,,de ,,republiek ,,van ,,plato4 ,,de ,,republiek ,,van ,,plato1 ,,in ,,het ,,nederduitsch ,,overgebragt ,,door ,dr4 ,d4 ,,burger1 ,,jr4 ,illustration ,,amsterdam1 ,p4 ,n4 ,,van ,,kampen4 #ahdi4 ,,voorberigt4 ,door den ,heer ,,van ,,kampen uitgenoodigd1 om na het vertalen van den ,phaedo en den ,theaetetus1 mijne krachten tot de overbrenging van ,plato's ,republiek in te spannen1 deinsde ik in den beginne voor dien arbeid terug4 ,eindelijk echter heeft mijne genegenheid voor dat boek1 hetwelk op mijn eigen ontwikkeling een grooten invloed heeft uitgeoefend1 en de overweging1 dat ,,plato uit geen zijner schriften beter kan gekend worden1 mij doen besluiten het werk op mij te nemen1 vooral1 daar het tegenwoordig welligt meer dan vroeger als heilzaam kan beschouwd worden1 ,plato's ,republiek toegankelijk te maken4 ,een paar plaatsen heb ik eenigzins bekort4 ,die het oorspronkelijke niet kennen1 zullen er niets door missen2 en de literatoren1 die mijne vertaling misschien in handen nemen1 zullen mij1 hoop ik1 gelijk geven4 ,ik heb weinig aanteekeningen bij den text gevoegd4 ,plato's ,republiek is voor den vertaler moeijelijk1 maar na de vertaling blijft er weinig over1 dat nog eene opzettelijke verklaring noodig heeft4 ,daarenboven was veel van hetgeen nog opheldering zou behoeven1 door mij reeds vroeger behandeld4 ,in zulke gevallen heb ik mij vergenoegd derwaarts te verwijzen4 ,hiermede geef ik mijn werk aan mijne lezers over1 in de hoop dat zij na de lezing mij de getuigenis zullen geven1 dat ik niet vruchteloos gearbeid heb4 ,,inhoud4 ,,inleiding4 ,,eerste ,,boek4 ,i4 ,socrates1 met ,glauco naar den ,pirus gegaan zijnde1 wordt door ,polemarchus den zoon van ,cephalus te gast genoodigd4 ,,ii4 ,hij vindt ,cephalus aan het verrigten van huisselijke ,godsdienst en raakt met hem aan het spreken over den ouderdom4 ,,iii4 ,cephalus verklaart1 dat de ouderdom voor een redelijk mensch heel goed te verdragen is4 ,,iv4 ,maar geeft toe1 dat rijkdom dit veel gemakkelijker maakt4 ,v4 ,en vooral dienstig is1 om vr den dood gepleegd onregt te vergoeden4 ,socrates neemt hieruit aanleiding tot het opperen der vraag1 wat regtvaardigheid is4 ,cephalus echter verwijdert zich1 en ,polemarchus zet het gesprek voort4 ,,vi4 ,polemarchus verdedigt hierop de bepaling van ,simonides3 dat het regtvaardig is ieder te geven wat men hem verschuldigd is1 en legt dit z uit3 zijne vrienden goed en zijne vijanden kwaad te doen4 ,,vii4 ,socrates leidt daaruit de bepaling af3 de regtvaardigheid is ieder te geven1 wat hem toekomt1 maar bewijst1 dat die bepaling verkeerd is1 omdat in ieder bepaald vak niet de regtvaardigheid1 maar de ne of andere bepaalde kennis ons leert te geven wat onzen metgezel toekomt1 en dus de regtvaardigheid zich dan alleen in het bewaren zou vertoonen4 ,,viii4 ,ja1 zelfs zou men kunnen bewijzen1 dat zij dan even goed op het stelen betrekking had4 ,ook is het verkeerd te zeggen1 dat zijne vrienden goed1 zijne vijanden kwaad te doen regtvaardig is1 daar dikwijls vrienden en vijanden heel anders zijn dan zij schijnen4 ,,ix4 ,ook is het ondenkbaar1 dat eene goede eigenschap1 zoo als de regtvaardigheid1 het doen van kwaad zou wettigen4 ,dus is de voorgestelde bepaling der regtvaardigheid verwerpelijk4 ,x4 ,thrasymachus mengt zich hierop in het gesprek1 beschuldigt hen van dwaasheid4 ,,xi4 ,en geeft te kennen1 dat hij het beter weet1 waarop hij wordt uitgenoodigd het te zeggen4 ,,xii4 ,hij zegt3 dat het regtvaardige dat is1 wat nuttig is voor den sterksten1 dat is voor de bestaande regering4 ,,xiii4 ,en dat het voor de onderdanen regtvaardig is te doen1 wat de overheid beveelt4 ,socrates toont aan1 dat deze bepalingen in strijd zijn1 zoodra men aanneemt1 dat de overheid zich somtijds ten opzigte van het nuttige kan vergissen4 ,,xiv4 ,thrasymachus antwoordt1 dat de overheid als overheid onfeilbaar is4 ,,xv4 ,socrates beredeneert nu1 dat iedere kunst1 dus ook die van regeren1 niet het nut van hem1 die haar uitoefent1 maar van haar voorwerp beoogt4 ,,xvi4 ,thrasymachus bestrijdt dit uit de ondervinding en toont aan1 dat overheden1 vooral tirannen1 wel degelijk hun eigen nut zoeken1 en dat overal het voordeel aan den kant van den onregtvaardigen is1 en de regtvaardigen het voordeel van anderen bevorderen4 ,,xvii4 ,socrates echter toont aan1 dat hier de overheid niet zoo als zij wezen moest genomen wordt1 want dat de wezenlijke overheid slechts het heil der onderdanen beoogt4 ,,xviii4 ,en dat het voordeel1 dat de kunstenaar zelf van zijne kunst trekt1 eene bijkomende zaak is1 die niet in de kunst zelve ligt2 waarom ook alle overheden loon vorderen4 ,,xix4 ,en als de overheid niet betaald wordt1 nemen goede menschen zulke posten slechts waar1 om kwaad te verhoeden4 ,ook is het een leugen1 dat de onregtvaardigheid gelukkiger maakt dan de regtvaardigheid4 ,,xx4 ,thrasymachus houdt dit echter vol en noemt de onregtvaardigheid wijsheid en de regtvaardigheid domheid4 ,,xxi4 ,waarop ,socrates aantoont1 dat overal het onbepaalde streven naar meer1 dat den onregtvaardigen kenmerkt1 een teeken van domheid1 en het houden van de juiste maat een teeken van wijsheid is4 ,,xxii4 ,ook is de onregtvaardigheid niet sterk1 want zij maakt overal tweedragt4 ,,xxiii4 ,en verlamt dus alle werkzaamheid4 ,,xxiv4 ,daar verder niets zijn werk goed kan doen1 als het zijne deugd mist1 kan ook de ziel haar werk niet goed doen1 als zij niet regtvaardig is4 ,,tweede ,,boek4 ,i4 ,glauco oppert het bezwaar1 dat gewoonlijk de regtvaardigheid beschouwd wordt als nut aanbrengend1 maar op zich zelve lastig4 ,,ii4 ,hij wil dus weten1 wat de regtvaardigheid zelve is1 zonder op bijkomende omstandigheden te letten4 ,daarom zal hij de regtvaardigheid bestrijden en ,socrates haar verdedigen4 ,vooreerst zegt hij1 dat de regtvaarheid niets is dan eene uit zwakheid aangegane overeenkomst1 om elkander geen kwaad te doen4 ,,iii4 ,verder vindt ieder de onregtvaardigheid eigenlijk beter dan de regtvaardigheid1 want niemand zou regtvaardig blijven1 als hij ongestraft onregtvaardig kon wezen4 ,,iv4 ,om ze nu goed te kunnen beoordeelen1 moet de regtvaardige zoowel als de onregtvaardige als volmaakt beschouwd worden1 en dus ook de eerste onregtvaardig1 de tweede regtvaardig schijnen4 ,v4 ,waarvan het gevolg zal zijn1 dat de regtvaardige vervolgd1 en de onregtvaardige vereerd wordt4 ,,vi4 ,adimantus voegt hier nog bij1 dat allen1 die de regtvaardigheid prijzen1 dit slechts om de gevolgen doen4 ,,vii4 ,ja1 dat voorspoedige onregtvaardigen algemeen geerd worden1 en zelfs1 volgens het algemeene gevoelen1 door plegtigheden en offers de goden kunnen omkoopen4 ,,viii4 ,deze leer heeft den verderfelijksten invloed op de zedelijkheid4 ,,ix4 ,hiertegen kan niets helpen dan de ontwikkeling van de eigenaardige kracht der regtvaardigheid en onregtvaardigheid4 ,x4 ,om de bepaling der regtvaardigheid te vinden1 besluit ,socrates haar in eenen staat op te sporen4 ,,xi4 ,een staat komt voort uit behoefte aan wederzijdsche hulp4 ,de onmisbaarste burgers zijn boeren1 handwerkslieden en kooplieden4 ,,xii4 ,ook zijn er eene markt1 kramers en daglooners noodig4 ,,xiii4 ,spoedig komt ook de weelde binnen en vermeerdert de behoeften en de beroepen4 ,,xiv4 ,hiervoor is een grooter gebied noodig1 en door dat streven naar uitbreiding ontstaat oorlog1 die dan weer wachters noodig maakt2 want n mensch moet maar n beroep uitoefenen4 ,,xv4 ,een goed wachter moet als een goede wachthond scherp van waarneming1 vlug1 sterk1 moedig en driftig zijn1 en tevens vriendelijk jegens zijne medeburgers4 ,,xvi4 ,tot dit laatste is het noodig1 dat hij wijsgeerig van aanleg zij4 ,,xvii4 ,nu moeten die wachters worden opgeleid1 en wel door muzenkunst en gymnastiek4 ,het eerste van allen moet men zorgen1 dat aan de kinderen geen onzedelijke sprookjes aangaande de goden verhaald worden1 gelijk er vele bij de dichters voorkomen4 ,,xviii4 ,vooreerst moeten zij niet hooren1 dat ,god de bron van kwaad is1 maar alleen van goed4 ,,xix4 ,en dus ook alleen tot verbetering straft4 ,verder mogen zij niet hooren1 dat ,god van gedaante verandert1 daar niets hem veranderen kan4 ,,xx4 ,en hij te volmaakt is om zich zelven te veranderen1 en te waarachtig om de leugen niet te haten4 ,,xxi4 ,en ook de onwaarheid nergens toe noodig heeft4 ,,derde ,,boek4 ,i4 ,ook moeten zij geen akelige voorstellingen van de onderwereld hooren1 om niet voor den dood bevreesd te worden4 ,,ii4 ,verder moeten klagten over dooden hun niet voorgezongen worden1 vooral niet van goden4 ,,iii4 ,ook uitbundig gelach en liegen moet niet geduld worden2 en verzen1 waarin ingetogenheid wordt aangeprezen1 zijn goed te keuren1 andere af te keuren4 ,,iv4 ,ook alle gedichten1 die verhalen1 hoe goden of helden door hartstogten megesleept worden1 zijn verwerpelijk4 ,v4 ,om het kwade voorbeeld en omdat het onwaar is1 mag geen kwaad van goden of halve goden verteld worden4 ,,vi4 ,verder kan een verhaal met of zonder nabootsing zijn ingerigt4 ,,vii4 ,wat van die twee is beter8 ,volgens het beginsel1 dat n mensch n werk doen moet1 kan n mensch bezwaarlijk vele rigtingen goed nabootsen4 ,,viii4 ,ook is het nabootsen van verkeerdheden schadelijk voor het karakter4 ,,ix4 ,al is dus het eenvoudige verhaal1 of dat1 waarin alleen goede menschen worden nagebootst1 minder onderhoudend1 zoo moet het toch alleen worden toegelaten4 ,x4 ,ook weekelijke en klagende zangwijzen zijn te verwerpen1 maar krachtige en bedaarde goed te keuren4 ,daarom zijn ook eenvoudige muzijkinstrumenten boven instrumenten met groote verscheidenheid van toonen te verkiezen4 ,,xi4 ,ook de versmaten moeten volgens hetzelfde beginsel gekozen worden4 ,,xii4 ,en verder moet in alle kunstvoortbrengselen de waarachtige schoonheid tot regel dienen4 ,,xiii4 ,ook de gymnastiek moet vooral daarnaar streven1 dat de wachters geschikt voor den oorlog worden1 weshalve eene matige levenwijs is aan te bevelen4 ,,xiv4 ,een gevolg hiervan is groote eenvoudigheid in regtspleging en geneeskunst4 ,,xv4 ,in een goeden staat moet dan ook die langdradige geneeswijze verworpen worden4 ,,xvi4 ,daarom moet er goed toegezien worden bij de keus van geneesmeesters en regters4 ,,xvii4 ,verder houde men bij de opleiding door muzenkunst en gymnastiek vooral de ziel op het oog1 en zoeke daarin de juiste harmonie van kracht en zachtmoedigheid aan te kweeken4 ,,xviii4 ,want de gymnastiek ontwikkelt de geestkracht en de muzenkunst de geschiktheid voor de wijsbegeerte4 ,,xix4 ,nu moeten de besten der wachters tot overheden worden aangesteld4 ,de besten zijn zij1 die het bestendigst de meening vasthouden3 dat zij alles moeten doen1 wat voordeelig voor den staat is4 ,,xx4 ,daartoe is het noodig hen aanhoudend op de proef te stellen1 en aan hen1 die volharden1 het bestuur in handen te geven4 ,,xxi4 ,verder moeten wij het denkbeeld3 dat onze burgers kinderen van hun land zijn1 en dat er onder de menschen eene aangeborene ongelijkheid bestaat1 onder hen zoeken te verspreiden4 ,,xxii4 ,nu moeten de wachters eene legerplaats in de stad betrekken1 en daarin door andere burgers z onderhouden worden1 dat zij juist genoeg hebben4 ,afgesloten woningen en privaat eigendom mogen zij niet bezitten4 ,,vierde ,,boek4 ,i4 ,adimantus maakt hier de tegenwerping1 dat de wachters op die wijs niet gelukkig zijn zullen2 maar ,socrates antwoordt1 dat de geheele staat de hoofdzaak is1 en dat al de burgers aan zijnen bloei moeten dienstbaar zijn4 ,,ii4 ,verder moeten rijkdom en armoede zoo veel mogelijk buiten de grenzen gehouden worden4 ,maar als die staat met een rijken staat oorlog krijgt8 zegt ,adimantus4 ,socrates antwoordt3 goed geoefende krijgslieden kunnen ligt tegen overmagt vechten1 en in alle andere staten is zeer ligt verdeeldheid te zaaijen4 ,,iii4 ,ook moet bij het bepalen der grenzen gezorgd worden1 dat de eenheid van den staat niet verloren ga1 en ditzelfde behoort tot rigtsnoer van alle inwendig bestuur te verstrekken4 ,de hoofdzaak is de opvoeding4 ,,iv4 ,en daarom moet vooral bij de muzenkunst de wacht gehouden worden4 ,want als de opvoeding goed is1 worden alle verdere bepalingen van zelfs gevonden1 en kunnen dus hier ligt worden overgeslagen4 ,v4 ,en zonder dat is er1 hoe men ook lappe en verandere1 niets aan een staat te doen4 ,in het godsdienstige moet het orakel van ,apollo geraadpleegd worden4 ,,vi4 ,nu is deze staat wijs1 en die wijsheid huist in de overheid4 ,,vii4 ,ook is hij moedig1 en die moed huist in de wachters1 die nooit de hun ingeprente meeningen omtrent het al of niet verschrikkelijke laten varen4 ,,viii4 ,verder moet de ingetogenheid gezocht worden4 ,deze bestaat vooral in beheersching der lusten door de rede1 en inwendige harmonie van de verschillende deelen der ziel4 ,,ix4 ,deze beheersching en harmonie heeft in den nieuwen staat plaats1 en dus is die ingetogen4 ,x4 ,verder doet ieder in den staat zijn eigen werk1 zoowel de overheid als de krijgslieden en de menschen der andere beroepen2 en dit is een van de heilzaamste dingen voor den staat4 ,,xi4 ,deze eigenschap is regtvaardigheid4 ,nu zijn dezelfde rigtingen in de enkele menschen1 als in den staat1 want uit de eersten komen zij in den laatsten4 ,,xii4 ,nu is dezelfde zaak in hetzelfde opzigt nooit in twee elkander uitsluitende toestanden4 ,,xiii4 ,wanneer verder bij betrekkingensbegrippen het ne lid eenvoudig is1 is het andere dit ook1 en omgekeerd4 ,,xiv4 ,zoo haakt b4 v4 de dorst op zich zelven eenvoudig naar drinken4 ,als dus iemand1 die dorst heeft1 toch niet wil drinken1 werken er twee verschillende krachten op zijne ziel4 ,meest behooren die tot rede of begeerte4 ,als derde deel komt hier de toorn bij1 ,,xv4 ,die gewoonlijk de rede bijstaat4 ,,xvi4 ,nu kunnen wij zeggen1 dat in een enkel mensch de wijsheid in de rede huist2 de moed in het toornige deel der ziel1 dat steeds het oordeel der rede1 omtrent het al of niet verschrikkelijke volgt2 de ingetogenheid in den geheelen mensch1 voor zoo ver rede1 toorn en begeerte in goede harmonie met elkander zijn2 de regtvaardigheid ook in den geheelen mensch1 voor zoo ver rede1 toorn en begeerte ieder zijn eigen werk doen4 ,,xvii4 ,de regtvaardigheid werkt dus op het inwendige van den mensch1 en eerst ten gevolge daarvan werkt zij naar buiten4 ,,xviii4 ,onregtvaardigheid en alle andere ondeugd is bij gevolg een verkeerde1 onnatuurlijke toestand en verhouding van de gezegde deelen1 en dus is deugd gelijk aan gezondheid1 ondeugd aan ziekte der ziel4 ,dus is deugd geluk1 ondeugd ongeluk4 ,dit moet echter naauwkeuriger bezien worden1 en daarom is het goed door vergelijking met de staten na te gaan1 welke vormen van ondeugd er gevonden worden4 ,,vijfde ,,boek4 #a4 ,socrates wordt door ,adimantus verzocht1 om vr hij verder gaat de gemeenschap der vrouwen en de opvoeding uitvoeriger te bespreken4 ,,ii4 ,waartoe ,socrates na veel tegenstribbelen besluit4 ,,iii4 ,vooreerst moeten de vrouwen dezelfde opvoeding krijgen als de mannen4 ,,iv4 ,dit is niet in strijd met de stelling1 dat verschil van aard verschillend werk vordert4 ,v4 ,want over 't geheel hebben vrouwen denzelfden aanleg als mannen1 maar zijn in alles zwakker4 ,,vi4 ,dus moeten ook uit haar de beste gekozen worden1 en dan is het heel wel mogelijk1 ze even als de mannen op te leiden1 en voor de veredeling van de geheele burgerij is dat allerheilzaamst4 ,,vii4 ,verder moet bij de wachters gemeenschap van vrouwen plaats hebben4 ,de overheden moeten eerst de beste vrouwen uitkiezen4 ,,viii4 ,vervolgens moet de voortteling bepaald door de overheden geregeld worden1 opdat slechts goede1 krachtige menschen kinderen verwekken4 ,dit kan door eene kunstige wijs van loten geschieden4 ,,ix4 ,ook moet die voortteling onder aanroeping der goden plaats hebben1 en in 't geheel moet de zaak1 om haar groot gewigt1 met ernst behandeld worden4 ,x4 ,nu is onderlinge eensgezindheid en belangstelling het grootste goed voor een staat4 ,,xi4 ,en die onderlinge eensgezindheid wordt vooral door de gemeenschap van vrouwen en kinderen veroorzaakt4 ,,xii4 ,daardoor en doordien zij geen eigendom hebben1 worden ook alle twisten over mijn en dijn afgesneden4 ,,xiii4 ,zulke wachters zullen den staat doen bloeijen en door de andere burgers steeds geerd worden1 waardoor zij een zeer gelukkig leven zullen hebben4 ,,xiv4 ,verder moeten de kinderen zoo jong mogelijk den oorlog zien4 ,,xv4 ,en dappere mannen moeten beloond en na hunnen dood als helden vereerd worden4 ,de krijgslieden moeten ,grieksche staten in den oorlog zoo menschelijk mogelijk behandelen4 ,,xvi4 ,steeds bedenkende1 dat alle ,grieken stamgenooten zijn4 ,barbaren echter behoeven zij niet te ontzien4 ,,xvii4 ,deze staatsregeling is een ideaal1 dat natuurlijk nergens geheel verwerkelijkt is4 ,,xviii4 ,en zij zal nooit werkelijk worden1 voordat de wijsgeeren het bestuur in handen krijgen4 ,,xix4 ,hiertoe bedenke men echter1 dat slechts zij1 die alle wetenschap liefhebben1 wijsgeeren zijn4 ,,xx4 ,ware wetenschap is op het algemeene gerigt4 ,kennis op hetgeen is1 onkunde op hetgeen niet is1 meening op hetgeen tusschen zijn en niet zijn invalt4 ,,xxi4 ,want als twee verschillende vermogens kunnen kennis en meening niet op hetzelfde voorwerp gerigt zijn4 ,,xxii4 ,verder is de kennis op de eeuwige iden1 de meening op het zinnelijke1 de stoffelijke wereld gerigt4 ,die naar de eerste streeft1 is een wijsgeer1 die naar de laatste streeft1 niet4 ,,zesde ,,boek4 ,i4 ,wijsgeeren kunnen dus beter dan anderen het ideaal1 dat in den staat moet verwerkelijkt worden1 aanschouwen1 en zijn goed voor wachters1 als zij tevens praktische geschiktheid hebben4 ,,ii4 ,en die hebben zij1 want een echt wijsgeer is ingetogen1 onbekrompen1 regtvaardig1 liefderijk1 bevattelijk en niet bevreesd voor den dood4 ,,iii4 ,men ziet echter gewoonlijk1 zegt ,adimantus1 dat wijsgeeren slechte of althans onbruikbare menschen zijn4 ,,iv4 ,dit is1 zegt ,socrates1 aan den onwijsgeerigen aard der meeste regeerders te wijten4 ,v4 ,verder is een wijsgeerige aanleg zoo als in ,,ii is opgegeven4 ,,vi4 ,maar de beste aanleg wordt bij slechte opleiding het slechtste4 ,nu heeft vooreerst de openbare meening geweldig veel kracht op ieders gemoed4 ,,vii4 ,verder gebruikt de menigte ook dwang1 en dringt haar oordeel aan ieder op1 en daardoor wordt goed en kwaad1 schoon en leelijk1 enz41 niet naar zijnen aard1 maar hare meening beoordeeld4 ,,viii4 ,daarenboven munt iemand van goeden aanleg overal uit1 en wordt daardoor spoedig in allerlei praktische betrekkingen gewikkeld4 ,,ix4 ,als dan de besten er zijn afgevallen1 wordt de wijsbegeerte door ongeschikte menschen aangepakt1 die haar natuurlijk misbruiken1 en dan slechte wijsgeeren heeten4 ,x4 ,en wanneer enkele wezenlijk geschikten door bijzondere omstandigheden voor de wijsbegeerte bewaard blijven1 zien zij geen kans bij den tegenwoordigen toestand der maatschappij eenig nut te doen1 en leven voor zich zelven1 en heeten onbruikbare wijsgeeren4 ,,xi4 ,dus kan de wijsbegeerte slechts in een staat als den beschrevenen bloeijen1 mits zij niet door knapen1 maar door volwassenen en vooral grijsaards met ijver beoefend worde4 ,,xii4 ,en als zulke waarachtige wijsgeeren aan het hoofd van een staat komen1 zal alles goed gaan1 en de wijsbegeerte hare eer weerom krijgen4 ,,xiii4 ,hieruit blijkt1 dat de wijsbegeerte ten onregte veroordeeld wordt4 ,,xiv4 ,en daar het niet onmogelijk is1 dat er eens een wijsgeer aan het hoofd van een staat komt1 is onze staatsregeling niet geheel en al onbestaanbaar4 ,,xv4 ,de overheden nu moeten met zorg gekozen worden1 en zijn weinig in getal1 want zelden gaan vlugheid en bestendigheid zamen2 en er hoort veel toe1 om geschikt te zijn voor de hoogste wetenschap4 ,,xvi4 ,daartoe wordt tevens eene langdurige opleiding gevorderd4 ,die hoogste wetenschap is de idee van het goede4 ,,xvii4 ,die wetenschap is moeijelijk maar tevens volstrekt noodig4 ,,xviii4 ,nu is het niet wel doenlijk het goede zelf te beschrijven1 maar zijn beeld in de zinnelijke wereld kunnen wij opgeven4 ,van alle zinnen is het gezigt het edelste1 en wordt door het schoonste hulpmiddel1 het licht1 tot zijne werking in staat gesteld4 ,,xix4 ,de bron van dat licht is de zon1 en die zon is in de zigtbare wereld het beeld van hetgeen het goede is in de denkbare wereld4 ,,xx4 ,nu vervallen de voorwerpen der zigtbare wereld in twee deelen1 beelden en werkelijke dingen1 en die der denkbare ook in twee deelen3 ,,xxi4 ,de meetkunstige waarheden1 en de zuivere metaphysische begrippen4 ,in dezelfde orde als deze vier deelen komen deze vier vermogens van den geest3 vermoeden1 geloof1 verstandskennis1 redekennis4 ,,zevende ,,boek4 ,i4 ,stel nu dat menschen in een hol bij schemerlicht hun leven doorgebragt1 en daar niets dan schaduwen gezien hadden4 ,,ii4 ,als dan n hunner naar boven werd gebragt1 zou dit hem eerst smart veroorzaken1 maar als hij boven gewend was1 zou hij niet weer naar beneden willen1 en als hij nog eens naar beneden kwam1 daar niet meer op zijne plaats wezen4 ,,iii4 ,het hol is de zigtbare wereld2 de plaats boven is de denkbare wereld2 de persoon die naar boven gaat1 is de wijsgeer4 ,dus is het geen wonder1 dat de wijsgeeren weinig belangstelling of bekwaamheid in de zaken van het dagelijksch leven betoonen4 ,,iv4 ,daarom is het onderwijs eigenlijk omwenden der ziel van de zinnelijkheid naar de waarheid1 en daarom kan een staat slechts goed bestuurd worden1 als de wijsgeeren gedwongen worden1 zich harer aan te trekken4 ,v4 ,want zijn zij eens weer aan de zaken van het dagelijksch leven gewend1 dan besturen zij die beter dan iemand anders2 en voor de rust van den staat is het heilzaam1 dat de regerende personen het regeren als een last1 niet als een voorregt1 beschouwen4 ,,vi4 ,om nu die omkeering der ziel te doen plaats hebben1 moeten de wachters eerst in het rekenen onderwezen worden4 ,,vii4 ,vooreerst is de kennis daarvan praktisch noodig4 ,ten andere zijn alle waarnemingen1 die eenige tegenstrijdigheid opleveren1 geschikt om het oordeel te scherpen4 ,,viii4 ,en juist in dit opzigt is de leer der getallen bijzonder nuttig4 ,,ix4 ,hierop volgt de meetkunst1 n om hare praktische nuttigheid1 n om hare opleiding tot de kennis der eeuwige waarheden1 n om haren heilzamen invloed op andere studie4 ,x4 ,daar nu de ontwikkeling van den geest hier de hoofdzaak is1 volgt ook1 al is zij praktisch nutteloos1 als derde studievak de stereometrie4 ,hierop volgt de sterrekunde1 mits die wijsgeerig behandeld worde1 ,,xi4 ,en dus niet empirie maar zuivere berekening de grondslag dezer studie uitmake4 ,,xii4 ,hierop volgt de theorie der muzijk1 die ook door berekening1 niet door empirie moet behandeld worden4 ,al deze studievakken moeten met elkaar in verband gebragt en het algemeene daaruit ontwikkeld worden4 ,nu volgt eindelijk de wijsgeerige redeneerkunde4 ,,xiii4 ,het is hier de plaats niet1 die uitvoerig te behandelen1 maar zeker is het1 dat alleen langs den voorgeschrevenen weg waarachtig wijsgeerige kennis tot stand komt4 ,,xiv4 ,dus is de wijsbegeerte de kroon der wetenschappen1 en dus moeten de bestuurders van den staat tot haar worden opgeleid4 ,,xv4 ,nu kieze men de personen1 die deze opleiding ontvangen1 zeer zorgvuldig1 en zie behalve op het reeds gezegde ook vooral toe1 of zij wel arbeidzaam en waarheidlievend zijn4 ,,xvi4 ,dan moet men van jongs af beginnen ze op te leiden1 en bij iederen overgang in een nieuw tijdperk de besten uitkiezen4 ,vooral zorge men bij het onderwijs in de wijsgeerige redeneerkunde hen niet tot twijfelaars in 't zedelijke te maken4 ,,xvii4 ,daartoe is het goed hen niet te jong daarme bekend te maken1 en dit vak niet aan een iegelijk te leeren4 ,vervolgens moeten zij in praktische betrekkingen ondervinding opdoen1 en dan het bestuur bij beurten opnemen1 en zich het overige van den tijd met de wijsbegeerte bezig houden4 ,,achtste ,,boek4 ,i4 ,nu komen de slechte staatsregelingen aan de beurt1 zij zijn3 de timocratie1 de oligarchie1 de democratie1 en de tirannij4 ,,ii4 ,en na iedere staatsregeling moet de man behandeld worden1 die in karakter met haar overeenstemt4 ,,iii4 ,als de beschrevene staatsregeling gebloeid heeft1 zullen de bestuurders langzamerhand de muzenkunst gaan minachten4 ,daardoor zullen de zeden ruwer worden1 de wachters zullen zich tot eigenaars van den staat maken1 ieder voor zich eigendom in bezit nemen1 en de overige burgers onderdrukken4 ,,iv4 ,het kenmerk dezer staatsregeling is verachting van handenarbeid en geleerdheid benevens waardering van oorlog en gymnastiek1 en heimelijke inhaligheid1 en schraapzucht bij de regerende klasse4 ,v4 ,de daarop gelijkende man is gehoorzaam aan zijne meerderen1 hard voor zijne minderen1 zachtzinnig jegens zijne gelijken1 een vijand van geleerdheid en vriend van ligchaamsoefening1 in zijne jeugd veracht hij het geld1 op zijnen ouden dag wordt hij gierig4 ,hij ontstaat als de zoon van een braaf man1 die in een slechten staat wonende zich rustig houdt1 op zijnen vader hoort schimpen en daardoor lust krijgt zich meer te laten gelden4 ,,vi4 ,nu gaat de timarchie door het heimelijke schrapen in oligarchie over1 want langzamerhand wordt het geld meer geerd dan de deugd1 en eindelijk bepaalt men een trap van rijkdom tot maatstaf voor het regt om me te regeren4 ,die maatstaf is verkeerd1 want geld brengt geen wijsheid aan4 ,ook staan in zulk een staat armen en rijken vijandig tegen elkander over1 en die oneenigheid belemmert al zijne handelingen4 ,ook worden hier de beroepen vermengd4 ,,vii4 ,in zulk een staat hoort het pauperismus te huis1 en een gevolg daarvan is het vermeerderen der bedelaars en der kwaaddoenders4 ,,viii4 ,wanneer nu een zoon van een timocraat zijnen vader het slagtoffer van staatkundige vijanden ziet worden1 krijgt hij een afkeer van eerzuchtig pogen naar aanzien en werpt zich op het geldwinnen4 ,,ix4 ,en dan gelijkt hij op de oligarchie1 want het geld gaat bij hem bovenal1 en zijne meeste begeerten en neigingen worden door enkele1 die met geldwinnen in verband staan1 onderdrukt4 ,x4 ,in een oligarchischen staat gaan de rijke geslachten in aantal en beschaving steeds achteruit1 totdat eindelijk de armen hun de baas worden1 eene omwenteling verwekken en de regering democratisch maken4 ,,xi4 ,het kenmerk van de democratie is vrijheid voor allen1 en volkomene gelijkheid van allen in regten en deel aan het bestuur4 ,,xii4 ,nu zijn sommige begeerten noodzakelijk en winstgevend1 andere niet noodzakelijk en verkwistend4 ,de eerste worden door den gierigen oligarch aangekweekt1 de laatste met geweld onderdrukt4 ,,xiii4 ,heeft deze nu een zoon1 dan zoekt hij bij hem alleen de eerste aan te kweeken1 maar door omgang met liederlijke personen worden dan de laatste versterkt1 en eindelijk worden daardoor in de ziel van dien zoon de verschillende begeerten ongeveer even sterk1 wegen elkander op en beheerschen hem bij beurten4 ,,xiv4 ,de democratie wordt eindelijk volslagen teugelloosheid1 en de burgers worden hoe langer hoe gevoeliger op het punt van vrijheid4 ,,xv4 ,die bovenmatige vrijheid gaat in dienstbaarheid over1 want in een democratischen staat zijn steeds eene menigte verkwistende ledigloopers4 ,,xvi4 ,deze zoeken de rijken te plunderen en geven aan het volk ook een deel van den buit4 ,dan worden de rijken oligarchen en zoeken de democratie om te werpen4 ,vooral hebben zij het dan op den voornaamsten volksleider gemunt4 ,deze maakt daar gebruik van1 vraagt van het volk eene lijfwacht en verheft zich tot tiran4 ,,xvii4 ,dan is het uit met de vrijheid1 en de tiran zoekt1 om te blijven regeren1 het volk te verarmen en alle krachtige1 bekwame1 onafhankelijke menschen uit den weg te ruimen4 ,,xviii4 ,en om zich te handhaven moet hij een lijfwacht hebben1 die uit huurlingen en vrijgemaakte slaven wordt zamengesteld4 ,,xix4 ,om die te onderhouden mergelt hij het volk uit1 en als dat zich verzet1 onderdrukt hij alle oproeren met geweld1 door de hulp zijner huurlingen4 ,,negende ,,boek4 ,i4 ,om den tirannischen man goed te beoordeelen bedenke men1 dat van natuur in den mensch vele onwettige begeerten huisvesten1 die zich vooral in droomen openbaren4 ,,ii4 ,worden nu in den zoon van een democratischen man die begeerten door slecht gezelschap opgewekt1 zoodat hij aan wijn en wellust verslaafd raakt1 dan wordt hij tirannisch4 ,,iii4 ,door den wellust geprikkeld1 brengt hij dan zijn geld door1 en zoekt daarna door list en geweld aan geld te komen4 ,eerst berooft hij zijne ouders1 dan wordt hij een dief of neemt dienst onder de lijfwacht van een tiran1 of1 als hij er kans voor ziet1 onderwerpt hij zijn vaderland4 ,,iv4 ,nu is de staat onder koninglijk gezag het gelukkigst1 die onder een tiran het rampzaligst1 en ditzelfde geldt ook van den waren wijsgeer1 en den tirannischen man4 ,plato deelt hier mede1 wat hij zelf gezien heeft4 ,v4 ,in 't algemeen is een tirannisch mensch even ongelukkig onder de heerschappij zijner driften1 als een tirannisch beheerschte staat onder die van eenen tiran2 maar het allerongelukkigst is een werkelijk tiran1 daar die geen oogenblik zijn leven zeker is4 ,,vi4 ,en het ergste is1 dat1 naarmate dit langer duurt1 zijn karakter en zijn lot hoe langer hoe meer verslimmert4 ,,vii4 ,een ander bewijs is dit3 ,men kan de menschen in drie soorten verdeelen1 wijsgeerigen1 eerzuchtigen1 winzuchtigen4 ,ieder hunner noemt zijne levenswijs de gelukkigste4 ,,viii4 ,nu wordt ieder ding beoordeeld door ondervinding1 kennis en redenering4 ,de wijsgeer heeft ondervinding van het vermaak der eer en van dat van het geldwinnen2 kennis en redenering zijn alleen in zijn bezit4 ,dus is zijn oordeel het beste4 ,,ix4 ,eindelijk zijn er drie toestanden1 vermaak1 smart en afwezigheid van beiden1 die in vergelijking met de twee anderen1 smart of vermaak wordt genoemd1 maar het eigenlijke niet is4 ,het meeste zoogenaamde vermaak behoort op dit gebied4 ,x4 ,en dat dit als vermaak wordt beschouwd1 is aan de onwetendheid der menschen te wijten4 ,het vervullen van behoefte toch wordt als vermaak beschouwd4 ,nu wordt bij het meeste zoogenaamde vermaak onze behoefte door stoffelijke middelen bevredigd1 en de stoffelijke wereld heeft geen deel aan het ware zijn1 dus is die vervulling niet wezenlijk en het daardoor ontstaande vermaak evenmin4 ,,xi4 ,ja1 voor zoo ver er nog eenig zinnelijk vermaak bestaat1 kan dit alleen onder de leiding der rede waarlijk genoten worden4 ,,xii4 ,verder is bij den regtvaardigen het goddelijke in den mensch1 bij den onregtvaardigen het dierlijke meester4 ,,xiii4 ,en het goddelijke wordt door alle goede handelingen1 het dierlijke door alle slechte versterkt4 ,daarom is het ieders waarachtig belang de deugd te beoefenen4 ,,tiende ,,boek4 ,i4 ,socrates komt nog eens op de nabootsende kunst terug4 ,een schilder bootst alles na1 wat met oogen gezien wordt4 ,,ii4 ,nu zijn de iden het eigenlijk zijnde4 ,de stoffelijke wereld is naar de iden gevormd4 ,zij staat dus op de tweede plaats van de waarheid af4 ,de nabootsende kunst bootst de stoffelijke wereld na4 ,zij staat dus op de derde plaats4 ,en dat nog op zijn best1 want zij bootst de dingen na1 niet zoo als zij zijn1 maar zoo als zij zich vertoonen1 zonder dat zij hun eigenlijk wezen kent4 ,,iii4 ,dit geldt ook van de nabootsende dichters1 die verzen maken over veel dingen1 waarvan zij volstrekt geen kennis hebben1 ,,iv4 ,en dus ook alleen door onwetende menschen voor geleerd gehouden worden4 ,ook weet de gebruiker van eenige zaak1 hoe zij wezen moet1 en de vervaardiger gelooft hierin den gebruiker1 maar de nabootser heeft geen kennis noch geloof op goed gezag1 en gaat alleen op het uiterlijke af4 ,v4 ,daarenboven is de rede het beste deel van den mensch1 en komt dikwijls met de hartstogten in strijd4 ,,vi4 ,de hartstogten echter zijn veel ligter na te bootsen dan de rede1 en de menigte wordt door de hartstogten geregeerd4 ,daarom kiest de nabootsende dichtkunst de hartstogten1 en is bijgevolg voor een redelijk mensch niet geschikt4 ,,vii4 ,ook bederft zij de goede menschen1 die zich met haar bezig houden1 door hunne hartstogten op te wekken4 ,daarom verbanden wij haar met regt4 ,,viii4 ,er is dan ook eene oude vijandschap tusschen dichtkunst en wijsbegeerte4 ,daar echter de dichtkunst zoo vermakelijk is1 zijn wij bereid hare verdediging aan te hooren1 maar zoo zij zich niet goed kan verdedigen1 willen wij er onze deugd niet aan wagen4 ,,ix4 ,te meer daar de ziel onsterfelijk is4 ,dit wordt aldus bewezen4 ,een ding kan alleen door zijn eigen kwaad vergaan4 ,wat dus door zijn eigen kwaad niet vergaat is onvergankelijk4 ,het kwaad van de ziel is de ondeugd4 ,de ondeugd doet de ziel niet vergaan4 ,x4 ,want tusschen den dood en de ondeugd vertoont zich geen onmiddellijk verband4 ,dus is de ziel onvergankelijk4 ,,xi4 ,en dit zou nog veel duidelijker blijken1 als het ons gegeven was de ziel in hare zuiverheid te beschouwen4 ,,xii4 ,thans kunnen wij het vroeger gestelde terugnemen en erkennen1 dat de deugd wel degelijk door goden en menschen gekend en beloond wordt4 ,,xiii4--,,xvi4 ,de gevolgen van deugd en ondeugd na den dood worden hier in een mythisch verhaal medegedeeld1 dat van ,,er1 den zoon van ,armenius1 wiens ziel eene poos zijn ligchaam verlaten en de andere wereld bezocht had1 afkomstig genoemd wordt4 ,beoordeeling van ,plato's ,republiek door ,aristoteles4 ,besluit4 ,,inleiding4 ,een uitvoerige inleiding is tot verstand van de ,republiek niet noodig1 daar het werk zijn eigen inleiding in zich bevat1 en de lezer door eenvoudig aan ,plato's hand voort te gaan van zelfs op de hoogte komt4 ,een enkel woord zij daarom voldoende4 ,men heeft veel getwist over het doel van de ,republiek1 en gevraagd1 of dit werk een staatkundig of een zedekundig geschrift is4 ,het komt mij het beste voor ons eenvoudig aan ,plato's verklaring te houden1 die hij in ,boek ,,ii4 ,hoofdst4 ,x4 heeft afgelegd1 en dus de regtvaardigheid als het eigenlijke onderwerp des boeks te beschouwen2 daarbij in het oog houdende1 dat bij de ,grieken de enkele mensch te veel als staatsburger beschouwd werd1 om in eene ontwikkeling der zedekunde slechts den enkelen mensch1 niet tevens den staat te behandelen4 ,wat de tijd betreft1 waarin ,plato de ,republiek heeft te boek gesteld1 zoo is ,boek ,,ix ,hoofdst4 ,,iv klaarblijkelijk na ,plato's terugkomst van bet hof van ,dionysius den ouderen geschreven1 en in ,boek ,,vi4 ,hoofdst4 ,,xiv4 kan men welligt toespelingen zien op ,archytas van ,tarente1 en op ,plato's plan tot verbetering van ,dionysius den jongeren4 ,met dat al is het bij zulk een uitvoerig werk onmogelijk den juisten tijd1 waarop het geschreven is1 te bepalen2 te meer1 daar de overlevering zegt en de lezing des boeks bevestigt1 dat ,plato zijne ,republiek voortdurend beschaafd en gewijzigd heeft4 ,nu willen wij nog kortelijk van de sprekende personen handelen4 ,socrates is de hoofdpersoon1 doch hem te bespreken is overbodig4 ,glauco en ,adimantus waren waarschijnlijk broeders van ,plato1 wier gedachtenis hij in de ,republiek heeft willen bewaren4 ,behalve hetgeen hier van hen gevonden wordt1 weten wij nog uit ,xenophons ,gedenkwaardigheden1 ,boek ,,iii4 ,hoofdst4 ,,vi41 dat ,glauco reeds op zijn twintigste jaar zich met staatszaken wilde bemoeijen1 maar toen door ,socrates weerhouden is4 ,cephalus was de vader van den redenaar ,lysias4 ,hij schijnt van ,syracuse naar ,athene verhuisd te wezen4 ,in de ,republiek komt hij voor als een eerbiedwaardig grijsaard2 verder is er weinig van hem bekend4 ,polemarchus is een zoon van ,cephalus1 en was1 zoo als uit de ,republiek blijkt1 zeer bevriend met ,socrates4 ,ook in den ,phaedrus wordt zijn aanleg voor de wijsbegeerte geroemd4 ,thrasymachus behoorde tot de klasse der ,sophisten 7,zie mijne inleiding voor den ,phaedo1 blz4 #i74 ,vooral de welsprekendheid was zijn hoofdvak1 en hij legde zich toe op een brommenden1 hoogdravenden spreektrant4 ,ook over de natuur aller dingen schijnt hij geschreven te hebben1 hoewel daarvan niets is bewaard4 ,zijn karakter blijkt genoeg uit de ,republiek4 ,dat hij niet tot de minste ,sophisten behoorde1 kan uit de rol1 die hij dr vervult1 opgemaakt worden4 ,,eerste ,,boek4 ,i4 ,gisteren ging ik met ,glauco1 den zoon van ,aristo1 naar den ,pirus om de ,godin#a te aanbidden1 terwijl ik tevens verlangde te zien1 hoe men het feest zou vieren1 daar het voor de eerste keer was4 ,ik vond dan ook de processie van de inwoners wel fraai1 doch die uit ,thracie althans niet minder4 ,toen wij aangebeden en alles gezien hadden1 keerden wij naar stad terug4 ,en ,polemarchus de zoon van ,cephalus zag ons naar huis gaan en zond zijn jonge om ons na te loopen met verzoek hem in te wachten4 ,en de jonge pakte mij achter aan mijn kleed en zeide3 ,polemarchus verzoekt u te wachten4 ,hierop keerde ik mij om en vroeg1 waar hij was4 ,hij komt achter ons1 zeide de jonge1 wacht maar4 ,dat willen wij doen1 zeide ,glauco4 ,een oogenblik later kwam ,polemarchus met ,adimantus den zoon van ,glauco1 en ,niceratus den zoon van ,nicias en eenige anderen1 die allen van de processie kwamen4 ,toen zeide ,polemarchus3 ,socrates6 gij zijt1 geloof ik1 op weg naar stad4--,daar gelooft gij goed aan1 zeide ik4--,maar ziet ge wel1 zeide hij1 hoe velen wij zijn8--,wel ja4--,slaat u dan door ons allen heen1 zeide hij1 of blijft hier4--,maar1 zeide ik1 er is nog over1 dat wij u overreden om ons te laten gaan4--,maar1 zeide hij1 ziet gij dan kans om ons te overreden1 wanneer wij niet naar u luisteren8--,dat niet1 zeide ,glauco4--,wees dan maar overtuigd1 zeide hij1 dat wij niet van plan zijn te luisteren4--,en ,adimantus zeide3 ,weet gij dan niet1 dat er van avond een fakkelstrijd te paard ter eere der ,godin zal gehouden worden8--,te paard8 zeide ik2 dat is wat nieuws4 ,zullen zij dan om strijd al rijdende elkaar de fakkels toereiken#b8 ,of hoe anders8--,juist zoo1 zeide ,polemarchus2 en dan zal er ook een nachtfeest gevierd worden1 dat bezienswaardig zal wezen4 ,en na het eten zullen wij het nachtfeest gaan bekijken1 en daar vele jongelieden zien en spreken4 ,blijft dus1 en gaat niet heen4 ,hierop zeide ,glauco3 ik vind1 dat wij blijven moeten4 ,als gij dat vind1 zeide ik1 dan moeten wij het maar doen4 ,,ii4 ,wij gingen dan naar het huis van ,polemarchus1 en vonden daar ,lysias en ,euthydemus1 de broeders van ,polemarchus1 en ook ,thrasymachus van ,chalcedon1 en ,charmantides den ,paeaner1 en ,clitophon1 den zoon van ,aristonymus4 ,ook was ,cephalus de vader van ,polemarchus binnen4 ,ik vond hem heel oud geworden1 want ik had hem in langen tijd niet gezien4 ,hij zat op een stoel met een kussen en had een' krans op het hoofd1 daar hij zoo even op de binnenplaats geofferd had4 ,wij gingen bij hem zitten1 want er stonden daar eenige stoelen in de rondte4 ,zoodra ,cephalus mij zag1 groette hij mij en zeide3 ,socrates gij komt waarlijk niet te dikwijls naar den ,pirus1 om ons te bezoeken4 ,dit moest gij echter doen4 ,want1 zoo ik nog in staat was1 om vlug naar stad te gaan1 dan behoefdet gij niet hier te komen1 maar wij zouden u gaan opzoeken2 nu echter moet gij wat meer hier komen2 want wees verzekerd1 dat naarmate ik voor ligchamelijk vermaak ongevoeliger word1 mijne liefhebberij in het redekavelen toeneemt4 ,doe dan niet anders1 maar gun uwen omgang aan deze jongelingen1 en kom bij ons als bij uwe beste vrienden4 ,met genoegen1 zeide ik1 vooral daar ik gaarne met zeer oude lieden spreek4 ,want daar zij een weg hebben afgelegd1 dien wij waarschijnlijk ook gaan moeten1 vind ik het zaak hen te vragen1 of die weg ruw en lastig1 of gemakkelijk en effen is4 ,daarom zou ik dan ook gaarne hieromtrent uwe meening hooren1 daar gij reeds op dien leeftijd gekomen zijt1 welken de dichters den drempel der grijsheid noemen1 en van u vernemen1 of gij dat een lastig tijdperk des levens vindt1 of hoe anders gij er over denkt4 ,,iii4 ,bij ,zeus6 zeide hij1 ,socrates6 ik zal u mijne meening zeggen4 ,want dikwijls zoeken1 volgens het spreekwoord1 lieden van mijne soort en ik elkander op4 ,de meesten onzer jammeren dan1 als wij bijeen zijn1 daar zij de vermaken der jeugd terugwenschen1 en zich het mingenot1 de drinkpartijen1 feesten en andere zulke zaken herinneren1 en worden verdrietig1 omdat zij zoo veel verloren hebben1 en toen een best leven hadden1 maar nu zoo goed als niet leven4 ,sommigen beklagen zich dan ook over de weinige achting hunner huisgenooten voor den ouderdom1 en maken dan een treurzang op al het verdriet waarvan hun leeftijd de oorzaak is4 ,ik geloof echter1 ,socrates6 dat zij niet de ware oorzaak opgeven4 ,want zoo dit de oorzaak was1 dan moest ik en alle anderen1 die tot denzelfden leeftijd gekomen zijn1 het ook ondervinden4 ,ik heb er echter ook ontmoet1 die niet zoo dachten1 onder anderen den dichter ,sophocles1 die op de vraag1 hoe het met zijne kracht stond1 en of hij nog gemeenschap met eene vrouw kon hebben1 antwoordde3 foei man6 ik ben zoo blijde1 dat ik er af ben1 als of ik eenen dollen en wreeden meester ontvlugt was4 ,toen vond ik1 dat hij de waarheid sprak1 en nu niet minder4 ,want waarlijk1 in den ouderdom heeft men van die dingen vrij wat minder last4 ,wanneer toch de driften verslappen en ons niet langer prikkelen1 dan gebeurt er juist wat ,sophocles zeide3 wij worden van vele en razende meesters verlost4 ,maar hiervan en van de klagten over huisgenooten is de oorzaak dezelfde1 ,socrates6 namelijk niet de ouderdom1 maar de inborst der menschen4 ,want zoo zij redelijk en inschikkelijk zijn1 dan is ook de ouderdom wel te verdragen1 maar zoo niet1 dan is de ouderdom1 ,socrates6 en de jeugd evenzeer vol onaangenaamheid4-- ,,iv4 ,daar ik schik had in zijn gesprek en nog meer wenschte te hooren1 zeide ik1 om hem aan te zetten3 ,cephalus6 ik houd het er voor1 dat1 wanneer gij z spreekt1 de meesten u niet gelooven zullen1 maar denken1 dat de gemakkelijkheid1 waarmede gij den ouderdom draagt1 niet uit uwe inborst1 maar uit uwen rijkdom voortspruit2 want1 zeggen zij1 de rijken hebben allerlei verkwikking4--,juist1 zeide hij1 zij gelooven het niet4 ,en zij zeggen ook wel iets1 maar niet zoo veel als zij meenen1 daar hier het gezegde van ,themistocles van toepassing is1 die1 toen een ,seriphier#c met hem twistte en zeide1 dat hij niet door zich zelven maar door zijne vaderstad beroemd was geworden1 ten antwoord gaf3 dat1 zoo hij een ,seriphier was1 zijn naam even weinig bekend zou wezen1 als die van den ander1 zoo hij een ,athener was4 ,van hen toch1 die niet rijk zijn1 en den ouderdom niet gemakkelijk dragen kunnen1 kan even zoo gezegd worden3 dat ook een redelijk mensch1 zoo hij arm is1 den ouderdom niet gemakkelijk dragen kan1 maar dat evenmin een onredelijk1 zelfs al is hij rijk1 vrede met zijnen toestand kan hebben4--,maar1 ,cephalus6 zeide ik1 hebt gij uwe meeste bezittingen van uwe ouders gerfd1 of zelf uw erfgoed vermeerderd8--,vermeerderd1 ,socrates6 och neen6 ik was als financier zoo wat tusschen mijnen vader en grootvader in4 ,mijn grootvader toch1 die denzelfden naam droeg als ik1 had omtrent evenveel gerfd1 als ik nu heb1 en heeft het meer dan verdubbeld1 en mijn vader ,lysanias heeft het nog minder gemaakt dan het nu is2 maar ik ben tevreden1 zoo ik aan deze mijne kinderen niet minder1 maar een weinig meer nalaat dan ik ontvangen heb4--,dit vroeg ik daarom1 zeide ik1 dewijl ik merkte1 dat gij niet bijzonder aan het geld gehecht zijt4--,dit wordt meestal waargenomen bij menschen1 die het niet zelve verworven hebben2 maar die het zelve hebben verworven1 zijn er tweemaal zoo sterk aan gehecht als de anderen4 ,want gelijk de dichters hunne verzen en de ouders hunne kinderen liefhebben1 zoo beminnen de geldwinners het geld als hun eigen werk1 meer dan de anderen1 hetgeen ook blijkt uit hunne wijs van het te gebruiken4 ,daarom zijn zij lastig in den omgang en prijzen niets zoo zeer als rijkdom4--,dat is waar1 zeide hij4-- ,v4 ,ja1 of het6 zeide ik4 ,maar zeg mij nu nog n ding4 ,wat is1 naar uwe meening1 het grootste voordeel van het bezitten van rijkdom8--,iets1 zeide hij1 dat ik bezwaarlijk door velen als zoodanig kan doen erkennen4 ,want weet1 ,socrates6 dat1 wanneer iemand reden heeft1 om de nabijheid van zijnen dood te vermoeden1 vrees en bezorgdheid hem aanwandelen omtrent dingen1 waarover hij zich vroeger niet bekommerde4 ,hetgeen toch van de onderwereld verteld wordt1 dat die hier onregt gedaan hebben1 dr boeten zullen1 waarover hij vroeger lachte1 vervult dan zijne ziel met bezorgdheid1 of het niet waar zou wezen2 en1 hetzij ten gevolge van de zwakheden des ouderdoms1 hetzij omdat hij er nader bij is1 het staat hem helderder voor den geest4 ,daardoor wordt hij dan vervuld met zorg en bevreesdheid en gaat bij zich zelven na1 of hij ook iemand eenig onregt heeft aangedaan4 ,hij nu1 die vindt1 dat hij in zijn leven veel onregt gepleegd heeft1 vliegt dan1 gelijk de kinderen1 dikwijls uit den slaap op1 en leeft vol slechte verwachting2 maar die zich van geen onregt bewust is1 heeft steeds eene aangename en goede hoop1 welke1 zoo als ,pindarus zegt1 de verpleegster van den ouderdom is4 ,want1 ,socrates6 deze zegt in fraaije bewoordingen van den mensch1 die in zijn leven eerbied voor menschelijk en ,goddelijk regt betoond heeft3 hem vergezelt de zoete1 hartverkwikkende hoop1 de verpleegster van den ouderdom1 welke het meest de wispelturige ziel der stervelingen bestuurt4 ,en in deze woorden is verwonderlijk veel waarheid4 ,in dit opzigt nu beweer ik1 dat het bezitten van geld1 wel niet voor ieder1 maar zeker voor een verstandig mensch1 veel waarde heeft4 ,rijkdom toch is ten hoogste dienstig1 om zonder vrees1 dat men1 al is het buiten opzet1 iemand benadeeld of bedrogen heeft1 of dat men aan een ,god offers of aan een mensch geld schuldig is1 den overstap te doen4 ,hij is ook tot vele andere dingen bruikbaar1 maar alles goed bezien1 zou ik toch stellen1 ,socrates6 dat voor een verstandig mensch1 vooral in dit opzigt de rijkdom bijzonder nuttig is4-- ,uitmuntend gezegd1 ,cephalus6 zeide ik4 ,doch moeten wij nu de regtvaardigheid maar eenvoudig voor hetzelfde houden als de waarheid1 en als het teruggeven van hetgeen men van anderen in zijne magt heeft1 of kan juist dit somtijds met regt en somtijds met onregt geschieden8 bij voorbeeld3 ieder zou zeggen1 dat1 wanneer iemand van zijnen vriend1 toen deze bij zijne zinnen was1 wapenen in bewaring heeft gekregen1 hij ze niet moet teruggeven1 wanneer de ander ze in eene vlaag van krankzinnigheid terugeischt1 en dat hij1 die ze dan teruggaf1 evenmin regtvaardig zou wezen1 als iemand1 die tot zulk eenen volkomen de waarheid wilde spreken4--,dat is waar1 zeide hij4--,dus is het niet juist1 de regtvaardigheid te bepalen tot het spreken van de waarheid en het teruggeven van het aan anderen toebehoorende4-- ,dat geloof ik wel1 ,socrates6 zeide ,polemarchus1 het woord opnemende1 zoo ten minste het gezag van ,simonides iets geldt4--,goed zoo1 zeide ,cephalus1 zet gij het gesprek voort4 ,want ik moet weder naar mijn offer terugkeeren4--,dus1 zeide ik1 is ,polemarchus uw opvolger4--,juist1 zeide hij lagchende1 en hierop ging hij naar het altaar#d4-- ,,vi4 ,zeg dan eens1 zeide ik1 gij opvolger in de redekaveling6 welke uitspraak van ,simonides over de regtvaardigheid u zoozeer bevalt4--,deze1 zeide hij3 dat het regtvaardig is1 ieder te geven wat men hem verschuldigd is2 ik althans vind1 dat hij daarin gelijk heeft4--,het is wel niet gemakkelijk1 zeide ik1 het gezag van ,simonides te verwerpen1 want hij is een wijs en goddelijk man2 maar toch1 wat hij hiermede zeggen wil1 moogt gij welligt vatten1 ,polemarchus6 ik begrijp het niet4 ,want het is duidelijk1 dat hij niet bedoelt1 wat wij daar even zeiden3 iemand het toevertrouwde op zijne vordering terug te geven1 als hij niet bij zijne zinnen is2 en dat toevertrouwde is men hen toch immers schuldig1 niet waar8--,ja4--,het moet echter volstrekt niet teruggegeven worden1 zoo hij het in eene vlaag van krankzinnigheid terugvraagt4--,dat is waar4--,dus meende dan ,simonides iets anders1 toen hij zeide1 dat het regtvaardig is ieder te geven wat men hem schuldig is4--,ongetwijfeld1 want hij meent1 dat de eene vriend den anderen slechts goed en geen kwaad doen moet4--,ik begrijp het al1 zeide ik1 uwe meening is1 dat hij1 die een' anderen toevertrouwd geld teruggeeft1 hem niet geeft wat hij hem verschuldigd is1 wanneer dat teruggeven voor de terugontvangenden schadelijk is1 en de ontvangende en gevende vrienden zijn4 ,houdt gij dat niet voor de meening van ,simonides8--,zekerlijk4--,maar moeten wij dan ook onze vijanden geven wat wij hun verschuldigd zijn8--,ja zeker2 wat wij hun verschuldigd zijn1 zeide hij4 ,de eene vijand toch is aan den anderen1 geloof ik1 kwaad verschuldigd4 ,,vii4 ,dus1 zeide ik1 schijnt ,simonides1 als dichter1 eene raadselachtige bepaling van de regtvaardigheid gegeven te hebben4 ,want hij meende1 geloof ik1 dat het regtvaardig is1 ieder te geven1 wat hem toekomt1 en noemde dat het verschuldigde4--,maar wat meent gij dan nu8 zeide hij4--,bij ,zeus6 zeide ik3 zoo iemand hem eens vroeg3 ,simonides6 aan wie verschaft de geneeskunst wat hun verschuldigd is en toekomt1 en wat verschaft zij8 wat gelooft gij dan wel1 dat hij zou antwoorden8--,natuurlijk1 aan de ligchamen geneesmiddelen en heilzame spijs en drank4--,en aan wie verschaft de kookkunst wat hun verschuldigd is en toekomt1 en wat verschaft zij8--,aan de toespijs#e den aangenamen smaak4--,goed3 maar wat verschaft nu de regtvaardigheid1 en aan wie8--,zoo wij ons aan het vorige moeten houden1 ,socrates6 dan verschaft zij aan vrienden en vijanden nut en schade4--,dus noemt hij het goed doen aan vrienden en kwaad doen aan vijanden regtvaardigheid8--,ik geloof van ja4 ,maar wie kan nu ten opzigte van gezondheid en ziekte zijnen vrienden1 zoo zij ongesteld zijn1 het meeste goed1 en zijnen vijanden het meeste kwaad doen8--,een arts4--,en wie1 zoo zij op een schip zijn1 ten opzigte van de gevaren der zee8--,een stuurman4--,maar wat doet dan nu de regtvaardige8 ,in welke zaak en in welk opzigt kan hij zijne vrienden goed en zijne vijanden kwaad doen8--,in het bevechten en medestrijden1 geloof ik4--,het zij zoo3 maar mijn beste ,polemarchus6 is een arts wel nuttig voor hem1 die niet ongesteld is8--,neen4--,of een stuurman voor hem1 die niets met een schip te maken heeft8--,neen4--,dus is ook een regtvaardige niet nuttig voor iemand1 die geen oorlog voert4--'t ,schijnt van neen4--,maar de regtvaardigheid is toch immers ook in vredestijd nuttig8--,wel zeker4--,en de landbouw ook8--,ja4--,om veldvruchten te bekomen4--,ja4--,en de schoenmakerskunst8--,ja4--,om schoenen te bekomen1 zult gij denkelijk zeggen4--,natuurlijk4--,maar voor welke behoefte1 of om wat te bekomen1 zoudt gij dan zeggen1 dat de regtvaardigheid in den vrede nuttig is8--,voor de verbonden1 ,socrates6--,met verbonden meent gij1 geloof ik1 al wat gemeenschappelijk gedaan wordt4--,juist4--,maar wie is dan nu een goed en bruikbaar metgezel bij het damspel1 de regtvaardige of de bedreven damspeler8--,de bedreven damspeler4--,maar is dan de regtvaardige misschien bij het metselen een nuttiger en beter metgezel dan de bouwkundige8--,wel neen4--,maar bij welke gemeenschap is dan de regtvaardige een beter metgezel dan de citherspeler1 gelijk de citherspeler#f beter is dan de regtvaardige1 bij het gezamenlijk uitvoeren van muzijkstukken8--,bij het geld zou ik zeggen4--,behalve1 geloof ik1 ,polemarchus6 bij het gebruiken van geld1 wanneer men gezamenlijk voor geld een paard moet koopen of verkoopen4 ,dan toch is de kenner van paarden de beste1 niet waar8--,ja4--,en wanneer een schip moet gekocht worden1 de scheepsbouwmeester of de stuurman4--,het schijnt zoo4--,maar bij welk gemeenschappelijk gebruik van het geld is dan de regtvaardige bruikbaarder dan anderen8--,wanneer het moet bewaard worden en zeker zijn1 ,socrates6--,dus zegt gij2 wanneer het niet moet gebruikt worden1 maar stil liggen8--,ja4--,wanneer dus het geld nutteloos is1 dan is de regtvaardigheid bij hetzelve nuttig8--,het schijnt zoo4--,en wanneer een snoeimes moet bewaard worden1 dan is de regtvaardigheid nuttig1 maar wanneer het moet gebruikt worden1 de tuinbouwkunst4--,ik geloof van ja4--,dus zult gij zeker ook zeggen1 dat bij een schild en eene lier1 wanneer zij bewaard en niet gebruikt moeten worden1 de regtvaardigheid nuttig is1 doch wanneer men ze gebruiken moet1 de schermkunst en de toonkunst8--,natuurlijk4--,en ten opzigte van alle andere dingen is dan1 indien zij gebruikt worden1 de regtvaardigheid nutteloos1 maar1 wanneer zij nutteloos daar neder liggen1 nuttig8--,het schijnt zoo4-- ,,viii4 ,maar1 mijn vriend6 de regtvaardigheid is dan eigenlijk niet veel bijzonders1 zoo zij slechts bij nuttelooze dingen nuttig is4 ,doch wij willen het nog eens aldus onderzoeken4 ,is niet hij1 die bij het boksen1 of een andere soort van vechten1 het best kan slaan1 ook de baas in het afweren van slagen8--,ongetwijfeld4--,is niet evenzoo hij1 die het best eene ziekte voorkomen kan1 het best in staat om haar te veroorzaken8--,ik zou zeggen van ja4--,en is niet hij het geschikst om eene legerplaats te bewaken1 die het best aan de vijanden hunne geheimste plannen weet te ontfutselen8--,zekerlijk4--,wat dus iemand goed kan bewaren1 dat kan hij ook goed stelen4--,juist4--,als dus de regtvaardige goed geld kan bewaren1 kan hij het ook kostelijk stelen4--,althans volgens het beredeneerde4--,dus hebben wij dan gezien1 dat de regtvaardige eene soort van dief is4 ,ik geloof haast1 dat gij dit van ,homerus geleerd hebt2 want hij roemt ,autolycus1 den grootvader van ,odysseus van moeders zijde1 en zegt1 dat hij in stelen en valsche eeden alle menschen de baas was4 ,dus schijnt dan volgens u1 en volgens ,homerus1 en volgens ,simonides1 de regtvaardigheid eene soort van stelen te zijn1 doch dat ten voordeele der vrienden en ten nadeele der vijanden geschiedt8 was dat niet uwe meening8--,wel neen1 bij ,zeus6 zeide hij1 maar ik weet niet meer1 wat ik zeide4 ,dit houd ik echter vol1 dat de regtvaardigheid aan de vrienden voordeel en aan de vijanden schade toebrengt4--,maar noemt gij nu hen vrienden1 die iemand genegen schijnen1 of die het zijn1 ook al schijnen zij het niet8 en evenzoo vijanden8--,het is ten minste natuurlijk1 zeide hij1 die men voor goedwillig houdt te beminnen1 en die men voor kwaadwillig houdt te haten4--,maar vergissen zich dan de menschen nimmer in dit opzigt1 zoodat zij velen voor goedwillig houden1 die het niet zijn1 en omgekeerd8--,wel zeker4--,voor hen zijn dus de goeden vijanden1 en de kwaden vrienden4--,ja4--,maar dan is het tevens voor hen regtvaardig de kwaden te bevoordeelen en de goeden te schaden8--,het schijnt zoo4--,maar de goeden zijn immers regtvaardig1 en afkeerig van onregt plegen8--,ja4--,dus is het volgens u regtvaardig hen1 die geen onregt plegen1 te schaden4--,wel neen1 ,socrates6 want er is zeker eene fout in de redekaveling4--,dus1 zeide ik1 is het regtvaardig de onregtvaardigen kwaad te doen1 en de regtvaardigen goed te doen4--,dit bevalt mij beter dan het vorige4--,dus1 ,polemarchus6 zal het voor zoo velen1 als zich in de menschen vergissen1 regtvaardig zijn hunne vrienden kwaad te doen1 daar zij in hunne oogen kwaad zijn1 en hunne vijanden goed te doen1 daar zij in hunne oogen goed zijn3 en zoo zullen wij dan juist het tegenovergestelde zeggen van hetgeen wij voor het gevoelen van ,simonides houden4--,dit volgt4 ,maar wij moeten anders redeneren2 want ik geloof1 dat wij vrienden en vijanden niet juist gesteld hebben4--,wat hebben wij dan verkeerd gesteld1 ,polemarchus6--,dat die goed schijnt een vriend is4--,en hoe moeten wij dat dan nu veranderen8--,dat hij1 die goed schijnt1 en tevens goed is1 een vriend is2 maar hij1 die het wel schijnt maar niet is1 slechts den schijn van vriend heeft2 en evenzoo ten opzigte van den vijand4--,dus zal1 meen ik1 volgens die opvatting1 de goede een vriend zijn en de kwade een vijand4--,ja4--,wilt gij dan nu eene wijziging maken in onze vorige bepaling der regtvaardigheid1 dat het regtvaardig is de vrienden goed te doen en de vijanden kwaad8 en moeten wij die dan dus aanvullen1 dat het regtvaardig is de vrienden1 zoo zij goed zijn1 goed te doen en de vijanden1 zoo zij kwaad zijn1 te schaden8--,juist1 zeide hij1 zoo geloof ik dat de bepaling goed zal zijn4 ,,ix4 ,maar1 zeide ik1 past het een regtvaardig mensch eigenlijk wel eenig sterveling kwaad te doen8--,wel zeker1 zeide hij1 de kwaden en vijanden moet men kwaad doen4--,maar als men paarden kwaad doet1 worden zij dan beter of slechter8--,slechter4--,ten opzigte van de deugd der honden1 of van die der paarden8--,van die der paarden4--,en wanneer men honden kwaad doet1 dan worden die zeker slechter ten opzigte van de deugd der honden en niet van die der paarden8--,natuurlijk4--,maar1 mijn vriend6 moeten wij dan niet evenzoo zeggen1 dat1 wanneer men menschen kwaad doet1 zij ten opzigte van de menschelijke deugd slechter worden8--,ongetwijfeld4--,en is de regtvaardigheid niet eene menschelijke deugd8--,ook dit stem ik toe4--,dus moeten de menschen1 die men kwaad doet1 onregtvaardig worden4--,het schijnt zoo4--,maar kunnen nu de muzijkkenners door de muzijk iemand onmuzikaal maken8--,onmogelijk4--,of kunnen de kenners der rijkunst door hunne kunst iemand de rijkunst afleeren8--,ook dat niet4--,maar kunnen dan de regtvaardigen door de regtvaardigheid iemand onregtvaardig maken8 ,of in 't algemeen de goeden door de deugd iemand kwaad8--,eigenlijk niet4--,de warmte brengt dan ook geen koude voort1 maar het tegenovergestelde4--,ja4--,en de droogte geen vochtigheid1 maar het tegenovergestelde4--,natuurlijk4--,en die goed is doet geen kwaad1 maar het tegenovergestelde4--'t ,schijnt zoo4--,edoch de regtvaardige is goed4--,zekerlijk4--,dus ,polemarchus6 doet de regtvaardige noch vriend noch vijand kwaad1 maar dit is veel meer het werk van den onregtvaardige4--,wat gij zegt1 is volkomen waar1 geloof ik1 ,socrates6--,wanneer dus iemand zegt1 dat het regtvaardig is ieder te geven1 wat men hem verschuldigd is1 en daarmede bedoelt1 dat de regtvaardige zijnen vijanden kwaad moet doen1 en zijnen vrienden goed1 dan is hij niet wijs2 want wij hebben gezien1 dat het volstrekt niet regtvaardig is iemand kwaad te doen4--,dat stem ik toe1 zeide hij4--,dus1 zeide ik1 zullen wij ons er gezamenlijk tegen verzetten1 wanneer iemand zegt1 dat ,simonides1 of ,bias1 of ,pittacus1 of een ander der wijzen van den ouden tijd dit gezegd heeft4--,wat mij betreft1 ik zal u helpen1 zoo veel ik kan4--,maar weet gij1 wie ik geloof1 dat de regtvaardigheid heeft bepaald als het goed doen aan vrienden en kwaad doen aan vijanden8--,ik niet1 zeide hij4--,ik geloof1 dat het ,periander was1 of ,perdiccas1 of ,xerxes1 of ,ismenias1 of een ander rijk man1 die zich voor heel magtig hield4--,daar houd ik het ook voor4--,wij zullen dat dan maar vaststellen4 ,maar nu het blijkt1 dat deze bepaling van de regtvaardigheid fout is1 wat zou dan nu de ware wezen8-- ,x4 ,terwijl wij aan het spreken waren1 was ,thrasymachus reeds meer dan eens op het punt geweest1 om ons in de rede te vallen1 maar de andere aanwezigen1 die ons gesprek gaarne tot het einde wilden hooren1 hadden hem teruggehouden4 ,toen wij echter1 nadat ik dit laatste gezegd had1 beiden zwegen1 kon hij niet langer stil zitten1 maar in eens kwam hij als een verscheurend dier met een sprong op ons af4 ,en ik en ,polemarchus vlogen verschrikt uit elkander1 maar hij stond in eens tusschen ons in en riep3 ,socrates6 welke dwaasheid bezielt u tegenwoordig1 en wat staat gij daar te leuteren1 en tegen elkander pligtplegingen te maken8 ,maar zoo het u ernst is1 om te weten1 wat de regtvaardigheid is1 bepaal u dan niet bij vragen1 en doe uw best niet om anderen dood te praten1 wanneer zij u antwoorden1 want gij weet heel wel1 dat het gemakkelijker is te vragen dan te antwoorden#g1 maar antwoord zelf en zeg1 wat1 volgens uw gevoelen1 het regtvaardige is4 ,en pas op dat gij niet zegt3 het betamelijke1 of het nuttige1 of het heilzame1 of het winstgevende1 of het voordeelige2 maar zeg mij duidelijk en naauwkeurig1 wat uwe meening is2 want ik zal het niet aannemen1 zoo gij weer met zulke dwaasheden voor den dag komt4--,door deze woorden verschrikte ik en zag hem bevreesd aan1 en ik geloof1 dat1 zoo ik hem niet in de oogen gezien had1 voor hij het mij deed1 ik mijne stem zou kwijt geweest zijn#h4 ,daar hij echter reeds onder ons gesprek hoe langer hoe boozer geworden was1 had ik hem eerst aangezien1 en kon dus antwoorden1 en zeide bevende3 ,thrasymachus6 wees niet boos op ons4 ,want zoo ik en hij bij het redekavelen iets verkeerd doen1 weet1 dat dit dan zonder opzet gebeurt4 ,want wees overtuigd1 dat1 zoo wij goud zochten1 wij het vinden daarvan niet met opzet en uit pligtpleging zouden doen mislukken1 en nog veel minder dwaas genoeg zijn1 om bij het zoeken van de regtvaardigheid1 die veel kostelijker is dan goud1 elkander toe te geven1 en niet ons uiterste best te doen1 om wat wij zoeken voor den dag te halen4 ,geloof dat niet1 mijn vriend6 ,maar ik denk1 dat wij het niet kunnen4 ,dus is het veel billijker1 dat gij1 knappe menschen1 medelijden met ons hebt1 dan dat gij boos op ons wordt4-- ,,xi4 ,toen hij dat hoorde1 lachte hij kwaadaardig1 en zeide3 ,bij ,hercules6 dat is die gewone veinzerij van ,socrates1 en dat wist ik wel en zeide het de anderen vooruit1 dat gij niet zoudt willen antwoorden1 maar zoudt veinzen en alles liever doen1 dan antwoorden1 zoo men u vroeg4--,gij hebt ook zoo veel doorzigt1 ,thrasymachus6 zeide ik4 ,weet dan1 dat zoo gij iemand vroegt1 hoeveel twaalf is1 en tevens tot hem zeidet3 pas op1 man6 dat gij niet zegt3 twaalf is twee maal zes1 of drie maal vier1 of zesmaal twee1 of vier maal drie1 want ik zal het niet aannemen1 wanneer gij met zulke dwaasheden voor den dag komt1 dat dan1 zoo als gij ook zelf wel begrijpt1 niemand op die vraag zou kunnen antwoorden4 ,maar zoo hij nu eens tot u zeide3 ,thrasymachus1 hoe wilt gij8 mag ik niets zeggen van al wat gij daar hebt opgenoemd8 ,ook niet1 mijn vriend1 zoo het een van die allen is2 maar moet ik dan wat anders zeggen dan de waarheid8 wat zoudt gij dan daarop antwoorden8--,dat is wat moois1 zeide hij4 ,even als of dat geval hetzelfde is4--,waarom niet8 zeide ik4 ,doch al is het zoo niet1 wanneer het maar aan den anderen zoo voorkomt1 gelooft gij dan1 dat hij minder zijn gevoelen zal zeggen1 of wij het hem verbieden of niet8--,maar zult gij dan zoo doen8 ,zult gij een van de antwoorden geven1 die ik u verboden heb8--,misschien wel1 zoo ik er over nadenk en tot die gevolgtrekking kom4--,maar zoo ik een ander en beter antwoord geef op de vraag1 wat de regtvaardigheid is1 wat zijt gij dan voornemens te doen8--,wat anders1 dan hetgeen een onwetende past1 namelijk te leeren van hem die het weet8 waartoe ik dus bereid ben4--,gij zijt wel vriendelijk1 maar behalve dat leeren1 moet gij geld geven4--,wacht dan maar1 tot ik het zelf heb1 zeide ik#i4--;,dat is niets1 zeide ,glauco4 ,wat het geld betreft1 ,thrasymachus6 dat zullen wij gezamenlijk voor ,socrates betalen2 spreek gij maar op4--,wel ja1 zeide hij4 ,zeker1 opdat ,socrates weer naar gewoonte doen kan1 en zelf niet antwoordt1 maar anderen laat antwoorden1 om ze dan rekenschap te vragen en dood te praten4--,maar1 mijn beste6 zeide ik1 hoe zou iemand kunnen antwoorden1 die vooreerst niets weet noch voorgeeft te weten1 en ten andere1 zoo hij al eene meening heeft1 van een gewigtig persoon een verbod gekregen heeft om die te zeggen8 ,het is dus veel beter1 dat gij spreekt1 daar gij zegt het te weten en in staat te zijn het te zeggen4 ,doe dan niet anders1 maar doe mij het genoegen van te antwoorden1 en misgun aan ,glauco en de anderen uw onderwijs niet4-- ,,xii4 ,toen ik dit zeide1 deden ,glauco en de anderen hem hetzelfde verzoek4 ,en het was duidelijk1 dat ,thrasymachus verlangde te spreken1 om eer in te leggen1 daar hij meende een zeer schoon antwoord te hebben1 doch dat hij voorgaf er op gesteld te wezen1 dat ik zou antwoorden4 ,eindelijk echter gaf hij toe1 doch zeide nog eerst3 dat is dan die groote wijsheid van ,socrates#aj1 zelf geen onderrigt te willen geven1 maar rondgaande van anderen te leeren en daarvoor niet eens dankbaarheid te betoonen4--,hierop zeide ik3 dat ik van anderen leer1 ,thrasymachus6 daarin hebt gij gelijk1 maar dat ik1 zoo als gij zegt1 geene dankbaarheid betoon1 dat liegt gij2 want ik betoon die zoo veel ik kan4 ,doch ik kan slechts prijzen1 want geld heb ik niet4 ,dat ik dit echter gewillig doe1 zoo ik vind1 dat iemand goed spreekt1 dat zult gij dadelijk merken1 wanneer gij wilt antwoorden1 want ik heb hoop1 dat gij goed zult spreken4--,hoor dan1 zeide hij4 ,ik zeg1 dat het regtvaardige niets anders is1 dan het voor den sterksten nuttige4 ,maar waarom prijst gij niet8 ,zeker omdat gij niet wilt4--,als ik eerst begrijp1 wat gij bedoelt1 zeide ik1 want nu vat ik het nog niet4 ,gij zegt1 dat het voor den sterkeren nuttige regtvaardig is4 ,wat meent gij daarmede1 ,thrasymachus8 ,toch niet1 dat zoo ,polydamus1 de kampvechter1 sterker is dan wij en ossevleesch nuttig is voor zijn ligchaam1 deze spijs dan ook voor ons1 die zoo veel minder sterk zijn1 nuttig en regtvaardig is8--,gij zijt laf1 ,socrates6 zeide hij1 en vat mijne woorden z op1 als u het gemakkelijkst is1 om er op te vitten4--,och neen1 mijn waarde6 maar zeg dan wat duidelijker uwe bedoeling4--,weet gij dan niet1 dat sommige ,staten door ,vorsten1 andere door het volk1 andere door de edelen bestuurd worden8--,wel zeker4--,en is nu niet in iederen ,staat het regerende deel het sterkste8--,natuurlijk4--,edoch nu maakt iedere regering wetten overeenkomstig met hetgeen voor haar nuttig is1 de volksregering voor het volk1 de vorstelijke voor den ,vorst1 de adelijke voor de edelen1 enz4 ,hierdoor verklaren zij wat voor hen nuttig is regtvaardig voor de onderdanen1 en die daartegen handelt straffen zij als een' overtreder en onregtvaardigen4 ,dus1 mijn beste6 noem ik in alle ,staten hetzelfde regtvaardig1 te weten3 wat nuttig is voor de bestaande regering4 ,zij nu is de sterkste1 zoodat iemand1 die goed redeneert1 overal hetzelfde regtvaardig vindt1 namelijk het nuttige voor den sterksten4--,nu1 zeide ik1 begrijp ik1 wat gij zegt1 maar1 of het waar is of niet1 zal ik pogen te onderzoeken4 ,dus1 ,thrasymachus6 houdt ook gij het regtvaardige voor het nuttige1 hoewel gij mij dat antwoord verboden hadt4 ,alleen hebt gij er bijgevoegd3 voor den sterksten4--,dat is zeker een klein toevoegsel4--,het blijkt nog niet of het groot is1 maar wel1 dat wij zien moeten1 of gij de waarheid zegt4 ,want nu ook ik het regtvaardige iets nuttigs#aa noem1 maar gij er wat bijvoegt1 en zegt3 het nuttige voor den sterksten1 en ik daaromtrent onzeker ben1 moeten wij dat onderzoeken4--,onderzoek het dan maar4-- ,,xii4 ,dat zullen wij hebben4 ,zeg mij dan eens1 of gij het niet voor regtvaardig houdt aan de overheden te gehoorzamen4--,ja4--,maar zijn nu alle overheden in alle ,staten onfeilbaar1 of kunnen zij zich ook vergissen8--,zij kunnen zich duchtig vergissen4--,maar als zij nu wetten pogen te maken1 maken zij die zeker deels goed1 deels niet goed8--,ik meen van ja4--,edoch goede wetten te maken is nuttige voor zich zelven te maken1 en niet goede niet nuttige4--,zoo is het4--,en wat zij als wet vaststellen1 dat moeten de onderdanen doen1 en dat is regtvaardig4--,natuurlijk4--,dus is het volgens uwe woorden regtvaardig1 niet alleen het voor den sterksten nuttige te doen maar ook het tegenovergestelde1 het niet nuttige4--,wat zegt gij daar8--,hetzelfde als gij1 geloof ik4 ,maar wij willen het beter beschouwen4--,hebt gij niet toegestemd1 dat de regering1 wanneer zij de onderdanen beveelt1 iets te doen1 zich somtijds vergist omtrent hetgeen voor haar het nuttigste is1 en dat het voor de onderdanen regtvaardig is te doen wat de regering beveelt4 ,hebt gij dat niet toegestemd8--,ik meen van ja4--,meen er dan bij1 dat gij toegestemd hebt1 dat het ook regtvaardig is het voor de overheden en de sterksten schadelijke te doen2 want wanneer de overheden bij ongeluk bevelen wat voor hen schadelijk is1 en gij beweert1 dat het regtvaardig is te doen1 wat zij bevelen1 volgt daar niet uit1 o wijze ,thrasymachus6 dat het dan regtvaardig is het tegengestelde te doen van hetgeen gij zegt8 ,want dan wordt aan den minderen bevolen te doen wat voor den sterksten schadelijk is4--,dat volgt er duidelijk uit1 ,socrates6 zeide ,polemarchus4--,wel te verstaan1 zoo gij helpt om het er uit te halen1 zeide ,clitophon1 het woord opnemende4--,die hulp is niet noodig1 zeide ,polemarchus2 want ,thrasymachus zelf erkent1 dat de overheden somtijds wat voor hen nadeelig is bevelen1 en dat het voor de onderdanen regtvaardig is dat te doen4--,dat volgt zeker1 ,polemarchus6 omdat ,thrasymachus gesteld heeft1 dat het regtvaardig is te doen1 wat door de overheden bevolen wordt4--,en omdat hij ook gesteld heeft1 ,clitophon6 dat het voor den sterksten nuttige regtvaardig is1 en na beiden gesteld te hebben1 heeft toegestemd1 dat de sterksten somtijds wat voor hen nadeelig is aan de minderen en onderdanen voorschrijven4 ,volgens al die stellingen toch is het voor den sterksten nuttige geen zier regtvaardiger dan het niet nuttige4--,maar1 zeide ,clitophon1 hij meende met het nuttige voor den sterksten hetgeen de sterkste nuttig voor zich oordeelt1 en hij stelde1 dat de mindere dit doen moet1 en dat dit regtvaardig is4--,maar dat heeft hij niet gezegd1 zeide ,polemarchus4--,het doet er niets toe1 zeide ik1 ,polemarchus6 maar zoo ,thrasymachus het nu z zegt1 laat ons het dan maar z opvatten4 ,,xiv4 ,zeg mij dan eens1 ,thrasymachus6 hebt gij met de bepaling van het regtvaardige1 als het voor den sterksten nuttige1 slechts willen zeggen3 wat aan den sterksten nuttig voorkomt1 hetzij het zulks is of niet6 moeten wij dat voor uw gevoelen houden8--,wel neen1 zeide hij1 maar denkt gij dan1 dat ik iemand1 die dwaalt1 wanneer hij dwaalt1 den sterksten noem8--,ik meende van ja1 was mijn antwoord1 daar gij hebt toegestemd1 dat de overheden niet onfeilbaar zijn1 maar zich somtijds vergissen4--,socrates6 gij zijt een woordverdraaijer4 ,heet gij dan iemand arts1 die zich omtrent de zieken vergist1 voor zoover hij zich vergist1 of iemand1 die fout rekent1 wanneer hij fout rekent1 een rekenkundigen8 ,ik houd het daarvoor1 dat wij alleen bij wijze van spreken zeggen1 dat de arts1 of rekenkundige1 of letterkundige eene fout gemaakt heeft2 maar dat eigenlijk ieder hunner1 voor zoo ver hij dat is1 wat wij hem noemen1 nooit fout doet3 zoodat1 om naauwkeurig te spreken1 daar gij toch z op naauwkeurigheid gesteld zijt1 geen kunstenaar zich ooit vergist4 ,want fouten maakt ieder door dien zijne kunst hem ontschiet1 dus door dien hij op dat oogenblik geen kunstenaar is2 zoodat een kunstenaar1 of wijze1 of overheidspersoon zich nooit vergist1 wanneer hij overheidspersoon1 enz4 is2 hoewel ieder zegt3 de arts heeft zich vergist en de overheid heeft zich vergist4 ,houd dan dit voor hetgeen ik heb willen zeggen4 ,dit nu druk ik letterlijk z uit1 dat de overheid1 als overheid1 niet misdoet1 en niet misdoende het voor haar nuttige beveelt1 en dat de onderdaan dit doen moet4 ,zoodat ik1 gelijk in den beginne1 het regtvaardige bepaal als het voor den sterksten nuttige4 ,,xv4 ,het zij zoo1 ,thrasymachus6 zeide ik1 maar vindt gij dat ik de woorden verdraai8--,wel zeker4--,meent gij dan1 dat ik met kwade trouw en om u er te doen inloopen die vraag gedaan heb8--,neen1 maar dat weet ik4 ,maar gij zult er niets mede vorderen2 want ik zal uwe streken wel merken1 en u dus beletten mij in het naauw te brengen4--,dat zal ik niet eens beproeven1 mijn beste6 ,maar1 om nu niet nog eens dezelfde grap te hebben1 verzoek ik u te bepalen1 of gij met dien overheidspersoon en dien sterksten1 wiens voordeel de maatstaf is van het voor den minderen regtvaardige1 den zoogenaamden of den eigenlijken bedoelt4--,ik bedoel hem1 die in den allereigenlijksten zin overheidspersoon is4 ,verdraai dat nu1 en vit er op1 zoo gij kunt2 want ik vraag u niet om verschooning4 ,maar gij zijt er niet toe in staat4--,denkt gij dan1 dat ik dwaas genoeg ben1 om een leeuw te willen scheren1 of op ,thrasymachus te vitten8--,gij hebt het toch1 met al uwe nietigheid1 daar even beproefd4--,laat ons daar een speldje bij steken4 ,maar zeg mij3 die arts in den eigenlijken zin van daar even1 is dat een geldwinner of een genezer van zieken8 ,spreek nu van hem1 die in waarheid arts is4--,een genezer van zieken4--,en de stuurman8 ,is de goede stuurman een opperhoofd der schepelingen of een schepeling8--,een opperhoofd der schepelingen4--,wij moeten nu niet in aanmerking nemen1 geloof ik1 dat hij zelf op het schip is1 noch hem daarom schepeling noemen2 want wij noemen hem geen stuurman1 omdat hij op het schip is1 maar om zijne kunst en zijn gezag over de schepelingen4--,dat is waar4--,is nu niet voor ieder ding een bepaald iets nuttig8--,zekerlijk4--,en is het niet de taak der kunst1 voor ieder het nuttige te zoeken en te verschaffen8--,juist4--,en is er nu ook voor iedere kunst iets nuttigs buiten haar1 hetwelk zij noodig heeft1 of is iedere voor zich zelve genoeg1 om zoo volmaakt mogelijk te zijn8--,hoe meent gij dat8--,bij voorbeeld1 wanneer gij mij vroegt1 of het voor het ligchaam genoeg is ligchaam te zijn1 dan of het iets bovendien noodig heeft2 dan zou ik zeggen3 ,het heeft stellig iets bovendien noodig4 ,immers omdat het ligchaam dikwijls niet wel is1 en aan zich zelf niet genoeg heeft1 is de geneeskunst uitgevonden1 en deze is er geheel op ingerigt1 om aan hetzelve het nuttige te verschaffen4 ,vindt gij1 dat deze bewering juist is1 of niet8--,juist4--,maar is nu de geneeskunst ook niet wel1 of heeft eenige kunst eene aanvulling noodig1 zoo als de oogen het gezigt en de ooren het gehoor1 en wordt er dus weder een kunst vereischt1 om het voor haar nuttige te zoeken en te verschaffen8 ,is er ook in de kunst zelve een gebrek1 en behoeft iedere kunst eene andere1 om het voor haar nuttige op te sporen1 en die andere weder eene derde1 en zoo in het oneindige2 of onderzoekt zij zelve het voor haar nuttige8 of liever1 behoeft noch zij zelve noch eene andere het voor haar gebrek nuttige op te sporen1 daar geene kunst#ab eenige fout of gebrek heeft1 en ook niet bestemd is1 om voor iets anders dan voor hetgeen1 waarvan zij de kunst is1 het nuttige te zoeken2 terwijl zij zelve goed en zonder gebrek en onzuiverheid is1 zoo lang zij datgene is1 wat zij eigenlijk wezen moet4 ,zie nu eens1 wanneer gij alles in den eigenlijken zin neemt1 of het z is1 of anders4--,ik vind het z4--,dus zoekt de geneeskunst niet wat voor haar1 maar wat voor het ligchaam nuttig is8--,ja4--,en de kunst der paardenfokkerij zoekt niet het voor haar1 maar het voor de paarden nuttige2 en geene andere kunst zorgt voor zich zelve1 want zij behoeft het niet1 maar voor dat1 waarvan zij de kunst is4--,dat vind ik ook1 zeide hij4--,maar ,thrasymachus6 de kunsten beheerschen en besturen datgene1 waarvan zij kunsten zijn4--,ook dit stemde hij zeer schoorvoetende toe4--,dus zoekt of beveelt geene kunst wat voor den sterkeren en regerenden1 maar wat voor den minderen en voor haren onderdaan nuttig is4--,ook dit gaf hij eindelijk toe1 hoewel hij eerst nog tegenstribbelde4 ,toen hij het echter had toegegeven1 zeide ik3 ,dus onderzoekt of beveelt geen arts1 als arts1 het voor hem1 maar het voor den zieken nuttige2 want wij hebben toegestemd1 dat de arts in den eigenlijken zin een genezer1 en in zooverre bestuurder der zieken is1 maar geen geldwinner1 niet waar8--,ja4--,en dat de stuurman eigenlijk een opperhoofd der schepelingen1 geen schepeling is8--,ja4--,dus zal dan ook zulk een stuurman en opperhoofd niet bevelen1 wat voor den stuurman1 maar wat voor den schepeling1 die onder hem staat1 nuttig is8--,dit stemde hij met moeite toe4--,dus1 ,thrasymachus6 onderzoekt of beveelt ook niemand anders in eenigen overheidspost1 voor zoover hij overheidspersoon is1 wat voor hem1 maar wat voor de onderdanen1 wier belangen hij behartigt1 nuttig is1 en hun nut en voordeel houdt hij bij al zijne woorden en daden in het oog4 ,,xvi4 ,toen wij nu zoover met ons gesprek gekomen waren1 en allen duidelijk merkten1 dat het oogpunt1 waaruit de regtvaardigheid beschouwd werd1 geheel veranderd was1 zeide ,thrasymachus op eens1 in plaats van te antwoorden3 ,socrates6 hebt gij ook eene kindermeid8--,hoe zoo8 zeide ik4--,wel1 die verwaarloost u dan1 terwijl uwe neus verstopt is1 en snuit u niet1 hoe zeer gij het noodig hebt1 daar gij niet eens herders en schapen kunt onderscheiden4--,wat moet dat beduiden8 zeide ik4--,niets anders1 dan dat gij meent1 dat de herders of ossendrijvers het nut van de schapen of ossen zoeken1 en die met een ander doel vet maken en verzorgen dan ten voordeele van hunne heeren en van zich zelven1 en dat de overheden in de steden1 zoo zij waarlijk regeren1 anders over de onderdanen denken dan een herder over de schapen1 en dag en nacht iets anders zoeken dan hun eigen voordeel#ac4 ,en gij zijt zoover van de wijs ten opzigte van het regtvaardige en de regtvaardigheid en het onregtvaardige en de onregtvaardigheid1 dat gij niet merkt1 hoe de regtvaardigheid en het regtvaardige goed en nuttig is voor een ander1 namelijk voor den sterkeren en den regeringspersoon1 maar louter nadeel voor den minderen en den onderdaan2 terwijl daarentegen de onregtvaardige over die waarlijk onnoozelen en regtvaardigen heerscht1 doch zij als onderdanen tot nut verstrekken voor hem1 die sterker is1 en door hunne diensten wel hem gelukkig maken1 maar geenszins zich zelven4 ,maar1 onnoozele ,socrates6 gij moet het z beschouwen1 om in te zien1 dat een regtvaardig mensch overal minder heeft dan een onregtvaardige4 ,vooreerst zult gij bij den afloop van ondernemingen1 die zij gemeenschappelijk hebben tot stand gebragt1 nooit zien1 dat de regtvaardige meer heeft dan de onregtvaardige1 maar integendeel minder2 verder betaalt een regtvaardige bij alle opbrengsten en belastingen meer van een gelijk vermogen1 en de onregtvaardige minder1 eindelijk1 wint de eerste bij gunstige gelegenheden1 om het geld van den staat op te steken1 niets1 en de andere veel4 ,immers wanneer beiden een overheidsambt bekleeden1 gaan behalve andere schade de bijzondere zaken van den regtvaardigen door verwaarloozing achteruit1 en door zijne regtvaardigheid bekomt hij niets uit de schatkist1 terwijl hij in haat komt bij zijne bloedverwanten en vrienden1 omdat hij ze niet tegen de billijkheid wil bevoordeelen1 maar de onregtvaardige heeft van dat alles het tegenovergestelde4 ,want ik heb hierbij het oog op iemand1 die in de gelegenheid is1 om groote winsten te doen4 ,zulk eenen moet gij dus beschouwen1 zoo gij wilt oordeelen1 hoe veel nuttiger het voor ieder afzonderlijk is onregtvaardig dan regtvaardig te zijn4 ,en dit zult gij het duidelijkst inzien1 wanneer gij het oog vestigt op de volkomenste onregtvaardigheid1 en die den onregtvaardigen het allergelukkigst maakt1 maar zijne slagtoffers en hen1 die niet onregtvaardig willen handelen1 het allerongelukkigst4 ,dit is de tiranny#ad1 die niet met stukjes en beetjes het goed van anderen in het geheim of gewelddadig ontvreemdt1 maar het gewijde en het ongewijde1 het goed van enkelen en van den staat met nen slag inpakt4 ,wanneer iemand in n dier punten onregtvaardig handelt en dit niet kan verbergen1 wordt hij gestraft1 en moet groote schande verduren1 want die zulke stukjes bedrijven1 heeten heiligschenders1 menschendieven1 inbrekers1 roovers1 enz42 maar wanneer iemand niet slechts het geld zijner medeburgers maar hen zelve in zijne magt weet te krijgen1 dan wordt hij1 in plaats van die leelijke namen1 door zijne medeburgers en door alle anderen1 die hooren1 dat hij de geheele onregtvaardigheid begaan heeft1 een gunsteling van de fortuin genoemd2 want men scheldt niet op de onregtvaardigheid1 uit vrees voor het doen1 maar voor het ondervinden van onregtvaardige handelingen4 ,zoo is dan1 ,socrates6 de ten top gevoerde onregtvaardigheid sterker en vrijer en koninklijker dan de regtvaardigheid1 en1 zoo als ik van den beginne zeide1 het regtvaardige is het voor den sterkeren nuttige1 maar de onregtvaardige behartigt zijn eigen nut en voordeel4 ,,xvii4 ,toen ,thrasymachus dit gezegd had1 was hij voornemens heen te gaan1 nadat hij als een badknecht ons had overgoten met eene groote hoeveelheid van woorden4 ,de aanwezigen echter lieten dit niet toe1 maar drongen hem te blijven en van het gezegde rekenschap te geven4 ,ook ik voegde mijn dringend verzoek bij het hunne1 en zeide3 ,thrasymachus6 gij hebt daar zulk een belangrijk onderwerp ter tafel gebragt1 en wilt nu heengaan1 voor dat gij behoorlijk met ons hebt onderzocht1 of het z is1 of anders4 ,of meent gij een punt van ondergeschikt belang te hebben aangeroerd1 en niet het beginsel1 waarnaar ieder onzer zijn leven moet inrigten1 om het meeste geluk te genieten8--,maar denk ik er dan anders over8 zeide hij4--,het schijnt zoo1 zeide ik1 tenzij wij u onverschillig zijn1 en het u niet schelen kan1 of wij beter of slechter leven1 nu wij onkundig zijn van hetgeen gij zegt te weten4 ,maar mijn beste6 wees zoo goed dit ook aan ons te verklaren2 het zal u geen kwaad doen1 zoo gij ons1 zoo velen als wij zijn1 eene weldaad bewijst4 ,want ik voor mij verzeker u1 dat ik u niet geloof en niet van gevoelen ben1 dat de onregtvaardigheid voordeeliger is dan de regtvaardigheid1 zelfs wanneer men haar laat begaan en niet verhindert in hetgeen zij doen wil4 ,maar1 mijn vriend1 stel dat iemand onregtvaardig is1 en f in 't verborgen f door zijne magt gerust onregtvaardig kan handelen2 toch overtuigt hij mij niet1 dat onregtvaardigheid voordeeliger is dan regtvaardigheid4 ,ditzelfde is welligt met nog anderen dan mij het geval4 ,overtuig ons dan naar behooren1 dat wij verkeerd doen1 zoo wij de regtvaardigheid boven de onregtvaardigheid verkiezen4--,maar hoe zal ik u overtuigen8 zeide hij4 ,want zoo gij door het gezegde niet overtuigd zijt1 wat kan ik dan verder doen8 ,moet ik dan die denkbeelden in uwe ziel ingieten8--,wel neen6 dat niet2 maar vooreerst1 blijf bij uwe grondstellingen1 of zoo gij die verandert1 geef dat dan duidelijk te kennen en zoek ons niet te foppen4 ,nu echter ziet gij1 ,thrasymachus6 want wij moeten het vorige nog eens in het oog vatten1 dat gij1 na van den arts in den eigenlijken zin gesproken te hebben1 den herder niet meer in den eigenlijken zin hebt willen nemen1 maar beweert1 dat hij1 voor zoo ver hij herder is1 de schapen niet weidt1 ten einde hun nuttig te wezen1 maar als een smulpaap1 die plan heeft een goeden schapenbout te eten1 of als een koopman1 die ze verkoopen wil2 niet als een herder4 ,en toch heeft de herderskunst geen ander doel dan hetgeen haar toevertrouwd is1 zoo goed mogelijk te maken1 terwijl zij zelve1 wat hare eigenaardige voortreffelijkheid aangaat1 genoeg is toegerust1 om tot het zijn van herderskunst niets anders noodig te hebben4 ,evenzoo hield ik het nu ook voor ons noodzakelijk toe te stemmen1 dat alle overheid in elk vak van bestuur1 voor zoo ver zij overheid is1 niemands voordeel zoekt dan dat van den onderdaan1 die haar is toevertrouwd4 ,of meent gij1 dat de overheden in de steden1 voor zoover zij wezenlijk overheden zijn1 uit eigen verkiezing het bewind voeren8--,neen1 zeide hij1 maar dat weet ik zeker4 ,,xviii4 ,maar1 ,thrasymachus6 merkt gij dan niet1 dat geen overheidspersoon uit vrije beweging het bewind voert1 maar allen loon vorderen1 daar niet zij1 maar de onderdanen1 bij hunne regering belang hebben8 ,zeg mij dan eens dit4 ,beweren wij niet1 dat iedere kunst zich daardoor van de anderen onderscheidt1 dat zij eene verschillende strekking heeft8 ,antwoord mij nu niet tegen uwe meening1 opdat wij vooruitkomen4--,ja daardoor onderscheidt zij zich4--,en verschaft iedere kunst niet een aan haar alleen eigen voordeel1 b4 v4 de geneeskunst gezondheid1 de stuurmanskunst veiligheid op zee1 en de andere evenzoo8--,ja4--,en zoo ook de kunst van geldverdienen geld1 want dat is hare strekking#ae4 ,of houdt gij de geneeskunst en de stuurmanskunst voor n en dezelfde8 en zoo gij alles1 zoo als is afgesproken1 in den eigenlijken zin neemt1 onderscheidt gij ze dan niet veel meer1 al wordt ook soms een stuurman door de zeelucht gezond8--,ja zeker onderscheid ik ze4--,en evenmin1 denk ik1 verwart gij de kunst van geldverdienen met de geneeskunst1 al verdient iemand geld door het geven van geneesmiddelen8--,wel neen4--,en hebben wij niet toegestemd1 dat iedere kunst hare eigenaardige nuttigheid heeft8--,ja4--,wanneer dus alle kunstenaars een gelijksoortig voordeel genieten1 dan is het duidelijk1 dat zij allen daartoe buiten hunne kunst nog een gelijksoortig middel aanwenden4--,het schijnt zoo4--,wij moeten dus zeggen1 dat de kunstenaars geldverdienen en hun voordeel doen1 door de kunst van geldverdienen bij hunne andere bezigheid uit te oefenen4--,dit stemde hij schoorvoetend toe4--,derhalve heeft ieder1 die geld verdient1 dit voordeel niet van zijne kunst1 maar1 wanneer alles in den eigenlijken zin moet genomen worden1 dan veroorzaakt de geneeskunst gezondheid1 en de kunst van geldverdienen geld2 de bouwkunst woningen1 en de kunst van geldverdienen1 die met haar te gelijk wordt uitgeoefend1 geld2 en aldus doen ook de overigen ieder haar werk1 en behartigen het voordeel van hetgeen haar is toevertrouwd4 ,maar zoo zij niet om loon worden uitgeoefend1 heeft dan de kunstenaar wel eenig nut van zijne kunst8--,ik zou zeggen1 neen4--,en doet hij ook geen nut wanneer hij voor niet werkt8--,dat wel4--,dus is het dan nu duidelijk1 ,thrasymachus6 dat geene kunst en geene overheid haar eigen voordeel zoekt1 maar1 zoo als wij reeds gezegd hebben1 de zaken van den onderdaan besturende1 daarbij het nut van hem1 die minder is1 op het oog heeft1 niet dat van den sterksten4 ,daarom1 vriend ,thrasymachus6 zeide ik daar even1 dat niemand uit eigen verkiezing het bewind voeren en de verwarde zaken van anderen wil in orde brengen1 maar dat zij loon vorderen1 daar hij1 die goed eene kunst uitoefent1 daarbij nooit zijn eigen voordeel1 maar veeleer dat van het voorwerp der kunst bevordert1 waarom ook als drangreden tot het aannemen van overheidsambten loon1 b4 v4 geld1 of eer1 of boete1 zoo men het afslaat1 noodzakelijk is4 ,,xix4 ,hoe meent gij dat1 ,socrates6 zeide ,glauco4 ,want de twee eerste soorten van loon ken ik1 maar ik vat niet1 wat gij met die boete meent1 en hoe gij haar mede rekent bij het spreken over loon4--,dus1 zeide ik1 vat gij het loon niet der uitstekendsten1 om hetwelk de besten het bestuur aanvaarden8 ,of weet gij niet1 dat geldgierigheid en eerzucht gewoonlijk wordt afgekeurd8--,ja ik4--,daarom willen de goeden niet om geld of eer het bewind voeren2 want zij willen niet door openlijk geld aan te nemen1 of het zich heimelijk toe te eigenen1 den naam van huurlingen of van dieven bekomen2 en evenmin om eer1 want zij zijn niet eerzuchtig4 ,dus wordt er dwang en boete vereischt1 om hen tot het aannemen van het bestuur te noodzaken1 en daarom schijnt men het schandelijk te vinden1 zoo iemand uit eigen beweging eene overheidsbetrekking zoekt1 en niet wacht tot hij gedwongen wordt die aan te nemen4 ,nu bestaat de grootste boete daarin1 dat zij1 zoo zij niet zelve regeren willen1 in de magt komen van minder goeden dan zij1 en uit vrees daarvoor1 geloof ik1 dat de goeden het bewind op zich nemen4 ,en dan aanvaarden zij het niet als iets goeds1 dat hun veel genoegen zal verschaffen1 maar als iets onvermijdelijks1 en dat zij niet aan anderen1 die er even goed of beter voor berekend zijn1 kunnen opdragen4 ,daarom denk ik1 dat1 zoo er eens een staat van enkel goede menschen bestond1 het niet regeren daar evenzeer zou gezocht worden als tegenwoordig het regeren1 en dat het dan zou blijken1 dat de ware regent niet zijn nut zoekt1 maar dat van den onderdaan1 en bij gevolg ieder verstandig mensch liever onder het bestuur van anderen wil staan1 dan zich zelven met het bewind te belasten4 ,zoo geef ik dan geenszins aan ,thrasymachus toe1 dat het regtvaardige het voor den sterksten nuttige is2 doch