,,christuslegenden ,naar het ,zweedsch van ,,selma ,,lagerl,f ,schrijfster van3 ,gsta ,berling1 ,ingrid1 ,de ,koninginnen van ,kungahlla1 ,de ,wonderen van den ,antichrist1 ,jeruzalem1 ,onzichtbare ,ketenen4 door ,,margaretha ,,meijboom ,geautoriseerde uitgave ,amsterdam ,h4 ,j4 ,w4 ,becht ,,inhoud4 ,bladz4 ,de heilige nacht #a ,het visioen van den ,keizer #aa ,de bron der ,wijzen #bc ,de ,kinderen van ,bethlehem #cg ,de vlucht naar ,egypte #fi ,in ,nazareth #ha ,in den ,tempel #hi ,de ,zweetdoek van de ,heilige ,veronica #aaa ,vogel ,roodborst #agi ,onze ,lieve ,heer en de ,heilige ,petrus #aia ,de ,kaarsvlam #bjg ,,de ,,heilige ,,nacht4 ,toen ik vijf jaar oud was1 trof mij een groot verdriet4 ,ik kan mij niet herinneren dat ik ooit grooter verdriet gehad heb4 ,dat was de dood van mijn grootmoeder4 ,tot dien tijd toe had zij elken dag in den hoek van de sofa gezeten en verhalen verteld4 ,ik kan me niet anders herinneren1 dan dat ,grootmoeder aldoor maar zat te vertellen van den morgen tot den avond1 en dat wij1 kinderen1 stil naast haar zaten te luisteren4 ,dat was een heerlijk leven4 ,geen kind had het zoo goed als wij4 ,ik kan me niet veel meer herinneren van ,grootmoeder4 ,ik herinner me1 dat ze mooi spierwit haar had1 en dat ze heel krom liep en altijd aan een kous zat te breien4 ,en ik herinner me ook1 dat zij1 als ze een verhaal gedaan had1 haar hand op mijn hoofd placht te leggen en dan zei ze3 ,en dat alles is waar gebeurd1 zoo waar als je mij ziet en ik jou4 ,ik herinner me ook1 dat ze liedjes zingen kon1 maar dat deed ze niet alle dagen4 ,een van die liedjes was van een ridder en een meermin en daarvan was het refrein3 ,koud waait de wind over de zee4 ,en dan herinner ik me een gebedje1 dat ze mij geleerd heeft1 en een gezangvers4 ,van alle verhalen1 die zij gedaan heeft1 heb ik nog maar een flauwe1 verwarde herinnering4 ,er is maar n dat ik nog z goed weet1 dat ik 't zou kunnen navertellen4 ,dat is een verhaal van ,jezus' geboorte4 ,zie1 dat is bijna alles wat ik van mijn grootmoeder weet1 behalve dat wat ik me 't allerbest herinner--en dat is het groote gemis1 toen zij was heengegaan4 ,ik herinner me dien morgen1 toen de canap daar leeg stond--en toen ik maar niet begrijpen kon1 hoe de dag om komen zou6 ,dat weet ik nog zoo goed4 ,dat vergeet ik nooit4 ,en ik weet hoe wij1 kinderen1 bij de doode gebracht werden om haar hand te kussen4 ,en we waren bang1 toen we dat doen moesten1 maar iemand zei ons toen1 dat het de laatste maal was1 dat we ,grootmoeder konden bedanken voor al het pleizier1 dat zij ons gedaan had4 ,en ik weet nog1 hoe de verhalen en liedjes heengingen van onze hoeve1 ingepakt in een lange zwarte kist en hoe ze nooit weerom kwamen4 ,ik weet1 dat er iets weg was uit ons leven4 ,het was alsof de deur van een mooie tooverwereld gesloten was1 een deur1 waar we vroeger vrij uit- en inliepen4 ,en nu was er niemand1 die die deur weer open kon maken4 ,en ik weet1 hoe wij kinderen zoo langzamerhand met poppen en speelgoed leerden spelen1 en leven zooals andere kinderen1 en toen kon 't wel schijnen1 alsof we ,grootmoeder niet meer misten of aan haar dachten4 ,maar nog op dezen dag1 veertig jaar later1 nu ik hier zit en de legenden van ,christus verzamel1 die ik nu in 't ,oosten gehoord heb1 wordt dat kleine verhaal van ,jezus' geboorte1 dat ,grootmoeder me placht te vertellen1 weer in me wakker4 ,en ik moet daar nog eens over spreken en het opnemen in mijn verzameling4 't ,was op een ,kerstdag4 ,allen waren naar de kerk1 behalve ,grootmoeder en ik4 ,ik geloof dat we heel alleen in huis waren4 ,wij mochten niet meerijden1 omdat de eene te jong en de andere te oud was4 ,en het speet ons allebei1 dat we niet mee naar de vroeg-mis mochten rijden en de ,kerstlichtjes zien4 ,maar toen we daar zoo alleen zaten1 begon ,grootmoeder te vertellen4 ,er was eens een man1 zei ze1 die uitging in den donkeren nacht om vuur te leenen4 ,hij ging van 't eene huis naar het andere en klopte aan4 ,ach1 vrienden1 zei hij1 helpt mij4 ,mijn vrouw heeft pas een kind gekregen en ik moet vuur aanmaken om haar en den kleine te verwarmen4 ,maar 't was laat in den nacht4 ,en alle menschen sliepen4 ,niemand antwoordde hem4 ,de man liep steeds door4 ,eindelijk zag hij heel in de verte het schijnsel van een vuur4 ,hij ging in die richting en zag dat het vuur in het open veld brandde4 ,een menigte witte schapen lagen er om heen te slapen en een oude herder zat hen te hoeden4 ,toen de man1 die vuur wilde leenen1 tot bij de schapen gekomen was1 zag hij1 dat drie groote honden aan de voeten van den herder lagen te slapen4 ,zij werden alle drie wakker1 toen hij kwam1 en sperden de bekken wijd open1 alsof ze wilden blaffen1 maar geen geluid werd gehoord4 ,de man zag1 dat de haren op hun ruggen overeind gingen staan1 hij zag hun tanden wit glimmen in 't schijnsel van het vuur en zij vlogen op hem aan4 ,hij voelde1 dat een van hen hem in 't been wilde bijten en een in zijn hand en dat een aan zijn keel kwam hangen4 ,maar de kaken en tanden1 waarmee de honden bijten moesten1 wilden niet gehoorzamen en de man werd in 't minst niet gewond4 ,nu wilde hij verder gaan om te krijgen wat hij noodig had4 ,maar de schapen lagen z dicht op elkaar1 rug aan rug1 dat hij er niet door kon4 ,toen sprong de man op de ruggen van de dieren en liep naar het vuur4 ,en geen van de dieren werd wakker of verroerde zich4 ,tot nu toe had ,grootmoeder ongestoord verteld4 ,maar nu kon ik niet laten haar in de rede te vallen4 ,waarom werden ze niet wakker1 ,grootmoeder8 vroeg ik4 ,dat zul je straks hooren1 zei ,grootmoeder1 en vertelde voort4 ,toen de man bijna bij 't vuur was1 zag de herder op4 ,hij was een oud1 knorrig man1 onvriendelijk en hard tegen alle menschen4 ,en toen hij den vreemde zag aankomen1 greep hij zijn langen spitsen staf1 dien hij gewoonlijk in de hand had1 als hij zijn kudde hoedde1 en wierp hem dien tegemoet4 ,en de staf vloog suizend op den man aan1 maar eer hij hem trof1 week hij op zij af en snorde voorbij hem ver het veld in4 ,toen ,grootmoeder zver gekomen was1 viel ik haar weer in de rede3 ,grootmoeder1 waarom wilde de staf dien man niet treffen8 ,maar ,grootmoeder antwoordde mij niet1 maar vertelde voort3 ,nu kwam de man bij den herder en zei3 ,vriend1 help mij1 en leen me wat vuur4 ,mijn vrouw heeft pas een kindje gekregen en ik moet vuur aanmaken1 om haar en den kleine te verwarmen4 ,de herder had 't liefste neen gezegd1 maar toen hij er over dacht1 dat zijn honden den man geen kwaad hadden kunnen doen1 dat de schapen niet voor hem weggeloopen waren en dat zijn staf hem niet had willen treffen1 werd hij een beetje bang en durfde hem niet weigeren wat hij vroeg4 ,neem zooveel ge noodig hebt1 zei hij tot den man4 ,maar 't vuur was nagenoeg uit4 ,er lagen geen stokken of takken1 maar niets dan een gloeiende hoop en de vreemde had geen schop of schep1 waarin hij de heete kolen dragen kon4 ,toen de herder dat zag1 zei hij opnieuw3 ,neem zooveel als gij noodig hebt1 en hij was er blij om1 dat de man geen vuur zou kunnen meenemen4 ,maar de man boog zich neer1 zocht kolen uit de asch met zijn handen en legde ze in zijn mantel4 ,en de kolen brandden zijn handen niet1 toen hij ze aanraakte en ook zengden ze zijn mantel niet1 maar de man droeg ze weg1 alsof het noten of appelen waren4 ,maar opnieuw werd de vertelster in de rede gevallen3 ,grootmoeder1 waarom wilden de kolen den man niet branden8 ,dat zul je hooren1 zei ,grootmoeder1 en vertelde verder3 ,toen de herder1 die een nare1 knorrige man was1 dat alles zag1 werd hij heel verbaasd3 ,wat kan dat toch voor een nacht zijn1 dat de honden niet bijten1 de schapen niet bang worden1 de speer niet doodt en 't vuur niet zengt8 ,hij riep den vreemde terug en vroeg hem3 ,wat is dit toch voor een nacht8 ,en hoe komt het toch1 dat alle dingen barmhartigheid betoonen8 ,toen zei de man3 ,ik kan het u niet zeggen1 als gij het zelf niet ziet4 ,en hij wilde heengaan1 om spoedig vuur aan te maken en vrouw en kind te kunnen verwarmen4 ,maar toen dacht de herder1 dat hij den man niet geheel uit het oog moest verliezen1 eer hij begrepen had wat dit alles toch kon beteekenen4 ,hij stond op en ging den man na1 tot hij gekomen was waar hij woonde4 ,toen zag de herder1 dat de man zelfs geen hutje had om in te wonen1 maar dat zijn vrouw en kind in een grot lagen1 waar niets te zien was dan kale1 naakte steenen wanden4 ,toen dacht de herder1 dat dit arme1 onschuldige kindje wel dood zou kunnen vriezen daar in de grot1 en hoewel hij een hardvochtig man was1 werd hij aangedaan en wilde het kind helpen4 ,en hij nam zijn ransel van de schouders en nam er een zachte witte schapenpels uit1 gaf die aan den vreemde en zei dat hij het kindje daarop moest leggen4 ,maar op hetzelfde oogenblik dat hij ook toonde barmhartig te kunnen zijn1 werden zijn oogen geopend en hij zag wat hij te voren niet had kunnen zien en hoorde wat hij te voren niet had kunnen hooren4 ,hij zag1 dat om hem heen een dichtgesloten kring van engeltjes met zilveren vleugels stond4 ,en ieder van hen had een harp in de hand en allen zongen luid1 dat dien nacht de ,verlosser geboren was1 die de wereld zou redden uit haar zonden4 ,toen begreep hij1 dat alle dingen z blij waren1 dat ze geen kwaad wilden doen4 ,en niet alleen om den herder heen waren engelen1 maar hij zag ze overal4 ,zij zaten in de grot en buiten op den berg en zij vlogen langs den hemel4 ,zij kwamen aanloopen over de golven in groote scharen en als zij voorbijgingen1 bleven zij staan en keken naar het kindje4 ,er was zulk een jubelende vreugde1 zooveel zang en spel6 ,en dat alles zag hij in den donkeren nacht1 waar hij vroeger niets had kunnen onderscheiden4 ,hij werd zoo blij1 omdat zijn ooren geopend waren1 dat hij op de knien viel en ,god dankte4 ,maar toen ,grootmoeder zoover gekomen was1 zuchtte ze en zei3 ,maar wat die herder zag1 kunnen wij ook zien4 ,want in elken ,kerstnacht vliegen de engelen langs den hemel4 ,als wij ze maar zien konden4 ,en toen legde ,grootmoeder haar hand op mijn hoofd en zei3 ,dat moet je goed onthouden1 want dat is zoo waar als dat jij mij ziet en ik jou4 't ,zit hem niet in kaarsen en lampen en 't is niet verborgen in zon of maan1 maar het ne noodige is1 dat wij oogen hebben1 die ,gods heerlijkheid kunnen zien4 ,,het ,,visioen ,,van ,,den ,,keizer4 ,het was in den tijd1 dat ,augustus keizer in ,rome was en ,herodes koning in ,jeruzalem4 ,toen gebeurde het1 dat een grootsche1 heilige nacht over de aarde neerdaalde4 't ,was de donkerste nacht1 dien ooit iemand gezien had2 men zou kunnen denken1 dat de heele aarde in een kelder terechtgekomen was4 ,het was onmogelijk het water van het land te onderscheiden en men kon den meest bekenden weg niet vinden4 ,en dat kon ook niet anders1 want van den hemel kwam geen enkele lichtstraal4 ,alle sterren waren thuis gebleven en de liefelijke maan had haar gelaat afgewend4 ,en even diep als de duisternis was de doodsche stilte4 ,de rivieren staakten haar loop1 de wind bewoog zich niet en zelfs de espebladeren hadden opgehouden te trillen4 ,had iemand aan den oever van de zee gestaan1 hij zou gezien hebben1 dat de golven niet meer op het strand sloegen1 en wie in de woestijn gekomen was1 zou het zand niet hebben hooren knarsen onder zijn voeten4 ,alles was versteend en hield zich onbeweeglijk om den heiligen nacht niet te verstoren4 't ,gras durfde niet groeien1 de dauw kon niet vallen1 de bloemen waagden 't niet haar geuren uit te ademen4 ,in dien nacht jaagde geen enkel roofdier1 beten de slangen niet1 blaften de honden niet4 ,en wat nog heerlijker was1 geen van de levenlooze dingen zou de heiligheid van dien grootschen nacht hebben willen storen door zich tot een booze daad te leenen4 ,geen looper zou een slot hebben kunnen opensteken en geen mes bloed vergieten4 ,juist in dien nacht kwam in ,rome een kleine groep menschen van het keizerlijk paleis op den ,palatin1 en nam den weg over het ,forum naar het ,kapitool4 ,in den afgeloopen dag hadden namelijk de raadsheeren den keizer gevraagd1 of hij er iets tegen had1 dat zij hem een tempel bouwden op den heiligen berg van ,rome4 ,maar ,augustus had niet dadelijk zijn toestemming gegeven4 ,hij wist niet1 of het den goden behaagde1 dat hij een tempel zou hebben naast de hunnen en hij had geantwoord1 dat hij eerst door een nachtelijk offer aan zijn beschermgeest hun wil in deze zaak wilde uitvorschen4 ,hij was het1 die nu1 vergezeld door enkele vertrouwden1 dit offer ging brengen4 ,augustus liet zich in zijn draagstoel brengen1 want hij was oud en de vele trappen van het ,kapitool vermoeiden hem4 ,hij hield zelf de kooi met duiven in de hand1 die hij zou offeren4 ,geen priesters of soldaten of raadsheeren volgden hem1 alleen zijn naaste vrienden4 ,de fakkeldragers gingen voor hem uit1 als om een weg door 't nachtelijk duister te banen en achter hem kwamen slaven1 die het drievoetige altaar droegen1 de kolen1 de messen1 het heilige vuur--en alles wat er verder voor het offer noodig was4 ,onderweg sprak de keizer opgeruimd met zijn vertrouwden1 en daarom lette niemand van hen op de zeldzame1 ademlooze stilte van den nacht4 ,eerst toen ze op het bovenste gedeelte van het ,kapitool de ledige plaats bereikten1 die voor den nieuwen tempel was afgezet1 openbaarde het zich voor hen1 dat er iets ongewoons was4 ,dit kon geen nacht zijn als alle anderen1 want boven op den rand van de rots zagen zij een allerwonderlijkst wezen4 ,ze meenden eerst1 dat het een oude vergroeide olijfstam was2 toen meenden zij1 dat een oeroud steenen beeld van uit den ,jupiterstempel naar buiten op de rots gekomen was4 ,eindelijk meenden zij1 dat het niemand anders kon zijn dan de oude ,sibylle4 ,zooiets ouds1 verweerds1 reuzengroots hadden zij nog nooit gezien4 ,die oude vrouw was verschrikkelijk om aan te zien4 ,als de keizer er niet bij geweest was1 waren ze allen naar hun legersteden gevlucht4 ,zij is het1 fluisterden ze elkaar toe1 die zooveel jaren telt als er zandkorrels aan de kust van haar geboorteland zijn4 ,waarom is zij juist vannacht uit haar grot te voorschijn gekomen8 ,wat zal zij den keizer en het rijk voorspellen1 zij1 die haar profetien op de bladeren der boomen schrijft en weet1 dat de wind orakelspreuken brengt tot hen1 aan wie ze zijn afgezonden8 ,zij waren z bang1 dat allen op de knien zouden zijn gevallen met het voorhoofd op den grond1 als de sibylle ook maar een enkele beweging gemaakt had4 ,maar zij zat doodstil1 alsof ze levenloos was4 ,ze zat aan den uitersten rand van de rots neergehurkt en zag1 met de hand over de oogen1 uit in den nacht4 ,zij zat daar1 alsof zij op de rots geklommen was1 om iets1 wat heel in de verte gebeurde1 beter te kunnen zien4 ,hoe kon zij iets zien1 in zulk een nacht8 ,opeens merkten de keizer en zijn gevolg1 hoe diep de duisternis was4 ,niemand kon een handbreed voor zich uitzien4 ,en wat een stilte1 wat een ademlooze stilte6 ,zelfs het doffe bruisen van den ,tiber konden ze niet hooren4 ,maar 't was alsof de lucht hen wilde smoren2 het koude zweet parelde op hun voorhoofd en hun handen waren stijf en machteloos4 ,zij dachten3 ,er moet iets vreeselijks gebeuren4 ,maar niemand wilde toonen1 dat hij bang was en allen zeiden tot den keizer1 dat dit een goed teeken was3 de heele natuur hield den adem in om den nieuwen god te begroeten4 ,zij drongen er op aan1 dat ,augustus zich haasten zou met het offer en zeiden1 dat de oude sibylle zeker uit haar grot was opgestegen om zijn beschermgeest te begroeten4 ,maar de waarheid was1 dat de oude sibylle z verdiept was in een visioen1 dat zij niet eens wist1 dat ,augustus op het ,kapitool gekomen was4 ,zij was met haar geest in verre landen en het was haar1 alsof ze daar over een groote vlakte ging4 ,in het donker stootte zij met den voet onophoudelijk tegen iets1 dat zij voor bosjes gras hield4 ,zij boog zich neer en voelde met de hand4 ,neen1 dat waren geen bosjes gras1 maar schapen4 ,zij liep tusschen groote kudden slapende schapen4 ,nu bemerkte zij het vuur der herders4 ,dat brandde midden op het veld en zij zocht den weg er heen4 ,de herders lagen bij 't vuur te slapen en naast hen lagen de lange spitse staven1 die zij gebruikten om de kudde tegen wilde dieren te beschermen4 ,maar die kleine dieren met de glinsterende oogen en de dikke staarten1 die naar het vuur slopen1 waren dat geen jakhalzen8 ,en toch slingerden de herders hun staven niet naar hen1 de honden sliepen door1 de schapen vluchtten niet en de wilde dieren legden zich ter ruste naast de menschen4 ,dit zag de sibylle2 maar ze wist niets van wat er achter haar op den berg gebeurde4 ,ze wist er niets van1 dat men daar een altaar bouwde1 de kolen aanstak1 wierook strooide en dat de keizer de eene duif uit de kooi nam om haar te offeren4 ,maar zijn handen sliepen en hij kon den vogel niet houden4 ,met een enkelen wiekslag maakte de duif zich vrij en verdween in 't duister van den nacht4 ,toen dat gebeurde1 zagen de hovelingen wantrouwend naar de oude sibylle4 ,zij meenden1 dat zij dit ongeluk bewerkt had4 ,konden zij weten1 dat de sibylle steeds bij 't kolenvuur der herders meende te staan en dat ze nu luisterde naar een zwak geluid1 dat door den doodstillen nacht klonk van uit de verte8 ,ze hoorde het lang1 eer ze merkte1 dat het niet van de aarde kwam1 maar van den hemel4 ,eindelijk hief zij het hoofd op en toen zag ze lichtende1 schitterende gestalten daarboven in 't donker voortglijden4 't ,waren kleine scharen engelen1 die liefelijk zingend en als zoekend heen en weer vlogen over de wijde vlakte4 ,juist terwijl de sibylle naar het engelengezang luisterde1 bereidde de keizer een nieuw offer voor4 ,hij waschte zijn handen1 reinigde het altaar en liet zich de andere duif geven4 ,maar hoewel hij alle krachten inspande om haar vast te houden1 gleed het lichaam van de duif door zijn handen en de vogel steeg op in den ondoordringbaar duisteren nacht4 ,de keizer was ontzet4 ,hij viel op de knien voor het leege altaar en bad tot zijn beschermgeest4 ,hij riep hem aan om kracht1 om de ongelukken af te wenden1 die deze nacht scheen te voorspellen4 ,ook hiervan had de sibylle niets gehoord4 ,zij luisterde met heel haar ziel naar het engelengezang1 dat al sterker klonk4 ,eindelijk werd het z krachtig1 dat het de herders wekte4 ,zij hieven zich overeind op de ellebogen en zagen glanzende scharen van zilverwitte engelen zich boven hen in 't donker bewegen in lange1 golvende rijen1 als trekvogels4 ,sommigen hadden luiten en violen in de hand1 anderen cithers en harpen1 en hun lied klonk zoo vroolijk als kinderlachen en zoo zorgeloos als leeuwerikgekweel4 ,toen de herders dat hoorden1 stonden ze op om naar de stad op den berg te gaan1 waar zij woonden1 om van het wonder te vertellen4 ,zij trachtten vooruit te komen op een smal slingerend pad1 en de oude sibylle volgde hen4 ,opeens werd het licht op den berg4 ,een groote heldere ster fonkelde er midden boven1 en de stad op den bergtop glinsterde als zilver in het sterrenlicht4 ,al de rondzwervende engelenscharen haastten zich daarheen onder jubelkreten en de herders versnelden hun schreden en liepen zoo hard als zij konden4 ,toen zij de stad bereikt hadden1 vonden zij de engelen verzameld boven een lagen stal bij de stadspoort4 't ,was een onooglijk gebouw met een rieten dak en de naakte rots als achterwand4 ,daar stond de ster boven en daarheen stroomden steeds meer engelen samen4 ,sommigen zetten zich op het rieten dak of sloegen neer op den steilen bergwand achter het huis1 anderen zweefden er klapwiekend over4 ,hoog1 heel hoog was de lucht1 lichtend van stralende engelenvleugels4 ,op hetzelfde oogenblik1 dat de ster ontvlamde boven de bergstad1 ontwaakte de geheele natuur en de mannen1 die op de hoogte bij 't ,kapitool stonden1 konden niet nalaten dat op te merken4 ,zij voelden frissche1 maar streelende koelten door de lucht gaan1 liefelijke geuren stegen op om hen heen1 de boomen ruischten1 de ,tiber begon te bruisen1 de sterren straalden en de maan stond plotseling hoog aan den hemel en verlichtte de wereld4 ,en uit de wolken kwamen de twee duiven neerdalen en zetten zich op de schouders van den keizer4 ,toen dit wonder gebeurde1 stond ,augustus op in fiere vreugde1 maar zijn vrienden en slaven vielen op de knien4 ,ave1 ,caesar6 riepen zij4 ,uw beschermgeest heeft ,u geantwoord4 ,gij zijt de ,god1 die aangebeden moet worden op het ,kapitool4 ,en de hulde1 die de verrukte mannen den keizer toejubelden1 klonk z luid1 dat de oude sibylle het hoorde4 ,die wekte haar uit haar visioenen4 ,zij stond op van haar plaats aan den rand van de rots en ging op de menschen toe4 ,het was alsof een donkere wolk uit den afgrond was opgestegen en over den heuvel neergedaald4 ,zij was vreeselijk in haar ouderdom4 ,ruige haren hingen in dunne vlokken om haar hoofd1 de gewrichten der ledematen waren uitgezet2 en de donkere huid bekleedde rimpelend1 hard als boombast1 haar lichaam4 ,maar geweldig en eerwaardig was zij1 toen zij den keizer tegemoet ging4 ,met de eene hand vatte zij hem om den pols1 met de andere wees zij naar het verre oosten4 ,zie1 beval zij hem4 ,en de keizer hief de oogen op en zag4 ,de ruimte opende zich voor zijn blikken en zij drongen door tot het land in het verre oosten4 ,en hij zag een armoedigen stal onder een steilen rotswand en in de open deur eenige herders1 die geknield lagen4 ,in den stal zag hij een jonge moeder op de knien voor een kindje1 dat op een stroobos op den grond lag4 ,en de groote1 beenige vingers van de sibylle wezen op dat arme kind4 ,ave1 ,caesar6 zei ze met een hoonlach4 ,dr is de ,god1 die op den heuvel van het ,kapitool zal worden aangebeden4 ,toen deinsde ,augustus achteruit1 alsof hij een krankzinnige voor zich had4 ,maar de sibylle veranderde in een machtige profetes4 ,haar doffe oogen begonnen te branden1 ze hief haar handen ten hemel1 haar stem veranderde1 zoodat die niet meer haar eigen scheen1 maar een klank en een kracht had1 die de wereld over had kunnen klinken4 ,en zij sprak woorden1 die ze uit de sterren scheen te lezen3 ,op den heuvel van het ,kapitool zal ,hij aanbeden worden1 die de wereld vernieuwt4 ,christus of ,anti-,christus1 maar geen onvolmaakte menschen4 ,toen zij dit gezegd had1 ging zij heen van de door schrik verslagen mannen1 liep langzaam den berg af en verdween4 ,maar ,augustus liet den volgenden dag 't volk streng verbieden een tempel voor hem op het ,kapitool te bouwen4 ,in plaats daarvan richtte hij er een heiligdom op voor het pasgeboren ,godenkind en noemde dat3 ,altaar des ,hemels1 ,ara ,coeli4 ,,de ,,bron ,,der ,,wijzen4 ,in het oude land van ,juda ging de droogte rond1 met holle oogen en verbitterd1 tusschen verschrompelde distels en verdord gras4 't ,was in den zomer4 ,de zon scheen op schaduwlooze bergruggen1 de minste windkoelte dreef dichte wolken kalkstof op uit het witgrauwe veld1 de kudden stonden bijeen in de dalen bij de uitgedroogde beken4 ,de droogte ging rond en inspecteerde den watervoorraad4 ,ze dwaalde naar ,salomons vijvers en zag zuchtend1 dat ze nog een massa water tusschen hun rotsige oevers bewaarden4 ,daarop ging ze naar de beroemde bron van ,david bij ,bethlehem en vond ook daar water4 ,toen liep ze met slependen tred langs den grooten landweg1 die van ,bethlehem naar ,jeruzalem leidt4 ,toen ze ongeveer halfweg gekomen was1 zag zij de ,bron der ,wijzen1 die daar dicht aan den weg ligt1 en zij merkte spoedig1 dat die bijna uitgedroogd was4 ,de droogte zette zich op den rand van de put1 dien uit n grooten1 uitgeholden steen bestaat1 en keek naar beneden in de bron4 ,de blanke waterspiegel1 die anders heel dicht bij de opening lag1 was nu diep omlaag gezonken en slik en modder van den bodem maakte hem onrein en troebel4 ,toen de bron het bruinverbrande gezicht van de droogte zag afgebeeld op haar doffen waterspiegel1 begon zij te golven van angst4 ,ik zou wel eens willen weten1 wanneer 't met jou gedaan kan zijn1 zei de droogte4 ,je zult wel geen waterader kunnen vinden daar in de diepte1 die je nieuw leven kan komen brengen4 ,en van regen kan er1 ,goddank1 in de eerste twee1 drie maanden nog geen sprake zijn4 ,je kunt gerust wezen1 zuchtte de bron2 niemand kan me helpen4 ,daar zou minstens een bronar uit het ,paradijs voor noodig zijn4 ,dan zal ik je niet verlaten1 voor alles voorbij is1 zei de droogte4 ,ze zag1 dat de oude bron haar einde tegemoet ging1 en nu wilde ze het genoegen hebben haar druppel voor druppel te zien sterven4 ,ze zette zich behaaglijk op den rand van den put en verheugde zich als zij de bron in de diepte hoorde zuchten4 ,zij had er ook veel pleizier in te zien hoe dorstige reizigers naar den put kwamen1 den aker lieten neerdalen en dien optrokken met een paar modderige droppels van den bodem4 ,zoo ging de heele dag voorbij en toen de schemering viel1 keek de droogte weer in den put4 ,er blonk nog wat water in de diepte4 ,ik blijf hier vannacht1 riep ze4 ,haast je maar niet4 ,als het zoo licht is1 dat ik je weer zien kan1 ben ik er zeker van1 dat 't met je gedaan is4 ,de droogte ging op het dak over den put zitten1 terwijl de heete nacht1 die nog akeliger en pijnlijker was dan de dag1 neerdaalde over het land van ,juda4 ,honden en jakhalzen huilden zonder ophouden en dorstige koeien en ezels antwoordden hen van uit hun warme stallen4 ,toen eindelijk de wind opstak1 bracht hij geen koelte1 maar was heet en verstikkend1 als de hijgende adem van een groot slapend monster4 ,maar de sterren lichtten met haar allerliefelijksten glans en een kleine1 blinkende maansikkel spreidde haar mooi groenblauw licht over de grijze heuvels4 ,en in dat licht zag de droogte een groote karavaan aankomen en den heuvel optrekken1 waar de ,bron der ,wijzen lag4 ,de droogte zat op het lange dak te kijken en verheugde zich opnieuw in al den dorst1 die naar de bron kwam en daar geen druppel water vinden zou om gelescht te worden4 ,daar kwamen zooveel dieren en kameelleiders aan1 dat zij de bron wel hadden kunnen leegdrinken1 al was die ook heelemaal vol geweest4 ,plotseling kreeg zij den indruk1 dat er iets wonderlijks1 iets spookachtigs was aan die karavaan1 die daar kwam aanzetten in den nacht4 ,alle kameelen kwamen eerst te voorschijn op een heuvel1 die scherp tegen den horizon afstak2 het was alsof zij uit den hemel kwamen4 ,zij schenen ook grooter dan gewone kameelen en droegen al te gemakkelijk de reusachtige lasten1 waarmee zij beladen waren4 ,maar toch kon ze niet anders denken dan dat het werkelijkheid was4 ,zij zag ze immers heel duidelijk4 ,ze kon zelfs ook zien1 dat de drie eerste dieren dromedarissen waren met grauw glanzend vel en dat ze rijk opgetuigd waren1 gezadeld met mooie matten met franje1 en bereden door schoone1 voorname ruiters4 ,de heele optocht hield stil bij de bron4 ,de dromedarissen legden zich neer op het veld met drie onwillige1 schokkende bewegingen1 en hun ruiters stegen af4 ,de pakkameelen bleven staan en naarmate ze dichter bij elkaar kwamen1 schenen ze een onafzienbaar bosch te vormen van lange halzen en bulten en wonderlijk opeengestapelde pakken4 ,de drie ruiters kwamen snel op de droogte toe en begroetten haar door de handen op de borst te leggen1 ,zij zag1 dat zij glanzend witte gewaden droegen en reusachtige tulbanden1 waarop bovenaan een helder glinsterende ster bevestigd was1 die straalde alsof zij direct van den hemel genomen was4 ,wij komen uit een ver land1 zei een van de vreemdelingen1 en wij verzoeken u ons te zeggen of dit werkelijk de ,bron der ,wijzen is4 ,zoo wordt zij vandaag nog genoemd1 zei de droogte2 maar morgen is het geen bron meer4 ,zij zal vannacht sterven4 ,dat kan ik begrijpen1 omdat ik u hier zie1 zei de man2 maar is dit niet een van de heilige bronnen1 die nooit uitdrogen8 ,en vanwaar heeft zij haar naam8 ,ik weet dat ze heilig is1 zei de droogte2 maar wat kan haar dat helpen8 ,de drie wijzen zijn in het ,paradijs4 ,de drie reizigers zagen elkander aan4 ,kent ge werkelijk de geschiedenis van de oude bron8 vroegen ze4 ,ik ken de geschiedenis van alle putten en beken en stroomen1 zei de droogte trotsch4 ,doe ons dan het genoegen en vertel ons die1 vroegen de vreemdelingen4 ,en ze zetten zich neer om de oude vijandin van alles wat groeit1 en luisterden4 ,de droogte kuchte even en kroop op den rand van den put1 als een sagenverteller op zijn hoogen stoel en begon haar verhaal3 ,in ,gabes1 in ,medi1 een stad die aan de grenzen van de woestijn ligt1 en waar ik mij daarom gaarne ophoud1 leefden voor vele jaren drie mannen1 die beroemd waren om hun wijsheid4 ,zij waren heel arm1 wat een ongewoon verschijnsel was1 want in ,gabes werd kennis hoog in eere gehouden en goed betaald4 ,maar voor deze mannen kon dit haast niet anders1 want een van hen was buitengewoon oud1 de tweede was melaatsch en de derde was een neger1 pikzwart en met dikke lippen4 ,de menschen vonden den eerste al te oud om hun wat te kunnen leeren1 den tweede ontweken ze uit vrees voor besmetting en naar den derde wilden zij niet luisteren1 omdat ze meenden te weten1 dat nooit eenige wijsheid uit ,ethiopi gekomen was4 ,de drie wijzen sloten zich intusschen in hun ongeluk bij elkaar aan4 ,zij bedelden overdag bij dezelfde tempelpoort en sliepen des nachts op hetzelfde dak4 ,op die wijze hadden zij ten minste gelegenheid zich den tijd te korten door het gezamenlijk onderzoeken van al het wonderbare1 dat zij bij dingen en menschen opmerkten4 ,op een nacht dat ze1 zij aan zij1 sliepen op een dak1 dat dicht begroeid was met roode bedwelmende papavers1 werd de oudste van hen wakker en nauwelijks had hij een blik om zich heen geworpen1 of hij wekte de beide anderen4 ,gezegend zij onze armoede1 die ons noodzaakt in de open lucht te slapen1 sprak hij tot hen4 ,ontwaakt en heft uw oogen op naar den hemel4 ,nu1 zeide de droogte met een wat zachter stem1 dit was een nacht1 dien niemand1 die hem gezien heeft1 ooit kan vergeten4 ,het heelal was zoo licht1 dat de hemel1 die meestal op een vast gewelf gelijkt1 diep en doorschijnend en vol golven scheen als een zee4 ,het licht stroomde er heen en weer en men zag de sterren drijven op ongelijke diepten1 sommige midden in de lichtgolven1 andere op hun oppervlakte4 ,maar zoo ver mogelijk en zoo hoog mogelijk zagen de drie mannen een zwakke duisternis en dat duistere vloog door de ruimte als een bal en kwam al dichter bij en naarmate de bal naderde1 begon hij te lichten4 ,maar hij lichtte zooals rozen--,god late ze alle verdorren--wanneer ze pas uit den knop komen4 ,hij werd al grooter en het donkere hulsel er om heen sprong langzamerhand en het licht barstte naar buiten in vier heldere bladeren aan de kanten4 ,eindelijk1 toen hij zoover naar beneden was gekomen als de dichtstbijzijnde ster1 hield hij stil4 ,toen bogen de donkere stukken geheel op zijde en er wikkelde zich het eene blad na het andere los van een prachtig stralend rozenkleurig licht1 tot hij eindelijk geheel klaar was en straalde als de schoonste onder de sterren4 ,toen de arme mannen dat zagen1 zei hun wijsheid hun1 dat op dit uur op aarde een machtig ,koning geboren werd1 een wiens macht die van ,cyrus en ,alexander te boven zou gaan4 ,en ze zeiden tot elkander3 ,laat ons naar den vader en de moeder van den ,pasgeborene gaan en hun zeggen wat we zooeven gezien hebben4 ,misschien dat ze ons dan beloonen met een zak munten of met een gouden armband4 ,ze namen hun lange wandelstaven op en begaven zich op weg4 ,zij gingen de stad door en de stadspoort uit4 ,maar daar waren ze een oogenblik in de war1 want nu breidde zich voor hen uit de groote droge1 lieflijke woestijn1 die de menschen verafschuwen4 ,toen zagen ze1 hoe de nieuwe ster een smalle streep licht over het woestijnzand wierp en zij gingen getroost voort met de ster als wegwijzer4 ,zij gingen den heelen nacht voort over de witte zandvlakte en onder den heelen tocht spraken ze over den jongen pasgeboren ,koning1 dien ze zouden vinden1 slapend in een gouden wieg1 en spelend met edelgesteenten4 ,zij verkortten de uren van den nacht door er over te spreken1 hoe zij tot zijn vader1 den koning1 zouden gaan en tot zijn moeder1 de koningin1 en hun zeggen dat de hemel hun zoon kracht en macht en schoonheid en geluk voorspelde1 grooter dan die van ,salomo4 ,ze verhieven er zich op1 dat ,god hen geroepen had om de ster te zien4 ,zij zeiden1 dat de ouders van den jonggeborene hen niet met minder dan twintig zakken goud konden beloonen4 ,misschien zouden zij zelfs wel zooveel geven1 dat zij de pijn van de armoede niet meer behoefden te dragen4 ,ik lag op de loer in de woestijn als een leeuw1 zei de droogte1 en wilde mij op deze reizigers werpen met alle ellende van den dood1 maar ze ontkwamen mij4 ,de ster leidde hen den heelen nacht en tegen den morgen1 toen het licht werd en de andere sterren verbleekten1 bleef deze hardnekkig staan en lichtte over de woestijn1 tot ze hen geleid had naar een oase1 waar zij een bron en vruchtdragende boomen vonden4 ,daar rustten zij den geheelen dag en eerst tegen den nacht1 toen ze het sterrenlicht over het woestijnzand zagen1 gingen zij verder4 ,voor een mensch1 ging de droogte voort1 was het een heerlijke wandeling4 ,de ster leidde hen zoo1 dat ze honger noch dorst behoefden te lijden4 ,zij bracht hen voorbij de scherpe distels4 ,zij ontweken het diepe losse stuifzand1 zij ontkwamen den scherpen zonneschijn en den heeten woestijnstormen4 ,de drie wijzen zeiden aanhoudend tegen elkaar3 ,god beschermt ons en zegent onzen gang2 wij zijn ,zijn gezanten4 ,maar zoo langzamerhand kreeg ik toch macht over hen1 ging de droogte voort4 ,het hart van die sterrenreizigers veranderde in een woestijn1 even droog als die waar ze doortrokken4 ,zij werden vol onvruchtbaren trots en verwoestende gierigheid4 ,wij zijn ,godsgezanten1 herhaalden de drie ,wijzen4 ,de vader van den pasgeboren ,koning beloont ons niet te hoog1 als hij ons een karavaan schenkt1 beladen met goud4 ,eindelijk leidde de ster hen over den beroemden ,jordaan en de heuvels van ,jeruzalem op4 ,en op een nacht bleef die staan boven de stad ,bethlehem1 die tusschen de groene olijven op een heuvel lag te schitteren4 ,de drie ,wijzen zagen rond naar een paleis en vestingtorens en muren en al zulke dingen1 die bij een koningsstad hooren2 maar zij zagen niets4 ,en wat erger was1 het sterrenlicht leidde hen niet eens de stad in1 maar bleef staan bij een grot aan den kant van den weg4 ,daar gleed het zachte licht naar binnen door de opening en toonde den drie wandelaars een kindje1 dat op zijn moeders schoot rustig lag te slapen4 ,maar hoewel nu de drie ,wijzen zagen1 dat het sterrenlicht het hoofdje van het kind omstraalde als een kroon1 bleven zij buiten de grot staan4 ,zij gingen niet naar binnen om den kleine eer en een koninkrijk te voorspellen4 ,zij wendden zich af zonder hun tegenwoordigheid te verraden1 en zij vluchtten van het kind weg en liepen terug naar den heuvel4 ,zijn wij uitgegaan naar bedelaars1 die even arm zijn als wij8 zeiden ze4 ,heeft ,god ons hierheen geleid1 opdat wij met ,hem zouden spotten1 en eer en aanzien voorspellen aan den zoon van een schaapherder8 ,dat kind brengt het nooit verder dan dat hij zijn kudde hoeden zal hier in het dal4 ,de droogte hield op en knikte bevestigend haar toehoorders toe4 ,heb ik geen gelijk8 scheen zij te vragen4 ,er is iets1 dat droger is dan woestijnzand1 maar niets is onvruchtbaarder dan het menschenhart4 ,de drie ,wijzen hadden niet lang geloopen1 toen het hun voorkwam1 dat zij verdwaald waren en de ster niet goed gevolgd hadden1 ging de droogte voort4 ,en zij zagen omhoog om de ster te vinden en den rechten weg4 ,maar toen was de ster1 die zij heel uit het oosten gevolgd hadden1 van den heuvel verdwenen4 ,de drie vreemdelingen maakten een heftige beweging en op hun aangezicht lag een uitdrukking van diepe smart4 ,wat nu gebeurde1 ging de spreekster voort1 is van 't standpunt van een mensch uit gezien1 misschien gelukkig4 ,dit is zeker1 dat de drie mannen1 toen zij de ster niet meer zagen1 begrepen dat zij tegen ,god gezondigd hadden4 ,en hun geschiedde1 vertelde de droogte bevend verder1 zooals het veld in den herfst1 als de sterke regens beginnen4 ,zij beefden van schrik als voor donder en bliksem1 hun ziel werd week1 en ootmoed ontsproot in hun hart als groen gras4 ,drie dagen en drie nachten dwaalden zij door het land om het kind te vinden1 dat zij moesten aanbidden4 ,maar de ster vertoonde zich niet aan hen4 ,zij verdwaalden steeds verder1 en voelden de grootste smart en wanhoop4 ,in den derden nacht kwamen zij aan deze bron om te drinken4 ,en toen had ,god hun de zonde vergeven1 zoodat toen ze over het water bogen1 zij daar in de diepte het spiegelbeeld zagen van de ster1 die hen uit het oosten hierheen geleid had4 ,en onmiddellijk zagen zij die ook aan den hemel en zij leidde hen opnieuw naar de grot in ,bethlehem4 ,en zij knielden voor het kind en zeiden3 ,wij brengen ,u gouden schalen met wierook en kostbare kruiden4 ,gij zult de grootste koning worden1 die op aarde geleefd heeft1 van haar schepping af tot haar ondergang toe4 ,toen legde het kind zijn hand op hun gebogen hoofden1 en toen zij opgestaan waren1 had het hun geschenken gegeven1 grooter dan een koning ze geven kon4 ,want de oude bedelaar was jong geworden1 de melaatsche was gezond en de zwarte was een schoon blank man4 ,en men zegt1 dat zij zoo heerlijk waren om aan te zien1 dat