,,bedenkingen ,,tegen ,,de ,,leer ,,van ,,darwin1 ,gevolgd door ,beschouwingen over eenige philosophische onderwerpen4 ,door den schrijver van het werk1 ,getiteld3 ,over de werking der natuurwetten op zedelijk gebied enz4 ,en van ,het vervolg op dit werk4 ,amsterdam1 ,j4 ,c4 ,loman ,jr4 #ahga4 ,,inhoud4 ,,bladz4 #ao4 ,bedenkingen tegen de leer van ,darwin4 #c4 #bo4 ,beschouwingen over de oorzaak van het kwaad en over het doel van het leven4 #fd4 #co4 ,beschouwingen over eenige onderwerpen op buitenzinnelijk gebied4 #adc4 #do4 ,beschouwingen over de geestelijke ontwikkeling van den mensch4 #bje4 #eo4 ,beschouwingen over de drie algemeene natuurwetten en eenige andere hiermede in verband zijnde zaken4 #bca4 ,,bedenkingen ,,tegen ,,de ,,leer ,,van ,,darwin4 ,onze bedenkingen tegen de thans bij het beschaafde publiek vrij bekende leer van ,darwin zijn de volgende3 #ao4 ,dat de splitsing van diersoorten in andere soorten1 van deze weder in nieuwe enz4 slechts bij uitzondering kan plaats hebben2 namelijk1 wanneer de natuur aan eenige diersoort een grooter aantal wijzen van bestaan aanbiedt dan vroeger en anders belet wordt1 door dat de voortplanting door paring van mannetjes en wijfjes van diezelfde soort geschiedt4 #bo4 ,dat het uitsterven van diersoorten slechts bij uitzondering kan plaats hebben1 omdat1 naarmate van zulk eene soort1 binnen dezelfde uitgestrektheid grond1 het aantal exemplaren vermindert1 elk dezer onder levensomstandigheden komt1 waarin het beter dan vroeger aan de oorzaken1 deszelfs soort trachtende te vernietigen1 kan wederstaan4 #co4 ,dat het geschikter worden der organisatie van diersoorten1 voor de omstandigheden waarin zij verkeeren1 onmogelijk door de natuurkeus 7anders gezegd door de werking van het toeval7 kan geschieden4 #do4 ,dat1 zelfs aangenomen1 dat de natuurkeus die geschiktwording kon voortbrengen1 hierdoor nog niet verklaard zou worden1 hoe lagere diersoorten van lieverlede hoogere organisatien verkrijgen1 zoodat de leer van ,darwin de vraag wat was eerder de kip of het ei1 onbeantwoord laat4 ,een wel is waar niet volledig1 maar desniettemin vrij voldoend antwoord op die vraag wordt toch slechts gegeven1 wanneer men kan aantoonen1 dat al de thans bestaande diersoorten ontsproten zijn uit een aantal anderen1 elk op den allerlaagsten trap van dierlijke organisatie staande4 ,deze hypothese heeft reeds1 voordat de onderzoekingen der versteeningen1 binnen de sedimentaire lagen bevat hare waarschijnlijkheid aangetoond hadden1 den bijval van denkers genoten4 ,ten allen tijden hebben deze toch aangenomen1 dat het bijzondere1 uit het meer algemeene1 het zamengestelde 7mits die zamengesteldheid in eene meer kunstige inrigting bestond71 uit het meer eenvoudige en het hoogere uit het lagere 7zoo dit een even bijzonder karakter als dit hoogere bezat71 moest voortspruiten4 ,de ervaring toonde toch aan1 dat in het maatschappelijke en op het gebied van kunst en wetenschap dit steeds het geval was en vandaar1 dat men stelde1 dat die schoone regels ook op het gebied van het buitenzinnelijke moesten gelden4 ,raadpleegt men zelfs de ,oude ,cosmogonien1 zoo ontwaart men daarin eene veelal op kinderlijke1 wijze ontvouwde grondgedachte1 dat er1 wel is waar1 niet een begin van alles1 maar wel van het bijzondere bestaan heeft1 namelijk dat de wereld met al derzelver verscheidenheden zich uit een eenvormigen chaos ontwikkeld heeft en dat uit een nevelachtigen en een karakter van algemeenheid bezittende ,oergod1 de menschen en bijzondere goden voortgesproten zijn4 ,men kan gemakkelijk opmerken dat het hoogere1 mits dit een even sterk karakter van bijzonderheid als het lagere bezit1 dit laatste noodig heeft om te bestaan2 terwijl het omgekeerde niet doorgaat4 ,de vleeschetende dieren verslinden bijv4 de gemiddeld minder geestelijk ontwikkeld dan zij zijnde plantetende dieren2 terwijl deze zeer gevoegelijk eerstgemelde kunnen ontberen4 ,de kleine vogels voeden zich met de lager dan hen staande insecten1 deze weder met microscopische diertjes en zelfs de planten zouden niet kunnen bestaan1 zoo er geene microscopische plantjes en diertjes aanwezig waren1 terwijl daarentegen deze de hoogere planten wel kunnen missen4 ,zoo toch het regenwater geene organische bestanddeelen bevatte1 zouden er door zouten uit den bodem gevoerd1 maar geene nieuwe zouten door ontbinding dier organische bestanddeelen1 er ingebragt worden4 ,deze laatste worden nu geleverd door de microscopische plantjes en diertjes1 welke de zouten van den ,oceaan binnen hunne ligchamen opnemen1 tijdens het waaijen1 door de beroering der lucht1 hoog in den dampkring gevoerd en aldaar binnen de waterblaasjes en de zich vormende regendruppeltjes opgenomen worden4 ,ook op maatschappelijk gebied dient het lagere het hoogere1 als onmisbaar hiervoor1 vooraf te gaan4 ,een leger bijv4 zonder hoofd vormt wel een ordeloozen troep1 maar kan niettemin bestaan1 terwijl een officier zonder soldaten onmogelijk zijne functin kan uitoefenen4 ,kinderen kunnen des noods van zelf leeren1 maar een onderwijzer zonder scholieren onmogelijk als schoolmeester werkzaam zijn4 ,tusschen dieren van dezelfde soort en die van naburige soorten bestaat1 naar ons inzien1 dit onderscheid1 dat mannetjes en wijfjes van naburige soorten geene en die van dezelfde soort wel neiging tot geslachtparing bezitten4 ,hierdoor ontstaan er scherpe kloven tusschen de soorten1 omdat bijv4 mannetjes1 zekere afwijkingen vertoonende van die1 welke het beste de eigenaardigheden hunner soort vertoonen en alsware in het midden dier soort staan1 in de meeste gevallen met wijfjes1 gelijksoortige afwijkingen dier eigenaardigheden niet vertoonende1 zullen paren1 maar door de organisatie der jongen alsware naar die der exemplaren1 zoo als zoo even gezegd is1 in het midden der soort staande1 teruggebragt zullen worden4 ,dit kan vergeleken worden met het rollen van voorwerpen naar de eene of andere teen van een dijk1 zoo deze geene kruin bezit en men er die voorwerpen boven laat vallen4 ,de klove tusschen de naburige diersoorten wordt dan bij die vergelijking voorgesteld door de breedte van den grondslag van den dijk4 ,bestaat de helft der bevolking van een eiland uit blanken en de andere helft uit negers en is het voor elk hunner onverschillig1 of zij al dan niet met kleurgenooten huwen1 zoo zal de eerstvolgende generatie gemiddeld bestaan uit een kwart blanken1 de helft mulatten en een kwart negers4 ,dit aantal mulatten bij die generatie kan1 wel is waar1 minder1 maar even goed meer dan die helft bedragen1 en bij die generatie is voor elken blanken de kans1 om met een kleurgenoot te huwen 4 ,klaarblijkelijk zal dus bij de daarop volgende generatie het aantal zuiver blanken gemiddeld maar #a_/af van het geheel bedragen4 ,dezelfde redenering1 door ons voor de eerste generatie gedaan1 voor de tweede doende1 zoo zal men bevinden1 dat bij de derde generatie het aantal zuiver blanken maar gemiddeld #a_/af #a_/af #a_/bef van het geheel zal bedragen4 ,dit ook doorgaande voor de negers en voor de kleurlingen1 hetzij naar de blanken hetzij naar de negers overhellende1 zoo zal men ontwaren1 dat na slechts weinig generatien op zulk een eiland enkel mulatten gevonden zullen worden #a4 ,de gevolgen der accidentele oorzaken1 waardoor de kinderen eenigzins van hunne ouders en onderling verschillen1 worden aldus door eene constante oorzaak tegengewerkt1 zoodat die gevolgen 7namelijk de afwijkingen van het gemiddelde type7 aldus zekere sterkte niet kunnen overschrijden4 ,bestaat er bij kleurgenooten zekere voorkeur voor elkander1 zoo zal het gemengde ras niet zoo snel1 maar niettemin bij de achtereenvolgende generatie steeds meer gaan predomineren1 7hetgeen bijv4 in ,brazili thans schijnt te geschieden74 ,slechts1 wanneer de personen van elke kleur onmogelijk bij die eener andere kleur kinderen kunnen verwekken1 zal de onderlinge betrekking der blanken1 negers1 mulatten enz4 bij de achtervolgende generatien dezelfde blijven4 ,zoo men aanneemt1 dat voor een mannetje eener diersoort1 hoe weinig ook1 de mogelijkheid bestaat1 om neiging tot paring met een wijfje eener naburige soort te bezitten1 en om bij dit wijfje vruchtbare jongen te verkrijgen1 zullen de bastaarden1 ofschoon zeer langzaam1 in aantal toenemen1 en eindelijk1 al is het ook na zeer langen tijd1 alleen bestaan4 ,elk dier beide soorten bezit echter nog andere naburen1 waarmede iets dergelijks geschieden kan1 zoodat bijv4 n diersoorten in n - #a tusschensoorten zullen veranderen4 ,deze zullen op dergelijke wijze in n - #b nieuwe tusschensoorten omgezet worden1 en zoo voortgaande1 er na een uiterst langen1 maar eindigen tijd1 slechts eene resulterende diersoort bestaan1 hoe ver ook de beide uiterste soorten der primitieve reeks van elkander stonden4 ,deze werking 7de tegengestelde van die door ,darwin aangenomen7 wordt echter tegengewerkt1 doordat er eene constante oorzaak bestaat1 deels door tusschenkomst van den wil der dieren 7de stelling van ,lamarck71 doch grootendeels buiten die tusschenkomst1 gedurende het leven de organisatie der dieren1 voor de omstandigheden waarin deze verkeeren1 geschikt trachtende te doen worden4 ,gesteld bijv4 dat bij het op blz4 #f aangegeven voorbeeld de kinderen steeds de levenswijze