijd voor de wijsbegeerte4 ,en wat het ergste van alles is1 wanneer wij een oogenblik vrij van ons lichaam hebben1 en wij ons richten tot het onderzoek van eenig ding1 komt het wer telkens storend daarin vallen en brengt gedruisch en verwarring en verschrikt ons1 zoodat wij door ons lichaam het ware niet kunnen in 't oog krijgen1 doch met-de-daad is het voor ons bewezen1 dat wanneer wij ooit iets zuiverlijk zullen weten1 wij van ons lichaam moeten ,kanttekening3 #ff;,e bevrijd worden en met de ziel zelve de dingen zelve moeten aanschouwen4 ,en dn1 naar het schijnt1 zullen wij hebben wat wij begeeren en waarvan wij minnaars beweren te zijn3 inzicht1 wanneer wij namelijk zullen gestorven zijn1 zooals de redeneering aantoont1 maar bij ons leven niet4 ,want indien het niet mogelijk is in vereeniging met het lichaam eenig ding zuiverlijk te leeren kennen1 dan is en van twee waar3 f men kan het weten nergens verwerven1 f na den ,kanttekening3 #fg;,a dood4 ,want dan zal de ziel op-zich-zelf zijn1 afgescheiden van het lichaam1 maar eerder niet4 ,en zoolang wij leven1 zullen wij1 naar het schijnt1 zo dichtst bij het weten zijn3 wanneer wij zooveel mogelijk in niets omgang met het lichaam hebben1 behalve de volstrekte noodzakelijkheid1 en als wij ons niet laten verontreinigen met zijn natuur1 maar ons rein van het lichaam houden1 totdat de god ons zal verlossen4 ,en zoo zullen wij1 bevrijd wordende van de dwaasheid des lichaams1 als waarschijnlijk is1 rein zijn onder diergelijke dingen1 en zullen wij door eigen aanraking heel de ,kanttekening3 #fg;,b zonnezuivere waarheid leeren kennen4 ,want ik vrees1 dat het voor een niet-reine niet oorbaar is het reine te beroeren4 ,zoodanige dingen1 meen ik1 o ,simmias1 spreken noodwendig tot elkander en denken al de ordelijk leerlustigen4 ,of meent gij van-niet8--,meer dan alles meen ik dat1 o ,sokrates4--,derhalve1 zeide ,sokrates1 indien deze dingen waar zijn1 o mijn vriend1 bestaat er groote verwachting1 dat men1 aangekomen waarheen ik nu op reis ga1 dar indien ergens anders1 in voldoende mate dat verwerft ter wille waarvan in ons voorbije leven de vele inspanning geweest is4 ,zoodat ,kanttekening3 #fg;,c de mij nu opgelegde reis onder goede hoop wordt aanvaard1 en ook door elk ander man die meent1 dat zijn geest als een gereinigde daartoe is toegerust4--,voorzeker1 zeide ,simmias4--,en reiniging1 is dat niet juist datgene waar wij al-lang over spreken1 het scheiden zooveel mogelijk van de ziel van het lichaam1 en haar te gewennen van alle kanten uit het lichaam zich op-zich-zelf saam te trekken en te vergaderen1 en zoover mogelijk is1 zoowel in het tegenwoordige ,kanttekening3 #fg;,d als in het toekomstige op-zich-zelf alleen te wonen1 zich uit het lichaam als uit banden losmakende8--,zeer zeker1 zeide hij4--,en wordt dat niet dood genaamd1 losmaking en afscheiding van de ziel van het lichaam8--,volkomen zoo1 zeide hij4--,en om haar los te maken1 naar wij beweren1 zijn altijd meest en alleen bereid de waarachtig wijsgeerigen1 en dat is juist de leefoefening der wijsgeeren1 de losmaking en scheiding der ziel van het lichaam4 ,of niet8--,het schijnt zoo4--,zo het derhalve 7wat ik in den aanvang al zeide7 niet belachelijk zijn1 dat een man die zichzelf in zijn leven toerust om zo te leven1 dat hij zoo dicht mogelijk ,kanttekening3 #fg;,e bij het dood-zijn is1 wanneer dit vervolgens voor hem aanbreekt1 verstoord is8 ,is dat niet belachelijk8--,hoe zo het niet8--,inderdaad dus1 zeide hij1 o ,simmias1 oefenen de waarachtig wijsgeerigen zich in sterven1 en het dood-zijn is onder de menschen voor hn minst vreeswekkend444 ,doch beschouw het nog eens volgenderwijs4 ,indien zij toch allerzijden met het lichaam overhoop liggen1 en begeeren de ziel afzonderlijk te hebben1 zoude dan1 indien zij bij het geschieden daarvan bevreesd en verstoord waren1 dat geen groote onredelijkheid zijn1 als zij niet met vreugde darheen zouden gaan1 waar aangekomen zij de verwachting ,kanttekening3 #fh;,a hebben1 deelachtig te worden datgene waar zij hun leven lang op verliefd waren 7en verliefd waren zij op inzicht71 en verlost te worden van het samenzijn met datgene waarme zij overhoop lagen8 ,bij den dood van menschelijke beminden en vrouwen en zonen hebben velen wel reede naar den ,hades willen gaan1 geleid door deze verwachting1 dat zij daar zouden zien en zouden samenzijn met hen naar wie zij verlangden4 ,en zal dan iemand die inderdaad verliefd is op inzicht1 en die krachtig dezelfde verwachting heeft opgevat1 dit nergens anders noemenswaard te zullen aantreffen dan in den ,hades1 verstoord zijn bij zijn sterven ,kanttekening3 #fh;,b en niet gaarne daarheen gaan8 ,men moet het ervoor houden1 indien hij tenminste in-waarheid1 o mijn vriend1 een wijsgeer is4 ,want hij zal krachtig de meening hebben1 nergens anders zuiverlijk inzicht te zullen aantreffen behalve daar4 ,en als dat zoo is1 zoude dan1 wat ik zoo-even zeide1 het geen groote onredelijkheid zijn1 als de zoodanige vreesde voor den dood8--,voorwaar bij ,zeus1 eene groote1 zeide hij4--,is derhalve1 wanneer gij van een man1 zeide hij1 gezien hebt dat hij op het punt van te sterven verstoord is1 dit voor u niet een voldoend bewijs1 dat hij dus geen wijsgeerige was1 maar een lijfgierige8 ,en allicht is diezelfde ,kanttekening3 #fh;,c man ook nog geldgierig en eergierig1 hetzij en van deze beide1 hetzij beide8--,het is geheel zooals gij zegt4--,past derhalve1 zeide hij1 de zoogenaamde manmoedigheid niet meest bij de wijsgeeriggezinden8--,ja1 natuurlijk4--,en ook de deugdzaamheid1 ik bedoel wat de groote menigte deugdzaamheid noemt3 zich niet door zijn begeerten laten vervoeren1 maar1 daaromtrent weinig-bekommerd en bezadigd zijn1--past ook die niet bij dezen alleen1 bij hen die zich minst bekommeren om hun lichaam en leven in wijsbegeerte8--,noodzakelijk1 zeide hij4--,immers1 indien ,kanttekening3 #fh;,d gij1 zeide hij1 de manmoedigheid en deugdzaamheid der overigen bedenken wilt1 zal zij u onzinnig voorkomen4--,hoe zoo1 o ,sokrates8--,weet gij dat al de overigen den dood tot de groote rampen rekenen8--,maar al te zeer1 zeide hij4--,bestaan dan de manmoedigen onder hen den dood1 als zij hem bestaan1 niet uit vrees voor grooter rampen8--,dat is zoo4--,doordat zij bang zijn derhalve en uit vrees zijn allen manmoedig behalve de wijsgeeren4 ,kanttekening3 #fh;,e ,en toch1 het is zinloos1 dat men uit vrees en lafheid manmoedig is4--,ja1 voorwaar4--,en hoe is het met de bezadigden onder hen8 ,gaat het met hen niet net eender8 ,zijn zij niet deugdzaam wegens een soort van bandeloosheid8 ,of wij al zeggen dat dit onmogelijk is1 toch komt bij hen met deze hun dwaze deugdzaamheid een hierme gelijkstaand geval voor4 ,immers uit vrees van beroofd te zullen worden van andere lusten en uit begeerte daarnaar1 onthouden zij zich van de ene1 terwijl zij door de andere ,kanttekening3 #fi;,a worden beheerscht4 ,of men nu al bandeloosheid noemt1 door zijn lusten beheerscht te worden1 toch komt het bij hen voor1 dat zij zich door lusten laten beheerschen en daardoor tegelijk heerschen over andere lusten4 ,en dat is gelijk aan wat zoo-even beweerd werd1 dat zij kans-zien wegens bandeloosheid deugdzaam te zijn4--,ja1 dat schijnt zoo4--,o gelukzalige ,simmias1 ik vrees dat dit niet de juiste wijze van ruilen is om tot deugd te geraken1 lusten tegen lusten en smarten tegen smarten en vrees tegen vrees in te wisselen en grooter tegen kleiner evenals munten1 doch ik denk dat dit alleen de echte munt is waartegen ,kanttekening3 #fi;,b men dat alles behoort in te wisselen3 inzicht1 en dat alles wat men daarvoor en daarme koopt en verkoopt1 in-der-waarheid manmoedigheid is en deugdzaamheid en rechtvaardigheid1 en dat alles-te-zaam-genomen alle ware deugd samengaat met inzicht1 of lusten en vreezen en alle dergelijke dingen daarbij komen of niet4 ,maar wanneer zij van inzicht afgescheiden worden en tegen elkander ingewisseld1 dan is1 vrees ik1 de zoodanige deugd een soort schaduwbeeld van deugd en in-waarheid slaven waardig1 en heeft niets gezonds of waars4 ,maar het ware1 vrees ik1 is ,kanttekening3 #fi;,c inderdaad rein-zijn van alle dergelijke dingen1 en deugdzaamheid en rechtvaardigheid en manmoedigheid en inzicht zelf een soort reinigende wijding daartoe4 ,en het schijnt dat de ouden die voor ons de wijdingen der mysterin hebben ingesteld1 niet onnoozel zijn geweest1 maar inderdaad van oudsher symbolisch hebben bedoeld dat wie ongeheiligd en ongewijd in den ,hades komt1 in slijk en vuil zal neder-liggen1 maar dat de gereinigde en gewijde na zijn aankomst daar onder de goden wonen zal4 ,want er zijn01 zooals de ,kanttekening3 #fi;,d met de mysterin vertrouwden zeggen3 ,thyrsos-drageren veel1 maar weinige ,bakchos-bezielden40 ,deze laatsten zijn1 volgens mijne meening1 geene anderen dan die op ordelijke wijze wijsgeeren zijn geweest4 ,tot welke te behooren dan ook ik naar mijn vermogen niets ongedaan gelaten heb in mijn leven1 maar op alle wijze mij moeite gegeven heb4 ,en of ik mij in de juiste richting moeite gegeven heb1 en of wij iets behaald hebben1 zullen wij na onze komst daar zeker weten1 als god het wil binnen korten tijd1 denk ik4 ,deze dingen dan1 zeide hij1 o ,simmias en ,kebes1 voer ik aan tot mijne verdediging1 dat ik1 nu ik u en mijne meesters hier verlaat1 op goede gronden niet toornig of verstoord ben1 daar ik meen ook daarginds niet ,kanttekening3 #fi;,e minder goede meesters en vrienden te zullen aantreffen dan hier4 ,indien ik nu in de verdediging ulieden meer overtuigend ben dan den rechters der ,atheners1 dan is het wel4 ,nadat ,sokrates dit gezegd had1 nam ,kebes het woord op en zeide3 o ,sokrates1 uwe overige beweringen komen mij ,kanttekening3 #gj;,a schoon voor1 maar die omtrent de ziel schaffen den menschen grooten twijfel4 ,zij vreezen1 dat zij1 wanneer zij van het lichaam gescheiden is1 nergens meer is1 maar op dien dag waarop de mensch sterft1 zoodra zij zich van het lichaam scheidt en uitgaat1 als adem of rook zich verspreidt en uiten-vervliegt en niets en nergens meer is4 ,want indien zij ergens ware1 op-zich-zelf verzameld en bevrijd van die kwaden welke gij zoo-even hebt opgenoemd1 dan zoude er ,kanttekening3 #gj;,b groote en schoone hoop bestaan1 o ,sokrates1 dat waar is wat gij zegt4 ,doch dit heeft allicht geen geringe kracht van verzekering en gelooven noodig1 dat na den dood van den mensch de ziel bestaat en vermogen heeft en bezinning4--,gij zegt de waarheid1 ze ,sokrates1 o ,kebes4 ,doch wat moeten wij doen8 ,of wilt gij dat wij juist daarover woord-wisselen1 of het waarschijnlijk zo is of niet8--,ik1 zeide ,kebes1 zo gaarne hooren1 welke meening gij erover hebt4--,dan zal tenminste geen toehoorder nu1 meen ik1 ze ,kanttekening3 #gj;,c ,sokrates1 zelfs al was hij blijspeldichter1 kunnen zeggen1 dat ik zinlooze praatjes houd en over niet-pasgevende dingen spreek4 ,als men het derhalve goed-vindt1 moeten wij het samen onderzoeken4 ,laat ons--hetzij dat de zielen der menschen na hun dood werkelijk in den ,hades zijn1 hetzij ook niet--de zaak een oogenblik in die richting beschouwen4 ,er bestaat dan een oude overlevering1 waarvan wij de gedachtenis bewaren1 dat zij vanhier gekomen daar zijn1 en wederom hierheen komen en ontstaan uit de dooden4 ,en als dt zoo is1 dat de levenden wederom ontstaan uit de dooden1 moeten ,kanttekening3 #gj;,d onze zielen dan daarginds niet bestan8 ,want zij zouden toch niet wederom kunnen geboren worden1 indien zij niet bestonden1 en dit is een voldoende bewijs van de waarheid hiervan1 indien inderdaad blijken zoude1 dat de levenden nergens anders vandaan ontstaan dan uit de dooden4 ,maar als dat niet waar is1 dan zouden wij een andere bewijsvoering noodig hebben4--,zeer waar1 zeide ,kebes4--,beschouw dat dan1 zeide hij1 als gij het gemakkelijker wilt inzien1 niet alleen bij menschen1 maar ook bij alle levende wezens en planten1 en in-en-woord bij alle dingen waar wording bij plaats heeft2 laat ons betreffende alle zien of ,kanttekening3 #gj;,e alle zo ontstaan1 nergens anders vandaan dan de tegendeelen uit hunne tegendeelen voor-zoo-ver elk ding zoo-iets heeft1 zooals het schoone allicht tegenover het leelijke staat en rechtvaardig tegenover onrechtvaardig en oneindig veel andere zaken zich zoo verhouden4 ,laten wij dit derhalve onderzoeken1 of het noodzakelijk is1 dat al wat een tegenovergestelde heeft1 nergens anders uit ontstaat dan uit zijn tegenovergestelde4 ,bij-voorbeeld1 wanneer iets grooter wordt1 is het dan misschien noodzakelijk dat het uit een ding dat vroeger kleiner was1 vervolgens grooter wordt8--,ja4--,en ook wanneer het kleiner wordt1 zal het dan niet ,kanttekening3 #ga;,a uit een ding dat vroeger grooter was1 later kleiner worden8--,zoo is het1 zeide hij4--,en uit het sterkere het zwakkere en uit het tragere het snellere8--,zeer zeker1 zeide hij4--,verder1 als iets slechter wordt1 wordt het dat niet uit het betere1 en rechtvaardiger uit het onrechtvaardigere8--,hoe zo het niet8--,zijn wij derhalve1 zeide hij1 genoegzaam zeker hiervan1 dat alle zaken zo ontstaan3 de tegendeelen uit hunne tegendeelen8--,volkomen4--,hoe verder8 ,komt bij hen ook iets van den volgenden aard voor1 tusschen elke twee tegengestelden paarsgewijze twee wordings-overgangen1 ,kanttekening3 #ga;,b van het eerste naar het tweede en wer terug van het tweede naar het eerste1 zooals bij-voorbeeld tusschen een grooter en een kleiner ding toeneming en afneming voorkomt1 en wij daarbij het toenemen en het afnemen dien naam van wordings-overgangen geven8--,ja1 zeide hij4--,derhalve gaan ook zich-scheiden en zich-vereenigen1 en koud-worden en warm-worden1 en alle dingen zoo8 ,en al bezigen wij een enkelen keer niet den naam1 toch is het noodzakelijk1 niet1 dat het in werkelijkheid overal zoo gaat1 dat zij uit elkander worden en er een wordings-overgang ,kanttekening3 #ga;,c bestaat tot elkander uit elk van beide8--,zeer zeker1 zeide hij4--,hoe dan8 ze ,sokrates4 ,bestaat er iets aan leven tegenovergesteld1 evenals tegenover wakker-zijn slapen staat8--,voorzeker1 ze hij4--,wat8--,dood-zijn1 zeide hij4--,ontstaan derhalve niet deze dingen uit elkander1 als zij tegenovergesteld zijn1 en zijn ook de wordings-overgangen tusschen hen als paar niet twee8--,hoe zo het niet8--,het ene stel van de dingen die ik u zoo-even opnoemde1 ze ,sokrates1 zal ik u zeggen1 zoowel het-zelf als zijn wordings-overgangen1 en gij mij het tweede4 ,ik noem dan3 slapen en daartegenover wakker-zijn1 en dat ,kanttekening3 #ga;,d uit het slapen het wakker-zijn ontstaat en uit het wakker-zijn het slapen1 en dat hunne wordings-overgangen zijn de ene inslapen1 de andere ontwaken4 ,is u dat zoo voldoende of niet8--,volkomen4--,zeg dan ook gij het mij zoo1 ze hij1 omtrent leven en dood4 ,is uw zeggen niet1 dat tegenover leven dood-zijn staat8--,ja4--,en dat zij uit elkander ontstaan8--,ja4--,wat is derhalve datgene wat ontstaat uit het levende8--,het doode1 zeide hij4--,en wat1 ze hij1 uit het doode8--,noodzakelijk is het1 toe te geven1 het levende4--,uit het doode derhalve1 o ,kebes1 ontstaat het levende en de levenden8--,het schijnt zoo4--,derhalve ,kanttekening3 #ga;,e bestan onze zielen1 ze hij1 in den ,hades4--,zoo lijkt het4--,is nu niet van de beide wordings-overgangen die hierme te maken hebben1 de ene klaarblijkelijk8 ,immers het sterven is klaarblijkelijk1 of niet8--,zeker1 zeide hij4--,hoe moeten wij1 ze ,sokrates1 derhalve doen8 ,zullen wij den tegenovergestelden wordings-overgang daaraan niet toekennen1 doch zal de natuur in dit opzicht mank zijn8 ,of is het noodzakelijk1 aan het sterven eenigen tegenovergestelden wordings-overgang toe te kennen8--,zeker wel1 zeide hij4--,en welke is die8--,herleven4--,als derhalve1 zeide hij1 het herleven een feit is1 zal dan herleven niet de ,kanttekening3 #gb;,a wordings-overgang zijn van de dooden naar de levenden8--,bepaald4--,derhalve komen wij ook langs dien kant overeen1 dat de levenden worden uit de dooden niets minder dan de dooden uit de levenden4 ,en wij bepaalden immers dat1 als dit zoo was1 het een voldoend bewijs zo zijn1 dat noodzakelijk de zielen der gestorvenen ergens bestaan waarvandaan zij dan weder geboren worden8--,het komt mij voor1 zeide hij1 o ,sokrates1 dat het op grond van het overeengekomene noodzakelijk zoo is4 --,zie dan nu nog volgenderwijze1 zeide hij1 o ,kebes1 dat wij zelfs op zeer billijke gronden1 naar mij voorkomt1 dit zijn overeengekomen4 ,want indien niet voortdurend het ene door wording1 als in een kring rondgaande1 in het ,kanttekening3 #gb;,b andere overging1 maar de wording een soort rechtlijnige zo zijn van het ene alleen naar het overgestelde1 en indien het niet om zo buigen en geen enkele bocht maken1 weet gij dat dan alles ten-slotte denzelfden stand zo aannemen en in denzelfden toestand komen zo en op zo houden te ontstaan8--,hoe bedoelt gij dat8 zeide hij4--,het is niets moeielijks1 ze hij1 te begrijpen wat ik meen4 ,bij-voorbeeld1 als het inslapen wel bestond1 maar het wakker-worden als wordings-overgang uit het slapende daar niet tegenover stond1 begrijpt gij dat ten-slotte al het bestaande ,kanttekening3 #gb;,c de fabel van ,endymioon beuzelpraat zo bewijzen en hij nergens meer opvallend zo zijn om het feit dat al het overige in denzelfden toestand zo zijn als hij4 ,en indien alles wel voortdurend saamgevoegd werd1 maar niet wer gesplitst werd1 dan zo spoedig de door ,anaxagoras beschreven toestand ingetreden zijn3 alle dingen bij-en04 ,op dezelfde wijze1 o waarde ,kebes1 indien alles wel stierf zooveel als deel krijgt aan het leven1 maar nadat het gestorven is1 het doode in dien stand zo blijven en niet weder levend zo worden1 is het dan niet volstrekt noodzakelijk ,kanttekening3 #gb;,d dat alles ten-slotte dood zo zijn en niets meer levend8 ,want indien uit het overige het levende werd1 en het levende stierf1 welk middel is er dan1 dat niet alles verbruikt worde aan het dood-zijn8--,geen enkel1 komt mij voor1 zeide ,kebes1 o ,sokrates2 doch gij spreekt1 dunkt me1 geheel-en-al waarheid4--,omdat het1 o ,kebes1 zeide hij1 naar het mij toeschijnt1 boven-alles zoo is1 en wij komen niet juist tot dit resultaat omdat wij ons laten misleiden1 maar inderdaad is zoowel het herlven een feit1 als ook dat uit de dooden de levenden worden1 en dat de zielen der gestorvenen bestaan4 ,kanttekening3 #gb;,e --,en dan1 nam ,kebes het woord op1 ook volgens die bekende redeneering1 o ,sokrates1 7als zij waar is71 welke gij veelmalen pleegt te houden1 dat ons leeren niets anders is dan herinnering1 ook volgens die redeneering is het allicht noodzakelijk dat wij in eenigen vroegeren tijd geleerd hebben wat zij ons nu te-binnen-brengen4 ,en dit is ,kanttekening3 #gc;,a onmogelijk als niet onze ziel ergens bestond vordat zij in deze menschelijke gedaante geboren werd4 ,zoodat ook van dien kant de ziel iets onsterfelijks lijkt te zijn4--,maar1 ,kebes1 zeide ,simmias1 wat-voor bewijzen zijn daarvoor8 ,help mij bedenken2 want op het oogenblik herinner ik het mij niet erg4--,om enen en een zeer schoonen grond te noemen1 zeide ,kebes3 dat de menschen1 wanneer men hen juist ondervraagt1 van alles zelven op de vragen zeggen1 hoe het in elkar zit4 ,en toch1 