zij heentrokken en koning werden--ieder in zijn eigen land4 ,de droogte hield op met vertellen en de drie vreemdelingen prezen haar3 ,ge hebt goed verteld1 zeiden zij4 ,maar het verwondert mij1 zei de eene1 dat de drie ,wijzen niets voor de bron deden1 die hun de ster toonde4 ,zouden ze zulk een weldaad geheel vergeten8 ,moet zulk een bron niet altijd blijven bestaan8 zei de tweede vreemdeling1 om den menschen te herinneren1 dat het geluk1 dat verloren wordt op de bergen van den hoogmoed1 teruggevonden kan worden in het dal van de nederigheid8 ,zijn de overledenen dan erger dan de levenden8 zei de derde4 ,sterft de dankbaarheid bij hen1 die leven in het ,paradijs8 ,maar toen zij dat zeiden1 sprong de droogte op met een kreet4 ,zij had de vreemdelingen herkend1 ze begreep wie die reizigers waren4 ,en zij vluchtte als een razende om niet te behoeven zien hoe de drie ,wijzen hun dienaren riepen en hun kameelen naar de bron leidden1 allen beladen met waterzakken1 en de arme1 stervende bron vulden met water1 dat zij uit het ,paradijs gehaald hadden4 ,,de ,,kinderen ,,van ,,bethlehem4 ,buiten de stadspoort te ,bethlehem stond een ,romeinsch krijgsman op wacht4 ,hij droeg harnas en helm1 een kort zwaard op zij en een lange speer in de hand4 ,hij stond den heelen dag bijna onbeweeglijk1 zoodat men werkelijk denken kon1 dat hij van ijzer was4 ,de stadsbewoners gingen de poort uit en in1 bedelaars zetten zich neer in de schaduw onder het poortgewelf1 vruchtenverkoopers en wijnhandelaars zetten hun manden en potjes op 't veld naast den krijgsman1 maar hij nam nauwelijks de moeite het hoofd om te wenden om ze aan te zien4 ,dat is niet de moeite waard om naar te kijken1 scheen hij te willen zeggen4 ,wat geef ik om jelui1 die werken en handel drijven en komen aanloopen met oliepotjes en wijnzakken8 ,laat mij een leger zien1 dat zich opstelt om den vijand tegemoet te gaan6 ,laat mij het krioelen zien en den heeten strijd van een troep ruiters1 die zich op een schaar voetvolk werpt4 ,laat mij de dapperen zien1 die met stormpas vooruitsnellen om de muren van een belegerde stad te bestormen4 ,niets kan mijn oogen doen genieten dan de oorlog4 ,ik verlang er naar den ,romeinschen adelaar weer in de lucht te zien glinsteren4 ,ik verlang naar het gedruisch van de koperbazuin1 naar de glanzige wapens1 de roode bloeddroppels4 ,buiten de stadspoort lag een prachtig veld1 geheel bedekt met lelin4 ,de krijgsman stond daar iederen dag1 de blikken steeds op dit veld gericht1 maar hij dacht er geen oogenblik aan1 de buitengewone schoonheid der bloemen te bewonderen4 ,nu en dan merkte hij1 dat de voorbijgangers bleven staan en van het zien van de lelies genoten1 en dan verwonderde hij er zich over1 dat ze hun tocht vertraagden om naar zooiets onbeduidends te kijken4 ,die menschen weten niet wat mooi is1 dacht hij4 ,en terwijl hij dat dacht1 zag hij niet meer het groenende veld en de olijvenheuvels om ,bethlehem heen voor zijn oogen1 maar hij droomde zich ver weg in een gloeiende woestijn in het zonnige ,lybi4 ,hij zag een legioen soldaten in een lange rechte lijn over het gele1 effen zand trekken4 ,nergens vonden ze beschutting tegen de zonnestralen1 nergens een verfrisschende bron1 nergens zagen zij een grens aan de woestijn of een doel voor hun tocht4 ,hij zag de soldaten voortloopen met wankelende schreden1 uitgeput door honger en dorst4 ,hij zag den een na den ander omvallen1 neergeveld door de gloeiende hitte4 ,maar niettegenstaande dit alles trok de troep toch altijd voort1 zonder aarzelen1 zonder er aan te denken hun veldheer ontrouw te worden en terug te gaan4 ,zie1 dt is mooi1 dacht de krijgsman1 dat is de moeite waard voor een dapper man1 om te zien4 ,terwijl de krijgsman dag aan dag op post stond op dezelfde plaats1 had hij de beste gelegenheid de mooie kinderen te bekijken1 die om hem heen speelden4 ,maar het ging met de kinderen als met de bloemen4 ,hij begreep niet1 dat het de moeite waard was naar hen te zien4 ,wat is daar voor aardigs aan8 dacht hij1 wanneer hij menschen zag lachen1 als zij naar de spelen der kinderen keken4 't ,is wonderlijk1 dat menschen pleizier in zulke kleinigheden kunnen hebben4 ,op een dag1 dat de krijgsman als gewoonlijk op zijn post stond buiten de stadspoort1 zag hij een kleinen jongen1 die zoowat drie jaar oud kon zijn1 op 't veld komen om te spelen4 't ,was een arm kind1 met een kleinen pels aan1 dat heelemaal alleen speelde4 ,de soldaat stond op dien kleinen nieuweling te letten bijna zonder 't zelf te merken4 't ,eerste wat hem boeide1 was dat die kleine zoo licht over 't veld sprong2 't was alsof hij over de punten van de grassprietjes zweefde4 ,maar toen hij hem later in zijn spelen volgde1 werd hij nog verbaasder4 ,bij mijn zwaard6 zei hij eindelijk4 ,dit kind speelt niet als anderen4 ,wat kan het toch zijn waar hij mee bezig is8 't ,kind speelde maar een paar stappen van den krijgsman af1 zoodat deze kon zien wat hij deed4 ,hij zag hem de hand uitstrekken om een bij te vangen1 die op den rand van een bloem zat en zoo zwaar beladen was met stuifmeel1 dat zij nauwelijks de vleugels tot vliegen kon opheffen4 ,hij zag tot zijn groote verbazing1 dat de bij zich liet opnemen1 zonder te probeeren weg te vliegen en zonder haar angel te gebruiken4 ,maar toen hij de bij goed en wel in de hand had1 liep de knaap vlug naar een scheur in den stadsmuur1 waar een troep bijen haar woning hadden en zette haar daarbij neer4 ,en zoo gauw hij op die manier een bij geholpen had1 haastte hij zich een andere te zoeken4 ,den heelen dag zag de soldaat hem bijen vangen en naar haar huis dragen4 ,die jongen is zoowaar nog dwazer dan ik er ooit een gezien heb1 dacht de krijgsman4 ,hoe komt hij er toch bij die bijen te willen helpen1 die zich zoo goed zonder hem redden kunnen en die hem op den koop toe nog kunnen steken8 ,wat zal daar voor een mensch van groeien1 als hij in 't leven blijft6 ,de kleine kwam dag aan dag terug en speelde buiten op het veld1 en de krijgsman kon niet laten met verbazing naar hem en zijn spelen te kijken4 ,dat is toch wonderlijk1 dacht hij4 ,ik heb hier nu volle drie jaar op wacht gestaan bij de poort1 en tot nu toe heb ik niets gezien1 dat mijn gedachten innemen kon1 behalve dit kind4 ,maar de krijgsman was in 't geheel niet ingenomen met het kind4 ,integendeel1 de kleine deed hem aanhoudend denken aan een vreeselijke voorspelling van een oud joodsch profeet4 ,die had namelijk gezegd1 dat een tijd van vrede eenmaal over de aarde komen zou4 ,in een tijd van duizend jaar zou er geen bloed vergoten1 geen oorlog gevoerd worden1 maar de menschen zouden elkaar als broeders liefhebben4 ,als de krijgsman er aan dacht1 dat zooiets vreeslijks werkelijkheid zou kunnen worden1 ging er een rilling door zijn leden en hij klemde de hand om zijn speer1 als om steun te zoeken4 ,en nu--hoe meer de krijgsman naar den kleine en zijn spelen zag1 hoe vaker hij aan het rijk van den duizendjarige vrede dacht4 ,wel was hij niet bang1 dat het al gekomen kon zijn1 maar hij hield er niet van aan zooiets akeligs te denken4 ,op een dag1 dat de kleine tusschen de bloemen op het mooie veld speelde1 kwam er een geweldige regenbui uit de wolken neerkletteren4 ,toen hij voelde hoe groot en zwaar de droppels waren1 die op de teere lelies neersloegen1 scheen hij bezorgd over zijn sierlijke vrienden te worden4 ,hij haastte zich naar de grootste en mooiste van hen en boog den stijven stengel1 die de bloemen droeg1 naar den grond1 zoodat de regendroppels den onderkant van de kelken troffen4 ,en zoo gauw hij dit met n bloemsteel gedaan had1 haastte hij zich naar een anderen en boog dien op dezelfde wijze1 zoodat de bloemkelken naar den grond gekeerd stonden4 ,en toen naar een derden en een vierden tot alle bloemen van het veld voor den hevigen regen beschut waren4 ,de krijgsman lachte in stilte1 toen hij dat werk van den jongen aanzag4 ,ik ben bang1 dat de lelies hem daar niet dankbaar voor zijn1 zei hij4 ,elke stengel is natuurlijk gebroken4 ,dat gaat niet1 die stijve planten zoo te buigen4 ,maar toen de regenbui eindelijk ophield1 zag de krijgsman den kleinen jongen gauw weer naar de lelies loopen en ze weer overeind zetten4 ,en tot zijn onbeschrijfelijke verbazing boog het kind zonder de minste moeite de stijve stengels weer recht4 ,het bleek1 dat geen enkele gebroken of beschadigd was4 ,hij snelde van de eene bloem naar de andere en alle geredde lelies prijkten in volle pracht op het veld4 ,toen de krijgsknecht dat zag1 werd hij door een wonderlijk gevoel van toorn aangegrepen4 ,kijk nu zoo'n kind eens1 dacht hij4 't ,is ongeloofelijk1 dat iemand zooiets onzinnigs doen kan4 ,wat zal er voor een man uit zoo'n jongen groeien1 die niet verdragen kan1 dat een lelie vernield wordt8 ,hoe zou 't gaan als zoo iemand in den oorlog moest8 ,wat zou hij doen als hem bevolen werd een huis in brand te steken vol vrouwen en kinderen1 of een schip in den grond te boren met alle manschappen aan boord8 ,weer moest hij denken aan die oude profetie en hij begon bang te worden1 dat de tijd toch werkelijk gekomen kon zijn1 dat die in vervulling zou gaan4 ,nu er zulk een kind gekomen is als dit1 dacht hij1 is die vreeselijke tijd misschien heel nabij4 ,nu al is er vrede in de heele wereld en zal de dag van oorlog misschien nooit meer aanbreken4 ,van nu af aan zullen alle menschen gezind zijn als dit kind4 ,zij zullen niet eens het hart hebben een bij of een bloem te vernielen4 ,geen groote heldenfeiten zullen meer verricht worden1 geen heerlijke overwinningen behaald1 en geen stralende held zal zegevierend naar het kapitool trekken4 ,er zal niets meer zijn om naar te verlangen voor een dapper man4 ,en de krijgsman1 die aldoor hoopte spoedig nieuwe oorlogen te beleven en er naar verlangde door heldendaden tot macht en rijkdom te komen1 voelde zich zoo gergerd door den kleinen driejarige1 dat hij dreigend met de speer naar hem stak1 toen hij weer voorbij kwam4 ,op een anderen dag waren het geen lelin of bijen1 die de kleine trachtte te helpen1 maar hij deed iets wat den krijgsman nog veel onnoodiger en ondankbaarder voorkwam4 't ,was een vreeselijk warme dag en de zonnestralen1 die op den helm en het harnas van den soldaat vielen1 verhitten die zoo sterk1 dat hij een gevoel had1 alsof hij een uniform van vuur droeg4 't ,scheen den voorbijgangers toe1 dat hij vreeslijk door de warmte leed4 ,zijn oogen waren met bloed beloopen en puilden hem uit het hoofd1 en 't vel op zijn lippen kromp ineen2 maar de krijgsman1 die zoo gehard was1 dat hij de brandende hitte in de ,afrikaansche woestijn kon verdragen1 vond dit een kleinigheid en dacht er niet aan zijn gewone plaats te verlaten4 ,hij had er integendeel plezier in den voorbijgangers te toonen1 dat hij zoo sterk en volhardend was1 dat hij geen beschutting voor de zon behoefde te zoeken4 ,maar terwijl hij daar zoo stond en zich bijna levend liet braden1 kwam de kleine jongen1 die gewoonlijk op 't veld speelde1 plotseling naar hem toe4 ,hij wist wel1 dat de krijgsman niet tot zijn vrienden hoorde1 en hij was gewend zich in acht te nemen1 zoodat hij niet binnen het bereik van zijn speer kwam1 maar nu sprong hij zelfs naar hem toe1 bekeek hem lang en nauwkeurig en liep toen in volle vaart weg4 ,toen hij na een poosje terugkwam1 hield hij beide handen uitgebreid als een schotel en bracht op die manier een paar droppels water me4 ,zou dat kind nu de moeite genomen hebben weg te loopen om water voor mij te halen8 dacht de krijgsman4 ,dat is toch al te onwijs6 ,zou een ,romeinsch soldaat niet een beetje warmte kunnen verdragen6 ,wat hoeft die snaak zoo te loopen om allerlei hulp te brengen1 die niet noodig is4 ,ik heb geen zin in zijn barmhartigheid4 ,ik wou1 dat hij en zijns gelijken de wereld uit waren6 ,de kleine kwam zachtjes aanloopen4 ,hij hield de vingers vast opeengedrukt1 opdat niets zou verloren gaan door overloopen4 ,terwijl hij den krijgsman naderde1 hield hij zijn oogen angstig op het beetje water gericht1 dat hij meebracht2 en hij zag dus niet1 dat de man daar stond met gefronst voorhoofd en afwijzende blikken4 ,eindelijk bleef hij dicht voor den krijgsman staan en bood hem het water aan4 ,terwijl hij liep waren zijn zware1 blonde krullen al verder en verder over zijn voorhoofd en oogen gevallen4 ,hij schudde meermalen het hoofd om het haar weg te krijgen1 zoodat hij op kon zien4 ,toen hem dat eindelijk gelukte en hij de harde uitdrukking op het gezicht van den soldaat zag1 werd hij toch niet bang1 maar bleef staan en noodigde hem met een betooverend glimlachje uit van het water te drinken1 dat hij megebracht had4 ,maar de krijgsman had geen lust een weldaad aan te nemen van dit kind1 dat hij als zijn vijand beschouwde4 ,hij zag het niet in 't lieve gezichtje1 maar bleef stijf en onbeweeglijk staan en toonde niet1 dat hij begreep wat het kind voor hem wilde doen4 ,maar het knaapje kon ook niet begrijpen dat de ander hem afwijzen wou4 ,hij bleef even vertrouwelijk lachen1 hief zich op de teenen op en strekte de handen zoo ver mogelijk omhoog1 opdat de lange soldaat bij het water zou kunnen komen4 ,de krijgsman voelde zich zoo beleedigd doordat een kind hem wilde helpen1 dat hij zijn speer greep om den kleine weg te jagen4 ,maar nu gebeurde het1 dat op datzelfde oogenblik de hitte en de zonnestralen zoo heftig neerstroomden over den krijgsman1 dat hij roode vlammen voor zijn oogen zag en zijn hersens in zijn hoofd voelde smelten4 ,hij vreesde1 dat de zon hem zou vermoorden1 als hij niet oogenblikkelijk eenige verlichting kon vinden4 ,en buiten zich zelf van schrik door het gevaar1 waarin hij verkeerde1 wierp hij de speer op den grond1 omvatte het kind met beide handen en zoog zooveel hij kon van het water op1 dat het in de handjes hield4 't ,waren maar een paar droppels1 die hij zoodoende binnen kreeg1 maar meer was ook niet noodig4 ,zoodra hij het water geproefd had1 voelde hij een liefelijke koelte door zijn lichaam gaan en zijn helm en harnas brandden en drukten niet meer4 ,de zonnestralen hadden hun moordende kracht verloren4 ,zijn droge lippen werden weer zacht en de roode vlammen dansten niet meer voor zijn oogen4 ,voor hij nog tijd had dit alles op te merken1 had hij het kind weer neergezet en dit liep nu weer op het veld te spelen4 ,en hij vroeg zich verwonderd af3 ,wat was dat voor water1 dat het kind me gaf8 't ,was een heerlijke drank6 ,ik moet het toch mijn dankbaarheid toonen4 ,maar omdat hij den kleine haatte1 verjoeg hij die gedachte4 't ,is immers maar een kind1 dacht hij1 't weet zelf niet waarom het zoo of zoo doet4 ,hij speelt maar het spelletje1 dat hij het prettigst vindt4 ,zou hij dank krijgen van de bijen of van de lelies8 ,voor dien kleinen snaak hoef ik me toch geen moeite te geven1 hij weet niet eens1 dat hij me geholpen heeft4 ,en hij gevoelde zich een oogenblik later zoo mogelijk nog meer gerriteerd tegen 't kind1 toen hij den aanvoerder der ,romeinsche soldaten1 die te ,bethlehem gedetacheerd waren1 de poort uit zag komen4 ,kijk1 dacht hij1 wat ben ik door dien jongen in gevaar geweest6 ,als ,voltigius maar even eerder voorbij gekomen was1 zou hij mij met een kind in de armen hebben zien staan4 ,de hoofdman ging intusschen recht op den krijgsman toe en vroeg hem of zij hier konden spreken zonder dat iemand hen hoorde3 hij had hem een geheim me te deelen4 ,als wij maar tien stappen van de poort weggaan1 antwoordde de krijgsman1 dan kan niemand ons hooren4 ,je weet1 zei de hoofdman1 dat koning ,herodes meer dan eens getracht heeft een kind machtig te worden1 dat hier in ,bethlehem opgroeit4 ,zijn profeten en priesters hebben hem gezegd1 dat dit kind zijn troon zal bestijgen en bovendien hebben zij voorspeld1 dat de nieuwe ,koning een duizendjarig rijk van vrede en heiligheid stichten zal4 ,je begrijpt dus1 dat ,herodes hem graag onschadelijk maken wil4 ,ja1 dat begrijp ik1 zei de krijgsman levendig1 maar dat moet immers de eenvoudigste zaak van de wereld zijn4 ,dat zou ook zeker heel gemakkelijk zijn1 zei de hoofdman1 als de koning maar wist welk van al de kinderen in ,bethlehem het bedoelde was4 ,de krijgsman trok zijn voorhoofd in diepe rimpels4 't ,is jammer1 dat zijn profeten hem dat niet hebben kunnen zeggen4 ,maar nu heeft ,herodes een list bedacht1 waardoor hij meent den jongen ,vredevorst onschadelijk te kunnen maken1 ging de hoofdman voort4 ,hij looft een prachtig geschenk uit aan iedereen1 die hem helpen wil4 ,wat ,voltigius ook beveelt1 zal worden uitgevoerd1 ook zonder belooning of geschenken1 antwoordde de soldaat4 ,ik dank je1 antwoordde de hoofdman4 ,hoor nu wat de koning van plan is4 ,hij wil den verjaardag van zijn jongsten zoon vieren door een feest te bereiden1 waarop alle jongens in ,bethlehem1 die tusschen de twee en drie jaar oud zijn1 zullen worden uitgenoodigd met hun moeders4 ,en op dit feest---- ,hij hield op en lachte1 toen hij de uitdrukking van afkeer zag1 die op het gezicht van den soldaat kwam4 ,vriend1 ging hij voort1 je hoeft niet bang te zijn1 dat ,herodes van plan is ons als kindermeisjes te gebruiken4 ,breng nu je oor bij mijn mond1 dan zal ik je zijn plannen toevertrouwen4 ,de hoofdman fluisterde lang met den krijgsman en toen hij hem alles verteld had1 zei hij3 ,ik behoef je zeker niet te zeggen1 dat de grootste geheimhouding noodig is1 als niet de heele onderneming zal mislukken4 ,ge weet1 ,voltigius1 dat ge op mij vertrouwen kunt1 zei de krijgsman4 ,toen de hoofdman was heengegaan en de krijgsman weer alleen op zijn post stond1 keek hij rond naar het kind4 ,dat speelde nog altijd tusschen de bloemen1 en het verraste den soldaat1 dat hij onwillekeurig dacht1 dat het zoo licht en gracelijk rondzweefde als een vlinder4 ,plotseling begon de krijgsman te lachen4--'t ,is waar1 zei hij1 ik zal me niet lang aan dat kind daar hoeven te ergeren4 ,dat wordt vanavond ook op het feest van ,herodes genoodigd4 ,de krijgsman bleef den heelen dag door op zijn post staan1 tot de avond viel en het tijd werd de stadspoorten voor den nacht te sluiten4 ,toen dit gedaan was1 liep hij door smalle en donkere straten naar een prachtig paleis1 dat ,herodes in ,bethlehem bezat4 ,binnen in dit reusachtige paleis was een groote steenen plaats1 door gebouwen omringd1 waar drie open galerijen omheen liepen1 boven elkaar4 ,op de bovenste galerij had de koning bepaald1 dat het feest voor de ,bethlehemsche kinderen plaats zou hebben4 ,deze galerij was1 evenzoo op 's konings uitdrukkelijk bevel1 zoo veranderd1 dat het een overdekte gang leek in een heerlijken lusthof4 ,in het dak slingerden zich wijngaardranken van waar heerlijke druiventrossen afhingen1 en aan de wanden en pilaren stonden kleine granaat- en oranjeboomen1 die met rijke vruchten bedekt waren4 ,de vloer was bestrooid met rozebladen1 licht en zacht als een kleed1 en langs de balustrade1 langs de lijst van het dak1 langs de tafels en de lage divans1 overal liepen guirlanden van schitterend witte lelies langs4 ,in dezen bloementuin stonden hier en daar groote bassins van marmer1 waar glinsterende zilver- en goudvisschen in 't doorschijnende water speelden4 ,in de boomen zongen bonte vogels uit verre landen1 en in een kooi zat een oude kraai1 die onophoudelijk sprak4 ,toen het feest begon1 trokken kinderen en moeders naar die galerij4 ,de kinderen werden dadelijk bij 't binnenkomen in 't paleis getooid in witte kleeren met purperen randen en kregen kransen van rozen op de donkere haren4 ,de vrouwen kwamen aan in statige roode en blauwe gewaden en witte sluiers1 die van hooge puntige kappen neerhingen1 met munten en kettingen behangen4 ,sommige droegen haar kind hoog op de schouders1 andere leidden haar zoontje bij de hand en weer andere1 wier kinderen verlegen en angstig waren1 droegen ze op de armen4 ,de vrouwen zetten zich op den vloer in de galerij4 ,zoodra ze plaats genomen hadden kwamen er slaven aan en zetten lage tafels voor haar1 waarop uitgezochte spijzen en dranken werden voorgediend1 zooals het past op een koninklijk feest1 en al die gelukkige moeders begonnen haar maaltijd zonder die fiere gracieuse waardigheid af te leggen1 die het grootste sieraad der ,bethlehemsche vrouwen is4 ,langs de wanden der galerij en bijna verborgen achter de bloemguirlanden en met vruchten beladen boomen waren dubbele rijen krijgslieden in volle uniform opgesteld4 ,zij stonden volkomen onbeweeglijk1 als hadden ze niets te maken met wat er om hen heen gebeurde4 ,de vrouwen konden toch niet laten nu en dan die geharnaste schare verwonderd aan te zien4 ,waarom staan die daar8 fluisterden zij2 meent ,herodes1 dat we ons niet behoorlijk zullen gedragen8 ,denkt hij1 dat er zooveel krijgslieden noodig zijn om op ons te passen8 ,maar anderen fluisterden weer1 dat het zoo hoorde bij een koning4 ,herodes zelf gaf nooit een feest zonder dat zijn heele huis vol krijgsknechten was4 ,het was om haar eer te bewijzen1 dat de zwaarbewapende soldaten daar op wacht stonden4 ,in het begin van het feest voelden de kinderkens zich verlegen en onveilig1 en hielden zich dicht bij hun moeders1 maar al spoedig kwamen ze in beweging om de heerlijkheden in bezit te nemen1 die ,herodes hun aanbood4 ,het was een betooverend land1 dat de koning voor zijn kleine gasten geschapen had4 ,als ze de galerij doorwandelden1 vonden ze bijenkorven1 waaruit ze honig mochten plunderen1 zonder dat een enkele knorrige bij hen hinderde4 ,zij vonden boomen1 die hun met vruchten beladen takken voor hen neerbogen4 ,zij vonden in een hoek goochelaars1 die in een oogenblik hun zakken vol speelgoed tooverden1 en in een anderen hoek van de galerij een dierentemmer1 die hun een paar tijgers toonde1 die zoo tam waren1 dat zij op hun rug konden rijden4 ,maar in dit paradijs1 met al zijn vreugd was er toch niets1 wat zoo de aandacht trok van de kleinen als de lange rij krijgslieden1 die onbeweeglijk langs de eene zij van de galerij stonden4 ,hun oogen werden geboeid door hun glinsterende helmen1 door hun strenge trotsche gezichten1 door hun korte zwaarden1 die in rijk versierde scheeden gestoken waren4 ,en terwijl zij met elkaar speelden en juichten1 dachten ze toch onophoudelijk aan de krijgslieden4 ,zij hielden zich nog op een afstand1 maar ze verlangden bij hen te komen1 om te zien of ze levend waren en zich wezenlijk konden bewegen4 ,het spel en de feestvreugde nam ieder oogenblik toe1 maar de soldaten stonden altijd door onbeweeglijk4 ,het kwam den kleinen ongelooflijk voor1 dat menschen zoo dicht bij die druiventrossen en al dat lekkers konden staan1 zonder de hand uit te steken en ze te grijpen4 ,eindelijk was er een van de jongetjes1 die zijn nieuwsgierigheid niet kon beheerschen4 ,hij naderde zachtjes en bereid tot snelle vlucht1 een van de geharnasten en daar de soldaat voortdurend onbeweeglijk bleef staan1 kwam hij al nader4 ,eindelijk was hij zoo dicht bij hem1 dat hij aan zijn sandaalriemen kon voelen en aan zijn schenen4 ,toen1 alsof dat een ongehoorde misdaad was1 kwamen opeens al die ijzeren menschen in beweging4 ,met een onbeschrijfelijke razernij wierpen ze zich op de kinderen en grepen ze4 ,sommigen zwaaiden ze over hun hoofden als werpspiesen en slingerden ze tusschen lampen en guirlanden door over de balustrade der galerij op den grond1 waar ze verbrijzeld werden op de marmeren steenen4 ,enkelen trokken het zwaard en doorboorden hun hart1 anderen verbrijzelden hun hoofden tegen den muur1 vr zij ze naar beneden wierpen op de donkere plaats4 ,in het eerste oogenblik na dien overval was het ademloos stil4 ,de kleine lichamen zweefden nog in de lucht1 de vrouwen waren versteend van schrik4 ,maar opeens kwamen al die ongelukkigen tot het bewustzijn van wat er gebeurd was1 en zij vlogen gelijktijdig met een vreeselijken kreet op de krijgslieden toe4 ,er waren nog kinderen over op de galerij4 ,de krijgsknechten joegen ze voort en hun moeders wierpen zich voor hen op den grond en grepen met de handen de ontbloote zwaarden om den doodelijken slag af te wenden4 ,eenige vrouwen1 wier kinderen reeds gedood waren1 wierpen zich op de soldaten1 grepen ze bij de keel en trachtten haar kleinen te wreken door hun moordenaren te worgen4 ,onder die woeste verwarring1 terwijl ontzettende kreten door het paleis klonken en de vreeselijkste bloedige daden bedreven werden1 stond de krijgsman1 die gewoonlijk de wacht hield aan de stadspoort1 volkomen onbeweeglijk vlak onder aan de trap1 die van de galerij naar beneden leidde4 ,hij nam geen deel aan den strijd en het bloedbad4 ,alleen hief hij het zwaard op tegen de vrouwen1 wien het gelukt was haar kind te grijpen en die er de trap mee trachtten af te vluchten4 ,en alleen zijn gezicht1 terwijl hij daar somber en onbeweeglijk stond1 was zoo vreeselijk1 dat de vluchtenden liever over de balustrade sprongen of terugkeerden in het strijdgewoel1 dan zich bloot te stellen aan het gevaar van hem voorbij te gaan4 ,voltigius heeft wel gelijk gehad1 dat hij mij dezen post gaf1 dacht de krijgsman1 een jong1 onnadenkend soldaat zou zijn plaats verlaten hebben en zich in het gewoel begeven4 ,als ik mij hiervandaan had laten lokken1 zouden minstens een tiental kinderen ontkomen zijn4 ,terwijl hij zoo dacht1 werd zijn aandacht gevestigd op een jonge vrouw1 die haar kind naar zich toe getrokken had en nu in snelle vlucht naar hem toe kwam rennen4 ,geen van de krijgslieden1 die ze voorbijvloog1 kon haar den weg versperren1 omdat ze in het heetst van 't gevecht waren met andere vrouwen1 en zoo was ze tot aan het eind van de galerij gekomen4 ,ziedaar een1 die hoopt gelukkig weg te komen1 dacht de krijgsman2 noch zij noch het kind is gekwetst4 ,als ik nu niet hier stond4444 ,de vrouw kwam op den krijgsknecht af met een vaart1 alsof ze vloog1 en hij had geen tijd om duidelijk haar gezicht of dat van het kind te zien4 ,hij stak alleen het zwaard naar hen uit en met het kind in haar armen stormde ze daarop af4 ,hij verwachtte1 dat zij en het kind het volgend oogenblik doorboord op het veld zouden neervallen4 ,maar op hetzelfde oogenblik hoorde de soldaat een woedend gonzen boven het hoofd en onmiddellijk daarop voelde hij een hevige pijn in het eene oog4 ,die was zoo scherp en snijdend1 dat hij bedwelmd en verward werd en het zwaard viel hem uit zijn hand op den grond4 ,hij bracht de hand aan het oog1 greep een bij en begreep1 dat wat hem die vreeselijke pijn veroorzaakte1 niet anders was dan de steek van dat kleine dier4 ,hij boog zich bliksemsnel neer naar zijn zwaard1 in de hoop1 dat het nog niet te laat zou zijn om de vluchtende tegen te houden4 ,maar de kleine bij had haar werk zeer goed gedaan4 ,in den korten tijd1 dat zij den krijgsman verblind had1 was het de jonge moeder gelukt hem voorbij en de trap af te snellen1 en hoewel hij haar haastig achterna liep1 kon hij haar niet meer inhalen4 ,zij was verdwenen en in heel het groote paleis kon niemand haar vinden4 ,den volgenden morgen stond de krijgsman met eenigen van zijn kameraden op wacht1 dicht bij de stadspoort4 't ,was nog vroeg en de zware poorten waren pas geopend4 ,maar het scheen alsof niemand verwacht had1 dat zij dien morgen geopend zouden worden1 want geen schare landarbeiders stroomden de stad uit zooals gewoonlijk iederen morgen4 ,al de inwoners van ,bethlehem waren zoo vol ontzetting over het bloedbad van dien nacht1 dat niemand 't waagde zijn huis te verlaten4 ,bij mijn zwaard1 zei de soldaat1 terwijl hij daar stond en de nauwe straat inzag1 die naar de poort leidde1 ik geloof1 dat ,voltigius een onverstandig besluit genomen heeft4 't ,was beter geweest als hij de poorten gesloten had gehouden en ieder huis in de stad had laten doorzoeken1 tot hij den jongen gevonden had1 wien het gelukt is van het feest te ontkomen4 ,voltigius rekent er op1 dat zijn ouders zullen probeeren hem hiervandaan te brengen1 zoodra ze weten1 dat de poorten openstaan en hij hoopt1 dat ik hem zal kunnen vangen juist hier in de poort4 ,maar ik vrees dat die berekening niet verstandig is4 ,hoe licht kan het niet gelukken een kind te verbergen4 ,en hij dacht er over na1 of ze ook zouden probeeren het kind te verbergen in de manden met vruchten op een ezel of in een grooten oliepot4 ,of in balen met koren op een karavaan4 ,terwijl hij daar stond te wachten of men hem ook op die manier zou trachten te verschalken1 kreeg hij een man en een vrouw in 't oog1 die haastig de straat uit kwamen en de poort naderden4 ,zij liepen hard en keken angstig om1 als vluchtten ze voor een gevaar4 ,de man had een bijl in de hand en hield die stevig vast1 alsof hij besloten was zich met geweld een weg te banen1 als iemand dien voor hem versperren wilde4 ,maar de krijgsman zag niet zoozeer naar den man1 dan wel naar de vrouw4 ,hij dacht erover dat ze even groot was als de jonge moeder1 die hem den vorigen avond ontkomen was4 ,hij merkte ook op1 dat zij den rok van haar kleed over 't hoofd geslagen had4 ,hij dacht3 ,dat doet ze misschien om te verbergen1 dat ze een kind op den arm draagt4 ,hoe dichter ze bij hem kwamen1 hoe duidelijker de krijgsman het kind1 dat de vrouw op den arm droeg1 zich zag afteekenen onder het omhoog geslagen kleedingstuk4 ,ik ben er zeker van dat zij het is1 dacht hij1 die mij gisteren ontvluchtte4 ,ik kon haar gezicht niet zien maar ik herken die lange gestalte4 ,en hier komt ze nu aan met het kind op den arm1 zonder zelfs te trachten het te verbergen4 ,ik had niet op zooveel voorspoed durven hopen4 ,de man en de vrouw zetten hun haastige wandeling voort tot aan de stadspoort4 ,het was duidelijk1 dat zij niet verwacht hadden hier tegengehouden te worden2 zij krompen ineen van schrik1 toen de krijgsman zijn speer voor hen velde en hun den weg versperde4 ,waarom mogen we niet naar het veld gaan om te werken8 vroeg de man4 ,je moogt dadelijk gaan1 zei de soldaat2 ik moet alleen maar eerst even zien1 wat je vrouw onder haar kleed verbergt4 ,wat is daaraan te zien8 zei de man1 het is alleen wat brood en wijn1 waar we vandaag van moeten leven4 ,het is misschien waar1 wat je zegt1 zei de soldaat2 maar als dat zoo is1 waarom wendt ze zich dan af1 waarom laat zij mij dan niet gewillig zien wat ze draagt8 ,ik wil niet hebben1 dat je het ziet en ik raad je ons voorbij te laten gaan4 ,op hetzelfde oogenblik hief de man de bijl op1 maar de vrouw legde de hand op zijn arm4 ,neen1 ga nu niet vechten1 smeekte ze4 ,ik zal hem laten zien wat ik draag1 en ik weet zeker1 dat hij het geen kwaad kan doen4 ,en met een fieren glimlach en vol vertrouwen keerde zij zich naar den soldaat toe1 en sloeg een slip van haar kleed op4 ,en op hetzelfde oogenblik schrikte de soldaat terug en hield de hand voor de oogen1 als verblind door een sterken glans4 ,wat de vrouw onder haar kleed verborgen hield1 straalde hem tegen met zulk een schitterend witten glans1 dat hij eerst niet wist wat hij zag4 ,ik dacht1 dat je een kind op den arm hadt1 zei hij4 ,je ziet nu wat ik draag1 antwoordde de vrouw4 ,toen eindelijk zag de soldaat dat1 wat daar schitterde en blonk1 niet anders was dan een bos witte lelies van dezelfde soort1 die op het veld groeide4 ,maar haar glans was veel rijker1 veel stralender4 ,hij kon er nauwelijks naar kijken4 ,hij stak zijn hand in de bloemen4 ,hij kon de gedachte niet van zich afzetten1 dat het een kind was1 dat de vrouw droeg4 ,hij voelde niets dan de koele bloembladeren4 ,hij voelde zich bitter bedrogen en hij had graag in zijn boosheid den man en de vrouw allebei gevangen genomen1 maar hij begreep1 dat hij geen reden zou kunnen opgeven voor zulk een handelwijze4 ,toen de vrouw zijn verbazing zag1 vroeg ze3 ,wil je ons nu laten gaan8 ,de krijgsman nam zwijgend de speer weg1 die hij voor de poort gehouden had en trad op zij4 ,maar de vrouw trok weer haar kleed over de bloemen en bekeek op hetzelfde oogenblik wat ze op haar arm droeg met een lieflijken glimlach6 ,ik wist wel1 dat je het geen kwaad zou kunnen doen1 als je het maar zag1 zei ze tegen den krijgsman4 ,en toen snelde ze weg4 ,maar de krijgsman stond ze na te zien zoolang ze in 't gezicht waren4 ,en terwijl hij hen met de blikken volgde1 was hij er weer zeker van1 dat ze geen bos lelies op haar arm droeg1 maar een echt levend kind4 ,maar terwijl hij de beide zwervers nazag1 hoorde hij luide kreten uit de straat4 ,het was ,voltigius met eenigen van zijn mannen1 die aan kwamen loopen4 ,houd ze6 riepen ze4 ,sluit de poort voor hen6 ,laat hen niet ontkomen6 ,en toen ze den krijgsman bereikten1 vertelden zij1 dat zij het spoor van den ontkomen knaap gevonden hadden4 ,zij hadden hem nu in zijn huis gezocht1 maar van daar was hij weer gevlucht4 ,zij hadden zijn ouders met hem zien wegloopen4 ,de vader was een krachtig man1 met een grijzen baard1 en droeg een bijl2 de moeder was een lange vrouw1 die 't kind verborgen had onder haar kleed1 dat ze omhoog geslagen had4 ,op 'tzelfde oogenblik1 dat ,voltigius dat vertelde1 kwam een ,bedouen de poort inrijden op een mooi paard4 ,de krijgsman snelde zonder een woord te zeggen op den ruiter toe4 ,hij rukte hem met geweld van het paard1 wierp hem op den grond1 en met n sprong was hij zelf in 't zadel en joeg voort over den weg4 ,een paar dagen later reed de krijgsman door de vreeslijke bergwoestijn1 die 't zuiden van ,judea vult4 ,hij vervolgde nog altijd de vluchtelingen van ,bethlehem en hij was buiten zichzelf over dien vruchteloozen tocht1 waar maar geen einde aan kwam4 't ,schijnt waarachtig wel1 of die menschen in den grond kunnen zinken1 zei hij morrend4 ,hoe dikwijls ben ik hun in deze dagen niet zoo dicht op de hielen geweest1 dat ik mijn speer naar het kind had kunnen slingeren1 en toch ontkwamen ze nog4 ,ik begin bang te worden1 dat ik ze nooit kan vinden4 ,hij voelde zich moedeloos1 als een die tegen een overmacht strijdt4 ,hij vroeg zich af of het mogelijk was dat de goden deze menschen tegen hem beschermden4 't ,is vergeefsche moeite4 ,laat ik toch teruggaan1 eer ik van honger en dorst omkom in dit eenzame land6 zei hij herhaaldelijk in zichzelf4 ,maar dan overviel hem de vrees voor wat hem bij zijn thuiskomst wachtte1 als hij onverrichter zake terugkwam4 ,hij was het1 die nu al twee keer het kind had laten ontkomen4 't ,was niet denkbaar1 dat ,voltigius of ,herodes hem zooiets zouden vergeven4 ,zoolang ,herodes weet1 dat een van de kinderen van ,bethlehem nog leeft1 zal hij voortdurend aan denzelfden angst lijden1 zei de krijgsman4 't ,waarschijnlijkste is1 dat hij--om zijn ellende te verzachten--mij aan het kruis zal slaan4 't ,was een heete middag1 en hij leed vreeselijk onder het rijden in deze boomlooze bergstreek op een weg1 die zich door diepe ravijnen in 't dal slingerde1 waar geen windzuchtje zich bewoog4 ,het paard en de ruiter beide waren op 't punt te bezwijken4 ,reeds sedert verscheidene uren had de krijgsman elk spoor van de vluchtenden uit het oog verloren en hij voelde zich moedeloozer dan ooit4 ,ik moet het opgeven1 dacht hij4 ,voorwaar1 ik geloof niet1 dat het de moeite loont ze verder te vervolgen3 zij moeten toch omkomen in deze vreeselijke woestijn4 ,toen hij zoo dacht1 ontdekte hij in een rotswand1 die zich aan den weg verhief1 den gewelfden ingang van een grot4 ,hij stuurde zijn paard aanstonds in de richting van de grot-opening4 ,ik zal een poos uitrusten in die koele rotsholte1 dacht hij4 ,misschien dat ik later de vervolging met vernieuwde kracht kan hervatten4 ,toen hij de grot in wilde gaan1 verraste hem iets merkwaardigs4 ,aan beide zijden van den ingang groeide een schoone lelieplant4 ,ze stonden daar hoog en rank1 vol bloemen4 ,ze geurden bedwelmend1 als honig en een menigte bijen gonsden er om heen4 ,dat was zulk een ongewoon gezicht in deze woestenij1 dat de krijgsman iets buitengewoons deed4 ,hij brak een groote1 witte bloem af en nam die mee in de grot4 ,de rotsholte was niet diep of donker en zoodra hij 't gewelf binnenkwam1 zag hij1 dat zich daar al drie reizigers bevonden4 't ,waren een man1 een vrouw en een kind1 die op den grond waren uitgestrekt1 in diepen slaap verzonken4 ,de krijgsman had nooit zijn hart z voelen bonzen als toen hij dat zag4 ,dat waren juist de drie vluchtelingen1 die hij zoo lang had nagezet4 ,hij herkende ze dadelijk4 ,en hier lagen ze nu te slapen1 buiten staat zich te verdedigen1 geheel en al in zijn macht4 ,zijn zwaard gleed kletterend uit de scheede en hij boog zich nu over het slapende kind4 ,hij bracht de punt van 't zwaard zacht bij 't hart van het kind en mikte nauwkeurig om het met n stoot te dooden4 ,maar hij hield een oogenblik op om zijn gezichtje te zien4 ,nu hij zich zeker voelde van de overwinning1 voelde hij een wreed genot bij 't bekijken van zijn offer4 ,maar toen hij 't kind zag1 werd zijn vreugde zoo mogelijk nog verhoogd1 want hij herkende den kleinen jongen1 dien hij met de bijen en de lelin had zien spelen op het veld buiten de stadspoort4 ,ja zeker1 dacht hij1 dat had ik al lang moeten begrijpen4 ,daarom heb ik dat kind hier altijd gehaat4 ,dat is de aangekondigde vredevorst4 ,hij liet zijn zwaard weer zakken1 terwijl hij dacht3 ,als ik het hoofd van dit kind voor ,herodes neerleg1 zal hij mij tot aanvoerder van zijn lijfwacht aanstellen4 ,terwijl hij de punt van zijn zwaard al nader bij den slapende bracht1 verheugde hij zich door in zich zelf te zeggen3 ,deze keer tenminste zal er niemand tusschen komen om hem aan mijn handen te ontrukken4 ,maar de krijgsman had de lelie1 die hij aan den ingang van de grot geplukt had1 nog in de hand en