,,beginselen ,,der ,,dierkunde1 ,door ,prof4 ,dr4 ,j4 ,ritzema ,bos1 ,directeur van het ,phytopathologisch ,laboratorium ,willie ,commelin ,scholten te ,amsterdam4 ,tweede druk4 ,te ,groningen bij ,j4 ,b4 ,wolters1 #aijb4 ,stoomdrukkerij van ,j4 ,b4 ,wolters4 ,,voorbericht ,,van ,,den ,,eersten ,,druk4 ,dit deeltje geeft een zeer beknopt overzicht van het geheele dierenrijk2 het behandelt slechts die klassen iets uitvoeriger1 welke voor den landbouwer van belang zijn1 dat zijn trouwens dezelfde klassen1 welke gewoonlijk ook niet-landbouwers het meest interesseeren 7zoogdieren1 vogels1 insekten74 ,ik vertrouw dat mijn werkje ook aan ,uitgebreid-lagere en aan sommige ,middelbare ,scholen te gebruiken zal zijn1 hoewel ik bij de samenstelling ervan in de eerste plaats de lagere takken van het ,landbouwonderwijs op het oog had4 ,natuurlijk kan dit boekje aan ,wintercursussen niet geheel worden doorgewerkt2 den onderwijzer1 die het mocht willen gebruiken1 blijve de keus van wat hij wil behandelen4 ,de belangrijkste schadelijke dieren worden in deze ,beginselen der ,dierkunde slechts genoemd2 zij zullen in een afzonderlijk boekje nader worden behandeld4 ,de leer van de levensverrichtingen der dieren vindt1 te gelijk met die der planten1 in een ander deeltje eene uitvoeriger bespreking4 ,wageningen1 ,october #ahid4 ,j4 ,ritzema ,bos4 ,,voorbericht ,,van ,,den ,,tweeden ,,druk4 ,bij de bewerking van den tweeden druk heb ik uit dit deeltje enkele onderwerpen weggelaten1 die meer eigenaardig thuis behooren in het deeltje over den bouw en het leven der dieren1 in 't bijzonder der huisdieren1 welk deeltje in het volgende jaar zal verschijnen4 ,daarentegen is iets nader uitgeweid over de levensgeschiedenis van onderscheiden diersoorten1 en is het aantal afbeeldingen aanzienlijk uitgebreid4 ,het komt mij voor dat door de aangebrachte wijzigingen het boekje in bruikbaarheid is toegenomen1 zoowel met het oog op het ,landbouwonderwijs als met het oog op het onderwijs aan gewone ,uitgebreid-lagere en ,middelbare scholen4 ,amsterdam1 ,september1 #aija4 ,j4 ,ritzema ,bos4 ,,inhoud4 ,blz4 ,i4 ,beknopt overzicht van den bouw en de levensverrichtingen van het dier #a-bi ,,ii4 ,rangschikking en benoeming der dieren #bi-cb ,,iii4 ,overzicht van de verschillende groepen van het dierenrijk #cb ,i4 ,gewervelde ,dieren #cb ,i4 ,zoogdieren #dc-hf ,,ii4 ,vogels #hf-aai ,,iii4 ,kruipende dieren #aai-abb ,,iv4 ,amphibin #abb-abf ,v4 ,visschen #abf-abg ,,ii4 ,gelede ,dieren #abg-acj ,i4 ,insekten #acj-afg ,,ii4 ,duizendpootachtigen #afg ,,iii4 ,spinachtigen #afg-afi ,,iv4 ,schaaldieren #afi ,,iii4 ,wormen #afi-agg ,,iv4 ,weekdieren #agg-ahj ,v4 ,stekelhuidigen #ahj ,,vi4 ,holtedieren #aha ,,vii4 ,protozon #ahb ,i4 ,,beknopt ,,overzicht ,,van ,,den ,,bouw ,,en ,,de ,,levensverrichtingen ,,van ,,het ,,dier4 ,tusschen de verschillende dieren bestaat groot onderscheid2 men vergelijke slechts met elkaar een paard1 een koolwitje1 eene slak en een' bloedzuiger4 ,wanneer ik hier een denkbeeld wil geven van den lichaamsbouw van een dier1 dan heb ik daarbij vooral op 't oog het lichaam van den mensch en dat van de huiszoogdieren1 zooals paard en rund4 ,het lichaam van mensch1 paard en rund bestaat uit hoofd 7kop71 hals1 romp en ledematen4 ,de bovenste ledematen heeten bij den mensch armen1 de benedenste beenen4 ,bij paard en rund1 die op alle vier ledematen gaan1 spreekt men natuurlijk niet van bovenste en benedenste1 maar van voorste en achterste ledematen2 bij 't paard spreken landbouwers en paardenliefhebbers van voorbeenen en achterbeenen2 de ledematen van het rund noemt men1 even als die van de andere dieren1 voorpooten en achterpooten4 ,de ledematen bestaan1 van buiten naar binnen1 uit huid1 vleesch en beenderen4 ,aan het hoofd1 den hals en den romp kan men eveneens huid1 vleesch en beenderen onderscheiden2 maar deze omsluiten gezamenlijk eene holte1 de lichaamsholte1 die weer verschillende lichaamsdeelen 7organen7 bevat1 welke niet overal met den uit huid1 vleesch en beenderen bestaanden lichaamswand zijn verbonden4 ,hiernevens is in fig4 #a eene overlangsche doorsnede door den romp1 in schets1 afgebeeld4 ,de huid is er door eene streep aangeduid1 het vleesch en de inwendig gelegen vliezen zijn gestreept1 terwijl de beenderen zwart zijn aangeduid4 ,de laatstgenoemde deelen 7huid1 vleesch1 beenderen7 vormen te zamen den lichaamswand4 ,deze wand omsluit aan de buikzijde eene lichaamsholte 7,o71 welke bij den mensch1 het rund en het paard weer door het zoogenoemde middenrif 7,mr71 als door een tusschenschot1 in twee holten1 borstholte en buikholte1 is ingedeeld4 ,in de borstholte 7,boh7 bevinden zich de longen en het hart1 ook de slokdarm 7het bovenste gedeelte van het darmkanaal74 ,de buikholte 7,bkh7 bevat de rest van het vele malen heen en weer gebogen darmkanaal1 't welk zich op eene bepaalde plaats verwijdt en aldus de maag 7,m7 vormt2 ook vindt men in de buikholte verschillende met den darm samenhangende deelen1 als de lever1 verder o4a4 de nieren en de milt4--,borst- en buikholte worden aan hare rugzijde door de wervelkolom of ruggegraat begrensd1 welke uit vele platte beenstukken1 de wervels1 bestaat4 ,de bovenste wervel draagt den schedel1 welke de schedelholte insluit2 deze zet zich voort in de reeks wervelholten1 die in de verschillende wervels aanwezig zijn4 ,de verschillende wervelholten vormen te zamen de ruggemergsholte4 ,schedelholte en ruggemergsholte vormen eigenlijk met elkander n geheel1 nl4 eene lichaamsholte aan de rugzijde 7fig4 #a1 ,a71 in tegenstelling van de lichaamsholte aan de buikzijde 7fig4 #a1 ,o71 waarvan boven sprake was4 ,de lichaamsholte aan de rugzijde bevat de hersenen en het ruggemerg 7fig4 #a1 ,,cz74 ,zie ook fig4 #b en de verklaring4 ,ik ga thans de voornaamste deelen des lichaams ieder afzonderlijk bespreken4 ,vooreerst behandel ik de beenderen1 die te zamen een geheel vormen1 dat wij het geraamte of skelet noemen 7fig4 #c1 #aj en #aa74 ,de as van het skelet wordt gevormd door de wervelkolom of ruggegraat1 die uit platte beenstukken1 de zoogenoemde wervels1 is samengesteld4 ,elke wervel bestaat in hoofdzaken uit de volgende deelen3 #a4 het wervellichaam 7fig4 #d4 a71 't welk naar de buikzijde gekeerd is1 #b4 den boog1 die geplaatst is als eene poort op het wervellichaam1 en zich met zijnen top naar de rugzijde des diers keert4 ,deze boog omgeeft de wervelholte4 ,op het midden van den boog bevindt zich het dorenvormige uitsteeksel 7c71 terwijl naar links en rechts de dwarsuitsteeksels 7b7 zich uitstrekken2 en een paar geledingsuitsteeksels dienen voor de verbinding met den volgenden wervel1 zooals een ander paar geledingsuitsteeksels voor de verbinding met den vorigen wervel dienst doen4 ,de verschillende wervels zijn n in grootte n in bouw onderling ongelijk4 ,onder den schedel vindt men vooreerst een aantal halswervels2 vooral bij den mensch zijn deze betrekkelijk klein4 ,men vindt bij den mensch1 het paard en het rund1 en bij de verdere zoogenoemde zoogdieren een zevental halswervels2 hoe langer de hals is1 des te langer zijn de halswervels2 hun getal is altijd zeven4 ,deze wervels zijn gewoonlijk tamelijk bewegelijk met elkander verbonden4 ,op de halswervels volgen de ruggewervels1 aan welke de ribben1 bewegelijk geleed zijn4 ,de mensch heeft twaalf ruggewervels en dus ook twaalf paar ribben2 bij de verschillende zoogdieren is dit getal niet even groot4 ,bij de zoogdieren1 welke op alle vier pooten gaan en een dikken1 zwaren kop hebben1 zooals bij het rund en het paard1 zijn de ruggewervels1 vooral de voorste1 van zeer groote dorenuitsteeksels voorzien4 7,fig4 #aj bij s1 fig4 #aa bij ,rw74 ,aan deze dorenuitsteeksels is een taaie1 elastische band bevestigd1 die zich uitstrekt tot de voorste halswervels en het achterhoofd1 en die den kop helpt dragen4 ,op de plaats1 welke men bij onze huisdieren de schoft noemt1 vindt men deze lange dorenuitsteeksels der voorste ruggewervels4--,op de ruggewervels volgen de lendewervels1 bij den mensch ten getale van vijf aanwezig4 ,de wervels worden bij den mensch van boven naar beneden toe geleidelijk dikker en steviger1 zoodat de lendewervels steviger zijn dan de ruggewervels en deze weer dan de halswervels4 ,dit feit vindt zijne verklaring in de omstandigheid dat de halswervels alleen het hoofd te dragen hebben1 terwijl de volgende wervels des te meer moeten dragen1 naarmate zij lager gelegen zijn4 ,hals-1 rugge- en lendewervels zijn ten opzichte van elkaar bewegelijk4 ,op de lendewervels echter volgen bij den mensch vijf onbewegelijk met elkaar verbonden wervels1 die te zamen het heiligbeen of kruisbeen vormen1 en waaraan de heupbeenderen onbewegelijk zijn vastgegroeid4 ,het aantal wervels1 't welk aan de samenstelling van het heiligbeen meewerkt1 is ook al weer niet bij alle zoogdieren even groot4 ,de ruggemergsholte en het daarin aanwezige ruggemerg strekken zich uit tot in den eersten heiligbeenwervel2 in geen geval bevindt zich dit laatste in de laatste heiligbeenwervels1 en ook niet in de daarop volgende staartwervels4 ,van deze laatsten zijn er bij den mensch vier1 die echter zeer klein zijn en alleen uit een wervellichaampje bestaan2 zij vormen te zamen een naar voren gebogen beenstukje1 't welk onder den naam stuit- of staartbeen bekend is4 ,bij vele zoogdieren zijn er een grooter aantal staartwervels1 die te zamen den bewegelijken staart vormen1 in welken zich echter het ruggemerg niet voortzet4 ,gelijk reeds boven werd gezegd1 zijn aan de ruggewervels de ribben bewegelijk verbonden4 ,de mensch heeft1 er een twaalftal paren4 ,iedere rib bestaat uit een achterste gedeelte1 dat uit been en een voorste gedeelte1 dat uit kraakbeen bestaat4 ,van de voorste ribben 7de zoogenoemde ware ribben7 is het kraakbeengedeelte bewegelijk aan 't borstbeen verbonden2 de achterste 7valsche7 ribben zitten niet aan 't borstbeen vast4 ,de mensch heeft zeven paar ware1 vijf paar valsche ribben4 ,aan het skelet van het hoofd onderscheidt men den schedel en het aangezichtsskelet4 ,de eerste omsluit de schedelholte1 welke de hersenen bevat4 ,men onderscheidt aan het schedeldak3 twee voorhoofdsbeenderen1 die echter bij den mensch tot n been 7fig4 #e1 g1 fig4 #f1 ,f7 aann gegroeid zijn1 twee wand- of kruinbeenderen 7f2 ,pr71 twee slaapbeenderen 7e7 en het uit verscheiden stukken samengegroeide achterhoofdsbeen 7d2 ,o71 waarin zich het achterhoofdsgat bevindt1 aan weerskanten waarvan men een' geledingsknobbel aantreft1 welke beide knobbels het hoofd op een tweetal geledingsvlakten van den bovensten halswervel kunnen doen bewegen4 ,door het achterhoofdsgat heen hangt het ruggemerg met de hersenen samen4--,de onderzijde van de schedelholte wordt begrensd1 behalve door het achterhoofdsbeen1 door het wiggebeen 7fig4 #f1 ,s7 met zijne aanhangselen1 alsmede1 boven de neusholte1 door het zeefbeen 7fig4 #f ,e74 ,het aangezichtsskelet bestaat uit de beenderen1 die den mond omgeven1 en omsluit verder1 ten deele in verbinding met eenige beenderen van den schedel1 de oogholten en de neusholte4 ,men vindt daaraan vooreerst twee bovenkaaksbeenderen en het tusschenkaaksbeen 7fig4 #cf1 ,tkb474 ,het laatste 7waarin de snijtanden geplaatst zijn7 is bij den mensch met de beide bovenkaaksbeenderen 7waarin de hoektanden en de kiezen zitten7 tot n enkel beenstuk1 de bovenkaak 7fig4 #e1 b71 vergroeid2 bij de meeste zoogdieren 7bijv4 paard en hond2 fig4 #cc en #cf7 blijft het tusschenkaaksbeen altijd van het bovenkaaksbeen door een' naad gescheiden4 ,verder bestaat het aangezichtsskelet uit de neusbeenderen 7a71 de traanbeenderen1 het ploegschaarbeen1 de neusschelpen 7inwendig in de neusholte verscholen71 het neusmiddenschot1 de jukbeenderen1 het verhemeltebeen en het onderkaaksbeen 7c71 welk laatste been ook oorspronkelijk uit twee gelijke helften bestond4 ,de bovenste 7voorste7 en benedenste 7achterste7 ledematen zijn geheel naar hetzelfde plan gebouwd2 zij bestaan dus uit gelijksoortige deelen4 ,het laat zich gemakkelijk inzien1 dat de beide paren ledematen meer op elkaar gelijken1 naarmate zij meer voor de zelfde verrichtingen dienen4 ,bij 't rund en het paard1 waar de beide paren ledematen in dienst van de voortbeweging zijn1 is dan ook hunne onderlinge overeenkomst grooter dan bij den mensch1 waar het eene paar voor grijpen1 het andere voor loopen dient2 bij den vogel1 waar het bovenste paar voor vliegen1 het benedenste paar voor loopen is ingericht1 is de overeenkomst nog minder groot4 ,aan de beide paren ledematen onderscheidt men vooreerst twee samenvoegingen van beenderen 7gordels van beenderen71 welke ze aan het skelet van den romp vasthechten4 ,men noemt deze beengordels3 schoudergordel en bekkengordel2 zij bestaan beide uit drie beenderen4 ,in de volgende tabel vermeld ik aan de linkerhand de deelen van den arm des menschen met de beenderen1 welke ze samenstellen2 aan de rechterzijde heb ik die deelen van het skelet van 't been geplaatst1 welke met de bedoelde deelen van 't armskelet te vergelijken zijn4 ,arm4 ,been4 ,i4 ,schoudergordel1 bestaande uit3 ,i4 ,bekkengordel1 bestaande uit3 ,schouderblad1 ,heupbeen1 ,sleutelbeen1 ,schaambeen1 ,ravenbeksuitsteeksel4 ,zitbeen4 ,,ii4 ,opperarm3 ,,ii4 ,bovenbeen3 ,opperarmbeen4 ,dijbeen4 ,,iii4 ,benedenarm3 ,,iii4 ,benedenbeen3 ,ellepijp1 ,scheenbeen1 ,spaakbeen4 ,kuitbeen4 ,,iv4 ,hand3 ,,iv4 ,voet3 #b rijen handwortelbeenderen4 #b rijen voetwortelbeenderen4 ,eene rij middelhandsbeenderen4 ,eene rij middelvoetsbeenderen4 #e vingers1 ieder bestaande uit #e teenen1 ieder bestaande drie vingerkootjes1 behalve uit drie teenkootjes1 de duim1 die uit twee kootjes behalve de groote teen1 bestaat4 die uit twee kootjes bestaat4 ,de verschillen tusschen arm en been des menschen vinden hunne verklaring in het verschillende gebruik1 dat ervan wordt gemaakt4 ,de beenderen van de beenen1 die den geheelen romp moeten dragen1 zijn steviger en dikker1 maar minder bewegelijk aan elkaar verbonden1 dan het geval is met die van de armen1 welke bij den mensch tot grijpen zijn ingericht4 ,vooral is de bekkengordel met het skelet van den romp veel steviger1 maar ook veel minder bewegelijk verbonden dan de schoudergordel4 ,heupbeen1 zitbeen en schaambeen toch zijn met elkander tot n beenstuk vergroeid2 en daar waar deze drie beenderen samenkomen1 bevindt zich de holte 7de gewrichtspan71 waarin de bovenste knobbel 7de gewrichtsknobbel7 van het dijbeen kan draaien 7fig4 #c74 ,verder zijn de heupbeenderen met het heiligbeen tot een onbewegelijk stuk vergroeid4 ,dit heiligbeen vormt met de aan weerskanten daarvan geplaatste heup-1 zit- en schaambeenderen1 het bekken1 aldus genoemd1 omdat deze beenderen a4 h4 w4 een bekken 7kom of schotel7 vormen1 waarin bij 't staan en 't zitten de ingewanden van den mensch rusten4 ,bij de dieren1 die op vier ledematen gaan1 rusten de ingewanden niet in dit bekken1 vandr ook de andere vorm der bekkenbeenderen4 ,bepaaldelijk de heup- of darmbeenderen zijn bijv4 bij paard en rund langwerpig1 niet schotelvormig 7vergelijk fig4 #c met fig4 #aj en #aa74 ,en dat de naam zitbeen voor deze dieren eigenlijk zeer ongepast is1 springt in het oog4 ,de schouderbladen 7fig4 #g1 b7 zijn in 't algemeen platte beenstukken1 die los op de rugzijde der ribben gelegen zijn1 en er alleen door de omgevende spieren tegenaan worden gedrukt4 ,over het schouderblad loopt eene verhevenheid1 een kam4 ,een uitsteeksel van het schouderblad is bewegelijk aan het sleutelbeen bevestigd1 dat op zijne beurt weer bewegelijk verbonden is met het borstbeen4 ,dicht bij de plaats1 waar het sleutelbeen aan 't borstbeen geleed is1 bevindt zich eene eenigszins uitgeholde vlakte1 waarin de bovenste knobbel 7de geledingsknobbel7 van het opperarmbeen draaien kan4 ,het ravenbeksuitsteeksel is een beenstukje1 dat bij den mensch van weinig of geen beteekenis is2 bij de vogels is het grooter4 ,daar het opperarmbeen kan draaien ten opzichte van het schouderblad1 en dit laatste ten opzichte van het sleutelbeen bewegelijk is1 het sleutelbeen evenzeer ten opzichte van het borstbeen1 het borstbeen ten opzichte van de ribben1 terwijl de ribben aan een bewegelijk gedeelte van de wervelkolom bewegelijk verbonden zijn1--zoo is het gemakkelijk genoeg in te zien1 dat de arm veel bewegelijker aan den romp bevestigd is dan het been4 ,ook bij de viervoetige dieren zijn de achterste ledematen veel vaster met den romp verbonden dan de voorste2 bij velen1 zooals bij paard en rund1 is zelfs geen sleutelbeen aanwezig4 ,wl gaan deze dieren op de beide paren ledematen1 maar het achterste paar wordt toch bepaaldelijk gebruikt om de voortbeweging tot stand te doen komen1 terwijl het voorste paar meer dient1 om er op te rusten4 7,denk bijv4 aan een paard1 dat een' zwaren last tegen eene hoogte optrekt67 ,die viervoetige diersoorten1 welke met hunne voorste ledematen iets moeten aangrijpen of oplichten1 hebben wl sleutelbeenderen2 zoo bijv4 de mol1 die met de voorpooten aarde verplaatst4 ,bij den mensch kan het spaakbeen om de ellepijp draaien4 ,de ellepijp 7fig4 #c1 f7 is het been1 dat aan zijn achtereinde in een' knobbel 7de elleboog7 eindigt2 het spaakbeen 7g7 is het dikst aan het uiteinde vlak bij de hand1 en de hand is er dan ook aan bevestigd1 zoodat1 wanneer het spaakbeen zich draait1 de geheele hand wordt omgekeerd4 ,het plotselinge omdraaien van de hand maakt dit lichaamsdeel voor het aangrijpen van de meest verschillende voorwerpen geschikter4 ,het spreekt echter van zelf1 dat eene dergelijke bewegelijkheid van den voet1 door draaiing van 't kuitbeen om 't scheenbeen1 niet alleen voor niets nuttig zou zijn1 maar zelfs zeer schadelijk voor het goed neerzetten van den voet4 ,bij de viervoetige dieren1 die hunne voorpooten niet gebruiken om te grijpen1 is dan ook het spaakbeen niet om de ellepijp draaibaar2 zelfs zijn bij vele dieren deze twee beenderen voor een deel aan elkander vastgegroeid4 ,op de plaats1 waar het dijbeen en de beenderen van het benedenbeen aan elkaar verbonden zijn1 vindt men de knieschijf1 niet slechts bij den mensch1 maar ook bij alle dieren van gelijksoortigen lichaamsbouw4 ,op de plaats1 waar boven- en benedenarm aan elkander verbonden zijn1 wordt geen dergelijk beenstuk aangetroffen4 ,aan den menschelijken voet zijn de teenen kort1 de middelvoetsbeenderen en voetwortelbeenderen lang2 van deze laatsten is er een1 nl4 het hielbeen1 bijzonder sterk naar achteren gegroeid4 ,op deze wijze wordt het ondersteuningsvlak van den voet groot en deze dus geschikter om er op te staan4 ,aan de hand zijn daarentegen de vingers in verhouding tot de andere deelen bijzonder lang2 daardoor zijn zij voor grijpen beter geschikt4 ,vooral ook is dit het geval doordat de punt van den duim tegen de vingerspitsen kan worden gebracht4 ,bij de apen1 die zoowel met de voeten als met de handen grijpen1 zijn de kootjes der teenen bijzonder lang1 en de groote teen kan er tegen de toppen der andere teenen worden gebracht4 ,het aantal vingers en teenen is bij de zoogdieren hoogstens vijf2 bij vele dieren echter is het kleiner4 ,het paard heeft slechts nen vinger aan ieder der ledematen 7fig4 #aj72 het rund twee 7fig4 #aa7 met nog twee uiterst klein gebleven teentjes daarachter2 het varken heeft aan elken poot twee groote en twee kleinere teenen 7fig4 #bi72 de hond heeft vijf teenen aan de achterpooten1 vier aan de voorpooten 7fig4 #h74 ,de mensch gaat op zijne geheele voetzool2 sommige andere dieren1 zooals hond en kat1 alleen op de teenen 7fig4 #h72 weer andere1 zooals paard1 rund en varken1 loopen op den top der teenen 7fig4 #aj1 #aa74 ,bij den mensch vindt men een groot gedeelte van de rugzijde der vingers en teenen met eene horenachtige bekleeding bedekt1 welke men den nagel noemt2 is zoo'n nagel niet 7zooals bij den mensch en den mol7 plat en aan het uiteinde stomp1 maar daarentegen zijdelings samengedrukt en aan 't vooreinde spits 7fig4 #ci71 dan spreekt men van een' klauw 7hond1 kat1 konijn74 ,bij de dieren1 welke op den top der teenen gaan1 strekt zich de horenbekleeding van het laatste kootje niet slechts over de rugzijde maar ook over den top der teenen uit1 dien zij als een schoen omkleedt 7fig4 #i72 men spreekt dan van een' hoef 7paard1 rund1 varken74 ,toch noemt de landbouwer de hoeven der runderen1 schapen en varkens meestal klauwen4 7,zoo noemt men eene ziekte1 die den top der teenen aantast1 het klauwzeer47 ,bij verscheiden dieren 7zooals rund1 paard1 varken7 zijn het opperarmbeen en het dijbeen in den romp opgenomen1 zoodat de uitwendig zichtbare ledematen dezer dieren moeten worden vergeleken met die gedeelten van menschenarm en been1 welke beginnen met benedenarm en benedenbeen4 ,vergelijkt fig4 #c met fig4 #aj en fig4 #aa4 ,ik wil daar nog bijvoegen1 dat men aan de voorste ledematen van paard1 rund1 schaap en varken het gewricht bij de handwortelbeenderen 7natuurlijk onjuist7 noemt3 de voorknie2 dat men het hielbeen met den naam hak bestempelt1 dat men de middelhandsbeenderen en middelvoetsbeenderen pijpen noemt4 ,bij het paard1 dat aan elk been slechts ne pijp en n' teen heeft1 vindt men achter deze pijp twee dunne middelvoetsbeentjes1 waaraan geene teenen bevestigd zijn2 deze laatste middelvoetsbeentjes noemt men griffelbeentjes4 7,fig4 #aj1 achter mh2 fig4 #cj47 ,uit hetgeen wij boven bespraken1 volgt reeds dat de beenderen op zeer verschillende wijze aan elkander kunnen zijn bevestigd4 ,sommige beenderen zijn zoodanig aan elkaar vastgegroeid1 dat zelfs geen naad meer te zien is2 dit is bij den mensch met de beide voorhoofdsbeenderen het geval1 ook met het bovenkaaks- en het tusschenkaaksbeen4 ,andere beenderen vertoonen op de plaats van aanngroeiing eenen naad 7de meeste schedelbeenderen van den mensch2 tusschenkaaksbeen en bovenkaaksbeen van het paard47 ,twee beenderen kunnen verder op zeer verschillende wijze bewegelijk met elkander verbonden zijn4 ,vooreerst kan zich tusschen de beide beenderen bevinden eene eenigszins veerkrachtige1 rekbare massa1 die slechts eene geringe beweging veroorlooft4 ,zoo zijn twee op elkaar volgende wervels door kraakbeen met elkander verbonden4--,zijn twee beenderen niet anders dan met een zeer rekbaar bandje aan elkander vastgehecht1 dan is de onderlinge bewegelijkheid grooter2 en dan spreekt men van een gewricht4 ,men onderscheidt scharniergewrichten en kogelgewrichten4 ,bij de eerstbedoelde wijze van verbinding kan het eene been zich ten opzichte van het andere tamelijk vrij bewegen1 maar steeds slechts in n vlak1 zooals het eene been van een' passer zich kan bewegen ten opzichte van het andere4 ,z is het opperarmbeen verbonden aan de beenderen van den benedenarm1 en het dijbeen aan die van het benedenbeen4--,kan het ne been ten opzichte van het andere in allerlei richtingen draaien1 dan spreekt men van eene verbinding door middel van een kogelgewricht4 ,het eene been vertoont dan eene uitholling1 die men de pan van 't gewricht noemt4 ,daarin kan zich de kegelvormige knobbel1 waarin het tweede been eindigt1 rondbewegen4 ,z is de verbinding van het dijbeen met de beenderen van den bekkengordel2 z ook die van het opperarmbeen met het schouderblad4 ,het beenvlies1 dat elk stuk been als een dun vliesje bekleedt1 verandert op de plaats1 waar het ne been met het andere verbonden is1 in een' stevigen1 niet zeer rekbaren band 7beursband71 die de beide beenderen bij elkaar houdt4 ,de binnenste laag van dezen beursband scheidt eene vloeistof af1 die de kraakbeenachtige binnenbekleeding van de gewrichtspan zoowel als die van de gewrichtsholte bedekt1 aldus de beweging gemakkelijker maakt en afslijting voorkomt4 ,men kan dus zeggen1 dat het gewricht wordt gesmeerd4 ,de beenderen zijn gewoonlijk omgeven door vleesch4 ,dit laatste bestaat uit verschillende stukken1 die door eene rekbare1 taaie massa met elkander verbonden zijn4 ,de verschillende stukken noemt men spieren2 elke spier bestaat weer uit een zeer groot aantal draadvormige deelen1 die men spiervezels noemt1 en die alle in de lengterichting van de spier loopen4 ,een spiervezel heeft het vermogen zich samen te trekken1 d4 i4 plotseling korter en tevens dikker te worden4 ,wanneer nu alle vezels van eene spier zich te gelijk samentrekken1 dan wordt de geheele spier korter en dikker4 ,door haar vermogen1 zich samen te trekken en te ontspannen1 kan eene spier weer andere deelen in beweging brengen4 ,de meeste spieren zijn namenlijk met hare beide uiteinden aan lichaamsdeelen bevestigd1 die zij door hare samentrekking in beweging brengen4 ,men onderscheidt huidspieren en skeletspieren1 alnaarmate de spieren aan de huid 7met het eene einde ook wel aan haren of veeren7 of aan de beenderen zijn vastgehecht4 ,de dikke spierlaag1 waarvan de egel gebruik maakt1 wanneer hij zich samenbalt1 is eene sterk ontwikkelde huidspier4 ,zoo zijn het ook huidspieren1 door welker samentrekking een vogel zijne veeren opricht4 ,er zijn vele dieren1 zooals slakken1 insekten en wormen1 die1 daar zij geene beenderen hebben1 geene andere dan huidspieren bezitten4 ,eene skeletspier is met hare beide uiteinden aan een been verbonden4 ,als nu zoo'n skeletspier zich samentrekt1 dan wordt het meest bewegelijke been naar het minder bewegelijke toe bewogen4 ,wij willen de werking van eene skeletspier duidelijk maken1 door eene bepaalde spier als voorbeeld te nemen4 ,in fig4 #ab zijn het opperarmbeen van den mensch en de benedenarm afgebeeld4 ,alle rondom den opperarm gelegen spieren zijn weggenomen op ne spier na4 ,deze1 in nevensgaande fig4 ,a door #b afgebeeld1 is in haar midden het dikst en loopt aan hare uiteinden in dunne gedeelten uit1 die bovendien anders van geaardheid zijn dan de eigenlijke spier4 ,men noemt deze dunne uiteinden1 waarmee eene spier aan de beenderen bevestigd is1 de pezen4 7,de spier #b eindigt van boven in twee pezen1 van beneden in ne pees47 ,terwijl nu de spier uit vele fijne vezels bestaat1 die het eetbare vleesch vormen1 zijn de pezen opgebouwd uit eene zeer taaie stof1 die bij koking in lijm kan overgaan4 ,slechts het vleezige gedeelte van eene spier bezit het vermogen1 zich samen te trekken1 d4 i4 korter en tevens dikker te worden4 7,vergelijk m' met m in ,b en met #b in ,a47 ,door deze samentrekking wordt het eene been met al wat daarmee in verbinding staat1 naar het andere been toe bewogen2 de beenderen van den benedenarm worden daarbij in het gewricht c 7fig4 #ab ,b7 gedraaid4 ,dit gewricht is een scharniergewricht1 zoodat de beenderen van den benedenarm naar die van den bovenarm toe worden bewogen als het eene been van een' passer naar het andere4--,er zijn spieren1 die niet aan de huid of aan beenderen zijn bevestigd2 dat zijn de zoogenoemde holle spieren1 die in zich zelven terugkeeren1 en dus eene holte omsluiten4 ,eene zoodanige spier kan door hare samentrekking de binnen die holte aanwezige voorwerpen 7vaste lichamen of vloeistoffen7 voortbewegen4 ,zoo bewegen de holle spieren1 die in den wand van den slokdarm aanwezig zijn1 brokken spijs van de keelholte naar de maag2 zoo zorgen de holle spieren van den hartwand voor de voortbeweging van het bloed4 ,de bewegingen1 welke door spieren worden in 't leven geroepen1 onderscheidt men in willekeurige en onwillekeurige bewegingen4 ,onwillekeurig noemt men ze1 wanneer zij buiten den wil om tot stand komen1 zooals de bewegingen der spierwanden van het hart1 waardoor het bloed door 't lichaam wordt voortgestuwd4 ,willekeurig noemt men die bewegingen1 welke onder den invloed van den wil geschieden4 ,wil men aan eene spier het vermogen van zich samen te trekken ontnemen1 dan is het juist niet noodig1 dat men de spier zelve beleedigt4 ,iedere spier staat met eene zenuw in verbinding1 die hare fijne vertakkingen zendt naar al de verschillende spiervezels1 waaruit de spier bestaat4 ,snijdt men deze zenuw door1 dan heeft de spier dadelijk het vermogen om zich samen te trekken verloren4 ,de zenuw nu heeft haren oorsprong bij den mensch en bij vele andere dieren in de hersenen of het ruggemerg4 ,wij kunnen dus zeggen3 de spier verliest het vermogen om zich samen te trekken1 wanneer de verbinding tusschen haar zelve en het ruggemerg of de hersenen op de eene of andere plaats door doorsnijding van de zenuw wordt opgeheven4 ,de oorzaak van de beweging der spier ligt dus in het ruggemerg of de hersenen4 ,er komt in de laatstgenoemde lichaamsdeelen eene verandering tot stand--van welken aard deze is1 weten wij niet--1 die zich door de zenuw naar de spier voortbeweegt en de samentrekking van deze laatste veroorzaakt4 ,wij kunnen ons van wat er in dezen plaatsgrijpt1 de volgende voorstelling maken 7fig4 #ac73 in de hersenen of het ruggemerg wordt als 't ware last gegeven tot het volvoeren van eene beweging2 die last wordt overgeseind door de zenuw heen en wordt daarna door de spier tot uitvoering gebracht4 ,hersenen of ruggemerg zijn dus a4 h4 w4 het middelpunt 7het centrum71 waarvan het bevel tot beweging uitgaat2 men noemt ze middelpuntsdeelen of centrale deelen van het zenuwstelsel4 ,de zenuwen1 welke van de centrale deelen naar de spieren loopen1 heeten bewegingszenuwen4 ,er bestaat echter nog eene andere soort van zenuwen1 die men gewaarwordingszenuwen noemt4 ,deze ontspringen in de zintuigen 7huid1 tong1 neus1 oor1 oog7 en geleiden de indrukken1 die zij door tusschenkomst van deze zintuigen uit de omgeving opnemen1 naar de middelpuntsdeelen van het zenuwstelsel toe1 waar zij tot bewustzijn komen4 ,als er een voorwerp1 waarvan licht uitstraalt1 vr ons oog staat1 dan zien wij het4 ,wij zien het met ons oog1 zoo zegt men gewoonlijk2 maar eigenlijk is dat onjuist2 wl dient het oog om de lichtindrukken van buiten op te nemen2 maar het eigenlijke zien geschiedt niet met het oog4 ,aan den achterkant komt uit het oog de gezichtszenuw te voorschijn1 die naar de hersenen loopt4 ,snijdt men deze zenuw door1 dan is het met het zien gedaan1 hoewel het oog zelf ongeschonden is gebleven4 ,de indruk1 dien het verlichte voorwerp op het oog maakt1 wordt door de gezichtszenuw naar de hersenen overgebracht en komt dr tot bewustzijn4 ,hoe dat geschiedt1 is ons een raadsel4 ,de huid 7fig4 #ac7 is uit twee lagen samengesteld2 de buitenste laag is de opperhuid1 die bloedloos is1 zooals duidelijk blijkt1 als men zich op eene plaats snijdt1 waar zij bijzonder dik is 7eelt onder de voeten1 aan de binnenzijde der handen74 ,onder de opperhuid is de bloedroode leerhuid gelegen1 aldus gekleurd door het vele bloed1 hetwelk er doorheen stroomt4 7,van de leerhuid maakt men leer74 ,in deze leerhuid vindt men de uiteinden van zenuwen4--,raakt men de opperhuid van een' der vingers met een of ander voorwerp aan1 dan voelt men dat zij wordt aangeraakt1 en tevens verneemt men1 hoe de vorm en de warmtegraad van dit voorwerp zijn4 ,maar snijdt men de zenuw door1 die van den vinger naar het ruggemerg loopt1 dan voelt men de aanraking van een voorwerp niet meer4 ,de indruk1 dien een voorwerp op de huid teweeg brengt1 wordt dus door de zenuwen voortgeleid naar het ruggemerg1 en komt daar tot bewustzijn2 hoe--dat weten wij alweer niet4 ,uit het bovenstaande zien wij dat de voorwerpen buiten ons zoodanig op ons inwerken1 dat wij hunne aanwezigheid vernemen1 dat hunne aanwezigheid bij ons tot bewustzijn komt4 ,zoodanige inwerking van de voorwerpen op ons noemen wij in 't algemeen gewaarwording4 ,deze kan bij den mensch en ook bij de huisdieren op vijf verschillende wijzen tot stand komen3 door voelen1 proeven1 ruiken1 hooren en zien4 ,men noemt het gevoel1 den smaak1 den reuk1 het gehoor en het gezicht de vijf zinnen van den mensch4 ,vele dieren hebben minder zinnen2 bij zulke dieren werkt de omgeving op minder dan vijf verschillende wijzen in4 ,de lintworm bijv4 is blind4 ,de zenuwen1 welke de indrukken1 die de buitenwereld op ons maakt1 naar hersenen en ruggemerg voortgeleiden1 noemt men gewaarwordingszenuwen4 ,men mag dus wel de hersenen en het ruggemerg de middelpuntsdeelen of centrale deelen van het zenuwstelsel noemen1 want zij zijn het middelpunt1 waarheen de van de buitenwereld ontvangen indrukken worden voortgeleid1 en van welke ook tevens de aanleiding tot elke spierbeweging uitgaat4 ,in de bewegingszenuwen geschiedt1 blijkens het bovenstaande1 de voortgeleiding in een' zin1 precies tegengesteld aan dien1 waarin deze plaatsgrijpt in de gewaarwordingszenuwen4 ,fig4 #ac geeft eene schets van eene doorsnede dwars door 't lichaam van een dier4 ,vergel4 de verklaring4 ,hoe de onderscheiden deelen van 't zenuwstelsel ten opzichte van elkaar liggen1 is in fig4 #ad te zien1 waar het zenuwstelsel van den hond is voorgesteld4 ,menschen en dieren1 die geen spijs opnemen1 verminderen in lichaamsgewicht4 ,dit komt daar vandaan1 dat eenige stoffen het lichaam f als gassen 7koolzuur door de longen7 f als vloeistoffen 7urine door de nieren1 zweet door de zweetklieren7 verlaten1 zonder dat voor die stoffen iets anders in plaats komt4 ,op den duur zou een menschelijk of dierlijk lichaam het niet uithouden zonder opneming van nieuwe stoffen4 ,de stoffen1 welke opgenomen worden1 noemt men1 alnaarmate zij vast of vloeibaar zijn1 spijzen of dranken4 ,deze spijzen en dranken1 welke met weinig uitzonderingen 7zouten1 water7 uit het dierenrijk of het plantenrijk afkomstig zijn1 kunnen echter niet als zoodanig de plaats innemen der voortdurend verdwijnende lichaamsstoffen4 ,ten eerste bevatten zij stoffen1 die in 't lichaam in 't geheel niet bruikbaar zijn1 en die met de uitwerpselen worden verwijderd4 ,maar ook de bruikbare zelfstandigheden worden in de planten en dieren voor 't meerendeel niet in zoodanigen vorm aangetroffen1 in welken zij dadelijk kunnen worden gebruikt4 ,de spijsvertering nu dient om de spijzen voor het lichaam bruikbaar te maken en tevens om de onbruikbare stoffen af te zonderen van de wl bruikbare1 en ze daarna uit het lichaam te verwijderen4 ,deze spijsvertering grijpt in het darmkanaal plaats4 ,het darmkanaal is eene buis1 die op verschillende plaatsen eene zeer verschillende wijdte heeft1 doorgaans in allerlei bochten en windingen in de lichaamsholte gelegen is en zich van den mond tot de aarsopening uitstrekt4 ,terwijl de spijzen in het darmkanaal zijn1 worden er verschillende vochten 7verteringsvloeistoffen1 zooals speeksel1 maagsap1 gal1 enz47 mee vermengd1 welke er de bruikbare stoffen uittrekken en deze in den vereischten vorm omzetten4 ,zoodanige inwerking van vochten kan des te beter geschieden1 naarmate de spijzen in kleinere stukken verdeeld zijn4 ,voor het fijnmaken der spijzen dienen bij de zoogdieren de tanden2 bij de vogels dient daarvoor eene bepaalde afdeeling van het darmkanaal 7de spiermaag71 welke aan de binnenzijde met harde1 scherpe lijsten bekleed is4 ,zoolang de voedende stoffen1 al zijn zij ook in een' volkomen geschikten vorm gebracht1 in den darm blijven1 baten zij het lichaam niets4 ,immers het verlies van lichaamszelfstandigheid grijpt in alle deelen des lichaams plaats1 en het is dus noodzakelijk dat de voedingsstoffen na de vertering in een' toestel worden gebracht1 die ze naar alle deelen des lichaams heen voert4 ,deze toestel wordt de bloedsomlooptoestel genoemd4 ,de bloedsomlooptoestel is gevuld met bloed1 eene ongeveer kleurlooze vloeistof1 die een uiterst groot aantal zeer kleine roode schijfjes 7de bloedlichaampjes7 bevat1 en daardoor rood gekleurd is4 ,in het bloed worden de voedingstoffen uit den darm opgenomen4 ,het bloed stroomt door het lichaam heen door eene menigte buizen4 ,in de natuurwetenschappen is men gewoon1 buizen met den naam van vaten te bestempelen4 ,wij spreken dus ook van bloedvaten1 wanneer wij de buizen bedoelen1 waardoor het bloed in 't lichaam stroomt4 ,deze bloedvaten vertakken zich herhaaldelijk1 tot uit hunne vertakkingen eindelijk de mikroskopisch kleine haarvaten 7 capillairen7 ontstaan4 ,met uitzondering van de opperhuid en de deelen1 welke zich uit deze vormen 7haren1 veeren1 schubben71 vindt men in elk deel des lichaams haarvaten4 ,deze hebben uiterst dunne wanden1 waardoor gemakkelijk verschillende voedingsstoffen heentrekken1 welke te goede komen aan die kleine deeltjes des lichaams1 welke tusschen de haarvaten zijn gelegen4 ,het hoofdwerktuig voor de beweging van het bloed is het hart1 een verwijd en van dikke1 samentrekbare wanden voorzien gedeelte van den bloedsomlooptoestel4 ,door samentrekking van de holle spieren in den hartwand wordt het bloed uit het hart geperst2 het stroomt dan door eene buis 7de slagader7 weg1 die zich in verschillende takken splitst1 welke laatsten zich weer splitsen1 enz4 enz41 zoodat ten slotte de haarvaten ontstaan4 ,uit de vereeniging van de haarvaten worden weer adertakjes gevormd1 die zich tot eene ader 7of tot een paar aders7 vereenigen1 welke het bloed weer naar 't hart terugvoeren4 ,hetzelfde bloed stroomt dus voortdurend door 't lichaam rond1 en men mag dus met recht spreken van een' bloedsomloop 7circulatie74 ,in fig4 #af is eene voorstelling gegeven van een' zoo eenvoudig mogelijk ingerichten bloedsomlooptoestel4 ,daar het bloed gedurende zijnen omloop aan de verschillende deelen des lichaams een deel van zijne voedingsstoffen afgeeft1 zou het op den duur voor de voeding des lichaams onbruikbaar worden1 wanneer het geene nieuwe voedingsstoffen uit den darm opnam4 ,maar nog om andere reden zou het bloed1 en wel zeer spoedig1 onbruikbaar worden2 dit zou nl4 het geval zijn1 wanneer het niet geregeld door de longen en de nieren en langs de in de huid gelegen zweetklieren stroomde4 ,het is algemeen bekend1 dat een mensch of dier zonder lucht--of eigenlijk zonder eene bepaalde in de lucht aanwezige gassoort1 de zuurstof1--niet kan leven4 ,deze zuurstof moet tot in de kleinste lichaamsdeelen kunnen doordringen2 en door den bloedstroom wordt zij dan ook overal heen gevoerd4 ,de scheikunde leert1 dat verbranding van eene stof niets anders is dan hare verbinding met zuurstof1 waardoor eene geheel nieuwe stof gevormd wordt4 ,in alle deelen nu van 't lichaam grijpt eene verbinding van lichaamszelfstandigheid met zuurstof plaats1 m4 a4 w4 eene verbranding of oxydatie2 echter eene zoodanige1 waarbij geen vlam ontstaat1 hoewel er toch wel degelijk warmte bij ontwikkeld wordt4 ,zij is de bron der dierlijke warmte1 die wij bij den mensch en bij vele dieren gemakkelijk draan merken1 dat deze eene temperatuur hebben1 hooger dan die der omgeving4 ,maar niet alleen wordt door deze verbranding1 die in alle deeltjes van 't dierlijke lichaam plaatsgrijpt1 warmte opgewekt4 ,men weet dat eene stoommachine1 zoolang er steenkolen in worden gebrand1 niet slechts warmte ontwikkelt1 maar ook arbeid kan verrichten2 en hoe meer steenkolen er worden verbrand1 des te meer arbeid kan er worden verricht4 ,die arbeid komt neer op het verplaatsen van voorwerpen4 ,ook het dierlijk lichaam verricht arbeid2 bijv4 als een dier eene last voortsleept1 maar ook als het zich eenvoudig van de eene plaats naar de andere begeeft4 ,het dierlijke lichaam wordt tot deze arbeidsverrichting in staat gesteld door de verbranding1 welke daarbinnen plaatsgrijpt4 ,wanneer nu het bloed naar een bepaald lichaamsdeel stroomt en zich uit de slagadertakjes in de haarvaten begeeft1 dan trekken door de wanden dezer laatste niet slechts voedingsstoffen heen1 maar ook zuurstof4 ,wanneer nu echter het bloed uit de haarvaten in de aders overgaat en aldus het bedoelde lichaamsdeel weer verlaat1 dan is het niet alleen armer aan voedingsstoffen1 maar ook armer aan zuurstof geworden2 om bij eene volgende rondstrooming de lichaamsdeelen behoorlijk van zuurstof en voedende stoffen te voorzien1 bevat het daarvan veel te weinig4 ,daarentegen heeft het bloed1 als het uit de haarvaten van een lichaamsdeel weer in de aderen terugkeert1 verschillende stoffen opgenomen1 die daar door de verbranding der lichaamszelfstandigheden ontstaan zijn4 ,deze oxydatieprodukten 7vergelijkbaar met de gassen en de asch1 welke bij de verbranding van steenkool in eene stoommachine ontstaan7 kunnen op den duur niet blijven in de lichaamsdeelen1 waarin zij gevormd werden2 zij zouden daar langzamerhand eene veel te groote ruimte gaan innemen2 en bovendien zijn sommige van deze stoffen schadelijk voor het lichaam4 ,het bloed1 dat langs de lichaamsdeelen stroomt1 neemt de daar ontstane oxydatieprodukten daaruit op4 ,als het nu later door de longen wordt bewogen1 scheidt het koolzuur en water uit1 welke stoffen in gas- en dampvorm het lichaam verlaten2 tevens voorziet het zich daar van nieuwe zuurstof4 ,als het bloed door de nieren en langs de zweetkliertjes stroomt1 geeft het de vloeibare en de daarin opgeloste vaste oxydatieprodukten af1 welke in 't lichaam ontstaan zijn4 ,de vloeistof 7met vaste stoffen er in opgelost71 welke de nieren afzonderen1 heet urine2 die1 welke de zweetkliertjes van zich geven1 zweet4 ,boven zei ik1 dat het bloed in de longen een deel zijner verbrandingsprodukten kwijtraakt1 terwijl het daarentegen nieuwe zuurstof opneemt4 ,de in de longen aanwezige lucht wordt daardoor armer aan zuurstof1 rijker aan koolzuur2 zij zou dus op den duur ongeschikt worden om opnieuw zuurstof aan het bloed af te staan1 ware het niet dat telkens door de ademhalingsbewegingen nieuwe zuurstof in de longen werd gebracht4 ,de ingeademde lucht treedt door den neus of den mond binnen en komt door de keel heen in de luchtpijp1 waarvan het bovenste1 verwijde gedeelte het strottenhoofd heet4 ,in de borstholte aangekomen1 splitst de luchtpijp zich in twee takken1 van welke er naar iedere long n gaat4 ,de longen zijn bij de visschen door kieuwen vervangen2 andere dieren hebben nog weer andere toestellen voor de opneming van zuurstof4 ,de toestellen1 die voor de opneming van zuurstof dienen1 worden ademhalingstoestellen genoemd4 ,daar in 't lichaam voortdurend verbranding van lichaamszelfstandigheid plaatsgrijpt1 dus voortdurend stoffen aan 't lichaam ontnomen worden1 moet het lichaam wel in gewicht afnemen1 zoolang het geleden verlies niet weer door de opneming van spijzen gedekt wordt4 ,fig4 #ae geeft eene voorstelling van de spijsverterings-1 bloedsomloops- en ademhalingsorganen in hunnen onderlingen samenhang4 ,zie de verklaring4 ,in fig4 #ag is een hond afgebeeld1 welks borst- en buikholte geopend zijn4 ,men kan dus daar de meeste lichaamsdeelen1 welke boven werden besproken1 zien liggen4 7,vergel4 de verklaring74 ,in het lichaam van een dier grijpen1 blijkens hetgeen boven werd meegedeeld1 allerlei werkingen of verrichtingen plaats2 de lichaamsdeelen1 welke deze verrichtingen doen tot stand komen1 kan men dus werktuigen of1 met een vreemd woord1 organen noemen4 ,een dier en eene plant noemt men een bewerktuigd lichaam of een organisme1 omdat hun lichaam uit werktuigen of organen bestaat4 ,steenen zijn onbewerktuigde lichamen4 ,,ii4 ,,rangschikking ,,en ,,benoeming ,,der ,,dieren4 ,wel zijn geen twee dieren volkomen aan elkander gelijk2 maar toch zijn er1 die zoo weinig van elkaar verschillen1 dat men hun denzelfden naam geeft4 ,zulke dieren noemt men dieren van dezelfde soort4 ,dieren1 die wel zveel van elkander verschillen1 dat men ze tot verschillende soorten moet brengen1 maar die toch in de meeste1 en wel in gewichtige kenmerken overeenstemmen1 brengt men tot hetzelfde geslacht4 ,haas en konijn1 paard en ezel1 bonte kraai en roek zijn verschillende soorten van hetzelfde geslacht4 ,ik sprak daar van gewichtige kenmerken4 ,dat niet alle kenmerken der dieren van evenveel waarde zijn1 ligt voor de hand4 ,een kenmerk1 ontleend aan het tandstelsel van een dier1 is een gewichtiger kenmerk dan een1 dat ontleend is aan de kleur der vacht2 want uit het tandstelsel kan men veel afleiden omtrent het voedsel en dus ook weer omtrent den verderen lichaamsbouw van het dier1 terwijl men uit de kleur der vacht niet veel kan afleiden4 ,niet alleen de meerdere of mindere belangrijkheid1 ook de meerdere of mindere standvastigheid van eene eigenschap komt bij de rangschikking der dieren en planten in aanmerking4 ,zoo kan soms de kleur der vacht voor de rangschikking van meer beteekenis zijn dan in andere gevallen4 ,bij alle hermelijnen of groote wezels is de punt van den staart zwart gekleurd2 bij alle kleine wezels is zij gekleurd als de overige deelen des lichaams1 nl4 roodbruin4 ,bij deze dieren is dus de kleur een zeer standvastig kenmerk2 terwijl bijv4 bij de diersoort paard de kleur volstrekt niet standvastig is en niet als kenmerk der soort mag gelden4 ,boven zei ik1 dat men twee verschillende soorten van dieren1 welke in de meeste en wel in belangrijke kenmerken overeenstemmen1 in n geslacht vereenigt4 ,geslachten1 die weer veel overeenkomst met elkander vertoonen1 brengt men in dezelfde familie4 ,de kleine wezel en de groote wezel zijn verschillende soorten van hetzelfde geslacht2 den boommarter en den steenmarter brengt men eveneens in n geslacht1 maar in een ander dan dat1 waarin men de beide wezels bijnvoegt4 ,toch gelijken de wezels en de marters weer zooveel op elkander1 dat men het wezelgeslacht en het martergeslacht in dezelfde familie1 die der ,marterachtigen1 vereenigt4 ,familin1 die in vele punten van haren lichaamsbouw met elkander overeenstemmen1 vereenigt men in dezelfde orde4 ,zoo vormen de familie der ,marterachtigen1 die der ,katachtigen1 die der ,hondachtigen en nog eenige andere familin te zamen de orde der ,roofdieren4 ,verschillende orden1 die onderling tamelijk veel gelijkenis vertoonen1 brengt men tot ne klasse4 ,roofdieren1 ,herkauwende dieren1 ,knaagdieren zijn verschillende orden van de klasse der ,zoogdieren4 ,roofvogels1 ,duiven1 ,hoenderachtigen1 enz4 zijn verschillende orden van de klasse der ,vogels4 ,vogels en ,zoogdieren beiden hebben een inwendig skelet1 waarvan de wervelkolom de as is1 aan welke de andere deelen bevestigd zijn2 ook in andere opzichten blijkt1 dat deze twee klassen a4 h4 w4 naar het zelfde plan zijn gebouwd2 en men brengt hen daarom tot dezelfde hoofdafdeeling1 nl4 die der ,gewervelde dieren2 terwijl de slak tot de hoofdafdeeling der ,weekdieren1 de duizendpoot tot die der ,gelede dieren wordt gebracht4 ,men verdeelt dus het ,dierenrijk in ,hoofdafdeelingen1 deze in ,klassen1 die men weer in ,orden indeelt2 terwijl de orden weer uit ,familin1 deze uit ,geslachten en de geslachten uit ,soorten zijn samengesteld4 ,dieren van dezelfde soort1 welke door meer of minder standvastige kenmerken van elkander onderscheiden zijn1 brengt men tot verschillende ,rassen4 ,verschil in de streek1 waar de dieren eener soort zich ophouden1 is oorzaak van 't ontstaan van zoogenoemde geographische rassen 7poolvos en onze inlandsche vos72 verschil in de wijze1 waarop de mensch op hen inwerkt1 doet bij de huisdieren kultuurrassen ontstaan4 7,nederlandsch vee en ,durhamvee74 ,verscheiden diersoorten zijn algemeen bekend1 althans wat haar uiterlijk aangaat2 zulke soorten hebben eene ,nederlandsche benaming4 ,andere1 vooral kleine diersoorten en uitheemsche1 hebben zoodanige benaming niet2 want het volk kent ze niet4 ,men zou dus voor al zulke diersoorten eenen nieuwen ,nederlandschen naam moeten bedenken4 ,maar nu heeft de ,zweedsche natuuronderzoeker ,linn het gebruik ingevoerd1 aan iedere diersoort en aan iedere plantensoort eene ,latijnsche 7eene zoogenoemde wetenschappelijke7 benaming te geven4 ,daardoor kunnen de dier- en plantkundigen uit de verschillende streken der wereld elkander verstaan1 zonder dat zij gedwongen zijn1 de namen aan te leeren in alle talen1 waarin over dier- en plantkunde wordt geschreven4 ,bovendien hebben de namen van ,linn nog dit voordeel1 dat zij tevens aanduiden1 of twee wezens al dan niet tot n geslacht behooren4 ,evenals ieder mensch minstens twee namen draagt3 een' vrnaam en een' familienaam1 zoo krijgt ook iedere diersoort twee namen4 ,de eerste is de geslachtsnaam2 dezen hebben alle dieren van hetzelfde geslacht met elkander gemeen2 de tweede is de soortnaam1 die alleen aan de dieren van dezelfde soort toekomt4 ,dikwijls duidt deze laatste naam een in 't oog vallend kenmerk van de diersoort aan4 ,een voorbeeld4 ,haas en konijn brengt men in 't zelfde geslacht3 ,lepus4 ,nu is de ,latijnsche naam van den haas3 ,lepus timidus 7timidus vreesachtig72 die van 't konijn3 ,lepus cuniculus 7cuniculus konijn74 ,de ,nederlandsche benamingen van dieren en planten kunnen aanleiding tot verwarring of tot grooten last geven4 ,zeer verschillende diersoorten toch worden soms met den zelfden naam aangeduid1 of althans met zoodanige namen1 dat men1 op den naam afgaande1 zou meenen1 dat zij tot hetzelfde geslacht moesten worden gerekend4 ,de hazelworm is eene soort van hagedisachtig dier2 de zijdeworm is een onvolwassen vlinder2 de grauwe worm 7of emelt7 een onvolwassen langpootmug2 de regenworm1 de spoelworm1 de lintworm behooren tot verschillende groepen van de hoofdafdeeling der ,wormen4 ,wat men in de eene streek glazenmakers noemt1 noemt men in eene andere streek korenbouten1 elders weer donderbolken1 puistenbijters1 wrattenbijters1 enz4 ,de nachtzwaluw heet geitenmelker1 schapenmelker1 vliegende pad1 vliegende kikvorsch1 nachtratel1 enz4 ,het is moeielijk1 om van de dier- en plantensoorten alle plaatselijke en provinciale namen te kennen4 ,om zoo nauwkeurig mogelijk aan te geven1 welke dier- of plantensoort men bij eene bespreking bedoelt1 vermeldt men naast de ,nederlandsche benaming ook den wetenschappelijken naam4 ,,iii4 ,,overzicht ,,van ,,de ,,verschillende ,,groepen ,,van ,,het ,,dierenrijk4 ,men verdeelt het ,dierenrijk gewoonlijk in zeven hoofdafdeelingen1 nl4 ,i4 ,gewervelde dieren1 ,,ii4 ,gelede dieren1 ,,iii4 ,wormen1 ,,iv4 ,weekdieren1 ,v4 ,stekelhuidigen1 ,,vi4 ,holtedieren of ,coelenteraten1 ,,vii4 ,protozon4 ,,hoofdafdeeling ,i4 ,,gewervelde ,,dieren4 ,het lichaam van een ,gewerveld dier is tweezijdig symmetrisch1 d4 i4 het kan door n vlak in twee deelen worden verdeeld1 die elkaars spiegelbeeld zijn1 dus uitwendig elkander volkomen gelijken1 met dien verstande1 dat wat bij de eene helft aan den linkerkant gelegen is1 bij de andere helft aan de rechterzijde ligt1 enz4 7,er zijn dieren1 waar het lichaam door meer vlakken in twee helften kan worden verdeeld1 welke elkaars spiegelbeeld zijn4 ,dit is o4a4 het geval bij de zeester1 fig4 #ah4 ,bij zulke dieren vindt men een zeker aantal1 hier #e1 gelijke deelen straalsgewijs rondom een middelpunt gegroepeerd4 ,men spreekt dan van straalsgewijze symmetrie74 ,bij zeer jonge ,gewervelde dieren1 meer nog bij dieren1 welke nog bezig zijn1 zich binnen 't ei te ontwikkelen1 vindt men tweezijdige symmetrie in alle deelen des lichaams1 uitwendige en inwendige4 ,de uitwendige vorm van het lichaam blijft altijd tweezijdig symmetrisch1 met uitzondering slechts van de platvisschen 7schol1 fig4 #ai72 de inwendige organen hebben bij het volwassen dier hunne symmetrische ligging min of meer verloren4 ,in 't lichaam van een ,gewerveld dier bevindt zich als as eene uit wervels bestaande wervelkolom1 welke de ruggemergsholte omsluit 7fig4 #a74 ,evenals de ruggemergsholte in het skelet van den kop tot eene schedelholte zich verwijdt1 zoo gaat ook het in de ruggemergsholte beslotene ruggemerg binnen de schedelholte in de hersenen over4 ,behalve de lichaamsholte aan de rugzijde1 welke de centrale deelen van het zenuwstelsel omsluit1 is er nog aan de buikzijde eene lichaamsholte aanwezig1 welke bij de zoogdieren door het middenrif in tween is gedeeld1 nl4 in de borst- en de buikholte 7fig4 #a1 #b74 ,in deze lichaamsholte aan de buikzijde zijn in hoofdzaken gelegen de organen van de ademhaling1 den bloedsomloop1 de vertering en de uitscheiding4 7,bij alle andere hoofdafdeelingen van het dierenrijk zijn de centrale deelen van het zenuwstelsel in dezelfde lichaamsholte gelegen als de zooeven genoemde organen74 ,met de wervelkolom zijn verschillende beenderen verbonden1 die voor de vasthechting van spieren dienen4 ,deze beenderen vormen te zamen het skelet2 het bezit van zoo'n skelet of geraamte behoort tot de 't meest in het oog vallende kenmerken van een ,gewerveld dier4 ,de dieren van deze hoofdafdeeling hebben nooit meer dan vier ledematen2 sommige 7bijv4 walvisschen7 hebben er twee1 andere 7slangen7 in 't geheel geene4 ,hun bloed is rood1 terwijl dat van de vertegenwoordigers der meeste andere diergroepen kleurloos is4 ,ik moet nog nader spreken over de wijze1 waarop de bloedsomloop bij de onderscheiden ,gewervelde dieren plaatsgrijpt4 ,bij geen enkele diersoort uit deze groep is het hart van zoo eenvoudigen bouw als fig4 #bj aangeeft4 ,aan eene zoodanige inrichting van het hart zouden dan ook groote bezwaren verbonden zijn4 ,een hoofdbezwaar zou wel dit zijn1 dat op het oogenblik1 waarop het bloed het hart verlaat1 geen nieuw bloed in dit orgaan kan worden opgenomen1 omdat het samengetrokken is2 daardoor moet de bloedstroom in de aderen stilstaan4 ,bij alle ,gewervelde dieren nu is dit bezwaar drdoor weggenomen1 dat op de plaats1 waar de ader in het hart uitmondt1 zich eene opzwelling1 eene uitzetting van deze ader bevindt1 waarin het bloed zich kan ophoopen1 zoolang de samentrekking van het hart duurt 7fig4 #ba74 ,wanneer--'t geen bij vele dieren het geval is--het bloed uit het lichaam door twee of meer aders naar 't hart terugkeert1 dan hebben deze aders gezamenlijk ne opzwelling4 ,de wand van deze opzwelling is van spieren voorzien2 dit is nuttig1 om het daarin bevatte bloed snel naar het eigenlijke hart te vervoeren1 toch kunnen blijkbaar dunne spieren hier voldoende zijn2 terwijl de wand van het eigenlijke hart1 van waaruit het bloed door 't geheele lichaam geperst wordt1 veel dikker moet zijn4 ,daar de hier bedoelde opzwelling1 evenals het eigenlijke hart1 in 't bezit is van spierwanden1 beschouwt men haar als een deel van het hart2 men noemt haar de voorkamer of den boezem van het hart1 terwijl het eigenlijke hart den naam van de kamer krijgt4 ,het is duidelijk dat er eene tamelijk wijde opening tusschen boezem en kamer moet zijn 7fig4 #ba71 opdat al het bloed dadelijk na de ontspanning der kamerwanden uit den boezem in de kamer kunne treden2 want alleen op deze wijze kan eene geregelde bloedstrooming zonder oponthoud plaatsvinden4 ,maar als er eene wijde opening tusschen boezem en kamer bestaat1 dan is een enkele klep niet geschikt om gedurende de samentrekking der kamerwanden het bloed te verhinderen1 in den boezem te geraken2 zoo'n klep zou zeer groot moeten zijn en dan #ao4 te ver in de kamer op slaan1 #bo4 veel kans hebben1 zich te buigen1 en aldus geene volledige afsluiting te vormen4 ,daarom zijn er op de grens tusschen boezem en kamer twee of drie kleppen aanwezig1 welke--om het te ver doorslaan te voorkomen--door een aantal peesachtige draadjes aan den wand der kamer bevestigd zijn 7fig4 #ba74 ,opdat het bloed1 't welk in de slagader geperst is1 niet gedurende de ontspanning van de wanden der kamer in deze laatste terugkeere1 vindt men kleppen ook op de plaats1 waar de slagader uit het hart te voorschijn treedt 7fig4 #bb74 ,bij de visschen vindt men een hart1 dat in alle hoofdzaken met het bovenbeschrevene overeenstemt1 waar echter de boezem vr en boven de kamer ligt 7fig4 #bb74 ,de bloedsomloop van de visschen echter wordt door het in fig4 #bb afgebeelde schema niet juist weergegeven4 ,bij zijne beweging door 't lichaam heeft het bloed een groot deel van zijne zuurstof verloren 7vgl4 bl4 #bf72 het moet dus1 als het in 't hart is teruggekeerd1 eerst weer nieuwe zuurstof opnemen1 vr het geschikt is1 den tocht door 't lichaam op nieuw te aanvaarden4 ,dit nu geschiedt bij de visschen op deze wijze1 dat het uit de kamer uittredende zuurstofarme bloed eerst door de kieuwen stroomt4 7,vgl fig4 #bc4 waar men in plaats van longslagader en longhaarvaten leze3 kieuwslagader en kieuwhaarvaten74 ,deze kieuwen bestaan uit een groot aantal kleine1 dunwandige huiduitstulpingen1 die in regelmatige reeksen aan bepaalde beenstukken van het kopskelet 7de kieuwbogen7 vastzitten4 ,het zuurstofarme bloed1 dat uit de hartkamer uittreedt en door verschillende slagadervertakkingen de kieuwplaatjes bereikt1 neemt1 terwijl het de haarvaten dezer kieuwplaatjes doorstroomt1 nieuwe zuurstof op uit het zuurstofhoudende water1 't welk zich voortdurend rondom de kieuwplaatjes beweegt4 ,er wordt voortdurend een stroom van versch water door den mond opgenomen1 en rechts en links door de kieuwspleten weer naar buiten gelaten4 ,zal een visch blijven leven1 dan is het noodig1 dat het water1 waarin deze zich ophoudt1 zuurstof bevat2 in uitgekookt 7zuurstofloos7 water sterft de visch4 ,het bloed is1 nadat het in de kieuwen nieuwe zuurstof heeft opgenomen1 opnieuw voor de voortbeweging door 't lichaam geschikt geworden2 uit de haarvaten der kieuwen stroomt het in grootere vaten1 welke zich telkens tot weer grootere vaten vereenigen1 totdat eindelijk een enkel vat ontstaat1 dat het nu weer zuurstofrijke bloed naar alle3 deelen van het lichaam voert4 ,bij de hier beschreven inrichting moet het hart het bloed door twee verschillende stelsels van haarvaten voortbewegen1 nl4 door dat van de kieuwen en door dat van het lichaam 7fig4 #bc74 ,dit gaat echter niet zoo gemakkelijk1 wijl het bloed in de fijne haarvaten veel weerstand ondervindt4 ,het bloed verliest dus in het eerste haarvatennet 7dat der kieuwen7 een goed deel van zijne snelheid2 de bloedstrooming door 't lichaam grijpt dus zeer langzaam plaats4 ,en aangezien het bloed de zuurstof bevat1 die de verschillende lichaamsdeelen noodig hebben1 wordt bij de visschen in een' bepaalden tijd slechts weinig zuurstof door de lichaamsdeelen heen gevoerd2 er grijpt dus in de verschillende lichaamsdeelen slechts weinig oxydatie plaats1 dus er wordt weinig warmte in