hunner vaders volgen en dat hierdoor gedurende hun leven hunne kleur1 trekken enz4 tot die dier vaders naderen 7hetgeen overeenkomt met de nadering der bastaarden gedurende hun leven tot die der twee stamdiersoorten wier levenswijze zij kiezen71 zoo zal bij de eerstvolgende generatie de helft der mulatten1 gedurende den tijd tusschen hunne eigen geboorte en die hunner kinderen verloopen1 de blanke en de andere helft de negertype wat naderen4 ,hetzelfde bij de volgende generatie plaats hebbende1 zoo zal er eindelijk eene generatie ontstaan1 waarvan de beide helften in uitzigt zoo weinig van elkander verschillen1 dat de zoo even gemelde neiging der kinderen om gedurende hun leven tot den type hunner vaders te naderen1 even sterk is als die om1 7door voor hunne geboorte wat van de type hunner moeders over te nemen71 alsdan van die hunner vaders af te wijken4 ,klaarblijkelijk zal1 wanneer de zucht tot paren van individuen1 tot verschillende rassen behoorende1 zwakker is1 dan bij individuen van hetzelfde ras1 dit tegen elkander opwegen van zooeven gemelde constante oorzaak en die op blz4 #f aangegeven1 vroeger en bij grootere verschillen tusschen de na eenige generatin bestaande rassen bestaan4 ,olie tracht bijv4 steeds boven water te drijven1 en roert men beide die vochten1 zoo zal eindelijk de vermengende werking dier beroering gebalanceerd worden door de neiging der olie om op- en die van het water om nederwaarts te gaan4 ,hoe zwakker nu die beroering 7vergelijkbaar met de werking der paring tusschen individuen van verschillend ras7 is1 hoe zuiverder de olie in het bovenste en het water in het onderste deel van het vat zullen zijn4 ,met de kloven tusschen de diersoorten kunnen vergeleken worden1 die tusschen de volken en die tusschen de belijders der verschillende godsdiensten bestaande4 ,het geriefelijke voor menschen1 om de eigenaardigheden van een of ander volk aan te nemen1 of om eenige bestaande godsdienst te belijden en aldus niet1 zoo als bij het gesoleerd staan tusschen twee volken1 of twee godsdiensten1 voor een ieder een vreemdeling te zijn1 is toch met de voorkeur der mannetjes voor de wijfjes van de meest op hen gelijkende soort te vergelijken4 ,naarmate zekere verschillen in organisatie de neiging tot geslachtparing sterker verzwakken1 zullen er kleinere maar meer diersoorten bestaan en1 naarmate1 bij minder beschaving1 het verkeer tusschen de menschen en hun geest van zamenwerking geringer is1 er meer natin bestaan4 ,volken ontstaan1 doordat niet ieder mensch zijne afzonderlijke wetten kan bezitten en1 zonder aansluiting aan anderen1 voor zijne veiligheid kan zorgen2 godsdienstige gezindheden1 wegens de behoefte om gemeenschappelijk de eerdienst te verrigten2 diersoorten1 doordat de neiging tot paring niet reeds door de minste verschillen in organisatie 7de sexuele niet in aanmerking genomen71 uitgedoofd wordt en1 doordat de voortplanting niet door hermaphroditen plaats heeft2 doch1 terwijl tot eene natie1 of eene religie menschen kunnen behooren van zeer verschillende geestelijke1 ontwikkeling en overigens onder verschillende levensomstandigheden verkeerende1 is zoo iets bij de dieren eener zelfde soort veel minder mogelijk4 ,voor de verdeeling eener diersoort in verschillende rassen dienen deelen er van onder andere levensomstandigheden te gaan verkeeren 7hetgeen met het ontstaan van zelfstandige kolonin bij de volken te vergelijken is74 ,de neiging der organisatin der dieren1 om voor de levensomstandigheden1 waarin deze dieren verkeeren1 geschikt te worden1 kan dan maken dat die rassen zooveel van elkander gaan verschillen1 dat de neiging tot paring tusschen hen wordt uitgebluscht1 even als bijv4 tusschen de ,engelsche en ,amerikanen het gevoel van gemeenschappelijke nationaliteit4 ,gaan echter die kortelings ontstane diersoorten later weder onder dezelfde omstandigheden verkeeren1 en met elkander vermengd leven1 zoo zal noodwendig het omgekeerde van zooeven moeten plaats hebben4 ,noodigt de aardoppervlakte de dieren steeds tot evenveel verschillende wijzen van bestaan uit1 zoo zullen wel is waar accidentele oorzaken splitsing van soorten teweeg kunnen brengen1 doch zamensmelting hier van gemiddeld even menigvuldig plaats hebben1 doch1 wanneer die mogelijke wijze van bestaan menigvuldiger worden1 de soorten dit insgelijks doen4 ,dit laatste schijnt nu het geval geweest te zijn4 ,primitief was toch de aardbodem overal met water van even groote diepte en even hooge temperatuur bedekt en hield de met dikke vochtblaasjes vervulde lucht de aarde in de schaduw gedompeld4 ,later ontstonden droog land1 stranden1 moerassen1 bosschen en meer of minder diep en heet water1 nog later de bloemen ontluikende zonneschijn1 groote hoogten1 diepe valleijen1 uitgestrekte landen1 groot verschil in gewassen en in temperatuur enz4 ,men denke voorts niet1 dat enkele exemplaren eener diersoort1 in een ander land en klimaat overgebragt1 zich aldaar steeds sterk vermenigvuldigen4 ,dit is somtijds het geval geweest1 zoo als bijv4 met de paarden en runderen in ,z4 ,amerika1 omdat deze dieren aldaar in zeer gunstige omstandigheden verkeerden en de beschermende hand van den mensch zich niet terstond van hen aftrok1 doch in veel andere gevallen zijn de per scheepsgelegenheid naar vreemde gewesten overgebragte tamme dieren aldaar uitgestorven4 ,terwijl geheel gemis aan neiging tot paring maakt1 dat1 ofschoon op verschillende wijze levende dieren van verschillende soorten1 met elkander vermengd1 dezelfde landstreek kunnen bewonen1 zonder dat die soorten te zamen smelten1 is dit niet zoo goed mogelijk bij dieren van aangrenzende rassen1 omdat tusschen deze er nog eenige neiging tot paring bestaat4 ,bij die rassen zal dan iets plaats hebben overeenkomende met hetgeen op blz4 #h aangevoerd is1 namelijk1 er zal na een aantal generatin twee verscheidenheden1 minder dan de twee rassen1 toen deze met elkander vermengd gingen leven1 van elkander verschillende1 ontstaan4 ,zoo men het aantal der tusschen die beide verscheidenheden gelegen kruislingen vermenigvuldigt met derzelver afwijkingen van de eene of andere verscheidenheid1 zal eenmaal dit product niet meer vergrooten1 door het geboren worden van nieuwe kruislingen1 als verminderen1 doordat gedurende hun leven al die kruislingen1 deels tot de type der eene1 deels tot die der andere verscheidenheid naderen4 ,laatstgemelde terugbrenging ontstaat1 doordat de dieren1 het zuivere type der verscheidenheden m bezittende voor de levensomstandigheden waarin zij verkeeren 7niet meer zijnde die der beide primitieve rassen7 beter georganiseerd zullen zijn dan die kruislingen4 ,de dieren schikken niet alleen hunne organisatie naar de levensomstandigheden waarin zij verkeeren1 maar zoeken tevens naar levensomstandigheden voor hunne organisatie geschikt 7even als bijv4 een plotseling verrijkt mensch1 niet slechts zijne behoeften grooter doet worden1 maar tevens door werkeloosheid en zorgeloosheid zijne voor hem te aanzienlijke inkomsten vermindert74 ,de kruislingen1 door paring dier beide primitieve rassen n ontstaan1 zullen dit ook eenigzins doen en aldus wel is waar1 zich niet geheel in voor hunne organisatie geschikte levensomstandigheden bevinden1 maar ook niet meer geheel in die der uiterste van hen het meeste afwijkende leden van een dier beide primitieve rassen verkeeren4 ,voor zooverre nu die kruislingen door achtervolgende paringen de organisatie dier uiterste leden dier beide rassen meer tot elkander doen naderen1 moet klaarblijkelijk1 het opzoeken van levensomstandigheden voor de veranderde organisatie meer geschikt1 de levensomstandigheden dier uiterste leden der beide rassen n meer tot elkander doen naderen en deze alsdan in de bovengemelde verscheidenheden m veranderen4 ,hiermede kan vergeleken worden1 hetgeen bij twee volken1 in karakter1 geest1 beschaving enz4 van elkander verschillende en elk voor die qualiteiten geschikte instellingen bezittende1 plaats heeft1 wanneer zij met elkander in aanraking komen4 ,alsdan nemen zij wat van elkanders zeden en qualiteiten over1 beginnen aldus wat meer op elkander te gelijken en schikken tegelijk hunne instellingen naar hunne nieuwe qualiteiten4 ,even als echter zulk een verkeer tusschen twee volken1 hen slechts tot zekeren graad meer op elkander doet gelijken1 zoo zal van de bovengemelde verscheidenheden m de gelijkenis zekeren grens1 bepaald door de sterkte hunner onderlinge paring1 niet kunnen overschrijden4 ,niet alleen zoeken1 wanneer eene diersoort door eene andere teruggedrongen wordt en zij in aantal individuen vermindert1 deze 7zie blz4 #aa7 plaatsen op1 waar zij beter dan vroeger het bestaan hunner soort kunnen verdedigen1 maar bij de door overmaat van geboorten boven sterfgevallen in aantal toenemende indringers heeft het tegenovergestelde plaats4 ,hoe verder deze aldus dringen1 hoe moeijelijker dit geschiedt1 zoodat er eindelijk een toestand van evenwigt zal ontstaan waarbij aanval en verdediging tegen elkander opwegen4 ,het is bijv4 mogelijk1 dat de ,indianen der ,vereenigde ,staten1 in aantal zeer verminderd1 zich eindelijk binnen voor den landbouw van onwaarde en weinig genaakbare streken als jagers en visschers zullen kunnen staande houden1 en dat de olm en andere grotdieren