terwijl hij zoo dacht1 vloog een bij1 die in den kelk verborgen gezeten had1 eenige keeren gonzend omhoog en om zijn hoofd4 ,de krijgsman schrikte op4 ,hij dacht opeens aan de bij1 die de kleine jongen naar huis gedragen had en hij dacht er aan1 dat het een bij was1 die het kind geholpen had om te ontkomen aan het feest van ,herodes4 ,die gedachte trof hem als iets heel verbazends4 ,hij hield zijn zwaard stil en stond naar de bij te luisteren4 ,nu hoorde hij het diertje niet meer gonzen1 maar terwijl hij daar zoo stil stond1 trok de sterke1 liefelijke geur1 die uit de lelie in zijn hand opsteeg1 zijn aandacht4 ,en nu dacht hij aan de lelin1 die de kleine jongen geholpen had1 en hij herinnerde zich dat het een bos lelies was1 die het kind voor zijn blikken verborgen hadden en het hadden helpen ontkomen door de stadspoort4 ,hij verzonk al dieper in gedachten1 en trok zijn zwaard terug4 ,bijen en lelies hebben hem zijn weldaden vergolden1 fluisterde hij4 ,hij dacht er aan1 hoe de kleine ook hem een weldaad bewezen had en een diepe blos kwam op zijn gezicht4 ,kan een krijgsman uit de ,romeinsche legioenen vergeten een bewezen dienst te vergelden8 fluisterde hij4 ,hij voerde een korten strijd met zich zelf2 hij dacht aan ,herodes en aan zijn eigen lust om den jongen vredevorst te vernietigen4 ,mij past het niet dit kind te dooden1 dat mijn leven gered heeft1 zei hij toch eindelijk4 ,en hij boog zich neer en legde zijn zwaard naast het kind neer1 opdat de vluchtelingen bij hun ontwaken begrijpen zouden aan welk gevaar zij ontkomen waren4 ,toen zag hij1 dat het kind wakker was4 ,het lag hem met zijn mooie oogen aan te zien1 die als sterren straalden4 ,en de krijgsman boog een knie voor het kind4 ,heer1 ,gij zijt de machtige1 sprak hij4 ,gij zijt de sterke1 de overwinnaar4 ,gij zijt degene1 dien de goden liefhebben4 ,gij zijt degene1 die slangen en schorpioenen in het stof treedt4 ,hij kuste de voeten van het kind en ging zachtkens uit de grot1 terwijl de kleine hem lag na te kijken met groote1 verwonderde kinderoogen4 ,,de ,,vlucht ,,naar ,,egypte4 ,ver weg in een van de oostersche woestijnen groeide voor lange1 lange jaren een palm1 die buitengewoon hoog was4 ,allen1 die door de woestijn trokken1 moesten blijven stilstaan om hem te bewonderen1 want hij was veel grooter dan andere palmen1 en men placht te zeggen1 dat hij zeker hooger dan de obelisken en pyramiden zou worden4 ,toen nu die groote palm daar zoo eenzaam stond uit te zien over de woestijn1 kreeg hij op een dag iets in 't oog1 dat zijn geweldige bladerkroon op den dunnen stam heen en weer deed wiegen van verwondering4 ,ver weg aan den rand van de woestijn kwamen twee eenzame menschen aan4 ,zij waren nog zoo ver weg1 dat kameelen op zulk een afstand niet grooter dan mieren schijnen1 maar het waren toch zeker twee menschen4 ,twee1 die vreemd waren in de woestijn1--want de palm kende het woestijnvolk2 een man en een vrouw1 die geen gidsen1 geen lastdier1 geen tent of geen reiszak bij zich hadden4 ,voorwaar1 zei de palm tot zichzelf1 die twee zijn hier gekomen om te sterven4 ,de palm wierp snel een blik om zich heen4 ,het verwondert me1 zei hij1 dat de leeuwen dien buit nog niet vervolgen4 ,maar ik bespeur er nog nergens een4 ,ook zie ik nog geen van de woestijnroovers1 maar ze zullen wel komen4 ,hen wacht een zevenvoudige dood1 dacht de palm4 ,de leeuw zal ze verslinden1 de slangen zullen hen bijten2 van dorst zullen ze omkomen1 de zandstorm zal ze begraven1 de roovers vermoorden hen1 een zonnesteek zal hen treffen en de vrees ze doen sterven4 ,en hij probeerde aan wat anders te denken4 ,het lot van deze menschen stemde hem weemoedig4 ,maar in de heele woestijn1 die zich aan alle kanten om den palm heen uitstrekte1 was niets wat hij al niet duizend jaren gekend en gezien had4 ,niets kon zijn aandacht boeien4 ,hij moest weer aan die twee zwervers denken4 ,bij de droogte en den storm6 zei de palm1 de twee gevaarlijkste vijanden van het leven aanroepende1 wat heeft die vrouw daar op den arm8 ,ik geloof1 dat die dwazen ook nog een kindje bij zich hebben4 ,de palm1 die vrziende was1 zooals de ouden van dagen gewoonlijk zijn1 had werkelijk goed gezien4 ,de vrouw droeg een kind op den arm1 dat het hoofdje tegen haar schouder leunde en sliep4 't ,kind heeft niet eens genoeg kleeren aan1 zei de palm4 ,ik zie1 dat de moeder haar kleed heeft losgemaakt en dat om het kindje heengeslagen4 ,zij heeft het in groote haast uit zijn bedje genomen en is er me weggesneld4 ,nu begrijp ik het3 deze menschen zijn vluchtelingen4 ,toch zijn het dwazen1 ging de palm voort4 ,als niet een engel hen beschermt1 hadden ze liever het ergste van hun vijanden moeten afwachten1 dan de woestijn in te gaan4 ,ik kan me wel voorstellen hoe alles gegaan is4 ,de man was aan zijn werk1 het kind sliep in de wieg1 de vrouw is naar buiten gegaan om water te halen4 ,toen ze even buiten de deur gekomen was1 heeft ze vijanden zien aanstormen4 ,ze is naar binnen gevlogen1 heeft het kind gegrepen en den man toegeroepen haar te volgen1 en is weggevlucht4 ,sinds dien tijd zijn ze den heelen dag op de vlucht geweest en hebben zeker geen oogenblik gerust4 ,ja1 zoo is alles gegaan1 maar toch zeg ik3--als geen engel ze beschermt4444 ,zij zijn z bang1 dat ze nog geen moeheid of ander lijden voelen1 maar ik zie hoe de dorst hun uit de oogen kijkt4 ,ik ken het gezicht van een dorstig mensch maar al te goed4 ,en toen de palm aan den dorst dacht1 ging een kramptrekking door zijn langen stam en de vele punten van zijn lange bladen krulden om1 alsof ze boven het vuur gehouden werden4 ,als ik een mensch was1 zij hij1 zou ik me nooit in de woestijn wagen4 ,wie zich hierheen waagt1 zonder wortels te bezitten1 die bij de nooit verdrogende wateraren kunnen komen1 moet wel heel moedig zijn4 ,zelfs voor palmen kan 't hier gevaarlijk zijn4 ,zelfs voor palmen zooals ik4 ,als ik hun kon raden1 zou ik hun smeeken terug te keeren4 ,hun vijanden kunnen nooit zoo wreed zijn als de woestijn4 ,misschien meenen zij1 dat het gemakkelijk is hier te leven4 ,maar ik weet1 dat zelfs ik vaak moeite gehad heb om in 't leven te blijven4 ,ik herinner me nog hoe in mijn jeugd een stormwind een heelen berg zand over me heen gooide4 ,ik was bijna gestikt4 ,als ik had kunnen sterven1 zou dat mijn laatste uur geweest zijn4 ,de palm dacht aldoor hardop1 zooals ouden en eenzamen gewoonlijk doen4 ,ik hoor een wonderlijk melodisch suizen door mijn kroon gaan1 zei hij1 alle punten aan mijn bladen moeten trillen4 ,ik weet niet1 wat me zoo beweegt bij het gezicht van deze arme vreemdelingen4 ,maar die bedroefde vrouw is zoo mooi4 ,zij herinnert me aan het wonderbaarlijkste1 wat ik ooit beleefde4 ,en terwijl de bladen voort bleven trillen in een melodisch suizen1 herinnerde de palm zich hoe eens1 hl lang geleden1 twee schitterende schoone menschen de woestijn bezocht hadden4 ,het was de koningin van ,saba1 die daar gekomen was1 door den wijzen ,salomo vergezeld4 ,de schoone koningin zou weer naar haar land terugkeeren2 de koning had haar een eind begeleid en nu moesten zij scheiden4 ,ter herinnering aan dit oogenblik1 zei toen de koningin1 leg ik nu een dadelpit in den grond en ik wil1 dat daaruit een palm ontkiemen zal1 die zal groeien en leven tot er in ,juda een koning zal opstaan1 die grooter is dan ,salomo4 ,en toen zij dit gezegd had1 stak zij de pit in den grond en haar tranen bevochtigden die4 ,hoe kan dat zijn1 dat ik daar juist vandaag aan denk1 zei de palm4 ,zou deze vrouw zoo mooi zijn1 dat zij mij aan de schoonste aller koninginnen doet denken1 aan haar1 door wier woorden ik geleefd heb en gegroeid ben tot op dezen dag toe8 ,ik hoor mijn bladen steeds sterker suizen1 zei de palm1 en het klinkt droevig als een doodslied4 ,het is als een voorteeken4 't ,is goed1 dat ik weet1 dat het mij niet gelden kan1 want ik kan niet sterven4 ,de palm meende1 dat het suizen in de bladen de twee eenzame zwervers gelden moest4 ,en zelf geloofden zij ook zeker1 dat hun laatste ure naderde4 ,men kon het zien aan de uitdrukking op hun gezicht1 als zij voorbij een van de kameelsskeletten gingen1 die aan beide kanten van den weg lagen4 ,men kon het zien aan de blikken1 die ze een paar voorbijvliegenden gieren toewierpen4 ,het kon wel niet anders4 ,ze moesten omkomen4444 ,zij hadden den palm en de oase in het oog gekregen en haastten zich daarheen om water te vinden4 ,maar toen zij er eindelijk aankwamen1 zonken zij ineen van wanhoop1 want de bron was uitgedroogd4 ,de vrouw legde uitgeput het kind neer en zette zich schreiend aan den rand van de bron4 ,de man wierp zich naast haar op den grond en sloeg met zijn beide vuisten op den dorren bodem4 ,de palm hoorde1 hoe zij er samen over spraken1 dat zij sterven moesten4 ,hij hoorde ook uit hun spreken1 dat koning ,herodes alle kinderen van twee en drie jaar had laten vermoorden1 uit vrees1 dat de groote1 verwachte koning van ,juda geboren zou zijn4 ,het suist al sterker in mijn bladen1 zei de palm4 ,spoedig zal voor deze arme vluchtelingen hun laatste ure slaan4 ,hij hoorde ook hoe bang ze waren voor de woestijn4 ,de man zei1 dat het beter geweest was te blijven en met de krijgsknechten te strijden1 dan hierheen te vluchten4 ,hij zei1 dat zij zoodoende een lichteren dood zouden zijn gestorven4 ,god zal ons bijstaan1 zei de vrouw4 ,wij zijn alleen tusschen roofdieren en slangen1 zei de man4 ,wij hebben geen eten en geen water4 ,hoe kan ,god ons bijstaan8 ,hij scheurde zijn kleeren van wanhoop en drukte het gezicht tegen den grond4 ,hij was hopeloos1 als iemand met een doodelijke wonde in het hart4 ,de vrouw zat rechtop1 met de handen gevouwen om de knien4 ,maar de uitdrukking van haar oogen1 als zij de woestijn inzag1 sprak van grenzenlooze vertwijfeling4 ,de palm hoorde1 dat het weemoedige suizen in zijn bladen al sterker werd4 ,de vrouw moest het ook gehoord hebben1 want zij hief het hoofd op en zag naar de kroon van den boom4 ,o1 dadels1 dadels6 riep zij4 ,er klonk zulk een groot verlangen in haar stem1 dat de palm wenschte1 dat hij niet grooter was dan een bremstruik en dat de dadels zoo gemakkelijk te bereiken waren1 als de bottels van den rozestruik4 ,hij wist wel1 dat zijn kroon vol groote trossen dadels hing1 maar hoe zouden de menschen ooit tot zulk een duizelingwekkende hoogte op kunnen klimmen8 ,de man had al gezien1 hoe onoverkomelijk hoog de dadeltrossen hingen4 ,hij hief niet eens het hoofd op4 ,hij smeekte zijn vrouw1 niet naar het onmogelijke te verlangen4 ,maar het kind1 dat alleen had rondgeloopen en met stokjes en strootjes gespeeld1 had den uitroep van zijn moeder gehoord4 ,het kleintje kon zich zeker niet voorstellen1 dat zijn moeder niet alles kon krijgen1 wat zij verlangde4 ,zoodra hij van de dadels had hooren spreken1 begon hij naar den boom te kijken4 ,zijn voorhoofd trok hij bijna in rimpels onder de lichte krullen4 ,eindelijk gleed er een glimlach over zijn gezichtje4 ,hij had het middel gevonden4 ,hij ging op den palm toe1 streelde dien met zijn handje en zei met zijn lief kinderstemmetje3 ,palm1 buig je1 palm1 buig je4 ,maar wat was dat nu1 wat was dat toch6 ,de palm suisde1 alsof een orkaan zijn takken schudde en door den langen palmestam ging de eene rilling na de andere4 ,en de palm voelde1 dat de kleine hem te machtig was4 ,hij kon hem niet weerstaan4 ,en hij boog zijn langen stam voor het kind1 zooals menschen voor vorsten buigen4 ,in een geweldigen boog zonk hij ter aarde en kwam eindelijk zoo ver naar beneden1 dat de groote kroon met de trillende bladen het woestijnzand raakte4 ,het kind scheen niet verschrikt of verbaasd1 maar met een vreugdekreet kwam het aanloopen en maakte den eenen tros na den anderen los uit de kroon van den ouden palm4 ,toen hij genoeg geplukt had en de boom nog bleef liggen op het veld1 ging het kindje weer naar den stam1 streelde dien1 en zei met zijn liefste stemmetje3 ,sta op1 palm1 sta op1 palm4 ,en de groote boom rees stil en eerbiedig overeind op zijn veerkrachtigen stam1 terwijl al zijn bladen zongen als harpen4 ,nu weet ik1 voor wie ze de doodsmelodie spelen1 zei de oude palm in zich zelf1 toen hij weer rechtop stond4 ,dat is niet voor een van deze menschen4 ,maar de man en de vrouw lagen op hun knien en loofden ,god4 ,gij hebt onzen angst gezien en dien weggenomen4 ,gij zijt de sterke1 die den stam van den palm buigt als een riet4 ,voor wie van onze vijanden zullen wij nog vreezen1 als ,gij ons beschermt8 ,den eersten keer daarna1 dat een karavaan door de woestijn trok1 zagen de reizigers1 dat de bladerkroon van den grooten palm verdord was4 ,hoe kan dit zijn8 zeide een reiziger4 ,deze palm zou immers niet sterven1 voor hij een koning gezien had1 die grooter was dan ,salomo8 ,misschien heeft hij dien ook gezien1 antwoordde een ander van de woestijnreizigers4 ,,in ,,nazareth4 ,eens1 toen ,jezus nog maar vijf jaar oud was1 zat hij op de stoep van zijns vaders werkplaats in ,nazareth en was bezig met vogels te boetseeren uit een klomp vochtige1 lenige klei1 die hij van den pottenbakker aan de andere zij van de straat gekregen had4 ,hij was zoo blij als nooit te voren1 want alle kinderen uit de buurt hadden ,jezus gezegd1 dat de pottenbakker een knorrige man was1 die niet te bewegen was door vriendelijke blikken of honigzoete woorden en hij had hem nooit iets durven vragen4 ,maar zie--hij wist nauwelijks hoe dat gegaan was3 hij had maar op zijn stoep gestaan en verlangend naar zijn buurman gekeken4 ,en toen was de man uit zijn winkel gekomen en had hem zooveel klei gegeven1 dat hij er wel een wijnvat van had kunnen maken4 ,op de stoep voor het huis daarnaast zat ,judas1 die leelijk was en rood haar had en een gezicht vol sproeten1 en kleeren vol scheuren1 die hij gekregen had in zijn voortdurende gevechten met de straatjongens4 ,voor 't oogenblik was hij stil2 hij kibbelde en vocht niet1 maar werkte aan een stuk klei op dezelfde manier als ,jezus1 maar die klei had hij zelf niet kunnen krijgen1 hij durfde den pottenbakker nauwelijks onder de oogen te komen1 want die beschuldigde hem van steenen op zijn broze waar te gooien en zou hem met stokslagen hebben weggejaagd4 ,jezus had zijn voorraad met hem gedeeld4 ,naarmate de kinderen hun vogels van klei afhadden1 zetten zij ze in een kring voor zich neer4 ,zij zagen er uit zooals vogels van klei er altijd uitgezien hebben4 ,ze hadden een grooten klomp om op te staan in plaats van pootjes1 korte staarten1 geen hals en bijna onzichtbare vleugels4 ,toch was er al gauw een verschil te zien tusschen het werk van de kameraadjes4 ,de vogels van ,judas waren zoo scheef1 dat ze aanhoudend omvielen1 en hoe hij ook werkte met zijn kleine stijve vingers1 hij kon hun lichamen niet knap en goedgevormd krijgen4 ,hij keek nu en dan van ter zijde naar ,jezus om te zien wat hij toch deed1 om zijn vogels zoo mooi gelijk en glad te krijgen als de eikenbladen in de bosschen op ,tabor4 ,bij elken vogel1 dien ,jezus afkreeg1 werd hij gelukkiger2 de eene kwam hem nog mooier voor dan de andere en hij bekeek ze met trots en liefde2 zij moesten zijn speelkameraden worden1 zijn broertjes en zusjes2 zij zouden in zijn bed slapen1 hem gezelschap houden1 liedjes voor hem zingen1 als zijn moeder van hem wegging4 ,hij had zich nooit zoo rijk gevoeld2 nooit meer zou hij nu eenzaam of verlaten wezen4 ,de forschgebouwde waterdrager kwam voorbij1 gebogen onder zijn zwaren zak1 en dadelijk daarna kwam de groentehandelaar1 die zat te zwaaien op den rug van zijn ezel1 midden tusschen de groote1 leege teenen korven4 ,de waterdrager legde de hand op ,jezus' lichte1 krullende haren en vroeg hem naar zijn vogels1 en ,jezus vertelde hem1 dat zijn vogels namen hadden en konden zingen4 ,al zijn vogeltjes waren uit vreemde landen bij hem gekomen en hadden hem allerlei verteld1 wat alleen hij en zij wisten4 ,en ,jezus sprak z1 dat de waterdrager en de groentehandelaar langen tijd hun werk vergaten om naar hem te luisteren4 ,maar toen ze verder wilden gaan1 wees ,jezus op ,judas4 ,kijk eens wat mooie vogels ,judas maakt1 zei hij4 ,toen hield de groentehandelaar goedig zijn ezel in en vroeg ,judas of zijn vogels ook namen hadden en zingen konden4 ,maar ,judas wist daar niets van2 hij zweeg hardnekkig en hief de oogen niet op van zijn werk4 ,en de groentehandelaar schopte knorrig naar een van zijn vogels en reed door4 ,zoo ging de middag voorbij en de zon straalde zoo ver1 dat haar schijnsel naar binnen kon komen door de lage stadspoort1 die met een ,romeinschen adelaar versierd1 zich aan het eind van de straat verhief1 en de zonneschijn die tegen den avond kwam was rozerood1 alsof die met bloed vermengd was1 en kleurde alles wat hem in den weg kwam1 terwijl hij door de smalle straat gleed4 ,die tintte de vaten van den pottenbakker evengoed als de planken1 die knarsten onder de zaag van den timmerman1 en den witten doek om het aangezicht van ,maria4 ,maar het allermooist blonk de zonneschijn in de kleine waterplasjes1 die tusschen de groote ongelijke straatsteenen lagen1 die de straat bedekten4444 ,en plotseling stak ,jezus zijn hand in de plas1 die het dichtst bij hem was4 ,hij was op den inval gekomen zijn grauwe vogels met den fonkelenden zonneglans te verven1 die 't water1 den huismuren en alles om hem heen zulk een mooie kleur gaf4 ,en de zonneschijn liet zich met welgevallen opvangen als verf uit een schilderspot1 en toen ,jezus hem uitstreek over de vogeltjes van klei1 bleef hij stil liggen en bedekte ze geheel met een glans als van diamanten4 ,judas1 die nu en dan naar ,jezus gekeken had om te zien of hij ook meer en mooier vogels maakte dan hij1 gaf een kreet van blijde bewondering1 toen hij zag1 hoe ,jezus zijn vogels van klei met zonneschijn schilderde1 dien hij opnam uit de waterplassen van de straat4 ,en ,judas doopte ook de hand in het glinsterende water en trachtte den zonneschijn op te vangen4 ,maar die liet zich door hem niet vangen4 ,die gleed tusschen zijn vingers door en hoe snel hij ook probeerde de handen te roeren om hem te grijpen1 de zonneglans sloop weg en hij kon geen nieuwe kleur aan zijn arme vogels geven4 ,wacht1 ,judas6 zei ,jezus4 ,ik zal bij je komen en je vogels verven4 ,neen1 zei ,judas1 je moogt er niet aankomen1 ze zijn mooi genoeg1 zooals ze zijn4 ,hij stond op met gefronste wenkbrauwen en opeengeklemde lippen4 ,en hij zette zijn breeden voet op de vogels en veranderde den een na den ander in een klein platgetrapt klompje klei4 ,toen al zijn vogels vernield waren1 ging hij naar ,jezus1 die zijn kleien vogeltjes zat te streelen1 die glinsterden als juweelen4 ,judas bekeek ze een poosje zwijgend1 toen hief hij zijn voet op en vertrapte er een van4 ,toen hij zijn voet terugtrok en 't vogeltje in een propje klei veranderd zag1 gaf hem dit zulk een verlichting1 dat hij begon te lachen1 en hij hief den voet op om er nog een te vertrappen4 ,judas6 riep ,jezus1 wat doe je8 weet je niet1 dat ze leven en kunnen zingen8 ,maar ,judas lachte en vertrapte een tweeden vogel4 ,jezus keek rond naar hulp4 ,judas was groot en sterk en ,jezus had geen kracht om hem terug te houden4 ,hij keek naar zijn moeder4 ,zij was niet ver weg1 maar eer zij bij hem was1 zou ,judas al zijn vogels kunnen vernielen4 ,jezus kreeg de oogen vol tranen4 ,judas had al vier van zijn vogels vertrapt1 er waren er nog maar drie over4 ,hij ergerde zich over zijn vogels1 die daar zoo stil stonden en zich lieten vertrappen1 zonder op het gevaar te letten4 ,jezus klapte in de handen en riep ze toe3 ,vliegt weg1 vliegt weg6 ,toen begonnen de drie vogels hun vleugeltjes te bewegen en angstig fladderend gelukte het hun toch op de dakgoot te komen1 waar ze veilig waren1 maar toen ,judas zag1 dat de vogels de vleugels bewogen en wegvlogen op ,jezus' bevel1 begon hij te schreien4 ,hij rukte zich de haren uit het hoofd1 zooals hij de anderen had zien doen als ze in angst en droefheid waren en wierp zich aan ,jezus' voeten4 ,en daar bleef hij liggen en wentelde zich in 't stof1 en kuste ,jezus' voeten en smeekte hem zijn voet op te heffen en hem te vertrappen1 zooals hij het zijn speelgoed gedaan had4 ,want ,judas had ,jezus lief1 en bewonderde hem1 en aanbad hem--en haatte hem tegelijk4 ,maar ,maria1 die al dien tijd op het spel der kinderen gelet had1 stond nu op4 ,zij hief ,judas op van den grond1 nam hem op haar schoot en liefkoosde hem4 ,arm kind1 zei ze4 ,je weet niet1 dat je iets geprobeerd hebt wat geen schepsel kan4 ,doe dat nooit weer1 want dan wordt je de ongelukkigste mensch van de wereld4 ,hoe zou het ons gaan1 als we probeerden een wedstrijd aan te gaan met ,hem1 die met zonneschijn schildert en den adem des levens in de doode klei blaast8 ,,in ,,den ,,tempel4 ,er waren eens arme menschen3 een man1 een vrouw en een kind1 die in den grooten tempel te ,jeruzalem rondliepen4 ,hun zoontje was zulk een mooi kind4 ,hij had krullend haar en oogen die straalden als sterren4 ,de zoon was niet in den tempel geweest1 sinds hij groot genoeg was om te begrijpen wat hij zag en nu gingen zijn ouders met hem rond en lieten hem alle heerlijkheden zien4 ,daar waren lange zuilenrijen1 vergulde altaren1 heilige mannen1 die hun leerlingen zaten te onderwijzen1 de hoogepriesters met hun versierselen van edelsteenen1 het voorhang uit ,babylon1 met gouden rozen doorweven1 en de groote koperen poorten1 die z zwaar waren1 dat er dertig man voor noodig waren om ze op haar hengsels te doen draaien4 ,maar de kleine jongen1 die pas twaalf jaar oud was1 gaf niet zooveel om dat alles4 ,zijn moeder zei hem1 dat wat ze hem nu lieten zien het merkwaardigste op de wereld was4 ,zij zei hem1 dat het nog wel lang duren kon eer hij weer zooiets zag4 ,in het arme ,nazareth1 waar zij woonden1 was niets anders dan grijze straten om naar te kijken4 ,maar haar vermaningen hielpen niet veel4 ,de kleine jongen keek alsof hij graag was weggeloopen uit dien prachtigen tempel en in plaats daarvan verlof had willen hebben om naar buiten te loopen en in de nauwe straat te ,nazareth te spelen4 ,maar het was eigenaardig3 hoe onverschilliger de jongen zich toonde1 des te opgewekter en vroolijker werden de ouders1 zij knikten elkaar toe over zijn hoofd en waren een en al tevredenheid4 ,eindelijk zag de kleine er zoo moe en uitgeput uit1 dat de moeder medelijden met hem kreeg4 ,nu hebben we te lang met je geloopen1 zei ze4 ,kom1 nu moet je een poosje rusten4 ,ze ging zitten bij een pilaar en zei1 dat hij op den grond moest gaan liggen1 met het hoofd in haar schoot4 ,en dat deed hij en sliep spoedig in4 ,nauwelijks was hij in slaap of de vrouw zei tegen den man3 ,ik heb nergens zoo tegen opgezien als tegen het oogenblik1 dat hij hier zou komen in den tempel te ,jeruzalem4 ,ik meende1 dat als hij dit huis van ,god zag hij hier altijd zou willen blijven4 ,ik ben ook bang geweest voor deze reis1 zei de man4 ,toen hij geboren werd1 zijn er zooveel teekenen geschied1 die er op wezen dat hij een machtig heerscher zou worden4 ,maar wat beteekent de waardigheid van een koning onder deze bekommeringen en gevaren8 ,ik heb altijd gezegd1 dat het voor hem en ons het beste was1 als hij nooit anders werd dan een timmerman in ,nazareth4 ,al sinds zijn vijfde jaar1 zei de moeder nadenkend1 zijn er geen wonderen meer met hem gebeurd4 ,en hij zelf herinnert zich niets meer van wat er in zijn eerste kindsheid gebeurd is4 ,hij is nu heelemaal een kind met andere kinderen4 ,gods wil geschiede boven alles1 maar ik begin bijna te hopen1 dat de ,heer in ,zijn genade een ander zal kiezen voor die groote roeping1 en ,hij mij mijn zoon zal laten behouden4 ,wat mij betreft1 zei de man1 ik ben er in elk geval zeker van1 dat1 als hij niets hoort van de teekenen en wonderen1 die er in zijn eerste levensjaren gebeurd zijn1 alles goed zal gaan4 ,ik spreek nooit met hem over dat wonderbare1 zei de vrouw4 ,maar ik ben altijd bang1 dat er buiten mijn toedoen iets gebeuren kan1 waardoor hij begrijpt wie hij is4 ,vooral ben ik er bang voor geweest hem hier naar dezen tempel te brengen4 ,ge moogt blij zijn1 dat het gevaar nu voorbij is1 zei de man4 ,we zullen hem nu gauw weer thuis hebben in ,nazareth4 ,ik ben bang geweest voor de wijze mannen in den tempel1 zei de vrouw4 ,ik was bang voor de profeten1 die hier op hun matten zitten4 ,ik dacht1 dat als hij hun onder de oogen kwam1 ze zouden opstaan en zich neerbuigen voor het kind en hem begroeten als den koning van ,judea4 't ,is wonderlijk1 dat ze zijn heerlijkheid niet voelen4 ,zulk een kind hebben ze nog nooit gezien4 ,ze zat een poos zwijgend naar het kind te kijken4 ,ik kan 't bijna niet begrijpen1 zei ze4 ,ik dacht dat1 als hij die rechters zag1 die zitten in 't huis van den ,heilige en de twisten der menschen beslechten1 en die leeraars1 die tot hun leerlingen spreken en de priesters1 die den ,heer dienen1 hij opeens wakker zou worden en zeggen3 ,hier1 bij die rechters1 die leeraars1 die priesters wil ik leven1 daarvoor ben ik geboren4 ,wat zou dat voor een geluk zijn1 in deze zuilengangen opgesloten te zitten8 viel de man haar in de rede4 't ,is beter voor hem rond te dwalen op de heuvels en bergen om ,nazareth4 ,de moeder zuchtte even4 ,hij is zoo gelukkig bij ons thuis1 zei ze4 ,wat is hij niet blij1 als hij met de schaapherders mee mag op hun eenzame zwerftochten1 of op 't veld gaan1 om te zien naar het werk der landlieden8 ,ik kan niet gelooven1 dat we verkeerd doen1 door te trachten hem voor ons te behouden4 ,wij besparen hem een groote smart1 zei de man4 ,zoo spraken zij door tot het kind wakker werd4 ,zie zoo1 zei de moeder1 ben je nu uitgerust8 ,sta nu op1 want het loopt tegen den avond en wij moeten naar onze slaapplaatsen terug4 ,zij waren in het afgelegenste gedeelte van het gebouw toen zij den tocht naar den uitgang aanvingen4 ,een oogenblik later moesten zij door een oud gewelf1 dat was blijven staan in den tijd1 toen er voor 't eerst een tempel gebouwd werd op dezen plaats1 en daar tegen den muur geleund stond een oude koperen bazuin1 reusachtig groot en zwaar1 bijna als een zuil1 die men voor den mond kon zetten en bespelen4 ,die stond daar gedeukt en gegroefd1 vol stof en spinnewebben van buiten en van binnen1 omgeven door een nauwlijks zichtbare rij oude letters4 ,duizenden jaren waren zeker voorbijgegaan1 sedert iemand getracht had er een toon uit te halen4 ,maar toen de knaap die groote bazuin zag1 bleef hij verwonderd staan4 ,wat is dat daar8 vroeg hij4 ,dat is de groote bazuin1 die de ,stem van den ,wereldvorst heet1 antwoordde de moeder4 ,daarme riep ,mozes de kinderen ,israls bijeen1 toen ze in de woestijn verspreid waren4 ,niemand heeft na dien tijd er ook maar een enkelen toon uit kunnen krijgen4 ,maar hij die dat kan1 zal alle volken der aarde onder zijn heerschappij brengen4 ,zij lachte hierom2 ze geloofde1 dat het een oude sage was1 maar de knaap bleef bij de groote bazuin staan1 tot ze hem riep4 ,die bazuin was het eerste van al1 wat hij in den tempel gezien had1 dat hem aantrok4 ,hij had er bij willen blijven staan om haar lang en goed te bekijken4 ,zij hadden niet lang geloopen1 toen ze in een grooten breeden tempelhof kwamen4 ,hier was in den berggrond zelf een kloof1 diep en breed1 die al van oudsher zoo geweest was4 ,die spleet had koning ,salomo willen vullen toen hij den tempel bouwde4 ,geen brug had hij er over gelegd1 geen slagboom had hij opgericht bij den steilen afgrond4 ,hij had over de kloof een kling van staal gespannen1 die verscheidene ellen lang was1 scherp geslepen en met den scherpen kant naar boven lag1 en na een oneindig aantal jaren en veranderingen lag de kling nog over den afgrond4 ,nu was die toch bijna geheel verroest2 aan de einden zat hij niet meer goed vast1 maar trilde en schommelde1 zoodra iemand met zware stappen over den tempelhof ging4 ,toen de moeder den knaap met een omweg langs de kloof leidde1 vroeg hij haar3 ,wat is dat voor een brug8 ,die is daar neergelegd door koning ,salomo1 antwoordde de moeder1 en wij noemen die de ,paradijsbrug4 ,als je die kloof kunt oversteken op die zwaaiende brug1 waarvan de scherpe kant dunner is dan een zonnestraal1 kun je er zeker van zijn in het ,paradijs te komen4 ,en ze lachte en liep haastig verder1 maar de knaap bleef staan en zag naar de smalle1 trillende kling1 tot ze hem riep4 ,toen hij haar gehoorzaamde1 zuchtte hij er over1 dat ze hem die twee wonderbare dingen niet eerder had laten zien1 zoodat hij tijd genoeg gehad had om ze te bekijken4 ,zij gingen nu door1 zonder opgehouden te worden tot ze de groote ingangspoort bereikten met haar vijfdubbele zuilenrijen4 ,hier stonden in een hoek een paar pilaren van zwart marmer1 op hetzelfde voetstuk1 z dicht bij elkaar1 dat er nauwelijks een strootje tusschen door kon gestoken worden4 ,zij waren hoog en majestueus1 met rijk versierde kapiteelen1 waarom een rij van wonderlijk gevormde dierenkoppen liep4 ,maar geen duimbreed van die mooie zuilen was zonder schrammen en scheuren1 zij waren 't meest beschadigd en versleten van alles wat in den tempel was4 ,zelfs de vloer er omheen was glad afgesleten en was uitgehold door vele voetstappen4 ,weer hield de knaap zijn moeder staande en vroeg haar3 ,wat zijn dit voor pilaren8 ,dat zijn zuilen1 die vader ,abraham heeft meegebracht naar ,palestina van uit het verre ,chaldea1 en die hij de ,poort der ,rechtvaardigheid noemde4 ,hij1 die daar door kan komen1 is rechtvaardig voor ,god en hij heeft nooit een zonde begaan4 ,de knaap bleef staan en zag met groote oogen naar de zuilen4 ,je zult wel niet probeeren er door te komen1 zei de moeder lachend4 ,je ziet hoe de vloer er omheen versleten is door de velen1 die geprobeerd hebben door de nauwe opening te komen1 maar je kunt wel denken1 dat het niemand gelukt is4 ,maar haast je nu6 ,ik hoor het gedreun van de koperen poorten1 de dertig tempeldienaars zetten er hun schouders tegen om ze in beweging te brengen4 ,maar den ganschen nacht lag de knaap wakker in de tent en hij zag niet anders vr zich dan de ,poort der ,rechtvaardigheid1 de ,paradijsbrug en de ,stem van den ,wereldvorst4 ,van zulke wonderbare dingen had hij vroeger nooit gehoord1 en hij kon ze maar niet vergeten4 ,en den volgenden morgen was het niet beter3 hij kon aan niets anders denken4 ,dien morgen zouden zij naar huis gaan4 ,zijn ouders hadden veel te doen1 eer ze de tent opgebroken en op een grooten kameel geladen hadden1 en alles in orde gebracht was4 ,zij zouden niet alleen reizen1 maar met veel familieleden en buren1 en omdat er zooveel menschen waren1 die op reis moesten1 ging het pakken natuurlijk heel langzaam4 ,de knaap hielp niet bij het werk4 ,midden in de drukte en de verwarring zat hij stil aan die drie wonderbare dingen te denken4 ,plotseling kwam hij op de gedachte1 dat hij naar den tempel moest gaan om ze nog eens te zien4 ,er was nog zooveel1 dat ingepakt moest worden4 ,hij zou wel voor de afreis uit den tempel terug kunnen zijn4 ,hij haastte zich voort1 zonder iemand te zeggen waar hij heen wilde4 ,hij vond dat niet noodig4 ,hij zou immers gauw terug zijn4 ,het duurde niet lang of hij had den tempel bereikt en kwam in de portiek1 waar de twee zwarte zusterzuilen stonden4 ,zoodra hij die zag1 begonnen zijn oogen te schitteren van vreugd4 ,hij ging bij haar op den grond zitten en zag naar ze op4 ,als hij er aan dacht1 dat hij1 die zich tusschen die twee zuilen door kon dringen1 rechtvaardig was voor ,god en nooit een zonde begaan had1 vond hij1 dat hij nooit zoo iets wonderbaars gezien had4 ,hij dacht er aan1 hoe heerlijk het zijn zou1 zich tusschen die twee zuilen door te dringen4 ,maar zij stonden z dicht bij elkaar1 dat het zelfs onmogelijk was het te beproeven4 ,zoo zat hij ruim een uur voor de zuilen zonder het te weten4 ,hij meende1 dat hij ze maar een korten tijd had bekeken4 ,maar nu waren in de prachtige portiek1 waar de knaap zat1 de rechters van den ,hoogen ,raad bijeen om het volk te helpen hun twisten te beslechten4 ,de heele portiek was vol menschen1 die klaagden over grenssteenen1 die verzet waren1 over schapen1 die van de kudde waren weggevoerd en met valsche merken voorzien1 en over schuldenaren1 die hun schulden niet wilden betalen4 ,onder anderen kwam een rijk man1 gekleed in slepende purperen kleederen1 en bracht voor het gerecht een arme weduwe1 die hem eenige sikkelen zilver schuldig zou zijn4 ,de arme vrouw jammerde en zei1 dat de rijke onrechtvaardig handelde4 ,zij had hem haar schuld al eens betaald en nu wilde hij haar dwingen het nog eens te doen4 ,maar dat kon ze niet4 ,zij was zoo arm dat zij1 als de rechters haar veroordeelden te betalen1 genoodzaakt zou zijn aan den rijke haar dochters als slavinnen over te geven4 ,hij1 die op den hoogsten rechterstoel zat1 wendde zich tot den rijken man1 en zei tot hem3 ,durft ge er een eed op doen1 dat die arme vrouw u nog niet betaald heeft8 ,toen antwoordde de rijke3 ,heer1 ik ben een rijk man2 zou ik de moeite nemen mijn geld van deze arme weduwe op te eischen1 als ik daar geen recht op had8 ,ik zweer dat1 zoo waarachtig als nooit iemand zal gaan door de ,poort der ,rechtvaardigheid1 zoo waarachtig is deze vrouw mij de som schuldig1 die ik van haar begeer4 ,toen de rechters dien eed hoorden1 geloofden zij wat hij zeide en deden uitspraak1 dat de arme weduwe hem haar dochters als slavinnen zou geven4 ,maar de knaap zat dichtbij en hoorde dit alles4 ,hij dacht bij zich zelf3 ,wat zou het goed zijn1 als iemand door de ,poort der ,rechtvaardigheid kon dringen4 ,die rijke man daar spreekt stellig de waarheid niet4 ,het is vreeselijk voor die arme vrouw1 genoodzaakt te zijn haar dochters tot slavinnen te maken4 ,hij sprong op het voetstuk1 waarvan de twee zuilen omhoog stegen1 en keek door de spleet4 ,ach1 was het toch maar niet heelemaal onmogelijk1 dacht hij4 ,hij was zoo bedroefd ter wille van die arme vrouw4 ,nu dacht hij er heelemaal niet aan1 dat hij1 die door deze poort drong1 rechtvaardig en zonder zonde zou zijn4 ,hij wilde er alleen maar doorkomen ter wille van die arme vrouw4 ,hij zette zijn schouder in de reet1 tusschen de zuilen1 als om zich een weg te banen4 ,en op dat oogenblik zagen alle menschen1 die onder de portiek stonden1 naar de ,poort der ,rechtvaardigheid4 ,want het dreunde in het gewelf1 en de oude zuilen zongen1 en zij bewogen zich op zij1 de een rechts en de ander links1 en lieten zulk een groote ruimte over1 dat het tengere lichaam van den jongen er tusschen door kon4 ,dat wekte de grootste verbazing en ontroering4 ,in het eerste oogenblik wist niemand wat hij zeggen moest4 ,de menschen stonden maar te kijken naar dien kleinen jongen1 die zulk een wonder verricht had4 ,de eerste1 die tot zich zelf kwam1 was de oudste van de rechters4 ,hij riep1 dat men den rijken koopman grijpen zou en hem voor de rechtbank brengen4 ,en hij veroordeelde hem al zijn bezittingen aan de arme weduwe te geven1 omdat hij een valschen eed gezworen had in ,gods tempel4 ,toen dit was uitgemaakt1 vroeg de rechter naar den knaap1 die door de ,poort der ,rechtvaardigheid gedrongen was4 ,maar toen de menschen rondkeken om hem te vinden was hij verdwenen4 ,want op hetzelfde oogenblik1 dat de pilaren van elkaar gleden1 was hij als uit een droom ontwaakt1 en had hij zich zijn ouders en de reis naar huis herinnerd4 ,nu moet ik mij haasten1 dacht hij2 anders moeten mijn ouders op mij wachten4 ,maar hij wist er niets van1 dat hij een heel uur gezeten had voor de ,poort der ,rechtvaardigheid2 hij dacht1 dat hij er maar een paar minuten gebleven was4 ,daarom meende hij1 dat hij nog wel tijd had even naar de ,paradijsbrug te kijken1 die in een heel ander gedeelte van den grooten tempel lag4 ,maar toen hij de scherpe stalen kling zag1 die over de kloof was gespannen1 en er aan dacht1 dat de mensch1 die over die brug daar kon gaan1 er zeker van was in het ,paradijs te zullen komen1 vond hij1 dat dit het merkwaardigste was1 dat hij ooit gezien had4 ,en hij ging op den rand van de kloof zitten om de kling te bekijken4 ,hij zat er aan te denken hoe heerlijk het moest zijn in het ,paradijs te komen en hoe graag hij over die brug zou loopen4 ,maar op hetzelfde oogenblik zag hij in1 dat het volslagen onmogelijk was het zelfs maar te probeeren4 ,en zoo zat hij twee uur lang te peinzen4 ,maar hij wist er niets van1 dat de tijd voorbijging4 ,hij zat maar aan het ,paradijs te denken4 ,maar nu was het zoo1 dat op de plaats1 waar die diepe kloof zich bevond1 een groot offer-altaar was opgericht4 ,en daaromheen liepen witgekleede priesters1 die het vuur op het altaar moesten aanhouden en offergaven aannemen4 ,op de plaats stonden ook velen1 die offers kwamen brengen en een groote menigte1 die alleen de godsdienstoefening bijwoonden4 ,daar kwam ook een arme1 oude man1 die een heel klein mager lammetje droeg1 dat nog op den koop toe door een hond gebeten was1 zoodat het een groote wond had4 ,de man ging naar de priesters met dit lam en vroeg of hij dit mocht offeren1 maar dat weigerden zij4 ,zij zeiden1 dat hij zulk een ellendig geschenk den ,heer niet aanbieden kon4 ,de oude smeekte1 dat zij uit barmhartigheid het lam zouden aannemen1 want zijn zoon lag op sterven4 ,hij bezat niets anders wat hij aan ,god kon offeren voor zijn genezing4 ,ge moet mij dit offer laten brengen1 zei hij2 anders komt mijn gebed niet voor ,gods aangezicht en mijn zoon zal sterven4 ,ge kunt gerust gelooven1 dat ik medelijden met u heb1 zei de priester2 maar het is bij de wet verboden een