indien de wetenschap en het juiste begrip niet reeds in hen was1 zouden zij niet in-staat zijn dat te doen4 ,immers toch1 als men hen brengt ,kanttekening3 #gc;,b voor mathematische figuren of iets anders dergelijks1 bewijst men daar zeer duidelijk dat dit zoo is4--,en indien gij1 sprak ,sokrates1 het op die gronden niet gelooft1 o ,kebes1 ga dan eens na of gij het met ons eens wordt1 wanneer gij het volgenderwijze beschouwt4 ,gij kunt immers niet gelooven1 hoe het zoogenaamde leeren herinnering is8--,ik denk er niet aan u niet te gelooven1 zeide ,simmias1 maar juist datgene waarover het gesprek gaat1 wil ik persoonlijk ervaren1 herinnerd te worden4 ,en tengevolge van wat ,kebes aanving te zeggen1 herinner ik mij bijna reeds en geloof4 ,toch zo ik niet minder gaarne hooren1 hoe gij ,kanttekening3 #gc;,c het wildet verklaren4--,ik volgenderwijze4 ,wij geven immers natuurlijk toe1 dat als iemand zich iets zal herinneren1 hij dat vroeger eenmaal moest weten8--,zeker1 zeide hij4--,geven wij dan ook dit toe1 dat wanneer op zulk een wijze een tweede soort wetenschap bij ons opkomt1 het herinnering is8 ,ik bedoel het op de volgende manier4 ,wanneer iemand vroeger iets heeft gezien of gehoord of eenige andere waarneming opgedaan heeft1 en hij niet alleen daarop zich bezint1 maar ook een tweede ding zich bewust wordt1 waarvan de wetenschap niet dezelfde1 maar een andere is1 ,kanttekening3 #gc;,d zeggen wij daarvan niet terecht1 dat hij zich datgene waarvan hij de bewustheid kreeg1 herinnerde8--,hoe bedoelt gij8--,zoo iets bij-voorbeeld4 ,verschillend wel is de wetenschap betreffende een mensch en betreffende een lier4--,hoe zo het niet8--,weet gij nu niet1 dat de minnaars1 wanneer zij een lier1 of een overkleed1 of iets anders zien1 dat hun geliefde placht te gebruiken1 dit ondervinden3 tegelijk dat zij de lier herkennen1 krijgen zij voor den geest de gedaante van den knaap aan wien de lier behoorde8 ,is dit herinnering8 ,zooals ook iemand bij het zien van ,simmias dikwijls aan ,kebes herinnerd wordt8 ,en oneindig veel andere dergelijke gevallen zijn mogelijk4--,voorwaar1 ,kanttekening3 #gc;,e oneindig veel1 bij ,zeus1 zeide ,simmias4--,is nu zoo-iets1 zeide hij1 niet een soort herinnering8 ,vooral echter wanneer iemand dat ondervindt met betrekking tot die dingen welke hij door den tijd en door ze niet wer te zien1 reeds vergeten was8--,voorzeker1 zeide hij4--,welnu1 zeide de ander1 is het mogelijk om een paard of een lier geschilderd te zien en zich een mensch te herinneren1 en ,simmias geschilderd te zien en zich ,kebes te herinneren8--,bepaald4--,en ook1 ,simmias geschilderd te zien en zich ,simmias zelf te herinneren8--,dat is zeker mogelijk1 sprak hij4--,komt ,kanttekening3 #gd;,a nu in al deze gevallen niet de herinnering te ontstaan deels uit het gelijksoortige1 deels uit het ongelijksoortige8--,ja4--,doch wanneer iemand zich iets herinnert naar het gelijksoortige1 krijgt hij dan niet noodzakelijk deze gewaarwording erbij1 dat hij zich bewust wordt of dit ding in gelijksoortigheid iets te-kort-schiet of niet bij datgene waaraan hij herinnerd wordt8--,noodzakelijk4--,ga dan verder na1 of deze dingen zoo zijn4444 ,licht stemmen wij toe1 dat gelijk iets is1 ik bedoel niet een stuk hout gelijk aan een stuk hout1 of een steen gelijk aan een steen1 of iets van dergelijke zaken1 maar behalve al deze dingen iets ,kanttekening3 #gd;,b anders3 het begrip gelijk zelf4 ,moeten wij toestemmen1 dat dat iets is of niets8--,voorwaar bij ,zeus1 zeide ,simmias1 ongetwijfeld4--,en weten wij ook wt het is8--,zeker4--,waarvandaan hebben wij de wetenschap ervan gekregen8 ,niet3 uit de dingen1 die wij zoo-even noemden1 door het zien van stukken hout of steenen1 of andere gelijke dingen8 ,hebben wij niet daaruit dat andere opgemaakt1 hoewel het er verscheiden van is8 ,of komt het u niet iets verscheidens voor8444 ,beschouw het dan nog eens op de volgende wijze4 ,schijnen gelijke steenen en gelijke stukken hout1 hoewel zij eender zijn1 niet somtijds het ene oogenblik gelijk1 het andere niet8--,voorzeker4--,maar kwam u het begrip gelijk1 bij die verschillende gelegenheden gevonden1 wel ooit aan zichzelf ongelijk voor1 of scheen u gelijkheid ooit ,kanttekening3 #gd;,c ongelijkheid8--,nimmer1 o ,sokrates4--,derhalve zijn1 zeide hij1 de gelijke dingen van daar-straks en het begrip gelijk niet hetzelfde4--,volstrekt niet1 schijnt mij1 o ,sokrates4--,maar voorwaar1 toch hebt gij uit die gelijke dingen1 zeide hij1 die verscheiden zijn van dat begrip gelijk1 de wetenschap van dat begrip bevroed en begrepen8--,zeer waar1 wat gij zegt4--,en dat1 niet-waar1 onafhankelijk of het erme gelijksoortig zij of niet8--,zeker4--,maar dat komt er ook niet op-aan1 ze hij4 ,zoolang als men iets ziet en tengevolge van dat gezicht iets anders bevroedt1 hetzij daarme gelijksoortig of niet1 toch is dat noodzakelijk herinnering ,kanttekening3 #gd;,d geweest4--,zeer zeker4--,maar verder1 ze hij4 ,worden wij inzake die stukken hout en de andere gelijke dingen die wij zoo-even noemden1 iets van den volgenden aard gewaar3 schijnen ons wel die dingen op dezelfde wijze gelijk als het begrip zelf1 of scheelt het nog al wat1 dat zij zoodanig zouden zijn als het begrip gelijk8 ,of niets8--,ja1 dat scheelt heel veel4--,wanneer nu iemand iets ziet1 en opmerkt dat het ding dat hij op het oogenblik ziet1 wel wezen wil als iets anders van het bestaande1 maar daarin te-kort-schiet en niet kan wezen als dat andere ding1 maar ,kanttekening3 #gd;,e minderwaardig is1--geven wij dan niet toe1 dat de man die dat opmerkt1 noodzakelijk van-te-voren dat ding geweten heeft1 waarop hij zegt dat dit gelijkt1 maar onvolkomen gelijkt8--,noodzakelijk4--,hoe dan8 ,is het ook ons zoo gegaan1 of niet1 ten opzichte van de gelijke dingen en het begrip gelijk8--,volkomen4--,noodzakelijk dus ,kanttekening3 #ge;,a hebben wij het begrip gelijk van-te-voren geweten vor dien tijd toen wij het eerst de gelijke dingen gezien hebben1 en opmerkten dat al deze wel streven te zijn zooals het begrip gelijk1 maar te-kort-schieten4--,dat is de waarheid4--,maar1 niet-waar8 ook hierover zijn wij het eens1 dat wij het begrip nergens anders uit hebben opgemaakt1 en dat het niet mogelijk is het ergens anders uit op te maken1 dan uit zien of tasten of uit eenige andere zinlijke waarneming2 deze alle toch stel ik hier gelijk4--,zij zijn ook gelijk1 o ,sokrates1 tenminste voor wat ons betoog wil duidelijk maken4--,toch1 ook wer uit onze zinlijke waarnemingen1 kunnen wij niet anders dan opmaken dat al de ,kanttekening3 #ge;,b dingen die in onze waarnemingen gelijk zijn1 streven naar datgene wat werkelijk gelijk is1 maar tegelijk erbij te-kort-schieten4 ,of welke andere opvatting hebben wij daarover8--,geen andere dan die4--,vordat wij dus begonnen zijn te zien en te hooren en de overige zinlijke waarnemingen te doen1 moeten wij wel ergens de wetenschap gekregen hebben1 wat het begrip gelijk is1 als wij de waargenomen gelijke dingen daarheen zullen kunnen terugbrengen8--,dat volgt noodzakelijk uit het vroeger gezegde1 o ,sokrates4--,zijn wij nu niet terstond na onze geboorte begonnen te zien en te hooren en de overige zinlijke waarnemingen uit ,kanttekening3 #ge;,c te oefenen8--,voorzeker4--,maar dan moeten wij vor het bestaan van deze de wetenschap van het begrip gelijk gekregen hebben1 niet-waar8--,ja4--,dus moeten wij1 naar het schijnt1 haar gekregen hebben vor wij geboren waren4--,dat schijnt zoo4--,indien wij derhalve haar gekregen hebben vor wij geboren zijn1 en in haar bezit geboren zijn1 wisten wij dan niet1 zoowel vor onze geboorte als terstond na onze geboorte1 niet alleen het begrip gelijk en het begrip grooter en kleiner1 maar ook alle dergelijke samen8 ,want ons betoog loopt op het oogenblik niet alleen over het begrip gelijk1 maar evenzeer over het begrip schoon en het begrip goed en rechtvaardig en vroom1 ,kanttekening3 #ge;,d en1 zooals ik zeg1 over alles wat wij bezegelen met den naam wat is0 in onze vragen als wij vragen en in onze antwoorden als wij antwoorden4 ,zoodat wij noodzakelijk de wetenschap van al deze gekregen hebben vor onze geboorte4--,dat is zoo4--,en als wij die verschillende wetenschappen1 na ze verkregen te hebben1 niet vergeten zijn1 is het noodzakelijk dat wij ze nog steeds weten bij onze geboorte en ons leven lang4 ,want dit is weten1 om wetenschap die wij gekregen hebben1 te hebben en niet verloren te hebben4 ,of noemen wij niet dit vergeten1 o ,simmias1 het verlies eener wetenschap8--,voorzeker1 o ,kanttekening3 #ge;,e ,sokrates4--,als wij daarentegen1 meen ik1 haar wel verkregen hebben vor onze geboorte1 maar haar bij onze geboorte verloren hebben1 en pas later met behulp onzer zinlijke waarnemingen omtrent de dingen dezer wereld1 die wetenschappen die wij ook al vroeger eenmaal hadden1 herwinnen1 zal dan niet wat wij leeren noemen1 het herwinnen van eene ons eigene wetenschap zijn8 ,en als wij dit ons-herinneren noemen1 zouden wij het dan misschien zijn juisten naam geven8--,ja zeker4--,mogelijk nu gebleken1 niet-waar1 is dit3 dat men iets waarneemt f door 't gezicht f door 't gehoor f door eenige andere zinlijke ,kanttekening3 #gf;,a waarneming1 en dat men daaruit bewust wordt een tweede ding1 dat men vergeten was1 waarme dat eerste in verband stond1 hetzij het daaraan gelijksoortig1 hetzij ongelijksoortig was8 ,zoodat1 als ik zeg1 en van twee waar is3 f wij zijn met de wetenschap daarvan geboren en weten het allen ons leven lang1 f pas later doen die menschen van wie wij zeggen dat zij leeren1 niets anders dan zich herinneren1 en dan zo leeren herinnering zijn4--,het is volmaakt zoo1 o ,sokrates4--,wat van twee derhalve kiest gij1 o ,simmias8 ,dat wij met die wetenschap geboren zijn1 ,kanttekening3 #gf;,b of dat wij ons later pas de dingen herinneren1 waarvan wij vroeger al de wetenschap verkregen hadden8--,ik kan1 o ,sokrates1 op het oogenblik geen keus doen4--,maar omtrent het volgende kunt gij wel een keus doen1 en zeggen wat gij ervan denkt4 ,zal een man die iets weet1 van wat hij weet rekenschap ,kunnen geven of niet8--,dat is zeker noodzakelijk1 o ,sokrates4--,denkt gij dat allen in-staat zijn rekenschap te geven van de dingen die wij zoo-even noemden8--,ik zo het wel willen1 sprak ,simmias1 maar ik vrees veel-eer1 dat morgen op dezen tijd niemand der menschen in-staat zal zijn dit op waardige wijze te doen4--,gij ,kanttekening3 #gf;,c meent dus1 o ,simmias1 dat niet allen ze weten8--,neen1 volstrekt niet4--,dus herinneren zij zich1 wat zij vroeger eens geleerd hebben8--,noodzakelijk4----,en wanneer ook hebben onze zielen de wetenschap dier dingen gekregen8 ,immers niet sinds wij mensch geworden zijn8--,bepaald niet4--,vroeger dus4--,ja4--,dus bestonden1 o ,simmias1 onze zielen ook vroeger al vor zij in eens menschen gedaante waren1 afgescheiden van lichamen1 en hadden denkvermogen4--,als wij tenminste1 o ,sokrates1 die wetenschappen niet op het oogenblik van onze geboorte gekregen hebben2 want dat tijdstip schiet nog over4--,stel ,kanttekening3 #gf;,d dat een oogenblik1 mijn vriend4 ,en in welken anderen tijd verliezen wij ze dan8 ,want wij worden geboren zonder ze te bezitten1 zijn wij zoo-even overeengekomen4 ,of verliezen wij ze op hetzelfde oogenblik dat wij ze krijgen8 ,of kunt gij eenigen anderen tijd aangeven8--,volstrekt niet1 o ,sokrates1 maar ik sprak onzin zonder het zelf te weten4 --,komen wij derhalve tot deze gevolgtrekking1 o ,simmias8 ,indien die dingen werkelijk bestaan1 waar wij altijd den mond vol van hebben1 het schoone en het goede en al dergelijke werkelijkheid1 en wanneer wij alle resultaten van onze zinlijke waarnemingen terugbrengen tot haar die ,kanttekening3 #gf;,e wij van vroeger in ons bezit terugvinden1 en die dingen met haar vergelijken1 is het dan noodzakelijk1 dat evenzeer als die begrippen bestaan1 zoo ook onze ziel bestaat1 ook vor wij geboren zijn2 doch wanneer die begrippen niet bestaan1 zal dan dit ons betoog vergeefs gehouden zijn8 ,is het inderdaad zoo1 en is het een even groote noodzakelijkheid dat die begrippen bestaan als dat onze zielen bestaan vor wij nog geboren zijn1 en als het eerste niet ,kanttekening3 #gg;,a waar is1 is dan ook het tweede niet waar8--,volstrekt dezelfde1 o ,sokrates1 sprak ,simmias1 komt mij die noodzakelijkheid voor1 en een schoone toevlucht heeft ons betoog genomen in de stelling dat onze ziel bestaat even zeker als de werkelijkheid die gij nu noemt4 ,want ik-voor-mij heb niets wat mij zoo klaarblijkelijk is1 als dat al dergelijke begrippen1 het schoone en het goede en al de andere die gij zoo-even noemdet1 in den hoogsten zin bestan4 ,en voldoende1 dunkt mij1 is het bewijs geleverd4--,maar wat vindt ,kebes8 ze ,sokrates4 ,want ook ,kebes behooren wij te overtuigen4--,dat het voldoende geleverd is1 sprak ,simmias1 naar ik meen4 ,al ken ik geen koppiger mensch in het wantrouwen van redeneeringen4 ,maar ik denk1 dat er ,kanttekening3 #gg;,b niets ontbreekt tot deze zijn overtuiging1 dat vor onze geboorte onze ziel bestond444 ,of zij evenwel ook ndat wij gestorven zullen zijn1 nog bestaan zal1 dat komt ook mij zelven1 o ,sokrates1 voor1 niet bewezen te zijn1 maar nog staat in den weg wat ,kebes zoo-even aanvoerde1 de vrees der groote menigte1 dat bij den dood van den mensch de ziel zich verspreidt en dat dit haar einde is4 ,want al wordt zij en komt-zij tot-stand uit iets anders1 en al bestaat zij vor zij nog in het menschelijk lichaam gekomen is1 wat verhindert dat zij tevens1 wanneer zij eenmaal daarin gekomen is1 en wer daaruit heengaat1 dan ook zelve eindigt ,kanttekening3 #gg;,c en te-gronde-gaat8--,wel gezegd1 o ,simmias1 ze ,kebes4 ,want het schijnt dat zooveel als de helft bewezen is van wat noodig is1 dat namelijk onze ziel vor onze geboorte bestond4 ,maar bovendien moeten wij bewijzen1 dat zij ook ndat wij gestorven zullen zijn1 evenzeer bestaan zal als vor onze geboorte1 indien ons bewijs af zal zijn4--,het is ook nu al bewezen1 o ,simmias en ,kebes1 sprak ,sokrates1 als gij dit betoog wilt in verband brengen met wat wij daar-straks overeengekomen zijn3 dat al het levende wordt uit het doode4 ,want indien onze ziel al vroeger bestaat1 en zij inkomende in het leven en geboren wordende1 ,kanttekening3 #gg;,d noodzakelijk uit niets anders geboren wordt dan uit den dood en het dood-zijn1 hoe zo het dan niet noodzakelijk zijn dat zij ook n haar dood besta1 aangezien zij wer opnieuw moet geboren worden8 ,wat gij zegt1 is dus ook nu al bewezen4 ,toch geloof ik1 dat gij en ,simmias deze bewijsvoering gaarne nog dieper zoudt willen onderzoeken1 en dat gij u bang maakt als kinderen1 dat in waarheid de wind de ziel als zij uit het lichaam uitgaat1 uiten-blaast en verspreidt1 vooral wanneer iemand bij-geval niet in stil ,kanttekening3 #gg;,e wer1 maar in een geweldigen storm sterft4--,en ,kebes antwoordde lachend3 ,tracht gij ons maar van het tegendeel te overtuigen1 alsof wij dit vreesden4 ,of liever1 niet alsof wij het vreesden1 maar misschien is er een kind binnen-in ons dat zich voor dergelijke dingen bang maakt4 ,laten wij hem dan pogen te overreden1 niet te vreezen voor den dood als voor spoken4--,ja1 maar elken dag behoort gij hem te belezen tot gij hem uit u weg bezworen hebt4--,waarvandaan ,kanttekening3 #gh;,a dan1 o ,sokrates1 zullen wij een kundig belezer van dergelijke kinderen halen1 aangezien gij ons verlaat8--,groot is ,hellas1 zeide hij1 o ,kebes1 waarin allicht kundige mannen zijn1 en vele zijn de geslachten der barbaren1 die gij alle behoort te doorspeuren op zoek naar zulk een bezweerder1 zonder geld of moeite te sparen1 want gij zoudt uw geld niet noodiger kunnen besteden4 ,en te zoeken behoort gij ook zelf onder elkander2 want misschien zoudt gij niet eens gemakkelijk anderen vinden1 die beter in-staat zijn die bezweringen te doen dan gijlieden4--,wel1 ,kanttekening3 #gh;,b daar zal voor gezorgd worden1 ze ,kebes4 ,doch laat ons terugkeeren naar het punt waar wij zijn afgebroken1 als het u aangenaam is4--,zeker is het mij aangenaam2 immers1 hoe zo het niet8--,uitmuntend6--,moeten wij dus niet1 hernam ,sokrates1 onszelven de volgende vraag stellen3 aan wat-voor soort van dingen wel dit verschijnsel van zich-te-verspreiden eigen is1 en bij wat-voor dingen men zich bezorgd moet maken1 dat zij dit zullen ondergaan1 en aan den anderen kant1 aan wat-voor dingen het vreemd is8 ,en moeten wij daarna wer niet nagaan1 wat van beide de ziel is1 en op grond daarvan goedsmoeds of beducht zijn voor onze eigen ziel8--,gij spreekt de waarheid4--,is ,kanttekening3 #gh;,c het nu niet aan alles wat men samenstelt en wat samengesteld is1 van-nature eigen om dat te ondergaan1 om namelijk ontbonden te worden op dezelfde wijze als het werd samengesteld8 ,maar als iets onsamengesteld is1 is het niet daaraan alleen1 indien aan eenig ander ding1 eigen dit niet te ondergaan8--,het komt mij voor1 dat het zoo is1 zeide ,kebes4--,is het nu niet meest waarschijnlijk1 dat wat altijd in dezelfde verhouding en in denzelfden toestand is1 het onsamengestelde is1 en dat wat nu-eens in dezen1 dan-wer in dien toestand is en nooit in dezelfde verhouding1 het samengestelde8--,mij dunkt zoo4--,laten wij dan1 ze hij1 tot dezelfde dingen gaan ,kanttekening3 #gh;,d als in onze vorige rede4 ,de wezenheid zelve van welke wij als grond het bestaan geven in onze vragen en in onze antwoorden1 is die steeds eender in dezelfde verhouding1 of nu-eens zus1 dan-wer zoo8 ,neemt wel ooit het begrip gelijk1 het begrip schoon1 elk begrip afzonderlijk1 welken omslag dan ook aan8 ,of is elk der begrippen afzonderlijk op-zich-zelf enkelvormig1 en dus altijd eender in dezelfde verhouding1 en neemt het op geenen tijd1 in geenen deele1 op geene wijze eenige verandering aan8--,noodzakelijk zijn zij1 ze ,kebes1 eender in dezelfde verhouding1 o ,sokrates4--,maar hoe staat het met de groote menigte der ,kanttekening3 #gh;,e dingen1 als menschen of paarden of mantels of andere dingen wat-dan-ook van dien aard1 of zij gelijk zijn of schoon1 of andere met de begrippen gelijknamige eigenschappen hebben8 ,blijven zij wel in dezelfde verhouding1 of zijn zij1 geheel in tegenstelling met de begrippen1 noch met zichzelf1 noch met elkander ooit om-zoo-te-zeggen eenigszins in dezelfde verhouding8--,zoo is het1 ze ,kebes4 ,nooit ,kanttekening3 #gi;,a zijn zij eender4--,kunt gij nu de laatste niet aanraken en zien en in de overige zinlijke waarnemingen waarnemen1 terwijl gij de dingen die in dezelfde verhouding blijven1 nimmer met eenig ander ding zoudt kunnen beroeren dan met de verstandelijke redeneering1 en dergelijke dingen onzienlijk zijn en niet zichtbaar8--,gij zegt volkomen de waarheid4 --,stellen wij dus1 zoo gij wilt1 ze hij1 twee soorten der dingen1 de ene zichtbaar1 de andere onzienlijk4--,ja1 stellen wij dat6--,en het onzienlijke steeds in dezelfde verhouding1 het zichtbare nooit8--,laat ons ook dit stellen4--,welaan dan1 ze hij1 is en deel van ons niet lichaam ,kanttekening3 #gi;,b en en deel ziel1 of bestaan wij uit nog iets anders8--,uit niets anders4--,aan welke van de twee soorten zullen wij derhalve zeggen dat het lichaam meest gelijk en verwant is8--,dat is een ieder duidelijk1 aan het zichtbare4--,en