vroeger buiten de holen leefden1 maar in deze alsware teruggetrokken zijn1 eigenschappen1 hen geschikt makende1 om die duistere verblijfplaatsen te bewonen1 verkregen hebben1 en dat thans bij die diersoorten het aantal geboorten tegen dat der sterfgevallen opweegt4 ,niettegenstaande sedert eenige eeuwen binnen het beschaafde ,europa het schadelijke wild met vuurwapens bestreden wordt1 weet het zich1 in aantal verminderd1 binnen weinig genaakbare plaatsen vrij wel staande te houden4 ,dat1 wanneer hoogere rassen met lagere in aanraking komen1 laatstgemelde uitsterven1 is onjuist4 ,het ongedierte bijv4 volhardt met onze ligchamen in aanraking te komen en sterft niet uit4 ,somtijds worden de bewoners van eenig land door veroveraars hiervan aan zich dienstbaar gemaakt en sterven zij1 zooals bijv4 de ,heloten in het ,oude ,lacedemon1 niet uit4 ,het lot der plantetende dieren1 na de optreding onder hen der carnivoren1 kan hiermede vergeleken worden4 ,tijdens den inval der ,anglo ,saxen in ,groot-,brittanje zijn de ,celten door hen teruggedrongen1 maar niet uitgeroeid1 en die laatste volkstam neemt thans in ,wallis in aantal individuen niet af1 maar integendeel toe4 ,een deel der ,indianen van ,mexico heeft zekeren graad van beschaving verkregen en1 in plaats van uit te sterven1 neemt het in invloed toe en heeft zelfs iemand uit zijn midden den presidentszetel beklommen4 ,door opneming in andere stammen1 door vermenging hiermede1 door verandering van naam en gewoonten kunnen buitendien volkstammen schijnbaar van den aardbodem verdwenen zijn en wegens het verkrijgen van andere organisatien dit met de diersoorten der voorwereld insgelijks het geval geweest zijn4 ,uitsterving van diersoorten en menschenstammen kan naar ons inzien slechts bij uitzondering en wel voornamelijk1 daar waar geschikte ruimten om er binnen terug te trekken en verschil in localiteiten gemist worden1 plaats hebben4 ,wordt ergens het klimaat kouder1 zooals bijv4 dat van ,europa gedurende en na het tertiaire tijdperk1 zoo zal de vegetatie er minder weelderig worden en aldus minder voedsel aan de plantetende dieren aanbieden4 ,een deel hiervan zal zich alsdan terugtrekken naar warmere oorden en van de overblijvende de organisatie voor het koudere klimaat van lieverlede geschikt gemaakt worden4 ,voor de vleeschetende dieren zal dit eveneens doorgaan1 aangezien de veelvuldigheid van derzelver voorkoming van die der plantetende afhangt1 en zoo iets is nu vergelijkbaar met hetgeen in eenig door een vreemden stam veroverd land plaats heeft1 wanneer voor een deel der inwoners migratie mogelijk is4 ,dit deel gaat alsdan in een vreemd land hetzelfde vrije leven van vroeger voeren2 terwijl de achterblijvers zich onderwerpen en voor den slavenstaat geschikt worden4 ,zoo bij elke generatie een ieder slechts wist hetgeen hij van de vorige generatie leerde en er niets van zijne eigen vinding bijvoegde1 zou de wetenschap gedurende de achtereenvolgende generatien steeds achteruit gaan1 daar toch de onderwijzers slechts een deel hunner kennis in den geest hunner leerlingen kunnen doen overgaan4 ,nu verkeert misschien de overdragt der deugd der organisatie van ouders op hunne kinderen1 gedurende het vruchtleven dezer1 in een geval met dat van het onderwijs vergelijkbaar4 ,deugd veronderstelt toch iets dat verstoorbaar is en dat aldus eene neiging bezit om te verminderen1 wanneer er toevallige veranderingen bij ontstaan1 zooals bijv4 bij de bijna goed gerangschikte letters van een woord1 zoo men eenige dier letters blindelings verzet4 ,de kans1 dat van de juiste rangschikking verder afgeweken wordt1 is alsdan veel grooter1 dan die dat er toe genaderd wordt4 ,om zelfs op eene zeer gebrekkig wijze te bestaan1 moeten de dieren eene organisatie bezitten1 zoo weinig van die het beste voor de omstandigheden1 waarin zij verkeeren1 geschikt1 afwijkende1 dat men toevallige afwijkingen er bij naar de eene of andere zijde1 kan vergelijken met de blindelingsche verzettingen der bijna goed gerangschikte letters van eenig woord4 ,iets waarvoor grootere kans bestaat heeft nu op den langen duur zoo goed als zeker het veelvuldigste plaats1 zoodat1 zoo geene constante oorzaak zulks tegenging1 de herhaalde toevallige afwijkingen der jongen van hunne ouders na eene reeks van generatien de organisatie der dieren zoo slecht zou maken1 dat zij onmogelijk meer zouden kunnen bestaan4 ,kan die constante oorzaak nu deze zijn1 dat de zeer enkele toevallig wat beter dan hunne ouders georganiseerde jongen1 gemiddeld meer nakomelingen dan de andere verkrijgen en zulks bij de volgende generatien insgelijks liet geval is 7de zoogenaamde ,darwinsche natuurkeus74 #b ,naar ons inzien niet4 ,wat zou bijv4 ,darwin zeggen1 zoo men voorstelde de ,engelsche wetten voor den veranderenden maatschappelijken toestand van ,engeland geschikt te maken door de volgende politieke keus8 ,de ministers stellen in den blinde gedane wijzigingen der wetten voor en het parlement neemt onder die geheel ondoordacht en dus natuurlijk slechte wijzigingen betrekkelijk betere aan1 naarmate eene grootere meerderheid er zich voor verklaart4 ,die meerderheid bij die politieke keus zou dan overeenkomen met bovengemelden overheerschenden invloed op de nakomelingschap der betrekkelijk beter georganiseerde dieren4 ,klaarblijkelijk zou zulk eene politieke keus van de ,engelsche wetten weldra louter onzin maken4 ,hoe volmaakter de organisatie van een dier is1 hoe meer gemiddeld die zijner jongen voor de zijne zal onderdoen1 want waar het meeste te bederven valt1 zal de blinde werking van het toeval gemiddeld het meeste bederven4 ,na eenige generatien zal aldus1 hetgeen bij sommige individuen der eerste generatie eene deugdzame eigenaardigheid was1 van lieverlede verbasteren en eindelijk niet meer deugdzaam zijn4 ,bij de generatie1 waarbij dit laatste het geval is1 bezitten de die eigenaardigheid vertoonende individuen aldus niets meer voor boven hunne soort en tevens tijdgenooten en zullen zij aldus gemiddeld niet meer jongen dan deze verkrijgen4 ,om dit te vergelijken met een voorbeeld op zedelijk gebied1 zoo merken wij op1 dat iemands zuinigheid1 door zijne nakomelingen op eene onberedeneerde wijze nagevolgd1 bij hen zal ontaarden in eene soort van gierigheid1 in benarde omstandigheden niets voor hebbende boven gemis van zuinigheid4 ,gaat eenige diersoort een kouder klimaat bewonen1 zoo zullen de individuen er van1 met eene dikkere vacht dan de anderen voorzien1 met betrekking tot de nieuwe omstandigheden1 waarin zij verkeren1 volmaakter dan deze zijn1 zoo hunne gansche organisatie in harmonie is met die dikkere vacht4 ,zoo echter bij hunne nakomelingen die harmonie van lieverlede verdwijnt1 kan het zijn1 dat het nut dier overgerfde dikkere vacht zulks ook doet4 ,wordt bijv4 een zwaarder pantser bij een oorlogschip aangebragt1 zonder dat de constructie en bevrachting er van met dit zwaardere pantser in harmonie gebragt worden1 zoo zal zulk een vaartuig te diep in het water zinken1 een tragen gang bezitten1 door de geschutpoorten water ontvangen en in het gevecht ten slotte welligt minder goed voldoen dan toen het nog ligter gepantserd was4 ,darwin gewaagt van de accumulatie van gelijksoortige wijzigingen gedurende achtereenvolgende generatin4 ,zoo echter de deugd dier wijzigingen niet gepaard is met eene constante oorzaak1 waardoor die accumulatie plaats heeft1 wordt deze toevallig en onwaarschijnlijk4 ,ziet men bijv4 de nakomelingen van twee blonde menschen gedurende achtervolgende generatin steeds blonder worden8 ,neen het tegendeel heeft eerder plaats1 want1 zelfs zoo de voortplanting door hermafroditen geschiedde1 zou die toevallige accumulatie1 evenmin plaats hebben1 als het blindelings achtereen trekken van witte ballen uit eene bus1 evenveel ballen van die kleur als zwarte ballen bevattende4 ,bloedverwanten zullen dikwijls gelijksoortige eigenaardigheden bij hunne organisatie bezitten1 en ware het nu dat uit een de opeenstapeling hiervan bij de latere generatin voor het menschdom uit een physiologisch oogpunt niet nadeelig ware1 zoo zouden huwelijken tusschen bloedverwanten onmogelijk eene ligchamelijke verbastering van het nageslacht kunnen voortbrengen4 ,dit wordt echter beweerd het geval te zijn en zou gedeeltelijk ontstaan kunnen1 doordat alsdan niet1 zooals bij huwelijken tusschen geheel vreemden1 man en vrouw nog al vaak tegenovergestelde vicieuse afwijkingen van eene goede organisatie bezitten1 en bij hunne kinderen die tegenovergestelde gebreken elkander alsware opheffen4 ,dit kan ook de reden zijn der deugd der organisatie van kruislingen van twee tamme rassen4 ,het paren bijv4 van langbekkige en kortbekkige duiven kan goedbekkige jongen in het leven roepen4 ,in den wilden staat zijn het alleen accidentele oorzaken1 welke de organisatie der dieren minder geschikt voor de levensomstandigheden dezer maken4 ,in den tammen staat daarentegen leidt hiertoe eene constante oorzaak1 namelijk de kunstkeus4 ,terwijl aldus in den wilden staat twee rassen van elkander onderscheiden zijn1 omdat zij niet in dezelfde omstandigheden verkeeren1 zijn in den tammen staat twee door dwang gevormde verscheidenheden aan dezelfde omstandigheden blootgesteld4 ,deze kunnen nu voor den tammen