beschadigd dier te offeren4 ,het is even onmogelijk aan uw verzoek te voldoen1 als het is over de ,paradijsbrug te loopen6 ,de knaap zat zoo dicht bij1 dat hij alles hoorde4 ,hij dacht er dadelijk aan hoe jammer het was1 dat niemand over die brug kon komen4 ,misschien kon die arme zijn zoon behouden als het lam geofferd werd4 ,de oude man ging bedroefd weg uit den tempelhof4 ,maar de knaap stond op1 ging naar de trillende brug en zette er zijn voet op4 ,hij dacht er in 't geheel niet aan1 dat hij er over wilde gaan om zeker te zijn van het ,paradijs4 ,zijn gedachten waren bij den arme1 dien hij verlangde te helpen4 ,maar hij trok de voet terug1 want hij dacht3 ,dat is onmogelijk2 zij is veel te oud en roestig1 zij kan mij niet eens dragen4 ,meer dan eens gingen zijn gedachten naar den arme1 wiens zoon op sterven lag en weer zette hij den voet op de kling4 ,toen merkte hij1 dat die ophield te trillen en hij voelde haar breed en vast onder zijn voet4 ,en toen hij den volgenden stap deed1 voelde hij1 dat de lucht om hem heen hem ondersteunde1 zoodat hij niet kon vallen4 ,die droeg hem1 alsof hij een vogel geweest was en vleugels had4 ,maar uit de gespannen kling trilde een lieflijke toon1 toen de knaap er over ging1 en een van hen1 die in den hof stonden1 wendde zich om1 toen hij dien toon hoorde4 ,hij gaf een kreet en nu keerden zich ook de anderen om en zij zagen den kleinen jongen1 die over de stalen kling liep4 ,en er was groote ontroering en verbazing over allen1 die daar stonden4 ,de eersten1 die tot bezinning kwamen1 waren de priesters4 ,zij zonden dadelijk een bode naar den arme1 en toen hij terugkwam1 zeiden ze tot hem3 ,god heeft een wonder gedaan1 om ons te toonen1 dat hij uw geschenk wil aanvaarden4 ,geef ons uw lam1 dan zullen wij het offeren4 ,en toen dit gebeurd was1 vroegen ze naar den kleinen jongen1 die over de kloof was geloopen1 maar toen zij naar hem zochten1 konden ze hem niet vinden4 ,want juist1 toen de knaap over den afgrond geloopen was1 had hij weer gedacht aan de thuisreis en aan zijn ouders4 ,hij wist er niets van1 dat de morgen en voormiddag nu voorbij waren1 maar hij dacht3 ,ik moet nu gauw teruggaan1 zoodat zij niet op mij behoeven te wachten4 ,ik wil toch eerst gauw even heengaan1 om te kijken naar de ,stem van den ,wereldvorst4 ,en hij sloop weg tusschen het volk en haastte zich op vlugge voeten naar den donkeren zuilengang1 waar de koperen bazuin tegen den muur geleund stond4 ,toen hij die zag en er aan dacht1 dat hij indien hij daar een toon aan ontlokken kon1 eens alle volken der aarde onder zijn heerschappij zou vereenigen1 vond hij1 dat hij nooit iets zoo merkwaardigs gezien had4 ,en hij ging naast de bazuin zitten om die te bekijken4 ,hij dacht er aan1 hoe grootsch het zou wezen alle menschen der aarde te kunnen overwinnen en hoe graag hij wilde1 dat hij in die oude bazuin zou kunnen blazen4 ,maar hij begreep1 dat dit onmogelijk was1 zoodat hij het niet eens durfde probeeren4 ,zoo zat hij verscheidene uren1 maar hij wist niet1 dat de tijd voorbij ging4 ,hij dacht er alleen aan wat dt wel voor een gevoel zou zijn1 alle menschen der aarde onder zijn heerschappij te vereenigen4 ,maar nu was het zoo1 dat in die koele zuilengang een heilig man zat en zijn leerlingen onderwees4 ,en hij wendde zich nu tot een van de jongelingen1 die aan zijn voeten zaten en zei hem1 dat hij een bedrieger was4 ,anderen hadden hem verraden1 zei de heilige1 dat deze jongeling een vreemde was en geen ,israliet4 ,en nu vroeg hem de heilige1 waarom hij zich tusschen zijn leerlingen had ingedrongen onder een valschen naam4 ,toen stond de vreemde jongeling op en zeide1 dat hij door woestijnen geloopen had en over groote zeen gevaren was1 om de ware wijsheid te hooren en de leer van den eenigen ,god4 ,mijn ziel versmachtte van verlangen1 zei hij tot den heilige2 maar ik wist1 dat gij mij niet zoudt willen leeren1 als ik niet zeide1 dat ik een ,israliet was4 ,daarom heb ik gelogen1 opdat aan mijn verlangen voldaan zou worden1 en ik smeek u1 laat mij bij u blijven4 ,maar de heilige stond op en hief de armen ten hemel4 ,gij zult evenmin bij mij blijven als daar iemand zal komen en blazen op die groote koperen bazuin1 die wij de ,stem van den ,wereldvorst noemen4 ,het is u niet eens geoorloofd deze plaats in den tempel te betreden1 daar gij een heiden zijt4 ,spoed u weg van hier1 anders zullen mijn leerlingen u aanvallen en verscheuren1 omdat uw tegenwoordigheid den tempel ontheiligt4 ,maar de jongeling bleef staan en zeide3 ,ik wil nergens anders heengaan1 waar mijn ziel toch geen voedsel vindt4 ,ik wil liever aan uw voeten sterven4 ,nauwelijks had hij dat gezegd1 of de leerlingen van den heilige stonden op om hem weg te drijven4 ,en toen hij zich verweerde1 wierpen zij hem op den grond en wilden hem dooden4 ,maar de knaap zat daar dichtbij1 zoodat hij dit alles hoorde en zag1 en hij dacht3 ,dit is zeer hard6 ,ach6 kon ik toch maar op de koperen bazuin blazen1 zoodat hij geholpen was4 ,hij stond op en legde de hand op de bazuin4 ,op dat oogenblik wenschte hij niet meer haar aan de lippen te brengen1 omdat hij1 die dat vermocht1 een groot heerscher zou worden1 maar omdat hij hoopte daarmee iemand te kunnen helpen1 wiens leven in gevaar was4 ,en hij greep de koperen bazuin met zijn handjes om te beproeven of hij haar oplichten kon4 ,toen voelde hij1 dat de reusachtige bazuin zich ophief tot zijn lippen4 ,en toen hij maar even ademde1 drong een sterk klinkende toon uit de bazuin en klonk door heel het groote tempelruim4 ,toen wendden allen hun oogen daarheen en zij zagen1 dat het een kleine jongen was1 die met de bazuin aan de lippen stond en er de klanken aan ontlokte1 die gewelven en zuilen deed trillen4 ,dadelijk zonken alle handen neer1 die zich hadden opgeheven om den vreemden jongeling te slaan1 en de heilige leeraar sprak tot hem3 ,kom1 en zet u aan mijn voeten1 waar gij tot nu toe gezeten hebt6 ,god heeft een wonder gedaan om mij te toonen1 dat het ,zijn wil is1 dat ge wordt ingewijd in ,zijn dienst4 ,tegen den avond van dien dag kwamen een man en een vrouw haastig aan op den weg naar ,jeruzalem4 ,zij zagen er verschrikt en onrustig uit en zij riepen ieder1 dien zij tegenkwamen1 toe3 ,wij hebben onzen zoon verloren4 ,wij meenden1 dat hij met onze familieleden en buren was meegegaan1 maar niemand van hen heeft hem gezien4 ,is een van u op weg ook voorbij een alleenloopend kind gereden8 ,zij1 die uit ,jeruzalem kwamen1 antwoordden3 ,wij hebben uw zoon niet gezien1 maar in den tempel zagen wij een heerlijk kind4 ,hij was als een engel uit den hemel en hij is gegaan door de ,poort der ,rechtvaardigheid4 ,ze zouden dit graag heel nauwkeurig verteld hebben1 maar de ouders hadden geen tijd om te luisteren4 ,toen zij een eind geloopen hadden1 kwamen zij andere menschen tegen en vroegen het hun4 ,maar zij1 die van ,jeruzalem kwamen1 wilden alleen vertellen van een heerlijk kind1 dat er uitzag alsof het uit den ,hemel gekomen was en dat geloopen had over de ,paradijsbrug4 ,zij hadden graag over dit alles staan praten tot laat in den avond1 maar de man en de vrouw hadden geen tijd om naar hen te luisteren1 maar haastten zich de stad in4 ,zij gingen de eene straat na de andere in en uit zonder hem te vinden4 ,eindelijk kwamen zij aan den tempel4 ,toen zij daar voorbijgingen1 zei de vrouw3 ,nu we toch hier zijn1 laat ons nu naar binnen gaan1 om te zien wat het voor een kind is1 waarvan ze zeggen1 dat het uit den ,hemel is gekomen4 ,zij gingen naar binnen en vroegen waar ze het kind konden zien4 ,ga recht uit1 tot waar de heilige leeraren met hun leerlingen zitten2 daar is het kind4 ,de ouden hebben hem tusschen zich in gezet4 ,zij vragen hem en hij vraagt hun en allen verwonderen ze zich over hem4 ,maar alle menschen blijven staan voor den tempelhof1 alleen om een glimp te zien van hem1 die de ,stem van den ,wereldvorst aan zijn lippen heeft gebracht4 ,de man en de vrouw baanden zich een weg door het volk en zij zagen dat het kind1 dat bij de wijze leeraren zat1 hun zoon was4 ,maar zoodra de vrouw het kind herkende1 begon ze te schreien4 ,en de knaap1 die bij de wijze mannen zat1 hoorde dat iemand schreide4 ,en hij herkende de stem van zijn moeder4 ,toen stond hij op en kwam bij zijn moeder1 en de vader en de moeder namen hem tusschen zich in en gingen met hem uit den tempel4 ,maar al dien tijd bleef de moeder schreien en het kind vroeg3 ,waarom weent ge8 ,ik kwam immers bij u1 zoodra ik uw stem hoorde8 ,zou ik niet schreien8 zei de moeder2 ik meende dat je voor mij verloren waart4 ,zij gingen de stad uit en het duister viel4 ,en nog altijd schreide de moeder4 ,waarom schreit ge8 vroeg het kind2 ik wist niet dat de dag voorbij was4 ,ik dacht1 dat het nog morgen was1 en ik kwam bij u1 zoodra ik uw stem hoorde4 ,zou ik niet schreien8 zei de moeder2 ik heb je den heelen dag gezocht2 ik meende dat je voor mij verloren waart4 ,zij liepen den heelen nacht door en aldoor schreide de moeder4 ,bij het aanbreken van den dag zei het kind3 ,waarom schreit ge8 ik heb niet mijn eigen eer gezocht1 maar ,god heeft mij wonderen laten doen1 omdat ,hij deze drie arme menschen helpen wilde en zoodra ik uw stem hoorde1 kwam ik weer bij u terug4 ,mijn zoon1 antwoordde de moeder1 ik schrei1 omdat ge toch voor mij verloren zijt4 ,mij zult ge nooit meer toebehooren4 ,van nu af aan zal uw geheele streven zijn3 rechtvaardigheid1 en uw verlangen zal uitgaan naar het ,paradijs en uw liefde zal alle arme menschen omvatten1 die de aarde bevolken4 ,,de ,,zweetdoek ,,van ,,de ,,heilige ,,veronica4 ,i4 ,in een van de laatste jaren van de regeering van keizer ,tiberius gebeurde het1 dat een arme wijngaardarbeider en zijn vrouw zich neerzetten in een eenzame hut1 hoog in de ,sabijnsche bergen4 ,zij waren vreemden en leefden in de grootste eenzaamheid1 zonder ooit van iemand bezoek te ontvangen4 ,maar op een morgen1 dat de arbeider zijn deur opendeed1 vond hij tot zijn verbazing een oude vrouw1 ineengedoken op den drempel zitten4 ,zij was in een eenvoudigen grijzen mantel gewikkeld en zag er uit alsof ze heel arm was4 ,maar niettegenstaande dat1 kwam ze hem zoo eerbiedwaardig voor1 toen ze opstond en hem te gemoet ging1 dat hij onwillekeurig denken moest aan wat de sagen vertellen van godinnen1 die in de gedaante van een oude vrouw de menschen bezocht hadden4 ,mijn vriend1 zei de oude tegen den arbeider1 ge moet u er niet over verwonderen1 dat ik vannacht op uw drempel geslapen heb4 ,mijn ouders hebben in deze hut gewoond en hier werd ik voor bijna negentig jaar geboren4 ,ik had gedacht1 ze leeg en verlaten te vinden4 ,ik wist niet1 dat menschen haar opnieuw in bezit genomen hadden4 ,het verbaast mij niet1 dat gij meendet1 dat een hut1 die zoo hoog in deze woeste bergen ligt1 leeg en verlaten zou staan1 zei de arbeider2 maar mijn vrouw en ik komen uit een ver land1 en wij arme vreemdelingen hebben geen beter huis kunnen vinden4 ,en voor u1 die hongerig en moe moet zijn na die lange wandeling1 die ge in uw hoogen ouderdom ondernomen hebt1 moet het beter zijn1 dat de hut door menschen bewoond wordt1 dan door wolven van de ,sabijner bergen4 ,nu vindt ge toch daarbinnen een bed om op te rusten1 een schotel geitenmelk en een stuk brood1 als ge dat voor lief wilt nemen4 ,de oude glimlachte even1 maar dat lachje was zoo vluchtig1 dat het de uitdrukking van diepe smart niet kon verdrijven1 die op haar gezicht rustte4 ,ik heb mijn heele jeugd hier in de bergen doorgebracht1 zei ze2 ik ben de kunst nog niet vergeten een wolf uit zijn hol te verdrijven4 ,en ze zag er werkelijk zoo sterk en krachtig uit1 dat de arbeider er niet aan twijfelde1 dat zij1 niettegenstaande haar hoogen ouderdom1 nog kracht genoeg had om te strijden met de wilde dieren in het bosch4 ,hij herhaalde intusschen zijn uitnoodiging en de oude vrouw trad de kamer binnen4 ,zij zette zich aan den maaltijd met de arme lieden en nam daaraan deel zonder aarzelen4 ,maar hoewel zij heel tevreden scheen met het grove brood in melk geweekt1 dachten de man en de vrouw beiden3 ,waar kan toch die oude zwerfster vandaan komen8 ,zij heeft zeker vaker faisanten van zilveren schotels gegeten1 dan zij geitenmelk heeft gedronken uit aarden schotels4 ,nu en dan hief zij haar oogen op van den grond en keek rond1 alsof ze trachten wilde alles in de hut te herkennen4 ,de armoedige woning met haar kale wanden van klei en haar aarden vloer waren zeker niet veel veranderd4 ,zij wees zelfs haar gastheer en gastvrouw hoe op de muren nog enkele sporen te zien waren van honden en herten1 die haar vader daar geteekend had tot vermaak van zijn kleine kinderen4 ,en op een plank in de hoogte meende zij nog de scherven te zien van een aarden vat1 waarin zij zelf de melk placht te gieten4 ,maar de man en de vrouw dachten3 ,het zal zeker wel waar zijn1 dat zij in deze hut geboren is1 maar zij heeft toch wel anders in het leven te doen gehad dan geiten melken en boter en kaas maken4 ,zij merkten ook1 dat zij dikwijls ver weg was met haar gedachten1 en dat ze diep en zwaar zuchtte zoo vaak ze tot zichzelf kwam4 ,eindelijk stond ze op van den maaltijd4 ,ze dankte vriendelijk voor de gastvrijheid1 die ze genoten had en ging naar de deur4 ,maar toen kwam het den arbeider voor1 dat zij zoo deerniswaardig eenzaam en arm was1 dat hij uitriep3 ,als ik mij niet vergis1 was het uw plan niet1 zoo spoedig deze hut te verlaten1 toen ge vannacht hierheen kwaamt4 ,als ge werkelijk zoo arm zijt als ge schijnt1 zal het wel uw bedoeling geweest zijn1 hier al de jaren te blijven1 die ge nog te leven hadt4 ,maar nu wilt ge heengaan1 omdat mijn vrouw en ik de hut reeds in bezit genomen hebben4 ,de oude ontkende niet1 dat hij goed geraden had4 ,maar deze hut1 die zooveel jaren alleen gestaan heeft1 hoort evenzeer van u als van mij1 zei ze4 ,ik heb geen recht u daaruit te verdrijven4 ,maar het is toch de hut van uw ouders1 zei de arbeider2 en ge hebt er zeker meer recht op dan ik4 ,bovendien zijn wij jong en gij zijt oud4 ,daarom moet gij blijven en wij zullen heengaan4 ,toen de oude deze woorden hoorde1 was zij zeer verwonderd4 ,zij wendde zich om op den drempel en staarde den man aan1 alsof zij niet begrepen had wat hij met zijn woorden meende4 ,maar nu mengde zich de jonge vrouw in 't gesprek3 ,als ik mocht doen wat ik wilde1 zei ze tegen den man1 zou ik die oude vrouw willen vragen1 of ze ons niet als haar kinderen beschouwen wil en ons hier bij haar laten blijven om haar op te passen4 ,wat zou het haar helpen1 of we haar al deze armoedige hut gaven en haar dan verlieten8 ,het zou vreeselijk voor haar zijn alleen hier in de wildernis te wonen en waar zou ze van leven8 ,het zou hetzelfde zijn als haar dood te laten hongeren4 ,maar de andere ging naar den man en de vrouw toe en keek ze onderzoekend aan4 ,waarom spreekt ge zoo1 vroeg ze2 waarom bewijst ge mij barmhartigheid8 ,ge zijt immers vreemdelingen8 ,toen antwoordde de jonge vrouw3 ,dat doen wij1 omdat we eenmaal zelf groote barmhartigheid ondervonden hebben4 ,,ii4 ,de oude vrouw kwam zoo inwonen in de hut van den arbeider en zij sloot groote vriendschap met de jongelieden4 ,maar toch zei ze hun nooit van waar ze gekomen was of wie ze was1 en zij begrepen1 dat ze het niet aangenaam zou gevonden hebben1 als zij het haar gevraagd hadden4 ,maar op een avond1 toen 't werk gedaan was en ze alle drie op den grooten platten steen voor de deur zaten en 't avondmaal gebruikten1 zagen zij een oud man het pad opkomen4 't ,was een groot en sterk gebouwd man1 met schouders zoo breed als die van een worstelaar4 ,op zijn gezicht lag een strakke1 sombere uitdrukking4 't ,voorhoofd stak vooruit over de diep liggende oogen1 en de lijnen om den mond spraken van bitterheid en verachting4 ,zijn houding was fier en zijn bewegingen waren snel4 ,de man droeg eenvoudige kleeren1 en de arbeider dacht zoodra hij hem zag3 ,die man is een oud soldaat1 een die uit den dienst ontslagen is en nu op weg naar huis is4 ,toen de vreemde dicht bij hen gekomen was bleef hij als in twijfel staan4 ,de arbeider1 die wist1 dat de weg een eind boven de hut doodliep1 legde zijn lepel neer en riep hem toe3 ,zijt ge verdwaald1 vreemdeling1 dat ge bij deze hut komt8 ,niemand neemt de moeite hierheen te klimmen1 die niet een boodschap heeft voor ons1 die hier wonen4 ,terwijl hij zoo vroeg kwam de vreemdeling dichter bij3 ,ja1 't is zooals ge zegt1 zei hij4 ,ik ben verdwaald en nu weet ik niet waar ik heen moet4 ,als ge me hier een poos wilt laten uitrusten en mij dan zeggen welken weg ik moet inslaan om bij een hoeve te komen1 zal ik heel dankbaar zijn4 ,met deze woorden nam hij plaats op een van de steenen1 die voor de hut lagen4 ,de jonge vrouw vroeg of hij geen deel aan hun maaltijd wilde nemen1 maar hij wees dat glimlachend af4 ,daarentegen was hij zeer geneigd met hen te spreken2 onder het eten vroeg hij de jonge menschen naar hun levenswijze en hun werk en zij antwoordden opgeruimd en openhartig4 ,maar plotseling wendde de arbeider zich tot den vreemde en begon hem uit te hooren3 ,ge ziet hoe verlaten en eenzaam we wonen1 zei hij4 't ,is wel een jaar geleden1 dat ik iemand anders sprak dan herders en arbeiders in den wijngaard4 ,kunt gij1 die van een of ander leger komt1 ons niet wat vertellen van ,rome en van den keizer8 ,nauwelijks had de man dit gezegd of de jonge huismoeder merkte1 dat de oude vrouw hem een waarschuwenden blik toewierp1 en dat zij met de hand het teeken gaf1 dat men met zijn woorden voorzichtig moest zijn4 ,de vreemdeling antwoordde intusschen zeer vriendelijk3 ,ik begrijp1 dat ge me voor een soldaat aanziet1 en ge hebt geen ongelijk1 hoewel ik al lang geleden uit dienst gegaan ben4 ,onder de regeering van ,tiberius was er niet veel werk voor ons1 krijgslieden4 ,en toch was hij eens een groot veldheer4 ,dat was zijn gelukkige tijd4 ,nu denkt hij aan niets anders dan om zich te beschermen tegen samenzweringen4 ,in ,rome spreken alle menschen er over1 dat hij verleden week den senator ,titus heeft laten gevangen nemen en terechtstellen1--alleen op een verdenking4 ,die arme keizer1 hij weet niet meer wat hij doet1 barstte de jonge vrouw uit4 ,ze breidde de handen uit en schudde treurig en verwonderd het hoofd4 ,ge hebt werkelijk gelijk1 zei de vreemde1 terwijl een trek van diepe somberheid op zijn gezicht kwam4 ,tiberius weet1 dat alle menschen hem haten1 en dat brengt hem bijna tot waanzin4 ,wat zegt ge8 antwoordde de vrouw4 ,waarom zouden we hem haten8 ,wij beklagen hem alleen1 omdat hij niet meer zulk een groot keizer is als in 't begin van zijn regeering4 ,ge vergist u1 zei de vreemde4 ,alle menschen haten en verachten ,tiberius4 ,waarom zouden ze anders doen8 ,hij is niets dan een wreede en onbarmhartige tiran4 ,en in ,rome gelooft men1 dat hij van nu af aan nog erger wordt dan hij geweest is4 ,is er dan iets gebeurd1 dat hem tot een nog grooter monster maken zal dan hij al is8 vroeg de man4 ,toen hij dat zei1 merkte de huisvrouw1 dat de oude hem opnieuw een waarschuwend teeken gaf1 maar z in 't verborgen1 dat hij 't niet zien kon4 ,de vreemdeling antwoordde hem vriendelijk1 maar een eigenaardige glimlach gleed op hetzelfde oogenblik over zijn lippen4 ,ge hebt misschien hooren vertellen1 dat ,tiberius tot nu toe in zijn omgeving een vriendin had1 waarop hij vertrouwen kon en die hem altijd de waarheid zeide4 ,alle anderen1 die aan zijn hof leven1 zijn gelukzoekers en huichelaars1 die de booze en listige daden van den keizer evenzeer prijzen als zijn goede en edele4 ,toch was er1 zooals ik zei1 een enkele1 die nooit bang was hem te zeggen wat zijn daden waard waren4 ,die mensch1 die moediger was dan senatoren en veldheeren1 was de oude min van den keizer3 ,faustina4 ,dat is waar1 ik heb van haar gehoord1 zei de arbeider4 ,men heeft mij gezegd1 dat de keizer haar altijd groote vriendschap bewezen heeft4 ,ja1 ,tiberius wist haar genegenheid en trouw op prijs te stellen4 ,hij heeft die arme boerenvrouw1 die in een ellendig hutje op de ,sabijnerbergen geboren werd1 als zijn tweede moeder behandeld4 ,zoolang hij zelf zich in ,rome ophield1 liet hij haar wonen in een huis op het ,palatino1 om haar altijd in zijn nabijheid te hebben4 ,geen van ,rome's voornaamste matronen had het beter dan zij4 ,ze werd in een draagstoel door de straten gedragen en haar gewaad was als dat van een keizerin4 ,toen de keizer naar ,capri verhuisde1 moest zij hem daarheen vergezellen1 en hij liet daar voor haar een landgoed koopen vol slaven en kostbaar huisraad4 ,zij heeft het werkelijk goed gehad1 zei de man4 ,nu was hij het1 die alleen het gesprek met den vreemde gaande hield4 ,de jonge vrouw zat zwijgend de verandering na te gaan1 die er met de oude vrouw gebeurde4 ,reeds van 't oogenblik1 dat de vreemde gekomen was1 had zij geen woord meer gesproken4 ,zij had haar zacht en vriendelijk uiterlijk verloren4 ,zij had het eten van zich af geschoven en zat daar stijf en strak tegen den deurpost gedrukt4 ,zij staarde recht voor zich uit met een streng gezicht1 als versteend4 ,het was de bedoeling van den keizer1 dat zij een gelukkig leven zou hebben1 zei de vreemdeling1 maar niettegenstaande al zijn weldaden is zij hem nu ook ontrouw geworden4 ,de oude vrouw kromp ineen bij deze woorden1 maar de jonge vrouw legde troostend de hand op haar arm4 ,daarop begon ze te spreken met haar warme1 zachte stem4 ,ik kan toch niet gelooven1 dat de oude ,faustina zoo gelukkig geweest is aan 't hof1 als ge zegt1 zeide ze1 zich tot den vreemde wendend4 ,ik ben er zeker van1 dat zij ,tiberius heeft liefgehad1 alsof hij haar eigen zoon was4 ,ik kan me begrijpen hoe trotsch ze op zijn edele jeugd was1 en ik kan ook begrijpen1 wat een verdriet het voor haar geweest is1 dat hij op zijn ouden dag wantrouwend en wreed geworden is4 ,ze heeft hem zeker elken dag vermaand en gewaarschuwd4 't ,moet vreeslijk voor haar geweest zijn1 dat dit alles vergeefsch was4 ,eindelijk heeft zij 't niet kunnen uithouden hem al dieper en dieper te zien zinken4 ,de vreemde boog zich verrast een weinig voorover bij 't hooren van deze woorden4 ,maar de jonge vrouw keek niet naar hem op4 ,ze hield de oogen neergeslagen en ze sprak heel zacht en ootmoedig4 ,misschien hebt ge gelijk met wat ge van de oude vrouw zegt1 antwoordde hij4 ,faustina is werkelijk niet gelukkig geweest aan 't hof4 ,maar 't is toch vreemd1 dat zij den keizer in haar hoogen ouderdom verliet1 nu zij het een heel leven bij hem had uitgehouden4 ,wt zegt ge daar8 zei de man4 ,heeft de oude ,faustina den keizer verlaten8 ,ze is uit ,capri verdwenen1 zonder dat iemand het wist1 zei de vreemde4 ,ze is even arm teruggegaan als ze gekomen is4 ,ze heeft niet n van haar schatten megenomen4 ,en weet de keizer volstrekt niet1 waarheen ze gegaan is8 vroeg de jonge vrouw met haar zachte stem4 ,neen1 niemand weet zeker welken weg ze gegaan is4 ,maar men houdt het voor waarschijnlijk1 dat ze haar toevlucht tot de bergen van haar vaderland genomen heeft4 ,en de keizer weet ook niet1 waarom ze is heengegaan8 vroeg de jonge vrouw4 ,neen1 de keizer weet er niets van4 ,hij kan niet gelooven1 dat ze hem verlaten heeft1 omdat hij haar eens gezegd heeft1 dat ze hem diende om loon en geschenken--zij zoo goed als de anderen4 ,ze weet toch wel1 dat hij nooit aan haar onzelfzuchtigheid getwijfeld heeft4 ,hij heeft altijd gehoopt1 dat ze vrijwillig naar hem terug zou komen1 want niemand weet beter dan zij1 dat hij nu geheel zonder vrienden is4 ,ik ken haar niet1 zei de jonge vrouw1 maar ik geloof toch1 dat ik wel zeggen kan1 waarom zij den keizer verliet4 ,de oude vrouw is opgevoed in eenvoud en vrome zeden hier in de bergen en zij heeft altijd door naar hier terug verlangd4 ,zij zou toch zeker nooit den keizer verlaten hebben1 als hij haar niet beleedigd had1 maar ik begrijp1 dat zij daarna1 nu haar dagen bijna geteld waren1 meende recht te hebben ook aan zichzelf te denken4 ,als ik een arme vrouw uit de bergen was1 zou ik zeker handelen als zij4 ,ik zou gedacht hebben1 dat ik genoeg gedaan had als ik mijn heer een leven lang gediend had4 ,ik zou eindelijk weggegaan zijn van een weelderig leven en keizersgunst om mijn ziel te doen genieten van eer en rechtvaardigheid1 voor zij van mij heenging op de lange reis4 ,de vreemde zag de jonge vrouw droevig en somber aan4 ,ge denkt er niet aan1 dat de handelingen van den keizer nu nog vreeselijker dan ooit zullen worden4 ,nu is er niemand1 die hem tot kalmte kan brengen1 als wantrouwen en menschenverachting hem bestormen4 ,denk u hier eens in1 ging hij voort en boorde zijn sombere blikken diep in de oogen van de jonge vrouw1 in de heele wereld is er nu niemand meer1 die hij niet haat1 niemand1 dien hij niet veracht4 ,toen hij deze woorden van bittere vertwijfeling uitsprak1 maakte de oude vrouw een snelle beweging en wendde zich tot hem1 maar de jonge zag hem vast in de oogen en antwoordde3 ,tiberius weet1 dat ,faustina weer bij hem komt1 zoodra hij dat wenscht4 ,maar eerst moet zij weten1 dat haar oude oogen aan zijn hof geen zonde en schande behoeven te zien4 ,zij waren allen bij deze woorden opgestaan1 en de arbeider en zijn vrouw gingen voor de oude vrouw staan1 als om haar te beschermen4 ,de vreemde sprak geen woord meer1 maar hij zag de oude vragend aan4 ,is dat ook uw laatste woord8 scheen hij te willen zeggen4 ,de lippen der oude beefden en de woorden bleven haar in de keel steken4 ,als de keizer zijn oude dienares heeft liefgehad1 dan moet hij haar de rust gunnen in haar laatste dagen1 zei de jonge vrouw4 ,de vreemde aarzelde nog1 maar plotseling klaarde zijn donker gezicht op4 ,mijn vrienden1 zei hij1 wat men ook zeggen mag van ,tiberius1 er is toch n ding1 dat hij beter geleerd heeft dan anderen--en dat is ontberen4 ,ik heb nog maar n ding te zeggen3 als die oude vrouw1 waar we over spraken1 deze hut mocht bezoeken1 ontvang haar dan vriendelijk4 ,de gunst des keizers rust op ieder1 die haar bijstaat4 ,hij wikkelde zich in zijn mantel en ging heen1 langs denzelfden weg waar langs hij gekomen was4 ,,iii4 ,na dien tijd spraken de arbeider en zijn vrouw nooit meer met de oude vrouw over den keizer4 ,onder elkaar verwonderden zij er zich over1 dat zij op haar hoogen leeftijd de kracht gehad had al dien rijkdom en macht1 waaraan zij gewend was1 te verzaken4 ,zou ze niet gauw weer naar ,tiberius teruggaan8 vroegen zij elkander af4 ,zij heeft hem zeker nog lief4 't ,is in de hoop1 dat dit hem tot bezinning zal brengen en hem er toe brengen zich te bekeeren van zijn slechte handelwijze1 dat ze hem verlaten heeft4 ,zoo'n oud man als de keizer komt er nooit toe een nieuw leven te beginnen1 zei de arbeider4 ,hoe wil je zijn groote verachting voor de menschen van hem wegnemen8 ,wie zou bij hem kunnen komen en hem leeren ze lief te hebben8 ,vr dit gebeurd is1 kan hij niet van zijn wantrouwen en wreedheid genezen worden4 ,je weet1 dat er een is1 die dat werkelijk zou kunnen1 zei de vrouw4 ,ik denk er dikwijls aan1 hoe het gaan zou1 als die twee elkaar ontmoetten4 ,maar ,gods wegen zijn onze wegen niet4 ,de oude vrouw scheen haar vorig leven in 't geheel niet te missen4 ,eenigen tijd later kreeg de jonge vrouw een zoon en toen de oude dien mocht verzorgen1 was ze z vergenoegd1 dat het scheen1 of ze al haar verdriet vergat4 ,ieder half jaar wikkelde zij zich in den langen grijzen mantel en ging naar ,rome4 ,daar bezocht ze niemand1 maar ging regelrecht naar het ,forum4 ,daar stond ze stil voor een kleinen tempel1 die aan de eene zijde van de prachtig versierde markt was opgericht4 ,die tempel bestond eigenlijk alleen uit een buitengewoon groot altaar1 dat onder den blooten hemel op een met marmer bevloerde plaats stond4 ,hoog op het altaar troonde ,fortuna1 de godin van het geluk en aan zijn voet stond een beeld van ,tiberius4 ,om de plaats heen lagen gebouwen voor priesters1 bewaarplaatsen voor brandstof en stallen voor offerdieren4 ,de wandeling van de oude ,faustina strekte zich nooit verder uit dan tot dezen tempel1 want daar plachten zij te komen1 die om geluk voor ,tiberius wilden bidden4 ,als zij een blik naar binnen geworpen en gezien had dat het beeld van de godin en dat van den keizer beide met bloemen versierd waren1 dat het offervuur vlamde en een schaar eerbiedige aanbidders voor het altaar verzameld waren1 als ze gehoord had hoe de hymnen der priesters er omheen klonken keerde zij om en begaf zich weer naar de bergen4 ,op die manier kwam zij te weten1 zonder dat ze iemand behoefde te vragen1 dat ,tiberius nog onder de levenden behoorde en dat het hem wel ging4 ,den derden keer1 toen ze dien tocht ondernam1 wachtte haar een verrassing4 ,toen ze bij den kleinen tempel kwam1 vond ze dien stil en verlaten4 ,geen vuur vlamde voor de beelden en zij zag geen enkelen aanbidder4 ,een paar verdroogde guirlanden waren nog aan het altaar blijven hangen1 maar dat was ook alles wat nog van de vroegere heerlijkheid getuigde4 ,de priesters waren weg en het keizersbeeld1 dat daar onbewaakt stond1 was beschadigd en bezoedeld4 ,de oude vrouw wendde zich tot den eersten den besten voorbijganger3 ,wat moet dat beteekenen8 zei ze4 ,is ,tiberius dood8 ,hebben wij een and'ren keizer8 ,neen1 antwoordde de ,romein1 ,tiberius is nog keizer4 ,maar wij hebben opgehouden voor hem te bidden4 ,onze gebeden baten hem niet meer4 ,vriend1 zei de oude1 ik woon ver weg in de bergen1 waar men niets hoort van wat er in de wereld gebeurt4 ,wilt ge me niet zeggen welk ongeluk den keizer getroffen heeft8 ,het vreeselijkste van alle1 zei de man4 ,hij is aangetast door een ziekte1 die vroeger niet in ,itali bekend geweest is1 maar die schijnt voor te komen in 't oosten4 ,sinds die ellende over den keizer kwam1 is zijn aangezicht veranderd1 zijn stem is als die van een knorrend dier geworden en zijn teenen en vingers teren weg4 ,en voor die ziekte schijnt geen geneesmiddel te bestaan4 ,men gelooft1 dat hij binnen eenige weken zal sterven1 maar als hij niet sterft moet men hem afzetten1 want zoo'n ziek1 ellendig mensch kan niet regeeren4 ,ge begrijpt dus wel1 dat zijn lot beslist is4 ,het baat niet de godin om geluk voor hem aan te roepen4 ,en 't is ook de moeite niet waard1 voegde hij er bij met een glimlach1 niemand heeft nu meer iets van hem te hopen en te vreezen4 ,waarom zullen we nu moeite doen om zijnentwil8 ,hij groette en ging heen1 maar de oude vrouw bleef als bedwelmd staan4 ,voor 't eerst in haar leven zonk ze ineen en zag er uit als iemand1 die door den ouderdom overwonnen was4 ,ze stond met gebogen rug en trillend hoofd en handen1 die hulpeloos voor zich uittastten in de lucht4 ,zij verlangde van die plaats weg te komen1 maar ze verzette de voeten langzaam en bewoog zich wankelend voort4 ,ze zag om naar iets wat ze als staf gebruiken kon4 ,eenige oogenblikken later gelukte het haar toch met een ongehoorde krachtsinspanning haar matheid te overwinnen4 ,ze richtte zich op en dwong zich met vaste schreden door de dicht bevolkte straten te gaan4 ,,iv4 ,een week later ging de oude ,faustina de steile helling van het eiland ,capri op4 't ,was een warme dag en het vreeslijk gevoel van ouderdom en matheid kwam weer over haar1 terwijl ze zich langs de slingerende wegen naar boven werkte op de in de rots uitgehouwen trappen1 die naar de villa van ,tiberius leidden4 ,dat gevoel nam toe1 toen ze begon te merken hoe veranderd alles was in den tijd1 dat ze weg geweest was4 ,voorwaar1 langs deze trappen waren altijd groote scharen menschen op en neer gegaan4 ,hier wemelde het vroeger van senatoren1 die zich lieten dragen door reusachtige ,lybirs1 van gezanten uit de provincie--die in lange optochten vergezeld van slaven aankwamen--van sollicitanten1 van aanzienlijke mannen1 die uitgenoodigd waren om deel te nemen aan de feesten van den keizer4 ,maar vandaag waren die trappen en gangen geheel verlaten4 ,de grijsgroene hagedissen waren de eenige levende wezens1 die de oude vrouw op haar weg ontdekte4 ,zij was er verwonderd over dat alles al scheen te vervallen4 ,de ziekte van den keizer kon hoogstens een paar maanden geduurd hebben1 en toch was het gras al geworteld tusschen de marmeren steenen4 ,fijne gewassen1 die in schoone vazen geplant stonden1 waren al verdroogd1 en domme vernielaars1 die niemand had tegengehouden1 hadden op een paar plaatsen de balustraden afgebroken4 ,maar 't allerzonderlingste vond ze toch die volkomen afwezigheid van menschen2 al was het ook aan vreemdelingen verboden zich op het eiland te vertoonen1 dan moesten zij er toch wel zijn1 die eindelooze scharen van krijgslieden en slaven1 van danseressen en muzikanten1 van koks en tafelbedienden1 van paleiswachters en tuinarbeiders1 die tot 's keizers huishouding hoorden4 ,eerst toen ,faustina het bovenste terras bereikt had1 kreeg ze een paar oude slaven in 't oog1 die op de stoep voor de villa zaten4 ,toen ze hen naderde1 stonden ze op en bogen voor haar4 ,wees gegroet1 ,faustina6 zei de een4 ,het is een god1 die u zendt om ons ongeluk te verzachten4 ,wat is dat toch1 ,milo1 vroeg ,faustina1 waarom is 't hier zoo eenzaam8 ,men heeft mij toch gezegd1 dat ,tiberius nog op ,capri woont4 ,de keizer heeft al zijn slaven weggedreven1 omdat hij vreest1 dat een van ons hem vergif bij den wijn te drinken gegeven en daardoor de ziekte veroorzaakt heeft4 ,hij zou ook mij en ,tito hebben weggejaagd1 als wij niet hadden geweigerd hem te gehoorzamen4 ,en ge weet1 dat wij den keizer en zijn moeder ons heele leven gediend hebben4 ,ik vraag niet alleen naar slaven1 antwoordde ,faustina1 waar zijn de senatoren en veldheeren8 ,waar zijn de vertrouwden van den keizer1 en al de kwispelstaartende gelukzoekers8 ,tiberius wil zich niet meer aan vreemden vertoonen1 zei de slaaf2 de senatoren ,lucius en ,macro1 aanvoerders van de lijfwacht1 komen hier elken dag zijn bevelen ontvangen4 ,niemand anders mag hem naderen4 ,faustina was de stoep opgegaan om de villa binnen te treden4 ,de slaaf ging voor haar uit en onder het loopen vroeg ze hem3 ,wat zeggen de geneesheeren van de ziekte van ,tiberius8 ,niemand van hen kan die ziekte behandelen4 ,zij weten niet eens of zij snel of langzaam doodt2 maar dit kan ik u wel zeggen1 ,faustina1 dat ,tiberius sterven moet1 wanneer hij zooals nu1 alle voedsel weigert1 uit vrees dat het vergiftigd kan zijn4 ,en ik weet1 dat een zieke het niet uithouden kan1 dag en nacht te waken1 zooals de keizer doet1 uit angst om in den slaap vermoord te worden4 ,als hij op u vertrouwen wil zooals in vroeger dagen1 dan kon het u misschien gelukken hem er toe te brengen te eten en te slapen4 ,daarmee kunt ge zijn leven vele dagen verlengen4 ,de slaaf voerde ,faustina langs velerlei gangen en binnenplaatsen naar een terras1 waar ,tiberius zich gewoonlijk ophield om het uitzicht te genieten over de heerlijke baaien en den trotschen ,vesuvius4 ,toen ,faustina op het terras kwam1 zag ze daar een griezelig wezen met een opgezwollen gezicht en dierlijke trekken4 ,zijn handen en voeten waren met witte verbanden omwonden maar uit het verband staken hier en daar half verteerde vingers en teenen1 en de kleeren van dien mensch waren stoffig en vuil4 ,men kon begrijpen1 dat hij niet in staat was rechtop te gaan1 maar op het terras had moeten kruipen4 ,hij lag met gesloten oogen bij de balustrade en bewoog zich niet1 toen de slaaf en ,faustina aankwamen4 ,maar ,faustina fluisterde den slaaf1 die voor haar liep1 toe3 ,maar ,milo1 hoe kan zulk een mensch hier op het terras van den keizer zelf komen8 ,breng hem gauw weg4 ,maar nauwelijks had zij dat gezegd1 of ze zag hoe de slaaf zich ter aarde boog voor den ellendige1 die daar lag4 ,caesar ,tiberius1 zei hij1 ik heb u eindelijk een blijde boodschap te brengen4 ,op dat oogenblik wendde de slaaf zich naar ,faustina1 maar toen week hij verbaasd achteruit en kon geen woord meer uitbrengen4 ,hij zag niet meer de trotsche matrone1 die er zoo sterk had uitgezien1 dat men had kunnen verwachten1 dat haar leeftijd zoo hoog zou worden als die van een sibylle4 ,in dat oogenblik was ze ineen gezonken als in machteloozen ouderdom4 ,en de slaaf zag voor zich een gebogen oude vrouw met somberen blik en tastende handen4 ,want wel had ,faustina gehoord1 dat de keizer vreeselijk veranderd moest wezen1 maar ze had toch geen oogenblik opgehouden zich hem voor te stellen als den sterken1 krachtigen man1 dien zij het laatst gezien had4 ,zij had ook iemand hooren zeggen1 dat deze ziekte langzaam werkte en dat die jaren noodig had om een mensch te veranderen4 ,zij wankelde naar den keizer4 ,ze kon niet spreken1 maar stond stil naast hem te schreien4 ,zijt ge nu gekomen1 ,faustina8 zei hij toen zonder de oogen te openen4 ,ik lag hier en verbeeldde mij1 dat ge bij mij stondt en om mij schreide4 ,ik durf niet opzien uit angst dat het maar een dwaling is4 ,toen zette de oude zich naast hem neer4 ,zij hief zijn hoofd op en legde het in haar schoot4 ,maar ,tiberius bleef stil liggen zonder haar aan te zien4 ,een gevoel van lieflijke rust kwam over hem en hij viel een oogenblik later in een gezonden slaap4 ,v4 ,eenige weken later kwam een van de slaven van den keizer naar de eenzame hut in de ,sabijner-bergen4 ,het liep tegen den avond1 en de arbeider en zijn vrouw stonden in hun deur en zagen de zon ondergaan in het verre westen4 ,de slaaf ging van het pad af1 kwam op hen toe en groette hen4 ,daarop nam hij een zware beurs1 die hij in den gordel droeg en hij legde die in de hand van den man4 ,dit zendt u ,faustina1 de oude vrouw1 aan wie gij barmhartigheid bewezen hebt1 zei de slaaf2 zij verzoekt u voor dit geld u een eigen wijngaard te koopen en u een huis te bouwen1 dat niet zoo hoog op de bergen ligt als een arendsnest4 ,leeft de oude ,faustina dan werkelijk nog8 zei de man2 we hebben haar gezocht in kloven en moerassen4 ,toen zij niet meer terugkwam1 meende ik1 dat zij den dood gevonden had tusschen deze ellendige bergen4 ,herinner je je niet1 zei de vrouw1 dat ik niet wilde gelooven1 dat ze dood was8 ,heb ik je niet gezegd1 dat ze weer naar den keizer teruggegaan was8 ,ja1 gaf de man toe2 dat heb je werkelijk gezegd1 en ik ben blij1 dat je gelijk hebt1 niet alleen omdat ,faustina op die manier rijk genoeg geworden is om ons uit de armoede te helpen1 maar ook ter wille van den armen keizer4 ,de slaaf wilde nu spoedig afscheid nemen om nog in bewoonde streken te komen vr de nacht inviel4 ,maar dit stonden de beide echtgenooten niet toe4 ,ge moet bij ons blijven tot morgen1 zeiden ze4 ,we kunnen u niet laten gaan voor ge ons alles verteld hebt1 wat met ,faustina gebeurd is4 ,waarom is zij weer naar den keizer teruggegaan8 ,hoe was hun ontmoeting8 ,zijn ze nu blij1 dat ze weer bij elkaar zijn8 ,de slaaf gaf toe aan hun verzoek4 ,hij volgde hen in de hut en onder den avondmaaltijd vertelde hij van de ziekte des keizers en van ,faustina's terugkomst4 ,toen de slaaf zijn verhaal geindigd had1 zag hij den man en de vrouw onbeweeglijk zitten1 stom van verbazing4 ,zij hielden de oogen neergeslagen als om de ontroering1 die hen aangegrepen had1 niet te verraden4 ,eindelijk zag de man op en zei tot zijn vrouw3 ,gelooft ge niet1 dat dit een beschikking van ,god is8 ,ja1 zei de vrouw1 zeker was het hiervoor1 dat de ,heer ons over zee zond naar deze hut4 ,stellig was dit ,zijn bedoeling1 toen ,hij de oude vrouw hierheen voerde naar onze deur4 ,zoodra de vrouw deze woorden gesproken had1 wendde de arbeider zich weer tot den slaaf4 ,vriend1 zeide hij tot hem1 ge moet een boodschap voor mij naar ,faustina brengen4 ,zeg haar dit woord voor woord3 ,zoo groet u uw vriend1 de wijngaardarbeider uit de ,sabijner-bergen3 ,gij hebt de jonge vrouw gezien1 die mijn echtgenoote is4 ,vondt ge haar schoonheid niet lieflijk en haar gezondheid bloeiende8 ,en toch heeft deze jonge vrouw eenmaal aan dezelfde ziekte geleden1 die nu ,tiberius heeft aangetast4 ,de slaaf maakte een beweging van verwondering1 maar de arbeider ging voort met steeds sterker nadruk op ieder woord3 ,als ,faustina mijn woorden niet gelooven wil1 zeg haar dan1 dat mijn vrouw en ik uit ,palestina in ,azi komen1 een land1 waar die ziekte dikwijls voorkomt4 ,en daar is de wet zoo1 dat de melaatschen worden verdreven uit steden en dorpen1 en op eenzame plaatsen moeten wonen1 zich hun woning zoekend in greppels en grotten4 ,zeg ,faustina1 dat mijn vrouw is geboren in een grot uit zieke ouders en zoolang ze nog een kind was1 was ze gezond1 maar toen ze opgroeide tot een jonge maagd1 werd zij door de ziekte aangetast4 ,toen de arbeider dit gezegd had1 boog de slaaf vriendelijk lachend het hoofd en sprak tot hen3 ,hoe wilt ge1 dat ,faustina dat gelooven zal8 ,zij heeft immers uw vrouw in haar schoonheid en gezondheid gezien en zij weet immers1 dat er geen geneesmiddel voor die ziekte is8 ,maar de man antwoordde3 ,het zou het beste voor haar zijn1 als ze mij geloofde4 ,maar ik ben ook niet zonder getuigen4 ,zij moet boodschappers zenden naar ,nazareth in ,galilea4 ,daar zal ieder mensch bevestigen wat ik gezegd heb4 ,is het misschien door een wonderwerk van een of anderen god1 dat uw vrouw genezen is8 vroeg de slaaf4 ,ja1 antwoordde de arbeider2 het is zooals ge zegt4 ,op een dag verspreidde zich een gerucht onder de zieken1 die in de eenzaamheid leefden3 ,zie1 er is een groot ,profeet opgestaan in ,nazareth in ,galilea4 ,hij is vol van ,gods geest en ,hij kan uw ziekte genezen door alleen maar ,zijn hand op uw voorhoofd te leggen4 ,maar de zieken1 die daar lagen in hun ellende1 wilden niet gelooven1 dat dit gerucht waarheid was4 ,ons kan niemand genezen1 zeiden ze2 al sinds de dagen van de groote profeten heeft geen mensch iemand van ons uit zijn ongeluk kunnen redden4 ,maar er was n van hen1 die geloofde1 en dat was een jonge maagd4 ,zij ging weg van de anderen om te trachten naar de stad ,nazareth te komen1 waar de profeet zijn verblijf hield4 ,en op een dag1 toen ze over groote vlakten wandelde1 ontmoette ze een man1 die lang en slank was1 een bleek gezicht had en wiens haar in gladde zwarte lokken lag4 ,zijn donkere oogen glansden als sterren en trokken haar aan4 ,maar eer ze elkaar ontmoetten1 riep ze hem toe3 ,kom niet bij mij1 want ik ben een onreine2 maar zeg mij waar ik den ,profeet van ,nazareth vinden kan4 ,maar de man bleef op haar toekomen1 en toen hij dicht voor haar stond1 vroeg hij3 ,waarom zoekt ge den ,profeet van ,nazareth8 ,ik zoek hem1 opdat hij zijn hand op mijn voorhoofd zal leggen en mij van mijn ziekte genezen4 ,toen kwam de man en legde zijn hand op haar voorhoofd1 maar zij sprak tot hem3 ,wat baat het mij1 of gij uw hand op mijn voorhoofd legt8 ,gij zijt geen profeet4 ,toen zag hij haar glimlachend aan en zei3 ,ga nu naar de stad1 die daarginds op de berghelling ligt en vertoon u aan de priesters4 ,de zieke dacht3 ,hij houdt mij voor den gek1 omdat ik denk1 dat ik genezen kan worden4 ,van hem zal ik niet te weten komen wat ik vraag4 ,en zij liep voort4 ,onmiddellijk daarna zag ze een man1 die op de jacht ging en over het groote veld kwam aanrijden4 ,toen hij zoo dichtbij was1 dat hij haar hooren kon1 riep zij hem toe3 ,kom niet bij me1 want ik ben een onreine2 maar zeg mij waar ik den profeet van ,nazareth vinden kan4 ,wat verlangt ge van den profeet8 vroeg de man en reed langzaam naar haar toe4 ,ik wil alleen1 dat ,hij ,zijn hand op mijn voorhoofd leggen zal en mij van mijn ziekte genezen4 ,maar de man reed nog nader bij4 ,van welke ziekte wilt ge genezen worden8 vroeg hij4 ,gij hebt geen geneesmeester noodig4 ,ziet ge dan niet dat ik een onreine ben8 zeide zij4 ,ik ben uit zieke ouders geboren in een grot4 ,maar de man bleef op haar toe rijden1 want zij was mooi en teer1 als een pas uitgekomen bloem4 ,gij zijt de schoonste maagd uit ,judea6 barstte hij uit4 ,spot nu ook niet met mij1 zei ze4 ,ik weet dat mijn trekken verwoest zijn en dat mijn stem is als het knorren van een wild dier4 ,maar hij zag haar diep in de oogen en zei tot haar3 ,uw stem is helder als die van een beek in de lente1 als zij voortkabbelt over de kiezelsteenen1 en uw gezicht is als een zachte zijden doek4 ,en op dat oogenblik was hij haar zoo nabij gekomen1 dat zij haar gezicht kon zien spiegelen in het blanke beslag1 dat zijn zadel versierde4 ,ge kunt u hier spiegelen1 zei hij4 ,dat deed zij en zij zag een gezicht1 dat zacht en lenig was als de vleugel van een pas ontpopten vlinder4 ,wat is dat8 riep ze1 dat is mijn gezicht niet4 ,ja1 dat is uw gezicht1 zei de ruiter4 ,maar is mijn stem dan niet heesch2 klinkt die niet alsof wagens voortgetrokken worden over een steenachtigen weg8 ,neen1 zij klinkt als de schoonste melodien van een citherspeler4 ,zij wendde zich om en wees in de richting vanwaar zij gekomen was4 ,weet ge wie die man is1 die nu juist achter die twee eiken verdwijnt8 vroeg zij den ruiter4 ,dat is ,hij1 naar wien ge zoo pas gevraagd hebt1 dat is de ,profeet van ,nazareth1 antwoordde de man4 ,toen sloeg zij de handen ineen van verbazing en haar oogen kwamen vol tranen4 ,o1 ,gij ,heilige6 ,o1 ,gij drager van de macht ,gods6 riep zij uit4 ,gij hebt mij genezen6 ,en de ruiter lichtte haar in den zadel en bracht haar naar de stad op de berghelling en ging met haar naar de ouderlingen en priesters en vertelde hun1 hoe hij haar gevonden had4 ,zij vroegen nauwkeurig naar alles1 maar toen zij hoorden1 dat de maagd in de woestijn uit zieke ouders geboren was1 wilden zij niet gelooven1 dat zij hersteld was4 ,ga terug vanwaar ge gekomen zijt1 zeiden zij4 ,als ge ziek geweest zijt1 moet ge dat uw geheele leven blijven4 ,ge moet niet hier naar de stad komen om ons met uw ziekte te besmetten4 ,zij sprak tot hen3 ,ik weet1 dat ik gezond ben1 want de ,profeet van ,nazareth heeft ,zijn hand op mijn voorhoofd gelegd4 ,toen zij dat hoorden1 riepen zij uit3 ,wie is hij1 dat hij de onreinen rein zou kunnen maken8 ,dit alles is verblinding door booze geesten4 ,keer terug naar de uwen1 opdat gij ons allen niet in het verderf stort4 ,zij wilden haar niet voor genezen verklaren en zij verboden haar zich in de stad te vertoonen4 ,zij bepaalden1 dat ieder1 die haar beschermde1 ook onrein zou verklaard worden4 ,toen de priesters dit vonnis geveld hadden1 zei de jonge maagd tot den man1 die haar op het veld gevonden had3 ,waar moet ik nu heengaan8 ,moet ik weer naar de woestijn1 naar de zieken terug8 ,maar de man hief haar weer op zijn paard en zei tot haar3 ,neen1 gij zult geenszins meer naar de zieken in hun grotten gaan1 maar wij beiden zullen over de zee trekken1 naar een ander land1 waar geen wetten voor reinen en onreinen zijn4 ,en zij 444 maar toen de arbeider zoover gekomen was met zijn verhaal1 stond de slaaf op en viel hem in de rede4 ,ge behoeft me niets meer te zeggen1 zei hij1 sta liever op en ga met mij mee--gij1 die de bergen hier kent1 zoodat ik mijn terugtocht al vannacht beginnen kan en niet tot morgen behoef te wachten4 ,de keizer en ,faustina kunnen uw boodschap geen oogenblik te vroeg hooren4 ,toen de arbeider den slaaf een eindweegs had weggebracht1 en weer in de hut terugkwam1 vond hij zijn vrouw nog wakker4 ,ik kan niet slapen1 zei ze4 ,ik moet er steeds aan denken1 dat deze twee elkaar zullen ontmoeten3 ,hij1 die alle menschen liefheeft en hij1 die ze haat4 ,het is alsof deze ontmoeting de wereld uit haar voegen zou kunnen brengen4 ,,vi4 ,de oude ,faustina was op reis naar ,jeruzalem en trok door het afgelegen ,palestina4 ,zij had niet gewild1 dat de opdracht den profeet te zoeken en hem bij den keizer te brengen aan een ander dan aan haar zou worden toevertrouwd4 ,zeker had zij in zich zelf gedacht3 wat wij van dien vreemden man begeeren is iets1 dat we hem niet met geweld of geschenken kunnen aflokken4 ,maar misschien geeft hij het ons1 als iemand hem te voet valt en hem zegt in welken nood de keizer verkeert4 ,en wie kan beter ,tiberius' voorspraak zijn dan iemand1 die onder zijn ongeluk evenveel lijdt als hijzelf8 ,de hoop om misschien ,tiberius te redden1 had de oude vrouw verjongd4 ,zij had zonder moeite de lange zeereis naar ,joppe uitgehouden en op weg naar ,jeruzalem gebruikte zij geen draagstoel1 maar reed te paard4 ,zij scheen de moeilijke reis even gemakkelijk uit te houden1 als de ,romeinsche edelen1 de krijgslieden en de slaven1 die haar gevolg uitmaakten4 ,die reis van ,joppe naar ,jeruzalem vervulde het hart der oude vrouw met blijdschap en hoop4 ,het was in de lente en de vlakte van ,saron1 waarover zij den eersten dag hadden gereden1 was n enkel schitterend kleed van bloemen4 ,zelfs op de tweede dagreis1 toen ze in de bergen van ,judea waren1 bleven de bloemen hun bij4 ,al de verschillend gevormde heuvels1 waar de weg zich tusschen door slingerde1 waren beplant met vruchtboomen1 die in vollen bloei stonden4 ,en toen de reizenden de witrose bloesems van abrikozen en perziken moe werden1 konden zij hun oogen rust geven door naar het jonge wingerdloof te zien1 dat uit de zwartbruine wortelstokken te voorschijn kwam en dat zoo snel groeide1 dat men meende het te kunnen zien groeien4 ,maar het waren niet alleen de bloemen en het lentegroen1 die de reis zoo mooi maakten4 ,de grootste bekoring ging uit van alle menschen1 die dien morgen op weg waren naar ,jeruzalem4 ,van alle zijwegjes en paden1 van eenzame hoogten en van de afgelegenste hoekjes van de vlakte kwamen de reizigers4 ,toen zij den weg naar ,jeruzalem bereikt hadden1 sloten de alleen-reizenden zich bij elkaar aan in groote scharen en trokken voort onder blij gejubel4 ,om een ouden man1 die op een schommelenden kameel reed1 liepen zijn zonen en dochters1 zijn schoondochters en al zijn kleinkinderen4 ,de familie was zoo groot1 dat ze een klein leger vormde4 ,een oude moeder1 die te zwak was om te loopen1 werd door haar zonen op de armen gedragen en zij liet zich fier door de eerbiedig op zij wijkende schare brengen4 ,voorwaar1 het was een morgen1 die zelfs de meest bedroefden blij maken kon4 ,de hemel was wel niet helder1 maar met een dunne witgrijze wolkenlaag overtrokken1 geen van de reizigers toch dacht er aan zich te beklagen1 omdat de sterke zonnegloed wat gedempt was4 ,onder dien gesluierden hemel stroomden de geuren van de bloeiende boomen en de pas uitgekomen bladeren niet zoo snel als anders in de ruimte weg1 maar bleven hangen over wegen en velden4 ,en die mooie dag1 die met zijn zacht licht en zijn windstilte deed denken aan de rust en den vrede van den nacht1 scheen aan al die scharen voortspoedende menschen iets van zijn aard mee te deelen1 zoodat ze opgeruimd maar toch plechtig gestemd voorttrokken1 met gedempte stem overoude hymnen zingend1 of spelend op wonderlijke1 ouderwetsche instrumenten1 waaruit tonen kwamen1 die waren als het gonzen van een mug of het zingen van een krekel4 ,toen de oude ,faustina voortreed onder al die menschen1 werd ze werkelijk door hun voortvarendheid en blijdschap aangestoken4 ,zij spoorde haar paard tot grooter snelheid aan1 terwijl ze tot een jongen ,romein1 die naast haar reed1 zeide3 ,ik droomde vannacht1 dat ik ,tiberius zag en hij verzocht mij de reis niet uit te stellen1 maar juist vandaag naar ,jeruzalem te gaan4 't ,komt mij voor alsof de goden mij een vermaning hebben willen zenden1 niet te verzuimen er dezen mooien morgen heen te trekken4 ,terwijl zij dat zeide1 had zij den top van een uitgestrekten bergrug bereikt en daar hield zij onwillekeurig stil4 ,vr haar lag een groot1 diep keteldal1 door mooie heuvels omringd en uit de donkere1 schaduwrijke diepte van dat dal verrees de reusachtige rots1 die op haar schedel ,jeruzalem droeg4 ,maar de enge bergstad1 die met haar muren en torens als een gekroond kleinood op den platten top van den heuvel lag1 scheen haar dien dag duizendmaal vergroot4 ,al de heuvels1 die zich rondom het dal verhieven1 waren met bonte tenten bedekt en met een oneindige menschenmassa4 't ,was duidelijk voor ,faustina1 dat de bevolking van het heele land bezig was in ,jeruzalem bijeen te komen voor een of andere groote plechtigheid4 ,die 't verst woonden1 waren al gekomen en hadden hun tenten reeds in orde4 ,zij daarentegen1 die in de buurt van de stad woonden1 waren nog in aantocht4 ,aan den voet van alle lichte heuvels zag men ze aankomen als een onafgebroken stroom van witte kleeren1 zangen en feestvreugde4 ,de oude vrouw zag lang neer op die aanstroomende menschenmassa en hun lange rijen tenten4 ,toen sprak zij tot den jongen ,romein1 die naast haar reed3 ,voorwaar1 ,sulpicius1 't geheele volk moet naar ,jeruzalem gekomen zijn4 ,dat is werkelijk zoo1 antwoordde de ,romein1 die door ,tiberius was uitgekozen om ,faustina te vergezellen1 omdat hij verscheidene jaren in ,judea gewoond had4 ,zij vieren nu het groote lentefeest en dan trekken alle menschen1 oude en jonge1 naar ,jeruzalem4 ,faustina bedacht zich een oogenblik3 ,ik ben er blij om1 dat we in deze stad komen op den dag1 dat het volk hoogtij viert1 zei ze4 ,dat kan niet anders beteekenen dan dat de goden onze reis beschermen4 ,houdt ge 't niet voor mogelijk1 dat hij1 dien we zoeken--de ,profeet van ,nazareth1 ook naar ,jeruzalem is gekomen om aan 't feest deel te nemen8 ,voorwaar1 ge hebt gelijk1 ,faustina1 sprak de ,romein4 ,hij is hoogstwaarschijnlijk in ,jeruzalem4 ,dat is waarlijk een beschikking der goden4 ,hoe sterk en krachtig ge ook zijt1 toch kunt ge blij zijn1 dat ge de vrij lange1 moeilijke reis naar ,galilea niet behoeft te maken4 ,hij reed haastig op een paar wandelaars toe1 die juist voorbij kwamen en vroeg hun of ze geloofden1 dat de ,profeet van ,nazareth zich in ,jeruzalem bevond4 ,wij hebben er hem elk jaar om dezen tijd gezien1 antwoordde een van de wandelaars4 ,zeker is hij ook dit jaar hierheen gekomen1 want hij is een vroom en rechtvaardig man4 ,een vrouw strekte de hand uit en wees naar een heuvel1 die ten oosten van de stad lag4 ,ziet ge die berghelling1 met olijfboomen begroeid8 vroeg ze4 ,daar richten de ,galilers gewoonlijk hun tenten op en daar kunt ge de zekerste berichten krijgen over hem1 dien ge zoekt4 ,zij trokken verder1 reden langs een slingerend pad eerst naar 't diepst van het dal en toen den berg van ,sion op om de stad op zijn top te bereiken4 ,de steil oploopende weg was hier met lage muren omgeven1 en daarop zaten en lagen een eindelooze massa bedelaars en kreupelen1 die de barmhartigheid van de reizigers inriepen4 ,onder het langzaam voortrijden kwam een der ,joodsche vrouwen op ,faustina toe3 ,zie daar1 zei ze1 op een van de bedelaars wijzend1 die op den muur zat1 dat is een ,galiler4 ,ik herinner me1 dat ik hem onder de leerlingen van den ,profeet gezien heb4 ,hij kan u zeggen waar ge hem vinden zult1 dien ge zoekt4 ,faustina reed met ,sulpicius naar den man1 die haar was aangewezen4 't ,was een arme oude man met een grooten baard1 die hier en daar grijs werd4 ,zijn gezicht was gebruind door hitte en zonneschijn2 en zijn handen waren door den arbeid vereelt4 ,hij vroeg niet om aalmoezen2 integendeel1 hij scheen zoo verdiept in bekommering en gepeins1 dat hij de voorbijgangers niet eens aanzag4 ,hij hoorde ook niet1 dat ,sulpicius hem aansprak maar deze moest zijn vraag een paar maal herhalen4 ,vriend1 men heeft mij gezegd1 dat gij een ,galiler zijt4 ,ik verzoek u daarom1 mij te zeggen waar ik den ,profeet van ,nazareth kan vinden4 ,de ,galiler sprong heftig op en zag verwoed om zich heen4 ,maar toen hij eindelijk begreep wat men van hem verlangde1 werd hij door toorn en ontzetting aangegrepen4 ,wat zegt ge toch6 stoof hij op4 ,waarom vraagt ge mij naar dien man8 ,ik weet niets van hem6 ,ik ben geen ,galiler4 ,de ,joodsche vrouw mengde zich nu in het gesprek4 ,ik heb u toch in zijn gezelschap gezien1 viel zij in4 ,wees niet bang1 maar zeg deze voorname ,romeinsche vrouw1 die een vriendin van den keizer is1 waar ze hem 't beste kan vinden4 ,maar de verschrikte leerling werd hoe langer hoe verbitterder4 ,zijn dan alle menschen waanzinnig vandaag8 zei hij4 ,zijn ze door een boozen geest bezield1 dat ze keer op keer mij naar dien man komen vragen8 ,waarom wil niemand me gelooven1 als ik zeg1 dat ik den ,profeet niet ken8 ,ik ben niet uit zijn land gekomen4 ,ik heb hem nooit gezien4 ,zijn heftigheid trok de aandacht1 en een paar bedelaars1 die naast hem zaten1 begonnen hem ook tegen te spreken4 ,zeker hebt gij tot zijn discipelen gehoord1 zeiden zij4 ,wij weten allen1 dat gij met hem uit ,galilea gekomen zijt4 ,maar de man strekte beide armen ten hemel en riep3 ,ik heb het vandaag niet in ,jeruzalem kunnen uithouden om zijnentwil1 en nu laat men mij niet eens met rust hier onder de bedelaars4 ,waarom wilt ge mij niet gelooven als ik zeg1 dat ik hem nooit heb gezien8 ,faustina haalde de schouders op en wendde zich af4 ,laat ons verder gaan1 zeide ze4 ,die man daar is immers waanzinnig4 ,van hem komen we niets te weten4 ,zij trokken verder de berghelling op4 ,faustina was niet verder dan twee stappen van de stadspoort1 toen de ,isralietische vrouw1 die haar had willen helpen den ,profeet te vinden1 haar toeriep voorzichtig te wezen4 ,zij hield den teugel in en zag1 dat er een man op den weg lag1 vlak voor de voeten van het paard4 ,zooals hij daar lag uitgestrekt in het stof1 juist waar het gedrang het grootst was1 scheen het een wonder1 dat hij niet reeds door dieren of menschen vertrapt was4 ,de man lag op den rug en staarde naar boven met doffe oogen zonder uitdrukking4 ,hij bewoog zich niet1 hoewel de kameelen hun zware pooten dicht naast hem neerzetten4 ,hij was armoedig gekleed en nu was hij bovendien vuil door stof en aarde4 ,inderdaad had hij zooveel gruis over zich heen gegooid1 dat het scheen alsof hij zich verbergen wilde om gemakkelijker overreden of vertrapt te worden4 ,wat is dat8 ,waarom ligt die man hier op den weg8 vroeg ,faustina4 ,op 'tzelfde oogenblik begon de liggende de voorbijgangers aan te roepen3 ,weest barmhartig1 broeder en zuster1 leidt uw paarden en lastdieren over mij heen4 ,wijkt niet voor mij uit4 ,trapt mij tot stof6 ,ik heb onschuldig bloed verraden4 ,trapt mij tot stof6 ,sulpicius vatte het paard van ,faustina bij den teugel en leidde het ter zijde4 ,dat is een zondaar1 die boete wil doen1 zei hij4 ,laat u dat niet ophouden4 ,dat is een wonderlijk volk en men moet het zijn gang laten gaan4 ,de man op den weg ging voort met roepen3 ,zet uw hielen op mijn hart4 ,laat de kameelen mijn borst vertrappen en de ezels hun hoeven in mijn oogen zetten4 ,maar ,faustina vond1 dat ze niet voorbij dien ellendige kon rijden zonder te beproeven hem te bewegen op te staan4 ,zij hield stil naast hem4 ,de ,isralietische vrouw1 die haar vroeger al eens had willen helpen1 drong nu weer tot haar door3 ,die man hoorde ook tot de leerlingen van den ,profeet1 zei ze4 ,wilt ge1 dat ik hem naar zijn meester vraag8 ,faustina knikte bevestigend1 en de vrouw boog zich over den liggende4 ,wat hebt gij1 ,galilers1 vandaag met uw meester gedaan8 vroeg ze4 ,ik zie u verspreid op wegen en paden1 maar hem zie ik nergens4 ,maar toen zij hem zoo vroeg1 hief de man1 die in het stof van den weg lag1 zich op de knien4 ,wat is dat voor een boozen geest1 die u heeft ingeblazen mij naar hem te vragen8 zei hij met een stem1 waarin de grootste wanhoop klonk4 ,ge ziet immers1 dat ik mij in het stof van den weg gelegd heb om vertreden te worden4 ,is dat u nog niet genoeg8 ,moet ge mij nu ook nog komen vragen wat ik met hem gedaan heb8 ,ik begrijp niet1 wat ge u te verwijten hebt1 zei de vrouw4 ,ik wil alleen weten1 waar ge uw meester hebt4 ,toen zij de vraag herhaalde1 vloog de man op en hield beide handen voor de ooren4 ,wee u1 dat ge mij niet in vrede kunt laten sterven1 riep hij4 ,hij baande zich een weg door het volk1 dat zich voor de poort verdrong en rende weg1 bevend van ontzetting1 terwijl zijn verscheurde kleeren om hem heen fladderden als donkere vleugels4 't ,schijnt wel dat we bij een volk van krankzinnigen gekomen zijn1 zei ,faustina1 toen zij den man vluchten zag4 ,zij was ontstemd door het zien van de leerlingen van dezen profeet4 ,zou een man1 die zulke dwazen onder zijn gezellen had1 in staat zijn iets voor den keizer te doen8 ,ook de ,isralietische vrouw zag er bedroefd uit1 en zij zei met grooten ernst tot ,faustina3 ,vrouwe1 draal niet met hem op te zoeken1 dien ge vinden wilt4 ,ik vrees1 dat hem iets kwaads overkomen is1 nu zijn leerlingen buiten zichzelven zijn en niet kunnen verdragen1 dat men over hem spreekt4 ,faustina en haar gevolg reden eindelijk onder 't poortgewelf door en kwamen in nauwe1 donkere straten1 die overvol van menschen waren4 't ,was bijna onmogelijk daaruit te komen in de stad4 ,de rijdenden moesten keer op keer stilhouden4 ,slaven en krijgsknechten trachtten te vergeefs wegen te banen4 ,de menschen bleven zich voortspoeden in een dichten1 niet te keeren stroom4 ,voorwaar1 zei de oude vrouw tot ,sulpicius1 de straten van ,rome zijn stille lusthoven in vergelijking met deze4 ,sulpicius zag spoedig in1 dat bijna onoverkomelijke moeielijkheden hen wachtten4 ,op deze overvolle straten is het bijna gemakkelijker te loopen dan te rijden1 zei hij4 ,als gij niet al te moe zijt1 zou ik u willen raden te voet naar het paleis van den landvoogd te gaan4 ,dat ligt wel ver weg1 maar als we moeten rijden1 komen we daar zeker niet voor na middernacht4 ,faustina ging dadelijk op dit voorstel in4 ,zij stapte van het paard en gaf dit over aan een der slaven4 ,daarop begonnen de ,romeinsche reizigers hun wandeling door de stad4 ,dat gelukte hun veel beter4 ,zij drongen tamelijk vlug door tot het hartje van de stad1 en ,sulpicius wees ,faustina juist een eenigszins breeder straat1 die zij bijna bereikt hadden4 ,zie daar1 ,faustina1 zeide hij1 als wij daar maar komen kunnen1 dan zijn we waar we wezen moeten4 ,die straat loopt recht op onze herberg aan4 ,maar juist toen zij die straat wilden inslaan1 ontmoetten zij den eersten hinderpaal4 ,want op hetzelfde oogenblik1 dat ,faustina de straat bereikte1 die van het paleis van den landvoogd naar de ,poort der ,rechtvaardigheid en ,golgotha liep1 leidde men daar langs een gevangene1 die weggevoerd werd om gekruisigd te worden4 ,voor hem uit haastten zich een schare jonge1 woeste menschen1 die de terechtstelling wilden zien4 ,zij joegen springend de straat over1 strekten de armen in de hoogte van verrukking en stootten onverklaarbare klanken uit in hun vreugde iets te zullen zien1 wat niet alle dagen voorkwam4 ,achter hen aan kwamen scharen mannen in zijden kleederen1 die tot de voornaamsten en meest aristocratischen van de stad schenen te behooren1 en daarachter liepen vrouwen1--vele met beschreide gezichten4 ,een groep armen en kreupelen liepen mee1 onder kreten1 die de ooren verscheurden4 ,o ,god1 riepen ze4 ,red hem6 ,zend ,uw engel om hem te redden6 ,zend toch een helper in den uitersten nood6 ,eindelijk kwamen eenige ,romeinsche krijgslieden op groote paarden4 ,zij waakten1 dat niemand uit het volk op den gevangene aan zou vliegen om hem te bevrijden4 ,onmiddellijk achter hen kwamen de beulsknechten1 die den man1 die gekruist moest worden1 voortleidden4 ,zij hadden een groot1 zwaar houten kruis over zijn schouders gelegd1 maar hij was te zwak voor dezen last4 ,die drukte hem z1 dat zijn lichaam geheel tot op den grond gebogen werd4 ,hij hield het hoofd z diep voorover1 dat niemand zijn gezicht kon zien4 ,faustina stond aan den ingang van de kleine zijstraat en zag den zwaren tocht van den terdoodveroordeelde4 ,verwonderd merkte ze op1 dat hij een purperen mantel droeg en dat een doornen kroon op zijn hoofd gedrukt was4 ,wie is die man8 vroeg zij4 ,een van de omstanders antwoordde3 ,dat is een1 die zich keizer maken wou4 ,dan moet hij sterven voor iets1 dat niet zeer begeerenswaard is1 zei de oude vrouw weemoedig4 ,de veroordeelde bezweek onder 't kruis1 hij liep al langzamer4 ,de beulsknechten hadden een touw om zijn middel geknoopt en begonnen daaraan te trekken om hem sneller voort te krijgen4 ,maar toen zij dat deden viel de man om en bleef liggen met het kruis op zich4 ,het gaf een groote opschudding4 ,de ,romeinsche soldaten hadden moeite het volk terug te houden4 ,zij trokken hun zwaard tegen een paar vrouwen1 die trachtten haastig voort te komen en den gevallene te helpen4 ,de beulsknechten trachtten hem met slagen en stompen te dwingen tot opstaan1 maar hij kon niet om het zware kruis4 ,eindelijk vatten een paar van hem dat aan om het op te lichten4 ,toen hief hij het hoofd op en de oude ,faustina kon zijn gezicht zien4 ,zijn wangen waren gestriemd door slagen en van zijn voorhoofd1 dat door de doornenkroon gekwetst was1 parelden een paar bloeddruppels4 ,zijn haar hing in verwarde lokken1 glibberig van zweet en bloed4 ,hij hield de tanden vast op elkaar gesloten1 maar zijn lippen trilden1 alsof ze met moeite een kreet terughielden4 ,zijn starende oogen waren vol tranen en bijna dof1--gekweld en uitgeput als hij was4 ,maar achter het gelaat van dezen halfdooden mensch zag de oude1 als in een visioen1 een ander1 schoon en bleek1 met heerlijke oogen vol majesteit en met zachte trekken4 ,en plotseling werd ze aangegrepen door smart en ontroering over het ongeluk en de vernedering van dien vreemden man4 ,o1 wat heeft men ,u gedaan1 gij ,arme8 barstte zij uit en ging hem een paar stappen tegemoet1 terwijl haar oogen vol tranen schoten4 ,ze vergat haar eigen verdriet en onrust voor het lijden van dezen gemartelden ,godmensch4 ,het was haar1 alsof haar hart van medelijden zou breken4 ,zij wilde1 als de andere vrouwen1 op hem toeloopen1 om hem aan zijn beulen te ontrukken4 ,de gevangene zag haar aankomen en hij kroop naar haar toe4 ,het was1 alsof hij verwachtte bij haar bescherming te vinden tegen allen1 die hem vervolgden en kwelden4 ,hij omvatte haar knien1 hij drukte zich tegen haar aan als een kind1 dat bij zijn moeder vlucht4 ,de oude boog zich over hem heen4 ,en op datzelfde oogenblik1 terwijl haar tranen stroomden1 voelde zij een zalige vreugde1 omdat hij bij haar bescherming was komen zoeken4 ,zij legde haar eenen arm om zijn hals en1 zooals een moeder allereerst de tranen van haar kind droogt1 zoo legde zij haar zweetdoek van koel fijn linnen over zijn gezicht om de tranen en het bloed weg te wisschen4 ,maar op dat oogenblik waren de beulsknechten gereed met het kruis4 ,zij kwamen nu en rukten den gevangene naar zich toe4 ,ongeduldig over het oponthoud1 sleepten zij hem voort in woeste haast4 ,de terdoodveroordeelde steunde luid1 toen hij werd weggevoerd van de vrijplaats1 die hij gevonden had4 ,maar hij bood geen weerstand4 ,faustina greep hem om hem vast te houden en toen haar zwakke oude handen niets vermochten1 maar ze hem zag wegvoeren1 had ze een gevoel alsof iemand haar haar eigen kind ontrukt had en zij riep uit3 ,neen1 neen1 neem hem niet weg van mij4 ,hij moet niet sterven1 hij kan niet sterven6 ,zij voelde de vreeselijkste smart en toorn1 omdat hij weggevoerd werd4 ,zij wilde hem na4 ,zij wilde met de beulen strijden en hem uit hun handen rukken4 ,maar bij den eersten stap1 dien ze deed1 werd zij door een duizeling en een onmacht overvallen4 ,sulpicius haastte zich den arm om haar heen te slaan om haar staande te houden4 ,naast de straat zag hij een klein donker winkeltje en hij droeg haar daarin4 ,er was geen stoel of bank1 maar de winkelier was een barmhartig man4 ,hij sleepte een mat naar voren en maakte voor de oude een bed op den steenen vloer4 ,zij was niet bewusteloos1 maar z sterk was de duizeling1 die haar aangegrepen had1 dat ze zich niet op kon houden1 maar moest gaan liggen4 ,zij heeft een langen tocht gemaakt en het rumoer en gedrang in de stad zijn te veel voor haar geweest1 zei ,sulpicius tegen den koopman4 ,zij is heel oud en niemand is toch zoo sterk1 dat hij door den ouderdom niet overwonnen wordt4 ,het is een zware dag1 ook voor hen1 die niet oud zijn1 zei de koopman4 ,de lucht is bijna te zwaar om in te ademen4 ,het zou mij niet verbazen als we een hevig onweer kregen4 ,sulpicius boog zich over de oude heen4 ,zij was ingeslapen en sliep met rustige1 geregelde ademhalingen na alle vermoeienis en aandoeningen van den dag4 ,hij ging aan de winkeldeur staan om naar het volk te zien1 terwijl hij op haar ontwaken wachtte4 ,,vii4 ,de ,romeinsche landvoogd in ,jeruzalem had een jonge vrouw en zij had den nacht voor dat ,faustina de stad binnentrok1 liggen droomen4 ,zij droomde1 dat ze op het dak van haar huis stond1 en neerzag op de mooie groote binnenplaats1 die volgens de ,oostersche zeden met marmer geplaveid was en met edele gewassen beplant4 ,maar op die plaats zag zij verzameld alle zieken en blinden en gebrekkigen1 die in de wereld waren4 ,zij zag de pestzieken met lichamen1 door builen opgezwollen1 de melaatschen met verteerde aangezichten1 de lammen1 die zich niet konden verroeren1 maar hulpeloos op het veld lagen en al de ellendigen1 die jammerden van smart en pijn4 ,en ze drongen allen naar de poort om in huis te komen en enkele van de voorsten bonsden met harde slagen op de deur van het paleis4 ,eindelijk zag ze1 dat een slaaf de deur opende1 op den drempel ging staan en zij hoorde1 dat hij hun vroeg wat ze wilden4 ,toen antwoordden zij hem en zeiden3 ,wij zoeken den grooten ,profeet1 dien ,god op aarde gezonden heeft4 ,waar is de ,profeet van ,nazareth8 ,hij1 die de meester van alle plagen is8 ,waar is ,hij1 die ons verlossen kan van al ons lijden8 ,toen antwoordde de slaaf op een onverschilligen toon1 zooals paleisdienaars dien gewoonlijk aannemen als ze arme vreemdelingen afwijzen3 ,het baat u niets om den grooten ,profeet te zoeken4 ,pilatus heeft hem gedood4 ,toen ging van al die zieken een weeklagen en jammeren en tandenknarsen op1 dat zij het niet aanhooren kon4 ,haar hart werd verscheurd door medelijden en de tranen stroomden haar uit de oogen4 ,maar doordat ze was beginnen te schreien1 was ze wakker geworden4 ,weer was ze ingeslapen en weer had ze gedroomd1 dat ze op het dak van haar huis stond1 en ze zag neer op de groote plaats1 die zoo breed als een markt was4 ,en zie1 de plaats was vol van alle menschen1 die waanzinnig en zielsziek waren en bezeten door booze geesten4 ,en ze zag enkelen1 die naakt waren en enkelen die in hun lange haren waren gehuld1 en sommigen die zich kransen van stroo hadden gevlochten of mantels van gras en meenden1 dat ze koningen waren4 ,en anderen1 die op den grond kropen en meenden1 dat ze dieren waren4 ,en weer anderen1 die altijd schreiden over een verdriet1 dat zij geen naam konden geven4 ,en sommigen1 die zware steenen kwamen aanslepen1 die ze zeiden1 dat van goud waren4 ,en weer anderen1 die geloofden1 dat booze geesten door hun mond spraken4 ,zij zag ze allen dringen naar de poort van het paleis4 ,en zij1 die het dichtst bij stonden1 klopten en bonsden om binnen te komen4 ,eindelijk werd de deur geopend en een slaaf kwam naar buiten en vroeg hun3 ,wat verlangt ge8 ,toen begonnen allen te roepen en zeiden3 ,waar is de groote ,profeet van ,nazareth1 ,hij1 die door ,god gezonden is en die ons onze ziel en ons verstand zal weergeven8 ,zij hoorde1 dat de slaaf antwoordde op den onverschilligsten toon van de wereld3 ,het dient nergens toe1 dat ge den grooten ,profeet zoekt1 ,pilatus heeft hem gedood4 ,toen dit gezegd werd1 gaven al de waanzinnigen een kreet1 die klonk als het brullen van wilde dieren1 en in hun vertwijfeling begonnen zij zich zelf te verwonden1 zoodat het bloed op de steenen vloot1 en toen zij1 die droomde1 hun ellende zag1 begon ze haar handen te wringen en te jammeren4 ,en ze werd wakker van haar eigen gejammer4 ,maar weer was ze ingeslapen en weer bevond ze zich in haar droom op het dak van haar huis4 ,en om haar heen zaten haar slavinnen1 die op de cimbaal en de cither speelden en de amandelboom wierp zijn witte bloembladen over haar heen en de klimrozen geurden4 ,terwijl ze daar zat1 sprak een stem tot haar3 ,ga naar de balustrade1 die het dak omgeeft en zie neer op de binnenplaats4 ,maar in den droom weigerde zij1 en zeide3 ,ik wil niets meer zien van allen1 die vannacht op mijn binnenplaats komen4 ,op hetzelfde oogenblik hoorde zij van daar een gerammel van ketenen en het gehamer van zware mokers en het geluid van hout1 dat op hout sloeg4 ,haar slavinnen hielden op met zang en spel1 haastten zich naar de balustrade en keken naar beneden4 ,en zij zelf kon ook niet blijven zitten1 maar ging daarheen en zag neer op de binnenplaats4 ,toen zag ze1 dat de plaats in haar huis vol was met al de arme gevangenen van de wereld4 ,zij zag hen1 die anders in donkere gevangenissen lagen1 gekluisterd met zware ijzeren ketenen4 ,zij zag hen1 die in de donkere groeven arbeidden1 en nu kwamen aansleepen met hun mokers4 ,en zij1 die roeiers waren op oorlogsschepen1 kwamen met hun zware roeiriemen van ijzer gesmeed4 ,en zij1 die veroordeeld waren om te worden gekruisigd1 kwamen met hun kruisen en zij1 die onthoofd moesten worden met hun bijlen4 ,zij zag hen1 die in slavernij waren weggevoerd naar vreemde landen en wier oogen brandden van heimwee4 ,zij zag alle ellendige slaven1 die moesten werken als lastdieren1 en wier ruggen bloedig waren van geeselslagen4 ,al die ongelukkigen riepen uit n mond en zeiden3 ,doe open6 doe open6 ,toen trad de slaaf1 die den ingang bewaakte1 naar buiten en hij vroeg hun3 ,wat is het dat gij verlangt8 ,en dezen antwoordden als de anderen3 ,wij zoeken den grooten ,profeet van ,nazareth1 die op aarde gekomen is om gevangenen hun vrijheid te geven en den slaven hun geluk4 ,de slaaf antwoordde met een onverschillig gezicht3 ,ge kunt hem hier niet vinden1 ,pilatus heeft hem gedood4 ,toen dit gezegd was1 was het haar1 die droomde1 alsof al die ongelukkigen uitbarstten in zulk een verachting en hoon1 dat zij voelde1 hoe hemel en aarde trilden4 ,zij zelf voelde zich versteend van schrik1 en zulk een schok ging door haar lichaam1 dat ze ontwaakte4 ,toen ze nu goed wakker was1 ging zij overeind in bed zitten en zei in zichzelf3 ,ik wil niet meer droomen4 ,nu wil ik mij den heelen nacht wakker houden1 zoodat ik niets meer van al dat vreeselijke hoef te zien4 ,maar bijna op hetzelfde oogenblik1 dat ze dat dacht1 had de slaap haar weer overmeesterd en zij had haar hoofd op het kussen gelegd en was ingeslapen4 ,weer had ze gedroomd1 dat ze op het dak van haar huis zat1 en haar zoontje sprong daar heen en weer en speelde met een bal4 ,toen hoorde ze een stem1 die tot haar sprak3 ,ga naar de balustrade1 die 't dak omgeeft en zie1 wie het zijn1 die op de plaats staan te wachten4 ,maar zij1 die droomde1 zeide in zichzelf3 ,ik heb vannacht zooveel ellende gezien1 ik kan niets meer verdragen4 ,ik wil blijven waar ik ben4 ,op 'tzelfde oogenblik wierp haar zoontje zijn bal zoo1 dat die buiten de balustrade viel1 en het kind sprong er op toe en klom op het hek4 ,toen werd zij bang1 ze sprong op en greep het kind4 ,maar daardoor kwam zij er toe een blik naar beneden te werpen en weer zag zij1 dat de plaats vol menschen was4 ,en daar waren al de menschen der aarde1 die in den