de ziel8 ,is zij iets zichtbaars of onzienlijks8--,niet zichtbaar1 voor menschen tenminste1 o ,sokrates4--,maar wij spreken immers over wat zichtbaar en niet zichtbaar is voor de menschelijke natuur8 ,of voor eenige andere natuur1 meent gij8--,neen1 voor de menschelijke4--,wat zeggen wij dus van de ziel8 ,dat zij iets zichtbaars of onzichtbaars is8--,niet iets zichtbaars4--,iets onzienlijks dus8--,ja4--,dus is de ziel meest gelijk aan het onzienlijke1 en het lichaam aan het zichtbare8--,volstrekt ,kanttekening3 #gi;,c noodzakelijk1 o ,sokrates4--,beweerden wij nu niet een-poos-terug onder-andere dit1 dat de ziel1 wanneer zij het lichaam mede-aanwendt tot het beschouwen van eenig ding1 hetzij door middel van 't gezicht of 't gehoor of eenige andere zinlijke waarneming--dit immers is beschouwen door middel van het lichaam1 het beschouwen namelijk van eenig ding door middel van de zinlijke waarnemingen--1 beweerden wij niet1 dat dan de ziel door het lichaam wordt megesleept naar de dingen die nooit in dezelfde verhouding zijn1 en dat zij zelf bijster wordt en verward en duizelig als een dronkene1 aangezien zij met dergelijke dingen in beroering is8--,voorzeker4--,doch wanneer zij op-zich-zelve aan 't beschouwen gaat1 dan gaat ,kanttekening3 #gi;,d zij den anderen kant uit1 naar het reine en naar wat altijd is en onsterfelijk en eender1 en daar zij daarme verwant is1 vereenigt zij1 zoo vaak zij op-zich-zelve komt te zijn en dit haar mogelijk is1 zich altijd daarmede1 en heeft rust van hare verbijstering en in de buurt dier dingen is zij steeds eender in dezelfde verhouding1 daar zij met dingen van dien aard in beroering is1 niet-waar8 ,en deze ziele-staat heet die van inzicht8--,volmaakt schoon en waar is wat gij zegt1 o ,sokrates4--,aan welke der twee soorten dus wer dunkt u1 op grond van wat te-voren en wat nu gesproken werd1 de ziel meest gelijk en verwant te zijn8--,ieder1 ,kanttekening3 #gi;,e denk ik1 zelfs de meest hardleersche1 zal1 volgens deze wijze van redeneeren1 wel toegeven1 dat de ziel geheel-en-al meest gelijk is aan wat steeds eender is1 meer dan aan wat niet zoo is4--,en het lichaam8--,aan het andere4--,zie dan ook nog eens dezen-kant-uit1 dat1 zoolang ziel en lichaam bij elkander zijn1 de natuur aan het ,kanttekening3 #hj;,a laatste voorschrijft slaaf en onderdaan te zijn1 maar aan de eerste te heerschen en te gebieden2 welk van beide1 ook wer in dit opzicht1 dunkt u gelijk te zijn aan het goddelijke1 en welk aan het sterfelijke8 ,of vindt gij niet1 dat het goddelijke van-nature geaard is om te heerschen en te leiden1 en het sterfelijke om onderdaan en slaaf te zijn8--,ja zeker4--,op wat van twee gelijkt dus de ziel8--,ontwijfelbaar1 o ,sokrates1 de ziel op het goddelijke1 het lichaam op het sterfelijke4--,beschouw dan1 o ,kebes1 of uit al het gesprokene voor ons dit volgt1 dat met het ,kanttekening3 #hj;,b goddelijke en onsterfelijke en zuiver-denkbare en enkel-vormige en onoplosbare en steeds-zichzelf-gelijke de ziel de meeste overeenkomst heeft1 maar dat met het menschelijke en sterfelijke en veelvormige en ondenkbare en oplosbare en nooit-zichzelf-gelijke het lichaam de meeste overeenkomst heeft4 ,kunnen wij iets daarnaast aanvoeren1 mijn waarde ,kebes1 met de kans dat dat niet zoo is8--,neen4 --,welnu1 als deze dingen zoo zijn1 is het dan niet aan het lichaam eigen zich snel te ontbinden1 maar aan de ziel van-haren-kant geheel-en-al onontbindbaar te zijn of iets ,kanttekening3 #hj;,c wat daaraan nabij-komt8--,hoe zo het niet8--,voor uw oogen nu ziet gij1 dat wanneer de mensch gestorven is1 zijn zichtbaar deel en wat tot het gebied van het zichtbare behoort1 wat wij lijk noemen1 waaraan het eigen is zich te ontbinden en uiten te vallen1 niets van deze dingen oogenblikkelijk ondergaat1 maar vrij langen tijd in-stand-blijft1 en wel wanneer iemand sterft met een jong-krachtig lichaam en op jong-krachtigen leeftijd1 zelfs zeer lang4 ,ja1 als het lichaam leggehaald wordt en gebalsemd1 als de lijken die men in ,aigyptos balsemt1 blijft het een oneindig langen tijd zoo goed als in zijn geheel4 ,en ook wanneer het lichaam verrot1 dan zijn er toch enkele deelen1 zooals ,kanttekening3 #hj;,d de beenderen en de zenuwen en alle dergelijke1 die om-zoo-te zeggen onsterfelijk zijn4 ,of niet8--,ja zeker4--,en de ziel dan1 ons onzienlijk deel1 die heengaat naar een dergelijke woonplaats die eveneens edel en rein en onzienlijk is1 naar het huis van den in-waarheid ,onzienlijke1 van ,hades1 tot den goeden en wijzen god1 7waarheen1 als god wil1 zoo-dadelijk ook mijn ziel moet gaan7--is dan deze ziel die zoodanig is en van zulk een natuurlijken aard1 zoodra zij het lichaam verlaat1 terstond uiten-geblazen en vergaan1 zooals de groote menigte der menschen ,kanttekening3 #hj;,e beweren8 ,ver is het daarvandaan1 o beminde ,kebes en ,simmias1 maar veel-eer gaat het zo4 ,wanneer zij rein zich afscheidt1 zonder iets van het lichaam met zich mede te sleepen1 daar zij in het leven zelf met-vrijen-wil daarmede geen enkele gemeenschap had1 maar het lichaam ontvluchtte en zich op-zich-zelve samengetrokken hield1 aangezien zij daarvan steeds haar leefoefening maakte--en dit is niets anders dan de ordelijke wijze van wijsgeerig-zijn en inderdaad de oefening in het reede sterven4 ,of ,kanttekening3 #ha;,a zo dit niet oefening tot den dood zijn8--,ja1 volkomen4--,als zij nu in dien reinen staat is1 gaat zij dan niet heen tot het haar verwante1 het onzienlijke1 dat is het goddelijke en onsterfelijke en wijze1 waarheen gekomen zij in de gelegenheid is gelukzalig te zijn1 van verbijstering en onverstand en vreezen en wilde liefden en van de overige menschelijke kwaden verlost1 en terwijl zij1 zooals van de ingewijden gezegd wordt1 naar-waarheid haren overigen tijd met de goden doorbrengt8 ,moeten wij zo betuigen1 o ,kebes1 of anders8--,neen1 zo1 bij ,zeus1 ze ,kebes4--,doch ,kanttekening3 #ha;,b wanneer zij1 denk ik1 bezoedeld en ongereinigd van het lichaam zich afscheidt1 daar zij steeds met het lichaam samen-was en dat diende en liefhad en onder de bekoring was van het lichaam zelf en zijn begeerten en lusten1 zoodat niets anders haar waarachtig scheen dan het lichaam-gelijke1 dat men kan aanraken en zien en drinken en eten en aanwenden tot liefdegenot1 terwijl zij wat voor de oogen duister is en onzienlijk1 maar zuiver-denkbaar en door de wijsbegeerte te vatten1 gewoon was te haten en te duchten en te ontvluchten1--meent gij1 dat eene ziel in dien toestand ,kanttekening3 #ha;,c louter op-zich-zelf zich afscheidt8--,neen1 volstrekt niet4--,maar zelfs doortrokken1 denk ik1 van het lichaam-gelijke dat de dagelijksche omgang en gemeenschap met het lichaam wegens het voortdurend samenzijn en de lange praktijk haar als een tweede natuur heeft ingeschapen8--,voorzeker4--,doch voor nederdrukkend1 o mijn vriend1 moet men dat houden en voor zwaar en aard-gelijk en zichtbaar4 ,door welken last dan ook de zoodanige ziel wordt bezwaard en teruggetrokken naar haar zichtbaar verblijf1 terwijl zij uit vrees voor het onzienlijke en ,hades1 ,kanttekening3 #ha;,d naar verhaald wordt1 om de gedenkteekenen en graven blijft ronddolen1 in wier buurt dan ook verscheidene schaduw-gelijke spookselen van zielen gezien zijn1 schijngestalten zooals dergelijke zielen vertoonen1 die zich van het lichaam hebben losgemaakt niet rein1 maar deelhebbende aan het zichtbare2 waardoor zij dan ook gezien worden4--,dat klinkt waarschijnlijk1 o ,sokrates4--,ja1 wel waarschijnlijk1 o ,kebes4 ,en ook dat dit volstrekt niet de zielen der goeden zijn1 maar die der slechten1 welke gedwongen worden in zulke buurten rond te dwalen1 boete doende voor hare vroegere leefwijze1 die eene verkeerde was4 ,en zoolang dwalen zij1 tot zij door het verlangen van het lichaam-gelijke ,kanttekening3 #ha;,e dat haar nakleeft1 wer opnieuw binnen een lichaam worden ingekluisterd4 ,en dat worden zij1 als waarschijnlijk is1 in lichamen van dergelijke zeden als zij in haar leven mogen beoefend hebben4--,wat-voor lichamen en zeden bedoelt gij daarme1 o ,sokrates8--,dat bij-voorbeeld zij die vraatzucht en ontucht en drankzucht in praktijk hebben gebracht1 en wel zonder schaamte of ontzag1 zich waarschijnlijk belichamen in het ras van ezels en dergelijke beesten4 ,of denkt gij van-niet8--,ja1 zeer ,kanttekening3 #hb;,a waarschijnlijk is wat gij zegt4--,en dat zij die onrecht en heerschzucht en roof hebben bovenaan-gesteld1 zich belichamen in het ras van wolven en haviken en wouwen4 ,of waarheen anders zeggen wij dat dergelijke zielen zouden gaan8--,buiten-kijf1 ze ,kebes1 tot iets dergelijks4--,ligt dus niet voor-de-hand ook in welke andere lichamen elk der zielen komen moge volgens haar eigen verwantschap van leefwijze8--,ja1 hoe zo het niet8--,zijn dus niet ook van hen de gelukkigsten en gaan niet naar de aangenaamste woonplaats diegenen welke de staats- en burger-deugd ,kanttekening3 #hb;,b betracht hebben1 die men bezonnenheid en rechtvaardigheid noemt1 al was deze verkregen tengevolge van gewoonte en oefening en buiten wijsbegeerte en gedachte8--,in welk opzicht dan zijn dezen de gelukkigsten8--,omdat dezen waarschijnlijk terugkeeren in een dergelijk maatschappelijk en ordelievend ras1 als bijen of wespen of mieren1 of misschien ook in hetzelfde1 menschelijke geslacht1 en dan bezadigde mannen worden4 ,doch tot het geslacht der goden is het niet oorbaar1 dat iemand komt die niet wijsgeer geweest is en niet vol-eindig ,kanttekening3 #hb;,c rein van hier weggaat1 dus uitsluitend aan den leergierige4 ,en wel daarom1 o vriend ,simmias en ,kebes1 onthouden de ordelijk wijsgeerigen zich van al de lichamelijke begeerlijkheden en zijn standvastig en geven zich er niet aan over1 volstrekt niet uit vrees voor vermogensverlies en armoede zooals de groote menigte en de geldgierigen1 en ook wer niet beducht voor eerverlies en den kwaden naam van slechtheid als de heerschzuchtigen en eergierigen1 onthouden zij zich ervan4--,ja1 want dat zo hun ook niet passen1 o ,sokrates1 ze ,kebes4--,neen1 voorwaar bij ,zeus1 ,kanttekening3 #hb;,d ze de ander4 ,daarom dan zeggen diegenen1 o ,kebes1 die zich iets aan hun ziel gelegen laten en die dus voor iets heel anders leven dan de ontwikkeling van eenig lichaam1 al dien anderen vaarwel en trekken niet denzelfden weg met hen die immers niet weten waarheen zij gaan1 maar in de meening1 dat men de wijsbegeerte en hare verlossing en reiniging niet mag tegenwerken1 gaan zij den anderen kant uit en volgen haar langs den weg waarop zij voorgaat4--,hoe bedoelt gij1 o ,sokrates8--,ik zal het u zeggen4 ,de leergierigen namelijk zien in1 dat de wijsbegeerte ,kanttekening3 #hb;,e hun ziel aantreft vastverbonden in het lichaam en daaraan vastgekleefd1 en gedwongen om als door tralin van een kerker1 door tusschenkomst van dat lichaam en niet door eigen waarneming1 het bestaande te beschouwen1 en zich wentelend in volslagen onwetendheid4 ,de wijsbegeerte nu merkt op1 dat de geweldigheid van den kerker hierin bestaat dat hij gevormd wordt door de begeerten van den gevangene1 zoodat deze zelf meest tot zijn gevangenschap ,kanttekening3 #hc;,a me zal werken2 en wanneer zij een ziel in dezen toestand aantreft1 begint zij 7en dit zien1 zooals ik zeg1 de leergierigen in7 haar zachtmoediglijk op te beuren en onderneemt haar te verlossen4 ,daartoe toont zij aan1 dat van bedrog vol is de aanschouwing door middel der oogen1 en van bedrog vol de waarneming door middel der ooren en der overige zintuigen1 en overreedt de ziel 7voor-zoo-ver zij niet noodzakelijk daarvan moet gebruik maken71 zich daarvan af te zonderen1 en spoort haar aan zich op-zich-zelf saam te trekken en te vergaderen1 en op niets anders te vertrouwen dan op-zich-zelf1 op al wat van het ,kanttekening3 #hc;,b bestaande afzonderlijk zij zelf afzonderlijk ziet met de gedachte1 maar om al wat zij door andere middelen in verschillende dingen verschillend aanschouwt1 volstrekt onwaar te achten2 en dat de dingen der laatste soort zinlijk-waarneembaar en zichtbaar zijn1 terwijl wat zij zelf ziet1 zuiver-denkbaar en onzienlijk is4 ,omdat dan de ziel van den waarachtig wijsgeerige meent dat zij zich niet tegen deze verlossing mag verzetten1 onthoudt zij zich van de lusten en begeerten en smarten en vreezen zooveel zij kan1 berekenende dat1 wanneer iemand zich heftig verheugt of vreest of begeert1 hij tengevolge daarvan volstrekt niet een zoo klein kwaad ondervindt als men zo meenen1 bij-voorbeeld ,kanttekening3 #hc;,c dat hij ziek zo worden of geld uitgeven wegens zijne begeerten1 maar dat hij het allergrootste en alleruiterste kwaad daarvan ondervindt en het niet berekent4--,wat is dat1 o ,sokrates8 vroeg ,kebes4--,dat de ziel van iederen mensch1 wanneer zij zich heftig verheugt of bedroeft over iets1 tegelijk gedwongen wordt te meenen dat datgene waaromtrent zij dat meest ondervindt1 het meest klaarblijkelijke en meest waarachtige is1 zonder dat het dat is4 ,en dat zijn juist de zichtbare dingen4 ,of niet8--,zeker4--,wordt nu niet de ziel in deze levenservaring zeer sterk door het lichaam gekluisterd8--,hoe dan8--,doordat ,kanttekening3 #hc;,d iedere lust en smart als een nagel heeft waarme zij haar aan het lichaam vastnagelt en vasthecht en haar lichaam-gelijk maakt1 zoodat zij meenen gaat dat die dingen waarachtig zijn1 welke ook het lichaam zoo noemt4 ,want door dezelfde opvattingen te hebben als het lichaam en zich in dezelfde dingen te verblijden wordt zij1 denk ik1 gedwongen daarme en te worden in levensrichting en voeding en geaard om nooit rein naar ,hades te komen1 doch uit te gaan voor-altijd besmet met het lichaam1 zoodat zij weldra terugvalt in een ander lichaam en als gezaaid daarin vastgroeit1 en tengevolge hiervan verstoken ,kanttekening3 #hc;,e blijft van het samenzijn met het goddelijke en reine en envormige4--,zeer waar spreekt gij1 o ,sokrates1 ze ,kebes4 --,ter wille van deze dingen dan1 o ,kebes1 zijn de eerlijk leergierigen bezadigd en manmoedig1 niet om de redenen die de groote menigte daarvoor opgeeft4 ,of denkt gij van-wel8--,neen1 zeker niet4--,het is ook zoo niet2 doch ,kanttekening3 #hd;,a de ziel van een wijsgeerig man zal redeneeren als ik boven deed1 en meenen dat het niet behoorlijk is1 dat de wijsbegeerte haar verlossen wil1 maar dat zij zelve ondanks die verlossing zich wer opnieuw aan de lusten en smarten ter binding overgeeft en zoo maakt1 dat het werk nooit afkomt1 waardoor zij een weefsel als van ,penelope1 maar in omgekeerden zin1 ter hand zo nemen4 ,doch zoolang zij leeft1 meent zij zo te moeten leven dat zij windstilte schaft van die hartstochten1 de zuivere redeneering volgt en altijd daarin is1 het waarachtige en het goddelijke en ,kanttekening3 #hd;,b het van meeningen onafhankelijke aanschouwt en daardoor gevoed wordt4 ,en wanneer zij gestorven zal zijn1 meent zij te zullen komen tot het zoodanige en het haar verwante1 en zoo van de menschelijke kwaden verlost te zullen zijn4 ,bij zulk eene voeding bestaat er geen gevaar voor vrees1 o ,simmias en ,kebes1 dat de ziel in de afscheiding van het lichaam verspreid zal worden1 en door de winden uiten-geblazen en alzijds verwaaid verdwijnen zal1 en nergens en niets meer zal zijn4 ,stilte nu ontstond na deze woorden van ,sokrates over ,kanttekening3 #hd;,c langen tijd1 en zooals duidelijk te zien was1 verdiepte zoowel ,sokrates zelf als de meesten van ons zich in het gesprokene4 ,maar ,kebes en ,simmias praatten zachtjes onder elkander4 ,en ,sokrates zag dit van hen en vraagde3 ,wat is er8 ,komt u bij-geval het gesprokene gebrekkig voor8 ,immers1 er zijn nog vele tegenwerpingen mogelijk1 als men deze dingen toereikend wil doorvorschen4 ,als gij derhalve iets anders bespreekt1 heb ik niets gezegd4 ,maar als gij omtrent het gesprokene met eenig ding verlegen zijt1 laat dan niet uit schroom na om zoowel zelf het te bespreken ,kanttekening3 #hd;,d en uiteen te zetten1 als het u voorkomt dat het op eenige wijze beter zo kunnen besproken worden1 als ook om mijne hulp in te roepen1 als gij denkt samen met mij meer te zullen opschieten4--,en ,simmias sprak3 ,welnu1 o ,sokrates1 ik zal u de waarheid zeggen4 ,elk van ons1 moet gij weten1 heeft een bezwaar1 en dringt al-lang den ander naar voren en spoort hem aan u te vragen2 want wij verlangen uw antwoord te hooren1 maar schromen tevens lastig te zijn uit vrees dat het u onaangenaam moge wezen om het ongeluk waarin gij zijt4--,toen ,sokrates dit gehoord had1 lachte hij kalm en zeide3 ,gij verbaast ,kanttekening3 #hd;,e mij1 o ,simmias4 ,voorwaar1 ik zal wel moeilijk de overige menschen kunnen overtuigen1 dat ik het geval waarin ik ben1 niet voor een ongeluk houd1 daar ik immers zelfs ulieden daarvan niet overtuigen kan1 doch gij vreest1 dat ik nu eenigszins gemelijker zo zijn dan in mijn vroeger leven4 ,en1 naar het lijkt1 kom ik u voor een slechter profeet te zijn dan de zwanen1 die wanneer zij voelen1 dat zij moeten sterven1 al zingen zij ook in den tijd voordien1 ,kanttekening3 #he;,a dn het langst en bij-voorkeur zingen1 verheugd dat zij op het punt staan heen te gaan naar den god wiens dienaren zij zijn4 ,maar omdat zij zelven voor den dood zich bang maken1 vertellen de menschen leugens ook van de zwanen en zeggen dat zij weeklagen over hun sterven en dus uit smart zich dood zingen1 en zij bedenken niet dat geen enkele vogel zingt wanneer hij honger heeft of koude of eenige andere smart1 ook zelfs de nachtegaal niet en de zwaluw en de hop van welke men beweert dat zij uit smart klaagliederen zingen4 ,doch evenmin als deze uit smart zingen1 komt het mij voor dat de zwanen dit zouden doen1 ,kanttekening3 #he;,b maar als de vogelen van ,apolloon zijn zij waarzeggend1 en daar zij dus de goede dingen in ,hades vooruit weten1 zingen zij en verheugen zij zich dien dag bizonderlijk1 meer dan in den vroegeren tijd4 ,en ik ook zelf meen een mede-slaaf te zijn der zwanen en gewijd aan denzelfden god1 en denk dat ik geen mindere zienersgave dan zij gekregen heb van mijn heer1 en niet mismoediger dan zij uit het leven wegga4 ,doch daarom behoort gij te zeggen en te vragen wat gij gaarne wilt1 zoolang de elfmannen der ,atheners het toelaten4--,schoon spreekt gij1 ze ,simmias4 ,en zoowel ik zal u zeggen1 waartegen ik bezwaar heb1 als ,kanttekening3 #he;,c ook ,kebes hier op zijn beurt1 in welk punt hij met het gesprokene niet kan instemmen4 ,ik namelijk1 o ,sokrates1 heb over dergelijke dingen een meening1 misschien dezelfde als gij1 dat al is zeker-weten in ons tegenwoordig leven f onmogelijk f iets zeer moeilijks1 toch aan-den-anderen-kant alleen een zeer flauwmoedig man het laten kan de dingen die erover gezegd worden1 op alle manieren op de proef te stellen en niet daarvan af te laten vor hij moede geworden is ze van alle kanten te beschouwen4 ,want men moet1 meen ik1 daaromtrent en van deze dingen bereiken1 f leeren of zelf vinden hoe het erme staat1 f ,kanttekening3 #he;,d anders1 als dit niet mogelijk is1 de uitnemendste en moeilijkst-werlegbare der menschelijke redeneeringen nemen en daarop varende als op een vlot de vaart door het leven wagen1 als men niet in-staat is veiliger en met minder gevaar die reis op een hechter vaartuig1 eenige goddelijke