kruisling nog gunstig zijn1 terwijl de wilde kruisling geene voor zijne organisatie geschikte levensomstandigheden kan vinden4 ,op blz4 #af hebben wij aangegeven1 hoe eene gunstige wijziging1 gedurende de overerving er van1 bij de achtervolgende generatin door de werking van het toeval hare deugd kan verliezen4 ,bij de kunstkeus is dit bij eene opeenstapeling van gelijksoortige wijzigingen insgelijks het geval voor de dieren zelf1 doch niet voor het gebruik1 welke wij van deze wenschen te maken4 ,wenscht men bijv4 het op blz4 #af gemelde met een zwaarder pantser voorziene oorlogschip als drijvende batterij slechts binnengaats te gebruiken1 zoo kan die onberedeneerde verzwaring van het pantser nuttig zijn1 doch zij is dit dan slechts1 omdat men aan het schip eene bestemming geeft in strijd met zijne primitieve4 ,een vleezig en zelfs nog al vet beest kan zeer gezond zijn1 terwijl zijne nakomelingen1 waarbij die eigenaardigheid voortgeplant is1 zulks niet meer zijn1 en zelfs zoo deze nog vleeziger en vetter dan hun voorzaat worden1 het ware wanstaltigheden worden4 ,daar echter1 zie blz4 #g1 eene constante oorzaak gedurende het leven der dieren die wanstaltigheden tracht te verminderen1 en aldus verwilderde tamme rassen de organisatie hunner wilde voorouders tracht terug te geven1 kan de uit ons oogpunt beschouwde veredeling der rassen1 door middel der kunstkeus1 slechts tot zekere hoogte gedreven worden4 ,die grens ligt echter verder zoo men de levenswijze dier dieren geschikt tracht te maken voor de eigenaardige organisatie1 welke zij verkregen hebben1 of zoo men deze door zeker rgime te voorschijn tracht te roepen4 ,de ,engelschen noemen dit laatste entrainement en passen dit niet alleen op de tamme dieren1 maar ook op menschen toe1 die zij tot jockeys1 boxers enz4 bestemmen4 ,de kunstkeus alleen is even onmagtig om dieren voor de hen door ons menschen opgelegde levensomstandigheden geschikter te maken1 als de natuurkeus om hen geschikter te doen worden voor de omstandigheden van het vrije natuurleven4 ,de sexuele keus1 waardoor de best georganiseerde mannetjes1 vaders van meer jongen worden dan de anderen1 kan voor de verbetering der organisatie der latere generatin geen ander gevolg hebben1 dan hetgeen eigenlijk 7zie de noot dier blz47 op blz4 #ae gesteld is1 namelijk dat de best georganiseerde hermaphroditen meer nakomelingen dan de anderen bekomen4 ,gewis zou dit van elke opvolgende generatie de gemiddelde organisatie der exemplaren iets beter doen worden1 dan die der voorgaande en zoo voort1 totdat 7bij niet verandering der levensvoorwaarden71 de volmaaktheid bereikt zou zijn1 zoo de jongen 7behoudens het onderscheid wegens verschil in leeftijd7 volmaakt naauwkeurige copijen hunner ouders waren4 ,alsdan zou echter bij elke generatie het eene individu geene betere organisatie dan het andere kunnen bezitten dan door omstandigheden na de geboorte er van plaats hebbende en wel door omstandigheden de vrucht van eene constante oorzaak1 de organisatie der dieren trachtende te verbeteren1 daar1 even goed na de geboorte als gedurende het vruchtleven1 afwijkingen1 door het toeval teweeg gebragt1 7zie blz4 #ae7 gemiddeld ten nadeele dier organisatin zullen strekken4 ,het schijnt dat1 naarmate dieren jongen kunnen verwekken1 beter georganiseerd voor de levensomstandigheden hunner ouders1 de vruchtbaarheid dezer laatste gemiddeld wat grooter is4 ,van daar dat gekruist wordende soorten en bastaarden in het algemeen onvruchtbaar zijn en gekruist wordende tamme rassen en tamme kruislingen in het algemeen in vruchtbaarheid uitmunten 7zie blz4 #ag74 ,dit zou maken1 dat bij de opvolgende generatin1 de op blz4 #ae gemelde overheerschende werking der goed georganiseerde individuen1 wat grooter werd1 doch desniettemin zal de natuurkeus evenzeer onvoldoende blijven1 om de organisatie der diersoorten voor hunne levensomstandigheden geschikter te maken1 als bij de politieke keus1 op blz4 #ae gemeld1 het bestaan eener wat sterkere meerderheid om de verbastering der wetten te verhinderen4 ,ook op zedelijk en maatschappelijk gebied tracht eene constante oorzaak het een voor het ander geschikt te maken4 ,verarmde menschen trachten bijv4 hunne behoeften te verminderen1 plotseling rijk gewordene1 om zich de beschaving der vermogenden te geven1 handwerkslieden om hun ambacht beter uit te oefenen1 gehuwden1 wier huisgezin vergroot1 om ruimer te wonen1 volken1 betrekkelijk hunne regering in beschaving gestegen1 om eene vertegenwoordiging te verkrijgen enz4 ,gebrek aan goeden wil en traagheid kunnen de neiging der menschen1 om alles ten beste voor zich te schikken1 om zich naar de omstandigheden te voegen en voordeelige omstandigheden op te zoeken1 gering maken1 doch1 zoolang de menschen zich niet geheel blindelings aan hunne hartstogten overgeven1 bestaat die neiging bij hen4 ,zou deze nu1 zelfs bij zeer groot gebrek aan doorzigt der menschen1 ten gevolge hebben1 dat deze zich werkelijk voor hunner levensomstandigheden geschikt maken8 ,naar ons inzien wel1 zoo de werking der accidentele omstandigheden en de verandering der omstandigheden vroeger opgedane ondervinding niet somtijds grootendeels nutteloos maakten en aanleiding tot dwalingen gaven4 ,bleven die omstandigheden steeds dezelfde1 zoo zou zelfs de domste mensch1 hoe langzaam ook1 juist te weten komen1 wat voor hem nuttig en wat voor hem schadelijk is1 en het begrijpen hiervan1 kort na verandering dier omstandigheden1 stelt dan ook daar1 hetgeen men doorzigt noemt4 ,zelfs tracht in het maatschappelijke het eene voor het andere geschikt te worden door de collectieve werking der menschen1 en zonder dat deze zulk een doel voor oogen hebben4 ,dit is bijv4 het geval met het verdwijnen van primitief onregtvaardige toestanden1 zoo de omstandigheden niet zoodanig veranderen1 dat1 bij het niet bestaan dier neiging tot geschiktwording1 die onregtvaardigheden sterker worden4 ,wordt bijv4 een volk in slavernij gedompeld en verdierlijkt het hierdoor zoodanig1 dat zelfs de minste vrijheid tot ledigheid en losbandigheid aanleiding geeft1 zoo is die toestand van slavernij niet langer iets onregtvaardig4 ,neemt echter daarna de graad van beschaving tegelijk bij de meesters en slaven toe1 zoo wordt die slavernij weder een kwaad1 omdat willekeurige behandeling dit bij een hoogeren graad van beschaving is4 ,de heerschappij1 door de meer geestelijk ontwikkelden over de betrekkelijk hen minder beschaafde menschen uitgeoefend1 dient alsdan niet in sterkte1 maar wel in karakter te veranderen4 ,zoo thans eene patentbelasting ingevoerd werd1 zouden de winkeliers en industrilen onregtvaardig behandeld worden1 doch later de tijd die onregtvaardigheid van lieverlede doen verdwijnen1 daar alsdan het aantal winkeliers en industrilen zoo lang zou verminderen1 totdat elk derzelve1 betrekkelijk den bloei van het gansche land1 evenveel zou verdienen als voor den invoer dier belasting4 ,wij zeggen betrekkelijk den bloei van het gansche land1 omdat die patentbelasting handel en industrie zou doen inkrimpen en aldus dien bloei tot zekeren grens zou doen verminderen4 ,dit echter niet in aanmerking nemende1 zoo zou alsdan1 bij overname eener zaak1 de kooper er zooveel minder voor betalen1 dan voor den invoer dier patentbelasting1 als ten bedrage dezer belasting gekapitaliseerd1 en het oprigten eener nieuwe zaak1 slechts dan plaats hebben wanneer1 bij gelijke kosten van oprigting1 de winsten1 na aftrek der patentbelasting1 even groot als de winsten voor den invoer dier belasting zouden worden4 ,wanneer eene partij1 hoe zwak ook1 gegronde grieven bezit1 zal zij trachten deze te doen verdwijnen1 en er hiervoor aldus eene constante oorzaak bestaan4 ,de veroordeelen der meerderheid1 waardoor deze de schade aan het publiek belang door het bestaan dier grieven teweeggebragt1 over het hoofd ziet1 worden daarentegen door den tijd verminderd4 ,ook bij de dieren1 ofschoon minder dan bij ons menschen1 en minder bij de laag dan bij de hoog ontwikkelde dieren1 maakt de werking der accidentele omstandigheden en de verandering der omstandigheden1 dat de op blz4 #g gemelde poging tot geschiktwording hunner organisatin gedurig tegengewerkt wordt1 en aldus slechts tot zekeren grens haar doel kan bereiken4 ,hoe digter toch bij de volmaaktheid de organisatie van een dier is1 hoe zwakker zooeven gemelde poging tot verdere volmaking er van zal zijn1 7even als bijv4 iemand1 die bijna het noodige bezit1 minder ijverig zal zijn om het alsdan nog ontbrekende te bekomen71 en hoe meer die variatien der omstandigheden die organisatien onvolmaakter zullen trachten te doen worden4 ,er zal aldus zekere nadering tot den volmaakten toestand zijn1 waarbij die twee tegengesteld werkende oorzaken even krachtig zullen werken4 ,bij dien toestand van evenwigt zal de nadering tot de volmaaktheid der organisatie der dieren minder zijn1 wegens het niet steeds op aarde voortleven derzelfde individuen4 ,op blz4 #ae hebben wij toch gezegd1 dat de jongen slechts gedeeltelijk de deugdzame eigenschappen der organisatie hunner ouders erven1 hetgeen beschouwd kan worden te ontstaan door de werking van accidentele omstandigheden gedurende het vruchtleven4 ,de organisatien der dieren en planten trachten ook voor periodiek