het lichaam van een' visch ontwikkeld1 en deze is slechts tot geringe arbeidsproductie in staat4 ,eene snellere beweging van het bloed wordt bij de overige ,gewervelde dieren daardoor mogelijk gemaakt1 dat bij hen in de bloedbaan tusschen het haarvatennet in de ademhalingsorganen 7hier3 longen1 fig4 #be1 lo7 en dat in het lichaam 7li7 een tweede hart is geplaatst1 en wel een1 dat in alle opzichten aan het bovenbeschrevene in bouw gelijk is4 ,het eerste hart1 't welk met het vischhart te vergelijken is 7het gestreepte in fig4 #be71 neemt 7door ,ha7 het zuurstofarme bloed op1 't welk uit de verschillende deelen des lichaams terugkeert1 en perst het door de haarvaten der longen1 waar het weer rijk wordt aan zuurstof4 ,uit de longen begeeft zich nu het bloed naar de voorkamer van het tweede hart 7het wit gelatene72 van daar wordt het naar de kamer van datzelfde hart1 en van hier uit door eene slagader 7,ao7 naar de verschillende deelen des lichaams geperst2 en nadat het1 aldus zijne diensten gedaan heeft1 keert het in den boezem van het eerste hart 7,b7 terug4 ,zoo krijgt de bloedstroom1 die in de haarvaten der longen zijne snelheid voor een goed deel had verloren1 door de samentrekking van de wanden der kamer van het tweede hart1 nieuwe snelheid terug4 ,eene snellere bloedstrooming heeft snellere oxydatie in 't lichaam tengevolge1 dus meer warmteontwikkeling en meer arbeidsproductie4 ,de beide harten werken ieder voor zich2 maar zij liggen naast elkander1 en wel de beide boezems tegen elkaar en de beide kamers tegen elkaar4 ,ook zijn de wanden der beide boezems en die der beide kamers aan elkander vastgegroeid4 ,men spreekt daarom niet van twee harten1 maar van n hart1 dat uit twee helften bestaat2 dit is ook juister4 ,de rechter harthelft 7fig4 #be1 ,b4,k7 is die1 welke het zuurstofarme bloed1 dat uit het lichaam is teruggekeerd1 opneemt en het naar de longen perst2 de linker harthelft 7,b',k'7 ontvangt het uit de longen terugstroomende1 zuurstofrijk geworden bloed en perst het door 't lichaam4 ,uit het bovenstaande zal duidelijk zijn1 waarom men het hart van een' visch moet vergelijken met de rechter harthelft van den mensch4 ,bij de zoogenoemde kruipende dieren 7slangen1 hagedissen7 zijn de beide harthelften niet volkomen van elkander gescheiden2 want in den wand tusschen de linker en de rechter kamer bevindt zich eene opening4 ,daardoor vermengt zich het zuurstofarme bloed der rechter harthelft met het zuurstofrijke bloed der linker harthelft2 en deze vermenging grijpt in des te sterker mate plaats1 naarmate de opening in den wand tusschen de beide kamers grooter is4 ,bij de kruipende dieren stroomt er dus bloed naar de longen1 dat nog betrekkelijk veel zuurstof bevat2 en door het lichaam stroomt bloed1 dat op verrena niet zoo rijk is aan zuurstof als het bloed1 't welk bij de zoogdieren door het lichaam gaat4 ,dientengevolge is #ao4 de ademhaling minder krachtig bij de kruipende dieren dan bij de zoogdieren1 #bo4 de oxydatie in de verschillende deelen des lichaams bij de eerstgenoemden zwakker dan bij de laatsgenoemden1 en dus zijn ook de warmteontwikkeling en de arbeidsproduktie er minder sterk4 ,bij de amphibin 7kikvorschen1 salamanders7 is de opening in den wand tusschen de beide hartkamers bijzonder groot2 soms zijn van dien wand nog slechts kleine overschotten aanwezig1 soms zelfs ontbreekt hij geheel4 ,in nog sterkere mate dan bij de kruipende dieren moet dus bij de amphibin vermenging van zuurstofrijk en zuurstofarm bloed plaatsgrijpen4 ,men is gewoon1 de ,gewervelde dieren te verdeelen in warmbloedige en koudbloedige4 ,onder warmbloedige dieren verstaat men dezulke1 bij welke de lichaamstemperatuur standvastig 7constant7 is1 d4 i4 altijd ongeveer dezelfde blijft4 ,deze standvastige lichaamstemperatuur is bij de eene diersoort iets hooger dan bij de andere1 bijv4 bij de koe ongeveer #ch ,c41 bij den mensch #cg1e4 ,of nu de temperatuur der omgeving rijst of daalt1 dat heeft geen merkbaren invloed op de lichaamstemperatuur van het dier4--,onder koudbloedige dieren verstaat men dieren1 welker lichaamstemperatuur in gewone omstandigheden gelijk is aan die van de omgeving4 ,de zoogdieren en vogels zijn warmbloedig1 de kruipende dieren1 amphibin en visschen zijn koudbloedige ,gewervelde dieren4 ,alle dieren1 welke niet tot de hoofdafdeeling der ,gewervelden behooren1 zijn koudbloedig4 ,reeds boven werd erop gewezen1 dat de bron 7althans de hoofdbron7 der dierlijke warmte gelegen is in de oxydatie1 welke in alle doelen des lichaams plaatsgrijpt4 ,tegenover deze bron van warmte staan echter oorzaken van warmteverlies3 #ao geleiding en uitstraling1 waarbij de warmte zich aan andere lichamen meedeelt en deze in temperatuur doet stijgen1 #bo verdamping1 waarbij de warmte wordt gebruikt om water in waterdamp te veranderen4 ,dit laatste geschiedt in de longen en aan de oppervlakte van de huid4 ,wij ademen waterdamp uit en zonderen zweet af1 dat verdampt4 ,hoe hooger nu de temperatuur van de omgeving wordt1 des te meer zweet wordt er gevormd1 des te meer water wordt er aan de huidoppervlakte in waterdamp veranderd1 des te meer warmteverlies grijpt er plaats4 ,vandaar dat het stijgen van de temperatuur der omgeving geen' hoogeren warmtegraad van het lichaam eens zoogdiers of vogels teweeg brengt4 ,bij de kruipende dieren en amphibin is de warmteontwikkeling in 't lichaam geringer dan bij de zoogdieren en vogels ten gevolge van de vermenging van zuurstofarm en zuurstofrijk bloed 7vgl4 bl4 #dj72 bij de visschen is zij geringer ten gevolge van de langzamere strooming van het bloed 7bl4 #ch74 ,bij allen is de warmteontwikkeling z gering1 dat het warmteverlies 7door geleiding1 uitstraling en verdamping7 er gewoonlijk tegen opweegt4 ,vandaar dat de lichaamstemperatuur van de koudbloedigen gewoonlijk niet hooger is dan die van de omgeving4 ,maar neemt men de oorzaken van warmteverlies weg1 dan stijgt de lichaamstemperatuur4 ,zoo bijv4 wanneer men eene menigte levende visschen bij elkaar in een' zak pakt4 ,zoo zijn er enkele slangen1 die haar lichaam rondom hare eieren tot een kluwen innrollen1 en aldus door verkleining van het warmteuitstralingsoppervlak eene temperatuur voortbrengen1 hoog genoeg om deze eieren uit te broeden4 7,n4,b4 hooge temperatuur in bijenkorven47 ,er zijn warmbloedige dieren1 die onder den invloed van eene zeer koude omgeving1 tot den rang van koudbloedigen afdalen4 ,dit zijn de zoogenaamde winterslapers1 zooals vleermuizen1 egel1 marmot4 ,deze hebben dan eene lichaamstemperatuur1 gelijk aan die der omgeving2 zij zijn gedurende den winterslaap zeer weinig gevoelig en hebben dan eene uiterst trage stofwisseling4 ,stijgt de temperatuur van de omgeving tot boven een bepaald minimum1 dan leeft de winterslaper weer op1 en zijne lichaamstemperatuur stijgt in weinig tijds van enkele graden boven #j tot #ce-ch ,c4 ,wij verdeelen de ,hoofdafdeeling der ,gewervelde ,dieren in vijf klassen4 ,warmbloedig zijn3 ,klasse ,i ,zoogdieren1 ,klasse ,,ii ,vogels2 koudbloedig3 ,klasse ,,iii ,kruipende dieren1 ,klasse ,,iv ,amphibin1 ,klasse ,v ,visschen4 ,,klasse ,i4 ,,zoogdieren4 ,zoogdieren zijn warmbloedige gewervelde dieren1 die gewoonlijk met haren bekleed zijn en levende jongen ter wereld brengen1 welke zij na de geboorte een' tijd lang zoogen1 tot welk doel de wijfjes aan den buik1 aan de borst of aan deze beide lichaamsdeelen melkklieren hebben1 die melk afzonderen4 ,wanneer hier de hoofdpunten uit den lichaamsbouw der ,zoogdieren nader ter sprake komen1 dan kan voor vele zaken worden verwezen naar hetgeen in ,hoofdstuk ,i 7bl4 #a-bi7 over den bouw van het dierlijke lichaam is meegedeeld2 want daar was vooral op het lichaam van den mensch en de verdere ,zoogdieren het oog gevestigd4 ,bepaaldelijk wat den bouw van het skelet betreft1 zij naar bl4 #e verwezen4 ,slechts op enkele punten wil ik hier wijzen4 ,de schedel is bij alle ,zoogdieren naar evenredigheid veel kleiner dan bij den mensch2 de aangezichtsbeenderen1 met name de kaakbeenderen1 echter zijn veel grooter4 7,vgl4 fig4 #e met fig4 #cc74 ,het aantal halswervels bedraagt bij de ,zoogdieren zeven2 van de andere soorten van wervels vindt men bij de onderscheiden ,zoogdieren een verschillend getal4 ,het aantal teenen 7vingers7 bedraagt aan elken poot hoogstens #e2 het is echter bij vele ,zoogdieren geringer4 ,zoo ontbreekt de duim aan den achterpoot van den hond en aan alle pooten van het varken2 terwijl bij het neushoorndier drie1 bij rund en schaap 7fig4 #bh7 slechts twee teenen aan elken poot tot volledige ontwikkeling zijn gekomen1 en het paard 7fig4 #cj7 aan ieder been slechts ne teen heeft4 ,behalve de tot normale ontwikkeling gekomen teenen komen bij sommige ,zoogdieren nog zeer kleine teenen voor1 die den grond niet raken2 zoo hebben de herten achter de twee flink ontwikkelde nog twee kleine 7rudimentaire7 teenen4 ,ook bij 't varken 7fig4 #bi7 zijn de twee voorste 7middelste7 teenen grooter dan de twee achterste 7buitenste74 ,het aantal middelvoets-7middelhands7-beenderen is in 't algemeen gelijk aan het aantal teenen3 aan ieder middelhandsbeen is n teen bevestigd4 ,toch zijn op dezen regel uitzonderingen3 het paard heeft n stevig middelvoetsbeen 7pijp71 waaraan een teen vast zit1 en daarachter twee dunne middelvoetsbeenderen 7griffelbeentjes1 fig4 #cj71 welke geene teenen dragen4--,bij het rund1 het schaap en de geit zijn aan elken poot twee teenen1 die natuurlijk ieder aan een middelvoetsbeen verbonden zijn2 maar de beide middelvoetsbeenderen van denzelfden poot zijn aan elkander vastgegroeid 7fig4 #bh74--,wat betreft de wijze1 waarop de verschillende ,zoogdieren hunne voeten op den grond neerzetten1 kan ik verwijzen naar bl4 #ab4 ,de tanden zijn bij de ,zoogdieren in de kaakbeenderen ingeplant1 en wel in bepaalde uithollingen1 welke men tandkassen noemt4 ,den bouw van eenen zoogdiertand kan men uit fig4 #ca leeren kennen4 ,men onderscheidt aan zoo'n tand in de eerste plaats de zoogenoemde tandholte 7p71 welke echter bij het levende dier opgevuld is met eene massa1 die bloedvaten en zenuwen bevat4 ,deze holte wordt door het tandbeen 7d7 omgeven1 eene harde stof1 waaruit het grootste gedeelte van den tand bestaat4 ,het nog hardere email of glazuur 7e7 bedekt bij den mensch en bij vele andere ,zoogdieren de geheele tandkroon1 d4 i4 dat gedeelte van den tand1 hetwelk uit het tandvleesch te voorschijn komt4 ,de tandwortel1 d4 i4 het gedeelte van den tand1 dat in het kaakbeen is ingeplant1 is met het zoogenoemde cement 7c7 aan den wand der tandkas vastgehecht4 ,sommige tanden hebben n' wortel1 andere hebben er meer4 ,alle tanden1 van welke de kroon over hare gansche oppervlakte met glazuur bedekt is1 noemt men bedekte tanden2 er zijn echter ,zoogdieren1 bij welke sommige der tanden 7vooral de kiezen7 aan hunne kroonvlakte voor een groot deel uit tandbeen bestaan1 en waar slechts op bepaalde plaatsen 7in den vorm van plooien7 glazuur over de oppervlakte verbreid is4 ,zulke geplooide kiezen vindt men alleen bij de plantenetende ,zoogdieren2 maar daarover nader 7fig4 #cb74 ,men onderscheidt naar den vorm en naar de plaats1 waar zij in de kaken gezeten zijn1 bij hetzelfde ,zoogdier drie soorten van tanden1 nl4 de snijtanden1 de hoektanden en de maaltanden of kiezen4 ,de snijtanden dienen in 't algemeen om het voedsel af te bijten2 zij hebben eene scherpe kroonvlakte4 ,de snijtanden der bovenkaak zijn in het tusschenkaaksbeen 7fig4 #cc1 #cf7 ingeplant2 die der onderkaak staan daar tegenover in het onderkaaksbeen4 ,de hoektanden 7fig4 #cf1 h7 zijn aan hunne kroonvlakte puntig2 zij zijn dan ook vooral groot bij dieren1 die zich met andere dieren voeden1 en dienen om der prooi stukken vleesch uit het lichaam te scheuren4 ,groote hoektanden vindt men bijv4 bij leeuw1 kat1 wezel2 terwijl de planteneters kleine of in 't geheel geene hoektanden hebben 7fig4 #cc3 paard2 rund2 konijn74 ,de hoektanden der bovenkaak zitten in het bovenkaaksbeen1 dr waar dit aan het tusschenkaaksbeen grenst4--,op de hoektanden volgen de kiezen1 die dienen om de spijzen zoodanig in fijnere stukken te verdeelen1 dat de verteringsvochten er gemakkelijk op kunnen inwerken4 7,vgl4 bl4 #bd74 ,bij de vleescheters is het voldoende dat de opgenomen spijs in stukjes wordt geknipt2 bij de planteneters echter zou op deze wijze de spijsvertering niet genoeg worden voorbereid4 ,de plantaardige spijs toch kan 7om redenen1 welke later zullen worden uitngezet7 alleen dn goed worden verteerd1 als zij geheel fijngemalen is4 ,de planteneters bewegen hunne onderkaak niet op en neer1 maar van de rechterzijde naar de linker en omgekeerd4 ,zoo worden dus bij 't kauwen de platte kroonvlakten der geplooide kiezen van de onderkaak over die van de bovenkaak gewreven1 terwijl tusschen deze kroonvlakten zich de spijzen bevinden4 ,daar het glazuur harder is dan het tandbeen1 slijt het laatste meer af1 en de kroonvlakten der kiezen vertoonen aldus bij de planteneters al spoedig hooger uitstekende lijsten van glazuur2 daardoor worden de kiezen voor het fijnmalen van spijzen steeds geschikter4 7,denkt aan molensteenen67 ,de snijtanden en hoektanden1 welke de jonge dieren bij de geboorte hebben of korteren of langeren tijd daarna krijgen1 worden na verloop van zekeren tijd door andere tanden vervangen4 ,men drukt dit uit door te zeggen3 de snijtanden en hoektanden wisselen4 ,die1 welke 't eerst verschijnen1 heeten melktanden2 de later komende noemt men blijvende tanden4 ,van de kiezen wisselen degene1 welke 't naast aan de hoektanden grenzen2 de verder verwijderde wisselen niet4 ,de eerst bedoelde noemt men valsche1 de laatstbedoelde ware kiezen 7fig4 #cf74 ,het aantal tanden van verschillende soort is bij de onderscheiden zoogdiersoorten op verre na niet gelijk4 ,men drukt dit aantal uit door eene zoogenoemde tandformule1 waarin men doorgaans slechts de helft van het aantal tanden opschrijft1 beginnende met de middenste snijtanden4 ,men trekt eene streep en schrijft boven deze het halve getal tanden in de bovenkaak1 er onder het halve getal tanden in de onderkaak4 #b #a #e ,tandformule van den mensch --------- #b #a #e #j #j #f het rund --------- #d #j #f #c 7#a7 #f het paard --------- #c 7#a7 #f #c #a #f den hond --------- #c #a #g ,door de bovenstaande tandformule van het rund wordt uitgedrukt1 dat dit dier in de bovenkaak geene1 in de onderkaak #h snijtanden heeft1 in boven- noch benedenkaak hoektanden bezit1 en aan elken kant in iedere kaak #f kiezen4 ,door het tusschen haakjes plaatsen der hoektanden van het paard 7zie boven7 wordt aangeduid1 dat deze kunnen voorkomen 7bij den hengst is dit het geval71 maar dat zij ook kunnen ontbreken4 ,bij de meeste ,zoogdieren hebben de tanden een' beperkten groei1 d4 i4 zij zijn op een' bepaalden tijd volgroeid en blijven dan zooals ze waren1 tot zij uitvallen4 ,bij sommige diersoorten echter komen tanden voor1 die geregeld doorgaan met groeien2 zoo is het gesteld met de snijtanden van konijnen1 ratten en paarden1 ook met de zoogenoemde slagtanden van olifanten en walrussen1 en met de hoektanden der varkens4 ,in vele gevallen 7konijnen1 ratten1 paarden7 echter is de slijtage aan de kroonvlakte zoo groot1 dat niettegenstaande hunnen voortdurenden groei1 de tanden niet grooter worden4 ,waar geen slijtage van de tanden tegen elkander is 7walrus1 olifant1 varken71 daar nemen deze steeds in lengte toe4-- ,men onderscheidt de klasse der ,zoogdieren in de volgende orden1 welke hier echter niet alle nader worden behandeld3 #a4 ,menschen1 #b4 ,apen1 #c4 ,roofdieren1 #d4 ,insekteneters1 #e4 ,vleermuizen1 #f4 ,knaagdieren1 #g4 ,eenhoevigen1 #h4 ,dikhuidigen of ,veelhoevigen1 #i4 ,herkauwers of ,tweehoevigen1 #aj4 ,walvisschen1 #aa4 ,tandelooze dieren1 #ab4 ,buideldieren1 #ac4 ,vogelbekdieren4 ,orde #a1 #b1 #aj1 #aa1 #ab en #ac blijven hier buiten bespreking4 ,orde ,roofdieren4 ,in iedere kaak bevinden zich zes betrekkelijk kleine snijtanden1 en aan iederen kant van deze een groote1 scherpe hoektand 7fig4 #cd1 #cf74 ,de valsche kiezen 7bl4 #dg7 en de eerste der ware kiezen 7de zoogenoemde scheurkies7 zijn in sterke mate zijdelings samengedrukt1 zoodat hare kroonvlakte scherp is 7fig4 #ch72 ook zijn zij aan hare geheele oppervlakte met glazuur overdekt4 ,daar nu de onderkaak smaller is dan de bovenkaak en zich uitsluitend op en neer kan bewegen1 niet heen en weer1 zoo snijden de scherpe randen der kronen van de valsche kiezen en met name der scheurkiezen van de onderkaak langs die van de daartegenover staande kiezen der bovenkaak2 en alles wat daartusschen komt1 wordt als met eene schaar stukgeknipt4 ,achter de scheurkies staan gewoonlijk nog eene of twee andere ware kiezen1 welker kroonvlakte echter niet scherp1 maar hobbelig is1 ongeveer als die van de kiezen van den mensch 7fig4 #ch1 knk72 zij dienen dan ook niet om de spijzen stuk te knippen1 maar meer om ze te vermorzelen4 ,bij die roofdieren1 welke voor 't verslinden van dieren het meest volkomen zijn ingericht 7kat1 leeuw71 is het aantal knobbelkiezen gering of ontbreken deze zoo goed als geheel2 daardoor komen de scheurkiezen1 welke vooral voor 't stuk knippen der prooi moeten dienen1 dichter bij 't geledingsgewricht der beide kaken te staan1 zoodat die van de bovenkaak met des te meer kracht langs die van de onderkaak knippen4 ,korte kaken zijn dus een kenmerk van de 't best voor roof ingerichte roofdieren4 ,natuurlijk zijn ook de wangspieren1 die de onderkaak bewegen1 bij de dieren dezer orde zeer stevig1 en is het dier des te beter voor roof geschikt1 naarmate zij meer ontwikkeld zijn4 ,een korte1 ronde kop is dus kenmerkend voor een deugdelijk roofdier4 ,de klauwen zijn vooral bij sommige familin bijzonder scherp4 ,de roofdieren zijn stevig gebouwd1 bewegen zich snel1 ruiken en zien scherp4 ,men kan de roofdieren in twee onderorden verdeelen3 #ao4 die der landroofdieren1 #bo4 die der zeeroofdieren4 ,tot de laatsten1 welke ik hier niet nader behandel1 behooren de robben en walrussen4 ,tot de eersten o4 a4 de familin der katachtigen1 der hondachtigen1 der marterachtigen1 der beren4 ,familie der katachtigen4 ,flink gebouwde roofdieren1 met groote hoektanden en scheurkiezen1 met twee valsche kiezen in iedere helft van iedere kaak 7fig4 #cd71 terwijl in de bovenkaak een zeer kleine1 in de onderkaak in 't geheel geen knobbelkies aanwezig is4 ,tong als een rasp1 met horenachtige uitsteekseltjes bezet4 ,de katachtigen zijn teengangers1 d4 i4 zij gaan alleen op de teenen 7bl4 #ab74 ,op de volgende wijze bewaren zij hunne scherpe klauwen voor afslijting4 ,het laatste kootje1 waarop de klauw bevestigd is 7fig4 #ci1 #c71 is in den rusttoestand opgelicht1 en wordt in dezen stand gehouden door een' elastischen band1 die naar het tweede vingerkootje 7#b7 loopt4 ,wil de kat hare klauwen gebruiken1 dan trekt zich eene stevige buigspier samen1 waardoor de klauw neerwaarts wordt gebogen1 zoodat zij eerst nu van onder de vacht te voorschijn komt4--,de katachtigen hebben eene zeer buigzame1 bewegelijke ruggegraat1 die hun bij 't klimmen en bij 't springen van hooge voorwerpen af te stade komt4 ,het zijn bloeddorstige dieren1 die vooral bij nacht op roof uitgaan4 ,zij hebben oogen1 die in 't schemerdonker schitteren1 en eene spleetvormige pupil4 ,tot de katachtigen behooren vele groote buitenlandsche soorten1 zooals leeuwen1 tijgers en panthers2 ook de huiskat1 die niet afstamt van de in de ,midden-,europeesche wouden levende wilde kat1 maar van de in ,nubi en ,soedan levende ,nubische kat4 ,de kat is op verre na niet zoo lang huisdier als de hond2 dit ligt trouwens in den aard der zaak3 zoowel de jagersvolken als de nomadische herdersvolken hielden reeds in vrhistorische tijden honden1 zonder welke zij hun bedrijf niet zouden kunnen hebben uitgeoefend2 katten konden eerst als huisdier worden gehouden toen er landbouwende volken waren1 die vaste woonplaatsen hadden betrokken4 ,de oude ,egyptenaren hielden katten als huisdieren2 maar in ,noord- en ,midden-,europa werd de kat eerst in de tiende eeuw of later ingevoerd4 ,familie der hondachtigen4 ,kop langer dan bij de katachtigen 7fig4 #cf74 ,hoektanden en scheurkiezen minder groot2 in iedere kaak twee knobbelkiezen 7fig4 #ch74 ,een gladde tong4 ,de hondachtigen zijn teengangers 7bl4 #ea72 de klauwen kunnen niet worden opgelicht en zijn veel minder scherp dan die der katachtigen4 ,tot de hondachtigen behooren o4 a4 de hond1 de wolf 7die sedert ongeveer eene eeuw in ons land geheel is uitgeroeid7 en de vos4 ,de verschillende rassen van honden hebben1 evenals de wolven1 eene ronde pupil1 de vossen eene spleetvormige2 ook zijn de laatstgenoemden lager op de pooten en hebben zij een' langeren1 zwaarder behaarden staart4 ,men onderscheidt zeer verschillende rassen van honden1 die men hoofdzakelijk tot de volgende groepen kan brengen3 #ao4 huishonden 7herdershond1 keeshond71 #bo4 zijdehonden 7zijdehond1 ,bologneserhondje1 ,newfoundlander1 ,st4 ,bernhardshond71 #co4 taksen of dashonden1 #do4 jachthonden 7staande honden1 parforcehonden71 #eo4 bullebijters 7mops1 bulhond1 doggen71 #fo4 windhonden4 ,men kan den stamvorm niet aanwijzen1 waarvan onze honden zijn afgestamd2 hoogstwaarschijnlijk zijn niet alle groepen van honden van dezelfde soort afkomstig4 ,de vos is met den staart #h d,m4 tot #a ,m4 lang1 rossig van kleur4 ,in ,drente1 ,gelderland en ,noord-,brabant komt hij bij ons 't meest voor1 in ,holland en ,zeeland ontbreekt hij4 ,hij nestelt in onderaardsche holen1 alleen op zandbodem1 maar trekt van daar dikwijls een tijd lang naar kleistreken1 nl4 wanneer de veldmuizen zich daar sterk hebben vermeerderd4 ,als muizenverdelger en als verdelger van meikevers en engerlingen is hij nuttig2 maar door het rooven van kippen en eenden doet hij nadeel4 ,voor de jacht is hij natuurlijk schadelijk4 ,familie der marterachtigen4 ,lichaam slank1 in de lengte gerekt1 met korte pooten4 ,kop klein en plat2 schedel vrij lang1 maar kaken kort4 ,tong glad4 ,klauwen scherp4 ,de dieren dezer familie zetten nu de geheele voetzool1 dan alleen de teenen op den grond4 ,hun slank1 buigzaam lichaam en de korte pooten maken hen geschikt om in allerlei holen en gaten te kruipen en daar muizen1 konijnen1 enz4 te vervolgen4 ,de meeste marterachtigen stinken1 daar zij uit klieren1 die aan 't achtereinde van het lichaam gelegen zijn1 eene stinkende stof afscheiden4 ,van vele marterachtigen heeft de wintervacht veel waarde als bont4 ,tot de marterachtigen behooren vooreerst de in bosschen levende boommarter en de in schuren nestelende steenmarter of het fluwijn4 ,de laatste vernielt heel wat pluimgedierte4--,meer komen hier voor de bunsing1 de groote wezel of het hermelijn en de kleine wezel4 ,de bunsing 7ulk1 mud1 meert71 om zijn' stank bijzonder bekend1 doet nut als muizenverdelger1 maar rooft veel kippen4 ,de groote wezel 7bruin in den zomer1 wit in den winter7 onderscheidt zich van den kleinen wezel door eene zwarte punt aan het uiteinde van den staart4 ,vooral de kleine wezel doodt veel veldmuizen2 de groote wezel vernielt meer konijnen4 ,beiden dooden kippen en eenden2 verder rooven zij ook eieren4 ,voor de jacht zijn zij schadelijk door het dooden van hazen1 patrijzen en ander wild2 voor den landbouwer doen zij veel meer nut dan schade4 ,marters en wezels bijten gewoonlijk hunne prooi de halsslagader door en zuigen het aangevallen dier het bloed af1 tot het uitgeput neervalt4 ,daarna grijpen zij1 als zij er kans toe zien1 een ander dier aan1 dat zij op gelijke wijze dooden1 enz4 ,op deze wijze maken zij veel meer slachtoffers dan zij zouden doen1 als zij de door hen gedoode dieren ook opaten4 ,aan zijne bloeddorst en moordlust is het toe te schrijven1 dat een enkel wezeltje op nen dag wel dertig veldmuizen dooden kan2 maar door dezelfde eigenschappen komt het dat een marter1 bunsing1 hermelijn of wezel1 die in een kippenhok komt1 dit--als hij niet gestoord wordt--geheel leeg moordt4 ,de otter en de das verschillen in onderscheiden opzichten van de andere marterachtigen4 ,de otter heeft zwemvliesjes tusschen de teenen1 houdt zich in waterrijke streken op en leeft voornamelijk van visch4--,de plompe1 dikke das komt slechts hier en daar in ons land op zandgrond voor4 ,orde ,insekteneters4 ,daar zij zich met kleine dieren 7insekten1 wormen1 slakken7 voeden1 zijn de insekteneters in 't algemeen klein van stuk4 ,die soorten1 welke ook wel van grootere dieren zich voeden 7de egel1 die muizen eet7 zijn iets grooter4 ,de vertegenwoordigers van deze orde leven allen op of in den grond4 ,de neus is tot een' snuit verlengd 7fig4 #dd71 en dient als tastwerktuig1 vooral bij die soorten1 welke in den grond leven en bij welke de oogen zeer weinig ontwikkeld zijn 7mol1 spitsmuizen74 ,alle tanden zijn geheel met glazuur overdekt2 de kroon heeft eene of meer spitse punten4 ,als de mond gesloten is1 grijpen de punten van de tanden der bovenkaak in de ruimten tusschen die der onderkaak en omgekeerd4 ,bijt het dier zijne prooi1 dan dringen de punten der kiezen van beide kaken in het lichaam van het insekt1 dat het heeft aangegrepen4 7,het gebit van de dieren dezer orde is gelijk aan dat der vleermuizen3 fig4 #di74--;,de ooren zijn bij de in den grond levende insekteneters zeer klein4 ,de dieren dezer orde gaan op de geheele voetzool 7bl4 #ab74 ,inlandsche vertegenwoordigers zijn3 spitsmuizen1 mol1 egel4 ,spitsmuizen of molmuizen 7fig4 #dd7 zijn kleine1 op muizen gelijkende diertjes1 die zich echter door haren spitsen snuit dadelijk van ware muizen onderscheiden4 ,zij leven in de gangen1 welke veldmuizen en andere dieren in den grond graven en eten vele schadelijke insekten1 welke in den grond leven4 ,de mol 7fig4 #de7 heeft een dik1 rolrond lichaam met korte pooten4 ,de voorpooten zijn breed1 spadevormig1 en dienen om gangen door den grond te graven4 ,de oogen zijn klein1 tusschen de beharing van den kop nauwelijks zichtbaar4 ,de pels is zacht1 schitterend zwart4 ,de mol gaat in den morgen1 op den middag en in den avond uit om de insekten en regenwormen te eten1 die hij in den grond wel niet kan zien1 maar van welker aanwezigheid hem het uitstekend tastgevoel overtuigt1 't welk in zijnen snuit zetelt4 ,door zijn woelen wordt hij voor sommige gewassen schadelijk2 maar in 't algemeen kan men zeggen1 dat hij meer nut doet dan nadeel4 ,het nest van den mol bevindt zich onder den een' of anderen grooten molshoop4 ,het bestaat 7zie fig4 #df7 vooreerst uit eene enge woonkamer1 waar hij al den tijd1 dien hij niet met jagen doorbrengt1 ligt te slapen4 ,rondom de woonkamer vindt men een' doolhof van gangen 7f1 g1 h71 die de vijanden1 welke den mol in den grond mochten achtervolgen 7wezels1 andere mollen7 op een' dwaalspoor brengen4 ,van het eigenlijke nest 7c7 loopt een gang 7b7 naar den tunnel 7a71 een' langeren of korteren gang1 die naar het soms op tamelijk grooten afstand gelegen jachtveld leidt4 ,de wanden van het nest en van de hier vermelde gangen zijn zeer hard2 maar de verdere gangen1 die de mol graaft1 om zijne prooi te vangen1 storten spoedig weer in4 ,in den zomer1 wanneer de insekten zich dicht bij de oppervlakte bevinden1 graaft het dier ook dicht bij de bodemoppervlakte1 en doet aldus molleritten ontstaan4 ,in den winter1 als de insekten en regenwormen in de diepte van den bodem verscholen zijn1 graaft de mol insgelijks dieper4 ,soms brengt hij in zijn nest een groot aantal regenwormen als wintervoorraad bijeen1 welke hij van de voorste lichaamsleden berooft4 ,daardoor kunnen de wormen het mollenest niet verlaten2 want de voorste leden des lichaams hebben zij bepaald noodig om zich door den grond heen voort te werken1 dus om te ontvluchten4 ,de egel 7fig4 #dg7 is veel grooter dan de mol en de spitsmuizen2 hij is aan de rugzijde met stekels bezet4 ,als hij zich tot een' bal innrolt1 waarbij kop en pooten worden ingetrokken1 is hij tegen den aanval van bijkans alle dieren beschermd4 ,tegen den avond gaat hij op de muizenjacht uit2 over dag houdt hij zich schuil4 ,hij heeft een' winterslaap4 ,door het dooden van insekten en vooral van veldmuizen is de egel nuttig2 enkele malen echter valt hij de kuikens in een kippenhok aan en wordt aldus schadelijk4 ,orde ,vleermuizen4 ,met uitzondering van enkele tropische soorten1 die vruchten eten1 leven alle vleermuizen van insekten1 die zij in de vlucht vangen4 ,haar gebit verschilt dan ook niet van dat der ,insekteneters2 maar daar zij niet in den grond leven1 hebben zij geen' snuit4 ,het 't meest in het oog vallende kenmerk is de eigenaardige bewegingstoestel4 ,de beenderen van den benedenarm1 de middelhandsbeenderen en de vingers 7met uitzondering van den duim7 zijn bijzonder lang2 en tusschen de lange vingers1 tusschen de voorste en de achterste ledematen1 ook tusschen de beide achterste ledematen zelve1 bevindt zich eene