hierover nader1 want wat ,thrasymachus nu zegt1 dat het leven van den onregtvaardigen veel beter is dan dat van den regtvaardigen1 vind ik van veel meer gewigt4 ,daarom vraag ik u1 ,glauco6 wat gij verkiest1 en wat u het meest met de waarheid schijnt overeen te komen4--,dat het leven van den regtvaardigen voordeeliger is4--,maar gij hebt toch gehoord1 hoe vele voorregten der onregtvaardigheid ,thrasymachus daar even opsomde4--,ja wel1 maar ik geloof hem niet4--,willen wij hem dan trachten om te praten1 zoo wij kans zien aan te toonen1 dat zijne meening verkeerd is4--,gaarne4--,zoo wij dan1 hem tegensprekende1 stelling tegen stelling zetten en de voorregten der regtvaardigheid opsommen1 en dan hij weer1 en wij vervolgens nog eens1 dan is het noodig de voorregten aan weerskanten te tellen en te wegen1 en dan moeten er regters zijn om vonnis te vellen2 maar zoo wij het1 gelijk daareven1 punt voor punt zamen trachten eens te worden1 dan zullen wij regters en redenaars tevens zijn4--,juist4--,wat bevalt u dan nu het beste8--,het laatste zeide hij#af4-- ,,xx4 ,komaan dan1 ,thrasymachus6 zeide ik1 antwoord ons eens van voren af aan4 ,gij beweert dus1 dat de volmaakte onregtvaardigheid voordeeliger is1 dan de volmaakte regtvaardigheid4--,ja zeker1 beweer ik dat1 en ik heb reeds gezegd1 waarom4--,maar hoe stelt gij het dan hiermede8 ,noemt gij niet de ne deugd1 de andere ondeugd8--,natuurlijk4--,immers de regtvaardigheid deugd en de onregtvaardigheid ondeugd8--,waarschijnlijk1 zeide hij1 omdat ik de onregtvaardigheid voor nuttig1 de regtvaardigheid voor nutteloos houd4--,maar hoe dan8--,het tegenovergestelde4--,noemt gij dan de regtvaardigheid ondeugd8--,neen1 maar nave onschuld4--,en dan de onregtvaardigheid zeker schuld4--,neen1 maar schranderheid4--,dus1 ,thrasymachus6 houdt gij de onregtvaardigen voor schrander en goed8--,ja1 zoo zij volkomen onregtvaardig kunnen zijn1 en steden en volken aan zich kunnen onderwerpen4 ,of meent gij1 dat ik van zakkenrollers spreek8 ,dat is ook wel voordeelig1 zoo het verborgen blijft1 maar het kan bij het andere niet halen4--,ik begrijp zeer goed1 wat gij bedoelt2 maar het bevreemdt mij1 dat gij de onregtvaardigheid als deugd en wijsheid en de regtvaardigheid als het tegenovergestelde beschouwt4--,en toch doe ik dat4--,dit is nog sterker dan het vorige1 mijn vriend6 en waarlijk niet ligt om tegen te spreken4 ,want zoo gij steldet1 dat de onregtvaardigheid nuttig is1 maar ze toch1 gelijk anderen1 voor ondeugd en voor iets schandelijks hieldt1 dan konden wij er op de gewone wijs nog iets tegen zeggen2 nu echter merk ik1 dat gij zeggen wilt1 dat zij schoon en sterk is1 en haar ook al de andere eigenschappen zult toekennen1 die men gewoonlijk aan de regtvaardigheid toekent1 daar gij haar als deugd en wijsheid hebt durven beschouwen4--,dat raadt gij goed4--,en toch moeten wij niet aarzelen uwe bewering te onderzoeken1 zoo lang wij ten minste gelooven1 dat gij in ernst spreekt4 ,want1 ,thrasymachus6 ik geloof nu waarlijk1 dat gij niet schertst1 maar wat gij zegt1 inderdaad voor waarheid houdt#ag4--,wat raakt het u1 of ik het voor waarheid houd of niet2 weerleg maar wat ik gezegd heb4--,het raakt mij eigenlijk niet1 zeide ik4 ,maar beproef mij nu nog hierop te antwoorden4 ,gelooft gij1 dat een regtvaardige meer dan een regtvaardige zou willen hebben8--,wel neen6 want dan was hij niet beleefd en onschuldig4--,en meer1 dan hij door regtvaardige daden bekomen kon8--,ook niet4--,en zou hij meer willen hebben dan een onregtvaardige1 en dat regtvaardig vinden of niet8--,hij zou het wel zoo vinden en willen1 maar niet kunnen4--,dat vraag ik niet1 maar of niet een regtvaardige evenveel als een regtvaardige en meer dan een onregtvaardige zou willen hebben4--,ja1 zoo is het4--,en zou een onregtvaardige niet meer dan een regtvaardige en dan door regtvaardige middelen verkregen wordt1 willen hebben8--,natuurlijk1 daar hij meer dan alle anderen zou willen hebben4--,en zal dan ook een onregtvaardige niet meer willen hebben dan een onregtvaardige en dan hetgeen hij door onregtvaardige middelen bekomt1 en zal hij niet zijn best doen1 om zelf het meest van allen te bekomen8--,juist4-- ,,xxi4 ,dus zeggen wij dan aldus3 ,de regtvaardige begeert niet meer te hebben dan de aan hem gelijke1 maar wel dan de ongelijke1 doch de onregtvaardige begeert meer te hebben dan de gelijke en dan de ongelijke4--,goed gezegd4--,en de onregtvaardige is wijs en goed1 maar de regtvaardige geen van beiden4--,ook dat is juist4--,en gelijkt ook de onregtvaardige niet op den wijzen en goeden1 maar de regtvaardige op geen van beiden4--,het spreekt van zelfs1 dat1 die z is1 ook daarop gelijken moet2 en1 die z niet is1 niet4--,best4 ,dus is ieder hunner zoodanig als die1 waarop hij gelijkt4--,maar wat moet dat8--,vooreerst nog niets4 ,maar1 ,thrasymachus6 gij maakt immers onderscheid tusschen bedrevenen en onkundigen in de muzijk8--,ja4--,wien noemt gij wijs1 en wien niet wijs8#ah--;,den bedrevenen noem ik wijs1 den onkundigen niet wijs4--,en voor zoo ver hij wijs is goed1 voor zoo ver hij niet wijs is slecht8--,ja4--,en oordeelt gij niet eveneens over de al of niet bedrevenen in de geneeskunst8--,ja4--,maar gelooft gij dan nu1 mijn beste6 dat een bedrevene in de muzijk bij het spannen of los maken van de snaren verlangen zou1 of aanspraak zou maken1 om meer te hebben dan een bedrevene8--,wel neen4--,en meer dan een onkundige8--,ja zeker4--,en een geneeskundige1 zou die ten opzigte van eten of drinken meer willen hebben dan een geneeskundige of dan hetgeen de geneeskunst voorschrijft8#ai--,zeker niet4--,maar wel meer dan de onbedrevene8--,ja4--,en zie dan eens bij elke kunst en elk gebrek aan kunst1 of eenig kenner iets meer zou willen doen of zeggen dan een ander kenner1 dan wel of hij bij dezelfde handeling even veel zou willen hebben als de aan hem gelijke4--,het laatste is onvermijdelijk1 geloof ik4--,maar zou niet de onkundige meer willen hebben niet alleen dan de kundige1 maar ook dan de onkundige8--,waarschijnlijk4--,en de kennende is wijs8--,ja4--,en de wijze goed8--,ja4--,dus zal de goede en wijze niet meer willen hebben dan de aan hem gelijke1 maar wel dan de ongelijke en tegengestelde4--,het schijnt zoo4--,en de slechte en onwetende wil meer hebben dan de gelijke en dan de tegengestelde8--,waarschijnlijk4--,edoch 1 ,thrasymachus6 zagen wij niet1 dat de onregtvaardige meer wil hebben dan de ongelijke en dan de gelijke8 of hebt gij dat niet beweerd8--,ja4--,en dat de regtvaardige niet meer wil hebben dan de gelijke1 maar wel dan de ongelijke8--,ja4--,dus gelijkt de regtvaardige op den wijzen en goeden1 de onregtvaardige op den slechten en onwetenden4--,ja4--,edoch wij kwamen overeen1 dat ieder was1 zoo als die1 waarop hij geleek4--'t ,is waar4--,dus blijkt het1 dat de regtvaardige goed en wijs is1 maar de onregtvaardige onwetend en slecht#bj4 ,,xxii4 ,dit alles gaf ,thrasymachus wel toe1 doch niet zoo gemakkelijk als ik het nu vertel1 maar gedwongen en op zijn best1 terwijl hij geweldig zweette1 door dien het heel warm was4 ,toen zag ik ook1 wat ik nog nooit gezien had1 dat ,thrasymachus een kleur kreeg4 ,nadat wij het waren eens geworden1 dat de regtvaardigheid deugd en wijsheid1 maar de onregtvaardigheid slechtheid en dwaasheid is1 zeide ik3 dit hebben wij dus uitgemaakt1 maar is er ook niet gezegd1 dat de onregtvaardigheid sterk is8 ,herinnert gij u dat nog1 ,thrasymachus8--,ja1 zeide hij1 maar wat gij nu zegt bevalt mij niet1 en ik heb er heel wat tegen in te brengen2 doch ik weet dat1 zoo ik het doe1 gij zeggen zult1 dat ik doorsla#ba4 ,laat mij dus spreken zoo veel als ik wil1 of1 zoo gij vragen wilt1 vraag dan1 en dan zal ik als tegen een oud wijf1 dat spookhistories vertelt1 ja zeggen en knikken of schudden4--,volstrekt niet tegen uwe overtuiging in1 zeide ik4--,zoo als gij wilt1 daar gij mij niet laat uitpraten4 ,maar wat kunt gij meer verlangen8--,niets1 maar1 wanneer gij dit doen wilt1 zoo doe het2 dan zal ik vragen4--,vraag op6--,dan vraag ik1 om alles geregeld te overzien1 hetzelfde als daareven1 namelijk1 wat de verhouding is van de regtvaardigheid tot de onregtvaardigheid4 ,want er is gezegd1 dat de onregtvaardigheid sterker is dan de regtvaardigheid1 maar1 nu de regtvaardigheid wijsheid en deugd is1 zal het gemakkelijk blijken1 dat zij sterker is dan de onregtvaardigheid1 dat is dan de domheid4 ,niemand zou daar eigenlijk zwarigheid in zoeken1 doch1 ,thrasymachus6 ik wil het niet zoo eenvoudig hebben1 maar het liever aldus beschouwen4 ,stemt gij toe1 dat er onregtvaardige staten zijn1 en dat de eene staat den anderen1 ja vele anderen1 onregtvaardig verdrukken kan8--,zekerlijk4 ,en dit zal de beste en die het meest volmaakt onregtvaardig is1 het meest doen4--,juist1 zeide ik1 dat volgt uit uwe vorige stellingen4 ,maar let nu eens hier op4 ,kan een staat zonder regtvaardigheid de overmagt krijgen1 en behouden1 of heeft hij daartoe regtvaardigheid noodig8--,zoo de regtvaardigheid1 gelijk gij daar even gezegd hebt1 wijsheid is1 dan heeft hij haar noodig1 maar1 volgens mijne leer1 onregtvaardigheid4--,ik ben in mijn schik1 ,thrasymachus6 dat gij niet alleen knikt en schudt1 maar heel mooi antwoordt4--,dat doe ik om u genoegen te geven4--,daar doet gij goed aan1 ga zoo voort en zeg mij1 of gij meent dat een staat1 of een leger1 of eene rooverbende1 of eenige andere troep1 die met gemeenschappelijke krachten eenig onregt wil uitvoeren1 iets zou kunnen verrigten1 zoo de deelgenooten van die onderneming elkander onregt aandeden4--,wel neen4--,dus zeker meer1 zoo zij elkander geen onregt deden4--,ja zeker4--,de onregtvaardigheid brengt dan ook twist voort1 ,thrasymachus6 en haat en tweedragt1 maar de regtvaardigheid eensgezindheid en vriendschap3 niet waar8--,het zij zoo6 om u niet tegen te spreken4 ,,xxiii4 ,goed1 zeide ik1 mijn beste6 zeg mij nu dit nog4 ,zoo de onregtvaardigheid waar zij komt haat veroorzaakt1 zal zij dan niet bij slaven en vrijen door hare verschijning haat en tweedragt verwekken1 en het onmogelijk maken iets gemeenschappelijk te verrigten8--,noodzakelijk4--,en wanneer zij bij twee personen ontstaat1 zullen die dan niet overhoop raken en elkander en den regtvaardige tot vijanden zijn8--,ja4--,maar1 mijn vriend6 zoo nu de onregtvaardigheid bij n persoon ontstaat1 verliest zij dan hare kracht1 of heeft zij die behouden8--,zij heeft die behouden4--,en blijkt die kracht niet daarin te bestaan1 dat zij wat haar opneemt1 hetzij een staat1 of een geslacht1 of een leger of wat dan ook1 vooreerst door innerlijke tweedragt buiten staat stelt1 om zelf iets uit te rigten1 en ze vervolgens tegen zich zelven en tegen alle anderen1 vooral de regtvaardigen1 vijandig maakt8--,ja4--,en wanneer zij in n persoon wordt opgenomen1 zal zij dan niet alles veroorzaken1 wat uit haren aard volgt1 en hem vooreerst verhinderen te handelen1 doordien hij met zich zelven in strijd is1 en vervolgens tegen zich zelven en tegen alle anderen1 vooral tegen de regtvaardige1 vijandig maken2 niet waar8--,ja4--,en de ,goden zijn immers ook regtvaardig1 mijn vriend8--,och ja wel1 zeide hij4--,dus zal de onregtvaardige een vijand der ,goden zijn1 ,thrasymachus6 en de regtvaardige hun vriend4--,vermaak u gerust met die redenering1 ik zal u niet tegenspreken1 om bij hen niet in ongunst te komen#bb4--,komaan6 voltooi dan mijn vermaak door z te blijven antwoorden4 ,wij hebben nu gezien1 dat de regtvaardigen wijzer en beter zijn1 en meer in staat om te handelen1 ja1 dat de onregtvaardigen niets gezamenlijk kunnen verrigten2 en dat1 zoo eenige personen gezamenlijk eene moeijelijke daad volvoeren1 wij ze niet volkomen onregtvaardig kunnen noemen1 daar zij dan elkander niet met rust zouden laten1 maar er onder hen nog eenige regtvaardigheid moet aanwezig zijn1 waardoor zij ten minste elkander niet te gelijk met hunne slagtoffers onregtvaardig behandelen1 en waardoor zij dat uitvoeren1 wat zij nog uitvoeren2 zoodat zij wel onregtvaardige daden ondernemen1 maar toch slechts half bedorven zijn1 daar de geheel bedorvenen en volkomen onregtvaardigen volstrekt niets kunnen uitvoeren4 ,dat dit zoo is begrijp ik heel goed1 maar niet zoo als gij in het begin gesteld hebt4 ,nu moeten wij echter nog onderzoeken1 wat wij tot nu toe bewaard hebben1 of de regtvaardigen een beter leven hebben en gelukkiger zijn1 dan de onregtvaardigen4 ,uit het gezegde zou het reeds volgen1 geloof ik1 maar wij moeten het toch beter onderzoeken4 ,want wij spreken niet over koetjes en kalfjes1 maar over de wijze1 waarop men leven moet4--,onderzoek het dan maar4--,komaan6 zeg mij dan1 of gij oordeelt1 dat een paard zijn eigen werk heeft4--,ja4--,en verstaat gij door het werk van een paard of van iets anders1 niet dat1 wat daarmede alleen of althans het best kan uitgevoerd worden8--,dat begrijp ik niet4--,z dan6 ,kunt gij met iets anders zien dan met de oogen8--,neen4--,en met iets anders hooren1 dan met de ooren8--,neen4--,dus kunnen wij dat als het werk dier zintuigen aanmerken4--,ja4--,zoudt gij niet met een zwaard en eene zeis de ranken van een wijnstok kunnen afsnijden8--,och ja4--,maar nergens beter mede1 geloof ik1 dan met een snoeimes1 dat daarvoor gemaakt is4--,natuurlijk4--,dus kunnen wij dat als deszelfs werk beschouwen8--,juist4 ,,xxiv4 ,nu zult gij1 geloof ik1 beter kunnen begrijpen1 wat ik daareven vroeg1 of ieders werk niet dat is1 wat daardoor alleen of althans het beste kan verrigt worden4--,ja1 nu begrijp ik het1 en dat houd ik ook voor ieders werk4--,goed4 ,en heeft ook niet alles1 wat een bepaald werk heeft1 eene bepaalde deugd8 ,wij willen dezelfde voorbeelden gebruiken4 ,de oogen hebben immers een werk8--,ja4--,en hebben zij ook eene deugd8--,zeker4--,en ook de ooren hebben werk8--,ja4--,en deugd8--,ook deugd4--,en geldt ditzelfde niet van alle andere dingen8--,ja4--,en zouden nu de oogen hun werk goed kunnen verrigten1 zoo zij hunne deugd niet hadden1 maar in plaats daarvan ondeugd8--,wel neen1 want gij meent1 denk ik1 blindheid in plaats van gezigt4--,ja1 want dat is hunne deugd1 en het komt er hier op aan1 of niet al wat werkt door zijne deugd1 zijn werk goed zal verrigten1 en door zijne ondeugd1 slecht4--,dat is waar4--,dus zullen ook de ooren1 zoo zij hunne deugd missen1 hun werk slecht verrigten8--,natuurlijk4--,en datzelfde kunnen wij dus op alle dingen toepassen8--,ik vind van ja4--,komaan dan6 onderzoek nu dit nog4 ,heeft ook de ziel een werk1 dat door niets beter dan door haar kan gedaan worden8 b4 v4 verzorgen1 en besturen1 en raadplegen en wat dies meer zij1 zou men dat wel met regt aan iets anders dan aan de ziel als eigen werk kunnen toeschrijven8--,wel neen6--,en het leven1 is dat ook niet een werk van de ziel8--,zekerlijk4--,en heeft de ziel ook niet hare deugd8--,ja4--,en1 ,thrasymachus6 zal eene ziel ooit haar werk goed verrigten1 zoo zij van hare deugd verstoken is1 of is dat onmogelijk8--,dat is onmogelijk4--,dus moet men met eene slechte ziel slecht besturen en verzorgen1 maar met eene goede ziel alles goed doen4--,noodzakelijk4--,en zijn wij het niet eens geworden1 dat de regtvaardigheid deugd der ziel is1 maar de onregtvaardigheid ondeugd8--,ja4--,dus zal de regtvaardige ziel en de regtvaardige mensch goed leven1 maar de onregtvaardige slecht4--,dat schijnt zoo1 volgens uwe redenering4--,edoch die goed leeft is gelukkig1 die kwaad leeft ongelukkig4--,natuurlijk4--,dus is de regtvaardige gelukkig1 de onregtvaardige ongelukkig4--,het zij zoo4--,maar ongelukkig te zijn is niet voordeelig1 gelukkig te zijn wel4--,dat spreekt4--,dus1 mijn goede ,thrasymachus6 is de onregtvaardigheid nooit voordeeliger dan de regtvaardigheid4--,vermaak u daarmede op de ,bendidien1 ,socrates6--,en dat vermaak heb ik aan u te danken1 ,thrasymachus6 daar gij goed op mij geworden zijt en uwe drift hebt doen bedaren4 ,ik ben echter door mijne1 niet door uwe schuld1 nog niet tevreden1 maar gelijk gulzige menschen van alles1 wat wordt rondgedragen1 willen proeven1 voordat zij het vorige nog goed genoten hebben1 zoo vind ik1 dat ook wij1 voordat wij het eerste punt1 wat regtvaardigheid is1 goed hadden uitgemaakt1 dat hebben laten loopen en zijn gaan onderzoeken1 of zij ondeugd en domheid1 of deugd en wijsheid is1 en ons vervolgens door de vraag1 of de onregtvaardigheid nuttiger is1 dan de regtvaardigheid1 hebben laten wegslepen1 en het vorige hebben laten loopen1 zoodat ik nu eigenlijk uit dit gesprek nog niets weet4 ,want zoo lang ik niet weet1 wat de regtvaardigheid is1 zal ik moeijelijk kunnen oordeelen1 of zij eene deugd is of niet1 en hij1 die haar heeft1 ongelukkig is of gelukkig4 ,voetnoten #a ,de ,godin ,bendin1 wier dienst eerst onlangs uit ,thracie naar ,athene was overgebragt4 #b ,ieder der mededingers zat te paard4 ,ieder wachtte zijnen voorman op1 die hem de fakkel brandend moest brengen1 opdat hij die brandend aan den volgenden zou overgeven4 #c ,seriphus is een der nietigste eilandjes van den ,griekschen archipel4 #d ,cicero heeft reeds gezien1 dat ,plato ,cephalus verwijdert1 om zulk een eerbiedwaardig persoon niet in eene met zijne jaren minder strookende rol te doen optreden 7,zie ,stallbaums noot74 ,hij komt slechts in de inleiding voor1 waar ,plato hem waarschijnlijk vermeld heeft1 om daardoor aan zijne inborst hulde te doen1 en tevens het einde van het geheele werk voor te bereiden1 door de rust en kalmte1 die een regtvaardig leven bij het naderen van den dood geeft1 hier aanschouwelijk voor te stellen4 #e ,de ,grieken noemden alles toespijs behalve het brood4 #f ,de citherspeler is natuurlijk maar een voorbeeld1 daar ,socrates hier even goed alle andere kunstenaars en alle andere kunsten had kunnen noemen4 #g ,de sophisten verwijten ,socrates bij ,plato telkens1 dat hij alleen vraagt en nooit zijne meening zegt2 en zij houden het vragen voor veel gemakkelijker dan het verklaren en beredeneren van zijn eigene meening4 ,dit laatste is wel op zich zelf waar1 doch hij1 die de ,socratische vraagmethode eenigzins opmerkzaam beschouwd heeft1 zal toestemmen1 dat zij lang en breed van het gewone vragen verschilt1 en eigenlijk een andere vorm van bewijs is1 daar ,socrates zijne vragen steeds z inrigt1 dat op elke vraag maar n antwoord kan gegeven worden1 en dat antwoord telkens het punt aangeeft1 dat door den gang der redenering gevorderd wordt4 #h ,dit ziet op het ,grieksche bijgeloof1 dat zou iemand door een' wolf werd aangezien voor hij zijne oogen op den wolf gevestigd had1 daardoor zijne stem verloren ging4 #i ,het is bekend1 dat ,socrates doodarm was en toch van niemand geld vorderde1 hoewel hij ongevraagde geschenken gaarne aannam2 hetwelk hier niet op hetzelfde nerkwam1 dewijl hij den schijn van onderwijs te geven zoo veel mogelijk vermeed4 ,deze zijne onbaatzuchtigheid wordt door zijne leerlingen telkens in het licht gesteld1 en met de inhaligheid der ,sophisten vergeleken4 #aj ,socrates was door het orakel van ,apollo te ,delphi de wijste der stervelingen genoemd4 ,hij zelf stelde die wijsheid daarin1 dat alleen hij niet meer kennis voorwendde dan hij werkelijk bezat1 maar ronduit zijne onwetendheid bekende4 ,apologie1 hoofdst4 ,v-,,ix4 ,zijn doel was klaarblijkelijk zijne toehoorders zelve aan het denken te helpen1 zonder voor zich iets anders te verlangen dan den roem1 dat hij hun den eersten stoot had gegeven4 ,zie ,theaetetus4 ,hoofdst4 ,,vi4 ,,vii4 #aa ,hieruit blijkt volstrekt niet1 dat ,socrates die bepaling goedkeurde1 daar hij ze hier alleen vasthoudt1 om ,thrasymachus te bestrijden4 ,later zal het blijken1 dat ,socrates 7dat is ,plato7 de regtvaardigheid wel voor nuttig hield1 maar toch eene geheel andere bepaling derzelve gaf1 en niet haren invloed op andere dingen1 maar hare eigene wezenheid zocht uit te drukken4 ,dit is dan ook het vereischte van eene goede bepaling4 ,zie ,krause1 ,analytische ,logik4 p4 #eja4 #ab ,natuurlijk op zich zelve1 als ideaal beschouwd4 ,hier wordt niet gesproken van den toestand waarin de kunsten en wetenschappen tegenwoordig zijn1 maar zij worden z gedacht1 als zij zijn zouden1 zoo zij geheel aan haar begrip beantwoordden4 ,overigens merke men hier op dat kunst bij ,plato zoowel kunst1 in onzen zin1 als wetenschap beteekent4 #ac ,hier wordt aan de ondervinding eene tegenwerping tegen de wijsbegeerte ontleend4 ,deze tegenwerping is van denzelfden stempel als wanneer men het zoeken naar waarheid zoekt af te raden door te beweren1 dat de menschelijke geest de waarheid 7dat is de geheele waarheid7 niet vinden kan4 ,zie ,opklimmend deel der ,wijsbegeerte blz4 #aji 7#a74 ,de wijsbegeerte stelt idealen1 de werkelijke wereld beantwoordt daaraan gebrekkig2 des niet te min zijn en blijven die idealen het rigtsnoer waarnaar ieder zich regelen moet4 ,al is onze eindige natuur buiten staat de volmaaktheid te bereiken1 volmaakbaarheid is echter een grondtrek van ons wezen1 en een wezen1 dat volmaakbaar is1 kan meer en meer tot de volmaaktheid naderen4 ,zie ,de ,godsdienst beschouwd als de oorspronkelijke eenheid en het ware rustpunt van het zelfbewustzijn1 door ,w4 ,reuter4 ,medegedeeld met een ,voorberigt en ,aanmerkingen door ,j4 ,nieuwenhuis1 blz4 #bf-cb4 #ad ,tiranny beteekent hier de aanmatiging van volstrekte oppermagt in een gemeenebest4 ,zie ,bosscha1 ,schets der algemeene ,geschiedenis1 blz4 #ee 79974 #ae ,deze redenering wordt somtijds sophistisch genoemd omdat de kunst van geldverdienen niet als eene afzonderlijke kunst bestaat1 maar een toevoegsel is der overige kunsten4 ,deze aanmerking is onjuist4 ,al wordt in het dagelijksch gebruik der woorden het geldwinnen niet als eene afzonderlijke kunst beschouwd1 zoo is het toch duidelijk1 dat elke andere kunst zoowel voor niet en uit zuivere liefhebberij als om geld te verdienen kan uitgeoefend worden4 ,daar dus het geldverdienen steeds als toevoegsel voorkomt en met geene andere kunst noodzakelijk zamenhangt1 zie ik niet in1 waarom men het niet als eene afzonderlijke kunst zou mogen beschouwen1 daar het toch werkelijk geene geringe bekwaamheid is zijne bedrevenheid in andere vakken tot zijn voordeel aan te wenden4 ,dus kan men teregt beweren1 dat elke kunst haar eigenaardig doel heeft1 en zoo ook de kunst van geldverdienen naar geld streeft1 en dat1 wanneer eene andere kunst ons geld bezorgt1 dit veroorzaakt wordt1 door dien haar beoefenaar tevens de kunst bezit1 de convertir1 zoo als ,sue zegt1 son latin et son grec en argent4 #af ,het is niet onbelangrijk hier de volgende plaats uit ,xenophons ,gedenkwaardigheden van ,socrates te vergelijken4 ,wanneer hij zelf iets beredeneerde1 nam hij zijnen weg door die punten welke het meest door ieder werden toegestemd1 daar hij dit voor de zekerste wijs van redekavelen hield4 ,daarom was hij ook het meest van allen1 die ik gekend heb1 in staat zijne toehoorders te overtuigen4 ,en hij zeide1 dat ook ,homerus ,ulysses daarom een overtuigend redenaar genoemd heeft1 dewijl hij de kunst bezat1 om zijne rede te doen voortloopen langs die punten1 welke door de menschen werden toegestemd4 ,ik wil tevens deze gelegenheid aangrijpen om de opmerkzaamheid mijner lezers op nieuw te vestigen op de ,nederduitsche vertaling van ,xenophons ,gedenkwaardigheden van ,socrates1 onder den titel3 ,xenophons1 ,gedenkwaardigheden van ,socrates4 ,uit het ,grieksch vertaald1 door ,prof4 ,j4 ten ,brink1 in gr4 #hvo4 #ag ,het hier voorkomende is welligt in veler oogen al te hatelijk1 en toch heeft ,socrates hier waarschijnlijk niets te veel gezegd4 ,door de aanhoudende burgeroorlogen en revoluties en door het toenemen in natuurkennis en den daardoor bewerkten twijfel aan de overleveringen1 waarop de godsdienst steunde1 waren alle beginsels van zedelijkheid ondermijnd1 en het was juist bij tijds1 dat ,socrates door zijne scherpe dialectiek de drogredenen ontzenuwde1 waarmede de misdaad in zijnen tijd werd vergoelijkt4 #ah ,natuurlijk alleen voor zoo veel de muzijk aangaat4 ,niet den mensch als mensch1 maar den musicus beschouwende1 kunnen wij met regt den bekwamen musicus wijs1 den onbekwamen niet wijs noemen4 ,in dergelijke redeneringen van ,plato komt telkens een werken met abstracties voor den dag1 dat1 hoezeer de nieuwere wijsbegeerte in het gebied van het afgetrokkene waarlijk niet vreemd is1 voor onze ooren vreemd klinkt4 #ai ,alle geneeskundigen1 voor zoo ver zij dit waarlijk zijn1 oordeelen juist ten opzigte van de hoeveelheid en de soort van spijs of drank1 die voor de gezondheid goed is4 ,daarom wil niemand hunner meer hebben dan de juiste maat en dus ieder 7natuurlijk1 ceteris paribus7 even veel4 #bj ,deze redenering komt kortelijk hierop neder4 ,de waarheid is n4 ,dus wil de kenner der waarheid overal n en hetzelfde4 ,een volmaakt kenner der muzijk b4 v4 wil dus in elk geval hetzelfde als ieder ander kenner in dat geval wil2 en z in ieder vak4 ,ieder toch1 die een vak verstaat1 wil wat volgens de wetten van dat vak goed is1 en daar dit van ieder kenner geldt1 wil de eene kenner niets boven den anderen vooruit hebben4 ,zoo dus iemand onbepaald meer wil dan elk ander1 of hij aan hem gelijk is of niet1 is hij zeker geen kenner maar een onwetende4 ,daar nu het voornaamste kenmerk der onregtvaardigheid juist in het onbepaalde streven naar meer dan elk ander bestaat1 vertoont de onregtvaardige zich als een onwetende4 #ba ,de ,sophisten hadden hunne grootste sterkte in gemproviseerde redevoeringen1 doch ,socrates wist hen er steeds toe te krijgen1 om bedaard met hem te redeneren en liet hen er dan inloopen4 #bb ,het is duidelijk1 dat ,thrasymachus dit niet in ernst zegt1 maar alleen om geen gevaar te loopen van wegens kettersche gevoelens veroordeeld te worden4 ,vrij wat onschuldiger ketterijen toch hadden ,anaxagoras bijna het leven gekost1 en ,protagoras was werkelijk ter dood veroordeeld1 omdat hij verklaarde niets over het al of niet bestaan der ,goden te durven beslissen2 later is ,socrates zelf op de beschuldiging1 dat hij andere ,goden dan de orthodoxen vereerde en de jeugd bedierf1 gedoemd om den gifbeker te drinken4 ,in 't voorbijgaan zij echter aangemerkt1 dat deze vervolgingen minder voortsproten uit het denkbeeld1 dat de ,godheid hulp van menschen behoefde1 om hare eer te handhaven1 dan wel1 omdat de staatsgodsdienst door den staat erkend was1 en dus hij1 die haar aanrandde1 zich tegen den staat vergreep4 ,,tweede ,,boek4 ,i4 ,toen ik dit gezegd had1 meende ik er af te wezen1 maar dit was1 zoo als bleek1 maar inleiding4 ,want ,glauco1 die al wat hij onderneemt met kracht doorzet1 was met het toegeven van ,thrasymachus niet tevreden1 maar zeide3 ,socrates6 verlangt gij ons in schijn of in waarheid te overtuigen1 dat het in alle opzigten beter is regtvaardig te zijn dan onregtvaardig8--,natuurlijk in waarheid1 zeide ik1 zoo het in mijn vermogen is4--,dan hebt gij uw verlangen nog niet4 ,want zeg mij eens3 erkent gij het bestaan van een goed1 dat ook zonder de gevolgen om zijne eigene voortreffelijkheid begeerlijk is8 zoo als de blijdschap en de onschadelijke vermaken1 die begeerlijk zijn1 al wint men er niets bij dan het oogenblikkelijk genot4--,ja1 zeide ik4--,en is er ook niet zulk een1 dat wij n om hetzelve n om de gevolgen begeerlijk achten8 zoo als wijsheid1 gezigt1 gezondheid2 die wij immers om beide redenen begeeren4--,zeker1 was mijn antwoord4--,en ziet gij niet1 dat er nog eene derde soort van goed is1 b4 v4 ligchaamsoefeningen1 innemen van drankjes1 geldwinnen1 dat wel niet zonder bezwaar is1 maar ons nut doet1 en dus niet om zich zelf maar om de belooning en de gevolgen begeerd wordt4--,ja1 dat is het derde1 maar wat wilt gij daarmede8--,onder welke dier drie soorten stelt gij de regtvaardigheid8--,onder de schoonste1 zeide ik1 die n om zich zelve n om hetgeen er van komt voor waarachtig geluk onmisbaar is4--,z oordeelen toch de meesten niet1 maar zij rekenen haar tot de moeijelijke soort1 die om het voordeel en de eer moet gezocht worden1 maar door hare eigene bezwaarlijkheid afschrikt4 ,,ii4 ,ja1 dat weet ik wel1 en om die zelfde reden wordt zij ook door ,thrasymachus beneden de onregtvaardigheid gesteld2 maar ik ben1 naar het schijnt1 nog al onbevattelijk4--,komaan1 zeide hij1 zoo gij niet van meening veranderd zijt1 hoor dan mij ook eens4 ,ik vind1 dat ,thrasymachus zich veel spoediger dan noodig was door u heeft laten bezweren1 en dat geen van beiden nog goed beredeneerd is2 want ik wenschte wel te hooren1 waarin zij eigenlijk bestaan1 en welke werking zij ieder op zich zelve in de ziel uitoefenen2 zonder nog te spreken van belooningen en uiterlijke gevolgen4 ,dus zal ik1 indien het u goeddunkt1 z doen4 ,ik zal de stelling van ,thrasymachus weder opvatten1 en vooreerst zeggen1 wat men aangaande den aard en den oorsprong der regtvaardigheid beweert2 vervolgens1 dat allen1 die haar beoefenen1 dit met tegenzin doen1 omdat zij noodzakelijk1 niet omdat zij op zich zelve goed is2 eindelijk1 dat zij hierin regt hebben1 daar het leven van den onregtvaardige veel beter is dan dat van den regtvaardige2 te weten1 zoo als men beweert1 want1 ,socrates6 ik ben het daar niet mede eens#bc4 ,maar ik ben in de war geraakt door het gepraat van ,thrasymachus en van vele anderen2 te meer1 daar ik nog nooit iemand de regtvaardigheid z boven de onregtvaardigheid heb hooren verheffen als ik dat verlang2 namelijk z1 dat zij om zich zelve geprezen wordt2 en ik nog het meeste hoop heb dit van u te zullen hooren4 ,daarom zal ik met al mijne krachten de onregtvaardigheid prijzen1 en vervolgens aan u doen zien1 hoe ik u de regtvaardigheid wil hooren prijzen en de onregtvaardigheid laken4 ,zie eens of dit plan u bevalt4--,opperbest1 zeide ik1 want waarover zou een redelijk mensch liever veel spreken en hooren8--,daar zegt gij goed aan4 ,hoor dan nu eerst hetgeen ik het eerste zou zeggen1 wat de regtvaardigheid is1 en hoe zij in de wereld is gekomen4 ,men zegt1 dat van natuur het onregt doen een goed is en het onregt lijden een kwaad1 maar dat het onregt lijden meer in het kwade dan het onregt doen in het goede uitmunt2 zoodat1 wanneer de menschen elkander onregt doen1 en tevens onregt lijden1 en aldus beiden door ondervinding leeren kennen1 zij1 die geen kans zien1 om het eerste zonder het laatste te hebben1 hun voordeel zoeken in het maken eener overeenkomst1 om geen onregt te doen en het evenmin te lijden4 ,dat zij daarom wetten en overeenkomsten gemaakt1 en het door die wetten voorgeschrevene wettig en regtvaardig genoemd hebben4 ,dat alzoo de regtvaardigheid is ontstaan1 die tusschen het beste3 het ongestraft plegen van onregt1 en het slechtste3 het ongewroken lijden van onregt1 in het midden ligt4 ,dat zij bij gevolg1 slechts een middending zijnde1 niet omdat zij goed is bemind1 maar slechts uit onvermogen om onregt te doen geerd wordt2 daar hij1 die dit doen kan1 en in waarheid een man is1 nooit eene overeenkomst zou willen sluiten1 om geen onregt te doen noch te lijden2 want dat hij dan wel gek zou wezen4 ,dit is dus de geaardheid der regtvaardigheid1 ,socrates6 en hieruit ontstaat zij volgens deze leer4 ,,iii4 ,en dat zij1 die haar beoefenen1 dit doen1 omdat zij tot het plegen van onregt niet in staat zijn1 kan gemakkelijk blijken1 zoo wij in de gedachte aldus doen4 ,geven wij aan beiden1 aan den regtvaardige en aan den onregtvaardige1 de gelegenheid om te doen1 wat zij willen1 en laat ons dan eens zien1 waar ieder door zijne begeerte wordt heen gedreven4 ,dan zouden wij den regtvaardige betrappen1 terwijl hij1 niet minder dan de onregtvaardige1 zijn best deed1 om meer dan anderen te hebben1 daar dit de natuurlijke neiging van alle wezens is1 al worden zij ook door de wet met geweld tot het in acht nemen der gelijkheid gedwongen4 ,de gelegenheid nu1 die ik meen1 zou liefst zoo moeten zijn1 als die1 welke1 naar men zegt1 aan ,gyges te beurt viel4 ,want er wordt verteld1 dat hij een lijfeigen herder was van den ,koning van ,lydie1 en dat door groote slagregens en eene aardbeving in de streek1 waarin hij weidde1 eene spleet in de aarde ontstond4 ,dat hij1 dit met verwondering ziende1 daarin afdaalde1 en daar allerlei andere vreemdigheden zag1 en ook een paard van koper1 dat hol was en met deuren voorzien1 waardoor hij naar binnen keek1 en een lijk zag1 dat te groot was voor een mensch4 ,dat daaraan verder niets bijzonders was dan een gouden ring aan de hand1 dien hij er afnam en heenging4 ,dat1 toen de gewone verzameling der herders plaats had1 om maandelijks aan den ,koning den staat der kudden te berigten1 hij daar ook kwam met zijnen ring aan4 ,dat1 terwijl hij daar met de anderen zat1 hij bij toeval de kas van den ring naar de binnenste zijde van zijne hand draaide1 en dat hij daardoor onzigtbaar werd voor de aanwezigen1 zoodat zij van hem zeiden1 dat hij was heengegaan4 ,dat hij zich hierover verwonderde en de kas van den ring weder naar buiten draaide1 en daardoor weder zigtbaar werd4 ,dat hij1 dit merkende1 de kracht van den ring beproefde1 en dat het hem altijd gebeurde1 dat hij1 als de kas naar binnen gekeerd was1 onzigtbaar werd1 en1 zoo zij naar buiten kwam1 zigtbaar4 ,dat hij1 toen hij dit had waargenomen1 wist gedaan te krijgen1 dat hij onder de boden was1 die naar den ,koning gezonden werden1 en dat hij1 daar gekomen zijnde1 overspel met de ,koningin bedreef1 en met hare hulp den ,koning belaagde en vermoordde1 en het oppergebied bemagtigde4 ,zoo er nu twee zulke ringen waren1 en de regtvaardige den eenen1 de onregtvaardige den anderen aandeed1 dan zou toch wel niemand zoo onverzettelijk zijn1 dat hij bij de regtvaardigheid bleef1 en van zich verkrijgen kon1 om het goed van anderen niet aan te raken1 terwijl hij van de volle markt zonder vrees wat hij wilde kon wegnemen1 en in de huizen kon gaan om gemeenschap te hebben met wie hij wilde1 of wien hij wilde te dooden of uit de gevangenis te halen1 enz41 daar hij dan als een god onder de menschen zou rondwandelen4 ,in dat geval zou de een niet anders doen dan de ander1 maar beiden zouden hetzelfde verrigten4 ,en dit is toch wel een groot bewijs1 dat de menschen niet vrijwillig1 maar uit dwang regtvaardig zijn1 daar dit op zich zelf geen goed is2 want ieder doet onregt1 wanneer hij meent er toe in staat te wezen4 ,ieder toch oordeelt1 dat op zich zelve de onregtvaardigheid veel voordeeliger is dan de regtvaardigheid1 en daarin heeft hij gelijk1 zoo als in deze leer wordt beweerd2 want1 zoo iemand zulk eene gelegenheid bekwam1 en dan geen onregt doen1 noch het goed van anderen wilde aanraken1 dan zouden zij1 die het hoorden1 hem heel ongelukkig en gek vinden1 maar hem toch openlijk prijzen en elkander bedriegen uit vrees van zelve onregt te lijden4 ,dit staat dus vast4 ,,iv4 ,om eindelijk beider levenswijs goed te kunnen beoordeelen1 zullen wij liefst den regtvaardige en den onregtvaardige tegen elkander over stellen4 ,dit moeten wij z doen4 ,wij moeten bij den onregtvaardige niets van zijne onregtvaardigheid1 en bij den regtvaardige niets van zijne regtvaardigheid afnemen1 maar ons ieder in zijne soort volmaakt voorstellen4 ,vooreerst moet dus de onregtvaardige handelen als iemand1 die zijn vak verstaat4 ,een bekwaam stuurman b4 v4 of arts ziet in1 wat zijne kunst vermag1 en wat zij niet vermag1 en onderneemt het eerste1 maar het tweede niet2 en indien hij al eens eene fout maakt1 weet hij die te herstellen4 ,evenzoo moet de onregtvaardige het onregt1 dat hij doen wil1 met overleg doen1 en daardoor verborgen blijven1 wanneer hij een onregtvaardige1 zoo als het hoort1 zijn zal4 ,doch1 zoo hij betrapt wordt1 kent hij zijn vak maar half1 want de hoogste onregtvaardigheid bestaat juist in regtvaardig te schijnen1 zonder dat men het is4 ,dus moeten wij aan den volkomen onregtvaardige de volkomene onregtvaardigheid geven en er niets afnemen1 maar toelaten1 dat hij1 hoewel het grootste onregt bedrijvende1 zich den grootsten roem van regtvaardigheid verwerft1 en1 zoo hij al eens een misstap doet1 moet hij dat kunnen goed maken1 door1 wanneer hij van onregt beschuldigd wordt1 zich met overtuigende redeneringen vrij te pleiten1 en in geval van nood1 geweld te gebruiken1 daar hij moed en kracht heeft en over vrienden en geld kan beschikken4 ,nu moeten wij tegenover dezen den regtvaardige stellen als een eenvoudig en edelaardig mensch1 die1 zoo als ,aeschylus zegt1 liever goed wil zijn1 dan schijnen4 ,dus ontnemen wij hem den schijn4 ,want zoo hij regtvaardig schijnt#bd1 valt hem om die reden eer en voordeel te beurt1 en dan is het onzeker1 of hij z is1 om de regtvaardigheid zelve1 of om de eer en het voordeel4 ,daarom moeten wij hem van alles behalve van zijne regtvaardigheid berooven1 en hem in den tegenovergestelden toestand van den anderen plaatsen2 zoodat hij1 zonder eenig onregt te doen1 den grootsten schijn van onregtvaardigbeid heeft2 ten einde zijne regtvaardigheid proefondervindelijk te bewijzen1 door zich aan geen kwaden schijn en de gevolgen daarvan te storen1 maar tot den dood bij zijne niet bekende regtvaardigheid te volharden2 opdat1 wanneer beiden het hoogste toppunt1 de een van regtvaardigheid1 de ander van onregtvaardigheid bereikt hebben1 het oordeel gemakkelijk zij1 wie gelukkiger is4-- ,v4 ,wel1 ,glauco6 zeide ik1 wat hebt gij daar beiden als in eene afbeelding aanschouwelijk en zonder omwindsels voorgesteld4--,ik heb mijn best gedaan4 ,doch daar zij nu zoo zijn1 is het1 geloof ik1 geen kunst meer1 te beredeneren1 welk leven ieder moet verwachten4 ,dat zal ik dan nu doen4 ,doch1 zoo ik onbetamelijke dingen zeg1 ,socrates6 geef dan daarvan de schuld niet aan mij1 maar aan hen1 die de onregtvaardigheid boven de regtvaardigheid prijzen4 ,zij zullen zeggen1 dat de regtvaardige gegeeseld1 gepijnigd1 gebonden1 blindgemaakt1 en na allerlei ander kwaad verduurd te hebben1 gekruisigd zal worden1 en daardoor leeren zal1 dat men liever regtvaardig moet schijnen1 dan zijn4 ,dat dus de woorden van ,aeschylus veel meer op den onregtvaardigen passen4 ,want1 dat die1 de werkelijkheid en niet het gepraat der menschen tot maatstaf nemende1 liever onregtvaardig wil zijn dan schijnen1 en in zijnen geest eenen vruchtbaren akker bewerkt1 waaruit wijze plannen ontspruiten4 ,dat hij vooreerst1 door regtvaardig te schijnen1 overheidsambten bekomt1 dat hij vervolgens trouwt met wie hij wil1 zijne kinderen uithuwelijkt1 zoo als hij wil1 alle verbindtenissen aangaat1 die hij begeert1 en daarenboven zijne beurs vult1 daar hij geen zwarigheid ziet in onregtvaardige winst4 ,dat hij in twisten en regtsgedingen de overhand behoudt en zijne tegenstanders meester wordt1 en daardoor rijkdom verwerft1 en zijne vrienden kan weldoen en zijne vijanden schaden2 en dat hij behoorlijke1 ja prachtige offers en wijgeschenken aan de goden kan geven1 en ze dus veel beter dan de regtvaardige kan dienen2 zoodat hij ook natuurlijk aan de goden veel aangenamer is dan de regtvaardige4 ,zoo zeggen zij1 ,socrates6 dat door goden en menschen aan den onregtvaardige een veel beter leven bezorgd wordt dan aan den regtvaardige4-- ,,vi4 ,toen ,glauco dit gezegd had1 wilde ik er op antwoorden1 maar zijn broeder ,adimantus zeide3 ,socrates6 gij meent zeker1 dat er al genoeg gezegd is8--,hoe zoo8 zeide ik4--,het allernoodzakelijkste is nog overgeslagen4--,dan moet gij maar aanvullen wat bij uw broeder ontbreekt4 ,het door hem gezegde is echter al genoeg1 om mij ner te werpen en mij te beletten aan de regtvaardigheid te hulp te komen4--,dat baat niet1 zeide hij1 dit moet gij ook nog hooren4 ,wij moeten ook de redeneringen nagaan van hen1 die de regtvaardigheid prijzen en de onregtvaardigheid laken1 opdat hetgeen ,glauco1 naar ik meen1 bedoelt1 nog duidelijker worde4 ,ouders en opvoeders zeggen en vermanen hunne kinderen en kweekelingen1 dat men regtvaardig zijn moet1 doch prijzen dan de regtvaardigheid zelve niet1 maar het voordeel1 dat er uit te halen is1 daar een goede naam de weg is tot posten1 rijke huwelijken1 en wat ,glauco meer toeschreef aan den onregtvaardige1 die voor regtvaardig doorgaat4 ,zij weiden dan alleen wat meer uit over de gevolgen van dien goeden naam1 want zijn zij eens aan de eer bij de goden1 dan noemen zij onmetelijke voordeelen op1 die zij zeggen1 dat de goden aan de braven geven1 zoo als die goede ,hesiodus en ,homerus zeggen1 dat de goden de eikenboomen1 ten voordeele der regtvaardigen1 van boven vruchten1 in het midden honig laten voortbrengen1 en dat hunne woldragende schapen met rijke vruchten beladen zijn1 enz41 of dat1 zoo een goed en goddelijk ,koning de regtvaardigheid vereert1 de zwarte aarde hem tarwe en gerst opbrengt1 zijne boomen door de vruchten ombuigen1 zijne kudden niet misdragen1 en de zee hem visch oplevert4 ,en ,musaeus en zijn zoon ,eumolpus geven nog voortreffelijker belooningen uit naam der goden aan de regtvaardigen2 want zij doen hen in het huis van ,hades aanliggen1 en in vrolijke drinkgelagen met kransen op het hoofd den geheelen tijd dronken doorbrengen1 als ware eene eeuwige dronkenschap de schoonste belooning der deugd4 ,en anderen strekken de belooningen der goden nog verder uit1 want zij zeggen1 dat de kindskinderen en het nageslacht van den deugdzame en regtvaardige zullen bloeijen4 ,zulke loftuitingen maken zij op de regtvaardigheid1 maar de goddeloozen en onregtvaardigen dompelen zij in den ,hades in een moeras1 of laten ze in een zeef water scheppen2 en bij hun leven voorspellen zij hun een slechten naam en wat ,glauco meer als straffen van hem1 die regtvaardig is1 maar onregtvaardig schijnt1 heeft opgegeven1 dat alles zeggen zij van de onregtvaardigen1 maar verder niets4 ,dit is dus hetgeen tot lof en berisping van beiden gezegd wordt4 ,,vii4 ,daarenboven1 ,socrates6 moet gij nog andere oordeelvellingen over regtvaardigheid en onregtvaardigheid in het oog vatten1 die zoowel bij dichters als in de taal van het dagelijksch leven dikwijls voorkomen4 ,allen zeggen toch uit nen mond1 dat matigheid en regtvaardigheid wel schoon1 maar moeielijk en lastig zijn2 doch1 dat ongebondenheid en onregtvaardigheid aangenaam en ligt verkrijgbaar1 en slechts door de meening der menschen en de gewoonte schandelijk zijn4 ,en de meesten oordeelen1 dat onregtvaardigheid meer winst geeft dan regtvaardigheid1 en zijn bereid slechte menschen1 zoo zij rijk en magtig zijn1 gelukkig te noemen1 en hun zoowel in 't openbaar als ieder voor zich eer te bewijzen1 maar zwakken en armen te verachten en over het hoofd te zien1 al erkennen zij ze ook voor beter dan de anderen4 ,en het vreemdst van allen is1 hetgeen van de goden beweerd wordt1 dat de goden dikwijls aan braven ongeluk en ellende hebben toegedeeld1 en aan slechten het tegenovergestelde4 ,ook zwerven er bezweerders en wigchelaars rond aan de deuren der rijken en maken hun wijs1 dat zij van de goden het vermogen gekregen hebben1 om door offers en tooverformulieren de slechte daden van iemand of van zijne ouders met vermaak en feesten te verzoenen2 en1 zoo zij hunne vijanden willen schaden1 die met weinig omslag te kunnen benadeelen1 of zij regtvaardig of onregtvaardig zijn1 daar zij met bezweringen en geheimzinnige spreuken de goden1 zoo als zij zeggen1 kunnen overhalen1 om hun ten dienst te staan4 ,en dit alles bevestigen zij met de getuigenis van dichters1 die b4 v4 van het gemakkelijke der ondeugd zingen3 ,de ondeugd kan men ligtelijk in overvloed bekomen2 de weg derwaarts is vlak en zij woont digt in de buurt3 maar de goden hebben het zweet gesteld voor de deugd1 en de weg tot haar is hobbelig en steil4 ,anderen halen ,homerus aan tot getuige voor de mogelijkheid1 dat de menschen de goden van zin doen veranderen1 wanneer hij zegt3 ,zelfs de goden zijn te verbidden1 en wanneer iemand overtreden of gezondigd heeft1 bevredigt men ze met smeekgebeden1 gaven1 geloften1 plenging van wijn en offerdamp4 ,ook vertoonen zij vele boeken van ,musaeus en ,orfeus1 afstammelingen van de maan of van de ,muzen1 zooals zij zeggen1 volgens welke zij offers verrigten1 en enkele menschen1 ja geheele staten1 doen gelooven1 dat er verzoening en reiniging is van misdaden door offers en aangename feesten1 die zoowel voor levenden als voor dooden van kracht zijn1 en die zij mysterin noemen2 bewerende1 dat zij ons voor alle kwaad hier namaals vrijwaren1 terwijl zij1 die deze offers verzuimen1 een schrikkelijk lot te wachten hebben4 ,,viii4 ,wanneer wij nu1 mijn beste ,socrates6 letten op al deze uitspraken over deugd en ondeugd1 en over het gevoelen van goden en menschen omtrent beiden1 wat moeten wij dan wel denken1 dat de zielen van leergierige en vlugge jongelingen1 die op al wat zij hooren toevliegen1 daaruit voor gevolgtrekkingen zullen maken1 aangaande de meest verkieselijke levenswijs8 ,waarschijnlijk zou zulk een wel eens tot zich zelven de woorden van ,pindarus zeggen3 moet ik door regt of door kromme wegen een hoogen muur binnenkomen1 om mij daarmede zoolang ik leef te omschansen8 ,want1 naar ik hoor1 deugt de regtvaardigheid zonder den schijn nergens voor1 ja veroorzaakt klaarblijkelijk nadeel en moeite2 maar de onregtvaardige1 die zich met een schijn van regtvaardigheid omgeeft1 heeft een heerlijk leven4 ,daar dus1 zoo als de wijzen zeggen1 de schijn de waarheid overwint en meester is van het geluk1 moet ik mij daarop geheel toeleggen1 en1 van voren eene groote vertooning van deugd makende1 achter mijnen rug1 zoo als ,archilochus zegt1 een voordeel aanbrengend en slim vosje verbergen4 ,maar1 zal iemand zeggen1 het is niet gemakkelijk altijd zijne slechtheid verborgen te houden4 ,nu ja1 is daarop ons antwoord1 groote dingen zijn altijd moeijelijk2 maar toch moeten wij1 om gelukkig te zijn1 volgens het oordeel van ieder1 dien weg op4 ,dan moeten wij zamenspanningen en verbonden maken1 en er zijn ook leermeesters in de kunst van overreden1 die ons de bekwaamheid verschaffen1 die wij in de volksvergadering en voor de regtbank noodig hebben1 zoodat wij door overreding en geweld ons wel van de straf zullen vrijwaren4 ,maar tegen de goden helpt geen bedrog of geweld4 ,welnu1 zoo die niet bestaan of zich niet om de menschen bekommeren1 dan behoeven wij geen moeite te doen om voor hen verborgen te blijven1 en zoo zij er zijn en zich met ons bezig houden1 dan kennen wij ze toch slechts uit de dichters1 die hunne afkomst hebben medegedeeld4 ,edoch diezelfde dichters zeggen1 dat zij door offers en geloften en wijgeschenken kunnen bevredigd en gewonnen worden4 ,en wij moeten hen f in beide punten f in geen van beiden gelooven4 ,zoo wij dus gelooven moeten1 dan is het zaak onregt te bedrijven1 en van de winst offers te doen4 ,want regtvaardigen worden slechts door de goden niet gestraft1 maar missen het voordeel der onregtvaardigheid1 doch onregtvaardigen doen winst1 en kunnen door smeekgebeden hunne overtredingen en zonden weer goed maken1 en er alzoo toch behouden afkomen4 ,doch in den ,hades zullen wij1 of onze kindskinderen1 straf boeten voor hetgeen hier is misdreven8 ,och1 mijn vriend6 zal hij zeggen1 de mysterin en de goden1 die reiniging verschaffen1 vermogen zooveel1 gelijk de grootste staten zeggen en de zonen der goden1 die als dichters en profeten zijn opgetreden1 ons leeren4 ,,ix4 ,op welken grond zouden wij dan nog aan de regtvaardigheid de voorkeur geven boven de grootste onregtvaardigheid8 ,immers1 zoo wij die laatste onder een bedriegelijken schijn van deugd weten te verbergen1 zullen wij het in leven en dood1 bij goden en menschen naar onzen zin hebben1 zoo als volgt uit de verklaringen van de meeste en knapste menschen4 ,hoe is het na al het gezegde mogelijk1 ,socrates6 dat iemand van eenige geestkracht1 rijkdom1 ligchaamssterkte of afkomst de regtvaardigheid wil vereeren1 en niet uitbarst in lagchen1 wanneer hij haar hoort prijzen8 ,wanneer dus iemand kan aantoonen1 dat het gezegde valsch is1 en duidelijk inziet1 hoe voortreffelijk de regtvaardigheid is1 dan heeft hij echter geduld met de onregtvaardigen en wordt niet boos op hen1 daar hij weet1 dat1 behalve een enkele1 die door zijnen goddelijken aanleg de onregtvaardigheid verfoeit1 of zich op grond van hetgeen hij weet1 daarvan onthoudt1 niemand vrijwillig de regtvaardigheid beoefent1 maar door lafheid1 of ouderdom1 of eenige andere zwakheid afkeerig is van het onregt1 dat hij niet kan plegen4 ,en dit blijkt vooral daaruit1 dat ieder hunner1 zoodra hij in de gelegenheid is1 zooveel onregt doet als hij kan4 ,en van dit alles is geene andere oorzaak dan deze1 ,socrates6 dat1 zoo als hij en ik reeds in den beginne tot u zeiden1 van u allen1 die de regtvaardigheid prijst1 te beginnen van die wijzen uit den heldentijd1 waarvan nog uitspraken overig zijn1 tot op de menschen van onze dagen1 nooit iemand de onregtvaardigheid anders gelaakt of de regtvaardigheid geprezen heeft dan wegens de schande en straf of de belooning en eer1 die er op volgen2 maar de eigenaardige kracht1 die ieder van haar1 al merken goden en menschen het niet1 in de door haar bewoonde ziel uitoefent1 heeft nooit iemand in gewone taal of in verzen behoorlijk behandeld1 noch aangetoond1 dat de eene het grootste inwendige kwaad1 de andere het grootste goed der ziel is4 ,want zoo gij allen steeds aldus hadt gesproken1 en ons dit van onze jeugd hadt ingeprent1 dan behoefde de een van ons den ander niet in het oog te houden1 opdat hij geen onregt zou doen1 maar dan was ieder voor zich de beste bewaker1 daar hij dan vreezen zou1 door het doen van onregt1 zich zelven ongelukkig te maken4 ,dit1 ,socrates6 en misschien nog meer dan dit1 zouden ,thrasymachus en anderen over regtvaardigheid en onregtvaardigheid kunnen zeggen1 wanneer zij1 op eene wijs1 die ik moet afkeuren1 de kracht van beiden verkeerd voorstelden4 ,maar ik spreek nu1 om de waarheid te zeggen1 dit gevoelen zoo goed als ik kan voor1 omdat ik van u het tegendeel wensch te hooren4 ,beredeneer dan voor ons1 niet alleen1 dat de regtvaardigheid beter is dan de onregtvaardigheid1 maar om welken eigenaardigen invloed op hare bezitters1 de eene goed1 de andere kwaad moet genoemd worden4 ,en laat de meening van anderen er buiten1 zoo als ,glauco reeds gezegd heeft4 ,want zoo gij dat verzuimt1 dan moeten wij1 daar die meening valsch kan zijn1 zeggen1 dat gij niet het regtvaardig zijn1 maar het regtvaardig schijnen verheft1 en niet het onregtvaardig zijn1 maar het schijnen laakt1 zoodat gij ons dan raadt onregtvaardig te zijn1 maar dit verborgen te houden1 en het met ,thrasymachus eens zijt1 dat regtvaardigheid goed is voor anderen1 en nuttig voor den sterksten1 maar het onregt nuttig en voordeelig voor den pleger zelven1 en slechts schadelijk voor den minderen4 ,en daar gij hebt toegestemd1 dat de regtvaardigheid behoort tot het grootste goed1 hetwelk n om de gevolgen1 n veel meer nog om zich zelf moet gezocht worden1 b4 v4 zien1 hooren1 wijsheid1 gezondheid1 en wat meer door zijnen aard1 niet door de meening1 echt goed is2 zoo moet gij de regtvaardigheid prijzen om het nut1 dat zij door zich zelve1 in tegenstelling van de onregtvaardigheid1 haren bezitter aanbrengt1 maar het aan anderen overlaten belooningen en meeningen te roemen4 ,want ik zou het van anderen nog kunnen dulden1 dat zij de regtvaardigheid en de onregtvaardigheid wegens meening en vergelding prezen en laakten1 maar van u1 met uw welnemen1 niet1 dewijl gij uw geheele leven dr juist dit punt hebt onderzocht4 ,beredeneer ons dan niet slechts1 dat de regtvaardigheid beter is dan de onregtvaardigheid1 maar ook1 welke kracht ieder op zich zelve1 hetzij goden en menschen haar opmerken of niet1 op haren bezitter uitoefent1 en waarom zij dus voor goed of voor kwaad moet gehouden worden4 ,x4 ,ik had altijd veel schik in den inborst van ,glauco en ,adimantus gehad1 maar nu was ik vooral met hen ingenomen en zeide3 ,jongens6 ,critias heeft teregt1 nadat gij in den strijd bij ,megara roem behaald hadt1 van u gezongen3 ,zonen van ,aristo1 goddelijk geslacht van dien beroemden man4 ,dit keur ik daarom goed1 mijne vrienden6 omdat er waarlijk iets goddelijks in u zijn moet1 zoo gij niet gelooft1 dat de onregtvaardigheid1 die gij z kunt voorspreken1 beter is dan de regtvaardigheid4 ,en dat gij dit niet gelooft1 meen ik uit uwe overige levenswijs te mogen besluiten1 want uwe woorden zouden mij haast doen twijfelen4 ,des te grooter is echter nu mijne verlegenheid1 want ik zie geen kans om de regtvaardigheid te helpen1 en ik geloof1 dat ik daartoe niet in staat ben1 daar gij door hetgeen ik meende zoo mooi aan ,thrasymachus bewezen te hebben niet overtuigd zijt1 dat zij beter is dan de onregtvaardigheid2 en aan den anderen kant kan ik haar niet in den steek laten1 want ik vrees1 dat het goddeloos is de regtvaardigheid te hooren beschimpen1 zonder1 zoo lang men nog adem heeft en spreken kan1 hare zaak te bepleiten4 ,dus is het het beste haar zoo goed te verdedigen als ik kan4 ,nu hebben ,glauco en de overigen mij verzocht haar toch vooral te helpen en de redekaveling niet af te breken1 maar te onderzoeken1 wat de regtvaardigheid en de onregtvaardigheid is1 en hoe het staat met het nut1 dat door ieder van haar wordt aangebragt4 ,dit onderzoek echter is1 naar mijn oordeel1 niet van weinig beteekenis1 maar vordert1 meen ik1 een scherp gezigt4 ,daar wij nu1 zou ik zeggen1 niet bijzonder knap zijn1 moeten wij er op dezelfde wijze naar zoeken1 als wanneer ons was opgegeven1 terwijl ons gezigt niet zeer scherp was1 kleine letters van verre te lezen3 daar het dan1 geloof ik1 eene uitkomst zou wezen1 zoo wij diezelfde letters grooter en verder van elkander wedervonden1 en dat laatste schrift eerst mogten lezen1 om het eerste er dan me te vergelijken4--,zeker1 zeide ,adimantus2 maar1 ,socrates6 weet gij dan zulk een hulpmiddel bij het onderzoek naar de regtvaardigheid8--,ik zal het u zeggen1 zeide ik4 ,wij zijn het immers eens1 dat de regtvaardigheid zoowel in een enkel mensch als in eenen geheelen staat gevonden wordt8--,ja4--,en is een staat niet grooter dan een mensch8--,natuurlijk4--,misschien zou dan in het grootere de regtvaardigheid ook meer in het groot aanwezig zijn1 en dr gemakkelijker kunnen opgespoord worden4 ,zoo gij dus wilt1 zullen wij eerst onderzoeken1 wat zij in eenen staat is1 en vervolgens1 met behulp der vergelijking van het grootere met het kleinere1 ditzelfde bij den enkelen mensch nasporen4--,dat vind ik goed4--,wanneer wij dus beredeneren1 hoe een staat geboren wordt1 dan zullen wij ook den oorsprong der regtvaardigheid en der onregtvaardigheid in hem kunnen nagaan4--,waarschijnlijk4--,en als dat geschied is1 hebben wij dan niet meer kans om hetgeen wij eigenlijk zoeken te vinden8--,veel meer4--,dus moeten wij zien1 of wij dat tot stand kunnen brengen1 want ik geloof1 dat het niet ligt is4 ,vindt gij dat goed8--,ja1 zeide ,adimantus1 dat moeten wij doen4-- ,,xi4 ,een staat dan wordt1 geloof ik1 gegrondvest1 omdat ieder onzer aan zich zelven niet genoeg heeft1 maar vele dingen mist4 ,of houdt gij iets anders voor de oorzaak1 waaruit staten ontstaan8--,wel neen4--,wanneer dus verscheidene menschen met verschillende behoeften tot vervulling daarvan bij elkander gaan wonen1 om elkander wederzijds te helpen1 dan noemen wij die zamenwoning een staat1 niet waar8--,ja4--,en dan geven zij elkander wederzijds1 wat zij noodig hebben1 omdat zij daarin voor zich zelve voordeel zien8--,natuurlijk4--,komaan6 laat ons dan eens beredeneren1 hoe een staat geboren wordt4 ,de oorzaak van zijn ontstaan schijnt dus onze behoefte te wezen4--,juist4--,en de eerste en grootste behoefte is wel die van voedsel om het leven te onderhouden4--,dat spreekt4--,en de tweede die van woning1 de derde van kleeding1 enz4--,ja4--,maar hoe zal nu een staat tot vervulling dier behoefte genoegzaam zijn8 ,immers dan1 wanneer er een boer1 een die huizen kan bouwen1 een wever1 een schoenmaker en nog een paar zulke menschen gevonden worden8--,juist4--,dus zou een staat op zijn allerminst vier of vijf burgers moeten hebben4--,dat schijnt zoo4--,maar wat nu8 ,moet nu ieder hunner van zijn werk aan allen mededeelen1 zoodat b4 v4 die ne boer aan vier menschen voedsel bezorgt1 en dus ook1 om aan de anderen te kunnen mededeelen1 viermaal zoo veel tijd en moeite aan den landbouw besteedt2 of moet hij zich om hen niet bekommeren1 en voor zich alleen in het vierde van den tijd1 dien hij anders noodig had1 een vierde deel van het voedsel aanbouwen1 en de drie andere deelen tot het bouwen van zijn huis en het maken van zijne kleederen en schoenen besteden1 en zijne zaken zelf doen1 zonder den last te hebben van voor anderen te moeten zorgen8--,misschien is het eerste nog wel zoo gemaklijk1 ,socrates6 zeide ,adimantus4--'t ,is wel mogelijk1 zeide ik4 ,want nu gij dat zegt1 schiet mij te binnen1 dat vooreerst de een van ons niet volkomen op den ander gelijkt1 maar integendeel de een meer aanleg voor dit1 de ander voor dat heeft4 ,vindt gij dat ook niet8--,ja zeker4--,maar wat zal nu beter gaan1 wanneer n vele kunsten uitoefent1 of ieder ne8--,ieder ne4--,daarenboven is het ook duidelijk1 dat1 wanneer iemand den geschiktsten tijd voor eenig werk laat voorbijgaan1 dit werk mislukken moet4--,dat is duidelijk4--,ik zou dan ook denken1 dat het werk niet wachten wil tot de werkman tijd heeft1 maar dat de werkman het werk naar behooren en niet als bijwerk moet waarnemen4--,noodzakelijk4--,derhalve wordt er van alles meer1 beter en gemakkelijker gedaan1 wanneer ieder n ding naar zijnen aard en op den geschiktsten tijd behandelt1 zonder zich door wat anders te laten aftrekken4--,zeker4--,dus1 ,adimantus6 hebben wij1 om ons voornemen tot stand te brengen1 ook meer dan vier burgers noodig4 ,want dan moet1 naar het schijnt1 de landman zijn eigen ploeg1 zoo hij goed zal wezen1 niet zelf maken1 noch zijn zeis1 of eenig ander werktuig van landbouw4 ,en evenzoo de huizenbouwer1 want die heeft toch ook verscheidene werktuigen noodig4 ,en hetzelfde geldt van den wever en den schoenmaker2 niet waar8--,natuurlijk4--,dus zullen timmerlieden1 smeden en meer dergelijke werklieden aan ons staatje deel krijgen en dat volkrijk maken4--,ongetwijfeld4--,het zal dus geen overdaad zijn1 al voegen wij er ossendrijvers1 schapenhoeders en andere herders bij1 opdat de landbouwers voor het ploegen ossen kunnen krijgen1 en de huizenbouwers zoowel als de landlieden lastdieren tot het vervoeren1 en de wevers en schoenmakers huiden en wol4--,als onze staat dat alles heeft1 is hij waarlijk niet klein meer4--,ja maar1 zeide ik1 het is niet wel mogelijk hem op zulk eene plaats te stichten1 waar hij allen aanvoer van buiten kan missen4--,dat kan niet4--,dus zijn er nog anderen noodig1 die hetgeen hij behoeft van elders moeten halen4--,ja4--,maar1 zoo die dienaars ledig heengaan1 zonder iets mede te nemen1 dat noodig is op de plaats1 vanwaar zij die benoodigheden willen halen1 dan komen zij ledig weerom2 niet waar8--,dat zou ik ook denken4--,dus moet er bij ons niet slechts zoo veel gemaakt worden1 als voor ons gebruik genoeg is1 maar ook zulke dingen en zoo veel als zij vorderen1 wier hulp wij noodig hebben4--,dat moet4--,dus heeft onze staat meer boeren en werklieden noodig4--,ja4--,en ook andere dienaars1 om de waren in- en uit te voeren1 namelijk kooplieden4--,juist4--,dus kunnen wij de kooplieden niet missen4--,wel neen4--,en zoo de handel over zee gevoerd wordt1 ook nog menschen1 die verstand hebben van zeezaken4--,ja1 nog zeer velen4-- ,,xii4 ,maar hoe zullen zij nu in den staat zelven elkander de vruchten van hun werk mededeelen8 want juist daarom hebben wij dien toch gesticht4--,natuurlijk door koopen en verkoopen4--,bij gevolg moet er eene markt zijn1 en geld als middel van ruiling4--,ja4--,maar wanneer nu een boer of eenig ander werkman eenig voortbrengsel van zijnen arbeid naar de markt brengt1 en niet op denzelfden tijd komt als zij1 die verlangen het van hem in te ruilen1 moet hij dan op de markt blijven wachten en zijn werk verzuimen8--,wel neen1 maar dan zijn er1 die dat zien en zich daarvoor aanbieden1 en dat zijn in goed ingerigte staten meestal de zwaksten1 en die voor ander werk ongeschikt zijn4 ,want zij moeten dr op de markt blijven en van hen1 die iets kwijt willen zijn1 dat voor geld inruilen1 om het naderhand wer voor geld af te staan aan hen1 die het koopen willen4--,daarom moeten er dan in onzen staat kramers zijn4 ,want wij noemen zeker hen1 die tot gemak van den handel zich steeds op de markt ophouden1 kramers2 en hen1 die van den eenen staat naar den anderen reizen1 kooplieden4--,ja4--,verder zijn er1 denk ik1 nog andere dienaars1 die in gaven des geestes niet bijzonder uitblinken1 maar de noodige ligchaamskracht voor den arbeid bezitten1 en naar het loon1 dat zij voor het verhuren hunner ligchaamskrachten ontvangen1 den naam krijgen van daglooners1 niet waar8--,ja4--,dus zijn ook de daglooners een noodzakelijk aanvulsel van den staat4--,zeker4--,maar1 ,adimantus6 zou nu onze staat niet haast voltooid wezen8--,misschien4--,waar zou er dan nu de regtvaardigheid en de onregtvaardigheid in gevonden worden1 en met welk van de genoemde bestanddeelen zijn zij er binnen gekomen8--,ik zie het nog niet1 ,socrates6 of het moest zijn met de wederzijdsche betrekkingen der inwoners4--,misschien hebt gij gelijk1 dus moeten wij dat nasporen en niet vertragen4 ,vooreerst moeten wij dus beschouwen1 hoe zij zullen leven1 als de zaken alzoo op orde zijn gekomen4 ,zij zullen dus graan en wijn bouwen1 en kleederen1 schoenen en huizen maken1 en des zomers meestal naakt en blootvoets1 maar des winters behoorlijk geschoeid en gekleed hun werk doen4 ,en zij zullen zich voeden door van het graan meel en bloem te malen en dat te kneden en te bakken1 en aldus daarvan allerlei soort van kostelijk brood te maken1 dat zij op schoone bladeren opdisschen1 en1 op matrassen van stroo of varen aanliggende1 in gezelschap hunner kinderen nuttigen1 terwijl zij wat wijn toe drinken1 en met kransen op het hoofd de goden bezingen1 en zich dus in elkanders gezelschap vermaken4 ,ook moeten zij zorgen niet meer kinderen te verwekken dan zij onderhouden kunnen1 ter voorkoming van gebrek en oorlog4 ,,xiii4 ,toen vatte ,glauco het woord op1 en zeide3 zult gij die menschen geen toespijs bij hun eten geven4--,dat is ook waar1 zeide ik4 ,ik heb nog vergeten te zeggen1 dat zij ook toespijs zullen hebben1 namelijk zout1 en olijven1 en kaas1 en uijen1 en allerlei tuingroenten1 die gekookt worden4 ,en tot lekkernij zullen wij hun vijgen en erwten1 en boonen voorzetten1 en myrtenbessen en eikels zullen zij in de asch braden1 en daarbij een slokje drinken4 ,en alzoo zullen zij hun leven in gezondheid en vrede doorbrengen1 en waarschijnlijk oud worden1 en een dergelijk leven aan hunne nakomelingen nalaten4--,hierop zeide hij3 ,socrates6 zoo gij een staat van varkens wildet stichten1 hoe zoudt gij ze dan wel anders voederen8--,maar hoe moet het dan zijn1 ,glauco6 zeide ik4--,zoo als het hoort1 zij moeten1 om geen ellendig leven te hebben1 op bedden aanliggen en van tafels eten1 en toespijs en lekkernijen hebben1 zoo als die tegenwoordig te bekomen zijn4--,ook al goed4 ,wij onderzoeken dus1 naar het schijnt1 niet eenvoudig1 hoe een staat1 maar hoe een weelderige staat wordt ingerigt4 ,en misschien is dat wel zoo goed1 want door dit laatste er bij te nemen1 zullen wij welligt kunnen zien1 hoe de regtvaardigheid en de onregtvaardigheid in de staten geboren worden4 ,naar mijn oordeel is dus de staat1 dien wij beschreven hebben1 wel de ware en gezonde2 maar zoo gij wilt1 dat wij ook een zieken staat beschouwen1 is er niets in den weg4 ,de beschrevene levenswijs toch is1 naar het schijnt1 voor velen niet voldoende1 maar er moeten ook tafels zijn en bedden en ander huisraad1 en toespijs1 en zalf1 en reukwerk1 en hoeren1 en gebak1 en meer dergelijke dingen4 ,ook moeten wij dan het eerstgenoemde1 namelijk huizen1 kleeding en schoenen1 niet voor het alleen noodige houden1 maar er de schilder- en beeldhouwkunst bij halen1 en goud en elpenbeen en wat dies meer zij moeten wij bezitten3 niet waar8--,ja1 zeide hij4-- ,,xiv4 ,dus moeten wij den staat ook grooter maken4 ,want die gezonde is niet meer groot genoeg1 maar hij moet nu nog gevuld worden met een menigte ballast1 die in de staten niet om de noodzakelijkheid aanwezig is1 b4 v4 allerlei soort van jagers2 en allerlei nabootsers in gedaanten1 kleuren1 en muzijk2 en dichters met hunne dienaars1 b4 v4 opzeggers van verzen1 tooneelspelers1 en koorzangers2 en aannemers2 en vervaardigers van allerlei huisraad1 en van sieraden voor de vrouwen4 ,ook hebben wij dan meer dienaars noodig4 ,of moeten wij dan geen oppassers van kinderen1 kindermeiden1 minnen1 kappers1 baardscheerders1 banketbakkers en koks hebben8 ,en dan mogen er ook nog wel zwijnenhoeders wezen4 ,want dat alles hadden wij in onzen vorigen staat niet1 omdat het niet noodig was2 maar in dezen moeten wij dat alles hebben4 ,en ook allerlei vee1 dat gegeten wordt1 niet waar8--,natuurlijk4--,en geneeskundigen zullen wij dan ook wel meer noodig hebben1 dan bij de vorige levenswijs4--,veel meer4-- ,en het land1 dat toen groot genoeg was1 om de menschen1 die z leefden1 te voeden1 zal nu1 in plaats van groot genoeg1 veel te klein wezen4--,natuurlijk1 zeide hij4--,dus moeten wij1 om genoeg land voor ons vee en onzen akkerbouw te hebben1 van dat onzer buren afnemen2 en zij evenzoo van het onze1 zoo zij insgelijks naar oneindige uitbreiding van bezittingen streven1 en de grenzen der noodzakelijkheid te buiten gaan4--,dat is onvermijdelijk1 ,socrates6--,dus zullen wij ook krijg voeren1 ,glauco6 niet waar8--,zekerlijk4--,wij willen nu niet zeggen1 dat de oorlog over 't algemeen goed of kwaad teweeg brengt1 maar alleen dit1 dat wij den oorsprong des oorlogs gevonden hebben1 en dat1 zoo de burgers van een staat of de staat zelf ongelukkig worden1 dit vooral daaraan te wijten is#be4--;,juist4--,dus moet onze staat bij dit alles geen klein toevoegsel hebben1 maar een geheel leger1 dat moet uittrekken en om al onze bezittingen1 ook om het laatstgenoemde1 met de vijanden krijg voeren4--,maar kunnen de burgers dat dan zelve niet doen8--,neen1 zoo gij en wij allen ten minste teregt bij het vormen van den staat zijn overeengekomen1 gelijk gij u nog wel herinnert1 dat n mensch onmogelijk vele kunsten goed kan uitoefenen4--,dat is waar4--,en vindt gij nu niet1 dat het oorlogvoeren tot de kunsten behoort8--,wel ja4--,en is de schoenmakerskunst van meer belang dan de krijgskunst8--,wel neen4--,edoch wij hebben den schoenmaker verboden te gelijk boer1 of wever1 of huizenbouwer te wezen1 opdat het schoenmakerswerk goed zou gedaan worden2 en evenzoo hebben wij aan ieder der overigen n ding toegewezen1 waartoe hij van natuur geschikt was1 en dat hij goed zou uitoefenen1 door er zijn heele leven werk van te maken1 en de geschikte tijden niet te verzuimen2 en is het dan niet van het hoogste belang1 dat de krijgszaken goed behandeld worden8 of is dat z gemakkelijk1 dat een boer of schoenmaker1 of ander werkman1 te gelijk een krijgskundige kan wezen1 terwijl het dammen of dobbelen slechts behoorlijk kan gedaan worden door iemand1 die er van kindsbeen zijn hoofdwerk van gemaakt heeft8 en kan iemand1 die een schild of ander wapen of oorlogswerktuig opneemt1 dan zoo maar in eens allerlei soorten van strijd behoorlijk volbrengen1 terwijl toch geen ander werktuig1 zoodra het is opgenomen1 de kunst van het te bezigen aanbrengt1 noch bruikbaar is voor iemand1 die er niet mede bekend is en zich niet behoorlijk in deszelfs gebruik heeft geoefend8--,als dat zoo was1 dan zouden die werktuigen wel veel waarde hebben4-- ,,xv4 ,naarmate dus het werk der wachters van meer belang is1 vordert het meer tijd1 en kennis1 en oefening4--,dat zou ik ook denken4--,en ook natuurlijke geschiktheid voor die bezigheid4--,stellig4--,dus moeten wij1 zoo wij kunnen1 bepalen1 welke en hoedanig een aard voor het bewaken van den staat geschikt is4--,juist4--,waarlijk1 dat is geen kleinigheid2 maar wij moeten toch den moed niet laten zakken1 zoo lang wij nog kracht hebben4--,zeker niet4--,maar vindt gij niet1 dat de aard van een goeden wachthond veel overeenkomst heeft met dien van een knaap van goeden aanleg voor de krijgsdienst4--,hoe meent gij dat8--,beiden moeten immers scherp van waarneming zijn1 en vlug in het najagen van het waargenomene1 en sterk als er na het inhalen moet gevochten worden4--,ja1 dat alles is noodig4--,en ook moedig1 zoo zij goed zullen vechten4--,dat spreekt4--,en kan een paard1 of een hond1 of eenig ander dier1 dat niet driftig is1 wel moedig zijn8 ,of hebt gij nooit opgemerkt1 hoe moeijelijk om te bestrijden en te overwinnen de drift is1 en dat1 waar die gevonden wordt1 de ziel nergens voor vreest of terugdeinst4--,ja1 dat heb ik wel eens opgemerkt4--,dus is het duidelijk1 hoe het ligchaam van den wachter moet gesteld zijn4--,ja4--,en van zijne ziel is het uitgemaakt1 dat zij driftig moet zijn4--,juist4--,maar1 ,glauco1 wanneer zij zulk eenen aard hebben1 zullen zij dan niet lastig voor elkander en voor andere burgers wezen8--,ongemakkelijk4--,maar het is toch noodig1 dat zij zachtmoedig zijn voor de hunnen1 en slechts tegen de vijanden kwaadaardig4 ,want zoo dat geen plaats heeft1 zullen zij niet wachten tot anderen hen verdelgen1 maar zij zullen dat wel vroeger zelve doen4--,dat is ook waar4--,wat zullen wij dan doen8 ,hoe zullen wij eene inborst vinden1 die te gelijk krachtvol en zachtmoedig is8 ,want driftig en zachtmoedig staat toch tegen elkander over4--,dat schijnt zoo4--,en die n van beiden mist1 kan onmogelijk een goed wachter zijn4 ,dus stuiten wij dan op onmogelijkheden1 en een goed wachter is onmogelijk4--,dat lijkt wel4--,geen raad wetende overdacht ik het vorige nog eens1 en zeide3 het is geen wonder1 mijn vriend6 dat wij in de war zijn geraakt1 want wij hebben het ons voorgestelde beeld uit het oog verloren4--,hoe zegt gij8--,wij hebben niet bedacht1 dat er wel degelijk zulke geaardheden bestaan1 die wij onmogelijk noemden1 die deze beide eigenschappen bezitten4--,waar dan8--,zij komen ook wel bij andere dieren voor1 maar vooral bij die soort1 waarbij wij den wachter vergeleken hebben4 ,want gij weet toch wel1 dat honden van edel ras de eigenschap hebben1 dat zij bijzonder zachtzinnig jegens hunne bekenden1 en het tegenovergestelde tegen onbekenden zijn4--,dat weet ik4--,dus is het gestelde niet onmogelijk1 en wij zoeken geen tegennatuurlijke soort van wachters4--'t ,schijnt van neen4-- ,,xvi4 ,vindt gij nu niet1 dat hij1 die een goede wachter zijn zal1 behalve driftig1 ook wijsgeerig van geaardheid moet wezen8--,hoe dat8 ik begrijp u niet4--,ook dit kunt gij in de honden opmerken1 en het is wel eene merkwaardige eigenschap van dat beest4--,wat8--,dat het boos wordt op alle vreemden1 ook die het nooit kwaad gedaan hebben1 en vriendelijk is jegens alle bekenden1 al heeft het er nooit iets goeds van ondervonden4 ,hebt gij u nooit daarover verwonderd8--,tot nog toe heb ik er niet bijzonder op gelet2 doch ik erken1 dat het waar is4--,maar dat is toch wel eene aardige en waarlijk wijsgeerige eigenschap4--,hoe zoo8--,wel1 dat het iemand om geen andere reden1 dan om bekendheid of onbekendheid1 al of niet met vriendelijkheid of onvriendelijkheid bejegent4 ,of is het geen blijk van leergierigheid het eigene en het vreemde naar de bekendheid of onbekendheid te bepalen8--,ja zeker4--,en is leergierig en wijsgeerig niet hetzelfde8--,ja4--,dus kunnen wij gerust vaststellen1 dat ook een mensch1 zoo hij jegens zijne huisgenooten en bekenden zachtmoedig zal wezen1 een wijsgeerigen en leergierigen aard moet hebben4--,ja4--,dus moet hij1 die een goede wachter voor onzen staat zal wezen1 wijsgeerig en driftig1 en vlug1 en sterk van aanleg zijn4--,dat is noodig4--,z moeten zij dus van aanleg zijn4 ,maar hoe moeten zij nu worden groot gebragt en opgeleid8 ,zou het onderzoek van dit punt ons ook kunnen helpen om gemakkelijker te vinden wat wij eigenlijk zoeken1 hoe regtvaardigheid en onregtvaardigheid in den staat geboren wordt8 want wij moeten nu niets1 dat noodig is1 overslaan1 en evenzeer noodeloozen omslag vermijden4--,hierop zeide ,adimantus3 ik geloof1 dat dit onderzoek ons hiertoe van heel wat nut zal kunnen zijn4--,komaan1 mijn beste ,adimantus6 zeide ik1 dan moeten wij het niet nalaten1 al is het wat heel omslagtig4--,zeker niet4--,dus willen wij dan1 alsof wij eene fabel verdichten1 daar wij toch tijd hebben1 de opleiding dier mannen beschrijven4--,dat is goed4-- ,,xvii4 ,hoe moet dan nu die opleiding wezen8 ,is het niet moeijelijk eene betere te vinden dan die door lengte van tijd gevonden is1 namelijk de gymnastiek voor het ligchaam1 en de muzenkunst#bf voor den geest8--,juist4--,en moeten wij hen niet eerst door de muzenkunst1 vervolgens door de gymnastiek opleiden8--,natuurlijk4--,en rekent gij tot de muzenkunst ook de verhalen8--,ja4--,en nu zijn er immers twee soorten van verhalen1 ware en verdichte8--,ja4--,en wij moeten ze door beiden opleiden1 maar eerst door de verdichte8--,ik begrijp niet1 wat gij bedoelt4--,begrijpt gij niet1 dat wij aan de kinderen eerst sprookjes vertellen4 ,en die zijn toch meest verdicht1 al loopt er ook wat waars onder4 ,en wij bezigen bij de kinderen die sprookjes vr zij de gymnastiek leeren4--,ja4--,dit bedoelde ik1 toen ik zeide1 dat wij de muzenkunst vr de gymnastiek onderwijzen4--,juist4--,en nu weet gij zeker wel1 dat het begin van ieder werk het belangrijkste is1 vooral bij het nog jonge en teedere4 ,want daaraan wordt de gedaante1 die men er aan geven wil1 het best uitgedrukt en gevormd4--,ongetwijfeld4--,maar moeten wij dan nu zoo maar toelaten1 dat de kinderen allerlei door iedereen vervaardigde sprookjes hooren1 en alzoo in hunne ziel denkbeelden opnemen1 die meestal lijnregt strijden tegen die1 welke wij verlangen1 dat zij als volwassenen koesteren8--,wel neen1 zeker niet6--,vooreerst moeten wij dus het oog houden op hen1 die sprookjes vervaardigen1 en1 zoo zij een heilzaam sprookje gemaakt hebben1 dat goedkeuren1 maar wat niet heilzaam is1 afkeuren4 ,verder zullen wij de voedsters en de moeders aanraden de goedgekeurde aan de kinderen te vertellen1 en alzoo hunne zielen veel meer door die sprookjes dan hunne ligchamen met de handen te vormen4 ,maar verscheidene van de sprookjes1 die nu verteld worden1 moeten wij afkeuren4--,welke8--,naar de grootere zullen wij ook de kleinere kunnen beoordeelen4 ,want de grootere en de kleinere moeten dezelfde strekking hebben en denzelfden invloed uitoefenen1 niet waar8--,ja zeker2 maar ik vat evenmin1 wat gij met die grootere bedoelt4--,hetgeen ,hesiodus en ,homerus1 en de andere dichters ons verhaald hebben4 ,want die hebben vele verdichte sprookjes vervaardigd en aan de menschen verteld1 en vertellen die nog1 door hunne gedichten4--,wat bedoelt gij1 en wat hebt gij daarop aan te merken8--,de belangrijkste aanmerking1 die men op verkeerde verdichtselen kan maken4--,welke dan8--,wanneer iemand verkeerde voorstellingen aangaande de natuur van goden en halve goden in omloop brengt2 als een schilder1 die afbeeldingen maakt1 welke volstrekt niet gelijken op hetgeen zij moeten voorstellen4--,het is zeker goed daarop aanmerking te maken2 maar hoe en wat meent gij toch eigenlijk8--,vooreerst1 zeide ik1 de ergste leugen omtrent de heiligste dingen2 zoo als b4 v4 wat ,hesiodus ,uranus laat doen1 en hoe ,cronos hen daarvoor strafte#bg4 ,en wat ,cronos gedaan en wer van zijn zoon ondervonden heeft#bh1 zou ik1 al was het waar1 niet zoo ligt aan onwetende1 jonge lieden vertellen1 maar veel liever zwijgen3 en zoo ik het zeggen moest1 zou ik het in den vorm van mysterie doen1 opdat zoo weinigen als mogelijk het zouden vernemen1 en daarbij geen zwijn#bi1 maar zulk een kostbaar offer vorderen1 dat haast niemand er bij kon komen4--,ja1 die verhalen zijn leelijk4--,en zij moeten in onzen staat niet verteld worden1 ,adimantus6 ,en evenmin moeten wij aan een jong toehoorder zeggen1 dat1 zoo hij het grootste onregt bedreef1 of zijnen vader1 die onregt deed1 op allerlei wijs daarin verhinderde1 hij niets vreemds doen zou1 maar1 hetzelfde als de eersten en grootsten der goden4--,neen waarlijk1 dat vind ik ook niet oorbaar om te zeggen4--,en ook in 't geheel niet1 dat de goden oorlog voeren en elkander bestrijden en belagen 7't welk toch een leugen is71 zoo althans onze toekomstige wachters het schandelijk moeten vinden1 over eene kleinigheid met elkander te twisten4 ,en ook gevechten van goden en reuzen moeten wij hun niet verhalen1 noch in afbeeldingen vertoonen1 en evenmin al die andere twisten en vijandelijkheden van goden en halve goden tegen hunne bloedverwanten en naastbestaanden3 maar zoo wij hen willen doen gelooven1 dat geen medeburgers tegen elkander vijandig mogen worden1 en dat dit ook door de goden wordt afgekeurd1 dan moeten de oude mannen en vrouwen ook dergelijke dingen aan de kinderen en de aankomende knapen vertellen1 en dan moeten wij de dichters noodzaken aldus hunne verdichtselen in te rigten4 ,maar dat ,hera door ,hefaestus is gebonden1 of dat ,hefaestus door zijnen vader uit den hemel is geworpen1 toen hij zijne moeder1 die geslagen werd1 wilde helpen2 en dat de goden1 zoo als ,homerus verhaalt1 gevochten hebben2 zulke verhalen moeten wij in onzen staat niet toelaten1 of er een verborgen zin in ligt of niet4 ,want een jong mensch is niet in staat te onderscheiden1 wat verborgen zin is en wat niet1 en de meening1 die iemand op die jaren heeft aangenomen1 is meestal onuitwischbaar en niet te veranderen4 ,daarom is het zaak zijn uiterste best te doen1 dat zij het eerst zulke sprookjes vernemen1 die zoo veel mogelijk eene strekking tot de deugd hebben4 ,,xviii4 ,dat laat zich best hooren4 ,maar zoo iemand ons nu vroeg1 welke verhalen dit dan zijn moeten1 wat zouden wij dan zeggen8--,hierop antwoordde ik3 ,adimantus3 wij zijn op het oogenblik geen dichters maar stichters van een staat4 ,als zoodanig moeten wij wel de grondregels vaststellen1 die de dichters bij het verdichten moeten in het oog houden1 en niet toelaten1 dat zij die te buiten gaan1 maar wij moeten zelve geen sprookjes verdichten4--,dat is goed2 maar welke zijn dan nu die grondregels voor de verhalen omtrent de goden8--,bij voorbeeld1 dat in alle dichterlijke verhalen1 lierzangen1 treurspelen1 enz41 ,god zoo aan het volk moet voorgesteld worden1 als hij werkelijk is4--,ja dat is betamelijk4--,en is ,god niet werkelijk goed1 en moeten wij dat niet zeggen8--,ongetwijfeld4--,en wat goed is1 is niet schadelijk4--,ik vind van neen4--,en wat niet schadelijk is1 schaadt niet4--,zeker niet4--,en wat niet schaadt1 doet geen kwaad4--,ook dat niet4--,en wat geen kwaad doet1 is de oorzaak niet van iets kwaads4--,hoe zou dat mogelijk zijn8--,verder3 het goede is immers nuttig8--,ja4--,dus veroorzaakt het welstand8--,ja4--,dus is het goede niet van alles de oorzaak2 maar wel van goede1 niet van kwade dingen4--,dat spreekt4--,dus is ,god1 die goed is1 niet van alles de oorzaak1 zoo als de menigte zegt1 maar hij veroorzaakt weinig bij de menschen1 en veel niet2 want wij hebben veel minder goed dan kwaad#cj4 ,en van het goede moeten wij geen andere oorzaak zoeken1 maar van het kwade eene andere oorzaak dan ,god4--,wat gij zegt1 vind ik volkomen waar4--,dus moeten wij het niet door de vingers zien1 wanneer ,homerus of een ander dichter uit onverstand die dwaling aangaande de goden verspreidt1 en zegt1 dat twee vaten liggen op den drempel van ,zeus1 vol met lotsbeschikkingen1 het eene met goede1 het andere met kwade1 en dat hij1 wien ,zeus een mengsel uit beide gegeven heeft1 dan eens kwaad en dan eens goed ondervindt2 maar dat1 zoo ,zeus hem onvermengd uit het ne geeft1 het kwade verderf hem over de aarde vervolgt1 noch ook1 dat ,zeus voor ons de beschikker is van goed en kwaad#ca4 ,,xix4 ,en zoo iemand zegt1 dat het verbreken der bezworene verbonden1 waarvan ,pandarus de schuld had1 door ,athene en ,zeus bewerkt is1 zullen wij dat niet prijzen2 en evenmin het verhaal van den beslissenden strijd der goden op aanhitsen van ,themis en ,zeus#cb4 ,ook mogen wij de jongelieden niet laten hooren1 wat ,aeschylus zegt3 ,god doet de menschen kwaad bedrijven1 zoo hij een geslacht geheel wil in het verderf storten4 ,maar wanneer iemand dergelijke onderwerpen als dat van het stuk1 waaruit dit genomen is1 b4 v4 de rampen van ,niobe1 of van de ,pelopiden1 of van ,troje bezingt2 dan moet hij zeggen1 dat die rampen geen werk van de goden zijn2 of1 zoo hij ze aan de goden wil toeschrijven1 dan moet hij z spreken1 als wij daareven1 zeggende1 dat ,god regtvaardig en goed handelt1 maar dat die menschen tot hun nut gestraft werden3 doch1 dat zij1 die straf lijden1 ongelukkig zijn1 en dat ,god daarvan de oorzaak is1 dat mag geen dichter verhalen4 ,zoo hij zegt1 dat zij ongelukkig waren1 omdat zij straf noodig hadden1 daar de slechten ongelukkig zijn1 en dat ,god hun door die straf eene weldaad bewees#cc1 dan laten wij het toe2 maar dat ,god1 die goed is1 van eenig kwaad de oorzaak genoemd worde1 moet ieder op alle mogelijke wijs in zijnen staat beletten1 zoo hij wil1 dat deze bloeije2 en hij moet zorgen1 dat niemand1 jong noch oud1 dat in verzen of zonder verzen hoore verhalen1 omdat het godslasterlijk is1 en nadeelig voor ons1 en vol tegenstrijdigheden4--,aan die wet geef ook ik mijne stem1 zeide hij1 want zij bevalt mij4--,dus1 zeide ik1 is onze eerste wet en grondregel omtrent het godsdienstige deze1 dat zij1 die er van spreken of er gedichten over maken1 ,god niet van alles1 maar alleen van het goede de oorzaak mogen noemen4--,ja1 dat is uitgemaakt4-- ,en wat zegt gij van deze tweede wet8 ,gelooft gij1 dat ,god een goochelaar is1 en als uit eene hinderlaag telkens in eene andere gedaante voor den dag komt1 dan eens door zelf allerlei vormen aan te nemen1 dan eens door ons te misleiden1 en ons dergelijke denkbeelden van hem te doen koesteren8 ,of dat hij onveranderlijk is1 en nooit van gedaante wisselt8--,dat kan ik zoo op een oogenblik niet zeggen4--,maar wat zegt gij dan hiervan8 ,zoo iets van gedaante verandert1 moet het dan niet f door zichzelf f door iets anders veranderd worden8--,natuurlijk4--,en wat zelf het beste gesteld is1 wordt het minst door iets anders veranderd of bewogen1 b4 v4 wordt niet een ligchaam door spijs1 drank en arbeid1 en eene plant door hitte1 wind1 enz41 naarmate zij gezonder en sterker zijn1 minder veranderd8--,dat spreekt4--,en de krachtigste en verstandigste ziel wordt immers het minst door oorzaken van buiten beroerd en veranderd8--,ja4--,en zoo geldt het ook van alle zamengestelde werktuigen en huizen en kleederen1 dat zij minder invloed van tijd en andere oorzaken ondervinden1 naarmate zij beter bewerkt zijn4--,juist4--,dus is hetgeen door natuur of kunst of beiden in den besten toestand is1 het minst aan verandering door vreemden invloed blootgesteld4--,dat schijnt zoo4--,edoch ,god en het goddelijke zal wel in den allerbesten toestand zijn4--,ongetwijfeld4--,dus kan ,god althans door deze oorzaak geenszins vele gedaanten hebben4--,neen waarlijk niet4-- ,,xx4 ,maar zou hij ook misschien zichzelven veranderen8--,zoo hij ooit verandert1 natuurlijk wel4--,maar verandert hij zich dan in iets dat beter en schooner is dan hij1 of in iets dat slechter en leelijker is8--,natuurlijk1 als dat gebeurt1 in het slechtere2 want wij kunnen niet beweren1 dat ,god eenige schoonheid of volkomenheid mist4--,dat zegt gij zeer goed4 ,en daar dit zoo is1 gelooft gij dan1 ,adimantus6 dat eenig ,god of mensch zichzelven vrijwillig slechter zou maken8--,dat is onmogelijk4--,ja1 waarlijk is het onmogelijk1 dat een ,god zichzelven zou willen veranderen1 maar1 daar ieder der goden volkomen schoon en goed is1 blijft ieder hunner zoo veel mogelijk altijd eenvoudig in zijne eigene gedaante4--,ik zie ook geene andere mogelijkheid4--,dus1 mijn beste6 mag geen dichter bij ons zeggen1 dat de goden op reizigers uit vreemde landen gelijkende onder allerlei gedaanten door de steden rondwandelen#cd2 noch ons de gedaanteveranderingen van ,proteus en ,thetis voorliegen2 noch in treurspelen of andere gedichten verhalen1 dat ,hera onder de gedaante van eene oude priesteres tot de goede dochters van den ,argivischen riviergod ,inachus sprak3 maar alle dergelijke leugens moeten bij ons geweerd worden4 ,ook mogen de moeders op gezag daarvan de kinderen niet bang maken1 en leelijke sprookjes vertellen1 zeggende3 dat sommige goden des nachts onder allerlei vreemde gedaanten rondzwerven2 daar zij hierdoor de goden belasteren en de kinderen vreesachtig maken4--,neen zeker niet4--,maar1 zeide ik1 misschien zijn de goden wel onveranderlijk1 doch doen ons door misleiding en begoocheling meenen1 dat zij allerlei gedaanten aannemen8--,misschien4--,maar1 zou dan een ,god willen bedriegen1 door met woorden of daden valsche voorstellingen op te wekken8--,dat weet ik niet4--,weet gij dan niet1 dat de waarachtige onwaarheid1 om eens zoo te spreken1 bij alle goden en menschen gehaat is8--,hoe meent gij dat8 zeide hij4--,z1 dat niemand in zijn voornaamste deel ten opzigte van de voornaamste dingen onwaarheid wil dulden1 maar dat hij zeer bevreesd is1 ze dr op te nemen4--,nu begrijp ik het nog niet4--,gij denkt zeker1 dat ik heel wat vreemds zeg2 maar ik meen eenvoudig1 dat allen er een afkeer van hebben1 om met hunne ziel ten opzigte van hetgeen wezenlijk is te dwalen en onwetend te zijn1 en dr onwaarheid te koesteren1 en dat zij ze dr het allerminst willen opnemen4--,dat is zoo4--,edoch de naam van waarachtige onwaarheid is wel het meest toepasselijk op de dwaling in de ziel van den dwalenden2 terwijl de onwaarheid in woorden slechts eene soort van nabootsing van de aandoening der ziel1 en dus niet zulk eene volkomene onwaarheid is4 ,is het zoo niet8--,zekerlijk4-- ,,xxi4 ,dus1 wordt dan de waarachtige onwaarheid door goden en menschen gehaat4--,ja4--,maar nu de onwaarheid in woorden1 is die somtijds heilzaam1 zoodat zij geen haat verdient8 ,kan zij tegen vijanden en tegen zoogenaamde vrienden1 wanneer zij door waanzin of dwaasheid eenig kwaad pogen te doen1 niet soms als een nuttig middel tot afwending gebezigd worden8 ,en maken wij niet in de daareven genoemde verdichte verhalen1 dewijl wij van den ouden tijd het ware niet weten1 de onwaarheid zoo waarschijnlijk mogelijk en daardoor nuttig8--,ja1 zoo is het4--,tot welke dier doeleinden is dan nu de onwaarheid voor ,god nuttig8 ,zou hij de onwaarheid waarschijnlijk maken1 omdat hij van die oude dingen het ware niet weet8--,dat is te gek1 om van te spreken4--,dus verhaalt ,god geene onwaarheden op de wijs der dichters4--,neen4--,maar zou ,god ook onwaarheid spreken uit vrees voor zijne vijanden8--,dat is ondenkbaar4--,maar dan om de dwaasheid of waanzin zijner vrienden8--,neen1 want geen dwaas of waanzinnige is een vriend van ,god4--,dus is er geen reden1 waarom ,god onwaarheid zou spreken4--,volstrekt niet4--,dus is de godheid boven alle onwaarheid verheven4--,ongetwijfeld4--,dus is ,god in woorden en werken altijd zichzelven gelijk en waarachtig1 en hij verandert zelf1 noch misleidt anderen door schijnvertooningen1 of woorden1 of voorteekens1 of droomgezigten4--,nu gij het zegt1 vind ik het ook4--,dus1 stemt gij toe1 dat de tweede grondregel ten opzigte van het spreken en dichten over de goden deze is1 dat men ze niet mag voorstellen als1 gelijk goochelaars1 zich zelven veranderende1 of ons door woorden of daden misleidende4--,dat stem ik toe4--,hoezeer wij dus anders veel in ,homerus prijzen1 zullen wij het zenden van den bedriegelijken droom aan ,agamemnon door ,zeus niet goedkeuren#ce1 en evenmin1 dat ,aeschylus ,thetis laat verhalen1 hoe ,apollo op hare bruiloft met gezang hare toekomstige spruiten verhief1 daar die zonder rampen lang zouden leven2 en er bijvoegt3 hij zeide1 dat mijn leven vol blijken van de gunst der goden was1 en zong daar een lied op1 dat mij verkwikte4 ,en ik hoopte1 dat de goddelijke mond van ,phoebus1 die overvloeide van voorspellingen1 de waarheid zeide4 ,edoch dezelfde1 die z zong1 dezelfde1 die op het feest tegenwoordig was1 dezelfde1 die dit zeide1 heeft zelf mijnen zoon gedood4 ,wanneer iemand zulke dingen van de goden zegt1 zullen wij boos worden en zijne stukken van het tooneel weren1 en wij zullen de leermeesters verbieden die bij het onderwijs der jeugd te gebruiken2 zoo