veranderende omstandigheden geschikt te worden4 ,de dieren hebben bijv4 hun slaaptijd geregeld naar de lengte der nachten en de op hooge breedten groeijende planten1 kunnen de winterrust niet ontberen4 ,de geschiktwording dier organisatie geschiedt echter traag1 zoodat eerst langen tijd1 nadat de nieuwe levensomstandigheden ontstaan zijn1 zij den hierboven gemelden niet te overtreffen graad van geschiktheid kan voortbrengen4 ,de planten bijv4 zijn ontstaan1 terwijl op alle breedten er eene vochtige en eene hooge temperatuur bezittende lucht1 ofschoon welligt weinig of geen zonneschijn bestond1 en welligt is de sedert verloopen tijd nog te kort geweest om die planten in koude klimaten weelderig te doen groeijen4 ,accidentele oorzaken kunnen iets kenmerkend bij de organisatie van vele individuen eener diersoort voortbrengen en door overerving zullen zulke meestal vicieuse eigenaardigheden zich bij de opvolgende generatin voortplanten4 ,de op blz4 #g gemelde geschiktmakende oorzaak zal dan wel is waar zulke toevallige eigenaardigheden van lieverlede doen verdwijnen2 doch tevens sneller hen voor die dieren nuttiger maken en alsware eene primaire en tegelijk eener snellere secundaire verbetering van de organisatie dezer dieren voortbrengen4 ,de wapens der dieren bestaan bijv4 in klaauwen1 hoeven1 horens1 schilden enz4 en voor de gemiddelde levensomstandigheden van elke diersoort kan eene zekere verhouding tusschen den graad van ontwikkeling van elk dier wapens de voordeeligste voor haar zijn4 ,de verschillen der levensomstandigheden der diersoorten wettigen echter niet zulke verschillen in bewapening en in het algemeen in uitzigt1 als men bij die soorten opmerkt4 ,die groote verschillen moeten aldus de vruchten van accidentele omstandigheden zijn1 doch terwijl de oorzaak1 waardoor de organisatien dier soorten voor derzelver levensomstandigheden geschikt worden1 bovengemelde verhoudingen tracht daar te stellen1 verbetert zij tevens elk dier wapens en plooit zij er na de levenswijze van derzelver dragers4 ,op maatschappelijk gebied is dit eveneens het geval4 ,thans en bij toekomstige hoogere trappen van beschaving nog meer1 zal bijv4 gelijkheid van munt in alle beschaafde staten iets zeer wenschelijk zijn4 ,in sommige ,europesche staten is men dan ook reeds begonnen hier werk van te maken1 doch1 waar men nog ter naauwernood aan zoo iets denkt1 tracht men de munt tiendeelig te maken en aldus eene secundaire verbetering daar te stellen4 ,als zulk eene secundaire verbetering kan thans gelden1 het oprigten van goede bewaarscholen en als primaire verbetering het onderwijs der kleine kinderen door hunne moeders4 ,hoe grooter de gemeenschap tusschen de volken zal worden en hoe hooger de wetenschap zal staan1 hoe meer de behoefte aan eene universele wetenschappelijke taal gevoeld zal worden4 ,die primaire verbetering zal1 hoe langzaam ook ontstaande1 niet uitblijven1 doch als eene secundaire verbetering kan de beschaving der verschillende volkstalen en het geschikt maken dezer voor de uitdrukking van abstracte en wetenschappelijke denkbeelden aangemerkt worden4 ,dit toch is bij den thans bestaanden toestand het eenige middel om de wetenschap en de bellettri in elk rijk binnen een uitgestrekten kring te verbreiden4 ,gedurende de middeleeuwen diende het ,latijn als wetenschappelijke taal1 omdat de moderne talen toen nog in staat van kindschheid verkeerden4 ,thans zou het eerste door zoo even gemelde secundaire verbetering tegengewerkt worden1 terwijl zulk eene aanwending van het ,latijn1 voor het voortbrengen der primaire verbetering van gering nut zou zijn1 omdat het nationale gevoel der volken nog te sterk is1 om hen die laatste verbetering sterk te doen wenschen en om hen de volkstalen tot ondergeschikte rollen te doen bestemmen #c4 ,dat toevallig de ,europesche volken gedurende de middeleeuwen het ,latijn konden aanwenden om wetenschappelijke denkbeelden uit te drukken1 heeft echter het hier voor geschiktmaken der moderne talen vertraagd4 ,hiermede kan nu vergeleken worden de hulp door den wind en de insecten aan de planten1 ter overbrenging van het stuifmeel van de meeldraden der mannelijke bloemen naar de stampers1 verleend4 ,deze hulp maakt dat de oorzaak1 de organisatie der planten verbeterende1 slechts weinig tracht om de onderlinge plaatsing der meeldraden en stampers doelmatiger te doen worden4 ,voor het eten van elk der onderscheidene soorten van organische stof1 zooals bladeren1 vruchten1 dood en levend vleesch enz4 zijn er diersoorten geschikt geworden4 ,bestonden er alleen plantetende dieren1 zoo zou het totale aantal dieren veel geringer dan thans zijn1 evenals bijv4 ,engeland minder bevolkt zou zijn1 zoo van deszelfs rijkdom aan delfstoffen geen gebruik gemaakt werd4 ,onwaar is het echter dat1 bij gemis van carnivoren1 de plantetende dieren steeds menigvuldiger zouden worden4 ,hoe hooger de stand van beschaving der menschen zal worden1 hoe minder het klimaat op hunne organisatie van invloed zal zijn en dus hoe meer zij in alle landen op elkander zullen gaan gelijken4 ,wanneer in de verre toekomst dit in hooge mate het geval zal zijn1 zal welligt gelijkheid in geestontwikkeling grootendeels de keuze bij huwelijken bepalen4 ,het kan zijn dat de neiging1 om voor de bestaande omstandigheden eene geschikte organisatie te verkrijgen1 ook bestaat bij organische wezens andere hemelbollen bewonende1 hoe of de natuur dier bollen ook zijn moge1 en dus welke omstandigheden die wezens er ook mogen aantreffen4 ,naarmate die omstandigheden op zulk een bol meer verscheiden en veranderlijk zijn1 zullen de er op wonende wezens1 naar aanleiding van hetgeen op blz4 #bj en #bb gezegd is1 minder geschikt voor die omstandigheden zijn en aldus meer lijden1 maar tevens 7zooals later verklaard zal worden71 meer in geestontwikkeling toenemen4 ,onze aarde kan nu misschien1 wegens de ongelijkheid in verhitting welke zij1 wegens hare betrekkelijke nabijheid van de zon ondervindt en1 wegens de verschillen in aantrekking door zon en maan op de onderscheidene deelen van hare gesmolten kern uitgeoefend1 betrekkelijk andere hemelbollen eene sterke verscheidenheid en veranderlijkheid van omstandigheden voortbrengen4 ,dat de zon bestemd is1 om haar licht en warmte mede te deelen is evenmin juist1 alsdat de menschen voor het hun bloed opzuigend ongedierte bestemd zijn1 en het is zelfs de vraag1 of het bezit der planeten van zwak elliptische banen en van eene betrekkelijk digte groepering om de zon1 van geen accidentelen en tijdelijken aard is1 en1 of die planeten zich niet eenmaal zullen verspreiden en in derzelver normalen toestand zeer lange en zeer sterk elliptische banen om elkander1 of om andere hemelligchamen bezitten4 ,alsdan dienen1 derzelver bewoners zich naar geheel andere omstandigheden1 dan de thans er bij-bestaande 7waaronder behoort de gemiddelde uitwerking van de gesmolten aardkern op de aardkorst7 te schikken4 ,tegelijk met de oorzaak1 de organisatie der dieren1 voor de levensomstandigheden1 waarin deze verkeeren 7hetzij daardoor die organisatie hoog of laag1 ingewikkeld of eenvoudig wordt7 geschikt1 of anders gezegd die dieren betrekkelijk volmaakter trachtende te doen worden1 poogt eene tweede constante oorzaak die organisatin hooger op te voeren1 dat is hen passende voor de stijgende geestontwikkeling der hen bezittende wezens te doen worden4 ,die tweede oorzaak vermindert meer de betrekkelijke volmaaktheid dier organisatin1 naarmate zij sterker gedrongen wordt1 te werken1 evenals bijv4 het sterker groeijen van jongelieden deze teringachtiger doet worden4 ,zoo bijv4 een dier hoogere levenstoestanden opzoekt verheft zich zijn geest en dien ten gevolge ook zijn ligchaam1 maar1 wegens de werking der traagheid1 kan die verheffing 7evenmin als de geschiktwording voor veranderde omstandigheden7 in korten tijd in genoegzame mate geschieden4 ,vrij geschikt zijnde voor zijne vroegere levensomstandigheden1 wordt het dier aldus ongeschikter voor de nieuwe omstandigheden en aldus betrekkelijk onvolmaakter4 ,gaat het even snel voort met naar hoogere levensomstandigheden te zoeken1 zoo zal zijne organisatie zich eindelijk wel even sterk als die omstandigheden verhoogen1 maar steeds evenveel hierbij ten achteren blijven en dit in sterkere mate doen1 naarmate die zucht naar hoogere levensomstandigheden sterker is4 ,die achterblijving kan bijv4 vergeleken worden met de spanning der lijn1 waarmede een paard eene schuit voorttrekt1 hoe harder het paard loopt1 hoe grooter de spanning dier lijn wordt4 ,vandaar dat1 van de op deze aarde levende wezens1 die het traagste opwaarts zijn gestegen1 zooals de infusiediertjes en dergelijken1 de volmaaktste en wij menschen de betrekkelijk onvolmaaktste zijn4 ,de verhooging der organisatie der dieren geschiedt naar ons inzien1 evenals1 7zie blz4 #g71 de geschiktwording er van voor de bestaande omstandigheden1 deels door den wil 7of anders gezegd door zekere soort van eigen denking der dieren7 deels zonder1 maar wel op aansporing hiervan1 eene wijze van verhooging dier organisatie door den schrijver der ,natuurlijke geschiedenis der ,schepping de geheimzinnige inwendige aandrift genaamd #d4 ,een paard alleen kan geen spoortrein voorttrekken1 hierin moet het door de