veerkrachtige1 voor vliegen en voor voelen geschikte huid4 ,daar de vleermuizen nachtdieren zijn1 is het gezichtsvermogen weinig ontwikkeld2 zij verlaten zich op haar tastgevoel1 't welk1 behalve in het vliegvlies1 ook in de groote oorschelpen zetelt4 ,sommige soorten hebben huidaanhangselen aan den neus en de lippen1 die insgelijks zeer gevoelig zijn4 ,de vleermuizen slapen bij dag2 zij houden zich dan in holle boomen1 in schoorsteenen1 in leegstaande gebouwen1 enz4 op4 ,op dergelijke plaatsen brengen zij ook den tijd van hunnen winterslaap door4 ,bij nacht of in de schemeringuren vangen zij vele vliegen1 nachtvlinders en andere insekten1 zoodat men ze gerust nuttige dieren mag noemen4 ,orde ,knaagdieren4 ,in de beide kaken twee lange snijtanden1 die aan hun worteleinde steeds doorgroeien1 terwijl zij aan de kroonvlakte voortdurend afslijten4 ,deze snijtanden dienen om te knagen1 waarbij de onderkaak snel vooruit en achteruit wordt bewogen4 ,bij 't knagen slijten de snijtanden aan den achterkant meer af dan aan den vrkant1 omdat deze laatste met eene dikke laag glazuur bedekt is4 ,de kroonvlakte der snijtanden krijgt aldus een beitelvormig voorkomen4 ,dat de groei dezer snijtanden onbeperkt is1 valt duidelijk in 't oog1 wanneer door de eene of andere omstandigheid de gewone afslijting niet kan plaatsgrijpen1 bijv4 wanneer de onderkaak eenigszins scheef onder de bovenkaak staat4 ,dan groeien de niet afslijtende snijtanden steeds door en vormen zoogenoemde olifantstanden 7,zie fig4 #ea74 ,de knaagdieren hebben geene hoektanden4 ,de kiezen zijn bij de zuivere planteneters 7hazen1 konijnen7 geplooid 7bl4 #de1 #df72 bij die1 welke nevens plantaardig ook dierlijk voedsel gebruiken 7ratten1 muizen1 eekhorens71 aan de kroonvlakte geheel met glazuur overdekt4 ,bij de meeste knaagdieren zijn de achterpooten langer dan de voorpooten1 zoodat de gang meer of min huppelend is4 ,de dieren dezer orde hebben voor 't meerendeel een sterk voortplantingsvermogen2 het behoeft dus geene verwondering te verwekken1 dat sommige soorten zeer schadelijk kunnen zijn4 ,tot de knaagdieren behooren de volgende inlandsche familin3 haasachtigen1 muisachtigen1 woelmuisachtigen1 eekhorens4 ,familie der haasachtigen4 ,schedel lang4 ,twee kleine snijtanden achter de beide groote van de bovenkaak4--,geplooide kiezen4--,ooren lang1 lepelvormig4--,bovenlip gespleten4--,snorharen4--,twee inlandsche soorten3 haas 7fig4 #da7 en konijn4 ,de haas is grooter dan het 7wilde7 konijn4 ,de vacht is roestkleurig grijs2 de ondervacht wit4 ,ooren langer dan de kop4--,de haas komt in alle streken van ons land voor3 op zand1 veen en klei4 ,het wijfje werpt hare jongen1 die reeds bij de geboorte behaard zijn en de oogen open hebben1 in een open leger4--,de haas eet zelden veel voedsel 7kool1 koolzaadplanten1 knollen1 klaver1 lupinen1 jonge graanplanten7 op dezelfde plek van een' akker2 doordat hij nu hier1 dan daar een plantje wegvreet1 valt de door hem teweeggebrachte schade minder in 't oog dan die van 't konijn4 ,het wilde konijn4 ,vacht geelachtig grijs2 ondervacht loodkleurig grijs4 ,ooren iets korter dan de kop4 ,minder lange achterpooten dan de haas4--,het wijfje werpt hare jongen1 die bij de geboorte kaal en blind zijn1 in een nest1 dat zij in den grond graaft4--,het konijn komt slechts op zandgrond voor1 daar de andere bodemsoorten voor 't graven van de konijnenholen te vast zijn2 maar zeer losse zandgrond deugt daarvoor ook al weer niet4 't ,konijn is dus zeer plaatselijk in zijn voorkomen4 7,vooral in de duinen674--,de schade valt meer in 't oog dan die van den haas1 omdat het konijn meer op ne en dezelfde plaats blijft eten4 ,maar ook door woelen wordt dit dier zeer schadelijk1 daar het de planten uit den grond werpt en oorzaak wordt van zandstuivingen4 ,vooral in den winter1 wanneer het gewone voeder van kruidachtigen aard 7koolzaad1 boerenkool1 wintergranen1 enz47 onder de sneeuw bedekt is1 knagen het konijn en de haas beiden aan de schors van boomstammen1 waardoor vooral jonge boompjes soms gedood worden4--,de tamme konijnen1 hoe verschillend ook de onderscheiden rassen zijn1 stammen allen van het wilde konijn af4 ,familie der muisachtigen4 ,de muisachtigen gelijken zeer veel op de woelmuisachtigen 7volgende familie72 maar zij hebben in 't algemeen een' slankeren lichaamsbouw1 langere pooten1 een' meer spitsen kop1 een' langeren staart 7met uitzondering van den hamster1 die een' zeer korten staart heeft74--,de achterpooten zijn merkelijk langer dan de voorpooten2 van daar de meer huppelende beweging 7fig4 #eb74 ,in ons land komen voor3 de zwarte rat1 de bruine rat en de huismuis1 die in huizen en schuren alle mogelijke eetbare zaken wegrooven1--de dwergmuis1 die in graanhalmen1 vlasplanten1 rietstengels1 kreupelhout1 enz4 haar bolvormig nestje bouwt1 maar weinig schadelijk wordt1--ten slotte de boschmuis4 ,deze is geelgrijs op den rug1 terwijl de witte buikzijde van de rugzijde scherp is afgescheiden4 ,zij komt in bosschen1 maar ook op 't veld voor1 en leeft van insekten en vogeleieren zoowel als van zaden2 ook begeeft zij zich wel in schuren en huizen4 ,de kortstaartige hamster1 zoo groot als een flinke rat1 is aan de rugzijde licht geelbruin1 terwijl buikzijde en pooten zwart zijn4 ,in ons land komt zij nergens anders voor dan op de zware kleigronden van ,zuidelijk ,limburg4 ,zij vreet tarwe1 boonen1 erwten1 en sleept vooral veel voedsel in haar nest bijn4 ,zeer schadelijk4 ,familie der woelmuizen4 ,punten van verschil tusschen woelmuizen en muizen3 zie bl4 #fc4 ,inlandsche soorten zijn de waterrat en de veldmuis4 ,men verwarre de waterrat 7fig4 #ed7 niet met de bruine rat 7fig4 #eb71 die1 daar zij soms te water gaat1 wel eens waterrat wordt genoemd4 ,de echte waterrat houdt zich aan de oevers van rivieren1 beekjes1 kanalen1 grachten1 enz4 op1 ook op vochtige1 laag gelegen weiden en akkers4 ,door haar woelen vernielt zij de weiden1 en beschadigt zij de te velde staande gewassen en ook de dijken4 ,zij vreet voornamelijk graankorrels1 aardappelen1 knollen1 enz4 en sleept deze plantendeelen ook naar haar hol4 ,zij doodt kuikens van eenden en ganzen4 ,de waterrat heeft eene lengte van #a #a_/b d,m4 zonder den staart2 zij is bruingrijs of zwartbruin van kleur4 ,eene lichtere verscheidenheid1 die men vreetwolf of aardwolf noemt1 komt op hoogere gronden voor en doorknaagt den voet van boomstammen4 ,de veldmuis 7fig4 #ee71 kenbaar aan haren zeer korten staart1 is geelgrijs van kleur4 ,hare sterke vermeerdering is oorzaak1 dat zij in streken1 die voor haar oponthoud zeer geschikt zijn 7kleigronden en lage venen7 zeer schadelijk wordt1 n door wat zij bij haar woelen vernielt n door hetgeen zij opvreet4 ,bouw- en weilanden worden soms door haar zoodanig geteisterd1 dat deze in 't midden van den zomer geheel kaal zijn4 ,het aantal veldmuizen1 dat overwintert1 is gewoonlijk gering1 en de schade begint vooral in 't midden of in de tweede helft van den zomer groot te worden4 ,familie der eekhorens4 ,de eekhorens zijn1 vooral aan hunnen langen1 behaarden staart te kennen4 ,het gewone eekhorentje 7roodbruin van kleur7 is in onze bosschen 7vooral in ,gelderland en ,noord-,brabant7 zeer algemeen4 't ,hoofdvoedsel bestaat uit boomzaden2 maar in den winter haalt de eekhoren wel eens schors en bast van boomen af1 en doet op deze wijze veel schade4 7,fig4 #ef47 ,orde ,eenhoevigen4 ,deze orde bevat slechts ne familie3 die der paardachtigen1 tot welke paard en ezel behooren1 alsmede eenige soorten van wilde dieren1 die echter in ,europa niet voorkomen 7zebra1 quagga1 dauw1 wilde ezel1 enz474 ,de eenhoevigen hebben aan ieder der ledematen slechts ne teen1 die echter bijzonder groot is1 en aan haren top met eenen hoef 7bl4 #ab7 bekleed is4 ,deze teen is op het uiteinde van een groot middelvoets7hands-7been geplaatst1 waaraan men den naam van pijp geeft2 achter dit been bevinden zich nog twee zeer kleine middelvoetsbeentjes1 die men griffelbeentjes noemt 7fig4 #cj71 en waaraan slechts in hoogst zeldzame gevallen een uiterst klein teentje te zien is4 7,het meest komen nog deze extra-teentjes voor bij muildieren en muilezels74 ,de paardachtigen hebben in ieder van de beide kaken zes snijtanden en aan elken kant zes kiezen 7fig4 #cc72 de laatste zijn aan hare kroon vlakte van mailplooien voorzien1 zooals men dat bij een' planteneter verwachten kan4 ,de hoektanden zijn altijd klein1 en ontbreken gewoonlijk bij de vrouwelijke dieren4 ,de snijtanden hebben een' heel eigenaardigen bouw4 ,een paardensnijtand onderscheidt zich van een' menschensnijtand3 #ao4 doordat de groei ervan onbeperkt is 7zie bl4 #di71 ofschoon de grootte dezelfde blijft1 doordat de slijtage doorgaans juist tegen den groei opweegt2 #bo4 doordat het cement1 hetwelk bij den menschensnijtand uitsluitend den wortel bedekt1 zich ook over 't glazuur van de kroon uitstrekt2 #co4 doordat1 uitgaande van de kroonvlakte1 zich eene plooi van cement en mail naar beneden uitstrekt1 die zich dus een eindweegs in het tandbeen voortzet4 ,een nog ongebruikte tand heeft dus aan zijne kroonvlakte eene groeve1 en deze is in de snijtanden der bovenkaak dubbel zoo diep als in die der onderkaak4 ,wanneer nu een paard zijne snijtanden een tijd lang heeft gebruikt1 zoodat zij eenigszins zijn afgesleten1 dan vertoont zich de kroonvlakte als volgt3 in 't midden eene opening1 omgeven door #ao4 een' ring cement1 #bo4 een' ring glazuur1 #co4 het tandbeen1 #do4 een' ring glazuur en #eo4 een' ring cement4 ,de holte is niet altijd als een gat zichtbaar1 maar is gewoonlijk met vaste zelfstandigheden uit de spijzen en uit het speeksel 7kalk7 gevuld1 welke zelfstandigheden echter brokkelig en los zijn1 volstrekt niet vast1 zooals de eigenlijke bestanddeelen van den tand4 ,daar de groeve zich slechts tot op zekere diepte in den tand uitstrekt1 terwijl de kroonvlakte voortdurend afslijt1 moeten de tanden hunne opening aan de oppervlakte vroeger of later verliezen4 ,daar bij de tandwisseling niet alle snijtanden te gelijk te voorschijn komen1 maar het buitenste paar een jaar na het tweede1 dit laatste weer een jaar na het middelste paar1 zoo moet ook de opening van den nen snijtand een jaar na die van den anderen snijtand door afslijting verdwijnen4 ,en daar deze afslijting op regelmatige wijze geschiedt1 kan men den ouderdom van een paard vrij nauwkeurig naar het al of niet aanwezig zijn der opening in de verschillende tanden bepalen4 ,de paardachtigen zijn planteneters2 echter eten zij bij voorkeur de toppen der grasplanten met de daaraan aanwezige zaden4 7,wij geven den paarden haver74 ,daar zij dus meer geconcentreerd voedsel gebruiken dan de herkauwers 7bijv4 het rund71 hebben zij een darmkanaal van iets geringer afmeting4 ,bepaaldelijk de maag is klein4 ,van welke wilde diersoort onze tamme paarden afstammen1 is niet bekend4 ,men ziet dikwijls den tarpan1 die in groote troepen de ,steppen van ,midden-,azi bewoont1 voor den stamvorm aan1 maar zonder voldoenden grond1 daar het niet zeker is1 of dit dier als een wild dan wel als een verwilderd paard moet worden beschouwd4 ,verwilderde paarden 7nakomelingen van dieren1 die uit kudden van tamme paarden ontsnapt zijn7 vindt men o4a4 op ,sardini1 in ,zuidelijk ,rusland1 in ,syri en in de ,amerikaansche ,llanos en ,pampa's 7,cimmarones en ,mustangs74--,men onderscheidt twee hoofdgroepen van tamme paarden3 ,oostersche of edele en ,westersche of zware4 ,tot de eerstgenoemden behooren3 het ,arabische1 het ,perzische1 het ,turksche1 het ,hongaarsche1 het ,andalusische paard2 tot de ,westersche paarden3 het ,holsteiner1 het ,friesche1 het ,geldersche1 het ,zeeuwsche1 het ,brabantsche1 het ,normandische ras4 ,verscheiden beroemde rassen zijn door kruising van andere rassen ontstaan en zoo zijn er vele paardenrassen1 die afstammelingen zoowel van ,oostersche als van ,westersche paarden zijn2 dit is bijv4 het geval met het ,oldenburger paard en met de ,orloffs 7,rusland74 ,het bekende ,engelsche volbloedpaard is uit louter ,westersche paarden aangefokt2 het levert de beroemde ,engelsche renpaarden4 ,de ezel is een uitstekend lastdier1 maar ook een zeer goed trekdier2 hij is minder teer en met minder goed voedsel tevreden dan het paard4 ,bij zorgvuldiger verpleging dan hij hier te lande geniet1 zou hij zeker ook hier even groot en fraai worden als in de landen rondom de ,middellandsche ,zee4--,de jongen van paard en ezel noemt men muildier1 wanneer de vader een ezelhengst1 de moeder eene merrie 7hit7 is1--muilezel1 als de vader een paardehengst 7hit71 de moeder eene ezelin is4 ,zij staan beiden tusschen de twee stamvormen in1 maar schijnen niet altijd gelijk te zijn4 ,orde ,dikhuidigen of ,veelhoevigen4 ,tot deze orde brengt men kort en goed al die hoefdieren met meer dan n' hoef aan iederen poot1 welke niet herkauwen4 ,de huid is doorgaans dik2 het gebit is1 al naar 't voedsel1 verschillend4--,men rekent er toe o4a4 de neushorendieren1 de nijlpaarden en de varkens4 ,slechts over de laatsten spreek ik nader1 en nog maar alleen over die soorten1 welke in tammen of wilden staat in ,midden-,europa voorkomen4 ,de varkenachtigen hebben aan iederen voet vier vingers1 waarvan de twee middelsten flink uitgegroeid zijn1 terwijl de twee anderen 7vergelijkbaar met onzen pink en onzen wijsvinger7 klein blijven 7fig4 #bi7 en slechts bij zware varkens op een' weeken grond den bodem raken4 ,de duim ontbreekt3 alle vingers bestaan uit drie kootjes4--,bovenkaak en neus zijn lang en vormen eenen snuit2 op het vreinde van dezen snuit staan de neusgaten4--,de varkens eten zoowel spijzen van plantaardigen als van dierlijken oorsprong2 hunne kiezen hebben diensvolgens veel overeenkomst met die van den mensch2 de hoektanden kunnen bij de mannetjes zeer sterk uitgroeien en buigen zich dan opwaarts 7fig4 #eh1 #ei74 ,voorheen kwam in ons geheele land het wilde zwijn voor2 thans is dit beperkt tot ,limburg1 en slechts bij uitzondering wordt er een in een ander deel van ons land geschoten4 ,het wilde zwijn is zwart4 ,oorspronkelijk leeft het in lage1 moerassige streken2 maar daar de lagere landen over 't geheel meer door menschen bewoond zijn dan voor dit dier wenschelijk is1 is het in de meeste landen naar de boschrijke streken teruggedrongen4 ,voedsel3 knollen1 aardappelen1 peulvruchten1 hazelnoten1 beukenzaden1 eikels1 truffels1--ook insekten1 wormen1 slakken1 vogeleieren4 ,het tamme varken4 ,voorheen fokte men in ,europa algemeen de zoogenoemde grootoorige varkens1 kenbaar aan lange1 breede1 tot over de oogen naar voren hangende ooren1--aan een' grooten1 smallen kop1--aan bijzonder lange pooten1--aan een' zeer naar boven gekromden rug 7karperrug71 aan het bezit van vele1 stijve borstels1 die op den rug een' kam vormen4 ,in hunnen uitwendigen en inwendigen bouw gelijken deze grootoorige varkens veel op het wilde zwijn1 hoewel bij de meeste in ,nederland voorkomende exemplaren de kleur van huid en borstels geelachtig wit is en niet zwart1 zooals bij het wilde varken4 ,in de ,oostelijke deelen van ons land wordt het grootoorige varken nog wel hier en daar in onvervalschten toestand gehouden4 ,het is laat volwassen en eerst in het derde jaar geschikt om te worden vetgemest2 dan echter is het ook een kolossaal dier1 bijkans #a ,m4 hoog en minstens #a #a_/b ,m4 lang2 het vleesch is zeer smakelijk1 niet bijzonder vet4 ,in ,oostelijk ,azi1 ,zuid-,afrika en ,australi teelt men het kortoorige ,chineesche zwijn1 dat korte pootjes en een' breeden rug heeft1 weinig haren of borstels draagt1 en niet meer dan #a_/c of zelfs maar #a_/d van het lichaamsgewicht van 't grootoorige varken bereikt1 maar zeer spoedig volwassen en voor vetmesting geschikt is4--,in ,engeland heeft men door kruising van het ,chineesche met het inheemsche grootoorige zwijn allerlei tusschenrassen gefokt1 die in 't algemeen grooter zijn dan het ,chineesche zwijntje1 maar toch voor vetmesting zeer geschikt4 ,deze ,engelsche rassen 7,yorkshire1 ,berkshire1 enz47 zijn in ,nederland dikwijls ingevoerd om er weer ons inlandsch varken mee te kruisen4 ,orde ,herkauwers of ,tweehoevigen4 ,deze dieren 7rund1 schaap1 geit1 hert7 bezitten nooit meer dan twee volledig ontwikkelde hoeven 7klauwen71 die natuurlijk ieder het laatste kootje van eene teen bedekken4 ,bij de meeste herkauwers zijn echter achter deze twee teenen nog twee zeer kleine teentjes aanwezig1 die den grond niet bereiken4 ,ook de middelhands7voets-7beenderen1 waaraan deze laatsten bevestigd zijn1 zijn zeer klein gebleven4 ,de twee middelhandsbeenderen1 waaraan de twee teenen vastzitten1 zijn met elkander vergroeid1 maar z dat men duidelijk den naad kan zien 7fig4 #bh74 ,het gebit der herkauwende dieren is als volgt 7fig4 #cg74 ,in de bovenkaak ontbreken de snijtanden2 zij worden door eene horenachtige bekleeding van de kaak vervangen4 ,in de onderkaak vindt men acht snijtanden met eene meer of minder beitelvormige kroon4 ,hoektanden ontbreken1 of zij komen alleen bij de mannetjes voor 7herten74 ,de kiezen zijn doorgaans ten getale van zes aan weerskanten in iedere kaak aanwezig2 zij zijn geplooid 7bl4 #de71 zooals men bij uitsluitende planteneters kan verwachten4 ,de onderkaak wordt bij 't kauwen onder de bovenkaak heen en weer bewogen 7bl4 #df74 ,het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit gras en andere groene kruiden1 en bevat veel water en ook veel onverteerbare stof4 ,van daar dat het dagelijksch rantsoen1 dat een herkauwer noodig heeft1 zeer omvangrijk is2 het darmkanaal heeft dan ook zeer groote afmetingen4 ,wel wordt het voedsel bij het opnemen in den mond gekauwd1 maar daar het zooveel onverteerbare deelen bevat1 waarbinnen de verteerbare stoffen a4 h4 w4 zijn opgesloten1 zoo wordt het voor eene goede vertering niet genoeg verbrijzeld4 ,daarom gaat het bij het doorslikken niet dadelijk naar de maag1 maar eerst naar eene tijdelijke bewaarplaats1 de pens 7fig4 #fj1 ,a7 genoemd1 waar het bij de in het lichaam heerschende temperatuur en bij de aanwezigheid van veel vocht 7speeksel1 water uit de spijzen1 opgenomen drank7 in gisting overgaat1 zoodat de onverteerbare deelen in de spijzen voor een deel omgezet en dus verwijderd worden1 waardoor de spijzen zich nu gemakkelijk geheel laten verbrijzelen1 wanneer de massa uit de pens weer is opgestegen door den slokdarm en in de mondholte op nieuw gekauwd wordt4 ,vandaar de naam herkauwers4 ,de pens ligt met nog een paar verwijdingen van den darm vlak bij de eigenlijke maag2 en men is gewoon1 al deze bij elkaar gelegen verwijde gedeelten van den darm met elkaar de samengestelde maag te noemen4 ,de deelen van deze samengestelde maag zijn de volgende3 de pens 7fig4 #fj1 ,a71 de muts of netmaag 7,b71 de boekpens of boekmaag 7,c7 en de lebmaag 7,d74 ,de laatstgenoemde afdeeling stemt in werking met de enkelvoudige maag van de andere dieren overeen4 ,de slokdarm heeft eene opening in de pens4 en wel op die plaats1 waar de muts in de onmiddellijke nabijheid ligt2 intusschen zet hij zich in de zoogenoemde slokdarmspleet 7fig4 #fb1 ab7 naar de derde maagafdeeling1 de boekpens of boekmaag1 voort4 ,de lebmaag is de laatste afdeeling1 aan welke zich de twaalfvingerige darm 7fig4 #fj1 #c7 aansluit4--,de wanden der verschillende maagafdeelingen zij zeer ongelijk gebouwd4 ,dikke spierlagen bezit vooral de pens2 zij vormen er pilaarachtige verhevenheden en gewelven1 waardoor deze maagafdeeling in verschillende ruimten wordt ingedeeld 7fig4 #fb1 bij ,i1 waar men in de pens ziet74 ,het slijmvlies1 't welk de pens van binnen bekleedt1 is met korte1 vrij harde1 puntvormige uitsteeksels bezet4 ,dat van de muts 7fig4 #fb1 ,,ii2 fig4 #fa1 tusschen de lippen d en d'7 is bedekt met een netwerk van plooien1 welke vier-1 vijf- of zeshoekige vakjes begrenzen4 ,in de boekpens springt het slijmvlies met platte1 bladvormige1 grootere of kleinere uitsteeksels naar binnen 7fig4 #fa1 f2 fig4 #fb1 ,,iii74--,de lebmaag heeft een dik1 weekachtig slijmvlies met vele plooien en klieren 7fig4 #fa1 i1 h2 fig4 #fb1 ,v74 ,alleen vloeistoffen1 welke bij geringe hoeveelheden te gelijk worden ingezogen en die spijzen1 welke bij 't kauwen tot eene soort van pap worden1 gaan--althans voor een groot gedeelte--dadelijk naar de laatste twee maagafdeelingen4 7,jonge herkauwers1 die nog van de moedermelk leven1 hebben dan ook eene betrekkelijk kleine pens1 daar deze bij hen nog zonder verrichting is2 de lebmaag is bij hen de grootste afdeeling74--,dranken1 die in groote teugen worden opgenomen en doorgeslikt1 kunnen de nauwe slokdarmspleet niet volgen2 zij worden in de pens uitgestort4 ,zoo ook de spijzen1 die bij 't kauwen niet in eene papachtige massa zijn veranderd4--,in de pens blijven de spijzen verscheiden uren2 daar worden zij duchtig met het ingeslikte speeksel en met den opgenomen drank doorngekneed en gaan zij in gisting over4 ,daarna worden zij bij kleine hoeveelheden door den slokdarm heen weer naar boven gebracht4 ,de spijsbrokken komen dan achter in de mondholte1 waar zij worden herkauwd1 om vervolgens nog eens te worden ingeslikt4 ,wat nu van de spijzen na het herkauwen papachtig is geworden1 drukt bij de neerwaartsche voortbeweging den toegang van den slokdarm tot de pens niet open1 maar vloeit bedaard door de gootvormige slokdarmspleet in de boekpens en van daar naar de lebmaag1 om in deze laatstgenoemde afdeeling eene verdere vertering te ondergaan4 ,vooral ook doordat de pens rechtstreeks met de boekpens in verbinding staat1 kunnen er toch ook licht meer vaste plantendeelen in de boekpens komen2 deze nu blijven tusschen de dicht bijngelegen bladen van dit orgaan hangen1 en worden dan vr ze verder worden voortbewogen1 op de volgende wijze meer fijn gemaakt4 ,de bladen van de boekpens bezitten kleine1 maar scherpe1 horenachtige uitsteekseltjes1 die als eene soort van tanden kunnen dienst doen4 ,bevinden zich nu plantendeelen tusschen de bovenbedoelde bladen1 en trekt zich de wand van de boekpens samen1 dan worden deze plantendeelen daar a4 h4 w4 fijngemalen4 ,de boekpens zou dus een kauwmaag kunnen heeten4-- ,het vierde gedeelte ongeveer van 't leven wordt bij de meeste herkauwende dieren met herkauwen besteed4 ,dat dit wel het geval moet zijn1 laat zich voor het rund op de volgende wijze berekenen4 ,stel dat eene koe per dag van #bd uren #ab #a_/b ,kilogram hooi opneemt3 een rantsoen1 dat--als niets anders wordt gegeven--zeker niet te hoog kan worden genoemd4 ,men heeft door proefnemingen uitgemaakt1 dat hooi1 terwijl het door een rund wordt gekauwd1 #d maal zijn eigen gewicht aan speeksel opneemt4 #ab #a_/b ,kilogr4 hooi wordt dus in de pens van het rund tot #e #ab #a_/b #fb #a_/b ,kilogr4 spijsmassa4 ,inderdaad weegt de inhoud van een runderpens #fj tot #ge1 enkele malen #ij tot #ajj ,kilogr4 ,heeft de spijsmassa een' tijd lang in de pens vertoefd1 dan stijgt zij in kleine spijsbrokken naar boven1 die bij een rund een gemiddeld gewicht van #abj gram hebben4 ,de geheele inhoud van de pens1 #fb4ejj gram1 moet dus1 om te worden herkauwd1 in #fb4ejj_/abj #ebj spijsbrokken worden verdeeld2 ieder van deze moet opstijgen1 herkauwd worden en neerdalen naar de boekpens4 ,dit geschiedt alles betrekkelijk snel2 maar voor het opstijgen1 herkauwen en neerdalen van elken spijsbrok zijn toch gemiddeld ongeveer #ej seconden noodig2 voor de volledige verwerking van #ebj spijsbrokken dus #ebj #ej #bfjjj seconden #g-b_/i uur4 ,stel nu dat #a_/g van de opgenomen spijzen niet worden herkauwd1 dan heeft toch in ieder geval een rund #f uur noodig om 't hooi1 dat in #bd uren wordt opgenomen1 te herkauwen4--,eet het rund gras1 dan neemt dit niet zooveel speeksel op als hooi2 maar het gras zelf is meer waterrijk en het rund neemt er dus een grooter volumen van op4 ,het samentrekken van de spierwanden van de pens1 waardoor de spijsbrok in den slokdarm wordt geperst1 de samentrekkingen der slokdarmspieren bij het omhoog- en het naar beneden bewegen van den spijsbrok1 de samentrekkingen der kauwspieren bij 't kauwen en bij 't herkauwen1 dat alles eischt veel inspanning2 en het behoeft dus geene verwondering te verwekken1 dat een dier1 terwijl het herkauwt1 niet tevens voor andere belangrijke inspanning geschikt is4 ,men ziet dan ook de runderen rust nemen1 wanneer zij aan 't herkauwen gaan2 en een os scheidt met herkauwen uit1 als hij voor een' zwaar beladen wagen of voor den ploeg wordt gespannen4-- ,tot de orde der herkauwers brengt men1 behalve de buitenlandsche kameelen en giraffes1 de familie der holhoornigen en die der hertachtigen4 ,de eerste van de twee familin is voor ons de belangrijkste1 omdat rund1 schaap en geit er toe behooren4 ,familie der holhoornigen4 ,horens komen in 't algemeen in beide geslachten voor1 en wel bij alle wilde soorten4 ,slechts bij sommige tamme rassen van runderen en schapen1 die door de bescherming1 welke zij van den mensch genieten1 geene horens noodig hebben1 ontbreken deze organen1 't zij in beide geslachten of alleen bij de vrouwelijke dieren4--,den naam heeft de familie te danken aan den bouw der horens 7fig4 #fc474 ,deze bestaan uit eene horenscheede1 welke de beenpit omgeeft1 die niets anders is dan een uitsteeksel van het voorhoofdsbeen4 ,dit laatste is inwendig hol2 de holte in 't voorhoofdsbeen heet de voorhoofdsboezem2 en deze zet zich in de beenpit voort4 ,bij de geboorte zijn nog geene horens aanwezig4 ,weldra ontstaat aan weerskanten van den kop eene uitgroeiing aan 't voorhoofdsbeen1 zoodat men twee knobbels opmerkt1 die aanvankelijk door de behaarde huid van den kop bedekt zijn4 ,naarmate deze knobbels meer uitgroeien1 wordt de opperhuid meer en meer horenachtig en vormt zij aldus de horenscheede2 terwijl de leerhuid1 die bloedvaten en zenuwen bevat1 haar met de beenpit blijft verbinden4 ,doordat de groei van de horens niet altijd regelmatig plaatsgrijpt1 ontstaan op de horenscheede ringen4 ,runderen hebben horens1 die op de doorsnede1 althans aan de spits1 rolrond zijn1 en van den kop afgebogen4 ,de omgeving van den neus 7neusspiegel7 is onbehaard en slijmig4 ,de bovenlip is niet1 als bij de schapen en de geiten1 door eene loodrechte groeve in twee deelen verdeeld4--,de runderen zijn plompe1 stevige dieren2 verscheiden soorten ervan zijn tot huisdieren gemaakt4 ,in vroeger eeuwen heeft in ,europa 7in ons land tot de #ad;e eeuw7 het oerrund of de urus geleefd3 een zeer groot rund1 dat in alle hoofdpunten van zijnen lichaamsbouw zoodanig met de huisrunderen van ,nederland en de aangrenzende landen overeenstemt1 dat men in den urus den stamvorm meent te moeten zien van ons rundvee4 ,men houdt het er echter voor1 dat de huisrunderen in andere streken der wereld1 ook in sommige deelen van ,europa1 van andere stamvormen afkomstig zijn1 zonder dat men deze juist weet aan te geven4 ,en door het verschillende klimaat n door de verschillende teelt en verpleging van de runderen in de onderscheiden streken der aarde zijn zeer verschillende runderrassen gevormd1 waarvan sommige meer geschikt zijn voor 't geven van veel melk1 terwijl andere meer vleesch en vet in hun lichaam vormen en weer andere voor het verrichten van arbeid geschikt zijn4--,buffels zijn vrij groote runderen met naar achteren gebogen horens2 men kent wilde soorten en soorten1 die als huisdier worden gehouden4 7,huisdieren zijn de gewone buffel in ,itali en ,n4-,amerika1 alsmede de karbouw in ,indi74--,bisons hebben een' hoogen schoft1 zoodat de rug van voren naar achteren sterk helt4 ,kop en hals zijn zeer sterk behaard4 ,in enkele deelen van ,rusland en in de weinig bevolkte deelen van ,noord-,amerika leven nog bisons in 't wild4 ,tot huisdier is geen enkele soort gemaakt4 ,schapen hebben horens1 die vele ringen vertoonen en op de doorsnede ongeveer ovaal zijn1 terwijl de afplatting in de richting van voren naar achteren is4 ,vele inlandsche schapenrassen evenwel hebben geen horens1 of alleen het mannetje heeft ze4 ,neus en bovenlip der schapen zijn behaard2 de laatste is in 't midden van eene loodrechte groeve voorzien4 ,voorhoofd vlak1 bovenkant van den neus gebogen4--,men vindt verschillende soorten van wilde schapen1 o4 a4 den moeflon 7op ,sardini1 ,corsica en het ,balkan-schiereiland74 ,van de tamme schapen1 welker afstamming niet met zekerheid bekend is1 worden vele rassen uitsluitend of hoofdzakelijk om de wol gehouden2 andere ook om het vleesch4--,wolharen zijn aan hunnen buitenkant niet glad1 maar min of meer geschubd4 ,de schubbetjes schuiven ongeveer als de pannen van een dak over elkaar4 ,daardoor en door hunne vetachtige oppervlakte kleven zij altijd tot strengetjes aann1 welke strengetjes alle meer of minder sterk in bochten gedraaid zijn4 ,de geheele wolbekleeding der schapen vormt aldus een samenhangend vlies1 dat bij 't scheren n geheel blijft4 ,geiten 7fig4 #fh7 hebben ook een' behaarden neus en bovenlip1 de