althans onze wachters zoo godvreezend en goddelijk moeten worden als voor een mensch eenigzins mogelijk is4--,die grondregels keur ik volmaakt goed1 en ik wil ze wel onder de wetten opnemen4-- ,voetnoten #bc ,hier komt dezelfde ironie voor als in den ,theaetetus4 ,plato laat hier1 om de zwakheid zijner tegenstanders aan te toonen1 hunne zaak door anderen veel beter bepleiten1 dan zij zelve konden doen1 ten einde die dan later des te krachtiger te weerleggen4 #bd ,schijn beteekent eenvoudig uiterlijke vertooning1 zonder dat daarbij over het innerlijke iets beslist wordt4 ,die schijnt wat hij niet is1 heeft alleen schijn2 die schijnt wat hij is1 heeft schijn en werkelijkheid te gelijk4 #be ,dit spreekt het onmiddellijk voorgaande niet tegen4 ,socrates wil niet onderzoeken1 of oorlog in het algemeen beschouwd iets verderfelijks1 of iets heilzaams is1 maar stelt alleen1 dat1 daar bij den oorlog gewoonlijk eene lijdende partij is1 die door den oorlog ongelukkig wordt1 een staat moet zorgen1 zoo er oorlog uitbreekt1 niet tot de lijdende partij te behooren1 en dat daartoe een goed1 geoefend leger vereischt wordt4 #bf ,onder deze uitdrukking wordt alles begrepen1 wat eenige beschaving aanbrengt1 daar de muzen als de patronessen van allerlei soort van geestbeschaving werden aangezien4 ,eigenlijk staat er muzijk1 maar1 omdat dit woord bij ons meer bepaaldelijk toonkunst beteekent1 heb ik het1 uit vrees voor verwarring1 niet durven gebruiken4 #bg ,uranus had zijne kinderen in de ingewanden der aarde opgesloten4 ,zijn zoon ,cronos strafte hem daarvoor1 door uit het ijzer1 dat de aarde met dat doel voortbragt1 een zeis te maken1 daarmede zijne vader te ontmannen en hem van den troon te stooten4 #bh ,cronos at zijne kinderen op1 maar werd daarom door ,zeus1 die door zijne moeder verborgen was1 van den troon gestooten en in den ,tartarus geworpen4 #bi ,die bij de ,mysterin van ,eleusis wilde ingewijd worden1 moest een zwijn offeren4 #cj ,de ,grieksche schrijvers uiten dikwijls klagten over de jammeren1 waaraan de menschen zijn blootgesteld4 ,reeds bij ,homerus1 ,il4 ,,xvii4 #ddf lezen wij3 ,onder alle wezens1 die op aarde ademen en zich bewegen1 is er geen ongelukkiger dan de mensch4 #ca ,il4 ,,xxiv4 #ebg sqq4 #cb ,il4 ,,iv4 #ej sqq4 ,,xx4 #a sqq4 #cc ,zie ,ahrens1 ,grondbeginselen der ,mensch- en ,zielkunde1 vrij vertaald door ,dr4 ,j4 ,nieuwenhuis1 enz4 ,,ii4 #bca1 #bcb4 #cd ,odyss4 ,,xvii1 #dhe sq4 #ce ,ilias4 ,,ii1 #a sqq4 ,,derde ,,boek4 ,i4 ,aangaande de goden moeten zij dus van kindsbeen zulke dingen hooren en niet hooren1 zoo zij de goden en hunne ouders zullen vereeren1 en de onderlinge genegenheid niet van weinig waarde rekenen4--,ja1 zeide hij1 dat zeggen wij1 geloof ik1 met regt4--,maar1 zoo zij verder moedig zullen zijn1 is het dan niet noodig1 dat zulke dingen tot hen gezegd worden1 die hen zoo weinig mogelijk voor den dood doen vreezen8 ,of gelooft gij1 dat ooit iemand moedig worden kan1 die deze vrees koestert8--,neen waarlijk niet4--,maar denkt gij nu1 dat iemand1 die het bestaan van al die verschrikkelijkheden in de onderwereld gelooft1 onbevreesd voor den dood zal wezen1 en dien in den strijd boven nederlaag en slavernij zal verkiezen8--,zeker niet4--,dus moeten wij1 naar het schijnt1 ook op hetgeen daarvan verteld wordt een wakend oog houden1 en de dichters verzoeken1 den dood niet zoo onbepaald kwaad te noemen1 daar zij dan dingen zouden zeggen1 die niet waar1 en voor hen1 die moedig behooren te zijn1 niet nuttig zouden wezen4--,dat is noodig4--,dus zullen wij1 om met ,homerus te beginnen1 alle dergelijke regels uitschrappen als3 ik zou liever op aarde een lijfeigene wezen van een gering man1 die naauwelijks genoeg te eten had1 dan over al de schimmen der gestorvenen te regeren#cf4 en aan stervelingen en onsterfelijken zouden de akelige1 ruime woningen vertoond zijn1 waarvoor zelfs de goden een afschrik hebben#cg4 en ,zoo is er dan waarlijk ook in het huis van ,hades nog eene ziel en schim1 maar zonder eenig bewustzijn#ch4 en het is alleen aan de schim van den wigchelaar ,tiresias gegeven verstand te hebben1 maar de andere schimmen zijn zonder bewustzijn#ci4 en de ziel vloog uit het ligchaam weg naar den ,hades1 over haren dood treurende en hare kracht en jeugd achterlatende#dj4 en de ziel ging suizende als een damp onder den grond#da4 en even als vleermuizen1 die zich in een hoek van een groot hol aan elkander vasthielden1 wanneer er een uit de rij van de rots is afgevallen1 suizende door elkander vliegen1 gingen de zielen der gesneuvelde minnaars van ,penelope te zamen suizende naar de onderwereld#db4 ,wij zullen ,homerus en de andere dichters verzoeken het ons ten goede te houden1 zoo wij alle dergelijke plaatsen doorschrappen2 niet omdat zij niet dichterlijk en aangenaam voor de meeste toehoorders zijn1 maar omdat1 naarmate zij dichterlijker zijn1 jongens en mannen ze minder moeten hooren1 zoo wij vrij zullen leven en de slavernij meer vreezen dan den dood4--,toegestemd4-- ,,ii4 ,dus moeten wij ook al die schrikverwekkende namen1 die hiervan gebruikt worden1 wegwerpen1 b4 v4 jammermeir1 haatrivier1 onderaardsch1 schimmen en alle andere woorden van denzelfden stempel1 die er op zijn ingerigt1 om allen1 die ze hooren1 te doen sidderen4 ,misschien is dit voor iets anders goed1 maar wij vreezen voor onze wachters1 dat zij door dat sidderen vreesachtiger en weekelijker dan noodig is zouden worden4--,ja1 daarvoor vreezen wij met regt4--,dus moeten die uitdrukkingen worden weggenomen8--,ja4--,en wij moeten in den tegenovergestelden geest spreken en dichten8--,natuurlijk4--,dus zullen wij ook het beweenen en beklagen van groote mannen afschaffen4--,dat volgt uit het vorige4--,onderzoek dan eens1 of wij dat met regt zullen afschaffen1 of niet8 ,wij zeggen immers1 dat een redelijk mensch voor zijnen vriend1 die van denzelfden aard is1 het sterven niet schrikkelijk zal vinden4--,dat zeggen wij4--,dus zal hij ook niet over hem treuren1 alsof hij een groot ongeluk ondergaan had4--,zeker niet4--,verder zeggen wij ook1 dat zulk een het meest voor zich zelven genoeg is1 en het minst de hulp van anderen noodig heeft4--,dat is waar4--,dus is het voor hem ook het minst schrikkelijk1 van een zoon1 of broeder1 of geld1 of iets anders dergelijks beroofd te worden4--,zekerlijk4--,dus zal hij ook het minst treuren1 en het met de meeste kalmte dragen1 als hem zulk een lot overkomt4--,dat spreekt4--,dus zullen wij teregt dat jammeren in beroemde mannen misprijzen1 en dat overlaten aan vrouwen van geringe voortreffelijkheid en aan mannen1 die weinig bijzonders zijn2 opdat zij1 die wij tot bewaking van het land opvoeden1 er afkeerig van worden zulke dingen te doen4--,dat is goed4--,dus zullen wij dan ook ,homerus en de andere dichters verzoeken1 niet te zeggen1 dat ,achilles1 de zoon eener godin1 dan eens op de zijde lag1 dan eens op den rug1 dan eens voorover1 dan wer opstond en rondzwierf langs het strand van de onvruchtbare zee1 en dat hij met beide handen de asch opnam en die op zijn hoofd strooide en1 dat hij z weende en klaagde1 als hij in de ,ilias doet#dc1 en dat ,priamus1 die nog niet ver van den goddelijken oorsprong van zijn geslacht af was#dd1 smeekte en zich in den drek wentelde en ieder bij name toeriep#de4 ,en nog veel meer zullen wij hen verzoeken1 de goden niet te laten weeklagen en zeggen1 ach ik ongelukkige1 die tot mijn verdriet een uitstekenden zoon heb gebaard#df4 ,en vooral zich niet te verstouten1 om den grootsten der goden zoo ongelijkend af te beelden1 dat zij hem laten zeggen1 helaas6 daar zie ik1 dat een man1 dien ik lief heb1 rond de stad wordt vervolgd1 en mijn hart heeft er deernis mede#dg4 ,of3 wee mij6 dat het noodlot over mijn waardsten zoon1 ,sarpedon1 besloten heeft hem door ,patroclus1 den zoon van ,menoetius1 te doen ombrengen#dh4 ,,iii4 ,want1 mijn beste ,adimantus6 als onze jongelieden dergelijke dingen in ernst hoorden verhalen1 en er niet om lachten als om onwaardige voorstellingen1 dan zou genoegzaam geen mensch zich daarboven verheven rekenen noch het zich verwijten1 indien hij bij geval zoo iets zeide of deed2 maar zonder zich te schamen of in te houden zou hij over kleine rampen groote weeklagten en jammerkreten aanheffen4--,wat gij daar zegt is zeer waar4--,en dit mag toch niet1 zoo als daareven is gebleken uit onze redekaveling1 waarbij wij ons maar houden zullen1 tot men ons met betere bewijzen van het tegendeel overtuigt4--,dat ben ik met u eens4--,ook moeten zij geene liefhebbers van lagchen zijn4 ,want wanneer iemand aan hevig lagchen toegeeft1 is hij meestal geneigd ook in het tegenovergestelde uiterste te vervallen4--,dat vind ik ook4--,dus moeten wij het niet toelaten1 wanneer men menschen van naam in lagchen laat uitbarsten1 en nog veel minder zoo dit van goden verteld wordt4--,vooral het laatste4--,dus is het uw gevoelen1 dat wij van ,homerus ook het volgende aangaande de goden niet zullen goedkeuren3 ,en er ontstond een onbluschbaar gelach onder de zalige goden1 toen zij ,hefaestus zich in het huis zagen afsloven#di4-- ,zoo gij dat mijn gevoelen wilt heeten1 heb ik er vrede mede1 zeide hij4-- ,verder moet ook de waarheid ten hoogste geerd worden4 ,want zoo wij daareven juist spraken1 en werkelijk de onwaarheid voor goden nutteloos is1 maar voor menschen als geneesmiddel nuttig1 dan is het duidelijk1 dat wij haar aan de geneesmeesters geven moeten1 maar dat oningewijden er af moeten blijven4--,dat is duidelijk4--,dus mogen alleen de overheden van den staat haar tegen vijanden of burgers voor het welzijn van den staat bezigen1 maar alle anderen moeten er afblijven1 en wij zullen zeggen1 dat1 als een onderdaan tegen overheden1 gelijk wij aanstellen1 onwaarheid spreekt1 dit een niet minder1 ja erger kwaad is1 dan1 wanneer een zieke den geneesheer of een1 die de gymnastiek leert1 den schermmeester onwaarheden aangaande den toestand van zijn ligchaam vertelt1 of wanneer iemand den bestuurder van een schip misleidt over den waren toestand1 waarin hij zelf of het andere scheepsvolk verkeert4--,dat is volkomen waar4--,en1 zoo de overheid een ander burger b4 v4 een werkman1 of wigchelaar1 of geneesmeester van zieken1 of vervaardiger van speren#ej op onwaarheden betrapt1 zal zij hem bestraffen1 omdat hij den grond legt tot eene gewoonte1 die den staat geheel zou doen ten ondergaan4--,dat is noodig1 zoo wij overeenkomstig het gezegde moeten handelen4-- ,moeten verder onze jongelieden geen ingetogenheid hebben8--,natuurlijk4--,en rekent men niet meestal tot de ingetogenheid vooral deze twee punten3 gehoorzaamheid aan meerderen1 en beheersching van de begeerte naar drank1 mingenot en spijs8--,ja4--,dus zullen wij als goed gesproken aanmerken1 wat ,diomedes bij ,homerus tot zijnen wagenmenner ,sthenelus zegt3 ,vadertje6 houd u stil en luister naar mijne woorden#ea1 en wat kort daarop volgt3 de moed ademende ,grieken trokken in stilte voort1 uit eerbied voor hunne opperhoofden#eb1 en wat meer dezelfde strekking heeft4--,ja1 dat is goed4--,maar zulke stukken1 als wanneer ,achilles tot ,agamemnon zegt3 ,wijnzuiper1 die hondenoogen hebt en een hertenhart#ec1 en wat er verder volgt2 of welke andere onbeschaamde uitvallen van onderdanen tegen overheden in proza of verzen verhaald worden1 zullen wij die als goed gesproken aanmerken8--,als niet goed4--,zij zijn dan ook1 denk ik1 niet geschikt om aan de jeugd tot bevordering der ingetogenheid verhaald te worden2 anders zijn zij welligt heel vermakelijk1 of hoe denkt gij er over8--,evenzoo4 ,,iv4 ,en verder1 wanneer men den verstandigsten man van zijnen tijd laat zeggen1 dat hij nergens meer schik in heeft dan1 wanneer de tafels vol zijn van brood en vleesch1 en de schenker den wijn uit het vat schept1 dien ronddraagt1 en in de bekers giet#ed1 vindt gij dan het hooren daarvan geschikt om de matigheid der jeugd te bevorderen8 ,of dit3 de allerrampzaligste dood is van honger te sterven#ee4 ,of wanneer de dichter ,zeus alles1 wat hij in eenzaamheid1 terwijl de andere goden en de menschen sliepen1 overlegd had1 door verlangen naar mingenot1 z gemakkelijk laat vergeten1 en hem op het gezigt van ,hera z laat ontroeren2 dat hij niet eens naar huis wilde gaan1 maar dr op den grond bij haar wilde liggen1 zeggende3 dat hij nog veel meer door de begeerlijkheid overmeesterd was1 dan toen zij buiten weten hunner ouders voor de eerste keer heimelijk bij elkander kwamen#ef4 ,of het binden van ,ares en ,aphrodite door ,hephaestus1 om eene dergelijke reden#eg4--,neen1 waarachtig6 dat vind ik niet oorbaar4--,maar1 als eenig blijk van zelfbeheersching door een beroemd man in woorden of daden gegeven wordt1 dan moeten zij dat zien en hooren1 b4 v4 dit1 hij sloeg zich op de borst en zeide tot zijn hart3 houd moed1 mijn hart6 gij hebt wel erger dingen uitgestaan#eh4--,zekerlijk4--,ook moeten onze mannen immers geen geschenken aannemen of inhalig zijn8--,wel neen4--,dus moeten wij ook voor hen niet zingen3 geschenken overreden de goden en de eerwaardige koningen4 ,en ,phoenix1 de leermeester van ,achilles1 moet niet om zijne verstandige taal geprezen worden1 wanneer hij hem raadt1 voor geschenken de ,grieken te helpen1 maar zonder dat geen afstand van zijnen wrok te doen#ei4 ,en ,achilles zelf mag niet als z inhalig beschreven worden1 dat hij van ,agamemnon geschenken aanneemt#fj1 en een lijk wel voor losgeld1 maar geenszins voor niet wil vrijgeven#fa4--,zulke dingen zijn althans zeker niet lofwaardig4--,omdat het ,homerus is1 durf ik het haast niet te zeggen1 maar toch vind ik het heiligschennis zulke dingen van ,achilles te beweren1 en aan anderen mede te deelen4 ,ook dat hij tot ,apollo zeide3 ,o verschietende6 gij slechtste van al de goden6 gij hebt mij kwaad gedaan4 ,waarlijk1 als ik maar kon1 ik zou er u voor straffen#fb4 ,of dat hij naar den riviergod ,scamander niet wilde luisteren1 en gereed was1 om tegen hem te vechten#fc2 en dat hij zijne haren1 die aan den riviergod ,spercheus geheiligd waren1 afsneed1 met de woorden3 ik zal ze aan den dapperen ,patroclus 7die nog wel dood was7 als geschenk medegeven#fd1 dat moet niet verhaald worden4 ,en het slepen van ,hector rond het graf van ,patroclus#fe1 en het slagten der gevangenen bij den brandstapel#ff1 dat alles zullen wij zeggen1 dat niet waar is1 en wij zullen evenmin onze jongelieden laten gelooven1 dat ,achilles1 de zoon van eene godin en van den redelijken ,peleus1 den kleinzoon van ,zeus1 de kweekeling van den wijzen ,chiron1 z door hartstogten geslingerd werd1 dat hij in zich twee tegenstrijdige ziekten had1 namelijk laagheid uit inhaligheid voortgesproten1 en hoogmoed1 die goden noch menschen ontzag4--,dat zegt gij goed4-- ,v4 ,dus zullen wij hen dit niet wijs maken1 en evenmin1 dat ,theseus1 de zoon van ,poseidon1 en ,pirithous1 de zoon van ,zeus1 zulke schandelijke rooftogten ondernomen hebben1 of dat eenig ander godenzoon of halve god zulke schandelijke en goddelooze dingen heeft durven doen1 als tegenwoordig van hen gelogen worden2 maar wij willen de dichters dwingen te zeggen1 dat zij dit niet gedaan hebben1 of dat zij geen zonen van goden zijn1 en hen beletten beiden tevens te beweren en onze jongelieden in de meening te brengen1 dat de goden iets slechts voortbrengen1 en dat de halve goden geen zier beter zijn dan de menschen4 ,want wat wij daareven zeiden1 is goddeloos en onwaar1 daar wij beredeneerd hebben1 dat van de goden niets kwaads kan komen4--,natuurlijk4--,en het is ook schadelijk voor de hoorders1 want niemand zal zich zelven over zijne slechtheid veroordeelen1 wanneer hij gelooft1 dat hetzelfde gedaan wordt1 en gedaan is door afstammelingen der goden1 nabestaanden van ,zeus1 die op den top van den aan vader ,zeus geheiligden ,ida een altaar in de vrije lucht hebben1 en uit wier aderen het bloed der goden nog niet verdwenen is4 ,weshalve al die sprookjes moeten afgeschaft worden1 om onze jongelingen niet op den slechten weg te brengen4--,dat ben ik volmaakt met u eens1 zeide hij4-- ,welke soort van grondregels voor de verhalen1 die al of niet mogen verhaald worden1 moeten wij nu nog vaststellen8 ,want wij hebben gezegd1 hoe men spreken moet van de goden#fg1 van de halve goden en van de onderwereld4--,juist4--,dus zouden wij nog moeten zeggen1 hoe men van de menschen moet spreken4--,natuurlijk4--,maar1 mijn vriend6 dat kunnen wij op het oogenblik nog niet bepalen4--,waarom niet8--,omdat wij dan1 geloof ik1 zeggen zouden1 dat de dichters en verhalers van de menschen de ergste leugens vertellen1 namelijk1 dat velen onregtvaardig en toch gelukkig zijn1 en regtvaardig maar toch ongelukkig2 en dat de onregtvaardigheid nuttig is1 zoo zij verborgen blijft2 en dat de regtvaardigheid voor vreemden nuttig maar voor hem1 die haar heeft1 schadelijk is2 en omdat wij dan zouden verbieden zulke dingen te zeggen1 en gelasten het tegenovergestelde in verzen en verhalen te leeren4 ,denkt gij dat ook niet8--,neen6 maar dat weet ik4--,maar1 zoo gij dan toestemt1 dat ik de waarheid zeg1 zal ik zeggen1 dat gij hetgeen1 waarnaar wij zoeken1 aan mij hebt toegestemd4--,dat is ook waar4--,dus zullen wij het voorschrijven van zulke verhalen ten opzigte der menschen uitstellen1 tot dat wij gevonden hebben1 wat de regtvaardigheid is1 en hoe zij uit haren aard nuttig is voor hem die haar heeft1 f hij zoodanig schijnt te wezen1 f niet4--,opperbest4-- ,,vi4 ,de inhoud der verhalen kunnen wij dus als afgehandeld beschouwen1 en moeten nu nog over de wijze van verhalen spreken1 om de vraag1 wat en hoe er verhaald moet worden1 geheel af te handelen4--,wat gij daarmede meent1 begrijp ik niet1 zeide ,adimantus4--,dat dient gij toch te begrijpen4 ,maar misschien zult gij het beter op deze wijs vatten4 ,is hetgeen de dichters of de vertellers van fabelen zeggen1 niet meest een verhaal van verledene1 tegenwoordige of toekomende dingen8--,gewoonlijk4--,en klaren zij dat niet op door eenvoudig verhalen1 f door nabootsing1 f door beiden8--,ook dat verzoek ik u duidelijker te zeggen4--,het schijnt1 dat ik een gek en duister leermeester ben4 ,daarom zal ik1 even als zij1 die niet knap zijn in het spreken1 niet het geheele begrip1 maar een enkel voorbeeld nemen1 om u daarmede wat ik wil duidelijk te maken4 ,zeg mij dan3 gij kent immers het begin van de ,ilias1 waarin de dichter zegt1 dat de priester ,chryses ,agamemnon verzocht hem zijne dochter los te geven1 maar dat deze boos werd1 en dat de ander1 toen hij zijnen zin niet kreeg1 de ,grieken bij ,apollo vervloekte8--,ja4--,weet dan nu1 dat tot aan de regels3 en hij smeekte al de ,grieken1 maar vooral de twee ,atriden1 de aanvoerders der troepen1 de dichter zelf spreekt1 en onze verbeelding niet naar elders poogt te leiden1 als sprak er een ander dan hij1 maar dat hij het volgende z zegt1 als ware hij ,chryses1 en al zijn best doet1 om ons te laten denken1 dat niet ,homerus spreekt1 maar de oude priester4 ,en bijna het geheele verhaal van het bij ,troje1 op ,ithaca en op de togten van ,ulysses gebeurde heeft hij aldus ingerigt4--,dat is zoo4--,en verhaalt hij nu niet1 wanneer hij het gesprokene mededeelt1 en ook wanneer hij zegt1 wat daar tusschen valt8--,natuurlijk4--,maar wanneer hij nu een ander laat spreken1 moeten wij dan niet zeggen1 dat hij zoo veel mogelijk zijne wijze van uitdrukking zoekt gelijk te maken aan die van hem1 dien hij te voren zeide dat spreken zou8--,zekerlijk4--,edoch zich zelven in stem1 houding enz41 aan een ander gelijk te maken1 is toch dien anderen1 aan wien men zich gelijk maakt1 nabootsen4--,juist4--,in zulke stukken dus1 verhalen hij en de andere dichters door middel van nabootsing4--,ja4--,maar zoo de dichter zich nergens verborg1 dan zou zijn geheele dichtstuk of verhaal zonder nabootsing zijn ingerigt4 ,en opdat gij niet zeggen zoudt1 dat gij het wer niet begrijpt1 zal ik zeggen1 hoe dit zou geschieden4 ,want als ,homerus1 na gezegd te hebben1 dat ,chryses met den losprijs voor zijne dochter bij de ,grieken kwam en hen1 vooral de ,koningen1 smeekte1 vervolgens niet sprak alsof hij ,chryses was1 maar als ,homerus1 dan zou het geene nabootsing wezen1 maar een eenvoudig verhaal1 dat omtrent aldus zou zijn ingerigt3 maar ik zal het zonder maat zeggen1 want ik ben geen dichter3 toen de priester gekomen was1 bad hij1 dat de goden hun mogten geven1 ,troje in te nemen1 en er zelve goed af te komen1 en hem zijne dochter voor losgeld weerom te geven1 uit eerbied voor ,apollo4 ,en toen hij dit zeide1 eerden hem de anderen en keurden het goed1 maar ,agamemnon werd boos1 en gelastte hem nu heen te gaan en later niet weder te komen1 opdat niet de schepter en de offerbanden van den ,god nutteloos voor hem zijn zouden2 en hij zeide1 dat zijne dochter1 eer zij werd losgegeven1 met hem in ,argos oud zoude worden2 en hij beval hem heen te gaan en niet lastig te zijn1 opdat hij behouden mogt naar huis keeren4 ,en de grijsaard1 dat hoorende1 werd bevreesd en ging stil weg1 maar toen hij buiten het leger kwam1 bad hij veel tot ,apollo1 den ,god bij zijne eerenamen noemende1 en herinnerde hem in zijn gebed1 welke geschenken hij hem gemaakt had door het bouwen van tempels of het doen van heilige offers2 en daarom smeekte hij hem1 de ,grieken door zijne pijlen voor de tranen1 die zij hem hadden doen vergieten1 te straffen4 ,z1 mijn vriend6 is een eenvoudig verhaal1 zonder nabootsing ingerigt4--,dat begrijp ik4-- ,,vii4 ,begrijp dan ook1 dat het tegenovergestelde hiervan plaats heeft1 wanneer1 hetgeen de dichter zelf tusschen de woorden1 die hij anderen laat spreken1 zegt1 wordt weggenomen en slechts1 wat de in het stuk voorkomende personen beurtelings zeggen1 wordt overgelaten4--,ook dit begrijp ik1 en ik meen1 dat dit vooral in tooneelstukken plaats heeft4--,goed gevat1 en nu zult gij wel begrijpen1 wat u daareven niet helder was1 dat dichtkunst en vertelling van fabelen f geheel door nabootsing tot stand komt1 zoo als gij ook inziet1 dat in treur- en blijspel plaats heeft2 f doordien de dichter zelf zijne meening zegt1 hetgeen vooral in lierzangen gebeurt2 f door beiden1 zoo als in het heldendicht en elders4 ,begrijpt gij het nu8--,ja1 nu vat ik1 wat gij hebt willen zeggen4--,herinner u dan nog eens1 wat wij te voren zeiden1 dat wij gezien hebben1 wat er moet verhaald worden1 en nu nog moeten onderzoeken1 hoe dit gebeuren moet4--,ik herinner het mij4--,hiermede nu bedoelde ik dit1 dat wij het te zamen moeten eens worden1 of wij aan onze dichters zullen toelaten door nabootsing te verhalen1 f de nabootsing tot bepaalde onderwerpen zullen beperken1 f ze geheel verbieden4--,ik gis1 dat gij overweegt1 of wij het treur- en blijspel in den staat moeten opnemen1 of niet4 ,misschien zullen wij nog wel meer soorten van dichtkunst behandelen4 ,want ik weet niet1 waar wij komen zullen1 maar wij moeten gaan1 waar de gang der redekaveling ons heen drijft#fh4--;,dat zegt gij goed4--,bezie dan dit nog eens1 ,adimantus6 of onze wachters nabootsers moeten zijn1 of niet2 en of wij ons niet houden moeten aan het vroeger beredeneerde1 dat ieder slechts n vak goed kan beoefenen1 maar niet verscheidene vakken1 daar hij1 dat beproevende1 door veel op zich te nemen1 alles zou laten vallen1 of het althans met niets ver brengen4--,wij moeten ons daaraan houden4--,en geldt hetzelfde niet van de nabootsing1 dat dezelfde niet even zoo goed veel dingen als n kan nabootsen8--,ja4--,dus zal iemand bezwaarlijk eenig belangrijk werk kunnen waarnemen1 en tevens knap zijn in het nabootsen van allerlei dingen1 zoo althans dezelfden niet goed tweerlei soort van nabootsing1 die niet eens ver van elkander zijn kunnen1 uitvoeren1 en1 b4 v4 treur- en blijspelen tevens vervaardigen4 ,of heet gij die geen nabootsingen8--,wel ja1 en het is zoo als gij zegt1 dat dezelfden niet voor beiden geschikt zijn4--,ook is iemand niet ligt te gelijk opzegger van gedichten#fi en tooneelspeler4--,neen4--,en ook zijn dezelfden geen goede tooneelspelers voor treur- en blijspelen3 en dat alles is toch nabootsing1 niet waar8--,ja zeker4--,en1 ,adimantus6 ik geloof1 dat de menschelijke natuur nog fijner verdeeld is1 zoodat zij onmogelijk verscheidene dingen goed kan nabootsen1 of de zaken zelve uitvoeren1 die door die nabootsingen worden afgebeeld4--,dat vind ik ook4-- ,,viii4 ,zoo wij dus het eerste gezegde vasthouden1 dat onze wachters1 met uitsluiting van alle andere werkzaamheden1 voortreffelijke werkmeesters van de vrijheid van den staat zijn moeten1 en niets anders beoefenen1 wat daarop geene betrekking heeft1 dan moeten zij ook niets anders doen of nabootsen3 en1 zoo zij in 't geheel nabootsen1 dan moeten zij zich van kindsbeen af toeleggen op de nabootsing van menschen1 die reeds zijn zoo als zij zelve moeten worden1 namelijk moedig1 ingetogen1 godsdienstig1 vrij enz42 maar al wat laag of in eenig opzigt schandelijk is1 mogen zij niet doen noch er werk van maken om het na te bootsen1 opdat zij zich uit die nabootsing1 de werkelijkheid niet toeigenen4 ,of hebt gij niet opgemerkt1 dat het nabootsen1 zoo men het jong begint1 de hebbelijkheden en de natuur van de ziel zoowel als van het ligchaam wijzigt8--,ja zeker4--,dus zullen wij niet toelaten1 dat zij1 voor wie wij zeggen te zorgen1 en die flinke mannen moeten worden1 hoewel zij mannen zijn eene vrouw nabootsen#gj1 die jong of oud is1 of haren man bekijft1 of tegen de goden mort en zich trotsch aanstelt1 of zich heel gelukkig vindt1 of door ongelukken en droefheid overstelpt is2 en nog veel minder eene1 die ziek1 of verliefd1 of in barensnood is4--,dat ben ik met u eens4--,en ook geene slavinnen of slaven1 die slaafsche bezigheden verrigten4--,ook dat niet4--,en ook geen ondeugende mannen1 die lafhartig zijn1 en het tegenovergestelde doen van wat wij daareven zeiden1 en elkander belasteren en beschimpen1 of hetzij dronken1 hetzij nuchteren schandelijke taal uitslaan1 of wat zulke menschen meer in woorden of werken tegen zichzelven en anderen misdoen4 ,en ik zou denken1 dat zij zich ook niet gewennen moeten1 om als waanzinnigen te spreken of te handelen2 want zij moeten wel kennis hebben aan waanzinnige en ondeugende mannen en vrouwen1 maar zelve niets daarvan doen of nabootsen4--,dat is volkomen waar4--,moeten zij verder kopersmeden of andere werklieden1 of scheepsroeijers1 of hunne aanvoerders1 of iets anders van die soort nabootsen8--,wel neen1 want zij mogen aan dat alles niet eens denken#ga4--;,en mogen zij brieschende paarden1 of loeijende stieren1 of bruischende stroomen1 of eene bulderende zee1 of donderslagen1 enz41 nabootsen8--,zij moeten niet waanzinnig zijn1 noch zich aan waanzinnigen gelijk maken4--,als ik dan uwe meening vat1 is er eene wijs van zich uit te drukken1 waarvan zich de wezenlijk goede bedient1 als hij iets te spreken heeft2 en eene andere daarvan verschillende1 die gewoonlijk gebezigd wordt door hen1 die door hunne geaardheid en opvoeding van hem verschillend zijn4--,welke meent gij8--,naar mijn inzien1 zal een redelijk mensch1 wanneer hij onder het verhalen tot een gezegde of eene daad van een goed man komt1 dezelve1 daar ze met zijne inborst overeenstemmen1 gaarne willen vermelden1 en zich over die nabootsing niet schamen1 maar dien goeden vooral nabootsen1 wanneer hij met zekerheid en overleg handelt1 minder1 wanneer hij door ziekte of verliefdheid aan 't wankelen gebragt1 of door dronkenschap of een ander ongeluk overmeesterd is2 maar wanneer hij in zijn verhaal tot iemand komt1 die aan hem ongelijk is1 zal hij zich geenszins aan eenen1 die slechter is1 willen gelijk maken1 7behalve wanneer hij voor een poos goed handelt71 maar hij zal zich daarvoor schamen1 daar hij n geene oefening heeft in het nabootsen van dezulken1 n weinig zin heeft1 om zichzelven te vormen en te plooijen naar het voorbeeld van slechteren1 die hij veracht2 behalve misschien somtijds voor de grap4--,dat is waarschijnlijk4-- ,,ix4 ,dus zal hij zich van zulk een verhaaltrant bedienen als wij daar even over ,homerus sprekende aanwezen1 en zijne wijze van uitdrukking zal aan beiden deel hebben1 aan de nabootsing en aan het gewone verhaal1 doch het kleinste deel van hetgeen hij zegt1 zal uit nabootsing bestaan4 ,heb ik daarin geen gelijk8--,ja1 gij hebt zeker goed opgegeven1 in welken trant zulk een redenaar zal spreken4--,dus zal ook hij1 die z niet is1 naarmate hij minder deugt1 meer alles durven verhalen1 en het zijner niet onwaardig rekenen1 zijn best te doen1 om alles in ernst en in 't openbaar na te bootsen2 zelfs wat wij zeiden1 donderslagen en geraas van wind1 en hagel1 en assen1 en wielen1 en trompetten1 en fluiten en allerlei andere instrumenten1 en het geschreeuw van honden1 en schapen1 en vogels2 en zijn verhaaltrant zal grootendeels bestaan in nabootsing van geluiden en houdingen1 met weinig gewoon verhalen er tusschen in4--,dat is natuurlijk4--,deze twee soorten van verhalen nu bedoelde ik4--,die onderscheidt gij ook teregt4--,en nu heeft de eene soort weinig afwisseling1 en zoo men zulk een verhaal met gepaste muzijk begeleiden wil1 dan kan men bijna altijd dezelfde wijs bezigen1 daar er weinig afwisseling in is1 en ook alles in dezelfde versmaat voordragen4--,ja1 dat is zeker4--,maar de tegenovergestelde soort eischt van alles het tegenovergestelde1 namelijk allerlei wijzen en allerlei versmaten1 zoo zij althans behoorlijk zal uitgevoerd worden1 want zij heeft allerlei vormen van afwisseling4--,juist4--,maar bezigen nu niet alle dichters en verhalers eene der beide soorten1 of eene uit beide gemengde soort8--,dat moet wel4--,en zullen wij die allen in onzen staat opnemen1 of n der twee onvermengde soorten of de gemengde8--,zoo ik mijn zin heb1 de onvermengde soort1 die bij het nabootsen van deugdzame menschen gebezigd wordt4--,maar1 ,adimantus6 de gemengde is zoo aangenaam1 en de soort1 die tegen de door u gekozene overstaat1 is voor kinderen en opvoeders#gb1 en de menigte het alleraangenaamst4--,ja1 aangenaam is zij4--,maar misschien zult gij zeggen1 dat zij voor onzen staat niet past1 omdat wij geen dubbele of veelvuldige menschen hebben1 maar ieder n ding doen moet4--,juist4--,dus zullen wij dan ook alleen in zulk eenen staat den schoenmaker schoenmaker zien en niet te gelijk schipper2 den boer boer en niet te gelijk regter2 den krijgsman krijgsman en niet te gelijk financier1 enz4--,dat is waar4--,dus1 als in onzen staat iemand kwam1 die knap genoeg was1 om zich aan alles gelijk te maken en alle dingen na te bootsen1 en als die zijne verzen wilde voordragen2 dan zouden wij hem wel eerbiedig ontvangen1 als een gunsteling der goden1 die bewondering verdiende1 en de menschen vermaken kon1 maar wij zouden zeggen1 dat bij ons zulke menschen niet zijn en ook niet mogen zijn1 en wij zouden hem zalven en bekransen1 maar hem naar eenen anderen staat sturen en zelve om der wille van het nut ernstiger en minder aangename dichters en verhalers bezigen1 die ons den spreektrant van den deugdzame nabootsten en zich aan de grondregels hielden1 die wij vastgesteld hebben1 toen wij begonnen de krijgslieden op te voeden4--,ja1 als het aan ons lag1 zouden wij zeker z doen4--,nu1 mijn vriend6 geloof ik1 dat de muzenkunst1 voor zoover zij de verhalen en de fabelen insluit1 is afgehandeld2 want wij hebben gezegd1 wat en hoe er moet verhaald worden4--,dat geloof ik ook4-- ,x4 ,wij moeten dus nu nog handelen over het gezang en de verschillende soorten van liederen4--,juist4--,maar is het nu niet voor allen duidelijk1 hoe wij over dat punt moeten spreken1 om met het vorige niet in strijd te komen8--,hierop zeide ,glauco lagchende3 ,socrates1 ik schijn buiten die allen te staan2 althans op het oogenblik kan ik niet aangeven1 hoe wij over dat punt moeten spreken1 hoezeer ik het wel kan gissen4--,gij kunt toch1 zeide ik1 vooreerst wel inzien1 dat een lied uit drie dingen is zamengesteld1 uit de woorden1 de wijs en de versmaat4--,ja1 dat wel4--,voor zoover er nu woorden in komen1 verschilt het eigenlijk1 wat de grondregels aangaat1 niet van dichtstukken1 die niet gezongen worden1 maar wij moeten er hetzelfde bij in acht nemen4--,dat is waar4--,en de zangwijs en versmaat moeten met de woorden overeenstemmen4--,natuurlijk4--,maar wij zeiden immers daareven1 dat wij geen woorden1 die jammer en geklaag uitdrukken1 noodig hebben4--,die kunnen wij ook waarlijk wel missen4--,welke zijn dan nu de klagende zangwijzen8 zeg gij dit1 want gij zijt een kenner der muzijk4--,de half lydische1 en de hoog lydische1 en wat meer van die soort is4--,dus zijn die te verwerpen1 want zij deugen zelfs niet voor vrouwen1 die goed gezind moeten wezen1 laat staan voor mannen4--,zekerlijk4--,en ook dronkenschap1 weekelijkheid en ledigheid passen niet voor wachters4--,volstrekt niet4--,en welke zangwijzen zijn weekelijk en voor drinkliederen geschikt8--,de ,jonische1 en de ,lydische1 die den naam hebben van luchtige4--,zult gij die dan bezigen1 mijn vriend6 bij de opleiding van krijgslieden8--,geenszins2 maar gij zult1 denk ik1 de dorische en de phrygische wel overlaten4--,ik ken al die wijzen niet1 zeide ik2 maar laat die blijven1 welke behoorlijk den toon en de uitdrukking der stem nabootsen van iemand1 die mannelijk is in den oorlog en in alle handelingen1 welke inspanning vereischen1 en die1 zoo hij zijn doel mist1 of wonden en dood te gemoet gaat1 of in eenig ander ongeval komt1 met bezadigde kracht zich tegen het onheil verzet2 en ook eene andere1 die de gemoedstemming uitdrukt van iemand1 die met vreedzaam en niet zoo veel inspanning vorderend werk bezig is1 en b4 v4 de ,godheid ergens om bidt of door onderwijs en vermaning een mensch ergens van zoekt te overtuigen1 of ook luistert naar een verzoek of leering of vermaning van een ander1 en in dat alles verstandig handelt1 zonder opgeblazenheid1 maar ingetogen en redelijk en met den uitslag genoegen nemende4 ,laat dus twee zangwijzen over1 de eene meer1 de andere minder ernstig1 die het best de wijze van uitdrukking van ingetogene1 krachtvolle menschen in voor- en tegenspoed nabootsen4--,best3 dan wilt gij geene andere overlaten1 dan die ik daareven noemde4--,dus hebben wij in liederen en gezangen geene veelheid van toonen of sterke afwisseling van zangwijzen noodig4--,ik vind van neen4--,dus zullen wij ook geene vervaardigers toelaten van al zulke instrumenten1 die veel toonen hebben1 en voor allerlei wijzen geschikt zijn4--,neen4--,zult gij dan vervaardigers van fluiten of fluitspelers in den staat opnemen8 of heeft dat instrument niet de grootste verscheidenheid1 en is het niet het oorspronkelijkste van al die instrumenten met veel toonen8--,voorzeker4--,dus houdt gij slechts de lier en den cither voor bruikbaar in onzen staat1 en misschien voor de herders op het land een panfluitje8--,dit volgt althans uit onze redenering4--,wij doen dan ook niets vreemds1 mijn vriend6 wanneer wij aan ,apollo en zijne instrumenten boven ,marsyas#gc met de zijne de voorkeur geven4--,dat vind ik waarlijk ook niet4--,maar1 zie eens1 hebben wij dien weelderigen staat van daareven niet weer schoongemaakt8--,daar hebben wij goed aan gedaan4-- ,,xi4 ,komaan1 laat ons hem dan verder schoonmaken4 ,na de zangwijzen komen wij van zelfs aan de versmaten1 en het volgt noodzakelijk uit het gezegde1 dat wij geen maten vol afwisseling en van allerlei soort moeten najagen1 maar omzien naar zulke1 die in overeenstemming zijn met de gemoedstemming van een ingetogen en krachtvol man2 ten einde1 zoo wij deze in woorden willen uitdrukken1 daaraan de enkele voeten en hunne verbinding gelijkvormig te maken1 niet omgekeerd4 ,en wat voor maten dat zijn1 moet gij zeggen1 even als bij de zangwijzen4--,maar dat kan ik niet zeggen4 ,want dat er drie verschillende hoofdsoorten van voeten zijn1 en dat daaruit de versmaten worden zamengesteld1 zoo als in de zangwijzen vier grondtoonen1 waaruit al de wijzen haren oorsprong hebben1 dat weet ik uit mijne studie van het vak2 doch welke hunner met iedere soort van gemoedstemming overeenkomt1 ben ik niet in staat om te zeggen#gd4--;,hierover zeide ik1 zullen wij dan maar met ,damon#ge raadplegen1 en hem vragen1 welke soorten van versmaat de uitdrukking zijn van laagheid1 of overmoed1 of waanzin1 of eenig ander gebrek1 en welke met het tegengestelde overeenkomen4 ,want ik heb wel het een en ander van dactylische en heroische versmaten en van jamben en trochaen en van allerlei verbindingen van lange en korte lettergrepen gehoord1 en dat de enkele voeten evenzeer goed of af te keuren zijn als de versmaten2 maar het regte kan ik er niet van zeggen4 ,dit moet dus aan ,damon gevraagd worden1 want dit onderzoek zou ons te ver afleiden2 of hoe denkt gij er over8--,ik heb er ook geen zin in4--,maar dit kunt gij toch wel inzien1 dat de goede of de kwade houding van het lied grootendeels van de deugd of gebrekkigheid van de versmaat afhangt4--,wel zeker4--,en de goede of gebrekkige versmaat past op hetgeen goed of gebrekkig is gezegd1 en de wijs eveneens1 zoo althans versmaat en wijs zich1 zooals wij zeiden1 naar de woorden moeten schikken1 niet omgekeerd4--,ik vind ook1 dat zij zich naar de woorden moeten schikken4--,en de vorm en inhoud van het gesprokene schikt zich immers naar de stemming van den geest8--,natuurlijk4--,en naar het gesprokene de rest4--,ja4--,dus zijn goede woorden1 goede wijs1 goede houding van het lied1 en goede versmaat een gevolg van een goed hart1 wanneer wij althans daaronder geen dwaze toegefelijkheid verstaan1 maar eene stemming van het hart1 die op waarachtig goed inzigt van het verstand gebouwd is4--,toegestemd4--,en moeten de jongelingen1 om goed hunnen pligt te doen1 dit niet overal najagen8--,voorzeker4--,edoch ook de schilderkunst1 en alle andere kunsten1 b4 v4 het weven1 beeldhouwen1 huizenbouwen1 en de gesteldheid der ligchamen1 zoo van menschen als van alle andere levende wezens1 zijn allen vatbaar voor diezelfde deugden en ondeugden1 die wij in de wijzen1 de versmaten en de woorden hebben opgemerkt1 en zijn dus afbeeldingen van eene goede of kwade inborst4--,ongetwijfeld4-- ,,xii4 ,moeten wij dan alleen op de dichters het oog houden en ze noodzaken1 om f in hunne gedichten goede zeden na te bootsen1 f bij ons geen verzen te maken2 of is het zaak ook op de andere kunstenaars te passen1 en ze te beletten eenige slechtheid van zeden1 of ongebondenheid1 of laagheid1 of onwelvoegelijkheid in schilderwerk1 of gebouwen1 of in wat dan ook1 te doen doorschijnen2 en die dat niet vermijden kan1 bij ons niet toe te laten3 opdat onze wachters niet onder allerlei afbeeldingen van slechtheid als met vergiftigde spijs gevoed wordende1 door daar dagelijks een weinig van in te nemen1 ongemerkt veel kwaad in hunne zielen vergaderen8 ,en is het niet raadzaam kunstenaars te zoeken1 die in staat zijn al wat schoon en betamelijk is op te sporen en na te bootsen1 opdat de jongelieden1 als in eene gezonde plaats wonende1 van alles nut trekken1 daar hun gezigt of gehoor steeds door schoone dingen getroffen wordt1 als waaide hun een heil aanbrengende koelte uit gezonde plaatsen toe1 en zij alzoo van kindsbeen ongemerkt aan al wat schoon is gelijkvormig worden8--,het zou zeker het beste zijn1 ze z op te voeden4--,en juist daarom1 ,glauco6 is het opvoeden door middel der muzenkunst van zoo veel belang1 omdat maat en zangwijs zoo gemakkelijk in de ziel indringen1 en haar zoo stevig aangrijpen1 en bij goede leiding ingetogen maken1 bij verkeerde het tegendeel4 ,en ook1 omdat1 die daarin behoorlijk is onderwezen1 het meest ziet1 wat verzuimd of niet goed bewerkt is1 en zich daaraan ergert1 en het schoone prijst en gaarne opneemt1 om er zijne ziel mede te voeden1 en daardoor schoon en goed te worden1 maar reeds in zijne jeugd het leelijke juist weet te berispen en te haten1 nog voordat hij daar reden van geven kan2 en1 zoo hij de reden leert1 die het best kan vatten1 daar de zaak hem eigen is#gf4--;,dat is dan ook1 geloof ik1 het doel van het bezigen der muzenkunst bij de opvoeding4--,nu kan immers iemand eerst dn gezegd worden de letters te kennen1 wanneer hij die overal herkent1 en wel evenzeer of ze groot of klein zijn8--,ja4--,en hij kan immers ook de beelden der letters in het water of in een spiegel niet herkennen1 voordat hij de letters zelve kent1 daar het laatste uit het eerste volgt8--,wel neen4--,en zoo zullen wij immers ook geene ware dienaars der muzen zijn1 en onze kweekelingen evenmin1 voordat wij de ingetogenheid1 den moed1 de edelaardigheid1 de grootmoedigheid1 en wat daar meer toe behoort of daartegen strijdt1 overal herkennen1 en in andere dingen opmerken1 zoowel waar zij zelve1 als waar hunne beelden zijn1 en of zij zich in groote of in kleine dingen vertoonen8--,dat moet ik u toestemmen4--,edoch1 die in zijne ziel schoone zeden koestert en wiens uiterlijke daarmede overeenstemt1 is voor hem1 die het waarderen kan1 het schoonste schouwspel4--,ongetwijfeld4--,en het schoonste is het beminnenswaardigste4--,voorzeker4--,dus zal de ware dienaar der muzen vooral voor zulke menschen genegenheid koesteren1 en niet voor personen1 die met hem niet overeenstemmen4--,dat is te zeggen1 zoo het gebrek in de ziel huist2 zoo slechts het ligchaam niet schoon is1 heeft hij er vrede me4--,ik begrijp het al1 gij spreekt hier uit ondervinding#gg4 ,doch ik geef het u toe4 ,verder zult gij mij zeker toestemmen1 dat hier aan geen zinnelijk vermaak mag gedacht worden1 daar dit hier volstrekt niet in aanmerking komt1 en met al het vorige strijdig is4--,toegestemd4--,dus kunnen wij de redenering over de muzenkunst als afgehandeld beschouwen1 daar zij niet beter kon eindigen1 dan met de zuivere liefde voor het wezenlijk schoone8--,dat is waar4-- ,,xiii4 ,na het onderwijs in de muzenkunst moeten de jongelieden door de gymnastiek#gh worden opgevoed4--,natuurlijk4--,dus moeten zij ook daarin van hunne jeugd af behoorlijk onderwijs krijgen4 ,hiermede nu geloof ik1 dat het aldus staat3 zie gij ook eens4 ,ik meen1 dat een goed ligchaam door zijne voortreffelijkheid de ziel nog niet goed maakt1 doch dat daarentegen eene goede ziel door hare voortreffelijkheid het ligchaam zoo goed mogelijk kan maken4 ,hoe denkt gij daarover8--,dat geloof ik ook4--,wanneer wij dus het verstand behoorlijk vormen1 en daaraan het uitdenken van de bijzonderheden omtrent het ligchaam overlaten1 terwijl wij ter vermijding van noodeloozen omslag slechts de grondregels opgeven1 doen wij dan niet goed8--,zekerlijk4--,nu hebben wij reeds gezegd#gi1 dat zij zich van dronkenschap moeten onthouden2 want het misstaat vooral aan een wachter door dronkenschap niet te weten1 waar ter wereld hij is4--,het is dan ook wat gek1 dat een wachter zelf een wachter noodig heeft4--,en hoe staat het met het eten8 ,onze wachters zijn immers kampvechters in den grootsten strijd8--,ja4--,zou dan nu de ligchaamsgesteldheid van de gewone kampvechters voor hen geschikt wezen8--,misschien wel4--,maar1 die menschen zijn dommelig en worden ligt ongesteld4 ,of weet gij niet1 dat zij hun leven verslapen1 en dat1 zoo zij maar een weinig van den voorgeschrevenen leefregel afwijken1 zij dadelijk en dikwijls erg ziek worden8--,dat weet ik4--,dus is er een matiger levenswijs noodig voor de kampvechters in den oorlog1 die als honden wakker moeten wezen1 en zoo scherp mogelijk zien en hooren1 en in het veld allerlei afwisseling van drank1 en spijs1 en hitte1 en koude kunnen ondergaan1 zonder daarvan ligt kwade gevolgen voor hunne gezondheid te ondervinden4--,dat vind ik ook4--,maar zou nu de beste gymnastiek geene zuster zijn van de eenvoudige muzenkunst1 die wij daareven behandelden8--,hoe zegt gij8--,ik meen eene eenvoudige en geschikte gymnastiek1 die tot voorbereiding voor den oorlog is ingerigt4--,en hoe moet die dan wezen8--,dit zoude men zelfs van ,homerus wel kunnen leeren4 ,want gij weet dat hij de helden in het veld geen visch laat eten1 hoezeer zij aan den ,hellespont1 vlak bij zee gelegerd waren1 noch gekookt vleesch1 maar alleen gebraden1 hetwelk voor krijgslieden het gemakkelijkst te krijgen is1 want het is toch veel gemakkelijker het vuur zelf te bezigen dan overal vaatwerk mede te slepen4--,dat spreekt4--,ook herinner ik mij niet1 dat ,homerus ergens van lekkernijen spreekt4 ,doch ook anderen1 die hun ligchaam oefenen1 weten wel1 dat die gezond wil zijn1 zich daarvan moet spenen4--,ja1 dat weten zij zeer goed1 en onthouden zich er ook van4--,dus1 mijn vriend6 hebt gij1 naar het schijnt1 weinig op met eene ,syracusaansche tafel1 en een ,sicilischen overvloed van toespijs4--,neen waarlijk niet4--,dan keurt gij het zeker ook af1 dat mannen1 die krachtvol en gezond zijn moeten1 zich op ,corinthische meisjes verslingeren8--,natuurlijk4--,en ook het maken van goede sier met ,attische taarten8--,dat spreekt4--,want wij zouden1 geloof ik1 teregt die geheele levenswijs met het maken van verzen en liederen op zulke kunstige wijzen en in allerlei versmaten kunnen vergelijken4--,ja4--,en die groote verscheidenheid maakt hier losbandigheid en dr ziekte1 maar eenvoudigheid van muzenkunst verwekt ingetogenheid in de zielen1 en eenvoudigheid van gymnastiek gezondheid in de ligchamen8--,volkomen waar4--,en wanneer er veel losbandigheid en ziekten in den staat zijn1 worden er dan niet vele regtbanken en ziekenhuizen geopend1 en wordt dan de regtswetenschap en de geneeskunst niet geerd1 daar vele personen van goede afkomst ze vlijtig beoefenen8--,dat spreekt van zelfs4-- ,,xiv4 ,en zoudt gij wel een grooter bewijs van verkeerde opvoeding kunnen uitdenken1 dan dat in een staat niet alleen de daglooners en de handwerkslieden1 maar ook zij1 die op eene goede opvoeding aanspraak maken1 bekwame geneesmeesters en regters noodig hebben6 ,of houdt gij het niet voor schandelijk en voor een groot bewijs van onbeschaafdheid1 wanneer men zich door anderen als door heeren en regters moet laten voorschrijven1 wat regt en billijk is1 omdat men er zelf geen begrip van heeft8--,dat is zeker al heel schandelijk4--,en vindt gij het niet nog schandelijker1 wanneer iemand niet slechts een groot deel van zijn leven vermorst met voor de regtbank anderen te beschuldigen en zich zelven te verdedigen1 maar er zich ook uit gebrek aan schoonheidszin op verheft1 dat hij een baas is in het doen van onregt en geschikt om met allerlei kunstige wendingen door alle gaten te kruipen1 en door zich in allerlei bogten te wringen1 de straf te ontduiken2 en dat nog wel om nesterijen zonder waarde1 daar hij niet begrijpt1 hoe veel schooner en beter het is zijn leven z in te rigten1 dat men in 't geheel niet met slaperige regters te doen heeft8--,ja1 dat is nog schandelijker4--,en de geneeskunst noodig te hebben1 niet wegens wonden of ziekten1 die aan het jaargetijde eigen zijn1 maar wegens allerlei kwalen1 die een gevolg zijn van ledigheid en overdaad1 waarvoor de fatsoenlijke dienaars van ,esculaap allerlei vreemde namen verzonnen hebben1 vindt gij dat ook niet schandelijk8--,wel zeker1 en die gekke1 vreemde namen toonen genoeg1 waar die ziekten vandaan komen4--,zij waren er dan ook waarschijnlijk niet1 toen ,esculaap zelf leefde4--,dit geloof ik ten minste1 omdat zijne zonen toelieten1 dat ,eurypylus1 die voor ,troje gewond was1 ,pramneschen wijn met meel en geraspte kaas er in te drinken kreeg1 en omdat zij ,patroclus1 die hem oppaste1 daar niets over zeiden#hj4--,maar ik vind het toch gek1 zulk een drank te geven aan iemand1 die in zulk een toestand is4--,och neen6 wanneer gij maar bedenkt1 dat de dienaars van ,esculaap de tegenwoordige geneeskunst1 die de ziekten slepende houdt1 voor den tijd van ,herodicus1 naar men zegt1 niet gekend hebben4 ,maar ,herodicus1 die een onderwijzer der gymnastiek en ziekelijk was1 verbond de gymnastiek met de geneeskunst1 en pijnigde daarmede eerst zich zelven en toen vele anderen4--,hoe dat8--,wel1 zeide ik1 door zijnen dood zoo lang als hij kon te rekken4 ,want hij vocht altijd met zijne ongeneeslijke kwaal1 en kon die wel niet overmaken1 maar hield zich zijn leven door met medicineren bezig2 en terwijl hij zware pijnen moest doorstaan1 zoo hij maar even van zijne gewone levenswijs afging1 bereikte hij door zijne wijsheid langzaam stervend een vrij hoogen ouderdom4--,dan had hij veel aan zijne kunst6--,men kon niet anders verwachten van iemand1 die niet inzag1 dat ,esculaap deze soort van geneeskunst niet uit onkunde aan zijne nakomelingen onthouden heeft1 maar omdat hij wist1 dat in goed geordende staten ieder zijn werk heeft1 dat hij noodzakelijk doen moet1 en dus niemand zijn leven met medicineren kan doorbrengen4 ,maar wij zijn dwaas genoeg1 om dit bij handwerkslieden te begrijpen1 maar bij rijken en zoogenaamde gelukkigen niet4--,hoe meent gij dat8-- ,,xv4 ,een timmerman1 zou1 als hij ziek was1 van den geneesmeester een drank vragen om in eens de kwaal door braking of ontlasting kwijt te raken1 of er door branden of snijden van verlost te worden3 maar zoo men hem een omslagtigen leefregel voorschreef1 en zijn hoofd inpakte en hem wilde broeijen2 dan zou hij spoedig zeggen1 dat hij geen tijd had om ziek te zijn1 en geen lust om z te leven1 en altijd met zijne kwaal bezig zijnde zijn werk te verzuimen4 ,en dan zou hij dien geneesheer laten loopen en zijne gewone levenswijs hervattende1 f beter worden en zijnen arbeid volbrengen1 f als zijn ligchaam het niet kon uithouden1 door den dood van alle smart verlost worden4--,z iemand heeft dan ook gelijk1 dat hij z met de geneeskunst omspringt4--,gij meent zeker1 omdat hij een werk heeft1 dat hij doen moet1 en omdat hij anders niets aan zijn leven heeft4--,juist4--,maar de rijke heeft1 naar men zegt1 geen zoodanig werk1 waarvan hij niet door dwang kan afgehouden worden1 zonder verdriet in het leven te krijgen4--,zoo wordt er althans over gesproken4--,maar gij hebt toch wel gehoord1 wat ,phocylides zegt3 dat een mensch1 als hij eerst voor zijn onderhoud gezorgd heeft1 de deugd moet beoefenen8--,ik zou zeggen1 dat bij daar vroeger me beginnen moest4--,daarover willen wij nu niet met hem twisten1 maar zelve onderzoeken1 of de rijke dit doen moet en anders niets aan zijn leven heeft1 dan of het koesteren eener ziekte wel nadeelig is voor het timmeren1 doordien het daarvan aftrekt1 maar niet verhindert den raad van ,phocylides te volgen4--,waarlijk1 bij ,zeus6 die overdrevene verzorging des ligchaams is daarvoor bijzonder hinderlijk2 want zij staat in den weg n aan het huisbestier1 n aan den oorlog1 n aan het waarnemen van bedieningen in den staat4 ,en het ergste van alles is1 dat zij alle studie1 en nadenken1 en eigene oefening belemmert1 en altijd vreest voor hoofdpijn en duizeling1 en daarvan aan de wijsbegeerte de schuld geeft2 zoodat zij1 waar zij is1 het beoefenen en overdenken van de deugd ten hoogste belemmert1 door ons altijd te doen meenen1 dat wij ziek zijn1 en ons over onze kwalen te laten tobben4--,dit heeft ,esculaap zeker ingezien1 zeide ik1 en daarom voor hen1 die een door natuur en levenswijs gezond ligchaam hadden1 en tijdelijk door bijkomende omstandigheden ziek waren1 eene geneeswijs aan de hand gedaan1 die de ziekte door geneesmiddelen en snijden uitdreef1 zonder dat de menschen hunne gewone levenswijs behoefden te veranderen1 daar dit voor den staat nadeelig zou wezen2 maar de door en door zieke ligchamen heeft hij zeker niet beproefd door allerlei leefregels en door langdurige bewerkingen te plagen1 en z aan de menschen een lang en ellendig leven te bezorgen1 en ze natuurlijk even gebrekkige kinderen te laten voortbrengen2 daar hij meende hem1 die bij de bestaande orde van dingen niet leven kon1 niet in het leven te moeten houden1 omdat zulks noch voor den lijder noch voor den staat nuttig was4--,gij maakt ,esculaap dan tot een staatkundige4--,en met regt1 zoo als ook uit zijne zonen blijkt4 ,of ziet gij niet1 dat zij voor ,troje dapper streden1 en tevens de geneeskunst z uitoefenden als ik zeide8 ,herinnert gij u niet1 dat zij1 toen ,menelaus door ,pandarus gewond was1 het bloed afwischten en er verzachtende kruiden op leiden1 maar aan hem evenmin als aan ,eurypylus voorschreven1 wat hij eten of drinken moest#ha2 daar er niets dan die kruiden vereischt werd1 om mannen te genezen1 die gezond waren en matig geleefd hadden1 zelfs al dronken zij op het oogenblik wijn met geraspte kaas4 ,maar zij oordeelden1 dat bij een ziekelijk en door weelde bedorven ligchaam noch voor hetzelve noch voor anderen het leven nuttig was1 en dat de kunst aan zulken niet moest besteed worden1 al waren zij rijker dan ,midas4--,gij maakt die zonen van ,esculaap al heel knap4-- ,,xvi4 ,dat is niet meer dan behoorlijk4 ,de treurspeldichters echter en ,pindarus denken er anders over1 en zeggen1 dat ,esculaap een zoon van ,apollo was1 en dat hij zich door goud heeft laten overhalen1 om een rijk man1 wiens dood reeds was vastgesteld1 te genezen2 en daarom zelf door den bliksem getroffen is4 ,maar wij zullen1 zoo als gezegd is1 beide verhalen niet tevens aannemen1 en zeggen3 ,zoo hij een godenzoon was1 was hij niet inhalig2 en zoo hij inhalig was1 geen godenzoon4--,dat is heel goed4 ,maar wat zegt gij hiervan1 ,socrates6 ,moeten wij dan in onzen staat geen goede geneesheeren hebben1 en dus vooral zulken1 die zooveel gezonde en zooveel zieke menschen mogelijk uit ondervinding kennen8 ,en evenzoo regters1 die met allerlei soort van karakters hebben omgegaan8--,die zouden al heel goed zijn4 ,maar weet gij1 hoe ik over dezulken denk8--,zoo gij het eerst zegt4--,ik zal het beproeven4 ,maar gij hebt in ne vraag twee ongelijke dingen zamengevoegd4--,hoe zoo4--,een geneesmeester zou wel het knapst worden1 wanneer hij van kindsbeen1 bij zijne studie1 met zoo vele en verschillende zieken als mogelijk omging1 en zelf aan allerlei ziekten sukkelde1 en een voos gestel had4 ,want zij genezen toch de ligchamen niet met het ligchaam1 want dan zouden er geen ongezonde ligchamen zijn1 maar met de ziel1 die1 zoo zij zelve niet deugt1 bezwaarlijk iets anders genezen kan4--,dat is waar4--,maar een regter1 mijn vriend6 heerscht met zijne ziel over zielen1 en die mag toch niet van jongs af onder slechte zielen worden opgeleid en daarmede omgaan1 en zelve allerlei onregt doen1 om uit eigen ondervinding het onregt van anderen te merken1 zoo als dit met de ligchaamsziekten plaats heeft2 maar zij moet in hare jeugd van alle aanraking met kwade zeden bevrijd blijven1 zoo zij goed en schoon zal worden1 en goed zal beoordeelen1 wat billijk is4 ,daarom schijnen ook brave menschen in hunne jeugd onnoozel en ligt te foppen door onregtvaardigen1 van wier boosheid zij geen denkbeeld hebben4--,ja1 dat ondervinden zij veel4--,daarom moet een goed regter niet jong1 maar oud wezen1 daar hij eerst laat heeft gemerkt1 wat de onregtvaardigheid is1 niet door er in zijn eigen ziel mede gemeenzaam te worden1 maar door ten gevolge eener waarneming van vele jaren bij anderen op te merken1 welk een kwaad zij is1 en haar alzoo door studie1 niet door eigen ondervinding1 te leeren kennen4--,zoodanig een regter zou zeker het allerbest zijn4--,en goed1 waarnaar gij gevraagd hebt1 want1 die eene goede ziel heeft1 is goed4 ,maar die knappe en ergdenkende1 die zelf veel onregt gedaan heeft1 en tot alles in staat is1 en zich zelven heel wijs vindt1 zal1 zoo hij met zijns gelijken te doen heeft1 voor heel schrander en voorzigtig doorgaan1 daar hij de anderen naar zich zelven beoordeelt2 doch wanneer hij met brave menschen van jaren moet omgaan1 dan komt zijne slechtheid uit1 daar hij dan ten ontijde wantrouwend is1 en duidelijk toont geen denkbeeld van een gezond karakter te hebben4 ,daar hij echter meer met slechten dan met goeden te doen heeft1 zal hij over 't geheel aan zich zelven en anderen verstandig toeschijnen4--,dat is volkomen waar4-- ,,xvii4 ,dus moeten wij1 om een goeden en wijzen regter te hebben1 niet z iemand zoeken1 maar een man zoo als den eersten4 ,want de boosheid kan de deugd en zich zelve niet kennen1 maar de deugd van een man van langdurige ondervinding staat aan zijne kennis van de boosheid niet in den weg4 ,daarom is deze1 en niet de booze1 naar mijn inzien1 wijs4--,dat vind ik ook4--,dus zult gij in onzen staat eene geneeskunst1 zoo als wij beschreven hebben1 en tevens zulk eene regterlijke magt instellen1 die de burgers1 wier zielen en ligchamen goed zijn1 zullen ten dienste staan1 maar hen1 wier ligchaam niet deugt1 zullen laten sterven1 en de slecht geaarden en ongeneeslijken van ziel zullen dooden8--,dit schijnt althans het beste te wezen1 zoo voor de lijders als voor den staat4--,en de jongelingen zullen zich natuurlijk voor regtshandel wachten1 wanneer zij zijn opgeleid door die eenvoudige muzenkunst1 welke wij zeiden1 dat ingetogenheid aankweekt4--,zekerlijk4--,en zal de dienaar der muzen niet volgens hetzelfde rigtsnoer in de gymnastiek datgene kiezen1 waardoor hij zoo weinig mogelijk met de geneeskunst te maken heeft8--,ik zou zeggen van ja4--,dus zal hij dan ook bij ligchaamsoefeningen en inspanning meer letten op hetgeen meest dienstig is tot vermeerdering van de veerkracht zijner ziel1 dan op de aankweeking zijner ligchaamskracht1 en niet zoo als de andere kampvechters voedsel en oefening vooral tot vermeerdering van ligchaamskracht aanwenden4--,juist4--,dus1 ,glauco6 is het hoofddoel van de opvoeding door muzenkunst en gymnastiek niet1 zoo als sommigen meenen1 om door de ne het ligchaam1 door de andere de ziel te verzorgen4--,hoe zoo8--,beiden zijn1 geloof ik1 vooral om der wille van de ziel ingesteld4--,hoe dat8--,merkt gij niet1 hoe de ziel gesteld is bij hen1 die hun leven met gymnastiek doorbrengen en de muzenkunst niet beoefenen1 en hoe bij hen1 die het tegenovergestelde doen8--,in welk opzigt meent gij8--,wat woestheid1 en hardvochtigheid1 of zachtheid en weekhartigheid aangaat4--,wel zeker1 want zij1 die zich alleen met gymnastiek bezig houden1 worden al te woest1 en zij1 die alleen aan de muzenkunst doen1 al te week4--,juist6 ,en die woestheid heeft haren oorsprong in de aangeboren driftigheid1 die1 zoo zij goed geleid wordt1 de grond van den moed is1 maar1 zoo zij te veel wordt aangewakkerd1 natuurlijk in hardvochtigheid en kwaadaardigheid overgaat4--,dat vind ik ook4--,en is aan den anderen kant de zachtzinnigheid geen gevolg van aanleg voor de wijsbegeerte8 ,en ontstaat daaruit niet bij te veel aankweeking te groote weekheid1 maar bij goede leiding zachtmoedigheid en zedigheid8--,dat is zoo4--,en wij zeggen1 dat de wachters deze twee eigenschappen moeten hebben4--,dat moeten zij ook4--,en moeten dezelve niet goed zamen verbonden worden8--,natuurlijk4--,en de ziel1 waarin zij goed verbonden zijn1 is ingetogen en moedig4--,zekerlijk4--,en die1 waarin zij dit niet zijn1 laf of woest4--,dat spreekt4-- ,,xviii4 ,wanneer dus iemand aan de muzenkunst toelaat door zijne ooren als door een trechter in zijne ziel die aangename1 zachte1 klagende wijzen1 waarvan wij gesproken hebben1 in te fluiten en in te gieten1 en zijn leven al neurind en door liederen vervrolijkt doorbrengt2 dan maakt hij in het eerst zijn aangeboren driftigheid1 als ijzer door het vuur1 zacht en handelbaar3 maar wanneer hij onafgebroken met dat weeken voortgaat1 dan doet hij ze eindelijk smelten en vervloeijen1 tot hij al zijne geestkracht versmolten heeft1 en de zenuwen zijner ziel heeft verlamd1 en een lafhartig oorlogsman is geworden4--,dat is zeker4--,en wanneer hij dit met eene ziel zonder veerkracht begint1 dan klaart hij het spoedig2 maar zoo dezelve driftig van aard is1 dan maakt hij die drift zwak en gevoelig1 zoodat zij door kleinigheden snel wordt opgewekt en nedergezet4 ,zulke menschen worden1 in plaats van krachtig1 ligt geraakt en korzelig en kunnen niets velen4--,hierin hebt gij gelijk4--,en wanneer iemand daarentegen veel werk van gymnastiek maakt en allerlei krachtige spijs nuttigt1 maar de muzijk of de wijsbegeerte niet aanroert1 dan wordt hij in het eerst sterk en vol zelfvertrouwen en geestdrift1 en veel moediger dan hij te voren was4--,natuurlijk4--,maar1 wanneer hij nu niets anders doet1 en zich met de ,muzen niet ophoudt1 wordt dan niet de leergierigheid1 die hij nog had1 daar zij van studie of onderzoek niets proeft1 noch aan eenige redekaveling of muzenkunst deel neemt1 zwak en doof en blind1 daar zij niet wordt opgewekt1 noch gevoed1 noch van dwaling gezuiverd8--,ja4--,dus wordt1 zou ik denken1 z iemand een redehater#hb en een vijand van de muzen1 en bedient zich volstrekt niet meer van overreding1 maar doet als een wild dier alles met geweld en woestheid1 en leeft in bekrompenheid en onkunde1 zonder eenige beschaving of bevalligheid4--,ja1 zoo gaat het4--,dus zou ik haast zeggen1 dat een ,god aan de menschen die twee kunsten1 de muzenkunst en de gymnastiek1 niet voor den geest en het ligchaam1 maar voor het driftige en het wijsgeerige gegeven heeft1 ten einde die twee tot de juiste maat te brengen1 waarop zij zijn moeten1 om in goede verhouding tot elkander te staan4--,dat is wel waarschijnlijk4--,die dus het best de muzenkunst met de gymnastiek vereenigt en ze in de beste verhouding aan de ziel toedient1 heeft veel meer aanspraak op den naam van een waren dienaar der ,muzen1 dan hij1 die de snaren behoorlijk kan stemmen4--,ongetwijfeld1 ,socrates6--,dus1 ,glauco6 hebben wij ook in onzen staat zulk een opperhoofd noodig1 zoo onze staatsregeling zal bloeijen4--,ja1 die hebben wij hard noodig4-- ,,xix4 ,dit zijn dan nu de grondregels voor onderwijs en opvoeding4 ,want waartoe zouden wij nu nog het dansen1 jagen1 de ligchaamsoefeningen1 en het paardrijden van zulke menschen behandelen8 ,want het is toch duidelijk genoeg1 dat dit alles met het vorige moet overeenkomen1 en hoe dat geschieden kan1 is niet moeijelijk te vinden4--,dat zal wel gaan4--,komaan dan1 wat ligt er nu aan de beurt8 ,immers1 wie hunner moeten heerschen1 en wie beheerscht moeten worden8--,hoe zoo8--,wel1 het is duidelijk1 dat de ouderen moeten heerschen en de jongeren beheerscht worden4--,dat spreekt4--,en dat de besten hunner moeten heerschen4--,ook dat4--,en zijn de beste boeren niet zij1 die het land het best bebouwen8--,ja4--,daar zij dan nu de beste uit de wachters zijn moeten1 zoo moeten wij zeker die kiezen1 die den staat het best bewaken8--,ja4--,dus moeten zij het daartoe noodige verstand en de noodige kracht en tevens hart voor den staat hebben4--,natuurlijk4--,en iemand heeft het meeste hart voor hetgeen hij lief heeft4--,juist4--,en hij heeft dat het meest lief1 wat1 naar zijn oordeel1 met hem hetzelfde belang heeft1 en welks voor- en tegenspoed hij dus het meest als den zijnen beschouwt4--,dat is zoo4--,dus moeten wij uit de andere wachters zulke mannen uitkiezen1 die in hun geheele leven doen blijken1 dat zij1 wat zij voor den staat nuttig oordeelen1 met allen ijver doen willen1 maar het tegenovergestelde volstrekt niet4--,die zijn zeker geschikt4--,dus vind ik1 dat wij ze op alle leeftijden moeten waarnemen1 om te zien1 of zij standvastig zijn en door bedrog noch geweld de meening laten varen1 dat zij doen moeten1 wat voor den staat het beste is4--,hoe meent gij dat8--,dat zal ik u zeggen4 ,mijns inziens laat iemand eene meening f vrijwillig f tegen zijnen wil varen2 vrijwillig1 zoo zij valsch is en hij beter onderrigt wordt2 tegen zijnen wil1 zoo zij waar is4--,dat vrijwillig laten varen begrijp ik1 maar ik wenschte wel te hooren1 hoe men dit tegen zijnen wil kan doen4--,maar oordeelt gij dan ook niet1 dat de menschen het goede tegen hunnen wil laten varen1 en het kwade vrijwillig8 ,en is het dwalen niet een kwaad en het kennen der waarheid een goed8 ,en bestaat het kennen der waarheid niet in het overeenstemmen onzer meening met de dingen1 die werkelijk bestaan8--,dat alles stem ik toe1 en dus ook1 dat de menschen tegen hunnen wil de ware meening laten varen4--,en gebeurt dat niet1 zoo zij er door diefstal1 begoocheling of geweld van beroofd worden8--,nu begrijp ik het nog niet4--,ik schijn dan al heel hoogdravend te spreken4 ,want door diefstal meen ik overreding of vergetelheid1 daar bij de ne de tijd1 bij de andere de redenering ongemerkt de ware meening wegneemt4 ,dat begrijpt gij toch wel8--,ja1 dat wel4--,en met geweld bedoel ik1 wanneer pijn of droefheid ons noopt van meening te veranderen4--,dat begrijp ik ook1 en ik stem het toe4--,en nu zult gij ook wel toestemmen1 denk ik1 dat begoocheling hier beteekent zich door de kitteling van het vermaak of door vrees voor dreigend gevaar van zijne meening te laten afbrengen4--,juist1 want al wat ons misleidt1 begoochelt ons4-- ,,xx4 ,wij moeten dus onderzoeken1 wie het best de meening bewaren1 dat zij steeds doen moeten wat het beste is voor den staat4 ,daarom moeten zij van hunne jeugd af aan beproefd worden1 door hun zulk werk te geven1 waarbij iemand die het ligtst zou vergeten en zich laten misleiden1 en dan moet de volhardende en die bezwaarlijk te misleiden is worden goedgekeurd en de ander afgekeurd4 ,niet waar8--,ja4--,ook moeten zij door moeite1 pijn en wedstrijden beproefd worden1 en daarin diezelfde meening vasthouden4--,dat is goed4--,verder moet er ook een derde proef1 met de begoocheling1 genomen worden2 en even als jonge paarden in geraas en rumoer gebragt worden1 om te zien of zij schrikachtig zijn1 zoo moeten ook de jongelingen door gevaren en tevens door vermaken nog veel meer beproefd worden dan goud in het vuur1 om te zien1 of zij in alles zich moeijelijk te begoochelen en ingetogen betoonen1 en goede bewaarders zijn van de muzenkunst1 die zij geleerd hebben1 en1 door in al die dingen den goeden regel en de ware verhoudingen in acht te nemen1 voor zich zelven en voor den staat zoo nuttig zijn als mogelijk is4 ,en die aanhoudend als kind1 als jongeling en als man beproefd en goed bevonden is1 moet als overheid en wachter van den staat worden aangesteld1 en bij zijn leven vereerd en na zijnen dood geprezen en met de grootste onderscheiding begraven worden2 maar die de proef niet doorstaat1 moet verworpen worden4 ,aldus ,glauco6 moeten wij met het uitkiezen en aanstellen der overheden en wachters handelen2 om het nu maar in de hoofdtrekken1 niet in de bijzonderheden1 op te geven4--,ik hecht er mijn zegel aan4--,dus kunnen wij hen met het volste regt volkomene wachters1 zoo tegen de vijanden van buiten als tegen de vrienden van binnen heeten1 die zorgen dat de laatsten geen kwaad willen doen1 en de eersten het niet kunnen2 en de jongelingen1 die wij tot nog toe wachters genoemd hebben1 noemen wij dan helpers en handhavers van de besluiten der overheid4--,dat vind ik goed4-- ,,xxi4 ,zouden wij nu niet met vrucht eene dier nuttige onwaarheden1 waarvan wij straks spraken#hc1 kunnen toepassen1 en zoo mogelijk de overheden zelve1 maar althans de andere burgers in eene heilzame dwaling brengen8--,wat meent gij4--,niets ongehoords1 maar iets1 dat onder anderen met de ,phoenicische ,colonie in ,thebe en op vele andere plaatsen vroeger meermalen1 zooals de dichters zeggen1 gebeurd is1 doch in onzen tijd niet1 en waarschijnlijk ook niet gebeuren zal1 en dat men bezwaarlijk iemand kan doen gelooven4--,gij schijnt niet veel zin te hebben1 om het te zeggen4--,en teregt1 zooals gij zelf zult inzien1 als gij het hoort4--,zeg het maar onbeschroomd4--,komaan dan6 al weet ik ook niet1 hoe ik het zal durven of kunnen staande houden4 ,ik zal dan vooreerst de overheden en de krijgslieden en verder de andere burgers zoeken te doen gelooven1 dat zij eigenlijk slechts gedroomd hebben1 dat zij door ons werden opgevoed en onderwezen1 maar dat zij in waarheid met hunne wapenen en ander gereedschap onder den grond zijn gegroeid en gevormd2 en1 dat1 toen zij behoorlijk gevormd waren1 hunne moeder1 de aarde1 hen gebaard heeft2 en dat zij dus nu voor hun land als voor hunne moeder behooren te zorgen en te strijden1 zoo het wordt aangevallen1 en de andere burgers beschouwen moeten als hunne broeders1 die ook uit de aarde ontsproten zijn4--'t ,is geen wonder1 dat gij weinig zin hadt1 om die onwaarheid te zeggen4--,neen waarlijk niet1 maar toch moet gij ook de rest van het verzinsel aanhooren4 ,want wij zullen hen verder aldus toespreken3 gij allen1 die in onzen staat woont1 zijt dus wel broeders1 maar ,god heeft1 toen hij u maakte1 bij de vorming van hen1 die voor regeren bekwaam zijn1 goud gebezigd1 weshalve zij de voortreffelijksten zijn2 en bij de helpers der overheden zilver2 en ijzer1 en koper bij de landlieden en de handwerkers4 ,daar gij dus allen bloedverwanten zijt1 zult gij wel meestal kinderen verwekken1 die aan u gelijk zijn1 maar kan het toch gebeuren1 dat uit goud gevormde ouders zilveren spruiten verwekken1 en uit zilver gevormde gouden1 en evenzoo bij de anderen4 ,daarom gelast ,god vooreerst en vooral de overheden om niets zoozeer in het oog te houden en te bewaken als de kinderen1 ten einde te zien1 welk van die metalen zij in de ziel hebben1 en als uit hen een kind geboren wordt1 dat aan koper of ijzer verwant is1 hetzelve geenszins te sparen1 maar het naar zijne geaardheid te behandelen1 en in de klasse der handwerkers en landlieden te doen overgaan1 en als onder dezen personen geboren worden1 die blijken verwantschap met goud of zilver te hebben1 die te vereeren en met de wacht of het helpen der overheden te belasten1 daar de godspraak bepaald heeft1 dat onze staat zal ondergaan1 zoo hij door zilver of koper bewaakt wordt4 ,ziet gij er eenig middel op1 om voor hen dat verzinsel geloofelijk te maken8--,voor hen zelven1 volstrekt niet1 maar wel voor hunne kinderen en verdere nakomelingen4--,dit zou ook al goed zijn1 om te maken1 dat zij meer zorg voor den staat en voor elkander droegen2 want ik vat wel1 wat gij wilt4 ,wij zullen het dan maar aan de overlevering opdragen1 dit denkbeeld te verspreiden4 ,,xxii4 ,wanneer wij nu deze kinderen der aarde gewapend hebben1 moeten wij ze onder aanvoering der overheden de stad doen intrekken4 ,wanneer zij daar gekomen zijn1 moeten zij zien1 waar zij zich het best kunnen legeren1 om zoowel de personen van binnen1 die niet aan de wetten willen gehoorzamen1 te bedwingen1 als hen1 die van buiten als wolven de schaapskooi aanvallen1 af te weren4 ,als zij die plaats gekozen hebben1 moeten zij1 na de gebruikelijke offers1 verblijfplaatsen voor zich laten maken4--,dat spreekt4--,en immers zulke1 die voldoende zijn voor het afweren van koude en hitte8--,natuurlijk1 want gij meent huizen1 geloof ik4--,ja1 maar voor krijgslieden1 niet voor kapitalisten4--,maar welk onderscheid maakt gij dan tusschen die twee8--,ik zal trachten het u te zeggen4 ,het is voor herders allerschadelijkst en schandelijkst1 de honden1 die de kudde moeten beschermen1 z te kiezen en z te behandelen1 dat zij door teugelloosheid1 of honger1 of eenig ander gebrek de schapen pogen kwaad te doen1 en meer op wolven dan op honden gelijken4--,dat is zeker erg4--,dus moeten wij op allerlei wijzen zorgen1 dat onze krijgslieden in het omgaan met burgers1 die hunne minderen zijn1 niet meer op woeste meesters dan op welwillende beschermers gelijken4--,ja daar moeten wij voor zorgen4--,en zou dit zorgen niet grootendeels in het geven eener goede opvoeding bestaan8--,ja1 maar daarvoor is reeds gezorgd4--,dat is wat stellig gesproken1 mijn beste ,glauco6 maar1 wat wij daareven zeiden1 is zeker waar1 namelijk3 dat hen goed op te voeden1 waar dan ook die opvoeding in besta1 het voornaamste middel is1 om hen jegens elkander en jegens hunne beschermelingen zachtzinnig te maken4--,dat is zeker4--,daarenboven leert het gezond verstand1 dat zij zulke woningen en andere bezittingen moeten hebben1 waardoor zij evenmin zelve bedorven worden als aangezet1 om de andere burgers te mishandelen4--,dat leert het met regt4--,zie dan nu eens1 of zij z moeten leven en wonen1 om zoodanig te worden4 ,vooreerst moet niemand hunner1 zoover dit niet volstrekt noodig is1 een eigen bezitting hebben2 verder moet niemands woning en voorraadkamer gesloten zijn1 maar ieder moet er in kunnen komen2 ook moeten zij tot levensonderhoud hebben1 wat ingetogene1 moedige krijgslieden behoeven2 en daartoe moeten zij van de andere burgers1 tot loon voor hunne bewaking1 zoo veel krijgen1 dat zij jaarlijks rondkomen1 maar niet overhouden2 en als krijgslieden in eene legerplaats moeten zij aan gemeenschappelijke tafels te zamen eten4 ,verder moeten wij hun zeggen1 dat zij goddelijk goud en zilver van de goden in hunne zielen gekregen hebben1 en dus het menschelijke niet behoeven1 noch1 door het bezit van dat vergankelijke goud1 wat zij hebben1 mogen bezoedelen1 daar er vele gemeene dingen met het goud1 dat de menigte heeft1 gedaan worden1 maar het hunne zuiver is2 en daarom mogen zij alleen onder de burgers geen goud of zilver behandelen1 noch aanraken1 noch er mede onder hetzelfde dak zijn1 of het aan hun ligchaam hangen1 of er uit drinken4 ,alzoo toch kunnen zij behouden blijven en den staat behouden2 doch1 wanneer zij eigen landerijen1 huizen en geld hebben1 zullen zij financiers of boeren zijn1 maar geen wachters2 en zullen de andere burgers beheerschen1 niet beschermen2 en ze hatende en door hen gehaat wordende1 gedurende hun geheele leven ze belagen en aan hunne lagen blootstaan1 en veel meer voor de vijanden van binnen dan voor die van buiten vreezende1 zoowel zich zelven als den geheelen staat hals over kop in het verderf storten4 ,om al deze redenen zullen wij zeggen1 dat de wachters1 wat woningen enz4 aangaat1 z moeten gesteld zijn1 en wij zullen dat bij de wet vaststellen4 ,niet waar8--,zekerlijk1 zeide ,glauco4 ,voetnoten #cf ,odyss4 ,,xi4 #dhh4 #cg ,il4 ,,xx4 #fd4 #ch ,il4 ,,xxiii4 #ajc4 #ci ,odyss4 ,x4 #die4 #dj ,il4 ,,xvi4 #hef4 #da ,il4 ,,xxiii4 #ajj4 #db ,odyss4 ,,xxiv4 #f4 #dc ,il4 ,,xxiv4 #c sqq4 #dd ,en van wien men dus verwachten zou1 dat hij althans nog iets goddelijks in zijn karakter over had4 #de ,il4 ,,xxii4 #dad4 #df ,il4 ,,xviii4 #ed4 #dg ,il4 ,,xxii4 #afh4 #dh ,il4 ,,xvi #dcc4 #di ,il4 ,i4 #eii4 #ej ,odyss4 ,,xvii4 #chc4 #ea ,diomedes komt bij ,homerus met al zijne dapperheid als een zeer bescheiden karakter voor4 ,in de aangehaalde plaats1 ,il4 ,,iv4 vs4 #cgj-dah1 wordt hij door ,agamemnon ten onregte berispt1 maar zwijgt uit eerbied voor den ,koning4 ,hierop neemt ,sthenelus het woord en werlegt ,agamemnon vrij vinnig1 waarover hij nog door ,diomedes bestraft wordt4 #eb ,il4 ,,iv4 #dca4 #ec ,il4 ,i4 #bbe4 #ed ,od4 ,,ix4 #e4 #ee ,od4 ,,xii4 #cdb4 #ef ,il4 ,,xiv4 #bia4 #eg ,od4 ,,viii4 #bff4 #eh ,od4 ,,xx4 #ag4 #ei ,il4 ,,ix4 #dif4 #fj ,il4 ,,xix4 #bgh4 #fa ,il4 ,,xxiv4 #age4 #fb ,il4 ,,xxii4 #ae4 #fc ,il4 ,,xxi4 #bcc4 #fd ,il4 ,,xxiii4 #add4 #fe ,il4 ,,xxiv4 #af4 #ff ,il4 ,,xxiii4 #age4 #fg ,in het ,grieksch staat hier nog tusschen3 van de geesten4 ,ik heb die woorden weggelaten1 omdat wij in het vorige niets van die geesten gehad hebben1 en zij zeer ligt door een later ,platonicus kunnen ingevoegd zijn1 daar die wijsgeeren bijzonder veel werk van daemonen1 engelen1 geleigeesten enz41 maakten4 ,zie ,nieuwenhuis1 ,initia ,philosophiae ,theoreticae ,,ii4 #a4 p4 #cc4 #fh ,zoo dit ernstig gemeend is1 dan is de stelling1 dat ,plato zoo maar voort schreef1 niet ligt te ontkennen4 ,ik heb echter in den ,phaedo en den ,theaetetus reeds zoeken aan te toonen1 dat ,plato wel degelijk een geregeld plan volgde en niet schreef1 zoo als de geest getuigde4 ,men kan evenwel deze plaats misschien ook z uitleggen1 dat ,socrates zegt3 niet wat ons al of niet goed dunkt1 maar wat van zelfs uit ons onderwerp voortvloeit1 moeten wij onderzoeken4 #fi ,het opzeggen van gedichten was in ,griekenland een tak van industrie1 die tot vergoeding voor de weinige verspreiding der boeken ten gevolge van hunne kostbaarheid diende4 #gj ,de rollen op het ,grieksche tooneel werden allen door mannen vervuld1 waarin geene zwarigheid was1 dewijl de tooneelspelers gemaskerd waren4 #ga ,alle dergelijke beroepen werden door de ,grieksche geleerden veracht1 omdat zij ze voor geestverdoovend hielden1 wegens het werktuigelijke der bezigheid4 #gb ,het ,grieksche woord1 dat hier opvoeders beteekent1 drukt slaven uit1 die met de zorg voor de kinderen belast werden1 iets dat bij de ,grieken zeer gewoon was1 doch aan hunne wijsgeeren niet weinig ergernis gaf1 vooral ook om de verkeerde keus1 die vaak daarbij plaats had4 ,men leest onder anderen in het boekje over de opvoeding1 dat aan ,plutarchus wordt toegeschreven3 ,hoofdst4 ,,vii4 ,hetgeen tegenwoordig door velen gedaan wordt1 is allerbespottelijkst4 ,want van hunne goede slaven maken zij sommigen tot landbouwers1 anderen tot schippers1 of verkoopers1 of huisverzorgers1 of bestuurders van geldzaken2 maar zoo zij een slaaf hebben1 die aan den drank verslaafd en snoepachtig is1 en voor niets anders deugt1 dragen zij hem de opvoeding hunner zonen op4 #gc ,de lier en cither waren aan ,apollo gewijd1 en ,marsyas wordt bij de dichters als de patroon van het fluitspel beschouwd1 daar hij de door ,athene uitgevondene1 maar weggeworpene fluit opraapte1 en zich daarop geoefend hebbende1 zelfs ,apollo tot een muzijkalen wedstrijd durfde uitdagen4 #gd ,over dit punt is vooral lezenswaard ,k4 ,o4 ,mller1 ,gesch4 d4 ,gr4 ,lit41 ,deel ,i4 blz4 #bfc volgg4 #ge ,een beroemd toonkunstenaar1 die te gelijk met ,socrates leefde1 doch1 toen de ,republiek werd uitgegeven1 waarschijnlijk reeds overleden was4 #gf ,hierin ligt eene belangrijke waarheid opgesloten4 ,wij begrijpen het best redeneringen over zaken1 die ons reeds bekend zijn1 en het is verkeerd1 voordat de toehoorders iets van de feiten weten1 hun die feiten te willen verklaren en derzelver onderling verband te doen inzien4 ,zie ,h4 ,m4 ,moll1 ,latijnsche ,spraakkunst1 voorberigt1 blz4 #a4 #gg ,socrates zelf was verschrikkelijk leelijk1 waarom ,alcibiades hem in het ,gastmaal met een monsterachtig ,silenusbeeld vergelijkt1 dat tot koker moest dienen1 om een schoon gouden godenbeeldje te bewaren4 #gh ,het woord gymnastiek wordt hier in zeer uitgebreiden zin genomen1 daar het niet slechts ligchaamsoefeningen aanduidt1 maar alles wat tot het bewaren en versterken des ligchaams dienstig is4 #gi ,boek ,,iii4 ,hoofdst4 ,x4 #hj ,ilias ,,xi4 #eje1 #fag1 #hda4 ,plato vertelt deze geschiedenis niet volkomen juist1 hetgeen waarschijnlijk daaraan moet geweten worden1 dat hij ze uit zijn geheugen aanhaalde4 ,hoe echter die gewonde held heette1 en wie hem oppaste1 is hier geheel onverschillig2 genoeg1 dat aan de behandeling der gewonden bij ,homerus duidelijk te zien is1 dat in die eenvoudige tijden de menschen niet zoo teer waren als tegenwoordig1 en zich minder voor alles in acht namen1 zonder dat dit hunne gezondheid benadeelde2 waaruit blijkt1 hoe heilzaam een eenvoudige levenswijs voor den welstand des ligchaams is4 ,hoezeer naauwkeurigheid in het aanhalen verdient geprezen te worden1 is het echter verkeerd op de letter te vitten1 zoo de geest maar goed gevat is4 #ha ,il4 ,,iv4 #bac4 #hb ,zie ,phaedo1 ,hoofdst4 ,,xxxix4 #hc ,zie ,boek ,,ii4 ,hoofdst4 ,,xxi4 ,,iii4 ,hoofdst4 ,,iii4 ,,vierde ,,boek4 ,i4 ,toen vatte ,adimantus het woord op1 en zeide3 ,socrates6 wat zult gij antwoorden1 als iemand zegt1 dat gij die mannen niet bijzonder gelukkig maakt1 en ze zelven daartoe laat mewerken1 dewijl zij eigenlijk de meesters van den staat zijn en er toch geen voordeel van trekken1 door zoo als de anderen akkers te hebben1 en schoone1 ruime huizen te bouwen1 en die met behoorlijk huisraad te voorzien1 en eigene offers aan de goden te wijden1 en gasten te ontvangen1 en1 zoo als gij daareven zeidet1 goud en zilver te bezitten1 en wat meer tot het geluk noodig wordt geoordeeld8 ,want men zou waarlijk kunnen zeggen1 dat zij niet meer schijnen te zijn dan huurtroepen1 die slechts tot bewaking van den staat zijn aangeworven4--,juist1 zeide ik1 die slechts in de kost zijn1 maar anders geen loon krijgen1 zoodat zij geen reis op hun eigen kosten kunnen doen1 en niets hebben om aan hoeren te geven1 of op andere wijs door te brengen1 zoo als zij plegen te doen1 die voor gelukkig gehouden worden4--,juist1 dat is ook een deel der beschuldiging4--,en nu vraagt gij1 wat wij daarop zullen antwoorden8--,ja4--,langs denzelfden weg1 zeide ik1 dien wij tot nog toe gevolgd hebben1 hoop ik te vinden wat wij zeggen moeten4 ,want wij zullen zeggen1 dat zij welligt juist z het gelukkigste zijn zullen2 dat wij echter den staat niet stichten1 opdat ne klasse meer dan de overige1 maar opdat de geheele staat gelukkig zij2 want1 dat wij in zulk eenen het gemakkelijkst de regtvaardigheid hoopten te vinden1 en evenzoo in die1 welke het slechtst was ingerigt1 de onregtvaardigheid1 om vervolgens onze eigenlijke vraag te beantwoorden4--,zoo wij dus den staat gelukkig willen maken1 bedoelen wij niet eenige weinige uitverkorenen1 maar den geheelen staat2 en zullen vervolgens op dezelfde wijs den tegenovergestelden bezien4 ,want1 als wij eens een mensch schilderden en iemand er bij kwam en ons berispte1 omdat wij het schoonste deel niet met de schoonste verwen hadden gekleurd1 daar wij de oogen1 die toch het schoonste zijn1 niet met purper1 maar met zwart bestreken hadden2 zou onze regtvaardiging slechts behoeven te bestaan in de woorden3 vriend6 meen niet1 dat wij de oogen zoo mooi moeten maken1 dat zij niets meer van oogen hebben1 en verlang datzelfde niet omtrent de andere ligchaamsdeelen3 maar zie liever1 of wij het geheel schoon maken1 door aan ieder deel te geven1 wat er aan toekomt4 ,evenzoo moet gij ons ook nu niet dwingen1 aan de wachters zulk een geluk te geven1 waardoor zij alles behalve wachters zouden worden4 ,want wij konden ook de boeren wel in gala kleeden en met goud behangen en hen voor pleizier het land laten bebouwen1 en de pottebakkers bij het vuur laten aanliggen en eten en drinken1 met het wiel naast hen1 om als zij lust hadden potten te maken3 en al de anderen op dezelfde wijs gelukkig maken1 opdat ieder in den staat gelukkig zou wezen4 ,zoo iets moet gij ons echter niet aanprijzen1 want als wij uwen raad volgen1 blijft de boer geen boer1 noch de pottebakker pottebakker1 en geen ander der beroepen1 die te zamen den staat vormen1 blijft in stand4 ,bij de anderen is dit minder1 want al zijn de schoenmakers slecht1 en bedorven1 en slechts in schijn schoenmakers1 dan is dit voor den staat nog niet gevaarlijk2 maar zoo de bewakers der wetten en van den staat dit slechts in schijn zijn1 dan ziet gij1 dat zij den geheelen staat te gronde rigten2 terwijl zij in het tegenovergestelde geval de hoofdbewerkers van deszelfs bloei en geluk zijn4 ,zoo wij dus werkelijke wachters maken willen1 dan zorgen wij vooral1 dat zij den staat geen kwaad doen2 maar hij die z spreekt1 en ze tot boeren of tot een gezelschap van gelukkige feestvierders maakt1 moge daarmede meenen wat hij wil1 van een staat heeft hij geen begrip4 ,dus moeten wij toezien1 of wij de wachters aanstellen met het plan1 dat zij zelven zoo gelukkig mogelijk zijn1 of dat wij dit voor den geheelen staat moeten beoogen1 en die helpers en wachters met dwang en overreding daarheen moeten brengen1 dat zij hun eigen werk zoo goed mogelijk verrigten1 en al de anderen desgelijks2 opdat1 terwijl de geheele staat groeit en bloeit1 iedere stand zoo veel deel aan dat geluk krijge1 als volgens zijn aard mogelijk is4 ,,ii4 ,dat moet ik toestemmen1 zeide hij4--,en wat zegt gij dan van hetgeen daarmede zamenhangt8--,wat bedoelt gij8--,zie eens of deze dingen de andere werklieden bederven en slecht maken8--,welke8--,rijkdom en armoede4--,hoe zoo8--,dat zal ik zeggen4 ,gelooft gij1 dat een koperslager1 als hij rijk is geworden1 nog langer werk van zijn vak zal willen maken8--,wel neen4--,dus zal hij luier en nalatiger worden1 dan te voren8--,zekerlijk4--,en dus als koperslager ook slechter8--,veel slechter4--,en zoo hij aan den anderen kant zich door armoede geen werktuigen1 of wat verder voor zijn vak noodig is1 kan aanschaffen1 dan zal hij slechter werk voortbrengen1 en zijne zonen1 of wie hij verder onderwijst1 tot slechter werklieden maken4--,dat kan niet anders4--,dus worden door beiden1 door rijkdom en armoede1 de werklieden zoowel als hun werk slechter4--,dat blijkt4--,dus hebben wij nog een paar dingen gevonden1 die door de wachters op allerlei wijs buiten den staat behooren gehouden te worden4--,en dat zijn8--,rijkdom en armoede2 daar de eerste weelde1 luiheid en zucht naar verandering te weeg brengt2 de tweede insgelijks zucht naar verandering en tevens laagheid en slechtheid4--,dat is waar4--,doch1 ,socrates6 bezie echter dit eens4 ,hoe zal onze staat oorlog kunnen voeren1 wanneer hij geene schatten bezit1 vooral zoo hij met een grooten en rijken staat te doen heeft8--,natuurlijk zal dat tegen nen moeijelijker en tegen twee gemakkelijker gaan4--,hoe meent gij dat4--,vooreerst1 als er moet gevochten worden1 zullen zij dan niet tegen rijke lieden optrekken1 terwijl zij zelve beoefenaars van den oorlog zijn8--,ja1 dat is zoo4--,maar1 ,adimantus6 zou een bokser1 die zijn vak volkomen meester was1 niet gemakkelijk kunnen vechten met twee personen1 die geen boksers1 maar rijk en vet waren8--,als zij te gelijk kwamen1 zou dat welligt zoo heel gemakkelijk niet gaan4--,ook niet1 zoo hij mogt gaan loopen#hd1 en zich telkens omkeerende hem1 die het meest onder zijn bereik was1 een slag geven1 en zoo hij dit telkens herhaalde1 en dat wel in de brandende zon8 zou dan z iemand niet vele dergelijken aan kunnen8--,z zou het waarschijnlijk wel gaan4--,maar gelooft gij niet1 dat de rijken altijd nog meer kennis en ondervinding van het boksen1 dan van den oorlog hebben#he8--;,ja1 dat geloof ik wel4--,dus zullen onze geoefende manschappen waarschijnlijk met gemak tegen een dubbel of driedubbel aantal bestand wezen4--,nu moet ik het toestemmen1 want ik vind1 dat gij gelijk hebt4--,en zoo zij nu naar den nen staat een gezantschap zonden1 om1 zoo als wij naar waarheid doen kunnen1 te zeggen3 wij gebruiken geen goud of zilver1 want dit is ons niet geoorloofd1 maar u wel2 voeg u daarom bij ons1 en verkrijg tot belooning de bezittingen der anderen3 gelooft gij dan wel1 dat iemand1 dit hoorende1 liever tegen sterke en magere honden zou vechten1 dan met die honden tegen vette en zwakke schapen8--,wel neen4 ,maar zoo nu die rijkdommen eens het eigendom zijn van nen staat1 zou die dan toch niet gevaarlijk zijn voor een armen staat1 als den onzen8--,gij zijt wel goed1 daar gij ook aan andere staten1 dan dien wij daareven gesticht hebben1 den naam van staat wilt geven4--,hoe moet het dan4--,zij moeten met een grooteren naam benoemd worden4 ,want ieder hunner is niet n staat maar meer dan n1 die als in het schaakspel#hf vijandig tegen elkander over staan4 ,in de kleinste zoogenoemde staten toch zijn er eigenlijk twee1 die der armen en die der rijken1 en in ieder van die zijn er weer verscheidene1 die gij verkeerd zoudt doen met als n te beschouwen1 daar gij1 door ze als velen te behandelen1 en het geld1 de magt en de personen van den nen aan den anderen te geven1 altijd veel bondgenooten en weinig vijanden zult hebben4 ,en zoolang uw staat de voorgeschrevene matige levenswijs in acht neemt1 zal hij niet in schijn1 maar in werkelijkheid de grootste wezen1 al had hij slechts duizend voorvechters2 want n wezenlijk zoo grooten staat zult gij niet ligt bij de ,grieken of de barbaren vinden1 maar wel velen1 die vrij wat grooter schijnen4 ,of denkt gij er anders over8--,ik niet4-- ,,iii4 ,dus1 zou dit de beste maatstaf zijn voor onze overheden1 bij het bepalen van de grootte van den staat en van het grondgebied1 dat zij er voor moeten trachten te verwerven4--,wat8--,dat hij zoolang mag aan wassen als zijne eenheid er geen gevaar bij loopt2 verder niet4--,juist4--,dus zullen wij de wachters ook daarvoor laten zorgen1 dat de staat niet klein en ook niet schijnbaar groot1 maar van genoegzame grootte en n zij4--,dat is nog al eenvoudig4--,en nog eenvoudiger is hetgeen wij reeds gezegd hebben1 dat1 indien onder de wachters een kind van minder aanleg geboren wordt1 dit in een anderen stand moet overgebragt worden1 en evenzoo een uitstekend kind uit een anderen stand naar de wachters4 ,en hiermede bedoelden wij tevens1 dat ook onder de andere burgers ieder aan dat werk moet gezet worden1 waartoe hij het best geschikt is1 opdat ieder1 alleen zijn vak uitoefenend1 niet velen maar n zij2 en alzoo ook de geheele staat n zij1 niet vele4--,ja1 dat laatste is nog