stoomkracht geholpen worden1 doch geschiedt dit laatste slechts in zulk eene mate1 dat de trein iets trager zou bewegen dan het paard zulks verlangt1 zoo zal dit niet alleen tot die beweging bijdragen1 maar zelfs de impulsie er toe geven4 ,de beweegkracht1 alsdan door het paard uitgeoefent1 kan vergeleken worden met de verhooging der organisatie der dieren1 ten gevolge van de werking van hun wil1 alsmede met de genezing van patinten ten gevolge der geneeskundige behandeling4 ,de beweegkracht1 in zulk een geval door den locomotief geleverd1 is daarentegen vergelijkbaar met de verhooging der organisatie der dieren en met de genezing der patinten buiten hun toedoen door de ,natuur4 ,hoe lager1 bij gelijkheid van geestelijken aanleg1 de geestontwikkeling en dus gemiddeld ook de ligchamelijke organisatie van eenig dier is1 hoe geringer de invloed van zijn wil betrekkelijk die der ,natuur op de veranderingen zijner organisatie zal zijn2 terwijl bij de planten uitsluitend de ,natuur1 zoo voor derzelver geschiktwording1 als voor de verhooging van derzelver organisatie zorgt4 ,de zucht naar het hoogere werkt bij de menschen als een harstogt1 de leiding der rede behoevende1 omdat de vooruitgang anders niet steeds in de goede rigting1 of wel te snel geschiedt1 zoodat de geschiktwording voor meer nederige levensomstandigheden er te veel aan opgeofferd wordt4 ,hoe menigmalen wordt toch aan de menschen niet gezegd1 dat aanzien1 magt1 rijkdom en zelfs kennis hen niet gelukkiger kunnen maken1 dat zij met een bescheiden lot tevreden moeten zijn1 en toch trachten zij opwaarts te gaan1 en hebben zij in zooverre gelijk1 dat zij betrekkelijke volmaaktheid en geluk niet met volstrekten stilstand willen koopen4 ,een geoefende timmermansknecht zal baas worden1 maar hiervoor de noodige kennis en kapitaal missende1 in zijne nieuwe positie meer bekrompen moeten leven dan in de vorige en misschien zelfs van het huwelijk moeten afzien4 ,stelt men nu1 dat al de kinderen van zulk soort bazen insgelijks bazen worden en dat de kinderen van hen1 die knecht gebleven zijn1 knechten worden1 hoe kunnen dan bij gene de geboorten de sterfgevallen en bij deze laatste de sterfgevallen de geboorten overtreffen8 ,zoo iets zou niettemin noodig zijn1 om uit eene generatie1 uit enkel knechten bestaande1 andere generatin te doen voortspruiten steeds en meer en meer en eindelijk uitsluitend uit bazen zamengesteld1 zoo er geen drang naar het hooge bij de menschen bestond4 ,evenmin zal nu een zeehond1 de levenswijze van een otter trachtende aan te nemen en in organisatie wat tot die van zulk een dier naderende1 het beter hebben en meer jongen verkrijgen dan zijne makkers1 welke bij hunne oude gewoonten gebleven zijn4 ,de verhooging der organisatie der dieren door de ,natuurkeus veronderstelt echter zoo iets en kan aldus niet bestaan4 ,naar ons inzien heeft die verhooging plaats gehad1 op eene wijze1 in hoofdzaak overeenkomende met de hypothese door den schrijver der ,natuurlijke geschiedenis der schepping op blz4 #fb en volgende van het vervolg van zijn werk voorgesteld4 ,gesteld dat de hoogten van organisatie der verschillende thans bestaande diersoorten aangeduid worden door de lengten der loodlijnen onder de horizontale lijn a van vorenstaande figuur1 en dat1 voor de aanduiding dier hoogte1 elke diersoort hare bepaalde loodlijn bezit en wel eene meer naar den linkerkant1 naarmate op hetzelfde oogenblik die diersoort eene hoogere organisatie bezit1 betrekkelijk die der anderen4 ,zoo nu1 tijdens het geologische tijdvak1 waarin het organische leven op deze aarde begonnen is noemenswaardig te worden1 al de diersoorten1 zoo ligchamelijk als geestelijk1 uiterst1 weinig ontwikkeld waren1 maar in geestelijken aanleg verschilden1 zullen die van grooteren aanleg1 zoowel ligchamelijk als geestelijk1 sneller dan die van minderen aanleg voorwaarts gegaan zijn en aldus de loodlijnen1 derzelver ligchamelijke ontwikkeling bij vorenstaande fig4 aanduidende1 meer links dan die van die diersoorten van lageren aanleg gelegen zijn4 ,de loodlijnen1 begrepen tusschen de horizontale a en de schuine lijn b1 zullen dan de hoogten1 welke de ontwikkeling der organisatie der verschillende diersoorten op een gegeven tijdstip bereikt hebben1 aangeven4 ,zij1 welke zich dan het meeste ontwikkeld hebben1 zullen klaarblijkelijk achtervolgens de meeste veranderingen hebben ondergaan en het meeste aantal keeren schijnbaar uitgestorven zijn4 ,op blz4 #bb hebben wij gezegd dat1 naarmate die soorten sneller in organisatie veranderen1 deze gemiddeld minder geschikt voor de omstandigheden1 waarin die diersoorten verkeeren1 zal zijn4 ,van daar dat1 gedurende zulke snelle veranderingen1 diersoorten1 of somtijds werkelijk uitsterven1 of althans minder individuen tellen dan wanneer de verandering van derzelver organisatie trager is4 ,van daar welligt het gemis aan overgangsvormen tusschen de gedurende den voorhistorischen tijd bestaande diersoorten1 waarvan de schaarsche overblijfselen voor den dag gekomen zijn4 ,van elk dezer soorten is de stamboom te vergelijken met eene rivier1 een snelleren stroom bezittende1 naarmate derzelver bedding kleiner is4 ,de grootte dezer komt dan overeen met het aantal individuen eener diersoort en de stroomsnelheid met de snelheid waarmede de organisatie te dier soort verandert4 ,op een later tijdstip dan het bovengemelde zullen de loodlijnen1 tusschen de horizontaal a en de schuine lijn b' begrepen1 de hoogten1 welke de organisatie der verschillende alsdan bestaande diersoorten bereikt hebben1 aanduiden1 en1 wanneer eenmaal de aard en beperktheid onzer planeet de verdere verhooging der alsdan aanzienlijk geworden ontwikkeling der diersoorten steeds sterker zal tegenwerken1 de tijdvakken1 gedurende welke eene soort een zeker bedrag in organisatie en geestontwikkeling klimt1 al grooter en grooter worden4 ,veronderstellende dat bij het punt b' de meest beschaafde hedendaagsche ,europeanen staan1 zoo zullen zeer digt links van het snijpunt der lijnen b' en a de thans bestaande infusiediertjes staan en al de andere diersoorten1 gerangschikt naar hare hoogte1 van geestelijke ontwikkeling1 tusschen dit snijpunt en het punt b' verondersteld moeten worden te staan4 ,een dier diersoorten zal nu staan bij het punt waar eene horizontale lijn1 uit het punt b getrokken1 de schuine lijn b' snijdt en deze soort bij minderen geestelijken aanleg1 thans even sterk ligchamelijk en geestelijk ontwikkeld zijn als de bij het punt b staande voorouders der beschaafde volken van ,europa in een uiterst ver verleden4 ,klaarblijkelijk heeft de ontwikkeling der diersoorten op eene meer zamengestelde wijze plaats gehad dan hierboven aangegeven is4 ,zoo kunnen bijv4 accidentele oorzaken gemaakt hebben1 dat eene diersoort tijdelijk trager in ontwikkeling is toegenomen dan eene andere van wat minderen aanleg1 en alzoo tijdelijk lager dan deze in geestelijke ontwikkeling heeft gestaan4 ,iets dergelijks ontwaart men ook in de geschiedenis der volken4 ,de ,chinezen bijv4 bezitten klaarblijkelijk minder aanleg dan de ,duitschers1 en niettemin waren zij voor achttien eeuwen beschaafder dan de ,germanen4 ,deze hebben echter de ,chinezen veel meer dan ingehaald1 en het schijnt dat de geestelijke aanleg dezer laatste hunne beschaving thans weinig verder vermag te voeren1 iets dat in de verre toekomst ook voor de ,europeanen het geval zal worden1 wegens de op blz4 #ca gemelde die vergrooting in beschaving tegenstrevende invloed der woonplaats der menschelijke ligchamen4 ,buitendien zullen de bij de diersoorten van hoogeren aanleg als ware sterker gegroeide stamboomen1 door de bovengemelde loodlijnen van fig4 blz4 #bi aangeduid1 zich vertakt hebben en wel in meer takken1 naarmate het verschil in ontwikkeling tusschen de gelijktijdig bestaande diersoorten grooter werd1 omdat toen de verscheidenheid der door de aardkorst opgeleverde levensomstandigheden zulks ook werd4 ,somtijds zelfs zullen de stam1 of eenige der takken uitgestorven zijn1 somtijds de naburige takken van stamboomen meer of minder te zamen gegroeid zijn4 ,iets dergelijks ontwaart men ook bij menschenrassen4 ,deze zenden vertakkingen uit1 zooals bijv4 de ,engelschen1 waaruit de ,amerikanen1 de ,nederlanders1 waaruit de ,kaapsche boeren voortgesproten zijn1 en ook vermengen zij zich geheel1 of gedeeltelijk met elkander1 zooals bijv4 de ,angelsaxen met de ,celtische ,schotten1 de ,franken met de ,gallirs enz4 ,de lage stand der geestontwikkeling der dieren betrekkelijk die der menschen1 maakt echter dat1 bij gene naburige soorten slechts door onderlinge paring eigenaardigheden van elkander kunnen overnemen1 terwijl bij de menschenrassen dit ook door het maatschappelijke verkeer kan geschieden4 ,slechts indirect en wel door strijd kan de eene diersoort de andere in geestontwikkeling doen toenemen1 terwijl1 wegens de zamenwerking der menschen en van deze en de tamme dieren1 dit ook bij hen door onderwijs kan geschieden4 ,voorts bezitten de dieren niet zoo als de menschen de middelen1 om door kunst voor zich de verschillen in klimaat1 bodemgesteldheid enz4 minder te doen worden1 en 7zie blz4 #bf7 ten gevolge hiervan1 hier en elders meer op elkander te gaan gelijken4 ,naarmate echter de geestontwikkeling