oorlog gewond waren4 ,zij kwamen met verminkte lichamen1 met afgehouwen ledematen en met groote open wonden1 waaruit bloed vloeide1 zoodat de heele plaats er door overstroomd werd4 ,en daarnaast verdrongen zich alle menschen der aarde1 die hun geliefden op het slagveld verloren hadden4 ,het waren de vaderloozen1 die hun verdedigers betreurden en de jonge vrouwen1 die om haar geliefden riepen1 en de ouden1 die om hun zonen zuchtten4 ,die het meest vooraan stonden1 drongen naar de deur en de poortwachter kwam zooals te voren en opende de deur4 ,en hij vroeg allen1 die in twisten en gevechten gewond waren3 ,wat zoekt gij in dit huis8 ,en zij antwoordden3 ,wij zoeken den grooten ,profeet van ,nazareth1 die strijd en oorlog verbieden zal en vrede op aarde brengen4 ,wij zoeken hem1 die de speer tot een zeis zal maken en het zwaard tot een wijngaardmes4 ,toen antwoordde de slaaf3 ,laat nu niet meer menschen mij komen plagen1 ik heb het nu al zoo dikwijls gezegd3 ,de groote ,profeet is hier niet4 ,pilatus heeft hem gedood4 ,daarop sloot hij de poort4 ,maar zij1 die droomde1 dacht aan al het gejammer1 dat nu komen zou4 ,ik wil het niet meer hooren1 zei ze en snelde weg van de balustrade4 ,op 'tzelfde oogenblik werd zij wakker en toen merkte ze1 dat zij in haar schrik uit haar bed op den kouden steenen vloer gesprongen was4 ,weer had zij gedacht1 dat zij dien nacht niet meer slapen wou en weer had haar de slaap overmand1 zoodat zij haar oogen gesloten had en was beginnen te droomen4 ,weer stond zij op het dak van een huis en naast haar stond haar man1 en zij vertelde hem van haar droomen en hij lachte haar uit4 ,en weer hoorde ze een stem1 die tot haar sprak3 ,ga naar de menschen zien1 die op uw binnenplaats wachten4 ,maar zij dacht3 ,ik wil ze niet zien4 ,ik heb vannacht ongelukkigen genoeg gezien4 ,op 'tzelfde oogenblik hoorde ze drie harde slagen op de poort en haar man ging naar de balustrade om te zien wie het was1 die in zijn huis verlangde binnen te komen4 ,maar nauwelijks had hij zich over het hek gebogen of hij wenkte zijn vrouw om bij hem te komen4 ,kent gij dien man niet8 vroeg hij en wees naar beneden4 ,toen zij naar beneden zag op de binnenplaats1 merkte zij1 dat die vol was van ruiters en paarden4 ,slaven waren bezig ezels en kameelen te ontdoen van hun lasten4 ,het scheen1 dat een voornaam reiziger was aangekomen4 ,aan den ingang stond de reiziger4 ,hij was een groot oud man met breede schouders en een zwaarmoedig en somber uiterlijk4 ,de droomende herkende dadelijk den vreemdeling en ze fluisterde haar man toe3 ,dat is ,caesar ,tiberius1 die naar ,jeruzalem gekomen is4 ,het kan niemand anders zijn4 ,ik meen hem ook te herkennen1 zei haar man en legde dadelijk den vinger op den mond als een teeken1 dat ze stil moesten zijn en luisteren naar wat er beneden op de plaats gezegd werd4 ,ze zagen1 dat de deurwachter naar buiten kwam en den vreemde vroeg3 ,wien zoekt gij8 ,en de reiziger antwoordde3 ,ik zoek den grooten ,profeet van ,nazareth1 die begiftigd is met ,gods wonderdoende kracht4 ,keizer ,tiberius roept hem1 opdat hij hem bevrijden zal van een vreeselijke ziekte1 die geen ander geneesmeester wegnemen kan4 ,toen hij uitgesproken had boog zich de slaaf zeer ootmoedig en zei3 ,heer1 wees niet vertoornd1 maar uw wensch kan niet vervuld worden4 ,toen wendde zich de keizer tot zijn slaven1 die achteraan op de plaats wachtten en gaf hun een bevel4 ,toen haastten zich de slaven2 sommigen hadden de handen vol versiersels1 anderen hadden schalen opgehoopt met paarlen1 anderen sleepten met zakken vol gouden munten4 ,de keizer wendde zich tot den slaaf1 die de poort bewaakte en zeide3 ,dit alles zal 't zijne zijn1 als hij ,tiberius bijstaat4 ,hiermee kan hij al den armen der aarde rijkdom geven4 ,maar de deurwachter boog zich nog dieper dan te voren en zeide3 ,heer1 wees niet vertoornd op uw dienaar1 maar uw begeerte kan niet worden vervuld4 ,toen wenkte de keizer zijn slaven nog eens en een paar van hen kwamen haastig aan met een rijk geborduurd kleed1 waarop een borststuk van juweelen glinsterde4 ,en de keizer sprak tot den slaaf3 ,zie hier4 ,wat ik hem aanbied is de macht over ,judea4 ,hij zal zijn volk besturen als de hoogste rechter1 als hij mij maar volgt en ,tiberius geneest4 ,maar de slaaf boog zich nog dieper ter aarde en sprak3 ,heer1 het staat niet in mijn macht u te helpen4 ,toen wenkte de keizer nogmaals en zijn slaven kwamen haastig aan met een gouden hoofdring en een purperen mantel4 ,zie1 sprak hij1 dit is de wil des keizers4 ,hij belooft hem te benoemen tot zijn erfgenaam en hem heerschappij over de wereld te geven4 ,hij zal de macht hebben de geheele aarde te besturen volgens den wil van zijn ,god4 ,als hij maar van te voren zijn hand uitsteekt en ,tiberius geneest4 ,toen viel de slaaf ter aarde voor de voeten van den keizer en sprak jammerend3 ,het staat niet in mijn macht ,u te gehoorzamen4 ,hij1 dien gij zoekt1 is niet meer hier1 ,pilatus heeft hem gedood4 ,,viii4 ,toen de jonge vrouw wakker werd was het reeds helder dag en haar slavinnen stonden te wachten om haar te helpen met aankleeden4 ,zij was heel stil1 terwijl zij zich kleedde1 maar eindelijk vroeg zij de slavin1 die haar kapte of haar man al op was4 ,zij hoorde toen1 dat hij geroepen was om recht te spreken over een misdadiger4 ,ik had hem graag willen spreken1 zei de jonge vrouw4 ,meesteres1 zei de slavin1 dat gaat moeilijk nu midden onder het rechtsgeding4 ,wij zullen u bericht brengen zoodra het afgeloopen is4 ,zij bleef nu zwijgend zitten tot ze geheel gekleed was4 ,toen vroeg ze3 ,heeft iemand van u hooren spreken van een profeet uit ,nazareth8 ,de ,profeet van ,nazareth6 ,dat is een ,joodsch wonderdoener1 antwoordde dadelijk een der slavinnen4 ,dat is wonderlijk1 ,meesteres1 dat gij vandaag naar hem vraagt1 zei een andere slavin4 ,hij is het juist1 dien de ,joden hier naar het paleis gebracht hebben om hem door den landvoogd te laten verhooren4 ,zij beval dadelijk1 dat ze zouden gaan hooren1 waarvoor hij was aangeklaagd4 ,en een van de slavinnen verwijderde zich4 ,toen zij terugkwam zei ze3 ,ze klagen hem aan1 omdat hij zich tot koning over dit land maken wil en zij roepen1 dat de landvoogd hem moet laten kruisigen4 ,maar toen de vrouw van den landvoogd dit hoorde1 werd zij zeer verschrikt en zeide3 ,ik moet mijn man spreken6 anders gebeurt hier vandaag een ontzettend ongeluk4 ,toen de slavinnen haar nog eens zeiden1 dat dit onmogelijk was1 begon ze te beven en te schreien1 en een van haar werd bewogen1 zoodat ze zei3 ,als gij een schriftelijke boodschap wilt zenden aan den landvoogd1 zal ik trachten hem die te brengen4 ,zij nam dadelijk een stift en schreef eenige woorden op een wastafeltje1 en dat werd aan ,pilatus overgebracht4 ,maar hem zelf kon ze niet alleen spreken dien heelen dag1 want toen hij de ,joden had weggezonden en de veroordeelde was weggeleid naar de gerechtsplaats1 was het tijd voor den maaltijd1 en daarvoor had ,pilatus een paar van de ,romeinen uitgenoodigd1 die in dien tijd in ,jeruzalem waren4 ,het waren de aanvoerder van de troepen1 een jonge leeraar in de welsprekendheid en nog een paar anderen4 ,die maaltijd was niet heel opgewekt1 want de vrouw van den landvoogd zat zwijgend en ontstemd1 zonder aan het gesprek deel te nemen4 ,toen de gasten vroegen of ze ziek of bedroefd was1 vertelde de landvoogd lachend van de boodschap1 die ze hem dien morgen gezonden had1 en hij schertste er over1 dat zij gemeend had1 dat een ,romeinsch landvoogd zich bij zijn rechtspraak zou laten leiden door de droomen van een vrouw4 ,zij antwoordde stil en bedroefd3 ,voorwaar1 dit was geen droom1 maar een waarschuwing1 door de goden gezonden4 ,gij hadt tenminste den man dezen eenen dag nog in 't leven moeten laten4 ,zij zagen1 dat ze werkelijk bedroefd was4 ,zij wilde zich niet laten troosten1 hoezeer ook de gasten zich inspanden om haar door een onderhoudend gesprek die dwaze inbeeldingen te doen vergeten4 ,maar na een poos hief een van hen 't hoofd op en zei3 ,wat is dat8 ,hebben we z lang aan tafel gezeten1 dat de dag al voorbij is8 ,allen zagen nu op1 en zij merkten1 dat een zwakke schemering daalde4 't ,was vooral merkwaardig te zien hoe heel het bonte kleurenspel1 dat over alle dingen en alle wezens ligt1 zachtkens uitdoofde1 zoodat alles eentonig grijs scheen4 ,evenals al 't andere verloren ook hun eigen aangezichten hun kleur4 ,wij zien er uit als dooden1 zei de jonge redenaar met een rilling4 ,onze wangen zijn grauw en onze lippen zwart4 ,terwijl deze duisternis al dieper werd nam ook de angst der jonge vrouw toe4 ,ach1 liefste6 riep ze eindelijk uit1 ziet ge nu nog niet in1 dat de onsterfelijken u willen waarschuwen8 ,zij zijn vertoornd1 omdat ge een heilig en onschuldig man ter dood hebt veroordeeld6 ,ik denk1 dat1 al is hij nu misschien al aan 't kruis geslagen1 hij nog niet gestorven is4 ,laat hem afnemen van het kruis4 ,ik wil met eigen handen zijn wonden verbinden4 ,sta alleen toe1 dat hij in 't leven teruggeroepen wordt4 ,maar ,pilatus antwoordde lachend3 ,zeker hebt gij gelijk1 dat dit een teeken van de goden is4 ,maar zij laten de zon haar glans niet verliezen1 omdat een ,joodsche dwaalleeraar tot den kruisdood veroordeeld is4 ,daarentegen kunnen wij gewichtige gebeurtenissen verwachten1 die het geheele rijk betreffen4 ,wie kan weten1 hoelang nog de oude ,tiberius444 ,hij voltooide den zin niet1 want de duisternis was z diep geworden1 dat hij niet eens den wijnbeker vlak voor hem kon zien staan4 ,hij hield op om den slaven te bevelen haastig een paar lampen te brengen4 ,toen het zoo licht geworden was1 dat hij het gezicht van zijn gasten zien kon1 kon hem de ontstemming1 die zich van hen meester maakte1 onmogelijk ontgaan4 ,zie nu eens1 zei hij tot zijn vrouw4 ,nu komt' t mij voor1 dat het u gelukt is ons genoegen te bederven met uw droomen4 ,maar als ge nu eenmaal aan niets anders denken kunt1 laat ons dan liever hooren1 wat ge gedroomd hebt4 ,vertel het ons en wij zullen beproeven de bedoeling te begrijpen4 ,hiertoe was de jonge vrouw dadelijk bereid4 ,en terwijl zij 't eene visioen na het andere vertelde1 werden haar gasten al ernstiger4 ,zij lieten hun bekers onaangeroerd staan en er kwamen rimpels in hun voorhoofd4 ,de eenige1 die bleef lachen en alles onzin noemde1 was de landvoogd zelf4 ,toen 't verhaal uit was1 zei de jonge redenaar3 ,voorwaar1 dat is meer dan een droom1 want ik heb vandaag niet den keizer1 maar zijn oude vriendin ,faustina de stad zien binnentrekken4 ,het verwondert mij alleen1 dat zij zich nog niet heeft vertoond in 't paleis van den landvoogd4 ,er loopt werkelijk een gerucht1 dat de keizer door een vreeselijke ziekte is aangetast1 merkte de aanvoerder op4 't ,komt ook mij mogelijk voor1 dat de droom van uw vrouw een waarschuwing is1 door de goden gezonden4 't ,is in 't geheel niet ongelooflijk1 dat ,tiberius iemand tot den ,profeet heeft gezonden om hem aan zijn ziekbed te roepen1 stemde de jonge redenaar toe4 ,de aanvoerder wendde zich met diepen ernst tot ,pilatus en sprak3 ,als de keizer werkelijk op den inval gekomen is dezen wonderdoener bij zich te roepen1 is het beter voor u en voor ons allen1 dat hij hem in 't leven vindt4 ,pilatus antwoordde half boos3 ,is 't die duisternis1 die u allen tot kinderen maakt8 ,men zou denken1 dat ge allen droomuitleggers en profeten geworden waart4 ,maar de hoofdman ging voort met zijn aandringen3 't ,zou misschien niet onmogelijk zijn het leven van dien man te redden1 als ge een ijlbode zondt4 ,ge wilt me toch niet tot spot voor de menschen maken1 antwoordde de landvoogd4 ,zeg nu zelf hoe het gaan zou met recht en orde hier in 't land1 als men hoorde1 dat de landvoogd een misdadiger genade schonk1 omdat zijn vrouw een akeligen droom had gehad4 't ,is waarheid1 en geen droom1 dat ik ,faustina in ,jeruzalem gezien heb1 zei de jonge redenaar4 ,ik zal mijn handelingen wel tegenover den keizer verdedigen1 zei ,pilatus4 ,hij zal wel begrijpen1 dat deze dweper1 die zich1 zonder weerstand te bieden1 door mijn knechten liet mishandelen1 hem niet had kunnen helpen4 ,op 'tzelfde oogenblik1 dat hij deze woorden uitsprak1 dreunde het huis als door een geweldigen rollenden donderslag1 en een aardbeving deed het veld schudden4 't ,paleis van den landvoogd bleef onbeschadigd staan1 maar gedurende de minuten1 die de aardbeving duurde1 hoorde men van alle kanten een schrikwekkend gedruisch van instortende huizen en vallende pilaren4 ,zoodra een menschenstem zich kon laten hooren1 riep de landvoogd een slaaf4 ,haast u naar de gerechtsplaats en beveel in mijn naam1 dat de ,profeet van ,nazareth van het kruis genomen moet worden4 ,de slaaf spoedde zich weg4 ,het gezelschap begaf zich uit de eetzaal naar de zuilengang1 om onder den blooten hemel te zijn als de aardbeving zich herhaalde4 ,niemand durfde een woord spreken4 ,allen wachtten op de terugkomst van den slaaf4 ,die kwam spoedig terug4 ,hij bleef voor den landvoogd staan4 ,vondt ge hem nog in leven8 vroeg deze4 ,heer1 hij was gestorven1 en op het oogenblik dat hij den geest gaf1 kwam de aardbeving4 ,nauwelijks was dit gezegd of een paar harde slagen klonken op de buitenste poort4 ,toen zij dit hoorden1 sprongen allen op1 alsof er een nieuwe aardbeving gekomen was4 ,onmiddellijk daarna naderde een slaaf3 ,het is de oude ,faustina en ,sulpicius1 de bloedverwant van den keizer4 ,zij zijn gekomen om u te vragen hen te helpen om den ,profeet van ,nazareth op te zoeken4 ,er ging een zacht geruisch door de zuilengang en lichte stappen werden gehoord4 ,toen de landvoogd omzag1 merkte hij1 dat zijn vrienden zich van hem teruggetrokken hadden1 als van iemand over wien het ongeluk gekomen is4 ,,ix4 ,de oude ,faustina was aan land gestapt in ,capri en had den keizer opgezocht4 ,zij had hem alles verteld en terwijl ze sprak1 durfde zij hem bijna niet aanzien4 ,in haar afwezigheid was de ziekte op de vreeselijkste wijze toegenomen1 en ze dacht3 ,als er barmhartigheid bij de goden geweest was1 zouden zij me hebben laten sterven eer ik dezen armen1 gemartelden mensch zeggen moest1 dat alle hoop voorbij is4 ,tot haar verbazing luisterde ,tiberius met de grootste onverschilligheid naar haar4 ,toen ze vertelde hoe de groote wonderdoener gekruisigd was op denzelfden dag1 dat zij in ,jeruzalem aankwam1 en hoe zij hem bijna gered had1 begon zij te schreien door de pijn van die teleurstelling4 ,maar ,tiberius zei alleen3 ,treurt ge hier werkelijk over6 ,ach ,faustina1 heeft een heel leven in ,rome u dan nog niet afgebracht van het geloof aan toovenaars en wonderdoeners1 dat ge in uw kindsheid in de ,sabijnerbergen hebt opgedaan8 ,toen zag de oude in1 dat ,tiberius nooit eenige hulp van den profeet van ,nazareth verwacht had4 ,waarom liet ge mij die reis naar dat verre land doen als ge aldoor meendet dat het nutteloos zou zijn8 ,gij zijt de eenige vriend1 die ik bezit1 zei de keizer4 ,waarom zou ik u een verzoek weigeren1 zoolang ik de macht heb dit in te willigen8 ,maar de oude was er door gekwetst1 dat de keizer haar misleid had4 ,dat is weer uw oude listigheid1 viel zij uit4 ,dat is juist wat ik u 't allerminst vergeven kan4 ,ge hadt niet bij mij terug moeten komen1 zei ,tiberius4 ,ge hadt in uw bergen moeten blijven4 ,een oogenblik scheen het alsof die twee menschen1 die al zoo dikwijls getwist hadden1 weer tot een woordenstrijd zouden komen1 maar de toorn van de oude vrouw was spoedig overgedreven4 ,de tijd was voorbij1 dat ze in ernst met den keizer twisten kon4 ,zij sprak zachter1 hoewel ze nog niet laten kon een poging te wagen om gelijk te krijgen4 ,maar de man was werkelijk een profeet1 zei ze4 ,ik heb hem gezien4 ,toen zijn oogen de mijne ontmoetten1 geloofde ik1 dat hij een god was4 ,ik was waanzinnig1 toen ik hem in den dood liet gaan4 ,ik ben blij1 dat ge hem sterven liet1 antwoordde ,tiberius4 ,hij was een ,majesteitsschenner en een oproerstichter4 ,weer was ,faustina bijna boos geworden4 ,ik heb met veel van zijn vrienden te ,jeruzalem over hem gesproken1 zei ze4 ,hij heeft de misdaden1 waarvoor hij is aangeklaagd1 niet begaan4 ,al heeft hij nu ook juist die misdaden niet begaan1 dan is hij toch zeker niet beter dan iemand anders1 zei de keizer mat4 ,waar is de mensch1 die niet duizendmaal in zijn leven den dood verdient4 ,maar deze woorden van den keizer deden ,faustina besluiten iets te doen1 waarvoor ze tot nu toe nog teruggedeinsd was4 ,ik zal u toch een bewijs van zijn macht geven1 zeide ze4 ,ik zei u daar straks1 dat ik mijn zweetdoek over zijn gezicht legde4 ,dat is dezelfde doek1 dien ik nu in mijn hand heb4 ,wilt ge dien een oogenblik bekijken8 ,zij spreidde den zweetdoek voor den keizer uit en hij zag daarop flauw het beeld van een menschengezicht4 ,de stem van de oude beefde van ontroering toen ze voortging3 ,die man zag1 dat ik hem liefhad4 ,ik weet niet door welke macht hij in staat was mij zijn beeld achter te laten4 ,maar mijn oogen komen vol tranen1 zoo dikwijls ik het zie4 ,de keizer boog zich voorover en zag naar het beeld1 dat scheen geteekend met bloed en tranen en de zwarte schaduwen van de smart4 ,langzamerhand kwam het geheele gezicht voor hem op1 zooals het op den zweetdoek was afgedrukt4 ,hij zag de bloeddroppels op het voorhoofd1 de stekende doornenkroon1 het haar1 kleverig van bloed1 en den mond1 waarvan de lippen van lijden schenen te trillen4 ,hij boog zich al dieper over het beeld4 ,al helderder en helderder kwam het gezicht te voorschijn en uit de schaduwachtige omtrekken zag hij opeens de oogen stralen1 als van een verborgen leven4 ,en op denzelfden tijd1 dat ze tot hem spraken van het vreeselijkste lijden1 toonden ze hem een reinheid en hoogheid1 zooals hij nooit te voren had aanschouwd4 ,hij lag op zijn rustbank en dronk het beeld met zijn oogen in4 ,is dit een mensch8 zei hij1 zacht en week4 ,is dit een mensch8 ,weer lag hij stil naar het beeld te staren4 ,de tranen begonnen over zijn wangen te stroomen4 ,ik treur over uw dood1 gij onbekende1 fluisterde hij4 ,faustina1 riep hij eindelijk uit1 waarom hebt gij dien mensch laten sterven6 ,hij zou mij genezen hebben4 ,en weer verzonk hij geheel in 't beschouwen van het beeld4 ,gij1 mensch6 zeide hij na een poos4 ,als ik van u mijn gezondheid niet herkrijgen kan1 dan kan ik u toch wreken4 ,zwaar zal mijn hand rusten op hen1 die mij u ontstolen hebben4 ,weer bleef hij lang liggen4 ,toen liet hij zich op den vloer glijden en viel voor het beeld op de knien4 ,gij zijt de mensch6 zei hij4 ,gij zijt1 wat ik niet geloofd heb ooit te zullen zien4 ,en hij wees op zichzelf1 op zijn verwoest gezicht en verteerde handen4 ,ik en anderen zijn wilde dieren en monsters1 maar gij zijt de mensch6 ,hij boog het hoofd zoo diep over 't beeld1 dat hij den grond raakte4 ,erbarm u over mij1 gij onbekende1 zei hij1 en zijn tranen bevochtigden de steenen4 ,als gij in 't leven gebleven waart1 zou uw aanblik alleen mij genezen hebben4 ,de arme oude vrouw schrikte van wat zij gedaan had4 't ,was beter geweest1 als zij den keizer het beeld niet had laten zien1 meende zij4 ,zij was van den beginne af bang geweest1 dat zijn smart te groot zou zijn als hij het zag4 ,en in haar wanhoop over het verdriet van den keizer1 trok zij het beeld naar zich toe1 als om het uit zijn oogen weg te nemen4 ,toen zag de keizer op4 ,en zie1 zijn gezicht was geheel veranderd1 en hij was zooals hij vroeger geweest was4 't ,was alsof de ziekte wortel geslagen had in de haat en verachting voor de menschen1 die in zijn hart gewoond hadden1 en ze had moeten wijken op het oogenblik1 dat hij liefde en medelijden voelde4 ,den volgenden dag zond ,tiberius drie boden af4 ,de eerste bode ging naar ,rome1 met het bevel dat de senaat een onderzoek in zou stellen naar de wijze waarop de landvoogd in ,palestina zijn ambt bekleedde1 en hem straffen als het mocht blijken1 dat hij het volk verdrukte of onschuldigen ter dood veroordeelde4 ,de tweede ging naar den arbeider en zijn vrouw om hen te beloonen en te danken voor den raad1 dien zij den keizer gegeven hadden en om hun tevens te zeggen hoe alles was afgeloopen4 ,toen ze alles gehoord hadden1 schreiden ze stil en de man zei3 ,ik weet1 dat ik er heel mijn leven over peinzen zal wat er gebeurd zou zijn1 als deze twee elkaar hadden ontmoet4 ,maar de vrouw antwoordde3 ,het kon niet anders zijn4 't ,was een te groote gedachte dat deze twee elkaar zouden ontmoeten4 ,god1 de ,heer1 wist dat de wereld dit niet zou kunnen dragen4 ,de derde bode ging naar ,palestina en bracht van daar eenige van ,jezus' leerlingen naar ,capri1 en deze begonnen daar de leer te verkondigen1 die de gekruiste gepredikt had4 ,toen deze leeraren op ,capri aankwamen lag de oude ,faustina op haar sterfbed4 ,maar zij konden haar nog vr haar dood tot een discipel van den ,profeet maken en haar doopen4 ,en zij noemden haar ,veronica1 omdat het haar gegeven was aan de menschen het ware beeld van hun ,verlosser te brengen4 ,,vogel ,,roodborst4 ,het was in den tijd1 dat ,onze ,lieve ,heer de wereld schiep1 toen ,hij niet alleen hemel en aarde maakte1 maar ook alle dieren en gewassen en ze te gelijk een naam gaf4 ,er zijn veel verhalen uit dien tijd1 en als men ze alle kende1 zou men ook alles in de wereld1 wat men nu niet begrijpen kan1 kunnen verklaren4 ,nu gebeurde het1 dat op een dag ,onze ,lieve ,heer in het ,paradijs de vogels zat te schilderen en dat de verf in de verfpotten opraakte1 zoodat de distelvink zonder kleur gebleven zou zijn1 als ,onze ,lieve ,heer niet alle penseelen op zijn veeren had afgeveegd4 ,en toen was het ook1 dat de ezel zijn lange ooren kreeg1 omdat hij maar niet onthouden kon welken naam hij gekregen had4 ,hij vergat het1 zoodra hij een paar stappen op de wei in 't ,paradijs gedaan had1 en driemaal kwam hij terug om te vragen hoe hij heette1 tot ,onze ,lieve ,heer wat ongeduldig werd en hem bij beide ooren nam en zei3 ,je naam is ezel1 ezel1 ezel6 ,en terwijl ,hij zoo sprak trok ,hij de ooren van het dier wat uit opdat hij beter zou hooren en onthouden wat men hem zei4 ,op dien dag werd ook de bij gestraft4 ,want toen de bij geschapen werd1 begon ze dadelijk honig in te zamelen en menschen en dieren1 die merkten hoe heerlijk de honig geurde1 kwamen aan en wilden er van proeven4 ,maar de bij wilde alles zelf houden en joeg met haar giftigen angel allen weg1 die bij den honig kwamen4 ,dat zag ,onze ,lieve ,heer en dadelijk riep ,hij de bij en strafte haar4 ,ik heb je de gave gegeven om honig in te zamelen1 het liefelijkste wat er in de schepping is1 zei ,onze ,lieve ,heer2 maar daarom gaf ik je nog niet het recht om hard tegen je naaste te wezen4 ,onthoud het nu goed3 als je iemand steekt1 die je honig proeven wil1 dan moet je sterven4 ,ach ja1 toen was het ook1 dat de krekel blind werd1 en de mier haar vleugels verloor4 ,er gebeurde zooveel wonderlijks op dien dag4 ,onze ,lieve ,heer zat1 groot en vriendelijk1 den geheelen dag te scheppen en in 't leven te roepen4 ,en tegen den avond viel het ,hem in om een kleinen1 grauwen vogel te maken4 ,onthoud goed dat je naam roodborstje is1 zei ,onze ,lieve ,heer tot den vogel1 toen hij klaar was en ,hij zette hem op ,zijn open hand en liet hem vliegen4 ,maar toen de vogel een poos rondgevlogen had en de mooie aarde bekeken1 waarop hij leven zou1 kreeg hij ook lust om zich zelf te bekijken4 ,toen zag hij dat hij heelemaal grijs was2 en zijn borst was even grijs als al het andere4 ,roodborstje wendde en draaide zich en spiegelde zich in het water1 maar hij kon geen enkele roode veer ontdekken4 ,toen vloog de vogel terug naar ,onzen ,lieven ,heer4 ,onze ,lieve ,heer zat daar1 zacht en vriendelijk en uit ,zijn handen kwamen vlinders te voorschijn1 die om ,zijn hoofd vlogen4 ,duiven kirden op ,zijn schouders en uit het veld om ,hem heen1 bloeiden rozen op en lelin en duizendschoonen4 't ,hart van den kleinen vogel bonsde hevig van angst4 ,maar in lichte bogen vloog hij toch al nader en nader naar ,onzen ,lieven ,heer en eindelijk zette hij zich neer op ,zijn hand4 ,toen vroeg ,onze ,lieve ,heer wat hij wenschte4 ,ik wil ,u maar n ding vragen1 zei de kleine vogel4 ,wat wilt ge weten8 vroeg ,onze ,lieve ,heer4 ,waarom moet ik roodborstje heeten1 nu ik heelemaal grauw ben1 van mijn snavel af tot de punt van mijn staart8 ,waarom word ik roodborstje genoemd1 als ik geen enkele roode veer bezit8 ,en het vogeltje zag ,onzen ,lieven ,heer smeekend aan met zijn kleine zwarte oogen en draaide heen en weer4 ,om zich heen zag hij fazanten1 heelemaal rood met wat goudstof besprenkeld1 papegaaien met weelderige roode halskragen1 hanen met roode kammen1 om niet te spreken van vlinders1 goudvisschen en rozen4 ,en natuurlijk dacht hij er aan hoe weinig er maar noodig was1--maar een klein droppeltje verf op zijn borst--om hem tot den mooien vogel te maken1 waar zijn naam voor paste4 ,waarom moet ik roodborstje heeten terwijl ik heelemaal grijs ben8 vroeg de vogel opnieuw1 en hij verwachtte1 dat ,onze ,lieve ,heer zou zeggen3 ,ach vriendje1 ik zie1 dat ik vergeten heb je borstveeren rood te schilderen1 wacht maar een oogenblik1 dan is het klaar4 ,maar ,onze ,lieve ,heer lachte alleen maar stil en zei3 ,ik heb je roodborstje genoemd en roodborstje zul je heeten4 ,maar je moet zelf maar zien1 dat je je roode borstveeren verdient4 ,en toen hief ,onze ,lieve ,heer de hand op en liet den vogel opnieuw uitvliegen4 ,de vogel vloog rond in het ,paradijs in diep gepeins4 ,wat zou een kleine vogel als hij kunnen doen om zich roode veeren te verschaffen8 ,het eenige wat hij bedenken kon was in een doornstruik te gaan wonen4 ,hij ging bouwen tusschen de stekels van een dichten doornstruik4 ,het was alsof hij verwachtte1 dat een rozeblad zich bij zijn keel vast zou zetten en die kleuren4 ,een oneindige massa jaren was voorbijgegaan na dien dag1 den heerlijksten van de wereld4 ,sinds dien tijd hadden menschen en dieren het ,paradijs verlaten en zich over de aarde verspreid4 ,en de menschen waren zoover gekomen1 dat zij geleerd hadden het veld te ontginnen en de zee te bevaren4 ,zij hadden zich kleeren en versierselen aangeschaft1 ja1 ze hadden al lang geleden geleerd1 groote tempels en machtige steden te bouwen zooals ,thebe1 ,rome en ,jeruzalem4 ,toen kwam een nieuwe dag1 die ook lang herdacht zou worden in de geschiedenis van de aarde4 ,en op den morgen van dien dag zat de vogel roodborstje op een kleinen1 kalen heuvel buiten de muren van ,jeruzalem en zong voor zijn jongen1 die in een nestje lagen midden in een lagen doornstruik4 ,het roodborstje vertelde aan zijn kleintjes van den wonderbaren scheppingsdag1 en hoe hij zijn naam gekregen had1 zooals alle roodborstjes gedaan hebben van af het eerste1 dat ,gods ,woord gehoord heeft en uitging uit ,gods ,hand4 ,en zie nu eens1 besloot hij treurig4 ,zooveel jaren zijn voorbijgegaan1 zooveel rozen hebben gebloeid en zooveel jonge vogels zijn uit de eieren gekomen1 sinds den scheppingsdag1 dat niemand ze tellen kan en nog altijd is het roodborstje een kleine grijze vogel4 ,het is hem nog niet gelukt zijn roode borstveeren te winnen4 ,de jongen sperden den snavel wijd open en vroegen of hun voorvaderen niet getracht hadden een of ander groot werk te verrichten1 om die onschatbare roode kleur te verwerven4 ,we hebben allen gedaan wat we konden1 zei het vogeltje2 maar het is alles mislukt4 ,het eerste roodborstje al ontmoette eens een anderen vogel1 die sprekend op hem leek en hij begon dien dadelijk z hevig lief te hebben1 dat hij zijn borst voelde gloeien4 ,och1 dacht hij toen1 nu begrijp ik het6 ,het is de bedoeling van ,onzen ,lieven ,heer1 dat ik zoo warm zal liefhebben1 dat mijn borstveeren rood worden door den liefdegloed1 die in mijn hart woont4 ,maar het mislukte hem1 zooals het allen na hem mislukt is en zooals het u ook mislukken zal4 ,de jongen tsjilpten bedroefd4 ,zij begonnen er al over te treuren1 dat die roode kleur hun donzige borstjes niet zou versieren4 ,wij hebben ook op het zingen gehoopt1 zei de oude vogel1 nu in lange gerekte tonen sprekend4 ,reeds het eerste roodborstje zong zoo1 dat zijn borst van verrukking zwol en hij begon opnieuw te hopen4 ,ach1 dacht hij1 het is de zangersgloed1 die in mijn ziel woont1 die mijn borstveeren rood verven zal4 ,maar het mislukte hem1 zooals het allen na hem mislukt is en zooals het ook u mislukken zal4 ,opnieuw werd een droevig piepen uit de halfnaakte keeltjes van de jongen gehoord4 ,we hebben ook gehoopt op onzen moed en onze dapperheid1 zei de vogel4 ,reeds het eerste roodborstje streed dapper met andere vogels en zijn borst vlamde van strijdlust4 ,ach1 dacht hij1 mijn borstveeren zullen rood worden van den strijdlust1 die gloeit in mijn hart4 ,maar 't mislukte hem1 zooals het allen na hem mislukt is en zooals het ook u mislukken zal4 ,de jongen piepten er heel moedig over1 dat zij toch wilden beproeven 't zoo gewenschte voorrecht te verwerven4 ,maar de oude vogel antwoordde hun droevig dat het onmogelijk was4 ,hoe konden zij dat hopen daar zooveel uitstekende voorvaderen 't doel niet hadden kunnen bereiken4 ,wat konden ze meer doen dan liefhebben1 zingen en vechten4 ,wat konden4444 ,de vogel hield midden in den zin op1 want uit een der poorten van ,jeruzalem kwamen een menigte menschen stroomen en de heele schare kwam snel op den heuvel af1 waar de vogel zijn nest had4 ,het waren ruiters op trotsche paarden1 krijgslieden met lange speren1 beulsknechten met hamers en spijkers1 het waren waardig voorttrekkende priesters en rechters1 schreiende vrouwen en voor alles een troep wild rondspringend1 losloopend volk1 een afschuwelijke huilende bende straatslijpers6 ,de kleine grijze vogel zat trillend op den rand van zijn nestje4 ,hij vreesde ieder oogenblik1 dat het doornstruikje vertrapt zou worden en zijn jongen gedood4 ,wees voorzichtig6 riep hij den weerloozen diertjes toe1 kruip bij elkaar en wees doodstil4 ,daar komt een paard1 dat gaat dwars over ons heen1 daar komt een soldaat met sandalen met ijzeren zolen1 daar komt de heele woeste bende aanstormen4 ,opeens hield de vogel met zijn waarschuwingen op en bleef doodstil zitten4 ,hij vergat bijna het gevaar1 waarin hij verkeerde4 ,plotseling sprong hij in het nest en spreidde de vleugels over zijn jongen uit4 ,neen1 dat is al te vreeselijk1 zei hij1 ik wil niet1 dat jelui dat zien zult4 ,daar zijn drie misdadigen1 die gekruisigd moeten worden4 ,en hij spreidde de vleugels uit1 zoodat de kleinen niets zien konden4 ,ze hoorden alleen dreunende hamerslagen1 jammerkreten en het wilde gejoel van het volk4 ,het roodborstje volgde het heele tooneel met oogen groot van ontzetting1 hij kon de blikken niet van de drie ongelukkigen afwenden4 ,wat zijn de menschen wreed1 zei de vogel na een poos1 het is hun nog niet genoeg die arme schepsels aan het kruis te nagelen1 maar ze hebben op het hoofd van dien eene ook nog een kroon van scherpe doornen gezet4 ,ik zie1 dat de doornen zijn voorhoofd hebben gewond1 zoodat zijn bloed vloeit1 ging hij voort4 ,en die man is zoo heerlijk en ziet om zich heen met zulke zachte oogen1 dat ieder hem lief moet hebben4 ,het is me alsof een pijl mijn hart doorboort1 nu ik hem lijden zie4 ,het vogeltje begon een al sterker medelijden te gevoelen met den man1 die de doornenkroon droeg4 ,als ik mijn broeder de arend was1 dacht hij1 zou ik de spijkers uit zijn handen rukken1 en met mijn sterke klauwen al die menschen op de vlucht jagen1 die hem pijnigen4 ,hij zag hoe het bloed langs het voorhoofd van den gekruiste vloeide en toen kon hij niet langer stil in zijn nest blijven4 ,al ben ik klein en zwak1 ik kan toch wel iets voor dien armen gemartelde doen1 dacht de vogel en hij verliet het nest en vloog op in de lucht1 groote kringen beschrijvend om den gekruisigde heen4 ,hij zweefde verscheidene keeren om hem heen1 zonder nader te komen1 want hij was een schuwe1 kleine vogel1 die nog nooit gewaagd had een mensch te naderen4 ,maar langzamerhand vatte hij moed1 vloog naar hem toe en trok met zijn snavel den doorn uit1 die in het voorhoofd van den gekruisigde gedrongen was4 ,maar terwijl hij dat deed1 viel een droppel van het bloed van den gekruiste op de borst van den vogel1 die breidde zich snel uit en verfde al zijn teere borstveertjes4 ,maar de gekruiste opende zijn lippen en fluisterde den vogel toe3 ,terwille van uw barmhartigheid hebt gij nu gewonnen1 waar uw geslacht naar gestreefd heeft sinds de schepping der wereld4 ,zoodra de vogel in zijn nest terugkwam1 riepen zijn jongen hem toe3 ,uw borst is rood1 uw veeren zijn rooder dan rozen4 ,dat is maar een bloeddroppel van het voorhoofd van dien armen man1 die verdwijnt zoodra ik mij baad in een beek of een heldere bron4 ,maar hoe het vogeltje ook baadde1 de roode kleur week niet meer van zijn borst en toen zijn jongen volwassen waren1 was de schitterende roode kleur ook op hun borstveeren1 zooals die op de keel en de borst van ieder roodborstje te zien is tot op den huidigen dag4 ,,onze ,,lieve ,,heer ,,en ,,de ,,heilige ,,petrus4 ,het was in den tijd1 dat ,onze ,lieve ,heer en de heilige ,petrus pas teruggekomen waren in het ,paradijs1 na over de aarde te hebben rondgewandeld en veel ellende geleden te hebben1 vele jaren lang4 ,ge kunt wel begrijpen hoe blij de heilige ,petrus was4 ,ge kunt wel denken1 dat het heel wat anders was op den ,paradijsberg te zitten en over de wereld uit te zien1 dan van deur tot deur te zwerven1 als een bedelaar4 ,het was heel wat anders1 in de lusthoven van het ,paradijs rond te wandelen1 dan op aarde te zijn en niet te weten of men een dak boven 't hoofd zou hebben in den stormachtigen nacht1 of dat men gedwongen zou zijn buiten op den weg rond te zwerven in kou en duisternis4 ,ge kunt u voorstellen welk een vreugd het moet geweest zijn eindelijk op de rechte plaats te zijn aangekomen1 na zulk een reis4 ,de heilige ,petrus was er nog altijd niet zeker van geweest1 dat alles goed zou afloopen4 ,hij had niet kunnen laten nu en dan te twijfelen en onrustig te zijn1 want het was bijna onmogelijk geweest voor den heiligen ,petrus1 dien stakker1 te begrijpen waar het voor dienen moest1 dat zij het z zwaar hadden1 als ,onze ,lieve ,heer bestuurder van de heele wereld was4 ,en nu zou nooit eenig verlangen meer over hem komen4 ,ge kunt begrijpen1 dat hij daar blij om was4 ,nu kon hij er om lachen1 als hij er aan dacht1 hoe bedroefd hij en ,onze ,lieve ,heer dikwijls geweest waren en met hoe weinig zij tevreden hadden moeten zijn4 ,eens1 toen het hun zoo slecht ging1 dat hij meende het niet langer te kunnen uithouden1 had ,onze ,lieve ,heer hem megenomen en was een hoogen berg opgegaan1 zonder hem te zeggen1 wat zij daar boven te maken hadden4 ,ze waren voorbij steenen grotten gekomen1 die aan den voet van den berg lagen en voorbij kasteelen1 die hooger op lagen4--,zij waren nog verder gegaan dan waar de boerderijen liggen en de hutten der herders1 en zij hadden de steenen grot van den laatsten houthakker ver achter zich gelaten4 ,eindelijk waren zij daar gekomen1 waar de berg naakt was1 zonder boomen of planten1 en waar een hermiet zich een hut gebouwd had om reizigers in nood te kunnen helpen4 ,toen waren zij over het sneeuwveld gegaan1 waar de marmotten slapen en bij de woeste1 opeengestapelde ijsmassa's aangekomen1 die hier en daar met kanten en punten naar boven staken1 zoodat daar nauwelijks een steenbok vooruit kon komen4 ,daar had ,onze ,lieve ,heer een klein goudvinkje gevonden1 dat doodgevroren op het ijs lag1 en hij had het opgenomen en bij zich gestoken4 ,en de heilige ,petrus herinnerde zich1 dat hij zich afgevraagd had1 of die vogel misschien hun middagmaal uitmaken zou4 ,toen hadden ze een langen tijd over de glibberige ijsblokken voortgeloopen en de heilige ,petrus had gemeend1 dat hij nooit het doodenrijk meer nabij geweest was1 want een ijskoude wind en een stikdonkere nevel was om hen heen1 en zoover hij kon nagaan was daar niets levends meer4 ,en toch waren zij nog niet verder dan midden op den berg gekomen4 ,toen had hij ,onzen ,lieven ,heer gesmeekt om terug te keeren4 ,nog niet1 antwoordde ,onze ,lieve ,heer1 want ik wil u iets laten zien1 dat u moed zal geven om alles te verdragen4 ,dus waren ze verder gegaan door nevel en kou1 tot ze bij een eindeloos hoogen muur kwamen1 die hun belette verder te komen4 ,deze muur gaat verder om den berg1 sprak ,onze ,lieve ,heer1 en ge kunt er nergens over heen komen4 ,evenmin kan eenig mensch iets zien van wat daar achter is1 want daar zijn de velden van het ,paradijs1 en hier wonen de zaligen4 ,maar de heilige ,petrus kon niet helpen1 dat hij er ongeloovig uitzag4 ,daar binnen is het niet donker en koud als hier1 sprak ,onze ,lieve ,heer4 ,daar is het zomer en staat alles groen in den helderen schijn van zon en sterren4 ,maar de heilige ,petrus had het niet kunnen gelooven4 ,toen nam ,onze ,lieve ,heer het vogeltje1 dat ,hij op het ijsveld gevonden had en ,hij boog zich achterover en wierp het over den muur1 zoodat het in het ,paradijs viel4 ,en onmiddellijk daarna hoorde de heilige ,petrus een jubelend gekweel en herkende het gezang van den goudvink4 ,en hij was zeer verbaasd4 ,hij wendde zich tot ,onzen ,lieven ,heer en zei3 ,laat ons weer naar de aarde teruggaan en alles verdragen2 want nu zie ik1 dat ,gij de ,waarheid gesproken hebt1 en dat er een plaats is1 waar het leven den dood overwint4 ,en zij waren neergedaald van den berg en waren hun zwerftocht opnieuw