openbaring1 te doen4 ,en ook nu zal ik mij niet schamen mijn vraag te stellen1 daar ook gij daartoe aanmoedigt1 en ik zal mij-zelf in lateren tijd niet te beschuldigen hebben1 dat ik nu niet gezegd heb wat ik denk4 ,mij namelijk1 o ,sokrates1 nu ik zoowel bij mij-zelf als met ,kebes hier het ,kanttekening3 #he;,e gesprokene naga1 komt het niet erg toereikend voor4--,en ,sokrates zeide3 ,ja1 misschien schijnt het u terecht zoo4 ,doch zeg mij in welk opzicht gij het ontoereikend vindt4--,in-zoo-verre1 ze de ander1 als men ook omtrent een harmonie en omtrent lier en snaren diezelfde redeneering zo kunnen houden1 dat de harmonie iets onzichtbaars en onlichamelijks en iets alschoons en goddelijks is in de gestemde ,kanttekening3 #hf;,a lier1 maar de lier zelf en de snaren lichamen zijn en lichaam-gelijk en samengesteld en aard-gelijk en met het sterfelijke verwant4 ,wanneer men nu de lier stuk slaat of de snaren doorsnijdt of verbreekt1 zo men volgens dezelfde redeneering als gij kunnen volhouden1 dat noodzakelijk die harmonie1 nog bestaat en niet vergaan is4 ,want er bestaat geen kans1 zo men kunnen redeneeren1 dat1 terwijl de lier na het verbreken der snaren nog bestaat en de snaren zelf die van sterfelijken aard zijn1 de harmonie vergaan is1 die van dezelfde natuur is als het goddelijke ,kanttekening3 #hf;,b en het onsterfelijke en daarme verwant1 en die dan eerder dan het sterfelijke zo vergaan zijn4 ,maar noodzakelijk1 kon men zeggen1 bestaat nog ergens de harmonie zelf voort1 en eerder zal het hout van de lier en de snaren verrotten vor zij eenig letsel ondervindt444 ,immers1 ik meen dat ook gij zelf1 o ,sokrates1 wel eens de gedachte moet gehad hebben1 dat wij menschen ons het liefst zulk een onderstelling van de ziel vormen1 als was ons lichaam gestemd en werd het samengehouden door warm en koud1 droog en vochtig1 en dergelijke1 zoodat dus de ziel uit de ,kanttekening3 #hf;,c menging en de harmonie van die dingen zelve bestaat1 wanneer zij op schoone wijze en in juiste verhouding tot elkander gemengd zijn4 ,als dus de ziel een-of-andere harmonie is1 dan is het duidelijk dat1 wanneer ons lichaam boven-mate verslapt of gespannen wordt door ziekten en andere kwaden1 de ziel noodzakelijk dadelijk vergaan is1 al is zij nog zoo goddelijk1 evenals ook de overige harmonien in de muziekinstrumenten en in al de werken der kunstenaars1 terwijl de overblijfselen van ieder lichaam nog langen tijd hier bij ons blijven1 totdat zij verbrand ,kanttekening3 #hf;,d zijn of verrot4 ,zie derhalve wat wij tegen die redeneering zullen zeggen1 wanneer iemand beweert1 dat de ziel de menging is van de elementen des lichaams en dus in den zoogenaamden dood het eerst omkomt4 ,sokrates nu sloeg1 zooals hij meest placht te doen1 zijn oogen wijd op en glimlachte en sprak3 ,inderdaad1 ,simmias maakt een gegronde opmerking4 ,als derhalve iemand van ulieden gerechtvaardiger is dan ik1 waarom heeft hij hem niet reeds geantwoord8 ,want hij lijkt een die onze redeneering duchtig aanpakt4 ,toch1 dunkt mij1 dat wij vor ,kanttekening3 #hf;,e ons antwoord eerst nog van ,kebes behooren te vernemen1 wat hij-van-zijn-kant op de redeneering heeft aan te merken1 opdat wij tijd winnen om te overwegen wat wij zullen zeggen4 ,later1 na ook hem gehoord te hebben1 zullen wij1 wanneer zij ons voorkomen eenigszins wijsvast te zingen1 dat toegeven1 doch zoo niet1 dan eens-voor-goed onze rede verdedigen4 ,welaan dan1 zeide hij1 o ,kebes1 wat was het1 dat u verontrust8--,ik ga het dan zeggen1 ze ,kebes4 ,mij namelijk lijkt het1 dat de redeneering nog in dezelfde stelling is1 en1 wat wij vroeger beweerden1 hetzelfde zwakke ,kanttekening3 #hg;,a punt heeft4 ,want dat onze ziel bestond ook vordat zij in deze gestalte gekomen was1 daartegen verzet ik mij niet1 dat dit niet op zeer behoorlijke en1 als het niet onbescheiden is dat zoo te zeggen1 op zeer voldoende wijze aangetoond is2 doch dat zij ook n onzen dood nog ergens zijn zal1 lijkt mij zo niet bewezen4 ,dat de ziel niet sterker en duurzamer is dan het lichaam1 geef ik aan ,simmias' tegenwerping niet toe2 want zij lijkt mij in al deze punten het lichaam zeer ver te overtreffen4 ,waarom dan1 zo de redeneering kunnen zeggen1 zijt gij nog ongeloovig1 daar gij ziet dat na den dood van den mensch het zwakkere deel ,kanttekening3 #hg;,b nog bestaat8 ,vindt gij niet dat het duurzamere noodzakelijk nog behouden moet blijven in dien tijd8 ,beschouw met het oog daarop het volgende1 of ik daarme iets beweer4 ,ook ik natuurlijk1 naar 't schijnt1 evenals ,simmias1 heb eene vergelijking noodig4 ,deze redeneering komt mij dan voor van dezelfde kracht te zijn als wanneer men van een in hoogen ouderdom gestorven wever deze bewering zo doen1 dat de mensch niet omgekomen is1 maar ergens behouden voortbestaat1 en als bewijs zo aannemen dat het kleed1 dat de man zelf geweven had en placht aan te hebben1 behouden is en niet teloor-gegaan2 en wanneer iemand ,kanttekening3 #hg;,c ongeloovig was1 vragen zou wat duurzamer is van-aard1 een mensch of een kleed dat in gebruik is en gedragen wordt1 en op het antwoord dat de mensch veel duurzamer is van-aard1 het bewezen zo meenen dat dus de mensch boven allen twijfel behouden is1 aangezien toch het minder duurzame niet omgekomen is4 ,dit1 meen ik1 o ,simmias1 is niet zoo4 7,want ook gij ga na wat ik zeg47 ,ieder toch zo denken1 dat de man die dit beweerde1 een dwaasheid zeide4 ,want die wever die vele dergelijke kleederen geweven en versleten had1 is wel na al die vele gestorven1 ,kanttekening3 #hg;,d maar eerder1 meen ik1 dan zijn laatste kleed1 en toch is daarom de mensch niets minderwaardiger en zwakker dan een kleed4 ,diezelfde vergelijking1 denk ik1 zo der verhouding van ziel tot lichaam passen1 en iemand die dezelfde dingen omtrent hen zeide1 zo den schijn hebben verstandige dingen te spreken1 dat de ziel wel duurzamer is en het lichaam zwakker en korter van duur1 ja zelfs dat elke der zielen vele lichamen verslijt vooral wanneer zij vele jaren leeft 7want dat1 wanneer nog bij het leven van den mensch het lichaam verzwakt en vergaat1 de ziel voortdurend ,kanttekening3 #hg;,e het verslijtende bijweeft72 maar dat toch noodzakelijk wanneer de ziel vergaat1 zij haar laatste weefsel omheeft en eerder vergaat dan dit ene1 en dat pas na het vergaan van de ziel het lichaam zijn natuurlijke zwakheid toont en snel door verrotting uiten-valt4 ,zoodat het nog niet aan te raden is op die vroegere redeneering te vertrouwen en te gelooven dat1 wanneer wij gestorven zijn1 ,kanttekening3 #hh;,a onze ziel nog ergens bestaat4 ,want als eens iemand aan den verkondiger uwer stellingen zelfs nog meer gewonnen gaf en toestemde1 dat niet alleen in den tijd vordat wij geboren waren1 onze zielen bestaan1 maar dat niets verhindert dat ook nadat wij gestorven zijn1 de zielen van sommigen nog bestaan en zullen bestaan en vele malen zuilen geboren worden en weder sterven 7want dat het begrip ziel van-nature zoo sterk is1 dat de ziel het uithoudt vele malen geboren te worden71 doch dat hij daarnaast nog niet toegaf1 dat zij niet in haar vele geboorten verzwakt en ten-slotte bij een harer sterfgevallen geheel-en-al te-gronde-gaat1 ,kanttekening3 #hh;,b en dat dat sterfgeval en die ontbinding van het lichaam1 welke der ziel den ondergang brengt1 niemand van te voren weet2 want dat het onmogelijk is voor wien-dan-ook van ons dat voor te gevoelen8 ,doch als dat zoo is1 past1 zonder verwijt van dwaasheid1 gerust te zijn omtrent den dood aan niemand1 die niet kan bewijzen1 dat de ziel geheel-en-al onsterfelijk en onvergankelijk is4 ,en als hij dat niet kan1 moet noodzakelijk de mensch die gaat sterven1 voor zijn eigen ziel vreezen1 dat zij bij de ophanden ontbinding van het lichaam geheel-en-al zal te-gronde gaan4 ,door aan te hooren wat beiden spraken1 werden wij ,kanttekening3 #hh;,c allen onaangenaam aangedaan1 zooals wij later elkander vertelden1 omdat zij ons die door de vroegere redeneering ten sterkste overtuigd waren geworden1 weder leken te ontrusten en in twijfel ner te storten niet alleen tegenover het vroeger behandelde1 maar ook met betrekking tot wat nog zo gezegd worden1 uit vrees dat wij nietswaardige beoordeelaars zijn zouden1 of ook dat de zaak zelf onbewijsbaar was4 ,,echekrates3 ,voorwaar bij de goden1 o ,phaidoon1 ik kan mij in uw gevoel verplaatsen4 ,want ook bij mij zelven1 nu ik u zoo iets heb hooren zeggen1 komt de gedachte op3 op welke redeneering moeten wij dus nog ,kanttekening3 #hh;,d vertrouwen8 ,want de rede die ,sokrates hield en die zeer overtuigend was1 is nu tot ongeloofwaardigheid gevallen4 ,want wonderlijk grijpt mij die redeneering aan nu als altijd1 dat onze ziel een soort harmonie is1 en nu ze wer uitgesproken werd1 maakte zij mij als gedachtig1 dat ik ook zelf vroeger al die opvatting had4 ,en ik gevoel weder groote behoefte als van-meet-af-aan naar eenig ander bewijs1 dat mij overtuigen zal1 dat de ziel van den gestorvene niet mede afsterft4 ,verhaal derhalve1 bij ,zeus1 hoe achterhaalde ,kanttekening3 #hh;,e ,sokrates de rede8 ,en was het ook van hem1 zooals gij zegt van ulieden1 eenigszins blijkbaar dat hij ontstemd was8 ,of niet1 maar kwam hij kalmgemoed zijn betoog te hulp8 ,en deed hij dat voldoende of gebrekkig8 ,verhaal ons alles zoo nauwkeurig als ge kunt4 ,,phaidoon3 ,wel dan1 o ,echekrates1 hoewel ik vele malen ,sokrates bewonderd heb1 heb ik mij nooit meer over hem verbaasd dan toen bij hem4 ,dat hij nu wist wat te zeggen1 ,kanttekening3 #hi;,a is misschien niets vreemds2 maar ik bewonderde meest van hem in de eerste plaats dit1 hoe vriendelijk en welwillend en waardeerend hij de redeneering der jonge mannen opnam1 verder hoe scherpzinnig hij van ons waarnam1 wat wij onder die redeneeringen geleden hadden1 dan hoe goed hij ons genas en ons als van de vlucht en de nederlaag weromriep en aanspoorde hem te volgen en met hem de redeneering te beschouwen4 ,,echekrates3 ,hoe dan8 ,,phaidoon3 ,ik zal het u zeggen4 ,ik zat namelijk vlak ,kanttekening3 #hi;,b aan zijn rechterhand naast het bed op een soort schabel1 en hij zat veel hooger dan ik4 ,hij streelde nu over mijn hoofd en vatte de haren in mijn nek samen--want hij had1 als het er zoo toe le1 de gewoonte met mijn haren te spelen--en zeide3 ,morgen dan1 o ,phaidoon1 zult gij misschien uw schoone haren afscheren4--,waarschijnlijk1 zeide ik1 o ,sokrates4--,niet1 als gij naar mij luistert4--,wat dan8 ze ik4--,vandaag1 ze hij1 zal ik de mijne en gij de uwe afscheren1 als ons betoog gestorven is en wij het niet kunnen doen herleven4 ,en ik1 als ik u was en dat betoog mij ,kanttekening3 #hi;,c ontsnapte1 zo een eed zweren evenals de ,argeiers1 dat ik niet eerder lang haar zo dragen vor ik in nieuwen strijd de rede van ,simmias en ,kebes zo overwonnen hebben4--,maar1 zeide ik1 tegen twee1 zegt men1 kan zelfs ,herakles niet op4--,doch roep ook mij1 zeide hij1 als uwen ,iolaos te hulp1 zoolang het daglicht is4--,ik roep u dan te hulp1 niet als een ,herakles zijn ,iolaos1 maar als een ,iolaos zijn ,herakles4--,dat zal geen verschil maken1 zeide hij4 ,doch laten wij in de eerste plaats ons hoeden1 dat en ding ons niet overkomt4--,wat dan8 vroeg ik4--,dat ,kanttekening3 #hi;,d wij niet1 zeide hij1 redenenhaters worden1 zooals men menschenhater wordt4 ,want daar is geen grooter ramp die iemand zo kunnen overkomen dan dat hij redeneering leert haten4 ,redenenhaat ontstaat op dezelfde wijze als menschenhaat4 ,want menschenhaat neemt ons in doordat wij zonder kennis heftig op iemand vertrouwen en meenen dat die man volkomen waarachtig is en gezond en betrouwbaar1 en hem kort daarna slecht en trouweloos bevinden1 en dan-wer een tweeden2 en wanneer iemand dat vele keeren ondervindt en vooral van hen die hij wel voor meest ,kanttekening3 #hi;,e eigen en meest bevriend moet houden1 haat hij in het eind door veelvuldigen aanstoot allen en meent dat in niemand en enkel gezond ding is4 ,of hebt gij niet waargenomen dat dit voorkomt8--,maar al te zeer1 zeide ik4--,komt dat nu niet1 zeide hij1 omdat zoo-iemand op een leelijke manier en zonder kennis van het menschelijk karakter onderneemt met menschen om te gaan8 ,immers1 als hij mt kennis met hen omging1 zo hij zijn meening gevormd hebben zooals het werkelijk is1 dat de goeden en slechten ,kanttekening3 #ij;,a beiden zeer weinige zijn1 maar die daartusschen de meeste4--,hoe bedoelt gij8--,het gaat hierme als met het zeer kleine en het zeer groote4 ,meent gij dat iets zeldzamer is dan een zeer groot of een zeer klein mensch uit te vinden1 of hond1 of wat-dan-ook8 ,of ook zeer snel of langzaam1 of zeer leelijk of schoon1 of volkomen blank of zwart8 ,of hebt gij niet waargenomen dat van al dergelijke de uiterste uiteinden schaarsch en weinig zijn1 maar de middelsoort overvloedig en talrijk8--,zeker1 ze ik4--,meent gij nu ,kanttekening3 #ij;,b niet dat1 indien er een wedstrijd in slechtheid uitgeschreven werd1 de eersten ook op dat gebied zeer weinige zouden blijken8--,waarschijnlijk4--,juist4 ,doch dit is niet het punt waarin redeneeringen gelijk zijn aan menschen 7door u liet ik mij verleiden met u af te dwalen71 maar in dat andere3 wanneer iemand zonder kennis van redeneeringen op eenige redeneering vertrouwt dat die waar is1 en kort daarna haar leugenachtig bevindt1 somtijds terwijl zij dat is1 somtijds ook terwijl zij dat niet is1 en zoo verder met een tweede en een derde4 ,en vooral zij die hun ,kanttekening3 #ij;,c tijd doorbrengen met redeneering-afbrekende redeneeringen1 weet-ge1 meenen ten-slotte zeer wijs geworden te zijn en allen te hebben ingezien dat noch in eenige zaak1 noch in eenige redeneering iets gegronds of standvastigs is1 maar dat al het bestaande volmaakt als in een ,euripos heen-en-wer wentelt en geen oogenblik op en plaats blijft4--,gij spreekt de volle waarheid1 zeide ik4--,zo het nu niet1 o ,phaidoon1 een jammerlijke ervaring zijn1 indien iemand1 ondanks het bestaan van een waarachtige en standvastige levensverklaring en die het mogelijk is in ,kanttekening3 #ij;,d te zien1 door het luisteren naar zoodanige redeneeringen die hem tegelijk nu-eens waar en dan-wer niet waar voorkomen1 niet aan zich-zelf en zijn eigen gebrek aan kennis de schuld zo geven1 maar ten-slotte uit verdrietigheid de schuld verlicht van zich-zelf op de redeneeringen zo afkaatsen en dan zijn verder leven zo doorbrengen met deze te haten en te beschimpen1 terwijl hij zo van de waarheid en de kennis van het bestaande verstoken werd8--,voorwaar bij ,zeus1 zeide ik1 wel jammerlijk4--,laten wij ons derhalve1 zeide hij1 in de eerste plaats hier-voor ,kanttekening3 #ij;,e hoeden1 en de gedachte niet tot onze ziel doorlaten1 dat in de redeneeringen mogelijk niets gezonds is1 maar veel-eer dat wij nog niet gezond zijn1 maar met mannen-moed ernaar streven moeten zoo te worden1 gij en de anderen ook ter wille van uw geheele volgende leven1 en ik om mijn dood zelf4 ,want ik-voor-mij loop gevaar op het ,kanttekening3 #ia;,a oogenblik juist omtrent den dood mij niet wijsgeerig te gedragen1 maar twistgierig als de erg onbeschaafden4 ,dezen toch1 wanneer zij over eenig ding redetwisten1 bekommeren zich niet hoe het werkelijk staat met de dingen waarover de redeneering gaat1 maar dat hunne eigen stellingen door de aanwezigen zullen worden aangenomen1 daarvoor doen zij hun best4 ,en ik1 lijkt me1 zal bij deze gelegenheid van hen slechts in deze kleinigheid verschillen1 dat ik niet mijn best zal doen1 dat mijne beweringen waar lijken aan de aanwezigen1 of het moest zijn als bijzaak1 maar dat zij mij-zelven zooveel mogelijk zullen toeschijnen zoo te zijn4 ,kanttekening3 #ia;,b ,want ik redeneer1 mijn geliefde vriend1 let eens op hoe baatzuchtig3 indien mijn beweringen waar zijn1 dan is het schoon daarin te gelooven2 en indien er na den dood niets is1 zal ik tenminste gedurende den tijd zelven vor den dood minder kans loopen den aanwezigen door jammerklachten onaangenaam te zijn4 ,deze onwetendheid nu zal niet met mij voortduren--want dat zo een ramp zijn--1 maar binnen korten tijd vergaan4 ,zo dan1 zeide hij1 o ,simmias en ,kebes1 toegerust1 ga ik ter rede4 ,gij echter1 wanneer gij mij genoegen wilt doen1 bekommert ,kanttekening3 #ia;,c u weinig om ,sokrates1 maar veel meer om de waarheid1 en stemt wanneer ik u voorkom iets waars te zeggen1 daarin toe1 maar zoo niet1 verzet u met alle rede1 opdat ik niet uit voortvarendheid mij-zelf tegelijk en ulieden bedriege en wegga als een bij1 mijn angel achterlatende4 ,doch op weg6 zeide hij4 ,vooreerst1 brengt mij in gedachte wat gij zeidet1 wanneer ik blijk geef het mij niet juist te herinneren4 ,simmias namelijk1 naar ik meen1 is ongeloovig en vreest dat de ziel1 al is zij ook goddelijker ,kanttekening3 #ia;,d en schooner dan het lichaam1 eerder omkomt1 daar zij een soort harmonie is4 ,doch ,kebes kwam mij voor1 hierin met mij overeen te stemmen1 dat de ziel tenminste duurzamer is dan het lichaam1 doch dat dt voor elk onzeker is3 of niet misschien de ziel na dan ook vele lichamen vele malen versleten te hebben1 nu ten-slotte haar laatste lichaam verlaat en zelf omkomt1 en dat de dood juist dit is3 de ondergang der ziel1 daar het lichaam niet ophoudt voortdurend te vergaan4 ,zijn dit niet1 o ,simmias en ,kebes1 de dingen ,kanttekening3 #ia;,e die wij moeten nabeschouwen8--,zij stemden beiden toe1 dat dit het was4--,neemt gij nu de vorige redeneeringen gezamenlijk niet aan1 of sommige wel1 andere niet8--,sommige niet1 andere wel1 zeiden zij4--,wat meent gij dan van die redeneering waarin wij bespraken dat leeren herinnering is1 en dat1 wanneer dit zoo is1 onze ziel noodzakelijk vroeger ergens anders moet bestaan1 vor zij in ons lichaam ,kanttekening3 #ib;,a werd ingekluisterd8--,ik1 zeide ,kebes1 werd zoo-straks wonder-zeer overtuigd en houd mij ook nu aan deze redeneering als aan geene4--,voorwaar1 zeide ,simmias1 ook met mij zelf staat het zoo1 en ik zo mij zeer verwonderen1 als ik hierover tenminste ooit een andere meening kreeg4 ,maar noodzakelijk moet gij1 zeide ,sokrates1 mijn ,thebaansche vriend1 tot een andere opvatting komen1 als deze meening stand-houdt1 dat de ziel een soort harmonie is en samengesteld uit datgene wat in het lichaam als ,kanttekening3 #ib;,b snaren gespannen is4 ,want gij zult toch niet1 al zegt gij het zelf1 aannemen1 dat een harmonie1 die samengesteld is1 eerder bestaat dan die dingen waaruit zij moest worden samengesteld8 ,of wel8--,geenerwijs1 o ,sokrates4--,voelt gij nu wel1 dat gij dit tch beweert1 wanneer ge zegt dat de ziel bestaat1 vor zij nog gekomen is in de gestalte en het lichaam eens menschen1 en zij dus samengesteld is uit het nog niet bestaande8 ,want harmonie is niet zoodanig als waarmede gij haar vergelijkt1 maar erst ontstaan de lier en de snaren en de nog ongestemde tonen1 en het laatst ,kanttekening3 #ib;,c van alles komt de harmonie tot-stand en vergaat het eerst4 ,hoe zal nu deze redeneering ooit met die andere overeenstemmen8--,op geene wijs1 zeide ,simmias4--,en toch past het aan een redeneering over harmonie1 indien aan eenige andere1 met zich-zelf in overeenstemming te zijn4--,ja1 zeg dat wel4--,deze uwe redeneering stemt dus niet overeen4 ,doch zie toe3 welke der beide redeneeringen