eener diersoort hooger staat1 is derzelver organisatie minder gevoelig voor verschillen in levensomstandigheden1 of liever geschikter voor eene grootere verscheidenheid hiervan en is1 evenals bij volken van hoogere beschaving1 het leven bij zulk eene diersoort meer gevarieerd4 ,de op blz4 #cj gemelde hypothese wordt door de paleontologie bevestigd1 daar deze toch leert1 dat1 hoe ouder de sedimentaire lagen zijn1 hoe lager de hoogst ontwikkelde dieren zijn wier overblijfselen zij bevatten1 alsmede dat van twee opvolgende sedimentaire lagen de lagere dier vormen in ontwikkeling minder dan de hoogere verschillen4 ,bij fig4 blz4 #bi wordt dit laatste aangeduid door het kleiner zijn der verticale distantin tusschen de schuine lijnen b en b'1 naarmate men de snijpunten dier lijnen met de horizontaal a nadert4 ,het is mogelijk1 dat thans bestaande diersoorten in enkele gevallen toevallig zoo gelijken op er mede in ontwikkeling gelijkstaande fossile soorten van hoogere en aldus individuen van meer aanleg bezittende stamboomen1 dat men hen voor dieren van zeer naverwante soorten aanziet4 ,evenzoo waande eene ,engelsche touriste1 bij het zien der ,fellahs van ,opper-,egypte1 zich in de tijden der aartsvaders verplaatst en aldus de voorouders der thans1 wegens hun grooten aanleg1 zoo beschaafde ,isralieten te ontmoeten4 ,even als de thans bestaande diersoorten eene reeks vormen van af de laagst staande infusiediertjes tot de ,frankrijk1 ,duitschland en ,engeland bewonende menschen1 zoo ontwaart men thans op onze aarde volken op allerlei trappen van beschaving staande en in geestelijken aanleg nog al verschillende1 zooals de wilden van ,zuid-,australi1 de ,maories1 de ,ashantijnen1 de ,kabijlen1 de ,japanezen1 de ,columbianen1 de ,russen en eindelijk de ,franschen4 ,eene eeuw geleden stonden deze laatste minder hoog in beschaving dan thans en evenaarden zij hierin de ,russen van heden4 ,even als thans in ,rusland1 was toen in ,frankrijk de lage volksklasse in onwetendheid gedompeld1 de burgerij in snelle opkomst en de adel nog bevoorregt4 ,tijdens de bloedige burgeroorlogen der ,ligue waren de ,franschen nog minder beschaafd dan gedurende de vorige eeuw en in beschaving evenaarde zij de thans bestaande en in bloedige twisten gedompelde ,columbianen4 ,tijdens den bloei van het leenstelsel en de zamenspanningen der leenmannen tegen de koningen was de beschaving der ,franschen nog lager dan tijdens de ,ligue en kon zij met die der ,japanezen van heden gelijkgesteld worden4 ,ten tijde van ,cesar was de beschaving der ,gallirs niet hooger dan die der hedendaagsche ,arabieren van ,algeri en vervulde ,vincengetorix1 de kampioen der nationaliteit in den krijg tegen de beschaving1 eene rol1 veel op die door ,abdelkader gespeeld1 gelijkende4 ,bij de oudere ,gallirs deden de ,druden ter eere der ,goden binnen teenenpoppen menschen verbranden1 en thans ziet men de ,ashantijnen menschen offeren ter eere hunner goden en overleden vorsten4 ,gaat men nog verder terug1 zoo ontmoet men digt bij ,frankrijk de runen der meerdorpen1 namelijk die der woningen van een volk dat1 even als thans de ,maories1 sterkten bouwde1 stoffen weefde en onbekend was met het gebruik der metalen1 even als thans de ,maories nog zouden zijn1 zoo er geen ,europeanen op hunne eilanden geland waren4 ,eindelijk in ,frankrijk een laatsten terugtred doende1 zoo ontmoet men aldaar de tijdgenoten van den mammouth en van den holenbeer1 namelijk een volk wiens beschaving wel niet hooger dan die der thans minst ontwikkelde stammen van ,australi gesteld kan worden4 ,bij volken van minder geestelijken aanleg ontbreekt de toename in beschaving door eigen ontwikkeling niet4 ,toen bijv4 de hooger in aanleg dan de oude ,mexicanen zijnde ,spanjaarden onder ,cortes in ,mexico kwamen1 waren zij gedurende de toen laatst verloopen eeuwen meer in beschaving dan de ,mexicanen toegenomen1 doch de oorkonden dezer laatste maakten melding van hervormers en van het ontstaan van vrij groote rijken aldus van toename in beschaving4 ,constante oorzaken van verschil in zeden1 godsdienst wetenschap1 moraal en uitzigt der menschen zijn den trap van geestontwikkeling of beschaving1 de grond en luchtgesteldheid en den volksaard4 ,accidentele omstandigheden maken echter1 dat1 even als bij de diersoorten1 7zie blz4 #bb71 die onderscheidene zaken bij de volken meer uiteenloopen1 dan ten gevolge dier verschillende constante oorzaken1 even als bijv4 bij personen van denzelfden leeftijd1 beroep en woonplaats1 de wijze waarop zij gekleed gaan1 zoo zij zich niet op de voor hen doelmatigste wijze kleeden1 maar onafhankelijk van elkander ook hunne grillen en individuele opvattingen van schoonheid raadplegen4 #e ,wel tracht de op blz4 #bj gemelde tot geschiktwording leidende oorzaak1 die onderscheidene zaken zoo doelmatig mogelijk voor de volken1 met inachtneming van derzelver stand van beschaving1 karakter en landsklimaat te doen worden1 doch gedurig worden zij hierin door op nieuw ontstaande accidentele omstandigheden gestoord4 ,dit een en ander maakt nu1 dat er tusschen eenig thans bestaand volk1 en de op een even hoogen trap van ontwikkeling als dit staande voorzaten van een thans beschaafder volk zekere gelijkenis1 maar tegelijk ook zeker verschil bestaat1 waarvoor men bijv4 de ,gallirs met de ,kabijlen van heden kan vergelijken4 ,evenzoo zullen de thans bestaande grootste apensoorten tegelijk gelijken op en verschillen met de voorouders der ,europeanen1 toen deze op den trap van geestontwikkeling dier hedendaagsche apen stonden4 ,in elke maatschappij bestaan er voor menschen1 op dezelfde hoogte van geestontwikkeling staande1 verschillende geschikte werkkringen1 terwijl er beroepen bestaan voor de meest en anderen voor de minst beschaafde leden van een zelfde volk geschikt4 ,gesteld nu dat leden van een zeer onbeschaafd volk beroepen kiezen1 dat de meest ontwikkelde onder hen krijgsman en priester en de minst ontwikkelde landbouwer en lastdrager worden3 voorts1 dat die beroepen erfelijk zijn en eindelijk1 dat zulk een volk van lieverlede in beschaving klimt tot die thans in ,nederland bestaande1 wat zal er dan plaats hebben8 ,de met dierenvellen omhangen en met knods en werpspies gewapende krijgslieden van voorheen verkrijgen tot nakomelingen soldaten in laken gekleed en met achterladers gewapend4 ,de met amuletten omhangen priesters herkennen hun toga en bef dragende nakomelingen niet4 ,van den in eene uit boomtakken zamengestelde hut wonende en met een ruw steenen werktuig den bodem omwroetende landbouwer van voorheen1 bewonen de nazaten hofsteden en wordt door hen de voor den ploeg gespannen paarden gemend1 terwijl van den naakten lastdrager de nakomelingen gekleed zijn1 handwagens voortduwen1 of wel als koetsier fungeren4 ,buitendien zijn de beroepen in aantal vermeerderd1 de onbeschaafde krijgsman van voorheen bezit tot nakomelingen infanteristen1 artilleristen1 mineurs enz42 van de fetische priesters stammen af professoren in de theologie1 aalmoezeniers en monniken1 de primitieve landman bezit tot nazaten wijngaardeniers1 bouw- en weiboeren en de lastdrager van voorheen1 koetsiers1 fabriekarbeiders1 matrozen enz4 ,een hiermede vergelijkbaar1 maar veel grooter verschil bestaat er nu tusschen de thans bestaande diersoorten en de alleroudste uiterst weinig ontwikkelde stichters hunner stamboomen4 ,de wijzen waarop de dieren hun voedsel magtig worden1 kunnen namelijk met de beroepen der menschen vergeleken worden4 ,zeer verschillende wijzen van voeding kunnen van dieren evenveel geestontwikkeling vorderen1 doch dit is volstrekt niet altijd het geval4 ,meer geestontwikkeling wordt er bijv4 vereischt bij dieren1 welke moeten klauteren1 om vruchten en noten te plukken1 dan bij die zich met gras en kruiden voedende1 meer1 wanneer zij vleesch moeten eten en aldus vlugtende en zich verbergende prooijen moeten vangen1 dan wanneer zij slechts naar plantenvoedsel te zoeken hebben1 meer1 wanneer hunne prooijen grooter zijn en dus schaarser voorkomen1 dan1 wanneer deze uit overal fladderende insecten bestaan1 meer1 wanneer zij1 vleeschetende zijnde1 het land1 dan wanneer zij de zee bewonen enz4 ,de primitieve op blz4 #cj gemelde uiterst weinig ontwikkelde diersoorten kunnen nu verschillende wijzen van voeding en alzoo ook van leven 7natuurlijk veel minder van elkander verschillende1 dan die der heden bestaande diersoorten7 aangenomen hebben4 ,van die primitieve diersoorten kunnen er nu twee zeer weinig in aanleg verschild hebben en de eene plant- en de tweede vleeschetende geworden zijn1 echter met dien verstande1 dat de laatste slechts gemakkelijk te vangen prooijen te bemagtigen had4 ,van elk tijdperk moeten echter de hoogst ontwikkelde diersoorten doorgaans de krachtigste en best gewapende diersoorten van dit tijdperk geweest zijn4 ,zoo nu elk dier primitieve diersoorten derzelver wijze van voeding op hare nakomelingen overgedragen heeft1 deze weder op de hare enz4 tot op heden1 zoo is het gemakkelijk te begrijpen1 dat hare zoo veel meer dan zij ontwikkelde nazaten1 een veel minder dan voorheen uniformen bodem bewonende1 veel meer dan zij van elkander in organisatie en wijze van leven moeten verschillen4 ,aan de thans bestaande roofdiersoorten staan die van