begonnen4 ,sinds dien tijd had de heilige ,petrus in lange jaren niets anders van het ,paradijs gezien dan dit1 en had maar steeds loopen verlangen naar het land achter den muur4 ,en nu was hij er eindelijk en hoefde niet meer te verlangen4 ,nu kon hij heel den langen dag met beide handen genot en vreugde scheppen uit onuitputtelijke bronnen4 ,maar de heilige ,petrus was nog geen veertien dagen in het ,paradijs geweest of een engel kwam bij ,onzen ,lieven ,heer1 die op ,zijn troon zat1 boog zeven maal voor ,hem en zeide1 dat den heiligen ,petrus een groot ongeluk moest zijn overkomen4 ,hij wilde niet eten of drinken1 en zijn oogen waren rood1 alsof hij in vele nachten niet geslapen had4 ,zoodra ,onze ,lieve ,heer dit hoorde1 stond ,hij op en ging den heiligen ,petrus opzoeken4 ,hij vond hem ver weg aan de grens van het ,paradijs4 ,hij lag op den grond1 alsof hij te uitgeput was om te staan1 en hij had zijn kleeren verscheurd en asch op zijn haar gestrooid4 ,toen ,onze ,lieve ,heer hem zoo bedroefd zag1 ging ,hij naast hem zitten op den grond en sprak hem toe1 zooals ,hij gedaan zou hebben1 toen zij nog beneden in de bekommeringen der aarde samen rondwandelden4 ,wat maakt u zoo bedroefd1 heilige ,petrus8 vroeg ,onze ,lieve ,heer4 ,maar de droefheid van den heiligen ,petrus was z groot1 dat hij geen antwoord kon geven4 ,wat maakt u zoo bedroefd1 heilige ,petrus8 vroeg ,onze ,lieve ,heer opnieuw4 ,toen ,onze ,lieve ,heer die vraag herhaalde1 nam de heilige ,petrus zich de gouden kroon van het hoofd en wierp die voor de voeten van ,onzen ,lieven ,heer1 alsof hij zeggen wou1 dat hij geen deel meer aan ,zijn eer en heerlijkheid wou hebben4 ,maar ,onze ,lieve ,heer begreep wel1 dat de heilige ,petrus z bedroefd was1 dat hij niet wist wat hij deed en ,hij werd ook niet boos op hem4 ,ge moet me toch zeggen wat u scheelt1 zei ,hij even zachtmoedig als te voren en met nog grooter liefde in zijn stem4 ,maar nu sprong de heilige ,petrus op en ,onze ,lieve ,heer zag nu1 dat hij niet alleen bedroefd1 maar ook boos was4 ,hij kwam naar ,onzen ,lieven ,heer toe met gebalde vuisten en fonkelende oogen4 ,nu wil ik mijn ontslag uit ,uw dienst hebben1 zei de heilige ,petrus4 ,ik wil geen dag langer in het ,paradijs blijven4 ,en ,onze ,lieve ,heer zocht hem tot kalmte te brengen1 zooals ,hij al zoo dikwijls gedaan had1 als de heilige ,petrus opstoof4 ,ge zult zeker verlof krijgen om heen te gaan1 zei ,hij1 maar eerst moet ge mij zeggen wat u mishaagt4 ,ik wil ,u wel zeggen1 dat ik beter loon verwachtte1 toen wij beiden in de wereld allerlei ellende verdroegen1 zei de heilige ,petrus4 ,onze ,lieve ,heer zag1 dat de ziel van den heiligen ,petrus met bitterheid vervuld was en ,hij werd niet boos op hem4 ,ik zeg u immers1 dat het u vrijstaat heen te gaan1 wanneer ge wilt1 zei ,hij1 alleen moet ge mij zeggen1 wat u zoo bedroefd maakt4 ,toen vertelde de heilige ,petrus eindelijk1 waarom hij zoo ongelukkig was4 ,ik had een oude moeder1 zei hij1 en zij stierf een paar dagen geleden4 ,nu weet ik1 wat u kwelt1 zei ,onze ,lieve ,heer4 ,ge lijdt1 omdat uw moeder niet hier in het ,paradijs gekomen is4 ,zoo is het1 antwoordde de heilige ,petrus1 en weer werd zijn smart z hevig1 dat hij begon te snikken en te jammeren4 ,ik meende toch wel1 dat ik verdiend had1 dat zij hier mocht komen1 zei hij4 ,maar nu ,onze ,lieve ,heer wist waarom de heilige ,petrus zoo treurde1 werd ,hij op ,zijn beurt bedroefd1 want de moeder van den heiligen ,petrus was niet zoo geweest1 dat zij in den hemel kon komen4 ,ze had nooit aan iets anders gedacht dan aan geld bijeen te schrapen1 en aan armen1 die aan haar deur kwamen1 had ze niets1 zelfs nooit een glas water of een stuk brood1 gegeven4 ,en nu vond ,onze ,lieve ,heer het hard om den heiligen ,petrus te zeggen1 dat zijn moeder zoo gierig geweest was1 dat zij de zaligheid niet kon genieten4 ,heilige ,petrus1 zei ,hij1 hoe kunt ge zoo zeker weten1 dat uw moeder zich gelukkig zou voelen bij ons8 ,zie1 zoo iets zegt ,ge maar om mijn gebed niet te hoeven verhooren1 zei de heilige ,petrus4 ,wie zou nu niet gelukkig in het ,paradijs zijn8 ,zij1 die geen vreugde kennen over de blijdschap van anderen1 antwoordde ,onze ,lieve ,heer4 ,dan zijn er wel anderen dan mijn moeder1 die hier niet passen1 zei de heilige ,petrus en ,onze ,lieve ,heer merkte1 dat hij aan ,hem dacht4 ,en ,hij voelde zich diep bedroefd1 omdat de heilige ,petrus door zulk een felle smart getroffen was1 dat hij niet meer wist wat hij zeide4 ,hij bleef een poos staan wachten of de heilige ,petrus ook berouw zou toonen en begrijpen1 dat zijn moeder niet in het ,paradijs paste1 maar hij wilde niet toegeven4 ,toen riep ,onze ,lieve ,heer een engel en beval hem neer te dalen naar de hel1 en de moeder van den heiligen ,petrus naar het ,paradijs te halen4 ,laat mij zien hoe hij haar naar boven brengt1 vroeg de heilige ,petrus4 ,onze ,lieve ,heer nam hem bij de hand en leidde hem naar den rand van een rots1 die aan den eenen kant loodrecht naar beneden ging4 ,en hij wees hem hoe hij daar maar overheen te kijken had1 om regelrecht in de hel te kunnen zien4 ,toen de heilige ,petrus naar beneden keek1 kon hij in 't begin niet meer onderscheiden1 dan wanneer hij in een put had gezien4 ,het was alsof zich een bodemlooze afgrond onder hem opende4 ,het eerste1 wat hij later kon onderscheiden1 was de engel1 die reeds op weg naar de diepte was4 ,hij zag hoe hij in de dichte duisternis naar beneden snelde1 zonder eenige vrees1 en alleen de vleugels uitspreidde om niet al te snel te vallen4 ,maar toen de oogen van den heiligen ,petrus wat meer aan 't duister wenden1 begon hij steeds meer te zien4 ,hij zag eerst1 dat het ,paradijs op een ringvormigen berg lag1 dat een diepe afgrond het omgaf en dat de verdoemden op den bodem daarvan huisden4 ,hij zag hoe de engel altijd door daalde en daalde1 zonder nog geheel in de diepte te komen4 ,hij werd er geheel door ontzet1 dat het z ver weg was4 ,als hij nu maar weer naar boven kan komen met mijn moeder1 zeide hij4 ,onze ,lieve ,heer zag den heiligen ,petrus aan met groote1 bedroefde oogen4 ,er is geen gewicht z groot1 dat mijn engel niet dragen kan1 zei ,hij4 ,het was zoo diep daar in den afgrond1 dat geen zonnestraal er kon doordringen1 en het was er volslagen duister4 ,maar het was1 alsof de engel in zijn vlucht wat licht had meegebracht1 zoodat het mogelijk werd voor den heiligen ,petrus te onderscheiden1 hoe het er uitzag4 ,daar was een eindelooze1 donkere rotswoestijn2 scherpe1 spitse punten bedekten den ganschen bodem en daartusschen waren zwarte waterplanten4 ,er was geen groen halmpje1 geen boom1 geen teeken van leven4 ,maar overal tegen de scherpe rotspunten waren de onzaligen opgeklommen4 ,zij hingen over de rotsen1 waar ze tegen op waren gekropen1 in de hoop over de kloof heen te komen en toen ze zagen1 dat ze nergens heen konden1 waren ze daar boven gebleven1 versteend van wanhoop4 ,de heilige ,petrus zag1 hoe sommigen van hen zaten of lagen met de armen uitgestrekt in onophoudelijk verlangen en met de oogen voortdurend naar boven gericht4 ,zij stonden allen onbeweeglijk stil1 want geen van allen had lust een beweging te maken4 ,sommige lagen doodstil in de waterplassen1 zonder te probeeren er uit te komen4 ,het vreeselijkste was1 dat er zulk een massa verdoemden waren4 ,het was alsof de bodem van de kloof uit niets anders bestond dan uit lichamen en hoofden4 ,en weer werd de heilige ,petrus onrustig4 ,ge zult zien1 dat hij haar niet vindt1 zei hij tegen ,onzen ,lieven ,heer4 ,onze ,lieve ,heer zag hem aan met denzelfden bedroefden blik van zooeven4 ,hij wist wel1 dat de heilige ,petrus niet ongerust over den engel behoefde te zijn4 ,maar 't scheen den heiligen ,petrus nog altijd toe1 dat de engel zijn moeder niet vinden kon onder die massa's onzaligen4 ,hij spreidde de vleugels wijd uit en zweefde heen en weer over den afgrond1 terwijl hij haar opzocht4 ,opeens kreeg een van de armzalige stumpers daar in den afgrond den engel in het oog4 ,en hij sprong op1 stak de armen naar hem uit en riep3 ,neem mij mee1 neem mij mee6 ,en opeens kwam er leven in de heele schare4 ,al die millioenen en millioenen1 die daar beneden in de hel versmachtten1 stormden omhoog op 'tzelfde oogenblik1 met opgeheven armen en riepen den engel aan1 dat hij hen mee zou voeren naar het ,paradijs der zaligen4 ,hun kreten drongen door tot ,onzen ,lieven ,heer en den heiligen ,petrus en hun harten beefden van smart1 toen zij het hoorden4 ,de engel hield zich zwevend hoog boven de verdoemden1 maar naarmate hij heen en weer vloog om haar te ontdekken1 die hij zocht1 stormden allen hem na1 zoodat het scheen of zij door een wervelwind werden meegesleurd4 ,eindelijk had de engel haar1 die hij halen moest1 in het oog gekregen4 ,hij vouwde de vleugels samen over den rug en schoot bliksemsnel neer4 ,en de heilige ,petrus slaakte een kreet van blijde verrassing1 toen hij zag hoe de engel de armen om zijn moeder heen sloeg en haar ophief4 ,gezegend zijt gij1 die mijn moeder bij mij brengt1 riep hij4 ,onze ,lieve ,heer legde zacht de hand op den schouder van den heiligen ,petrus1 alsof ,hij hem wilde waarschuwen1 zich niet te vroeg aan zijn vreugde over te geven4 ,maar de heilige ,petrus was op het punt van te schreien van blijdschap1 omdat zijn moeder gered was en kon niet begrijpen1 dat nu nog iets hen zou kunnen scheiden4 ,en zijn vreugde werd nog verhoogd1 toen hij zag1 dat--hoe snel de engel ook te werk gegaan was toen hij haar opnam--het toch nog enkelen van de verdoemden gelukt was zich vast te haken aan haar1 die gered zou worden1 om met haar naar het ,paradijs te gaan4 ,het waren er ongeveer twaalf1 die zich aan de oude vrouw vastklemden1 en de heilige ,petrus vond1 dat het een groote eer voor zijn moeder was1 zooveel ongelukkigen van de verdoemenis te redden4 ,ook de engel deed niets om hen in hun voornemen te verhinderen4 ,hij scheen door den last niet bezwaard1 maar steeg en steeg en gebruikte zijn vleugels met niet meer inspanning1 dan alsof hij een dood jong vogeltje naar den hemel droeg4 ,maar daar zag de heilige ,petrus opeens1 dat zijn moeder zich van de onzaligen begon los te maken4 ,zij greep hun handen en rukte ze los1 zoodat de een na den ander terugtuimelde in de hel4 ,de heilige ,petrus kon hooren1 hoe ze haar baden en smeekten1 maar de oude vrouw scheen niet te willen hebben1 dat iemand anders dan zij zelf zalig zou worden4 ,zij maakte zich los van den een na den ander en liet ze in de ellende storten4 ,en als zij vielen1 weerklonk de geheele ruimte van weeklachten en vervloekingen4 ,toen riep de heilige ,petrus zijn moeder1 en bezwoer haar barmhartigheid te bewijzen1 maar ze wilde niet hooren3 ze ging door zooals ze begonnen was4 ,en de heilige ,petrus zag hoe de engel al langzamer vloog1 naarmate zijn last lichter werd4 ,toen werd hij door zulk een schrik aangegrepen1 dat zijn beenen hem niet langer konden dragen en hij op de knien viel4 ,eindelijk was er nog maar n onzalige1 die zich aan de moeder van den heiligen ,petrus vastklemde4 ,het was een1 die aan haar hals hing en vlak aan haar ooren smeekte en bad1 dat zij haar zou laten meegaan naar het gezegende ,paradijs4 ,toen was de engel met zijn last al zoo dichtbij gekomen1 dat de heilige ,petrus de armen uitstrekte om zijn moeder te ontvangen4 ,het kwam hem voor1 dat de engel nog maar een paar vleugelslagen behoefde te doen om op den berg te zijn4 ,maar toen hield de engel plotseling de vleugels doodstil en zijn aangezicht werd duister als de nacht4 ,want nu had de oude vrouw de handen naar achter gestrekt en de armen van haar1 die om haar hals hing1 gegrepen2 en zij rukte en trok tot het haar gelukte de gevouwen handen te scheiden1 zoodat ze zich nu ook vrij van deze laatste gemaakt had4 ,toen de verdoemde viel1 zonk de engel vele vademen neer1 en het scheen1 alsof hij zijn vleugels niet meer uit kon slaan4 ,hij zag op de oude vrouw neer met diep bedroefde blikken1 zijne handen lieten haar langzaam los en hij liet haar vallen1 alsof zij voor hem een te zware last was1 nu ze alleen overbleef4 ,toen steeg hij met een enkelen wiekslag tot in het ,paradijs4 ,maar de heilige ,petrus lag lang in dezelfde houding te snikken en ,onze ,lieve ,heer stond zwijgend naast hem4 ,heilige ,petrus1 zei ,onze ,lieve ,heer eindelijk1 nooit heb ik gedacht1 dat ge nog z zoudt schreien1 als ge in 't ,paradijs gekomen waart4 ,toen hief ,gods oude dienaar het hoofd op en antwoordde3 ,wat is dat voor een ,paradijs1 waar ik hen1 die ik het liefst heb1 hoor jammeren en mijn medemenschen zie lijden8 ,maar het aangezicht van ,onzen ,lieven ,heer werd verduisterd door de diepste smart4 ,wat zou ik liever willen1 dan u allen een ,paradijs bereiden van louter stralend geluk8 sprak hij4 ,begrijpt ge dan niet1 dat ik daarom naar beneden naar de menschen ben gegaan1 om ze te leeren hun naasten lief te hebben als zichzelf8 ,want zoolang ze dit niet doen1 is er geen plaats voor hen1 in den hemel of op aarde1 waar smart en droefheid hen niet bereiken kunnen4 ,,de ,,kaarsvlam4 ,i4 ,vele jaren geleden1 toen de stad ,florence pas een republiek geworden was1 leefde daar een man1 die ,raniero di ,ranieri heette4 ,hij was de zoon van een wapensmid en had zijn vaders handwerk geleerd1 maar hij hield er niet veel van om het uit te oefenen4 ,die ,raniero was een buitengewoon sterk man4 ,men zei van hem1 dat hij een zwaar ijzeren harnas even gemakkelijk droeg als een ander een zijden hemd4 ,hij was nog een jong man1 maar hij had al vele bewijzen van zijn buitengewone kracht gegeven4 ,op een dag was hij in een huis1 waar ze koren op den zolder gebracht hadden4 ,maar zij hadden daarboven te veel koren opgehoopt en terwijl ,raniero zich in het huis bevond1 brak een van de draagbalken2 het heele dak stond op het punt van in te storten4 ,toen waren allen weggeloopen1 behalve ,raniero4 ,hij stak de armen op en hield het dak tegen1 tot het den anderen gelukt was balken en stutten te halen1 om het te steunen4 ,men zei ook van ,raniero1 dat hij de dapperste man was1 die ooit in ,florence geleefd had en dat hij nooit genoeg van den strijd kon krijgen4 ,zoodra hij het een of ander rumoer op de straat hoorde1 liep hij weg van de werkplaats in de hoop1 dat er een gevecht was ontstaan1 waar hij aan deel kon nemen4 ,als hij er maar op in kon slaan1 vocht hij evenlief met eenvoudige landlieden als met geharnaste ridders4 ,hij vloog als een razende in den strijd1 zonder rekening te houden met zijn tegenstanders4 ,nu was ,florence niet heel machtig in zijn tijd4 ,het volk daar bestond grootendeels uit wolspinners en lakenwevers1 en die begeerden niet beter dan in vrede hun arbeid te verrichten4 ,er waren flinke mannen genoeg1 maar zij waren niet strijdlustig1 integendeel1 zij stelden er een eer in1 dat er in hun stad meer orde heerschte dan ergens anders4 ,raniero klaagde er dikwijls over1 dat hij niet in een land geboren was1 waar een koning was1 die dappere mannen om zich heen verzamelde1 en hij zei1 dat hij in dit geval tot groote eer en aanzien opgeklommen zou zijn4 ,raniero was een pocher en een schreeuwer1 wreed voor dieren1 hard voor zijn vrouw1 voor niemand prettig om mee samen te leven4 ,hij zou mooi geweest zijn als hij niet dwars over zijn gezicht verscheidene litteekens had gehad1 die hem ontsierden4 ,hij was vlug in 't besluiten1 en in zijn manier van doen was iets grootsch1 vaak ook iets ruws4 ,raniero was getrouwd met ,francisca1 dochter van ,jacopo degli ,uberti1 een wijs en machtig man4 ,jacopo had niet veel lust om zijn dochter aan zoo'n vechtersbaas als ,raniero te geven2 en had zich lang tegen het huwelijk verzet4 ,francisca had hem gedwongen toe te geven1 door te zeggen1 dat ze nooit met iemand anders zou trouwen4 ,toen ,jacopo eindelijk zijn toestemming gaf1 had hij tegen ,raniero gezegd3 ,ik meen opgemerkt te hebben1 dat mannen als gij de liefde van een vrouw gemakkelijker winnen dan die behouden4 ,daarom moet ge mij beloven1 dat1 als mijn dochter het zoo moeilijk bij u krijgt1 dat zij naar mij wil terugkeeren1 ge het haar niet beletten zult4 ,francisca zei1 dat het onnoodig was zooiets te beloven1 omdat ze ,raniero zoo liefhad1 dat niets hem van haar zou kunnen scheiden4 ,maar ,raniero gaf die belofte dadelijk4 ,daar kunt ge zeker van zijn1 ,jacopo1 zei hij2 dat ik nooit een vrouw zal terughouden1 die van mij weg wil4 ,francisca ging nu bij ,raniero inwonen1 en alles was goed tusschen hen beiden4 ,toen ze eenige weken getrouwd waren1 kreeg ,raniero den inval1 dat hij zich in het schijfschieten zou oefenen4 ,hij schoot eenige dagen op een bord1 dat hij aan den muur hing4 ,hij was spoedig geoefend en trof iederen keer het doel4 ,eindelijk wilde hij eens probeeren op een moeilijker doel te schieten4 ,hij keek rond naar iets geschikts1 maar ontdekte niets dan een kwartel1 die in een kooi boven de deur van de plaats zat4 ,de vogel behoorde aan ,francisca1 en zij hield heel veel van het dier4 ,maar ,raniero zond toch een knecht om de kooi open te maken1 en schoot den kwartel toen hij opvloog1 in de lucht4 ,dat vond hij een mooi schot en hij beroemde er zich op bij iedereen1 die het maar hooren wilde4 ,toen ,francisca hoorde1 dat ,raniero haar vogel doodgeschoten had1 werd zij bleek en zag hem verbaasd aan4 ,het verwonderde haar1 dat hij iets had willen doen1 dat haar verdriet moest doen1 maar zij vergaf het hem spoedig en had hem even lief als tevoren4 ,alles ging nu een poos weer goed4 ,de schoonvader van ,raniero1 ,jacopo1 was linnenwever4 ,hij had een groote werkplaats1 waar veel werk verricht werd4 ,raniero meende ontdekt te hebben1 dat er hennep door het vlas gemengd was in ,jacopo's werkplaats en hij verzweeg dit niet1 maar sprak er hier en daar in de stad over4 ,eindelijk hoorde ook ,jacopo die praatjes en hij trachtte ze dadelijk te stuiten4 ,hij liet door verscheidene andere linnenwevers zijn garen en weefstoelen onderzoeken1 en zij vonden1 dat het alles van het fijnste vlas was4 ,alleen in een pak1 dat bestemd was om buiten ,florence verkocht te worden1 vonden ze eenig mengsel4 ,jacopo zei toen1 dat dit bedrog gepleegd was buiten zijn weten door eenige van zijn knechten1 maar hij begreep spoedig1 dat hij dat den menschen moeilijk kon laten gelooven4 ,hij had altijd een buitengewoon goeden naam gehad wat eerlijkheid betreft1 en hij leed er onder1 dat zijn eer was aangetast4 ,raniero daarentegen pochte er op1 dat hij een bedrog ontdekt had en hij blufte er ook op1 als ,francisca het hoorde4 ,zij voelde een groote droefheid en tegelijk dezelfde verbazing1 als toen hij den vogel schoot4 ,terwijl ze daaraan dacht was het haar plotseling1 alsof ze haar liefde voor zich zag liggen als een groot stuk schitterend goudbrocaat4 ,zij zag hoe groot en hoe glanzend het was4 ,maar van een hoek was een stuk afgeknipt1 zoodat het niet zoo groot en heerlijk meer was als het vroeger geweest was4 ,toch was het nog zoo weinig beschadigd1 dat ze dacht3 ,er is nog wel genoeg zoolang ik leef4 ,het is zoo groot1 dat het nooit op kan raken4 ,weer ging een tijd voorbij1 waarin zij en ,raniero even gelukkig waren als in het eerst4 ,francisca had een broeder1 die ,teddeo heette4 ,die was naar ,veneti geweest voor handelszaken4 ,daar had hij kleeren gekocht van zij en fluweel1 en toen hij thuis kwam1 liep hij daarmee te pronken4 ,maar in ,florence was het geen gewoonte zich kostbaar te kleeden1 zoodat er velen waren1 die met hem spotten4 ,op een nacht waren ,teddeo en ,raniero in een herberg4 ,teddeo was gekleed met een groenen mantel met sabel gevoerd en een violet buis4 ,raniero verleidde hem nu om zooveel wijn te drinken dat hij in slaap viel1 nam toen zijn mantel en hing dien om een vogelverschrikker1 die tusschen de kool stond4 ,toen ,francisca dit hoorde1 werd zij weer boos op ,raniero en op hetzelfde oogenblik zag zij het groote stuk goudbrocaat weer voor zich en het was haar1 als zag zij het kleiner worden1 doordat ,raniero het eene stuk na het andere afknipte4 ,na dien tijd werd het weer goed tusschen die beiden2 maar ,francisca was niet meer zoo gelukkig als vroeger4 ,want zij verwachtte voortdurend1 dat ,raniero het een of ander doen zou1 dat haar liefde zou kunnen schaden4 ,dit liet ook niet lang op zich wachten1 want ,raniero kon zich nooit rustig houden4 ,hij begeerde ook1 dat de menschen altijd over hem zouden praten en zijn moed en onverschrokkenheid prijzen4 ,op de domkerk1 die vroeger in ,florence was en die veel kleiner is dan de tegenwoordige1 hing heel in de hoogte op den eenen toren een groot zwaar schild1 dat daar gebracht was door een van ,francisca's voorvaderen4 ,het was het zwaarste schild1 dat eenig man in ,florence had kunnen dragen en allen in de familie ,uberti waren er trotsch op1 dat een van hen in den toren had kunnen klimmen en het daar ophangen4 ,maar nu klom ,raniero op een dag naar het schild1 hing het op den rug1 en kwam er mee naar beneden4 ,toen ,francisca dat hoorde1 sprak zij voor het eerst met ,raniero over wat haar hinderde en ze vroeg hem1 dat hij toch niet op die manier zou trachten het geslacht te vernederen1 waartoe zij behoorde4 ,raniero1 die verwacht had1 dat ze hem zou prijzen voor zijn moed1 werd heel boos4 ,hij antwoordde1 dat hij al lang gemerkt had1 dat ze zich niet verheugde in zijn voorspoed1 maar alleen aan haar eigen familie dacht4 ,ik denk aan iets anders1 zei ,francisca2 en dat is mijn liefde2 ik weet niet hoe het daarmee gaan moet1 als je op die manier voortgaat4 ,hierna kwamen ze er dikwijls toe1 booze woorden te wisselen1 want ,raniero deed bijna altijd juist dat wat ,francisca het minst van al kon verdragen4 ,op ,raniero's werkplaats was een knecht1 die klein en mank was4 ,die man had ,francisca liefgehad vr ze trouwde4 ,en hij bleef haar liefhebben ook na haar huwelijk4 ,raniero1 die dat wist1 begon den gek met hem te steken1 vooral als ze aan tafel zaten4 ,en eindelijk ging het zoo ver1 dat de man1 die niet verdragen kon belachelijk gemaakt te worden in het bijzijn van ,francisca1 op een dag op ,raniero aanvloog en met hem wilde vechten4 ,maar ,raniero lachte hoonend en schopte hem op zij4 ,toen meende de stumperd1 dat hij niet langer leven kon4 ,hij ging weg en hing zich op4 ,toen dat gebeurde waren ,raniero en ,francisca zoowat een jaar getrouwd4 ,het was ,francisca aldoor als zag ze haar liefde voor zich als een schitterend stuk goudbrocaat1 maar aan alle zijden waren er stukken afgesneden1 zoodat het nauwlijks half zoo groot was als in den beginne4 ,zij schrikte hevig toen zij dit zag en ze dacht3 ,als ik nog een jaar bij ,raniero blijf1 zal hij mijn liefde vernielen4 ,ik word nog even arm als ik vroeger rijk geweest ben4 ,toen besloot ze ,raniero's huis te verlaten en bij haar vader te gaan wonen1 opdat de dag niet komen zou1 dat ze ,raniero even sterk zou haten als ze hem nu liefhad4 ,jacopo degli ,uberti zat bij zijn weefgetouw met al zijn knechten om zich heen te werken1 toen hij haar zag aankomen4 ,hij zag1 dat nu gebeurd was wat hij zoo lang verwacht had1 en heette haar welkom4 ,hij liet dadelijk al zijn volk ophouden met werken1 en beval hun zich te wapenen en het huis te sluiten4 ,later ging ,jacopo naar ,raniero4 ,hij trof hem op de werkplaats4 ,mijn dochter is vandaag bij mij teruggekomen en heeft mij gevraagd1 of ze weer onder mijn dak mag wonen1 zei hij tot zijn schoonzoon1 en nu verwacht ik1 dat ge haar niet dwingt tot u terug te komen1 volgens de belofte1 die ge mij gedaan hebt4 ,raniero scheen dit niet heel ernstig op te nemen4 ,hij antwoordde heel kalm3 ,al had ik u ook niets beloofd1 zou ik toch nooit een vrouw teruggeischt hebben1 die mij niet wil toebehooren4 ,hij wist hoe innig ,francisca hem liefhad en hij zei in zich zelf3 ,ze is vr den avond alweer bij me terug4 ,maar zij verscheen niet2 noch dien dag1 noch den volgenden4 ,den derden dag ging ,raniero uit om een paar roovers te vervolgen1 die reeds lang de ,florentijnsche kooplieden hadden verontrust4 ,het gelukte hem ze te overwinnen en ze gevangen naar ,florence te brengen4 ,hij bleef daar een paar dagen1 tot hij zeker was dat dit heldenfeit de geheele stad door bekend zou worden1 maar het ging niet zooals hij verwachtte4 ,het bracht ,francisca niet bij hem terug4 ,raniero had nu den grootsten lust haar met de wet in de hand te dwingen bij hem terug te komen1 maar hij vond1 dat hij dat niet doen kon om zijn belofte4 ,maar het kwam hem toch onmogelijk voor in dezelfde stad te leven met de vrouw1 die hem verlaten had en hij trok weg uit ,florence4 ,hij werd nu eerst soldaat bij de legioenen1 en al spoedig werd hij aanvoerder van een vrijcorps en voerde vaak strijd en diende vele heeren4 ,hij won veel eer als krijgsman1 zooals hij altijd voorspeld had4 ,hij werd tot ridder geslagen door den ,keizer en men rekende hem onder de groote mannen4 ,eer hij uit ,florence wegtrok1 had hij een gelofte afgelegd bij een heilig ,madonnabeeld in de domkerk1 aan de heilige ,maagd het voornaamste en beste te schenken wat hij in iederen strijd zou winnen4 ,voor dat beeld zag men voortdurend kostbaarder geschenken1 die door ,raniero waren geschonken4 ,raniero wist dus1 dat al zijn heldenfeiten in zijn geboortestad bekend waren4 ,hij was er heel verbaasd over1 dat ,francisca degli ,uberti niet weer bij hem terugkwam1 nu ze van al zijn voorspoed wist4 ,in dien tijd werden de kruistochten gepredikt om het ,heilige ,graf te bevrijden en ,raniero nam het kruis aan en vertrok naar het ,oosten4 ,gedeeltelijk verwachtte hij1 dat hij daar in den vreemde een slot en een leengoed zou winnen om over te bevelen1 ten deele dacht hij1 dat hij nu in staat zou zijn zulke schitterende heldenfeiten te bedrijven1 dat zijn vrouw hem weer lief zou krijgen en weer bij hem terug zou komen4-- ,,ii4 ,den nacht1 na den dag1 dat ,jeruzalem veroverd was1 heerschte er groote vreugd in het leger der kruisvaarders buiten de stad4 ,bijna in iedere tent werd een drinkgelag gehouden1 en ver in 't rond hoorde men gedruisch en gejoel4 ,raniero di ,ranieri zat ook met eenige krijgsmakkers te drinken en bij hem ging het bijna nog wilder toe dan ergens anders4 ,de dienaren konden nauwlijks de bekers vullen1 voor ze opnieuw geledigd waren4 ,maar ,raniero had alle reden om een groot feest te vieren1 want hij had dien dag grooter eer behaald dan ooit te voren4 ,dien morgen1 toen de stad bestormd werd1 was hij de eerste geweest1 die de muren beklommen had1 na ,godfried van ,bouillon4 ,en op dien avond was hem eer bewezen om zijn dapperheid voor het heele leger4 ,toen plundering en moord voorbij waren en de kruisvaarders in boethemden en met onaangestoken waskaarsen in de hand1 in de ,kerk van het ,heilige ,graf getrokken waren1 was hem namelijk door ,godfried aangezegd1 dat hij de eerste wezen zou1 die zijn licht mocht aansteken aan de heilige vlammen1 die voor het graf van ,christus brandden4 ,toen meende ,raniero1 dat ,godfried hem op die wijze toonen wilde1 dat hij hem voor den dapperste in het heele leger aanzag1 en hij was zeer verheugd over de wijze1 waarop hij voor zijn dapperheid beloond werd4 ,laat in den nacht1 toen ,raniero en zijn gasten in de beste luim waren1 kwamen een nar en een paar muzikanten1 die door het heele kamp rondgeloopen en de menschen met hun invallen vermaakt hadden1 in de tent van ,raniero1 en de ,nar vroeg om toestemming om een vermakelijk verhaal te doen4 ,raniero wist1 dat die nar heel bekend was om zijn vroolijkheid1 en hij beloofde naar zijn vertelling te luisteren4 ,het gebeurde eens1 zei de ,nar1 dat ,onze ,lieve ,heer en de heilige ,petrus een heelen dag in den hoogsten toren op den burg in het ,paradijs gezeten en naar de aarde gekeken hadden4 ,zij hadden zooveel gehad om op te letten1 dat ze nauwlijks tijd hadden gehad een woord te wisselen4 ,onze ,lieve ,heer had al dien tijd heel stil gezeten1 maar de heilige ,petrus had nu eens in de handen geklapt van blijdschap1 en dan weer met afschuw het hoofd gewend2 nu eens had hij gejubeld en gelachen1 en dan weer had hij geschreid en gejammerd4 ,eindelijk1 toen de dag ten einde liep1 en de avondschemering over het ,paradijs daalde1 wendde ,onze ,lieve ,heer zich tot den heiligen ,petrus en zei1 dat hij nu wel blij en tevreden moest zijn4 ,waar zou ik tevreden mee zijn8 vroeg de heilige ,petrus heftig4 ,nu1 zei ,onze ,lieve ,heer zachtmoedig1 ik dacht1 dat je blij zou zijn met wat je vandaag gezien hadt4 ,maar de heilige ,petrus wilde zich niet zachter laten stemmen4 ,het is waar1 zei hij1 dat ik er jaren lang over geklaagd heb1 dat ,jeruzalem in de macht van de ongeloovigen was1 maar na wat er vandaag gebeurd is1 dunkt mij1 dat het evengoed had kunnen blijven zooals het was4 ,raniero begreep nu1 dat de ,nar spreken wou over wat er in den loop van den dag gebeurd was4 ,hij en de andere ridders begonnen met grooter belangstelling te luisteren dan in het begin4 ,toen de heilige ,petrus dit gezegd had1 ging de ,nar voort1 terwijl hij een listigen blik op de ridders wierp1 boog hij zich over de tinnen van den toren en wees naar de aarde4 ,hij liet ,onzen ,lieven ,heer een stad zien1 liggend op een groote eenzame rots1 die uit een bergdal naar boven stak4 ,ziet ,ge die hoopen lijken daar1 zei hij2 en ziet ,ge het bloed1 dat op die straten stroomt en ziet ,ge de naakte1 ellendige gevangenen1 die jammeren over den kouden nacht8 ,en ziet ,ge al die rookende brandhoopen8 ,onze ,lieve ,heer scheen niets te willen antwoorden4 ,maar ,petrus ging voort met zijn gejammer4 ,hij zei1 dat hij wel dikwijls boos geweest was op die stad daar1 maar z veel kwaad had hij haar nooit toegewenscht1 dat zij 't zoo slecht hebben zou4 ,toen antwoordde ,onze ,lieve ,heer eindelijk en trachtte een tegenwerping te maken4 ,je kunt toch niet ontkennen1 dat de ,christenridders hun leven gewaagd hebben met de grootste onverschrokkenheid4 ,hier werd de ,nar in de rede gevallen door betuigingen van bijval1 maar hij haastte zich met verder vertellen4 ,neen1 stoor me niet1 zei hij1 nu weet ik niet meer waar ik gebleven ben4 ,o ja1 't is waar1 ik wou juist zeggen1 dat de heilige ,petrus een paar tranen afdroogde die in zijn oogen kwamen en die hem beletten te zien4 ,ik had nooit kunnen denken dat ze zulke wilde dieren waren1 zei hij4 ,ze hebben den heelen dag gemoord en geplunderd4 ,ik begrijp heelemaal niet1 dat ,gij lust hadt ,u te laten kruisigen om zulke volgelingen te krijgen4 ,de ridders namen die scherts goed op4 ,ze begonnen luid en vroolijk te lachen4 ,wel zoo6 is de heilige ,petrus zoo boos op ons1 ,nar8 riepen ze4 ,houdt je nu stil en laat ons hooren of ,onze ,lieve ,heer ons niet verdedigt1 zei een ander4 ,neen1 ,onze ,lieve ,heer zweeg vooreerst maar1 zei de ,nar4 ,hij wist van ouds1 dat als de heilige ,petrus zoo aan den gang was1 het niets hielp als hij tegengesproken werd4 ,hij praatte maar door1 en zei1 dat ,onze ,lieve ,heer nu niet zeggen moest1 dat ze eindelijk er aan dachten in welke stad ze waren1 en naar de kerk gingen in boethemden en op bloote voeten4 ,die godsdienstoefening duurde niet zoo lang1 dat het de moeite waard was er over te praten4 ,en daarop boog hij zich nog eens neer over de tinnen van den toren en wees naar beneden naar ,jeruzalem4 ,hij wees op het leger van de ,christenen buiten de stad4 ,ziet ,gij nu hoe ,uw ridders hun overwinning vieren8 vroeg hij4 ,en ,onze ,lieve ,heer zag1 dat er overal in 't leger een drinkgelag gehouden werd4 ,ridders en krijgsknechten zaten naar ,syrische danseressen te kijken4 ,gevulde bekers gingen rond2 met dobbelsteenen verspeelde men den buit en4444 ,men luisterde naar ,narren1 die domme verhalen deden1 viel ,raniero in4 ,was dat ook niet een groote zonde8 ,de ,nar lachte en knikte ,raniero toe alsof hij zeggen wilde3 ,wacht maar1 dat zal ik je wel betaald zetten4 ,neen1 val me nou niet in de rede1 verzocht hij weer4 ,een arme ,nar vergeet zoo licht wat hij zeggen wou4 ,o ja1 dit was het3 ,de heilige ,petrus vroeg ,onzen ,lieven ,heer met zijn strengste stem1 of ,hij veel eer behaalde met dat volk daar4 ,en hierop moest ,onze ,lieve ,heer wel antwoorden1 dat hij dat niet zeggen kon4 ,ze waren roovers en moordenaars1 eer ze van huis gingen1 zei de heilige ,petrus1 en roovers en moordenaars zijn ze nog op dezen dag4 ,dit werk hadt ,ge evengoed ongedaan kunnen laten1 daar komt niets goeds van terecht4 ,nar1 ,nar1 zei ,raniero waarschuwend4 ,maar de ,nar scheen er een eer in te stellen te probeeren hoe ver hij gaan kon1 zonder dat iemand opvloog en hem de deur uitgooide1 en hij ging onvervaard voort4 ,onze ,lieve ,heer boog het hoofd als iemand1 die erkent dat hij met recht bestraft wordt1 maar in 't volgend oogenblik boog ,hij zich haastig voorover en zag nog oplettender naar beneden dan vroeger4 ,de heilige ,petrus keek toen ook naar beneden4 ,waar ziet ,ge naar8 vroeg hij verwonderd4 ,de ,nar vertelde dit met een zeer levendige mimiek4 ,alle ridders zagen ,onzen ,lieven ,heer en ,petrus voor zich1 en ze waren nieuwsgierig wat ,onze ,lieve ,heer in 't oog gekregen had4 ,onze ,lieve ,heer antwoordde1 dat 't niets bijzonders was1 zei de ,nar1 maar ,hij bleef toch steeds naar beneden kijken4 ,de heilige ,petrus volgde de richting van ,zijn blikken en hij kon niets anders zien dan dat ,onze ,lieve ,heer naar een groote tent zat te kijken1 waar buiten een paar ,saracenenkoppen op lange lansen stonden en waar een menigte prachtige matten1 gulden bokalen en kostbare wapens1 die uit de heilige stad waren weggenomen1 lagen opgestapeld4 ,in die tent ging het op dezelfde wijze toe als overal elders in het leger4 ,daar zaten scharen ridders en ledigden de bekers4 't ,eenige verschil was1 dat er daar meer gedruisch was en meer gedronken werd dan ergens anders4 ,de heilige ,petrus kon niet begrijpen waarom ,onze ,lieve ,heer zoo blij was toen ,hij daarheen keek1 dat de vreugd in ,zijn oogen schitterde4 ,zooveel strenge en schrikwekkende gezichten als hij daar bijeen zag1 meende hij nooit te voren om een feestdisch bijeen gezien te hebben4 ,en hij1 die gastheer was op dit feest1 was de vreeselijkste van allen1 't ,was een man van vijfendertig jaar1 vreeslijk groot en grof1 met een koperrood gezicht1 doorsneden met litteekens en schrammen1 met harde vuisten en sterke1 luidruchtige stem4 ,hier hield de ,nar een oogenblik op1 alsof hij bang was om verder te gaan1 maar ,raniero en de anderen vonden het wel aardig om hem over henzelf te hooren spreken en zij lachten maar om zijn onbescheidenheid4 ,je bent een brutale kerel1 zei ,raniero1 laat ons nu eens hooren waar je heen wilt4 ,eindelijk zei ,onze ,lieve ,heer iets1 ging de ,nar voort1 dat maakte1 dat de heilige ,petrus begreep waarom ,hij zoo blij was4 ,hij vroeg den heiligen ,petrus of hij goed zag1 of het werkelijk zoo was1 dat een van de ridders een brandende kaars naast zich had4 ,raniero voelde een schok door de leden bij deze woorden4 ,hij werd nu eerst recht boos op den ,nar en strekte de hand uit naar een zware wijnkan om hem die in 't gezicht te werpen1 maar hij bedwong zich om te hooren of wat die kerel daar zei hem tot eer of oneer zou strekken4 ,de heilige ,petrus zag nu1 vertelde de ,nar1 dat hoewel de tent overigens door fakkels verlicht was1 een van de ridders een brandende kaars naast zich had4 't ,was een groote dikke kaars1 een die er op berekend was een dag en een nacht te branden4 ,de ridder1 die geen kandelaar had om ze in te zetten1 had een massa steenen bij elkaar gezocht en er omheen gelegd om ze overeind te houden4 't ,gezelschap barstte in luid lachen uit bij deze woorden4 ,allen wezen op een kaars1 die naast ,raniero op tafel stond en die heelemaal zoo was als de ,nar beschreven had4 ,maar ,raniero steeg het bloed naar het hoofd1 want dit was de kaars1 die hij een paar uur geleden aan het ,heilige ,graf had aangestoken4 ,hij had 't niet over zich kunnen verkrijgen1 die uit te laten gaan4 ,toen de heilige ,petrus die kaars daar zag1 zei de ,nar1 werd het hem natuurlijk duidelijk waar ,onze ,lieve ,heer blij om was1 maar toch kon hij niet laten een beetje medelijden met ,hem te hebben4 ,nu ja1 zei hij1 dat is die ridder1 die vanmorgen op den muur sprong na den ,heer van ,bouillon en die vanavond zijn kaars vr alle anderen mocht aansteken aan het ,heilige ,graf4 ,ja1 zoo is het1 zei ,onze ,lieve ,heer1 en zooals je ziet1 heeft hij zijn kaars nog aan4 ,de ,nar sprak nu heel snel1 terwijl hij telkens een loerenden blik op ,raniero wierp3 ,de heilige ,petrus kon maar steeds niet laten een beetje medelijden met ,onzen ,lieven ,heer te hebben4 ,kunt ,ge niet begrijpen waarom hij die kaars nog aan heeft8 zei hij4 ,ge meent zeker1 dat hij aan ,uw lijden en dood denkt1 als hij er naar kijkt4 ,maar hij denkt aan niets anders dan aan de eer1 die hij won toen hij erkend werd als de dapperste in 't leger naast ,godfried van ,bouillon4 ,bij deze woorden lachten alle gasten van ,raniero4 ,raniero was heel boos1 maar hij dwong zich om me te lachen4 ,hij wist1 dat allen het dwaas zouden vinden1 als hij een beetje scherts niet had kunnen verdragen4 ,maar ,onze ,lieve ,heer sprak ,petrus tegen1 zei de ,nar4 ,zie je niet hoe bang hij voor die kaars is8 vroeg ,hij4 ,hij houdt de hand voor de vlam1 zoodra iemand de tent uit of in gaat1 uit angst dat ze uitwaaien zal4 ,en hij is aldoor bezig de nachtvlinders weg te jagen1 die er omheen vliegen en dreigen ze uit te blazen4 ,men lachte al luider1 want wat de ,nar zei was de zuivere waarheid4 ,raniero had steeds meer moeite zich te bedwingen4 ,hij voelde1 dat hij niet verdragen kon1 dat iemand over de heilige kaarsvlam schertste4 ,de heilige ,petrus was nog wantrouwend1 ging de ,nar voort4 ,hij vroeg ,onzen ,lieven ,heer of hij dien ridder wel kende1 hij hoort juist niet tot hen1 die dikwijls naar de mis gaan of het bidbankje verslijten4 zei hij4 ,maar ,onze ,lieve ,heer liet zich niet overtuigen4 ,heilige ,petrus1 heilige ,petrus1 zei hij4 ,onthoud nu1 dat die ridder daar vromer dan ,godfried worden zal4 ,van waar zal zachtheid en vroomheid uitgaan als 't niet van mijn graf is8 ,ge zult zien hoe ,raniero weduwen en noodlijdende gevangenen helpt4 ,ge zult hem zieken en bedroefden zien verzorgen1 zooals hij nu de heilige kaarsvlam verzorgt4 ,hierom lachte men uitbundig4 ,dat kwam allen1 die ,raniero's karakter en levenswijze kenden1 zoo vermakelijk voor4 ,maar hij zelf vond n die scherts n dat lachen onverdraaglijk4 ,hij vloog op en wilde den ,nar terechtwijzen en daarbij stootte hij zoo heftig tegen de tafel1 die niet anders was dan een deur1 die op een paar schragen gelegd was1 dat die wankelde1 en de kaars omviel4 ,toen bleek het hoe ,raniero er op gesteld was1 de kaars brandende te houden4 ,hij bedwong zijn toorn1 zoodat hij den tijd nam ze op te nemen en de vlam weer aan te wakkeren1 eer hij op den ,nar aanliep4 ,maar toen hij met de kaars klaar was1 had de ,nar de tent al verlaten en ,raniero begreep1 dat het de moeite niet loonen zou hem in het duister van den nacht te vervolgen4 ,ik zal hem op een anderen keer wel krijgen1 dacht hij1 en ging weer zitten4 ,de gasten hadden intusschen uitgelachen en een van hen wendde zich tot ,raniero en wilde de scherts voortzetten3 ,er is toch n ding wat zeker is1 ,raniero1 en dat is1 dat je dezen keer niet het kostbaarste wat je in den strijd gewonnen hebt1 naar de ,madonna in ,florence kunt sturen4 ,raniero vroeg waarom hij meende1 dat hij dezen keer zijn oude gewoonte niet volgen zou4 ,nergens anders om1 zei de ridder1 dan dat het kostbaarste wat je gewonnen hebt die kaarsvlam daar is1 die je onder de oogen van het heele leger in de kerk van het ,heilige ,graf hebt aangestoken4 ,en die kun je toch niet naar ,florence zenden4 ,weer lachten de andere ridders1 maar ,raniero was nu in een stemming1 dat hij het onmogelijkste gedaan zou hebben om aan hun lachen een eind te maken4 ,hij nam een snel besluit1 riep een ouden wapendrager en zei tot hem3 ,maak je gereed1 ,giovanni1 voor een groote reis1 morgen moet je naar ,florence met de heilige kaarsvlam4 ,maar de wapendrager antwoordde knorrig neen op dit bevel4 ,dat is iets wat ik niet op mij nemen wil1 zeide hij4 ,hoe zou het mogelijk zijn naar ,florence te reizen met een kaarsvlam8 ,die zou uit zijn1 voor ik buiten de legerplaats was4 ,raniero vroeg den een na den ander van zijn mannen4 ,hij kreeg van allen hetzelfde antwoord2 zij schenen zijn bevel niet eens ernstig op te nemen4 ,het was natuurlijk1 dat de vreemde ridders die zijn gasten waren1 al luider en vroolijker begonnen te lachen1 toen het bleek1 dat geen van ,raniero's mannen zijn bevel wilde uitvoeren4 ,raniero geraakte in de hevigste opgewondenheid4 ,eindelijk verloor hij zijn geduld en riep uit3 ,die kaarsvlam zal toch naar ,florence gebracht worden en nu niemand dat aandurft zal ik het zelf doen4 ,bedenk u wel voor gij zooiets belooft1 zei een ridder1 gij laat hier een vorstendom achter4 ,ik zweer u1 dat ik die kaarsvlam naar ,florence zal brengen1 riep ,raniero1 ik zal doen wat niemand anders heeft aangedurfd4 ,de oude wapendrager verdedigde zich3 ,heer1 voor u is het iets anders1 gij kunt een groot gevolg meenemen1 maar mij wildet gij alleen zenden4 ,maar ,raniero was buiten zichzelf en overwoog zijn woorden niet4 ,ik zal ook alleen reizen1 zei hij4 ,maar hiermee had ,raniero zijn doel bereikt4 ,allen in de tent hadden met lachen opgehouden2 zij zaten hem verschrikt aan te staren4 ,waarom lach jelui niet meer8 vroeg ,raniero4 ,die onderneming is maar een kinderspel voor een dapper man4 ,,iii4 ,den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag steeg ,raniero te paard4 ,hij was gekleed in volle wapenrusting1 maar daar overheen had hij een groven pelgrimsmantel geworpen1 opdat de ijzeren kleedingstukken niet al te zeer door de zon verhit zouden worden4 ,hij was met een zwaard en strijdknots gewapend1 en hij reed op een goed paard4 ,hij hield een brandende kaars in de hand en aan zijn zadel had hij een paar groote bossen lange kaarsen vastgemaakt1 zoodat de vlam niet zou behoeven uit te gaan door gebrek aan voedsel4 ,raniero reed langzaam door de lange drukke rijen tenten en zoolang ging alles goed4 ,het was nog zoo vroeg1 dat de nevels1 die uit de diepe dalen om ,jeruzalem heen opstegen1 nog niet opgetrokken waren1 en ,raniero reed voort als door een witten nacht4 ,het heele leger sliep en ,raniero kwam gemakkelijk voorbij de wachtposten4 ,geen van hen riep hem aan1 want de dichte nevel belette hun hem te zien1 en op de wegen lag een voet hoog mul stof1 dat de hoefslagen van het paard onhoorbaar maakte4 ,raniero was spoedig buiten het leger en nam den weg1 die naar ,joppe leidde4 ,hij had nu een beteren weg1 maar hij ging steeds heel langzaam voort1 ter wille van de kaarsvlam4 ,die brandde slecht1 met een rood trillend schijnsel1 in den dikken nevel4 ,voortdurend kwamen er groote insecten1 die met klapperende vleugelslagen recht op de vlam afvlogen4 ,raniero had de handen vol om die te beschermen1 maar hij was heel opgewekt en vond aldoor1 dat wat hij op zich genomen had zoo gemakkelijk was1 dat een kind het wel had kunnen doen4 ,intusschen werd het paard dat langzaam loopen moe4 ,toen begon de kaarsvlam door den tocht te flikkeren4 ,het hielp niet1 dat ,raniero ze met den mantel trachtte te beschutten4 ,hij zag dat zij op het punt was om uit te gaan4 ,maar hij had geen lust de zaak zoo gauw op te geven4 ,hij hield het paard in en zat een poos stil na te denken4 ,hij sprong eindelijk uit het zadel en probeerde er achterste voor op te gaan zitten1 zoodat hij met zijn lichaam de vlam voor wind en tocht beschutte4 ,op die manier gelukte het hem die aan te houden1 maar hij merkte nu1 dat de tocht moeilijker zou worden dan hij in het begin gedacht had4 ,toen hij over de bergen gekomen was1 die ,jeruzalem omgeven1 was de nevel opgetrokken4 ,hij reed nu in de grootste eenzaamheid4 ,daar waren geen menschen of gehuchten of groene boomen en gewassen1--enkel kale heuvels4 ,hier werd ,raniero door roovers aangevallen2 het waren losloopende mannen1 die zonder vergunning het leger volgden en van roof en plundering leefden4 ,zij hadden achter een bergje gelegen en ,raniero1 die achteruit reed1 had ze niet gezien1 voor ze hem reeds omringd hadden en hun zwaarden tegen hem ophieven4 ,het waren twaalf mannen1 ze zagen er ellendig uit en reden op slechte paarden4 ,raniero zag dadelijk1 dat het hem niet moeilijk zou vallen zich door den troep heen te slaan en weg te rijden4 ,maar hij begreep1 dat hij dat niet doen kon1 zonder de kaars weg te werpen1 en hij vond toch1 dat hij na de fiere woorden1 die hij den vorigen nacht gesproken had1 zich niet zoo spoedig van zijn plan kon laten afbrengen4 ,hij zag dus geen anderen uitweg dan een overeenkomst met de roovers te sluiten4 ,hij zei tegen hen1 dat daar hij zoo goed gewapend was en een flink paard bereed het hun moeilijk vallen zou hem te overwinnen als hij zich verdedigde1 maar daar hij zich gebonden voelde door een gelofte1 wilde hij geen weerstand bieden1 maar hen laten nemen wat zij wilden zonder strijd1 als zij maar beloofden zijn licht niet uit te blazen4 ,de roovers hadden een harden strijd verwacht4 ,zij waren heel blij met het voorstel van ,raniero1 en begonnen hem dadelijk te plunderen4 ,zij namen hem zijn wapenrusting en zijn paard af1 zijn wapens en zijn geld4 't ,eenige wat ze hem lieten behouden was de grove mantel en de beide bossen kaarsen4 ,en ze hielden ook eerlijk hun woord en bliezen zijn kaars niet uit4 ,een van hen was op ,raniero's paard gesprongen4 ,toen hij merkte hoe goed dat was scheen hij een beetje medelijden met den ridder te krijgen4 ,hij riep hem toe3 ,zie eens1 we zullen niet al te hard zijn voor een ,christen4 ,ge kunt mijn oud paard krijgen om op te rijden4 ,dat was een ellendig oud dier4 ,het bewoog zich zoo langzaam en stijf1 alsof het van hout was4 ,toen de roovers eindelijk weg waren en ,raniero op dat oude paard ging zitten1 zei hij in zich zelf3 ,ik moet betooverd zijn door die kaarsvlam4 ,ter wille van dat lichtje moet ik nu over den weg rijden als een dwaze bedelaar4 ,hij begreep1 dat hij wijs zou doen met om te keeren1 omdat de onderneming in werkelijkheid onuitvoerbaar was4 ,maar zulk een sterk verlangen om het tch te doen was over hem gekomen1 dat hij den lust niet kon weerstaan het door te zetten4 ,hij trok dus verder4 ,voortdurend zag hij dezelfde kale1 lichtgele heuvels om zich heen4 ,na een poos reed hij voorbij een jongen herder1 die vier geiten hoedde4 ,toen ,raniero de dieren zag grazen op het naakte veld1 dacht hij in zich zelf3 ,zouden ze aarde eten8 ,de herder daar had waarschijnlijk een grooter kudde gehad1 die hem door de kruisvaarders afgestolen is4 ,toen hij nu een eenzaam ,christen zag rijden1 trachtte hij hem zooveel kwaad te doen als hij kon4 ,hij snelde op hem af en sloeg met zijn staf naar zijn kaars4 ,raniero was zoo gebonden door de vlam1 dat hij zich niet eens tegen een herder verdedigen kon4 ,hij trok alleen de kaars wat dichter naar zich toe om die te beschutten4 ,de herder sloeg er nog een paar keer naar1 maar toen bleef hij verwonderd staan en hield op met slaan4 ,hij zag dat ,raniero's mantel in brand geraakt was1 maar dat hij niets deed om het vuur te stuiten1 zoolang de vlam in gevaar was4 ,men kon aan den herder zien1 dat hij zich schaamde4 ,hij liep ,raniero lang na1 en op een plaats1 waar de weg heel smal was en tusschen twee afgronden doorliep1 kwam hij naar hem toe en leidde het paard voor hem4 ,raniero lachte en dacht1 dat de herder hem zeker voor een heilige hield1 die boete deed4 ,tegen den avond kwam ,raniero weer menschen tegen4 ,het gerucht van den val van ,jeruzalem was in den afgeloopen nacht al tot de kust doorgedrongen1 en een menigte menschen hadden zich gereedgemaakt om daarheen te trekken4 't ,waren pelgrims1 die jaren lang op de gelegenheid gewacht hadden om in ,jeruzalem te komen4 't ,waren nieuw aangekomen troepen1 en voor alles kooplieden1 die zich er heen spoedden met ladingen levensmiddelen4 ,toen deze scharen ,raniero tegenkwamen1 die achteruit aan kwam rijden1 met een brandende kaars in de hand1 riepen ze3 ,een gek1 een gek6 ,de meesten waren ,italianen1 en ,raniero hoorde hoe ze riepen in zijn eigen taal3 pazzo1 pazzo6 dat beteekent3 een gek1 een gek6 ,raniero1 die zich den heelen dag zoo goed had weten te bedwingen1 werd hevig verontwaardigd door deze1 telkens weerkomende uitroepen4 ,opeens sprong hij uit den zadel en begon met zijn harde vuisten de roependen te tuchtigen4 ,toen de menschen voelden hoe zwaar de slagen aankwamen gingen ze allen spoedig op de vlucht en hij stond spoedig alleen op den weg4 ,raniero kwam nu weer tot zichzelf4 ,ze hadden wel gelijk toen ze je pazzo noemden1 zei hij tot zich zelf1 terwijl hij naar de kaars keek2 want hij wist niet waar die gebleven was4 ,eindelijk zag hij1 dat die van den weg was afgerold in een greppel4 ,de vlam was uit1 maar hij zag vuur glinsteren in een droog bosje gras daar dicht bij en hij begreep dat het geluk hem gediend had1 zoodat de kaars het gras had kunnen aansteken vr ze was uitgegaan4 ,dat was bijna een erbarmelijk eind van veel moeite geweest1 dacht hij1 terwijl hij de kaars aanstak en zich weer in den zadel zette4 ,hij was heel ootmoedig gestemd4 ,het scheen hem niet heel waarschijnlijk1 dat zijn tocht hem zou gelukken4 ,tegen den avond kwam ,raniero in ,ramle aan en reed naar een plaats1 die de karavanen gewoonlijk voor nachtherberg gebruiken4 't ,was een groote1 overbouwde plaats4 ,daar omheen waren met balken omheinde plaatsen1 waar de reizigers hun paarden konden zetten4 ,daar waren geen kamers1 maar de menschen moesten bij de dieren slapen4 't ,was er overvol met menschen1 maar de waard maakte toch plaats voor ,raniero en zijn paard4 ,hij gaf ook voer aan de dieren en een middagmaal aan hun heer4 ,toen ,raniero merkte1 dat hij zoo goed behandeld werd1 dacht hij3 ,ik begin haast te gelooven1 dat de roovers mij een dienst gedaan hebben door mij mijn wapenrusting af te nemen4 ,ik kom zeker gemakkelijker door de wereld1 als men mij voor een gek houdt4 ,toen ,raniero zijn paard naar den stal leidde ging hij op een bos stroo zitten1 en hield de kaars in de handen4 't ,was zijn bedoeling niet te slapen2 hij zou den heelen nacht waken4 ,raniero was toch maar nauwelijks gaan zitten of hij sliep in4 ,hij was vreeselijk moe1 hij strekte zich in den slaap uit zoo lang hij was1 en sliep door tot den morgen4 ,toen hij wakker werd zag hij geen vlam en geen kaars1 hij zocht in het stroo naar de kaars1 maar vond die nergens4 ,iemand moet ze weggenomen hebben en uitgedaan1 zei hij4 ,en hij probeerde te gelooven1 dat hij blij was1 omdat alles nu voorbij was en hij geen onmogelijke onderneming te volbrengen had4 ,maar op hetzelfde oogenblik1 dat hij dit dacht1 kreeg hij een gevoel van leegte en gemis4 ,hij had nooit zooveel lust gehad te slagen met iets wat hij zich voorgenomen had4 ,hij bracht het paard naar buiten1 roskamde en zadelde het4 ,toen hij klaar was kwam de waard van de herberg naar hem toe met een brandende kaars4 ,hij zei tegen hem in het frankisch3 ,ik moest u gister uw kaars afnemen1 omdat gij in slaap gevallen waart1 maar hier hebt gij ze weer4 ,raniero liet niets merken maar zei heel kalm3 ,het was verstandig van u dat gij ze uitgedaan hebt4 ,ik heb ze niet uitgedaan1 zei de man1 ik zag dat ze brandde toen gij hier kwaamt en ik meende1 dat het van belang voor u was dat ze zou blijven branden4 ,als gij ziet hoeveel kleiner ze geworden is zult gij wel begrijpen1 dat ze den heelen nacht gebrand heeft4 ,raniero straalde van blijdschap1 hij prees den waard zeer en reed verder in de beste stemming4 ,,iv4 ,toen ,raniero van ,jeruzalem wegging was hij voornemens over zee van ,joppe naar ,itali te gaan4 ,maar hij veranderde van besluit toen de roovers hem zijn geld afgenomen hadden1 en besloot over land te reizen4 ,dat werd een lange reis2 hij trok van ,joppe noordwaarts naar de kust van ,syri4 ,vandaar ging de reis naar 't westen langs het schiereiland van ,klein-,azi4 ,later weer naar het noorden heel tot ,konstantinopel4 ,en van daar was het nog ver tot ,florence4 ,al dien tijd leefde ,raniero van vrome giften4 ,meestal waren het de pelgrims1 die nu in menigte naar ,jeruzalem stroomden1 die hun brood met hem deelden4 ,hoewel ,raniero bijna altijd alleen reed1 werden zijn dagen toch niet lang of eentonig4 ,hij moest aldoor op de kaarsvlam passen en hij was daar nooit rustig over4 ,er was maar een windzuchtje noodig1 of een waterdroppel en alles was uit6 ,terwijl ,raniero op eenzame wegen reed1 en er alleen maar aan dacht zijn vlam brandend te houden1 schoot het hem te binnen1 dat hij vroeger nog eens zooiets had bijgewoond4 ,hij had nog eens een mensch iets zien bewaken1 dat even teer was als een kaarsvlam4 ,dat stond hem in 't begin zoo flauw voor den geest1 dat hij zich afvroeg of 't ook iets was dat hij gedroomd had4 ,maar terwijl hij zoo alleen door het land trok1 kwam het hem onophoudelijk voor1 dat hij zooiets al eens beleefd had4 ,het is alsof ik mijn heele leven van niets anders gehoord heb1 zei hij4 ,op een avond reed ,raniero een stad binnen4 't ,was avond en de huismoeders stonden in de deur en keken uit naar haar man4 ,raniero zag toen een van haar1 die lang en teer was en ernstige oogen had4 ,zij herinnerde hem aan ,francesca degli ,uberti4 ,op hetzelfde oogenblik werd het ,raniero duidelijk waar hij over had loopen denken4 ,hij dacht er aan1 dat voor ,francesca haar liefde als een kaarsvlam geweest was1 die ze brandend had willen houden1 en dat ze aanhoudend bang geweest was1 dat ,raniero die uit zou dooven4 ,hij was verbaasd over die gedachte1 maar hij werd er meer en meer van overtuigd1 dat het zoo was4 ,voor het eerst begon hij te begrijpen waarom ,francesca hem verlaten had1 en dat het niet met wapenfeiten was1 dat hij haar zou terugwinnen4 ,de reis1 die ,raniero deed1 werd heel lang4 ,en niet het minst omdat hij niet buiten wezen kon1 wanneer het weer ongunstig was4 ,hij zat dan in de herberg en paste op de kaarsvlam4 ,dat waren heel moeilijke dagen4 ,op een dag1 dat ,raniero over den berg ,libanon trok zag hij1 dat er een onweer begon op te komen2 hij was toen hoog op den berg tusschen vreeselijke afgronden en steilten1 ver van iedere menschenwoning4 ,eindelijk ontdekte hij op een rotspunt een ,saraceensch heiligengraf4 't ,was een klein vierkant gebouwtje van steen1 met een gewelfd dak4 ,hij vond1 dat het 't beste was1 daar zijn toevlucht te nemen4 ,nauwelijks was ,raniero daar binnen gekomen1 of er barstte een sneeuwstorm los1 die twee dagen aaneen raasde4 ,en tegelijk werd het zoo vreeselijk koud1 dat hij bijna doodgevroren was4 ,raniero wist1 dat er buiten op den berg veel rijs en takjes te vinden waren1 zoodat het niet moeilijk voor hem geweest zou zijn brandhout te verzamelen en vuur aan te maken4 ,maar hij vond de kaarsvlam1 die hij droeg1 heel heilig1 en wilde er niets anders me aanmaken dan kaarsen voor 't altaar van de ,heilige ,maagd4 't ,onweer werd al erger en eindelijk hoorde hij den donder rollen en zag hij de bliksemstralen4 ,en een bliksemstraal sloeg in op den berg dicht voor 't graf en stak een boom in brand4 ,en zoo kreeg ,raniero zijn vuur aan zonder dat hij het heilige licht hoefde te gebruiken4 ,toen ,raniero door een eenzaam gedeelte in een bergstreek in ,sicili reed1 raakten zijn kaarsen op4 ,de bossen1 die hij met zich meegenomen had uit ,jeruzalem1 waren al lang verbruikt1 maar hij had zich toch kunnen redden1 doordat er langs den heelen weg christelijke gemeenten waren1 waar hij om nieuwe kaarsen gebedeld had4 ,maar nu was zijn voorraad op en hij dacht1 dat nu wel het einde van zijn tocht naderen zou4 ,toen de kaars zoo ver opgebrand was1 dat de vlam hem de hand verbrandde1 sprong hij van het paard en raapte takjes en dor gras op en stak die aan met het laatste vlammetje4 ,maar er was niet veel op dien berg1 dat branden kon en het vuur zou spoedig opgebrand zijn4 ,terwijl ,raniero daar zat en er over treurde1 dat de heilige vlam sterven moest1 hoorde hij gezang op den weg en een processie van pelgrims kwam het pad op met kaarsen in de hand4 ,zij waren op weg naar een grot waar een heilige geleefd had en ,raniero ging me4 ,onder hen was een oude vrouw1 die moeilijk liep en ,raniero hielp haar den berg op4 ,toen zij hem later dankte1 gaf hij haar een teeken1 dat ze hem haar kaars geven zou4 ,en dat deed ze en ook vele anderen gaven hem de kaarsen1 die ze droegen4 ,hij blies de kaarsen uit en spoedde zich 't pad af en stak een van de kaarsen aan met het laatste vonkje van het vuur1 dat met de heilige vlam was aangemaakt4 ,op een middag was het heel warm en ,raniero was gaan liggen slapen in een groep dichte struiken4 ,hij sliep vast en de kaars stond naast hem tusschen een paar steenen1 maar toen hij een poos geslapen had1 begon het te regenen en het duurde tamelijk lang eer hij wakker werd4 ,toen hij eindelijk uit den slaap opsprong was de grond om hem heen nat1 en hij durfde nauwelijks naar de kaars zien uit angst1 dat ze uit zou zijn4 ,maar de kaars brandde kalm en stil midden in den regen en ,raniero zag dat dit kwam doordat een paar vogeltjes een eind boven de vlam heen en weer fladderden4 ,zij streelden elkaar met de snavels en hielden de wiekjes uitgespreid1 en zoo hadden zij de vlam voor den regen beschut4 ,raniero nam dadelijk de muts op en hing die boven de vlam4 ,toen strekte hij de hand uit naar de vogeltjes1 want hij had lust ze te streelen4 ,en geen van beide vloog voor hem weg1 maar hij kon ze vangen4 ,raniero was er zeer verbaasd over1 dat de vogels niet bang voor hem waren maar hij dacht3 ,dat is omdat ze weten1 dat ik nergens anders aan denk dan om het teerste1 wat er is1 te beschermen4 ,daarom zijn ze niet bang voor mij4 ,raniero reed in de richting van ,nicea en ontmoette daar heeren uit het westland1 die een hulpleger aanvoerden naar het ,heilige ,land4 ,in die schaar bevond zich ook ,robert ,taillefer1 die een ridder en troubadour was4 ,raniero kwam in zijn versleten mantel met de kaars in de hand aanrijden1 en de soldaten begonnen als gewoonlijk te roepen3 ,een gek6 een gek6 maar ,robert gebood stilte en sprak den ruiter aan3 ,hebt ge lang op deze wijze gereisd8 vroeg hij hem4 ,ik ben op deze manier van ,jeruzalem gekomen1 antwoordde ,raniero4 ,is uw kaars dikwijls uit geweest onderweg8 ,op mijn kaars brandt nog dezelfde vlam1 als toen ik uit ,jeruzalem ging1 antwoordde ,raniero4 ,toen sprak ,robert ,taillefer tot hem3 ,ik ben ook een van hen1 die een vlam dragen1 en ik wilde1 dat die eeuwig brandde4 ,maar misschien kunt gij1 die uw licht brandende gehouden hebt heel van ,jeruzalem hierheen1 mij zeggen wat ik doen moet1 opdat die niet zal uitdooven4 ,toen antwoordde ,raniero3 ,heer1 dat is een zwaar werk1 al lijkt het ook onbeduidend4 ,want deze kleine vlam eischt van u1 dat ge volkomen zult ophouden met aan iets anders te denken4 ,ze staat u niet toe een liefste te hebben1 als ge dat soms wenschen zoudt1 en ook moogt ge ter wille van de vlam u niet neerzetten aan eenig drinkgelag4 ,ge moogt niet anders in uwe gedachten hebben dan deze vlam1 en geen vreugde smaken4 ,maar waarom ik u 't allermeest afraad denzelfden tocht te maken1 dien ik deed1 is dat ge u geen oogenblik veilig kunt voelen4 ,door hoeveel gevaren ge de vlam ook heengedragen hebt1 ge kunt u geen oogenblik zeker voelen1 maar moet verwachten1 dat het volgend oogenblik de vlam u begeeft4 ,maar ,robert ,taillefer hief fier het hoofd op en zei3 ,wat ge voor uw vlam gedaan hebt zal ik weten te doen voor de mijne4 ,raniero was in ,itali gekomen2 hij reed op een dag op eenzame wegen in de bergen4 ,toen kwam een vrouw hem hard achterna loopen en vroeg hem even van zijn vlam vuur te mogen leenen4 't ,vuur is bij mij uitgegaan1 zei ze1 mijn kinderen hebben honger4 ,leen mij vuur1 zoodat ik mijn oven kan verwarmen en brood voor hen bakken4 ,zij strekte de handen uit naar de kaars1 maar ,raniero hield die op een afstand1 want hij wilde niet toelaten1 dat iets anders met die vlam werd aangestoken dan de kaarsen voor het beeld van de ,heilige ,maagd4 ,toen sprak de vrouw tot hem3 ,geef mij vuur1 pelgrim1 want het leven van mijn kinderen is de vlam die mij opgelegd is brandende te houden4 ,en ter wille van die woorden liet ,raniero haar de pit van haar lamp aansteken aan zijn vlam4 ,eenige uren later reed ,raniero een stad binnen4 ,die lag hoog op de bergen1 zoodat daar een felle kou heerschte4 ,een jonge boer stond op den weg en zag den stumper1 die daar in zijn versleten mantel kwam aanrijden4 ,hij maakte snel de korte pelerine los1 die hij droeg en wierp ze den man1 die daar op het paard zat1 toe4 ,maar de pelerine viel vlak op de kaars en doofde de vlam4 ,toen herinnerde ,raniero zich de vrouw1 die vuur van hem geleend had4 ,hij ging naar haar terug en stak zijn kaars opnieuw aan het heilige vuur aan4 ,toen hij verder zou rijden1 zei hij tot haar3 ,gij zegt1 dat de vlam die gij te bewaken hebt1 het leven van uw kinderen is4 ,kunt ge mij zeggen welken naam de vlam draagt1 die ik op verre wegen gedragen heb8 ,waar werd uw vlam aangestoken8 vroeg de vrouw4 ,die werd aangestoken op het graf van ,christus1 zei ,raniero4 ,dan kan ze niet anders genoemd worden dan zachtheid en menschenliefde1 zei de vrouw4 ,raniero lachte om dat antwoord4 ,hij vond zich zelf een zonderlinge apostel voor zulke deugden4 ,raniero reed voort tusschen schoongevormde blauwe heuvelen4 ,hij zag1 dat hij in de nabijheid van ,florence was4 ,hij dacht er aan1 dat hij nu spoedig van die zorg voor de kaarsvlam af zou zijn4 ,hij dacht aan zijn tent in ,jeruzalem die hij1 vol buit1 verloren had en aan de dappere krijgslieden1 die hij in ,palestina had achtergelaten en die er zich op zouden verheugen1 dat hij het oorlogsbedrijf weer ter hand zou nemen en hen aanvoeren naar overwinningen en veroveringen4 ,toen merkte ,raniero1 dat hij in 't geheel geen vreugde voelde bij die herinnering1 maar dat zijn gedachten liever een andere richting namen4 ,raniero zag toen voor het eerst in1 dat hij niet meer dezelfde man was1 die van ,jeruzalem wegtrok4 ,deze rit met de kaarsvlam had hem gedwongen1 zich te verheugen over allen1 die vreedzaam en wijs en barmhartig waren1 en de woesten en strijdlustigen te verafschuwen4 ,hij voelde blijdschap1 zoovaak hij dacht aan menschen1 die vredig in hun huizen arbeidden en het viel hem in1 dat hij graag zijn oude werkplaats in ,florence weer betrekken zou om fraaie en kunstige werken te maken4 ,voorwaar1 die vlam heeft mij geheel veranderd1 dacht hij1 ik geloof dat die mij tot een ander mensch gemaakt heeft4 ,v4 ,het was ,paschen toen ,raniero ,florence binnenreed4 ,nauwelijks was hij de stadspoort binnengekomen1 achteruitrijdend1 de kap over het gezicht getrokken en de brandende kaars in de hand1 of een bedelaar stond op en riep het gewone3 ,pazzo6 pazzo6 ,op dit geroep vloog een straatjongen uit een gang en een dagdief1 die in lang geen ander werk gehad had1 dan op zijn rug te liggen en naar den hemel te kijken1 sprong overeind1 en beiden riepen hetzelfde3 ,pazzo6 pazzo6 ,daar ze nu met hun drien aan het schreeuwen waren1 maakten ze leven genoeg om alle straatjongens wakker te maken4 ,die kwamen aanrennen uit hoeken en gaten1 en zoodra ze ,raniero zagen in zijn versleten mantel en op zijn ellendig paard1 riepen ze3 ,pazzo6 pazzo6 ,maar daar was ,raniero al aan gewend4 ,hij reed stil door de straten1 zonder op het geroep te letten4 ,maar ze vergenoegden zich niet met roepen4 ,een van hen sprong op en trachtte het licht uit te blazen4 ,raniero hield de kaars in de hoogte en trachtte tegelijk zijn paard aan te zetten om den jongens te ontkomen4 ,maar zij hielden gelijken tred met hem en deden wat ze konden1 om het licht uit te blazen4 ,hoe meer ,raniero zich inspande om de vlam te beschutten1 hoe wilder de straatjongens werden4 ,zij sprongen op elkaars rug en bliezen uit alle macht4 ,zij gooiden met hunne mutsen naar de kaars4 ,het kwam alleen omdat er zoo veel waren en ze elkaar verdrongen1 dat het hun niet lukte de vlam te dooven4 ,dat gaf een groote opschudding op straat4 ,de menschen stonden aan de vensters te lachen4 ,niemand had medelijden met den gek1 die zijn kaarsvlam wilde verdedigen4 ,het was kerkdag en vele kerkgangers waren op weg naar de mis4 ,zij bleven ook staan en keken naar het spel4 ,maar nu stond ,raniero recht overeind in het zadel om zijn kaars te beveiligen4 ,hij zag er woest uit4 ,zijn kap was naar achteren gevallen en men zag zijn gezicht uitgeteerd en bleek als dat van een martelaar4 ,de kaars hield hij omhoog1 zoo hoog hij kon4 ,de heele straat krioelde van menschen4 ,ook de anderen begonnen deel aan het spel te nemen4 ,de vrouwen wuifden met haar hoofddoeken1 de mannen zwaaiden met hun baretten4 ,allen deden hun best om de kaars uit te krijgen4 ,raniero reed dicht langs een huis met een balcon4 ,daarop stond een vrouw4 ,zij boog zich over het hek1 rukte hem de kaars uit de hand en ging er haastig mee naar binnen4 't ,heele volk barstte uit in een schaterend lachen en jubelen1 maar ,raniero wankelde in het zadel en stortte neer op den grond2 toen hij daar lag1 verslagen en bewusteloos1 werd de straat spoedig ontruimd4 ,niemand dacht er aan den gevallene te verzorgen4 ,zijn paard was de eenige1 die bij hem bleef staan4 ,zoodra de volkshoop weg was uit de straat kwam ,francesca degli ,uberti uit haar huis met een brandende kaars in de hand4 ,zij was nog mooi1 haar trekken waren zacht en haar oogen ernstig en diep4 ,zij ging op ,raniero toe en boog zich over hem heen4 ,hij was bewusteloos1 maar zoodra de lichtglans op zijn gezicht viel1 ging hem een schok door de leden4 ,het scheen1 dat de kaarsvlam groote macht over hem had4 ,toen ,francesca zag1 dat hij bijgekomen was1 zei ze3 ,hier is de kaars2 ik rukte je die uit de hand1 omdat ik zag hoe graag je die brandend wou houden4 ,ik wist geen andere manier om je te helpen4 ,raniero was leelijk gevallen en had zich gekwetst4 ,hij begon langzaam op te staan4 ,hij wilde loopen2 maar zakte in elkaar en was bijna weer gevallen4 ,toen beproefde hij op het paard te komen4 ,francesca hielp hem4 ,waar wil je heen8 vroeg zij1 toen hij eindelijk in 't zadel zat4 ,ik wil naar de domkerk1 zei hij4 ,dan ga ik mee1 sprak ze2 want ik wil naar de mis4 ,en ze nam het paard bij den teugel en leidde het4 ,francesca had van het eerste oogenblik af ,raniero herkend4 ,maar ,raniero zag niet1 wie ze was1 want hij nam den tijd niet haar aan te zien4 ,hij hield de oogen uitsluitend op de vlam gevestigd4 ,zij spraken geen woord onder den rit4 ,raniero dacht alleen aan de kaarsvlam en hoe hij die in het laatste oogenblik goed beschutten zou4 ,francesca kon niet spreken1 omdat ze liever niet zeker wilde weten wat ze vreesde4 ,zij kon niet anders denken dan dat ,raniero krankzinnig thuis gekomen was1 en hoewel zij daar bijna van overtuigd was1 wilde zij liever niet met hem spreken1 zoodat haar de zekerheid daarvan bespaard bleef4 ,na een poos hoorde ,raniero1 dat iemand naast hem liep en schreide1 maar ,raniero zag haar maar een oogenblik aan en sprak niet tegen haar4 ,hij wilde alleen aan de kaarsvlam denken4 ,hij liet zich naar de sacristy brengen4 ,daar steeg hij van 't paard4 ,hij ging alleen de sacristy in1 naar den geestelijke4 ,francesca ging de kerk binnen4 ,het was de avond voor ,paschen en al de kaarsen in de kerk waren onaangestoken ten teeken van rouw4 ,francesca had een gevoel1 dat het met haar evenzoo was1 dat ieder vlammetje van hoop1 dat in haar gebrand had1 nu gedoofd was4 ,in de kerk heerschte groote plechtigheid4 ,er waren veel priesters bij het altaar4 ,de domheeren zaten allen in het koor en de bisschop vooraan4 ,na een poos merkte ,francesca1 dat er beweging onder de geestelijken kwam4 ,bijna allen1 die niet noodzakelijk bij de mis tegenwoordig moesten wezen1 stonden op en gingen naar de sacristy4 ,ten laatste ging ook de bisschop4 ,toen de mis voorbij was kwam een geestelijke naar voren in het koor en begon het volk toe te spreken4 ,hij vertelde1 dat ,raniero di ,ranieri naar ,florence was gekomen met heilig vuur van ,jeruzalem4 ,hij vertelde wat de ridder onderweg had uitgestaan en geleden1 en hij prees hem bovenmate4 ,de menschen zaten er verwonderd naar te luisteren4 ,francesca had nooit zulke heerlijke oogenblikken beleefd4 ,haar tranen stroomden terwijl ze zat te luisteren4 ,de geestelijke sprak lang en goed4 ,hij zei ten slotte met luider stem3 ,nu kan het wel is waar een kleinigheid schijnen1 dat een kaarsvlam hier naar ,florence gebracht werd1 maar ik zeg u1 bidt ,god1 dat hij ,florence veel dragers van het heilig vuur zendt1 dan zal het groot en machtig worden en een gezegende onder de steden4 ,toen de geestelijke zijn toespraak geindigd had1 gingen de hoofddeuren van de domkerk open en een processie1 zoo goed die in der haast geordend was kunnen worden1 trok naar binnen4 ,daar gingen de domheeren en monniken en priesters en zij trokken door de middelgang naar het altaar4 ,het allerlaatst kwam de bisschop en naast hem ,raniero met denzelfden mantel1 dien hij op de heele reis gedragen had4 ,maar toen ,raniero over den drempel van de kerk gekomen was1 stond een oud man op en ging hem te gemoet4 ,dit was ,oddo1 de vader van een gezel1 dien ,raniero op zijn werkplaats had gehad en die zich opgehangen had om oneenigheid met hem4 ,toen de man bij den bisschop gekomen was boog hij voor hen4 ,toen zei hij met zoo luide stem1 dat allen in de kerk het konden hooren3 't ,is een zaak van groot gewicht voor ,florence1 dat ,raniero met heilig vuur uit ,jeruzalem gekomen is4 ,zooiets is vroeger nooit gehoord of beleefd4 ,misschien zullen velen daarom zeggen dat het onmogelijk is4 ,daarom zou ik willen vragen dat men 't heele volk bekendmake met de bewijzen en getuigen1 die ,raniero heeft meegebracht dat dit werkelijk het vuur is1 dat in ,jeruzalem is aangestoken4 ,toen ,raniero deze woorden hoorde1 zei hij3 ,nu helpe mij ,god6 ,hoe kan ik getuigen hebben8 ,ik heb de reis alleen gemaakt4 ,woestijnen en wildernissen moeten hier komen en voor mij getuigen4 ,raniero is een eerlijk ridder1 zei de bisschop1 en wij gelooven hem op zijn woord4 ,raniero kon wel begrijpen dat hieraan getwijfeld zou worden1 zei ,oddo4 ,hij zal wel niet heelemaal alleen gereden hebben4 ,zijn pages kunnen wel voor hem getuigen4 ,toen spoedde ,francesca degli ,uberti zich uit de volksmassa naar voren en ging op ,raniero toe3 ,wat hebben wij getuigen van noode8 zei zij4 ,alle vrouwen in ,florence willen er op zweren1 dat ,raniero de waarheid zegt4 ,toen glimlachte ,raniero en zijn gezicht straalde een oogenblik4 ,maar dadelijk daarna wendde hij oogen en gedachten weer naar de kaarsvlam4 ,er ontstond een groot tumult in de kerk4 ,sommigen zeiden1 dat ,raniero de kaars op het altaar niet mocht aansteken voor hij zijn zaak bewezen had4 ,hierbij voegden zich vele van zijn oude vijanden4 ,toen stond ,jacopo degli ,uberti op en verdedigde ,raniero4 ,ik denk wel1 dat allen weten1 dat er geen al te groote vriendschap bestond tusschen mijn schoonzoon en mij1 zeide hij1 maar nu willen toch mijn zonen en ik allen borg voor hem staan4 ,wij gelooven1 dat hij het heldenfeit heeft volbracht en wij weten1 dat hij die zulk een onderneming volbrengt1 een wijs en voorzichtig en edelaardig man is1 dien wij met vreugde in ons midden opnemen4 ,maar ,oddo en vele anderen waren niet voornemens ,raniero het geluk1 dat hij begeerde1 te laten genieten4 ,zij stonden bijeen in een dichte groep en 't was gemakkelijk te zien1 dat zij hun eisch niet wilden opgeven4 ,raniero begreep1 dat als het nu tot een strijd kwam zij dadelijk zouden probeeren de kaarsvlam te dooven4 ,met de oogen voortdurend op zijn tegenstanders gevestigd1 hield hij de kaars zoo hoog hij kon4 ,hij zag er doodmoe en wanhopig uit4 ,men kon hem aanzien1 dat hoewel hij het zoo lang mogelijk wilde uithouden hij niet anders dan een nederlaag verwachtte4 ,wat baatte het hem nu of hij de vlam mocht aansteken8 ,oddo's woorden waren een doodsteek geweest4 ,nu de twijfel eenmaal gewekt was1 zou die verbreid worden en groeien4 ,hij had een gevoel alsof ,oddo de kaarsvlam al voorgoed had uitgeblazen4 ,een vogeltje fladderde de kerk in door de groote open deuren4 ,het vloog recht op ,raniero's kaars aan4 ,hij had geen tijd die terug te trekken1 de vogel stootte er tegen en maakte de vlam uit4 ,raniero's arm zonk neer en tranen kwamen in zijn oogen4 ,maar in 't eerste oogenblik voelde hij het als een verlichting1 't ,was beter dan dat menschen het gedaan hadden4 't ,vogeltje zette zijn vlucht in de kerk voort en fladderde verward rond1 zooals vogels gewoonlijk doen1 als ze binnenshuis komen4 ,opeens bruiste door de kerk een luid roepen3 ,de vogel brandt6 ,het heilige vuur heeft zijn vleugels aangestoken4 ,het diertje piepte angstig4 ,het vloog een oogenblik rond als een fladderende vlam onder de hooge gewelven van het koor4 ,toen zonk het snel en viel dood neer op het altaar van de ,madonna4 ,maar op hetzelfde oogenblik1 dat de vogel op het altaar viel1 stond ,raniero daar4 ,hij had zich een weg door de kerk gebaand2 niets had hem kunnen tegenhouden4 ,en aan de vlammen1 die de vleugels van den vogel verteerden1 stak hij de kaarsen voor het altaar van de ,madonna aan4 ,toen hief de bisschop zijn staf omhoog en riep3 ,god wilde het6 ,god heeft voor hem getuigd6 ,en alle menschen in de kerk1 zijn vrienden en tegenstanders1 twijfelden niet langer1 maar waren zeer verbaasd4 ,zij riepen allen1 verrukt over dit wonder ,gods3 ,god wilde het6 ,god heeft voor hem getuigd6 ,van ,raniero is nu alleen nog te zeggen dat hij groot geluk smaakte alle zijn levensdagen en wijs en voorzichtig en barmhartig was4 ,maar de menschen in ,florence noemden hem altijd ,pazzo di ,ranieri1 ter herinnering1 dat men hem voor krankzinnig gehouden had4 ,en dat werd een eeretitel voor hem4 ,hij werd de stamvader van een beroemd geslacht en dat nam den naam ,pazzi aan1 en zoo noemen zij zich nog tot op den huidigen dag4 ,verder is het nog de moeite waard te vertellen dat in ,florence elk jaar op den avond vr ,paschen een feest gevierd wordt ter herinnering aan ,raniero's thuiskomst met het heilige vuur1 en dat men daarbij altijd een kunstvogel met vuur door den dom laat vliegen4 ,en dit feest is er zeker van 't jaar nog geweest1 wanneer daar niet pas een verandering in gebracht is4 ,maar of het waar is wat velen meenen1 dat de dragers van het heilig vuur1 die in ,florence geleefd hebben en die de stad tot een van de heerlijkste steden van de wereld hebben gemaakt1 aan ,raniero een voorbeeld genomen hebben en daardoor zijn aangemoedigd om te offeren1 te lijden en te volharden1 zal hier niet beslist worden4 ,want wat er uitgewerkt is door het licht1 dat in donkere dagen van ,jeruzalem is uitgegaan1 dat is niet uit te meten noch te berekenen4