laatste met eene groeve4 ,hare horens zijn eveneens sterk geringd en op de doorsnede ongeveer ovaal2 maar de afplatting is in de richting van den linkerkant naar den rechter4 ,de bovenkant van den neus is niet gebogen4--,tot de geiten behooren eenige wilde soorten1 o4 a4 de steenbok 7,alpen1 ,pyrenaen7 en verder de tamme geiten1 die voornamelijk om hare uitstekende melk worden gehouden4 ,de ,kaschmirgeit 7,kaschmir en ,thibet7 en de ,angorageit 7,klein-,azi2 thans ook o4 a4 in ,spanje1 ,itali1 ,frankrijk en ,amerika aangekweekt7 leveren kostbare haren 7wol74 ,familie der hertachtigen4 ,de familie der hertachtigen is vooral gekenmerkt door de inwendig dichte1 zeer vertakte horens1 welke te zamen het gewei vormen1 alleen bij 't mannetje voorkomen en ieder jaar afvallen1 om telkens--zoolang het hert in wasdom blijft toenemen--te worden vervangen door een gewei met eenen tak meer aan elken horen4 ,de herten zijn1 bij de holhoornigen vergeleken1 vlugge1 ranke dieren4--,in ons land komen hertachtigen nog slechts hoofdzakelijk op de ,veluwe voor2 daar vindt men twee soorten3 het groote edelhert en de kleine ree4 ,in vroeger eeuwen waren de herten over ons geheele land verbreid2 zij werden toen ook veel grooter4--,edelhert en ree zijn beiden voor den landbouw schadelijk door het opeten en vertrappen van rogge en ander wintergraan1 van klaver1 lupinen1 koolplanten en verschillende landbouwgewassen4--,het edelhert wordt hier te lande ook wel in parken gehouden2 meer gebruikt men daarvoor het damhert1 dat oorspronkelijk uit ,klein-,azi in ,europa werd ingevoerd4-- ,de overige ,zoogdierorden bevatten geene vertegenwoordigers1 die hier nader zouden moeten worden behandeld4 ,,klasse ,,ii4 ,,vogels4 ,vogels zijn warmbloedige ,gewervelde dieren1 die met veeren bedekt zijn1 en die eieren leggen1 welke zij door hunne lichaamswarmte tot verdere ontwikkeling brengen 7uitbroeden74 ,de vogels zijn voor de voortbeweging in de lucht ingericht4 ,dit blijkt vooreerst uit den bouw der voorste ledematen1 welke tot vleugels vervormd zijn4 ,men onderscheidt aan zoo'n vleugel in 't algemeen dezelfde deelen als aan den arm van den mensch4 ,men zie fig4 #gj1 waar vooreerst het opperarmbeen 7,h71 de ellepijp en het spaakbeen zich duidelijk laten onderscheiden4 ,het spaakbeen 7fig4 #ga1 s7 kan hier niet om de ellepijp 7ep7 draaien2 en aan het laatstgenoemde been zijn de kleine slagpennen 7fig4 #ga1 ,,ii7 van de vleugels bevestigd4 ,de hand bestaat1 behalve uit de kleine handwortelbeenderen 7fig4 #gj1 ,w71 uit twee lange middelhandsbeenderen 7m71 waaraan twee vingers 7,z1 z7 zijn bevestigd1 en uit een kleiner middelhandsbeentje 7t71 waaraan al of niet een kleine beenige duim1 maar in ieder geval een duimvleugeltje 7fig4 #ga1 d4vl7 bevestigd is4 ,de groote slagpennen 7fig4 #ga1 ,i7 zijn aan de groote middelhandsbeenderen 7fig4 #ga1 mh7 en de vingers 7v7 vastgehecht4 ,zoo vormen beenderen en slagpennen te zamen een' vleugel1 die bij zijne beweging door de lucht veel weerstand kan ontmoeten1 tengevolge waarvan de terugdruk van de lucht den vogel in de gewenschte richting voortbeweegt4 ,de vogel moet bij 't vliegen niet slechts maken dat hij vooruit komt2 maar hij moet bovenal maken dat hij niet daalt1 hetgeen zonder de bewegingen der vleugels1 tengevolge van de zwaartekracht het geval zou zijn4 ,daarvoor zouden de vleugels naar beneden moeten worden geslagen1 evenals voor de voorwaartsche beweging een achterwaartsche slag noodig is4 ,de vleugelslag wordt dus gewoonlijk naar achteren en tegelijk naar beneden gericht2 ja1 als de vogel eenmaal eene zekere snelheid in de voorwaartsche richting heeft verkregen1 dan richten de slagen zich bijkans geheel naar beneden1 daar de voorwaartsche snelheid tengevolge van den geringen weerstand der lucht niet spoedig wordt uitgeput4 ,het is voor een' vogel een groot voordeel1 dat zijn soortelijk gewicht gering is1 m4 a4 w4 dat hij bij een' betrekkelijk grooten omvang een betrekkelijk gering gewicht heeft4 ,een gering soortelijk gewicht nu wordt verkregen vooreerst door de dikke laag veeren1 die den omvang van een' vogel betrekkelijk groot maakt1 terwijl toch veeren licht zijn4 ,ten tweede zijn de beenderen van den vogel bijkans alle hol1 en niet--zooals de inwendig holle beenderen der zoogdieren--met merg1 maar met lucht gevuld4 ,ten derde bevinden zich overal in 't lichaam1 tusschen de verschillende organen1 dunwandige blaasjes1 die met lucht kunnen worden gevuld en aldus worden opgeblazen4 ,daardoor wordt de omvang van den vogel1 wanneer hij wil gaan vliegen1 vergroot1 terwijl het gewicht niet van belang toeneemt4 ,de vulling der luchtzakken grijpt op de volgende wijze plaats3 de lucht komt door de luchtpijp in de longen1 vandaar in de aangrenzende luchtzakken1 die weer met verdere luchtzakken1 ook met holten in de beenderen1 samenhangen4 ,ook is het voor 't vliegen van 't hoogste belang1 dat het groote borstbeen 7fig4 #gj1 ,s7 van een' zeer sterk vooruitstekenden kam voorzien is2 daaraan hechten zich de vliegspieren vast1 die te dik zijn om aan een plat borstbeen 7als bij de zoogdieren7 bevestigd te wezen4 ,ook geeft de kam op het borstbeen aan den geheelen vrkant van 't lichaam des vogels den vorm van een' kiel1 die gemakkelijk de lucht doorsnijdt4 ,de romp van den vogel is zeer stijf1 hetgeen van nut is om gedurende de vlucht het evenwicht in de lucht te bewaren4 ,deze stijfheid van den romp is 't gevolg #a4 hiervan1 dat de lendenwervels en de heiligbeenwervels tot n onbewegelijk stuk 7het lendenheiligbeen2 zie fig4 #gb7 vereenigd zijn1 waaraan weer de zeer lange heupbeenderen stijf vastgegroeid zijn1 #b4 van de omstandigheid1 dat het ruggedeelte van elke rib een uitsteeksel draagt1 't welk over dat van de volgende rib heen ligt 7fig4 #gj72 daardoor is beweging der ribben slechts in ne richting mogelijk4 ,deze stijfheid van den romp zou den vogels erg hinderlijk zijn o4a4 bij het opnemen van voedsel1 ware het niet dat de hals1 tengevolge van het groote getal halswervels1 zeer bewegelijk was4 ,dat getal bedraagt minstens #ab1 het kan 7bij de zwanen7 zelfs #bb zijn4 ,de achterste 7benedenste7 ledematen gelijken veel meer dan de voorste 7bovenste7 op die der zoogdieren4 7,vgl4 fig4 #gj74 't ,dijbeen is in den romp verborgen2 het kuitbeen is klein en soms met het scheenbeen vergroeid4 ,bij den jongen vogel1 lang vr hij uit het ei geboren wordt1 kan men--evenals bij de zoogdieren--twee rijen voetwortelbeenderen1 en verder middelvoetsbeenderen en teenen onderscheiden4 ,maar reeds gedurende de ontwikkeling van het jong binnen het ei1 vergroeit de eerste rij voetwortelbeenderen met het ondereinde van het scheenbeen1 terwijl de tweede rij met de middelvoetsbeenderen tot n beenstuk 7het zoogenoemde loopbeen7 vergroeit1 't welk evenals de teenen met horenplaatjes bekleed is4--,het aantal teenen bedraagt hoogstens vier2 de naar achteren gerichte teen echter kan zeer klein zijn en ook geheel ontbreken4 ,de ,afrikaansche struisvogel heeft slechts twee teenen4 ,de achterste teen der vogels bestaat uit twee kootjes1 de volgende uit drie1 de derde uit vier1 de vierde uit vijf4 ,toch is dikwijls de derde teen de langste4 ,de vogels hebben geen tanden4 ,hun boven- en onderkaak zijn met eene horenlaag bedekt1 die aan den rand tandvormige uitsteekseltjes kan hebben4 ,de met eene horenlaag bekleede kaken vormen te zamen den snavel4 ,het darmkanaal is kort2 dit kan dan ook het geval zijn want de vogels eten f dierlijke spijs f zaden2 slechts bij uitzondering gebruiken zij spijzen1 die slechts weinig voedende stof bevatten 7groene kruiden74 ,aan den slokdarm vindt men een zakvormig aanhangsel1 den krop1 waarin de vertering reeds begint2 hierin ook bergen de vogels het voedsel1 dat zij voor hunne jongen bijngaren4 ,de maag bestaat uit twee afdeelingen3 eene kliermaag en eene spier- of kauwmaag4 ,de eerste bevat in haren wand kliertjes1 die een verterend vocht afscheiden2 de laatste heeft zeer dikke spierwanden en eene bekleeding met eene sterk geribde horenlaag4 ,door het tegen elkaar drukken en langs elkaar wrijven der wanden worden graankorrels1 enz4 verbrijzeld4 ,de steentjes1 die de vogels inslikken1 en die nooit in de spiermaag gemist worden1 ondersteunen de werking van dit orgaan4 ,de vogels hebben twee blinde darmen4--,de endeldarm eindigt in eene verwijding1 de cloaca 7 riool7 genoemd1 waarin ook de uitvoerbuizen der nieren alsmede die der voortplantingsorganen uitmonden4 ,het ei van een' vogel bestaat vooreerst uit eene verschillend gekleurde kalkschaal 7fig4 #gc1 e71 waarin zeer fijne openingen zijn1 door welke de lucht kan binnendringen1 die het jong voor zijne ademhaling noodig heeft4 ,tegen de schaal ligt aan de binnenzijde een vlies1 terwijl het eiwit ook door een vlies is omgeven4 ,deze beide vliezen 7d7 liggen tegen elkaar aan en vormen a4 h4 w4 n vlies1 het schaalvlies2 op ne plaats echter wijken zij van elkaar en vormen aldus de luchtkamer 7f74 ,deze kan zich aan verschillende zijden van het ei bevinden1 alnaar de positie1 waarin het ei ligt4 ,in het eiwit 7b1 b'7 vindt men twee inngedraaide strengen 7c1 c'71 welke de binnenzijde van het schaalvlies verbinden met het dunne vliesje1 dat den dooier omgeeft4 ,deze laatste vertoont aan zijne oppervlakte een wit vlekje1 de zoogen4 kiemschijf 7h71 die de aanleg van den jongen vogel is4 ,van deze kiemschijf breidt zich naar binnen in den dooier eene witte massa uit1 die aan haar uiteinde tot een bolvormig lichaampje opzwelt4 ,deze slijmige witte massa1 die bij 't koken van het ei niet gemakkelijk stolt1 wordt de witte dooier genoemd1 terwijl het overige van den dooier1 't welk geel of roodachtig van kleur is1 de gele dooier 7a7 heet4 ,niet alle deelen van het ei worden in hetzelfde orgaan van den vogel gevormd4 ,in de buikholte vindt men den eierstok1 waar de dooiers ontstaan1 die men daarin dan ook1 bijv4 bij eene leggende kip1 in grooten getale kan aantreffen1 en wel van de grootte van een' speldeknop af tot die van een' volwassen dooier toe4 ,van den eierstok loopt in vele bochten en windingen eene buis naar de cloaca1 die men den eileider noemt4 ,terwijl nu de dooier1 steeds om zijne as draaiend1 zich door dezen eileider voortbeweegt1 scheidt de wand van dit laatstgenoemde orgaan het eiwit eromheen af2 dicht bij de cloaca heeft de eileider eene verwijding1 waar zich schaalvlies en kalkschaal vormen4 ,zal een vogelei tot verdere ontwikkeling geraken1 m4 a4 w4 zal zich uit de kiemschijf een jonge vogel vormen1 dan is noodig dat het ei een' tijd lang aan eene temperatuur van ongeveer #dj ,c4 wordt blootgesteld4 ,men kan deze temperatuur kunstmatig verschaffen1 door de eieren in zoogenoemde broedmachines te leggen2 maar in den natuurstaat wordt de noodzakelijke verhoogde temperatuur gegeven door het lichaam van den ouden vogel1 die zijne borst en zijnen buik tegen de eieren drukt4 ,in den tijd van het broeden grijpt eene sterkere bloedstrooming dan gewoonlijk naar de huid van deze lichaamsdeelen of naar bepaalde plekken ervan plaats1 waardoor de bedoelde lichaamsdeelen warmer worden4 ,bij sommige vogelsoorten broedt alleen het wijfje 7kip71 bij de struisvogels alleen het mannetje2 bij vele vogelsoorten wisselen mannetje en wijfje elkander in 't broeden af4 ,de broedtijd1 die noodig is om de eieren tot geheele ontwikkeling te brengen1 z dat de jonge vogel te voorschijn komt1 is bij onderscheiden vogelsoorten niet gelijk1 bijv4 bij den kanarievogel #ac dagen1 bij de kip #c weken4 ,enkele vogels zijn er 7onder de inlandsche soorten alleen de koekoek71 die hunne eieren in het nest van andere vogelsoorten leggen1 en die het uitbroeden zoowel als de zorg voor de jongen aan dezen overlaten4 ,zulke vogels leggen hunne eieren met groote tusschenpoozen2 zij leggen elk ei in een afzonderlijk nest4 ,er zijn vogelsoorten1 welker jongen1 zoodra ze uit het ei te voorschijn komen1 bevederd zijn1 de oogen open hebben en zelven hun voedsel opnemen 7eenden1 kippen72 andere1 welker jongen bij de geboorte kaal zijn en blind1 en een' tijd lang door de ouden worden gevoed 7musch1 spreeuw1 valk1 duif74 ,in 't algemeen maken de vogels een nest1 waarin ze hunne eieren leggen en uitbroeden4 ,bij sommige soorten 7meeuw1 kievit7 wordt slechts eene kleine uitholling in het zand of in den grond gemaakt en worden de omgevende planten eenigszins uit elkaar gebogen4 ,andere broeden in den grond in reeds voorhanden gaten 7bergeend1 in verlaten konijnenholen7 of in door henzelven vervaardigde gaten 7oeverzwaluw74 ,weer anderen maken nesten uit stukjes klei1 die zij met speeksel aan elkaar hechten 7boerenzwaluw1 huiszwaluw72 ook zijn er1 die het nest hoofdzakelijk van takjes maken1 maar daartusschen voor de stevigheid klei brengen 7lijster1 ekster74 ,vele vogels maken hunne nesten uitsluitend uit plantendeelen1 't zij uit grootere takken 7houtduif71 of uit kleinere twijgjes en bladeren 7rietzanger1 leeuwrik71 soms hoofdzakelijk uit mos 7vink74 ,ook de vorm der vogelnesten is al naar de vogelsoort zeer verschillend4 ,gelijk men weet1 noemt men de gezamenlijke in een land voorkomende diersoorten de fauna van dit land1 zooals men de gezamenlijke plantensoorten zijne flora noemt4 ,nu is het bij de zoogdieren gemakkelijk te zeggen1 welke soorten tot onze fauna behooren1 welke niet2 bij dieren echter1 die zich zoo snel en over zoo groote afstanden bewegen als de vogels1 gaat dit niet altijd zoo gemakkelijk4 ,het kan voorkomen1 dat soorten1 die eigenlijk in geheel andere streken thuis behooren1 door stormen naar ons land worden gedreven4 ,wij noemen dan zulke soorten dwaalgasten van ons land 7rosspreeuw uit ,azi74--,maar ook de vogels1 welke niet a4 h4 w4 toevallig hier komen1 blijven nog niet juist gedurende 't geheele jaar in ons land4 ,die soorten1 welke winter en zomer blijven in de nabijheid van de plaats1 waar zij geboren en getogen zijn1 noemt men standvogels 7huismusch1 ringmusch1 geelgors74 ,andere soorten blijven weliswaar ook winter en zomer in deze streken1 maar zwerven in den winter over grootere uitgestrektheden rond1 om hun voedsel te zoeken4 ,men noemt ze zwerfvogels 7meezen1 spechten1 boomkruipers74 ,zij trekken niet op vaste tijden van de eene streek naar de andere1 ook niet in bepaalde richtingen3 hun zwerven wordt bloot bepaald door 't gebrek aan voedsel in zekere streek4 ,is dus ergens een' heelen winter lang voedsel genoeg1 dan gedraagt zich een zwerfvogel als standvogel4 ,op hunne tochten naar eene andere streek voegen zich dikwijls verschillende soorten van zwerfvogels tot grootere groepen bij elkaar4--,niet aldus doen de trekvogels4 ,deze onderscheiden zich van de zwerfvogels doordat zij op gezette tijden en langs bepaalde wegen wegtrekken1 in hoofdzaak in de richting ,n4 ,z4 en ,z4 ,n4 ,voorbeelden zijn de ooievaars en zwaluwen1 die1 elk najaar ongeveer op den zelfden tijd1 bijkans op denzelfden datum1 naar ,zuidelijker streken trekken1 om in 't voorjaar1 insgelijks op een' tamelijk vaststaanden tijd1 weer terug te keeren naar het land1 waar zij nestelen4 ,zonder twijfel is het trekken voor deze vogels eene nuttige eigenschap2 immers zij zouden hier te lande in den winter het voedsel niet kunnen vinden1 't welk zij noodig hebben4 ,maar terwijl de zwerfvogels eerst wegtrekken als er gebrek aan voedsel ontstaan is1 verhuizen de trekvogels gewoonlijk reeds van te voren2 en zij komen soms terug op een' tijd1 waarin het voedsel nog zeer schaars is4 ,behoefte aan spijs is dus niet de rechtstreeksche drijfveer van het trekken4 ,ook trekvogels1 die in kooien worden gehouden1 vertoonen in de eerste jaren van hunne gevangenschap1 tegen den tijd1 waarop hunne soortgenooten vertrekken1 de grootste onrust1 en dat niettegenstaande de warmtegraad der omgeving naar hunnen zin is en zij aan voedsel geen gebrek hebben4--,zwaluwen en ooievaar zijn voorbeelden van trekvogels1 die hier te lande broeden2 men noemt hen broedgasten4 ,andere trekvogels1 die hier den winter doorbrengen en in andere streken broeden1 noemt men wintergasten 7koperwieklijster1 bonte kraai74 ,ook zijn er trekvogels1 die ten ,noorden van ons land broeden en ten ,zuiden daarvan den winter doorbrengen2 deze noemt men doortrekkers4 ,de trekvogels houden zich onderweg natuurlijk hier en daar op om te rusten en om voedsel op te nemen4 ,zoo slaan alle trekvogels1 die zich uit ,europa naar ,afrika begeven1 vr zij de ,middellandsche ,zee oversteken1 in 't ,zuiden van ,spanje1 van ,itali of 't ,balkanschiereiland1 of op een der ,grieksche eilanden neer4 ,van de kraanvogels1 die in ,noordelijk ,europa broeden en in ,noordelijk ,afrika overwinteren1 slaan soms kleinere of grootere troepen op onze ,geldersche of ,brabantsche heiden neer1 waar zij zich intusschen soms niet langer dan een' dag ophouden4 ,andere trekvogels1 die uit 't ,noorden komen1 blijven in 't najaar eenige weken lang in onze streken1 zwerven er soms rond en gaan eerst tegen den winter naar 't ,zuiden 7houtsnip2 sommige lijsters en leeuwriken74 ,van de ongeveer #bdj vogelsoorten1 die tot onze fauna behooren1 zijn dus sommigen standvogels1 anderen zwerfvogels1 weer anderen trekvogels2 en deze laatsten verdeelt men in broedgasten1 doortrekkers en wintergasten4 ,de dwaalgasten rekenen wij niet tot onze fauna4-- ,tusschen de verschillende vogels bestaan op verre na niet zoo belangrijke1 ingrijpende verschillen als tusschen de onderscheiden zoogdieren4 ,men onderscheidt gewoonlijk de volgende orden3 #a4 ,roofvogels1 #b4 ,klimvogels1 #c4 ,zangvogels1 #d4 ,duiven1 #e4 ,hoendervogels1 #f4 ,waadvogels1 #g4 ,zwemvogels1 #h ,struisvogelachtigen4 ,de inlandsche vogels behooren tot de eerste #g orden4 ,orde ,roofvogels4 ,krachtige snavel met haakvormig omgebogen bovenkaak1 aan den wortel met eene huid 7washuid7 bedekt4 ,krachtige pooten met groote1 kromme klauwen4 ,flink ontwikkelde vleugels4 ,gezicht zeer scherp4 ,de roofvogels nestelen op boomen1 gebouwen of rotsen2 't nest bestaat uit takjes en twijgen2 de voortplanting is niet sterk4 ,zij leven in paren4--,men onderscheidt ,dagroofvogels en ,nachtroofvogels of ,uilen4 ,de laatsten slapen over dag1 en gaan tegen den avond op roof uit4 ,met de nachtelijke leefwijze staan in verband zoowel de groote oogen als het zachte gevederte1 waardoor de vleugelslag geen geruisch maakt4 ,de kop is van voren plat2 om de oogen zijn kleine veertjes straalsgewijs geplaatst4 ,de bevedering der pooten zet zich tot op de teenen voort4--,de ,dagroofvogels hebben een' zijdelings samengedrukten kop1 minder groote oogen1 steviger veeren4 ,tot de ,dagroofvogels behooren o4a4 de koningsarend1 de sperwer1 de havik1 de valken1 de buizerden2--gieren komen in ons land niet voor4--,tot de ,nachtroofvogels behooren o4a4 de kerkuil1 de steenuil1 de ooruil4--,torenvalk1 gewone buizerd en alle inlandsche uilen zijn zeer nuttig door 't dooden van veldmuizen en andere kleine knaagdieren4 ,vele andere roofvogels1 zooals sperwer1 havik en slechtvalk1 zijn schadelijk door het dooden van insektenetende zangvogeltjes1 van pluimgedierte1 enz4 ,orde ,klimvogels4 ,twee teenen naar voren en twee naar achteren gericht4 ,overigens zeer verschillend4 ,koekoek1 spechten1 papegaaien behooren er toe2 de laatsten alleen in de tropen4 ,de koekoek is nuttig als verdelger van vele rupsen1 hoewel hij het aantal kleinere insektenetende vogels eenigszins vermindert2 want van een broedsel1 waarbij een koekoeksei is gelegd1 komt niets terecht4 ,orde ,zangvogels4 ,drie teenen naar voren1 n naar achteren4 ,men voegt eigenlijk in deze orde bijn alle vogels1 die niet best in eene der andere orden kunnen worden opgenomen4 ,de naam zangvogels is in letterlijken zin volstrekt niet op allen toepasselijk4 7kraaien67 ,men onderscheidt naar den vorm van den snavel3 dunsnaveligen3 boomkruiper 7fig4 #ha71 boomklever1 hop 7fig4 #hb72 tandsnaveligen3 met eene omgebogen punt aan den snavel2 hiertoe behooren de klauwieren 7klapekster1 fig4 #hc72 diksnaveligen1 die n plantaardig en dierlijk voedsel gebruiken2 hiertoe behooren3 raaf1 zwarte kraai1 bonte kraai1 roek 7fig4 #hd71 torenkauw1 ekster1 ,vlaamsche gaai1--spreeuw 7fig4 #hf72 priemsnaveligen3 lijsters1 wielewaal1--kwikstaarten1--nachtegaal1 roodborstje1 roodstaartje1 hofzangers 7fig4 #he71 rietzangers1 grasmusschen1--winterkoninkje 7fig4 #hg71--;goudhaantjes 7fig4 #hi72 kegelsnaveligen3 meezen 7fig4 #ia1 #ib72--leeuweriken 7fig4 #hh72-- musschen 7fig4 #ij71 vink1 putter1 kneu2 spleetsnaveligen3 zwaluwachtigen 7o4a4 huis-1 boeren-1 en oeverzwaluw2 gierzwaluw1 geitenmelker of nachtzwaluw2 fig4 #ic1 #id74 ,vele ,zangvogels doen als verdelgers van schadelijke insekten1 slakken1 enz4 groot nut4 ,boomkruiper en boomklever reinigen in den winter de stammen der boomen van insektenpoppen en insekteneieren2 meezen1 goudhaantjes en winterkoninkjes zoeken overwinterende insekten en insekteneieren van twijgen en knoppen af4--,natuurlijk doen de insektenetende vogels1 welke hier alleen des zomers zijn1 minder nut dan die1 welke ook des winters hier overblijven4 ,toch moeten vooral de nachtegaal1 het roodborstje1 het roodstaartje1 de hofzangers1 de kwikstaarten en piepers als hoogst nuttig worden beschouwd4 ,ook de onderscheiden lijstersoorten1 van welke de merel hier den winter overblijft1 doen veel nut4 ,de spreeuw1 die in den winter slechts voor zeer korten tijd wegtrekt1 moge soms door 't rooven van kersen1 aalbessen1 druiven en zachte peren zeer aanmerkelijke schade veroorzaken1--het nut dat deze vogel teweegbrengt1 is veel grooter4 ,in scharen van honderden trekken de spreeuwen1 vooral in den nazomer en het najaar1 de velden af en reinigen ze van slakken1 rupsen en bladluizen1 enz4--,van de verschillende soorten van kraaien is de roek van de meeste beteekenis1 omdat hij doorgaans in zoo groot aantal voorkomt4 ,de kraaien eten weliswaar veel engerlingen 7meikeverlarven71 emelten1 aardrupsen1 enz41 die zij uit den grond halen1 alsook veel rupsen en volwassen meikevers1 die zij van de boomen zoeken2 maar zij halen ook veel pas gekiemd zaad 7graan1 erwten1 boonen7 uit den grond en graankorrels uit de aren4 ,daardoor en door 't rooven van vele vogeleieren doen zij kwaad4--,de musschen 7huismusch en ringmusch7 doen als insekteneters zeer zeker ook nut2 maar dit wordt zonder twijfel overtroffen door het kwaad1 dat zij op onze graanvelden aanrichten4 ,orde ,duiven4 ,krachtige1 eenigszins gedrongen lichaamsbouw4 ,vleugels lang en spits4 ,snavel aan de basis met een vliesje bedekt2 kraakbeenschubben over de neusgaten 7fig4 #ie74 ,drie teenen naar voren1 ne naar achteren2 de teenen niet 7als bij de hoendervogels7 door een vliesje verbonden4--,de duiven leven in paren en bouwen kunstlooze nesten van twijgen4 ,zij voeden zich en ook hunne jongen uitsluitend met plantaardige spijs4 ,zij worden dikwijls schadelijk door 't eten van graankorrels1 erwten1 wikken1 koolzaad- en boekweitkorrels1 enz4 ,toch doen zij ook nut door 't eten van de zaden van herik1 krodde en andere onkruiden4 ,in ons land komen in 't wild voor3 de houtduif of ringduif en de tortel4 ,de rotsduif1 die als standvogel in de landen rondom de ,middellandsche ,zee1 als trekvogel op de rotsachtige kusten van ,schotland1 de ,faror enz41 nestelt1 is de stammoeder van onze huisduifrassen4 ,de in ons land veelvuldig voorkomende zoogenoemde wilde duiven zijn eigenlijk verwilderde huisduiven4 ,zij broeden op torens en aan andere groote gebouwen1 in runes1 enz4 ,orde ,hoendervogels4 ,een stevig1 gedrongen lichaam4 ,kop klein1 bij vele soorten met kale1 verschillend gekleurde plekken1 met vleezige kammen of lellen1 of met eene kuif van veeren4 ,het vooreinde van den bovensnavel grijpt over den ondersnavel heen4--,vleugels kort1 afgerond2 vlucht dientengevolge eenigszins zwaar4--,pooten stevig4 ,achterteen gewoonlijk hooger dan de voorteenen aan het loopbeen ingeplant1 en kleiner dan deze4 ,voorteenen aan hare basis door een kort vliesje verbonden4 ,de mannetjes van vele soorten hebben aan het loopbeen eene spoor4--,de hoendervogels houden zich gewoonlijk op den grond op1 waar zij hun voedsel zoeken1 dat uit zaden1 bessen1 groene plantendeelen1 insekten1 wormen en slakken bestaat4 ,tot deze orde behooren de volgende huisvogels3 de onderscheiden rassen van kippen1 misschien van verschillende stamvormen afkomstig1 die men echter in ieder geval in ,voor- en ,achter-,indi en in ,neerl4 ,indi moet zoeken2 de kalkoen1 uit ,amerika afkomstig2 het parelhoen of de poule pintade1 uit ,afrika2 de pauw1 uit ,midden-,azi4 ,de boschfasant komt oorspronkelijk in ,klein-,azi in 't wild voor1 werd bij de oude volken als huisvogel gehouden1 en wordt ook bij ons nog als zoodanig aangekweekt2 echter heeft men hem in vele streken laten verwilderen2 en zoo is hij dan ook in ,nederland een gezocht wild4--,oorspronkelijk leven in ons land slechts drie hoendersoorten3 korhoen1 patrijs en kwartel4 ,alleen de laatste is een trekvogel4 ,fasanten1 korhoenders1 patrijzen en kwartels behooren tot het wild4 ,er wordt veel jacht op gemaakt4 ,orde ,waadvogels4 ,de ,waadvogels zoeken dierlijk voedsel aan de oevers van zoete wateren1 aan de zeekust of op vochtige landerijen 7vochtige weiden en akkers1 veenstreken1 moerassen72 zij zijn diensvolgens er op ingericht om door 't water te waden3 het loopbeen is lang en even als het onderste gedeelte van de scheen geheel onbevederd en met horenplaatjes bekleed4 ,in de vlucht trekken de waadvogels de pooten niet tegen het lichaam1 zooals de vogels der tot hiertoe behandelde orden doen1 maar zij strekken ze in de volle lengte naar achteren uit4 ,de jongen der ooievaars en reigers zijn bij de geboorte kaal en blind2 die der meeste andere waadvogels zijn bij de geboorte bevederd en hebben de oogen open4--,die soorten1 welke aan het strand leven1 eten visschen1 slakjes1 schelp- en schaaldieren1 enz42 die1 welke op vochtige akkers en weiden zich ophouden1 zijn door 't eten van insekten en slakken voor den landbouw nuttig4 ,het behoeft geene verwondering te wekken1 dat ons land met zijn strand1 zijne rivieren1 meren1 veenplassen en kanalen en zijne lage landstreken1 die gedurig onder water staan1 rijk is aan waadvogels4 ,zelfs komen hier te lande soorten voor1 die in andere deelen van ,west-,europa hoogst zeldzaam zijn of er in 't geheel niet worden aangetroffen4 7,lepelaar2 roode reiger74 ,tot de waadvogels worden o4 a4 gebracht3 de kraanvogel 7zie bl4 #id1 onderste regel72--de waterhoenders1 die zich aan den waterkant ophouden1 en welker nest in 't water drijft 7hiertoe wordt ook de meerkoet gerekend72--de kwartelkoning of spriet1 die tegelijk met de kwartels hier komt en van hier vertrekt2--de goudplevier en de kievit1 die op onze bouw- en weilanden tot de nuttigste vogels behooren2--de snippen1 o4 a4 de houtsnip1 die in 't najaar zich hier te lande een tijdlang ophoudt1 en waarop dan veel jacht wordt gemaakt2--de wulpen1 met een' langen1 aan 't vooreinde neerwaarts gebogen bek2--de kemphaan1 bekend om de gevechten1 die de alsdan fraai gevederde mannetjes in 't voorjaar met elkaar hebben2--de strandloopers2--de ruiters1 waartoe de tureluur behoort1 op vochtige weiden zeer nuttig2--de algemeen bekende ooievaar2--de voor de vischteelt en de vischvangst zoo schadelijke reiger en de in ons land langzamerhand zeldzamer wordende roerdomp4 ,orde ,zwemvogels4 ,de vogels dezer orde bezitten allen zwemvermogen2 overigens verschillen de onderscheiden soorten zeer veel van elkaar4 ,zij hebben een dicht gevederte1 dat vettig wordt gehouden door het vocht1 't welk de stuitklier afscheidt4 ,bij velen zijn de pooten ver naar achteren geplaatst2 in ieder geval worden deze ledematen bij 't vliegen naar achteren uitgestoken en niet tegen 't lichaam getrokken4--,er zijn zwemvogels1 bij welke ieder der drie naar voren gerichte teenen door een' afzonderlijken huidzoom omgeven is 7gelobde zwemvoeten1 fig4 #aja1 rechts71--andere1 bij welke alleen de drie voorste teenen door een vlies aan elkander verbonden zijn1 terwijl de naar achteren gerichte teen klein is of ontbreekt 7gewone zwemvoeten3 fig4 #aja1 links72 weer andere1 bij welke alle teenen recht of schuins naar voren gericht zijn en door een zwemvlies aan elkaar verbonden 7roeivoeten3 fig4 #aja1 in 't midden74 ,tot de zwemvogels behooren o4 a4 de familie der eendachtigen1 die der meeuwen1 der duikers en der roeipootigen4 ,de eendachtigen hebben gewone zwemvoeten2 hun snavel is aan den rand met horenachtige dwarsplaatjes bezet 7fig4 #ajb71 waardoor de spijzen 7ten deele dierlijk voedsel1 ten deele wortels en groene plantendeelen7 eenigszins kunnen worden verbrijzeld4 ,de eendachtigen vliegen vrij goed4--,hiertoe behooren zwanen1 ganzen1 eenden4 ,de wilde ganzen komen hier in den herfst en den winter1 en vreten gras1 wintergraan- en winterkoolzaadplanten2 ook aardappelen1 wortelen1 koolrapen en knollen1 wanneer deze