kiest gij1 die dat leeren herinneren is1 of die dat de ziel een harmonie is8--,veel liever1 ze hij1 de eerste1 o ,sokrates4 ,want deze laatste kwam tot-stand zonder bewijs1 met een ,kanttekening3 #ib;,d zekeren schijn van waarheid en welgepastheid voor zich2 waarvandaan zij dan ook door de meerderheid der menschen aanvaard wordt4 ,doch ik weet1 dat de redeneeringen die door middel van vergelijkingen willen bewijs leveren1 overbluffend zijn1 en wanneer men niet voor haar oppast1 zeer licht misleiden zoowel in geometrie als in al de overige wetenschappen4 ,maar de redeneering van herinnering en leeren is op aannemenswaardigen grond uitgesproken4 ,want er werd gezegd1 geloof ik1 dat onze ziel evenzeer bestaat ook vor zij binnen ons lichaam gekomen is1 als de wezenheid ,kanttekening3 #ib;,e zelf bestaat die den naam draagt van dat wat is4 ,ik heb deze laatste1 naar mijn duurzame overtuiging1 op voldoende en juiste gronden aangenomen4 ,het is daarom dus1 naar het schijnt1 noodzakelijk voor mij1 noch van mij-zelf1 noch op andermans beweren aan te nemen1 dat de ziel een harmonie is4--,maar hoe denkt gij1 ze de ander1 o ,simmias1 over het volgende8 ,dunkt u1 dat een harmonie of eenige andere samenstelling eenigszins anders vermag te zijn dan die ,kanttekening3 #ic;,a dingen waaruit zij is samengesteld8--,geenszins4--,en ook vermag zij1 naar ik meen1 niets anders te doen en niets te ondergaan in strijd met wat die dingen doen of ondergaan4--,dat gaf hij toe4--,dus kan een harmonie die dingen waaruit zij is samengesteld1 niet leiden1 maar moet hen volgen4--,dat vond hij ook4--,verre dus is het ervandaan1 dat een harmonie een beweging maakt of een klank geeft strijdig met hare eigen deelen of in eenig ander ding daartegen in verzet komt4--,ja1 verre4--,verder4 ,is niet elke harmonie van zulk een natuur als zij gestemd is8--,dat begrijp ik niet1 zeide hij4--,zal niet1 wanneer een harmonie meer gestemd is en over meer ,kanttekening3 #ic;,b tonen1 indien daartoe mogelijkheid bestaat1 die harmonie meer harmonie zijn en een breedere1 en indien zij minder en over weiniger tonen gestemd is1 minder harmonie en een meer beperkte8--,zeker4--,gaat dat nu door voor de ziel1 zoodat ook-maar-in-'t-minst de ene ziel meer dan de andere in breedere maat en meer1 of in beperktere maat en minder juist dit1 ziel1 is8--,volstrekt niet1 ze hij4--,welaan dan1 bij ,zeus6 ,men zegt1 dat de ene ziel verstand heeft en deugd en dat zij goed is1 maar dat de andere onverstand heeft en slechtheid en dat zij boos is4 ,kanttekening3 #ic;,c ,wordt ook dit naar-waarheid beweerd8--,ja1 naar-waarheid4--,wat zal nu iemand van hen die stellen dat de ziel een harmonie is1 zeggen dat deze dingen in de ziel aanwezig1 deugd en boosheid1 zijn8 ,soms dat dit wer een andere harmonie is en disharmonie8 ,en dat de ene1 de goede1 gestemd is1 en1 zelf een harmonie1 in zich wer een andere harmonie heeft1 maar de slechte zelf ongestemd is en ook geen andere harmonie in zich heeft8--,ik kan dat niet uitmaken1 zeide ,simmias1 maar het is duidelijk1 dat iemand die die onderstelling maakt1 ongeveer zo zou moeten ,kanttekening3 #ic;,d spreken4--,maar vroeger is overeengekomen1 dat niets meer of minder de ene ziel dan de andere ziel1 ziel is4 ,dat toe te geven beteekent dan dat de ene harmonie niets meer en niet in breedere maat1 en niets minder en niet in beperktere maat dan de andere harmonie1 harmonie zo zijn1 niet-waar8--,zeker4--,en dat de harmonie die niets meer of minder harmonie is dan een andere1 niet meer of minder gestemd is dan de andere8 ,is dat zoo8--,zoo is het4--,en heeft de harmonie die noch meer noch minder gestemd is dan een andere1 mogelijk meer of minder deel aan harmonie dan een andere1 of evenveel8--,evenveel4--,derhalve is de ziel1 aangezien de ene ziel niets ,kanttekening3 #ic;,e meer of minder dan de andere juist dit1 ziel1 is1 ook niet meer en niet minder gestemd dan een andere8--,zoo is het4--,maar als dat waar is1 zal zij niet meer dan een andere deel kunnen hebben aan disharmonie of harmonie4--,neen immers4--,en als dat wer waar is1 zal dan de ene ziel iets meer dan de andere deel kunnen hebben aan boosheid of deugd1 indien tenminste boosheid disharmonie en deugd harmonie is8--,neen1 niets4--,of liever misschien1 ,kanttekening3 #id;,a o ,simmias1 zal1 juist geredeneerd1 geen enkele ziel deel-hebben aan boosheid1 indien zij tenminste een harmonie is4 ,want natuurlijk zal een harmonie die in allen deele juist dit1 harmonie1 is1 nooit deel kunnen hebben aan disharmonie4--,neen voorwaar4--,en zoo ook natuurlijk een ziel die in allen deele ziel is1 niet aan boosheid4--,hoe zo dat kunnen na het besprokene8--,als gevolg dus van deze redeneering vinden wij1 dat alle zielen van alle wezens gelijkelijk goed zijn1 als tenminste de zielen van-nature gelijkelijk juist dit1 zielen1 zijn4--,mij komt het zoo voor1 o ,sokrates4--,en komt het u ook voor1 dat dit terecht zoo beweerd wordt1 zeide hij1 en dat onze redeneering daarop ,kanttekening3 #id;,b uitgeloopen zo zijn1 indien de veronderstelling juist was1 dat de ziel een harmonie is8--,neen1 volstrekt niet4--,en verder4 ,beweert gij dat van alle dingen die in een mensch zijn1 wel iets anders heerschappij voert dan de ziel1 vooral als zij verstandig is8--,neen4--,door toe te geven aan de lichamelijk begeerten1 of ook door zich daartegen te verzetten8 ,ik bedoel1 bij-voorbeeld1 dat zij wanneer hitte in het lichaam is en dorst1 het lichaam naar het tegenovergestelde doet1 niet te drinken1 trekt1 en wanneer ,kanttekening3 #id;,c er honger in is1 naar het niet-eten1 en in ontelbare andere zaken wel zien wij1 dat de ziel zich verzet tegen de lichamelijke begeerten4 ,of niet8--,voorzeker4--,zijn wij daarentegen niet in onze vroegere redeneeringen overeengekomen dat zij1 wanneer zij tenminste een harmonie is1 nooit een toon zo kunnen geven in strijd met datgene waardoor gespannen en ontspannen en getokkeld worden en wat-dan-ook ondergaan die dingen waaruit zij tot-stand-komt1 maar dat zij die volgt en ze nooit zo kunnen leiden8--,dat zijn wij overeengekomen1 zeker4--,hoe nu8 ,blijkt ons nu niet1 dat zij al het tegenovergestelde werkt1 door al die dingen waaruit men beweert dat zij tot-stand-komt1 te ,kanttekening3 #id;,d leiden1 en bijna in alles zich het geheele leven door daartegen te verzetten en erover te heerschen op alle wijzen1 deels door strenger en pijnlijk1 inzake lichaamsoefening en geneeskunst1 deels door zachter te straffen1 en dat zij deels dreigend1 deels waarschuwend1 met de begeerten en driften en vreezen als een vreemd wezen met een vreemd ding gesprek-voert8 ,zooals ook wel ,homeros in de ,odysseia bedoeld heeft te dichten1 waar hij van ,odysseus zegt3 ,sloeg op zijn borst zich de held en beknorde zijn hart met de woorden3 ,kanttekening3 #id;,e ,hart1 houd uit2 al andere hondschere dingen verdroegt gij4 ,meent gij1 dat ,homerus dit gedicht heeft1 als ware de ziel een harmonie en geaard zich door de indrukken van het lichaam te laten leiden1 en niet in de vaste gedachte dat zij geaard is deze te leiden en erover te heerschen1 en dat zij een veel goddelijker iets is dan een harmonie of zoo8--,bij ,zeus1 o ,sokrates1 ik denk van-wel4--,derhalve1 o mijn beste1 is het in geen enkel opzicht schoon voor ons1 van de ziel te zeggen dat zij een soort harmonie is4 ,want zo zouden wij1 naar 't schijnt1 noch met ,homeros ,kanttekening3 #ie;,a den goddelijken dichter overeenstemmen1 noch met onszelven4--,zoo is het1 zeide hij4 --,goed dan1 ze ,sokrates4 ,harmonia de ,thebaansche is ons1 naar 't schijnt1 vrij-wel genadig geworden2 maar hoe staat het met ,kadmos1 o ,kebes8 ,hoe en met welke redeneering zullen wij hem verzoenen8--,gij1 denk ik1 zult dat wel uitvinden1 zeide ,kebes4 ,dat betoog tenminste van zoo-even tegen ,harmonia hebt gij wonderlijk boven verwachting gesproken4 ,want toen ,simmias zeide wat zijn bezwaar was1 waren wij zeer benieuwd of iemand zijn rede ,kanttekening3 #ie;,b zo kunnen te lijf komen4 ,dus kwam het mij zeer vreemd voor1 dat zij al dadelijk den eersten aanval van uwe rede niet afwachtte4 ,het zo mij dan ook niet verwonderen als ,kadmos' betoog hetzelfde ondervond4--,mijn goede vriend1 zeide ,sokrates1 spreek niet groot1 opdat geen booze invloed onze komende redeneering overhoop werpe4 ,maar dit zal der godheid zorg zijn1 doch laten wij1 als ,homerische helden nadertredende1 de proef nemen of gij iets standhoudends beweert4 ,de hoofdzaak dan van uw onderzoek bestaat hierin3 gij verlangt dat van onze ziel bewezen worde ,kanttekening3 #ie;,c dat zij onvergankelijk en onsterfelijk is1 indien een wijsgeer die op het punt van te sterven goedsmoeds is en meent dat hij na zijn dood daarginds onderscheidenlijk beter zal varen dan wanneer hij na een leven in een andere richting eindigde1 niet met een onverstandige en dwaze gerustheid gerust zal zijn4 ,maar het bewijs1 dat de ziel sterk is en godgelijkend en dat zij reeds vroeger bestond vor wij mensch geworden zijn1--niets verhindert1 zegt gij1 dat dit alles niet aanduidt3 onsterfelijkheid1 doch alleen dat de ziel langdurig is en vroeger licht een onmetelijk ,kanttekening3 #ie;,d langen tijd bestond en vele dingen wist en deed4 ,toch was zij daarom niets meer onsterfelijk1 maar juist haar komst in een menschelijk lichaam was voor haar het begin van den ondergang als eene ziekte4 ,en lijdende zo zij dan dit leven doormaken en ten-laatste in den zoogenaamden dood te-gronde-gaan4 ,het maakt dan1 zegt gij1 geen verschil of zij enmaal of meermalen in een lichaam komt1 voor de vraag of een ieder van ons zich bevreesd behoeft te maken4 ,want zich bevreesd maken behoort1 indien hij niet onverstandig is1 ieder die niet weet en niet verantwoorden ,kanttekening3 #ie;,e kan1 dat de ziel onsterfelijk is4 ,dat vrij-wel is1 meen ik1 o ,kebes1 wat gij beweert4 ,en met opzet haal ik het vele malen op1 opdat geen enkel ding ons ontsnappe1 en opdat gij1 indien gij wilt1 er nog iets aan toe kunt voegen of ervan afnemen4--,kebes zeide3 ,voorshands behoef k er niets van af te nemen of eraan toe te voegen4 ,doch dit is werkelijk wat ik beweer4 ,sokrates nu wachtte een geruimen tijd en overwoog iets bij zich-zelven4 ,toen sprak hij3 ,geen geringe zaak1 o ,kebes1 verlangt gij2 want door-en-door moeten wij omtrent wording en verderf de oorzaak doorzoeken4 ,ik nu ,kanttekening3 #if;,a zal1 als gij dat goed-vindt1 mijne eigene levenservaringen daaromtrent voor u doorloopen1 dan kunt gij als iets van wat ik zeg1 u bruikbaar voorkomt1 dat aanwenden tot een grootere zekerheid betreffende de dingen waarvan gij spreekt4--,voorwaar1 zeide ,kebes1 dat wil ik graag4--,hoor dan toe2 want ik begin4 ,ik namelijk1 o ,kebes1 verlangde1 toen ik jong was1 wonderlijk-hoe-zeer naar die wijsheid die men natuurkunde noemt4 ,want zij kwam mij voor overheerlijk te zijn1 te weten de oorzaken van elk ding1 waarom elk ding ontstaat en waarom te-niet-gaat en waarom bestaat4 ,en vele malen tobde ik mij af met zoodanige ,kanttekening3 #if;,b beschouwingen3 of1 wanneer het warme en het koude een zekere gisting aanneemt1 dan1 zooals sommigen beweren1 de levende wezens zich voeden1 en of het het bloed is waarme wij denken1 of de lucht of het vuur of wel geen van deze1 maar dat het de hersenen zijn die de zinlijke waarnemingen verschaffen van hooren en zien en ruiken1 en dat uit deze ontstaat herinnering en meening1 en uit herinnering en meening1 wanneer die tot rust gekomen zijn1 op dezelfde wijze wer wetenschap4 ,en een anderen keer onderzocht ik de oorzaken van vernietiging van ,kanttekening3 #if;,c deze dingen1 en de verschijnselen in den hemel en op de aarde1 en ik kwam mij ten-laatste voor tot dat onderzoek zoo van-nature ongeschikt te zijn als geen ander ding ter wereld4 ,een toereikend bewijs zal ik u zeggen4 ,immers1 zelfs wat ik vroeger zeker wist1 zooals het tenminste mij-zelf en den anderen voorkwam1 daarin werd ik door dat onderzoek zoo zeer verblind1 dat ik verleerde ok wat ik voordien meende te weten1 zoowel omtrent vele andere dingen als ook bij-voorbeeld waardoor een mensch groeit4 ,want hiervan meende ik voordien dat het een ieder duidelijk was1 dat dat komt door eten en drinken2 want dat ,kanttekening3 #if;,d wanneer uit de spijzen aan het vleesch1 vleesch is toegevoegd1 en aan het been1 been1 en zoo op dezelfde wijze ook aan elk der overige dingen wat daarbij behoort1 dan daarna de omvang van klein groot geworden is1 en dat zoo een mensch van klein groot wordt4 ,zoo meende ik toen4 ,vindt gij niet1 vrij-wel terecht8--,ik wel1 zeide ,kebes4--,ga dan ook nog eens het volgende na4 ,ik meende namelijk tevreden te kunnen zijn met mijn inzicht1 wanneer een groote mensch naast een kleinen kwam te staan en hij mij door zijn hoofd grooter leek te zijn dan ,kanttekening3 #if;,e de andere1 en een paard dan een ander paard4 ,en wat nog duidelijker is1 tien kwam mij voor1 meer te zijn dan acht1 doordat men er twee aan heeft toegevoegd1 en wat twee el lang is leek mij grooter te zijn dan iets van en el1 doordat het er half boven uitstak4--,wat denkt gij daar nu van8 vraagde ,kebes4--,dat ik heel ver1 bij ,zeus1 van de meening ben omtrent en van deze dingen de oorzaak te weten1 ik die bij mij-zelf niet uitmaken kan1 dat1 wanneer men een ding bij een ander ding voegt1 f dat waarbij gevoegd is1 f dat wat toegevoegd is1 twee geworden ,kanttekening3 #ig;,a is1 f dat zij beide tezamen door de samenvoeging bij elkander twee geworden zijn4 ,want ik vind het onbegrijpelijk1 dat1 toen elk van beide van elkander afgezonderd was1 elk van beide en enkel ding was en zij toen niet twee waren1 maar dat1 nadat zij tot elkander genaderd zijn1 dit1 de vereeniging door het bij elkander gevoegd worden1 oorzaak voor hen wordt om twee te worden4 ,en ook wanneer men een enkel ding splitst1 kan ik niet gelooven dat dit1 de splitsing1 oorzaak is geweest van het twee-geworden-zijn4 ,want nu is de oorzaak van het twee-worden de tegengestelde ,kanttekening3 #ig;,b van daar-straks4 ,want daar-straks bestond die daarin dat zij bij elkander werden samengebracht en aan elkander toegevoegd1 maar nu dat zij van elkander worden verwijderd en gescheiden4 ,en ook kan ik mezelf niet meer overtuigen dat ik weet waarom eenig ding en wordt1 of in-en-woord van iets anders waarom iets ontstaat of vergaat of bestaat1 als ik deze richting van methode volg1 maar in een andere richting broddel ik zelf op eigen gelegenheid1 en die eerste methode laat ik volstrekt niet tot mij toe4 ,maar toen ik eens iemand uit een boek1 zooals hij zeide ,kanttekening3 #ig;,c van ,anaxagoras1 hoorde voorlezen en zeggen1 dat het de geest is die alles regelt en van alles oorzaak is1 was ik blijde met die verklaring1 en het leek mij in zekere richting volkomen helder1 dat de geest van alle dingen oorzaak is1 en ik meende dat als dit zoo is1 de geest die alles regelt1 ook alles ordenen moet als bst is2 en dat derhalve wanneer iemand de oorzaak wil uitvinden omtrent ieder ding1 hoe het ontstaat of vergaat of bestaat1 hij daaromtrent dt moet uitvinden3 hoe het voor dat ding bst is f te zijn f wat-anders-ook te ondergaan of te doen2 en ,kanttekening3 #ig;,d dat op grond van deze verklaring1 een mensch niets anders behoort na te gaan zoowel betreffende dat bizondere ding als betreffende andere dan het beste en uitnemendste2 en dat noodzakelijk diezelfde mensch ook het slechtere weet2 want dat de kennis omtrent beide en-en-dezelfde is4 ,deze dingen dan bedacht ik met vreugde1 en meende van de oorzaak betreffende het bestaande een onderwijzer gevonden te hebben niet alleen naar den geest1 maar naar mijn eigen hart3 ,anaxagoras--en ik meende1 dat hij mij eerst wijzen zo of de aarde vlak is of bol1 en nadat hij dit aangetoond ,kanttekening3 #ig;,e had1 achterna de oorzaak en de noodwendigheid uiteenzetten1 besprekend wat best voor haar is en dat het best voor haar is zo te zijn2 en wanneer hij zo zeggen1 dat zij in het midden is1 dan dacht ik dat hij daarna zo uiteenzetten dat het beste was1 dat zij in het midden is2 en als hij mij deze dingen zo verklaren1 was ik gereed geen andere soort van oorzaak meer te begeeren4 ,en ook ,kanttekening3 #ih;,a omtrent zon en maan en de overige hemellichamen was ik zoo bereid1 om mij op dezelfde wijze te laten onderrichten1 omtrent hun onderlinge snelheid en hunne wendingen en hun overige verschijnsel-gevallen1 hoe beschouwd het wel het beste is1 dat zij een elk dat doen en ondergaan wat zij ondergaan4 ,want ik meende dat hij1 daar hij immers beweerde dat zij door de gest geordend waren1 hun nooit een andere oorzaak zo kunnen toedragen1 dan dat het ,kanttekening3 #ih;,b beste is1 dat zij zo zijn als zij zijn4 ,door nu aan elk ding afzonderlijk en daarna aan alle dingen gezamenlijk hun oorzaak toe te kennen1 zo hij1 meende ik1 wat voor elk ding het beste was1 uiteenzetten1 en daarna het voor alle dingen gemeene goede4 ,en voor geen geld zo ik mijne verwachtingen verkocht hebben1 maar met grooten ijver nam ik zijn boeken ter hand en las die zoo snel ik kon om zoo snel mogelijk het beste en het slechtere te weten4 ,van wonderlijk hooge verwachting dan1 o mijn vriend1 stortte ik ner1 toen ik al voortlezende een man gewaar werd1 die den geest volstrekt niet in toepassing bracht tot ,kanttekening3 #ih;,c het regelen der dingen1 maar licht en aither en water en vele andere wonderlijke zaken als oorzaken opgaf4 ,en het leek mij dat hij even mal deed1 als wanneer iemand beweren zo dat ,sokrates alles wat hij doet1 door den geest doet1 en dan zo trachten de oorzaken aan te geven van al de dingen die hij doet1 en al dadelijk zeggen zo dat ik nu hier zit1 darom omdat mijn lichaam is samengesteld uit beenderen en pezen1 en dat de beenderen vast zijn en door gewrichten van elkar zijn gescheiden1 maar de pezen ingericht ,kanttekening3 #ih;,d om zich te kunnen spannen en ontspannen1 terwijl zij samen met het vleesch en het vel dat hen samenhoudt1 de beenderen omgeven2 en dat dus daar mijne beenderen bewegelijk zijn in hunne gewrichten1 mijn pezen door zich te ontspannen en samen te trekken mij in-staat-stellen op het oogenblik mijne leden te buigen1 en dat ik om die oorzaak samengebogen hier nederzit4 ,of ook wanneer iemand andere dergelijke oorzaken zo opgeven omtrent ons samenspreken1 stem en lucht en gehoor en andere ontelbare dergelijke als oorzaken noemende1 zonder zich de moeite te ,kanttekening3 #ih;,e geven de waarachtige oorzaken te zeggen1 dat1 nu de ,atheners beter hebben gevonden mij te veroordeelen1 daarom ook ik op mijn beurt het beter vond hier neder te zitten1 en rechtvaardiger te blijven en de straf te ondergaan1 die zij bevolen hebben4 ,want1 bij den hond1 al-lang1 naar ik meen1 zouden deze pezen en beenderen in de buurt van ,megara ,kanttekening3 #ii;,a of ,boiotia zijn1 door een andere opvatting van het beste daarheen gedragen1 indien ik het niet voor rechtvaardiger en schooner hield1 in plaats van te vluchten en op den loop te gaan1 aan den staat de boete te betalen1 die hij oplegt4 ,maar dergelijke dingen oorzaken te noemen is al te dwaas2 doch als iemand zeide1 dat buiten het bezit van dergelijke1 beenderen en pezen en al het andere wat ik heb1 ik niet in-staat zo zijn te doen wat