eenvoudiger4--,och1 mijn beste ,adimantus6 al onze voorschriften zijn minder zwaar dan zij schijnen1 zij zijn allen eenvoudig2 zoo zij dit ne groote1 of liever juist voldoende maar in het oog houden4--,en dat is8--,het onderwijs en de opvoeding1 want als zij goed zijn opgevoed en menschen worden zoo als het behoort1 dan zullen zij dat alles gemakkelijk inzien1 en meer nog dan dit1 b4 v4 ten opzigte van de vrouwen en de kinderen1 dat ook hierin1 volgens het spreekwoord1 alle goederen onder vrienden moeten gemeen zijn4--,ja dat zou dan alles wel te regt komen4--,en1 als die staatsregeling maar eens goed aan den gang is1 dan breidt zij zich als in een cirkel uit4 ,want aanhoudend goede opvoeding en onderwijs maakt de geaardheid goed2 en zoo kinderen van een goede geaardheid zulk een opleiding deelachtig worden1 dan worden zij nog beter dan hunne ouders1 zoowel in andere opzigten als met betrekking tot de voortteling1 even als dit bij andere dieren plaats heeft4--,dat is waarschijnlijk4--,om het dus met korte woorden te zeggen1 de overheden van den staat moeten vooral zorgen1 dat er geene nieuwigheden in de gymnastiek en de muzenkunst worden ingevoerd1 maar daartegen met allen ijver waken2 en zorgen1 dat de woorden3 het nieuwste lied is voor de menschen gewoonlijk het aangenaamste3 niet z worden uitgelegd en geprezen1 alsof hier geen nieuw dichtstuk maar een nieuwe zangwijs bedoeld werd4 ,want die mag niet geprezen noch aangenomen worden4 ,het aannemen toch van nieuwe zangwijzen is gevaarlijk voor het geheel2 want1 zoo als ,damon zegt1 en ik toestem1 nooit worden de wijzen der muzijk veranderd1 zonder dat dit de grootste veranderingen in de wetten van den staat na zich sleept4--,dat stem ik ook toe1 zeide ,adimantus4-- ,,iv4 ,dus1 zeide ik1 moeten de wachters vooral over de muzenkunst de wacht houden4--,de overtreding komt althans van dien kant ligt ongemerkt binnen4--,juist1 want zij heeft dr de gedaante van een spel dat volstrekt geen kwaad doet4--,zij doet dan ook niets anders1 dan dat zij zich langzaam vestigende zoetjes en zachtjes in de zeden en de oefeningen binnensluipt1 vandaar zich met meer kracht naar de onderlinge verbindtenissen keert1 vervolgens de wetten en staatsinrigtingen losmaakt1 en eindelijk alle bijzondere betrekkingen en den geheelen staat vannscheurt4--,ziet gij dat z donker in1 zeide ik4--,ja zeker4--,dus1 moeten onze knapen1 zoo als wij reeds zeiden1 dadelijk door hunne spelen in de vereischte stemming gebragt worden1 want als zij door dezelve de wetten leeren overtreden1 dan kunnen zij onmogelijk tot vereerders van de wet en tot brave menschen opgroeijen4--,dat spreekt4--,en wanneer zij integendeel reeds bij hunne kinderspelen door de muzenkunst in die stemming gebragt worden1 welke door de wet verlangd wordt2 dan blijft hun dezelve bij1 en oefent overal haren invloed uit1 en brengt veel gebrekkigs in den staat eindelijk te regt4--,dat is volkomen waar4--,dus1 vinden zij dan ook al die schijnbare kleinigheden1 waarop de wet ook invloed moet uitoefenen1 en die vroeger zoo zeer verwaarloosd werden4--,welke8--,bij voorbeeld3 dat de jongeren1 zoo als passend is1 in de tegenwoordigheid der ouderen zwijgen1 en ze op de eerste plaats laten aanliggen en voor hen opstaan1 dat de kinderen hunne ouders eeren1 dat bij het dragen van het haar1 bij de kleeding1 bij het schoeisel enz41 de betamelijkheid wordt in acht genomen1 en wat dies meer zij4 ,vindt gij dat ook niet8--,ja zeker4--,op dit alles echter wetten te maken zou dwaas zijn2 want het is toch onmogelijk die wetten te laten nakomen4--,dat gaat niet4--,het schijnt dan ook1 ,adimantus6 dat iemand de rigting1 die hij door zijne opvoeding krijgt1 in zijn verdere leven van zelfs volgt#hg2 daar immers het gelijke steeds het gelijke met zich mebrengt4--,juist4--,en eindelijk komt dan hieruit1 zou ik zeggen1 de hoogst mogelijke trap van goed of kwaad te voorschijn4--,natuurlijk4--,daarom zou ik ook niet eens willen beproeven1 op die dingen wetten te maken4--,daar hebt gij gelijk in4--,verder1 bij de goden6 hetgeen den handel betreft1 en de onderlinge schikkingen der kooplieden of de overeenkomsten met arbeiders1 en de beleedigingen1 en beschadigingen1 en het beschuldigen1 en het verkiezen van regters1 en het invorderen of vaststellen van noodzakelijke belastingen op de markt of in de havens1 en wat verder op het handhaven der orde op de markt1 in de havens en in de stad betrekking heeft1 zullen wij van dat alles in de wet durven spreken8--,het is onnoodig1 hieromtrent voor wezenlijk beschaafde menschen voorschriften te geven2 want over het geheel zullen zij ligtelijk vinden1 welke bepalingen daaromtrent moeten gemaakt worden4--,juist1 mijn vriend6 zoo ,god slechts geeft1 dat de reeds vastgestelde wetten in wezen blijven4--,en zoo dat geen plaats heeft1 zullen zij1 met vele dergelijke bepalingen te maken en die telkens te veranderen1 bun leven slijten1 in de hoop1 eindelijk het beste te zullen treffen4--,gij zegt1 dat dezulken zullen leven als zieken1 die uit gebrek aan veerkracht niet kunnen besluiten om hunne verkeerde levenswijs te laten varen4--,juist4--,die hebben dan ook eene fraaije manier van leven4 ,want zij vorderen niets met al hun innemen1 dan dat zij meer afwisseling in hunne kwaal brengen en die grooter maken1 terwijl zij van ieder nieuw middel beterschap verwachten4--,gij schetst den toestand van zulke zieken volmaakt naar waarheid4--,maar wat zegt gij nu hiervan8 ,vindt gij het ook niet aardig1 dat zij niemand minder kunnen velen1 dan hem1 die hun zegt1 zoo als het is1 dat zoolang zij voortgaan met drinken en smullen en naar de meisjes loopen1 geen innemen1 noch branden1 noch snijden1 noch tooverzangen1 noch broeijen1 noch eenig ander middel hun iets kan helpen8--,heel aardig vind ik dat niet2 want boos te worden op iemand1 die ons goeden raad geeft1 is al heel onaardig4--,dus zijt gij1 naar het schijnt1 geen lofredenaar van zulke personen4--,neen waarlijk niet4-- ,v4 ,dus zult gij het zeker ook niet prijzen1 wanneer een staat zoo handelt4 ,of vindt gij niet1 dat hetzelfde plaats heeft in die staten1 welke1 hoewel een slechten regeringsvorm hebbende1 de burgers op doodstraf verbieden pogingen aan te wenden tot het veranderen der geheele staatsregeling2 terwijl hij1 die hen1 zonder daaraan te raken1 het bereidwilligste dient en zich bij hen door vleijerij weet aangenaam te maken1 en hunne begeerte vooruit weet te raden en die spoedig te vervullen1 de mooije man is1 en om zijne wijsheid geerd wordt#hh8--;,dat komt op hetzelfde neer1 en ik prijs het volstrekt niet4--,en bewondert gij nu niet den moed en de handigheid van hen1 die zulke staten met bereidwilligheid dienen8--,of ik3 behalve zoo zij zich daardoor laten foppen1 en zich waarlijk voor staatkundigen houden1 omdat zij door de menigte geprezen worden4--,hoe zegt gij8 waarom neemt gij dat die menschen zoo kwalijk8 ,of houdt gij het voor mogelijk1 dat iemand1 die niet kan meten1 wanneer velen1 die er even weinig verstand van hebben1 staande houden1 dat hij vier ellen lang is1 dit niet eindelijk zelf van zich zelven gaat gelooven8--,daar hebt gij gelijk in4--,maak u dan maar niet boos4 ,want zulke wetgevers zijn alleraardigste menschen1 die altijd lappen1 en meenen tegen de kwade trouw in de overeenkomsten en de andere gebreken een middel te zullen vinden1 daar zij niet merken1 dat zij eigenlijk een moriaan wasschen4--,ja1 dat doen zij waarlijk4--,ik zou echter meenen1 dat een goed wetgever zulk eene wijs van wetten en inrigtingen te maken noch in een slecht noch in een goed ingerigten staat zou toepassen3 in den eersten niet1 omdat het daar nutteloos is en nergens voor dient2 in den laatsten niet1 omdat die dingen deels door ieder kunnen gevonden worden1 deels van zelfs uit de eens gegevene rigting volgen4--,wat rest ons dan nu nog vast te stellen8 zeide hij4--,hierop zeide ik3 ons niets1 maar ,apollo te ,delphi moet nu nog de grootste1 schoonste en belangrijkste bepalingen maken4--,welke8--,die op het stichten van tempels1 en op de offers en andere eerbetooningen aan de goden1 geesten en helden1 en op het begraven der lijken en het bevredigen van de schimmen der afgestorvenen4 ,van die dingen toch hebben wij zelve geen kennis1 en zullen ons1 zoo wij wijs zijn1 bij het stichten van onzen staat tot geen anderen leermeester wenden1 dan tot dien onzer vaderen2 deze ,god toch heeft van oudsher als leermeester van alle menschen zijnen zetel op het middelpunt der aarde#hi4--;,dat zegt gij goed1 en zoo moeten wij doen4-- ,,vi4 ,dus1 zoon van ,aristo6 uw staat is dan voltooid3 licht nu eens bij1 en laat uw broeder en ,polemarchus en de anderen ons helpen1 om te zien1 of wij vinden kunnen1 waar de regtvaardigheid en de onregtvaardigheid schuilen1 en waarin zij van elkander onderscheiden zijn1 en welke van beiden iemand hebben moet1 om gelukkig te wezen1 hetzij goden en menschen met hem bekend zijn1 of niet4--,wat gij zegt1 zal u niets baten1 zeide ,glauco1 want gij hebt beloofd te zoeken1 daar gij het goddeloos vondt de zaak der regtvaardigheid niet op allerlei wijs naar uw vermogen te bepleiten#ij4--,wat gij mij herinnert is waar1 zeide ik1 en z moet het dan maar gebeuren2 doch gij moet ook een handje helpen4--,goed1 zeide hij1 dat willen wij doen4--,ik heb hoop1 zeide ik1 het z uit te vinden4 ,ik geloof dat onze staat1 daar hij behoorlijk is ingerigt1 volkomen goed is4--,noodzakelijk4--,dus is hij natuurlijk wijs1 en moedig1 en ingetogen1 en regtvaardig#ia4--,natuurlijk4--,zoo wij dus een deel van die eigenschappen in hem gevonden hebben1 dan is het overige het nog niet gevondene4--,dat spreekt4--,wanneer wij dus n van vier dingen1 die ergens in waren1 zochten1 en dat ne vonden1 zouden wij tevreden zijn2 maar zoo wij de drie anderen eerst gemerkt hadden1 zou juist daardoor het gezochte bekend worden2 want het zou natuurlijk niets anders zijn dan het overgeblevene4--,dat is waar4--,dus moeten wij met deze vier eveneens handelen4--,dat is duidelijk4-- ,vooreerst dan meen ik in onzen staat de wijsheid te zien2 en ik merk daaromtrent iets zonderlings4--,wat8--,ik geloof1 dat onze staat werkelijk wijs is3 want hij handelt met goed overleg4 ,niet waar8--,ja4--,en dit goed overleg is eene soort van kennis1 want goed overleg steunt niet op onkunde1 maar op kennis4--,dat spreekt4--,maar nu zijn er vele verschillende soorten van kennis in den staat4--,zekerlijk4--,moeten wij dan nu den staat wijs en goed overleggend noemen wegens de kennis der timmerlieden8--,wel neen1 want die kennis strekt zich niet verder uit dan tot het timmeren4--,dus is een staat nog niet wijs te noemen1 al wordt daarin kostelijk beraadslaagd over de beste manier om hout te bewerken4--,volstrekt niet4--,of1 om bedrevenheid in het geelgieten1 of iets dergelijks8--,om niets van dat alles4--,en ook niet om het verstandig bearbeiden van den grond4 ,vindt gij wel8--,neen ik4--,maar is er dan bij eenige burgers van onzen daareven gestichten staat eenige kennis1 die geen betrekking heeft op een of ander deel1 maar op den geheelen staat1 en op de beste wijs1 waarop hij van binnen moet zijn ingerigt en zich jegens andere staten moet gedragen8--,wel zeker4--,en welke is die kennis en bij wie wordt zij gevonden8--,het is de kennis der wachters1 die vooral gevonden wordt bij de overheden1 die wij volkomene wachters genoemd hebben4--,en hoe noemt gij den staat om die kennis8--,goed overleggend1 en in waarheid wijs4--,en wie gelooft gij nu1 dat in onzen staat talrijker zijn zullen1 de koperslagers of die volkomene wachters8--,de koperslagers4--,en zouden gene ook niet minder talrijk zijn dan al de overigen1 die naar eenige kennis genoemd worden8--,ongetwijfeld4--,dus zal een staat1 die zoo als het hoort is ingerigt1 door zijne minst talrijke klasse van inwoners1 en zijn kleinste deel1 de overheid en de kennis die daarin gevonden wordt1 geheel wijs wezen2 en het schijnt te blijken1 dat zij1 die de eigenlijke wijsheid bekomen1 uit den aard der zaak weinig in getal zijn#ib4--,wat gij zegt is volkomen waar4--,dus hebben wij1 ik weet niet hoe1 n van de vier gevonden en zijne plaats in den staat vastgesteld4--,ik althans meen1 dat dit genoegzaam is uitgemaakt4-- ,,vii4 ,edoch de moed en het deel van den staat1 waarin hij gevonden wordt1 en daardoor den geheelen staat regt geeft op den naam van moedig1 is juist niet moeijelijk te vinden4--,hoe zoo8--,zou wel iemand1 zoo hij een staat moedig of lafhartig noemde1 naar iets anders zien dan naar dat deel1 waaraan de zorg voor den oorlog is opgedragen8--,zeker niet4--,ik geloof dan ook niet1 dat de andere inwoners1 door laf of moedig te zijn1 den staat zus of zoo kunnen maken4--,ik ook niet4--,dus is een staat ook moedig door een zijner deelen1 dewijl hij in dat deel de kracht heeft1 die noodig is1 om altijd de meening te bewaren1 dat datgene verschrikkelijk is1 hetwelk de wetgever bij het onderwijs als zoodanig leerde beschouwen4 ,of noemt gij dat geen moed8--,ik vat nog niet goed1 wat gij zegt2 zeg het nog eens4--,ik noem den moed een bewaren zeide ik4--,welk bewaren8--,van de meening1 die volgens de wet door de opvoeding is ingeprent1 aangaande hetgeen al of niet verschrikkelijk is4 ,en ik sprak van altijd bewaren1 omdat die meening bij smart en vermaak en begeerten en verschrikkingen moet bewaard blijven en niet verloren gaan4 ,wil ik u eens zeggen1 waarmede ik meen dit te kunnen vergelijken8--,gaarne4--,weet gij dan niet1 dat de wolverwers1 wanneer zij wol purper willen verwen1 eerst uit wol van verschillende kleuren alleen de witte uitkiezen1 vervolgens die met niet weinig zorg bereiden1 opdat zij zoo veel mogelijk het kleursel opneme1 en haar er dan in doopen8 ,en het op die wijs geverwde wordt vast van kleur1 en het wasschen met of zonder loog kan de kleur er niet uitkrijgen2 maar gij weet1 hoe het gaat met hetgeen niet z is behandeld1 hetzij het met purper of met andere kleuren zonder die bereiding geverwd wordt4--,ja1 dat verschiet door het wasschen en wordt leelijk4--,iets dergelijks nu moet gij aannemen1 dat ook wij naar ons vermogen gedaan hebben1 toen wij de krijgslieden uitkozen1 en die door muzenkunst en gymnastiek opleidden2 want weet1 dat wij toen niet anders bedoelden1 dan dat zij1 aan ons gehoor gevende1 de wetten als eene verwstof zoo goed mogelijk zouden inzuigen1 opdat hunne meening omtrent het verschrikkelijke en omtrent de andere dingen vast van kleur zou worden1 daar zij in eene door natuur en opvoeding goede geaardheid is opgenomen1 en dus ook niet wordt uitgewasschen door die sterke loog1 het vermaak1 die meer vermag dan potasch of salpeter1 of door smart1 begeerte1 vrees1 enz4 ,en zulk eene sterkte en voortdurende bewaring van de ware en wettige meening omtrent het al of niet verschrikkelijke heet ik moed1 tenzij gij van een ander gevoelen zijt4--,dat ben ik niet1 zeide hij4 ,want ik geloof1 dat gij1 wanneer omtrent dezelfde zaken1 zonder opvoeding bij dieren1 of slaven een ware meening ontstaat1 die niet bijzonder wettig vindt1 en ze als heel wat anders beschouwt dan den waren moed4--,goed gevat1 zeide ik4--,dan heb ik er vrede me1 dat dit moed is4--,dit is dus uitgemaakt1 voor zoover de moed in staatszaken te pas komt2 later zullen wij1 zoo gij wilt1 dit punt beter behandelen4 ,want nu zoeken wij niet dit1 maar de regtvaardigheid2 en daarvoor is1 geloof ik1 het gezegde voldoende4--,dat ben ik met u eens4-- ,,viii4 ,dus moeten er dan nog twee in den staat gevonden worden3 de ingetogenheid1 en het doel van al ons zoeken3 de regtvaardigheid4--,juist4--,maar zouden wij nu de regtvaardigheid niet kunnen vinden1 zonder nog moeite aan de ingetogenheid te besteden8--,ik weet het niet1 en zoo wij dan de ingetogenheid overslaan1 verlang ik het niet eens1 maar als gij mijn zin doen wilt1 onderzoek deze dan eerst4--,dat wil ik ook wel doen1 zeide ik1 als het niet verkeerd is4--,waarom zou het verkeerd zijn8 ,onderzoek maar4--,komaan dan6 ,zoo als het nu schijnt te staan1 gelijkt zij meer dan de vorigen op eene soort van overeenstemming en harmonie4--,hoe zoo8--,immers1 de ingetogenheid is eene soort van ordelijkheid en van beheersching der lusten en begeerten1 zoo als blijkt uit het gewone zeggen1 dat de ingetogene meester over zich zelven is1 en wat meer van dien aard als kenmerk der ingetogenheid wordt opgegeven4 ,niet waar8--,ja zeker4 ,maar is dat meester over zich zelven niet eigenlijk ongerijmd8 want die meester over zich zelven is1 is ook knecht van zich zelven1 en daar hij toch n en dezelfde persoon is1 is hij dan meester en knecht te gelijk4--,dat is zoo4--,edoch deze uitdrukking beteekent1 geloof ik1 dat in de ziel van den mensch een beter en een slechter deel is2 en wanneer nu het betere meester is van het slechtere1 dan noemt men dat meester over zich zelven te zijn1 en prijst het3 maar wanneer1 door slechte opvoeding of slechten omgang1 het slechtere deel z toeneemt1 dat het betere er door overheerscht wordt1 dan berispt men dit en zegt1 dat z iemand zich zelven niet meester is4--,dat geloof ik ook4--,beschouw dan nu onzen nieuwen staat eens1 en gij zult er het eerste vinden2 want gij zult moeten toestemmen1 dat hij teregt meester van zich zelven wordt geroemd1 zoo dit ten minste beteekent1 dat het betere deel over het slechtere heerschappij voert4--,ik zie1 dat gij waarheid spreekt4--,dit zult gij nog meer inzien1 zoo gij het volgende opmerkt4 ,menigvuldige en velerlei begeerten en aandoeningen van vermaak en smart kan men vooral bij kinderen1 en vrouwen#ic1 en slaven1 en bij de meesten en minstwaardigen der zoogenaamd#id vrije mannen aantreffen4--,ongetwijfeld4--,maar eenvoudige en matige begeerten1 die door rede en bedaard overleg bestuurd worden1 vindt men slechts bij enkelen1 die door aanleg en opleiding uitmunten4--,dat is waar4--,en ziet gij nu datzelfde niet in onzen staat1 en dat dr de begeerten1 die in de onbeschaafde menigte gevonden worden1 door de begeerten en het verstand der beteren worden beheerscht8--,ja4-- ,,ix4 ,zoo dus eenige staat meester over de lusten en begeerlijkheden en over zich zelven mag genoemd worden1 dan is het deze4--,ongetwijfeld4--,maar moet hij dan niet om diezelfde reden ingetogen heeten8--,voorzeker4--,edoch zoo in eenigen staat overheden en onderdanen eenstemmig denken over de vraag1 wie regeren moet1 dan is het in dezen4 ,vindt gij niet8--,zeker4--,in welke klasse van burgers zult gij dan bij zulk eene stemming de ingetogenheid zoeken8 in de overheden of in de onderdanen8--,in beiden4--,dus ziet gij1 dat wij daareven goed geraden hebben1 dat de ingetogenheid eene soort van harmonie is4--,hoe zoo8--,omdat het hier niet is als met den moed en de wijsheid1 die in een deel van den staat wonende hem moedig en wijs maakten1 maar zij in waarheid door den geheelen staat verspreid is1 en dus hen1 die in wijsheid1 of kracht1 of menigte1 of rijkdom of iets anders de sterksten of de zwaksten of tusschen beide zijn1 in een vol accoord doet overeenstemmen2 welke overeenstemming van minderen en meerderen over de vraag1 wie in den geheelen staat en in ieder deel van denzelven regeren moet1 wij met regt ingetogenheid kunnen noemen4--,dat ben ik volkomen met u eens4-- ,goed1 wij hebben dan1 naar het schijnt1 drie van de vier in den staat gevonden1 maar wat zou dan nu de vierde eigenschap wezen1 door welke de staat deugdelijk is8 deze toch moet noodzakelijk de regtvaardigheid zijn4--,dat spreekt4--,dus1 ,glauco6 nu moeten wij doen als jagers1 die een bosch afzetten2 en naauwkeurig toezien1 dat de regtvaardigheid ons niet ontsnappe1 want zij moet hier ergens schuilen4 ,zie dan eens goed toe1 of gij ze ook eer dan ik vinden kunt1 en zeg het mij4--,als dat eens gebeurde6 ,doch gij moet nu maar tevreden zijn1 zoo ik u volgen1 en het door u aangetoonde zien kan4--,volg dan maar1 en laat ons de goden om zegen bidden4--,dat zal ik doen1 ga slechts voor4--,ja1 maar de streek schijnt digt bewassen en duister2 en het is moeijelijk het gezochte te vinden4 ,wij willen het echter beproeven4--,dat willen wij1 zeide hij#ie4--;,hierop bedacht ik mij een oogenblik1 en riep3 hoezee6 ,glauco1 ik geloof1 dat wij een spoor hebben1 en dat zij ons niet zal ontkomen4--,dat is een goede tijding4--,ja1 zeide ik1 maar wij zijn al heel laf4--,hoe zoo8--,van den beginne ligt zij voor onze voeten1 mijn beste6 en wij zagen haar niet1 en maakten ons even belagchelijk als menschen1 die zoeken1 wat zij in de hand hebben2 daar wij haar niet digt bij1 maar in de verte zochten1 en daardoor niet konden vinden4--,hoe meent gij8--,wel6 wij hebben er reeds lang van gesproken en gehoord1 zonder dat wij het merkten4--,dat is een lange inleiding voor iemand1 die gaarne wil hooren1 wat er van de zaak is4-- ,x4 ,hoor dan1 of ik iets zeg4 ,want1 hetgeen wij bij het stichten van den staat hebben vastgesteld1 is f de regtvaardigheid zelve1 f behoort althans tot hare kenmerken#if4 ,immers1 wij hebben vastgesteld en herhaalde malen gezegd1 zoo als gij u nog wel herinnert3 dat ieder burger n van de in den staat noodige dingen verrigten moet1 en wel dat1 waartoe hij van natuur de meeste geschiktheid heeft4--,dat is waar4--,en dat zijn eigen werk te verrigten en anderen met rust te laten regtvaardigheid is1 hebben wij dikwijls van anderen gehoord en ook dikwijls zelve gezegd4--,ja1 dat hebben wij4--,dus houd ik het er dan voor1 mijn vriend6 dat de regtvaardigheid in zeker opzigt bestaat in zijn eigen werk te verrigten4 ,weet gij1 waarom ik dat denk8--,neen1 zeg het maar4--,ik geloof1 dat hetgeen behalve de dingen1 die wij beschouwd hebben1 de ingetogenheid1 den moed1 en de wijsheid1 in den staat nog over is1 datgene zijn moet1 wat aan die allen de kracht verleende om te ontstaan1 en vervolgens1 zoo lang zij aanwezig zijn1 den staat tot heil te verstrekken4 ,en nu hebben wij immers gezegd1 dat de regtvaardigheid datgene zijn zou1 wat overbleef1 zoo wij de drie andere gevonden hadden4--,dat is dan ook noodig4--,edoch1 zoo wij moesten zeggen1 wat onzen staat vooral goed maakt1 dan zou het moeijelijk zijn te beslissen1 of het de eensgezindheid van overheden en onderdanen is2 f het vasthouden der krijgslieden aan de door de wet voorgeschrevene meening omtrent het al of niet verschrikkelijke2 f de wijsheid der overheden1 die hen tot bewaken in staat stelt2 f dat hij vooral daarom goed is1 dewijl kinderen1 vrouwen1 slaven1 vrijen1 handwerkers1 overheden en onderdanen ieder alleen zijn eigen werk verrigten1 zonder anderen lastig te vallen4--,dat is inderdaad moeijelijk om uit te maken4--,dus wordt de deugdelijkheid van den staat om strijd bevorderd door zijne wijsheid1 ingetogenheid1 moed1 en daardoor1 dat ieder in denzelven zijn eigen werk doet4--,zekerlijk4--,en zoudt gij nu niet stellen1 dat hetgeen om strijd met die anderen den staat deugdelijk maakt1 de regtvaardigheid is8--,ongetwijfeld4 ,bezie dan nog eens z1 of gij het hierover eens zijt4--,moeten de overheden van onzen staat het spreken van het regt niet in handen hebben8--,ja4--,en zullen zij nu daarbij niet vooral moeten toezien1 dat niemand hebbe wat aan anderen behoort1 noch van het zijne verstoken worde8--,juist4--,en wel1 omdat dit regtvaardig is8--,ja4--,dus zou men dan kunnen zeggen1 dat het zijne te hebben en te verrigten regtvaardig is8--,ja4--,zie dan nu eens1 of gij mij dit toestemt4 ,als een timmerman het werk van een schoenmaker wilde doen1 of omgekeerd2 en zij alzoo elkanders gereedschap en beroep overnamen2 of als n hunner beide vakken wilde uitoefenen1 en dit met al die beroepen plaats had2 gelooft gij1 dat dit den staat veel nadeel zou toebrengen8--,och neen6--,maar wanneer iemand1 die slechts aanleg voor een handwerk of ambacht heeft1 op rijkdom1 vele vrienden1 of ligchaamskracht trotsch zijnde1 zich onder de krijgslieden begeven wil1 of iemand1 die slechts voor krijgsman geschikt is1 aan de beraadslagingen der overheid wil deel nemen1 en dus de eene stand het werk en de voorregten van den anderen najaagt1 of wanneer n mensch alles te gelijk wil doen1 dan zult gij denkelijk wel toestemmen1 dat die verandering en bemoeizucht verderfelijk is voor den staat4--,ongetwijfeld4--,dus kunnen wij met regt zeggen1 dat niets nadeeliger is en den staat meer kwaad doet1 dan wanneer die drie standen hunnen werkkring te buiten gaan4--,met volkomen regt4--,en zijn eigen staat zoo veel mogelijk kwaad te doen1 is dat geen onregtvaardigheid8--,natuurlijk4--,hier hebben wij dus de onregtvaardigheid4 ,,xi4 ,en wij kunnen dan bij gevolg daar tegenover stellen1 dat1 wanneer werklieden#ig1 krijgsvolk en overheden ieder hun eigen werk doen1 dit regtvaardigheid is1 en den staat regtvaardig maakt4--,ik houd het voor uitgemaakt4--,al te stellig moeten wij het evenwel nog niet beweren1 maar zoo wij1 ieder mensch afzonderlijk beschouwende1 diezelfde bepaling van de regtvaardigheid vinden1 dan zullen wij ze wel als waar moeten aannemen2 en zoo niet1 dan zullen wij iets anders zoeken4 ,laat ons dan nu onzen weg vervolgen1 daar wij meenden met meer gemak te zullen vinden1 wat de regtvaardigheid in een enkel mensch is1 zoo wij haar eerst in een grooter geheel hadden opgespoord4 ,als zulk een grooter geheel beschouwden wij den staat1 en ondernamen derhalve er een zoo goed mogelijk te stichten2 wel wetende1 dat slechts in een goeden de regtvaardigheid zou te vinden wezen4 ,wat wij dus dr gevonden hebben1 moet nu op den enkelen mensch worden overgebragt4 ,zoo dat overeenkomt1 is alles in orde2 maar als wij bij den enkelen mensch tot een ander besluit komen1 dan zullen wij den staat op nieuws onderzoeken4 ,en wanneer wij dan die twee bij elkaar nemen1 en als een paar vuursteenen tegen elkander aanslaan1 zullen wij er waarschijnlijk de regtvaardigheid als een vonk doen uitspringen1 en1 zoo wij haar ns kennen1 haar bij ons zelven versterken4--,gij wijst daar een goeden weg1 en dien moeten wij dan maar op4-- ,edoch1 wanneer hetzelfde in iets grooters en in iets kleiners gevonden wordt1 zijn die twee dan in dit opzigt gelijk of ongelijk8--,gelijk4--,dus verschilt een regtvaardig mensch van een regtvaardigen staat ten opzigte der regtvaardigheid niet1 maar is er aan gelijk4--,ja4--,edoch wij hebben beredeneerd1 dat een staat regtvaardig is1 wanneer de drie natuurlijke standen ieder zijn eigen werk doen2 en dat hij om andere bepaalde toestanden en gesteldheden van diezelfde standen ingetogen1 moedig en wijs genoemd wordt4--,dat is waar4--,dus1 mijn vriend6 dan moeten wij ook zeggen1 dat een enkel mensch1 diezelfde onderdeelen in zijne ziel hebbende1 wegens diezelfde toestanden en gesteldheden1 ook op dezelfde benamingen als de staat aanspraak heeft4--,natuurlijk4--,mijn waarde1 wij zijn daar in een leelijke vraag vervallen1 te weten3 of de ziel drie zulke onderdeelen heeft of niet4--,ik vind die vraag nog zoo leelijk niet4 ,want1 ,socrates6 is het dan geen waar spreekwoord1 dat het schoone moeielijk is8--,welligt hebt gij gelijk4 ,weet echter1 ,glauco6 dat naar mijne meening eene zaak als deze1 op den weg dien wij nu volgen1 nooit met zekerheid kan gevonden worden1 daar de weg1 die daarheen voert1 vrij wat omslagtiger en langer is2 maar toch zouden wij er misschien genoeg van kunnen vinden voor de behoefte van onze tegenwoordige redenering#ih4--;,dat is al wel1 althans ik ben er nu mede tevreden4--,ik eigenlijk ook4--,komaan dan1 begin maar6--,wij moeten dan toestemmen1 dat ieder onzer dezelfde neigingen en hoofdrigtingen in zijnen geest heeft1 als die welke in den staat zijn2 want hoe zouden zij anders in den staat komen8 ,want het zou dwaas zijn te meenen1 dat de driftigheid niet uit de enkele menschen in den staat gekomen is1 terwijl toch velen1 vooral de ,thraciers1 ,scythen en andere volken van die streken1 juist als driftig bekend staan2 en hetzelfde geldt van de leergierigheid1 die vooral in ons land gevonden wordt1 en van de winzucht1 die zich vooral bij de ,phoeniciers en ,aegyptenaren vertoont4--,dat stem ik toe4--,dus kunnen wij het dan als zeker vaststellen1 dat in een enkel mensch dezelfde hoofdneigingen zijn als in den staat1 en het is niet moeijelijk dit in te zien4--,neen waarlijk niet4-- ,,xii4 ,de eigenlijke moeijelijkheid is dan1 of wij met n en hetzelfde1 of met drie verschillende vermogens alles verrigten2 dat is1 of wij met het eene leeren1 met het tweede driftig worden1 met het derde naar zinnelijke genoegens haken2 of dat wij bij ieder dier verrigtingen onze geheele ziel inspannen4 ,dit goed te beredeneren is niet gemakkelijk4--,zeker niet4--,wij willen dan dit punt op de volgende wijs pogen te onderzoeken4--,hoe8--,het is duidelijk1 dat n en hetzelfde wezen1 in hetzelfde opzigt en ten aanzien van dezelfde zaak1 niet te gelijk in twee elkander uitsluitende betrekkingen kan komen2 zoodat1 wanneer wij hier zulke tegenstrijdige verschijnselen waarnemen1 daaruit zal blijken1 dat wij niet met n en hetzelfde1 maar met meer dan n te doen hebben4--,juist4--,hoor dan nu eens1 wat ik zeg4--,zeg op4--,kan hetzelfde1 in hetzelfde opzigt1 te gelijk stil staan en zich bewegen8--,onmogelijk4--,wij moeten dit echter nog naauwkeuriger bezien1 om later niet in de war te raken4 ,want zoo een mensch stil stond1 doch zijn hoofd en handen bewoog1 dan zouden wij1 geloof ik1 eigenlijk niet kunnen zeggen1 dat hij te gelijk in rust en in beweging was1 maar wel1 dat een deel zijns ligchaams in rust was1 en een deel in beweging2 niet waar8--,ja4--,en zoo nu verder de tegenwerping gemaakt werd1 dat een draaijende tol1 wiens punt op dezelfde plaats blijft1 toch geheel in beweging en tevens in rust is1 en dat ditzelfde van alle ligchamen geldt1 die om een onbeweeglijke middellijn rondwentelen1 dan zouden wij dit niet toegeven1 daar niet hetzelfde deel dier ligchamen in rust en in beweging is2 maar wij zouden zeggen1 dat men hier middellijn en omtrek moet onderscheiden1 en dat1 voor zoover zij niet ombuigen1 de middellijn blijft staan1 doch de omtrek daarentegen in beweging is2 maar1 zoo zij zich tevens voor- of achterwaarts1 regts of links buigen1 dat zij dan in geen een opzigt in rust zijn4--,dat is juist4--,dus zullen wij ons door geene zoodanige tegenwerpingen laten misleiden2 noch ons gaan inbeelden1 dat ooit n en hetzelfde1 te gelijk1 in hetzelfde opzigt en ten aanzien van dezelfde zaak in twee elkander uitsluitende betrekkingen kan komen4--,daar is geen nood voor4--,laat ons dan1 om de moeite te sparen van al die tegenwerpingen na te gaan en te werleggen1 dit maar vaststellen en er op voortbouwen1 onder belofte1 dat1 zoo ons ooit het tegendeel blijkt1 wij al1 wat daaruit is afgeleid1 zullen intrekken4--,dat moeten wij maar doen4-- ,,xiii4 ,beschouwt gij nu het vergunnen en weigeren1 het trachten naar iets en het zich daarvan onthouden1 het aantrekken en het afstooten niet als elkander uitsluitende betrekkingen8--,wel zeker4--,rekent gij dan nu dorsten1 hongeren en de andere begeerten1 en willen en verlangen niet tot deze soort van begrippen8 ,zult gij niet zeggen1 dat de ziel van iemand1 die begeert1 tracht naar hetgeen zij begeert1 of wordt aangetrokken door hetgeen zij wil1 dat haar te beurt valle2 of ook1 voor zoover zij iets bekomen wil1 dat als 't ware in antwoord op een aan haar gerigte vraag aan zich zelve vergunt1 daar zij er naar streeft1 dat het plaats hebbe4--,ja4--,en het niet willen1 niet verlangen1 niet begeeren1 en rekent gij die niet tot het afstooten1 afkeerig zijn1 met n woord1 tot het tegenovergestelde8--,natuurlijk4--,daar dit zoo is1 willen wij als eerste soort de begeerte vaststellen1 en honger en dorst als hare krachtigste onderdeelen beschouwen4--,best4--,en de honger is begeerte naar spijs1 de dorst naar drank8--,ja4--,maar begeert de dorst op zich zelve nog iets anders1 b4 v4 is zij begeerte naar warm of koud1 veel of weinig1 met n woord1 naar eene bepaalde soort van drinken8 ,of zou niet veel meer1 als er hitte bij den dorst komt1 daardoor de begeerte naar koud drinken ontstaan1 en omgekeerd2 en evenzoo1 als er veelheid bij den dorst komt1 begeerte naar veel drinken1 en omgekeerd8 ,kortom is de dorst zelve uit zijnen aard wel iets anders1 dan de begeerte naar drinken1 zonder meer2 en de honger evenzoo naar spijs8--,zoo is het1 de begeerte zelve haakt eenvoudig naar haar voorwerp1 maar het haken naar eene bepaalde soort van dat voorwerp hangt af van bijkomende omstandigheden4--,wij moeten ons dan niet laten wegslepen door de tegenwerping1 dat niemand eenvoudig naar drinken verlangt1 maar naar goed drinken2 noch eenvoudig naar spijs1 maar naar goede spijs2 want dat allen naar het goede verlangen1 en dus de dorst ook begeerte is naar goed drinken2 en dat het evenzoo met de andere begeerte gesteld is4--,die tegenwerping is toch zoo gek niet4--,edoch1 zeide ik1 als bij betrekkingsbegrippen het eene lid eenvoudig is1 dan is het andere dit ook2 maar als het eerste eene bepaalde wijziging ondergaat1 dan heeft die in het andere insgelijks plaats4--,dat begrijp ik niet4--,begrijpt gij niet1 dat het grootere uit zijnen aard grooter is dan iets anders8--,ja4--,immers dan hetgeen kleiner is8--,ja4--,en het veel grootere is dit met betrekking tot het veel kleinere8--,juist4--,en wat grooter was tot hetgeen kleiner was1 en wat grooter zal zijn tot hetgeen kleiner zal zijn8--,natuurlijk4--,en zoo staat ook het meerdere tot het mindere1 het dubbele tot het halve1 het zwaardere tot het ligtere1 het snellere tot het tragere1 het warme tot het koude1 enz4--,zekerlijk4--,en is het nu niet evenzoo met de kennis8 ,heeft niet de kennis op zich zelve eenvoudig betrekking op het gekende1 zonder meer1 terwijl de eene of andere bepaalde kennis ook tot het een of andere bepaalde voorwerp van kennis betrekking heeft8 b4 v4 wordt niet de kennis van het maken van huizen van alle andere kennis onderscheiden door den naam van bouwkunde8--,zekerlijk4--,en is dit niet1 omdat zij zelve bepaald is1 en tot een bepaald voorwerp betrekking heeft8 en is het niet evenzoo met alle andere kundigheden8--,ja4-- ,,xiv4 ,nu zult gij wel begrijpen1 zeide ik1 welke de zin is der woorden3 als bij betrekkingsbegrippen het eene lid eenvoudig is1 dan is het andere dit ook2 maar als het eerste eene bepaalde wijziging ondergaat1 dan heeft die in het andere insgelijks plaats4 ,en dit meen ik nu niet z1 als of met beide leden volmaakt hetzelfde gebeurde1 zoodat de kennis van het gezonde zelve gezond1 die van het zieke zelve ziek was1 en evenzoo die van het kwade kwaad1 en van het goede goed2 maar dat1 wanneer wij niet van het gekende in het algemeen spreken1 maar van een bepaald voorwerp van kennis2 b4 v4 van het gezonde en zieke1 daardoor de kennis zelve noodzakelijk van eene bepaalde hoedanigheid wordt1 b4 v4 in dit geval geneeskunst4--,dat begrijp ik1 en z geloof ik1 dat het is4--,maar heeft nu niet evenzoo de dorst betrekking op een bepaald voorwerp1 en is hij niet dorst naar iets8--,wel zeker1 zeide hij1 naar drinken4--,en heeft niet eene bepaalde soort van dorst op eene bepaalde soort van drinken betrekking1 maar de dorst op zich zelve eenvoudig op drinken1 zonder meer2 niet op veel noch op weinig1 niet op goed noch op slecht1 noch op eenige andere bepaalde soort1 maar eenvoudig op drinken8--,ongetwijfeld4--,de ziel van den dorstigen verlangt dus1 voor zoover hij dorst heeft1 niets anders dan drinken1 en dat is het1 waarnaar zij streeft4--,natuurlijk4--,wanneer dan nu iets haar van het drinken afhoudt1 dan moet dat iets anders zijn dan hetgeen in haar dorst heeft en als een dier naar het drinken doet streven1 want een en hetzelfde doet toch niet twee elkander uitsluitende verrigtingen te gelijk4--,dat kan niet4--,dit gaat evenmin1 als men van een boogschutter kan zeggen1 dat zijne handen den boog te gelijk naar achteren en naar voren trekken1 daar eigenlijk de eene hand hem naar achteren1 de andere naar voren trekt4--,juist1 zeide hij4--,maar weten wij nu niet1 dat somtijds menschen1 die dorst hebben1 toch niet willen drinken8--,wel zeker1 dat gebeurt dikwijls4--,en wat moeten wij nu daarvan zeggen8 ,immers1 dat in hunne ziel iets is1 dat hen tot drinken aanspoort1 en iets1 dat hen daarvan terughoudt1 en van het aansporende verschillend zijnde1 dit beheerscht8--,ik vind van ja4--,en ontstaat nu dat terughoudende niet meest uit redenering1 maar het aansporende en voortdrijvende uit een onaangenaam gevoel van behoefte8--,dat schijnt zoo4--,dus hebben wij regt1 om vast te stellen1 dat hier twee verschillende dingen voorkomen1 en mogen dat1 waardoor de ziel redeneert rede noemen1 en dat1 waardoor zij verliefd is#ii1 en hongert1 en dorst1 en andere dergelijke dingen zonder de rede najaagt1 en naar bevrediging van behoefte en naar vermaak streeft1 begeerte4--,hiertoe geloof ik1 dat wij volkomen regt hebben4--,deze twee verschillende dingen kunnen wij dus als in onze ziel aanwezig beschouwen4 ,maar de toorn en hetgeen1 waarmede wij vertoornd worden1 is dat een derde of hoort het bij n der beide eerstgenoemde8--,misschien1 hoort het bij het tweede1 bij de begeerte4--,maar ik heb eens van geloofwaardige menschen gehoord1 dat ,leon de zoon van ,aglaeon van den ,pirus langs de buitenzijde van den noordelijken muur gaande1 en merkende1 dat er lijken op het galgeveld lagen1 grooten lust kreeg om die te bezien1 maar tevens op zich zelven boos werd en er zich zocht af te brengen1 en zich er tegen verzettende zijn gelaat bedekte1 tot dat hij door de begeerte overmeesterd met wijd opengespalkte oogen naar de lijken toeliep1 roepende3 komaan ellendelingen6 verzadig u dan maar aan dat mooije schouwspel4--,dat heb ik ook wel gehoord4--,hieruit blijkt dan toch1 dat de toorn soms in strijd is met de begeerte1 als met iets1 dat geheel van hem onderscheiden is4--,dat blijkt er uit4-- ,,xv4 ,en merken wij ook niet dikwijls1 dat iemand1 wanneer de begeerte hem aanzet1 om tegen zijne rede te handelen1 zich zelven uitscheldt1 en over dat aanzetten boos wordt1 en dat aldus1 als die twee met elkander oorlog voeren1 de toorn aan de rede te hulp komt8 ,aan den anderen kant echter geloof ik1 dat gij noch bij u zelven noch bij anderen ooit gemerkt hebt1 dat de toorn met de begeerte gemeene zaak maakte1 wanneer de rede het inwilligen van de begeerte verbood4--,nooit4--,verder2 wanneer iemand weet1 dat hij kwaad doet1 kan hij dan niet1 naarmate hij van natuur beter is1 minder boos worden1 al lijdt hij honger en koude en meer dergelijke dingen1 door toedoen van hem1 die naar zijn oordeel het regt heeft hem dit te berokkenen2 en is het dan niet1 als of zijn toorn niet wil opgewekt worden8--,zekerlijk4--,en wanneer iemand van oordeel is1 dat hem onregt wordt aangedaan1 kookt en bruischt dan zijn toorn niet1 en strijdt die dan niet voor hetgeen regt schijnt1 zonder zich aan honger of koude of ongemak te storen1 of zich van hetgeen regt schijnt te laten afbrengen1 voordat hij voldaan is of heeft uitgewoed1 of als een hond door den herder door zijn eigen rede is teruggeroepen en tot bedaren gebragt8--,het is juist zoo1 en eveneens maakten wij in onzen staat de krijgslieden als honden aan de overheden1 die als herders den staat besturen1 onderdanig4--,gij begint reeds goed te merken1 waar ik heen wil4 ,bedenk echter eerst nog even het volgende4--,wat8--,dat wij nu geheel anders over den toorn denken dan daareven4 ,want toen meenden wij hem tot de begeerte te moeten rekenen1 maar nu zeggen wij1 dat het ver daarvan af is1 maar dat hij veeleer bij inwendigen strijd der ziel de rede bijstaat4--,dat is zoo4--,maar is hij dan nu van de rede onderscheiden1 of een onderdeel van dezelve2 heeft nu de ziel geen drie1 maar twee onderdeelen1 de rede en de begeerte8 ,of gelijk de staat bestond uit de geldwinners1 de krijgslieden en de overheden1 is evenzoo de toorn het derde onderdeel van de ziel1 dat uit zijnen aard de bondgenoot is der rede1 zoo het ten minste niet door slechte opvoeding is bedorven8--,ik houd hem voor een derde4--,ik ook1 wanneer wij ten minste kunnen bewijzen dat hij evenzeer van de rede als van de begeerte moet onderscheiden worden4--,dat is zoo moeielijk niet1 want men kan het immers aan de kinderen zien1 die terstond na hunne geboorte vol van toorn zijn1 maar f nooit f althans meestal zeer laat hunne rede ontwikkelen4--,goed gezegd4 ,en hetgeen hij zegt blijkt1 ook uit de beesten4 ,wij kunnen hier ook verwijzen op de reeds aangehaalde plaats van ,homerus3 hij sloeg op zijn borst en zeide tot zijn hart want daar laat ,homerus uitdrukkelijk den onverstandigen toorn door de rede1 die inziet1 wat beter is1 tot bedaren brengen#ajj4--;,dat ben ik volmaakt met u eens4-- ,,xvi4 ,hiermede zijn wij dan eindelijk klaar gekomen1 en wij kunnen het als uitgemaakt beschouwen1 dat er evenveel en gelijksoortige onderdeelen in den staat en in ieders ziel gevonden worden4--,dat is waar4--,dus moeten wij dan ook toestemmen1 dat de wijsheid in den enkelen mensch op dezelfde wijs en dezelfde plaats als in den staat wordt gevonden8--,natuurlijk4--,en ditzelfde zal dan wel met den moed en met alle andere deugden plaats hebben4--,zekerlijk4--,wij moeten dan ook zeggen1 ,glauco6 dat een mensch op dezelfde wijs regtvaardig is als een staat4--,dat is onvermijdelijk4--,edoch wij zijn nog niet vergeten1 dat de staat regtvaardig was1 doordien ieder zijner drie onderdeelen zijn eigen werk verrigtte4--,ik weet het ten minste nog goed4--,dus moeten wij ook besluiten1 dat ieder onzer1 wanneer ieder onderdeel zijner ziel zijn eigen werk doet1 regtvaardig zijn zal1 en zijne bestemming zal vervullen4--,dat volgt4--,edoch de rede moet heerschen1 daar zij om hare wijsheid regt heeft op het bestuur over de geheele ziel1 en de toorn moet haar ondergeschikte medehelper wezen4--,ongetwijfeld4--,en hebben wij nu niet gezegd1 dat de vereeniging van muzenkunst en gymnastiek deze twee eensgezind zal maken1 deels door schoone lessen en oefeningen inspannende en versterkende1 deels door vriendelijke verpleging met harmonie en maat verzachtende en bedarende8--,zekerlijk4--,en wanneer nu deze twee aldus zijn opgevoed en hun eigen werk hebben leeren verrigten1 dan moeten zij de begeerte beheerschen1 die het grootste deel van ieders ziel inneemt en van natuur allerinhaligst is2 en zij moeten zorgen1 dat die niet1 door volop van het ligchamelijk vermaak te genieten1 groot en sterk worde1 en in plaats van haar werk te doen1 hare natuurlijke gebieders aan zich poge te onderwerpen en alzoo het geheele leven ten onderste boven te keeren4--,zekerlijk4--,en zouden die twee de vijanden van buiten niet het best van ziel en ligchaam afweren1 wanneer de eene raad geeft en de andere krijg voerende in onderworpenheid aan de overheid met moed dien raad opvolgt8--,ongetwijfeld4--,en wij noemen1 geloof ik1 een tegelijk dn moedig1 wanneer dat deel zijner ziel1 waarin de toorn zetelt1 in smart en vreugde getrouw blijft aan het oordeel der rede over het al of niet verschrikkelijke4--,juist4--,en wij noemen hem wijs wegens dat kleine deel1 dat in hem het gebied voert en oordeel velt1 en in zich de kennis heeft van hetgeen voor ieder deel en voor hen allen te zamen nuttig is4--,voorzeker4--,en noemen wij hem niet evenzoo ingetogen wegens de vriendschap1 en overeenstemming van die drie deelen1 wanneer n het regerende n de onderworpene het eens zijn1 dat de rede moet heerschen1 en de laatsten zich bij gevolg niet aan die heerschappij zoeken te onttrekken4--,ja1 n in een staat n in een enkel mensch is de ingetogenheid niets anders dan dit4--,maar z zal het dan ook wel met hetgeen wij eigenlijk zoeken1 met de regtvaardigheid gesteld zijn4--,noodzakelijk4--,wij merken derhalve1 dat de regtvaardigheid niets anders is1 dan hetgeen zij in den staat bleek te wezen8--,ik geloof van ja4--,en als er nu nog eenige twijfel in ons overbleef1 zouden wij die op de volgende wijs met geweld kunnen wegmaken4--,hoe8--,bij voorbeeld1 zoo wij over zulk een staat1 of een z opgevoed mensch de vraag stelden1 of hij toevertrouwde gelden zou ontvreemden2 gelooft gij dan1 dat iemand meenen zou1 dat hij dit meer zou doen1 dan anderen die anders gezind waren8--,wel neen1 zeker niet4--,en zou zulk een zich ook niet van heiligschennis1 diefstal en verraad zoo ten aanzien van enkelen1 als van staten onthouden8--,ongetwijfeld4--,en hij zou ook nimmer een eed of eenige overeenkomst overtreden4--,nimmer4--,en overspel1 en verwaarloozing van ouders1 en ongodsdienstigheid worden in ieder ander meer dan in hem gevonden4--,dat spreekt4--,en is de oorzaak van dat alles niet1 dat zoowel het heerschende als de gehoorzamende deelen zijner ziel ieder zijn eigen werk doen8--,juist1 dat is de ware oorzaak4--,en zou de regtvaardigheid nu wel iets anders zijn1 dan hetgeen enkelen en geheele staten zoodanig doet handelen4--,zekerlijk niet4-- ,,xvii4 ,dus is dan nu ons voorgevoel volkomen vervuld#aja1 en het schijnt1 dat wij1 als door de leiding eener godheid1 reeds toen wij onzen staat begonnen te stichten op den regten weg zijn gekomen1 om een uitgedrukt beeld van de regtvaardigheid te vinden4--,dat zou ik ook zeggen4--,en die heilzame eigenschap van onzen staat1 waardoor hij een afbeeldsel der regtvaardigheid geven kon1 bestond daarin1 dat dien de natuur tot schoenmaker bestemd had1 ook schoenmaker was1 en niets anders verrigtte1 en dat ditzelfde met de timmerlieden en met alle andere beroepen plaats greep4--,juist4--,dus heeft dan ook eigenlijk de regtvaardigheid geen betrekking op handelingen naar buiten1 maar is meer op het inwendige gerigt1 en verhindert ieder deel van de ziel te doen wat hem niet toekomt1 en zich in de zaken der andere onbehoorlijk te mengen2 maar noopt den mensch in waarheid zich zelven in orde te brengen en te beheerschen1 en aldus vrede met zich zelven te bekomen1 door die drie deelen behoorlijk zamen te voegen1 als waren het drie grondtoonen ner harmonie1 de laagste1 de hoogste1 en de middelste2 en als er nog wat anders tusschen komt1 dat zijn eigen plaats te geven1 en aldus uit al die deelen een behoorlijk zamengevoegd geheel te vormen2 en dan in elk geval ten opzigte van geldwinnen1 van verzorging des ligchaams1 van staatkunde of van overeenkomsten met enkelen steeds zulke handelingen voor regtvaardig en goed te houden1 welke dien toestand der ziel bewaren en bevestigen1 en de ware wijsheid te zoeken in de kennis van hetgeen hiertoe noodig is1 maar alle handelingen of meeningen1 die denzelven vernietigen1 als onregtvaardig en dwaas te beschouwen4--,gij zegt volkomen de waarheid1 ,socrates6 zeide hij4--,wanneer wij dus nu beweren1 den regtvaardigen mensch1 en den regtvaardigen staat1 en wat de regtvaardigheid in beiden is1 gevonden te hebben1 dan zullen wij ons niet erg meer vergissen4--,zeker niet4--,dus willen wij dat maar vaststellen4--,ja4-- ,,xviii4 ,daar dit dus is afgehandeld1 moeten wij nu de onregtvaardigheid beschouwen4--,natuurlijk4--,dus moet deze noodzakelijk bestaan in een oneenigheid van deze drie deelen1 en eene bemoeizucht en verkeerde werkzaamheid1 en een opstand van eenig deel tegen de geheele ziel1 ten einde haar tegen het regt te beheerschen1 in plaats van1 zooals betamelijk was1 zich aan het van natuur tot heerschen bestemde te onderwerpen4 ,zulk eene verwarring en afdwaling verdient1 geloof ik1 den naam van onregtvaardigheid1 onmatigheid1 lafhartigheid1 dwaasheid1 in 't kort van ondeugd4--,toegestemd4--,en wat nu onregtvaardig handelen en onregt doen2 en aan den anderen kant1 wat regtvaardig handelen eigenlijk is1 dat alles is nu duidelijk1 zoo wij maar de regtvaardigheid en de onregtvaardigheid kennen4--,hoe zoo8--,wel6 dat staat nu tot de ziel volkomen in dezelfde verhouding1 als het ongezonde en het gezonde tot het ligchaam4--,hoe dat8--,het gezonde brengt immers gezondheid teweeg1 en het ongezonde ziekte8--,ja4--,en brengt nu het regtvaardig handelen geen regtvaardigheid teweeg1 en het onregtvaardig handelen onregtvaardigheid8--,natuurlijk4--,en gezondheid in het ligchaam teweeg te brengen is toch wel niets anders dan te maken1 dat de deelen des ligchaams1 overeenkomstig met de natuur1 elkander beheerschen en gehoorzamen1 terwijl het veroorzaken van ziekte gelijk staat met hierin eene tegennatuurlijke verhouding te brengen4--,dat is waar4--,edoch het veroorzaken van regtvaardigheid is te maken1 dat de deelen der ziel overeenkomstig met de natuur elkander beheerschen en gehoorzamen1 en het veroorzaken van onregtvaardigheid staat gelijk met hierin eene tegennatuurlijke verhouding te brengen4--,juist4--,deugd is dus gezondheid1 schoonheid en welstand der ziel2 maar ondeugd ziekte1 leelijkheid en ongesteldheid4--,ja4--,en leiden nu goede oefeningen niet tot het verkrijgen van deugd1 slechte tot het tegendeel8--,dat is onvermijdelijk4-- ,nu moet1 geloof ik1 nog onderzocht worden3 wat nuttiger is1 regtvaardig te handelen en de deugd te beoefenen en regtvaardig te zijn1 hetzij dit verborgen is of niet2 of onregtvaardig te handelen en onregtvaardig te zijn1 zonder door het ondergaan van straf verbeterd te worden4--,maar ,socrates6 ik vind het eigenlijk gek1 na hetgeen wij gevonden hebben nog te onderzoeken3 of wl1 als het ligchaam bedorven is1 het leven1 zelfs bij overvloed van spijs en drank1 rijkdom en magt1 alle waarde mist2 maar er toch misschien echt levensgenot bestaan kan1 wanneer de eigenlijke bron des levens beroerd en bedorven is1 en men doet1 wat men wil1 behalve datgene1 waardoor men van onregtvaardigheid kan verlost worden en regtvaardigheid en deugd kan verkrijgen4--,eigenlijk hebt gij gelijk4 ,echter moeten wij1 nu het ons vergund is1 dit duidelijk in te zien1 niet werkeloos blijven4--,dat is waar4--,komaan6 zie dan eerst eens1 hoe veel soorten van ondeugd er wel schijnen te bestaan1 want het is de moeite waard1 dit te beschouwen4--,zeg maar op1 ik ben bereid u te volgen4--,welnu1 van het verheven standpunt1 waarop wij nu zijn gekomen1 komt het mij voor1 dat er slechts ne soort van deugd is1 maar oneindig vele van ondeugd1 waaronder echter vier soorten meer bijzonder opmerking verdienen4--,hoe meent gij dat8--,het schijnt1 dat er evenveel verschillende gesteldheden van ziel als van staatsregeling bestaan4--,hoeveel dan8--,vijf in den staat1 en vijf in de ziel4--,welke4--,vooreerst die ne gesteldheid van staatsregeling1 welke wij besproken hebben1 welke op tweerlei wijs kan benoemd worden4 ,want als onder de overheden n man uitstekend is1 is het eene koninklijke regering1 en als er meer zijn1 eene regering der edelen4--,dat is waar4--,dit nu is ne soort1 zeide ik2 want bij eene opvoeding en opleiding als de beschrevene zou het geen noemenswaardig onderscheid in de inrigting van den staat maken1 of hij door meerderen of door nen geregeerd werd4--,dat geloof ik ook niet4-- ,voetnoten #hd ,men denke hier om een krijgslist als van den nen ,horatius tegen de drie ,curiatiussen4 #he ,dit moet verklaard worden uit de ,grieksche opvoeding1 daar ieder in zijne jeugd in de gymnasin onderwijs kreeg in al wat tot de ligchaamsoefeningen behoorde4 #hf ,hoezeer het schaakspel in dien vorm1 waarin wij het bezitten1 waarschijnlijk aan de ouden onbekend was1 moeten zij toch iets dergelijks gehad hebben4 ,zie onder anderen ,saleii ,bassi panegyricus in ,c4 ,calpernium ,pisonem1 vs4 #agh-aif4 ,martialis ,epigramm4 ,,vii4 ,,lxxii4 #hg ,deze uitspraak wordt schijnbaar door de ondervinding tegengesproken1 daar kinderen van dezelfde ouders dikwijls een geheel verschillenden weg inslaan2 maar zoo men in het oog houdt1 dat bij opvoeding niet alleen aan den invloed der ouders1 maar ook aan dien der omstandigheden gedacht moet worden1 en dat ,plato ook die laatsten zoo veel mogelijk wilde regelen1 en ze dus hiermede op het oog heeft1 zal men ligtelijk toestemmen1 dat het hier gezegde waarheid behelst4 #hh ,dit past nergens beter dan op eene democratie1 waarin1 zoo als in ,athene1 het gemeen den boventoon heeft4 #hi ,plato volgt hier nog de oude voorstelling1 die hij in de mythe achter den ,phaedo heeft verlaten4 ,volgens die voorstelling was de aarde plat1 en lag ,delphi juist in het midden1 hetgeen ,zeus had ontdekt1 door twee arenden n van het ,oosten en n van het ,westen met gelijke snelheid te laten vliegen en op te merken1 waar zij elkander ontmoetten1 hetgeen juist te ,delphi gebeurde4 ,verder ziet men hier duidelijk1 dat1 hoezeer ,plato eigenlijk ,monotheist was1 hij de vormen van godsvereering1 die hij gevonden had1 wilde beschouwen1 het ieder vrij latende1 daarbij het zijne te denken4 #ij ,zie ,boek ,,ii4 ,hoofdst4 ,x4 #ia ,deze vier zijn de hoofddeugden 7virtutes cardinales7 der oude wijsbegeerte4 #ib ,men beschuldige hier ,plato niet van bekrompenheid4 ,hoezeer het allezins wenschelijk en ook zeer wel mogelijk is1 dat alle menschen de voornaamste waarheden van ,godsdienst en zedekunde leeren inzien1 blijft het toch altijd waar1 dat een helder inzigt in den wetenschappelijken grondslag dier waarheden alleen voor hem bereikbaar is1 die door zijne omstandigheden in staat is gesteld1 om veel tijd aan strenge studie te wijden4 ,daarom is het ook verkeerde staatkunde de eigenlijke geleerden met werk te overkroppen1 dewijl daardoor het licht der wetenschap ten laatste geheel en al moet worden uitgebluscht4 ,het spreekwoord3 honor alit artes1 kan ook veranderd worden in3 otium alit artes4 #ic ,de opvoeding der vrouwen werd te ,athene zeer verwaarloosd1 hetgeen het zedebederf bijzonder in de hand werkte2 daar de geest der mannen in den omgang der eerbare vrouwen niets aantrekkelijks kon vinden4 #id ,zoogenaamd1 want alleen de wijze is waarlijk vrij1 de anderen zijn slaven hunner begeerlijkheden4 ,zie ,opklimmend deel der ,wijsbegeerte1 blz4 #df1 #dg de noot4 #ie ,ligt komt hier bij iemand de vraag op1 waarom ,plato zoo vele woorden tot inleiding bezigt1 en daardoor den lezer ongeduldig maakt4 ,ik houd het voor waarschijnlijk1 dat hij verlangde1 dat zijne lezers hier zouden stilhouden en zelve beproeven het antwoord te vinden1 opdat zij zich het volgende meer zouden eigen maken4 #if ,er staat eigenlijk3 dat1 of eene soort daarvan is de regtvaardigheid4 ,dit heb ik1 zoo als in den tekst te zien is1 overgezet1 omdat zoo dit niet n en hetzelfde met de regtvaardigheid was1 maar deze eene soort er van1 de regtvaardigheid dan dit tot kenmerk zou hebben met nog andere kenmerken er bij4 ,zie ,bake1 ,lessen over de redekunde1 #aa4 ,nieuwenhuis1 ,initia ,philosophiae ,logicae1 #gd4 #ig ,om aan bet gebruik te voldoen1 heb ik hier werklieden gebezigd voor hen1 die met de handen hun brood verdienen4 ,deze benaming is echter onjuist2 of zijn dan krijgslieden1 geleerden1 kooplieden1 overheden van alle werk bevrijd1 en is hun taak niet in hare soort even zwaar als die van den ambachtsman of landbouwer8 #ih ,plato schijnt hier te bedoelen1 dat een onderzoek als dit niet bloot op waarneming moet gebouwd zijn1 maar dat de bovennatuurkunde hier de beginselen moet aan de hand geven4 ,al geeft echter zielkundige waarneming alln geen volkomen wetenschappelijke uitkomsten1 voor het oogenblik was zij voldoende4 ,daarom zou hij zich van dieper onderzoek onthouden1 ten einde noodeloozen omhaal te vermijden4 #ii ,verliefd zijn wordt in dit verband1 en gewoonlijk bij de ouden1 alleen van zinnelijke liefde genomen4 ,wat wij als geestelijke liefde beschouwen1 komt bij hen meer onder de kategorie der vriendschap of der vroomheid 7pietas74 #ajj ,ulysses1 incognito in zijn paleis teruggekeerd zijnde1 hoort en ziet allerlei schandelijke dingen1 die zijnen toorn opwekken1 maar hij werhoudt zich1 omdat hij begrijpt1 dat de tijd van handelen nog niet gekomen is4 7,zie mijne vertaling van den ,phaedo1 p4 #ajf 7#a747 #aja ,zie ,boek ,,ii4 ,c4 ,x4 ,,vijfde ,,boek4 ,i4 ,een staat dus en een mensch1 waarmede het z gesteld is1 heet ik goed en regt1 en bij gevolg de tegenovergestelde slecht en verkeerd2 en ik beweer1 dat er zoowel in de staatsinrigting als in de ziel van een enkel mensch vier verschillende soorten van slechtheid gevonden worden4--,welke zijn die8 zeide hij4-- ,toen ging ik ze achter elkander opnoemen1 zoo als ik dacht1 dat zij uit elkander voortkwamen2 maar ,polemarchus1 die een weinig verder van mij af zat1 dan ,adimantus1 stak zijne hand uit1 pakte hem bij den schouder1 en trok hem naar zich toe1 en zelf voorover buigende fluisterde hij hem wat in1 waarvan ik niets anders hoorde dan dit3 willen wij hem dan maar loslaten8--,wel neen6 zeide ,adimantus weer hard op4--,toen zeide ik3 wien wilt gij niet loslaten8--,u1 zeide hij4--,en waarom dat8--,gij maakt het u gemakkelijk1 en smokkelt een belangrijk stuk der redenering weg1 en gij denkt dat wij het niet zullen merken1 wanneer gij zoo maar zonder bewijs zegt1 dat gelijk ieder inziet1 alles1 dus ook vrouwen en kinderen1 onder vrienden gemeen is4--,maar is dat dan geen waarheid1 ,adimantus6 zeide ik8--,misschien wel1 zeide hij4 ,doch deze waarheid moet even als de rest betoogd worden1 en gij moet zeggen1 welke wijze van gemeenschap gij hebben wilt4 ,want er zijn er velerlei denkbaar4 ,verzwijg daarom niet1 hoe gij het wilt4 ,want wij wachten al zoo lang1 of gij ook zeggen zult1 hoe ze dan toch kinderen moeten verwekken1 en hoe zij die moeten opvoeden1 en hoe die heele gemeenschap van vrouwen en kinderen moet wezen2 want wij gelooven1 dat het voor den staat een groot onderscheid maakt1 of dit al of niet behoorlijk geregeld wordt4 ,spreek dus nu niet van eene andere staatsregeling1 voordat gij dit voldoende hebt uiteengezet1 want wij hebben1 zoo als gij gehoord hebt1 besloten1 u niet los te laten1 voordat gij dit even als de rest hebt behandeld4--,aan dat besluit geef ik mijne stem ook1 zeide ,glauco4--,houd het er dan maar voor1 ,socrates1 zeide ,thrasymachus1 dat wij allen van dit gevoelen zijn4-- ,,ii4 ,wat hebt gij gedaan1 zeide ik1 met mij vast te houden6 welk een lange staatkundige redenering maakt gij daar op nieuws weer aan den gang6 ,ik was al verheugd1 dat ik er door was1 en heel tevreden1 zoo men dit punt maar als afgedaan wilde beschouwen4 ,gij weet niet1 nu gij het aanroert1 welk een zwerm van woorden gij opwekt1 die ik al zag aankomen en daarom gemakshalve maar heb ontweken4--,wat6 zeide ,thrasymachus1 denkt gij dan1 dat dezen hier zijn gekomen om geld te betalen en niet om redeneringen te hooren#ajb8--,nu ja1 zeide ik1 met mate4--,maar1 ,socrates6 zeide ,glauco1 voor een verstandig mensch is zijn heele leven de maat tot het hooren van zulke redeneringen4 ,maar laat ns nu maar rusten1 en wees zoo goed tot antwoord op onze vraag te beredeneren1 hoe1 naar uw oordeel1 de gemeenschap van vrouwen en kinderen bij onze wachters moet wezen1 en hoe de opvoeding zijn moet1 van dat de kinderen geboren worden1 tot dat zij naar school gaan1 want dat is het allerlastigste4 ,beproef dan te zeggen1 hoe die zijn moet4--,het is niet gemakkelijk dit te betoogen1 mijn vriend1 zeide ik1 want het is nog veel meer dan het behandelde aan twijfel onderhevig4 ,want men zal twijfelen1 of het wel mogelijk is2 en dan1 al is het mogelijk1 of het wel het beste is4 ,daarom heb ik weinig zin het aan te pakken1 mijn vriend6 uit vrees1 dat ik schijnen zal luchtkasteelen te bouwen4--,trek u dat niet aan1 want uwe toehoorders zijn toch niet zoo heel onbegrijpelijk1 of ongeloovig1 of u ongenegen4--,zegt gij dat1 zeide ik1 om mij moed in te spreken8--,ja1 zeide hij4--,gij doet echter juist het tegendeel2 want zoo ik het meende te weten1 dan was dat een goede aansporing1 daar het veilig en opwekkend is1 onder verstandige vrienden voor de waarheid1 die men weet1 uit te komen2 maar1 wanneer men er zelf niet zeker van is1 en al sprekende zelf moet onderzoeken1 zoo als ik doe1 dan heeft men te vreezen voor het gevaar1 niet van uitgelagchen te worden1 want dat is kinderachtig1 maar van1 als men de waarheid niet treffen kan1 zijne vrienden mede te slepen in dwalingen omtrent de allerbelangrijkste dingen4 ,ik zal dan bij hetgeen ik ga zeggen ,adrastea#ajc maar aanroepen1 ,glauco6 want iemand bij ongeluk te dooden1 houd ik voor minder erg dan hem te bedriegen in hetgeen schoon1 goed1 regtvaardig en wettig is4 ,en ik wilde toch altijd nog liever mijne vijanden dan mijne vrienden aan zulk gevaar blootstellen2 zoodat gij mij op een verkeerde wijs moed poogt in te spreken4--,toen begon ,glauco te lagchen1 en zeide3 ,socrates6 zoo wij door die redenering ongelukkig worden1 dan willen wij u toch van doodslag en bedrog vrijspreken4 ,ga maar gerust voort4--,voor de regtbank1 zeide ik1 geldt de vrijgesprokene voor onschuldig2 dus zal het hier ook wel zoo wezen4--,zeg dan maar op4--,ik moet dan1 zeide ik1 nu weer zeggen1 wat daar straks welligt meer op zijn plaats was4 ,het is echter misschien beter1 dat wij de mannen eerst geheel hebben afgehandeld1 voor wij aan de vrouwen beginnen1 vooral daar gij er nu z op aandringt4 ,,iii4 ,menschen toch1 die z1 als wij beredeneerd hebben1 zijn geboren en opgevoed1 moeten1 naar mijn inzien1 ook ten opzigte van hunne vrouwen en kinderen geen anderen weg volgen1 dan dien wij reeds van den beginne zijn ingeslagen4 ,wij poogden immers in onze redenering de mannen als bewakers eener kudde af te schilderen8--,ja4--,wij moeten dus onderzoeken1 of die vergelijking ook op de geboorte en de opvoeding toepasselijk is4--,hoe meent gij dat8--,aldus4 ,oordeelen wij1 dat de wijfjes der herdershonden met de mannetjes me moeten de wacht houden1 jagen enz41 of dat zij te huis moeten blijven1 en van die bezigheden door het jongen en het voeden der jongen moeten worden afgehouden1 terwijl de anderen al de moeite en zorg voor de kudde op zich nemen4--,alles is aan beiden gemeen1 behalve dat wij de wijfjes als zwakker dan de mannetjes aanmerken4--,en kunnen wij nu twee dieren tot hetzelfde gebruiken1 zoo zij volstrekt niet op dezelfde wijze zijn opgevoed8--,wel neen4--,zoo wij dus de vrouwen voor hetzelfde werk als de mannen willen bezigen1 moeten wij haar ook hetzelfde onderwijs geven4--,ja4--,en aan de mannen gaven wij onderwijs in de muzenkunst en in de gymnastiek8--,ja4--,dus moeten de vrouwen dat ook leeren1 en tevens wat tot den oorlog behoort2 en dan moeten zij tot hetzelfde werk gebruikt worden4--,dat volgt uit het gezegde4--,misschien zal er hier veel voorkomen1 dat bij de toepassing ongewoon en bespottelijk zou schijnen4--,dat is denkelijk4--,en wat vindt gij wel het allerbespottelijkste8 ,zeker wel1 dat de vrouwen1 zoowel jonge als oude1 naakt met de mannen aan de ligchaamsoefeningen deel nemen2 even als tegenwoordig de grijsaards1 die1 al zijn ze rimpelig en leelijk1 toch vermaak in die oefeningen hebben8--,ja waarlijk1 dat is naar de tegenwoordige zeden al heel bespottelijk4--,edoch1 nu wij eens aan den gang zijn1 moeten wij niet geven om den spot van geestige lieden over die verandering in de ligchaamsoefeningen1 in de muzenkunst1 en vooral in het dragen der wapenen en het paardrijden4--,daar hebt gij gelijk in4--,daar wij dus aan den gang zijn1 moeten wij door alles heen bijten1 en die menschen verzoeken hunne aanmerkingen te huis te houden1 en de zaak ernstig te bezien2 en wij moeten hen herinneren1 dat het nog zoo lang niet geleden is1 toen de ,grieken het1 even als nu de barbaren1 schandelijk en belagchelijk vonden1 naakte mannen te zien4 ,en toen eerst de ,cretensers1 vervolgens de ,lacedaemoniers1 die oefeningen van naakte mannen invoerden1 konden de geestige lieden van dien tijd allerlei zulke aanmerkingen uitkramen4 ,vindt gij dat ook niet8--,wel zeker4--,nadat het echter gebleken is1 geloof ik1 dat die oefeningen zonder kleederen beter gaan dan met kleederen1 is al die schijnbare bespottelijkheid verdrongen door hetgeen het verstand als beter leerde inzien2 en daardoor is het gebleken1 dat hij een dwaas is1 die iets anders bespottelijk vindt dan het kwade2 en dat hij1 die bij zijne geestigheden eenen anderen maatstaf neemt voor het bespottelijke dan hetgeen onverstandig en slecht is1 ook bij zijne ernstige bezigheden een ander doel beoogt dan het goede4--,dat is zeker4-- ,,iv4 ,moeten wij het dus niet vooreerst eens worden1 of het mogelijk is1 of niet2 en ter voorkoming van alle tegenwerpingen van grappemakers of van ernstige lieden zoeken te beslissen1 of de vrouw alle werk met den man me kan doen1 of dat zij niets me kan doen1 of het ne wel en het andere niet2 en indien het laatste waar is1 hoe het dan met de oorlogszaken gelegen is8 ,zou dit niet het beste begin zijn1 en bij gevolg ook tot het beste besluit leiden8--,zekerlijk4--,willen wij dan nu ons zelven maar eens tegenspreken1 ten einde onze partij niet zonder verdediging te laten8--,met genoegen4--,wij moeten dan z spreken4 ,hoor eens ,socrates6 en ,glauco6 een ander behoeft u niet te werleggen2 want gij hebt zelve bij het stichten van den staat beredeneerd1 dat ieder naar zijnen aard n bepaald beroep moet uitoefenen4 ,dat hebben wij beredeneerd4 ,maar is nu de aard van een vrouw niet zeer verschillend van dien van een man8 ,ja4 ,maar moeten wij dan niet aan ieder een werk geven1 dat met zijnen aard overeenkomt8 ,natuurlijk4 ,maar dan hebt gij het ook mis1 en spreekt u zelven tegen1 als gij beweert1 dat mannen en vrouwen1 die z zeer verschillen1 hetzelfde werk moeten doen8 ,glauco6 weet gij daarop een behoorlijk antwoord te geven8--,zoo op het oogenblik is dat niet bijzonder gemakkelijk1 doch ik zal u dan maar verzoeken insgelijks te zeggen1 wat wij tot verdediging kunnen inbrengen4--,dit is nu een staaltje van de zwarigheden1 ,glauco6 die mij huiverig en bevreesd maakten voor het behandelen van de vrouwen en kinderenwet4--,het schijnt dan ook niet gemakkelijk4--,neen1 waarlijk niet4 ,het is er echter z me gesteld4 ,of iemand in een vijvertje valt of in het midden van den oceaan1 hij gaat altijd zwemmen4--,dat is zeker4--,dus moeten wij ook maar gaan zwemmen1 en ons uit die redenering pogen te redden1 in de hoop1 dat een dolfijn ons zal opnemen1 of dat wij door een ander wonder zullen behouden worden4--,dat is het beste4--,komaan dan1 wij willen beproeven er uit te komen4 ,wij hebben gezegd1 dat bij verschil van aard het werk moet verschillen1 en dat de aard eener vrouw verschilt van dien van een man1 en toch beweren wij1 dat die twee hetzelfde werk doen moeten4 ,is dat niet hetgeen ons verweten wordt8--,ja4--,glauco6 dat maken van drogredenen is toch al heel algemeen4--,hoe zoo8--,omdat velen1 geloof ik1 zelfs tegen hunnen wil er toe vervallen1 en meenen1 dat zij niet kijven1 maar goed redeneren1 daar zij niet in staat zijn bij hun onderzoek de verschillende soorten te onderscheiden1 maar1 hunne tegenspraak op een woordenspel bouwende1 zich wederzijds van drogredenen1 niet van goede redenering1 bedienen4--,dat gebeurt zeker dikwijls1 maar wat hebben wij er op het oogenblik me te maken8--,heel veel1 want wij maken ons er zelven aan schuldig4--,hoe dat8--,wij slaan moedig door op de stelling1 dat verschil van aard verschil van werk vordert2 maar wij hebben geheel en al verzuimd te onderzoeken1 waarin eigenlijk het verschil en de overeenkomst van aard gelegen is1 als men zegt1 dat verschil van aard verschillend1 en overeenkomst van aard overeenkomstig werk vordert4--,dat is waar1 dat hebben wij verzuimd4--,wij moeten dan ons zelven nog eens vragen1 of de aard van een kaalkop en van een langharige niet tegen elkander overstaan1 en of wij toch daarom kunnen beweren1 dat als een kaalkop een schoenmaker is1 een langharige dat niet zijn kan1 en omgekeerd4--,dat zou dwaas zijn4--,en ligt dat nu wel ergens anders aan1 dan dat wij in het begin niet van verschil en overeenkomst van aard in het algemeen gesproken hebben1 maar overeenkomst en verschil alleen met betrekking tot de verschillende werkzaamheden vasthielden1 zoo als wij b4 v4 zeiden1 dat een geneesheer en een1 die aanleg voor de geneeskunst bezit1 in zooverre denzelfden aard hebben4 ,vindt gij dat ook niet8--,ja4--,en dat een geneeskundige en een1 die voor timmeren geschikt is1 van aard verschillen4--,ongetwijfeld4-- ,v4 ,wanneer dus het mannelijk of het vrouwelijk geslacht bijzondere geschiktheid voor eenige kunst of werkzaamheid blijkt te hebben1 dan zullen wij die daaraan moeten toewijzen2 maar zoo het onderscheid alleen daarin blijkt te bestaan1 dat de vrouwen baren en de mannen telen#ajd1 dan zullen wij zeggen1 dat het volstrekt niet bewezen is1 dat de vrouw in de dingen waarvan wij spreken van den man verschilt2 en wij zullen blijven oordeelen1 dat onze wachters en hunne vrouwen hetzelfde werk moeten doen4--,juist zoo4--,wij verlangen dus van hem1 die ons tegenspreekt1 dat hij aantoone1 in welke kunst of bezigheid1 die op den staat betrekking heeft1 de aard van de vrouw niet dezelfde is als die van den man1 maar het tegenovergestelde8--,dat is billijk4--,misschien zou nu ook een ander wel hetzelfde zeggen1 dat gij daareven zeidet1 te weten3 dat het niet gemakkelijk is1 dit zoo op een oogenblik aan te toonen1 maar dat hij er wel kans op zou zien1 als wij hem maar tijd gunden1 om er over na te denken4--,waarschijnlijk4--,willen wij dan nu dien tegenspreker maar verzoeken ons te volgen1 of wij hem misschien kunnen aantoonen1 dat de vrouw ten opzigte van het staatsbestuur niets heeft1 dat haar alleen eigen is4--,dat is goed4--,komaan dan1 zullen wij tot hem zeggen1 antwoord eens4 ,vindt gij niet1 dat de n een geschikten aard voor eenige zaak heeft en de ander niet1 wanneer de n die gemakkelijk kan leeren1 en de ander moeijelijk2 en de n bij weinig studie reeds veel zelf kan vinden1 de ander bij veel studie en inspanning op zijn best het geleerde kan vasthouden2 en het ligchaam van den nen zijnen geest ten dienste staat1 dat van den ander dien tegenwerkt8 ,bepaalt gij den wl of niet voor eenig vak geschikten aanleg niet naar deze punten8--,dat zal niemand ontkennen1 zeide hij4--,weet gij nu eenige menschelijke bezigheid1 waarin niet in al deze punten het mannelijk geslacht het vrouwelijke overtreft8 of moeten wij nu nog zeuren over het weven1 en het koken en bakken1 waarin het vrouwelijk geslacht heel wat schijnt te wezen1 en zonder schande niet kan onderdoen8--,gij hebt gelijk1 dat in alles1 om zoo te zeggen1 het eene geslacht het andere de baas is4 ,wel is waar overtreffen vele vrouwen vele mannen in verscheidene dingen1 maar over het geheel is het zoo als gij zegt4--,dus1 mijn vriend1 heeft ook onder de burgers geene vrouw1 omdat zij vrouw1 of geen man1 omdat hij man is1 een eigen werk1 maar de aard van beiden is over 't geheel gelijksoortig1 en vrouwen en mannen hebben deel aan alle bezigheden1 maar in alles is de vrouw zwakker dan de man4--,dat is waar4--,zullen wij dan aan de mannen alles en aan de vrouwen niets opdragen8--,wel neen4--,maar wij zullen dan ook1 geloof ik1 zeggen1 dat de eene vrouw aanleg voor geneeskunst of muzijk heeft1 en de andere niet4--,natuurlijk4--,en dat de eene geschikt is voor den oorlog en de ligchaamsoefeningen1 maar de andere niet4--,juist4--,en zoo zijn er ook die wijsgeerig onderzoek beminnen en die het haten2 en die moedig zijn1 zoowel als die geen moed hebben4--,dat is ook waar4--,dus zijn er ook vrouwen1 die voor wachters kunnen dienen1 en andere1 die hiervoor onbruikbaar zijn4 ,of hebben wij niet bij het kiezen der mannelijke wachters dezelfde kenmerken gebezigd8--,dezelfde4--,dus is de aanleg van de vrouw en van den man ten opzigte van het bewaken van den staat dezelfde1 behalve dat de eerste zwakker is1 en de tweede sterker4--,dat schijnt zoo4-- ,,vi4 ,dus moeten wij dan ook zulke vrouwen uitkiezen1 om met zulke mannen zamen te wonen en den staat te bewaken1 nademaal zij van natuur voor elkander geschikt en aan elkander verwant zijn4--,dat spreekt4--,en moeten wij haar1 daar zij denzelfden aanleg hebben1 niet hetzelfde werk geven8--,natuurlijk4--,dus komen wij dan weer op hetzelfde punt te land1 en zijn het eens1 dat het niet tegennatuurlijk is de vrouwen der wachters in de muzenkunst en in de gymnastiek te onderwijzen4--,juist4--,dus is onze voorgestelde wet niet onmogelijk of hersenschimmig1 want zij komt met de natuur overeen1 maar veel meer is1 zou ik zeggen1 het tegendeel er van1 hetgeen thans geschiedt1 met de natuur in strijd4--,dat vind ik ook4--,en onderzochten wij niet1 of hetgeen wij zeiden het beste1 en of het uitvoerbaar was8--,ja4--,en dat het uitvoerbaar is1 kunnen wij als uitgemaakt aanmerken4--,ja4--,dus moeten wij dan nu nog onderzoeken1 of het wezenlijk het beste is4--,natuurlijk4--,maar om nu eene vrouw tot wachter geschikt te maken1 hebben wij immers geene andere opleiding noodig dan bij de mannen1 vooral daar hun aanleg dezelfde is8--,wel neen4--,hoe denkt gij dan nu hierover8--,waarover8--,dat de eene man beter is en de andere slechter4 ,of houdt gij ze allen voor gelijk8--,wel neen ik4--,wie gelooft gij dan nu1 dat in den staat1 dien wij stichten1 betere mannen worden3 de wachters1 die op de beschrevene wijs worden opgevoed1 of de schoenmakers1 die door het schoenmaken gevormd worden8--,dat is eene gekke vraag1 zeide hij4--,ik vat u1 zeide ik4 ,dus zijn dan de wachters de beste van al de burgers4--,verreweg4--,en zullen dan ook de z gevormde vrouwen niet de beste der vrouwen zijn8--,zeker4--,en is er voor een staat iets heilzamers1 dan dat er mannen en vrouwen in gevormd worden1 die den hoogst mogelijken trap van uitstekendheid bereiken8--,zeker niet4--,en dit zullen de muzenkunst en de gymnastiek1 op de gezegde wijs toegepast1 te weeg brengen4--,natuurlijk4--,dus maken wij hier eene bepaling1 die niet slechts mogelijk1 maar ook zeer heilzaam voor den staat is4--,ja4--,dus moeten ook de vrouwen der wachters zich uitkleeden1 daar zij met de deugd in plaats van met kleren zullen bedekt wezen2 en zij moeten deel hebben aan den krijg en de verdere bewaking van den staat1 zonder iets anders te doen2 maar van dat werk zullen wij aan de mannen het zwaardere en aan de vrouwen1 om hare mindere sterkte1 het ligtere geven4 ,en een man die lacht over naakte vrouwen1 welke zich die naaktheid1 dewijl zij noodzakelijk is1 laten welgevallen1 en zich daardoor als een geestig spotter wil doen opmerken1 weet klaarblijkelijk volstrekt niet1 waarover hij lacht of wat hij doet3 want het is en blijft toch waarachtig1 dat het nuttige schoon en het nadeelige leelijk is4--,ongetwijfeld4-- ,,vii4 ,dus zijn wij dan nu bij de vrouwenwet door die ne golf heen geworsteld1 zonder er in te verdrinken1 en kunnen vaststellen1 dat onze wachters en wachteressen alles gezamenlijk moeten uitoefenen1 daar onze redenering op geene inwendige tegenstrijdigheid schipbreuk heeft geleden1 maar tot mogelijke en heilzame uitkomsten geleid heeft4--,ja1 dat is waarlijk een golf van belang geweest1 die wij ontworsteld zijn4--,gij zult zeggen1 dat het een kleintje was1 als gij die ziet1 welke nu aankomt4--,komaan1 die wil ik dan wel eens zien4--,op deze en de vorige wetten volgt nu1 geloof ik1 dit4--,wat8--,dat al deze vrouwen gezamenlijk aan al deze mannen moeten toebehooren1 en dat geene van haar met n bepaald man moet zamenwonen2 en dat evenzoo de kinderen gemeenschappelijk eigendom moeten zijn1 en geene ouders hunne spruiten noch deze hunne ouders mogen kennen4--,het is nog vrij wat moeijelijker dan bij het vorige1 om hier de mogelijkheid en nuttigheid van te zien4--,ik geloof niet1 dat men ligt zou twijfelen1 of het nuttig is1 dat de vrouwen en de kinderen aan allen gemeen zijn1 zoo het maar kan tot stand komen2 maar ik denk1 dat de meeste twijfeling zich tot de mogelijkheid zou bepalen4--,aangaande beiden valt sterk te twijfelen4--,gij noemt daar eene reeks van redeneringen1 zeide ik2 want ik meende aan de ne te zullen ontsnappen1 daar het u zeker wel nuttig zou voorkomen1 en dus alleen over het al of niet mogelijke te moeten spreken4--,ja1 maar dat heb ik wel gemerkt1 en ik laat u niet los1 voor gij van beiden rekenschap geeft4--,dan moet het er maar op los4 ,dit ne kunt gij mij echter wel toestaan4 ,laat ik mij eens vermaken1 zoo als menschen met weinig rijkdom van denkbeelden zich vermaken1 wanneer zij alleen wandelen4 ,want deze geven zich de moeite niet om na te denken over de middelen om hun doel te bereiken2 maar1 in plaats van zich over hetgeen mogelijk en niet mogelijk is af te tobben1 stellen zij wat zij wenschen eenvoudig als werkelijk1 en beschikken dan de rest1 en vermaken zich met zich voor te stellen1 wat zij al doen zullen1 als het gebeurd is1 en met z hun ledig hoofd nog lediger te maken4 ,zulk eene vlaag van luiheid heb ik nu ook1 en ik wilde nu dat onderzoek naar de mogelijkheid eens uitstellen1 en1 zoo gij het toestaat1 maar eerst aannemen1 dat het mogelijk is1 en eens nagaan1 hoe de overheden het besturen zullen1 en hoe heilzaam het voor den staat en voor de wachters zou wezen1 als het gebeurde4 ,dit wil ik1 met uwe vergunning1 eerst onderzoeken1 en dan het andere4--,ik heb er vrede me1 zeide hij1 onderzoek maar4-- ,ik geloof dan1 zeide ik1 dat1 zoo de overheden dien naam waardig zullen wezen1 en de helpers desgelijks1 dezen wat hun bevolen wordt gaarne zullen doen1 en genen niet slechts zullen bevelen1 maar ook zelven aan de wetten zullen gehoorzamen1 en1 voor zoover wij hun de handen vrijlaten1 in denzelfden geest zullen voortgaan4--,dat is waarschijnlijk4--,kies gij nu1 als wetgever1 de vrouwen even als gij het de mannen gedaan hebt1 en bezorg er ons1 die zoo veel mogelijk van denzelfden aard zijn4--,het is geschied4--,daar zij nu gemeenschappelijke woningen en maaltijden hebben1 zonder dat iemand iets in het bijzonder bezit1 en daar zij bij de ligchaamsoefeningen en de andere deelen der opvoeding met elkander in aanraking komen1 zullen zij1 geloof ik1 door de noodzakelijkheid worden aangedreven1 om zich met elkander te vermengen4 ,vindt gij dat niet noodzakelijk8--,het zal niet gebeuren door wiskundige noodzakelijkheid1 maar door physische1 zeide hij1 die nog heel wat meer dan de eerste in staat schijnt te wezen om de menigte te overreden en me te slepen4-- ,,viii4 ,ja vrij wat meer2 maar1 ,glauco6 dat zij zich nu zonder orde met elkander vermengen of wat dan ook doen1 is in een staat van gelukkigen niet geoorloofd1 en de overheden zullen het ook niet toelaten4--,het zou ook volstrekt niet goed zijn4--,het is dus duidelijk dat wij de verbindtenissen zoo heilig mogelijk moeten pogen te maken2 en die het nuttigste voor den staat zijn1 zullen wel de heiligste wezen4--,voorzeker4--,hoe zullen zij dan het nuttigste zijn4 ,zeg gij dit1 ,glauco6 want ik weet1 dat gij vele jagthonden en edel gevogelte houdt4 ,hebt gij dan1 bij ,zeus6 niet wel eens acht gegeven op hun paren en voorttelen8--,wat meent gij4--,vooreerst zullen er onder dezen1 al zijn allen van een edel ras1 toch wel bijzonder edele zijn en geboren worden8--,ja4--,laat gij nu allen evenzeer paren1 of de besten het meest8--,de besten natuurlijk het meest4--,en wie meer1 de jonge of de oude1 of die van bloeijenden leeftijd8--,de laatsten4--,en als dit niet wordt in het oog gehouden1 oordeelt gij dan niet1 dat uwe vogels en honden hoe langer hoe slechter zullen worden8--,zekerlijk4--,en hoe denkt gij over paarden en andere dieren2 is het daar anders mede8--,wel neen4--,sakkerloot1 mijn vriend6 welke knappe overheden moeten wij dan hebben1 als het met het menschdom eveneens gesteld is4--,het is er zeker z me gesteld4--,zij moeten dan een groot getal van kunstmiddelen gebruiken4 ,als het ligchaam geen geneesmiddelen noodig heeft1 maar door een bepaalden leefregel kan geholpen worden1 dan houden wij ook een middelmatig arts voor voldoende2 maar als er moet ingenomen worden1 dan weten wij1 dat de behoefte aan een kundigen arts grooter is4--,dat is waar1 doch waarop doelt gij met dit te zeggen8--,hierop1 zeide ik1 dat onze overheden tot nut van de onderdanen heel wat leugens en bedrog zullen bezigen4 ,en wij zeiden immers1 dat dit alles bij wijze van geneesmiddel bruikbaar kan wezen#aje4--;,en te regt4--,dit nu schijnt vooral ten opzigte van het paren en het telen van kinderen te gelden4--,hoe dat8--,volgens het besprokene moeten de besten zoo veel mogelijk paren1 en de minsten zoo weinig mogelijk1 en de spruiten der eersten moet men opvoeden1 die der laatsten niet1 zoo de kudde zoo goed mogelijk zal wezen3 en dit alles moet plaats hebben zonder dat iemand behalve de overheden het weet1 zoo de troep der wachters niet in oproer zal komen4--,dat is zeer waar4--,dus moeten er feesten worden vastgesteld1 waarop wij de bruiden en bruidegoms zullen zamenbrengen1 en offers1 en liederen1 die onze dichters bepaaldelijk voor die verbindtenissen moeten maken3 en de bepaling van het getal dier verbindtenissen moeten wij aan de overheden overlaten1 opdat zij zoo veel mogelijk hetzelfde getal van wachters in stand houden1 met bijrekening van oorlog1 ziekte en andere rampen2 opdat onze staat zoo veel mogelijk noch te groot noch te klein worde4--,voorzeker4--,en hiertoe moeten wij1 denk ik1 eene kunstige wijze van loten verzinnen1 opdat de slechten bij elke verbindtenis aan het lot1 niet aan de overheid1 de schuld geven4--,juist4-- ,,ix4 ,en wij moeten ook aan jongelingen1 die in den krijg of elders uitmunten1 onder andere belooningen1 eene meerdere vrijheid tot gemeenschap met de vrouwen geven1 om onder een goeden schijn uit hen de meeste kinderen te doen voortkomen4--,dat is goed4--,en de pasgeborene kinderen moeten dan worden opgenomen door daartoe aangestelde overheden1 uit de mannen of de vrouwen of beiden4 ,want de vrouwen moeten immers ook deel aan het bestuur hebben4--,ja4--,en de kinderen uit goede ouders moeten zij dan naar de minnezaal brengen1 die in een ander deel van de stad gelegen is2 maar de kinderen der slechten of als anderen verminkte kinderen voortbrengen1 moeten zij heimelijk uit den weg ruimen4--,dat is noodig1 als onze wachters niet ontaarden zullen4--,en zij moeten dan ook voor de voeding zorgen en de moeders1 wanneer hare borsten gevuld zijn1 naar de minnezaal brengen2 steeds oppassende1 dat geene haar kind herkenne1 en wanneer deze niet voldoende zijn1 andere minnen ontbieden4 ,ook moeten zij zorgen1 dat die vrouwen niet te lang zogen2 en het waken en oppassen moeten zij aan andere voedsters opdragen4--,gij maakt het kinderen krijgen voor de vrouwen der wachters al heel gemakkelijk4--,dat is ook noodig2 maar laat ons nu het vervolg beredeneren4 ,wij zeiden immers1 dat de kinderen moesten geteeld worden uit menschen in bloeijenden leeftijd4--,ja4--,en die tijd duurt voor den man dertig1 voor de vrouw twintig jaren4--,te weten8--,eene vrouw is van haar twintigste tot haar veertigste jaar geschikt om kinderen voor den staat te baren2 een man is goed voor de voortteling van het bedaren zijner eerste hevige driften tot dat hij vijf en vijftig jaar oud is4--,in dien tijd althans zijn beiden in krachten in verstand op hun toppunt4--,en wanneer nu een oudere of jongere aan de voortteling wil deelnemen1 zullen wij hem van onregtvaardigheid en goddeloosheid beschuldigen1 daar hij een kind voor den staat zoekt te verwekken1 dat1 zoo de misdaad verborgen blijft1 zal geteeld zijn zonder de offers en de gebeden1 die bij iedere verbindtenis door priesters en priesteressen en den geheelen staat zullen gedaan worden1 opdat uit goeden beteren1 uit bruikbaren nog meer bruikbaren mogen voortkomen1 maar hetwelk in tegendeel in 't geheim en door erge ongebondenheid is verwekt4--,best4--,en dezelfde wet is van toepassing1 wanneer iemand1 die zelf in den bloeijenden leeftijd is1 eene vrouw van dien leeftijd zonder vergunning der overheid aanraakt2 want wij zullen zeggen1 dat hij dan een zonder verloving of offer geteelden bastaard voor den staat zoekt te verwekken4--,volkomen goed4--,maar wanneer nu de vrouwen en de mannen den tijd van het voorttelen te boven zijn1 dan zullen wij hun vrijheid geven1 om gemeenschap te oefenen met wien zij willen1 behalve met de aanverwanten in opgaande of afgaande linie2 onder uitdrukkelijke vermaning echter1 om liefst geen kinderen te laten geboren worden1 en anders ze te vondeling te leggen1 daar het niet geoorloofd is ze groot te brengen4--,dat laat zich goed hooren1 maar hoe is het mogelijk de verwanten in opgaande en afgaande linie te herkennen8--,dat is onmogelijk1 maar allen die meer dan tien maanden1 nadat iemand huwbaar geworden is1 geboren zijn1 zal hij zonen en dochters noemen1 en zij hem vader 7of moeder71 en hunne kinderen noemt hij kleinkinderen1 en dezen hem grootvader 7of grootmoeder71 en die geboren zijn binnen het tijdperk1 waarin hunne ouders de voortteling uitoefenden1 noemen elkander broeders en zusters2 zoodat de eersten1 gelijk wij zeiden1 elkander niet mogen aanraken1 maar de broeders en zusters wel2 wanneer het lot het mebrengt en de ,pythia het toestaat4--,dat is waar4-- ,x4 ,zoodanig1 ,glauco6 is dus de gemeenschap van vrouwen en kinderen voor onze wachters1 maar nu moeten wij nog beredeneren1 dat zij met onze andere bepalingen overeenstemt1 en dat zij verreweg het beste is4 ,of hoe denkt gij er over8--,zonder eenigen twijfel4--,moeten wij nu die redenering niet z beginnen1 dat wij ons eerst afvragen1 wat de wetgever als het grootste goed in eene staatsregeling moet aanmerken en derhalve bij het maken van wetten zoeken te bereiken1 en wat het grootste kwaad is1 dat hij moet vermijden2 om vervolgens na te gaan1 of hetgeen wij nu besproken hebben1 met dat goede overeenstemt1 en met dat kwade in strijd is8--,zekerlijk4--,en is er nu wel een grooter kwaad voor een staat dan hetgeen hem verdeelt en van n tot velen maakt8 ,of een grooter goed dan hetgeen hem verbindt1 en n maakt8--,zeker niet4--,en ontstaat er niet een band door de gemeenschap van vreugde en smart1 wanneer zoo veel mogelijk al de burgers zich over n en dezelfde gebeurtenis gelijkelijk verheugen en bedroeven8--,ongetwijfeld4--,maar er ontstaat verwijdering1 wanneer integendeel sommigen bedroefd en anderen verheugd zijn over dezelfde lotgevallen van den staat en enkele personen4--,voorzeker4--,en dit laatste gebeurt immers wanneer de woorden mijn en dijn door ieder op andere dingen worden toegepast8--,ongetwijfeld4--,en de staat1 waarin de meesten die woorden op dezelfde dingen toepassen1 zal het meest bloeijen4--,verreweg het meest4--,hij zal dan ook het meest met een enkel mensch overeenkomen2 want wanneer b4 v4 iemand onzer zijn vinger stoot1 dan ondervindt1 door het naauwe verband tusschen ligchaam en ziel1 ons geheele wezen daarvan eene onaangename gewaarwording1 en dan zeggen wij in dien zin1 dat de mensch pijn heeft aan zijnen vinger2 en ditzelfde geldt van ieder deel van den mensch1 zoo wat smart als wat genot aangaat4--,dat doet het ook1 en een goed ingerigte staat heeft daarmede veel overeenkomst4--,als dus1 geloof ik1 n der burgers eenigen vr- of tegenspoed ondervindt1 dan zal zulk een staat zich dit het meest aantrekken1 en zich mede verheugen of bedroeven4--,dit is in een goed ingerigten staat noodzakelijk4-- ,,xi4 ,het is dan zaak1 onzen staat nog eens in oogenschouw te nemen1 en te zien1 of dit vereischte hier het meest1 of elders meer wordt gevonden4--,dat moeten wij dan maar doen4--,wat dan8 wordt ook in andere staten de overheid en het volk niet even als in den onzen onderscheiden8--,ja4--,en allen geven elkander den naam van burgers4--,natuurlijk4--,maar welken naam bovendien geeft in de andere staten het volk aan de overheden8--,in de meeste dien van heeren1 en waar eene volksregering is1 noemt het ze eenvoudig overheden4--,en hoe doet het volk in onzen staat8 ,met welken naam1 buiten dien van burgers1 noemt het de overheden8--,het noemt ze behouders en helpers4--,en hoe noemen zij het volk4--,loongevers en voeders4--,en hoe noemen de overheden in andere staten het volk8--,onderdanen4--,en hoe noemen elders de overheden elkander8--,mede-overheden4--,en hoe bij ons8--,mede-wachters4--,en weet gij nu geen voorbeelden1 dat in de andere staten de overheden hunne mede-overheden deels als hunne betrekkingen1 deels als vreemden aanmerken8--,ik weet er genoeg4--,en iemand beschouwt zijne betrekkingen als de zijnen2 de vreemden als niet de zijnen4--,juist4--,en hoe doen de wachters bij u8 ,kan wel iemand hunner een zijner medewachters als een vreemden beschouwen en aanspreken8--,wel neen1 want in ieder hunner zal hij een broeder of zuster1 vader of moeder1 zoon of dochter1 of de afstammelingen van dezen meenen te zien4--,mooi gezegd1 maar zeg nu ook nog dit3 ,zult gij nu alleen bepalen1 dat zij elkander als betrekkingen moeten