bij hare komst nog op 't land te vinden zijn4 ,ook vernielen zij de te velde staande wintergewassen1 doordat zij ze plat treden4--,de wilde eenden worden eveneens schadelijk4--,tamme ganzen en tamme eenden worden in vele rassen aangefokt4 ,de meeuwachtigen 7fig4 #ajd7 hebben gewone zwemvoeten en tamelijk lange pooten1 die voor waden geschikt zijn4 ,lange1 spitse vleugels2 zijdelings samengedrukte snavel4--,deze vogels broeden in grootere of kleinere troepen aan de kust 7zilvermeeuw1 mantelmeeuw1 stern1 zeezwaluw71 enkele soorten aan de oevers van meren1 plassen en rivieren 7kapmeeuw74 ,zij voeden zich met visschen1 wormen1 schelpdieren1 enz42 sommige met muizen en insekten4 ,duikers hebben korte vleugels2 hunne pooten zijn zeer ver naar achteren geplaatst2 sommige soorten 7fuut1 fig4 #aja1 rechts7 hebben gelobde zwemvoeten4 ,roeipootigen hebben roeipooten 7fig4 #aja1 midden in74 7schollevaar47 ,,klasse ,,iii4 ,,kruipende ,,dieren ,,of ,,reptielen4 ,de dieren1 die tot deze klasse behooren1 zijn koudbloedig1 ten gevolge van de vermenging van het slagaderlijke bloed der linker harthelft met het aderlijke bloed der rechter harthelft4 7,vgl4 bl4 #dj74 ,terwijl zij in dit opzicht met de volgende klasse 7die der ,amphibin7 overeenstemmen1 verschillen zij ervan o4 a4 doordat zij niet als dezen eene naakte huid hebben1 maar met schubben of schilden bedekt zijn4--,zij doorloopen ook geene gedaanteverwisseling1 zooals de ,amphibin doen4 ,het reptielenei is ongeveer als het vogelei gebouwd2 echter is de schaal niet zoo hard en broos1 maar meer buigzaam1 doordat er geen kalk in is afgezet4 ,het ei wordt f door de zonnewarmte1 f door de in mest of rottende bladeren zich ontwikkelende warmte uitgebroed4 ,ook zijn er ,kruipende dieren1 die hunne eieren in 't lichaam houden tot het oogenblik dat de jongen worden geboren 7adder74 ,tot de ,reptielen brengt men de volgende orden3 krokodillen1 schildpadden1 hagedissen1 slangen4 ,tot de eerste twee orden behooren geene inlandsche vertegenwoordigers4 ,hagedissen hebben voor 't meerendeel #d pooten2 zij hebben oogleden en uitwendige gehooropeningen2 zij bezitten een borstbeen en alleen aan de voorste rompwervels ribben4 ,zij kunnen hunnen bek niet zoo wijd openen als de slangen4--,inlandsch zijn eenige soorten van hagedissen 7fig4 #aje7 en de pootlooze hazelworm 7fig4 #ajf74 ,slangen 7fig4 #ajg1 #ajh7 hebben geen pooten1 geen oogleden noch uitwendige gehooropeningen1 geen borstbeen1 ribben aan alle wervels2 zij kunnen door eene bijzondere inrichting den muil zeer wijd openen en aldus veel grooter dieren als spijs opnemen dan men zou verwachten4--,inlandsch zijn3 #a4 de niet vergiftige ringslang 7blauwachtig grijs met zwart en wit gevlekten buik2 een zwarte en een witte band om den hals71 die op 't land en in 't water leeft1 #b4 de evenmin vergiftige gladde slang 7bruin met zwarte vlekken71 #c4 de giftige adder 7fig4 #ajh74 ,deze laatste heeft een' breeden1 aan 't vooreinde stompen kop1--een lichaam1 dat bij den staart plotseling smaller wordt1--eene groengrijze of bruinachtige kleur1 en over den rug een' zwarten zigzagband of eene reeks van zwarte ruitvormige vlekken4 ,lengte #a_/b ,m4 ,de beide haakvormige giftanden zitten vr in de bovenkaak2 bij het openen van den muil veranderen zij van stand en komen loodrecht op de bovenkaak te staan4 ,zij zijn doorboord door een kanaal1 dat van de gifklier komt1 zoodat het vergif onmiddellijk in de beide door de tandjes gemaakte wonden geraakt4 ,de beet van de adder is gevaarlijk en kan doodelijk zijn4 ,het vergif werkt echter alleen nadeelig1 wanneer het in het bloed wordt uitgestort2 niet wanneer het in den darm komt4--,ofschoon de adder nut doet door 't verslinden van vele veldmuizen1 moet zij wegens het gevaar1 dat zij voor den mensch oplevert1 zooveel mogelijk worden uitgeroeid4 ,,klasse ,,iv4 ,,amphibi,n4 ,de ,amphibin zijn koudbloedig1 en wel om dezelfde reden als de ,kruipende dieren 7bl4 #da74 ,huid naakt1 vochtig1 veelal slijmig2 door haar heen neemt het bloed zuurstof uit de lucht op1 en1 hoewel er ook andere ademhalingsorganen aanwezig zijn1 treedt dus ook de huid mee in dienst van de ademhaling4--,de ,amphibin doorloopen eene gedaanteverwisseling2 d4 i4 reeds vr de jongen den vorm hebben aangenomen1 dien de volwassen dieren hebben1 verlaten zij het ei1 nemen zelven hun voedsel op en leiden aldus een zelfstandig leven4 ,als voorbeeld wil ik hier de gedaanteverwisseling van den bruinen of landkikvorsch bespreken 7fig4 #aji74 ,het ei bestaat uit eene donkere massa1 zoo groot ongeveer als een bakerspeldeknop1 omgeven door een' dunnen wand4 ,maar zoodra de eieren in 't water komen1 neemt hun wand eene groote hoeveelheid water op en neemt daarbij een' veel grooteren omvang aan 7a72 zoodat de door nen kikvorsch gelegde eieren met elkander eene massa kikkerdril vormen1 dubbel zoo groot als de kikvorsch zelf4 ,de donker gekleurde inhoud van 't ei1 aanvankelijk rolrond1 wordt langwerpig 7b72 en weldra ontstaat daaruit een larfje1 dat zich door den eiwand heenwerkt en zich in 't water begeeft4 ,aan dit larfje 7c71 dat spoedig den vorm van een vischje krijgt 7d71 vindt men eenigszins vertakte huiduitstulpingen1 door welke heen zich een stroom begeeft van bloed1 hetwelk uit het omgevende water zuurstof opneemt4 ,de bedoelde huiduitstulpingen noemt men kieuwen2 en daar zij niet1 als bij de visschen1 alleen door eene kieuwspleet met de omgeving in verbinding staan1 maar uitwendig gezeten zijn1 noemt men ze uitwendige kieuwen4 ,weldra vormt zich een huidzoom 7d71 die vooral den staart omgeeft1 zoodat een ware roeistaart wordt gevormd4 ,intusschen ontstaan inwendige kieuwen1 terwijl de uitwendige verdwijnen4 ,dan zijn de larfjes 7donderpadjes7 geheel vischvormig4 ,spoedig ontstaan ook de ledematen2 eerst de achtersten 7e71 een' heelen tijd later de voorsten 7f74 ,terwijl nu de longen gevormd worden1 vernauwen zich de kieuwspleten1 die zich later geheel sluiten2--de staart wordt kleiner1 terwijl kop en romp snel in omvang toenemen4 ,weldra verlaat nu ook het dier1 dat reeds geheel op een' kleinen kikvorsch gelijkt1 het water 7g71 en spoedig verdwijnt nu de staart geheel en al 7h74--,in hoofdzaken komt de gedaanteverwisseling 7metamorphose7 van alle ,amphibin met die van den kikvorsch overeen4--,de dieren dezer klasse begeven zich1 met weinige uitzonderingen1 in 't voorjaar in 't water om zich voort te planten2 hoewel zij in de overige deelen des jaars op 't land leven1 vindt men ze toch zonder uitzondering slechts op vochtige plaatsen4 ,tot deze klasse behooren de volgende inlandsche soorten3 de bruine of landkikvorsch 7fig4 #aji1 ,a71 de groene of waterkikvorsch 7,b71 de boomkikvorsch1 de padden1 ook de land- en watersalamanders4--,kikvorschen en padden bezitten in den volwassen toestand geen' staart1 en vrij lange pooten2 de salamanders hebben in den volwassen toestand wl een' staart en betrekkelijk korte pooten4 ,de salamanders 7fig4 #aaj7 zijn eenigszins hagedisvormig1 maar verschillen van de hagedissen doordat zij niet met schubben bedekt zijn4--,kikvorschen en padden eten vele insekten en slakken2 zij vangen hunne prooi door het plotseling uitwerpen van hunne slijmige tong 7fig4 #aji1 ,a71 waaraan het dier1 dat zij willen vangen1 vastkleeft2 zij trekken daarna de tong weer in en slaan die in den mond om4 ,zij doen als insektenverdelgers zeer veel nut4 ,daarom is het zeer te bejammeren1 dat bij ons te lande niet wordt tegengegaan de kikvorschmoord op groote schaal1 die soms vooral in het ,zuiden van ,nederland wordt uitgeoefend door personen1 die kikkerbilletjes aan de ,parijsche restaurants willen leveren4--,padden1 die zich onder 't loof der aardbezieplanten ophouden1 worden vaak met een wantrouwend oog aangezien2 terwijl toch de pad geene stukken van de aardbeien afvreet1 maar juist de slakken verdelgt1 die dit doen4 ,,klasse ,v4 ,,visschen4 ,visschen zijn koudbloedige dieren1 die hun geheele leven lang door kieuwen ademen4 ,het hart bestaat uit slechts ne kamer en ne voorkamer 7zie blz4 #cg1 #ch74 ,de kop sluit zich onmiddellijk aan den romp aan1 zoodat een hals ontbreekt 7fig4 #aaa74 ,de visschen bewegen zich hoofdzakelijk met den staart1 aan welks uiteinde de staartvin geplaatst is4 ,met de rugvin 7-vinnen7 en de achter de aarsopening gezeten aarsvin ligt deze laatste in het middenvlak van den visch1 terwijl de aan den schedel bevestigde borstvinnen zoowel als de buikvinnen parige lichaamsaanhangselen zijn1 die zich min of meer met het twee paar ledematen der overige ,gewervelde dieren laten vergelijken4--,het skelet der meeste visschen 7snoek1 baars1 karper1 paling1 schol7 bestaat uit been2 bij eenige vischsoorten 7haai1 rog7 is het kraakbeenig4--,de huid is bij verreweg de meeste visschen met schubben bedekt4 ,,hoofdafdeeling ,,ii4 ,,gelede ,,dieren4 ,het lichaam der ,gelede dieren is tweezijdig symmetrisch1 en bestaat uit een bij de verschillende soorten zeer ongelijk aantal achter elkaar gelegen leden 7fig4 #aab74 ,wel zijn deze leden oorspronkelijk alle aan elkaar gelijk2 maar gedurende de ontwikkeling van het dier treden de onderscheiden leden in dienst van verschillende verrichtingen1 en zoo ontstaat er soms een zeer groot onderscheid4 7,vergel4 bijv4 de in fig4 #aac1 #a afgebeelde sluipwesp met den vorm1 dien dit dier in zijn eerste jeugd heeft3 #b74 ,dikwijls vergroeien verschillende leden met elkander1 en dan vertoont het lichaam eene indeeling in enkele lichaamsafdeelingen 7insekten72 of zelfs alle leden versmelten tot n geheel 7mijten74 ,in 't laatstbedoelde geval kan men nog slechts aan de gelede pooten zien1 dat men met een ,geleed dier te doen heeft4 ,wel behooren ook tot de wormen 7#c;e ,hoofdafdeeling van het ,dierenrijk7 dieren1 welke uit leden bestaan 7bijv4 de regenworm72 maar deze wormen hebben f geene f slechts kleine1 ongelede pootjes2 nooit gelede pooten1 zooals de ,gelede dieren bezitten4 ,slechts in hunne eerste jeugd kunnen de insekten pootloos zijn 7fig4 #aac1 #b7 of ongelede lichaamsaanhangselen hebben 7de achterste pooten van eene rups3 fig4 #aad74--;,de kop der ,gelede dieren bezit verschillende op elkaar volgende paren kaken1 die zich van links naar rechts en van rechts naar links1 heen en weer1 bewegen4--,de lichaamsbekleeding bestaat bij de volwassen ,gelede dieren uit eene huid met harde pantserstukken2 slechts bij de eerste ontwikkelingstoestanden 7larven7 is de huid van verschillende soorten meer zacht4--,de ,gelede dieren hebben geen inwendig skelet2 de spieren zijn aan de uitwendige huid bevestigd4--,de centrale deelen van het zenuwstelsel 7bl4 #ai7 liggen bij de ,gelede dieren bijkans alle aan de buikzijde4 ,in den kop ligt de hersenknoop1 dit is eene knoopvormige1 boven den slokdarm gelegen zenuwmassa1 van waaruit zenuwen naar de oogen en de sprieten zich begeven4 ,verder vindt men aan de buikzijde des diers de zoogenoemde buikzenuwstreng1 die beneden het darmkanaal zich uitstrekt en uit verschillende zenuwknoopen 7fig4 #aae1 z7 bestaat1 welke door zenuwdraden aan elkander verbonden zijn4 ,er is geene afzonderlijke lichaamsholte voor de centrale deelen van het zenuwstelsel4 ,de ademhalingsorganen zijn bij eenige ,gelede dieren 7,schaaldieren1 zooals kreeften en krabben7 kieuwen2 de ,insekten en ,duizendpooten ademen door luchtbuizen of tracheen 7zie beneden71 en ook de ,spinachtigen bezitten meer of minder gewijzigde luchtbuizen4--,in hoofdzaken is de bouw van het luchtbuizenstelsel het volgende3 aan iederen kant van het lichaam bevindt zich eene reeks luchtgaten 7fig4 #aae1 lb71 door welke de lucht in de luchtbuizen wordt binnengevoerd4 ,deze laatsten vertakken zich herhaaldelijk1 zoodat zij ten slotte zich in zeer fijne huisjes splitsen1 welke de verschillende organen omspinnen4 ,de lucht wordt aldus naar alle deelen des lichaams heengevoerd4 ,in fig4 #aad zijn de luchtgaten van eene rups1 in fig4 #aac1 #b die van eene sluipwesplarve duidelijk zichtbaar4 ,tot de ,gelede dieren behooren vier klassen3 die der ,insekten1 ,duizendpooten1 ,spinachtigen en ,schaaldieren4 ,,klasse ,i4 ,,insekten ,,of ,,gekorven ,,dieren4 ,ademhaling door luchtbuizen 7zie boven74--,de leden zijn tot drie lichaamsafdeelingen vereenigd3 kop1 borststuk en achterlijf 7fig4 #aaf74 ,aan den kop1 die de oogen1 de voelhorens of sprieten en de kaken draagt1 laten zich de verschillende leden1 die hem samenstellen1 niet meer onderscheiden4 ,het borststuk bestaat uit drie leden 7fig4 #aaf1 ,b#a1 ,b#b1 ,b#c71 van welke het eerste 7't voorborststuk7 een paar pooten1 en het tweede 7't middenborststuk7 zoowel als het derde 7't achterborststuk7 een paar pooten en een paar vleugels draagt4 ,het achterlijf bestaat niet bij alle insekten uit een gelijk getal leden2 er zijn aan dit lichaamsdeel geene pooten bevestigd4--,de bovenvermelde drie lichaamsafdeelingen verrichten verschillende functin3 de kop dient vooral voor de gewaarwording en de spijsopneming1 het borststuk voor de beweging2 het achterlijf bevat hoofdzakelijk de organen voor voeding en voortplanting4 ,bijkans alle insekten hebben in den volwassen toestand aan iederen kant des kops een samengesteld oog1 d4 i4 een oog1 't welk uit een groot aantal 7tot #aj4jjj7 kleine oogjes is samengesteld4 ,bovendien vindt men bij verschillende insekten nog enkele enkelvoudige oogen boven op den kop4--,de sprieten bestaan uit leden2 overigens zijn zij bij de onderscheiden insekten zeer ongelijk2 zij dienen voor het tastgevoel4--,de monddeelen bestaan uit drie paar kaken1 van welke het eerste paar 7de bovenkaken1 fig4 #aag1 ,bov4k47 en het tweede paar 7de onderkaken1 ,o4k47 zich vrij naar elkaar toe en van elkaar af kunnen bewegen1 terwijl de kaken van het derde paar aan elkaar tot een stuk vergroeid zijn1 't welk de onderlip 7,o4l7 heet4 ,eene voortzetting van de huidbekleeding des kops 7de bovenlip1 ,bl47 steekt meer of min als een afdak over de drie bovengenoemde paren kaken uit4 ,bij de insekten1 welke vaste spijs opnemen en deze verscheuren of fijn kauwen1 zijn de kaken kort en scherp2 men noemt ze bijtende monddeelen4 ,bij die1 welke vloeibare spijs 7bloed1 plantensappen7 opnemen1 zijn zij zeer in de lengte gegroeid en tot likken1 zuigen of steken ingericht 7verlengde monddeelen74 ,de pooten der insekten 7fig4 #aah7 bestaan uit onderscheiden deelen1 die grootendeels genoemd zijn naar de deelen van een' zoogdierpoot2 toch is natuurlijk de overeenkomst tusschen de ledematen van insekten en zoogdieren niet dan geheel oppervlakkig4 ,men onderscheidt dan aan een' insektenpoot de volgende deelen3 #a4 het gewoonlijk zeer korte heuplid1 #b4 den insgelijks zeer korten dijring1 #c4 de langwerpige dij1 #d4 de aan haar uiteinde met bewegelijke stekeltjes bezette scheen1 #e4 den uit #c tot #e leedjes bestaanden voet4 ,het laatste lid van den voet is van klauwen1 soms van zuignapjes voorzien4--,de vleugels 7fig4 #aaf7 zijn eigenlijk huiduitbreidingen1 welke uit twee lagen bestaan4 ,tusschen de bovenste en de onderste huidplaat van den vleugel bevinden zich luchtbuizen4 ,in den eersten tijd1 dat het insekt vleugels heeft 7in den poptoestand71 zijn deze inngeplooid2 maar door het inpersen van lucht in de luchtbuizen der vleugels zetten zich1 bij het pas uit de pop gekomen insekt1 de luchtbuizen en daarmee de vleugels uit1 en dat wel in korten tijd4 ,daarna zet zich zeer spoedig eene vaste zelfstandigheid om de grootsten der luchtbuizen af2 op deze wijze worden de laatsten tot aderen of nerven1 welke den vleugels stevigheid verleenen4 ,bij de kevers zijn de voorvleugels geheel en al hard en meer tot bescherming van de achtervleugels en van het teere achterlijf1 dan tot vliegen geschikt4 ,bij vele insekten is n paar vleugels in den rusttoestand samengevouwen2 dit kan met de voorvleugels 7bijv4 bij de wespen7 of met de achtervleugels 7bijv4 met de kevers en sprinkhanen7 't geval zijn4 ,het achterlijf draagt slechts bij de rupsen en bij enkele andere insekten in den nog onvolwassen toestand bewegingswerktuigen1 welke echter niet geleed zijn2 zij zijn dus ongelede achterlijfspooten1 in tegenstelling met de gelede borstpooten 7fig4 #aad74 ,bij de volwassen insekten vindt men soms draadvormige 7veenmol7 of tangvormige 7oorworm7 aanhangselen aan het laatste lid van 't achterlijf2 ook draagt het achterlijf eene legboor bij zulke insekten1 welke hunne eieren in een bepaald voorwerp 7den grond1 hout1 bladeren1 andere dieren7 leggen4-- ,de meeste insekten hebben een zeer sterk voortplantingsvermogen4 ,enkele soorten 7vleeschvlieg1 schapenluisvlieg7 brengen levende jongen ter wereld1 maar verreweg de meesten leggen eieren4 ,uit deze eieren komen in enkele gevallen dieren te voorschijn1 die reeds volkomen op hunne ouders gelijken 7luizen72 verreweg de meeste insekten echter ontwikkelen zich met gedaanteverwisseling of metamorphose2 d4 i4 zij treden reeds in hunnen allereersten ontwikkelingstoestand zelfstandig op en zorgen dan reeds zelven voor hun voedsel4 ,daardoor behoeft het ei niet 7zooals bij de vogels en kruipende dieren7 groote hoeveelheden voedende stoffen te bevatten2 de eieren kunnen dus veel kleiner zijn1 en er kunnen tegelijk meer van worden voortgebracht4 ,de gedaanteverwisseling maakt dus dat de voortplanting sterker kan zijn dan anders mogelijk zou wezen4 ,het meerendeel der insekten1 zwakke diersoorten als zij zijn en zeer gevoelig voor minder gunstige uitwendige invloeden1 moet zich dan ook wel sterk voortplanten2 deden zij dit niet1 dan zouden zij spoedig uitsterven4 ,maar de sterke vermeerdering is dan ook weer1 als de uitwendige omstandigheden eens bij uitzondering niet ongunstig zijn1 oorzaak van dat verschijnen in massa's1 't welk bij vele insekten voorkomt 7rupsen1 sprinkhanen71 en dat bij plantenetende soorten maar al te vaak groote schade aan onze gewassen berokkent4 ,men onderscheidt twee soorten van gedaanteverwisseling3 de volkomene en de onvolkomene4 ,volkomen noemt men haar als het insekt eenen poptoestand doorleeft1 d4 i4 eenen toestand1 waarin het geen voedsel opneemt en zich gewoonlijk weinig beweegt2--onvolkomen noemt men de metamorphose1 wanneer zoodanige poptoestand niet wordt doorleefd1 en het insekt dus alleen bij de verschillende vervellingen langzamerhand eenigszins van gedaante verandert4--,het woord vervelling dien ik hier nog nader te verklaren4 ,de huidbekleeding der ,gelede dieren bestaat uit harde stukken1 die zich niet kunnen uitzetten4 ,aan het einde van eene bepaalde levensperiode worden de harde lagen der huid afgestroopt1 en het insekt komt voor den dag met eene teere huid1 die voor uitzetting vatbaar is en dus aan den groei geen hindernis in den weg legt4 ,langzamerhand wordt ook deze nieuwe huid weer harder4 ,bij de insekten met onvolkomen gedaanteverwisseling verandert de vorm van het insekt bij iedere vervelling eenigszins1 en wordt hij telkens meer aan dien van het volwassen insekt gelijk2 bij de voorlaatste vervelling komen kleine vleugelstompjes1 of liever vleugelscheeden 7fig4 #acc1 in het water1 links7 te voorschijn1 binnen welke de vleugels zelve in samengeplooiden toestand zich vormen4 ,ook de legboor van de vrouwelijke insekten komt eerst bij de vrlaatste vervelling als volledig ontwikkeld orgaan te voorschijn4 ,reeds in de eerste levensperiode gelijkt het insekt1 dat eene onvolledige gedaanteverwisseling doorleeft1 betrekkelijk veel op het volwassen dier2 veel meer dan bij die insekten 't geval is1 welke eene volkomen gedaanteverwisseling doorloopen4 7,zie fig4 #abb74 ,de tijd1 welken een insekt met volkomen gedaanteverwisseling in den poptoestand doorbrengt1 duurt op verre na niet altijd even lang4 ,van het groote koolwitje 7fig4 #aai7 komen alle jaren twee opvolgende geslachten 7generatin7 voor2 de eerste generatie doorleeft den winter in den poptoestand1 van de andere vindt men de poppen in den zomer4 ,terwijl nu het insekt der wintergeneratie ongeveer een half jaar in den poptoestand doorbrengt1 duurt deze toestand bij de zomergeneratie nog geen maand4 ,hooge temperatuur bespoedigt de ontwikkeling4 ,ofschoon een insekt in den poptoestand geene spijs opneemt1 ademt het toch en verbruikt het aldus voortdurend stof1 echter slechts eene geringe hoeveelheid1 daar het dier zich slechts weinig beweegt 7zie bl4 #bf74 ,vanwaar krijgt nu de pop haar voedsel1 om dit verlies aan stof te dekken8 ,in den larvetoestand neemt het insekt veel meer voedsel op dan het voor zijnen groei noodig heeft4 ,uit dit overschot vormen zich de reservestoffen1 die in het zoogenoemde vetlichaam der larve worden afgezet4 ,gedurende den poptoestand worden deze reservestoffen gebruikt om de ademhaling te onderhouden4 ,daarom weegt eene pop onmiddellijk nadat zij uit de rups is ontstaan1 meer dan eene pop1 die binnenkort in vlinder zal veranderen4 ,de larven en poppen zijn bij de onderscheiden insektensoorten zeer verschillend van vorm4 ,men onderscheidt de larven in3 rupsen1 ware larven en maden4 ,de maden 7fig4 #abc1 b1 c7 zijn pootloos en hebben geen' duidelijk zichtbaren1 met eene harde huid bekleeden kop4 ,de ware larven hebben wl een' harden kop1 die van de overige deelen van den romp duidelijk te onderscheiden is2 sommige larven hebben borstpooten 7fig4 #aba71 andere niet 7fig4 #abh74 ,achterlijfspooten echter bezitten zij niet1 hoogstens aan 't uiteinde van 't achterlijf een paar ongelede lichaamsaanhangselen4 ,de rupsen 7fig4 #aad1 #abj1 a7 hebben een' duidelijk zichtbaren1 harden kop1 #c paar gelede borstpooten en een verschillend aantal ongelede achterlijfspooten4 ,men onderscheidt ware rupsen1 die later in vlinders veranderen1 en bastaardrupsen1 die de jeugdtoestand van bladwespen zijn4 ,de laatsten 7fig4 #abd7 hebben een' kogelronden kop en bezitten #f-h paar achterlijfspooten2 bij de eersten 7fig4 #aai1 #abj1 a7 is de kop plat en bedraagt het aantal achterlijfspooten #b-e4 ,de gang der rupsen staat in nauw verband met het aantal achterlijfspooten4 ,is dit aantal vrij groot en zijn dus verreweg de meeste lichaamsleden van pooten voorzien1 dan blijft het geheele lichaam gedurende de beweging tamelijk wl gestrekt4 ,bevinden zich echter alleen aan het achtereinde des lichaams achterlijfspooten1 dan is het gansche middenlichaam pootloos en de voortbeweging geschiedt dan door dit pootlooze lichaamsdeel sterk te krommen4 ,dit is 't geval bij de zoogenoemde spanrupsen1 die slechts #b paar achterlijfspooten bezitten 7fig4 #add1 c74 ,de poppen zijn f door eene huid omgeven1 die den omtrek der afzonderlijke lichaamsdeelen slechts onduidelijk doet doorschemeren 7fig4 #aai1 #abj1 c72 f zij hebben eene huidbekleeding1 die ieder lichaamsdeel 7ook de vleugels1 pooten1 sprieten1 monddeelen en oogen7 afzonderlijk omgeeft 7fig4 #aba74 ,de eersten noemt men bedekte1 de laatsten onbedekte poppen4--,vele poppen zijn naakt 7fig4 #aai1 #aba72 andere zijn omgeven door eene cocon 7fig4 #abj1 b7 of door de larvehuid 7fig4 #abc1 d74 't ,laatste is het geval met de poppen van vele vliegen3 als de made verpopt1 blijft de huid van deze in samengeschrompelden toestand om de pop heen zitten4 ,eene cocon bestaat uit spinsel1 't welk als eene vloeistof in de spinklieren der larve zich vormt1 door eene opening in de onderlip naar buiten treedt1 vervolgens in draden wordt getrokken en vast wordt4 ,vele rupsen gebruiken haar spinvermogen niet slechts om eene cocon te maken1 maar ook om nesten te vervaardigen of om eenen draad te spinnen1 waaraan zij zich laten zakken4 ,men onderscheidt de klasse der ,insekten in de volgende orden3 #a4 ,kevers of ,schildvleugeligen1 #b4 ,rechtvleugeligen1 #c4 ,gaas- of ,netvleugeligen1 #d4 ,vliesvleugeligen1 #e4 ,vlinders of ,schubvleugeligen1 #f4 ,halfvleugeligen1 #g4 ,blaaspooten1 #h4 ,vliegen en ,muggen of ,tweevleugeligen1 #i4 ,vlooien1 #aj4 ,luizen1 #aa4 ,spring- en ,franjestaarten4 ,orde ,schildvleugeligen of ,kevers4 ,bijtende monddeelen 7bl4 #aca74 ,een groot voorborststuk1 dat met het middenborststuk zeer bewegelijk verbonden is4 ,de voorvleugels vervormd tot harde dekschilden1 die in den rusttoestand alleen den kop1 het voorborststuk1 een klein driehoekig stukje van het middenborstuk 7het schildje7 en soms het uiteinde van 't achterlijf onbedekt laten4 ,de achtervleugels1 die tot vliegen dienen1 zijn in den rusttoestand onder de dekschilden samengevouwen4--,gedaanteverwisseling volkomen4 ,larven met harden kop1 met of zonder borstpooten4 ,poppen onbedekt4 ,van de talrijke familin noem ik de volgende4 ,loopkevers 7fig4 #abe73 slank met lange1 dunne pooten1 draadvormige sprieten1 krachtige kaken4 ,zij loopen snel1 vliegen meestal slecht of in 't geheel niet4 ,larven langwerpig4 ,volwassen kevers en larven houden zich op en in den grond op1 en leven1 met zeldzame uitzonderingen1 van andere insekten4 ,over 't geheel nuttig4-- ,kortschildkevers3 langwerpig1 smal4 ,korte dekschilden1 die het geheele achterlijf onbedekt laten4 ,de larven gelijken veel op die der loopkevers4 ,volwassen kevers en larven voeden zich met levende insekten of met rottende organische zelfstandigheden4-- ,knotssprietigen hebben sprieten1 welker laatste leden dikker zijn dan de eerste leden4 ,hiertoe behooren o4 a4 de aaskevers en doodgravers1 die n als volwassen dier n als larve van doode dieren leven2 de doodgravers begraven de krengen in den grond1 alvorens er hunne eieren in te leggen4 ,enkele soorten van aaskevers worden n als kever n als larve wel eens schadelijk op bietenakkers4 ,tot de knotssprietigen behooren verder3 de koolzaadglanskever1 het frambozenkevertje1 het bietenkevertje4-- ,bladsprietigen 7fig4 #abf7 zijn plompe kevers4 ,van hunne sprieten zijn de laatste #c-g leden plat1 bladvormig verbreed2 zij vormen te zamen een knotsje4 ,de larven 7engerlingen1 fig4 #aba7 zijn dik1 krom gebogen2 zij hebben borstpooten2 zij leven in den grond1 in vermolmd hout of in mest4--,hiertoe behooren o4 a4 de meikever en het rozenkevertje2 ook de mestkevers en het vliegend hert4-- ,kniptorren zijn langwerpig1 overal ongeveer even breed1 met een zeer lang voorborststuk4 ,de sprieten bestaan uit leden1 die ongeveer driehoekig zijn 7zaagvormige sprieten74 ,op den rug liggende1 springen zij hoog op4 ,dit doen zij als volgt 7fig4 #abg74 ,eerst buigt het dier zich zoodanig1 dat kop en voorborststuk naar boven-1 midden- en achterborststuk en achterlijf naar beneden gebogen zijn4 ,daarna licht het de neergebogen einden van 't lichaam weer op1 waarbij de aanvankelijk omhoog gebogen verbindingsplaats tusschen voor- en middenborststuk met kracht op den grond komt1 zoodat de tor door hare eigen veerkracht hoog opspringt4 ,de buikzijde van het voorborststuk heeft aan het achtereinde een uitsteeksel1 dat juist past in eene groeve1 die in 't middenborststuk aanwezig is4 ,ligt de tor op den rug en buigt zij het midden van haar lichaam naar boven1 dan drijft zij dat uitsteeksel uit de groeve2 buigt zij het midden van het lichaam weer naar beneden1 dan komt het uitsteeksel weer in de groeve terug4--,de larven der kniptorren 7ritnaalden1 koperwormen7 zijn dun1 langwerpig1 hard van huid1 geelbruin van kleur1 met korte borstpooten en een paar ongelede uitsteeksels aan 't laatste lid van het achterlijf4--,van sommige kniptorsoorten leeft de ritnaald van humus2 andere ritnaalden echter zijn zeer schadelijk aan graan en vele andere kultuurgewassen4-- ,snuittorren 7fig4 #abh7 hebben een snuitvormig verlengstuk aan den kop1 aan welks uiteinde de kaken staan4 ,met deze snuit boren zij gaten in stengels1 takken1 bloemen1 vruchten en andere plantendeelen1 soms om voedende stoffen daaruit op te nemen1 soms om een gat te maken1 waarin zij een ei leggen4 ,de sprieten zijn bij vele soorten knievormig gebogen 7fig4 #abh7 en aan den snuit ingeplant4 ,de snuittorren vliegen zelden1 nooit anders dan in den paartijd4 ,er zijn echter soorten1 die niet kunnen vliegen1 daar de dekschilden met elkaar vergroeid zijn4 ,larven 7fig4 #abh7 pootloos1 eenigszins gebogen4--,vele schadelijke soorten1 als3 erwtenkever1 boonenkever1 bladrandkever1 appelbloesemkever1 dennensnuittorren1 graanklander4-- ,schorskevers zijn nauw aan de snuittorren verwant2 de kop is vrij dik en eenigszins verlengd1 zonder dat deze verlenging veel dunner is dan de kop zelf4 ,de sprieten eindigen in een knopje4--,de larven gelijken veel op die der snuitkevers4--,de moederkever boort een gat door de schors en bast des booms tot aan het spint en graaft van dr uit een of meer gangen 7moedergangen71 aan weerskanten waarvan zij hare eieren legt4 ,de larven graven larvengangen1 welke voor 't meerendeel loodrecht op de moedergang staan1 en die steeds wijder worden1 naarmate de larve groeit4 ,aan 't einde van den gang verpopt de larve2 en later boort zich de jonge kever door bast en schors heen naar buiten4 ,door het graven van kevers en larven wordt de verbinding tusschen bast en hout verbroken1 