ik goed-vind1 zo hij de waarheid zeggen2 dat ik echter 7en dat wel vooropgezet1 dat ik handel door den geest7 wat ik doe1 doe op grond van deze ,kanttekening3 #ii;,b dingen1 en niet door de keuze van het beste1 zo groote en ver-reikende lichtzinnigheid van redeneeren zijn4 ,want dat men niet onderscheiden kan dat de wezenlijke oorzaak iets anders is dan dat zonder wat de oorzaak nooit de oorzaak zo kunnen zijn6 ,darom lijkt het mij dat de meesten1 tastende als in duisternis1 met een verkeerden naam dit als oorzaak benoemen4 ,om die reden dan ook omgeeft de en de aarde met een maalstroom en stelt dat zij zoo onder den hemel blijft1 en de ander onderstut haar evenals een ,kanttekening3 #ii;,c vlakke baktrog met de lucht als basis4 ,maar naar de macht waardoor de dingen nu zoo geplaatst zijn als het voor hen het best mogelijk was gesteld te worden1 daarnaar doen zij noch onderzoek1 noch gelooven1 dat die goddelijke kracht bezit1 maar zij meenen eenmaal nog een ,atlas uit te zullen vinden krachtiger dan dit en onsterfelijker en die meer alles samenhoudt1 en zij meenen dat in-waarheid het goede en noodwendige niets samenbindt en samenhoudt4 ,ik nu had in een dergelijke oorzaaksleer1 hoe die dan zij1 zeer gaarne leerling van-wien-dan-ook willen worden4 ,doch toen ik van deze verstoken was en niet in-staat geweest was f haar zelf te vinden f van een ander te leeren1--hoe ik ,kanttekening3 #ii;,d toen mijn tweede vaart naar de ontdekking der oorzaak ondernomen heb1 wilt gij dat ik u daarvan het relaas zal doen1 o ,kebes8--,bovenmate1 zeide hij1 wil ik dat4 --,ik meende dan daarna1 zeide hij1 toen ik moede geworden was van naar de wezenlijke dingen te schouwen1 op mijn hoede te moeten zijn1 dat ik niet hetzelfde ondervond als menschen die een zonsverduistering bijwonen en met het oog volgen4 ,want het komt wel voor1 dat enkelen hun oogen bederven1 als zij niet in het water of iets dergelijks ,kanttekening3 #ii;,e haar spiegelbeeld beschouwen4 ,voor iets van dien aard maakte ook ik mij bezorgd en ik vreesde1 dat ik geheel-en-al verblind zo worden van ziel door naar de dingen met mijn oogen te staren en te beproeven hen met elk mijner zintuigen te beroeren4 ,ik meende dan tot de verstandelijke redeneeringen toevlucht te moeten nemen en daarin de waarheid der dingen te moeten beschouwen4 ,misschien nu is het geval eenigerwijze niet gelijk aan het beeld ,kanttekening3 #ajj;,a waarme ik het vergelijk4 ,want ik geef volstrekt niet toe dat hij die in de redeneering de dingen beschouwt1 hen meer in beelden ziet dan die hen in de zichtbare dingen beschouwt4 ,maar dien weg dan ben ik opgegaan en telkens als grondslag nemende de redeneering die ik de krachtigste oordeel1 stel ik als waar wat mij hierme voorkomt overeen te stemmen1 zoowel omtrent oorzaak als omtrent andere dingen1 en wat niet1 als niet-waar4 ,ik wil u nog duidelijker zeggen wat ik bedoel4 ,want ik denk1 dat gij het niet verstaat4--,neen1 bij ,zeus1 zeide ,kebes1 niet erg4--,wel1 zeide ,kanttekening3 #ajj;,b hij1 ik bedoel het zo1--niets nieuws1 maar wat ik telkens ook bij andere gelegenheden en ook in het voorbije deel mijner rede niet opgehouden heb te zeggen4 ,ik ga dan namelijk beproeven u het soort van oorzaaksverklaring te beduiden waar ik mij me bezig heb gehouden1 en zal teruggaan tot die bekende veelbeprate zaken en van haar uitgaan door te onderstellen dat er een begrip schoon op-zich-zelf bestaat en een begrip goed en groot en al de andere4 ,als gij mij deze gewonnen geeft en toestemt dat deze bestaan1 hoop ik u den grond der dingen te verklaren en daaruit uit te vinden dat de ziel onsterfelijk is4--,voorwaar1 ,kanttekening3 #ajj;,c zeide ,kebes1 ge kunt zeker zijn1 dat ik u dit gewonnen geef1 en niet vlug genoeg erop doorgaan4--,beschouw dan1 ze hij1 wat daarop volgt1 of gij het juist zoo vindt als ik4 ,mij namelijk komt het voor1 dat wanneer eenig ander ding schoon is1 het om geen enkele andere oorzaak schoon is dan doordat het deel-heeft aan dat begrip schoon4 ,ook op alle andere dingen pas ik die redeneering toe4 ,kunt gij u met zulk een oorzaaksverklaring vereenigen8--,ja zeker1 ze hij4--,dan1 ze hij1 versta ik andere geleerde gronden niet meer en kan ze niet begrijpen4 ,maar wanneer iemand tegen mij beweren wil warom eenig ding schoon is1 f ,kanttekening3 #ajj;,d omdat het een bloeiende kleur heeft f gestalte f iets anders van dien aard1 laat ik het overige varen--want in al het overige verwar ik mij--1 maar eenvoudig en botweg en misschien een beetje dom houd ik bij mij zelf dit ene vast1 dat niets anders dat ding schoon maakt1 dan hetzij de aanwezigheid van1 hetzij de gemeenschap aan dat andere schoon1 hetzij door welk ander middel of op welke andere wijze het erbij komt4 ,want verder verzeker ik daaromtrent niets1 behalve dat door het schoone de schoone dingen schoon worden4 ,want dat lijkt mij het veiligste antwoord om zoowel mij-zelf als een ander te geven1 en als ik mij ,kanttekening3 #ajj;,e daaraan vast-houd1 meen ik nooit te zullen vallen1 maar ik denk dat dit een veilig antwoord is1 zoowel aan mij als aan wien-anders-ook1 dat door het schoone de schoone dingen schoon zijn4 ,of vindt ook gij dit niet8--,ja4--,en dus zijn door grootheid de groote dingen groot en de grootere1 grooter1 en door kleinheid de kleinere dingen kleiner8--,zeker4--,ook gij zoudt dus niet goedkeuren als men zeide1 dat iemand grooter is dan een ander door zijn hoofd1 en de ,kanttekening3 #aja;,a kleine door datzelfde kleiner1 maar betuigen dat gij geen andere redeneering aanneemt dan dat alle grootere ding grooter is dan een ander door niets anders dan door grootheid1 en dat dit1 de grootheid1 de oorzaak is van zijn grooter-zijn1 en dat het kleinere kleiner is door niets anders dan door kleinheid1 en dat dit1 de kleinheid1 de oorzaak is van zijn kleiner-zijn1 uit vrees1 denk ik1 dat u1 wanneer gij beweert dat iemand grooter is en ook wer kleiner door zijn hoofd1 de redeneering zal worden tegengevoerd1 in de eerste plaats dat dan het grootere grooter is door hetzelfde waardoor het kleinere kleiner is1 en verder1 dat dan de ,kanttekening3 #aja;,b grootere grooter is door het hoofd1 dat klein is1 en dat dit een wonder is1 dat iemand groot is door iets kleins4 ,of zoudt gij u daar niet bang voor maken8--,zeker zo ik dat1 zeide ,kebes lachend4--,zoudt gij derhalve1 ze hij1 niet schromen te beweren1 dat tien meer is dan acht door twee en om die oorzaak acht overtreft1 en niet door veelheid en om oorzaak darvan8 ,en dat een ding1 dat twee el groot is1 grooter is dan wat en el groot is1 door zijn helft1 en niet door grootheid8 ,want hier bestaat licht dezelfde vrees4--,voorzeker1 zeide hij4 --,en verder4 ,zoudt gij u niet wachten1 wanneer en aan en wordt toegevoegd1 de toevoeging1 en als en gesplitst ,kanttekening3 #aja;,c wordt1 de splitsing te noemen als oorzaak van het twee-worden8444 ,zelfs luide roepen zoudt gij1 dat gij geen enkele andere wijze weet waarop elk ding iets wordt dan doordat het deel-krijgt aan de bizondere wezenheid van elk ding waar het deel aan krijgt1 en dat gij in deze gevallen geene andere oorzaak kunt opgeven voor het twee-worden dan het deel-krijgen aan de tweeheid1 en dat daar deel aan krijgen moet wat twee zal zijn1 en aan de eenheid al wat en zal zijn2 maar die splitsingen en toevoegingen en die overige spitsvondigheden zoudt gij prijsgeven en om ,kanttekening3 #aja;,d te antwoorden overlaten aan geleerderen dan gij zelf zijt4 ,doch gij1 uit vrees1 als het spreekwoord zegt1 voor uw eigen schaduw1 of wel voor uw onervarenheid1 zoudt u vast-houden aan dat veilige in uwe bepaling en zoudt zoo antwoorden4 ,en als gij vervolgens van die bepaling zelve rekenschap zoudt moeten geven1 zoudt gij die geven op dezelfde wijze1 door aan die bepaling wer een andere hoogere bepaling te geven1 welke u zo schijnen de beste te zijn1 totdat gij iets afdoends bereikt zoudt hebben4 ,en gij zoudt niet1 evenals ,kanttekening3 #aja;,e de redetwisters1 de zaken dooren-haspelen door over het grondbeginsel en de dingen die daaruit zijn voortgevloeid1 tegelijk te redeneeren1 indien gij tenminste iets van de waarheid wildet vinden4 ,want die anderen hebben daaromtrent misschien geen overleg of zorg2 want door hunne geleerdheid zijn zij bekwaam om alles dooren te mengen ,kanttekening3 #ajb;,a en toch met zich-zelf ingenomen te kunnen zijn4 ,doch gij1 indien gij tot de wijsgeerigen behoort1 zult1 meen ik1 doen zooals ik zeg4--,allerwaarst zijn uwe woorden1 zeiden ,simmias en ,kebes tegelijk4 ,,echekrates3 ,bij ,zeus1 o ,phaidoon1 dat zeiden zij terecht4 ,want het komt mij voor dat hij die zaken1 ook voor wie maar weinig verstand heeft1 verwonderlijk duidelijk besprak4 ,,phaidoon3 ,voorzeker1 o ,echekrates2 en zoo oordeelden alle aanwezigen4 ,,echekrates3 ,ja1 want zelfs ons die er niet bij waren1 maar het nu hooren1 dunkt het zoo4 ,doch wat werd daarna wel gesproken8 ,,phaidoon3 ,nadat hem dit was toegegeven1 en men overeenkwam1 ,kanttekening3 #ajb;,b dat elk der ideen afzonderlijk bestaat1 en de overige dingen door daaraan deel te krijgen aan deze zelve hun benoeming ontleenen1 daarna1 als ik mij wel herinner1 vroeg hij3 ,als gij dan toegeeft dat dit zoo is1 en wanneer gij zegt dat ,simmias grooter is dan ,sokrates1 maar kleiner dan ,phaidoon1 beweert gij dan niet dat in ,simmias beide zijn1 zoowel grootheid als kleinheid8--,ja4--,doch1 niet-waar1 gij geeft toe1 dat bij de bewering3 ,simmias is grooter dan ,sokrates'1 de waarheid niet zoo is als door de woorden wordt uitgedrukt8 ,immers1 ,simmias is wel niet grooter door ,kanttekening3 #ajb;,c het feit dat hij ,simmias is1 maar door de grootheid die hij in dat geval heeft8 ,en grooter dan ,sokrates wer is hij ook niet1 omdat ,sokrates1 ,sokrates is1 maar omdat ,sokrates kleinheid heeft in vergelijking van zjne grootheid8--,dat is de waarheid4--,en aan-den-anderen-kant is ook ,phaidoon niet grooter dan hij door het feit dat ,phaidoon1 ,phaidoon is1 maar omdat ,phaidoon grootheid heeft in vergelijking van ,simmias' kleinheid8--,zoo is het4--,als dus ,simmias den naam heeft van groot en klein tegelijk te zijn1 bedoelt dit1 dat hij zich tusschen beiden in het midden ,kanttekening3 #ajb;,d bevindt en naast de grootheid van den enen de vereischte kleinheid stelt ter overtreffing1 en naast den ander de vereischte grootheid die diens kleinheid te-boven-gaat4--,en al glimlachend zeide hij3 ,het lijkt of ik een contract ga opstellen1 maar toch is het wel zooals ik zeg4--,de ander stemde toe4--,ik spreek zoo daarom omdat ik de bedoeling heb1 dat gij het werkelijk met mij eens zult zijn4 ,want mij schijnt het1 dat niet alleen het begrip grootheid nooit groot en klein tegelijk wil zijn1 maar dat ook de grootheid die in ons is1 nooit de kleinheid wil aannemen noch zich wil laten te-boven-gaan1 maar en van ,kanttekening3 #ajb;,e twee3 f vlucht en plaats-ruimt wanneer zijn tegendeel1 het kleine1 ertoe naderen wil1 f wanneer het er toch toe genaderd is1 te-niet-gaat4 ,maar de kleinheid afwachten en aannemen en zoo-doende iets anders zijn dan het was1 dat wil het niet4 ,ik persoonlijk1 bij-voorbeeld1 neem wel de kleinheid aan en wacht haar af1 en terwijl ik dezelfde blijf1 ben ik tevens daarnaast klein4 ,maar dat andere1 dat groot was1 heeft niet van zich kunnen verkrijgen klein te zijn4 ,en zoo ook wil het kleine dat in ons is1 nimmer groot worden of zijn2 en ook geen ander der tegengestelde dingen wil zoolang als het is wat het was1 zijn tegengestelde worden ,kanttekening3 #ajc;,a of zijn1 maar f het wijkt weg f het vergaat in dit proces4--,volkomen1 zeide ,kebes1 schijnt het mij zoo4 ,en op het hooren hiervan sprak een der aanwezigen 7doch wie het was1 herinner ik mij niet juist73 ,bij de goden1 werd in onze vroegere redeneeringen niet juist het tegendeel overeengekomen van wat nu beweerd wordt1 dat namelijk het grootere uit het kleinere ontstond en het kleinere uit het grootere1 en dat dit uitsluitend de wording was voor de tegendeelen3 uit hunne tegendeelen8 ,maar nu1 komt mij voor1 wordt gezegd1 dat dit nimmer zo kunnen gebeuren4--,en ,sokrates die met vooruitgestoken hoofd geluisterd ,kanttekening3 #ajc;,b had1 zeide3 ,flink van u1 dat gij ons daaraan herinnerd hebt6 ,gij vat evenwel niet het verschil tusschen wat nu en wat daar-straks gezegd werd4 ,want ten werd gezegd1 dat uit een tegenovergesteld ding het tegenovergestelde ding wordt1 maar n dat een tegengesteld begrip nooit aan zich-zelf tegengesteld zo kunnen worden1 noch in ons1 noch in de natuur4 ,want toen1 mijn vriend1 spraken wij over de dingen die de tegengestelde begrippen bevatten1 hen benoemend met den naam dier begrippen1 maar nu over die begrippen zelve die daarin zijn1 en met wier naam de dingen genoemd worden4 ,en van die begrippen zeggen wij dat zij nooit wording tot elkander willen aannemen4--,en ,kanttekening3 #ajc;,c terwijl hij naar ,kebes keek1 zeide hij3 ,heeft misschien ook u1 o ,kebes1 een der bedenkingen die deze uitgesproken heeft1 verontrust8--,dezen keer niet1 ze ,kebes2 toch zeg ik volstrekt niet1 dat er niet vele dingen zijn die mij verontrusten4--,wij zijn derhalve1 zeide hij1 kort-en-goed dit overeengekomen1 dat een tegengesteld begrip nooit zijn eigen tegengestelde kan zijn4--,volkomen1 zeide de ander4 --,ga dan ook nog eens het volgende na1 of gij het daarin met mij eens zult zijn4 ,is er iets dat ge koud en iets dat gij warm noemt8--,ja4--,is dat hetzelfde als ,kanttekening3 #ajc;,d sneeuw en vuur8--,neen1 bij ,zeus6--,maar het warme iets anders dan vuur en het koude iets anders dan sneeuw8--,ja4--,doch dit tenminste1 denk ik1 zult gij meenen1 dat sneeuw1 zoolang zij sneeuw is1 nimmer warmte zal aannemen en1 evenals wij reeds in onze vroegere redeneeringen zeiden1 nog zijn zal wat zij was1 dus sneeuw en warm tegelijk1 maar dat zij1 wanneer de warmte tot haar nadert f daarvoor plaats-ruimen zal1 f zal vergaan4--,voorzeker4--,en dat het vuur van-zijn-kant1 wanneer koude ertoe nadert1 f daarvoor wijken zal1 f vergaan1 nimmer evenwel gedoogen zal de koude aan te nemen en nog te ,kanttekening3 #ajc;,e zijn wat het was1 dus vuur en koud tegelijk4--,gij zegt de waarheid4--,zoo staat het dus met sommige van diergelijke dingen1 dat niet alleen het begrip zelf in der eeuwigheid de waarde behoudt van zijn eigen naam1 maar ook een ander ding1 dat niet dat begrip is1 maar dat altijd wanneer het bestaat1 den vorm van dat begrip heeft4 ,en nog duidelijker misschien zal in de volgende gevallen zijn wat ik bedoel4 ,het begrip oneven toch moet wel altijd dien naam krijgen dien wij er nu aan geven4 ,of niet8--,zeker4--,is het hierin eenig1 of 7want dit is juist de vraag die ik ,kanttekening3 #ajd;,a stel7 bestaat er nog een ander ding1 dat niet hetzelfde is als het begrip oneven1 maar waaraan men toch naast zijn eigen naam altijd ook den naam oneven moet geven om het feit dat het van-nature zo is1 dat het zich nooit van het begrip oneven verwijdert8 ,ik bedoel bij-voorbeeld het drietal1 en ook met vele andere gaat het zoo4 ,doch sta een oogenblik stil bij het drietal4 ,dunkt u niet1 dat dit behalve met zijn eigen naam1 ook altijd met dien van het begrip oneven behoort benoemd te worden1 hoewel dit begrip niet hetzelfde is als het drietal8 ,maar toch zijn van-nature zoowel het drietal als het vijftal en geheel de halve reeks der getallen zo1 dat zij niet hetzelfde zijn als het begrip ,kanttekening3 #ajd;,b oneven1 maar toch elk van hen steeds oneven is4 ,en aan-den-anderen-kant zijn twee en vier en de geheele andere reeks der getallen1 hoewel zij niet hetzelfde zijn als het begrip even1 toch elk afzonderlijk steeds even4 ,geeft gij dit toe of niet8--,hoe zo ik niet8--,let nu op1 wat ik wil duidelijk maken4 ,het is dit1 dat blijkbaar niet alleen die tegengestelde begrippen elkander niet aannemen1 maar dat ook alle dingen die wel niet aan elkander tegenovergesteld zijn1 maar steeds de tegengestelde begrippen bevatten1 evenmin lijken aan te nemen het begrip dat tegenovergesteld is aan het begrip dat in hen is1 maar wanneer dat tot ,kanttekening3 #ajd;,c hen nadert1 f te-gronde-gaan f daarvoor plaats-ruimen4 ,of zullen wij niet toegeven dat drie eerder zal te-niet-gaan en wat-anders-ook ondergaan1 eer het dulden kan om1 zoolang het drie is1 even te worden8--,voorzeker1 ze ,kebes4--,maar toch is het tweetal niet het tegengestelde van het drietal4--,neen1 zeker niet4--,derhalve zijn het niet alleen de tegenovergestelde begrippen1 die elkanders nadering niet dulden1 maar die begrippen hebben ook verscheidene andere dingen naast zich1 die de nadering der tegengestelde begrippen evenmin dulden4--,zeer waar wat gij zegt4--,wilt gij dus dat wij1 als dit mogelijk is1 bepalen wat-voor ,kanttekening3 #ajd;,d dingen dat zijn8--,zeer gaarne4--,zouden dat dan misschien1 o ,kebes1 die dingen zijn1 die al wat zij in-beslag-nemen1 dwingen niet alleen hun eigen begrip te bevatten1 maar ook steeds daarnaast een begrip dat een tegengestelde heeft8--,hoe bedoelt gij8--,zooals daareven4 ,natuurlijk weet gij toch1 dat voor al wat het begrip drie in-beslag-neemt1 het noodzakelijk is niet alleen drie te zijn1 maar ook oneven4--,zeer zeker4--,tot zoodanig iets dan1 zal het begrip dat tegenovergesteld is aan het begrip dat dit uitwerkt1 nooit kunnen komen4--,neen1 dat kan niet4--,werkte hier niet het begrip oneven8--,ja4--,en daar ,kanttekening3 #ajd;,e staat het begrip even tegenover8--,ja4--,tot drie derhalve zal het begrip even nooit komen8--,bepaald niet4--,dus heeft drie geen deel aan het begrip even8--,neen4--,dus is het drietal onevenbaar8--,ja4--,wat ik dan zeide te willen bepalen3 wat-voor dingen een begrip1 dat een tegengestelde heeft1 niet willen aannemen1 hoewel zij daar zelf niet het tegenovergestelde van zijn1 zooals nu het drietal1 dat niet het tegenovergestelde is van het begrip even1 dat begrip desniettemin niet aanvaardt2 want altijd brengt het drietal het begrip aan1 dat tegenover het begrip even staat1 en het tweetal het begrip dat tegenover het begrip oneven staat1 en het vuur het begrip dat tegenover het begrip koud ,kanttekening3 #aje;,a staat1 en zoo zijn er zeer vele andere1444 doch zie dan toe1 of dit een afdoende bepaling is1 dat niet alleen een tegengesteld begrip door zijn tegengestelde niet wordt aangenomen1 maar dat ook door datgene dat een daaraantegen-gesteld begrip aanbrengt overal waarheen het komt1 dat door dat aanbrengende1 zeg ik1 ook nimmer het tegengestelde begrip van het aangebrachte aangenomen wordt4 ,en laat ik u nog eens herinneren2 want het kan geen kwaad het vele malen te hooren4 ,vijf zal het begrip even niet aannemen1 en tien1 zijn dubbel1 het begrip oneven niet4 ,hoewel tien nu zelf niet het tegengestelde van een ander ding is1 zal het toch het begrip oneven niet aannemen4 ,en anderhalf en de overige getallen die op een half eindigen1 ,kanttekening3 #aje;,b zullen het begrip geheel niet aannemen1 en ook een derde niet en vele dergelijke444 als gij mij tenminste volgt en het met mij eens zijt4--,ik volg u zeer wel en ben het volkomen met u eens4 --,zeg mij dan wer van-voor-af-aan444 en antwoord mij niet met de woorden van mijn vraag1 maar zooals ik u vor zal doen4 ,ik waag mij dan naast dat antwoord