aanspreken1 of zult gij hun ook voorschrijven overeenkomstig die namen te handelen1 en aan de ouders al dien eerbied1 dat dienstbetoon1 en die gehoorzaamheid te bewijzen1 waarop ouders aanspraak hebben2 daar goden noch menschen het goedkeuren1 en pligtmatig of regtvaardig vinden1 zoo iemand anders handelt8 ,zullen deze voorschriften omtrent ouders en bloedverwanten door al uwe burgers aan de kinderen van jongs af worden ingeprent1 of wel andere8--,deze2 want het zou belagchelijk zijn1 zoo zij elkander slechts betrekkingen noemden1 maar niet als zoodanig behandelden4--,dus zal in dezen staat meer dan in alle anderen het geluk of ongeluk van n burger door allen als het hunne worden aangemerkt4--,dat is zeer waar4--,en als zij nu z dachten en spraken1 dan zeiden wij immers1 dat vreugd en droefheid hun gemeenschappelijk zou wezen8--,en dat zeiden wij te regt4--,dus zullen onze burgers het meest dezelfde zaak de hunne noemen1 en bij gevolg het meest gemeenschappelijke vreugde en droefheid hebben4--,zekerlijk4--,en wordt dit niet onder anderen door de gemeenschap van vrouwen en kinderen veroorzaakt8--,zeg liever3 grootendeels4-- ,,xii4 ,edoch wij zijn het eens geworden1 dat dit het hoogste goed voor een staat is1 en dat een goed ingerigte staat zich even als een menschelijk ligchaam verhoudt tot den aangenamen of smartelijken toestand van een zijner leden4--,hieromtrent zijn wij het te regt eens geworden4--,derhalve blijkt het1 dat de gemeenschap van vrouwen en kinderen bij onze wachters voor onzen staat de oorzaak is van het hoogste goed4--,voorzeker4--,en het vroeger besprokene bevalt ons zeker ook nog1 want wij zeiden3 dat zij geen eigen huizen1 noch land1 noch geld moesten hebben2 maar dat zij van de anderen1 tot loon voor hunne bewaking1 hun onderhoud ontvangende1 dat gelijkelijk moesten verdeelen2 zoo zij inderdaad wachters zouden zijn4--,wel zeker4--,maakt dan nu het vroeger besprokene en het nu gezegde hen niet nog meer tot ware wachters1 die den staat niet vannrukken door ieder wat anders het mijne te noemen1 en door ieder voor zich wat hij kan in zijn huis te slepen1 en ieder voor zich vrouw en kinderen1 en bijzondere genoegens en smarten te hebben2 maar die door eenheid van meening omtrent het eigene allen hetzelfde wit hebben1 en zoo veel mogelijk alle droefheid en vreugde gemeenschappelijk voelen4--,voorzeker4--,en zullen regtsgedingen en onderlinge beschuldigingen niet om z te zeggen uit hun midden verdwijnen1 daar niemand iets behalve zijn ligchaam voor zich alleen bezit1 maar alles gemeenschappelijk is8 ,en zullen zij daardoor niet van die twisten bevrijd wezen1 die onder de menschen om geld en kinderen en bloedverwanten ontstaan8--,ongetwijfeld4--,en ook klagten over geweld en beleediging mogen bij hen geen plaats hebben4 ,want wij zullen zeggen dat ieder zich tegen personen van gelijken ouderdom mag verdedigen1 ja hem de noodzakelijkheid opleggen1 om voor zijn eigen ligchaam te zorgen4--,best4--,en deze wet is ook goed1 omdat1 als iemand op een ander boos zijnde zijn moed aan hem koelen mag1 hierdoor het ontstaan van erger twisten voorgekomen wordt4--,zekerlijk4--,en ouderen zullen het regt krijgen om jongeren te bevelen en te bestraffen4--,dat spreekt4--,en een jongere mag natuurlijk1 zonder bevel der overheden1 niet trachten een ouderen eenig geweld aan te doen1 of hem zelfs te slaan2 en ik denk1 dat hij hem ook in geen ander opzigt beleedigen zal2 want twee sterke wachters beletten het hem1 de vrees en de schaamte2 de schaamte1 daar zij hem werhoudt zijne ouders te mishandelen2 de vrees1 daar hij duchten moet1 dat de anderen dengenen1 dien hij kwaad doet1 als kinderen1 broeders of ouders zullen helpen4--,dat volgt4--,dus zullen door deze wetten die menschen steeds vrede met elkander hebben4--,natuurlijk4--,en wanneer zij eendragtig zijn is het niet te duchten1 dat ooit de overige burgers tegen hen1 of tegen elkander de wapenen opvatten4--,volstrekt niet4--,de kleinere rampen1 waarvan zij bevrijd zullen wezen1 heb ik weinig lust te bespreken1 b4 v4 het vleijen der rijken1 de zorgen en verdrietelijkheden1 die uit de opvoeding der kinderen1 het geldwinnen en de noodzakelijkheid van bedienden te houden ontstaan1 en het mken van schulden1 en het twisten over geldzaken1 en het overlaten zijner bezittingen aan vrouwen en bedienden1 en wat men al daarbij voor onaangename dingen ondervindt1 die wij om hunne mindere belangrijkheid nu maar zullen overslaan4--,dat is ook voor een blinden duidelijk4-- ,,xiii4 ,van dit alles zullen zij dus bevrijd wezen1 en een leven leiden nog gelukkiger dan dat van de overwinnaars te ,olympia4--,hoe zoo8--,die hebben slechts een klein gedeelte van het geluk1 dat hun te beurt valt1 want hunne overwinning is schooner en hun onderhoud op landskosten ruimer4 ,hunne overwinning toch strekt tot behoud van den geheelen staat1 en behalve voedsel bekomen zij al wat tot het leven vereischt wordt voor zich en voor hunne kinderen1 en bij hun leven door hunne medeburgers aldus begiftigd zijnde1 worden zij na hunnen dood eervol begraven4--,dat zijn zeker schoone voorregten4--,herdenk nu nog eens1 hoe wij daar straks verschrikten door eene tegenwerping van1 ik weet niet wien1 die zeide1 dat wij de wachters niet gelukkig maakten1 daar1 terwijl zij alle goederen der burgers konden hebben1 toch niets daarvan hun toeviel2 waarop wij antwoordden1 dat wij dit1 als het zoo uitkwam1 later wel eens zouden onderzoeken2 maar dat wij op het oogenblik de wachters wachters maakten1 en den geheelen staat zoo gelukkig mogelijk2 zonder daarbij het geluk van eenen bepaalden stand te bedoelen#ajf4--;,dat herinner ik mij4--,en hoe denkt gij daar thans over8 ,vindt gij het leven der wachters1 hetwelk wij zien dat veel schooner en beter is dan dat der overwinnaars te ,olympia1 vergelijkbaar met het leven der schoenmakers of der andere handwerkslieden1 of der boeren8--,ik vind het niet4--,het is echter noodig nog eens te herhalen wat wij toen zeiden1 dat1 als de wachter gelukkig wil worden door niet meer wachter te zijn1 en een zoo matig1 bestendig1 en naar ons oordeel voortreffelijk leven hem niet voldoet1 maar een dwaas en kinderachtig denkbeeld van geluk hem aandrijft1 om zich met geweld alles in den staat toe te eigenen1 hij merken zal1 hoe waarachtig de uitspraak is van ,hesiodus3 dat de helft meer is dan het geheel4--,als hij mijn raad volgt1 zal hij dat leven vasthouden4--,dus keurt gij het goed1 dat de vrouwen1 zoo als gezegd is1 gezamenlijk met de mannen worden onderwezen1 regt op de kinderen hebben en de andere burgers beschermen2 en dat zij1 in de stad blijvende1 en naar den oorlog gaande1 even als honden aan het wachthouden deelnemen1 en alles zoo veel mogelijk mededoen2 en dus vindt gij1 dat zij zoo doende het best zullen handelen en niet zullen misdoen tegen de natuurlijke betrekking van de vrouw tot den man4--,ja4-- ,,xiv4 ,nu moeten wij nog nagaan1 of zulk eene gemeenschap onder de menschen even goed als onder de andere dieren kan plaats grijpen2 en zoo ja1 hoe die dan moet tot stand komen4--,gij zijt mijne vraag voorgekomen4--,aangaande den oorlog is het duidelijk1 hoe zij dien zullen voeren4--,hoe zoo8--,zij zullen gezamenlijk uittrekken1 en hunne kinderen1 die groot worden1 menemen1 opdat zij1 even als de kinderen der andere werklieden1 het werk1 dat zij naderhand zullen verrigten1 van nabij zien1 en daarenboven in den oorlog hunne ouders behulpzaam zijn4 ,of hebt gij niet wel opgemerkt1 hoe b4 v4 de kinderen der pottebakkers lang behulpzaam zijn en toekijken1 voordat zij zelve met pottebakken beginnen8--,ja zeker4--,en moeten dezen dan hunne kinderen met meer zorg door ondervinding en aanschouwing van het noodige opleiden dan de wachters de hunne8--,dat zou bespottelijk zijn4--,en ook vechten alle dieren moediger als hunne jongen er bij zijn4--,dat is waar1 ,socrates6 ,er is echter groote kans1 dat1 indien zij1 zoo als het in den oorlog gaat1 eens verslagen worden1 niet alleen zij zelve1 maar ook hunne kinderen zullen vergaan1 en dus de ramp voor den staat onherstelbaar zal wezen4--,dat is waar1 maar wilt gij ze dan buiten alle mogelijk gevaar houden8--,wel neen4--,maar wanneer wij ze dus toch ook aan gevaar moeten blootstellen1 is het dan geen zaak dit z te doen1 dat zij daardoor geschikter voor hun beroep worden8--,natuurlijk4--,en vindt gij het nu onverschillig1 dat toekomstige krijgslieden reeds als kinderen den oorlog zien8--,wel neen1 maar van het hoogste belang4--,dus moeten wij de kinderen den oorlog laten zien1 maar hun veiligheid bezorgen2 dan zal het goed zijn4--,juist4--,vooreerst1 zullen hunne ouders1 menschelijk gesproken1 niet onverstandig zijn1 maar geschikt om te beoordeelen1 welke togten hachelijk zijn1 welke niet4--,natuurlijk4--,dus zullen zij ze naar de laatste medenemen1 naar de eerste niet4--,goed4--,en zij zullen over hen geen nietswaardige opzigters aanstellen1 maar zulke1 die door bekwaamheid en leeftijd geschikte aanvoerders en opvoeders zijn4--,dat is betamelijk4--,met dat al1 kunnen wij echter niet ontkennen1 dat er dikwijls onvoorziene rampen plaats hebben4--,dat is zoo4--,daarvoor1 mijn vriend6 moeten wij aan de kinderen vleugels bezorgen1 opdat zij1 als het noodig is1 kunnen wegvliegen4--,hoe meent gij dat8--,wij moeten ze zoo jong mogelijk op paarden zetten1 en als wij ze hebben leeren paardrijden1 moeten wij ze als toekijkers menemen op paarden1 die niet wild en oorlogzuchtig1 maar vlug en mak zijn4 ,want alzoo onder hunne oudere aanvoerders megaande1 zullen zij hun toekomstig werk het best kunnen zien1 en in geval van nood het gemakkelijkst gered worden4--,dat ben ik met u eens4-- ,en hoe moeten verder in den krijg onze soldaten zich jegens elkander en tegen den vijand gedragen8 ,heb ik het daaromtrent bij het goede eind of niet8--,zeg mij dan uwe meening4--,zoo iemand hunner de slagorde verlaat of zijne wapens wegwerpt1 of een ander dergelijk bewijs van lafhartigheid geeft1 moeten zij hem tot den stand der handwerkers of landbouwers vernederen4--,dat is best4--,en die zich levend door den vijand hebben laten gevangen nemen1 moeten wij hem ten geschenke geven1 opdat hij met zijne vangst naar zijnen wil handele4--,juist4--,en die zich dapper en roemrijk gedragen1 moeten door de kinderen1 die den veldtogt medoen1 bekranst en met allerlei blijken van genegenheid ontvangen worden4--,natuurlijk4--,en dat wij de dapperen meer dan de anderen zullen laten paren1 opdat er zoo veel mogelijk uit hen geboren worden1 hebben wij reeds gezegd4--,ja4-- ,,xv4 ,wij moeten verder dappere jongelingen ook naar het voorschrift van ,homerus beloonen4 ,want ,homerus zegt1 dat ,ajax1 die in den oorlog had uitgemunt1 eene bijzonder groote portie vleesch als belooning ontving#ajg1 hetgeen een goed eerbewijs is voor een krachtig en dapper man1 en hem niet slechts eer1 maar ook vermeerdering van ligchaamskracht aanbrengt4--,dat is heel goed4--,dus willen wij hierin ,homerus volgen1 en daarom1 bij offermaaltijden en andere gelegenheden1 aan de dapperen om hunnen moed loftuitingen en andere eerbewijzen geven en ze daarenboven een grooter rantsoen van vleesch en wijn toedeelen1 om ze n te eeren n nog meer te versterken4--,dat is opperbest4--,verder moeten wij zeggen1 dat die in den oorlog roemrijk sneuvelen1 menschen van het gouden geslacht zijn4--,voorzeker4--,en wij willen op gezag van ,hesiodus aannemen1 dat de menschen van dat geslacht na hunnen dood heilige geesten worden1 die weldadig op aarde ronddwalen1 het kwaad afweren1 en de menschen bewaken#ajh4--;,dat moeten wij maar aannemen4--,hoe nu die heilige geesten behooren vereerd1 en van de andere goden onderscheiden te worden1 daaromtrent vind ik het raadzaam de godspraak te vragen en ons aan hare voorschriften te houden4--,dat is het beste4--,en wij zullen ze dan in het vervolg aldus vereeren en aanbidden1 en diezelfde bepaling maken voor uitstekende helden1 die door ouderdom of ziekte gestorven zijn4--,dat is ten minste billijk4-- ,en hoe moeten nu onze krijgslieden met de vijanden handelen8--,wat meent gij8--,vindt gij het vooreerst wel billijk1 dat ,grieken ,grieksche staten onder het juk brengen1 en moeten wij dit niet veeleer ook aan anderen zoo veel mogelijk beletten1 en ons gewennen uit vrees voor het juk der barbaren onze stamgenooten te ontzien8--,het laatste is oneindig beter4--,en wij zelve moeten geene ,grieksche slaven houden1 en ook de andere ,grieken tot dit besluit aansporen8--,zekerlijk3 ,zoo toch komen zij er eerder toe om zich tegen de barbaren te vereenigen en elkander te sparen4--,en is het verder wel goed de gesneuvelden van iets anders dan van hunne wapens te berooven8 ,is dat niet een voorwendsel voor lafhartigen om het gevecht te vermijden1 door bij de gesneuvelden te vertoeven2 en zijn niet dikwijls legers door dat uitschudden verloren gegaan8--,zekerlijk4--,en vindt gij het niet onedel en inhalig1 een lijk te plunderen2 en niet kinderachtig en kleingeestig1 het doode ligchaam vijandig te behandelen1 daar de eigenlijke vijand is weggevlogen1 en slechts dat1 waarvan hij zich in den strijd bediende1 heeft achtergelaten8 ,of oordeelt gij1 dat die z doen wijzer handelen dan honden1 die boos worden op den steen1 en niet op hem1 die er me geworpen heeft8--,wel neen1 het komt op hetzelfde ner4--,dus moet dat uitschudden der lijken en dat verhinderen der begrafenis worden afgeschaft4--,zekerlijk4-- ,,xvi4 ,wij moeten ook1 om de onderlinge welwillendheid der ,grieken te bevorderen1 geen veroverde wapens1 althans niet van ,grieken1 in de tempels ophangen2 maar veel meer duchten1 dat het heiligschennis zijn zou z iets van onze stamgenooten naar een tempel te brengen2 tenzij de godspraak er anders over denkt4--,dat is naar mijn zin gesproken4--,en het verwoesten van ,grieksch grondgebied1 en het verbranden der woningen1 mogen uwe krijgslieden dat bij de vijanden doen8--,daarover wilde ik gaarne uw gevoelen hooren4--,mijne meening is dan1 dat wij geen van beiden moeten doen1 maar alleen de te veld staande vruchten moeten wegnemen4 ,en wil ik u eens zeggen1 waarom8--,ja6 doe dat4--,ik ben van gevoelen1 dat niet slechts de woorden3 oneenigheid en oorlog1 maar ook de zaken1 die zij uitdrukken1 verscheiden zijn1 en als eigen en vreemd tegen elkander overstaan2 zoodat oneenigheid onder betrekkingen1 oorlog onder vreemden plaats heeft4--,ik geloof1 dat gij gelijk hebt4--,zie dan ook eens1 wat gij hiervan denkt4 ,ik zeg1 dat alle ,grieken elkanders betrekkingen en stamgenooten zijn1 maar met de barbaren1 als vreemden1 niets te maken hebben4--,dat is juist4--,als dus ,grieken en barbaren met elkander overhoop liggen1 zeggen wij dat zij oorlog voeren1 en beschouwen ze als natuurlijke vijanden2 maar1 als dit onder de ,grieken plaats heeft1 zeggen wij1 dat zij van natuur vrienden zijn1 maar dat ,griekenland op het oogenblik ziek en oneenig is2 en wij geven dien strijd slechts den naam van oneenigheid4--,dat ben ik met u eens4--,wanneer nu in een staat oneenigheid geboren wordt1 en iedere partij het land en de huizen der andere verwoest en verbrandt2 vindt gij dan die oneenigheid niet verderfelijk1 en kunt gij wel eene van beiden vaderlandslievend noemen1 daar zij1 zoo zij dat waren1 nooit hun vaderland hadden durven verwoesten8 en zou het niet het beste zijn1 dat de overwinnaars slechts de veldvruchten der overwonnenen menamen1 en overigens steeds bedachten1 dat zij weer vrienden zullen worden1 en niet altijd oneenig blijven8--,deze denkwijs past althans aan beschaafde lieden veel meer dan de andere4--,en zijt gij nu niet bezig eenen ,griekschen staat te stichten8--,natuurlijk4--,dus moeten ook zijne burgers goed en beschaafd zijn4--,dat spreekt4--,en immers ook beminnaars van ,griekenland1 die dit hun vaderland noemen1 en deel hebben aan dezelfde heiligdommen als de andere ,grieken8--,ongetwijfeld4--,wanneer zij dus met ,grieken in twist raken1 zullen zij dien1 daar deze hunne betrekkingen zijn1 als oneenigheid1 niet als oorlog1 beschouwen1 en er z over spreken4--,ja4--,en zij zullen daarbij het plan hebben weer vrienden te worden4--,voorzeker4--,zij zullen ze dus met vriendelijkheid kastijden1 zonder te trachten hen in slavernij te storten of te verdelgen1 daar zij toch eigenlijk geen vijanden zijn4--,zoo zullen zij doen4--,als ,grieken zullen zij dus ,griekenland niet verwoesten en geen huizen verbranden1 en niet beweren1 dat in eenigen staat1 allen1 mannen1 vrouwen en kinderen hunne vijanden zijn1 maar slechts weinigen1 namelijk die den twist hebben aangestookt4 ,en daar dus de meesten hunne vrienden zijn1 zullen zij hun land niet willen verwoesten1 noch de huizen vernielen2 maar zij zullen slechts zoo veel maatregelen van vergelding nemen1 als noodig zijn1 om te maken1 dat de schuldigen door de onschuldigen tot het geven van schadevergoeding gedwongen worden4--,ik vind het goed1 dat onze burgers zich z jegens hunne tegenstanders gedragen2 en dat zij de barbaren1 zoo als nu de ,grieken elkander1 behandelen4--,willen wij dan dit vaststellen1 dat onze wachters geen land mogen verwoesten noch huizen in brand steken8--,met genoegen1 want wij kunnen verzekerd zijn1 dat het goed is4-- ,,xvii4 ,ik geloof echter1 ,socrates6 dat1 als wij u laten begaan1 gij volstrekt niet meer denken zult om hetgeen gij daar straks hebt overgeslagen2 te weten1 dat en hoe eene staatsregeling als deze bestaan kan3 want dat1 zoo zij haar beslag kreeg1 de staat1 waarin dit gebeurde1 gelukkig zou wezen2 en dat1 om nog aan te vullen1 wat gij verzwegen hebt1 zij1 die onder haar leefden1 het best tegen de vijanden zouden vechten1 en elkander het minst in den steek laten1 dewijl zij elkander als broeders1 ouders en kinderen zouden beschouwen2 en dat1 als de vrouwen me te veld trokken1 en f in dezelfde slagorde stonden1 f tot schrik der vijanden1 en tot hulp in den nood1 als spaarbenden achteraan geplaatst waren1 ook dit zou mewerken om hen onoverwinnelijk te maken1 dat zie ik wel in1 en tevens1 hoeveel voorregten zij nog bovendien te huis zouden hebben2 maar dewijl ik nu toestem1 dat deze en nog honderd andere dingen zouden plaats hebben1 wanneer die staatsregeling tot stand kwam1 zoo spreek daarover niet langer1 maar laat ons nu het overige laten rusten1 en zoeken te beredeneren1 dat en hoe zij tot stand kan komen4--,gij doet daar in eens een aanval op mijne redekaveling1 en wilt van geen tegenstribbelen hooren4 ,misschien weet gij niet1 dat terwijl ik met moeite door twee golven ben heen geworsteld1 gij nu de grootste en lastigste doet opkomen2 maar als gij die gezien en gehoord hebt1 zult gij mij wel toestemmen1 dat ik teregt afkeerig was1 en terugbeefde van het bespreken en navorschen van een zoo vreemd en moeijelijk onderwerp4--,naarmate gij meer zulke dingen zegt1 zullen wij u minder vrijspreken van het zeggen1 hoe die staatsregeling bestaanbaar is4 ,zeg het maar zonder verwijl4-- ,vooreerst dan1 moeten wij ons herinneren1 dat wij door het onderzoek1 wat regtvaardigheid en onregtvaardigheid is1 hier zijn heengedreven4--,goed1 maar wat beduidt dat8--,niets4 ,maar wanneer wij nu gevonden hebben1 wat de regtvaardigheid is1 zullen wij dan oordeelen1 dat de regtvaardige man volstrekt niet daarvan mag verschillen1 maar in alle opzigten er aan moet gelijk wezen2 of zullen wij tevreden zijn1 wanneer hij zoo na mogelijk er bij komt1 en er meer dan de overigen aan deelachtig is8--,wij zullen met dat laatste tevreden zijn4--,wij zochten dus1 om een rigtsnoer te hebben1 wat de regtvaardigheid zelve is1 en hoe een volmaakt regtvaardig mensch zou gevormd worden1 en hoe hij zou wezen1 en deden hetzelfde met de onregtvaardigheid en den onregtvaardige2 ten einde1 hun geluk en ongeluk beschouwende1 ook omtrent ons zelven te besluiten1 dat hij1 die met een van hen de meeste overeenkomst heeft1 ook in geluk of ongeluk het meest met hem moet overeenkomen2 maar wij stelden ons niet voor1 te bewijzen1 dat zij werkelijk kunnen bestaan4--,daarin hebt gij gelijk4--,gelooft gij dan nu1 dat een schilder1 die een toonbeeld van een schoon mensch geschilderd had1 waarop niets was aan te merken1 een minder goed schilder zou wezen1 wanneer hij de mogelijkheid1 dat zoo iemand bestond1 niet bewijzen kon8--,wel neen1 zeker niet4--,en maakten wij niet in onze redenering een toonbeeld van een goeden staat8--,ja4--,gelooft gij dan nu1 dat onze redenering minder goed is1 zoo wij niet kunnen bewijzen1 dat het mogelijk is een staat aldus in te rigten4--,wel neen6--,ik zou dus dit bewijs eigenlijk niet behoeven te leveren4 ,om evenwel u ten gevalle na te gaan1 hoe en onder welke voorwaarden zoo iets het best zou kunnen plaats hebben1 moet gij met mij nog eens dezelfde punten beredeneren4--,welke8--,kan iets ooit volkomen z zijn als het beredeneerd is2 of is het onvermijdelijk1 dat de werkelijkheid altijd te kort schiet bij het begrip1 ook al merkt niet ieder dit op8--,het laatste is onvermijdelijk4--,dwing mij dus niet1 om aan te toonen1 dat al wat wij beredeneerd hebben werkelijk plaats heeft2 maar1 zoo wij kunnen vinden1 hoe een staat ten naastenbij volgens het gezegde kan ingerigt worden1 laat ons dan zeggen1 dat wij de mogelijkheid van het toepassen onzer voorschriften gevonden hebben4 ,of zult gij daar niet me tevreden zijn8 ,ik althans wel4--,ik ook4-- ,,xviii4 ,hetgeen ons nu te doen staat1 is1 geloof ik1 na te sporen en aan te toonen1 wat in de staten van onzen tijd niet deugt1 en belet1 dat zij z worden ingerigt2 en hoe een staat met de minste schokken en de geringste verandering tot deze soort van staatsregeling zou kunnen komen4--,opperbest4--,nu geloof ik1 te kunnen bewijzen1 dat dit zou kunnen gebeuren door ne1 wel niet geringe of ligte1 maar toch niet ondenkbare verandering4--,welke8--,nu zijn wij op de grootste golf4 ,ik zal het echter zeggen1 al word ik door eene stortzee van gelach en ongeloof overstelpt4 ,let dan op hetgeen ik zeg4--,zeg op4--,zoo niet de wijsgeeren het staatsbestuur in handen krijgen1 of de bestaande koningen en vorsten zich met de borst op de wijsbegeerte toeleggen1 zoodat magt in den staat en wijsbegeerte in dezelfde personen vereenigd worden2 en zoo niet de meesten1 die naar n van beiden afzonderlijk streven1 met alle geweld worden buitengesloten1 is er geen einde aan de ellende1 mijn vriend ,glauco6 noch voor de staten1 noch1 naar ik meen1 voor het menschelijk geslacht1 en onze pas beredeneerde staatsregeling kan vr dien tijd niet ontstaan en aan het licht komen4 ,maar ik had reeds lang tegenzin om dit te zeggen1 daar ik zag1 hoezeer het tegen de gewone meening zou inloopen2 want het is moeijelijk de menschen te overtuigen1 dat er anders geen geluk voor enkele personen noch voor staten bestaan kan4--,hierop zeide hij3 ,socrates6 gij hebt daar eene uitspraak gedaan1 om welke gij verwachten moet1 dat zeer velen1 en niet van de minsten1 zoodra zij 't hooren1 hun rok zullen uittrekken en met alle wapens1 die zij vinden kunnen1 woedend komen aanloopen1 om zich krachtig te weer te stellen2 en zoo gij hen niet afslaat of ontvlugt1 zult gij tot uw straf aan bespotting worden prijs gegeven4--,maar1 zeide ik1 is dat niet door uw toedoen8--,ja1 en daar deed ik goed aan4 ,ik zal u evenwel niet in den steek laten1 maar1 zoo veel ik kan1 bijstaan4 ,dit kan ik doen door belangstelling en door u aan te sporen1 en misschien ook door bereidwilliger dan anderen op uwe vragen te antwoorden2 en daar gij zulk een helper bezit1 moet gij dus maar aan de ongeloovigen trachten te bewijzen1 dat het is1 gelijk gij zegt4--,als gij zulk een bijstand geeft1 moeten wij het maar beproeven4 ,ik houd het dan voor noodig1 als wij er heelshuids willen afkomen1 naauwkeurig te bepalen1 hoedanige wijsgeeren wij durven zeggen1 dat het bestuur in handen moeten hebben1 opdat wij1 als dit is vastgesteld1 in staat mogen zijn ons te verdedigen1 door aan te toonen1 dat dezen van natuur tot de wijsbegeerte en het staatsbestuur geroepen zijn1 maar dat de anderen zich daarvan moeten afhouden en slechts gehoorzamen4--,die bepaling is volstrekt noodig4--,komaan dan6 volg mij1 om te beproeven1 of wij het eenigzins goed kunnen uiteenzetten4--,ga gij maar voor4--,als gij het welligt vergeten zijt1 moet ik u herinneren1 dat iemand1 die waarlijk liefhebberij voor iets heeft1 niet slechts een of ander deel daarvan1 maar die geheele zaak moet liefhebben4-- ,,xix4 ,herinner het mij dan maar1 want ik weet het niet best meer4--,dat een ander zoo sprak1 kon er nog me door1 ,glauco6 maar iemand1 die verliefd van gestel is1 moest zich herinneren1 dat alle schoonheden hem treffen en inpakken1 en hem toeschijnen regt op zijne opmerkzaamheid te hebben4 ,of is het niet zoo8 wordt een platneus door u niet aardig genoemd1 een haviksneus koninklijk1 een neus1 die tusschenbeide is1 van de juiste maat8 ,noemt gij de donkeren niet flink1 en de bleeken interessant8 ,ja1 is niet zelfs het woord lelieblank waarschijnlijk door een minnaar verzonnen1 die de bleekheid van het voorwerp zijner liefde als eene deugd aanmerkte2 en met n woord1 zoekt gij niet allerlei voorwendsels en mooije benamingen1 om allen1 die jong en knap zijn1 onder de schoonheden te kunnen opnemen4--,zoo gij gestellen als het mijne verliefd noemt1 dan stem ik toe1 dat de verliefden zoo handelen4--,maar1 doen de liefhebbers van den wijn niet hetzelfde8 ,prijzen zij niet allerlei wijn om allerlei redenen8--,ja4--,en ziet men niet evenzoo1 dat de eerzuchtigen1 als zij geen veldheer zijn kunnen1 naar den post van wijkmeester trachten2 en zoo zij door de aanzienlijken niet geerd worden1 zich troosten met eer bij de geringen2 daar al wat eer is hen aanlokt8--,zekerlijk4--,zeg dan nu eens1 of dit waar is1 of niet3 dat hij1 die naar eenig ding begeerig is1 dat in zijn geheel begeert1 maar geenszins sommige deelen daarvan wl1 andere niet4--,hij begeert het in zijn geheel4--,en zeggen wij nu niet1 dat de wijsgeer begeerig is naar wijsheid1 en wel1 niet slechts naar een deel daarvan1 maar naar de wijsheid in haar geheel8--,voorzeker4--,die dus verdriet in het leeren heeft1 vooral wanneer hij jong is1 en nog niet kan beoordeelen1 wat nuttig is en wat niet1 dien kunnen wij leergierig noch wijsgeerig noemen1 evenmin als iemand1 die vol kuren omtrent zijn eten is1 kan gezegd worden wezenlijk honger te hebben4--,dat gaat volstrekt niet4--,maar die vaardig is om naar alle weten te trachten1 en gaarne wil leeren1 en nooit verzadigd is1 dien noemen wij met regt wijsgeerig2 niet waar8--,hierop zeide ,glauco3 z kunt gij er genoeg krijgen en daaronder vreemde stoethaspels4 ,want de liefhebbers van een kijkje moeten alles weten1 wat er te zien is2 en vooral de liefhebbers van hooren zijn vreemde snaken om ze onder de wijsgeeren te rekenen1 daar zij wel nooit vrijwillig eene redekaveling zouden bijwonen1 maar1 alsof zij hunne ooren tot het luisteren naar alle gezang verhuurd hadden1 op de feesten van ,bacchus rondloopen1 en geen gelegenheid om te hooren1 noch in de stad1 noch op het land laten voorbijgaan4 ,moeten wij nu deze allen1 en die meer zulke dingen willen weten1 en de nietigste kleinigheden nasporen1 wijsgeeren noemen8--,wel neen1 zeide ik1 maar napers van de wijsgeeren4-- ,,xx4 ,maar wie noemt gij de ware wijsgeeren8--,hen1 die begeerig zijn de waarheid te zien4--,best1 maar wat noemt gij waarheid8--,dit een ander te beduiden is niet gemakkelijk1 maar gij zult1 geloof ik1 mij het volgende wel toestemmen4--,wat8--,dat dewijl schoon en leelijk van elkander verschillen1 zij te zamen twee zijn4--,natuurlijk4--,en dat bijgevolg ook ieder hunner n is4--,ook dit4--,en geldt nu niet hetzelfde van regtvaardig en onregtvaardig1 van goed en kwaad1 en van het soortgelijke2 dat ieder hunner n is1 maar1 dewijl het zich overal in verschillende daden1 ligchamen en betrekkingen vertoont1 den schijn van veel te zijn aanneemt4--,daarin hebt gij gelijk4--,volgens dit beginsel nu1 onderscheid ik de daareven genoemde liefhebbers van een kijkje1 en de minnaars van kunsten1 en de bedrijvigen1 van hen1 over wie wij spreken1 die alleen regt hebben wijsgeeren genoemd te worden4--,hoe meent gij dat8--,die liefhebbers van hooren en kijken houden veel van schoone geluiden1 en kleuren1 en gedaanten1 en al wat daarvan gemaakt wordt1 maar de natuur van het schoone zelf kan hun geest niet zien noch liefhebben4--,dat is waar4--,zij daarentegen1 die het schoone kunnen opsporen en dat op zich zelf beschouwen1 zijn die niet zeldzaam8--,zekerlijk4--,die nu wel schoone dingen erkent1 maar de schoonheid zelve niet erkent1 noch iemand1 die hem tot haar zoekt op te leiden1 kan volgen1 vindt gij dat hij zijn leven wakker of droomend doorbrengt8 ,of is het geen droomen1 als iemand slapend of niet slapend dat1 hetwelk ergens op gelijkt1 niet als er op gelijkend1 maar als hetzelfde beschouwt8--,ik zou zeggen1 dat z iemand droomde4--,en die daarentegen het bestaan van de schoonheid erkent1 en haar evenzeer kan zien als hetgeen haar deelachtig is1 en die haar niet met hetgeen haar deelachtig is verwart1 vindt gij dat die zijn leven wakker of droomend doorbrengt8--,fiks wakker4--,en kunnen wij niet met regt aan hem kennis toeschrijven1 maar aan den anderen slechts meening8--,ongetwijfeld4--,maar wanneer nu die man1 dien wij zeggen dat meent en niet kent1 boos op ons wordt en beweert1 dat wij geen waarheid spreken1 kunnen wij hem dan niet zacht en ongemerkt ompraten en doen inzien1 dat hij dwaalt8--,wij moeten het ten minste beproeven4--,komaan dan6 onderzoek1 wat wij tot hem moeten zeggen4 ,laat ons hem eerst verzekeren1 dat1 als hij kennis heeft1 wij ze hem niet misgunnen1 maar er ons integendeel over zullen verblijden2 en hem dan verder vragen3 antwoord ons eens hierop4 ,die kent1 kent hij iets of niets8 ,antwoord gij voor hem4--,ik antwoord1 dat hij iets kent4--,en kent hij iets1 dat is1 of iets1 dat niet is8--,dat is2 want hoe kan hetgeen niet is gekend worden8--,hoewel wij nu nog verder konden bespreken1 dat wat geheel en al is1 geheel en al kenbaar is1 en wat volstrekt niet is1 volstrekt niet kenbaar2 hebben wij echter hieraan reeds genoeg4--,volkomen genoeg4--,best4 ,maar als nu iets te gelijk is en niet is1 ligt het dan niet midden in tusschen hetgeen volkomen is en hetgeen volstrekt niet is8--,ja4--,zoo nu de kennis betrekking heeft op hetgeen is1 en de onkunde op hetgeen niet is1 moeten wij voordat middending iets zoeken1 dat tusschen onkunde en kennis in ligt2 indien zoo iets ten minste bestaat4--,ongetwijfeld4--,nu erkennen wij immers het bestaan van meening8--,wel zeker4--,is zij hetzelfde als kennis1 of iets anders8--,iets anders4--,dus heeft de meening betrekking op iets anders dan de kennis1 ieder naar haren aard4--,natuurlijk4--,en heeft nu de kennis geen betrekking op hetgeen is1 om het te kennen1 zoo als het is8 ,of liever1 ik geloof dat het noodig is1 dit eerst aldus te onderscheiden4--,hoe8-- ,,xxi4 ,wij zullen zeggen1 dat er vermogens bestaan1 door welke de menschen vermogen1 wat zij vermogen1 b4 v4 de vermogens van gezigt en gehoor4 ,begrijpt gij dit8--,ja wel4--,hoor dan eens hieromtrent mijn gevoelen4 ,aan die vermogens zie ik geen kleur of gedaante of eenige andere van die eigenschappen1 naar welke ik gewoonlijk de voorwerpen onderscheid2 maar bij dezelve onderzoek ik alleen1 waarop zij betrekking hebben1 en wat zij bewerken1 en noem ze naar aanleiding daarvan vermogens2 en wat op hetzelfde betrekking heeft en hetzelfde bewerkt1 noem ik hetzelfde vermogen1 maar wat op iets anders betrekking heeft en iets anders bewerkt1 een ander4 ,hoe doet gij8--,evenzoo4--,let dan nu nog eens hierop1 mijn beste6 ,houdt gij de kennis voor een vermogen1 of niet8--,wel zeker1 en wel voor het allersterkste4--,en de meening1 moeten wij die een vermogen noemen1 of niet8--,ook die2 want hoe zouden wij anders vermogen te meenen8--,edoch daareven hebt gij toegestemd1 dat kennis en meening niet hetzelfde is4--,hoe zou dan ook een verstandig mensch het onfeilbare en het feilbare hetzelfde kunnen noemen8--,best4 ,dus stellen wij vast1 dat meening iets anders is dan kennis4--,ja4--,zij zijn dus verschillende vermogens1 en hebben op verschillende dingen betrekking4--,natuurlijk4--,en kennis heeft betrekking op hetgeen is1 om dit te kennen1 zoo als het is8--,ja4--,en meening om te meenen8--,ja4--,maar heeft zij betrekking op hetzelfde1 hetwelk de kennis kent1 zoodat dezelfde zaak het voorwerp van kennis en van meening is8 ,of is dat onmogelijk8--,dat is volgens het beredeneerde niet mogelijk1 zoo althans ieder vermogen op een bepaald voorwerp betrekking heeft1 en meening en kennis twee verschillende vermogens zijn4 ,hieruit toch volgt1 dat de voorwerpen van kennis en die van meening niet dezelfde kunnen wezen4--,als nu hetgeen is het voorwerp is der kennis1 is dan het voorwerp der meening niet iets anders dan hetgeen is8--,ja4--,is dit dan hetgeen niet is8 ,of kan hetgeen niet is ook geen voorwerp van meening zijn8 ,denk hier eens over4 ,rigt niet de meenende zijne meening op een voorwerp8 ,of is het mogelijk te meenen1 en toch niets te meenen8--,wel neen4--,dus heeft hij1 die meent1 een voorwerp4--,ja4--,edoch wat niet is1 is ook geen voorwerp1 maar is eigenlijk niets4--,dat spreekt4--,wat niet is rekenden wij dan met regt tot de onkunde2 wat is1 tot de kennis4--,ja4--,dus rigt zich de meening noch op hetgeen is1 noch op hetgeen niet is4--,juist4--,dus is zij noch kennis noch onkunde4--,geen van beiden4--,is zij dan misschien daar buiten1 en f nog helderder dan de kennis1 f nog duisterder dan de onkunde8--,ook dat niet4--,is dan de meening duisterder dan de kennis1 en helderder dan de onkunde8--,juist4--,dus ligt zij tusschenbeide4--,ja4--,dus is de meening eene tusschensoort4--,ja4--,en hebben wij nu niet vroeger gezegd1 dat zoo wij iets vinden1 dat te gelijk is en niet is1 dit tusschen hetgeen is en hetgeen niet is moet invallen1 en dat noch kennis1 noch onkunde daarop betrekking heeft1 maar wel hetgeen tusschen kennis en onkunde inligt8--,juist4--,en nu blijkt het1 dat de meening daar tusschen ligt4--,dat blijkt4-- ,,xxii4 ,dus moeten wij1 naar het schijnt1 nog dat vinden1 hetwelk aan beiden deel heeft2 aan het zijn en het niet zijn1 en dat dus van beiden moet onderscheiden worden2 ten einde1 zoo het blijkt1 dat dit het voorwerp der meening is1 zoowel de uitersten als de middelsten behoorlijk te verbinden4 ,vindt gij dat niet goed4--,heel goed4--,op dezen grondslag zal ik nu voortgaan met het ondervragen van dien besten man1 die oordeelt1 dat het schoone zelf en de onveranderlijke ide der schoonheid niet bestaat2 en die wel vele schoone dingen erkent en gaarne ziet1 maar er niet naar hooren wil1 wanneer iemand het bestaan van het schoone1 het regtvaardige1 enz41 verdedigt4 ,wij zullen dan zeggen3 mijn beste6 is er wel iets onder al die schoone dingen1 dat niet leelijk kan schijnen1 of onder de regtvaardigen onregtvaardig1 of onder de heiligen onheilig8--,neen1 maar zij moeten onvermijdelijk dan eens schoon1 en dan eens leelijk1 enz4 schijnen4--,en zullen de dingen1 die dubbel zijn1 zich niet even zoo goed als half voordoen8--,ongetwijfeld4--,en de groote1 en kleine1 en ligte en zware dingen1 zullen die wel meer deze namen dan de tegenovergestelde verdienen8--,neen1 zeide hij1 maar ieder zal beide kunnen dragen4--,is dan nu een van die vele dingen dat1 wat het gezegd wordt te zijn1 meer wl dan niet8--,dit lijkt wel eene dubbelzinnigheid voor de grap1 of een raadsel1 zoo als de kinderen wel opgeven1 zeggende3 een man en geen man1 een vogel en geen vogel1 ziende en niet ziende1 wierp hem en wierp hem niet1 met een steen en geen steen#aji2 want het schijnt dat dit dubbelzinnig is1 en dat men onmogelijk een van die dingen streng kan bepalen1 en er f n van beiden f geen van beiden van zeggen4--,weet gij er dan wel iets beters mede te doen1 dan ze tusschen het zijn en het niet zijn in te plaatsen8 want zij schijnen toch niet minder dan hetgeen niet is1 of meer dan hetgeen is1 aan het zijn deelachtig te wezen4--,dat is waar4--,dus hebben wij1 geloof ik1 gevonden1 dat wat de menigte schoon1 enz41 noemt1 zich tusschen hetgeen is en hetgeen niet is moet ophouden4--,ja4--,en wij zijn het eens geworden1 dat het in dit geval een voorwerp van meening is1 niet van kennis1 daar de middelste der drie vermogens op het middelste der drie voorwerpen betrekking heeft4--,daarover zijn wij het eens4--,wij zullen dus zeggen1 dat zij1 die vele schoone dingen beschouwen1 maar het schoone zelf niet zien1 noch een ander1 die hen daartoe opleidt1 volgen kunnen1 en met wie het evenzoo staat ten opzigte van het regtvaardige1 enz41 dat zij wel vele meeningen maar volstrekt geen kennis hebben4--,dat is een noodzakelijk gevolg4--,en dat zij1 die de onveranderlijke idn zelve beschouwen1 kennis1 geen meening hebben4--,dat ook4--,en dat zij genegenheid en liefde hebben voor de voorwerpen der kennis2 de anderen voor die der meening8 ,of herinneren wij ons niet1 dat zij1 zoo als wij zeiden1 schoone klanken en kleuren enz41 liefhebben en beschouwen1 maar het bestaan van het schoone niet erkennen8--,ja4--,wij zullen dus niet misdoen met ze vrienden der meening in plaats van wijsgeeren te noemen1 al worden zij daarom ook nog zoo knorrig8--,wel neen1 zeide hij2 maar als zij mijn raad willen hooren1 zullen zij dat niet worden2 want het is niet goed knorrig te worden op de waarheid4--,en zij1 die hetgeen waarlijk is liefhebben1 moeten wijsgeeren1 niet meengeeren1 genoemd worden8--,dat spreekt4-- ,voetnoten #ajb ,zie ,boek ,i4 ,hoofdst4 ,,ix4 #ajc ,de godin der regtvaardigheid4 #ajd ,zie ,,dr4 ,h4 ,ahrens1 ,grondbeginselen der ,mensch- en ,zielkunde1 vrij vertaald door ,dr4 ,j4 ,nieuwenhuis1 ,,ii4 #bg4 #aje ,zie ,boek ,,iii4 ,hoofdst4 ,,iii4 #ajf ,boek ,,iv1 ,hoofdst4 ,i4 #ajg ,il4 ,,vii4 #cba4 #ajh ,werken en dagen1 #aba4 #aji ,dat is3 een eenoogig gesnedene liet een stuk aardewerk op een vleermuis vallen4 ,,zesde ,,boek4 ,i4 ,zoo is het dan1 ,glauco6 nadat wij eene lange redenering zijn doorgeworsteld1 eindelijk aan 't licht gebragt1 wie wijsgeeren zijn en wie niet4--,door eene korte zou dit misschien bezwaarlijk gelukt zijn4--,het schijnt van neen4 ,met dat al zou het1 geloof ik1 nog beter gelukt zijn1 zoo wij dit punt alleen te behandelen hadden1 en niet nog vele andere dingen moesten nagaan1 om uit te maken1 waarin een regtvaardig leven van een onregtvaardig verschilt4--,wat moeten wij nu aanpakken8--,wat anders1 dan hetgeen aan de beurt ligt4 ,daar zij1 die hetgeen steeds hetzelfde blijft kunnen vatten1 wijsgeeren zijn1 en zij1 die dat niet kunnen1 maar die in vele en velerlei dingen verdwalen1 geen wijsgeeren2 wie van beiden moeten dan de bestuurders van den staat zijn8--,hoe zullen wij dat het best beredeneren4--,die van beiden geschikt blijken te wezen om de wetten en staatsinrigtingen te bewaren1 moeten wij tot wachters aanstellen4--,dat is goed4--,nu is het niet moeijelijk te kiezen1 of de bewaring van eenige zaak aan een blinden of aan een zienden wachter moet toevertrouwd worden4--,neen waarlijk niet4--,vindt gij dan nu nog verschil tusschen blinden en hen1 die in waarheid geene kennis hebben van hetgeen waarachtig is1 en geen helder denkbeeld in de ziel hebben1 noch in staat zijn1 als schilders het waarachtige origineel aanschouwende en steeds tot voorbeeld nemende1 en zoo naauwkeurig mogelijk in het oog vattende1 naar aanleiding daarvan1 als het noodig is1 wetten over het schoone1 en regtvaardige1 en goede te maken1 en de bestaande te bewaren en in stand te houden8--,zij verschillen er waarlijk niet veel van4--,zullen wij dezen dan eerder tot wachters aanstellen dan hen1 die n hetgeen waarlijk is kennen1 n in ondervinding voor de eersten niet onderdoen1 n in geene andere voortreffelijke eigenschap achterstaan8--,het zou dwaas zijn1 anderen tot wachters te nemen1 zoo zij in de andere dingen niet minder zijn2 want zij munten dan in het belangrijkste punt boven anderen uit4--,laat ons dan nu beredeneren1 hoe dezelfde personen zoowel het een als het ander kunnen hebben4--,best4--,vooreerst moeten wij dan1 gelijk in 't begin dezer redenering gezegd is1 hunnen aard zoeken te kennen2 en ik geloof1 dat1 zoo wij die goed besproken hebben1 het ons duidelijk zal worden1 dat dezelfde personen beiden hebben kunnen1 en dat geen anderen dan dezen de bestuurders van den staat moeten zijn4--,hoe zoo8-- ,,ii4 ,laat ons dit omtrent de wijsgeerige karakters vaststellen1 dat zij steeds liefhebbers zijn van alle wetenschap1 die hun licht geeft omtrent hetgeen altijd is1 en niet onderworpen is aan ontstaan en vergaan4--,het zij zoo4--,en tevens1 dat zij die in haar geheel liefhebben1 en geen klein of groot1 meer of minder aanzienlijk deel daarvan willen missen2 even zoo als wij daar straks omtrent eerzuchtigen en verliefde gestellen besproken hebben4--,dat zegt gij goed4--,let nu eens op1 of daarbij ook dit eene noodzakelijke eigenschap is van hen1 die z zullen zijn1 als wij zeiden4--,wat8--,afkeer van liegen1 zoodat zij nooit vrijwillig een leugen toelaten1 maar dien evenzeer verfoeijen als zij de waarheid liefhebben4--,waarschijnlijk4--,niet slechts waarschijnlijk1 mijn vriend6 maar volstrekt noodzakelijk is het1 dat hij1 die door zijn inborst ergens een liefhebber van is1 alles wat daarmede zamenhangt en daarbij hoort insgelijks lief heeft4--,dat is waar4--,en kunt gij nu iets vinden1 dat meer bij de wijsheid hoort dan de waarheid8--,onmogelijk4--,kan dan hetzelfde karakter wijsgeerig en liefhebber van leugens wezen8--,onmogelijk4--,die dus in waarheid leergierig 7wijsgeerig7 is1 moet terstond van zijne jeugd af aan alle wetenschap liefhebben4--,zekerlijk4--,nu weten wij immers1 dat1 zoo iemands neiging sterk naar eenigen kant overhelt zijne neiging voor andere dingen gewoonlijk zwakker is1 daar zij als een stroom daarvan wordt afgeleid4--,ongetwijfeld4--,wiens neiging dus op de wetenschappen en wat daarmee zamenhangt gerigt is1 die heeft1 geloof ik1 neiging voor het zuivere vermaak van den geest1 maar zoo hij waarachtig1 niet in schijn1 wijsgeer is1 heeft hij weinig verlangen naar het vermaak des ligchaams4--,dat kan niet anders4--,zoodanig iemand is dus ingetogen en niet geldzuchtig2 want de redenen1 waarom het geld gewoonlijk gezocht wordt1 werken vrij wat meer op anderen dan op hem4--,dat is zoo4--,nu moet gij nog hierop letten1 om te beoordeelen1 of iemands karakter wijsgeerig is of niet4--,waarop8--,of er ook eenige bekrompenheid in verborgen is2 want niets verhindert den geest meer om het algemeene in goddelijke en menschelijke dingen te vatten4--,dat is waar4--,die nu verheven van geest is1 en met zijne gedachten den geheelen tijd en de geheele wezenheid kan vatten#aaj1 gelooft gij1 dat die het menschelijk leven voor iets groots kan houden8--,onmogelijk4--,zoodanig iemand zal dus ook den dood niet verschrikkelijk vinden4--,wel neen4--,eene vreesachtige en bekrompene ziel kan dus1 naar het schijnt1 geen deel hebben aan de waarachtige wijsbegeerte4--,ik vind van neen4--,maar kan nu een ingetogen en niet geldzuchtig1 noch bekrompen1 noch overmoedig1 noch lafhartig mensch aanmatigend of onregtvaardig wezen8--,onmogelijk4--,wanneer gij dus weten wilt1 of iemands geest wijsgeerig is of niet1 moet gij reeds in zijne jeugd onderzoeken1 of hij regtvaardig en zachtmoedig is1 dan wel aanmatigend en woest4--,juist4--,en gij zult1 denk ik1 ook dit niet over 't hoofd zien4--,wat8--,of hij moeielijk of gemakkelijk leert4 ,of verwacht gij1 dat iemand ooit wezenlijk genoeg zal vinden in hetgeen hij slechts met verdriet en moeite kan doen1 en waarin hij zelfs dn nog weinig vordert8--,dat is onmogelijk4--,en als iemand eens niets van hetgeen hij leerde kon vasthouden1 maar alles vergat1 zou hij dan niet ontbloot van kennis moeten wezen8--,natuurlijk4--,en als hij op die wijze vruchtelooze moeite deed1 zou hij dan niet eindelijk verdriet in zich zelven en in zijnen arbeid krijgen8--,voorzeker4--,dus moeten wij ook een vergeetachtige ziel niet als wijsgeerig beschouwen1 maar liever zulk eene zoeken1 die een goed geheugen heeft4--,ongetwijfeld4--,en komen nu de gebreken eener onbeschaafde en slechte ziel niet grootendeels ner op het te buitengaan van de juiste maat8--,ongetwijfeld4--,en wat heeft meer verwantschap met de waarheid1 het overtreden of het houden van die maat8--,het laatste4 ,dus moeten wij behalve het andere nog toezien1 of een ziel maathoudend en ordelijk is1 voor wij haar van nature geschikt voor het beschouwen van hetgeen waarlijk is kunnen noemen4--,dat spreekt4--,en vindt gij nu niet1 dat de door ons genoemde eigenschappen ieder voor zich noodig zijn en uit elkander volgen1 in eene ziel1 die behoorlijk en goed hetgeen wezenlijk is zal vatten8--,ja zeker4--,en kunt gij nu zulk een bezigheid afkeuren1 tot welke niemand bekwaam is1 dan die van natuur een goed geheugen heeft1 en leerzaam is1 en onbekrompen1 en liefderijk1 en een vriend en aanhanger van waarheid1 regtvaardigheid1 moed en ingetogenheid8--,zoo iets zou zelfs ,momus niet afkeuren4--,en zijt gij nu niet voornemens alleen aan zulke menschen1 nadat zij door opvoeding en ouderdom volledig gevormd zijn1 den staat toe te vertrouwen8-- ,,iii4 ,hierop zeide ,adimantus3 ,socrates6 niemand zou deze uwe woorden kunnen werleggen1 maar toch gaat het meestal z met hen1 die dergelijke redeneringen hooren4 ,zij meenen1 dat zij1 ten gevolge van hunne onbedrevenheid in het vragen en antwoorden1 onder het redeneren bij iedere vraag een beetje van de wijs gebragt worden1 tot dat door al die beetjes te zamen bij het einde der redenering eene groote dwaling en tegenstrijdigheid voor den dag komt2 en dat1 gelijk bij het schaakspel een onbedrevene door een goed speler eindelijk vast wordt gezet1 evenzoo ook zij eindelijk vast raken1 en door dit spelen niet met stukken maar met woorden1 op het laatst zver gebragt worden1 dat zij niets meer kunnen zeggen1 hoewel zij toch eigenlijk de waarheid op hunne zijde hebben4 ,ik zeg dit bepaaldelijk op ons tegenwoordig onderwerp2 want nu zou iemand kunnen zeggen1 dat hij wel met woorden geen uwer redeneringen kan werleggen1 maar inderdaad ziet1 dat zij1 die de wijsbegeerte niet slechts in hunne jeugd leeren om er zich door te beschaven1 en ze naderhand te laten varen1 maar die er zich langer me bezig houden1 meestal zonderling1 om niet te zeggen slecht1 worden2 en dat zelfs de besten hunner ten gevolge van die door u zoo geprezen studie geheel onbruikbaar worden voor den staat4--,toen ik dit hoorde1 zeide ik3 houdt gij de menschen1 die z spreken1 voor leugenaars8--,ik weet het niet1 zeide hij1 maar ik zou gaarne uwe meening hooren4--,hoor dan1 dat ik vind1 dat zij de waarheid zeggen4--,maar hoe kunt gij dan nog beweren1 dat de staten niet eerder van hunne ellende zullen verlost worden1 voordat zij onder het bestuur komen der wijsgeeren1 die wij erkennen1 dat onbruikbaar voor dezelve zijn8--,gij doet mij daar eene vraag1 die door eene gelijkenis moet beantwoord worden4--,gij pleegt toch anders niet in gelijkenissen te spreken4-- ,,iv4 ,het zij zoo4 ,spot gij nu nog1 na mij zulk een moeijelijk werk opgelegd te hebben8 ,hoor dan eens mijne gelijkenis1 opdat gij nog meer moogt zien1 welke naauwkeurige vergelijkingen ik maken kan4 ,de toestand toch1 waarin de beschaafdste menschen door hunne betrekking tot den staat komen1 is z zonderling1 dat geen ander wezen iets dergelijks ondervindt1 en dat men om hen te verontschuldigen eene bonte gelijkenis moet zamenstellen1 zoo als de schilders paardmenschen1 en meer andere vreemde verbindingen schilderen4 ,stel u eens een eigenaar van n of meer schepen voor1 die zelf mevaart1 en in grootte en sterkte al de schepelingen overtreft1 maar half doof is en bijziende1 en die weinig verstand van zeezaken heeft2 terwijl de schepelingen met elkander twisten over het sturen1 en ieder stuurman wil wezen1 ook al heeft hij de stuurmanskunst nooit geleerd1 en al kan hij geen leermeester noch leerjaren opgeven2 terwijl zij daarenboven staande houden1 dat daarbij geen onderwijs te pas komt1 en bereid zijn hem1 die dat beweert1 van kant te maken1 en steeds den eigenaar omringen en smeeken1 en alle moeite doen1 opdat hij hun het roer toevertrouwe2 en soms1 als zij hem niet kunnen overreden1 maar dit aan anderen beter gelukt1 die anderen dooden of over boord zetten1 en dien goeden eigenaar met opium of wijn bedwelmen en dan het schip besturen1 en den voorraad gebruiken en al drinkende en feestvierende voortvaren1 zoo als dat van hen te verwachten was2 en daarenboven ieder prijzen en een ervaren zeeman noemen1 die hen kan helpen om den eigenaar te overreden of te dwingen1 om hen het schip te laten besturen1 maar hem1 die dat niet doet1 onbruikbaar noemen1 en van een echt zeeman geen denkbeeld hebben1 noch inzien1 dat hij de jaargetijden1 de uren1 den hemel1 de sterren1 den wind1 enz41 moet waarnemen1 om een goed schipper te zijn2 en niet gelooven1 dat men behalve het behandelen van het roer ook nog die dingen moet leeren en bestuderen1 om zonder zich van zijn stuk te laten brengen het schip goed te besturen4 ,wanneer het z op de schepen toeging1 gelooft gij niet1 dat dan de ware stuurman door de bemanning dier schepen een overnatuurkundige1 en zwetser1 en onbruikbaar mensch zou genoemd worden8--,ongetwijfeld1 zeide ,adimantus4--,nu is het1 geloof ik1 niet eens noodig die gelijkenis op de betrekking tusschen de staten en de waarachtige wijsgeeren toe te passen1 maar gij begrijpt zeker wel1 wat ik bedoel4--,volkomen4--,gij moet dan vooreerst hem1 die zich verwondert1 waarom de wijsgeeren in de staten niet geerd worden1 die gelijkenis eens medeelen1 en hem aan zijn verstand brengen1 dat het tegendeel veel verwonderlijker zijn zou4--,met vermaak4--,en dat wij toestemmen1 dat hij met regt beweert1 dat de besten uit de wijsgeeren voor het volk onbruikbaar zijn4 ,zeg hem echter1 dat hij dit aan hen1 die ze niet gebruiken1 niet aan de wijsgeeren zelve1 moet wijten4 ,want het gaat toch niet aan1 dat een stuurman de matrozen smeekt aan hem te gehoorzamen1 of dat de wijzen de rijken achterna loopen1 maar1 die dat zegt1 liegt2 en de waarheid is1 dat1 als een rijke of een arme ziek wordt1 hij den geneesheer moet naloopen1 en evenzoo ieder1 die noodig heeft bestuurd te worden1 hem1 die dat bestuur kan uitoefenen2 maar dat een bestuurder van eenige waarde zijne minderen niet kan gaan smeeken zijn bestuur te erkennen4 ,ook zult gij niet mistasten1 met de tegenwoordige staatsbestuurders bij die matrozen van daareven te vergelijken1 en de door hen voor onbruikbaren en overnatuurkundigen uitgemaakten1 bij de ware stuurlieden4--,juist4--,en in zulk gezelschap kan de beste bemoeijing van de laatsten niet ligt geprezen worden door lieden1 die het tegenovergestelde beoefenen3 het meest echter komt de wijsbegeerte in een kwaden reuk door hare zoogenaamde beoefenaars1 die door hare vijanden slecht worden genoemd1 terwijl dezen de besten slechts onbruikbaar noemen2 want z zeidet gij immers8--,ja4-- ,v4 ,wij hebben dus nu de reden gezien1 waarom de beste wijsgeeren onbruikbaar zijn4--,ja4--,willen wij nu eens de oorzaak van de slechtheid der meesten zoeken1 en pogen aan te toonen1 als wij kunnen1 dat de wijsbegeerte daaraan even weinig schuld heeft4--,gaarne4--,wij moeten ons dan het punt1 waarvan wij uitgingen1 nog eens herinneren1 en nagaan1 welken aanleg wij vorderden in hem1 die in haar zal uitmunten4 ,vooreerst1 zoo als gij u wel herinnert1 vonden wij1 dat hij volstrekt een najager van de waarheid moet wezen1 zoo hij geen zwetser zijn zal1 die geen deel heeft aan de waarachtige wijsbegeerte4--,dat hebben wij gezegd4--,en is dit ne niet vooral in strijd met hetgeen men tegenwoordig van hem gelooft8--,zekerlijk4--,zullen wij ons dan niet goed verdedigen1 door te zeggen1 dat de waarachtig leergierige 7wijsgeerige7 door aangeboren neiging streeft naar hetgeen wezenlijk is1 en niet staan blijft bij de vele voorwerpen der meening1 maar regelregt en onvermoeid de wezenheid van ieder ding naspoort1 en niet eerder verzadigd wordt1 voor hij die met het daarvoor geschikte geestvermogen bereikt heeft8 ,en geschikt daarvoor is het vermogen1 dat er mede verwant is1 waarmede hij nadert tot het waarachtig zijnde1 en zich er mede vermengt1 en kennis en waarheid geteeld hebbende1 die opneemt en opkweekt1 en eerst daardoor zijn verlangen voldaan ziet4--,dat is eene beste verdediging4--,en zal nu zoodanig iemand de leugen liefhebben1 of integendeel haten8--,haten4--,en als nu de waarheid voorgaat1 dan is het1 zou ik meenen1 niet denkbaar1 dat er eene reeks van kwade dingen zou volgen4--,dat kan niet4--,maar wel eene regtvaardige gezindheid1 en ten gevolge daarvan ook ingetogenheid4--,voorzeker4--,en wat moeten wij nu1 volgens het reeds gezegde1 verder uit de reeks van eigenschappen van den wijsgeerigen aanleg hierachter plaatsen8 ,gij herinnert u zeker nog wel1 dat daarbij moed1 onbekrompenheid1 vlugheid in het leeren1 en een goed geheugen bleken gevorderd te worden4 ,en toen gij tegenwierpt1 dat ieder wel het gezegde zal moeten toestemmen2 maar dat hij1 die niet op onze woorden1 maar op de menschen1 waarover wij spreken1 lette1 zeggen zou te zien1 dat sommigen onbruikbaar1 en de meesten slecht zijn1 werden wij bij het onderzoek naar de oorzaak van dien kwaden dunk op de vraag gebragt1 waarom de meesten slecht zijn1 en daardoor werden wij genoopt1 het vorige weer op nemen en den waarlijk wijsgeerigen aanleg nog eens te bepalen4--,z is het gegaan4-- ,,vi4 ,nu moeten wij eens op het bederf letten1 waarvan zulk een karakter bij de meesten het slagtoffer is1 zoodat slechts weinigen1 die dan niet slecht maar onbruikbaar heeten1 gered worden2 en vervolgens1 welke karakters hetzelve en zijne bemoeijingen nabootsende1 daardoor in niet passende en te zware bemoeijingen komen1 en bij gevolg door velerlei misstappen de wijsbegeerte bij het algemeen in zulk eenen kwaden reuk brengen4--,welk bederf meent gij8--,ik zal het u1 als ik kan1 pogen aan te toonen4 ,ieder zal1 geloof ik1 wel toestemmen1 dat zulk een karakter1 hetwelk al de door ons in een wijsgeer gevorderde eigenschappen bezit1 slechts zelden in enkele menschen voor den dag komt4 ,vindt gij dat ook niet8--,zekerlijk4--,en zie nu eens hoe vele en groote gevaren die enkelen nog te verduren hebben4--,welke8--,het vreemdste van allen is dit1 dat ieder dier goede eigenschappen de ziel1 die haar bezit1 bederft1 en aan de wijsbegeerte onttrekt4 ,ik meen hier uitdrukkelijk den moed1 de ingetogenheid en de andere1 die wij genoemd hebben4--,dat klinkt vreemd4--,daarenboven1 bederven alle zoogenoemde voorregten de ziel en trekken haar af1 te weten schoonheid1 en rijkdom1 en ligchaamskracht1 en magtige bloedverwanten in den staat1 enz42 gij weet nu welke soort van dingen ik meen4--,ja1 en ik zou gaarne hetgeen gij zegt wat naauwkeuriger hooren4--,houd het dan maar in zijn geheel vast1 dan zal het u duidelijk worden1 en het vroeger daarover gezegde zal u niet langer verwonderlijk voorkomen4--,hoe wilt gij dan nu8--,wij weten1 dat alle zaden en spruiten1 hetzij van planten hetzij van dieren1 die niet naar hunnen aard voedsel1 lucht en plaats deelachtig worden1 naarmate zij krachtiger zijn1 meer verbasteren2 daar het kwade meer in strijd is met het goede dan met het niet goede4--,natuurlijk4--,daaruit laat zich1 geloof ik1 beredeneren1 dat een zeer goede aanleg bij verkeerde opkweeking slechter wordt dan eene onbeduidende4--,dat is waar4--,maar1 ,adimantus6 moeten wij dan ook niet zeggen1 dat de edelaardigste zielen bij slechte opvoeding het slechtste worden8 ,of gelooft gij1 dat groote misdrijven en erge boosheid eerder uit een onbeduidend1 dan uit een groot1 maar door opvoeding bedorven karakter voortkomen1 en dat een zwak karakter ooit oorzaak van groot goed of kwaad zal kunnen worden8--,wel neen4--,dus moet een karakter zoo als wij in den wijsgeer verlangen1 wanneer het eene goede opleiding krijgt1 tot alle deugd opgroeijen2 maar1 als het niet van den beginne behoorlijk wordt opgevoed1 zonder goddelijken bijstand tot het tegenovergestelde komen4 ,of gelooft gij1 zoo als de menigte1 dat wel sommige jongelingen door sophisten bedorven worden1 en dat er enkele sophisten zijn1 die ze in den grond bederven1 maar dat niet zij1 die dit zeggen1 de grootste sophisten zijn1 die het volkomenst door hun onderwijs jongen en ouden1 mannen en vrouwen z maken als zij ze hebben willen8--,hoe meent gij dat8 zeide hij4--,wanneer velen te zamen in volksvergaderingen1 of regtbanken1 of schouwburgen1 of legerplaatsen1 of andere talrijke zamenkomsten vereenigd1 met veel gedruisch sommige woorden en daden berispen1 en andere even overdreven al schreeuwende en in de handen klappende goedkeuren1 terwijl de rotsen en de plaats1 waarin zij dat geraas maken1 het geluid der afkeuringen en loftuitingen door werkaatsing verdubbelen2 hoe gelooft gij1 dat dan hierbij een jongeling gestemd is8 ,of meent gij1 dat eenig bijzonder onderwijs1 hetwelk hij ontvangen heeft1 het daartegen kan uithouden1 en niet door die loftuiting en afkeuring overstelpt1 als door een stroom wordt medegesleept1 zoodat hij hetzelfde als die menigte schoon en leelijk vindt1 en zich op hetzelfde toelegt als zij1 en dezelfde gezindheden aanneemt8--,de kracht dier overredingsmiddelen is schier onwerstaanbaar1 ,socrates6-- ,,vii4 ,en nu hebben wij het krachtigste middel nog niet gevonden4--,wat8--,als die opvoeders en sophisten bij woorden daden voegen1 en niet langer met overreding werken4 ,of weet gij niet1 dat zij den onleerzamen met schande1 boete en lijfstraffen tuchtigen8--,zekerlijk4--,en welke andere sophist1 of welke redeneringen van enkele menschen gelooft gij1 dat zich hiertegen met vrucht kunnen verzetten8--,geene4--,dat geloof ik ook niet1 en het is zelfs dwaasheid dit te beproeven2 want nooit1 mijn vriend6 kan een menschelijk karakter zich ontwikkelen tot eenige deugd1 die met deze opleiding in strijd is2 een goddelijk karakter moeten wij1 naar het spreekwoord1 hiervan uitzonderen4 ,dit toch moet gij wel weten1 dat1 wanneer bij zulk eene staatsregeling een karakter behouden blijft en zich goed ontwikkelt1 er met regt kan beweerd worden1 dat het door een goddelijk wonder gered is4--,dat vind ik ook4--,dan zult gij zeker ook dit wel vinden4--,wat8--,dat ieder dier enkele loondienaars1 welke zij sophisten noemen en als mededingers beschouwen1 niets anders onderwijst1 dan juist de gevoelens der bijeen vergaderde menigte1 en dat hij daarin de wijsheid zoekt1 even alsof hij de driften en begeerten van een groot en sterk dier bestudeerd had1 en hoe men het moet naderen en aanpakken1 en wanneer en waardoor het kwaad of zachtzinnig wordt1 en door welke geluiden het dat te kennen geeft1 en op welke geluiden van anderen het mak of wild wordt2 en wanneer hij dan1 dit alles door omgang en tijdsverloop geleerd hebbende1 zich wijs noemde1 en er een boek over schreef1 en er les in ging geven2 terwijl hij toch eigenlijk van al die gezindheden en begeerten niets wist1 noch wat schoon of leelijk1 goed of kwaad1 regtvaardig of onregtvaardig is1 maar dit alles naar het oordeel van dat groote dier benoemde1 en dus wat hetzelve gaarne had goed heette1 en wat het haatte kwaad1 zonder daar iets meer van te weten1 maar het noodzakelijke regtvaardig en schoon vindende1 en den aard en het wezenlijk onderscheid van het noodzakelijke en het goede niet inziende1 noch aan anderen kunnende leeren2 bij ,zeus6 zoudt gij z iemand niet een bespottelijk leermeester vinden8--,zonder twijfel4--,en vindt gij nu hem iets beter1 die de wijsheid stelt in de kennis van het gunstige of ongunstige oordeel der menigte omtrent schilderkunst1 muzijk of staatkunde8 ,want wanneer iemand in het midden der menigte een dichtstuk of ander kunstwerk1 of eenige werkzaamheid in 't belang van den staat ten toon stelt1 en daar de menigte over laat beslissen1 vindt gij dan niet1 dat hem daardoor de noodzakelijkheid wordt opgelegd1 om1 behalve hetgeen op zich zelf noodig is1 alles te doen1 wat zij goed vindt2 en hebt gij wel ooit iemand hunner anders dan op eene bespottelijke wijs hooren beredeneren1 dat dit in waarheid goed en schoon moet genoemd worden8--,ik zal het denkelijk ook wel nimmer hooren4-- ,,viii4 ,nu gij dit alles overwogen hebt1 moet gij nog het volgende bedenken4 ,zal de menigte ooit van het schoone1 enz41 willen hooren en het bestaan daarvan erkennen8--,wel neen4--,dus1 kan de menigte onmogelijk wijsgeerig zijn4--,onmogelijk4--,en dus is het onvermijdelijk1 dat de wijsgeeren door haar berispt worden4--,ja4--,en evenzoo door die lieden1 welke de menigte naloopen en vleijen4--,dat spreekt4--,en ziet gij nu eenig redmiddel voor een wijsgeerig karakter1 waardoor het niettegenstaande dit alles ten einde toe aan zijne roeping kan getrouw blijven8 ,herinner u het vorige nog eens4 ,wij hebben besproken1 dat gemakkelijkheid in het leeren1 een goed geheugen1 moed en onbekrompenheid aan zulk een karakter eigen zijn4--,ja4--,en zal nu zoodanig iemand#aaa niet terstond in alles de eerste wezen1 vooral wanneer zijn ligchaam met zijne ziel overeenstemt8--,dat kan niet anders4--,daarom zullen dan zijne betrekkingen en medeburgers hem1 als hij ouder wordt1 voor hunne zaken willen gebruiken4--,dat spreekt4--,zij zullen hem dus door nederige verzoeken1 eerbewijzingen en vleijerijen pogen in te pakken1 voordat hij magtig wordt4--,zoo pleegt het te gaan4--,wat denkt gij nu1 dat zoodanig iemand onder zulke menschen doen zal1 vooral wanneer hij in eene groote stad geboren en daarbij rijk en van goede huize en verder schoon en kloek van ligchaam is8 ,zal hij niet met bovenmatige hoop vervuld worden1 en meenen in staat te zijn1 om de zaken van ,grieken en barbaren te regelen8 ,en zal hij zich daarop niet verheffen1 en vol worden van verwaandheid en ijdelen hoogmoed8--,zekerlijk4--,en wanneer nu1 terwijl het z met iemand staat1 een ander bedaard naar hem toekomt1 en zegt1 zoo als het is2 dat hij geen verstand heeft1 maar daaraan groot gebrek lijdt1 en dat dit niet te bekomen is1 zoo men zich er niet met de borst op toelegt2 gelooft gij dan1 dat hij1 in zulk een toestand zijnde1 daar ligt naar hooren zal8--,wel neen4--,maar als hij nu door zijn goeden aanleg en de in hem sluimerende betere denkbeelden tot eenig nadenken komt1 en eenigzins naar de wijsbegeerte wordt heengetrokken1 wat zullen dan zij wel doen1 die meenen daardoor zijne diensten en vriendschap te zullen missen8 ,zullen zij niet alles doen en zeggen1 om te maken1 dat hij zich niet laat overreden1 en zullen zij den anderen1 die hem overreden wil1 niet door geheime tegenwerking en openbare beschuldiging daarin zoeken te verhinderen8--,ongetwijfeld4--,en is er nu veel kans op1 dat zoodanig iemand een wijsgeer wordt8--,niet bijzonder4-- ,,ix4 ,ziet gij nu wel1 hoe zeer wij gelijk hadden1 toen wij beweerden1 dat zelfs de bestanddeelen van het wijsgeerige karakter bij slechte opvoeding eenigermate de oorzaak zijn van het laten varen der wijsbegeerte2 en dat de zoogenaamde goederen1 als rijkdom1 enz41 daar mede schuld aan hebben8--,ja1 of wij gelijk hadden4--,hierdoor1 mijn vriend6 worden dan de beste karakters1 die toch buitendien zeldzaam zijn1 nog meestal voor de beste bezigheid ongeschikt gemaakt en daarvan afgetrokken4 ,en uit die mannen komen dan zij1 die aan staten en enkele personen het meeste kwaad1 of1 als het zoo uitkomt1 het meeste goed doen2 maar een nietig karakter doet nimmer aan een staat1 noch aan een enkel mensch groot kwaad of goed#aab4--;,dat is volkomen waar4--,wanneer nu zij1 die er het best voor geschikt waren1 op deze wijs er uitvallen1 dan laten zij de wijsbegeerte alleen en onvoltooid en leiden zelve een hun niet passend of eigenlijk een nleven2 terwijl dan anderen1 onwaardigen1 haar1 die van hare verwanten beroofd is1 grijpen en onteeren en haar zulke beschimpingen berokkenen1 als waarmede gij zegt1 dat zij gewoonlijk wordt aangevallen1 te weten3 dat hare liefhebbers deels niets1 deels groote straf waardig zijn4--,ja1 zoo spreekt men er over4--,en met regt4 ,andere menschjes toch1 die streek onbezet ziende1 maar vol schoonklinkende titels1 gaan even als zij1 die uit de boeijen naar de tempels vlugten1 met blijdschap uit andere bezigheden naar de wijsbegeerte1 zoo zij in hunne bezigheid zich eenigen naam verworven hebben4 ,want al staat het nog zoo slecht met de wijsbegeerte1 zij heeft nog altijd boven andere bezigheden een deftigen naam1 welke tot aanloksel dient voor menschen van gebrekkigen aanleg1 wier geest en ligchaam door nerdrukkenden arbeid is ontzenuwd en bedorven4 ,is dat niet onvermijdelijk8--,ja zeker4--,en vindt gij nu niet1 dat zij er uitzien als een kleine1 kale slaaf1 die zich pas voor geld heeft weten vrij te koopen1 en nu1 na zich gebaad en in een nieuw pak kleren gestoken te hebben1 als bruidegom voor den dag komt1 om de dochter van zijnen verarmden meester te trouwen8--,zij hebben er veel van4--,en welke kinderen zullen nu uit zulk een huwelijk gehoren worden8 ,immers zonder burgerregt#aac1 en zonder uitstekende hoedanigheden8--,natuurlijk4--,en wanneer nu zij1 die geen wetenschappelijke opleiding waard zijn1 op eene onbetamelijke wijs tot de wijsbegeerte naderen1 welke denkbeelden en meeningen moeten wij dan zeggen1 dat zij zullen voortbrengen8 ,zullen die wel beter zijn dan drogredenen1 zonder echte wetenschap en waarheid8--,wel neen4-- ,x4 ,dan blijven er al heel weinig over1 ,adimantus6 die zich naar behooren met de wijsbegeerte bezig houden1 hetzij dat een edel en goed opgevoed karakter door staatkundige beroeringen in ballingschap gezonden1 door gebrek aan personen1 die het zoeken af te leiden1 bij zijne natuurlijke neiging volhardt2 hetzij dat een groote geest in eene kleine stad geboren den staatkundigen werkkring1 die dr voor hem openstaat1 beneden zich vindt2 misschien zal ook nog een klein hoopje van edelen van andere bezigheden1 die hun niet langer voldoen1 tot de wijsbegeerte overgaan4 ,ook een band zoo als die van onzen vriend ,theages zou welligt sommigen kunnen terughouden4 ,theages toch is in alle andere opzigten juist iemand1 om van de wijsbegeerte af te dwalen2 maar de ziekelijkheid van zijn ligchaam belet hem zich met staatszaken te bemoeijen4 ,het goddelijke teeken echter1 dat mij te beurt valt#aad1 kan hier niet in aanmerking komen2 want daarvan zijn bij anderen zoo goed als geen voorbeelden4 ,deze weinigen nu1 eens het genoegen en het geluk der wijsbegeerte geproefd hebbende1 en tevens de dwaasheid der menigte ziende1 en dat niemand1 om zoo te spreken1 gezonde begrippen van staatszaken heeft1 en dat er niemand is1 die hen1 als zij de regtvaardigheid voorstonden1 zou willen beschermen en helpen1 maar dat zij als een mensch1 die onder wilde beesten vervallen was1 niet mede onregt willende doen1 en alleen de woeste menigte niet kunnende tegenhouden1 voordat zij den staat of hunne vrienden eenig voordeel konden aanbrengen1 zonder nut voor zich zelven of anderen vergaan zouden2 dit alles beredenerende en zich stil houdende en hun eigen zaken verrigtende1 zijn zij even als iemand1 die bij een wervelwind ergens schuilen kan1 bijzonder tevreden1 zoo zij1 de onregtvaardige daden der anderen ziende1 zelven vrij van onregt en goddeloosheid hun leven kunnen doorbrengen1 en er eindelijk met goede hoop kalm en gelaten uit kunnen verscheiden4--,edoch1 als zij dat kunnen1 hebben zij althans iets1 en wel niet het minste1 bereikt4--,ja1 maar het meeste toch ook niet1 daar zij geene voor hen geschikte staatsregeling gevonden hebben1 want in dat geval zouden zij zelven zich beter ontwikkelen en niet slechts hun eigen maar ook het algemeene heil bevorderen4 ,,xi4 ,wij hebben dus1 geloof ik1 voldoende besproken1 waarom de wijsbegeerte gescholden wordt1 en dat dit onverdiend is2 of gij moest er anders over denken4--,daarvan spreek ik in 't geheel niet meer2 maar welke der tegenwoordige staten vindt gij nu voor haar geschikt8--,volstrekt geene1 maar ik klaag er juist over1 dat geene tegenwoordig bestaande staatsregeling voor een wijsgeerig karakter geschikt is1 en dat het daardoor verkeerd en bedorven wordt2 en dat1 gelijk een plant1 die uit een vreemde luchtstreek is overgebragt1 gewoonlijk langzamerhand verbastert en den aard der inheemsche planten moet aannemen1 zoo ook zulk een karakter zich tegenwoordig niet naar zijnen aard kan ontwikkelen1 maar tot vreemde zeden vervalt3 doch1 zoo het eens eene goede staatsregeling vindt1 dan zal het blijken1 dat het in waarheid goddelijk is1 maar dat de andere karakters en bezigheden slechts menschelijk zijn4 ,nu zult gij zeker vragen1 welke die staatsregeling is4--,dat was eigenlijk mijn plan niet1 maar wel1 of het deze is1 welke wij bij het stichten van onzen staat besproken hebben1 of eene andere4--,in de andere opzigten deze2 maar wij hebben toen reeds gezegd1 dat er altijd iets in den staat moet wezen1 dat steeds die begrippen van staatsregeling in stand houdt1 volgens welke gij als wetgever de wetten gemaakt hebt#aae4--;,dat hebben wij4--,dit nu is echter niet genoeg verklaard1 daar ik door uwe tegenwerpingen#aaf bevreesd was geworden1 dat de redenering lang en moeijelijk zou wezen2 want het overige is ook niet bijzonder gemakkelijk4--,wat8--,hoe een staat de wijsbegeerte kan aanpakken1 zonder die te bederven4 ,alles toch1 wat hoog is1 kan ligt wankelen1 en het spreekwoord zegt3 het schoone is moeijelijk4--,evenwel1 moeten wij dit nog aantoonen om onze redenering ten einde te brengen4--,het zal mij niet aan den wil1 maar misschien wel aan 't vermogen haperen2 mijne bereidwilligheid zult gij zelf kunnen beoordeelen4 ,zie maar eens1 hoe bereidwillig en onverschrokken ik al dadelijk zeg1 dat de staat dit werk geheel anders dan tegenwoordig geschiedt moet aanpakken4--,hoe zoo8--,tegenwoordig bemoeijen zij1 die er nog het meest aan doen1 zich er als knapen mede1 in den tijd tusschen hunne kindsheid en de werkzaamheden van het huisbestier en geldwinnen2 en laten haar loopen1 als zij tot haar zwaarste deel1 de redeneerkunde gekomen zijn2 en als zij later zich nog soms laten overhalen om eens naar eene wijsgeerige voordragt te gaan luisteren1 vinden zij zich al heel vlijtig1 meenende dit als bijzaak te moeten behandelen2 maar op enkele uitzonderingen na wordt hun ijver in den ouderdom nog meer uitgebluscht dan de zon van ,heracliet#aag1 daar hij nimmer weder ontstoken wordt4--,maar hoe moet het dan8--,juist integendeel moeten kinderen en knapen slechts zulk onderwijs bekomen1 als voor hunnen leeftijd geschikt is1 maar hun ligchaam moet1 terwijl het in zijn groei is1 zoo goed mogelijk verzorgd worden1 opdat het een goed werktuig voor een wijsgeerigen geest worde2 doch op meer gevorderden leeftijd1 wanneer de geest volwassen wordt1 moet hij ook meer worden ingespannen2 en wanneer de kracht des ligchaams vermindert1 en de mensch voor krijgsdienst en burgerlijke betrekkingen ongeschikt wordt1 dan moeten zij1 die gelukkig willen leven en hun leven met een gelukkig einde willen kroonen1 zich geheel aan de wijsbegeerte toewijden en alle andere dingen slechts als bijwerk beschouwen4-- ,,xii4 ,waarlijk1 ,socrates6 aan bereidwilligheid hapert het u niet1 maar ik geloof toch1 dat velen uwer toehoorders1 met ,thrasymachus voorop1 nog bereidwilliger zijn om u tegen te spreken4--,maak nu geen twist1 zeide ik1 tusschen mij en ,thrasymachus1 die nooit vijanden waren1 en daareven zelfs vrienden zijn geworden4 ,want wij moeten zonder ophouden trachten hem en de anderen te overreden1 of hen althans iets te laten winnen tegen het volgende leven1 wanneer zij wederom geboren zijnde1 over dergelijke dingen moeten redeneren4--,gij maakt1 zou ik zeggen1 plannen voor een kleinen tijd4--,och6 voor zoo goed als geenen1 in vergelijking met den geheelen tijd4 ,doch1 om tot ons onderwerp terug te keeren1 dat de menigte aan die woorden geen geloof slaat1 is niet te verwonderen2 want zij hebben nooit iets1 als hetgeen wij nu zeggen1 bijgewoond1 maar veeleer woorden1 die met voordacht in eene zekere overeenstemming met elkander gebragt waren1 en niet1 gelijk nu1 naar het viel bijeenkwamen2 doch van een man1 die zoo veel mogelijk zijne woorden en werken in overeenstemming brengt met de deugd1 en in eenen op diezelfde wijs ingerigten staat het bewind voert1 hebben zij nooit een enkel voorbeeld gezien3 denkt gij wel8--,wel neen4--,en zij hebben ook nimmer wezenlijk goede en betamelijke redeneringen gehoord1 waarin de waarheid op allerlei wijs1 met inspanning1 uit zuivere weetgierigheid gezocht wordt1 en die zich verwijderd houden van sieraad en drogredenen1 welke nergens anders naar streven dan naar het maken van vertooning in openbare twistgedingen en bijzondere bijeenkomsten4--,dat is zoo4--,dit nu vooruitziende1 werd ik daareven bevreesd2 maar zeide toch1 door de waarheid gedwongen1 dat geen staat1 noch staatsregeling1 noch enkel mensch volmaakt kan worden1 voordat deze weinige wijsgeeren1 die nu niet slecht maar onbruikbaar heeten1 door de omstandigheden genoodzaakt1 zich1 of zij willen of niet1 met de staatszaken bezig houden1 en in staatsdienst treden1 of dat bij de zonen der tegenwoordige magthebbers of bij dezen zelven door eene gunstige beschikking der voorzienigheid opregte liefde voor ware wijsbegeerte wordt opgewekt4 ,en dat n van deze gevallen of beiden onmogelijk zou wezen1 daarvoor zie ik volstrekt geen reden2 anders zouden wij met regt om onze vrome wenschen worden uitgelagchen3 vindt gij niet8--,zeker4--,zoo nu zij1 die in de wijsbegeerte uitmunten1 in vorige eeuwen misschien eens zijn gedwongen geworden om de staatszaken ter harte te nemen1 of zoo dit tegenwoordig ergens in het buitenland1 ver van ons verwijderd1 plaats heeft1 of in later tijd zal plaats hebben1 dan zijn wij bereid staande te houden1 dat dr de gezegde staatsregeling geweest is1 of tegenwoordig is1 of zijn zal1 zoodra die muze de magt in handen krijgt4 ,onmogelijk toch is hetgeen wij zeggen niet1 al moeten wij zelven bekennen1 dat het moeijelijk is4--,zoo denk ik er ook over4--,en evenzeer zult gij zeggen1 dat de menigte er zoo niet over denkt4--,ja4--,mijn beste6 val die menschen zoo hard niet3 zij zullen er anders over denken1 zoo gij zonder bitsheid1 kalm redenerende en den kwaden dunk omtrent de wijsbegeerte oplossende aantoont1 wie gij wijsgeeren noemt1 en1 zoo als wij daareven deden1 hunnen aard en hunne werkzaamheid bepaalt1 opdat zij merken1 dat gij niet dezelfden meent1 die zij bedoelen4 ,of denkt gij niet1 dat zij dit begrijpende van meening zullen veranderen en een ander antwoord zullen geven8 ,of gelooft gij1 dat iemand1 die vriendelijk en niet naijverig is1 zonder reden boos of naijverig zal worden8 ,ik zal u maar vr wezen1 en zeggen1 dat naar mijn inzien zulk een lastig karakter bij weinigen1 en althans niet bij de menigte gevonden wordt4--,dat moet ik u toestemmen4--,en dan stemt gij zeker ook dit toe1 dat de haat der menigte tegen de wijsbegeerte aan hen te wijten is1 die van buiten ongepast op haar indringen1 en elkander beschimpen en vijandig behandelen1 en altijd over menschen sprekende zich op eene wijze gedragen1 die met de wijsbegeerte volstrekt niet strookt4--,zekerlijk4-- ,,xiii4 ,iemand1 die waarlijk zijn geest op hetgeen wezenlijk is gerigt heeft1 ,adimantus6 heeft dan ook geen tijd om naar beneden te zien1 naar al de bemoeijingen der menschen1 en met hen twistende zich met nijd en toorn te vervullen2 maar op het onveranderlijke en steeds aan zich zelf gelijke ziende1 en datgene beschouwende1 wat geen onregt doet of lijdt maar volkomen geordend en geregeld is1 zoekt hij dat na te volgen en zich er aan gelijk te maken4 ,of houdt gij het voor mogelijk1 dat iemand hetgeen1 waarmede hij gaarne omgaat1 niet zou navolgen8--,wel neen4--,en daar nu de wijsgeer met het goddelijke en ordelijke omgaat1 wordt hij zelf zoo ordelijk en goddelijk als dit voor een mensch mogelijk is1 hoezeer er bij allen veel te berispen blijft4--,juist4--,en wanneer hij nu wordt genoodzaakt1 hetgeen hij dr ziet voortdurend in de zeden der enkele personen en der staten ingang te verschaffen1 en niet alleen zich zelven te vormen1 gelooft gij dat hij dan een slecht bewerker zal wezen van ingetogenheid1 en regtvaardigheid1 in 't kort van burgerdeugd8--,zeker niet4--,maar als nu de menigte merkt1 dat wij van hem de waarheid zeggen1 zal zij dan nog boos zijn op de wijsgeeren1 en ons geloof weigeren1 als wij zeggen1 dat een staat niet gelukkig kan worden1 zoo niet die schilders hem teekenen1 die het goddelijk voorbeeld navolgen8--,zij zal niet boos zijn1 als zij dat merkt4 ,maar hoe moet dat teekenen plaats hebben8--,zij moeten dan den staat en de zeden der menschen als een paneel eerst schoon afvegen4 ,en dit is niet gemakkelijk2 maar gij weet nu1 dat zij noch een enkel mensch1 noch een staat zouden willen aanpakken of hun wetten voorschrijven1 zoo zij niet alles schoon vonden of zelve schoon mogten maken4--,natuurlijk4--,zouden zij niet daarna de omtrekken der staatsregeling schetsen8--,ja4--,en terwijl zij dat verder afwerkten1 zouden zij1 denk ik1 veel zien n naar het van natuur regtvaardige1 schoone1 ingetogene1 enz41 n naar datzelfde voor zoo ver het onder de menschen bestaat2 en die dan zamen verbindende en vermengende zouden zij hieruit de trekken ontleenen van het beeld des menschen1 zich hierbij aan het goddelijke en godegelijkende1 dat ,homerus in sommige menschen prijst1 herinnerende4--,dat is goed4--,en zij zouden dan1 denk ik1 met uitwisschen en overschilderen voortgaan1 totdat zij de zeden der menschen zoo veel mogelijk aangenaam aan de godheid gemaakt hadden4--,dat zou een heerlijk schilderstuk worden4--,zouden wij nu hen1 die gij zeidet1 dat woedend op ons zullen komen aanloopen#aah1 niet kunnen overreden1 dat z toch wezenlijk de statenschilder zijn moet1 aan wien zij niet wilden1 dat wij den staat overgaven2 en zouden zij1 dit gehoord hebbende1 niet wat handelbaarder worden8--,zeker2 als zij wijs zijn4--,wat zouden zij dan ook nog kunnen betwijfelen8 ,of de wijsgeeren wel liefhebbers zijn van hetgeen waarlijk is1 en van de waarheid8--,dat is al te gek4--,of dat hun karakter1 hetwelk wij ontwikkeld hebben1 verwant is aan het beste8--,ook dat niet4--,of dat zulk een karakter1 als het de vereischte opleiding krijgt1 zoo goed en wijsgeerig mogelijk zal wezen8 ,of zullen zij hun de voorkeur geven1 die wij hebben uitgeworpen8--,waarlijk niet4--,zullen zij dan nog boos worden1 als wij zeggen1 dat1 voordat het geslacht der wijsgeeren het bestuur in handen krijgt1 noch voor den staat1 noch voor de burgers een einde aan de rampen zal wezen1 noch de staatsregeling1 die wij nu beschrijven1 zal verwerkelijkt worden8--,waarschijnlijk wel minder4--,laten wij dan maar zeggen1 dat zij niet minder1 maar volstrekt niet boos1 en integendeel geheel overtuigd zijn2 in de hoop1 dat zij zich ten minste schamen ons nog langer tegen te spreken4--,best4-- ,,xiv4 ,hen kunnen wij dus als overtuigd beschouwen1 maar zal nu welligt iemand twijfelen1 of het mogelijk is1 dat kinderen van koningen of vorsten met een wijsgeerigen aanleg geboren worden8--,wel neen4--,dat dezen nu waarschijnlijk zullen bedorven worden1 ziet ieder in1 en wij stemmen zelve toe1 dat hunne redding moeijelijk is2 maar dat er in den geheelen tijd van die allen nooit iemand zou gered worden1 is toch ook niet waarschijnlijk#aai4--,wel neen4--,maar1 n enkele1 met een gehoorzaam volk1 is genoeg om alles1 waaraan nu getwijfeld wordt1 tot stand te brengen4--,dat is waar4--,als de overheid de gezegde wetten en instellingen voorslaat1 is het toch ook niet onmogelijk1 dat de burgers ze willen uitvoeren4--,waarlijk niet4--,en zou het ook zulk een wonder en zoo onmogelijk zijn1 dat anderen evenzoo dachten als wij8--,dat vind ik niet4--,en dat het1 zoo het maar tot stand kan komen1 het beste is1 hebben wij1 geloof ik1 in het vorige voldoende bewezen4--,ja4--,dus volgt1 dat ons plan van wetgeving het beste is1 en wel moeijelijk is uit te voeren1 maar niet onmogelijk4--,dat volgt4-- ,,xv4 ,dit is dan eindelijk klaar1 en nu ligt voor ons aan de beurt te bespreken1 hoe en door welke studie en bezigheid de instandhouders onzer staatsregeling moeten gevormd worden1 en op welken leeftijd zij met ieder vak moeten beginnen4--,juist4 ,dat moeten wij dan maar bespreken4--,ik heb er geen wil van gehad1 zeide ik1 toen ik die moeijelijke voorschriften omtrent de vrouwen1 en de voortteling1 en het aanstellen van overheden zocht over te slaan1 wetende1 dat zij1 hoe waar ook1 aan veel berispingen onderhevig en lastig uit te voeren zijn1 want ik ben des niet te min genoodzaakt geworden ze te behandelen4 ,en met de vrouwen en de kinderen zijn wij nu gereed1 maar het vraagstuk der overheden moet nog van den grond af worden opgehaald4 ,wij hebben gezegd1 als gij het u herinnert1 dat zij bewijzen moeten geven van vaderlandsliefde1 en beproefd moeten zijn in vermaak en smart1 als die bij geen rampen1 noch verschrikkingen1 noch eenige andere lotwisseling hunne beginselen laten varen2 en dat wij hen1 die daartoe te zwak zijn1 moeten afkeuren1 maar hen1 die als in het vuur beproefd goud overal standvastig blijven1 tot overheden moeten aanstellen en levend en dood met geschenken vereeren#abj4 ,dit zeiden wij in het voorbij gaan en liepen er overheen1 om het tegenwoordige vraagstuk niet aan te roeren4--,dat is waar1 ik herinner het mij wel4--,ik had toen ook weinig lust1 mijn vriend6 om te zeggen1 wat ik nu toch maar gewaagd heb2 namelijk1 dat volkomene wachters wijsgeeren moeten wezen4--,dat kunnen wij nu wel zeggen4--,bedenk dan nu eens1 hoe weinig gij er hebben zult4 ,het karakter toch1 dat wij in hen verlangen1 wordt zelden in zijn geheel aangetroffen1 maar meest bestaan deszelfs deelen ieder afzonderlijk4--,hoe zoo8--,vluggen in het leeren1 sterken van geheugen en snellen van bevatting zijn zelden1 tevens onverschrokken1 grootmoedig1 en geneigd om betamelijk1 in rust en bestendigheid hun leven door te brengen1 maar de zoodanigen worden door hunne vlugheid her en derwaarts gevoerd2 en alle bestendigheid gaat uit hen verloren4--,dat is waar1 zeide hij4--,die bestendige1 niet ligt veranderlijke karakters daarentegen1 op welke men zoo gerust kan vertrouwen1 en die door de verschrikkingen van den oorlog niet ligt bewogen worden1 zijn ook even onbeweeglijk in het leeren1 en vorderen weinig en zijn als 't ware verlamd1 en worden slaperig en gaan gapen1 wanneer zij zoo iets moeten uitvoeren#aba4--;,juist4--,maar wij zeiden1 dat zij te gelijk vlugheid in het leeren en bestendigheid moesten hebben1 of dat wij hun geen deel aan de hoogste wetenschap en aan eer en gezag geven moesten4--,en met regt4--,zullen er dan niet weinig zijn8--,ja4--,wij moeten ze dan1 zoo als toen gezegd is1 in arbeid1 en vrees1 en vermaak beproeven1 en daarenboven1 wat toen is overgeslagen1 in vele wetenschappen oefenen1 om te zien1 of zij ook voor de hoogste wetenschap geschikt zijn1 dan of zij er bang voor worden1 zoo als anderen voor gevaren4--,dat onderzoek bevalt mij1 maar wat noemt gij de hoogste wetenschap8-- ,,xvi4 ,misschien herinnert gij u nog1 hoe wij de ziel in drie deelen verdeeld en de regtvaardigheid1 de matigheid1 den moed en de wijsheid bepaald hebben8--,als ik mij dat niet herinnerde1 was ik waard het overige niet te hooren4--,en weet gij ook nog hetgeen daar vr gezegd is8--,wat8--,wij zeiden1 dat1 om deze zoo goed mogelijk te zien1 een langere weg vereischt werd1 aan wiens einde zij duidelijk in het oog zouden vallen2 doch dat ook uit het gezegde reeds een bewijs kon afgeleid worden4 ,en toen zeidet gij1 dat dit voldoende was1 en zoo is het toen naar mijn oordeel met te weinig naauwkeurigheid beredeneerd1 maar of het u voldaan heeft1 moet gij zelf zeggen4--,ik vond het genoeg1 en de anderen vonden het ook4--,mijn vriend6 in zulke dingen is niets genoeg1 zoo lang er iets wezenlijks ontbreekt1 want niets is genoeg wat onvolkomen is1 hoezeer sommigen het wel eens genoeg vinden en het verdere zoeken onnoodig rekenen4--,dat gebeurt dikwijls uit gemakkelijkheid4--,edoch die oorzaak mag bij een wachter van den staat en der wetten geen invloed uitoefenen4--,daarin hebt gij gelijk4--,zulk een persoon1 mijn vriend6 moet dus den langeren weg gaan1 en zich bij de studie niet minder inspannen dan bij de ligchaamsoefeningen1 of hij zal nimmer in de hoogste en voortreffelijkste wetenschap1 waarvan wij spreken1 doordringen4--,maar is dit dan niet bet hoogste4 ,is er dan iets hoogers dan de regtvaardigheid en hetgeen wij verder behandeld hebben8--,ja1 zeide ik2 en van deze dingen zelven moet hij niet1 zoo als nu1 slechts eene schets aanschouwen1 maar ze geheel en al afgewerkt zien4 ,of is het niet gek in andere dingen van weinig belang zijn uiterste best te doen1 om ze zoo naauwkeurig en zuiver mogelijk te hebben1 en in de hoogste dingen niet naar de hoogste naauwkeurigheid te streven8--,het is wel der moeite waard dit ter harte te nemen4 ,maar denkt gij1 dat iemand u nu zal laten gaan1 zonder u te vragen1 wat toch die hoogste wetenschap is1 en waarop zij betrekking heeft8--,wel neen1 vraag gij het maar4 ,gij hebt het echter niet zelden gehoord1 en gij denkt er slechts op het oogenblik niet aan1 of gij zijt van zins mij door tegenspreken in het naauw te brengen4 ,ik geloof meer het laatste2 want dat de idee van het goede de hoogste wetenschap is1 hebt gij dikwijls gehoord1 en ook dat het regtvaardige1 enz41 door haar bruikbaar en nuttig wordt4 ,en nu weet gij wel1 dat ik ga zeggen dat wij haar noodig hebben1 en verder1 dat wij haar niet volkomen kennen2 maar dat zonder haar alle andere kennis even weinig waarde heeft1 als het verkrijgen van eenig ding1 aan hetwelk de eigenschap van goed te zijn gemist wordt4 ,of vindt gij1 dat wij iets winnen met eenige bezitting1 die niet goed is1 te verwerven of met het verkrijgen van alle kennis1 behalve die van het goede8--,wel neen1 zeker niet4-- ,,xvii4 ,nu weet gij immers wel1 dat de menigte het vermaak1 en de meer beschaafden de kennis voor het goede houden4--,wel zeker4--,en dat zij1 mijn vriend6 die er z over denken1 niet kunnen opgeven1 welke kennis2 maar dat zij eindelijk genoodzaakt worden te zeggen3 de kennis van het goede4--,ja1 en dat is al heel gek4--,of het gek is1 zeide ik1 want terwijl zij ons verwijten1 dat wij het goede niet kennen1 spreken zij er tegen ons toch weer z over1 alsof wij het wel kenden2 want zij bepalen het als de kennis van het goede1 even alsof wij hen konden begrijpen1 wanneer zij van het goede zeggen#abb4--;,dat is zeer waar4--,en zijn zij1 die het vermaak voor het goede houden1 wel in eene minder erge dwaling dan de anderen8 ,of moeten zij niet erkennen1 dat er ook slecht vermaak is8--,wel zeker4--,daaruit volgt dan1 dat zij goed en slecht voor hetzelfde houden1 niet waar8--,ongetwijfeld4--,blijkt hieruit niet1 dat er over dit punt veel te redeneren valt8--,zeker4--,en blijkt het niet bovendien1 dat velen wat schoon en regtvaardig schijnt1 ook al is het zulks niet1 toch willen doen en hebben en ten toon dragen2 doch dat niemand tevreden is met het schijnbaar goede te hebben1 maar allen zoeken wat wezenlijk goed is1 en geen waardij aan den blooten schijn hechten8--,ongetwijfeld4--,maar zullen wij nu zeggen1 dat ten opzigte van hetgeen alle menschen najagen en bij al hun doen beoogen1 daar zij het voor iets werkelijks houden1 doch welks aard zij niet kennen noch behoorlijk kunnen vatten1 of zoo als andere dingen door een onwankelbaar geloof aannemen1 waardoor zij dan ook in de andere dingen hun wezenlijk voordeel missen2 dat ten opzigte van zulk eene belangrijke zaak ook de besten in den staat1 aan wie wij alles toevertrouwen1 even onwetend moeten wezen8--,wel neen1 zeker niet4--,ik zou dan ook denken1 dat het regtvaardige en schoone slecht zal bewaakt worden door een wachter1 die niet weet in welk opzigt zij goed zijn2 ja ik vermoed1 dat zij zelfs door iemand1 die dat niet weet1 niet eens goed kunnen gekend worden4--,dat vermoeden beaam ik4--,en zal onze staat niet geheel in orde zijn1 als hij bestuurd wordt door een wachter1 die daarmede bekend is8-- ,,xviii4 ,dat is natuurlijk4 ,maar1 ,socrates6 houdt gij het goede voor de kennis1 of voor het vermaak1 of voor iets anders8--,gij zijt er een6 zeide ik4 ,al lang