bast en teeltweefsel grootendeels vernield4 ,verscheiden soorten zijn voor de houtteelt zeer schadelijk3 dennenscheerder1 iepenspintkever1 enz4-- ,boktorren hebben zeer lange sprieten1 die zij veelal naar achteren gebogen dragen1 als een bok zijne horens4 ,de pootlooze larven leven in 't hout4 ,sommige soorten 7o4 a4 de populierboktor7 zijn schadelijk4-- ,goudhaantjes of bladkevers 7fig4 #acj7 zijn gedrongen van vorm1 aan de rugzijde bol4 ,de larven leven voor 't meerendeel buiten op de bladeren van dezelfde gewassen1 waarvan ook de kevers vreten2 enkele soorten leven inwendig in plantendeelen2 zij hebben drie paar pooten4 ,vele goudhaantjes hebben schitterende metaalkleuren4 ,tot deze familie behooren o4 a4 lelietorretje1 aspergekevertje1 elzenhaantje1 ,coloradokever1 schildpadtorren1 ook de springende aardvlooien4-- ,lievenheersbeestjes 7fig4 #aca7 zijn half bolvormig4 ,de larven gelijken veel op die der goudhaantjes1 maar hebben langere pooten4 ,zij eten1 evenals de volwassen kevers1 bladluizen4 ,orde ,rechtvleugeligen4 ,monddeelen bijtend4 ,voorvleugels leerachtig2 achtervleugels vliezig1 in den rusttoestand onder de voorvleugels waaiervormig inngeplooid 7fig4 #acb74 ,gedaanteverwisseling onvolkomen 7bl4 #acd74--,men onderscheidt loopende en springende rechtvleugeligen4 ,tot de loopende rechtvleugeligen behooren oorwormen en kakkerlakken 7o4 a4 de gewone keukenkakkerlak of bakkerstor72--tot de springende rechtvleugeligen3 de veldsprinkhanen 7zonder sabelvormige legboor71 de sabelsprinkhanen 7met eene sabelvormige legboor bij de wijfjes71 de krekels 7rolrond of plat van lichaam1 terwijl de twee vorige familin meer hoog dan breed van lichaam zijn74 ,tot de veldsprinkhanen behooren de meesten der kleine sprinkhaantjes1 welke op weilanden zoo algemeen zijn1 maar ook de beruchte treksprinkhanen2--tot de krekels o4 a4 de huiskrekel 7kriek1 iem7 en de zoo schadelijke veenmol 7fig4 #acb74 ,orde ,gaas- of ,netvleugeligen4 ,monddeelen bijtend4 ,voor- en achtervleugels veel op elkaar gelijkend1 met een sterk vertakt net van nerven 7fig4 #acc74 ,gedaanteverwisseling onvolkomen of volkomen 7bl4 #acd74 ,eene onvolledige gedaanteverwisseling hebben3 de in warmere streken levende termieten2 de haften en glazenmakers1 welker larven in 't water leven 7fig4 #acc74 ,de volwassen glazenmakers dooden insekten1 waaronder vele schadelijke2--de termieten zijn door hunne vernielzucht zeer bekend4 ,eene volledige gedaanteverwisseling doorloopen3 de gaasvliegen1 de schorpioenvliegen1 de kokerjuffers4 ,de gaasvliegen bezitten in den toestand van larve een paar zeer groote1 doorboorde kaken1 waarmee zij een ander insekt 7meestal eene bladluis7 aangrijpen1 terwijl zij de lichaamssappen door de openingen in de kaken heen opslurpen4 7,nuttig47 ,tot de familie der gaasvliegen behoort ook de mierenleeuw 7fig4 #acd71 die als larve in een trechtervormig kuiltje in 't zand leeft1 en verschillende insekten uitzuigt1 welke in dit kuiltje vallen 7vooral mieren74--,de schorpioenvliegen dooden in de vlucht vele insekten4--,de kokerjuffers leven als larven in 't water1 en wel in kokertjes1 die zij uit plantendeelen1 stukjes steen of schelpen samenstellen4 ,orde ,vliesvleugeligen4 ,bovenlip en bovenkaken niet verlengd 7bl4 #aca71 de laatsten tot bijten ingericht4 ,onderkaken en onderlip in de lengte gegroeid1 bij sommige soorten een' soort van snuit vormend1 geschikt om honig uit de bloesems te zuigen 7fig4 #ace74 ,zijn deze laatstbedoelde monddeelen minder sterk verlengd1 dan kunnen zij in ieder geval dienen voor 't oplikken van lichaamssappen uit aangebeten dieren 7mieren7 of uit plantendeelen 7wespen74 ,de bovenkaken dienen om te bijten3 't zij om houtdeelen stuk te maken1 die voor 't bouwen der nesten worden gebruikt 7wespen71 't zij om eene opening te maken in dieren of plantendeelen1 waaruit zij daarna vocht oplikken 7mieren1 wespen71 't zij om bloemdeelen door te bijten1 om aldus bij de honigbakjes te komen 7brombijen74--,vleugels alle vier vliezig1 met weinig of zeer weinig nerven4--,gedaanteverwisseling volkomen 7bl4 #acd74 ,larven bij vele familin madevormig1 bij de bladwespen rupsvormig 7bastaardrupsen74 ,het wijfje bezit eene legboor1 die van zeer verschillenden bouw kan zijn1 en die bij onderscheiden soorten 7graafwespen7 niet slechts voor het eierleggen maar ook voor verdediging dient2 bij andere soorten dient zij slechts voor 't laatsbedoelde werk1 en vindt het eierleggen plaats door de anale opening 7bijen1 wespen74 ,de tot steekorgaan vervormde legboor wordt angel genoemd4--,de bij andere insekten in 't achterlijf aanwezige klieren1 welke eene kleverige zelfstandigheid afscheiden1 die tot vasthechting der eieren aan bladeren1 enz4 dient1 zijn bij de angeldragende vliesvleugeligen tot giftklieren vervormd4 ,vele vliesvleugeligen 7alle graaf-1 sluip-1 gal-1 bladwespen1 ook vele soorten van bijen en wespen7 leven alleen2 anderen 7alle mieren1 vele bijen en wespen7 vormen staten1 welke soms uit duizenden individu's bestaan4 ,in deze staten grijpt altijd eene verdeeling van den arbeid plaats in zoover1 dat men naast de mannelijke en vrouwelijke voortplantingsdieren1 die uitsluitend voor de voortplanting dienen1 steeds onvruchtbare werkdieren of arbeidsters vindt3 vrouwelijke individu's met voortplantingsorganen1 die niet tot volkomen ontwikkeling zijn geraakt4 ,deze arbeidsters bouwen de woningen1 kweeken de larven op en verdedigen den staat tegen den aanval van vreemde dieren2 zij zijn dan ook in veel grooter aantal in elken staat aanwezig dan de voortplantingsindividu's4-- ,familie der bijen4 ,zeer verlengde ondertong kaken en onderlip1 waarmee honig uit de bloemen wordt gezogen4 ,lichaam plomper en meer behaard dan dat van de wespen4 ,de pootlooze larven worden met stuifmeel of met een mengsel van stuifmeel en honig gevoed4 ,voor 't vasthouden van het in de bloesems verzamelde stuifmeel dienen o4 a4 bij honigbijen en hommels de zeer verbreede scheenen der achterpooten en het eerste1 bijzonder groote1 lid van den voet dezer ledematen2 vele andere bijen dragen aan den onderkant van het achterlijf stuifmeel mee4--,de in staten levende bijen maken hare nesten van was 7dat aan de buikzijde van de werkbijen in schilfers zich afscheidt71 van zandkorrels1 hout of deelen van bladeren4 ,bij de bestuiving van vele gewassen spelen de bijen eene gewichtige rol4 ,zie hierover het deeltje over ,plantkunde4 ,de honigbij zal elders uitvoeriger worden behandeld4-- ,familie der wespen4 ,monddeelen als bij de bijen4 ,ook angeldragend4 ,slank1 weinig of niet behaard4 ,voorvleugels in den rusttoestand overlangs opgevouwen4 ,de in staten levende wespen maken hare nesten uit eene soort van papier1 hetwelk zij bereiden door hout- of bastdeelen fijn te kauwen4 ,de werkwespen zoowel als de mannetjes sterven tegen den winter2 alleen de bevruchte koninginnen overwinteren1 en wel onder mos1 in holle boomen en op andere verscholen plaatsen4 ,in 't voorjaar begint iedere koningin met den bouw van een nest2 tevens legt zij eieren en voedt zij de larven4 ,eerst later in 't jaar wordt zij bij den nestbouw en bij het voederen der larven bijgestaan door de intusschen uitgekomen werkwespen4 7,bij de bijen overwinteren ook de arbeidsters1 en sterven tegen den winter alleen de mannetjes74 ,vele wespen maken hare nesten in den grond2 de landbouwer loopt kans1 dat hij zulke nesten bij 't ploegen vernielt en dat hij en zijn paard dan door honderden wespen worden aangevallen4 ,vele wespensteken tegelijk kunnen doodelijk werken4 7,middelen3 afkoelende stoffen als geschaafde wortels of appels1 koolbladeren2--inwrijven met salmiak2--een compres met loodazijn74-- ,familie graafwespen4 ,sommige soorten lijken zeer veel op gewone wespen2 maar zij hebben de voorvleugels niet overlangs samengevouwen4 ,de graafwespen vormen geene staten4 ,het wijfje graaft een gat in den grond1 waarin zij een ei legt4 ,daarbij begraaft zij een insekt1 't welk tot voeding dient voor de te voorschijn komende larve4 ,opdat het te begraven insekt geen weerstand biede1 maar ook niet in rotting overga1 brengt de graafwesp het vooraf in een' toestand1 waarin het geene willekeurige bewegingen kan uitvoeren4 ,tot dit doel steken de meeste soorten het gevangen insekt met den angel in 't lichaam en verwonden daarbij de zenuwknoopen 7zie bl4 #abi72 daardoor wordt het wel niet gedood1 maar toch zoo goed als onbewegelijk4--,sommige graafwespen begraven rupsen 7de rupsendooder71 anderen snuittorren 7de snuittordooder71 weer anderen vliegen 7de vliegendooder74 ,dat aldus vele soorten nuttig zijn1 behoeft geen nader betoog 7fig4 #acg74-- ,familie mieren4 ,zeer groote bovenkaken2 onderkaken en onderlip niet snuitvormig verlengd4 ,arbeidsters ongevleugeld2 de mannetjes en vruchtbare wijfjes hebben vleugels4 ,achterlijf met het borststuk verbonden door een steeltje4 ,alle vrouwelijke mieren1 ook de arbeidsters1 hebben giftklieren2 sommige soorten hebben een' angel en steken op de wijze der bijen en wespen4 ,andere soorten echter missen den angel 7bijv4 de roode boschmier72 deze bijten den vijand met de bovenkaken eene opening in de huid1 krommen vervolgens het achterlijf en spuiten het vergift in de wonde4 ,alle soorten van mieren vormen staten4 ,gedurende 't grootste gedeelte des jaars vindt men in een mierennest slechts arbeidsters1 larven en poppen2 de voortplantingsdieren verschijnen in den zomer1 en zijn vr de intrede van het koude jaargetijde weer verdwenen4 ,op een' zonnigen dag vliegen zij in grooten getale uit4 ,de bevruchte wijfjes laten zich op den bodem vallen en verliezen de vleugels1 't zij dat zij ze zich zelven uittrekken of dat zij haar worden uitgetrokken door de arbeidsters1 welke hen naar haar nest meenemen1 waar het eierleggen begint4 ,de poppen van vele soorten zijn in eene cocon besloten2 deze ingesponnen poppen worden dikwijls onder den naam van miereneieren als vogelvoer gebruikt4--,de mierennesten bestaan uit dennenaalden of kleine takjes 7roode boschmier71 of zij worden in het inwendige van boomstammen 7houtmieren7 of in den grond 7weidemier7 aangelegd4 ,door het omwoelen van den bodem worden sommige soorten schadelijk2 andere soorten echter doen nut door het dooden van rupsen en andere schadelijke insekten4 ,de mieren houden veel van allerlei zoete stoffen2 vooral likken zij gaarne het zoete vocht op1 dat de bladluizen uit hare aarsopening afscheiden4 ,zij strijken de bladluizen met hare sprieten over het achterlijf om de afzondering van dit vocht te bevorderen4 ,het gebeurt zelfs dat de mieren ze naar plantendeelen overbrengen1 waar ze het best gedijen en dat zij ze1 telkens wanneer deze plantendeelen uitgezogen zijn en beginnen te verslappen1 weer naar andere plantendeelen transporteeren4 ,soms houden zij de bladluizen in onderaardsche nesten1 waar deze aan plan ten wortels zuigen4-- ,familie sluipwespen4 ,de sluipwespen leggen hare eieren in larven of poppen van insekten2 hare larven leven daar van het reservevoedsel1 't welk deze in haar lichaam hebben opgehoopt 7zie bl4 #acf72 eerst wanneer zij bijkans volwassen zijn en op 't punt van te verpoppen1 verlaten zij het insekt1 waarin zij huisden1--of wel zij verpoppen binnen dit insekt en komen later als volwassen sluipwesp naar buiten4 ,in ieder geval veroorzaken zij den dood van het door hen bewoonde insekt4--,van sommige soorten leeft ne larve1 van anderen verscheiden larven in ne insektenlarve of ne pop4 ,fig4 #ach1 ,a geeft eene afbeelding van eene koolrups1 waaruit eene menigte sluipwesplarven naar buiten kruipen1 die buiten de rups zich in eene geelachtige cocon inspinnen4 ,de sluipwesp1 welke daaruit later te voorschijn komt1 is in ,c afgebeeld4--,eene sluipwespsoort kan slechts dn zich sterk vermeerderen1 wanneer het insekt1 waarin zij woekert1 in groot getal aanwezig is4 ,sluipwespen kunnen er dus niet veel toe bijdragen1 eene insektenplaag te voorkomen1 maar wl om haar te doen ophouden4-- ,familie bladwespen4 ,lichaamsbouw gedrongen2 het nooit zeer lange achterlijf begint niet1 als bij de tot dusver behandelde vliesvleugeligen1 met een smal gedeelte3 het dunne middeltje der wespen ontbreekt4 ,de legboor1 die als zij niet wordt gebruikt1 in het achterlijf is ingetrokken1 heeft den vorm van eene zaag2 zij dient om a4 h4 w4 putjes in bladeren of andere plantendeelen te zagen1 in welke de eieren worden gelegd4 ,de larven zijn bastaardrupsen 7zie bl4 #ach72 deze dieren1 die als gewone rupsen bladeren eten1 buigen in rust gaarne haar lichaam ,c-vormig inn2 sommigen heffen1 als zij worden verontrust1 plotseling haar achterlijf omhoog en buigen het over den kop heen naar voren4--,als de bastaardrupsen volwassen zijn1 spinnen zij zich1 't zij aan de planten1 waarop zij leefden1 't zij in den grond1 eene ovale cocon4--,voorbeelden3 knollenbladwesp1 bessenbladwesp 7fig4 #abd71 dennenbladwesp4 ,orde ,vlinders of ,schubvleugeligen4 ,monddeelen zuigend4 ,terwijl de verdere kaken zeer klein zijn gebleven1 zijn de twee onderkaken zeer in de lengte gegroeid en vormen deze met elkaar eene spiraalvormig innrolbare buis1 die roltong wordt genoemd 7fig4 #aci1 g71 en waarmee honig uit de bloesems wordt opgenomen 7fig4 #adj74 ,de vleugels zijn alle vier vliezig en met eigenaardige schubbetjes 7fig4 #ada71 bezet1 die oorzaak zijn van de soms zeer sprekende1 soms meer doffe kleuren4--,gedaanteverwisseling volkomen 7bl4 #acd74 ,de larven zijn rupsen 7zie bl4 #acg71 de poppen zijn bedekt 7bl4 #ach74-- ,familie dagvlinders 7fig4 #aai74 ,lichaam slank en dun4 ,vleugels breed1 in den rusttoestand omhoog geslagen1 zoodat hunne rugvlakten tegen elkaar komen4 ,sprieten aan hun uiteinde knotsvormig verdikt4--,de rupsen van de meeste soorten zijn weinig behaard2 enkele met harde dorentjes bekleed4--,poppen naakt1 hoekig4--,voorbeelden3 ,koolwitjes 7fig4 #aai71 koninginnepage1 dagpauwoog4-- ,familie pijlstaartvlinders of avondvlinders 7fig4 #adj74 ,lichaam forsch maar niet plomp4 ,vleugels lang en smal4--,rupsen onbehaard1 doorgaans een horen op het laatste lid van 't achterlijf pijlstaartrupsen1 fig4 #aad74--,verpopping in den grond2 geene cocon4 ,voorbeelden3 dennenpijlstaart1 doodshoofduil4-- ,familie spinners 7fig4 #adb1 #abj74 ,plomp1 zeer behaard4 ,sprieten bij de mannetjes van kamvormige aanhangselen voorzien2 bij de wijfjes ontbreken deze aanhangselen of zij zijn klein4 ,hoewel de vleugels bij de meeste soorten vrij groot zijn1 vliegen alleen de mannetjes flink4 ,de wijfjes verwijderen zich doorgaans niet ver van de plaats1 waar zij uit de pop zijn gekomen4 ,zij leggen dus de eieren dicht bij elkaar3 veelal in hoopen tegen boomstammen aan of in reten van de schors1 de ringelrupsvlinder in een' ring rondom een twijgje 7fig4 #adb74--;,de rupsen1 die bij vele soorten behaard zijn1 leven dus in den aanvang in elkaars nabijheid2 dikwijls spinnen zij een nest1 waarin zij f altijd 7processierups7 f gedurende het eerste gedeelte van haar leven 7ringelrups1 bastaardsatijnvlinder7 blijven4--,de rupsen van de meeste soorten spinnen eene cocon1 waarbinnen zij verpoppen 7zijderups1 ringelrups1 bastaardsatijnvlinder72 anderen spinnen slechts een weefsel van draden1 tusschen welke de pop duidelijk zichtbaar is 7nonvlinder1 plakker74 ,voor hout- en ooftboomteelt zijn vele soorten schadelijk1 voor den akkerbouw geen enkele soort4-- ,familie uilen 7fig4 #adc74 ,een stevig1 maar slank1 glad behaard lichaam4 ,vleugels flink ontwikkeld1 vooral de voorvleugels niet bijzonder breed4 ,de uilen vliegen snel1 dikwijls over dag1 hoewel zij slechts bij nacht hare eieren leggen2 verreweg de meeste soorten doen dit aan kruidachtige gewassen1 en zij leggen meestal ieder eitje afzonderlijk4--,rupsen gewoonlijk onbehaard4 ,poppen doorgaans in den grond2 geene cocon4--,vele soorten zijn voor den akkerbouw en den tuinbouw schadelijk 7kooluil1 grasrups1 aardrups1 gammarups71 slechts enkele nadeelig voor de houtteelt 7gestreepte dennenrups74-- ,familie spanrupsvlinders 7fig4 #add74 ,vlinders slank en dun van lijf1 met groote1 breede vleugels4 ,veelal traag4 ,van enkele soorten hebben de wijfjes geene 7fig4 #add1 b7 of slechts zeer kleine1 voor 't vliegen onbruikbare vleugels4 ,gelijken op dagvlinders2 maar nooit knotsvormige sprieten4--,de rupsen zijn spanrupsen 7zie bl4 #ach74 ,tot deze familie behooren de bessenspanrups en de voor de ooftboomteelt zoo schadelijke wintervlinders 7fig4 #add74-- ,familie bladrollers 7fig4 #ade74 ,kleine vlindertjes met goed ontwikkelde vleugels4 ,de rupsen leven in inngerolde bladeren 7van dr de naam671 in 't inwendige van vruchten 7de rups in de wormstekige appelen en die in de wormstekige pruimen7 of van twijgen 7dennenlotrups74-- ,familie motten 7fig4 #adf74 ,zeer kleine vlindertjes met zeer smalle vleugeltjes1 door een' franjezoom omgeven4 ,sommige soorten voeden zich met bladeren 7spinselmotten in appelboomen en meidorens72 anderen leven van gezolderd graan 7korenmot72 weer anderen van haren 7kleer- en tapijtmotten7 en andere doode zelfstandigheden4 ,orde ,halfvleugeligen4 ,de monddeelen zijn tot steken en zuigen ingericht2 zij vormen alles te zamen een' zuigsnuit4 ,deze 7fig4 #adg7 bestaat uit een' geleden koker 7onderlip71 waarbinnen twee paar stekels gelegen zijn 7de bovenkaken en de onderkaken71 die aan hun uiteinde van tandjes zijn voorzien1 met behulp van welke een gaatje in een plantendeel of in de huid van een insekt wordt gemaakt4 ,ook de bovenlip is in de lengte gegroeid4--,bij vele soorten van halfvleugeligen 7land- en waterwantsen7 zijn de voorvleugels voor een gedeelte leerachtig en taai1 terwijl de buitenrand ervan evenals de achtervleugels vliezig is 7fig4 #adh74 ,bij andere soorten 7gevleugelde bladluizen1 fig4 #adi7 zijn voor- en achtervleugels beiden vliezig en van weinig nerven voorzien4 ,sommige soorten 7weegluis1 ongevleugelde bladluizen7 hebben in 't geheel geene vleugels4--,gedaanteverwisseling onvolkomen 7bl4 #acd74 ,tot de halfvleugeligen behooren o4 a4 de weegluis1 de frambozenwants 7die op kersen1 aalbessen1 frambozen leeft en aan deze vruchten haren afschuwelijken reuk meedeelt71 verschillende soorten van waterwantsen 7als de waterschorpioen1 het bootsmannetje en de waterloopers72 eindelijk de bladluizen en de schildluizen4-- ,de bladluizen 7fig4 #adi7 hebben lange sprieten1 dunne pooten en een' langen1 dunnen zuigsnuit4 ,bij de zelfde soort vindt men gevleugelde en ongevleugelde exemplaren4 ,in den herfst zijn er mannelijke en vrouwelijke dieren2 de laatsten leggen vr den winter de eieren1 welke bestemd zijn om te overwinteren4 ,de bladluizen1 die in 't volgende voorjaar uit deze eieren te voorschijn komen1 zijn allen wijfjes1 die echter zonder voorafgaande bevruchting jongen ter wereld brengen1 welke reeds dadelijk na de geboorte de kiemen van eene nieuwe generatie in zich bevatten4 ,het aantal jongen1 door n wijfje ter wereld gebracht1 en het aantal in n jaar elkander opvolgende geslachten is bij verschillende soorten zeer ongelijk4 ,er zijn soorten1 bij welke een wijfje #hj tot #ajj jongen voortbrengt1 terwijl per jaar #i tot #ab of meer generatin elkaar opvolgen4 ,in den herfst zijn er weer mannetjes en eierleggende wijfjes4--,daar de bladluizen gedurende haar gansche leven plantensappen zuigen1 kunnen zij door haar buitengewoon sterk voortplantingsvermogen zeer schadelijk worden4 ,terwijl zij uit stengels en bladeren de sappen opzuigen1 welke deze anders zelven voor den groei en de bloem- en vruchtvorming zouden hebben gebruikt1 brengen zij hare jongen voort1 die in de onmiddellijke nabijheid der moeder den zuigsnuit in het zelfde plantendeel inboren1 en spoedig zelven beginnen zich voort te planten4 ,op deze wijze ontstaan bladluiskolonin1 die dikwijls uit honderden stuks bestaan4 ,een op deze wijze aangetast plantendeel schrompelt inn2 maar nu zouden ook de daarop zittende bladluizen sterven2 vr 't echter zoover is gekomen1 zijn verscheiden exemplaren verhuisd4 ,de derde generatie nl4 bestaat gewoonlijk niet alleen uit ongevleugelde bladluizen1 maar ten deele ook uit exemplaren1 die na eenige vervellingen te hebben doorloopen1 vleugels hebben gekregen2 deze vliegen weg1 zetten zich op eene andere plant neer en worden daar de stammoeders van nieuwe kolonin4 ,ook latere generatin bestaan deels uit gevleugelde1 deels uit ongevleugelde exemplaren4--,zoowel doordat de bladluizen vele vijanden hebben 7spreeuwen1 musschen1 grasmusschen1 enz41 lievenheersbeestjes en hunne larven1 gaasvlieglarven1 zweegvlieglarven71 als doordat zij door wind en regen soms in massa's gedood worden1 komen zij slechts nu en dan1 bepaaldelijk in droge zomers1 in z groote scharen voor1 dat zij de door haar bewoonde gewassen zoodanig beschadigen1 dat de oogst er erg onder lijdt4 ,niet slechts door saponttrekking schaden zij den planten2 ook doordat zij uit de aarsopening eene suikerhoudende1 klevende vloeistof 7honigdauw7 van zich geven1 welke1 als zij in kleine druppels op bladeren neervalt1 een gedeelte van de huidmondjes der bladeren sluit en aldus de werkzaamheid van deze vermindert4 ,ook hechten zich op de met honigdauw bedekte plantendeelen gemakkelijk sporen van zwammen vast1 welke door de lucht werden voortbewogen2 zoo kan de honigdauw de voorlooper zijn van roetdauw1 het zwart en van andere door zwammen veroorzaakte plantenziekten4-- ,de schildluizen zijn alleen in hare eerste jeugd in het bezit van pootjes1 en dus in staat zich te verplaatsen4 ,weldra zuigen de larfjes zich met haren snuit aan een' twijg1 een' tak of een' stam1 bij uitzondering ook wel aan een blad of eene vrucht1 vast4 ,dan ondergaan zij eene vervelling1 waarbij zij hare pooten verliezen2 ook wordt doorgaans haar lichaam aan den rugkant met een schild bedekt1 dat bij sommige soorten als eene vervorming van de huid moet worden beschouwd1 bij de meeste soorten echter uit eene waslaag bestaat1 welke de huid afzondert4 ,het mannetje ontwikkelt zich onder zoo'n schild tot een van pooten en meestal ook van n paar vleugels voorzien diertje1 dat zich in den volwassen staat over grootere of kleinere afstanden voortbeweegt4 ,het wijfje blijft haar geheele leven lang pootloos en onder het schild verscholen2 als het gestorven is1 blijft het schild de eieren bedekken1 waardoor deze tegen winterkoude en regen beschut zijn4 ,de mannetjes zijn veel kleiner dan de wijfjes4 ,voor den eigenlijken landbouw hebben de schildluizen geen beteekenis1 maar op houtachtige gewassen en struiken 7ooftboomen1 wijnstok7 vindt men vele schadelijke soorten4 ,orde ,blaaspooten4 ,zeer kleine insekten met een' eigenaardigen kaaktoestel1 waarmee zij de opperhuid van bladeren en bloemdeelen verwonden en deze deelen tevens uitzuigen4--,de vier smalle vleugels hebben lange franje aan de randen2 de voorvleugels zijn harder dan de achtervleugels4 ,de uiteinden der pootjes dragen geene klauwen1 maar blaasjes1 die als zuignappen dienst doen4--,gedaanteverwisseling onvolkomen 7bl4 #acd74--;,in sommige jaren vermeerdert zich de eene of andere soort zeer sterk2 dan vliegen zij--vooral op zeer warme dagen--in grooten getale in zwermen rond4--,verschillende soorten zijn er bekend1 die aan graanbloesems1 aan jonge boonenplanten1 aan vlasplanten1 enz4 schadelijk zijn4 ,orde ,tweevleugeligen4 ,monddeelen in de lengte gegroeid1 f alleen tot zuigen 7kamervlieg1 vleeschvlieg1 horzels1 parasietvliegen7 f tot steken en zuigen 7steekmuggen1 dazen7 ingericht4--,alleen de voorvleugels zijn ontwikkeld1 de achtervleugels zijn gewoonlijk door een paar kleine1 kolfvormige lichaampjes vervangen 7fig4 #aea74--;,gedaanteverwisseling volkomen 7bl4 #acd74 ,larven altijd pootloos2 de meesten hebben geen' duidelijk zichtbaren kop 7maden72 maar de kopdragende larven van de insekten dezer orde hebben bijtende monddeelen4 ,deze laatsten veranderen in bedekte poppen 7bl4 #ach72 de koplooze maden verpoppen binnen hare eigen larvenhuid4 ,familie der muggen 7fig4 #aea74 ,lange1 dunne sprieten2 lange1 dunne pooten2 lichaam slank en dun4 ,van sommige soorten 7steekmuggen1 krieuwelmugjes7 steken de wijfjes mensch en vee2 de mannetjes zuigen geen bloed maar slechts dauw of andere druppeltjes vocht1 welke zich op planten bevinden4 ,van andere soorten steken noch de wijfjes noch de mannetjes 7galmuggen1 langpootmuggen74 ,van de zoo lastige steek- en krieuwelmuggen leven de larven in stilstaand water2 vandaar dat zij in vochtige jaren en in laaggelegen1 slecht afwaterende streken 't meest voorkomen4--,van de langpootmuggen leven de grauwe larven 7emelten of grauwe wormen7 f in halfvergane organische stoffen f op bouw- en weiland1 van de wortels van grassen en granen4 ,de soorten1 welke 't laatste doen1 zijn schadelijk 7fig4 #aea47--;,galmuggen zijn klein1 de meeste soorten slechts #a #c m,m4 lang2 de vleugels zijn vrij breed1 behaard1 de pooten en sprieten lang2 de laatsten bestaan uit een zeer groot aantal leedjes1 die op hun midden behaard zijn4 ,het wijfje heeft eene legboor1 waarmee zij hare eitjes in plantendeelen legt4 ,doorgaans ontstaat op de plaats1 waar het eitje gelegd is1 eene opzwelling van het plantendeel3 soms een ware gal 7beukengalmug71 soms eene zeer kleine opzwelling1 gepaard met abnormalen groei der aangrenzende deelen4 ,tot de schadelijke galmuggen behooren o4 a4 de gele tarwegalmug1 de ,hessische mug1 de erwten- en de koolzaadgalmug4-- ,de familie der dazen of bremsen bestaat uit groote of middelmatig groote vliegen met een stevig gebouwd lichaam1 een' flink gebouwden kop1 een plat achterlijf en stevige pooten4 ,de wijfjes zuigen bloed en worden door hare steken lastig voor mensch en dier4 ,de larven leven in den grond en zijn onschadelijk4--,paardendaas1 runderdaas1 regendaas1 goudoogdaas4-- ,de familie der roofvliegen zijn meer slank en dun dan de dazen1 met welke zij overigens den stevigen bouw en de flinke pooten gemeen hebben4 ,zij dooden vele insekten1 die zij uitzuigen2 den mensch en de huisdieren laten zij met rust4-- ,familie zweefvliegen4 ,stevig gebouwd1 vrij breed4 ,meerendeels levendig gekleurd1 met zwarte en gele banden op het achterlijf4 ,zij houden zich soms een' tijd lang op eene bepaalde plaats in de lucht staande of zwevende1 waarbij zij de vleugels zeer snel op en neer slaan4 ,de larven van enkele soorten leven in bollen van planten 7uienzweefvlieg1 narcisvlieg72 die van andere soorten in vuil water 7gootmaden72 de meesten echter leven op bladeren te midden van bladluizen1 die zij uitzuigen4-- ,ware vliegen hebben een' zuigsnuit1 niet geschikt om te steken4 ,in hoofdzaken komen zij met de zwarte kamervlieg in bouw overeen4 ,behalve deze laatste1 welker made in mest leeft1 behooren tot deze familie3 de blauwe bromvlieg en de vleeschvlieg1 welker maden in gekookt of rauw vleesch leven1--de schapenvlieg1 die als made in de huid en in de daaronder gelegen deelen van 't schaap parasiteert1--de bloemvliegen1 welker maden f in mest f in planten leven 7bijv4 koolvlieg1 uienvlieg1 bietenvlieg71--de groenoogen1 die als made in grasachtige gewassen parasiteeren 7halmvlieg1 fritvlieg71--de parasietvliegen1 welker maden zich in levende rupsen ontwikkelen1 en die in de huishouding der natuur dezelfde rol spelen als de sluipwespen 7zie bl4 #aec71--;de horzels 7fig4 #abc71 die als made in de maag of den darm 7paardenhorzel71 in de neusholte 7schapenhorzel7 of onder de huid 7runderhorzel7 van verschillende dieren parasiteeren4-- ,luisvliegen4 ,lichaam plat2 huid leerachtig1 taai4 ,kromgebogen voorpooten1 geschikt voor 't klauteren in de haren van de dieren1 waarop zij parasitisch leven en welker bloed zij zuigen4 ,sommige soorten 7paardenluisvlieg7 hebben twee vleugels2 andere zijn ongevleugeld en lijken dan zeer veel op luizen 7de zoogenaamde schapenluis of schapenteek1 die eigenlijk schapenluisvlieg moet worden genoemd1 daar er bovendien eene ware schapenluis en eene ware schapenteek bestaan74 ,niet slechts komt bij de luisvliegen de made reeds binnen het moederlichaam uit het ei te voorschijn 7dit is ook bij enkele andere insekten 't geval1 o4 a4 bij de schapenhorzel en bij de grauwe vleeschvlieg672 maar de enkele made1 die tot ontwikkeling komt1 wordt volwassen geboren en verpopt onmiddellijk na hare geboorte4 ,terwijl de meeste insekten slechts nmaal zich voortplanten en daarna sterven1 herhaalt zich de voortplanting bij de luisvliegen4 ,telkens verlaat zoo'n insekt1 om eene made ter wereld te brengen1 het dier1 waarop het leeft2 de made wordt dan in eene reet tusschen planken1 in een gaatje in den grond of op eene andere beschutte plaats geboren4 ,orde ,vlooien4 ,ongevleugeld4 ,in de lengte gegroeide monddeelen1 geschikt om te steken en bloed te zuigen4 ,geen vleugels4 ,springpooten4 ,eene volkomen gedaanteverwisseling 7bl4 #acd73 larve met een' duidelijken kop1 maar pootloos2 pop onbedekt4 ,de larve van de gewone menschenvloo leeft in de reten van