dat ik eerst gaf1 dat veilige antwoord van straks1 daar ik op grond van het nu beweerde een andere veiligheid zie4 ,als gij mij ,kanttekening3 #aje;,c namelijk vragen zoudt1 wat er in een lichaam moet komen1 dat het warm zal zijn1 dan zal ik u niet dat veilige ongeleerde antwoord geven3 warmte1 maar op grond van het nu besprokene een ingewikkelder antwoord3 vuur4 ,en als gij mij vraagt1 wat er in een lichaam moet komen1 dat het ziek zal zijn1 zal ik niet zeggen3 ziekte1 maar3 koorts2 en wat er bij een getal moet komen1 dat het oneven zal zijn1 niet het begrip oneven1 maar een eenheid1 en zoo voort4 ,doch zie of gij reeds voldoende weet wat ik wil4--,zeer voldoende4--,antwoord dan1 wat er in een lichaam moet komen1 ,kanttekening3 #aje;,d dat het levend zal zijn4--,ziel4--,geldt dat voor alle gevallen8--,hoe zo het niet8--,aan alles derhalve wat de ziel in-beslag-neemt1 brengt zij steeds leven aan8--,ja1 dat doet zij4--,staat er iets aan leven tegenover of niets8--,ja wel4--,wat8--,dood4--,er is dus geen kans1 dat de ziel ooit het begrip dat tegenover het begrip staat1 dat zij zelf aanbrengt1 zal aannemen1 zooals op grond van het vorige is overeengekomen8--,neen volstrekt niet1 zeide ,kebes4--,wat is dus ook datgene dat het begrip even niet aanneemt8 ,hoe noemen wij dit nu8--,oneven1 ze hij4--,en wat het begrip rechtvaardig niet aanneemt1 en ,kanttekening3 #aje;,e wat het begrip muzikaal niet aanneemt8--,onmuzikaal1 en het eerste onrechtvaardig4--,goed zoo4 ,en wat den dood niet aanneemt1 hoe noemen wij dat8--,onsterfelijk4--,neemt niet de ziel den dood niet aan8--,neen4--,dus is de ziel onsterfelijk4--,ja1 onsterfelijk4--,goed4 ,moeten wij zeggen1 dat dit dan bewezen is1 of hoe meent gij8--,volkomen voldoende bewezen1 o ,sokrates4--,hoe dan ,kanttekening3 #ajf;,a verder1 ,kebes8 ,indien het onevene noodzakelijk onvergankelijk was1 zo dan niet drie onvergankelijk zijn8--,hoe zo het niet8--,en als het on-warme noodzakelijk onvergankelijk was1 zo dan niet1 wanneer iemand warmte bij sneeuw bracht1 de sneeuw behouden en ongesmolten moeten wijken8 ,want dan zo zij niet kunnen vergaan1 en aan-den-anderen-kant zo zij ook de warmte niet dulden en aannemen4--,gij spreekt de waarheid4--,juist zoo1 meen ik1 zo1 wanneer het on-koude onvergankelijk was1 het vuur1 wanneer daar iets kouds bij kwam1 nooit uitgebluscht worden of vergaan1 maar behouden wegwijken4--,noodzakelijk1 ze hij4--,moeten wij nu niet noodzakelijk ,kanttekening3 #ajf;,b ook van het onsterfelijke zoo zeggen8 ,als het onsterfelijke ook onvergankelijk is1 dan is het onmogelijk voor de ziel1 wanneer de dood tot haar komt1 te vergaan4 ,immers op grond van het vroeger besprokene zal zij den dood niet aannemen en niet dood kunnen zijn1 evenals drie1 zeiden wij1 niet even zal zijn1 evenmin als het begrip oneven1 en evenals vuur niet koud zal zijn1 evenmin als de warmte die er in is4 ,maar wat verhindert1 zal men zeggen1 dat het onevene wel niet even wordt wanneer het begrip even er toe nadert1 zooals overeengekomen is1 maar dat het toch ,kanttekening3 #ajf;,c zelf te-niet-gaat en inplaats daarvan het evene komt8 ,tegen die bewering zouden wij niet kunnen volhouden1 dat het onevene niet vergaat2 want het onevene is niet onvergankelijk4 ,want als dit door ons overeengekomen was1 dan zouden wij gemakkelijk kunnen volhouden dat bij de nadering van het evene het onevene en het drietal wegwijken4 ,ook van vuur en warmte en van de overige dingen zouden wij dat dan kunnen volhouden4 ,of niet8--,zeer zeker4--,ook nu derhalve1 als wij omtrent onsterfelijk overeenkwamen dat het ook onvergankelijk is1 dan zal de ziel behalve onsterfelijk1 ook onvergankelijk zijn4 ,maar zoo niet1 dan ,kanttekening3 #ajf;,d zal er een nieuwe bewijsvoering noodig zijn4--,maar dat is volstrekt niet noodig1 ze ,kebes1 als het daarvan afhangt4 ,want daar zal niet-licht iets anders kunnen zijn1 dat het verderf niet aanneemt1 als het onsterfelijke1 dat dus eeuwig is1 wel verderf zal aannemen4--,van de godheid tenminste1 denk ik1 zeide ,sokrates1 en van het begrip zelf des levens en indien eenig ander ding onsterfelijk is1 zal wel door allen worden toegestemd1 dat zij nimmer vergaan4--,door alle menschen zeker1 voorwaar bij ,zeus1 zeide hij1 en nog eer1 naar ik meen1 door de goden4--,wanneer ,kanttekening3 #ajf;,e dan het onsterfelijke ook onverderfelijk is1 zal dan niet de ziel indien zij onsterfelijk is1 tevens onvergankelijk zijn8--,hoogst noodzakelijk4--,wanneer dus de dood op den mensch afkomt1 sterft1 naar het schijnt1 zijn sterfelijk deel1 maar het onsterfelijke wijkt voor den dood en gaat behouden en onverdorven van hem heen4--,dat blijkt4--,meer dan alle ding derhalve1 zeide hij1 o ,kebes1 ,kanttekening3 #ajg;,a is de ziel onsterfelijk en onvergankelijk1 en inderdaad zullen onze zielen in den ,hades bestaan4--,ik-voor-mij1 o ,sokrates1 zeide hij1 kan daar niets tegen inbrengen en in geen opzicht aan uw redeneering geloof weigeren4 ,doch indien ,simmias of iemand anders er iets tegen aan kan voeren1 is het wl dat niet te verzwijgen4 ,want ik weet niet tot welke andere gelegenheid dan die van nu iemand die omtrent de dingen van dezen aard iets wil zeggen of hooren1 het zoude kunnen uitstellen4--,voorwaar1 zeide ,simmias1 ook ik zelf kan in geen opzicht twijfelen aan het gesprokene4 ,toch1 door het groote gewicht der zaken ,kanttekening3 #ajg;,b waarover onze gesprekken gaan1 en uit geringschatting der menschelijke zwakheid1 word ik gedwongen nog twijfel te hebben bij mij-zelven omtrent het besprokene4--,dat niet alleen1 o ,simmias1 zeide ,sokrates1 maar behalve deze uwe juiste opmerking moeten ook de eerste veronderstellingen1 ook al zijn zij ons geloofwaardig1 toch nog nauwkeuriger onderzocht worden4 ,en wanneer gijlieden deze voldoende zult hebben doorzocht1 dan zult gij1 naar ik meen1 mijn betoog kunnen volgen voor-zoo-ver dat een mensch mogelijk is te doen4 ,en wanneer het betoogde zelf zekerheid zal geworden zijn1 zult gij niets verder zoeken4--,waarheid1 ze hij1 spreekt gij4 --,doch dit tenminste1 zeide hij1 o mannen1 is recht te ,kanttekening3 #ajg;,c bedenken1 dat1 indien de ziel onsterfelijk is1 zij verzorging behoeft niet voor dezen tijd alleen1 waarin duurt wat wij leven noemen1 maar voor den ganschen tijd1 en het gevaar zo nu dan ook geducht schijnen als iemand haar in 't vervolg verwaarloost4 ,want indien de dood losgemaakt-worden-van-alles was1 zo het voor de boozen een vondst zijn om na hun dood van hun lichaam en tegelijk1 met hun ziel1 van hun eigen boosheid verlost te worden2 maar nu1 daar de ziel onsterfelijk blijkt te zijn1 is er voor haar geen andere ,kanttekening3 #ajg;,d ontkomst mogelijk aan het kwade en geene redding dan om zoo goed en verstandig mogelijk te worden4 ,want in 't bezit van niets anders gaat de ziel naar ,hades' huis dan haar ontwikkeling en opvoeding2 welke dan ook1 zegt men1 den gestorvene grootelijkst helpen of schaden dadelijk bij den aanvang van zijn afreis daarheen4 ,en de overlevering is zo3 dat eenen teder na zijn dood een ieders daimoon die hem bij zijn leven onder zijn toezicht gekregen had1 halen komt naar een zeker oord waarheen zij zich moeten verzamelen om door rechtspraak geschift te worden en naar ,hades af te reizen onder geleide van dien ,kanttekening3 #ajg;,e gids aan wien het opgedragen is de menschen vanhier daarheen te voeren4 ,wanneer zij daarginds verkregen hebben wat zij verdienen te krijgen en daar getoefd hebben zoo langen tijd als dat past1 brengt een andere gids hen hierheen terug na vele lange tijdronden4 ,dus is de reis niet zooals de ,telephos van ,aischylos vertelt4 ,deze toch zegt1 ,kanttekening3 #ajh;,a dat een enkelvoudige gang voert naar de woning van ,hades1 maar zij schijnt mij noch enkelvoudig1 noch ene enkele te zijn4 ,want anders zouden er ook geen gidsen noodig zijn2 want niemand kan ergensheen den weg missen1 als er maar en weg is4 ,maar nu schijnt het1 dat de weg vele sprongen en omwegen heeft4 7,uit de hier heerschende gewijde gebruiken tegenover de schimmen maak ik op wat ik verhaal47 ,de matige en verstandige ziel dan gaat willig mede en vindt zich als voorbereid terecht in haar toestand1 maar de ziel wier begeerte aan het lichaam hangt1 waart1 ,kanttekening3 #ajh;,b wat ik al in het voorgaande zeide1 langen tijd daarom en om haar zichtbare woonplaats heen1 en wordt na veel tegen-streven en veel vernederingen met geweld en moeite door den daarme belasten daimoon weggevoerd4 ,wanneer nu op dezelfde plaats als de overige aangekomen is de ziel die niet gereinigd is en iets dergelijks bedreven heeft1 hetzij dat zij zich bevlekt heeft met onrechtvaardig vergoten bloed of eenige andere dergelijke daden gedaan heeft1 welke daarme verwant zijn of de werken zijn van verwante zielen1 dan ontvlucht elk die ziel en gaat haar uit den weg1 en niemand wil haar tochtgenoot of gids zijn1 ,kanttekening3 #ajh;,c maar zij doolt op-zich-zelf in volslagen hulpeloosheid totdat bepaalde tijden verstreken zijn1 waarna zij door de noodzakelijkheid gevoerd wordt naar de haar passende woonplaats4 ,maar de ziel die rein en gematigd haar leven heeft doorgemaakt1 treft als tochtgenooten en gidsen goden1 en gaat wonen elk in de haar passende plaats4 ,en er zijn vele wonderlijk schoone verblijven op aarde1 en de aarde zelf is noch van dien aard1 noch van die grootte als verondersteld wordt door hen die gewoon zijn over haar vertoogen te houden1 gelijk ik door zeker iemand ben overtuigd geworden4 ,kanttekening3 #ajh;,d ,en ,simmias zeide3 ,hoe bedoelt gij dat1 o ,sokrates8 ,want omtrent de aarde heb ik ook zelf vele dingen gehoord1 niet evenwel wat uwe overtuiging is4 ,gaarne zo ik die dus hooren4--,wel1 ,simmias1 het lijkt mij waarlijk niet een kunst als die van ,glaukos1 te verhalen welke die is2 te bewijzen evenwel dat zij de ware is1 komt mij moeilijk voor1 boven de kunst van ,glaukos4 ,en zoude ik misschien daartoe niet eens in-staat zijn1 zeker is tevens1 al verstond ik het1 mijn leven1 o ,simmias1 dunkt mij1 voor de lengte van het betoog niet toereikend4 ,de gedaante ,kanttekening3 #ajh;,e echter der aarde1 hoedanig die naar mijn overtuiging is1 en hare streken1 verhindert niets mij te beschrijven4--,maar ook dat1 ze ,simmias1 is voldoende4--,mijn overtuiging dan is het1 dat in de eerste plaats1 wanneer de aarde rond is en zich in het midden van den hemel bevindt1 zij ,kanttekening3 #aji;,a noch de lucht noodig heeft om niet te vallen1 noch eenigen anderen noodzakelijken steun1 maar dat toereikend is om haar op te houden de alzijdsche zelf-evenredigheid van den hemel en de evenwicht-stand der aarde zelve4 ,want een zaak in evenwicht geplaatst in het midden van iets evenredigs zal noch meer1 noch minder zich ergensheen kunnen bewegen1 maar in gelijkmatigen stand zijn en onbewogen blijven4 ,in de eerste plaats dan1 ze hij1 is dit mijn overtuiging4--,en terecht1 sprak ,simmias4--,verder dan1 ze hij1 is zij algroot1 en wij1 van de ,phasis tot aan de zuilen van ,kanttekening3 #aji;,b ,herakles1 wonen in een zeer klein gedeelte rondom onze zee als mieren of kikkers om een moeras1 en vele anderen wonen elders in vele dergelijke plaatsen4 ,want aan alle zijden om de aarde heen zijn er vele holen en allerhande1 zoowel in gedaante als in grootte1 naar welke water en lucht samenvloeien4 ,maar de aarde zelf ligt rein in een reinen hemel1 waarin de sterren zijn en welken aither noemen de meesten van hen die gewoon zijn over ,kanttekening3 #aji;,c zoodanige dingen te verhandelen4 ,van dezen aither vormen die lucht en dat water de onderlaag1 en zij vloeien voortdurend samen naar de holen der aarde4 ,wij nu bemerken niet1 dat wij in haar holen wonen1 maar meenen boven op de aarde te wonen1 evenals iemand midden op den bodem der zee wonende zo meenen aan haar oppervlakte te wonen1 en door het water heen de zon en de overige sterren ziende1 ,kanttekening3 #aji;,d zo meenen1 dat de zee de hemel was1 terwijl hij uit traagheid en krachteloosheid nooit de oppervlakte der zee zo bereikt hebben en nooit opgedoken en met zijn hoofd boven de zee hier rond-gekeken zo hebben in dit verblijf hier1 hoeveel reiner en schooner het is dan bij hem1 en het ook niet van een ander zo hebben gehoord4 ,dat-zelfde dan is ook met ons het geval2 want wij wonen in een soort holte der aarde en meenen1 dat wij bovenop haar wonen1 en wij noemen de lucht hemel1 omdat wij door haar heen de sterren ,kanttekening3 #aji;,e zien wandelen4 ,verder zijn wij uit krachteloosheid en traagheid niet in-staat ons op te werken naar de oppervlakte der lucht4 ,want indien iemand den spiegel daarvan bereiken kon of vleugels kreeg en daarheen opvloog1 dan zo hij1 bovengekomen1 evenals hier de visschen die opduiken boven de zee1 de dingen hier zien1 zoo ook de dingen daar gewaar-worden1 en indien zijn natuur dien aanblik kon ,kanttekening3 #aaj;,a verdragen1 inzien dat dat de ware hemel en het ware licht en de ware aarde is4 ,want deze aarde en hare steenen en de geheele streek hier zijn1 evenals de dingen in de zee door het zeewater1 verdorven en ingevreten1 en evenals er in de zee niets noemenwaards groeit en daar om-zoo-te-zeggen niets volkomen is1 maar enkel kuilen en zand en onoverkomelijk veel modder en slijk1 overal waar grond is1 en niets wat maar eenigszins vergelijking verdient met de schoone dingen bij ons1 zoo zouden de dingen daarginds nog veel meer de dingen hier bij ons schijnen te overtreffen4 ,kanttekening3 #aaj;,b ,want als ik u ook een sproke mag vertellen1 is het der moeite waard te hooren1 o ,simmias1 hoe de dingen op de aarde onder den hemel er uitzien4--,voorwaar1 sprak ,simmias1 o ,sokrates1 wij zullen met vreugde naar die sproke hooren4 --,er wordt dan verhaald1 zeide hij1 o mijn vriend1 in de eerste plaats dat de aarde zelf1 wanneer men haar van-boven-af beschouwt1 zoodanig is om aan te zien1 als de uit twaalf huidrepen vervaardigde ballen1 bont en met kleuren onderscheiden1 van welke de kleuren hier1 die onze ,kanttekening3 #aaj;,c schilders gebruiken1 als stalen zijn4 ,doch daarginds is de geheele aarde uit zoodanige samengesteld1 en uit kleuren nog veel schitterender en zuiverder dan deze4 ,want en deel is purperrood en wonderlijk schoon1 een tweede goud-vervig1 het derde wit1 maar witter dan gips of sneeuw1 en zoo is zij enerwijs samengesteld uit de overige kleuren en uit nog meerdere en schoonere dan wij gezien hebben4 ,want juist die holten der aarde vol water en lucht geven1 ,kanttekening3 #aaj;,d stralende in de bontheid der overige kleuren1 een wer-schijn van kleur1 zo1 dat zij over haar en aanen-gesloten bonten schijn spiegelen4 ,op die zoodanige aarde groeien de kruiden overeenkomstig1 boomen en bloemen en vruchten4 ,en ook de bergen enerwijs1 en de steenen hebben naar dezelfde overeenkomst gladheid en doorschijnendheid en kleuren schooner4 ,daarvan zijn ook die zoo geschatte steenen hier brokjes1 sardion en iaspis en smaragd en dergelijke4 ,doch dar is niets dat niet zoodanig is of nog ,kanttekening3 #aaj;,e schooner dan deze4 ,de reden daarvan is1 dat die steenen daar zuiver zijn en niet ingevreten en verdorven als de steenen hier zijn door rotting en vuil1 door het bezinksel dat hier samenstroomt1 en dat steenen zoowel als aarde en den levenden wezens en planten mismaaktheid en ziekte toebrengt4 ,de aarde zelf nu is behalve met al deze dingen1 verder nog gesierd met goud en zilver en de overige dergelijke4 ,kanttekening3 #aaa;,a ,want die zijn daar open en bloot1 veel in menigte en groot en op vele plaatsen op de aarde1 zoodat haar te zien een schouwspel is voor gelukzalige toeschouwers4 ,en zoowel vele andere levende wezen zijn op haar als ook menschen1 sommigen in het binnenland wonend1 anderen om de lucht heen1 zooals wij om de zee1 anderen wer op eilanden1 welke de lucht omvloeit1 vlak bij het vasteland1 en in-en-woord1 wat bij ons het water en de zee is voor onze behoeften1 dat is daar de lucht1 en wat voor ons de ,kanttekening3 #aaa;,b lucht is1 is voor hen de aither4 ,en hare getijden zijn zoo getemperd1 dat die-daar zonder ziekten zijn en veel langeren tijd leven dan de menschen hier1 en in gezicht en gehoor en reuk en alle dergelijke zijn zij van ons verscheiden in dezelfde mate als lucht van water en aither van lucht in reinheid verschilt4 ,ook hebben zij tempelhoven en heiligdommen der goden1 in welke in werkelijkheid de goden inwoners zijn1 en stemmen en waarzeggingen en ,kanttekening3 #aaa;,c verschijningen der goden en zoodanigen omgang met hen1 van aangezicht tot aangezicht4 ,en de zon en de maan en de sterren worden door hen gezien zooals zij werkelijk zijn1 en hun verdere gelukzaligheid is daarbij aansluitend4 ,met de aarde als geheel dan nu en de dingen die om haar zijn1 staat het zoo geschapen4 ,doch de streken in haar naar hare uithollingen zijn vele in een kring om haar heen1 sommige dieper en uitgestrekter dan die waarin wij wonen1 andere zijn dieper1 maar hebben smallere gaping1 ,kanttekening3 #aaa;,d andere ook zijn korter van diepte dan deze hier en vlakker4 ,deze alle zijn in vele richtingen onder de aarde met elkander verbonden langs engere en wijdere kanalen1 en hebben verlaten waardoor veel water stroomt van de ene in de andere als in mengvaten1 en onmetelijk groote eeuwigstroomende rivieren onder de aarde van warm en van koud water1 en veel vuur en groote vuurrivieren1 en vele stroomen van vloeibaar slijk met kleiner en grooter ,kanttekening3 #aaa;,e moddergehalte1 evenals in ,sikelia de modderrivieren vor de uitbarsting en de uitbarsting zelf4 ,dat alles wordt op-en-ner bewogen door een soort schommelwerking die zich in de aarde bevindt1 en deze schommelbeweging heeft plaats door de volgende natuurlijke oorzaak4 ,en der holen in de aarde is zoowel overigens het grootste als ook door de geheele aarde heen geboord1 dat waarvan ,homeros spreekt1 ,kanttekening3 #aab;,a als hij zegt3 ,zeer ver weg waar diep onder de aard de geweldigste kloof is2 dat ook elders zoowel hij als vele andere der dichters den ,tartaros noemen4 ,naar deze holte namelijk stroomen al de rivieren samen en wer daaruit weg4 ,en alle nemen de geaardheid aan van de grondlaag waardoor zij stroomen4 ,de reden nu1 dat daar uit- en invloeien al de stroomen1 is ,kanttekening3 #aab;,b dat dat vochtige geen bodem of grondslag heeft4 ,het zweeft dan en golft op-en-ner1 en de lucht en de adem die er omheen is1 doet hetzelfde4 ,want die gaat mede1 zoowel wanneer het naar gene als naar deze zijde van de aarde zich beweegt1 en evenals bij ademhalenden voortdurend de adem blazend uit- en opgesnoven wordt1 zoo veroorzaakt ook daar de adem die met het vochtige medevaart1 verschrikkelijke en geweldige stormen bij zijn in- en uitgaan4 ,wanneer nu het water naar de zoogenaamde beneden-gelegen plaats terugwijkt1 vloeit het door de aarde binnen langs de genoemde beddingen en vult die als met pompen4 ,en wanneer het wer vandaar wegloopt en hierheen trekt1 vult het wer het stroomgebied hier1 en als ,kanttekening3 #aab;,c dat vol is1 stroomt het uit door de kanalen en door de aarde en wanneer elk der stroomen bereikt de bepaalde plaats waarheen zij reizen1 vormen zij zeen en meren en rivieren en bronnen4 ,en vanhier duiken zij wer onder de