was het te merken1 dat gij niet tevreden zoudt zijn met de meeningen der anderen te hooren4--,ik vind het dan ook niet billijk1 ,socrates6 als men zich zoo lang met die dingen bezig houdt1 wel de meeningen van anderen te zeggen1 maar de zijne niet4--,maar vindt gij het dan billijk1 over dingen1 die men niet weet1 te spreken1 alsof men ze weet8--,niet alsof men ze weet1 maar alsof men daaromtrent eene meening heeft1 en die meening wil zeggen4--,maar1 gij hebt toch wel gemerkt1 dat alle meeningen zonder kennis leelijk zijn2 en de beste derzelve blind3 of vindt gij eenig verschil tusschen blinden1 die bij toeval den goeden weg opgaan1 en hen1 die eene ware meening hebben1 zonder daar de reden van te weten8--,dat komt op hetzelfde ner4--,wilt gij dan leelijke1 en blinde1 en kromme dingen beschouwen1 terwijl gij van anderen heldere en schoone kunt hooren8--,bij ,zeus1 ,socrates6 zeide ,glauco1 houd nu niet op1 alsof gij aan het einde waart2 want wij zullen tevreden zijn1 wanneer gij het goede behandelt1 zoo als gij de regtvaardigheid1 de ingetogenheid1 enz42 behandeld hebt4--,daarmede zal ik ook bijzonder tevreden zijn1 mijn vriend6 maar ik ben bang1 dat ik er niet toe in staat zal wezen1 en dat ik1 door het toch te beproeven1 een gek figuur zal maken4 ,maar1 mijne vrienden6 laat ons voor het oogenblik de vraag1 wat het goede is1 laten rusten2 want ik geloof1 dat om hetgeen er mij nu van voor den geest zweeft te bereiken1 eene meer diepzinnige redenering dan onze tegenwoordige gevorderd wordt2 maar den zigtbaren zoon van het goede1 die er het meest op gelijkt1 wil ik1 zoo het u goeddunkt1 zeggen2 zoo niet1 verzwijgen4--,zeg dien dan maar1 naderhand zult gij er toch wel aan moeten gelooven1 en ons den vader zeggen4--,ik zou willen1 dat ik dien zeggen kon1 en dat gij hem kondet vatten1 en u niet tot de kinderen behoefdet te bepalen4 ,doch weest nu met dezen zoon van het goede tevreden4 ,past echter op1 dat ik u niet tegen mijnen wil bedrieg1 en u een onderschoven kind voorstel4--,wij zullen zoo veel mogelijk oppassen1 zeg het maar4--,eerst moeten wij ons nog eens onderling verstaan1 en ons geheugen te hulp roepen1 omtrent hetgeen in het vorige en ook bij vele andere gelegenheden gezegd is4--,wat8--,wij zeggen1 dat er vele schoone en vele goede dingen zijn1 en evenzoo zeggen en bepalen wij ook al het andere4--,dat doen wij4--,en aan den anderen kant stellen wij van die vele en schoone en goede dingen en evenzoo van al de andere1 die wij eerst velen noemden1 eene ide b4 v4 het schoone1 het goede1 enz41 en noemen die het wezenlijke van elk van die vele dingen4--,dat is waar4--,en wij zeggen1 dat die vele dingen gezien1 maar niet gedacht2 de iden daartegen gedacht1 maar niet gezien worden4--,juist4--,en welk vermogen hebben wij nu1 om de zigtbare dingen te zien8--,het gezigt4--,en zoo dient immers ook het gehoor voor de hoorbare dingen1 en evenzoo de andere zintuigen voor al wat verder zinnelijk is8--,ja4--,hebt gij nu wel eens bedacht1 hoe bijzonder voortreffelijk de maker der zintuigen het zintuig des gezigts heeft gemaakt8--,neen4--,bezie het dan eens aldus3 ,heeft het gehoor en het geluid nog een derde ding noodig om te hooren1 en gehoord te worden1 zonder welks bijkomen het eerste niet zal hooren1 en het tweede niet gehoord worden8--,neen4--,en zoo meen ik1 dat ook vele1 om nu niet te zeggen alle andere zintuigen1 niets dergelijks noodig hebben4 ,of weet gij er n voorbeeld van8--,neen ik4--,maar merkt gij niet1 dat het gezigt en het zigtbare wl zoo iets noodig hebben8--,hoe dat8--,wanneer de oogen het vermogen des gezigts hebben1 en de menschen daarvan trachten gebruik te maken1 en er kleuren voor hetzelve aanwezig zijn1 dan weet gij1 dat evenwel1 zoo er niet nog een derde1 dat bepaaldelijk daar voor is ingerigt1 bij komt1 het gezigt niets ziet en de kleuren onzigtbaar blijven4--,wat bedoelt gij daarmede8--,wat gij licht noemt4--,dat is waar4--,dus heeft de zintuig des gezigts het voorregt1 dat het met de zigtbare dingen door een kostelijker band is vereenigd dan elk der andere zintuigen met zijn voorwerp2 daar toch het licht niet te verachten is4--,neen waarlijk niet4-- ,,xix4 ,wien der hemelgoden noemt gij nu daarvan de oorzaak1 en wiens licht gelooft gij1 dat ons gezigt het best in staat stelt om te zien1 en het zigtbare om gezien te worden4--,ik denk hier aan denzelfden als gij en alle anderen1 want gij meent natuurlijk de zon4--,en staat nu het gezigt tot dien ,god in deze verhouding8--,in welke8--,de zon is zelve geen gezigt noch hetgeen1 waarin het gezigt huisvest1 namelijk het oog4--,neen4--,maar dit heeft de grootste gelijkheid van alle zintuigen met de zon4--,zeker4--,en deszelfs vermogen heeft het als 't ware door uitstrooming uit de zon gekregen4--,juist4--,dus is de zon wel zelve geen gezigt1 maar is daarvan de oorzaak1 en wordt er ook door gezien4--,juist4--,dit is nu de zoon van het goede1 dien ik bedoelde1 wien het goede als zijn afbeeldsel heeft voortgebragt1 zoodat deze in de zigtbare wereld tot het gezigt en de zigtbare dingen dezelfde verhouding heeft als het goede zelf in de denkbare wereld tot het denken en de gedachten4--,hoe meent gij dat1 zeg het nog eens4--,gij weet1 dat de oogen1 wanneer men ze niet naar die dingen keert1 welke door het licht van den dag bestraald worden1 maar naar nachtelijke schijnsels1 stomp worden en haast blind zijn1 even als of zij het vermogen om te zien misten4--,ja4--,maar wanneer zij naar dingen gekeerd worden1 die door de zon verlicht zijn1 dan zien zij duidelijk1 en dan blijkt het1 dat diezelfde oogen heel goed zien kunnen4--,natuurlijk4--,let eens evenzoo op de ziel4 ,wanneer zij zich vestigt op dingen1 die door de waarheid en het wezenlijk zijnde beschenen worden1 dan denkt zij die1 en kent ze1 en blijkt denkvermogen te hebben2 maar1 wanneer zij zich vestigt op het met duisternis vermengde1 hetgeen ontstaat en vergaat1 dan meent zij slechts1 en is stomp en verandert telkens van meening1 en het schijnt als had zij het kenvermogen niet4--,dat is zoo4--,zeg dan nu1 dat hetgeen aan het gekende de waarheid en aan den kennenden het vermogen om te kennen verschaft1 de ide van het goede is1 welke de kennis en de waarheid1 die door het kenvermogen gekend wordt1 veroorzaakt2 en als gij1 terwijl kennis en waarheid al zoo heel schoon zijn1 haar voor nog schooner houdt1 zult gij weldoen2 en even als het juist is1 het licht en het gezigt wel als met de zon verwant1 maar niet als de zon zelve te beschouwen1 zoo moet gij ook de kennis en de waarheid wel beide met het goede verwant noemen1 maar niet het goede zelf1 daar gij dit nog vrij wat hooger moet stellen4--,dat moet al heel schoon zijn1 zoo het wel kennis en waarheid aanbrengt1 maar zelf in schoonheid daarboven uitmunt2 want gij meent nu zeker het vermaak niet4--,pas op uwe woorden6 zeide ik2 maar beschouw zijne natuur liever aldus4--,hoe8--,gij zult1 geloof ik1 zeggen1 dat de zon niet alleen het zigtbare in staat stelt om gezien te worden1 maar ook geboorte1 wasdom en voedsel verschaft1 zonder zelve geboorte1 enz4 te wezen4--,juist4--,evenzoo moet gij zeggen1 dat het kenbare door het goede niet slechts kenbaar gemaakt wordt1 maar ook bestaat en daardoor aan het zijn deel heeft1 zonder dat het goede het zijn is1 maar terwijl het daar nog vr en boven gaat#abc4 ,,xx4 ,toen riep ,glauco1 zich vrolijk makende3 ,bij ,apollo6 dat is wel een overtreffende trap4--,alles is uwe schuld1 zeide ik1 daar gij mij gedwongen hebt mijne meening te zeggen4--,houd daar niet mede op voordat althans de gelijkenis van de zon is afgehandeld2 zoo gij ten minste nog meer over hebt4--,ik heb nog veel over4--,houd daarvan toch niets achter4--,ik ben integendeel voornemens1 veel achter te houden2 maar zal u toch zoo veel zoeken mede te deelen1 als op het oogenblik mogelijk is4--,dat is goed4--,houd dan nu het goede en de zon voor twee verschillende dingen1 waarvan het ne de denkbare1 het andere de zigtbare wereld regeert4 7,het woord hemel vermijd ik hier met voordacht1 om niet in verdenking van spelen met woorden te komen47 ,gij hebt dus hier twee soorten van dingen1 de zigtbare1 en de denkbare4--,ja4--,doe nu als of gij eene lijn in tween gedeeld hadt1 en deel nog eens ieder stuk1 dat van het zigtbare1 en dat van het denkbare1 in tween1 dan hebt gij aan weerskanten twee in duidelijkheid van elkaar verschillende stukken1 namelijk1 in het zigtbare vooreerst de beelden4 ,ik bedoel met beelden onder anderen de schaduwen1 verder de schijnsels in het water en op effene1 gladde en blinkende oppervlakten1 enz41 begrijpt gij8--,ja4--,stel nu als het andere stuk de levende wezens en alle planten en voortbrengselen van kunst1 enz4--,goed4--,zoudt gij nu niet willen toestemmen1 dat hier ten aanzien van de waarheid hetzelfde verschil tusschen het afgebeelde en het afbeeldsel bestaat1 als tusschen de voorwerpen der meening en die der kennis8--,ongetwijfeld4--,let nu ook eens op1 hoe het stuk van het denkbare moet doorgesneden worden4--,hoe dan8--,om het ne deel daarvan te vinden1 moet de ziel de daareven genoemde dingen als beelden gebruiken en uit onderstellingen zich niet naar den grond1 maar naar het op dezelve gebouwde begeven2 en om het andere deel te vinden uit onderstellingen naar den eersten grond1 zonder behulp van beelden maar alleen langs zuivere begrippen voortgaande4--,wat gij daar zegt1 begrijp ik niet goed4--,het zal straks wel beter gaan1 wanneer gij er dit nog bij gehoord hebt4 ,want gij weet1 geloof ik1 wel1 dat de beoefenaars der meetkunst1 rekenkunst1 enz41 bij iedere redenering axioma's en bepalingen ten grondslag leggen1 en die als zeker stellende1 zonder het noodig te keuren daarvoor een bewijs te leveren1 dewijl zij voor ieder klaarblijkelijk zijn1 daarvan bij het bewijzen van het overige uitgaan1 en z tot het punt komen1 hetwelk zij zich voorgenomen hadden te beredeneren4--,dat weet ik heel goed4--,en dat zij de zigtbare figuren tot hulpmiddelen bij hunne redeneringen bezigen1 zonder bepaaldelijk die figuren te bedoelen1 maar wel hetgeen zij voorstellen1 b4 v4 het vierkant1 en zijne hoekpuntslijnen in het algemeen1 niet juist die1 welke zij trekken2 en dat zij evenzoo de andere door hen geteekende figuren1 die ook zelve in schaduwen of in het water kunnen afgebeeld worden1 slechts als beelden gebruiken1 maar eigenlijk die begrippen zelve pogen te zien1 die slechts voor den geest zigtbaar zijn4--,dat is waar4-- ,,xxi4 ,dit is nu het deel der denkbare wereld1 waarvan ik zeide1 dat de ziel om het te vinden zich uit onderstellingen niet naar den grond moet begeven1 daar zij niet dieper dan die onderstellingen kan indringen1 maar wel met behulp van de zigtbare figuren en hunne afbeeldsels als van algemeen begrepene en erkende dingen1 naar de daardoor afgebeelde begrippen4--,nu vat ik1 dat gij de voorwerpen der meetkunst en hare zusterwetenschappen bedoelt4--,vat dan nu ook1 dat ik met het andere deel der denkbare wereld datgene meen1 hetwelk de geest door de rede vat1 daarbij de onderstellingen niet als grond1 maar bloot als onderstellingen en hulpmiddelen bezigende1 om tot den op geen onderstellingen meer rustenden eersten grond door te dringen1 en dien gevat hebbende1 hetgeen daarop gebouwd is te onderzoeken1 zonder behulp van zinnelijke dingen1 maar slechts langs begrippen tot begrippen voortgaande4--,nu vat ik het1 hoewel niet volkomen1 want gij spreekt daar1 dunkt mij1 van een geweldigen arbeid2 maar gij bedoelt1 geloof ik1 dat hetgeen door de rede met behulp der redeneerkunde van het zijnde en het denkbare gekend wordt1 klaarblijkelijker is dan de voorwerpen dier zoogenaamde wetenschappen1 die op onderstellingen gebouwd zijn1 en wier beoefenaars ze wel met den geest en niet met de zintuigen moeten beschouwen2 maar toch1 dewijl zij niet tot den grond doordringen en slechts van onderstellingen uitgaan1 geen waarachtige kennis schijnen te hebben1 al zijn hunne onderwerpen daar vatbaar voor1 als zij in verband met den eersten grond beschouwd worden4 ,gij oordeelt dus1 geloof ik1 dat de kennis der meetkunstenaars1 enz41 wel verstandskennis maar geen redekennis kan genoemd worden1 daar de verstandskennis tusschen de meening en de redekennis in ligt4--,dat hebt gij zeer goed opgevat4 ,stel dan nu bij die vier deelen deze vier vermogens der ziel3 bij het voornaamste de redekennis1 bij het tweede de verstandskennis1 bij het derde het geloof1 en bij het vierde het vermoeden1 en neem daarbij dezelfde verhouding in acht1 zoodat1 gelijk die deelen aan de waarheid deelachtig zijn1 ook deze vermogens aan het inzigt in dezelve deel hebben4--,dat begrijp ik1 en stem het toe1 en stel het1 zoo als gij zegt4 ,voetnoten #aaj ,plato spreekt van den geheelen tijd en de geheele wezenheid1 als wij van den oneindigen tijd en de oneindige wezenheid spreken zouden4 ,hij vat dus het begrip van de stellige1 niet van de ontkennende zijde4 ,opdat nu niemand zich aan dit vatten van het oneindige stoote1 zal ik hier twee plaatsen uit de ,eerste gronden der ,meetkunst1 door ,j4 de ,gelder overnemen4 ,op blz4 #dc zegt hij3 ,een hoek is eene onbepaalde platte vlakte1 die aan twee kanten1 door twee zamenkomende en tot in het oneindige voortloopende lijnen bepaald of begrensd1 maar1 aan den tegenovergestelden kant van het hoekpunt1 onbegrensd is4 ,men heeft geene oneindig groote stukken papier3 men kan ook geene regte lijnen tot in het oneindige verlengen2 maar men kan dezelve denken4 ,en blz4 #ic1 ,met dit verklaarde over de onmeetbare uitgebreidheden strijdt geenszins ons onvermogen1 een regte lijn1 b4 v4 tot in het oneindige te verdeelen2 want wij kunnen dit laatste niet om twee redenen3 #ao4 omdat weldra de uitgebreidheden zoo klein worden1 dat onze zintuigen dezelve niet meer kunnen onderscheiden2 #bo4 omdat wij buiten dien hinderpaal toch met het verdeelen niet tot in het oneindige zouden kunnen voortgaan3 van de mogelijkheid1 en wezenlijkheid van het bestaan der onderling onmeetbare uitgebreidheden overtuigt ons de rede1 zonder dat het in onze magt staat1 dezelve in eene figuur of constructie aanschouwelijk te maken4 ,zie ook ,ahrens1 ,grondbeginselen der ,mensch- en ,zielkunde1 ,,ii4 #abg1 #abh4 #aaa ,dit volgende is als 't ware het afbeeldsel van ,alcibiades4 ,zie ,xenophon1 ,gedenkwaardigheden van ,socrates1 uit het ,grieksch vertaald1 door ,prof4 ,j4 ten ,brink1 ,boek ,i4 ,hoofdst4 ,,ii4 #aab ,toen ,themistocles nog een knaap was1 zeide zijn leermeester tot hem3 jonge6 gij wordt zeker een uitstekend held of een groot deugniet4 #aac ,in ,athene had volgens de wet niemand het burgerregt1 wiens beide ouders geen burgers waren4 #aad ,xenophon1 ,gedenkwaardigheden van ,socrates1 ,boek #a4 ,hoofdst4 ,i4 #d4 en ,,iv4 #ad4 ,boek ,,iv4 ,hoofdst4 ,,viii4 #aae ,zie ,boek ,,iii4 ,hoofdst4 ,,xix4 ,,xx4 #aaf ,zie ,boek ,,iv4 ,hoofdst4 ,i4 #aag ,heracliet hield het vuur voor het grondelement1 waaruit alles ontstaat1 en geloofde1 dat alles periodiek uit het vuur ontstaat en weer tot dat vuur terugkeert4 ,zie ,handboek voor de ,philosophie1 ten gebruike voor ,gymnasien en andere voorbereidende scholen4 ,naar het ,hoogduitsch1 van ,f4 ,h4 ,j4 ,albrecht1 blz4 #aca4 ,mijne inleiding voor den ,theaetetus blz4 #g4 #aah ,zie ,boek ,v4 ,hoofdst4 ,,xviii4 #aai ,zie mijne inleiding op den ,phaedo1 blz4 #e4 #abj ,zie ,bock ,,iii4 ,hoofdst4 ,,xx4 #aba ,zie ,theaetetus1 ,hoofdst4 ,,ii4 #abb ,zie ,handboek voor de ,philosophie1 van ,albrecht blz4 #ef-hi4 ,nieuwenhuis1 ,quaestiones ,logicae p4 #hj-hb4 #abc ,zie ,opklimmend deel der ,wijsbegeerte4 blz4 #hg4 a4 #b4 ,,zevende ,,boek4 ,i4 ,nu zal ik u zeggen1 waarmede gij onzen toestand1 voor zoo ver wij niet of wel door goed onderwijs beschaafd zijn1 moet vergelijken4 ,stel u menschen voor1 die in een onderaardsch hol wonen1 dat eene opening naar boven heeft langs zijn geheele breedte2 en die van jongs af aan de beenen en den hals geboeid waren1 zoo dat zij steeds alleen vooruit konden zien1 en door die boeijen verhinderd werden hun hoofd om te draaijen2 en dat er een vuur in de hoogte achter hunne ruggen brandt2 en dat er tusschen dat vuur en die gevangenen een pad is en daar langs een muur1 zoo hoog als de beschotten1 waarachter zich de marionettenspelers verschuilen1 wanneer zij hunne poppen laten bewegen4--,ik stel het mij voor4--,verbeeld u nu verder1 dat er langs dien muur menschen gaan1 die vaten en beeldwerk van allerlei maaksel op hun hoofd dragen1 zoodat het boven dien muur uitkomt1 en die natuurlijk somwijlen in het voorbijgaan spreken en somwijlen zwijgen4--,die gelijkenis en die gevangenis vind ik al heel zonderling4--,het is ons beeld1 zeide ik2 want1 vooreerst3 gelooft gij1 dat zulke menschen van zich zelven en anderen wel meer zouden gezien hebben dan hunne schaduwen1 die door het vuur op de tegenovergestelde zijde van het hol geworpen worden8--,wanneer zij hun leven lang hun hoofd onbewegelijk hebben moeten houden1 zeker niet4--,en evenmin van hetgeen voorbij wordt gedragen8--,dat spreekt4--,als zij nu met elkander konden spreken1 gelooft gij dan niet1 dat zij zich zouden aanwennen aan hetgeen zij zagen voorbijgaan namen te geven8--,natuurlijk4--,en als nu die gevangenis eene echo had1 die van de zijde tegenover den ingang kwam1 en iemand1 die voorbijging1 sprak1 gelooft gij1 dat zij dan dat geluid aan iets anders dan aan de voorbijgaande schaduw zouden toeschrijven8--,wel neen4--,en in 't algemeen1 zouden zij in dien toestand niets dan die schaduwen van de voorbijgedragen dingen voor werkelijk houden4--,dat is onvermijdelijk4--,let dan nu eens op1 hoe het hun gaan zou1 wanneer zij konden losgemaakt en van hunne dwaling genezen worden4 ,wanneer een hunner werd losgemaakt en op eens gedwongen op te staan1 en zijn nek om te draaijen en voort te gaan1 en het licht aan te kijken1 en door dat alles pijn leed1 en door het schelle licht die dingen niet zien kon1 waarvan hij te voren de schaduwen zag2 wat zou hij dan wel zeggen1 zoo iemand tot hem zeide1 dat hij te voren slechts schijnbeelden gezien had1 maar nu nader bij de waarheid was en meer wezenlijke dingen aanschouwde en beter zien kon1 en zoo men hem het voorbijgedragene wees1 en hem vroeg1 wat dat was8 ,denkt gij niet1 dat hij er weinig van maken zou en het vroegere voor meer waar zou houden1 dan hetgeen men hem nu liet zien8--,zeer zeker4-- ,,ii4 ,en zoo men hem dwong naar het licht zelf te kijken1 zou hij dan geen pijn aan de oogen hebben en ze zoeken af te wenden naar datgene1 wat hij kon aanzien1 en meenen1 dat dit inderdaad duidelijker was8--,zekerlijk4--,en als men hem dan met geweld van zijne plaats tegen den ruwen en steilen opgang optrok1 en niet losliet1 voordat hij naar buiten in het zonnelicht getrokken was2 zou hij dan geen smart lijden en zich boos maken1 en wanneer hij in het daglicht gekomen was geheel verblind worden1 zoodat hij volstrekt niets zien kon van hetgeen tegenwoordig als wezenlijk bestaand wordt aangemerkt8--,als het zoo op eens ging1 zekerlijk4--,hij zou er1 denk ik1 van lieverlede aan moeten gewennen1 als hij hetgeen boven op de aarde is ooit zou leeren zien4--,in het eerst zou hij het gemakkelijkst de schaduwen kunnen beschouwen1 en daarna de beelden van menschen en andere dingen in het water1 en eindelijk de dingen zelve4 ,vervolgens zou hij van de hemelsche dingen het nachtelijke licht van de sterren en de maan met meer gemak kunnen aanzien dan over dag de zon en haar licht4--,natuurlijk4--,het laatste van allen1 geloof ik1 zou hij de zon niet in haar schijnsel in het water of elders1 maar regelregt de zon zelve kunnen aankijken1 en zien hoe zij er uitziet4--,dat spreekt4--,hierop zou hij over haar gaan nadenken en tot het besluit komen1 dat zij de jaargetijden en de jaren daarstelt en al het zigtbare bestuurt1 en ook eenigermate van alles1 wat hij dr beneden gezien had1 de oorzaak was4--,het is natuurlijk1 dat hij eerst van lieverlede hierop komen zou4--,en als hij zich nu aan zijne eerste woning1 en hetgeen dr wijsheid was1 en aan zijne medegevangenen herinnerde2 gelooft gij niet1 dat hij dan zich zelven om die verandering gelukkig zou noemen1 en hen zou beklagen8--,wel zeker4--,en als er nu bij hen eenige eer of loftuiting en belooning was voor hem1 die hetgeen voorbijging het scherpst zien kon1 en zich het best herinnerde1 wat daarvan gewoonlijk vroeger1 en wat later1 en wat te gelijk voorbijkwam1 en daaruit het best kon voorzeggen1 wat er komen zou2 gelooft gij1 dat hij dan daarnaar zou verlangen en hen1 die daar beneden vereerd en geprezen werden1 zou benijden2 of dat hij1 zoo als ,homerus zegt1 liever boven op aarde de knecht van een arm man zou willen zijn1 en liever alles dulden dan zich weer met die gissingen bezig te houden en op zulk eene wijze te leven8--,ik geloof1 dat hij liever alles zou dulden dan z te leven4--,bedenk nu nog eens dit4 ,wanneer hij nu weder naar beneden ging en op dezelfde plaats ging zitten1 zouden zijne oogen dan niet door de duisternis verblind worden1 daar hij zoo pas uit het licht kwam8--,zeer zeker4--,en als hij nu in het raden naar die schaduwen weder met hen1 die steeds geboeid waren gebleven1 moest wedijveren1 voordat zijne oogen aan dat schemerlicht gewend waren1 en hij er niet heel spoedig aan gewennen kon2 zou hij dan niet worden uitgelagchen1 en zou men niet van hem zeggen1 dat zijne oogen door dat naar boven gaan bedorven waren1 en dat het niet der moeite waard was eene poging te doen1 om ook naar boven te komen8 ,en zouden zij iemand1 die hen wilde losmaken en naar boven brengen1 niet1 als zij hem maar in hunne handen konden krijgen1 van kant zoeken te maken8--,ongetwijfeld4-- ,,iii4 ,deze gelijkenis nu1 mijn beste ,glauco6 moet in haar geheel op het vroeger gezegde worden toegepast4 ,onze woonplaats op de zigtbare wereld moet gij met die woning in de gevangenis vergelijken1 en het licht van de zon met het schijnsel van het vuur daar binnen2 en wanneer gij nu dat opklimmen naar boven en dat beschouwen van hetgeen op de aarde is1 als een beeld neemt van het opklimmen der ziel in de denkbare wereld1 zult gij mijne geliefkoosde meening1 die gij immers hooren wildet1 geraden hebben4 ,of zij waar is1 weet ,god2 maar ik voor mij ben van oordeel1 dat in de denkbare wereld de idee van het goede de grond van alles is1 en dat het moeijelijk is haar te vatten2 maar dat1 als men haar gevat heeft1 daaruit het besluit moet volgen1 dat zij overal van al het schoone en goede de oorzaak is1 daar zij in de zigtbare wereld het licht en deszelfs bron heeft voortgebragt1 en in de denkbare wereld de grond is van waarheid en kennis1 en derhalve door ieder1 die in bijzondere of algemeene zaken redelijk zal handelen1 moet gekend worden4--,zoo ver als ik het volgen kan1 ben ik het met u eens4--,dan zult gij het zeker ook hierin wel met mij eens zijn1 en u niet verwonderen1 dat zij1 die dr zijn gekomen1 de menschelijke zaken niet meer willen behartigen1 maar dat hunne zielen voortdurend haken om boven te vertoeven2 want als onze gelijkenis juist is1 kan dit niet anders4--,neen waarlijk niet4--,en vindt gij er dan ook wel iets verwonderlijks in1 wanneer iemand1 van zulke goddelijke bespiegelingen naar de menschelijke ellende afdalende1 een dwaas figuur maakt en aan bespotting ten doel staat1 als hij1 terwijl zijn gezigt nog verblind en aan die duisternis nog niet gewoon is1 gedwongen wordt voor de regtbank of elders over de schaduwen en beelden der regtvaardigheid te twisten1 en te kibbelen over de wijze1 waarop zij door menschen worden opgevat1 die de regtvaardigheid zelve nimmer gezien hebben#abd8--,wel neen4--,een verstandig mensch zou dan ook bedenken1 dat tweerlei oorzaken de oogen kunnen verblinden1 namelijk de overgang uit het licht in de duisternis1 en die uit de duisternis in het licht2 en oordeelende1 dat hetzelfde ook met de ziel plaats heeft1 zou hij eene ziel1 die in de war was en niet best zien kon1 niet onberedeneerd uitlagchen1 maar nagaan1 of zij1 uit een helderder plaats gekomen zijnde1 door ongewoonte niet zien kon1 dan wel1 of zij in helderder licht1 dan waarin zij geweest was1 overgebragt zijnde1 door den meerderen glans verblind werd2 en dan zou hij de eerste gelukkig noemen1 en de tweede beklagen1 en als hij deze nog uitlachte1 zou hij daaraan althans minder dwaas doen dan indien hij gene uitlachte1 die uit een helderder licht gekomen was4--,daarin hebt gij gelijk4-- ,,iv4 ,als dit nu waar is1 moeten wij hieruit het gevolg afleiden1 dat het onderwijs niet zoodanig is als de meeste onderwijzers zeggen4 ,want zij zeggen1 dat zij de kennis1 die niet in de ziel is1 daarin brengen1 even alsof zij in blinde oogen het vermogen om te zien bragten4--,dat zeggen zij4--,onze tegenwoordige redenering echter brengt aan het licht1 dat het vermogen en het zintuig der kennis in ieders ziel wordt gevonden1 en dat bij gevolg1 even als wanneer iemand zijn oog slechts met zijn geheele ligchaam van de duisternis naar het licht kon keeren1 hij evenzoo met de geheele ziel van het ontstaan en vergaan moet worden afgewend en voorzigtig omgedraaid1 tot dat zijn zielsoog het aanschouwen van het wezenlijk zijnde1 ja van deszelfs helderste deel1 kan uithouden2 en dit laatste noemen wij het goede1 niet waar8--,ja4--,dus bestaat de kunst van het onderwijs in het zoo gemakkelijk en volkomen mogelijk omwenden van de ziel1 niet in het inbrengen van het gezigt1 daar dit er wel is1 maar slechts naar eene verkeerde zijde is heengewend#abe4--;,dat schijnt zoo4--,de andere zoogenaamde deugden der ziel nu schijnen met die des ligchaams veel overeenkomst te hebben1 en er in waarheid eerst niet in te zijn1 maar er later door gewoonte en oefening ingebragt te worden2 doch het kenvermogen is1 naar het schijnt1 van veel goddelijker aard1 daar het nooit zijne kracht verliest1 maar door de omwending bruikbaar en nuttig of onbruikbaar en schadelijk wordt4 ,of hebt gij nooit opgemerkt1 hoe scherp en snel het zieltje van zulke personen1 die men zegt dat slecht en wijs te gelijk zijn1 die dingen doorzien kan1 naar welke het zich gekeerd heeft2 daar het niet slecht van gezigt is1 maar zich in de dienst van het kwaad begeven heeft1 en dus te meer kwaad doet naarmate het scherper ziet8--,wel zeker heb ik4--,en wanneer nu zulk eene ziel van jongs af werd besnoeid en van de ruigte gezuiverd1 die er door smulpartijen en ander vermaak aan vastgroeit en haar gezigt naar beneden trekt1 en daarvan verlost zijnde naar de waarheid gekeerd werd2 dan zou zij ook deze met dezelfde vlugheid doorzien1 als de dingen1 naar welke zij tegenwoordig is heengewend4--,waarschijnlijk4--,en is het nu ook niet waarschijnlijk1 ja volgens het besprokene noodzakelijk1 dat noch onbeschaafde en met de waarheid onbekende menschen een staat ooit goed kunnen besturen1 noch zij1 die hun leven lang zich met de waarheid mogen bezig houden2 daar gene in hun leven geen rigtsnoer hebben om al hunne openbare en bijzondere bemoeijingen naar te regelen1 en deze zich aan alle bemoeijingen onttrekken1 daar zij meenen reeds bij hun leven naar de gelukkige eilanden verhuisd te zijn8--,dat is waar4--,dus is het onze taak onze burgers van den besten aanleg tot de voortreffelijkste wetenschap1 de kennis van het goede te brengen en op te leiden2 maar1 wanneer zij zijn opgeklommen en het lang genoeg gezien hebben1 hun niet te vergunnen wat men tegenwoordig wel vergunt4--,wat meent gij8--,daar boven te blijven en niet naar de gevangenen af te dalen1 noch aan de werkzaamheden en eerbewijzen daar beneden1 hoe die dan ook wezen mogen1 deel te nemen4--,maar zullen wij hun dan geen onregt doen1 en hen ongelukkig maken1 terwijl zij in de gelegenheid waren een ongestoord geluk te genieten8-- ,v4 ,gij zijt nu al weder vergeten1 mijn vriend6 dat een wetgever niet zijn best doet1 om nen stand in den staat bijzonder gelukkig te maken1 maar dat hij dit geluk aan den geheelen staat wil verschaffen1 en met overreding en dwang de burgers zamenvoegt1 en maakt1 dat zij elkander doen deel nemen aan het voordeel1 hetwelk ieder aan den geheelen staat kan bezorgen2 en dat bij zulke menschen in den staat opleidt1 niet om ze naar hun eigen lust te laten leven1 maar om ze te gebruiken tot de betere zamenvoeging van den geheelen staat4--,dat is waar2 ik was het vergeten4--,ook moet gij bedenken1 ,glauco6 dat wij hen1 die bij ons wijsgeeren worden1 geen onregt doen1 maar regt hebben van hen te vorderen1 dat zij voor de anderen zorgen en ze bewaren4 ,want wij zullen zeggen3 die in andere staten zoodanig worden1 behoeven zich niet met de staatszaken te bemoeijen1 omdat zij van zelfs zonder medewerking van staatswege ontstaan1 en al wat van zelfs ontstaat los is van de verpligting om aan iemand voor zijne opvoeding dank te vergelden3 maar wij hebben u voor u zelven en voor de overige burgers even als de aanvoerders en koningen in een bijenzwerm groot gebragt1 en door eene uitstekende opvoeding in staat gesteld1 om aan beiden 7wijsbegeerte en staatsbestuur7 deel te nemen4 ,dus moet ieder uwer op zijne beurt naar de woning der andere burgers afdalen1 en zich gewennen om in dat schemerlicht te zien2 want1 zoo gij er eens aan gewend zijt1 zult gij honderdmaal beter zien dan zij1 die dr wonen1 en honderdmaal beter bij elk dier schaduwbeelden onderkennen1 wat het is en waarvan2 daar gij het wezenlijk schoone1 goede en regtvaardige gezien hebt4 ,en z zal onze staat door wakende menschen bestuurd worden1 niet1 zoo als tegenwoordig de meeste1 door droomende1 die om schaduwen tegen elkander vechten en om het regeren1 alsof dat iets goeds was1 twisten4 ,in waarheid toch is het z3 de staat1 waarin de toekomstige overheden het minst naar de regering verlangen1 wordt noodzakelijk het best en het rustigst bewoond2 en omgekeerd4--,ongetwijfeld4--,denkt gij nu1 dat onze kweekelingen dit hoorende ongehoorzaam zullen wezen1 en zullen weigeren ieder zijne taak in den staat te vervullen1 en liever gezamenlijk boven zullen blijven wonen8--,onmogelijk1 want wij hebben iets regtvaardigs van regtvaardige menschen geischt4 ,zij zullen echter altijd het regeren als een noodzakelijk kwaad aanmerken1 en daarin van de tegenwoordige bewindhebbers onderscheiden wezen4--,zoo is het dan ook1 mijn vriend6 ,wanneer gij voor de toekomstige overheden een leven kunt uitdenken1 dat beter is dan het waarnemen van overheidsambten1 dan is het mogelijk1 dat uw staat goed bestuurd wordt2 want alleen in zulk eenen staat zullen zij regeren1 die waarlijk rijk zijn1 niet in geld1 maar in den wezenlijk geluk aanbrengenden rijkdom1 in een goed en redelijk leven2 doch wanneer zij1 die arm zijn aan eigene goederen1 de algemeene goederen in handen krijgen en meenen daarme hun voordeel te moeten doen1 dan is dit niet mogelijk2 want als er om de regering wordt gestreden1 ontstaat er een burgeroorlog1 die n voor de strijders n voor den geheelen staat verderfelijk is4--,dat is volkomen waar4--,weet gij nu een andere levenswijze1 die de staatsambten doet geringschatten1 dan die van den waren wijsgeer8--,wel neen4--,edoch de regering moet aan hen worden opgedragen1 die er geen minnaars van zijn2 anders gaan de medeminnaars der regerende personen er om vechten4--,natuurlijk4--,zult gij dus anderen tot het besturen van den staat nopen dan hen1 die het wijste zijn in die dingen1 waardoor een staat het beste bestuurd wordt1 en die tevens andere eer en een beter leven1 dan het staatkundige hebben8--,niemand anders4-- ,,vi4 ,willen wij nu eens nagaan1 hoe zulke menschen gevormd worden1 en hoe men ze naar het licht moet opleiden1 gelijk sommigen volgens de overlevering uit den ,hades naar de ,goden zijn opgeklommen8--,met vermaak4--,dit schijnt meer te zijn dan het omkeeren van een kleed1 en heeft veel van eene omwending der ziel uit een nachtelijk duister naar den weg tot het ware licht1 dien wij gewoon zijn wijsbegeerte te noemen4--,natuurlijk4--,moeten wij dus niet nagaan1 welke studie daartoe geschikt is8--,ja4--,welke studie1 ,glauco6 zou dan de ziel van het ontstaan en vergaan naar het ware zijn kunnen heentrekken8 ,daar komt mij onder het spreken iets in de gedachten4 ,zeiden wij niet1 dat zij in hunne jongelingsjaren zich in den oorlog moesten oefenen#abf8--;,ja4--,dus moet de studie1 welke wij zoeken1 nog deze eigenschap hebben4--,welke8--,zij moet voor krijgslieden niet nutteloos wezen4--,zeker niet2 als dit maar mogelijk is4--,bespraken wij niet vroeger1 dat onze wachters door gymnastiek en muzenkunst moesten gevormd worden#abg8--;,ja4--,de gymnastiek nu houdt zich bezig met het ontstaan en vergaan2 want zij waakt over den wasdom en het afnemen des ligchaams4--,juist4--,dus is zij de studie niet1 welke wij zoeken4--,neen4--,zou het dan die muzenkunst zijn1 die wij vroeger besproken hebben8--,maar die was1 zoo gij het u nog herinnert1 het tegenbeeld van de gymnastiek1 en vormde de zeden der wachters1 door hun gevoel voor harmonie en maat op te wekken#abh1 niet door hun wetenschap mede te deelen2 en ook voor zoo ver zij in sprookjes en ware verhalen bestond1 had zij dezelfde strekking#abi2 maar eenige opleiding tot de kennis van het goede1 zooals gij nu zoekt1 was in haar volstrekt niet te vinden4--,dit herinnert gij mij zeer naauwkeurig1 want inderdaad had zij die volstrekt niet4 ,maar1 mijn waarde ,glauco6 waarin zou die dan wezen8 de kunsten toch schenen allen den geest neder te drukken#acj4--;,dat spreekt4 ,maar wat is er dan behalve de muzenkunst1 de gymnastiek en de kunsten nog voor andere studie8--,komaan1 zeide ik1 als wij dan niets daarbuiten kunnen vinden1 moeten wij maar iets nemen1 dat vaan die allen gemeen is4--,wat8--,bij voorbeeld dit1 hetwelk alle kunsten1 redeneringen en wetenschappen bezigen1 en hetwelk overal het eerst moet geleerd worden4--,wat8--,eenvoudig1 n1 twee en drie te onderscheiden2 met n woord1 de leer der getallen en het rekenen4 ,of heeft alle kunst en wetenschap dit niet volstrekt noodig8--,wel zeker4--,dus ook de krijgskunst4--,natuurlijk4--,palamedes maakt dan ook in de treurspelen ,agamemnon tot een al heel bespottelijk veldheer4 ,want gij weet immers1 dat hij beweert het tellen uitgevonden te hebben1 en het daardoor mogelijk te hebben gemaakt1 om het leger voor ,troje in benden te verdeelen en het getal der schepen en van al de rest te bepalen2 daar die te voren ontelbaar waren1 en ,agamemnon1 naar het schijnt1 niet eens wist1 hoe veel voeten hij had8 ,en wat voor een veldheer moet hij dan wel geweest zijn8--,als dat waar is1 een erge prul4-- ,,vii4 ,willen wij het dan maar als een der vereischten van een krijgsman beschouwen1 dat hij kan tellen en rekenen8--,ongetwijfeld2 zoo hij ten minste eenig denkbeeld van het in orde scharen van troepen moet hebben2 of liever1 zoo hij een mensch moet wezen4--,denkt gij nu over die studie even als ik8--,hoe meent gij8--,zij schijnt uit haren aard te behooren tot die opleidende studien1 welke wij zoeken2 maar niemand bezigt ze1 geloof ik1 naar behooren1 daar zij inderdaad geschikt is1 om de kennis van hetgeen wezenlijk is te bevorderen4--,hoe zegt gij8--,ik zal mijn best doen1 om u mijne meening duidelijk te maken4 ,beschouw eens met mij1 wat1 naar ik geloof1 tot ons doel opleidt1 en wat niet2 en zeg dan1 of gij er evenzoo of anders over denkt2 opdat wij wat duidelijker inzien1 of ook dit z is als ik vermoed4--,zeg maar op4--,ik zeg dan1 zoo gij het begrijpt1 dat sommige voorwerpen der zinnelijke waarneming het verstand niet tot nadenken opwekken1 daar zij door de zinnen alleen genoeg worden waargenomen2 en andere volstrekt nadenken vorderen1 daar de zinnen alleen geen uitsluitsel geven4--,gij meent zeker de verwijderde voorwerpen1 en die1 waarbij gezigtsbedrog plaats heeft4--,gij hebt nog niet volkomen gevat1 wat ik zeggen wil4--,maar wat wilt gij dan zeggen8--,wat geen nadenken opwekt1 noem ik dat1 welks zinnelijke waarneming geen tegenstrijdigheid oplevert2 maar wat dit wel doet1 en in de waarneming zich zoowel op deze als op gene wijs vertoont1 hetzij het van verre of van nabij wordt waargenomen1 dat zeg ik1 dat het nadenken opwekt4 ,z zult gij mijne meening duidelijker inzien4 ,hier hebt gij drie vingers1 de voorste1 de middelste1 en de achterste4--,ja4--,denk nu1 dat wij ze van nabij zien2 en let eens met betrekking tot dezelve hierop4--,waarop8--,ieder hunner vertoont zich als een vinger1 en het maakt geen onderscheid1 of hij in het midden of aan een der zijden is1 en of hij wit is of zwart1 dik of dun1 enz41 want bij dit alles wordt de ziel niet genoodzaakt aan het verstand te vragen1 wat een vinger toch eigenlijk is1 daar het gezigt volstrekt niet te kennen geeft1 dat een vinger het tegenovergestelde van een vinger is4--,dat is zoo4--,iets van dezen aard heeft dus geen kracht om tot nadenken op te wekken4--,niet bijzonder4--,maar ziet nu het gezigt hunne grootte en kleinte even goed1 en is het daarvoor hetzelfde1 of een hunner in het midden of niet in het midden is8 ,en neemt het gevoel even goed hunne dikte of dunheid1 hardheid of zachtheid waar8 ,en geven ook de andere zinnen omtrent zulke dingen geen gebrekkige berigten8 ,doet niet iedere van haar aldus8 ,vooreerst de zin1 die het harde waarneemt1 moet ook het zachte waarnemen1 en verkondigt aan de ziel1 dat zij hetzelfde als hard en als zacht waarneemt#aca4--;,dat is waar4--,en moet nu de ziel in zulke gevallen niet onzeker zijn1 wat toch voor de zinnelijke waarneming hard is1 daar hetzelfde zich ook als zacht voordoet2 en evenzoo wat ligt en wat zwaar is1 wanneer het zware ligt en het ligte zwaar schijnt4--,ja waarlijk1 deze waarnemingen zijn zonderling en vereischen nader onderzoek4--,en begint nu niet in zulke dingen de ziel van zelfs het verstand en de redenering aan het werk te zetten1 om te zien1 vooreerst3 of ieder dier waargenomen dingen n of twee is8--,natuurlijk4--,en als het twee schijnt te wezen1 is dan ieder van die twee niet n8--,ja4--,en als ieder n is en zij te zamen twee zijn1 dan zal het verstand ze van elkander onderscheiden2 want1 als zij niet onderscheiden waren1 zou het er geen twee1 maar n denken4--,juist4--,echter1 zeggen wij1 zag het gezigt wel groot en klein1 maar toch niet onderscheiden1 doch tot n verbonden3 niet waar8--,ja4--,en juist omdat het zich duidelijk alzoo vertoonde1 moest integendeel de geest groot en klein niet verbonden1 maar ieder afzonderlijk zien4--,dat is waar4--,en komt daardoor dan niet vooreerst de vraag in ons op1 wat toch groot en wat klein is8--,ongetwijfeld4--,en ten gevolge daarvan onderscheiden wij dan het denkbare van het zigtbare4--,volkomen juist4-- ,,viii4 ,dit begon ik nu daareven te zeggen1 dat sommige dingen tot nadenken opwekken en andere niet1 terwijl ik hetgeen zich te gelijk met zijn tegendeel aan de waarneming voordoet als tot nadenken opwekkend1 en wat dit niet doet als niet opwekkend beschouwde4--,nu begrijp ik het1 en ik vind het ook4--,tot welke van beiden rekent gij nu de getallen en de eenheid8--,dat zie ik nog niet in4--,beredeneer het dan eens uit het vorige4 ,want als de eenheid op zich zelve genoeg wordt gezien of door een ander zintuig waargenomen1 dan is zij geen middel om tot hetgeen wezenlijk is op te leiden1 zoo als wij dat bij de vingers gezien hebben3 maar als er bij haar steeds eenige tegenstrijdigheid voorkomt1 en zij zich geen zier meer als eenheid dan als het tegenovergestelde vertoont1 dan is hier een ander beoordeelaar noodig1 en dan komt de ziel in verlegenheid en moet zoeken1 en haar denkvermogen opwekken1 en vragen1 wat toch de eenheid is2 en dan behoort de leer der eenheid onder de middelen1 die de ziel tot het beschouwen van het wezenlijk zijnde omkeeren4--,dit heeft bij hare beschouwing niet weinig plaats3 want wij zien hetzelfde te gelijk als n en als ontelbaar in menigte#acb4--;,en als dit met de eenheid plaats heeft1 dan heeft het ook met alle andere getallen plaats4--,natuurlijk4--,en reken- en telkunst houden zich geheel met getallen bezig4--,ja4--,en zij schijnen tot de waarheid te leiden4--,wel zeker4--,dus behooren zij1 naar het schijnt1 tot de studin1 welke wij zoeken2 want een krijgsman moet ze leeren om het scharen der troepen1 en een wijsgeer1 omdat men bij het leeren derzelve zich wan het ontstaan en vergaan naar het wezen keeren moet4--,dat is waar4--,en onze wachters zijn krijgslieden en wijsgeeren4--,ja4--,dus1 ,glauco6 zou het passen deze studie bij de wet voor te schrijven1 en hen1 die in den staat de grootste dingen moeten behartigen1 te overreden1 zich op de rekenkunst toe te leggen1 en die niet oppervlakkig te leeren1 maar tot dat zij met hunnen geest tot het beschouwen van de natuur der getallen zijn doorgedrongen1 ze niet als kooplieden of kramers voor het gebruik in den handel leerende1 maar tot nut voor den oorlog1 en om gemakkelijkheid te verkrijgen in het omwenden der ziel van het ontstaan en vergaan naar het wezen4--,dat zegt gij goed4--,waarlijk1 nu wij van de rekenkunst spreken1 herinner ik mij ook1 hoe fijn zij is en hoe bruikbaar tot hetgeen wij willen2 zoo men ze maar om de wetenschap zelve1 niet om den koophandel leert4--,hoe dat8--,wel1 omdat zij1 zoo als wij zeiden1 de ziel zeer naar boven trekt2 en haar dwingt over de getallen zelve te denken1 en het niet toelaat1 wanneer men haar zigtbare of tastbare ligchamen van een bepaald getal voorlegt#acc4 ,want gij weet1 dat zij1 die daarin bedreven zijn1 wanneer iemand de eenheid zelve in het redeneren poogt te deelen1 lagchen en dit niet toelaten en alle pogingen om haar te verdeelen tegenwerken1 uit vrees1 dat de eenheid geen eenheid maar vele deelen zou schijnen te wezen#acd4--,wat gij daar zegt1 is volkomen waar4--,maar wat denkt gij nu wel1 ,glauco6 dat zij zouden antwoorden1 als iemand hen vroeg3 in welke getallen zegt gij1 dat de eenheid z is als gij wilt1 iedere eenheid volmaakt aan de andere gelijk1 zonder eenig verschil en zonder eenige deelen te hebben8--,zij zouden1 denk ik1 antwoorden1 dat zij over die getallen spreken1 welke slechts gedacht1 maar op geen andere wijs gevonden kunnen worden4--,ziet gij nu1 mijn vriend6 dat wij deze wetenschap noodig hebben1 daar zij de ziel dwingt1 om door het denken alleen naar de zuivere waarheid te streven8--,ja2 want dat doet zij krachtig4--,en hebt gij nu wel hierop gelet1 dat zij1 die aanleg voor het rekenen hebben1 in alle studie vlug schijnen1 en dat minder vluggen1 zoo zij daardoor ontwikkeld en geoefend worden1 althans alleen dit er bij winnen1 dat de scherpte van hun oordeel vermeerderd wordt8--,dat is zoo4--,gij zult dan ook1 geloof ik1 niet veel wetenschappen vinden1 die bij het leeren en bestuderen meer inspanning vorderen#ace4--,zeker niet4--,om al deze redenen moeten wij dus die studie niet laten varen1 maar er de menschen van den besten aanleg in oefenen4--,toegestemd6-- ,,ix4 ,dit vak mogen wij dus vaststellen2 maar laat ons nu nagaan1 of het daarop volgende ons past4--,wat8 ,meent gij welligt de meetkunst8--,juist geraden4--,ten opzigte van de krijgskunst past zij ons natuurlijk2 want in het opslaan van legerplaatsen1 en het opmeten van gronden1 en het bijeentrekken of uitbreiden van troepen1 en wat verder voor gedaanteveranderingen in den strijd of op marsch met de legers voorvallen1 heeft een kenner der meetkunst heel wat vooruit4--,ja1 maar voor die dingen is een weinig meetkunst voldoende2 doch wij moeten nagaan1 of eene diepere kennis van hare hoogere deelen ook de strekking heeft om de beschouwing der idee van het goede gemakkelijk te maken4 ,wij vonden immers die strekking in alles1 wat de ziel noodzaakt zich naar dat gebied te keeren1 waarop het heerlijkste van het wezenlijk zijnde1 wat zij volstrekt zien moet1 gevonden wordt4--,juist4--,als zij dus noodzaakt het wezen te beschouwen1 past zij2 en als zij het ontstaan en vergaan doet beschouwen1 past zij niet4--,juist4--,nu zullen allen1 die maar een weinig in de meetkunst zijn gevorderd1 ons wel toestemmen1 dat het met deze wetenschap heel anders staat1 dan er over gesproken wordt door hen1 die haar beginnen te leeren4--,hoe dat8--,dezen spreken er gek en bekrompen over1 alsof zij alleen voor het dadelijk gebruik lijnen en figuren trokken1 enz41 terwijl toch die geheele studie om de wetenschap zelve plaats heeft4--,juist4--,nu moeten wij het hier nog over eens worden4--,waarover8--,dat het bij haar te doen is om de wetenschap van het altijd zijnde1 niet om die van hetgeen ontstaat en vergaat4--,daarover worden wij het ligt eens2 want de meetkunst is zelve de wetenschap van het altijd zijnde4--,dus1 mijn waarde6 is zij ook een middel om de ziel naar de waarheid te trekken1 en den geest van den wijsgeer te nopen om zich naar boven te rigten2 en niet1 zoo als nu verkeerdelijk geschiedt1 naar beneden4--,daarvoor is zij een krachtig middel4--,dan moeten wij ook zoo veel mogelijk zorgen dat in onzen goeden staat de meetkunst niet verwaarloosd worde1 te meer daar zij buitendien nog groote nuttigheid heeft4--,welke8--,vooreerst1 zoo als gij reeds gezegd hebt1 voor den oorlog2 en dan weten wij ook1 dat in het beter vatten van alle andere wetenschap een kenner der meetkunst oneindig veel boven een niet kenner vooruit heeft#acf4--;,ja waarlijk6--,dit is dus het tweede studievak1 dat wij aan de jongelingen voorschrijven4--,ja4-- ,x4 ,willen wij nu als derde de sterrekunde zetten1 of hoe denkt gij daarover8--,ik vind het goed1 want het vaardig berekenen van uren1 maanden en jaren komt niet slechts voor landbouw en scheepvaart1 maar ook voor de krijgskunst te pas4--,het heeft er veel van1 of gij de menigte vreest1 en den schijn vermijden wilt1 dat gij nuttelooze studievakken voorschrijft4 ,het is dan ook niet gemakkelijk maar moeijelijk in te zien1 dat door al die studievakken een zintuig der ziel wordt gezuiverd en hersteld1 hetwelk door de andere bezigheden bedorven en verstompt werd1 en meer verdient gered te worden dan duizend oogen2 dewijl slechts daardoor de waarheid kan gezien worden4 ,zij nu1 die er evenzoo over denken1 zullen u van harte toestemmen2 maar zoo velen als hiervan geen denkbeeld hebben1 zullen u waarschijnlijk geheel afvallen1 daar zij hierin geen ander noemenswaardig voordeel zien kunnen4 ,bedenk u dan eens spoedig1 tot wie van beiden gij spreekt2 of liever1 of gij wel tot een van beiden het woord rigt1 en niet grootendeels voor u zelven redeneert1 zonder het evenwel anderen te misgunnen1 zoo zij er eenige winst me doen kunnen4--,ik kies het laatste2 dat ik grootendeels voor mij zelven spreek en vraag en antwoord4--,komaan6 dan moeten wij terug1 want wij hebben hetgeen op de meetkunst volgt niet goed genomen4--,hoe dat8--,terstond na het vlak#acg hebben wij het ligchaam in beweging genomen1 voordat wij het op zich zelf genomen hadden2 maar het regte is na den tweeden trap den derden te nemen4 ,deze nu is de vorming der kuben en in 't algemeen der ligchamen4--,dat is waar4 ,maar ,socrates6 dit is1 naar het schijnt1 nog niet gevonden4--,daarvoor is een dubbele oorzaak2 n omdat geen staat het in eere houdt en het moeijelijk is1 wordt er traag naar gezocht2 n die er naar zoeken hebben geen leidsman1 zonder wien het zwaar is te vinden1 en die zich ook niet ligt zal opdoen2 en als hij er was1 door hen1 die er naar zoeken1 uit verwaandheid niet ligt zou gevolgd worden4 ,wanneer echter een geheele staat die leiding op zich nam en het vak in eere hield1 zouden zij wel volgen1 en als het aanhoudend met inspanning gezocht werd1 zou het wel ontdekt worden2 daar het ook tegenwoordig1 hoezeer door de menigte veracht en tegengewerkt1 door hen1 die er naar zoeken1 niettegenstaande dat zij er geen nut van kunnen aanwijzen1 omdat het zoo vermakelijk is1 wordt uitgebreid1 en dus misschien wel kan gevonden worden4--,vermakelijk is het zeker4 ,maar zeg mij duidelijker1 wat gij gezegd hebt4 ,gij noemdet immers de leer van het vlak meetkunst8--,ja1 zeide ik4--,en eerst hebt gij terstond daarachter de sterrekunde gezet1 maar later zijt gij wer teruggegaan4--,door mij te haasten om alles met spoed af te handelen1 vorder ik juist minder2 want de leer der ligchamen1 die eigenlijk aan de beurt lag1 heb ik1 omdat zij nog niet gevonden is1 overgeslagen1 en terstond na de meetkunst de sterrekunde1 die de ligchamen in beweging beschouwt1 geplaatst4--,juist4--,als vierde studievak moeten wij dan de sterrekunde stellen1 in de hoop1 dat het nu ontbrekende vak door bemoeijing van staatswege zal gevonden worden4--,goed4 ,en1 ,socrates6 daar gij mij straks beknord hebt1 dewijl ik de sterrekunde om gemeene redenen prees1 wil ik ze thans in uwen geest prijzen4 ,want het is1 geloof ik1 voor ieder duidelijk1 dat zij den geest naar boven doet zien1 en hem van de dingen hier beneden aftrekt4--,misschien is dit voor alle anderen duidelijk2 maar voor mij nog niet4--,wat8--,zoo als de tegenwoordige leermeesters der wijsbegeerte haar aanpakken1 vind ik1 dat zij bijzonder naar beneden doet zien4--,wat zegt gij8--,gij hebt een aardig begrip van dat naar boven zien2 want gij schijnt te meenen1 dat1 als iemand iets ziet1 dat op een dak van een huis staat1 hij dit met zijn geest en niet met zijne oogen beschouwt4 ,misschien hebt gij gelijk1 en heb ik het mis4 ,ik echter kan mij geen studievak als den geest naar boven trekkend denken behalve zulk een1 dat het wezen en het onzigtbare behandelt1 hetzij iemand dat naar boven ziende of met het gelaat naar beneden bestudeert3 maar zoo hij naar boven ziende iets zinnelijks leeren wil1 dan zeg ik nimmer1 dat hij studeert1 want die dingen zijn niet eens een voorwerp van wetenschap2 en ook niet1 dat zijne ziel naar boven ziet1 maar wel naar beneden1 zelfs al poogde hij het achterover liggende te leeren4-- ,,xi4 ,ik word met regt beknord1 want ik voel1 dat ik het verdiend heb4 ,maar waarin moet dan volgens u de studie der sterrekunde verbeterd worden1 om aan ons doel bevorderlijk te zijn8--,dat zal ik u zeggen4--,omdat die lichten in den hemel tot de zigtbare wereld behooren1 moet men ze wel als de schoonste en regelmatigste dingen van hunne soort beschouwen1 maar toch oordeelen1 dat zij heel wat minder zijn dan de ware hemelkringen1 die door de ware snelheid en traagheid in ware getallenverhoudingen worden omgewenteld1 en al wat zij bevatten mevoeren4 ,deze kunnen door den geest en het denken gevat worden1 maar niet door de oogen2 vindt gij wel8--,wel neen ik4--,dus moet men die lichten in den hemel als ophelderende voorbeelden bij deze studie bezigen1 alsof men zeer schoon en naauwkeurig door ,daedalus of een ander schilder geteekende figuren gevonden had4 ,een meetkunstenaar toch1 deze ziende1 zou wel oordeelen1 dat zij zeer fraai bewerkt waren2 maar hij zou het gek vinden ze met ernst te bestuderen1 om daarin de ware meetkunstige verhoudingen op te sporen4--,dat zou dan ook al heel gek wezen4--,en denkt gij nu niet1 dat een waarachtig sterrekundige hetzelfde oordeel over de omwentelingen der hemelligchamen zou vellen8 dat hij wel meenen zou1 dat de bouwmeester des hemels dezen met al wat er in is zoo schoon mogelijk heeft zamengesteld2 maar dat het toch dwaas zou zijn te veronderstellen1 dat de verhoudingen tusschen nacht en dag1 maanden en jaren1 en van dezen tot de sterren1 en der sterren tot elkander voortdurend z blijven en nooit veranderen1 hoewel de sterren ligchamelijk en zigtbaar zijn2 en dat het dus zaak is daarvan op allerlei wijze de eigenlijke waarheid te zoeken4--,zoo als ik het nu van u hoor1 moet ik het toestemmen4--,wij moeten dus de sterrekunde1 gelijk de meetkunst1 door middel van zuivere redenering behandelen2 en de sterren laten rusten1 wanneer wij haar waarlijk beoefenen en daardoor het denkende deel der ziel van onbruikbaar wezenlijk bruikbaar maken willen4--,gij schrijft een vrij wat moeijelijker studie voor dan de sterrekunde tegenwoordig is4--,en z moeten wij1 denk ik1 de rest ook voorschrijven1 als wij goede wetgevers zijn zullen4-- ,,xii4 ,kunt gij u nu nog eenig noodzakelijk studievak te binnen brengen8--,zoo op het oogenblik niet4--,naar mijn inzien1 bestaan er meer dan ne soort van beweging4 ,die allen zou een wijze misschien kunnen zeggen2 maar ik zie er twee4--,welke dan8--,behalve de vermelde zie ik er eene1 die daar tegenover staat4--,welke8--,het schijnt1 dat gelijk de oogen voor de beweging der hemelligchamen1 zoo de ooren voor die der toonen gevormd zijn1 en dat deze bewegingen met elkander verwant zijn2 zoo als de ,pythagorers zeggen#ach1 en wij1 ,glauco6 immers toestemmen4--,ja4--,daar dit nu een omslagtig werk is1 willen wij hen vragen1 hoe zij er over denken1 en of zij er nog meer van weten2 maar wij willen bij dit alles ons beginsel in het oog houden4--,welk beginsel meent gij8--,om onze kweekelingen geene nog onvoltooide wetenschap te laten leeren1 of die niet op het doel uitloopt1 waarop alles moet uitloopen1 gelijk wij daareven van de sterrekunde gezegd hebben4 ,of weet gij niet1 dat ook de toonkunst op gelijke wijs wordt behandeld8 ,want de klanken en toonen1 die gehoord worden1 tegen elkander afmetende1 doen hare beoefenaars een even onvruchtbaar werk als de sterrekundigen4--,ja1 bij de ,goden6 het is bespottelijk1 hoe zij van herhalingen van toonen spreken1 en hunne ooren toesteken1 als om hunne buren te beluisteren1 en hoe sommigen zeggen tusschen twee toonen nog een middelklank met een zeer klein verschil aan weerskanten te hooren1 en anderen daarentegen beweren geen verschil waar te nemen1 terwijl beiden hunne ooren meer dan hun verstand vertrouwen4--,gij spreekt daar1 geloof ik1 van die helden1 die de snaren martelen en met schroeven pijnigen4 ,om dit nu niet langer te rekken1 en te beschrijven1 hoe zij met de citherpen tokkelen1 en wat zij al van de snaren beweren1 zal ik maar kortelijk zeggen1 dat ik hen niet hebben moet1 maar de anderen1 die wij zeiden1 over de toonkunst te zullen raadplegen4 ,genen toch doen als de sterrekundigen2 want zij zoeken de verhoudingen der hoorbare toonen1 in plaats van het tot zuivere redenering te brengen1 en na te gaan1 welke getallen eene goede verhouding met elkander hebben1 en welke niet1 en waarom4--,gij noemt daar een drommelsch werk4--,ja maar een nuttig1 althans voor het onderzoek naar het waarlijk schoone en goede2 als het anders wordt beoefend1 is er weinig nut in4--,dat geloof ik ook4-- ,nu geloof ik1 dat als deze studievakken met het oog op hun verband en hunnen zamenhang beoefend worden1 en vooral het aan allen gemeenschappelijke wordt opgevat1 hunne beoefening nader brengt tot ons doel1 en een vruchtbare studie is1 anders niet4--,dat begin ik ook te vermoeden2 maar ,socrates6 dat is een verschrikkelijk werk4--,die inleiding8 of wat meent gij8 wij weten toch wel1 dat dit alles nog maar inleiding is tot de eigenlijke studie4 ,want zij1 die dit alles verstaan1 zijn immers nog geen redeneerkundigen4--,op enkele uitzonderingen na1 waarlijk niet4--,maar die nu niet kunnen redekavelen1 zullen die ooit dat te weten komen1 wat wij zeggen1 dat zij weten moeten8--,wel neen4--,glauco6 wij zijn dan nu tot het eigenlijke studievak1 tot de wijsgeerige redekaveling1 gekomen1 die1 zoo als wij zeiden#aci1 in de zigtbare wereld wordt afgebeeld door het gezigtsvermogen1 dat met schimmen niet tevreden de levende wezens en de sterren1 en eindelijk de zon zelve poogt te aanschouwen4 ,evenzoo toch streeft hij1 die de wijsgeerige redekaveling begint te beoefenen1 zonder hulp der zinnen1 met de rede alleen1 naar het ware wezen van alle dingen2 en als hij niet ophoudt1 voor hij met het zuivere denken de ware wezenheid van het goede gevat heeft1 dan is hij tot den hoogsten trap in het denkbare gekomen1 zoo als gene in het zigtbare4--,juist4--,en noemt gij dien arbeid niet wijsgeerige redekaveling8--,natuurlijk4-- ,,xiii4 ,zoo als dus in onze gelijkenis die gevangene van de boeijen werd losgemaakt1 en van de schaduwen naar de beelden en het licht gekeerd1 en verder uit het hol werd naar boven gebragt1 en daar eerst de dieren en planten en het zonnelicht niet zien kon1 maar met hunne afschijnsels in het water moest beginnen2 zoo beginnen wij hier met goddelijke afschijnsels en schaduwen van hetgeen wezenlijk is1 niet van beelden1 welke schaduwen door een licht1 dat tot het ware licht staat als het licht daar beneden tot de zon1 veroorzaakt worden2 en deze geheele beoefening der opeenvolgende studievakken heeft de strekking om het beste deel der ziel tot het aanschouwen van het beste der wezens op te leiden1 zoo als in de gelijkenis het scherpste zintuig des ligchaams tot het helderste der ligchamelijke dingen in de zigtbare wereld werd opgeleid4--,ik stem het u toe2 want het schijnt wel moeijelijk om toe te stemmen1 maar het is toch aan den anderen kant moeijelijk hieraan zijne toestemming te weigeren4 ,laat ons evenwel1 daar wij deze redenering toch niet slechts eens hooren maar naderhand dikwijls herhalen moeten1 voor het oogenblik stellen1 dat het gesprokene waar is1 en nu het eigenlijke studievak evenzoo gaan doorloopen als wij de inleiding gedaan hebben4 ,zeg dan nu1 hoe de wijsgeerige redekaveling moet behandeld worden1 en welke hare onderdeelen en verschillende wijze van toepassing zijn3 zij toch brengt ons tot ons eigenlijk doel1 en als wij dr gekomen zijn1 kunnen wij van onzen arbeid en onze reis uitrusten4--,mijn beste ,glauco6 dat zult gij nog niet kunnen volgen1 anders zou ik bereidwillig wezen1 en dan zoudt gij niet langer beelden zien1 maar1 gelijk ik geloof1 de waarheid zelve4 ,of nu mijne denkbeelden daaromtrent goed zijn1 komt er minder op aan2 maar1 dat het iets dergelijks is1 kunnen wij vaststellen1 niet waar8--,ongetwijfeld4--,en ook dat de wijsgeerige redekaveling het slechts aan hem kan aantoonen1 die in het aangewezene bedreven is1 anders niet4--,ook dat kunnen wij vaststellen4--,ieder zal ons dan nu wel toestemmen1 dat geen andere studie de wezenheid van alle dingen volgens een geregeld plan naspoort1 maar dat alle andere wetenschappen en kunsten1 f op de meeningen en begeerten der menschen gerigt zijn1 f op het verplegen van hetgeen ontstaat en wordt zamengesteld betrekking hebben2 en wij zien1 dat de overige1 die wij zeiden1 dat eenig deel van het wezenlijke vatten1 de meetkunst en hare zusters1 ten opzigte van dat wezenlijke droomen en niet tot de helderheid van het waken komen kunnen1 zoo lang zij op onderstellingen bouwen1 die zij niet aanroeren en niet kunnen bewijzen4 ,hij toch1 die van hetgeen hij niet weet uitgaat1 en zijn geheele verdere redenering aan dat onbekende vastknoopt1 moge van zijne leer overtuigd zijn1 maar heeft toch eigenlijk geen wetenschap4--,volstrekt niet4--,dus gaat alleen de wijsgeerige redekaveling dezen weg1 dat zij die onderstellingen tot haren grond terugbrengt2 en zij trekt het oog der ziel1 dat in eene soort van slijkpoel verzonken is1 zachtjes daaruit op1 en bedient zich daarbij van de hulp dier vakken1 die wij uit gewoonte vaak wetenschappen noemen1 hoewel zij een naam moesten hebben tusschen wetenschap en meening in4 ,vroeger hebben wij ze1 meen ik1 tot de verstandskennis gerekend4 ,de naam doet er echter minder toe1 daar wij vrij wat belangrijker dingen te onderzoeken hebben4--,och neen1 als hij maar duidelijk genoeg onze denkbeelden uitdrukt4-- ,,xiv4 ,het bevalt u dus nog even als vroeger1 het eerste deel redekennis1 het tweede verstandskennis1 het derde geloof1 en het vierde vermoeden te heeten2 en de twee laatste te zamen meening1 de twee eerste te zamen wetenschap2 en dat de meening op het ontstaan en vergaan1 de wetenschap op het wezen gerigt is2 en dat het wezen staat tot het ontstaan en vergaan1 als de wetenschap tot de meening1 als de redekennis tot het geloof1 en als de verstandskennis tot het vermoeden4 ,doch1 ,glauco6 laat ons den grond van deze tweeledige verdeeling van meening en kennis maar laten rusten1 om nu niet in een nog wijdloopiger onderzoek te vervallen4--,het zij zoo1 maar de rest komt mij1 zoo ver ik u volgen kan1 juist voor4--,noemt gij dan ook niet hem een wijsgeer1 die van ieder ding het wezen zoekt te vatten2 en zegt gij niet1 dat hij1 die ergens geen reden van geven kan1 in zoo verre geen kennis heeft8--,natuurlijk4--,en is het nu niet evenzoo met het goede2 dat hij1 die de idee van het goede niet kan bepalen en van al het andere onderscheiden1 en zijne wetenschap1 7niet zijne meening7 daaromtrent tegen alle tegenwerpingen handhaven1 dat hij noch het goede zelf noch iets goeds kent1 maar1 zoo hij al een beeld er van vatten mag1 dit door meening1 niet door wetenschap doet1 en zijn leven droomend en half slapend doorbrengende1 niet wakker wordt voor hij bij zijn sterven geheel inslaapt8--,waarlijk1 daar ben ik het geheel mede eens4--,gij zoudt dan1 geloof ik1 aan uwe zonen1 die gij nu al sprekend opvoedt en onderwijst1 zoo gij ze eens werkelijk moest opvoeden1 niet toelaten1 voordat zij tot redekennis gekomen waren1 den staat te besturen en de belangrijkste dingen in handen te nemen4--,zeker niet4--,gij zult dan bij de wet vaststellen1 dat zij zulk eene opvoeding moeten bekomen1 als hen het meest voor de wijsgeerige redekaveling kan geschikt maken4--,die wet zullen wij te zamen vaststellen4--,vindt gij nu niet1 dat de wijsbegeerte de kroon is der wetenschappen1 en dat geene wetenschap boven haar moet gesteld worden2 zoodat wij nu de reeks der studievakken voleindigd hebben8--,ja zeker4-- ,,xv4 ,nu is ons nog over te bepalen1 aan wie wij die studie zullen voorschrijven en op welke wijs4--,weet gij nu nog1 wie wij vroeger voor overheidsposten hebben uitgekozen#adj8--,wel zeker4--,houd het er dan voor1 dat wij nu in de meeste punten dezelfde soort van menschen moeten uitkiezen2 want wij moeten aan de standvastigsten en moedigsten en zooveel mogelijk aan de schoonsten de voorkeur geven2 en daarenboven moeten wij niet slechts edele en strenge karakters zoeken1 maar zij moeten ook dien aanleg hebben1 die voor deze opleiding geschikt is4--,te weten3--,zij moeten ijver voor de studie hebben en niet moeijelijk leeren1 want de zielen verliezen veel ligter den moed bij zware studie dan bij zware ligchaamsoefeningen1 daar de eerste haar meer van nabij treft1 en niet mede door het ligchaam gedragen wordt4--,dat is waar4--,wij moeten ook menschen zoeken van een goed geheugen1 en geestkracht1 en lust voor arbeid in het algemeen4 ,of gelooft gij wel1 dat bijna iemand1 n tot ligchamelijken arbeid1 n bovendien tot zoo groot eene studie en geestinspanning zal genegen zijn8--,zeker niemand1 die niet van bijzonder goeden aanleg is4--,de dwaling1 die de wijsbegeerte in verachting deed komen1 is dan ook daaruit ontstaan zoo als wij vroeger zeiden#ada1 dat onwaardigen haar aanvatten2 want geen bastaarden maar wettiggeborenen hebben daar het regt toe4--,hoe meent gij8--,vooreerst moet hij1 die haar zal aanvatten1 niet mank gaan in arbeidzaamheid1 en half arbeidzaam1 half traag zijn4 ,dit nu heeft plaats1 wanneer iemand wel houdt van ligchaamsoefeningen en jagt en andere ligchamelijke inspanning1 doch niet leergierig is1 noch gaarne hoort en onderzoekt1 maar zich hiervoor niet wil inspannen4 ,ook is hij mank1 die zijne arbeidzaamheid naar den anderen kant gewend heeft4--,dat is volkomen waar4--,en moeten wij niet evenzoo met betrekking tot de waarheid eene ziel voor gebrekkig houden1 die wel van opzettelijke leugens afkeerig is1 en ze ook in anderen niet duldt1 maar niet-opzettelijke gemakkelijk verdraagt1 en niet verdrietig wordt1 zoo zij blijkt onwetend te wezen1 maar zich als een zwijn met onwetendheid bemorst4--,ongetwijfeld4--,en ook ten aanzien van ingetogenheid1 moed1 onbekrompenheid en alle andere deelen der deugd moeten wij niet minder onderscheid maken tusschen den bastaard en den echten4 ,want wanneer enkele menschen of staten dat alles niet weten na te gaan1 dan geven zij1 zonder het te merken1 aan manken en bastaarden1 als aan vrienden of overheden1 vaak de belangrijkste dingen in handen4--,dat gebeurt dikwijls genoeg4--,op dat alles nu moeten wij passen2 want als wij gezonden naar ligchaam en ziel tot zulke studie en oefening brengen1 dan zal de regtvaardigheid zelve niets op ons te zeggen hebben2 en wij zullen den staat en de burgers behouden3 maar brengen wij gebrekkigen derwaarts1 dan doen wij juist het tegendeel en wij maken de wijsbegeerte nog meer bespottelijk4--,dat zou heel leelijk zijn4--,of het4 ,maar ik heb mij daar gek aangesteld4--,hoe zoo8--,wel1 ik dacht er niet aan1 dat hetgeen wij doen maar spel is1 en sprak met te veel ernst4 ,onder het spreken toch dacht ik1 hoe de wijsbegeerte mishandeld wordt1 en maakte mij boos op de schuldigen1 en daardoor heb ik1 misschien wat al te ernstig gesproken4--,voor mij als hoorder volstrekt niet4--,ja maar wel voor mij als spreker4 ,doch laat ons nu dit niet vergeten1 dat wij bij onze vorige keus oude lieden#adb kozen1 en dat dit nu niet gaan kan4 ,want ik geef aan ,solon niet toe1 dat iemand ook in zijnen ouderdom veel kan leeren2 daar studie hem dan nog zwaarder dan loopen valt1 en alle groote inspanning voor jonge menschen past4--,dat spreekt4-- ,,xvi4 ,het rekenen nu en de meetkunst en alle verdere tot de wijsbegeerte voorbereidende vakken moeten wij hun in hunne jeugd medeelen1 en bij dat onderwijs allen dwang vermijden4--,waarom8--,omdat een vrij mensch geene wetenschap met dwang moet leeren2 want gedwongen ligchaams-arbeid maakt het ligchaam niet slechter1 maar in de ziel blijft niets hangen1 dat met dwang geleerd wordt4--,dat is waar4--,derhalve1 mijn vriend6 moeten de kinderen die vakken niet met dwang maar al spelende leeren1 opdat tevens des te beter ieders aard zigtbaar worde4--,dat laat zich hooren4--,herinnert gij u nu nog1 dat wij zeiden1 de kinderen op paarden als toeschouwers naar den oorlog te zullen brengen1 en ze1 als er geen gevaar was1 dien van nabij te zullen laten zien1 om hen als jonge honden bloed te laten proeven#adc8--,wel zeker4--,wie zich nu bij al deze inspanning1 studie1 en verschrikking bijzonder goed houdt1 moet van de anderen worden afgezonderd4--,op welken leeftijd8--,wanneer zij van de gedwongene ligchaamsoefeningen ontslagen worden4 ,want zoo lang zij daarmede bezig zijn1 kunnen zij niets anders doen2 want vermoeijenis en slaap is hinderlijk bij het leeren1 en het is ook van niet weinig belang na te gaan1 hoe ieder zich van de ligchaamsoefeningen kwijt4--,natuurlijk4--,vervolgens1 na den ouderdom van twintig jaren1 moeten die uitverkorenen boven de anderen geerd worden1 en de vakken1 die de kinderen meer door elkander leerden1 moeten voor hen zoowel onderling als met de wezenheid van het zijnde in verband gebragt worden4--,alleen zulke studie is dan ook van blijvend nut voor wie ze vatten kan4--,en het is ook eene belangrijke proef1 om een wijsgeerig karakter aan te kennen2 want die dit onderlinge verband kunnen vatten1 zijn wijsgeerig van aanleg1 de anderen niet4--,dat vind ik ook4--,dus moet gij1 dit in het oog houdende1 nagaan1 wie onder hen het meest zoodanig zijn1 en in de studie1 den oorlog en wat verder wordt voorgeschreven bestendigheid aan den dag leggen2 en deze moeten1 wanneer zij dertig jaren achter den rug hebben1 weder uit de uitverkorenen worden afgezonderd1 en aan de proef onderworpen1 of zij zonder hulp van oogen en andere zintuigen door zuivere redenering het waarachtig zijnde kunnen vatten4 ,en hierbij moet gij bijzonder voorzigtig zijn1 mijn vriend6--,hoe zoo8--,merkt gij niet1 hoe groot een kwaad tegenwoordig een gevolg van het redekavelen is8--,wat bedoelt gij8--,de menschen worden er losbandig door4--,dat is maar al te waar4--,en vindt gij dat nu zoo vreemd en onverschoonlijk8--,hoe meent gij dat8--,bij voorbeeld3 wanneer een ondergeschoven kind in veel rijkdom1 een aanzienlijk geslacht en veel vleiers was opgevoed1 en volwassen geworden ontdekte1 dat hij niet van die ouders was1 die er zich voor uitgaven1 en ook zijne ware ouders niet vinden kon2 hoe denkt gij dan wel1 dat hij jegens die vleiers en jegens zijne voorgewende ouders zou gezind wezen1 n terwijl hij van dit onderschuiven nog onkundig was1 n terwijl hij het wist8 ,wilt gij eens hooren1 wat ik er van denk8--,gaarne4--,ik denk1 dat1 zoo lang als hij de waarheid niet wist1 hij zijn zoogenaamde ouders en andere betrekkingen boven de vleiers zou vereeren1 en ze minder zou in den steek laten1 als zij hem noodig hadden1 en hen in woorden en daden meer zou ontzien1 en in belangrijke dingen meer naar hunnen raad dan naar dien der vleiers zou luisteren4--,dat is waarschijnlijk4--,maar als hij nu de waarheid te weten kwam1 dan denk ik1 dat hij zou ophouden hen te vereeren en te ontzien1 en zich meer naar die vleiers zou heenneigen1 en hun meer dan vroeger gehoor geven en naar hunnen raad handelen en onbeschroomd met hen omgaan1 maar zich1 zoo hij niet heel edel dacht1 om zijn voorgewende ouders en andere betrekkingen volstrekt niet meer zou bekommeren4--,het zou juist gaan1 zoo als gij zegt4 ,maar wat heeft die gelijkenis met het redekavelen te maken8--,dat zal ik u zeggen4 ,van kinds af hadden wij meeningen over regt en deugd1 waaraan wij steeds als aan onze ouders gehoor gaven en eere bewezen4--,dat is zoo4--,en zijn er nu geen andere1 daarme strijdende1 vermaak belovende handelingen1 die onze ziel vleijen en tot zich lokken1 maar op goede menschen geen invloed hebben1 daar zij hunne voorvaderlijke meeningen vereeren en er zich naar rigten8--,wel zeker4--,wanneer nu aan een braaf mensch1 op dit standpunt1 gevraagd wordt1 wat schoon is1 en zijne daaromtrent gevestigde meening door de redekaveling werlegd wordt1 en hij door herhaalde werlegging tot de overtuiging komt1 dat dit geen zier meer schoon is dan leelijk1 en wanneer ditzelfde ten aanzien van het regtvaardige en goede en wat hij verder vereerde plaats heeft2 hoe zal het dan met die vereering en gehoorzaamheid gesteld worden8--,die zullen dan natuurlijk verminderen4--,wanneer hij dan nu die dingen niet meer als vroeger eerbiedigt1 en het ware niet vinden kan1 is het dan wel waarschijnlijk1 dat hij in zijne levenswijs voortaan iets anders dan het vermaak zal beoogen8--,wel neen4--,en dan zal het schijnen1 dat hij van ingetogen losbandig is geworden4--,dat spreekt4-- ,,xvii4 ,is nu hetgeen menschen1 die z leeren redekavelen1 gebeurt1 niet natuurlijk1 en verdient het geen verschooning8--,ja zeker1 en ook medelijden4--,en moeten wij nu niet1 om onze wachters van dertig jaren voor dat medelijden te bewaren1 met de grootste voorzigtigheid die redekaveling aanvatten8--,ongetwijfeld4--,en hoort onder die maatregelen van voorzigtigheid niet vooral deze1 dat zij dezelve niet in hunne jeugd leeren8 want gij weet1 geloof ik1 wel1 dat knapen1 wanneer zij pas iets van het redekavelen geleerd hebben1 het als een spelletje misbruiken en altijd tegenspreken1 en hunne leermeesters nabootsende1 anderen werleggen1 en als jonge honden er vermaak in scheppen1 om hen1 met wie zij in aanraking komen1 te trekken en te plukken4--,dat is volkomen waar4--,en wanneer zij nu dikwijls werlegd worden1 en dikwijls anderen werleggen1 dan vervallen zij er heel ligt toe1 om niets van hunne vroegere meeningen voor waar te houden1 en komen daardoor met de geheele wijsbegeerte bij anderen in een slechten naam4--,dat is volkomen waar4--,iemand van meer jaren echter zal zich niet gaarne met zulke dwaasheid inlaten1 maar hem1 die redekavelt om de waarheid te vinden1 meer nabootsen dan hem1 die voor de grap met het redekavelen speelt en tegenspreekt2 en daardoor zal hij zelf beter worden en het vak niet in oneer maar in eer brengen4--,juist4--,en behoort tot die voorzorg ook niet het reeds gezegde1 dat die redekaveling aan personen van een ordelijk en bestendig karakter1 en niet1 zoo als tegenwoordig1 aan een iegelijk1 hoe weinig hij er voor deuge1 moet geleerd worden8--,ongetwijfeld4--,vindt gij het nu goed1 dat zij zich als tegenstuk voor de verpligte ligchaamsoefeningen tweemaal zoo lang uitsluitend met deze zielsoefeningen bezig houden8--,meent gij zes of vier jaren8--,och1 stel het maar op vijf jaar4 ,want daarna moeten zij weder in die spelonk nerdalen1 en verschillende posten bij het leger en de vloot waarnemen1 om ook in ondervinding niet beneden anderen te staan4 ,en ook daarin moeten zij beproefd worden1 of zij in alle omstandigheden standvastig blijven1 of niet4--,en hoeveel tijd verlangt gij daarvoor8--,vijftien jaar4 ,en als zij dan vijftig jaar oud zijn1 moeten zij1 die getrouw zijn gebleven1 en in allen arbeid en alle studie hebben uitgemunt1 eindelijk tot het hoogste gebragt worden1 en wij moeten hen nopen1 om het oog hunner ziel te verheffen tot de bron van alle licht1 en het goede zelve gezien hebbende1 zich dat als voorbeeld te stellen1 om er den staat en de enkele burgers en zich zelven naar te vormen1 en meest met de wijsbegeerte bezig zijnde1 zich echter ieder op zijne beurt de moeite der staatszaken te getroosten1 en den staat voor deszelfs welzijn te besturen2 niet omdat dit aangenaam1 maar omdat het noodig is2 en evenzoo weer anderen hiertoe op te leiden1 ten einde even goede wachters van den staat achter te laten1 wanneer zij zelve naar de gelukkige eilanden verhuizen4 ,en wij moeten op staatskosten voor hen gedenkteekenen en offers instellen1 zoo de ,pythia het goedkeurt1 als voor goden2 zoo niet1 als voor zalige en heilige menschen4--,socrates6 gij hebt die bestuurders zoo mooi afgebeeld1 alsof gij een beeldhouwer waart4--,en de bestuurderessen ook1 ,glauco6 want gij moet in het oog houden1 dat ik niet mr van mannen gesproken heb dan van vrouwen1 voor zoo ver ook deze hiertoe geschikt zijn4--,dat is goed1 daar zij1 zoo als besproken is1 alles met de mannen moeten gemeen hebben4--,en stemt gij ook toe1 dat hetgeen wij van den staat en de slaatsregeling gezegd hebben geen hersenschim is1 maar1 al is het wat moeijelijk1 toch in dat ne geval uitvoerbaar is1 wanneer waarachtige wijsgeeren een staat in handen krijgen1 en wat tegenwoordig roem heet verachtende1 het goede en in 't bijzonder het regtvaardige boven alles stellen1 zich daaraan dienstbaar maken1 en hunnen staat er op inrigten1 om dit te laten bloeijen8--,hoe meent gij dit laatste8--,wanneer zij alle inwoners1 die ouder zijn dan tien jaren1 uit de stad naar het land zenden1 en de kinderen1 om ze buiten den invloed van de zeden der ouders te houden1 onder hun opzigt nemen1 en volgens de levenswijs en de wetten1 die wij besproken hebben1 opvoeden4 ,zoo toch zal onze staatsregeling het snelst en gemakkelijkst tot stand komen en bloeien1 en het volk1 dat haar aanneemt1 gelukkig maken4--,zekerlijk2 en ik geloof1 ,socrates6 dat gij goed hebt aangewezen1 hoe zij1 zoo dit in 't geheel gebeurt1 zal tot stand komen4--,nu hebben wij1 geloof ik1 genoeg gezegd1 n over deze staatsregeling1 n over den man1 die aan haar gelijk is1 want hoe die man wezen moet1 is nu klaarblijkelijk4--,dat vind ik ook2 en wij kunnen dit dus als afgehandeld beschouwen4 ,voetnoten #abd ,zie ,theaetetus1 ,hoofdst4 ,,xxiii--,,xxv4 #abe ,deze beschouwing van het onderwijs wordt uitvoeriger in den ,theaetetus behandeld4 ,zie aldaar ,hoofdst4 ,,vi4 en ,,vii4 ,zie ook ,phaedo1 ,cap4 ,,xviii4 #abf ,boek ,v4 ,hoofdst4 ,,xiv4 #abg ,boek ,,ii4 ,hoofdst4 ,,xvii4 #abh ,boek ,,iii4 ,hoofdst4 ,,xii4 #abi ,boek ,,ii4 ,hoofdst4 ,,xvii4 en ,boek ,,iii4 ,hoofdst4 ,,ix4 #acj ,boek ,,iii4 ,hoofdst4 ,,viii4 #aca ,plato schijnt hier te bedoelen1 dat alle betrekkingsbegrippen uit de zinnen alleen slechts gebrekkig gekend worden en eene tegenstrijdigheid bevatten4 ,wanneer b4 v4 drie dingen van verschillende grootte gezien worden1 dan vertoont zich het middelste kleiner dan het grootste en grooter dan het kleinste1 en dus groot en klein te gelijk4 ,hierdoor wordt het nadenken opgewekt1 want onwillekeurig komt daardoor de vraag in ons op3 wat is groot8 en wat is klein8 enz4 #acb ,b4 v4 n leger bevat vele soldaten1 ne lijn is tot in het oneindige deelbaar1 enz4 #acc ,de cijfers of de steentjes1 waarvan men zich oudstijds bij het rekenen bediende1 zijn niets dan hulpmiddelen voor de verbeelding en het geheugen1 maar eigenlijk komt alles alleen op de getallen zelve neder4 #acd ,hiermede is het bestaan van breuken niet in strijd4 ,eene bepaalde eenheid moge deelbaar zijn1 de eenheid1 als afgetrokken begrip beschouwd1 sluit de deelen uit4 ,of zulk eene eenheid werkelijk bestaat1 is hier de vraag niet4 ,in de denkbare wereld bestaat zij wel degelijk4 #ace ,de studie der rekenkunst was voor de ,grieken veel zwaarder dan voor ons1 daar zij een veel gebrekkiger stelsel van cijfers hadden1 en b4 v4 twintig niet door twee en nul1 honderd niet door n en twee nullen1 maar ieder door een eigen teeken uitdrukten4 #acf ,zie mijne inleiding op den ,phaedo1 blz4 #f4 #acg ,de leer der in n vlak getrokken lijnen wordt hier meetkunst genoemd2 de eigenlijke leer der vlakken schijnt aan ,plato onbekend geweest te zijn2 de stereometrie beschouwt hij als een afzonderlijk vak4 ,de oorzaak van dit laatste is daarin te zoeken1 dat de meetkunst oorspronkelijk1 zoo als ook de naam aanduidt1 landmneetkunst was1 en dus alleen met in n vlak getrokken lijnen te doen had4 #ach ,zie mijne inleiding op den ,phaedo1 blz4 #h1 #i4 ,albrecht1 ,handboek der ,philosophie1 blz4 #acc-acg4 #aci ,boek ,,vii4 ,hoofdst4 ,,ii4 #adj ,boek ,,ii4 ,hoofdst4 ,,xv4 ,,xvi4 ,boek ,,iii4 ,hoofdst4 ,,xix4 ,,xx4 #ada ,boek ,,vi4 ,hoofdst4 ,,ix4 #adb ,boek ,,iii4 ,hoofdst4 ,,xx4 en ,,vi4 ,hoofdst4 ,,xi4 #adc ,boek ,v4 ,hoofdst4 ,,xiv4 ,,achtste ,,boek4 ,i4 ,dit kunnen wij dus vaststellen1 ,glauco6 dat in een volmaakten staat gemeenschap van vrouwen1 kinderen1 opvoeding1 en bezigheden in oorlog en vrede moet plaats vinden1 en dat zijne koningen uit hen moeten gekozen worden1 die in wijsbegeerte en krijgskunst uitmunten4--,dit staat vast4--,en wij zijn het ook daarover eens1 dat1 wanneer de overheden zijn aangesteld1 zij de krijgslieden naar zulke woningen1 als wij beschreven hebben1 zullen brengen1 waarin niemand iets voor zich alleen zal hebben1 maar alles aan allen gemeen is4 ,en verder hebben wij1 zoo gij het u herinnert1 besproken1 waarin hunne bezittingen bestaan zullen4--,ik herinner mij1 dat1 volgens ons gevoelen1 geen hunner iets van die dingen moet bezitten1 waarop men tegenwoordig zoo veel prijs stelt2 maar dat zij als oorlogslieden en wachters tot loon voor hunne moeite door de anderen moeten onderhouden worden1 en slechts voor hun eigen oefening en voor den staat te zorgen hebben4--,juist4 ,maar1 dewijl dit nu is afgehandeld1 moeten wij ons herinneren1 hoe wij hier gekomen zijn1 om denzelfden weg nog eens terug te gaan4--,dat is niet moeijelijk1 want gij zeidet omtrent even als nu1 dat gij een staat zoo als den behandelden en een daarop gelijkenden man voor goed hieldt1 hoezeer gij1 zoo als gebleken is1 nog een schooner staat en man hadt achtergehouden4 ,maar verder zeidet gij1 dat1 als deze goed is1 de andere staatsregelingen slecht zijn4 ,en van die andere hebt gij1 als ik mij niet vergis1 vier soorten onderscheiden1 die wel verdienden dat wij er over nadachten1 en hare gebreken benevens de op haar gelijkende mannen beschouwden2 opdat1 als wij ze allen gezien hadden1 en den besten zoowel als den slechtsten man hadden uitgevonden1 wij zouden kunnen nagaan1 of de beste nu de gelukkigste en de slechtste de ongelukkigste is1 of niet4 ,en1 toen ik vroeg1 welke die vier staatsregelingen waren1 vielen ,polemarchus en ,adimantus in de rede2 waarop gij het woord weer hebt opgenomen en hier zijt aangeland#add4--;,dat hebt gij u zeer goed herinnerd4--,pak het dan nu nog eens van denzelfden kant aan1 en doe mij nu eens een genoegen door hetzelfde te zeggen1 dat gij toen voornemens waart4--,als ik het maar kan4--,och ik verlang maar te weten1 welke vier soorten van staatsregeling gij bedoelt4--,dat verlangen kunt gij gemakkelijk verkrijgen1 want ik bedoel de algemeen bekende2 vooreerst de vermaarde ,cretensische en ,lacedaemonische staatsregeling2 ten tweede de weinig minder geprezene oligarchie1 eene soort die evenwel vol is van groote gebreken2 verder de daarop volgende1 te weten de democratie2 en eindelijk de echte tiranny1 die de vierde en laatste ziekelijke toestand van een staat is4 ,of weet gij nog eene andere in het oog loopende soort8 ,de vorstendommen toch en verschillende soorten van koningrijken vallen tusschen deze in1 en men kan ze in menigte zoo bij barbaren als bij ,grieken vinden4--,ja er zijn er genoeg1 en die er wonderlijk uitzien4-- ,,ii4 ,ziet gij nu niet in1 dat er even zoovele soorten van menschen als van staatsregelingen zijn moeten8 ,of meent gij1 dat die staatsregelingen ergens anders uit ontstaan dan uit de zeden der burgers1 die1 wanneer zij veranderen1 het overige meslepen8--,nergens anders uit4--,en als er nu vijf hoofdsoorten van staten zijn1 dan zijn er dus ook vijf van enkele menschen4--,natuurlijk4--,en wij hebben hem1 die op de aristocratie 7regering der besten7 gelijkt1 reeds behandeld1 en mogen hem goed en regtvaardig noemen4--,ja4--,dus moeten wij nu de niet goeden behandelen1 te weten3 den twistgierigen en eerzuchtigen1 die met de ,lacedaemonische staatsregeling overeenkomt1 den oligarchischen1 den democratischen en den tirannieken2 ten einde1 als wij den onregtvaardigsten gevonden hebben1 hem tegenover den regtvaardigsten te stellen1 en dan juist te kunnen beoordeelen1 in welke verhouding de volkomene regtvaardigheid en onregtvaardigheid tot geluk en ongeluk staan2 om f op raad van ,thrasymachus de onregtvaardigheid1 f volgens het reeds besprokene de regtvaardigheid na te jagen4--,zoo moeten wij doen4--,willen wij dan nu1 gelijk wij begonnen zijn met eerst de staatsregeling1 omdat die meer in het oog valt1 en dan den enkelen mensch te beschouwen1 zoo ook nu eerst de eerzuchtige staatsregeling1 7want een anderen naam weet ik er niet voor1 tenzij wij ze timocratie of timarchie noemen7 en dan den op haar gelijkenden man beschouwen2 vervolgens de oligarchie en den oligarchischen man2 daarna de democratie en den democratischen man2 om eindelijk de tiranny bezien hebbende1 de tirannieke ziel in het oog te vatten1 en dan over het voorgestelde ons oordeel te kunnen uitspreken4--,dat vind ik goed1 want dan wordt die beschouwing en beoordeeling geregeld afgehandeld4-- ,,iii4 ,komaan dan1 laat ons pogen te zeggen1 hoe eene timocratie uit eene aristocratie kan geboren worden4 ,vindt gij het niet natuurlijk1 dat elke verandering van staatsregeling door hen wordt veroorzaakt1 die de magt in handen hebben1 wanneer zij niet eensgezind zijn2 daar zoo lang zij eensgezind blijven1 ook al zijn zij weinig in getal1 hun gezag niet kan omgeworpen worden8--,ja2 zeker4--,hoe zal dan nu zulk eene verandering bij ons plaats hebben1 en hoe zal er oneenigheid tusschen onze wachters en overheden ontstaan8 ,willen wij1 als ,homerus1 de ,muzen bidden1 ons te zeggen1 hoe er het eerst twist ontstaan is1 en haar dan een deftig antwoord in den mond leggen8--,hoe meent gij8--,ongeveer aldus3 ,een z ingerigte staat zal wel niet ligt geschokt worden2 maar dewijl al wat ontstaan is weer vergaan moet1 zal ook zulk eene inrigting niet altijd blijven1 maar ontbonden worden4 ,die ontbinding zal z plaats hebben4 ,niet alleen de planten1 maar ook de dieren zijn op sommige tijden beter tot voortplanting geschikt dan op andere4 ,den juisten tijd nu voor de voortplanting van uw geslacht zullen uwe overheden1 hoe wijs zij ook zijn1 niet altijd kunnen treffen2 maar zij zullen zich somtijds daarin vergissen en op een ongunstig oogenblik kinderen laten telen1 die bijgevolg niet edelaardig noch gelukkig zijn zullen4 ,vervolgens zullen zij wel de besten uit die kinderen tot hunne opvolgers aanstellen1 maar1 dewijl deze toch minder goed zijn1 zullen zij1 de magt hunner ouders in handen gekregen hebbende1 beginnen met als wachters ons1 ,muzen te minachten en eerst de muzenkunst1 vervolgens de gymnastiek minder dan betaamt te waarderen4 ,ten gevolge daarvan zullen de jongelingen minder beschaafd worden4 ,deze zullen1 later overheden geworden zijnde1 niet in staat zijn het gouden1 zilveren1 koperen en ijzeren geslacht#ade goed uit elkander te houden4 ,wanneer nu zilver met ijzer en goud met koper vermengd wordt1 ontstaat daaruit ongelijkheid en gebrek aan overeenstemming1 waarvan twist en vijandschap het onvermijdelijk gevolg is4 ,dit moet als de oorzaak van alle oneenigheid beschouwd worden4--,ik moet zeggen1 dat de ,muzen goed geantwoord hebben4--,dat was van ,muzen ook wel niet anders te denken4--,en wat zeggen zij nu verder8--,als die twist ontstaat1 trekken dat ijzer en koper naar het doen van winst en het verkrijgen van huizen en landerijen en goud en zilver2 maar het goud en zilver daaraan geen behoefte hebbende1 omdat zij van nature rijk zijn1 trekken de zielen naar de deugd en naar den ouden toestand4 ,wanneer zij nu hierover getwist en gestreden hebben1 maken zij eindelijk de overeenkomst1 dat zij het land en de huizen verdeelen1 en ieder een bijzonder eigendom nemen1 en dat zij de overige burgers1 die vroeger als vrije menschen1 vrienden en voeders door hen bewaakt werden1 onder het juk brengen1 en ze tot schatpligtige landbouwers vernederen1 terwijl zij den oorlog en de wacht voor hunne rekening nemen4--,ik vind het zeer waarschijnlijk1 dat die verandering z plaats heeft4--,en is deze staatsregeling nu niet in het midden tusschen de aristocratie en de oligarchie8--,ja4-- ,,iv4 ,z zal dus de verandering plaats hebben4 ,en hoe zal vervolgens de inwendige toestand zijn8 zal zij niet in sommige punten de vorige staatsregeling1 in andere de oligarchie nabootsen1 daar zij tusschen die twee in ligt2 en zal zij niet ook eenige dingen hebben1 die haar alleen eigen zijn8--,natuurlijk4--,zij zal dan denkelijk in het bewijzen van eer aan de overheden1 en de verachting der krijgslieden voor landbouw1 handwerken en andere geldwinningen1 en het houden van gemeenschappelijke maaltijden1 en het beoefenen der gymnastiek en der krijgskunst1 de vorige staatsregeling navolgen4--,ja4--,en de vrees voor het opdragen van het bestuur aan kundige menschen1 daar die niet meer eenvoudig en streng maar bedorven zijn2 en het bij voorkeur aanstellen van moedige en eenvoudige lieden2 en het verkiezen van oorlog boven vrede1 en het waarderen van krijgslisten en schrandere vonden2 en het aanhoudend krijgvoeren2 dit alles is haar bijzonder eigen4--,juist4--,en zulke menschen zullen even begeerig naar schatten zijn als de oligarchen1 en heimelijk goud en zilver zamenschrapen1 daar zij schatkamers en eigene bergplaatsen hebben1 waar zij het kunnen wegstoppen1 en beslotene huizen1 als 't ware eigene nesten1 waarbinnen zij zooveel als zij willen aan vrouwen1 enz41 besteden kunnen4--,dat is volkomen waar4--,zij zullen zeker ook gierig op hun geld zijn1 daar zij het niet openlijk kunnen laten zien1 en er op uit zijn om op de klap te loopen1 en in 't geheim vermaak na te jagen1 en de wet1 als jongens hun vader1 zoeken te foppen1 dewijl zij niet door overreding maar door dwang zijn opgevoed1 en de ware ,muze1 de beschermster van de bespiegeling en de wijsbegeerte verwaarloosd1 en de gymnastiek boven de muzenkunst gewaardeerd hebben4--,die staatsregeling heeft waarlijk veel goed en kwaad door elkander4--,dat is er in dooreengemengd1 maar ten gevolge van het overwigt der geestkracht komt de twistgierigheid en de eerzucht in haar het meest voor den dag4--,ongetwijfeld4--,deze staatsregeling zal dus z ontstaan1 en zdanig wezen1 om het nu maar bij deze schets te laten1 en haar niet naauwkeurig uit te werken2 dewijl het genoeg is den regtvaardigsten en den onregtvaardigsten in de hoofdtrekken te zien1 en het een oneindig werk zijn zou alle staatsregelingen en alle karakters te beschrijven1 zonder iets over te slaan4--,dat vind ik ook4-- ,v4 ,wie is nu de man1 die met deze staatsregeling overeenstemt1 en hoe wordt hij gevormd8--,ik geloof1 zeide ,adimantus1 dat hij in twistgierigheid veel van ,glauco zal hebben4--,misschien wel1 zeide ik1 maar hierin geloof ik niet1 dat hij op hem gelijken zal4--,waarin8--,hij moet verwaander en onbeschaafder1 en wel van de muzenkunst niet geheel afkeerig1 maar toch een groot vijand van welsprekendheid wezen4 ,ook zou zulk een mensch voor slaven hard zijn1 en zich niet zoo als de goed opgeleide daar boven verheven vinden1 maar jegens vrijen zachtzinnig1 en zeer gehoorzaam aan de overheden1 en zeer begeerig naar overheidsambten en