den vloer of op eene andere verscholen plaats4 ,de vlooien zijn tijdelijke parasieten4 ,orde ,luizen4 ,lichaam plat1 ongevleugeld4 ,monddeelen op een snuitvormig aanhangsel gezeten2 de monddeelen zelve echter zijn zuigend 7ware luizen1 die bloed zuigen7 of bijtend 7vacht- of haarluizen1 die stukjes haar of huidschilfers eten74 ,de luizen hebben kleine enkelvoudige oogjes of zijn geheel blind4 ,voorpooten gekromd1 geschikt om ermee door haren te klauteren4 ,geene gedaanteverwisseling4 ,orde ,spring- en ,franjestaarten4 ,kleine1 ongevleugelde1 met schubbetjes of haartjes bedekte insekten1 met bijtende monddeelen4 ,geene gedaanteverwisseling4 ,aan het uiteinde van 't achterlijf f draadvormige aanhangselen 7franjestaarten7 f een gaffelvormig verdeelde staart1 die langs de buikzijde van het lichaam naar voren wordt gestoken en voor 't springen gebruikt wordt 7springstaarten74--,tot de franjestaarten behoort o4 a4 de suikergast2 tot de springstaarten behooren de geslachten ,podura1 ,smynthurus1 enz4 ,,klasse ,,ii4 ,,duizendpootachtigen4 ,deze ademen door luchtbuizen 7bl4 #abi74 ,het lichaam bestaat uit een' kop en een groot aantal aan elkaar gelijke leden1 die allen ledematen bezitten 7fig4 #aab op bl4 #abg74 n paar sprieten4--,men onderscheidt3 #a4 de eigenlijke duizendpooten1 die aan elk lichaamslid n paar pooten hebben1 en die in 't bezit zijn van monddeelen1 welke voor roof geschikt zijn1 #b4 de millioenpooten met twee paar pooten aan ieder lichaamslid1 en monddeelen1 die geschikt zijn voor 't eten van humusachtige zelfstandigheden en van plantendeelen4 ,tot de millioenpooten behooren de zoogenaamde oprollers1 die zich gaarne spiraalvormig innrollen4 ,sommige soorten van oprollers eten kiemende zaden 7bietenzaad1 erwten7 of saprijke plantendeelen 7aardappelen1 knollen1 wortelen74 ,,klasse ,,iii4 ,,spinachtigen4 ,de spinachtigen ademen--voorzoover zij behalve de huid nog afzonderlijke ademhalingsorganen hebben--door tracheen of door zoogenoemde longzakken1 die slechts eene wijziging van tracheen zijn4 ,het lichaam bestaat hoogstens 7zooals bij de ware spinnen7 uit twee lichaamsafdeelingen1 welke ieder voor zich ongeleed zijn3 kopborststuk en achterlijf 7fig4 #aed74 ,terwijl het laatste lichaamsdeel geene ledematen heeft1 bezit het eerste als aanhangselen de vergift uitstortende monddeelen1 alsmede #d paar pooten4 ,er zijn echter ook spinachtigen 7de mijten1 fig4 #aee71 bij welke ook 't kopborststuk en 't achterlijf nog weer tot n ongeleed lichaam vereenigd zijn1 zoodat het dier nog slechts door de gelede pooten als een ,geleed dier te herkennen is 7zie bl4 #abg74 ,tot de spinachtigen behooren o4 a4 de volgende orden3 ware spinnen1 schorpioenen1 langpootspinnen of hooiwagens1 mijten4 ,de ware spinnen zijn1 voorzoover zij f rustig in hare web zittende f de prooi achtervolgende1 schadelijke of lastige insekten vangen1 eenigszins nuttig4 ,tot de mijten behooren o4 a4 de kaasmijt1 die op harde soorten van kaas bij duizenden kan voorkomen1 en de kaas in een poeder verandert1--de meelmijt1 die zich sterk vermeerdert in meel1 dat op eene warme1 vochtige plaats bewaard wordt1--de schurftmijten1 waarvan verschillende soorten bij onderscheiden dieren en ook bij den mensch eene huidziekte kunnen veroorzaken1--de teken1 die gewoonlijk op den grond leven1 maar soms tegen struiken en kruidachtige planten opklimmen1 om van deze op honden1 schapen1 runderen1 enz41 ook wel op den mensch1 over te gaan1 waaraan zij zich vast hechten1 en dien zij bloed afzuigen4 ,,klasse ,,iv4 ,,schaaldieren4 ,de schaaldieren ademen door kieuwen2 de meesten leven dan ook in het water1 en de landschaaldieren 7sommige pissebedden7 houden zich steeds op eenigszins vochtige plaatsen op4 ,huid hard en dik1 met kalkafzetting4 ,twee paar sprieten4--,voorbeelden3 kreeften1 krabben1 pissebedden4 ,,hoofdafdeeling ,,iii4 ,,wormen4 ,wormen zijn tweezijdig-symmetrische 7bl4 #cb7 dieren1 die als buitenste bekleeding een' huidspierzak hebben4 ,onder de opperhuid namenlijk1 die niet verhard is1 bevindt zich eene laag1 welke niet uitsluitend uit de leerhuid bestaat1 maar aan welker samenstelling steeds spiervezels deelnemen1 die aan de binnenzijde van de huid zijn gelegen4 ,de wormen bewegen zich voort door de verschillende afdeelingen van den aldus gevormden huidspierzak samen te trekken en weer te ontspannen4 ,bij sommige wormen werken tot deze voortbeweging ook pootjes mee1 bij anderen niet2 maar in elk geval spelen deze pootjes1 welke altijd ongeleed zijn1 daarbij eene ondergeschikte rol4 ,sommige wormen bezitten zuignappen1 waarmee zij zich vastzuigen1 en het lichaam bijtrekkend1 zich voortbewegen4--,er zijn gelede wormen 7regenworm1 lintwormen7 en ongelede 7spoelwormen1 leverbot74 ,bij de gelede wormen is de graad van zelfstandigheid der leden zeer verschillend4 ,bij vele lintwormen kan men ieder lid als een zelfstandig dier beschouwen2 want ieder lid leidt een' tijd lang een zelfstandig leven4 ,z groot is de zelfstandigheid der leden van een' regenworm niet2 deze leden blijven altijd een geheel uitmaken4--,tot de ,wormen behooren verscheiden1 zeer uitnloopende groepen4 ,ik vermeld slechts de klassen der ringwormen1 spoelwormen en platwormen4 ,klasse ,ringwormen4 ,gelede wormen met een rolrond lichaam en met voetstompjes1 welke langere of kortere borsteltjes dragen2 echter kunnen ook de voetstompjes ontbreken en dan zitten de borstelbundeltjes in groeven4 ,dit laatste is 't geval bij de regenwormen1 bij welke alleen bij vergrooting de borstelbundeltjes zichtbaar zijn4 ,de regenwormen zijn hermaphrodiet2 d4 i4 men vindt mannelijke en vrouwelijke geslachtsorganen bij n en 't zelfde individu4 ,de regenwormen komen hoofdzakelijk op eenigszins waterhoudenden humusgrond voor1 althans niet op zeer armen zandgrond en in leem4 ,nu en dan komen zij met hunne gangen aan de oppervlakte1 om de stoffen1 welke onverteerd uit de door hen ingeslikte aarde en uit de door hen opgenomen plantendeelen zijn overgebleven1 in den vorm van eigenaardige hoopjes weer af te geven4 ,de gangen loopen meestal scheef1 bij uitzondering ook wel recht naar beneden in den grond1 tot op eene diepte van #b #a_/b ,meter en meer4 ,zij eindigen in eene verwijding1 waarin de worm ineengerold1 den winter doorbrengt1 nadat hij de uitmonding van den gang met een prop van bladeren1 takjes1 stroo of papier heeft dichtgestopt4--,de regenworm voedt zich hoofdzakelijk met de organische stoffen1 welke zich in humusrijken grond bevinden2 maar hij neemt ook bladeren van kool1 uien en andere planten1 vooral van kiemplantjes 7in 't bijzonder die van bieten7 op4 ,hij trekt deze plantendeelen ongeveer #e c,m4 diep in zijne gangen1 en bevochtigt ze daar met eene zure1 door hem uitgescheiden vloeistof1 waardoor ze eenigszins worden aangetast alvorens te worden opgenomen4 ,wl doen de regenwormen1 doordat zij aldus kiemplanten vernielen1 eenige schade1 maar gewoonlijk zeer plaatselijk4 ,in ieder geval weegt die schade op verre na niet op tegen het nut1 dat zij teweeg brengen door het graven van hunne gangen4 ,daardoor toch kan de lucht veel beter in alle deelen van den grond binnendringen1 wat voor het plantenleven van het hoogste gewicht is4 ,nog op andere wijze worden de regenwormen in den grond voor het plantenleven nuttig1 vooral door hun groot getal4 ,darwin heeft uitgerekend dat in vele streken elk jaar op iedere ,hektare gronds een gewicht van #bejjj ,kgr4 aarde het lichaam der regenwormen passeert en aldus uit de diepte naar de oppervlakte wordt gebracht2 zoodat de geheele aan de oppervlakte liggende1 humus bevattende laag in weinige jaren hunnen darm gepasseerd heeft4 ,zij praepareeren aldus op uitstekende wijze den bodem voor den plantengroei1 daar zij de verschillende deelen er van telkens weer met de lucht in aanraking brengen4 ,zij brengen alle steentjes naar beneden1 want zij brengen de door hen opgeworpen aardhoopjes naar boven2 en deze bevatten natuurlijk alleen steentjes1 die klein genoeg zijn om den darm der regenwormen te passeeren4 ,zij mengen1 evenals de tuinman1 de bovendeelen goed doorn1 en zij begraven in minder tijd dan men zou kunnen vermoeden1 de voorwerpen1 welke aan de oppervlakte mochten liggen 7beenderen1 schelpen1 doode dieren1 bladeren71 uit welke spoedig weer plantenvoedsel gevormd wordt4 ,klasse ,spoelwormen4 ,lichaam ongeleed1 rolvormig1 naar de uiteinden toe versmald4 ,geen pootjes en borstels aanwezig4--,onder de ,spoelwormen heeft men groepen1 welker vertegenwoordigers allen in dieren parasiteeren2 andere1 die in den grond of in planten leven4 ,de in dieren parasiteerende ,spoelwormen ontwikkelen zich allen met verhuizing2 d4 i4 n en dezelfde worm brengt niet zijn geheele leven in 't zelfde dier door1 maar gaat--wanneer het dier1 waarin hij leeft1 door een ander wordt opgegeten1 in dit laatste over1 of brengt een deel zijns levens in 't water door om later parasiet te worden4 ,het spreekt van zelf1 dat zulke spoelwormen1 die zich met verhuizing ontwikkelen1 veel kans hebben1 dat zij niet terecht komen juist in de diersoort1 waarin zij kunnen leven2 zal de soort niet uitsterven1 dan is dus het voortbrengen van een groot aantal eieren noodig4--,de in planten levende spoelwormen verhuizen hoogstens van den bodem naar de plant1 die erop groeit en van deze terug naar den bodem2 de kans van te verdwalen1 zoodat zij niet tot verdere ontwikkeling zouden kunnen geraken1 is veel geringer4 ,uit het bovenstaande zal dus duidelijk zijn geworden1 waarom de in dieren parasiteerende spoelwormen een groot getal eieren leggen1 die dus zeer klein moeten zijn1 terwijl de in planten of in den grond levende soorten een kleiner getal betrekkelijk groote eieren leggen4 ,vermeerderen zich de in planten woekerende soorten sterk1 dan is dit vooral toe te schrijven aan het groote aantal generatin1 dat elkander per jaar opvolgt1 niet zoo zeer aan het buitengewoon groote aantal eieren1 door ieder dier gelegd4 ,ik noem hier slechts enkele belangrijke soorten4 a4 ,spoelwormen1 die in dieren parasiteeren3 vele soorten van darmspoelwormen bij den mensch en bij vele huisdieren2--de spoelworm1 die in de luchtpijp der schapen en die1 welke in de luchtpijp der runderen leeft2--de trichine1 die als larve in de spiervezels van het varken gevonden wordt1 en dus1 wanneer een mensch zulk met trichinen besmet rauw of onvoldoend gekookt varkensvleesch eet1 in den darm van den mensch overgaat4 ,daar1 in den darm1 wordt de trichine volwassen en plant zij zich voort2 de jonge trichinen1 die bij duizenden worden voortgebracht1 doorboren den darmwand en vestigen zich later in de spieren van den mensch4 ,de trichine kan oorzaak worden van eene zeer gevaarlijke ziekte bij den mensch4 b4 ,spoelwormen1 die in planten woekeren3 het stengelaaltje 7oorzaak van eene eigenaardige ziekte in rogge1 haver1 uien1 boekweit1 klaver1 enz472--het tarweaaltje 7oorzaak dat zwartwandige gallen ontstaan op de plaats1 waar bij een normale plant de tarwekorrels in de aar zitten72--het bietenaaltje 7oorzaak van eene ernstige ziekte in de suikerbieten1 in haver en eenige andere planten4 ,klasse ,platwormen4 ,een plat1 dikwijls bladvormig lichaam2 doorgaans geene lichaamsholte3 de ruimte tusschen de inwendige organen en den huidspierzak wordt door eene sponsachtige zelfstandigheid aangevuld4--,hiertoe brengen wij de ,lintwormen en de ,zuigwormen4 ,orde ,lintwormen4 ,den lichaamsbouw van een' lintworm kan men uit fig4 #aeg leeren kennen4 ,men onderscheidt een zeer kleinen kop1 die zich naar achteren toe voortzet in een' nog smalleren hals1--verder een zeer groot aantal leden1 van welke de eersten zeer smal en kort en de volgenden grooter zijn1 naarmate zij verder van den kop verwijderd zijn4 ,in den aanvang bestaat de lintworm uit niets anders dan den kop1 die zich met zuignappen of dergelijke organen aan den wand des darms vasthoudt4 ,later groeit het achtereinde van den kop in de lengte en vormt z den zoogenoemden hals2 spoedig echter vormt zich op een' kleinen afstand van het uiteinde van dezen hals een dwarswand4 ,daardoor wordt alzoo het eerste lid afgesnoerd1 dat aan den hals bevestigd blijft1 tot weer een nieuw lid1 onmiddellijk vr het eerstgevormde1 zich afzondert4 ,op gelijke wijze vormt zich ieder volgend nieuw lid4 ,die1 welke zich bevinden op den grootsten afstand van den kop1 zijn de oudste leden4 ,ieder lid bezit zijne eigen geslachtsorganen1 zoowel mannelijke als vrouwelijke2 ieder lid groeit zelfstandig en wordt op een' bepaalden tijd geslachtsrijp1 terwijl de dichter naar den kop toe gelegen leden dit nog niet zijn4 ,zoodra een lid volgroeid is1 laat het los1 verlaat 7gewoonlijk met de uitwerpselen7 den darm van 't dier1 waarin de lintworm leeft1 en kruipt weg1 soms over groote afstanden2 later barst het1 zoodat de eieren vrij raken4 ,een lid van den lintworm moet dus als een afzonderlijk dier worden beschouwd1 hoewel toch de leden1 zoolang zij aan elkaar bevestigd zijn1 te zamen een geheel uitmaken4 ,de kop kan1 gelijk blijkt uit hetgeen boven werd gezegd1 in 't geheel niet worden vergeleken met den kop van een ander dier2 hij heeft geenen mond4 ,de lintworm heeft trouwens ook geenen darm3 kop en leden nemen ieder voor zich de verteerde voedende stoffen op1 welke in den darm1 waarin zij leven1 aanwezig zijn2 deze voedende stoffen dringen osmotisch door den lichaamswand van den lintworm4 ,aan den top van den kop vindt men ter bevestiging aan den darmwand zuignappen en bij sommige soorten ook een' krans van haakjes 7fig4 #aeg1 ,b74--,het aantal eieren1 't welk een lid voortbrengt1 kan tienduizenden bedragen4 ,wanneer deze eieren beginnen te rijpen1 soms reeds eerder1 zondert zich het lid van de overige leden af2 het verlaat den darm1 hetzij passief met de uitwerpselen1 of actief door eruit te kruipen4 ,zoo'n lintwormlid1 naar buiten gekomen1 kruipt als eene slak verder en hecht zich dikwijls vast aan de eene of andere plant4 ,nu laat het zich hooren1 dat zeer licht een lintwormlid of althans eenige door zoo'n lid afgezonderde eieren door een grazend dier kunnen worden opgenomen4 ,slechts dn wanneer een lid of de eieren van eene bepaalde lintwormsoort in den darm van een bepaald dier geraken1 kunnen de eieren tot verdere ontwikkeling komen4 ,het spreekt dus van zelf dat slechts een betrekkelijk gering aantal eieren tot verdere ontwikkeling geraakt2 maar de sterke voortplanting is de oorzaak1 dat in elk geval de soort niet uitsterft4--,wanneer nu een lid 7of de eieren van een lid7 in den darm van een' geschikten hospes te recht komt1 dan worden het lid en de eischalen 7of de eischalen alleen7 in de maag of den darm verteerd1 en de larven komen te voorschijn4 ,deze 7fig4 #aeh1 a7 zijn rond1 glashelder1 natuurlijk mikroskopisch klein1 en bezitten drie paar haakjes1 met behulp van welke zij alras den darmwand doorboren1 zoodat zij spoedig in de bloedvaten komen2 de bloedstroom voert ze dan naar alle mogelijke deelen des lichaams4 ,al naar de soort van lintworm1 waarvan de larve afkomstig is1 vestigt zij zich in 't eene of het andere orgaan van den hospes4 ,zoo kan de larve van de eene soort slechts tusschen de vezels van eene spier tot verdere ontwikkeling komen1 die van eene andere soort nergens anders dan in hersenen of ruggemerg4--,komt zij in een orgaan terecht1 dat voor hare verdere ontwikkeling niet geschikt is1 dan blijft zij daar klein en sterft weldra2 maar komt zij in een geschikt orgaan1 dan ondergaat zij de volgende veranderingen4 ,zij verliest daar hare haken en verandert in eenen van binnen hollen blaasworm1 die groeit1 tot hij de voor de soort normale grootte heeft bereikt4 ,intusschen vormt zich eene instulping aan de binnenzijde van den blaasworm 7fig4 #aeh1 b71 die in ieder opzicht op een' lintwormkop gelijkt2 zij heeft zuignappen1 bij sommige soorten ook een' hakenkrans1 maar aan de binnenzijde in plaats van aan den buitenkant4 ,later--'t zij reeds in den door den blaasworm bewoonden hospes1 't zij nadat de blaasworm met diens vleesch in den darm van een ander dier is overgebracht--trekt zich de blaas eenigszins samen2 zij kan dus niet meer de vloeistof bevatten1 waarmee zij gevuld is1 en zoo wordt de instulping omgestulpt1 als een vinger van eenen handschoen1 zoodat de zuignappen aan den buitenkant komen4 ,zoo is dan de kop van den lintworm ontstaan1 waaraan nog alleen maar de blaas bevestigd is 7fig4 #aeh1 c74 ,deze laatste wordt spoedig verteerd2 de kop beweegt zich met behulp van de zuignappen aan den binnenkant van den darm1 groeit in de lengte en snoert weldra zijn eerste lid af1 't welk spoedig door een tweede gevolgd wordt1 enz4--,zoolang het dier1 waarin de blaasworm leeft1 niet door een ander dier wordt opgegeten1 blijft de blaasworm1 zonder het vermogen tot verdere ontwikkeling te verliezen1 soms jaren lang op denzelfden ontwikkelingstrap staan4--,de levensgeschiedenis van sommige lintwormen verschilt in bijzonderheden eenigszins van die1 welke boven werd beschreven4 ,steeds echter heeft iedere lintwormsoort twee diersoorten noodig om hare geheele geschiedenis te doorleven4 ,zoo leeft de lintworm ,taenia solium in den darm van den mensch2 de blaasworm1 die er bij behoort1 leeft tusschen de spiervezels van het varken en veroorzaakt bij dit dier de zoogenaamde gortigheid of vinnigheid2--4 de lintworm ,taenia saginata leeft insgelijks in den darm van den mensch1 maar de daarbij behoorende blaasworm in 't vleesch van 't rund2--de lintworm ,taenia ,coenurus leeft in den darm van den hond1 de daarbij behoorende blaasworm in de hersenenholte van het schaap1 dat door dezen parasiet de draaiziekte krijgt4 ,orde ,zuigwormen4 ,plat1 tong- of bladvormig1 ongeleed2 parasiteerend in dieren of ook wel buiten op dieren 7in dit geval echter uitsluitend op visschen of schaaldieren74 ,aan de buikzijde des lichaams zijn zuignappen geplaatst2 bij de in andere dieren parasiteerende soorten nooit meer dan #a of #b4--;,een darm1 die zich in twee takken verdeelt1 welke blind eindigen en bij sommige soorten zelven weer blindzakken hebben2 in ieder geval geen anale opening4--,bijkans alle zuigwormen zijn hermaphrodieten1 die zich zelven bevruchten4--,de levensgeschiedenis van de meeste zuigwormsoorten is nog meer samengesteld dan die der lintwormen2 zij geschiedt ook met verhuizing4--,ik noem slechts ne zeer bekende soort1 nl4 de leverbot1 die in de galgangen van schaap en rund 7minder van paard en varken7 parasiteert en daardoor oorzaak wordt dat geen gal in den darm komt1 zoodat de spijsvertering en dus de voeding der inwendige deelen niet op voldoende wijze plaatsgrijpen1 waardoor soms duizenden schapen sterven4 ,,hoofdafdeeling ,,iv4 ,,weekdieren4 ,deze hoofdafdeeling1 tot welke de oesters1 slakken1 inktvisschen behooren1 wordt gevormd door ongelede dieren zonder geraamte1 welker lichaam in aanleg altijd tweezijdig symmetrisch is1 hoewel het bij sommige soorten gedurende den verderen groei in sterke mate zich vervormt4 ,vooral is dit het geval bij die slakken 7de huisjesslakken71 welke in een spiraalvormig huisje zijn ingesloten1 en bij welke ook het grootste gedeelte van het lichaam spiraalvormig gewonden is4 ,de huidbekleeding der ,weekdieren is zeer eigenaardig4 ,op eene bepaalde plaats van 't lichaam vormt zich een grootere of kleinere huidplooi of huidlap 7de mantel71 welke eene bepaalde ruimte1 de mantelholte1 naar de functie ook ademhalingsholte genoemd1 omsluit4 ,deze mantel zondert bij de meeste ,weekdieren eene kalkmassa af1 't zij aan den buitenkant1 't zij aan den binnenkant4 ,bij de meeste ,weekdieren grijpt deze kalkafzetting aan de buitenoppervlakte plaats2 zoo ontstaat eene schaal of schelp 7huisjesslakken1 oester74 ,in andere gevallen vormt zich de schaal aan de binnenzijde des mantels 7inktvisch1 sommige naakte slakken71 of er ontstaat slechts eene ophooping van kalkkorrels 7andere naakte slakken47 ,in fig4 #afj is eene schematische voorstelling gegeven van de loodrechte doorsnede door 't lichaam van een schelpdier of mosselachtig ,weekdier4 ,het lichaam ,l wordt omgeven door de huid1 die bij m den mantel vormt1 welke de schalen ,s afzondert1 die bij b met elkander bewegelijk geleed zijn4 ,in de mantelholte bevinden zich de kieuwen k4 ,aan den benedenkant van het lichaam vindt men den uit spieren bestaanden voet ,v1 die voor opzwelling vatbaar is en aldus tusschen de beide schelpen door naar buiten kan treden4 ,deze voet is bij de onderscheiden schelpdieren ongelijk van vorm1 maar dient toch steeds voor voortbeweging 7graven1 zwemmen1 springen74--,in fig4 #afa is eene slak in doorsnede schematisch voorgesteld4 ,in 't algemeen onderscheidt men daar dezelfde organen als in fig4 #afj2 maar de mantel m is er kleiner en overdekt niet den voet 7,v71 die aan de onderzijde plat is en altijd voor voortkruipen dient1 7m' is daar de mantelholte74--,de voornaamste klassen der ,weekdieren zijn #a4 de ,koppootigen1 #b4 de ,buikpootigen of ,slakkken1 #c4 de ,schelpdieren4 ,de ,koppootigen hebben een' kop1 die scherp van de rest des lichaams is afgezonderd1 en waarop1 rondom de aan den kop geplaatste mondopening1 van zuignappen voorziene vangarmen geplaatst zijn4 7,vb4 inktvisschen1 nautilus1 papiernautilus47 ,de ,buikpootigen of ,slakken hebben een' kop1 die 7ongelede7 voelhorens alsmede de oogen draagt2 deze laatsten staan bij vele slakken op den top der voelhorens4 ,de voet is aan de buikzijde afgeplat en dient om te kruipen4 ,de mantel is gewoonlijk klein en bedekt slechts de rugzijde des diers1 doorgaans slechts een deel daarvan4 ,ook de meestal spiraalvormig gewonden schelp 7horen7 omhult dus slechts een gedeelte van 't lichaam2 echter kan toch de geheele rest van 't lichaam in dezen horen zich terugtrekken4--,de slakken hebben wel kaken2 maar het hoofdorgaan voor het verbrijzelen van de aangetaste plantendeelen is de tong1 die aan de bovenzijde met eene wrijfplaat bedekt is1 welke uit talrijke1 in regelmatige rijen geplaatste tandjes bestaat4 ,wanneer de tong wordt uitgestoken1 dan richten zich de tandjes op2 zoo vormt zich eene rasp1 die door vooruit- en teruggaande beweging de spijs fijn maakt4--,de in zee levende slakken ademen door kieuwen1 welke zich in de mantelholte bevinden2 de meesten der in 't zoete water levende en alle op 't land levende soorten zijn zoogenoemde longslakken1 bij welke de binnenwand der mantelholte 7fig4 #afa1 m'7 zelf als ademhalingsorgaan fungeert4 ,tot de zeeslakken behooren de wulken en de alikruiken2 tot de landslakken3 de huisjesslakken 7fig4 #afc7 en de naakte slakken 7fig4 #afb74 ,tot deze laatsten behooren sommige soorten1 die in vochtige tijden onze kultuurgewassen beschadigen1 vooral de jonge planten4 ,de grauwe veldslak is de meest beruchte soort4-- ,schelpdieren4 ,zonder kop4 ,de mantel scheidt twee schelpen af1 die aan de rugzijde van 't dier met elkaar geleed zijn 7fig4 #afj74 ,de voet is kielvormig4 ,de ademhaling geschiedt door kieuwen4--,oester2 eetbare mossel2 de in tropische zeen levende parelmossel2 zoetwatermossel2 paalworm4 ,,hoofdafdeeling ,v4 ,,stekelhuidigen4 ,straalsgewijs symmetrisch gebouwde dieren2 d4 i4 rondom de as liggen de aan elkaar gelijke deelen1 die te zamen het lichaam vormen1 7fig4 #ah74 ,dikwijls zijn de dieren dezer hoofdafdeeling vijfstralig4 ,de mondopening ligt aan den onderkant des lichaams4 ,de huid bezit talrijke mikroskopische kalkafzettingen1 of zij vormt stevige kalkplaten2 zeer dikwijls ook draagt zij stekels 7vandaar de naam74--,de ,stekelhuidigen bewegen zich met behulp van in rijen geplaatste voetjes1 die kunnen worden uitgestulpt en ingetrokken4--,zeesterren1 zeegels1 zeekomkommers4 ,alle ,stekelhuidigen leven in de zee2 zeegels worden soms in de landen nabij de kust voor bemesting gebruikt4 ,,hoofdafdeeling ,,vi4 ,,holtedieren4 ,ook de diersoorten van deze hoofdafdeelingen zijn met weinige uitzonderingen straalsgewijs symmetrisch van bouw4 ,zij bestaan uit eenen lichaamswand1 welke eene lichaamsholte insluit1 die bij de eenvoudigst gebouwde ,holtedieren 7zoetwaterpolyp7 zakvormig is1 maar bij de hoogere dieren dezer groep uit verschillende afdeelingen is samengesteld1 en niet slechts voor de opneming van spijs en voor de vertering1 maar ook voor de rondvoering der verteerde voedende stoffen dient4 ,bij verscheiden ,holtedieren zet zich in den lichaamswand eene harde zelfstandigheid af1 die ook na den dood blijft bestaan2 daaruit zijn opgebouwd de roode koralen1 die voor de vervaardiging van verschillende sieraden dienen1 alsmede de polypen1 welke de koraaleilanden vormen4--,met uitzondering alleen van de sponzen1 bezitten alle ,holtedieren zoogenoemde netelorganen1 met behulp van welke zij de door hen gevangen dieren dooden1 en waardoor zij voor den aanval van andere dieren beschut zijn4--,zij planten zich door eieren voort1 vele echter door vorming van knoppen1 die zich later kunnen afscheiden en aldus zelfstandige dieren worden4 7,zoetwaterpolyp74 ,bij vele soorten komt het echter voor1 dat de knoppen gedurende haar geheele leven blijven vastzitten2 dan vormen zij een' zoogenoemden polypenstok4 ,er zijn ook vrij in de zee rondzwemmende ,holtedieren1 nl4 de kwallen 7fig4 #afd74--;,daar bijkans alle ,holtedieren in de zee leven1 en de weinige overigen in 't zoete water1 zijn zij geen van allen voor den landbouw van beteekenis4 ,,hoofdafdeeling ,,vii4 ,,protozo,n4 ,deze hoofdafdeeling omvat meestal mikroskopische1 in ieder geval zeer kleine1 in de zee of in 't zoete water1 of althans op vochtige plaatsen levende diertjes1 die uit eene weeke1 taaie1 samentrekbare zelfstandigheid 7het zoogenoemde protoplasma7 bestaan1 welke al of niet door eenen wand omgeven is1 en die soms een schaaltje afzondert4 ,infusorin1 ,amoeben en ,moneren behooren hiertoe 7fig4 #afe74 ,,plan ,,van ,,uitgave van de ,gellustreerde ,land- en ,tuinbouwbibliotheek1 onder redactie van ,f4 ,b4 ,lhnis1 ,prof4 ,dr4 ,j4 ,ritzema ,bos1 ,p4 van ,hoek en ,leonard ,a4 ,springer4 ,de ,gellustreerde ,landbouwbibliotheek1 waarvan tot dusver #aa deeltjes verschenen1 wordt uitgebreid tot eene ,land- en ,tuinbouwbibliotheek1 en in verband daarmee is de ,heer ,leonard ,a4 ,springer in de ,redactie opgenomen4 ,verschenen3 ,beginselen der ,dierkunde1 door ,prof4 ,j4 ,ritzema ,bos1 te ,amsterdam1 tweede druk4 ,zuivelbereiding1 door ,dr4 ,k4 ,h4 ,m4 van der ,zande1 te ,hoorn1 tweede druk4 ,grondverbetering1 door ,j4 ,z4 ten ,rodegate ,marissen1 te ,wageningen4 ,ziekten en ,beschadigingen der ,kultuurgewassen1 ,i1 door ,prof4 ,j4 ,ritzema ,bos1 te ,amsterdam4 ,scheikunde1 ,i1 door ,p4 van ,hoek1 te 's-,gravenhage4 ,algemeene ,plantenteelt1 door ,j4 ,z4 ten ,rodengate ,marissen1 te ,wageningen4 ,ziekten en ,begenadigingen der ,kultuurgewassen1 ,,ii1 door ,prof4 ,j4 ,ritzema ,bos1 te ,amsterdam4 ,scheikunde1 ,,ii1 door ,p4 van ,hoek1 te 's-,gravenhage4 ,aardrijkskundig-landbouwkundige beschrijving van ,nederland1 door ,b4 ,h4 ,schroven1 te ,wageningen4 ,plantenleven1 ,i1 door ,dr4 ,e4 ,giltay1 te ,wageningen4 ,algemeene veeteelt1 door ,g4 ,reinders1 te ,groningen4 ,verder zijn in bewerking3 ,paardenfokkerij1 door ,a4 ,w4 ,heidema1 te ,groningen4 ,lichaamsbouw en levensverrichtingen der huisdieren1 door ,prof4 ,j4 ,ritzema ,bos1 te ,amsterdam4 ,plantenleven1 ,,ii1 door ,dr4 ,e4 ,giltay1 te ,wageningen4 ,grondbewerking en landbouwwerktuigen1 door ,j4 ,heidema1 te ,groningen4 ,natuurkunde en meteorologie1 door ,j4 van ,dam en ,dr4 ,a4 ,h4 ,borgesius1 te ,wageningen4 ,bijzondere plantenteelt1 door ,j4 ,z4 ten ,rodegate ,marissen1 te ,wageningen4 ,rundvee1 door ,g4 ,reinders1 te ,groningen4 ,schapen en varkens1 door ,g4 ,reinders1 te ,groningen4 ,bedrijfsleer en landbouwboekhouden1 door ,dr4 ,a4 ,m4 ,prins1 te ,wageningen4 ,bemestingsleer3 ,i4 ,de meststoffen1 door ,p4 van ,hoek1 te 's-,gravenhage4 ,i,ia4 ,de bemesting in den landbouw1 door ,p4 van ,hoek1 te 's-,gravenhage4 ,i,ib4 ,de bemesting in den tuinbouw1 door ,c4 ,h4 ,claassen1 te ,boskoop4 ,vruchtenteelt1 door ,j4 ,p4 ,m4 ,camman1 te ,tiel1 en ,e4 ,snellen1 te ,maastricht4 ,warmoezerij 7op kouden grond en in bakken en kassen71 door ,a4 ,ide1 te ,wageningen4 ,bloementeelt 7vollegrondskultuur71 door ,j4 ,g4 ,hazeloop1 te ,aalsmeer4 ,bloementeelt 7kaskultuur71 door ,b4 ,a4 ,plemper van ,balen1 te ,wageningen4 ,tuinarchitectuur1 door ,leonard ,a4 ,springer1 te ,haarlem4 ,geschiedenis der tuinarchitectuur1 door ,leonard ,a4 ,springer1 te ,haarlem4 ,verpleging der sierboomen en sierheesters1 door ,leonard ,a4 ,springer1 te ,haarlem4 ,plantenaardrijkskunde1 door ,dr4 ,j4 ,th4 ,cattie1 te ,wageningen4 ,ziekten en beschadigingen der tuinbouwgewassen1 door ,prof4 ,j4 ,ritzema ,bos1 te ,amsterdam4 ,onkruiden1 door ,prof4 ,j4 ,ritzema ,bos1 te ,amsterdam4 ,houtteelt1 door ,h4 ,j4 ,lovink1 te ,utrecht4 ,ieder deeltje is apart verkrijgbaar1 prijs per deeltje1 gebonden f #j1ij4