aarde1 ,kanttekening3 #aab;,d deels langs langere en meerdere omwegen1 deels langs weinigere en kortere1 en storten zich wer in den ,tartaros1 deels veel lager dan zij zijn uitgepompt1 deels weinig lager4 ,maar alle stroomen lager in dan de plaats van uitvloeiing4 ,en sommige stroomen vlak tegenover de plaats waar zij binnen uitgestroomd waren1 en andere omtrent hetzelfde gedeelte4 ,enkele ook gaan geheel rond in een kring1 hetzij ens1 hetzij meermalen zich kronkelend om de aarde als de slangen en vallen zooveel mogelijk naar onder afgedaald ,kanttekening3 #aab;,e binnen4 ,en mogelijk is het van werskanten te dalen tot het middelpunt1 maar verder niet4 ,want verder wordt voor beiderlei stroomen het aan werskanten gelegen deel weder opgaand4 ,terwijl nu de overige stroomen vele en groote en allerhande zijn1 bevinden zich onder die vele voornamelijk vier1 van welke de grootste en die 't meest aan den buitenkant in een kring rond-stroomt1 de zoogenaamde ,okeanos is2 en daar vlak tegenover is in tegengestelde richting stroomende ,kanttekening3 #aac;,a de ,acheroon1 welke zoowel door andere woeste streken stroomt als ook onder de aarde vloeiende uitloopt in het ,acheroesische meer1 waarheen de zielen der meeste afgestorvenen komen en daar zekere gezette tijden1 de ene langer1 de andere korter1 verblijven1 en dan weder uitgezonden worden tot de geboorten der levende wezens4 ,tusschen deze twee in ontspringt de derde en stort zich dicht bij zijn oorsprong in een uitgestrekt gebied1 dat van veel vuur brandt1 en vormt daar een meer grooter dan bij ons de zee1 ziedend van water en slijk2 vandaar loopt ,kanttekening3 #aac;,b hij rond in een kring1 troebel en modderig1 en zich kronkelend om de aarde1 komt hij onder meer ook langs de zoomen van het ,acheroesische meer1 doch zonder zich met het water daarvan te vermengen2 en na zich vele malen onder de aarde te hebben rondgewenteld1 ontlast hij zich in de diepere deelen van den ,tartaros4 ,deze is het1 dien zij den ,pyriflegethoon noemen1 uit welken ook de lava-uitbarstingen overal waar zij op aarde voorkomen1 fragmenten omhoog spuwen4 ,aan dezen tegenover ontspringt de vierde1 eerst in een verschrikkelijke en woeste streek1 zooals verhaald wordt1 en die geheel de kleur heeft van ,kanttekening3 #aac;,c kyaansteen1 welke men de ,stygische heet1 en het meer1 dat de rivier vormt door er zich in uit te storten1 de ,styx4 ,na zich hierin gestort te hebben en geweldige kracht in het water verkregen te hebben1 duikt de rivier onder de aarde en loopt kronkelend tegenovergesteld aan den ,pyriflegethoon en ontmoet dien van tegenover bij het ,acheroesische meer2 doch ook haar water vermengt zich niet met eenig ander1 maar ook zij gaat in een kring om en loopt uit in den ,tartaros tegenover den ,pyriflegethoon4 ,en haar naam is1 zooals de dichters zeggen1 ,kokytos4 ,kanttekening3 #aac;,d ,met deze dan staat het zoo geschapen2 en wanneer nu de afgestorvenen de plaats bereikt hebben waarheen elk zijn daimoon brengt1 worden eerst bij rechtspraak geschift zij die op schoone en heilige wijze geleefd1 en zij die dat niet hebben4 ,en die bevonden worden middelsoortig geleefd te hebben1 trekken naar den ,acheroon en bestijgen daar de vaartuigen die voor hen bestemd zijn1 en bereiken daarop het meer1 en daar wonen zij en door zich te heiligen en voor hun misslagen straffen te ondergaan1 reinigen zij zich van wat een ieder heeft misdreven1 en voor hun goede daden behalen zij loon1 elk naar zijn verdiensten4 ,kanttekening3 #aac;,e ,maar die geoordeeld worden ongeneeslijk te zijn door de grootte hunner misdrijven1 hetzij zij vele groote tempel-rooven of vele ongerechtigde wettenschennende moorden hebben gepleegd of zooveel andere dergelijke misdaden er zijn1 dezen werpt het hun toekomend lot in den ,tartaros1 waar zij nooit meer uitkomen4 ,doch die geoordeeld worden wel geneeselijke1 maar toch groote misdaden begaan te hebben1 doordat zij bij-voorbeeld geweld gepleegd hebben in drift tegen vader of moeder1 en daar in hun verder ,kanttekening3 #aad;,a leven berouw over hebben gehad1 of die op eenige andere zoodanige wijze doodslagers zijn geworden1 die moeten wel noodzakelijk in den ,tartaros geworpen worden1 doch wanneer zij daar eenmaal ingeworpen zijn en daar een jaar geweest zijn1 werpt de stroom hen wer uit1 de doodslagers langs den ,kokytos1 en die zich aan vader of moeder vergrepen hebben1 langs den ,pyriflegethoon4 ,wanneer zij nu drijvende gekomen zijn op de hoogte van het ,acheroesische meer1 roepen zij daar luide1 de enen hen die zij gedood1 en de anderen hen aan wie zij geweld gepleegd hebben2 en als zij hen tot zich hebben geroepen1 bidden en ,kanttekening3 #aad;,b smeeken zij hun1 dat zij hun toelaten uit te stijgen in het meer en hen opnemen4 ,en wanneer zij hen overreden1 stijgen zij uit en komen van hun ellende af4 ,doch zooniet1 dan worden zij wer teruggevoerd naar den ,tartaros en vandaar wer in de rivieren en zij houden niet eerder op dit te ondergaan1 vor zij overreed hebben hen die zij hebben verongelijkt4 ,want deze straf is hun door de rechters opgelegd4 ,doch die geoordeeld worden bizonder heilig te hebben geleefd1 dat zijn degenen1 die uit deze plaatsen in de aarde bevrijd en verlost worden als uit gevangenissen1 ,kanttekening3 #aad;,c en die boven hunne reine woning bereiken en zich boven op de aarde vestigen4 ,en onder dezen-zelven leven zij die zich door wijsbegeerte genoegzaam gereinigd hebben1 voor heel den toekomenden tijd zonder lichamen1 en zij komen in nog schoonere woningen dan die der anderen1 welke het noch gemakkelijk is te beschrijven1 noch is de tijd voor 't oogenblik toereikend4 ,doch op grond van de zaken die wij samen besproken hebben1 o ,simmias1 behooren wij alles in te spannen om aan deugd en verstandelijk inzicht in ons leven deel te krijgen4 ,want schoon is de prijs en de verwachting groot4 ,kanttekening3 #aad;,d ,om nu van deze dingen te willen volhouden1 dat zij juist zoo zijn1 als ik heb uiteengezet1 past een verstandig man niet2 dat evenwel f deze dingen de waarheid zijn f iets dergelijks met betrekking tot onze zielen en hare woonplaatsen1 aangezien de ziel onsterfelijk blijkt te zijn1 dt te verzekeren lijkt mij wel passend en de moeite waard voor iemand die meent dat het zoo is1 het erop te wagen2 want schoon is de kans4 ,en men behoort zich-zelf deze dingen als een bezwering toe te zingen2 waarom ik dan ook al-lang de sproke rek4 ,maar op deze gronden behoort goedsmoeds te zijn betreffende zijn eigen ziel een man die in zijn leven ,kanttekening3 #aad;,e de overige lusten die met het lichaam te maken hebben1 en den tooi van dat lichaam heeft laten varen als hem vreemd1 en in de meening dat die meer kwaad dan goed doen1 maar met de lusten die uitgaan naar kennis1 ernst heeft gemaakt en zijn ziel heeft getooid niet met vreemden1 maar met den haar eigen tooi1 bezadigdheid en rechtvaardigheid en manmoedigheid en vrijheid en waarheid1 en die ,kanttekening3 #aae;,a zoo de reis naar ,hades afwacht1 gereed die te aanvaarden wanneer het noodlot roept4 ,gijlieden nu1 zeide hij1 o ,simmias en ,kebes en gij overigen1 zult een ander keer elk op den bepaalden tijd die reis ondernemen2 doch mij roept nu reeds1 zo een tragedie-dichter zeggen1 het noodlot1 en het is vrij-wel tijd voor mij om tot het bad over te gaan2 want het dunkt mij beter een bad te nemen vor ik het gif drink1 en den vrouwen niet den last te bezorgen een lijk te wasschen4 ,kanttekening3 #aae;,b ,nadat hij dit gesproken had1 zeide ,kritoon3 ,goed1 o ,sokrates4 ,maar wat draagt gij aan dezen of aan mij op1 hetzij betreffende uwe kinderen1 hetzij betreffende eenig ander ding1 met de uitvoering waarvan wij u meest genoegen zouden kunnen doen8--,hetzelfde wat ik altijd zeg1 zeide hij1 o ,kritoon1 en niets nieuws3 dat gijlieden door voor u-zelven zorg te dragen zoowel aan mij en de mijnen als aan u-zelven den grootsten dienst zult doen1 wt gij ook moogt doen1 ook al belooft gij dit nu niet2 doch als gij u-zelven verwaarloost en niet1 als langs voetsporen1 wilt leven volgens het nu en het in vroeger tijd ,kanttekening3 #aae;,c besprokene1 zult gij1 ook al belooft gij op het oogenblik veel en met klem1 niets kunnen uitrichten4--,dat zullen wij ons dan beijveren1 zeide hij1 zoo te doen4 ,doch op welke wijze zullen wij u begraven8--,zooals gij wilt1 zeide hij1 indien gij mij tenminste vat en ik u niet ontga4--,en kalm lachend keek hij terzijde naar ons en sprak3 ,ik kan ,kritoon1 o mannen1 niet overtuigen dat mijn werkelijk ik die ,sokrates is1 die nu met u spreekt en elk deel zijner redeneering op zijn plaats schikt1 maar hij meent1 dat ik die ,kanttekening3 #aae;,d andere ,sokrates ben1 dien hij straks als lijk zal zien1 en hij vraagt daarom hoe hij mij begraven moet4 ,maar dat ik een heelen tijd een lang betoog gehouden heb1 dat ik1 wanneer ik het vergif gedronken zal hebben1 niet meer bij ulieden blijven zal1 maar weg zal gaan naar eenig gelukkig verblijf der zaligen1 dt meent hij dat ik maar voor de leus beweer1 om u en mij tegelijk te paaien4 ,weest dus borg voor mij bij ,kritoon1 zeide hij1 met de tegenovergestelde borgstelling als welke hij bij mijne rechters stelde4 ,hij toch was borg dat ik blijven zoude1 maar weest gij borgen1 dat ,kanttekening3 #aae;,e ik1 wanneer ik gestorven zal zijn1 niet blijven zal1 maar heen zal gaan1 opdat ,kritoon het getrooster drage1 en niet1 wanneer hij mijn lijk ziet verbranden of begraven1 bedroefd zij om mij alsof ik iets vreeselijks onderging1 en niet zegge bij mijne begrafenis dat hij ,sokrates ten-toon-stelt of uitdraagt of in de aarde delft4 ,want weet wel1 ze hij1 o beste ,kritoon1 dat zich verkeerd uitdrukken niet alleen op-zich-zelf een wanklank is1 maar ook schade uitwerkt in de ziel4 ,doch gij behoort n te vertrouwen n te zeggen1 ,kanttekening3 #aaf;,a dat gij mijn lijk begraaft1 en begraaf het zooals het u lief moge zijn en zooals gij meenen moogt dat tevens meest naar gebruik is4 ,na zoo gesproken te hebben1 stond hij op en ging een kamer binnen om te baden1 en ,kritoon ging met hem mede1 doch ons verzocht hij te wachten4 ,wij wachtten dus terwijl wij met elkander praatten over het gesprokene en dat nog eens beschouwden1 en dan-wer gingen wij na hoe groote ramp ons overkomen was1 daar wij geheel-en-al het gevoel hadden1 dat wij van een vader stonden beroofd te worden en ons verdere leven als weezen zouden doorbrengen4 ,nadat hij zich nu gebaad had en zijne kinderen bij ,kanttekening3 #aaf;,b hem gebracht waren--hij had namelijk twee kleine zoons en en volwassenen--1 en de vrouwen van zijn familie gekomen waren1 sprak hij met dezen in tegenwoordigheid van ,kritoon en droeg hun sommige dingen op1 die hij wenschte1 en beval toen den vrouwen en kinderen heen te gaan en kwam tot ons4 ,en het was reeds dicht bij zonsondergang4 ,want langen tijd had hij binnen doorgebracht4 ,hij kwam dan en zette zich frischgebaad neder1 en hij had daarna nog niet veel gesproken1 toen de dienaar der elfmannen ,kanttekening3 #aaf;,c kwam en op hem toetrad en zeide3 o ,sokrates1 van u zal ik niet de gedachte hebben als van de anderen1 dat zij vertoornd op mij zijn en mij vloeken1 wanneer ik hun aankondig het vergif te drinken bij dwang der overheden4 ,want u heb ik ook overigens in dezen tijd leeren kennen als den edelsten en zachtmoedigsten en besten man van die hier ooit gekomen zijn1 en ook nu weet ik1 dat gij niet vertoornd op mij zijt 7want gij weet wie oorzaak zijn71 maar op hen4 ,nu1 gij weet immers met welke boodschap ik kom1--vaarwel ,kanttekening3 #aaf;,d en tracht het noodzakelijke zoo gelaten mogelijk te dragen4--,en al weenende wendde hij zich af en ging weg4 ,en ,sokrates keek op naar hem en zeide3 ,vaar ook gij wel1 en wij zullen dat doen4--,en tegelijk zeide hij tot ons3 ,hoe welgemanierd is die man4 ,ook al den tijd dat ik hier was1 bezocht hij mij en praatte nu-en-dan met mij en was allervriendelijkst1 en nu1 hoe edel van hem om mij te beweenen4 ,maar welaan1 o ,kritoon1 laten wij zijn verlangen doen1 en laat iemand het gif halen1 als het bereid is2 en indien niet1 laat dan de man het bereiden4--,en ,kanttekening3 #aaf;,e ,kritoon zeide3 ,doch ik meen1 o ,sokrates1 dat de zon nog op de bergen is en nog niet onder4 ,bovendien weet ik1 dat ook anderen zeer laat nadat het hun bevolen is1 het gif nemen1 na eerst rijkelijk gegeten en gedronken te hebben en enkelen zelfs na liefdegemeenschap met wie zij op dat oogenblik begeeren4 ,doch maak volstrekt geen haast2 want het is nog tijd4--,en ,sokrates sprak3 ,natuurlijk is het1 o ,kritoon1 dat die anderen1 welke gij noemt1 dat doen2 want zij denken daarme winst te behalen2 en ook natuurlijk is ,kanttekening3 #aag;,a het dat ik dat niet zal doen2 want ik denk door een weinig later te drinken niets anders te winnen1 dan dat ik mij-zelf belachelijk maak door gierig te hangen aan het leven en te willen sparen waar niets meer is4 ,doch welaan1 zeide hij1 doe mijn zin en niet anders4 ,en ,kritoon1 na dit gehoord te hebben1 wenkte den naast-bij staanden slaaf1 en de slaaf ging naar buiten en bleef geruimen tijd weg en kwam terug met den man die het gif zo toedienen1 en die dat in een beker gekruid me-bracht4 ,toen ,sokrates den mensch zag1 zeide hij3 ,wel1 mijn beste 7gij immers hebt van deze dingen verstand71 wat moet ik doen8--,niets anders1 zeide hij1 dan na het drinken ,kanttekening3 #aag;,b rondwandelen1 totdat gij een gevoel van zwaarte in uw beenen krijgt1 en dan u nederleggen4 ,en zoo zal het gif zelf de rest doen4--,tegelijk reikte hij ,sokrates den beker4 ,en deze nam hem aan en zeer blijmoedig1 o ,echekrates1 zonder eenigszins te beven of van kleur of gelaatsuitdrukking te veranderen1 maar den mensch met strak-open oogen aanziende1 zooals hij dat gewoon was1 vroeg hij3 ,wat denkt gij van dezen drank1 is het geoorloofd daarvan aan iemand te plengen of niet8--,zooveel1 ze hij1 o ,sokrates1 mengen wij als wij meenen dat voldoende is tot drinken4--,juist1 ,kanttekening3 #aag;,c zeide hij4 ,maar allicht is het geoorloofd1 en ook passend1 tot de goden te bidden1 dat de verhuizing van hier eene gelukkige moge zijn4 ,dit doe ik dan ook1 en moge het zoo geschieden4 ,dadelijk na deze woorden bracht hij den beker aan zijn mond en dronk hem vlug en rustig leg4 ,en de meesten van ons waren zoolang vrij-wel in-staat onze tranen in te houden1 maar toen wij zagen dat hij dronk en gedronken had1 niet meer1 maar bij mij vloeiden de tranen met geweld in stroomen1 zoodat ik mij omhulde en mij-zelven beweende2 want over hem weende ik niet1 ,kanttekening3 #aag;,d maar om mijn eigen lot1 van welk een vriend ik beroofd was4 ,kritoon was nog eer dan ik uit den kring opgestaan1 omdat hij niet in-staat was zijn tranen te bedwingen4 ,en ,apollodoros1 die ook al vroeger niet ophield te weenen1 brak toen in luide jammerklachten los en ontstelde elk der aanwezigen1 behalve ,sokrates zelven4 ,doch deze zeide3 ,wat-voor dingen doet gij nu1 mijn bewonderenswaardigen6 ,ik echter heb boven-al om die reden de vrouwen weggezonden1 opdat zij met zulke dingen niet storen zouden4 ,want ik heb ,kanttekening3 #aag;,e gehoord1 dat men in heilige stilte behoort te sterven4 ,doch houdt u rustig en kloek6--,en wij op het hooren hiervan1 schaamden ons en lieten af van weenen4 ,hij wandelde eerst rond1 en nadat1 zooals hij zeide1 zijn beenen zwaar werden1 legde hij zich achterover neder4 ,want zoo verzocht hem de slaaf4 ,en deze1 dezelfde die hem het gif had toegediend1 onderzocht tegelijk van-tijd-tot-tijd zijn voeten en beenen1 door die te betasten1 en daarop kneep hij hem sterk in den enen voet en vraagde of hij het voelde4 ,sokrates zeide van-niet4 ,en daarna kneep hij in de scheenbeenen1 en zoo ,kanttekening3 #aah;,a omhooggaande1 liet hij ons zien1 dat hij langzamerhand koud en stijf werd4 ,ook ,sokrates zelf betastte zich en zeide1 dat1 wanneer het zijn hart zo bereiken1 hij dan zo heengaan4 ,reeds begonnen ongeveer de deelen van 't onderlijf koud te worden1 toen hij zijn gelaat onthulde--want hij had zich omhuld--1 en het laatste woord zeide1 dat hij gesproken heeft3 o ,kritoon1 wij zijn ,asklepios een haan schuldig4 ,geef hem dien en vergeet het niet4--,dat zal geschieden1 zeide ,kritoon4 ,maar bedenk of gij nog iets anders te zeggen hebt4--,op deze vraag van ,kritoon antwoordde hij niet meer1 maar kort daarop kreeg hij een lichten schok1 en de mensch onthulde hem1 en zijn oogen stonden star4 ,toen ,kritoon dat zag1 drukte hij hem mond en oogen toe4 ,dit was het einde voor ons1 o ,echekrates1 van onzen vriend1 een man1 zooals wij zouden zeggen1 van zijn tijdgenooten die wij leerden kennen1 den besten1 en ook overigens den wijsten en rechtvaardigsten4 ,,aanteekeningen #fj;,d4 ,euenos4 ,sofist en dichter1 afkomstig van het eiland ,paros4 ,ook elders vermeldt ,platoon hem 7,ap4 #bj;,b1 ,phaidros #bfg;,a71 met dezelfde goedmoedige ironie als hier4 #hi;,c4 ,argeiers4 ,toen de ,argeiers in #eej hun zuidelijk grensgebied met de stad ,thureai aan de ,lakedaimonirs verloren1 verboden zij bij wet hun mannen lang haar1 en hun vrouwen gouden sieraden te dragen zoolang die stad niet heroverd zo zijn4 ,zie ,herodotos ,i #hb4 ,iolaos4 ,neef van ,herakles en diens wagenmenner en trouwe metgezel4 ,toen ,herakles bij zijn strijd met de ,hydra door een reusachtige zeekrabbe werd aangevallen1 riep hij de hulp van ,iolaos in4 ,zie ,platoons ,euthydemos #big;,c4 #ij;,c4 ,euripos4 ,de om haar onstuimigheid bekende enge zeestraat tusschen ,boiotia en het eiland ,euboia op de hoogte der steden ,chalkis en ,aulis4 #ie;,a4 ,harmonia de ,thebaansche4 ,gemalin van ,kadmos den ,phoinikir1 den mythischen stichter van ,thebai4 #ig;,c4 ,anaxagoras4 ,uit ,klazomenai in ,lydia4 #ejj-dbh4 ,beroemd leerling der ,ionische natuurphilosofen4 ,hij vestigde zich te ,athenai en werd bevriend met den kring van ,perikles4 ,om zijn athestische stellingen werd hij1 evenals later ,sokrates1 van asebeia0 beschuldigd en ontkwam alleen door ,perikles' invloed aan de doodstraf4 ,hij stierf te ,lampsakos4 ,van zijn hoofdwerk ,over de natuur0 bestaan nog slechts fragmenten4 #ajh;,d4 ,glaukos4 ,waarschijnlijk wordt gedoeld op ,glaukos van ,chios1 den uitvinder van het soldeeren van ijzer4 ,zie ,herodotos ,i #be4 #aah;,a4 ,wij zijn ,asklepios een haan schuldig4 ,het gewone offer aan den god der geneeskunde1 wanneer men van een ziekte is hersteld4 ,colofon ,duidelijke zetfouten in de originele tekst zijn verbeterd4 ,wisselende spelling is gecorrigeerd4 ,noten in de marges1 verwijzend naar de oorspronkelijke ,griekse tekst1 zijn genoteerd als bijvoorbeeld ,kanttekening3 #gg;,a4 ,daarnaast is aangepast3 ,pagina ,origineel ,aangepast ---------------------------------------- ------ #e ,,apollodoras ,,apollodoros #ad bovenal boven-al #ad daarstraks daar-straks #af allang al-lang #bj allang al-lang #bb ten-minst tenminste #be voorzoover voor-zoo-ver #bf wordingsovergang wordings-overgang #bf wordingsovergangen wordings-overgangen #bh methematische mathematische #cj daarstraks daar-straks #cf ons-zelven onszelven #da een een een #db voorzoover voor-zoo-ver #dc zonderdat zonder dat #fj mijzelf mij-zelf #fa mijzelf mij-zelf #ff mijzelf mij-zelf #hh zoo-lang zoolang