eereposten1 die hij niet door welsprekendheid of kennis1 maar door dappere daden en bedrevenheid in ligchaamsoefeningen verwerven wil1 daar hij veel met gymnastiek en jagt op heeft4--,dat zijn ten minste de eigenaardigheden van zulk eene staatsregeling4--,zoodanig iemand zou ook in zijne jeugd het geld minachten2 maar1 naarmate hij ouder werd1 er meer van gaan houden1 daar zijn inborst ook met die van den geldwinner overeenkomst heeft1 en hij niet onverdeeld aan de deugd gewijd is1 omdat zijne ziel niet door de beste wachters bewaakt wordt4--,wie zijn dat8 zeide ,adimantus4--,dat zijn de wijsbegeerte en de muzenkunst1 die alleen de ziel1 waarin zij wonen1 levenslang in de dienst der deugd kunnen bewaren4--,dat zegt gij goed4--,z is dus een jongeling1 die op den timocratischen staat gelijkt4--,juist4--,en z omtrent wordt hij gevormd4 ,stel u den zoon voor van een deugdzaam man1 die in een slecht ingerigten staat woont1 en zich buiten eereposten1 overheidsambten1 regtsgedingen1 enz41 houdt1 en liever de minste wil zijn1 dan zich in onaangenaamheden te steken4 ,laat nu dien knaap vooreerst merken1 dat zijne moeder knorrig is1 omdat haar man niet in de regering zit1 en zij daardoor bij andere vrouwen moet achterstaan2 en omdat hij weinig werk van het geld maakt1 en zich met geen particuliere twisten of staatspartijen wil inlaten2 en omdat hij steeds met zich zelven bezig is en haar wel niet minacht maar toch ook niet te hoog stelt3 en laat hem haar hooren zeggen1 dat zijn vader zich niet als een man gedraagt1 maar als een lafaard1 die1 enz4 enz4--,ja1 zeide ,adimantus1 dat zijn zoo de gewone klagten der vrouwen4--,en gij weet wel1 dat ook de slaven van zulke menschen somtijds heimelijk tot hunne kinderen op dezelfde wijs spreken1 en wanneer zij zien1 dat de vader een schuldenaar of beleediger niet in regten vervolgt1 met een schijn van goedwilligheid den zoon aansporen1 om1 als hij een man is geworden1 zich meer te laten gelden1 en zich mannelijker dan zijn vader te gedragen4 ,en als hij uitgaat1 ziet en hoort hij desgelijks1 dat zij1 die zich slechts met hun eigen zaken bemoeijen1 algemeen flaauw genoemd en weinig geacht worden1 maar dat zij1 die zich weten te laten gelden1 tot aanzien komen4 ,als nu een jong mensch dat alles hoort en ziet1 en van den anderen kant zijn vader hoort spreken en zijne handelwijs meer van nabij beschouwt1 dan wordt hij van twee kanten getrokken1 daar zijn vader zijne rede zoekt te kweeken en te ontwikkelen1 en de anderen zijne begeerlijkheid en driftigheid2 en daar hij uit een goed man geboren1 maar door kwaad gezelschap bewerkt is1 zeilt hij midden tusschen die twee door1 en geeft de heerschappij over zijne ziel aan het middelste vermogen1 aan de geestkracht1 en wordt een hoogmoedig en eerzuchtig man4--,gij hebt de vorming van zulk een karakter volmaakt beschreven4--,wij hebben dus hier de tweede staatsregeling en den tweeden man4--,ja4-- ,,vi4 ,wij willen dan nu verder de mannen en de staatsregelingen beschouwen1 en wel1 volgens ons plan1 telkens de staatsregelingen eerst4--,dat is goed4--,de staatsregeling1 die nu aan de beurt ligt1 is1 geloof ik1 de oligarchie4--,maar welke staatsinrigting noemt gij eigenlijk oligarchie8--,die op eene schatting gebouwd is1 waarin de rijken regeren1 en de armen geen deel aan de regering hebben4--,nu begrijp ik het4--,wij moeten dus eerst zeggen1 hoe de timarchie in oligarchie overgaat4--,ja4--,dit is waarlijk ook voor een blinden te zien4--,hoe zoo8--,die bijzondere schatkamers vol goud doen die staatsregeling te gronde gaan4 ,want vooreerst krijgen de burgers daardoor lust om verteringen te maken1 en ontduiken de wet1 haar met hunne vrouwen overtredende4--,dat is te denken4--,verder maakt1 denk ik1 de een den ander aan den gang1 tot zij allen met denzelfden geest bezield worden4--,natuurlijk4--,en wanneer zij nu hoe langer hoe meer werk van het geldwinnen maken1 gaan zij de deugd hoe langer hoe minder achten4 ,of zijn rijkdom en deugd niet z tegenstrijdig1 dat1 als de een rijst1 de andere dalen moet8--,ongetwijfeld4--,als dus de rijkdom in den staat wordt geerd1 dan zijn de deugd en hare beoefenaars minder in tel dan de rijken4--,dat spreekt4--,en eer kweekt beoefening1 oneer verwaarloozing4--,ja4--,dus zijn dan onze burgers in plaats van twistgierig en eerzuchtig1 geldgierig en schraapzuchtig geworden2 en den rijken prijzen zij en stellen hem aan1 maar den armen tellen zij niet4--,juist4--,en dan bepalen zij bij de wet1 hoe veel geld iemand hebben moet1 om deel aan het bestuur te krijgen1 en naarmate de staatsregeling meer of minder oligarchisch is1 stellen zij de daartoe vereischte schatting hooger of lager4 ,en als zij dien maatregel van voorzorg niet bij tijds genomen hebben1 zetten zij hem met geweld door4--,zoo gaat het gewoonlijk4--,op deze wijs komt dus die staatsregeling tot stand4--,ja2 maar hoe is het inwendig met haar gesteld1 en welke gebreken zijn in haar op te merken8--,vooreerst1 de maatstaf1 die door haar gevolgd wordt4 ,want zie eens3 als men bij het kiezen van stuurlieden op het geld zag1 en den armen1 hoe knap hij ook was1 niet gebruiken wilde4--,dan zou er een treurige scheepvaart plaats hebben4--,en is het niet evenzoo met elk ander bestuur8--,ik zou zeggen3 ja4--,behalve dat van den staat8 of is het daar evenzoo me8--,neen1 maar daarme vooral1 dewijl dat het moeijelijkste en belangrijkste is4--,dat is dus het eerste gebrek van de oligarchie4--,dat blijkt4--,en is dit nu zooveel minder8--,wat4--,dat zulk een staat niet n is1 maar dat daarin noodzakelijk twee staten zijn1 n der armen en n der rijken1 die te zamen wonen en elkander belagen4--,dat is waarlijk niet minder4--,en is dit mooi2 dat zij bezwaarlijk oorlog kunnen voeren1 omdat zij vreezen aan het volk wapens in handen te geven2 en1 als zij dat niet doen1 te weinig manschappen voor den oorlog hebben1 te meer1 daar zij te gierig zijn1 om veel oorlogskosten te betalen4--,dat is alles behalve mooi4--,en dat in die staatsregeling zoo geheel verschillende dingen als oorlog1 landbouw en geldwinnen door dezelfde menschen worden uitgeoefend1 vindt gij dat goed8--,in 't geheel niet4-- ,,vii4 ,en let nu eens op1 of hier niet voor het eerst een allerleelijkst gebrek voor den dag komt4--,wat8--,dat het mogelijk is al zijne bezittingen kwijt te raken1 en dan in den staat te wonen1 zonder er een deel van te zijn1 geen geldwinner1 handwerksman1 ruiter of voetknecht1 maar eenvoudig een arme genoemd wordende4--,dat gebrek vertoont zich hier het eerst4--,de oligarchische staatsregeling doet er dan ook niets tegen1 daar de oligarchen onmogelijk zeer rijk konden zijn1 zoo de anderen niet zeer arm waren4--,juist4--,maar let nu eens hierop4 ,toen die verarmde nog rijk was en zijn geld verteerde1 was hij toen nuttiger voor den staat1 of behoorde hij toen slechts in schijn tot de bestuurders1 terwijl hij in waarheid geen overheid of dienaar van den staat1 maar slechts een doorbrenger zijner bezittingen was8--,hij was het eerste schijnbaar1 het laatste werkelijk4--,willen wij dus zeggen1 dat1 gelijk in een honigraat een hommel tot nadeel van den zwerm geboren wordt1 hij in een huis tot nadeel van den staat wordt gevormd8--,ja1 die vergelijking is goed1 ,socrates6--,nu heeft de natuur die gevleugelde hommels zonder angels gemaakt1 doch die hommels op twee beenen hebben soms geen angels1 maar soms angels van sta vast4 ,en die zonder angels blijven tot hun dood toe bedelaars1 maar die met angels worden kwaaddoeners van allerlei soort4--,dat is volkomen waar4--,wanneer gij dus ergens bedelaars ziet1 kunt gij veilig besluiten1 dat daar ook dieven1 zakkenrollers1 tempelroovers en andere kwaaddoeners verborgen zijn4--,natuurlijk4--,en ziet gij nu geen bedelaars in de oligarchische staten8--,ja bij heele troepen4--,dus vermoeden wij ook1 dat dr vele kwaaddoeners met angels zijn1 die door de overheden met geweld worden ondergehouden4--,natuurlijk4--,en moeten wij niet zeggen1 dat die personen door slecht onderwijs1 slechte opvoeding en verkeerde inrigting van den staat z gemaakt worden8--,ja zeker4--,z ziet de oligarchische staat er uit1 en deze gebreken heeft zij1 en misschien nog meer4--,juist4--,dus hebben wij de oligarchie1 die naar eene schatting de overheden aanstelt1 ook afgehandeld4 ,,viii4 ,willen wij nu den op haar gelijkenden man beschouwen1 en zien1 hoe hij is1 en hoe hij gevormd wordt8--,gaarne4--,gaat het nu met de verandering van een timocratische in een oligarchische denkwijze niet meest aldus toe8--,hoe8--,wanneer de zoon van een timocraat in het eerst zijn vader nastreeft en in zijne voetstappen wandelt1 maar vervolgens ziet1 hoe deze plotseling als op een klip stoot en te gronde gaat1 door1 nadat hij veldheer geweest is1 of eene andere hooge betrekking bekleed heeft1 belasterd en in een regtsgeding gewikkeld zijnde1 tot dood1 verbanning of eerloosheid en verbeurdverklaring van goederen veroordeeld te worden4--,zoo iets gebeurt al heel ligt4--,wanneer hij dit ziet1 en er het slagtoffer van is1 en zijn erfdeel missen moet1 dan wordt hij natuurlijk bevreesd1 en werpt eerzucht en geestkracht van haren troon in zijne ziel naar beneden1 en door armoede vernederd1 wendt hij zich tot het geldwinnen1 en zoekt door volharding en spaarzaamheid schatten te verzamelen4 ,gelooft gij dus niet1 dat zoo iemand dan op dien troon de begeerlijkheid en geldzucht verheft en door haar zijne heele ziel laat beheerschen8--,ja zeker4--,en dan zet hij verstand en eerzucht naast dien troon op den grond1 en maakt ze dienstbaar aan de geldzucht1 en laat het verstand over niets anders dan over het vermeerderen van zijn geld redeneren1 en de eerzucht niets anders vereeren en bewonderen dan rijkdom en rijken1 en in niets anders eer stellen dan in het verwerven van geld en hetgeen daartoe dienen kan4--,door zulk eene lotwisseling wordt een eergierige het allerligtst in een geldzuchtigen veranderd4--,en is dat nu een oligarch8--,zijn karakter is althans ontstaan uit het karakter1 dat met den staat1 waaruit de oligarchie voortkwam1 overeenstemde4--,laat ons dan eens nagaan1 of hij overeenkomst met de oligarchie heeft4--,dat willen wij doen4-- ,,ix4 ,komt hij er vooreerst niet in het boven alles waarderen van het geld me overeen8--,zekerlijk4--,en ook daarin1 dat hij zuinig en werkzaam zijnde alleen de begeerten naar noodzakelijke dingen bevredigt1 en andere uitgaven nalaat1 en de begeerte naar dezelve als dwaasheid onderdrukt4--,juist4--,hij is dus een gierig geldwinner1 die van alles voordeel weet te trekken1 hoedanige menschen meestal geprezen worden4 ,heeft hij nu niet veel overeenkomst met de laatstgenoemde staatsregeling8--,ik vind van ja3 geld is althans n voor dien staat1 n voor dien man een voorwerp van groote vereering4--,en zulk een mensch heeft een weinig ontwikkeld verstand4--,dat vind ik ook1 anders had hij den blinden ,plutus niet tot leidsman gekozen4--,juist2 maar let nu nog eens hierop4 ,moeten wij niet zeggen1 dat er bij hem door gebrek aan beschaving hommelachtige begeerten ontstaan1 die deels als bedelaars onderworpen zijn1 deels als kwaaddoeners met geweld door de overige neigingen bedwongen worden8--,wel zeker4--,weet gij nu werwaarts gij zien moet1 om hare kwaadaardigheid op te merken8--,nog niet4--,naar het bestieren der zaken van weezen1 of zoo zij eenige andere gelegenheid hebben om straffeloos onregt te doen4--,dat is waar4--,is het nu niet duidelijk1 dat hij in de andere overeenkomsten1 waarin schijn van regtvaardigheid hem aanzien verschaft1 zijne kwade begeerlijkheid met geweld bedwingt2 niet omdat hij op redelijke gronden overtuigd is1 dat het beter is die te bedwingen1 maar omdat hij dit doen moet1 uit vrees voor zijne bezittingen4--,voorzeker4--,gij zult echter vinden1 mijn vriend6 dat1 zoodra zij het geld van anderen in handen krijgen1 de meesten hunner van de begeerten des hommels vol zijn4--,ja1 maar al te vol4--,zoo iemand is dus niet met zich zelven in vrede1 maar vol tweespalt1 hoewel meestal de betere begeerten de minder goede onderdrukken4--,dat is waar4--,daarom maakt zoo iemand een vrij goed figuur1 hoezeer de waarachtige deugd van eene goed gevormde en zich gelijk blijvende ziel in hem niet gevonden wordt4--,ja4--,en de gierige is ook een zwak mededinger1 als er door onkosten te maken roem kan behaald worden1 daar hij voor zijn naam geen geld wil uitgeven1 en vreest de verspilzucht bij zich op te wekken2 maar hij laat op echt oligarchische wijs1 om rijk te blijven1 zijne meeste neigingen door eenige weinigen beheerschen4--,dat is volkomen juist4--,kunnen wij nu nog twijfelen1 of de gierigaard en geldwinner met de oligarchische staatsregeling overeenstemt8--,volstrekt niet4-- ,x4 ,dan moeten wij vervolgens het ontstaan en den aard der democratie beschouwen1 om ook den democratischen man te leeren kennen1 en hem te kunnen beoordeelen4--,zoo zullen wij althans ons zelven gelijk blijven4--,en wordt nu die overgang van oligarchie in democratie niet door onverzadelijkheid in het trachten naar rijkdom te weeg gebragt8--,hoe meent gij8--,daar de overheden in dien staat door hunnen rijkdom overheden zijn1 willen zij de verkwisting der jongelieden niet door wetten beteugelen1 dewijl zij daar voordeel me doen kunnen1 door de bezittingen dier verkwisters te koopen1 en hun geld op woeker te leenen1 en zoo steeds rijker en aanzienlijker te worden4--,juist4--,blijkt het derhalve niet1 dat een staat onmogelijk den rijkdom kan vereeren en tevens goede zeden onder de burgers aankweeken1 maar dat hij noodzakelijk het een of het ander moet verwaarloozen8--,dat is vrij duidelijk4--,zoo worden door de oligarchie dikwijls menschen van aanleg verwaarloosd en door het niet tegenhouden der verkwisting geheel verarmd4--,dat is waar4--,deze nu zitten1 denk ik1 in den staat als hommels met angels1 en daar zij door schulden gedrukt1 of eerloos verklaard zijn1 of misschien wel beiden te gelijk1 haten en belagen zij degenen1 die hun goed aan zich gebragt hebben1 en tevens de andere rijken1 en haken naar eene omwenteling4--,zoo gaat het4--,de geldwinners echter zien hen over het hoofd1 en steeds op voordeel bedacht zijnde1 zoeken zij door telkens aan anderen geld uit te leenen hun kapitaal te vermeerderen1 en maken door woeker het getal der armen en der hommels hoe langer hoe grooter4--,dat is natuurlijk4--,en zij willen het uitbreken van dit kwaad niet tegengaan door de verkwisting met wetten te beteugelen1 of eene andere bepaling daartoe te maken4--,welke8--,eene die met de eerste zamenhangt en de burgers dwingt de deugd te beoefenen1 namelijk1 dat het niet betalen van woeker geen regtsvordering aan den woekeraar geeft2 want als zij die vrijwillige overeenkomsten op hun eigen gevaar moesten aangaan1 zouden bijgevolg minder van de gezegde nadeelen voor den staat ontstaan4--,dat scheelt veel4--,nu echter handelen de overheden op de gezegde wijs met de onderdanen1 en zij maken zich zelve en de hunnen1 vooral hunne jongelieden1 weekelijk en ongeschikt voor inspanning van ligchaam of geest1 en niet bestand tegen vermaak en smart1 en lui4--,dat kan niet anders4--,en zij verwaarloozen alles behalve het geldwinnen1 en maken niet meer werk van de deugd dan de armen4--,geen zier meer4--,en wanneer nu1 terwijl z de zaken staan1 overheden en onderdanen elkander op reis1 of bij optogten1 of op zee1 of in den oorlog ontmoeten en elkander in gevaren waarnemen1 dan kunnen de rijken niet langer de armen minachten1 maar dan zal dikwijls een arm en gehard man een verwijfden1 dikken rijkaard zien hijgen en zwoegen1 en onwillekeurig denken1 dat zulke menschen alleen door de lafheid van hem en de zijnen rijk zijn1 en dit zal hij natuurlijk niet voor zich zelven houden1 wanneer hij met zijne makkers alleen is1 maar zeggen3 wat hebben wij hier voor ellendige kerels6--,daar ben ik zeker van4--,en gelijk een voos ligchaam door een klein stootje van buiten1 ja dikwijls zonder dat1 in ziekte stort1 zoo zal ook een staat1 die in zulk een toestand is1 als n der twee partijen uit een anderen oligarchischen of democratischen staat hulp krijgt1 ja dikwijls zonder dat1 aan binnelandsche twisten en oproer ten prooi worden4--,ongetwijfeld4--,en dan ontstaat er1 geloof ik1 eene democratie1 als de armen overwinnen1 sommigen der tegenpartij dooden1 anderen verbannen1 en de overigen gelijk met de andere burgers in de overheidsambten doen deelen1 die dan gewoonlijk door het lot bezet worden4--,ja1 zoo ontstaat de democratie1 hetzij zij door de wapenen tot stand komt1 hetzij de oligarchen uit vrees vrijwillig toegeven4-- ,,xi4 ,hoe zullen die menschen nu leven1 en hoe zal die staat worden ingerigt8 want nu moet de democratie voor den dag komen4--,ja4--,zijn zij niet vooreerst vrij en is de staat niet vol vrijheid en ongedwongenheid1 zoodat ieder daarin doen kan1 wat hij wil8--,dat zou men zeggen4--,en ten gevolge daarvan rigt ieder natuurlijk zijn leven z in1 als hij goed vindt4--,dat spreekt4--,dus kunnen vooral in dien staat allerlei soort van menschen ontstaan4--,natuurlijk4--,dan schijnt zij van alle staatsregelingen de schoonste te wezen2 want gelijk een bont kleed1 dat met allerlei kleuren versierd is1 moet zij dan met allerlei karakters versierd er heel mooi uitzien4--,natuurlijk4--,dan zouden misschien wel velen als vrouwen en kinderen1 die het bonte mooi vinden1 deze staatsregeling tot de allerschoonste verklaren4--,ongetwijfeld4--,het is echter zoo gemakkelijk niet1 mijn beste1 in haar eene bepaalde staatsregeling te vinden4--,hoe dat8--,ten gevolge van de vrijheid heeft zulk een staat allerlei staatsregelingen1 en hij1 die1 zoo als wij1 een staat wil inrigten1 moest eigenlijk naar een democratischen staat gaan1 om dr de inrigting1 die hem beviel1 uit te kiezen1 en die na te volgen4--,hij zou waarlijk geen gebrek aan voorbeelden hebben4--,en dat het in zulk een staat volstrekt niet noodig is overheid te wezen1 ook al zijt gij er geschikt voor2 of te gehoorzamen1 als gij niet wilt2 of krijg te voeren1 als de staat krijg voert2 of den vrede te bewaren1 als de anderen dien bewaren1 zoo dit u niet bevalt2 of1 al sluit de wet u van overheidsambten en regterlijke betrekkingen uit1 u daarvan te onthouden1 zoo gij er naar verlangt3 is dat zoo op het oogenblik geen goddelijke en zalige wijs van leven8--,zoo op het oogenblik misschien wel4--,en is onder die staatsregeling de zachtheid jegens veroordeelden niet heel lief8 ,of hebt gij het nooit in zulk eenen staat gezien1 dat tot dood of ballingschap veroordeelden toch maar bleven en zich openlijk vertoonden1 en1 als konden zij zich onzigtbaar maken1 rondgingen zonder dat iemand het scheen te merken of er zich aan stoorde8--,dikwijls genoeg4--,en dan die inschikkelijkheid en onbekrompenheid1 waarmede zij zich heenzet over ons vooroordeel1 dat behalve menschen van buitengewonen aanleg1 niemand goed kan worden1 die niet van de spelen zijner jeugd af aan zich steeds op al wat goed is heeft toegelegd2 daar zij zich in eens boven dat alles verheft1 en er niet naar vraagt1 welke studie hij gemaakt heeft1 die zich met staatszaken wil inlaten1 maar ieder vereert1 die zich tot een volksvriend verklaart4--,dat is zeker heel onbekrompen4--,dit zijn zoo omtrent de eigenschappen der democratie1 en zij schijnt dus eene aangename1 vrije en bonte staatsregeling te wezen1 die aan gelijken en ongelijken eene volkomene gelijkheid toedeelt4--,wat gij zegt1 is volkomen door de ondervinding bevestigd4-- ,,xii4 ,let nu eens op1 hoe een enkel dusdanig mensch zal wezen8 ,willen wij niet weer eerst1 zoo als wij bij den staat gedaan hebben1 zijne vorming nagaan8--,ja4--,gaat het daar niet z mede toe8 ,die oligarchische gierigaard heeft een zoon1 dien hij natuurlijk in zijn eigen denkwijs zoekt groot te brengen4--,dat spreekt4--,die zoon moet dus evenzoo zijne begeerten1 voor zoo ver zij tot verkwisting1 niet tot geldwinnen1 leiden1 en niet noodzakelijk zijn1 met geweld onderdrukken4--,juist4--,willen wij dan voor de duidelijkheid eerst eens vaststellen1 welke begeerten noodzakelijk zijn1 welke niet8--,dat is goed4--,kunnen wij die niet met regt noodzakelijk heeten1 welke wij niet kunnen uitroeijen1 en die1 als zij vervuld worden1 ons voordeel aanbrengen8 ,beiden toch zijn ons door de natuur ingeplant1 niet waar8--,ja4--,die hebben dus regt op den naam van noodzakelijk4--,volkomen4--,en die men van jongs af zijn best doende kan meester worden1 en die aanwezig zijnde geen goed maar dikwijls kwaad doen1 kunnen wij die allen niet met regt niet-noodzakelijk heeten8--,voorzeker4--,willen wij er nu van beiden n tot voorbeeld nemen1 om ze allen daaraan te kennen8--,met genoegen4--,is dan de begeerte naar eten1 voor zoo ver de gezondheid en welstand des ligchaams dit vordert1 niet noodzakelijk8--,ja4--,die naar spijs in 't algemeen is in beide opzigten noodzakelijk1 voor zoo ver zij nuttig is1 en voor zoo ver zij geen voldoening krijgende1 den dood ten gevolge heeft4--,ja4--,en die naar toespijs1 voor zoo ver de welstand des ligchaams daardoor bevorderd wordt8--,die ook4--,en de begeerte1 die verder gaat1 en allerlei lekkernijen verlangt1 kan1 door haar van jongs af tegen te gaan1 bedwongen worden1 en is schadelijk voor het ligchaam en voor de helderheid en ingetogenheid van den geest1 en verdient daarom den naam van niet-noodzakelijk4--,juist4--de laatste soort nu kan verkwistend genoemd worden2 de eerste daarentegen winstgevend1 omdat hare vervulling ons in geschiktheid voor ons werk doet winnen4--,dat is zoo4--,en kunnen wij van die naar minvermaak niet hetzelfde zeggen8--,ja4--,en zijn nu niet die menschen1 die wij hommels genoemd hebben1 de zoodanigen1 die met zulke niet-noodzakelijke begeerten vervuld zijn en daardoor geregeerd worden2 terwijl de gierige oligarchen slechts aan de noodzakelijke onderworpen zijn8--,voorzeker4-- ,,xiii4 ,laat ons nu nog eens zeggen1 hoe een democratisch man uit een oligarchischen gevormd wordt4 ,naar mij voorkomt gaat dit meestal z toe4--,hoe8--,wanneer een jongeling op de gezegde wijze zonder goed onderwijs en gierig grootgebragt van de honig der hommels proeft1 en kennis maakt met vurige1 listige dieren1 die hem allerlei telkens afwisselende vermaken verschaffen1 dan kunt gij vasstellen1 dat in zijne ziel de oligarchische regeringsvorm voor den democratischen plaats maakt4--,dat kan niet anders4--,zal nu niet1 gelijk de staat door uitheemsche ondersteuning der ne partij veranderde1 die jongeling veranderen1 door dat ne der twee soorten van begeerten in zijne ziel door gelijksoortige van buiten ondersteund wordt8--,ongetwijfeld4--,en als nu zijn vader of zijne andere betrekkingen met vermaningen en straffen het oligarchische deel zijner ziel ondersteunen1 dan ontstaat er in zijn binnenste twist en oneenigheid4--,natuurlijk4--,en soms wordt dan1 geloof ik1 het democratische deel door het oligarchische overwonnen1 en1 als schaamte bij hem opkomt1 worden sommige begeerten geknakt1 andere geheel verdreven2 zoodat hij zich wederom ordelijk gedraagt4--,dat gebeurt somtijds4--,door de onverstandige opvoeding des vaders worden evenwel andere aan de verdrevene verwante begeerten gevoed1 en nemen in menigte en sterkte toe4--,zoo gaat het gewoonlijk4--,en die trekken hem dan tot denzelfden omgang1 en daardoor worden zijne begeerten hoe langer hoe meer4--,dat spreekt4--,en eindelijk overrompelen deze den burgt zijner ziel1 daar zij merken1 dat die niet bezet is door wetenschap1 goede studie en juiste begrippen1 die in den geest van door de goden geliefde menschen de beste wachters zijn4--,juist4--,en dan wordt diezelfde plaats ingenomen door leugens en dwalingen en allerlei valsche denkbeelden4--,ja4--,en dan gaat hij ook weer openlijk met zijne vroegere kennissen om4 ,wanneer dan zijne betrekkingen het spaarzame deel zijner ziel willen bijstaan1 sluiten die valsche redeneringen de poorten van den burgt en laten noch die hulptroepen noch vermaningen van andere vrienden1 die als gezanten komen1 daarbinnen1 en overwinnen die met geweld2 en drijven de schaamte1 haar onnoozelheid noemende1 in ballingschap1 en werpen de ingetogenheid uit1 haar flaauwheid heetende en haar beschimpende2 en de matigheid en spaarzaamheid voor boerschheid en onbekrompenheid uitmakende1 jagen zij die met behulp van allerlei nuttelooze begeerten op de vlugt4--,zoo gaat het4--,en als dan de ziel1 die door haar bezet is en in hare geheimenissen wordt ingewijd1 ledig en schoon is gemaakt1 brengen zij overmoed1 bandeloosheid1 doorbrenging en onbeschaamdheid met groote statie naar binnen1 die door mooije namen vergoelijkende1 daar zij den overmoed flinkheid1 de bandeloosheid vrijheid1 de doorbrenging onbekrompenheid1 en de onbeschaamdheid onverschrokkenheid noemen4 ,wordt op die wijs een jongeling niet na eene opvoeding1 die hem slechts de noodzakelijke begeerten leerde vervullen1 tot het botvieren en inwilligen der niet noodzakelijke noch nuttige gebragt8--,ongetwijfeld4--,en daarna wijdt1 denk ik1 zulk een persoon zijn geld1 tijd en moeite zonder onderscheid aan het vervullen van noodige en niet noodige begeerten2 en als hij zoo gelukkig is van niet geheel door uitspattingen bedorven te worden1 maar bij het toenemen in jaren1 als hij uitgeraasd heeft1 een deel der verdrevene weer opneemt en zich niet geheel door de nieuwe laat beheerschen1 dan geeft hij aan al die begeerten gelijke regten1 en laat zich telkens door de voorkomende1 als of die het geloot had1 besturen1 totdat zij vervuld is1 en eene andere hare plaats inneemt1 daar hij er geene veracht1 maar allen gelijkstelt4--,juist4--,en dan wil hij de waarheid niet hooren noch in zijne ziel binnenlaten1 wanneer iemand zegt1 dat sommige begeerten zich op schoone en goede vermaken rigten1 en andere op slechte1 en dat men de eerste moet aankweeken en in eere houden1 maar de andere bedwingen en ten onder brengen2 maar dat alles ontkent hij en beweert1 dat alle gelijk zijn en dezelfde aanspraak hebben4--,dat is de gewone handelwijs van die menschen4--,en z brengt hij zijn leven door1 dagelijks zijne opkomende begeerten vervullende1 nu eens dronken zijnde en naar fluitenspel luisterende1 dan eens water drinkende en vastende1 dan weer eens de gymnastiek beoefende1 en op een anderen tijd volstrekt niets uitvoerende1 of zelfs zich wel eens met de wijsbegeerte bezig houdende4 ,dikwijls bemoeit hij zich ook met staatkunde1 en spreekt en handelt dan naar zijne oogenblikkelijke invallen4 ,en als hij eens zin in de krijgsdienst krijgt1 maakt hij daar werk van2 en op een anderen tijd zoekt hij weer schatten te verzamelen4 ,in zijn leven is orde noch regelmaat1 maar hij noemt zulk een leven vrij en gelukkig en blijft er steeds in volharden4--,dat is volkomen het leven van den voorstander van gelijkheid4--,en ik geloof1 dat die man even bont en afwisselend van zeden en even mooi als die staat is2 en velen zouden gaarne zulk een leven navolgen1 dat allerlei soort van staatsregelen en levenswijzen in zich bevat4--,dat is zoo4--,dien man kunnen wij dus naast de democratie stellen1 en hem zelven met regt democratisch noemen4--,met het volste regt4-- ,,xiv4 ,nu moeten wij nog de mooiste staatsregeling en den mooisten man1 de tirannij en den tiran gaan beschouwen4--,juist4--,komaan dan1 mijn vriend1 hoe ontstaat de tirannij8 want het blijkt reeds1 dat zij door eene verandering in de democratie wordt te weeg gebragt4--,dat blijkt4--,wordt nu de tirannij niet ongeveer op dezelfde wijs uit de democratie geboren als deze uit de oligarchie8--,hoe dat8--,het goed1 waarnaar men streefde en de oligarchie inrigtte1 was immers de rijkdom8--,ja4--,en was niet onverzadelijk jagen naar hetzelve1 met verwaarloozing van al het overige uit geldbejag1 de oorzaak van den ondergang dier staatsregeling8--,zekerlijk4--,en doet nu niet insgelijks het goed1 dat de democratie najaagt1 haar te gronde gaan8--,wat meent gij8--,de vrijheid4 ,want deze wordt toch in een democratischen staat als zijn grootste voorregt geprezen1 en men zegt immers1 dat juist daarom zulk een staat de eenige geschikte verblijfplaats voor een vrijzinnig mensch is4--,dat wordt meermalen gezegd4--,maakt dan nu niet het onverzadelijk najagen van dit goed1 met verwaarloozing van het overige1 dat deze staatsregeling omslaat en in tirannij moet veranderen8--,hoe meent gij dat8--,wanneer1 geloof ik1 een democratische staat1 die naar vrijheid dorst1 slechte schenkers tot voorstanders krijgt1 en door bovenmatig gebruik daarvan dronken wordt1 dan bestraft men de overheden1 zoo zij niet heel zacht zijn en veel vrijheid geven1 als slechte menschen en oligarchen4--,dat is het gewone4--,en die aan de overheden gehoorzamen worden als vrijwillige slaven en laaghartigen veracht1 maar de overheden1 die zich als onderdanen1 de onderdanen1 die zich als overheden gedragen1 worden in 't bijzonder en in 't openbaar geprezen en vereerd4 ,is in zulk een staat de vrijheid niet alles8--,natuurlijk4--,en de regeringloosheid dringt dan ook in de huizen en strekt zich ten laatste tot over de beesten uit4--,hoe zoo8--,wel2 de vader gewent zich aan zijne zonen gelijk te wezen en die te ontzien2 en de zoon stelt zich aan den vader gelijk en eerbiedigt of vreest zijne ouders niet langer1 om toch maar vrij te wezen2 en de dr wonende of vertoevende vreemden stellen zich gelijk aan de burgers4--,zoo gaat het4--,er gebeuren dan nog meer kleinigheden van dien aard3 de leermeester ontziet en vreest zijne leerlingen1 en de leerlingen hebben geen eerbied voor leermeesters of opvoeders4 ,en in 't geheel stellen de jongeren zich in woorden en daden op ne lijn met de ouderen1 en de ouderen dalen tot de jongeren af1 en zijn vrolijk en aardig1 om den schijn van knorrigheid en heerschzucht toch vooral te mijden4--,juist4--,en de hoogste trap van vrijheid1 mijn vriend1 is deze1 dat gekochte slaven en slavinnen even vrij zijn als hunne meesters4 ,en de gelijkheid en vrijheid1 die tusschen mannen en vrouwen plaats vindt1 hadden wij nog haast vergeten te noemen4 ,verder2 om nu maar alles wat ons voor den mond komt te zeggen1 iemand1 die het niet wist1 zou niet gelooven hoeveel vrijer de huisdieren hier zijn dan elders4 ,want hier wordt het spreekwoord bewaarheid3 gelijk de jufvrouw is1 zoo is haar hondeke4 ,ook de paarden en ezels bewegen zich vrij1 en loopen op straat de menschen tegen het lijf1 die niet uit den weg gaan1 enz4--,dat weet ik bij ondervinding4--,en1 om nu alles in eens te zeggen1 gij merkt1 hoe gevoelig dit alles de zielen der burgers maakt1 zoodat zij om den minsten dwang boos worden1 en dien niet dulden1 en ten laatste zelfs geen geschrevene of ongeschrevene wetten meer eerbiedigen1 om toch volstrekt niets boven zich te hebben4--,daar weet ik van te getuigen4-- ,,xv4 ,deze schoone en onbekrompene staatsregeling nu is1 naar mij voorkomt1 mijn vriend6 de bron der tirannij4--,onbekrompen is zij zeker2 maar wat verder8--,dezelfde ziekte1 die de oligarchie deed te gronde gaan1 ontstaat hier door de vrijheid nog veel meer1 en verderft ook de democratie4 ,en in waarheid pleegt bij weersgesteldheid1 bij planten1 bij dieren1 en vooral ook bij staatsregelingen overmaat in eenig opzigt eene groote verandering in het tegenovergestelde te weeg te brengen4--,dat schijnt zoo4--,overmaat van vrijheid schijnt dus ook bij enkelen en bij staten in bovenmatige slavernij te veranderen4--,dat zou men zeggen4--,dan moet ook de tiranny uit de democratie ontstaan2 uit de hoogstmogelijke vrijheid de hoogstmogelijke en ergste slavernij4--,dat laat zich hooren4--,dit was het echter1 geloof ik1 niet1 wat gij meendet2 maar wel1 hoedanig eene ziekte zoowel de oligarchie als de democratie in 't verderf stort4--,juist4--,ik bedoel dat geslacht van ledige1 verkwistende menschen1 waarvan de moedigsten voorgaan en de lafhartigsten volgen2 waarvan wij de eersten bij hommels met angels1 de laatsten bij hommels zonder angels vergeleken hebben4--,en te regt4--,dezen nu zijn in elke staatsregeling even hinderlijk als slijm en gal in het ligchaam4 ,een goed geneesheer en wetgever van een staat moet dan ook niet minder dan een goed bijenhouder zorgen1 vooreerst1 dat zij niet ontstaan1 en ten anderen1 als zij ontstaan1 dat zij zoo spoedig mogelijk met de honigraten1 waarin zij nestelen1 worden uitgeroeid4--,dat is volstrekt noodig4-- ,,xvi4 ,laat ons het dan z aanpakken1 om duidelijker te zien1 wat wij willen4--,hoe8--,laat ons in een democratischen staat drie deelen onderscheiden1 die er dan ook waarlijk in gevonden worden4 ,want vooreerst ontstaat in haar door de vrijheid de gezegde soort van menschen1 en wel niet minder dan in de oligarchie4--,dat is zoo4--,zij zijn echter hier veel erger dan dr4--,hoe dat8--,omdat zij dr veracht en van overheidsposten uitgesloten waren1 konden zij zich niet oefenen noch magtig worden2 maar in eene democratie hebben zij meestal den boventoon4 ,de vinnigsten hunner voeren dan het woord en moeijen zich met staatszaken1 en de anderen gonzen rond de regtbanken en dulden geen tegenspraak1 zoodat in zulk een staat de meeste dingen door hen bestuurd worden4--,juist4--,aanhoudend scheidt zich echter nog een tweede partij uit het volk af4--,welke8--,als ieder zijn best doet1 om geld te verzamelen1 dan worden de geschiktste menschen meestal de rijkste4--,dat spreekt4--,dan zijn zij het ook1 van wie de hommels den meesten honig afhalen4--,natuurlijk2 want van hem1 die weinig heeft1 is niet veel te halen4--,die rijken kan men dus het voeder der hommels noemen4--,daar hebben zij veel van4--,en de derde partij is het eigenlijke volk1 dat van zijnen arbeid leeft1 en zich weinig met staatszaken bemoeit1 en weinig bezit1 hetwelk in eene democratie in de volksvergadering de grootste magt uitoefent4--,dat is zoo1 maar het heeft geen lust die magt dikwijls te gaan uitoefenen1 zoo het niet ook wat van den honig krijgt4--,het krijgt er dan ook voortdurend zoo veel van1 als de toongevers van de rijken kunnen afhalen1 hetwelk zij z aan het volk uitdeelen1 dat zij zelve het meeste houden4--,ja z krijgt het ook wat4--,maar dan worden1 geloof ik1 zij1 van wie dat wordt afgehaald1 genoodzaakt zich met woorden en daden zooveel zij kunnen te verdedigen4--,natuurlijk4--,en daarom worden zij1 ook al verlangen zij geen omwenteling1 door de anderen beschuldigd1 dat zij tegen de democratie zamenspannen en oligarchisch gezind zijn4--,dat spreekt4--,en eindelijk1 wanneer zij zien1 dat het volk1 niet uit eigen beweging1 maar uit onwetendheid en misleid door de lasteraars1 hen poogt te mishandelen1 dan worden zij willens of onwillens oligarchen1 niet uit eigene beweging1 maar omdat zij door die kwade hommels gestoken worden4--,dat kan niet anders4--,daardoor ontstaan dan twisten1 aangiften1 pleitgedingen1 enz4--,en is nu het volk niet gewoon steeds nen tot leider te nemen1 en dien tot groot aanzien te verheffen8--,ja4--,hieruit blijkt het dus1 dat1 als er een tiran opkomt1 die uit niets anders ontstaat1 dan uit den wortel der volksleiding4--,dat blijkt4--,en hoe begint nu die verandering van volksleider in tiran8 ,is het niet duidelijk1 dat dit plaats heeft1 wanneer het met dien volksleider gaat1 zoo als in de overlevering aangaande den tempel van ,zeus ,lycaeus in ,arcadie8--,hoe is die overlevering8--,dat hij1 die bij het offermaal van het menschenvleesch1 dat onder het andere vleesch fijn gehakt is1 geproefd heeft1 onvermijdelijk een wolf wordt4 ,of hebt gij dat nooit gehoord8--,ja wel4--,wie dan nu als leider van een naar hem luisterend volk1 zich niet van het bloed zijner medeburgers onthoudt1 maar door valsche beschuldiging1 zoo als die menschen gewoon zijn1 geregtelijke moorden laat plaats hebben1 en met zijn verfoeijelijke tong en mond menschenbloed proeft1 en verbanning1 ter doodbrenging1 afschaffing van schulden1 verdeeling van landerijen te weeg brengt2 over hem is het besloten1 f door zijne vijanden verdelgd te worden1 f zich tot tiran te verheffen1 en z van een mensch in een wolf te veranderen4--,dat kan niet anders4--,hij begint dan met openlijken krijg tegen allen1 die geld hebben4--,en als hij dan moet wijken1 maar tegen den zin zijner vijanden terugkeert1 dan keert hij terug als een volkomen tiran4--,dat spreekt4--,en als dezen hem dan niet tot dood of ballingschap kunnen laten veroordeelen1 trachten zij hem heimelijk te vermoorden4--,zoo gaat het4--,en dan is het een gewone maatregel van ieder1 die in het streven naar tirannij tot hier gekomen is1 dat hij van het volk eenige wachters verzoekt1 opdat de voorstander des volks veilig moge wezen4--,juist4--,en dan geeft het volk die1 voor hm bevreesd zijnde en voor zich zelf geen kwaad duchtende4--,ja4--,en als dan de rijken1 die den naam van vijanden der democratie hebben1 dat zien1 vlugten zij1 en schamen zich niet lafhartig te zijn4--,zij zouden zich dan ook niet voor de tweede keer kunnen schamen4--,en die uit hen gegrepen wordt1 is aan den dood gewijd4--,dat kan niet anders4--,en dan blijkt het1 dat die voorstander des volks niet verslagen is1 maar zijne tegenstanders verslagen hebbende1 zelf aan het hoofd van den staat is gekomen1 en van een voorstander des volks in een tiran is veranderd4--,dat is onvermijdelijk4-- ,,xvii4 ,laat ons nu het geluk van zulk een man en van den staat1 waarin hij ontstaan is1 beschouwen4--,met vermaak4--,in den eersten tijd is hij vriendelijk en voorkomend jegens allen1 die hij ontmoet1 en zegt3 dat hij geen tiran is2 en belooft veel aan enkelen en aan het volk1 en scheldt schulden kwijt1 en verdeelt akkers onder het volk en onder zijne vrienden1 en veinst goedwilligheid en voorkomendheid jegens allen4--,natuurlijk4--,maar wanneer hij de vijanden van binnen deels bevredigd1 deels bedwongen1 en van dien kant rust bekomen heeft1 dan verwekt hij telkens weer oorlog1 opdat de burgers eenen aanvoerder noodig hebben4--,dat spreekt4--,en ook om hen door opbrengsten te verarmen1 en ze daardoor te beletten hun werk te verzuimen en hem lagen te leggen4--,natuurlijk4--,en ook om allen1 die hij voor vrijzinnig en voor vijanden van zijn oppergezag houdt1 onder een goed voorwendsel door de vijanden te laten ombrengen2 om dit alles moet een tiran aanhoudend oorlog verwekken4--,dat moet hij4--,en daardoor moet bij telkens meer bij de burgers in haat komen4--,ongetwijfeld4--,en ook zullen de moedigsten zijner partijgangers1 die hem verheven hebben en nu magtig zijn1 vrijelijk tegen hem en tegen elkander hunne afkeuring over den gang des bestuurs te kennen geven4--,dat is wel denkelijk4--,die allen moet de tiran1 om te blijven regeren1 uit den weg ruimen1 tot dat hij onder zijne vrienden of vijanden geen uitstekend persoon meer heeft overgelaten4--,dat spreekt4--,dus moet hij scherp toezien1 wie moedig1 onbekrompen1 verstandig of rijk is2 en hij is z gelukkig van die allen1 willens of onwillens1 vijandig te moeten behandelen1 tot dat hij den staat van hen gezuiverd heeft4--,dat is een fraaije zuivering4--,ja1 het is juist het tegenovergestelde van hetgeen de geneesheeren met het ligchaam doen2 want dezen nemen het slechtste weg en laten het beste blijven1 maar hij handelt omgekeerd4--,hij kan moeijelijk anders doen1 zoo hij zijn gezag wil behouden4-- ,,xviii4 ,dan is hij in de rampzalige noodzakelijkheid van f met de minstwaardigen te wonen en door dezen ook nog gehaat te worden1 f zijn leven te verliezen4--,dat is zoo4--,en naarmate hij door die handelwijs meer bij de burgers gehaat wordt1 heeft hij meer en getrouwer lijfwachters noodig4--,natuurlijk4--,en wie zijn nu die getrouwen1 en vanwaar zal hij ze bekomen8--,velen zullen van zelfs komen aanvliegen1 als hij maar loon geeft4--,het schijnt1 dat gij vreemde hommels uit allerlei landen bedoelt4--,juist2 z meen ik het4--,en zal hij die ook niet willen hebben1 die in zijn eigen land te vinden zijn4--,wie meent gij8--,slaven1 die hij aan de burgers ontneemt en vrij maakt1 om ze onder zijne lijfwacht te steken4--,wel zeker1 daar kan hij het allermeest op rekenen4--,dat is dan toch diep rampzalig1 dat hij zich op zulke vrienden en getrouwen moet verlaten1 na het verdelgen der vorigen4--,ja1 dat is nu niet anders4--,en deze zijne vrienden bewonderen hem dan1 en de jonge burgers sluiten zich bij hen aan1 maar alle edeldenkenden haten en ontvlieden hem4--,ongetwijfeld4--,heet nu het treurspel niet wijs1 en munt ,euripides daar niet in uit8--,wat moet dat8--,wl1 omdat wij dr het diepzinnige gezegde gehoord hebben1 dat de tirannen wijs worden door den omgang met wijze mannen4 ,hij zegt dus3 dat zij1 die met een tiran omgaan1 wijs zijn4--,ja1 en hij prijst de tiranny als iets goddelijks1 en zegt er nog vrij wat meer van1 en de andere dichters doen hetzelfde4--,daar dan nu die treurspeldichters zoo wijs zijn1 zullen zij het ons en de staatkundigen van onze kleur niet kwalijk nemen1 dat wij hen in onzen staat niet opnemen1 omdat zij de tiranny prijzen4--,ik denk van neen1 voor zoo ver zij ten minste beschaafd zijn4--,zij zullen dan1 denk ik1 de andere staten rondreizen1 en zangers met schoone1 sterke1 heldere stemmen huren1 en voor het verzamelde volk de tiranny of de democratie als de beste staatsregeling prijzen4--,waarschijnlijk4--,en dan worden zij natuurlijk daarvoor betaald en geerd1 vooral door de tirannen1 maar toch ook door de democratische staten4 ,maar naarmate zij komen bij staten1 die op een hooger trap staan1 blijven die eerbewijzingen meer achter1 daar deze niet zoo hoog kunnen klimmen4--,dat is natuurlijk4-- ,,xix4 ,doch wij zijn van ons onderwerp afgedwaald2 laat ons liever eens zeggen1 waarvan die schoone1 talrijke1 bonte1 steeds afwisselende troepen des tirans zullen onderhouden worden4--,hij zal eerst de schatten der tempels en de goederen der veroordeelden aanspreken1 en1 zoolang die strekken1 weinig belastingen van het volk eischen4--,en als dat geld op is8--,dan zal hij zich zelven1 en zijne gasten1 vrienden en vriendinnen uit zijn vaderlijk goed onderhouden4--,ik begrijp u1 zeide ik2 gij meent1 dat het volk1 dat den tiran geteeld heeft1 hem met de zijnen mag voeden4--,natuurlijk4--,maar1 als dan het volk boos wordt1 en zegt3 dat een volwassen zoon niet door zijn vader moet onderhouden worden1 maar omgekeerd2 en dat het hem niet geteeld en verheven heeft1 om zelf1 als hij groot was geworden1 zijn eigen slaven te dienen1 en hem met zijne dienaars en een hoop vreemden te voeden1 maar om door zijn bestuur van het juk der rijken en der edelen verlost te worden2 en als het hem beveelt met zijne vrienden den staat te ruimen1 zoo als een vader zijnen zoon met diens luidruchtige gasten uit het huis zet8--,dan zal het volk merken1 welk een schepsel het teelde1 koesterde en groot bragt2 en dat het zijne meerderen poogt uit te drijven4--,wat zegt gij daar8 ,zal de tiran zijnen vader durven verdrukken1 en1 als hij niet gehoorzaamt1 afrossen8--,ja zeker1 na hem eerst ontwapend te hebben4--,dan is een tiran1 volgens uwe woorden1 een slecht kind jegens zijnen ouden vader1 ja zoo goed als een vadermoorder2 en is dit dan wel volmaakte tiranny2 en dan is1 volgens het spreekwoord1 het volk1 om den rook van de gehoorzaamheid aan vrijen te ontgaan1 in het vuur der dienstbaarheid aan slaven gevallen2 en dan heeft het1 in plaats van die groote1 bovenmatige vrijheid1 zich de drukkendste en bitterste slavernij op den hals gehaald4--,juist2 dat is er gebeurd4--,hebben wij nu niet voldoende besproken1 hoe de democratie in tiranny overgaat1 en hoe de natuurlijke gesteldheid is van die laatste8--,geheel voldoende4-- ,voetnoten #add ,boek4 ,,iv4 ,hoofdst4 ,,xviii4 en ,boek ,v4 ,hoofdst4 ,i4 #ade ,boek ,,iii4 ,hoofdst4 ,,xxi4 ,,negende ,,boek4 ,i4 ,nu blijft ons1 geloof ik1 nog over den tirannischen man te beschouwen en te zien1 hoe hij uit den democratischen voorkomt1 hoedanig hij is1 en of zijn leven gelukkig heeten moet4--,ja1 hij is nog over4--,weet gij nu1 wat mij nog niet voldoet8--,wat meent gij8--,wij hebben den aard en de kracht der begeerte niet genoeg uiteengezet2 en als dit gebrekkig is behandeld1 zal hetgeen wij zoeken niet duidelijk worden4--,maar dat is immers nog te verhelpen8--,wel zeker2 let maar eens op1 wat ik wil nasporen4 ,het is dit4 ,van de niet noodzakelijke vermaken en begeerten houd ik sommige voor onwettig1 en geloof1 dat zij wel in alle menschen opkomen1 maar door de wetten en de betere begeerten met behulp der rede onderdrukt1 sommigen geheel verlaten1 of althans bij hen zeer gering en zwak worden1 bij anderen daarentegen sterker en meer zijn4--,welke bedoelt gij daarmede8--,die in den slaap voor den dag komen2 want wanneer het redelijke1 zachtzinnige1 heerschende deel der ziel rust1 maar het dierlijke en wilde1 vooral na veel eten of drinken1 zich verheft1 en den slaap van zich afwerpt1 en poogt heen te gaan en zijne natuur uit te vieren1 dan weet gij1 dat het alles durft doen1 en zich van alle schaamte en ingetogenheid losmaakt4 ,dan toch ziet men er1 in den droom1 geen zwarigheid in1 om bij zijne moeder1 bij beesten of bij goden te liggen1 of om moord te bedrijven1 of verbodene spijzen#adf te eten2 met n woord1 dan wordt er geene dwaasheid of onbeschaamdheid nagelaten4--,dat zegt gij volkomen naar waarheid4--,maar wanneer iemand bij gezonden toestand en matige levenswijs zich te slapen legt1 na zijne rede gewekt en met schoone redeneringen en bespiegelingen gevoed te hebben1 en tot volkomen bewustheid van zich zelven gekomen te zijn2 terwijl de begeerte door gebrek noch overmaat is geprikkeld1 opdat zij zich rustig houde en het beste deel der ziel door hare blijdschap of smart niet beroere1 maar dat op zich zelf late nadenken1 en naar kennis van 't verledene1 tegenwoordige of toekomende streven2 en wanneer hij evenzoo het driftige getemd heeft1 en bij zijn slapen gaan op niemand boos was1 maar die twee deelen der ziel tot kalmte gebragt1 en het derde1 de zitplaats van het verstand1 opgewekt hebbende1 zich ter ruste begeeft3 dan komt hij het digtst aan de waarheid1 en dan zijn de droomen het minst onwettig4--,dat is volkomen waar4--,dit hebben wij nu wat heel uitvoerig besproken1 maar onze meening is deze1 dat in ieder1 hoe ingetogen hij zich voordoe1 eene schrikkelijke1 woeste1 wettelooze soort van begeerten huisvest1 die onder het droomen voor den dag komt4 ,zie eens1 of gij vindt dat ik gelijk heb8--,ik vind van ja4-- ,,ii4 ,herinner u nu nog eens1 hoe wij gezegd hebben1 dat het karakter is van den democratischen man4 ,hij was ontstaan uit eenen jongeling1 opgevoed door eenen gierigen vader1 die alleen de nuttige begeerten goedkeurde1 en de niet noodzakelijke1 maar slechts naar spel en sieraad hakende verachtte3 niet waar8--,ja4--,en door om te gaan met aardiger lieden1 en die vol waren van de daareven vermelde begeerten1 kreeg hij neiging tot allerlei overmoed en tot het aannemen van hunne zeden1 daar de gierigheid zijns vaders hem tegenstond2 maar1 daar bij van natuur beter was dan zijne bedervers1 en van twee kanten getrokken werd1 koos hij een middelweg1 en1 naar hij meende1 de juiste maat houdende1 leefde hij niet bekrompen noch slecht en werd van oligarchisch democratisch4--,ja1 zoo was en is nog tegenwoordig het algemeene oordeel over zulk een mensch4--,stel nu1 dat hij ouder geworden zijnde1 weer een jongen zoon heeft1 die in zijne zeden is opgevoed4--,best4--,stel nu verder1 dat het dezen evenzoo gaat als zijnen vader1 dat hij tot alle losbandigheid wordt aangezet1 en dat deze door hen1 die hem aanzetten1 vrijheid genoemd wordt2 en dat zijn vader en overige nabestaanden die matige begeerten te hulp komen1 maar dat die anderen1 die knappe toovenaars en tirannenfabriekanten1 daartegen in werken1 en1 vreezende den jongeling te zullen verliezen1 zijne matige begeerten weten te doen zwichten voor den wellust1 die met regt bij een gevleugelden grooten hommel kan vergeleken worden4--,juist4--,en wanneer dan nu de andere begeerten rond dien hommel gonzen1 en bedwelmd door reukwerk1 balsem1 kransen1 wijn en wat meer bij die losbandige vermaken behoort1 hem steeds grooter maken en voeden1 en van den angel des verlangens voorzien2 dan wordt dat opperhoofd der ziel door de driften als lijfwacht gediend en viert aan zijne woede den teugel1 en doodt of verbant alle nog aanwezige goede en schaamachtige meeningen en begeerten1 tot dat hij de ziel van alle ingetogenheid gezuiverd en haar met dolheid vervuld heeft4--,dat is volmaakt de geboorte van een tirannisch mensch4--,en wordt niet om diezelfde reden de wellust reeds door de ouden een tiran genoemd8--,waarschijnlijk4--,en heeft ook een beschonken mensch niet eenigzins een tirannischen aard8--,ongetwijfeld4--,en een razende en half krankzinnige poogt en hoopt niet slechts over menschen maar zelfs over goden te heerschen4--,wel zeker4--,zoo wordt dan een mensch volkomen tirannisch1 wanneer hij van natuur1 of door levenswijs1 of door beiden aan wijn en wellust verslaafd en zwartgallig geworden is4--,ongetwijfeld4-- ,,iii4 ,zoo wordt zulk een man dus gevormd1 maar hoe leeft hij8--,dat moet gij maar liever zeggen4--,komaan dan6 ,zij1 wier ziel door den wellust beheerscht wordt1 vieren1 geloof ik1 in 't gezelschap van hoeren feesten1 drinkgelagen1 smulpartijen1 enz4--,dat spreekt4--,en dan komen er iederen dag en nacht vele nieuwe1 hevige begeerten te voorschijn1 die heel wat vertering te weeg brengen4--,ja1 die komen er in menigte4--,en daardoor worden hunne inkomsten spoedig opgemaakt4--,natuurlijk4--,en daaruit komen dan weer schulden en achteruitgang voort4--,dat kan niet anders4--,en als alles op is1 dan schreeuwen natuurlijk die vele en sterke begeerten om voldoening1 en dan wordt zulk een mensch n door de andere begeerten1 n vooral door den wellust als met prikkels voortgedreven1 en zoekt in zijne razernij1 wien hij door list of geweld kan berooven1 om maar geld te bekomen4--,zoo gaat het4--,en dan is hij in de noodzakelijkheid om f van alle kanten geld zamen te slepen1 f door onvaldane begeerten rampzalig gekweld te worden4--,dat kan niet anders4--,en dan zal bij1 gelijk de later bijkomende begeerten de vroegere in zijne ziel van het hunne beroofd hebben1 zijn vader en moeder willen berooven en plukken1 nadat hij zijn eigen vermogen heeft doorgebragt4--,ongetwijfeld4--,en als dezen dat niet toelaten1 zal hij dan niet eerst zijne ouders trachten te bestelen en te bedriegen8--,ja4--,en als dat niet gaan wil1 berooft en plundert hij ze met geweld4--,dat is denkelijk4--,en als nu die oude lieden zich daartegen verzetten1 zal hij zich dan van tirannieke daden onthouden8--,ik heb niet veel moed ten opzigte van zijne ouders4--,maar zal hij dan om een hoer1 die hij onlangs heeft lief gekregen en best missen kan1 zijne ouders1 zijne oudste en onmisbaarste vrienden1 slaan en als slaven behandelen8--,dat zal hij4--,het is toch rampzalig een tirannischen zoon ter wereld te brengen6--,dat is het wel4--,en als hij nu van zijne ouders niet meer halen kan1 en een groote zwerm van begeerten zich in hem heeft gevestigd1 dan zal hij in een huis zoeken in te breken1 of 's nachts de voorbijgangers te berooven1 en vervolgens zelfs de tempels bestelen2 en onder dit alles zullen de begrippen zijner jeugd over goed en kwaad verdrukt worden door de lijfwachters van den wellust1 die onlangs losgebrokene begeerten1 welke vroeger1 toen hij nog democratisch was en door zijn vader en de wetten bestuurd werd1 slechts in den droom losbraken2 en onder de tiranny van den wellust zal hij steeds zoodanig wezen als hij vroeger soms in den droom was1 en geen moord1 heiligschennis of gruweldaad ontzien2 maar de wellust1 zelf als opperheer zich aan niets storende1 zal hem1 die zijn slaaf is1 als een werkelijk tiran zijnen staat1 allerlei misdaden doen plegen1 tot onderhoud van hem en van zijne metgezellen1 die deels van buiten door slechten omgang zijn aangebragt1 deels van binnen door hem en door die slechte levenswijs zijn voor den dag geroepen en losgemaakt4 ,is dat niet het leven van zulk een mensch8--,juist4--,en als er nu weinigen van die soort in een staat zijn1 en de andere burgers zich ordelijk gedragen1 dan verhuizen zij en worden lijfwachters van een vreemden tiran1 of verhuren zich als krijgslieden in den eenen of anderen oorlog1 of1 zoo daartoe geene gelegenheid is1 dan doen zij te huis allerlei klein kwaad4--,wat meent gij8--,zij maken zich schuldig aan diefstal1 inbraak1 zakkerollen1 tempelschennis1 menschenroof1 enz42 en1 als zij goed kunnen spreken1 winnen zij geld met valsche getuigenissen en beschuldigingen1 die zij laten afkoopen4--,vindt gij dat klein kwaad1 als er maar niet veel zulke menschen zijn8--,het kleine is klein met betrekking tot het groote1 en dit alles komt in slechtheid en verderfelijkheid voor den staat in geene vergelijking met een tiran4 ,want wanneer zulken ergens talrijk zijn en vele navolgers hebben1 en hun aantal opmerken1 dan zijn zij het1 die met de dwaasheid des volks den tiran telen1 namelijk dien hunner1 die in zijn eigen gemoed door den grootsten tiran beheerscht wordt4--,dat is ook billijk1 want die deugt daar het meest voor4--,en als de burgers zich vrijwillig onderwerpen1 dan is het goed2 maar1 als zij zich verzetten1 dan zal hij met behulp zijner rotgezellen zijn vaderland1 even als vroeger zijne ouders1 verdrukken en in slavernij houden2 en dan is zijn doel bereikt4--,ja dan is hij klaar4--,en is het niet de gewone handelwijs van zulk een mensch1 voor hij het z ver gebragt heeft1 f met vleijers om te gaan1 die hem in alles ten dienste staan1 f1 als hij iets noodig heeft1 zich te vernederen en in allerlei bogten te wringen1 en den schijn van vriendschap aan te nemen1 om1 als hij zijn zin heeft1 zich weer als een vreemde te gedragen8--,juist4--,dus is een tirannisch mensch in zijn geheele leven niemands vriend1 maar steeds heer of knecht van anderen2 terwijl hij van ware vrijheid en opregte vriendschap volstrekt geen denkbeeld heeft4--,ongetwijfeld4--,dus verdient hij den naam van valsch4--,ja4--,en ten volle dien van onregtvaardig1 zoo wij ten minste in het vorige goed besproken hebben1 wat de regtvaardigheid is4--,ten volle4--,laat ons nu nog eens kort zamenvatten1 hoe de allerslechtste zal wezen4 ,het is dus iemand1 die werkelijk z doet als wij zeiden dat soms in den droom gedaan wordt4--,en dat is dus hij1 die volkomen tirannisch gezind zijnde1 de oppermagt in handen krijgt2 en naarmate hij die langer behoudt1 wordt hij dat meer4--,dat kan niet anders1 zeide ,glauco1 die het woord weder opnam4 ,,iv4 ,zal nu hij1 die gebleken is de slechtste te wezen1 zich ook als den ongelukkigsten vertoonen1 en wel in waarheid1 7want het oordeel der menigte komt hier niet in aanmerking7 des te ongelukkiger1 naarmate hij langer en meer tiran geweest is8--,dat kan niet anders4--,en zou dan ook hierin de tirannische man aan den tirannisch beheerschten staat1 de democratische aan den democratischen enz41 gelijk zijn8--,natuurlijk4--,dus staan die mannen tot elkaar ten opzigte van deugd en geluk in dezelfde verhouding als de staten4--,juist4--,en hoe staat nu een tirannisch beheerschte staat tot eenen onder koninklijk gezag1 zoo als wij het eerst besproken hebben8--,die zijn juist het tegenbeeld van elkander1 want de eene is allervoortreffelijkst2 de andere allerslechtst4--,wie nu die ne en die andere is1 zal ik maar niet eens zeggen2 dat is duidelijk genoeg4 ,maar denkt gij nu evenzoo over hun geluk en ongeluk8 ,laat ons nu niet in de war raken1 door alleen op den tiran en zijne grooten te letten1 maar1 zoo als het hoort1 den geheelen staat van nabij bezien1 om goed te kunnen oordeelen4--,die vordering is billijk2 en dan is het duidelijk voor ieder1 dat geen staat ellendiger is dan een tirannisch beheerschte1 en geen gelukkiger dan een onder koninklijk gezag4--,zou ik nu niet een even billijke vordering doen1 als ik zeide1 dat wij1 om ook de mannen te beoordeelen1 hunnen inwendigen toestand moeten nagaan1 en niet als kinderen door den uiterlijken glans der tiranny verblind worden1 maar daar door heen zien2 en dat wij dus allen naar hem hooren moeten1 die er over kan oordeelen en zulk een tiran van nabij1 in zijn huiselijk leven in het midden der zijnen1 waar hij zich het meest zonder zijn tooneelkleed vertoont1 en ook in de gevaren1 die hem van den kant des volks dreigen1 gezien heeft2 en als ik hem1 die dat alles gezien had1 verzocht te berigten in welke verhouding ten opzigte van geluk of ongeluk een tiran tot de anderen staat#adg4--,voorzeker4--,willen wij dan eens onderstellen1 dat wij hierover kunnen oordeelen en het hebben waargenomen2 opdat het mogelijk zij een antwoord op onze vragen te krijgen8--,dat is goed4-- ,v4 ,komaan dan1 beschouw het aldus3 ,houd de gelijkheid van den staat en den man in het oog1 en zeg mij1 ieder op zijne beurt beschouwende1 hoe hun lot is4--,in welk opzigt meent gij8--,om eerst van den staat te spreken2 noemt gij een tirannisch beheerschten staat vrij of dienstbaar8--,zoo dienstbaar mogelijk4--,maar gij ziet daarin toch heeren en vrijen4--,ja enkelen2 maar over 't geheel is zijn beste deel in schandelijke en ellendige slavernij4--,en als nu de man op den staat gelijkt1 dan moet ook in hem dezelfde betrekking plaats hebben1 en zijne ziel vol slavernij en dienstbaarheid wezen1 en deze vooral hare beste deelen drukken1 terwijl haar kleinste1 slechtste en onzinnigste deel heerschappij voert4--,dat kan niet anders4--,en noemt gij zulk eene ziel nu vrij of dienstbaar8--,natuurlijk dienstbaar#adh4--;,edoch een dienstbare en tirannisch beheerschte staat doet volstrekt niet wat hij wil4--,wel neen4--,dus doet ook eene tirannische ziel volstrekt niet wat zij wil1 als men ten minste de geheele ziel beschouwt2 maar steeds door razernij overmeesterd1 is zij vol verwarring en berouw4--,dat kan niet anders4--,en is een tirannisch beheerschte staat rijk of arm8--,arm4--,dus moet ook eene tirannische ziel arm en gebrekkig wezen4--,juist4--,en moet zulk een staat en zulk een man niet vol vrees zijn8--,voorzeker4--,en gelooft gij ergens1 in eenigen staat1 meer gejammer1 zuchten1 geween en ellende te zullen vinden8--,nergens4--,en denkt gij1 dat ditzelfde in eenig mensch meer zal wezen dan in den tirannischen1 door begeerten en wellust verdwaasden8--,onmogelijk4--,en om dit alles1 en meer dergelijke dingen1 hebt gij den tirannisch beheerschten staat den allerongelukkigsten genoemd4--,dat was toch immers goed8--,wel zeker4 ,maar wat zegt gij nu op diezelfde gronden van den tirannischen man8--,dat hij verreweg de ellendigste van allen is4--,dat zegt gij nog niet goed4--,hoe zoo8--,hij is nog niet de allerellendigste4--,wie dan8--,dezen zult gij misschien nog ellendiger vinden4--,wien8--,die van tirannischen aard zijnde niet ambteloos blijft1 maar ongelukkig genoeg is1 om door de omstandigheden in de gelegenheid gesteld te worden zich tot tiran te verheffen4--,naar aanleiding van het vorige1 geloof ik1 dat gij de waarheid zegt4--,ja1 maar dat moet gij niet gelooven1 maar heel naauwkeurig beredeneren2 daar toch goed of slecht te leven het allerbelangrijkste onderwerp van onze beschouwing is1 en wij daar op dit oogenblik mede bezig zijn4--,dat is zoo4--,onderzoek dan eens1 of ik iets zeg4 ,want ik vind1 dat wij het hieruit moeten afleiden4--,waaruit8--,uit die klasse van menschen1 die rijk zijn en vele slaven houden4 ,dezen toch regeren zoo als de tiran over velen1 hoewel over een minder aantal dan hij4--,ja4--,gelooft gij nu1 dat zij gerust zijn en niet vreezen voor hunne slaven8--,waarom zouden zij ook vreezen8--,nergens om2 maar weet gij1 hoe dat komt4--,ja1 omdat de geheele staat iederen burger beschermt4--,juist4--,maar als n man1 die vijftig of meer slaven had1 eens met zijne vrouw1 kinderen1 bezittingen en slaven in eene onbewoonde plaats werd gebragt1 waar geen vrije hem helpen kon1 zou hij dan niet vreezen1 dat hij met zijne vrouw en kinderen door die slaven zou vermoord worden8--,natuurlijk4--,en zou hij dan niet genoodzaakt zijn sommigen zijner slaven te vleien en hun veel te beloven1 en zonder reden de vrijheid te schenken1 en z van zijne eigene bedienden afhankelijk te worden8--,dat spreekt2 anders zou hij spoedig zijn leven kwijt raken4--,en als er dan eens velen in zijne buurt kwamen wonen1 die niet dulden wilden1 dat de ne mensch den anderen in slavernij hield1 maar1 zoo zij eenen slavenhouder konden beet krijgen1 dien de grootste straffen deden ondergaan8--,dan zou hij het nog veel erger hebben1 daar hij dan van alle kanten door vijanden zou bewaakt worden4--,en zit een tiran1 die uit zijnen aard1 zoo als wij besproken hebben1 vol is van allerlei vrees en begeerte1 nu niet in zulk eenen kerker8 ,is het hem alleen onder de inwoners van zijn land niet onmogelijk1 om1 hoe hij er ook naar verlange1 zich op reis te begeven en iets te gaan zien van hetgeen vrije menschen gaarne beschouwen1 b4 v4 de ,olympische spelen2 daar hij zich als eene vrouw in zijn buis moet verbergen1 en de andere burgers moet benijden1 die kunnen op reis gaan en zich met vermakelijke schouwspelen verlustigen4--,dat is volkomen waar4-- ,,vi4 ,wordt dus het ongeluk van den tirannischen man1 dien gij reeds voor den ellendigsten van allen hield1 niet nog door zulke onaangenaamheden vermeerderd1 als hij niet ambteloos blijft leven1 maar door het noodlot wordt gedwongen1 zich tot tiran op te werpen2 en1 terwijl hij zich zelven niet beheerschen kan1 anderen te regeren1 even als iemand1 die hoewel ziekelijk en zwak van ligchaam1 niet rusten mag1 maar zijn heele leven door met anderen moet vechten8--,daar heeft hij veel van1 ,socrates6 en gij hebt volkomen gelijk4--,dus is dit het allerellendigste lot1 ,glauco6 en de werkelijke tiran heeft het dan nog erger dan hij1 wiens leven gij het ergste genoemd hebt4--,voorzeker4--,dus is in waarheid1 al denken sommigen er anders over1 de waarachtige tiran een slaaf in de hardste dienstbaarheid en slavernij1 en een vleier van de slechtste menschen2 en zijne begeerten worden volstrekt niet vervuld1 maar hij heeft aan het meeste gebrek en blijkt1 als men zijn heele ziel beschouwt1 inderdaad arm te wezen1 en zijn heele leven door vol te zijn van vrees1 en driften1 en smart2 zoo hij ten minste gelijkt op den staat1 waarover hij regeert4 ,en dat doet hij toch8--,wel zeker4--,en zullen wij van hem niet daarenboven nog het vroeger besprokene zeggen1 dat hij door zijn bewind hoe langer hoe meer afgunstig1 onregtvaardig1 beroofd van vrienden1 goddeloos en vol van allerlei slechtheid moet worden1 en dat hij daardoor vooreerst zelf ongelukkig wezen1 en ten andere zijne naasten evenzoo maken moet8--,dat kan geen verstandig mensch tegenspreken4--,komaan1 zeg gij dan als een kunstregter van zangers1 wie de eerste1 tweede1 enz41 in geluk is1 en beoordeel naar de rij den koninklijken1 timocratischen1 oligarchischen1 democratischen en tirannischen man4--,dat is gemakkelijk te beoordeelen4 ,want ik zet ze in trap van geluk en deugd eenvoudig in dezelfde volgorde1 waarin zij zijn binnengekomen4--,willen wij dan een omroeper aannemen1 of wil ik het uitbazuinen1 dat de zoon van ,aristo den besten en regtvaardigsten tot den gelukkigsten verklaart1 en dat dit de koninklijke is1 die zich zelven beheerscht2 maar den slechtsten en onregtvaardigsten tot den ellendigsten1 en dat dit de tirannische is1 die n zich zelven n zijnen staat tiranniseert8--,ik hecht er mijn zegel aan4--,wil ik er dan bij zeggen3 dat dit zoo zijn zal1 of goden en menschen hen kennen of niet8--,dat is goed4-- ,,vii4 ,het zij zoo4 ,hier hebben wij dus n bewijs2 als gij wilt1 kunnen wij het echter ook aldus beredeneren4--,hoe8--,daar1 gelijk een staat uit drie deelen bestaat1 ook in ieders ziel drie deelen gevonden worden#adi1 zal er nog een tweede bewijs mogelijk zijn4--,welk8--,dit4 ,elk dezer drie heeft1 geloof ik1 zijn eigen vermaak en begeerte4--,hoe zegt gij8--,het ne deel was dat1 waarmede iemand leert2 het andere dat1 waarmede hij boos wordt1 aan het derde konden wij om zijne bontheid geen eigen naam geven1 maar benoemden het naar hetgeen daarin het meest en het sterkst voor den dag kwam4 ,want wij noemden het begeerte1 wegens de kracht der begeerten naar spijs1 drank1 mingenot1 enz42 en ook geldgierigheid1 omdat zulke begeerten vooral met behulp van het geld vervuld worden4--,en te regt4--,en zoo wij nu zeiden1 dat het voorwerp van zijn vermaak en zijne begeerte de winst is1 zouden wij dan daardoor niet het best alles tot n hoofdpunt terugbrengen2 ten einde te weten1 wat wij bedoelen1 wanneer wij van dit deel der ziel spreken3 en wanneer wij het geldgierig noemden1 zouden wij het dan met den regten naam noemen8--,ik vind van ja4--,en zeggen wij niet1 dat de geestkracht zich geheel op het sterk zijn1 overwinnen1 en roem behalen geworpen heeft8--,ja4--,zoo wij die dus twistgierig en eerzuchtig noemden1 zou dat dan goed zijn8--,best4--,verder is het voor ieder duidelijk1 dat hetgeen1 waarmede wij leeren1 geheel op de kennis van de waarheid gerigt is1 en zich het minst van allen om geld en roem bekommert4--,volkomen4--,als wij dat dus leergierig en wijsgeerig noemden1 zouden wij dan goed doen8--,ja4--,en nu heerscht in de zielen het ne of het andere van dezen1 naar het uitkomt4--,juist4--,daarom moeten wij ook zeggen1 dat er oorspronkelijk drie soorten van menschen zijn1 wijsgeerige1 eerzuchtige en winzuchtige4--,ja4--,en dus ook drierlei vermaak1 overeenkomstig met deze drie soorten8--,natuurlijk4--,nu begrijpt gij zeker wel1 dat3 als gij drie zulke menschen ieder op zijne beurt vroegt1 wiens levenswijze de aangenaamste is1 ieder de zijne zou noemen2 en dat de geldwinner zou zeggen1 dat bij het geldwinnen het vermaak van den roem of der wetenschap niet in vergelijking komt2 zoo zij ten minste geen geld opbrengen8--,dat spreekt4--,en de eerzuchtige1 vindt die het vermaak van het geldwinnen niet gemeen1 en dat van het leeren1 voor zoo ver de wetenschap geen roem aanbrengt1 geen rook en ijdelheid8--,juist4--,laat ons dan ook maar stellen1 dat de wijsgeer de andere vermaken1 in vergelijking van de kennis der waarheid en het aanhoudend beoefenen der wetenschap1 niet eens als waarachtig vermaak beschouwt1 en zegt1 dat zij inderdaad noodzakelijk zijn1 daar hij er niet naar zou omzien1 zoo hij door de noodzakelijkheid daartoe niet gedwongen werd4--,daar ben ik het stellig me eens4-- ,,viii4 ,aangezien nu het vermaak en de levenswijze van deze drie soorten zamen twisten1 niet wie schooner of leelijker1 noch wie beter of slechter1 maar wie aangenamer en vrijer van smart is2 hoe zouden wij dan kunnen weten1 wie gelijk heeft8--,daar weet ik volstrekt geen raad op4--,beschouw het dan eens aldus3 ,waaraan moet men iets toetsen1 om het juist te beoordeelen8 ,immers aan ondervinding1 kennis en redenering8 ,is er wel een betere toetssteen8--,wel neen4--,denk nu eens na1 wie van die drie menschen de meeste ondervinding van al die soorten van vermaak heeft4 ,heeft de geldwinner welligt meer ondervinding van het vermaak der wetenschap dan de wijsgeer van dat van het geldwinnen8--,wel neen1 zeker niet4 ,want de laatste moet het vermaak van het geldwinnen van zijne jeugd af proeven1 daar hij zonder geld niet kan leven2 maar de geldwinner behoeft het vermaak van het beoefenen der wetenschap niet te proeven noch te ondervinden2 ja zelfs1 als hij het wilde1 zou hij dat bezwaarlijk kunnen4--,dus heeft de wijsgeer in ondervinding van dat tweerlei vermaak heel wat op den geldwinner vooruit4--,ongetwijfeld4--,en hoe staat hij tot den eerzuchtigen8 ,heeft hij minder ondervinding van het vermaak der eerbewijzingen1 dan deze van dat der wetenschap8--,wel neen4 ,want1 als allen hun doel bereiken1 genieten zij allen dat eerste2 want de rijke wordt door velen geerd1 en de moedige en geleerde desgelijks1 zoodat allen het vermaak der eerbewijzingen bij ondervinding kennen2 maar het vermaak van de kennis der waarheid kan niemand proeven behalve de wijsgeer4--,deze oordeelt dus het beste van allen1 voor zoo ver de ondervinding betreft4--,dat scheelt veel4--,en kennis bij die ondervinding is alleen zijn deel4--,juist4--,en het werktuig1 waarmede die beoordeeling verrigt moet worden1 is niet in het bezit van den winzuchtigen of eergierigen1 maar van den wijsgeer4--,welk werktuig8--,het moet immers door redenering beoordeeld worden8--,ja4--,en de redenering is juist het werktuig van den laatsten4--,voorzeker4--,als het nu het best door rijkdom en winst werd beoordeeld1 dan zou immers de lof en berisping van den geldwinner het naast bij de waarheid komen8--,dat spreekt4--,en als dit door roem1 overwinning en dapperheid geschiedde1 was dan de eerzuchtige en twistgierige niet de baas8--,natuurlijk4--,maar nu het door ondervinding1 kennis en redenering beslist wordt8--,nu is de lof van den wijsgeer noodzakelijk het digtst bij de waarheid4--,als er dus drierlei vermaak gesteld wordt1 dan is dat van het deel der ziel1 waarmede wij leeren1 het aangenaamste8--,natuurlijk2 en dus verdient in het prijzen zijner levenswijze de wijsgeer het meeste geloof4--,en aan welke levenswijs en welk vermaak geeft de regter de tweede plaats8--,natuurlijk aan die van den krijgszuchtigen en eergierigen2 want deze komt nader bij den eersten dan de geldwinner4--,dus komt dan het vermaak van den geldwinner het laatste4--,dat spreekt4-- ,,ix4 ,zoo heeft dan de regtvaardige twee overwinningen op den onregtvaardigen behaald1 doch om hem nu1 als in de ,olympische spelen1 ter eere van ,zeus1 die hem redde1 de beslissende derde overwinning te doen behalen1 moet gij nog bedenken1 dat het vermaak der anderen buiten den wijzen niet eens het waarachtige noch zuivere vermaak is1 maar slechts een flaauw afbeeldsel daarvan1 gelijk ik meen een wijs man te hebben hooren zeggen3 als dat eens waar was1 zouden zij toch wel geheel en al verslagen zijn4--,dat spreekt2 maar hoe meent gij dit8--,z denk ik het te vinden1 wanneer gij door uw antwoorden mij bij het zoeken wilt helpen4--,vraag op4--,zeg mij dan eens3 stellen wij smart en vermaak niet tegen elkander over8--,ja4--,en erkennen wij ook niet het bestaan van eenen toestand zonder vreugd of smart8--,juist4--,en beschouwt gij dien niet als eene rust der ziel1 die tusschen deze beiden invalt8--,ja4--,herinnert gij u niet1 wat de zieken zeggen1 terwijl zij ziek zijn4--,wat bedoelt gij8--,dat niets aangenamer is dan de gezondheid1 maar dat zij dit vr hunne ziekte zoo niet hadden ingezien4--,dat heb ik dikwijls gehoord4--,en hoort gij ook niet wel eens menschen1 die pijn hebben1 zeggen1 dat er niets aangenamer is1 dan van pijn bevrijd te wezen8--,wel zeker4--,en gij weet1 denk ik1 nog vele andere omstandigheden1 waarin de menschen1 smart hebbende1 vrijheid en rust van smart1 niet het vermaak1 als het aangenaamste prijzen4--,die rust komt hun dan waarschijnlijk aangenaam en begeerlijk voor4--,en wanneer iemand uitscheidt met vermaak hebben1 dan is het rusten van dat vermaak hem smartelijk4--,natuurlijk4--,zoo zal dan de rust1 die wij zeiden1 dat tusschen beiden inlag1 zoowel vermaak als smart wezen4--,dat schijnt zoo4--,maar kan nu wat geen van beiden is beiden zijn8--,ik vind van neen4--,edoch de gewaarwording van het vermaak en die van de smart zijn beiden eene soort van beweging in de ziel1 niet waar8--,ja4--,en wat noch vermakelijk noch smartelijk is1 bleek immers daareven eene rust te zijn1 die tusschen deze beiden invalt8--,juist4--,is het dan wel goed3 geen smart te hebben aangenaam1 geen vermaak te hebben smartelijk te noemen8--,wel neen4--,dus is de rust niet aangenaam noch smartelijk1 maar schijnt zoo in vergelijking van het aangename en smartelijke2 en deze gewaarwordingen doen ons het echte vermaak niet kennen1 maar zijn eigenlijk zinsbegoocheling4--,dat volgt4--,let dan eens op het vermaak1 dat niet uit smart wordt geboren2 opdat gij niet telkens weer meenen moogt1 dat in ons tegenwoordig leven vermaak eigenlijk het ophouden van smart1 en smart het ophouden van vermaak is4--,wat meent gij8--,er zijn genoeg soorten van1 maar gij moet vooral eens letten op het vermaak van den reuk4 ,dit toch wordt op eens zeer groot1 hoewel er geen smart voorafging2 en als het ophoudt laat het geen smart achter4--,dat is volkomen waar4--,dus moeten wij niet gelooven1 dat zuiver vermaak gelijk staat met afwezigheid van smart1 en smart met die van vermaak4--,neen4--,de meeste zoogenaamde vermaken echter1 die door middel des ligchaams de ziel bewegen1 zijn eigenlijk niets anders dan het ophouden van smarten4--,dal is zoo4--,en staat het niet evenzoo met het vrproeven van vermaak en smart1 dat verwacht wordt8--,ja4-- ,x4 ,weet gij waar ik dus die aandoeningen me vergelijk8--,nog niet4--,gij kent het onderscheid tusschen boven1 midden en beneden4--,wel zeker4--,gelooft gij dan niet1 dat1 als iemand zich van beneden naar het midden beweegt1 hij meenen zal naar boven te gaan2 en dat1 als hij in het midden gekomen is1 en neerziet naar het punt1 waarvan hij is uitgegaan1 hij meenen zal boven te wezen1 indien hij ten minste het waarachtige boven niet kent8--,ongetwijfeld4--,maar als hij nu weder naar beneden ging1 dan zou hij meenen naar beneden te gaan1 en hij zou goed oordeelen4--,dat spreekt4--,en dat alles zou daardoor veroorzaakt worden1 dat hij het waarachtige boven1 midden en beneden niet kende4--,dat is duidelijk4--,kunt gij u dan verwonderen1 dat menschen1 die de waarheid niet kennen1 zoowel over vele andere dingen verkeerde begrippen hebben1 als ook over vermaak en smart en wat daar tusschen ligt z denken1 dat zij1 wanneer zij naar het smartelijke gaan1 goed oordeelen en zich met regt bedroeven1 maar1 wanneer zij van de smart naar het middelste komen1 zich verbeelden volop vermaak te genieten1 en als iemand1 die uit onbekendheid met het wit grijs tegenover zwart stelde1 uit onbekendheid met het vermaak verlossing van smart verkeerdelijk tegenover smart stellen8--,wel neen1 dat is geen wonder1 maar veel meer1 zoo het anders was4--,bedenk nu nog eens dit3 zijn honger1 dorst1 enz41 niet eene soort van gebrek in het ligchaam8--,ja4--,en zijn onkunde en onverstand niet eene soort van gebrek in de ziel8--,voorzeker4--,en worden niet die twee soorten van gebrek door voedsel en door kennis vervuld8--,ja4--,en waarme wordt een gebrek meer in waarheid vervuld1 met hetgeen meer1 of met hetgeen minder bestaat8--,met hetgeen meer bestaat4--,en wat van beiden heeft meer deel aan het waarachtige zijn3 spijs1 drank1 toespijs1 enz42 of ware meening1 verstandskennis1 redekennis1 en wat meer tot de deugd gerekend wordt#aej8 ,beoordeel dit eens aldus3 ,wat vindt gij1 dat meer in waarheid bestaat3 hetgeen zich aan het onveranderlijke1 onsterfelijke en ware aansluit en zelf zoodanig is1 en in het zoodanige gevonden wordt2 of hetgeen aan het veranderlijke en sterfelijke zich aansluit en zelf zoodanig is1 en in het zoodanige wordt gevonden8--,ongetwijfeld het eerste4--,en is het onveranderlijke nu niet even verwant met de wetenschap als met het zijn8--,ja4--,en ook met de waarheid8--,ook daarmede4--,en wat minder met de waarheid verwant is1 is immers ook minder verwant met het zijn8--,dat spreekt4--,is nu niet al wat tot de pleging des ligchaams behoort minder verwant met de waarheid en het zijn1 dan al wat betrekking op de ziel heeft8--,ongetwijfeld4--,en doet hierin ook het ligchaam zelf niet onder voor de ziel8--,zeker4--,en wat nu met hetgeen meer waarlijk bestaat vervuld wordt en zelf meer waarlijk is1 wordt dat niet in waarheid meer vervuld1 dan hetgeen1 dat met het minder waarlijk bestaande vervuld wordt1 en zelf minder waarlijk is8--,natuurlijk4--,zoo het dus aangenaam is met hetgeen aan onze natuur verwant is ons gebrek te vervullen1 dan moet hetgeen meer in waarheid met het meer wezenlijk bestaande wordt aangevuld1 meer waarachtig vermaak veroorzaken dan hetgeen aan het minder wezenlijk bestaande deelachtig wordt1 en minder in waarheid wordt aangevuld1 en dus ook een onzekerder en minder waarachtig vermaak bekomt4--,dat kan niet anders4--,die dus van verstand en deugd verstoken steeds met feesten1 smulpartijen1 enz41 bezig zijn1 bewegen zich1 naar het schijnt1 van beneden naar het midden en terug1 en gaan dr hun leven door op neer2 maar hebben nooit hierover heen het ware boven gezien en nog veel minder bereikt1 noch zich in waarheid met het wezenlijk bestaande vervuld1 noch het bestendige en zuivere vermaak geproefd2 maar als vee voortdurend naar beneden ziende1 en zich naar de aarde en naar de tafels bukkende1 brengen zij hunnen tijd door met eten1 drinken1 hun geslacht voortplanten1 enz42 en om meer daarvan te hebben1 schoppen1 stooten en vermoorden zij elkander met ijzeren horens en hoeven2 daar zij nooit verzadigd worden1 omdat zij zich niet met hetgeen wezenlijk bestaat vervullen en het deel van hun wezen1 dat zij aanvullen1 het verkregene niet kan behouden4--,hierop zeide ,glauco3 ,socrates6 gij beschrijft daar juist naar waarheid het leven der meeste menschen4--,zijn dan ook hunne vermaken niet noodzakelijk met smart vermengd1 en slechts beelden en schaduwen van het ware vermaak1 die hunne kleur aan de naastelkanderstelling ontleenen1 en daardoor heel wat vertoonen1 en hevige begeerte bij de dwazen opwekken1 en strijd veroorzaken2 zoo als ,stesichorus zegt1 dat de strijd bij ,troje om een beeld van ,helena gevoerd is1 daar men de ware niet kende8--,dat kan niet anders4-- ,,xi4 ,en heeft nu hetzelfde niet plaats ten opzigte van de geestkracht1 wanneer iemand uit eerzucht1 twistgierigheid of knorrigheid met nijd1 geweld en drift1 zonder verstand of rede te gebruiken1 zich door eer1 overwinning of wraak zoekt te bevredigen8--,voorzeker4--,willen wij ons dan maar verstouten te zeggen1 dat zelfs de begeerten1 die bij de winzucht en de twistgierigheid behooren1 wanneer zij zich bij het najagen van het vermaak door kennis en redenering laten leiden1 en slechts dat nemen1 wat de rede haar aanwijst1 het meest1 voor zoo ver dit mogelijk is1 waarachtig vermaak bekomen zullen1 daar zij dan de waarheid volgen2 en dat zij dan ook het natuurlijkste vermaak zullen krijgen1 nademaal voor ieder het beste tevens het natuurlijkste is8--,dat stem ik toe4--,als zich dus de geheele ziel door de rede laat leiden2 en geen harer deelen in opstand is1 dan volbrengt zij niet slechts in het overige hare taak en is regtvaardig2 maar dan geniet ook ieder harer deelen het beste1 en1 zoo veel mogelijk1 het meest waarachtig vermaak4--,ongetwijfeld4--,en als een der andere deelen de baas wordt1 dan moet dat deel niet slechts zijn eigen vermaak missen1 maar ook de andere deelen vreemd en niet waarachtig vermaak doen najagen4--,juist4--,en wat het verst van de wijsbegeerte en de rede verwijderd is doet zulks het meest4--,dat spreekt4--,en is dit niet hetzelfde1 als dat wat het verst van wet en orde verwijderd is8--,natuurlijk4--,en dat zijn de wellustige en tirannische begeerten4--,juist4--,en de koninklijke en ordelijke begeerten zijn er het minst van verwijderd4--,ja4--,dus is de tiran het verst van het waarachtig en natuurlijk vermaak verwijderd1 en de koning het minst4--,dat spreekt4--,en dus zal de tiran het onaangenaamste1 de koning het aangenaamste leven hebben4--,dat kan niet anders4--,en terwijl nu de goede en regtvaardige den slechten en onregtvaardigen zoo zeer in vermaak overtreft1 zal hij hem in betamelijkheid en schoonheid van leven1 en in deugd nog heel wat meer overtreffen4--,daar is geen twijfel aan4-- ,,xii4 ,goed4 ,nu wij echter zoo ver zijn gekomen1 moeten wij het vroeger gezegde1 waardoor wij hierheen gebragt zijn1 weer opnemen4 ,er was gezegd1 dat de onregtvaardigheid nuttig is voor den volmaakt onregtvaardigen1 die den schijn der regtvaardigheid weet aan te nemen#aea2 niet waar8--,ja4--,dit nu moeten wij weer opnemen1 nadat wij het zijn eens geworden1 welke de kracht der regtvaardigheid en die der onregtvaardigheid is4--,hoe meent gij8--,laat ons nu al sprekend een afbeeldsel van de ziel vormen1 opdat hij1 die dat beweerde1 eens hoore1 wat hij eigenlijk beweerde4--,hoedanig een afbeeldsel8--,een van denzelfden aard als de monsters in de fabelen1 de ,chimaera1 ,scylla1 ,cerberus1 enz41 die uit vreemdsoortige wezens waren zamengesteld4--,o zoo6--,vorm dan vooreerst de gedaante van een bont en veelkoppig beest1 van rondom bezet met de koppen van tamme en wilde dieren en met het vermogen begaafd1 om die te veranderen en nieuwe te voorschijn te brengen4--,dat is een heele kunst1 doch daar woorden gemakkelijker dan was of klei zijn te vormen1 willen wij het maar doen4--,vorm nu nog de gedaante van een leeuw1 en die van een mensch1 maar laat de eerste verreweg de grootste zijn1 de tweede daarop in grootte volgen4--,dat is gemakkelijker2 ik heb het al klaar4--,vereenig nu deze drie gedaanten met elkander1 zoodat zij als 't ware tot n geheel zamengroeijen4--,het is geschied4--,omgeef dat alles nu met de gedaante van een mensch1 zoodat voor iemand1 die het binnenste niet zien kan1 maar alleen het buitenste omkleedsel waarneemt1 niets dan een mensch zigtbaar is4--,best4--,laat ons nu hem1 die beweert1 dat het voor dezen mensch nuttig is onregt te doen1 en dat regtvaardig te handelen voor hem niet nuttig is1 onder het oog brengen1 dat hij eigenlijk beweert1 dat het hem nuttig is door rijkelijk voedsel dat veelkoppige beest benevens den leeuw te versterken1 maar den inwendigen mensch door gebrek uit te putten1 zoodat hij de twee anderen wel volgen moet2 en die twee anderen niet aan elkaar te gewennen of genegen te maken1 maar ze elkander te laten bijten1 bevechten en opeten4--,dat is het juist1 wat de lofredenaar der onregtvaardigheid beweert4--,en zegt de lofredenaar der regtvaardigheid niet1 dat men met woorden en daden den inwendigen mensch moet versterken1 en hem als een landman voor dat veelkoppige beest laten zorgen1 door daarin het tamme te kweeken en te verplegen1 maar den groei van het wilde te beletten2 en dat men hem den leeuw tot medehelper moet geven1 om alles te zamen te verzorgen en eensgezind te maken8--,juist2 dat zegt de lofredenaar der regtvaardigheid4--,dus spreekt dan in alle opzigten de lofredenaar der regtvaardigheid de waarheid1 en die der onregtvaardigheid is een leugenaar4 ,want ten aanzien van het vermaak1 van den roem1 en van het nut1 zegt hij1 die de regtvaardigheid prijst1 wat waar is2 doch hij die haar berispt1 spreekt onzin en berispt1 wat hij in het minste niet kent4--,dat vind ik ook4--,laat ons hem dan zachtjes ompraten1 want hij dwaalt niet met opzet1 zeggende3 beste vriend6 moeten wij niet zeggen1 dat het goede en slechte daarom door de wet onderscheiden wordt1 dewijl het goede de dierlijke deelen der natuur aan het menschelijke of liever aan het goddelijke onderwerpt1 maar het slechte juist het omgekeerde doet8 zal hij dat toestemmen1 of niet8--,zeker wel1 als hij naar mij hooren wil4--,is het dan volgens deze redenering voor iemand nuttig op eene onregtmatige wijs goud te verkrijgen1 terwijl daardoor tevens zijn beste deel aan het slechtste wordt onderworpen8 of als hij voor dat goud zijn zoon of dochter in slavernij bragt bij woeste en slechte menschen1 zou hem dat wel nut doen1 en zou hij het op die voorwaarde wel willen hebben2 en als hij dan daardoor zijn goddelijkste deel aan het goddeloosste en slechtste zonder deernis onderwerpt1 is hij dan niet rampzalig1 en ontvangt hij het dan niet op nog veel verschrikkelijker voorwaarde dan ,eriphyle1 die voor een halsketen haren man#aeb in het verderf stortte4--,ongetwijfeld1 zeide ,glauco1 want ik zal maar voor hem antwoorden4-- ,,xiii4 ,en wordt de ongebondenheid ook niet juist daarom afgekeurd1 dewijl zij dat verschrikkelijke1 groote1 veelkoppige beest sterker maakt dan goed is8--,natuurlijk4--,en wordt er niet over trotschheid en kwaadaardigheid geklaagd1 wanneer de leeuwen- en slangennatuur bovenmate vermeerderd en versterkt is8--,voorzeker4--,en over weelde en verwijfdheid1 wanneer men dezelve verslapt en lafhartig maakt8--,dat spreekt4--,en klaagt men niet over vleierij en laagheid1 wanneer iemand de geestkracht aan dat veelkoppige beest onderwerpt1 en haar door deszelfs onverzadelijkheid laat verschoppen2 en van jongs af zijn best doet1 om haar van een leeuw in een aap te veranderen8--,ongetwijfeld4--,en waarom worden verscheidene beroepen als vernederend beschouwd8 ,is het niet1 omdat zij het beste deel der ziel zwak maken2 zoodat dit de andere niet kan regeren1 maar ze dient en alleen voor hunne drogredenen ooren heeft8--,dat schijnt zoo4--,en zeggen wij niet1 dat zulke menschen1 om onder hetzelfde bestuur als de beste te staan1 aan dien besten1 die door het goddelijke in zijn binnenste bestuurd wordt1 dienstbaar moeten zijn2 niet tot nadeel van den dienstbaren1 gelijk ,thrasymachus meende#aec1 maar omdat het voor ieder beter is bestuurd te worden door het goddelijke en redelijke1 liefst door dat in hem zelven1 maar bij gebrek daarvan door een ander van buiten1 opdat door die eenheid van bestuur onder allen zoo veel gelijkheid en broederschap besta als mogelijk is8--,juist4--,en iets dergelijks wordt ook duidelijker door de wet bedoeld1 daar zij alle burgers van den staat beschermt2 en ook door de opvoeding der kinderen1 daar wij ze niet vrij laten1 voordat wij in hun binnenste als in eenen staat eene staatsregeling tot stand gebragt hebben1 en door onze rede de hunne ontwikkeld en die tot hunnen bewaker en opziener gemaakt hebben2 waarna wij ze vrij laten4--,dat is duidelijk4--,zullen wij het dan nog in eenig opzigt voordeelig noemen onregtvaardig of ongebonden te zijn1 of iets schandelijks te doen1 waardoor men slechter wordt1 maar meer rijkdom of ander vermogen bekomt8--,wel neen4--,of zullen wij zeggen1 dat het nuttig is1 als men kwaad doet1 verborgen te blijven en niet gestraft te worden8 ,of wordt niet hij1 die verborgen blijft1 nog slechter2 terwijl bij hem1 die ontdekt en gestraft wordt1 het dierlijke deel wordt getemd en bedwongen1 maar het redelijke vrij gemaakt2 zoodat zijn geheele ziel zich ten goede keerende en ingetogenheid1 regtvaardigheid en wijsheid verwervende zoo veel meer in waarde wint dan een ligchaam1 dat sterkte1 schoonheid en gezondheid bekomt1 als de ziel meer waarde heeft dan het ligchaam#aed8--;,het laatste stem ik volkomen toe4--,en zal nu de verstandige niet steeds met al zijne kracht daarnaar streven1 en vooreerst die wetenschappen eeren1 die zijne ziel z kunnen maken1 maar de andere gering achten8--,dat spreekt4--,verder zal hij bij de verpleging en voeding zijns ligchaams zich dat dierlijke1 redelooze vermaak niet ten doel stellen2 maar veel meer niet eens op zijne gezondheid zien en niet vooral zijn best doen1 om sterk1 gezond en schoon te wezen1 zoo dit de ingetogenheid niet bevordert2 doch steeds zal het blijken1 dat hij de harmonie zijns ligchaams aan de bevordering van die der ziel dienstbaar maakt4--,voorzeker1 zoo hij althans een waarachtig dienaar der muzen is4--,en evenzoo zal hij met het geld handelen1 en dit niet door den lof der menigte van zijn stuk gebragt onder aanhoudende kwelling aanhoudend trachten te vermeerderen4--,dat vind ik ook4--,maar ziende naar zijne inwendige staatsregeling1 zal hij zijn best doen om daar binnen niets door overdaad of gebrek van zijn plaats te brengen1 en dit zoo veel mogelijk bij zijne inkomsten en uitgaven in het oog houden4--,ongetwijfeld4--,en ook eereposten zal hij uit hetzelfde oogpunt beschouwen1 en er dus gaarne in deelen1 voor zoo ver hij gelooft1 dat ze hem beter zullen maken2 maar alle eer1 die zijne stemming kan bederven1 zal hij in zijne bijzondere en openbare betrekkingen ontwijken4--,maar als hij daarvoor bezorgd is1 zal hij zich dan wel met de staatszaken bemoeijen8--,in eene staatsregeling volgens zijne beginselen zeker wel1 doch mischien in zijn vaderland niet dan in bijzonder gunstige omstandigheden4--,ik begrijp u1 zeide hij4 ,gij zegt in de staatsregeling1 die wij juist besproken hebben1 die in woorden bestaat1 doch denkelijk wel nergens op aarde4--,in den hemel#aee is echter misschien haar voorbeeld zigtbaar voor hem1 die het zien en zich er naar vormen wil4 ,of zij evenwel bestaat of niet1 doet er niets toe2 want in alle gevallen zal de wijze alleen in haar zich met staatszaken bemoeijen1 anders nergens4--,dat laat zich denken4-- ,voetnoten #adf ,waarschijnlijk wordt hier vooral het eten van voor offers bestemd vleesch bedoeld4 #adg ,zie mijne vertaling van den ,phaedo1 blz4 #e4 #adh ,zie ,opklimmend deel der ,wijsbegeerte1 blz #df1 #dg1 de noot4 #adi ,boek ,,iv4 ,hoofdst4 ,,xiv4 #aej ,zie mijne vertaling van den ,phaedo1 blz4 #ec1 7#c71 en blz4 #fd-ff4 #aea ,boek ,,ii4 ,hoofdst4 ,v4 #aeb ,de wigchelaar ,amphiaraus voorzag1 dat hij in oorlog zou omkomen1 en verstak zich1 om niet gedwongen te worden mede te trekken4 ,zijne vrouw liet zich door een gouden halsketen omkoopen1 om zijne schuilplaats te verraden4 #aec ,boek ,i4 ,hoofdst4 ,,xvi4 #aed ,boek ,,ii4 ,hoofdst4 ,,xix4 ,ahrens1 ,grondbeginselen der ,mensch- en ,zielkunde1 vrij vertaald door ,dr4 ,j4 ,nieuwenhuis1 ,,ii4 #bca1 #bcb4 ,phaedo1 ,hoofdst4 ,,lxii4 #aee ,in de wereld der iden4 ,zie mijne vertaling van den ,phaedo1 blz4 #fg4 7#c74 ,,tiende ,,boek4 ,i4 ,wanneer ik nu alles nog eens naga1 zeide ik1 komt het mij voor1 dat onze wetgeving in vele punten1 maar ook vooral ten aanzien van de dichtkunst goed is4--,in welk opzigt8--,daarin1 dat de nabootsende dichtkunst volstrekt niet wordt toegelaten2 want1 nu wij de verschillende deelen der ziel beschouwd hebben1 blijkt het nog veel meer en duidelijker1 dat wij die moeten buitensluiten4--,hoe meent gij8--,om het u maar te zeggen1 want gij zult mij bij de treurspeldichters en de anderen niet verklappen1 vind ik al die soort van dichtstukken verderfelijk voor de gezindheid van zulke toehoorders1 die in de kennis van het wezenlijk zijnde geen tegengift hebben4--,waarom8--,dat zal ik zeggen4 ,wel is waar verbiedt de genegenheid en achting1 die ik van jongs af voor ,homerus had1 mij te spreken1 daar hij van al die tragische sieraden de eerste uitvinder en leermeester schijnt te wezen2 maar1 dewijl een mensch niet boven de waarheid gaan mag1 zal ik het toch maar zeggen4--,dat is goed4--,hoor dan2 of liever1 antwoord op mijne vragen4--,vraag op4--,kunt gij mij ook in het algemeen zeggen1 wat nabootsing is2 op het oogenblik zie ik het niet duidelijk in4--,zal ik het dan inzien8--,dat zou niet onmogelijk zijn4 ,dikwijls toch zien zelfs menschen met een zwak gezigt het een of ander vroeger dan scherpzienden4--,dat is waar1 doch nu gij er bij zijt1 zou ik het1 als ik het merkte1 niet eens durven zeggen2 zie liever zelf toe4--,willen wij dan maar weer op onze gewone wijs onderzoeken8 want wij zijn gewoon van alle enkele dingen1 die denzelfden naam dragen1 n idee te stellen4 ,dat begrijpt gij toch8--,ja wel4--,laat ons dan maar het eerste het beste nemen4 ,bij voorbeeld1 er zijn vele rustbanken en tafels4--,ja4--,en zijn wij nu niet gewoon te zeggen1 dat de vervaardigers van zulke meubels de idee daarvan in het oog vatten en dan rustbanken en tafels voor het gebruik maken1 en de andere dingen evenzoo8 ,geen dier werklieden toch maakt de idee zelve4--,wel neen4--,zie nu eens1 of gij dezen kunstenaar kent4--,welken8--,die alleen alles kan maken1 wat ieder ander maakt4--,dat moet al een knap en verwonderlijk persoon zijn4--,nog niet1 maar spoedig zult gij dit wel meer zeggen4 ,diezelfde kunstenaar toch kan niet slechts alle huisraad maken1 maar hij maakt ook al wat op aarde groeit en alle dieren en menschen1 ja ook zich zelven1 en de aarde1 en den hemel1 en de goden1 en al wat in den hemel of in de onderwereld gevonden wordt4--,dat is al een zeer knappe toovenaar4--,gelooft gij mij niet8 ,zeg dan eens1 of het u voorkomt1 dat zulk een kunstenaar volstrekt niet bestaat1 of dat er in zeker opzigt wel een maker van dat alles kan gedacht worden8 ,merkt gij niet1 dat gij zelf dat alles in zeker opzigt zoudt kunnen maken8--,in welk opzigt dan8--,het is zoo moeijelijk niet1 en wordt dikwijls genoeg gedaan2 het allergemakklijkst1 alle kanten heenwenden2 want dan zult gij nu eens de zon en de hemelsche dingen maken1 dan eens de aarde1 dan eens u zelven en dan weer andere menschen of dieren1 huisraad1 planten1 enz4--,nu ja2 in schijn1 maar geenszins in waarheid4--,nu komt gij waar gij wezen moet4 ,want tot deze kunstenaars behoort1 geloof ik1 ook de schilder1 niet waar8--,ja4--,gij zult echter1 denk ik1 zeggen1 dat hij dat alles niet in waarheid maakt4 ,in zeker opzigt toch maakt ook de schilder rustbanken1 niet waar8--,ja1 in schijn maakt hij die ook4-- ,,ii4 ,en de maker van rustbanken maakt immers1 zoo als gij daareven gezegd hebt1 niet de idee van een rustbank1 maar eene bepaalde rustbank8--,ja4--,maar als hij de idee niet maakt1 dan maakt hij ook het eigenlijk zijnde niet1 maar iets1 dat daarop gelijkt#aef2 en als iemand het volkomen zijn aan het werk van den rustbankenmaker of van eenig ander werkman toeschreef1 zou hij dan wel de waarheid zeggen8--,volgens het oordeel van de kenners der wijsbegeerte zeker niet4--,dus moet het ons ook niet verwonderen1 dat dit werk de volkomenheid der waarheid der idee mist4--,wel neen4--,willen wij nu volgens deze beginselen eens nagaan1 wat eigenlijk de nabootser is8--,als het u belieft4--,zoo zijn er dan drie soorten van rustbanken2 ne in de wereld der iden1 die wij moeten zeggen1 dat door ,god gemaakt is4 ,of weet gij een anderen maker8--,neen4--,en ne1 die de werkman gemaakt heeft4--,ja4--,en ne1 die de schilder gemaakt heeft2 niet waar8--,juist4--,dus moeten die drie soorten aan drie vervaardigers1 den schilder1 den werkman1 de ,godheid worden toegekend4--,juist1 aan die drie4--,hetzij nu1 dat de ,godheid het niet wilde1 of dat er eenige noodzakelijkheid was1 om er niet meer dan ne te maken2 in de wereld der iden is maar ne idee van een rustbank4 ,twee dergelijke zijn er niet gemaakt1 en kunnen er niet bestaan#aeg4--;,hoe dat8--,omdat1 zoodra er slechts twee waren1 er weder ne zou voor den dag komen1 wier beeldtenis deze twee droegen1 en dat deze dan de eigenlijke idee van een rustbank wezen zou1 niet die twee andere4--,dat is waar4--,daar nu1 geloof ik1 de godheid dit inzag en wel de waarachtige idee van een rustbank wilde scheppen maar geen rustbankenmaker wilde wezen1 heeft zij er in de wereld der ideen slechts ne gemaakt4--,dat schijnt zoo4--,willen wij de godheid dus den schepper der idee noemen8--,dat is regt1 want de geheele wereld der ideen is toch haar werk4--,en den schrijnwerker moeten wij dan den vervaardiger der rustbanken noemen4--,juist4--,en verdient ook de schilder den naam van schepper of vervaardiger van rustbanken8--,wel neen4--,maar in welke betrekking staat hij dan tot de rustbank8--,wij kunnen hem met het meeste regt den nabootser noemen van hetgeen de anderen vervaardigd hebben4--,dus staat de nabootser op de derde plaats van de waarheid af8--,ja4--,en dus geldt van den treurspeldichter1 daar hij een nabootser is1 en ook van al de andere nabootsers1 dat zij op de derde plaats van de waarheid afstaan4--,dat blijkt4--,wij zijn het dus over den nabootser eens1 maar zeg mij nu nog dit van den schilder4 ,zoekt hij1 naar uwe meening1 die ne idee na te bootsen1 of hetgeen de werklieden vervaardigd hebben8--,het laatste#aeh4--;,en zoekt hij dat z na te bootsen als het is1 of z als het schijnt8 want dit moet gij nog bepalen4--,hoe meent gij8--,z4 ,of eene rustbank op zijde of van voren gezien wordt1 is zij daarom anders1 of is zij steeds dezelfde1 hoewel zij zich anders voordoet8--,het laatste1 want zij blijft dezelfde4--,let nu nog eens hierop4 ,wat is nu het doel der schilderkunst4 ,zoekt zij ieder ding zoo als het is na te bootsen of zoo als het schijnt8 ,is zij de nabootsing van de waarheid of van den schijn8--,van den schijn4--,dus is de nabootsing ver van het ware2 en het blijkt1 dat zij alles daardoor maakt1 dat zij van alles slechts even den schijn aanroert4 ,zoo zal b4 v4 een schilder eenen schoenmaker1 of timmerman1 of anderen werkman schilderen1 schoon hij hun vak in het geheel niet verstaat2 en toch1 als hij een goed schilder is1 zal hij kinderen en domme menschen1 door hun die schilderij van verre te toonen1 misleiden1 en ze doen meenen1 dat zij in waarheid een schoenmaker1 enz41 zien4--,natuurlijk4--,maar1 mijn vriend6 over al zulke dingen moeten wij z denken4 ,wanneer iemand ons zeide1 dat hij eenen man ontmoet had1 die alle kunsten en wetenschappen verstond1 en in alles uitmuntte1 dan zouden wij moeten oordeelen1 dat hij een dom mensch was1 en waarschijnlijk een goochelaar en nabootser ontmoet had1 en zich door hem had laten foppen1 zoodat hij hem voor bijzonder knap gehouden had1 dewijl hij zelf niet in staat was kennis1 onkunde en nabootsing te onderscheiden4--,dat is volkomen waar4-- ,,iii4 ,nu moeten wij de treurspeldichters en hunnen aanvoerder1 ,homerus beschouwen1 daar men ons somtijds vertelt1 dat deze dichters alle wetenschappen en kunsten verstaan1 en van alle menschelijke en goddelijke dingen kennis hebben2 want een goed dichter moet toch1 om fraai te kunnen dichten1 de zaken1 waarover hij dicht1 kennen1 of er anders liever van zwijgen4 ,wij moeten dus nagaan1 of die lofredenaars in handen van nabootsers gevallen zijnde zich hebben laten foppen1 en niet gezien hebben1 dat dit werk op de derde plaats van de waarheid afstaat en ook zonder hare kennis ligt te maken is1 daar het slechts schijn is en geen wezen2 of dat zij gelijk hebben1 en de goede dichters inderdaad kennis hebben van die dingen1 waarover zij naar het oordeel der menigte goed kunnen spreken4--,juist3 dat moeten wij nagaan4--,gelooft gij nu1 dat1 wanneer iemand beide1 het oorspronkelijke en het afbeeldsel maken kon1 hij zich bij voorkeur op het maken van afbeeldsels werpen1 en zich dat tot doel van zijn leven stellen zou8--,wel neen4--,maar zoo hij1 geloof ik1 in de dingen1 die hij nabootst1 in waarheid bedreven was2 dan zou hij zich veel eerder op het oorspronkelijke werk dan op het nabootsen toeleggen1 en dan zou hij trachten vele schoone werken als gedenkteekens na te laten2 en hij zou liever de geprezene dan de prijzende wezen4--,dat denk ik ook1 want dat zou hem vrij wat meer roem en voordeel aanbrengen4--,van andere dingen willen wij nu ,homerus en de overige dichters geen rekenschap vragen1 noch onderzoeken1 of n hunner van de geneeskunst verstand had1 en niet alleen maar geneeskundige spreekwijzen nabootste2 en of ook eenige dichter even als ,esculaap menschen gezond gemaakt of eene geneeskundige school heeft nagelaten2 en ook over de andere vakken willen wij maar heenstappen2 maar ten opzigte van het grootste en schoonste1 dat ,homerus vermeldt1 van oorlog1 krijgsbewind1 staatsbestuur en opvoeding is het toch billijk hem eens het volgende te vragen3 beste ,homerus6 zoo gij in deugd niet op de derde plaats van de waarheid afstaat en slechts een maker van beelden1 een nabootser zijt1 maar op de tweede plaats1 en weten kunt1 welke bezigheid de menschen in den staat en in hun bijzonder leven beter maakt3 zeg ons dan eens1 welke staat door uw toedoen beter is ingerigt1 zoo als ,lacedaemon door ,lycurgus1 en andere staten door anderen4 ,roemt eenige staat u als wetgever en weldoener8 ,italie toch en ,sicilie roemen ,charondas1 en wij ,solon1 maar wie u8 ,zal hij er n kunnen opnoemen8--,ik geloof het niet1 zeide ,glauco2 want zelfs zijne school heeft nimmer iets dergelijks beweerd4--,en wordt er ook verhaald van een oorlog1 die onder aanvoering of leiding van ,homerus met goeden uitslag gevoerd is8--,wel neen4--,of worden er van hem1 als van iemand vol praktische wijsheid1 vele schrandere denkbeelden over kunsten of andere verrigtingen medegedeeld1 gelijk van ,thales van ,miletus1 of van ,anacharsis den ,scyth#aei8--,niets van dien aard4--,maar wordt er dan welligt verhaald1 dat ,homerus niet in 't openbaar maar in een kleiner kring eenigen heeft opgeleid1 die zijnen omgang lief hadden en aan de nakomelingen eene ,homerische levenswijze overleverden1 gelijk ,pythagoras juist daarom bemind werd1 en zijne aanhangers nog tegenwoordig zich door de zoogenaamde ,pythagorische levenswijs van anderen onderscheiden8--,niets dergelijks is bekend1 ,socrates6 ,ja1 zelfs schijnt de beschaving van ,creophilus1 den vriend van ,homerus1 nog minder geweest te zijn dan zijn naam aanduidt#afj1 wanneer ten minste de overlevering waar is4 ,want zij zegt1 dat hij ,homerus reeds bij zijn leven schandelijk verwaarloosd heeft4-- ,,iv4 ,juist1 zeide ik4 ,maar1 ,glauco6 meent gij1 dat1 als ,homerus in waarheid geschikt was om de menschen te onderwijzen en beter te maken1 en daarvan meer verstond dan nabootsen1 hij zich niet vele vrienden1 die hem eerden en beminden1 zou verworven hebben8 ,protagoras toch van ,abdera en ,prodicus van ,ceos en vele anderen kunnen hunne bekenden wel doen gelooven1 dat zij geenen staat1 ja geen huisgezin1 goed zullen kunnen besturen1 zoo zij hun onderwijs niet bijwonen2 en om die wijsheid worden zij zoo hoog gewaardeerd1 dat hunne aanhangers hen schier op de handen dragen2 en zouden dan ,homerus of ,hesiodus1 zoo zij de menschen tot het verkrijgen van deugd hadden kunnen helpen1 als liedjeszangers hebben moeten omzwerven1 en niet veeleer door hunne tijdgenooten boven goud gewaardeerd en te huis gehouden zijn2 ja zouden deze1 als zij hen daartoe niet konden overreden1 hen niet overal op den voet gevolgd zijn1 tot dat zij genoeg van hen geleerd hadden8--,gij zegt volkomen de waarheid1 ,socrates6 geloof ik4--,dus moeten wij stellen1 dat al de dichters van ,homerus af nabootsers zijn van beelden van deugd en wat zij verder bezingen1 doch de waarheid daarvan niet bezitten2 en dat1 zoo als wij zeiden1 dat een schilder zonder het schoenmaken te kennen voor menschen1 die dat ook niet kennen maar alleen op het uiterlijk en de kleur letten1 een schoenmaker schilderen zal1 ook de dichter met woorden de uitwendige gedaante der kunsten afbeeldt1 zonder er iets meer dan de nabootsing van te verstaan1 en daardoor aan dergelijke menschen1 die alleen op de woorden letten1 wanneer hij van schoenmaken#afa1 van krijgsbewind of van wat dan ook in zijne verzen spreekt1 bijzonder goed schijnt te spreken1 daar die wijze van voordragt zoo veel kracht heeft om door streeling des gehoors de menschen in te pakken4 ,want gij weet1 hoe die voortbrengselen der dichters1 als zij in gewone taal worden overgebragt1 er uitzien1 want zoo hebt gij ze wel gezien#afb4--,o ja4--,en zien zij er dan niet uit als alledaagsche gezigten1 wanneer de blos der jeugd die verlaten heeft8--,ja4--,let nu nog eens hierop4 ,zeiden wij niet1 dat die nabootsende dichter van beelden geenszins de waarheid kent1 maar alleen den schijn8--,ja4--,laat ons dit nu niet half besproken laten1 maar geheel onderzoeken4--,zeg op4--,de schilder zal b4 v4 toomen en een gebit schilderen4--,ja4--,en de leersnijder en de smit zullen ze maken4--,ja4--,en weet nu de schilder1 hoe de toomen en het gebit wezen moeten8 of weten dat niet eens de leersnijder en de smit1 die ze gemaakt hebben1 maar alleen de ruiter1 die de kunst verstaat1 om ze te gebruiken8--,alleen de laatste4--,en is het zoo niet met alles8--,hoe8--,dat ten aanzien van alle dingen drie kunsten bestaan1 de gebruikende1 de vervaardigende en de nabootsende4--,ja4--,en bestaat nu de deugd1 schoonheid en geschiktheid van eenig werktuig1 eenig dier of eenige daad niet alleen ten opzigte van het gebruik1 waarvoor het bestemd is8--,juist4--,dus moet de gebruiker van ieder ding daar het meeste verstand van hebben1 en aan den vervaardiger zeggen1 of het in het gebruik goed of slecht is4 ,bij voorbeeld een fluitspeler zegt aan den fluitemaker hoe hij de fluit moet maken1 en deze doet dat4--,natuurlijk4--,dus heeft de eerste kennis van goede en slechte fluiten2 en de tweede gelooft hem op zijn woord4--,ja4--,dus zal omtrent de deugd of slechtheid van een werktuig de maker een ware meening hebben1 daar hij met den kenner omgaat en het van hem hooren moet2 maar de gebruiker heeft kennis4--,juist4--,maar zal nu de nabootser omtrent de deugd en slechtheid van hetgeen hij schildert door het gebruik kennis hebben1 of ware meening door noodzakelijken omgang met een kenner1 die hem zegt1 hoe hij schilderen moet8--,geen van beiden4--,dus zal de nabootser geen kennis noch ware meening van de deugd of slechtheid van hetgeen hij nabootst bezitten8--,het blijkt van neen4--,maar heeft dan de nabootsende dichter wel bijzonder veel verstand van hetgeen hij bezingt8--,neen4--,en toch bootst hij na1 zonder van ieder ding de deugd of slechtheid te kennen1 maar1 zoo als blijkt1 bootst hij dat na1 wat aan de onbedrevene menigte schoon voorkomt4--,niets anders4--,hierover zijn wij het dus genoegzaam eens1 dat de nabootser geen noemenswaardige kennis heeft van hetgeen hij nabootst1 maar dat de nabootsing slechts spel1 geen ernst is1 en dat zij1 die de tragische dichtkunst uitoefenen1 allen tot klasse der nabootsers behooren4--,juist4-- ,v4 ,bij ,zeus6 zeide ik1 staan de voortbrengselen dier nabootsing nu niet op de derde plaats van de waarheid af8--,ja4--,en op welk gedeelte van de ziel des menschen oefenen zij hunnen invloed uit8--,hoe meent gij dat8--,dat zal ik u zeggen4 ,dezelfde grootte doet zich aan ons oog verschillend voor1 naarmate wij ze van nabij of van verre zien4--,ja4--,en dezelfde dingen schijnen krom en regt1 naarmate zij half in of geheel buiten het water gezien worden2 of hol en bol1 naar dat het spel der kleuren het gezigt misleidt1 zoodat duidelijk al die verwarring slechts in ons zetelt1 niet in de dingen zelve2 en de perspectief-teekening#afc1 de goochelkunst en andere dergelijke bedriegerijen houden niet op van deze onze vatbaarheid voor dwaling gebruik te maken4--,dat is waar4--,en zijn nu meten1 wegen en tellen niet de beste hulpmiddelen1 om ons niet aan het schijnbaar grootere1 of zwaardere1 of meerdere te hechten1 maar aan hetgeen door maat1 gewigt en berekening als zoodanig erkend wordt8--,natuurlijk4--,en dit is het werk van het redelijke deel der ziel8--,juist4--,en nu komt dikwijls1 wanneer dit gemeten en de betrekkelijke grootte der dingen aangewezen heeft1 de uiterlijke schijn daar niet me overeen4--,ja4--,en zeiden wij nu niet1 dat hetzelfde over dezelfe dingen niet te gelijk twee tegenstrijdige meeningen kan hebben8--,ja4--,dus is het deel der ziel1 dat eene meening tegen die maat koestert1 niet hetzelfde1 als hetgeen zich aan die maat houdt4--,dat spreekt4--,edoch wat op maat en redenering vertrouwt1 is het beste deel der ziel4--,ongetwijfeld4--,en wat daartegen strijdt1 hoort dus tot het minder goede in den mensch4--,dat kan niet anders4--,hierop nu had ik het oog1 toen ik zeide1 dat de schilderkunst1 of liever de nabootsing in het algemeen1 ver van de waarheid haren arbeid verrigt1 en zich met die eigenschappen der ziel1 die ver van het verstand zijn1 verbindt en verbroedert1 en daarmede niets heilzaams of waarachtigs op het oog heeft4--,dat is volkomen waar4--,daar dus de nabootsing weinig waarde heeft1 en zich met het minder goede in den mensch verbindt1 brengt zij ook niet veel bijzonders voor den dag4--,dat schijnt zoo4--,en geldt dit alleen van de nabootsing voor het gezigt1 of ook van die voor het gehoor1 van de dichtkunst8--,waarschijnlijk ook van de laatste4--,wij moeten dit echter niet om eene waarschijnlijke overeenkomst met de schilderkunst aannemen1 maar ook hier bepaald onderzoeken1 of dat deel der ziel1 waarvoor de nabootsing der dichtkunst bestemd is1 tot hare hoogere of lagere deelen behoort4--,juist4--,dit moeten wij nu voorop stellen1 dat die nabootsing menschen nabootst1 die iets ondergaan of zelf handelen1 zich ten gevolge daarvan gelukkig of ongelukkig vinden1 en zich daarover verheugen of bedroeven4 ,komt het niet alles hierop neder8--,ja4--,en is nu de mensch het in dat alles met zich zelven eens2 of heeft hij1 even als bij het gezigt1 ook bij het handelen dikwijls tegenstrijdige denkbeelden1 zoodat hij met zich zelven oneens is8 ,doch daar herinner ik mij1 dat wij dit niet meer behoeven na te gaan2 want wij hebben vroeger reeds genoeg beredeneerd1 dat onze ziel met ontelbare tegenstrijdigheden van dien aard vervuld is#afd4--;,dat is waar4--,of het waar is4 ,iets echter1 dat wij toen hebben overgeslagen1 vind ik1 dat wij nu nog behandelen moeten4--,wat8--,wij zeiden toen reeds1 dat een redelijk mensch1 als hij zijn zoon of iets anders1 dat hem veel waard is1 verliest1 dit gemakkelijker dan anderen zal dragen#afe4--,ongetwijfeld4--,nu moeten wij nog eens nagaan1 of hij het zich volstrekt niet zal aantrekken1 dan wel of dit onmogelijk is1 maar hij toch zijne droefheid zal matigen4--,het laatste4--,zeg mij nu nog eens dit van hem4 ,wanneer denkt gij1 dat hij meer zal trachten zich tegen zijn verdriet te verzetten en het meester te worden1 als hij door zijne gelijken gezien wordt1 of als hij in de eenzaamheid is8--,natuurlijk veel meer1 als hij gezien wordt4--,in de eenzaamheid echter1 zou hij veel durven zeggen1 waarover hij zich schamen zou1 als iemand het hoorde2 en veel doen1 wat hij niet gaarne zou willen1 dat een ander zag4--,dat is wel te denken4-- ,,vi4 ,en wordt hij nu niet door de voorschriften der rede vermaand1 om zich tegen zijn verdriet te verzetten1 terwijl de hartstogt hem drijft1 om er aan toe te geven8--,ja4--,en als er in den mensch ten aanzien van hetzelfde tegenstrijdige neigingen zijn1 dan zeggen wij immers1 dat er twee deelen in hem zijn moeten8--,natuurlijk4--,en is nu het ne niet gewillig1 om zich naar de voorschriften der rede te voegen8--,hoe zoo8--,de rede zegt1 dat het schoon is zich bij rampen zoo stil mogelijk te houden en niet knorrig te worden1 daar men niet weet1 wat in zulke dingen goed of kwaad is#aff1 en het morren toch niet helpt1 en geen menschelijke zaken zoo veel belangstelling verdienen1 en de droefheid ons belet datgene te doen1 wat zoodra mogelijk geschieden moet4--,wat meent gij8--,over het gebeurde na te denken1 en als de teerling geworpen is1 zijne zaken z in te rigten1 als de rede zegt1 dat dan het beste is1 en niet zich gestooten hebbende als een kind de bezeerde plaats vast te houden en een geruimen tijd te blijven schreeuwen1 maar steeds zijne ziel te gewennen1 om spoedig te trachten het kranke deel te genezen en wat gevallen is op te rigten1 en daardoor dat gejammer te doen ophouden4--,dat is waarlijk het beste gedrag in tegenspoed4--,aan die voorschriften der rede wil nu het beste deel der ziel gehoorzamen4--,natuurlijk4--,en het deel1 dat ons naar het herdenken van het ongeluk en naar het weeklagen heentrekt1 en zich daar niet mee verzadigen kan2 moeten wij niet zeggen1 dat dit redeloos1 traag en lafhartig is8--,ja zeker4--,en geeft nu dit laatste1 het hartstogtelijke1 niet velerlei stof tot nabootsing1 terwijl daarentegen een redelijke1 kalme gezindheid1 die steeds aan zich zelve gelijk blijft1 niet ligt is na te bootsen1 noch uit de nabootsing gemakkelijk te herkennen1 vooral voor zulk eene vergadering van allerlei menschen als in den schouwburg bijeenkomt1 die van een dergelijk karakter geen denkbeeld hebben4--,dat is zoo4--,dus is natuurlijk een nabootsend dichter daar vreemd van1 en zijne wijsheid is er niet op gemaakt om aan zulk een mensch te bevallen1 zoo hij anders door de menigte zal worden toegejuicht2 maar hij wendt zich naar de hartstogtelijke en afwisselende gemoedsgesteldheid1 daar die gemakkelijk is na te bootsen4--,dat spreekt4--,dus hebben wij regt hem te nemen en tegenover den schilder te zetten1 want hij gelijkt op dezen in het voortbrengen van dingen1 die heel wat bij de waarheid achterstaan1 en tevens daarin1 dat ook hij zich niet wendt tot het beste1 maar tot een van de mindere deelen der ziel4 ,dus doen wij billijk met hem in een staat1 die goed ingerigt moet wezen1 niet toe te laten1 omdat hij het lagere der ziel opwekt1 voedt en versterkt1 maar de rede verderft2 gelijk iemand1 die in een staat de slechtsten magtig maakte en de beteren vervolgde2 en wij zullen zeggen1 dat de nabootsende dichter op dezelfde wijs in ieders ziel eene slechte staatsregeling maakt door het vleien van haar redeloos gedeelte1 dat groot en klein niet kan onderscheiden1 maar hetzelfde dan groot en dan klein noemt2 en dat hij slechts beelden voortbrengt1 maar zeer ver van de waarheid afstaat4--,dat is volkomen juist4-- ,,vii4 ,wij hebben evenwel het ergste nog niet gezegd4 ,want dat die dichtkunst zelfs hen1 die zich betamelijk gedragen1 op weinigen na1 bederft1 dat is het allerergste4--,als zij dat doet1 natuurlijk4--,en dat doet zij4 ,hoor maar eens4 ,wij allen toch1 zelfs de besten niet uitgesloten1 ,homerus of een anderen treurspeldichter eenen held hoorende nabootsen1 die zich in rampspoed met vele woorden beklaagt1 en jammert1 en zich op de borst slaat1 scheppen daar vermaak in en geven er ons aan over en volgen hem met deelneming1 en beijveren ons hem1 die ons het meest in die stemming brengt1 als den besten dichter te prijzen4--,dat is waar4--,en wanneer wij daarentegen zelve in ongeluk komen1 dan stellen wij onzen roem integendeel daarin1 dat wij ons bedaard houden en ons zelven beheerschen1 daar dit mannelijk1 en het andere1 dat wij te voren prezen1 verwijfd is4--,dat is k waar4--,maar is het dan in den haak1 op het zien van zulk een gedrag1 waarover wij ons zelven zouden schamen1 geen afkeuring te gevoelen1 maar ons te vermaken en het mooi te vinden8--,dat is eigenlijk ongerijmd4--,toch niet2 zoo gij het aldus beschouwt4--,hoe8--,als gij bedenkt1 dat dat deel onzer ziel1 hetwelk bij onze persoonlijke rampen wordt onderdrukt en belet zich met geween en gejammer naar zijnen lust te verzadigen1 dan door die dichters verzadigd wordt1 en daarin behagen schept1 terwijl ons beste deel1 als het door redenering en oefening niet genoeg ontwikkeld is1 de wacht verwaarloost1 dewijl het lot van andere menschen beschouwd wordt1 en er toch niets schandelijks in steekt1 een ander1 die den naam van regtschapen heeft1 al jammert hij ten onpas1 te prijzen en te beklagen1 en wij geen lust hebben van het vermaak1 dat wij daardoor genieten1 afstand te doen en het heele gedicht te verwerpen4 ,weinigen toch zijn in staat te begrijpen1 dat wij die beoordeeling van vreemde lotgevallen van zelfs op de onze overbrengen1 want dat1 als wij daarbij onze weekhartigheid gevoed hebben1 deze in onze eigene rampen moeijelijk is onder te houden4--,dat is volkomen waar4--,en geldt het nu niet ook van het belagchelijke1 dat potsen1 die men zich schamen zou zelf te maken1 in de nabootsing van het blijspel gaarne gehoord en niet afgekeurd worden1 daar wij hier evenzoo handelen als bij het treurige8 ,want de lust tot potsenmaken1 die wij door de rede bedwongen1 om ons niet weg te gooijen1 laten wij dan los1 en merken niet1 dat wij1 als zij dr versterkt is1 haar dikwijls me naar huis dragen en ons belagchelijk aanstellen4--,juist4--,en ten opzigte van wellust en toorn1 en andere begeerten en aangename of onaangename gewaarwordingen1 waarme wij telkens te doen hebben1 heeft de dichterlijke nabootsing dezelfde uitwerking4 ,want zij begiet hetgeen zij moest laten verdorren1 en maakt dat in ons heerschende1 wat wij moeten beheerschen1 zoo wij beter en gelukkiger in plaats van slechter en rampzaliger zullen worden4--,dat kan ik piet tegenspreken4--,wanneer gij dus1 ,glauco6 lofredenaars van ,homerus ontmoet1 die zeggen1 dat deze dichter ,griekenland beschaafd heeft1 en dat men1 om de menschelijke zaken te leeren behartigen1 hem moet bestuderen en naar zijne voorschriften zijn geheele leven moet inrigten1 dan zult gij hen wel liefhebben en erkennen1 dat zij hun best doen om braaf te wezen1 en toestemmen1 dat ,homerus een groot dichter en de vader van het treurspel geweest is2 maar gij zult niet uit bet oog verliezen1 dat wij geen andere dichtkunst dan gezangen ter eere der goden en lofdichten op edele daden in den staat moeten opnemen2 en dat1 als wij die slechts op vermaak doelende muze in toonkunst of verzen toelaten1 vermaak en smart in plaats van wetten en redelijke overtuiging onzen staat regeren zullen4--,dat is volkomen waar4-- ,,viii4 ,dit zij de verdediging onzer vroegere uitspraak over de dichtkunst1 en strekke ten bewijs1 dat wij haar met regt uit den staat verbannen hebben1 daar wij niet anders konden4 ,laat ons1 om niet van hardheid en onbeschaafdheid beschuldigd te worden1 haar nu nog herinneren1 dat er een oud verschil tusschen de wijsbegeerte en de dichtkunst bestaat1 gelijk te zien is uit gezegden als deze3 het hondje1 dat tegen zijn meester blaft1 of3 die sterk is in dwaselijk zwetsen1 of3 waar 't volk regeert1 dat ,god beweert te kennen1 of3 die ernstig over kleine zaken twisten1 en door gebrek enz41 en uit ontelbare andere blijken van oude vijandschap4 ,met dat al moeten wij zeggen1 dat1 als de slechts op vermaak doelende dichtkunst en nabootsing haar regt om in een goeden staat te wonen bewijzen kunnen1 wij bereid zijn ze toe te laten2 daar wij1 al mag de waarheid er niet voor achterstaan1 gaarne bekennen willen door haar gestreeld te worden4 ,of wordt gij niet door haar gestreeld1 mijn beste1 vooral wanneer gij haar in de werken van ,homerus beschouwt8--,wel zeker4--,dus is het billijk1 dat zij1 om werom te mogen komen1 zich in verzen verdedige4--,juist4--,wij zullen ook hare voorstanders1 die geen dichters maar liefhebbers der dichtkunst zijn1 de vergunning geven haar in proza te verdedigen1 en te bepleiten1 dat zij niet slechts aangenaam1 maar ook nuttig voor de staten en de burgers is2 en wij zullen bereidwillig toeluisteren1 daar wij er bij winnen zullen1 als zij niet slechts aangenaam maar ook nuttig blijkt te wezen4--,natuurlijk4--,maar zoo niet1 dan1 mijn vriend6 moeten wij als iemand1 die eene verkeerde liefde met geweld onderdrukt1 hoezeer door onze opvoeding eene groote liefde voor die dichtkunst in ons ontstaan is1 haar ja wel vriendelijk en met achting bejegenen1 maar zoo lang zij zich niet voldoende geregtvaardigd heeft1 aan onze redenering vasthouden1 en oppassen niet weder tot eene verkeerde liefde voor haar te vervallen4 ,wij zullen dan bedenken1 dat wij zulk eene dichtkunst niet als waarachtig en prijselijk vereeren moeten1 maar dat de toehoorders1 uit vrees voor omkeering van de staatsregeling in hun binnenste1 voor haar op hunne hoede moeten zijn1 en het besprokene over de dichtkunst niet uit het oog moeten verliezen4--,daar ben ik het volmaakt mede eens4--,het is dan ook van meer belang dan het schijnt1 ,glauco6 of men goed of slecht is3 zoodat eer1 noch rijkdom1 noch magt1 noch dichtkunst waardig is1 dat om haar de regtvaardigheid en de overige deugd verwaarloosd worde4--,naar aanleiding van het gesprokene stem ik dat geheel toe2 en dat zal1 denk ik1 een iegelijk doen4-- ,,ix4 ,en nu hebben wij nog de grootste aan de deugd verknochte en voorgestelde belooningen niet eens doorloopen4--,die moeten al heel groot zijn1 als zij de gezegde nog overtreffen4--,maar wat is eigenlijk groot in een kleinen tijd8 ,en klein is toch het geheele tijdsverloop van de kinderjaren tot de grijsheid in vergelijking met den geheelen tijd4--,zoo goed als niets4--,en moet een onsterfelijk wezen dan van zulk een kort tijdsverloop1 en niet van den geheelen tijd werk maken8--,eigenlijk niet1 maar wat bedoelt gij daarmede8--,begrijpt gij dan niet1 dat onze ziel onsterfelijk is1 en nimmer vergaat8--,toen zag ,glauco mij met verwondering aan1 en zeide3 ,wel neen ik6 kunt gij dat bewijzen8--,ik hoop van ja1 zeide ik1 en gij kunt het ook1 want het is volstrekt niet moeijelijk4--,voor mij wel1 en ik zou dus gaarne dat niet moeijelijke bewijs eens van u hooren4--,met vermaak4--,zeg op dan4-- ,gij maakt immers onderscheid tusschen goed en kwaad8--,wel zeker4--,denkt gij daarover dan even als ik8--,hoe8--,dat al wat vernietigt en bederft kwaad is1 en al wat behoudt en bevoordeelt goed4--,ja4--,en heeft nu niet ieder ding zijn eigen kwaad en goed2 b4 v4 de oogen de blindheid1 en het ligchaam in 't algemeen de ziekte1 het graan den brand1 het hout de verrotting1 het koper en ijzer den roest1 met n woord ieder ding zijn eigen kwaad8--,ja4--,en wanneer dat kwaad eenig ding treft1 maakt het dat slechter en eindigt met het te vernietigen4--,natuurlijk4--,dus doet ieders eigen kwaad en eigene slechtheid ieder ding vergaan1 of1 als dat het niet verdelgt1 kan iets anders dit nog veel minder doen4 ,het goede toch of het onverschillige is geen oorzaak van verderf4--,onmogelijk4--,maar als wij dus iets vinden1 dat wel een eigen kwaad heeft1 waardoor het slecht wordt1 maar dat daardoor toch niet wordt ontbonden en vernietigd2 kunnen wij dan niet besluiten1 dat dit ding niet vergaan kan8--,natuurlijk4--,en is er nu ook een eigen kwaad voor de ziel1 dat haar slecht maakt8--,wel zeker2 alles wat wij daareven besproken hebben1 de onregtvaardigheid1 losbandigheid1 lafhartigheid en dwaasheid4--,kan nu een van deze haar ontbinden en vernietigen8 ,pas op1 dat wij nu niet gefopt worden1 meenende1 dat een onregtvaardig en dwaas mensch1 wanneer hij op onregt betrapt wordt1 door die onregtvaardigheid1 als slechtheid der ziel1 vergaat4 ,doe liever aldus3 gelijk het kwaad des ligchaams1 de ziekte1 het ligchaam verteert en verderft1 tot dat het ophoudt een ligchaam te zijn1 zoo komt al het genoemde door zijn eigen kwaad1 dat er zich aan hecht en het verteert2 tot vernietiging2 niet waar8--,ja4--,komaan dan6 beschouw ook de ziel op dezelfde wijs4--,als de onregtvaardigheid en overige ondeugd zich aan haar hecht en in haar nestelt1 verteert en verderft deze haar dan1 tot dat zij haar van het ligchaam gescheiden en gedood heeft8--,wel neen1 dat volstrekt niet4--,het is echter ondenkbaar1 dat de slechtheid van iets anders een ding zal doen vergaan1 dat door zijne eigene slechtheid niet vergaat4--,dat is ondenkbaar4--,bedenk dan ook eens1 ,glauco6 dat wij de vernietiging des ligchaams niet aan de slechtheid van het voedsel1 waarin die ook bestaan moge1 toeschrijven1 maar oordeelen1 dat1 als de slechtheid van het voedsel in het ligchaam de slechtheid des ligchaams te weeg brengt1 hetzelve ten gevolge van dat voedsel door zijn eigen slechtheid1 de ziekte1 vernietigd wordt2 terwijl wij nooit zullen meenen1 dat door de slechtheid van het voedsel1 hetwelk toch heel iets anders dan het ligchaam is1 het daarvan verschillende ligchaam vernietigd wordt2 tenzij het eigenaardige kwaad des ligchaams ten gevolge van hetzelve wordt opgewekt4--,juist4-- ,x4 ,op dezelfde wijs nu moeten wij1 zoo niet door de slechtheid des ligchaams in de ziel de haar eigene slechtheid wordt veroorzaakt1 nimmer meenen1 dat de ziel door een vreemd kwaad zonder hare eigene slechtheid vernietigd wordt1 dewijl zij dan door het kwaad van iets anders vergaan zou4--,dat laat zich hooren4--,dus moet f deze redenering weerlegd worden1 f1 zoolang zij niet weerlegd is1 moeten wij ontkennen1 dat door koorts of eenige andere ziekte of verwonding1 ook al sneed men het geheele ligchaam in kleine stukjes1 de ziel vergaat1 tenzij men bewijzen kan1 dat zij door die rampen des ligchaams zelve onregtvaardiger en goddeloozer wordt2 maar wij moeten niet toegeven1 dat1 als een vreemd kwaad in een ander ding ontstaat1 iets1 wat dan ook1 dat van zijn eigen kwaad verschoond blijft1 daardoor kan vernietigd worden4--,maar1 denkelijk zal wel nooit iemand bewijzen1 dat de zielen der stervenden door den dood onregtvaardiger worden4--,en als iemand onze redenering van nabij durft aantasten1 en1 om de onsterfelijkheid der zielen niet te moeten erkennen1 durft zeggen1 dat de stervende slechter en onregtvaardiger wordt2 dan zullen wij oordeelen1 dat1 als hij1 die dat zegt1 gelijk heeft1 de onregtvaardigheid eene doodelijke ziekte is1 en door haar eigen kracht hen1 die haar krijgen1 doet sterven1 en wel meer of minder snel1 naar mate zij meer of minder hevig is2 en dat niet1 gelijk men nu zegt1 de onregtvaardigen door de straffende hand van anderen gedood worden4--,bij ,zeus6 de onregtvaardigheid was zoo erg niet1 als zij doodelijk was voor hem1 die haar kreeg1 want dan was zij eene verlossing van rampen2 maar ik geloof1 dat zij integendeel1 als zij kan1 de anderen doodt1 maar hem1 die haar heeft1 zoo veel mogelijk in 't leven en tevens uit den slaap houdt2 zoo ver is het er van daan1 dat zij doodelijk zou wezen4--,dat zegt gij goed4 ,want als de eigene slechtheid en het eigen kwaad der ziel haar niet kan dooden en vernietigen2 dan zal een kwaad1 dat de strekking heeft om iets anders te verdelgen1 haar nog veel minder doen vergaan4--,nog veel minder4--,en daar zij dus door geen kwaad1 noch vreemd1 noch eigen wordt vernietigd1 is zij natuurlijk eeuwig en bijgevolg onsterfelijk4--,dat spreekt4-- ,,xi4 ,dit kunnen wij dus als uitgemaakt beschouwen4 ,maar1 als dit zoo is1 dan begrijpt gij ook1 dat het aantal zielen steeds hetzelfde blijft4 ,want als er geene vergaat1 kan dit niet verminderen2 en ook niet vermeerderen1 want1 zoo het getal der onsterfelijke dingen vermeerderde1 moesten er sterfelijke dingen onsterfelijk worden1 en dan zou eindelijk alles onsterfelijk zijn#afg4--;,dat is waar4--,dit moeten wij echter niet meenen1 want het houdt geen steek2 noch ook1 dat de ziel inwendig vele verschillende eigenschappen en deelen bevat4--,hoe zegt gij8--,het is niet denkelijk1 dat iets onsterfelijks1 zoo als wij gezien hebben dat de ziel is1 uit vele deelen bestaat en niet op de allerbeste en eenvoudigste wijs is zamengesteld#afh4--;,dat is niet te denken4--,dat dus de ziel onsterfelijk is1 moet uit onze tegenwoordige en andere redeneringen worden toegestemd2 maar om te weten1 hoe zij wezenlijk is1 moet men haar niet beschouwen1 zoo als zij zich nu door de gemeenschap met het ligchaam en andere rampen beschadigd voordoet1 maar zij moet door de redenering in hare zuiverheid beschouwd worden2 en dan zal men haar nog veel schooner vinden en nog vrij wat duidelijker de regtvaardigheid en onregtvaardigheid en wat wij verder besproken hebben1 doorzien4 ,hetgeen wij er nu van gezegd hebben1 is1 naar het zich op het oogenblik voordoet1 wel waar2 doch wij hebben de ziel in zulk eenen toestand gezien als waarin sommigen zeggen den zeegod ,glaucus gezien te hebben1 wiens oude gedaante moeijelijk kan herkend worden1 daar zijn ligchaam door de golven gebeukt en beschadigd is1 en er schelpen1 zeegras1 enz41 aan zijn vastgegroeid1 zoodat zijn uiterlijk meer op een beest dan op zijne vroegere gedaante gelijkt4 ,in zulk een toestand beschouwen wij ook de ziel ten gevolge van ontelbare rampen4 ,gij moet echter derwaarts zien1 ,glauco6--,werwaarts8--,naar hetgeen de wijsbegeerte van haar leert2 en gij moet bedenken1 in welken omgang zij is2 en welke omgang eene behoefte is voor haar1 die verwant is aan het goddelijke1 onsterfelijke1 eeuwige2 en hoe zij worden zou1 als zij zich daaraan geheel kon overgeven en door die aandrift uit de zee1 waarin zij ligt1 werd opgeheven en bevrijd van al die onreinigheden1 waarmede zij nu ten gevolge van die zoogenaamd gelukkige smulpartijen van rondsom begroeid is4 ,en dan zou men haar kunnen zien1 zoo als zij er wezenlijk uitziet1 en kunnen beoordeelen of zij enkel- of meervoudig is1 en hoe het eigenlijk met haar staat#afi4 ,nu hebben wij1 geloof ik1 hare lotgevallen1 en de verschillende gedaanten1 die zij in het menschelijk leven aanneemt1 voldoende behandeld4--,ongetwijfeld4-- ,,xii4 ,wij hebben dus het overige in onze redenering op zij gezet1 en niet gesproken van het loon of den roem der regtvaardigheid1 zoo als gij zeidet1 dat ,hesiodus en ,homerus doen2 en wij hebben gevonden1 dat de regtvaardigheid zelve voor de ziel zelve het allerbeste is1 en dat deze regt handelen moet1 ook al had zij den ring van ,gyges1 en den helm van ,hades nog bovendien4--,juist4--,maar ,glauco6 zouden wij nu niet zonder ergernis daarenboven aan de regtvaardigheid en de overige deugd het loon kunnen toewijzen1 dat om harentwil aan de ziel door goden en menschen bij het leven en na den dood wordt gegeven8--,wel zeker4--,geeft mij dan maar terug wat ik u geleend heb4--,wat meent gij8--,hetgeen ik u heb toegegeven1 dat de regtvaardige onregtvaardig mogt schijnen en de onregtvaardige regtvaardig#agj4 ,want gij meendet1 dat1 al kan zoo iets goden en menschen niet verborgen blijven1 wij het toch om de redenering eens moesten veronderstellen2 ten einde de regtvaardigheid zelve met de onregtvaardigheid te kunnen vergelijken4 ,herinnert gij het u niet8--,wel zeker4--,daar nu die vergelijking heeft plaats gehad1 vraag ik het geleende terug1 en vorder in naam der regtvaardigheid1 dat gij het oordeel van goden en menschen over haar in rekening brengt2 opdat de belooningen erkend worden1 die zij door de openlijke meening aan hare vrienden geeft2 nu het toch gebleken is1 dat zij hen door hare innerlijke waarde gelukkig maakt en hare vereerders niet teleurstelt4--,dat is eene billijke vordering4--,dus zult gij vooreerst dit wel toegeven3 dat de goden zeer goed weten1 of iemand regtvaardig is of niet4--,gaarne4--,en als zij het weten1 dan is de eerste bij de goden bemind en de tweede gehaat2 zoo als wij in den beginne toestemden4--,ja4--,en die bij de goden bemind is1 ontvangt van de goden niets dan goed1 tenzij hem eenig onvermijdelijk gevolg van vroegere zonden aankleeft4--,dat spreekt4--,dus moeten wij omtrent den regtvaardigen besluiten1 dat als hij door armoede of ziekte of een ander schijnbaar kwaad getroffen wordt1 dit hem bij zijn leven1 of na zijnen dood1 tot heil zal gedijen4 ,want nooit wordt hij door de goden verwaarloosd1 die zijn best wil doen om regtvaardig te wezen en door het beoefenen der deugd zich1 zoo veel een mensch dat kan1 aan de godheid gelijk te maken#aga4--,zoo iemand wordt natuurlijk door hen1 op wie hij gelijkt1 niet verwaarloosd4--,en moeten wij nu niet omtrent den onregtvaardigen het tegendeel verwachten8--,voorzeker4--,dit is dus de belooning1 die de regtvaardige van de goden ontvangt4--,ik vind van ja4--,en hoe staat hij tegenover de menschen8 ,is het hier niet in waarheid z me gesteld1 dat slimme onregtvaardigen met hardloopers kunnen vergeleken worden1 die de eerste helft van de baan met glans afleggen1 maar de tweede niet1 en in het eerst met snelheid voortvliegen1 maar naderhand bespot worden en met hangende ooren onbekranst wegloopen2 terwijl de ware hardloopers aan het einde den prijs ontvangen en bekranst worden8 ,gebeurt het niet meestal evenzoo met de regtvaardigen1 dat zij aan het einde van iedere handeling1 en van iedere gemeenschappelijke onderneming1 en aan het einde van hun leven roem behalen en den prijs van de menschen ontvangen8--,ongetwijfeld4--,dus zult gij mij nu wel vergunnen van hen hetzelfde te zeggen1 wat gij van de onregtvaardigen gezegd hebt4 ,dan zal ik zeggen1 dat de regtvaardigen1 als zij ouder worden1 in hunnen staat1 zoo zij willen1 de overheidsposten bekleeden1 en zich verzwageren met wie zij willen2 en al wat gij meer van de anderen gezegd hebt1 zeg ik nu van hen4 ,en aan den anderen kant zeg ik van de onregtvaardigen1 dat de meesten hunner1 al blijven zij in hunne jeugd verborgen1 aan het einde van de baan bespot en op hun ouden dag door vreemden en burgers smadelijk bejegend1 gegeeseld1 gepijnigd en gedood worden4 ,dat alles zeg ik nu op mijne beurt dat zij ondergaan zullen4 ,wilt gij mij dat nu vergunnen8--,wel zeker2 want wat gij zegt is billijk4-- ,,xiii4 ,dit zijn dan ongeveer de belooningen en gaven1 die den regtvaardigen bij zijn leven van goden en menschen behalve de eigenaardige voorregten der regtvaardigheid te beurt vallen4--,en die zijn waarlijk schoon en zeker4--,zij komen echter in geen vergelijking met hetgeen beiden na hunnen dood te wachten staat4 ,en dit moet gij ook nog hooren2 opdat beiden in onze redenering alles ontvangen wat hun toekomt4--,zeg op2 want weinig dingen zou ik liever hooren4--,hetgeen ik u ga zeggen1 is geen laffe fabel1 gelijk de beschrijving van de oude wereld bij ,homerus1 maar een verhaal van een dapper man1 van ,,er1 den zoon van ,armenius1 van geboorte een ,pamphylier#agb2 die op het slagveld gevallen zijnde1 toen op den tienden dag de reeds verrotte lijken werden weggenomen1 nog in het minst niet vergaan was2 en toen men hem naar huis gebragt en op den twaalfden dag op den brandstapel gelegd had1 weder levend werd en verhaalde1 wat hij in de andere wereld gezien had4 ,hij nu zeide1 dat zijne ziel1 na het ligchaam verlaten te hebben1 in gezelschap van vele andere op eene heilige plaats was gekomen1 waar twee openingen in den grond naast elkander1 en twee andere in den hemel daar tegenover waren4 ,dat in de ruimte daar tusschen regters zaten1 die de regtvaardigen naar de opening in den hemel aan den regterkant zonden1 na op hunne borst een teeken ter aanduiding van het vonnis vastgehecht te hebben2 en de onregtvaardigen naar de opening in den grond aan den linkerkant1 terwijl dezen insgelijks teekens van al wat zij gedaan hadden1 maar op den rug1 medroegen4 ,en dat die regters1 toen hij naderde1 zeiden1 dat hij aan de menschen de dingen1 die daar gebeurden1 moest berigten1 en dat zij hem dus gelastten oplettend te hooren en te zien naar alles wat in die plaats voorviel4 ,dat hij daarop de zielen1 wier vonnis was uitgesproken1 door de ne opening in den hemel of in den grond zag weggaan2 terwijl uit de andere in den grond zielen1 die er morsig en bestoven uitzagen1 opstegen1 en uit de andere in den hemel reine zielen nederdaalden4 ,en dat allen1 die aankwamen1 er uitzagen1 alsof zij eene lange reis hadden afgelegd1 en met blijdschap zich gezamenlijk op het veld nedervleiden1 en elkander groetten1 zoo zij bekenden waren2 en dat die uit den grond of uit den hemel kwamen de anderen vroegen1 wat zij ondervonden hadden4 ,en dat de eersten jammerend en weenend verhaalden1 wat hun op de reis onder de aarde1 die duizend jaar geduurd had1 wedervaren was2 en de anderen van allerlei vreugde spraken en van verwonderlijk schoone dingen1 die zij gezien hadden4 ,om dit alles me te deelen1 ,glauco6 zou te lang ophouden1 maar hetgeen hij zeide kwam daarop neder1 dat zij voor iedere door haar gepleegde ongeregtigheid tiendubbeld straf leden1 en daarom1 dewijl het leven van een mensch op honderd jaar werd gerekend1 duizend jaar beneden vertoefden2 en dat zij1 die velen hadden doen omkomen1 en staten of legerplaatsen verraden en in slavernij gestort hadden1 of aan eenig ander schelmstuk medepligtig waren1 tiendubbele smart voor elke misdaad ontvingen2 en dat evenzoo zij1 die goede daden verrigt en regtvaardig en vroom geleefd hadden1 naar evenredigheid beloond werden4 ,en over hen1 die terstond na de geboorte gestorven waren1 of slechts kort geleefd hadden1 zeide hij eenige dingen van weinig belang4 ,en hij verhaalde1 dat verachting der goden of der ouders en eigenhandige moord bijzonder erg gestraft werden4 ,want hij zeide gehoord te hebben1 dat de een den anderen vroeg1 waar ,ardius de ,groote was4 ,deze ,ardius nu was reeds voor duizend jaar tiran eener stad in ,pamphylie geweest1 en had zijnen vader en ouderen broeder vermoord en nog vele andere gruwelen bedreven4 ,hij zeide1 dat de ondervraagde had geantwoord3 hij is nog niet gekomen1 en zal wel volstrekt niet komen4 ,,xiv4 ,want onder andere ijsselijkheden zagen wij ook dit4 ,toen wij de opening naderden en al de rest hadden doorgestaan1 werd eensklaps ons oog gevestigd op hem en eenige anderen1 meest tirannen2 hoewel er ook eenige ambtelooze misdadigers onder waren4 ,toen dezen wilden naar boven gaan1 liet de opening ze niet door1 maar loeide telkens1 als een der ongeneesselijke booswichten of die nog te weinig geboet hadden1 wilde opklimmen4 ,zoodra deze stem werd gehoord1 traden mannen van een woest1 vurig uiterlijk1 die op de wacht stonden1 toe en voerden de overigen weg1 maar ,ardius en een paar anderen bonden zij aan handen en voeten1 wierpen ze neder1 geeselden ze en sleepten ze langs den weg over doornen voort1 aan de voorbijgangers te kennen gevende1 waarom hun dit overkwam2 en dat zij werden weggesleept1 om in den ,tartarus geworpen te worden2 en dat onder alle angsten1 die zij dr moesten uitstaan1 deze de grootste was1 dat zij vreesden bij hun opgaan nog eens die stem te zullen hooren2 en dat zij er naar snakten1 dat de opening maar zwijgen mogt4 ,dat zoodanig de straffen en pijnigingen waren1 en dat de belooningen daar tegenover stonden2 en dat allen1 na op dat veld zeven dagen vertoefd te hebben1 op den achtsten dag vandaar vertrekken moesten1 en na eene reis van vier dagen op eene plaats kwamen1 vanwaar zij een regte streep van helder licht zagen1 die zich door den geheelen hemel uitstrekte4 ,dat zij na een dag reizen die streep bereikten1 en zagen1 hoe de uiteinden des hemels door haar verbonden werden4 ,en dat door den geheelen hemel de spil van het noodlot was heen gestoken en acht spheren van verschillende grootte en kleur1 de ne in de andere om die spil draaiden4 ,en dat boven op den rand van iedere spheer eene ,sirene zat1 die met die spheer mededraaide1 en nen toon uitte1 waardoor acht toonen ontstonden1 die te zamen ne harmonie vormden#agc4 ,en dat daar rond de drie dochters van het noodlot1 de schikgodinnen ,lachesis1 ,clotho en ,atropos1 in witte kleederen gehuld en met kransen op het hoofd1 gezeten waren1 en bij de harmonie der ,sirenen een lied zongen1 waarin ,lachesis het verledene1 ,clotho het tegenwoordige1 ,atropos het toekomstige vermeldde4 ,en dat ,clotho met hare regterhand de buitenste spheer omdraaide1 ,atropos met de linkerhand de binnenste spheren1 en ,lachesis om beurten de rste of de laatste met de ne of andere hand aanraakte4 ,,xv4 ,dat zij terstond bij hunne aankomst naar ,lachesis hadden moeten gaan4 ,dat toen een profeet hen eerst op eene rij had geplaatst1 en vervolgens uit den schoot van ,lachesis loten en verschillende levenswijzen genomen had1 en op een hoog spreekgestoelte geklommen zijnde1 had geroepen3 ,zoo zegt ,lachesis de dochter van het noodlot4 ,zielen1 die bij den dag leeft6 het begin van eene andere omwandeling onder het geslacht der stervelingen is daar4 ,uw geleigeest#agd wordt niet aan u gegeven2 gij kunt hem zelve kiezen4 ,die het eerste lot krijgt1 zoeke het eerst eene levenswijs1 die hij later niet meer kan veranderen4 ,de deugd is niet gedwongen2 ieder heeft er meer of minder deel aan1 naarmate hij haar eert of veracht4 ,het is de schuld van den kiezer2 de godheid is onschuldig4 ,dat de profeet1 dit gezegd hebbende1 de loten allen toewierp1 en dat ieder het lot opnam1 dat voor hem lag1 behalve hij2 want dat het hem was verboden4 ,en dat ieder op zijn lot vond1 welk nommer hij had4 ,dat daarna de verschillende levenswijzen in beeldtenis voor hen werden nedergelegd1 en dat er veel meer waren dan het aantal zielen4 ,dat zij van allerlei soort waren1 zoo van allerlei dieren als van menschen4 ,want dat er tirannijen onder waren1 die deels tot den dood voortduurden1 deels in ballingschap en armoede eindigden2 en ook levenswijzen van mannen1 die uitmuntten in schoonheid1 of kracht1 of vlugheid1 of adel2 en van onaanzienlijken desgelijks4 ,en dat dit met de levens van vrouwen eveneens was4 ,dat er evenwel geene bepaling van het karakter bij was1 omdat dit zich van zelfs naar de gekozene levensmanier wijzigt2 en dat overigens rijkdom of armoede1 gezondheid of ziekte1 bij ieder verschillend was aangewezen4 ,dr mijn beste ,glauco6 schijnt dan het eigenlijke gevaar voor den mensch aan te komen1 en daarom vooral moet ieder trachten1 indien hij kan1 bij voorkeur die wetenschap na te vorschen en te leeren1 die hem de noodige kennis verschaft1 om1 een goed en kwaad leven onderscheidende1 overal zoo veel mogelijk het beste te kiezen1 en alles in rekening te brengen en na te gaan1 welken invloed het op de deugd uitoefent2 en te weten1 wat voor uitwerking schoonheid1 of rijkdom1 of armoede1 op elk karakter heeft1 en wat adel of geringe geboorte1 ambteloos leven of heerschappij1 kracht of sterkte1 onwetendheid of geleerdheid1 enz4 in allerlei verbindingen uitwerken2 ten einde daardoor1 op zijnen natuurlijken aanleg ziende1 goed te kunnen nagaan1 welk leven slechter en welk beter is2 een leven dat de ziel onregtvaardiger doet worden1 slechter noemende1 en een dat haar regtvaardiger maakt1 beter2 en de rest te laten rusten2 daar wij toch gezien hebben dat dit voor levenden en dooden de belangrijkste keus is4 ,en die overtuiging moet bij ons onverwrikbaar wezen2 opdat zij ook dr door den glans van rijkdom1 enz41 niet geschokt worde1 en wij niet tiranny of iets dergelijks kiezende1 ongeneeselijk kwaad bewerken1 en zelve nog erger verduren2 maar een levenswijs1 die in alles de juiste maat houdt1 kunnen kiezen1 en zoo veel mogelijk in dit leven en het volgende alle uitersten vermijden2 want z wordt de mensch het gelukkigste4 ,,xvi4 ,de berigtgever1 die dit alles mededeelde1 zeide dan ook1 dat de profeet aldus sprak3 ook hij1 die het laatst komt1 kan1 zoo hij met verstand kiest en naderhand zijn best doet1 een gelukkig leven erlangen4 ,de eerste zij niet onoplettend in het kiezen1 en de laatste worde niet mismoedig4 ,en hij verhaalde1 dat terstond na deze woorden1 hij1 die het eerste nommer had gekregen1 toetrad en de grootste tiranny koos1 daar hij door onverstand en begeerigheid verzuimd had alles behoorlijk na te gaan1 en niet had gemerkt1 dat het opeten zijner eigene kinderen en andere gruwelen daarme verbonden waren2 en dat hij vervolgens1 alles op zijn gemak beschouwd hebbende1 ging klagen en jammeren en de woorden van den profeet vergetende1 niet zich zelven1 maar het lot en de goden en al het andere buiten zijne eigene dwaasheid beschuldigde4 ,en dat hij een van hen was1 die uit den hemel gekomen waren1 en in zijn vorig leven in een goed geregelden staat door gewoonte1 zonder wijsbegeerte1 een deugdzaam leven geleid had4 ,en dat over 't algemeen zij1 die uit den hemel kwamen1 niet het minst door zulke dingen werden ingepakt1 daar zij geen ondervinding van leed hadden2 maar dat de meesten1 die uit den grond kwamen1 en zelve geleden en dit van anderen gezien hadden1 met meer overleg zochten4 ,dat daardoor en door het lot de meeste zielen goed en kwaad verwisselden4 ,want1 als iemand in dit leven steeds de gezonde wijsbegeerte beoefende1 en niet het allerlaatste nommer trok1 schijnt het volgens deze berigten1 dat hij niet slechts hier gelukkig zou wezen1 maar ook van hier derwaarts en weder terug geen zware1 onderaardsche1 maar eene aangename1 hemelsche reis zou hebben4 ,en hij zeide1 dat het de moeite waard was te zien1 hoe al die zielen hunne levenswijze kozen2 want dat dit een beklagenswaardig1 en tevens bespottelijk en verwonderlijk schouwspel opleverde4 ,want dat zij meestal naar aanleiding van hun vroeger leven zochten4 ,want hij zeide1 dat hij gezien had1 hoe de ziel van den dichter ,orpheus het leven van een zwaan koos2 omdat hij door vrouwen vermoord zijnde1 dit geslacht haatte1 en niet uit eene vrouw wilde geboren worden2 en dat de ziel van den zanger ,thamyrus dat van een nachtegaal koos2 en dat hij ook de ziel van een zwaan het leven van een mensch had zien kiezen1 en die van andere zangvogels1 zoo als te denken is1 desgelijks4 ,en dat zekere ziel aan het leven van een leeuw de voorkeur gaf2 en dat dit de ziel was van ,ajax1 den zoon van ,telamon1 die zich het pleitgeding over de wapens van ,achilles herinnerende1 weinig lust had om een mensch te worden4 ,en dat daarop de ziel van ,agamemnon aankwam1 die1 insgelijks door zijne rampen van het menschelijk geslacht afkeerig geworden1 liever een arend werd4 ,en dat in het midden van allen de ziel van de jageres ,atalante1 den grooten roem van een kampvechter in de openlijke spelen gezien hebbende1 de verzoeking om dit leven te kiezen niet werstaan kon4 ,dat hij daarna de ziel van den werktuigkundigen ,epeus het leven van eene borduurster had zien nemen1 en onder de laatsten de ziel van den grappemaker ,thersites het leven van een aap had zien kiezen4 ,en dat bij toeval de ziel van ,ulysses het allerlaatste nommer had getrokken4 ,en dat deze door herinnering aan hare vroege rampen van eerzucht gespeend zijnde1 een geruimen tijd liep zoeken naar het leven van een rustig1 ambteloos burger1 en dit eindelijk ergens door de anderen verwaarloosd had vinden liggen1 en op dit gezigt zeide1 dat zij1 als het eerste lot haar was te beurt gevallen1 niets anders zou gedaan hebben1 en het gretig opnam4 ,en dat ook van andere dieren de zielen in menschen en in elkander overgingen1 ieder naar haren aard kiezende1 zoodat er allerlei verwisselingen plaats hadden4 ,en dat1 toen allen hunne levenswijs gekozen hadden1 allen volgens hun nommer naar ,lachesis gingen1 en dat deze aan ieder den geleigeest1 dien hij gekozen had1 als bewaker en vervuller van het gekozene levenslot me gaf4 ,en dat die geest ieder naar ,clotho en ,atropos bragt1 om dat lot te laten bevestigen1 en hem vervolgens onder den troon van het noodlot deed heengaan4 ,en dat allen daar door gegaan zijnde in de vlakte van ,lethe kwamen1 waar het vreesselijk warm was1 daar er volstrekt geen boomen of struiken gevonden werden4 ,en dat zij aldaar tegen den avond zich bij de rivier der vergetelheid1 wier water in geen vat kan bewaard worden1 nedersloegen4 ,en dat allen eene bepaalde maat van dit water moesten drinken1 maar dat zij1 wier verstand hen daarvoor niet bewaarde1 meer dan die maat dronken2 en dat ieder1 die gedronken had1 daardoor al het vorige vergat4 ,en dat1 toen zij waren gaan slapen1 midden in den nacht een onweder met aardbeving opkwam1 en allen plotseling vandaar1 als sterren flikkerend1 naar verschillende plaatsen tot eene vernieuwde geboorte werden heengevoerd4 ,en dat hij van dat water niet had mogen drinken1 doch volstrekt niet wist1 hoe zijne ziel wer in zijn ligchaam was gekomen1 maar op eens de oogen opende en zag1 dat het ochtend was1 en dat hij op den brandstapel lag4 ,dit verhaal1 ,glauco6 is bewaard gebleven en kan ons welligt bewaren1 zoo wij er gehoor aan geven1 de rivier der vergetelheid goed overtrekken en onze ziel niet bezoedelen4 ,in allen gevalle echter moeten wij1 naar mijn inzien1 gelooven1 dat de ziel onsterfelijk is en alle goed en kwaad kan uithouden1 en wij moeten steeds naar boven streven1 en met al ons vermogen regtvaardigheid en wijsheid trachten te verwerven2 om hier1 en in den tijd der vergelding1 onze eigene vrienden en die der goden te wezen2 en om in die duizendjarige reis1 die wij besproken hebben1 waar geluk te genieten4 ,voetnoten #aef ,zie ,phaedo1 ,cap4 ,,xix4 ,,xlviii-,l4 #aeg ,hier komt het principium indescernibilium voor den dag1 volgens hetwelk beweerd wordt1 dat er geen twee volmaakt gelijke dingen bestaan4 ,in de wereld der ideen is deze stelling volkomen waar1 gelijk ,plato hier heeft bewezen2 maar of zij daarom ook van de enkele wezens gelden moet1 en of er b4 v4 werkelijk geen twee volkomen gelijke bladeren gevonden worden is eene andere vraag4 ,het is mij meermalen voorgekomen1 dat men deze stelling1 die in de wereld der ideen en begrippen te huis behoort1 zonder eenig regt op de werkelijkheid wil toepassen4 #aeh ,als dit oordeel de kunst in het algemeen moet treffen1 is het niet van onbillijkheid vrij te pleiten4 ,dan oordeelt ,cicero billijker1 als hij zegt3 toen die kunstenaar 7,phidias7 het beeld van ,jupiter of ,minerva maakte1 aanschouwde hij niemand1 wiens gelijkenis hij uitdrukte2 maar in zijnen geest huisvestte eene uitstekende idee van schoonheid1 in wier beschouwing hij zich verdiepte1 om overeenkomstig met haar de werkzaamheid zijner handen te besturen1 ,orat4 #i4 ,plato's oordeel te dezer plaatse is wel juist1 als schilders1 beeldhouwers1 dichters1 enz4 geen hooger standpunt kiezen1 dan hij hier veronderstelt2 maar de ware kunstenaar zal toch met zulk een laag standpunt niet tevreden zijn4 ,ik meen het er echter voor te mogen houden1 dat ,plato het bestaan van dat hoogere standpunt erkende1 zoo omdat hij hier altijd van nabootsende kunst1 niet van kunst in 't algemeen spreekt1 als omdat hij ,boek ,,vi4 ,hoofdst4 ,i41 diegenen blind noemt1 die niet in staat zijn als schilders het waarachtige origineel bij het maken van wetten tot voorbeeld te nemen4 #aei ,of van ,socrates in ,xenophons ,gedenkwaardigheden1 ,boek ,,iii4 ,hoofdst4 ,x4 #afj ,de naam ,creophilus beteekent vleeschminner1 gulzigaard4 #afa ,zie mijne aanteekening op den ,theaetetus1 blz4 #bd 7#c74 #afb ,boek ,,iii4 ,hoofdst4 ,,vi4 #afc ,zie mijne vertaling van den ,theaetetus1 blz4 #bjg1 7#a74 #afd ,zie ,boek ,,iv4 ,hoofdst4 ,,xiv41 en ,,vii4 ,hoofdst4 ,,vii4 #afe ,zie ,boek ,,iii4 ,hoofdst4 ,,ii4 #aff ,in de ,apologie1 ,hoofdst4 ,,xvii1 zegt ,socrates tot zijne regters3 den dood te vreezen is niets anders dan zich voor wijs te houden1 terwijl men het niet is2 want het is hetzelfde als te meenen1 dat men iets kent1 hetwelk men niet kent4 ,niemand toch kent den dood1 en niemand weet1 of hij niet misschien het grootste geluk voor een mensch is1 maar de meesten zijn er bang voor1 alsof zij heel goed wisten1 dat hij de grootste ramp is4 ,en dit is toch wel de schandelijkste onwetendheid1 als men meent te weten1 wat men niet weet4 #afg ,zie ,phaedo1 ,hoofdst4 ,,xv--,,xvii4 #afh ,zie ,phaedo1 ,hoofdst4 ,,xxv41 en de noot op blz4 #cg van mijne vertaling1 benevens mijne aanteekening op ,aristoteles de ,anima1 ,,ii4 ,,ii4 #aj in het achtste nommer van de ,symbolae ,literariae4 #afi ,phaedo1 ,hoofdst4 ,,xxvi4 #agj ,boek ,,ii4 ,hoofdst4 ,,iv en ,v4 #aga ,theaetetus1 ,hoofdst4 ,,xxv4 #agb ,sommigen denken hier aan ,zoroaster1 maar het is eigenlijk geheel onzeker vanwaar dit verhaal ontleend is4 ,zie echter de aanteekening 7#b7 op blz4 #adb van mijne vertaling van den ,phaedo4 #agc ,dat is de beroemde harmonie der spheren1 die wij niet hooren omdat wij er van jongs af aan gewend zijn4 ,het schijnt oorspronkelijk een ,pythagorisch denkbeeld te wezen1 gebouwd op hunne theorie der getallen4 ,zie mijne inleiding voor den ,phaedo2 blz4 #h1 #i en #aa4 #agd ,zie ,phaedo1 ,cap4 ,,lvii4 ,,beoordeeling ,,van ,,plato',s ,,republiek ,,door ,,aristoteles4 7,genomen uit zijne ,politiek1 ,boek ,,ii47 ,nademaal wij van zins zijn de staatkundige vereeniging te beschouwen1 daar deze meer dan alle andere vereenigingen dienstig schijnt te wezen1 om levensgeluk te bevorderen1 moeten wij ook de andere staatsregelingen onderzoeken2 n die1 waarvan sommige staten1 die goed ingerigt heeten1 zich bedienen1 n die1 welke door sommigen zijn voorgeslagen1 en voor goed gehouden worden2 opdat het goede en nuttige voor den dag kome1 en het zoeken van iets anders dan deze niet aan betweterij worde toegeschreven2 maar opdat het blijke1 dat wij1 omdat deze niet goed zijn1 gemeend hebben op nieuw te moeten gaan zoeken4 ,wij moeten beginnen met hetgeen uit zijnen aard het begin van dit onderzoek is4 ,het is noodzakelijk1 dat alle burgers f aan alles gemeenschappelijk deel hebben1 f aan niets1 f aan sommige dingen wel1 aan andere niet4 ,aan niets kan niet1 want de staat is eene soort van gemeenschap4 ,vooreerst toch hebben zij gemeenschappelijk deel aan de woonplaats1 want gemeenschap van woonplaats volgt uit de eenheid van den staat1 waaraan al de burgers gemeenschappelijk deel hebben4 ,maar wat is nu beter voor een staat1 die goed zal zijn ingerigt2 dat alle burgers aan alle mogelijke dingen gemeenschappelijk deel hebben1 of aan sommige wel1 aan andere niet8 ,want het is denkbaar1 dat de burgers aan kinderen1 vrouwen en bezittingen gemeenschappelijk deel hebben1 zoo als in de ,republiek van ,plato2 dr toch zegt ,socrates1 dat de kinderen1 de vrouwen en de bezittingen aan allen gemeen moeten wezen2 en is het nu beter1 dat dit z ingerigt is als tegenwoordig1 of z als in de ,republiek wordt voorgeschreven8 ,deze gemeenschap van vrouwen heeft n vele andere zwarigheden1 n schijnt niet om die reden1 waarom ,socrates het noodig vindt haar voor te schrijven1 als noodzakelijk beschouwd te moeten worden4 ,daarenboven kan zij1 z als zij besproken is1 nooit tot het doel leiden1 dat hij aan den staat voorstelt2 en hoe men dat doel beschouwen moet1 is volstrekt niet bepaald4 ,ik heb op het oog1 dat de geheele staat n moet wezen1 daar dit het beste is2 want hiervan gaat ,socrates uit4 ,edoch het is duidelijk1 dat1 wanneer de staat meer en meer tot de eenheid nadert1 hij eindelijk geen staat meer wezen zal1 want uit zijnen aard is de staat eene menigte1 en door dat streven naar eenheid1 zou hij dan van een staat een huisgezin1 en van een huisgezin een individu worden2 want het huisgezin is meer n dan de staat en de individu meer dan het huisgezin2 zoodat1 al kon men die eenheid daarstellen1 het beter was dit te laten1 omdat zij den staat zou vernietigen4 ,en de staat is niet slechts zamengesteld uit verscheidene menschen1 maar uit menschen van verscheidene soort2 want uit menschen van eenerlei soort wordt geen staat gevormd4 ,want een bondgenootschap en een staat is niet hetzelfde2 bij het eerste toch is het aantal nuttig1 ook al zijn allen van dezelfde soort1 daar het slechts tot het verleenen van hulp gesticht wordt1 even als men het gewigt vermeerdert1 om de schaal te doen zakken4 ,en daarin verschilt ook een staat van een volk1 wanneer de menigte niet in dorpen verdeeld is1 maar zoo als de ,arcadiers verspreid woont4 ,die deelen nu1 waaruit de eenheid van den staat moet zamengesteld worden1 zijn verschillend van soort4 ,waarom het ook tot behoud der staten dient1 dat zij1 die gelijk zijn1 gelijkelijk deel aan het bestuur hebben1 daar dit een noodzakelijk gevolg is der vrijheid en gelijkheid2 want allen kunnen niet te gelijk regeren1 maar wel bij jaarlijksche afwisseling1 of naar eenige andere orde en tijdmaat4 ,z gebeurt het dan1 dat allen regeren1 even alsof de schoenmakers en de timmerlieden van beroep verwisselden en niet steeds dezelfde personen schoenmakers of timmerlieden waren4 ,daar echter dit laatste beter is1 zoo loopt het in het oog1 dat het ook in het staatkundige beter is1 dat1 als het kan1 steeds dezelfde personen regeren4 ,en waar dat wegens de gelijkheid van allen niet kan1 is het tevens billijk1 dat1 hetzij het regeren een voorregt of een last is1 allen daarin deelen1 en dr steeds op dezelfde wijs het ne bestuur door het andere wordt opgevolgd1 zoodat beurtelings de een regeert en de ander gehoorzaamt1 als werden zij telkens andere menschen4 ,en op diezelfde wijs nemen dan telkens anderen uit de overheden dezelfde bedieningen waar4 ,hieruit blijkt1 dat die eenheid van den staat1 gelijk sommigen haar prijzen1 niet bestaan kan2 en dat hetgeen als het grootste goed voor een staat geprezen wordt1 den staat vernietigt4 ,en toch brengt hetgeen voor eenig ding goed is geen vernietiging1 maar behoud te weeg4 ,ook nog op eene andere wijs kan het blijken1 dat het niet goed is den staat volkomen n te willen maken4 ,een huisgezin toch heeft meer aan zich zelf genoeg dan een individu1 en een staat meer dan een huisgezin2 en de begeerte om een staat te vormen wordt geboren1 wanneer de gezamenlijke menigte aan zich zelve genoeg is4 ,edoch daar meer zelfgenoegzaamheid verkieselijker is1 is het ook verkieselijker minder n te wezen4 ,maar zelfs al was het het beste1 dat die staatkundige vereeniging zoo veel mogelijk n is1 dan schijnt dit nog niet daardoor tot stand te komen1 dat allen de woorden mijn en niet mijn van hetzelfde zeggen2 dit toch houdt ,socrates voor een teeken1 dat de staat volkomen n is4 ,allen toch is dubbelzinnig4 ,want als het beteekent ieder1 dan zou misschien hetgeen ,socrates wil kunnen plaats hebben2 want dan zal ieder denzelfden zijnen zoon en dezelfde zijne vrouw noemen1 en dit zal dan ook met de bezittingen en alle andere dingen plaats hebben4 ,z echter zullen zij het niet zeggen1 die gemeenschap van vrouwen en kinderen hebben2 maar allen zullen het wl zeggen1 doch niet ieder2 en evenzoo zullen allen het van de bezittingen zeggen1 maar niet ieder4 ,dus is het klaarblijkelijk een spelen met woorden1 te beweren1 dat allen het zeggen zullen2 en dit woord3 allen1 wordt dan ook in het twisten om zijne dubbelzinnigheid tot het maken van drogredenen gebruikt2 en daarom is dat zeggen van hetzelfde door allen in het ne geval mooi1 maar onmogelijk2 in het andere volstrekt niet bevorderlijk voor de eensgezindheid4 ,daarenboven heeft het nog een ander gebrek2 want hetgeen aan de meesten gezamenlijk toebehoort1 wordt het minst verzorgd2 daar ieder het meest op zijn eigen zaken let1 en op de gemeenschappelijke minder dan hij voor zijn deel doen moest2 want behalve om andere redenen verwaarloozen zij ze daarom te meer1 dewijl anderen er wel voor zorgen zullen2 gelijk in een huisgezin vele bedienden somtijds slechter bedienen dan weinige4 ,zoo heeft dan ieder der burgers duizend zonen1 en dat wel niet van hem in 't bijzonder1 maar naar het uitkomt is ieder zoon van ieder1 zoodat allen die zonen evenzeer zullen verwaarloozen4 ,verder noemt ieder der burgers den gelukkigen of ongelukkigen in omgekeerde reden van hun aantal den zijnen1 b4 v4 hij is de mijne1 of de zijne1 of van dien1 of van dien1 en zoo de rij der duizend burgers1 of zoo veel als er zijn1 af2 en dat nog aarzelend2 dewijl het onbekend is1 wie een kind heeft verwekt1 of wiens kind in het leven is gebleven4 ,en wat is nu beter1 z ieder van die twee of tienduizend of zoo veel als er zijn den zijnen te noemen1 of liever dit z te doen als het tegenwoordig plaats heeft8 ,want tegenwoordig wordt dezelfde door den eenen zoon1 door den anderen broeder genoemd1 en een ander noemt hem neef1 of benoemt hem naar eenen anderen graad van bloedverwantschap of aanverwantschap met hem of de zijnen1 en noemt dan weer anderen wijk- of stamgenooten2 en het is toch beter een eigen neef te zijn dan een zoon op die wijze4 ,verder is het niet eens mogelijk1 dat niet sommigen hunne natuurlijke broeders1 kinderen of ouders herkennen zouden2 althans dit moeten zij wel van elkander vermoeden1 daar de kinderen gewoonlijk op de ouders gelijken4 ,en dit wordt ook door het getuigenis van sommige reizigers bevestigd2 want zij zeggen1 dat bij eenige volken van ,opper-,libye gemeenschap van vrouwen bestaat1 en evenwel de kinderen naar de gelijkenis verdeeld worden4 ,ook zijn er wijfjes van andere dieren1 b4 v4 van paarden en runderen1 die jongen ter wereld brengen1 welke zeer op hunne ouders gelijken1 zoo als onder anderen de beroemde ,pharsalische merries4 ,verder is het niet gemakkelijk voor hen1 die zulk eene gemeenschap willen daarstellen1 de volgende zwarigheden te vermijden2 te weten3 onwillige en moedwillige beleedigingen en doodslag1 en gevechten en smaad1 het welk alles nog vrij wat goddeloozer is als het tegen ouders of bloedverwanten dan als het tegen vreemden gepleegd wordt2 en noodzakelijk meer zal plaats hebben1 wanneer zij elkander niet kennen dan wanneer zij elkander kennen4 ,en als het gebeurt1 kan het1 wanneer zij elkander kennen1 behoorlijk geboet worden2 maar1 wanneer zij elkander niet kennen1 niet4 ,ook schijnt die gemeenschap van vrouwen en kinderen voor de boeren nuttiger te zijn dan voor de wachters2 want als de vrouwen en kinderen gemeen zijn1 zal er minder onderlinge genegenheid bestaan2 en die moet er niet zijn bij de onderdanen1 opdat zij gehoorzaam zijn en geen zamenzweringen maken4 ,en over 't geheel is het noodzakelijk1 dat door dusdanig eene wet het tegendeel plaats heeft van hetgeen goede wetten bewerken moeten1 en ,socrates bij het maken dezer bepalingen omtrent vrouwen en kinderen beoogt2 want wij beschouwen onderlinge genegenheid als het grootste goed voor de staten1 omdat daardoor de burgertwist wordt voorkomen1 en ,socrates prijst voornamelijk de nheid van den staat1 die toch1 zoo als hij zelf zegt1 door de onderlinge genegenheid moet bewerkt worden2 maar door zulk eene gemeenschap moet die genegenheid waterig worden1 en de zoon het allerminst den vader of de vader den zoon als den zijnen beschouwen4 ,want even als een weinig zoet met veel water vermengd onmerkbaar wordt1 zoo moet ook het onderlinge verband1 dat door deze betrekkingen ontstaat1 in zulk eene staatsregeling zoo goed als geen wederzijdsche belangstelling tusschen ouders en kinderen of tusschen broeders te weeg brengen4 ,want twee dingen vooral brengen onderlinge belangstelling en genegenheid onder de menschen te weeg1 te weten3 de persoonlijke betrekking en de band van het bloed2 en geen van beiden kan bij zulk eene staatsregeling plaats hebben4 ,verder is het lang niet gemakkelijk aan te toonen1 hoe dat overbrengen der kinderen uit de boeren en handwerkers naar de wachters1 en omgekeerd1 moet geschieden2 en het is onvermijdelijk1 dat de personen1 die ze overbrengen1 merken1 wie zij aan ieder geven4 ,verder moet het boven1 aangaande beleediging1 doodslag1 enz41 gezegde bij dezen nog veel meer plaats hebben1 want zij1 die naar de andere burgers zijn overgebragt1 noemen de wachters niet langer broeders1 of kinderen1 of ouders2 en evenmin zij1 die naar de wachters zijn overgebragt1 de andere burgers2 zoodat zij zich wegens de verwantschap niet meer voor zulke daden zullen in acht nemen4 ,dit nu moge volstaan omtrent de gemeenschap van vrouwen en kinderen4 ,hiermede hangt het vraagstuk van den eigendom zamen2 hoe die in een volmaakten staat moet geregeld worden1 en of die gemeenschappelijk of niet gemeenschappelijk zijn moet4 ,nu kan de vraag van den eigendom1 ook zonder haar met de vrouwen- en kinderenwet in verband te brengen1 beschouwd worden1 en men kan vragen of het beter is1 dat1 al zijn die andere betrekkingen voor ieder afzonderlijk1 gelijk tegenwoordig1 de eigendom en het vruchtgebruik gemeenschappelijk zijn1 zoodat b4 v4 de landerijen bijzonder eigendom zijn1 maar de vruchten in de gemeenschappelijke voorraadshuizen gebragt worden1 gelijk eenige volken doen2 of dat daarentegen de bodem gemeenschappelijk eigendom is1 en gemeenschappelijk bewerkt wordt1 maar de vruchten onder allen voor ieders bijzonder gebruik verdeeld worden1 want ook deze soort van gemeenschap wordt1 naar men zegt1 bij sommige barbaren gevonden2 of dat n de bodem n de vruchten gemeenschappelijk eigendom zijn4 ,wanneer nu de bodem door lijfeigenen bewerkt wordt1 dan is het een ander geval1 en alles gaat gemakkelijker2 maar wanneer zij zich zelven bedienen1 is de vraag van den eigendom lastiger2 want als niet ieder evenveel gebruikt en evenveel werkt1 moeten er noodzakelijk door hen1 die minder krijgen en meer werken1 verwijtingen gedaan worden aan hen1 die veel gebruiken of krijgen en weinig werken4 ,over het geheel is het zamenleven en zamendeelen in alle menschelijke dingen moeijelijk1 maar vooral in zulke1 zoo als ook blijkt uit de gemeenschap van menschen1 die zamen op reis zijn2 want deze raken meestal over kleinigheden1 die voor de hand liggen1 met elkander overhoop4 ,ook komen wij het meest met die bedienden in onmin1 die wij het meest tot dagelijksche diensten bezigen4 ,de gemeenschap van eigendom heeft dus deze en andere dergelijke zwarigheden4 ,maar zoo als het nu is1 is het veel beter1 wanneer de zeden en de bepalingen der wet maar goed zijn2 want dan heeft dit het voordeel van beiden1 n van den gemeenschappelijken n van den bijzonderen eigendom2 want in sommige opzigten moet de eigendom gemeenschappelijk wezen1 maar over het algemeen van ieder in 't bijzonder4 ,want dat ieder zijne taak heeft1 veroorzaakt nu geen onderling verwijt1 maar doet veeleer den eigendom toenemen1 doordien ieder zijn eigen belang zoekt te bevorderen2 en de deugd der mededeelzaamheid kan toch het spreekwoord3 de bezittingen der vrienden zijn gemeen1 doen toepassen4 ,en deze inrigting is ook tegenwoordig in sommige staten daargesteld1 en vooral in goed geordende staten is zij aanwezig1 of althans mogelijk2 want ieder heeft dan zijn bepaalden eigendom1 maar vergunt het gebruik van sommige dingen aan zijne vrienden1 en gebruikt andere als algemeen goed2 gelijk de ,spartanen1 als van hunnen eigendom1 van elkanders slaven1 paarden en honden1 en zelfs1 op reis zijnde1 van elkanders veldvruchten gebruik maken4 ,dus blijkt het beter te wezen1 dat de eigendom afzonderlijk is1 maar door het gebruik gemeenschappelijk gemaakt wordt4 ,en dezen geest onder de burgers op te wekken1 is de taak van den wetgever4 ,ook scheelt het in aangenaamheid onuitsprekelijk veel1 of men iets als zijn eigendom kan beschouwen of niet2 want ieder mensch heeft toch voor niet geen genegenheid voor zich zelven1 en dit is natuurlijk2 hoezeer eigenliefde met regt berispt wordt4 ,deze bestaat echter niet in liefde1 maar in te groote liefde voor zich zelven2 en het is hetzelfde geval met de liefde voor het geld1 daar die toch eenigzins bij allen gevonden wordt4 ,verder is het zeer aangenaam aan vrienden1 gasten of makkers genoegen te doen en hulp te bewijzen1 en dit is mogelijk1 als er bijzonder eigendom is4 ,deze dingen missen zij1 die den staat volkomen n maken1 en vernietigen daarenboven twee deugden geheel en al1 te weten3 ingetogenheid in de betrekking tot de vrouwen1 daar het toch schoon is zich uit ingetogenheid van de vrouwen van anderen te onthouden2 en onbekrompenheid ten opzigte van de bezittingen1 daar de onbekrompenheid zich bij hen niet kan vertoonen noch hare werking uitoefenen1 omdat die bij het gebruiken van den eigendom moet plaats hebben4 ,zulk eene staatsregeling heeft dus een schoon uiterlijk en schijnt menschlievend te wezen2 en die er van hooren hebben er schik in1 meenende1 dat er eene verwonderlijk groote genegenheid van allen voor allen zijn zal1 vooral wanneer men daarbij scheldt op het kwaad1 dat tegenwoordig in de staten gevonden wordt1 en dit aan den afzonderlijken eigendom toeschrijft 7ik meen de regtsgedingen over geschonden overeenkomsten1 en valsche getuigenis1 en het vleien der rijken1 enz47 hoewel dit alles toch niet aan den afzonderlijken eigendom1 maar aan de slechtheid der menschen te wijten is4 ,want wij zien1 dat bezitters van gemeenschappelijken eigendom veel meer oneenig zijn dan die van afzonderlijken1 doch dit schijnt minder1 omdat er vrij wat minder gevallen van de eerste dan van de laatste soort voorkomen4 ,maar het is ook billijk niet alleen te zeggen1 hoeveel kwaad door die gemeenschap zal weggenomen worden2 maar tevens1 hoeveel goed4 ,en dit leven schijnt ten eenemale onmogelijk4 ,en als oorzaak van de dwaling van ,socrates moet zijne verkeerde grondstelling beschouwd worden1 want in sommige opzigten moet een huisgezin en een staat wel n wezen maar niet in alle2 want hij kan daarin z ver gaan1 dat hij geen staat meer is1 of dat hij wel een staat1 maar een slechte staat is4 ,het is er mede alsof men de harmonie tot nheid van toon wilde maken1 of alle lettergrepen in een vers van dezelfde lengte4 ,maar men moet den staat1 die1 zoo als wij zeiden1 eene menigte is1 door de opvoeding tot eene gemeenschap1 en tot n maken1 en als men een stelsel van opvoeding wil invoeren1 en overtuigd is1 dat de staat daardoor goed zal worden1 moet men het als ongerijmd beschouwen hem door zulke bepalingen te willen regelen1 en niet door de zeden en de wijsbegeerte en de wetten2 gelijk de wetgever te ,lacedaemon en op ,creta door de gemeenschappelijke maaltijden eene soort van gemeenschap van eigendom heeft weten te bewerken4 ,en ook dit verdient niet vergeten te worden1 dat men de ondervinding van zoo vele jaren als de wereld bestaan heeft in aanmerking moet nemen1 daar het in al dien tijd niet zou verborgen gebleven zijn1 wanneer het zoo goed was4 ,want bijna alles1 wat ,plato aanraadt1 is reeds voorgekomen1 maar het is deels niet bijeengevoegd1 deels1 hoewel het bekend was1 niet toegepast4 ,en het zou vooral in het oog loopen1 als men zulk eene staatsregeling eens werkelijk zag bestaan2 want men zou den staat niet kunnen vormen1 zonder hem weer in tafelgezelschappen1 wijken en stammen te verdeelen2 zoodat er dan eigenlijk niets van die bepalingen zou blijven1 als dat de wachters geen landbouw uitoefenden2 hetgeen de ,lacedaemoniers ook tegenwoordig pogen te bewerken4 ,maar ook heeft ,socrates niet gezegd1 hoe de geheele staat bij die gemeenschap van eigendom ingerigt zal wezen1 en het is niet gemakkelijk1 dit te zeggen4 ,en toch bestaat de staat voor het grootste gedeelte uit de menigte der andere burgers1 waaromtrent volstrekt niet bepaald is1 of ook de boeren gemeenschappelijk1 of wel afzonderlijk eigendom moeten hebben1 en of zij gemeenschap van vrouwen en kinderen moeten hebben1 of niet4 ,want wanneer bij hen op dezelfde wijs alles aan allen gemeen is1 waarin verschillen zij dan van de wachters8 of welk voordeel hebben zij er dan bij1 wanneer zij hun onderworpen zijn8 of hoe zullen zij zich die onderwerping laten welgevallen1 tenzij een dergelijk middel als op ,creta daartoe verzonnen wordt2 want dr hebben de onderworpenen aan alle andere dingen gelijkelijk deel1 maar van de openbare scholen en het dragen der wapenen zijn zij uitgesloten4 ,maar wanneer zij ook deze dingen zullen hebben1 even als in andere staten1 hoe moeten zij dan met de wachters omgaan8 ,want het is onvermijdelijk1 dat er bij die inrigting in nen staat twee staten zijn zullen1 die tegen elkander over staan2 want hij maakt sommigen wachters1 en anderen boeren1 handwerkers1 enz4 ,dan zullen beschuldigingen en regtsgedingen en wat hij verder voor nadeelen in de tegenwoordige staten opnoemt ook allen in den zijnen gevonden worden4 ,en toch zegt ,socrates1 dat zij ten gevolge van hunne opvoeding niet vele wettelijke bepalingen over de orde in de stad1 en op de markt1 enz41 zullen noodig hebben1 als slechts die opvoeding aan de wachters gegeven wordt4 ,verder maakt hij de boeren tot heeren van den eigendom1 die daaruit de wachters betalen4 ,maar dan zullen zij denkelijk nog veel lastiger en hoogmoediger zijn dan de onderworpene klassen in sommige tegenwoordige staten4 ,en of dit even noodig is als het andere1 of niet1 daaromtrent is niets bepaald1 noch ook1 hoe de inrigting1 en de opvoeding1 en de wetten der onderworpenen zijn moeten4 ,het is ook niet gemakkelijk te vinden2 en hoe dezen zijn1 is lang niet onverschillig voor het in stand blijven van de gemeenschap der wachters4 ,verder1 wanneer hij de vrouwen gemeenschappelijk1 en den eigendom afzonderlijk1 of ook beiden gemeenschappelijk maakt1 wie zal dan voor het huis zorgen1 gelijk de mannen voor den veldarbeid8 ,ook is het ongerijmd hier de vergelijking met de beesten te gebruiken1 om te bewijzen1 dat de vrouwen hetzelfde als de mannen verrigten moeten2 want de beesten hebben geen huishouding4 ,ook is het gevaarlijk zoo als ,socrates de overheden aanstelt1 want daartoe verkiest hij aanhoudend dezelfde personen1 en dit verwekt ontevredenheid ook bij onbeduidende menschen1 en hoeveel meer dan bij krachtige1 oorlogzuchtige mannen8 ,en toch is het duidelijk1 dat hij steeds dezelfden tot overheden moet aanstellen1 daar het goddelijke goud niet dan eens met die1 dan weer met die ziel1 maar steeds met dezelfden zielen vermengd is4 ,want hij zegt1 dat terstond bij de geboorte met sommige zielen goud1 met andere zilver1 vermengd is1 maar koper en ijzer met de zielen van hen1 die boeren of handwerkers zijn zullen4 ,verder zegt hij1 dat de wetgever niet ne klasse1 b4 v4 de wachters1 maar den geheelen staat gelukkig moet maken4 ,maar de geheele staat kan niet gelukkig zijn1 tenzij dat geluk in alle of de meeste of sommige deelen gevonden wordt4 ,want het geluk hoort niet tot dezelfde soort van begrippen als even 7in de getallen71 want dit laatste kan in het geheel bestaan en toch in geen van de deelen2 maar met het geluk is dit onmogelijk4 ,edoch als de wachters niet gelukkig zijn1 wie zijn het dan8 want hij bestemt het geluk toch niet voor de handwerkers en het gemeen4 ,de door ,socrates voorgestelde staatsregeling heeft dus deze zwarigheden en nog verscheidene andere van niet minder aanbelang4 ,,besluit4 ,wij hebben gezien1 welke inrigtingen ,plato in een volmaakten staat verlangt1 en welke aanmerkingen ,aristoteles daarop meent te maken4 ,ik heb ,plato's ,republiek niet zonder de beoordeeling van ,aristoteles willen uitgeven2 dewijl ik die beoordeeling als het complement van dat werk beschouw1 en het mij1 althans uit een geschiedkundig oogpunt1 zeer belangrijk voorkomt1 de tegenspraak te leeren kennen1 die de socialistische begrippen reeds in de oudheid ondervonden hebben4 ,nu mogen de lezers beslissen1 wiens wijze van zien hun de beste toeschijnt2 mijn oordeel zal ik niet uitspreken1 want vraagstukken van zulk een belang1 zijn niet in een paar bladzijden af te handelen1 en eene grondige beoordeeling zou den omvang van dit werk te groot maken2 daar de socialistische en staathuishoudkundige theorien der laatste jaren hierbij in aanmerking zouden moeten komen4 ,alleen houd ik het voor noodig1 hier een paar aanmerkingen bij te voegen1 opdat aan ,plato geen onregt geschiede3 #a4 ,plato wil zijn staat nergens invoeren1 maar beschouwt hem als een onbereikbaar ideaal1 en heeft later een uitvoerig werk ,over de wetten geschreven1 waarin hij eene theorie medeelt1 die hij voor werkelijke toepassing geschikt rekent4 ,alle tegenwerpingen dus1 die uit de zwakheid der menschelijke natuur tegen zijne ,republiek te maken zijn1 worden daardoor afgesneden4 ,zij bewijzen alleen1 dat zijn staat niet bestaan kan1 maar tegen het ideaal op zich zelf bewijzen zij niets4 #b4 ,het eigenlijke doel van dit zijn werk is1 gelijk ik reeds in de inleiding zeide1 niet zoo zeer een model te geven1 waarnaar werkelijke staten moeten ingerigt worden1 als wel1 gelijk hij uitdrukkelijk te kennen geeft1 de regtvaardigheid en haren invloed op het wezenlijk geluk der volken en der enkele menschen in een aanschouwelijk beeld uit te drukken4 #c4 ,hoeveel er op zijne staatkundige denkbeelden moge te zeggen zijn1 het doel1 dat hij zich had voorgesteld1 heeft hij1 geloof ik1 werkelijk bereikt2 en ieder1 die de ,republiek opmerkzaam gelezen heeft1 zal er door versterkt zijn in de overtuiging1 dat voor enkele menschen en geheele volken de deugd het hoogste goed is4 #d4 ,in de ,republiek heeft ,plato1 op het voetspoor van ,socrates1 een grondslag der zedekunde aangewezen1 die voor alle tijden geldt4 ,hij zocht aan te toonen1 dat het de inwendige natuur van den mensch is deugdzaam te zijn1 en dat alleen daardoor het begrip mensch in hem verwerkelijkt wordt2 terwijl hij anders op een lager standpunt1 dan waarvoor hij geschikt is1 terugzinkt4 ,nu kunnen wij de zedekunde in drie hoofddeelen splitsen4 a4 ,de ,theologische zedekunde1 die de zedewet uit de ,godheid afleidt4 b4 ,de ,anthropologische zedekunde1 die de zedewet uit de natuur van den mensch ontwikkelt4 c4 ,de vereeniging van a en b4 ,dit laatste deel moet dan het volledige stelsel der zedekunde bevatten1 waartoe de twee eerste deelen den grondslag opleveren2 en naarmate die twee eerste deelen beter behandeld zijn1 zal het laatste voortreffelijker wezen4 ,nu meen ik ,plato's ,republiek als eene uitstekende monographie over b te mogen aanmerken1 en daarom geloof ik1 dat1 al zijn onze godsdienstige begrippen zuiverder dan de zijne1 onze denkbeelden over de zedekunde door het bestuderen van dit werk evenwel niet weinig in helderheid kunnen winnen4 #e4 ,behalve het reeds gezegde zijn er door de geheele ,republiek eene menigte schoone1 ware1 voor werkelijke toepassing bijzonder geschikte denkbeelden verspreid4 ,die allen op te noemen is onnoodig1 zij blijken onder het lezen van zelfs4 ,deze denkbeelden behouden hunne waarde1 hoe men ook over het werk als geheel moge denken4 ,plato's staatkundige theorie is een snoer1 waaraan eene menigte paarlen geregen zijn4 ,men make dit snoer los1 werpe zelfs sommige paarlen als valsch weg2 altijd zal men er nog genoeg overhouden1 om zich de moeite van het uitzoeken niet te beklagen4 ,,einde4 ,colofon ,duidelijke zetfouten in de originele tekst zijn verbeterd4 ,gespatieerd tekst is aangegeven met 4 ,daarnaast is aangepast3 ,pagina ,origineel ,aangepast -------------------------------- ix eehter echter xiii mogegelijk mogelijk xxvii ,niet in bron in xxviii leide legde #b kijken bekijken #ai ,plato ,plato #de voorschrevene voorgeschrevene #ed mysterien mysterin #fd onmiddelijk onmiddellijk #gi in in in #aja aangrijppen aangrijpen #acb vondt vond #acc ,heezeer ,hoezeer #afc ,df4 ,dr4 #ahg platnens platneus #aid idn iden #bac #a #b 7,voetnoot label7 #bad ouderwerp onderwerp #bbh nn nu #bde krijgsleiden krijgslieden #bhh ik ,ik #cjb diensbaar dienstbaar #cjc vindem vinden #cac ook ook ook #cbc te te te #cbd orgineel origineel #cci ondenkaar ondenkbaar #cdg reizens reizen #cfa ,dns ,dus #cfd versehillen verschillen