het katten en hondengeslacht hooger dan de insectenetende zoogdiersoorten alsmede dan de gras en kruidenetende diersoorten1 doch dat zij hooger staan dan de verschillende op boomen klauterende en noten bolsterende apensoorten is zeer twijfelachtig4 ,dieren1 in gedaante en levenswijze veel verschillende1 kunnen in aanleg en geestelijke ontwikkeling zulks veel minder doen dan met andere dieren1 waarmede zij in uitzigt meer overeenkomen4 ,olifanten moeten bijv4 in geestontwikkeling minder met honden dan met rinocerossen verschillen4 ,die laatste dieren leven toch niet zooals de eerste gezellig bij elkander1 en buitendien zijn zij ontembaar en bezitten zij niet de geestontwikkeling voor het gebruik maken van een langen snuit gevorderd wordende4 ,voor de diersoorten van hetzelfde geslacht kunnen de voorouders hun bloed eenigzins met elkander vermengd hebben1 en1 zoo zij van eene enkele soort afstammen1 moet deze nog al lager dan hen gestaan en betrekkelijk zeer veel vroeger dan hen bestaan hebben4 ,zoo bijv4 de verschillende soorten van het kattengeslacht afgestamd zijn van eene enkele soort van katachtige dieren1 moeten deze1 in eene even ontwikkelde en verscheiden natuur als hunne nazaten1 geleefd hebben4 ,het is aldus moeijelijk te verklaren1 hoe voor de verschillende groepen dezer1 de levensomstandigheden zoo zeer met elkander zijn gaan verschillen1 dat1 naar aanleiding van hetgeen op blz4 #i gezegd is1 elk dier groepen zoo in soortkenmerken van de andere moest gaan verschillen1 dat de lust tot paring met deze verdween #f4 ,zoo echter die gemeenschappelijke stamvaders der katachtige dieren ver achterwaarts van hen staande zeedieren geweest zijn1 laat zoo iets zich beter verklaren1 doch het is de vraag1 of de geslachtkenmerken eener diersoort niet geheel onafhankelijk van den invloed der andere soorten van ditzelfde geslacht1 door de op blz4 #g gemelde neiging tot geschiktwording voor gelijksoortige levensomstandigheden1 in verschillende landen kunnen ontstaan4 ,de noodzakelijkheid om bijv4 in streken1 sterk door groote plantetende dieren bewoond en aldus in het bezit eener weelderige vegetatie zijnde1 hunne prooijen in eene hinderlaag af te wachten en hen te bespringen1 kan dezelfde geslachtkenmerken gegeven hebben aan de leeuwen in ,afrika1 aan de gestreepte tijgers in ,azi1 en aan de jaguars in ,z4-,amerika4 ,dezelfde strijdwijze heeft bijv4 aan de tirailleurs der verschillende legers vrij gelijksoortige uitrusting en bewapening doen geven1 zonder dat het eene leger daarvoor het voorbeeld van het andere noodig had4 ,de ondervinding1 door elk leger opgedaan1 was hiervoor voldoende4 ,de onjuistheid onzer laatste stelling zou alleen aangetoond worden1 zoo bijv4 onder de geslachtkenmerken der katachtige diersoorten er gebreken voorkwamen1 door accidentele oorzaken ontstaan1 door overerving voortgeplant en door de meergemelde oorzaak van geschiktwording van lieverlede uitgeroeid wordende4 ,zulke gebreken kunnen aan elke diersoort van een geslacht moeielijk anders dan bij het bestaan van bloedverwantschap tusschen hen medegedeeld zijn1 even als bijv4 het bezit van beerenmutsen door tirailleurs van verschillende legers moeijelijk anders dan door navolging te verklaren is4 ,zoo daarentegen de diersoorten van een geslacht1 door in ontwikkeling toe te nemen1 eene gemeenschappelijke vroegere wijze van leven voor eene nieuwe vaarwel gezegd hebben1 kunnen zij1 wegens de werking der traagheid1 allen nog eene zelfde eigenaardigheid1 goed voor die vorige1 maar ondoelmatig voor die nieuwe wijze van bestaan1 bezitten4 ,zulke veranderde eigenaardigheden 7zooals bijv4 de zwemvliezen der pooten der nimmer zwemmende fregatvogels7 vormen alsdan gebreken1 welke echter veel minder zeker dan de hierboven gemelde op bloedverwantschap tusschen die verschillende diersoorten wijzen4 ,evenzoo vindt men bijv4 in vele legers heden nog kurassiers1 ofschoon de thans bestaande vuurwapenen het nut der kurassen hebben doen verdwijnen4 ,deze bestaan echter1 niet doordat de departementen van oorlog van verschillende staten eene gril eener hunner nagevolgd hebben1 maar wel1 doordat allen te traag geweest zijn1 om het vroeger wel1 maar thans niet meer doelmatige bij tijds afteschaffen4 ,om de op blz4 #cj ontwikkelde hypothese te bewijzen1 zouden de geraamten van althans eenige leden van elk der vroegere generatien van elken stamboom opgedolven moeten worden en men1 bij die stamboomen steeds achterwaarts gaande1 gemiddeld tot steeds lagere1 maar in wijze van voeding eenigzins met elkander overeenkomende diervormen moeten komen4 #g ,om het onmogelijke1 vooral voor de overblijfselen van landdieren1 hiervan na te gaan1 behoeft men slechts te bedenken1 dat van die dieren het verrotten der beenderen slechts kan worden belet1 wanneer hunne lijken overdekt worden met veen1 vulcanische asch1 opgestoven zand1 of in holen nederploffende kalk en wanneer zij door beken of rivieren naar opslibbende1 of verzandende meeren1 of zeevakken gevoerd worden4 ,wij hebben zooeven gesproken van gemiddelde verlaging1 daar bij uitzondering de latere generatien eener diersoort eene lagere organisatie dan derzelver voorouders kunnen verkrijgen4 ,de ,schrijver der ,sporen der ,natuurlijke geschiedenis der schepping1 stelt bijv4 dat de nazaten van althans sommige der groote landhagedissen van het secundaire tijdvak gedurende het tertiaire tijdvak de slangenvorm aangenomen hebben4 ,nu kan het zijn dat1 toen de magtige landzoogdieren en landvogels in groote hoeveelheden optraden1 het land als ware door twee legers veroverd geworden is en dat hierdoor die landhagedissen tot binnen holen en digt struikgewas terug gedrongen en in aantal vermindert zijn4 ,de drang tot geschikt wording voor nieuwe en lagere levensomstandigheden kan toen laatstgemelde dieren sterker achter1 dan die tot het hoogere voorwaarts hebben doen gaan1 zoodat eene resulterende verlaging en voor de nieuwe levenswijze der dieren betrekkelijke verbetering hunner organisatie later op die terugdringing gevolgd is en het cijfer der geboorte weder op dat der sterfgevallen gebragt heeft1 zie blz4 #ab4 ,iets hiermede vergelijkbaar wordt ook bij den strijd tusschen de volken waargenomen4 ,verovert bijv4 een dezer het grondgebied van eenig ander volk en dringt het dit terug tot binnen woeste bergstreken1 zoo zal laatstgemeld volk1 om zich in zijne nieuwe positie beter te handhaven en er voor geschikt te worden1 op een lager standpunt van beschaving dan vroeger moeten gaan staan1 en1 in plaats van te leven van landbouw en handel1 zulks grootendeels van stroopen moeten gaan doen4 ,in zulk een geval kunnen bijv4 de ,montenegrijnen1 na den inval der ,turken in het ,illyrische schiereiland1 verkeerd hebben4 ,thans echter kan die drang tot geschiktworden voor zekeren toestand bij hen weder zwakker dan die tot verhooging geworden zijn en zij aldus1 na een tijdelijke achteruitgang1 thans weder in beschaving stijgen4 ,wanneer een volk een ander1 of leden daarvan1 op gelijken trap van beschaving als dit eerste volk staande1 gaat overheerschen1 zooals bijv4 plaats heeft bij volken1 hunne krijgsgevangenen tot slavernij veroordeelende1 zal de neiging tot geschikt wording voor nieuwe toestanden dit eerste volk in beschaving vooruit en het tweede achteruit doen gaan4 ,bij beiden te zamen genomen kan dan die dwang tot geschiktwording den graad van beschaving even groot laten4 ,staat het eerste volk in beschaving hooger dan het tweede1 iets dat gemiddeld plaats zal hebben1 zoo zullen die voor en achteruitgang beide kleiner worden en zelfs kunnen omkeeren1 omdat bijv4 het contact met zijne meer beschaafde meesters1 de levensomstandigheden van het in dienstbaarheid gebragte volk sterker kan verhoogen1 dan die dienstbaarheid1 op zich zelf genomen1 het verlaagt4 ,dit bijv4 was het geval met de uit ,afrika naar ,n4 ,amerika gevoerde en aldaar tot slavernij veroordeelde negers4 ,heeft daarentegen het omgekeerde plaats1 zoo zal de verhooging in beschaving van het overheerschende volk en die in barbaarschheid van het dienstbare sterker zijn dan in het eerste geval4 ,zoo iets heeft plaats gehad na den inval der barbaren in de wingewesten van het ,romeinsche rijk1 en zoo men nu zamen voegt de beschaving der barbaren en die der onderdanen van ,rome voor dien inval1 en die som vergelijkt met die na den inval1 is het de vraag of de eerste som veel kleiner dan de tweede geweest is1 tengevolge dat accidentele omstandigheden de verlaging der eene natie grooter dan de verhooging der andere hebben doen worden4 ,buitendien bedenke men wel1 dat de beschaving1 niet enkel uit intellectueele1 maar tevens uit morele ontwikkeling bestaat4 ,beide trachten nu op eene overeenkomstige hoogte te gaan staan1 zoodat de intellectuele ontwikkeling1 door onderwijs bevorderd wordende1 de zedelijke ontwikkeling absoluut grooter zal doen worden1 ofschoon het de vraag is1 of de eischen der maatschappij dan niet eveneens gestegen zijnde1 de menschen alsdan beter hier aan zullen voldoen en betrekkelijk deugdzamer en volmaakter dan vroeger zullen zijn4 #h ,verhooging1 zoowel in zedelijke als in intellectuele ontwikkeling1 vereischt zekere inspanning1 en zelfs wordt zekere inspanning1 waaraan wij allen gewoonlijk behoefte hebben1 vereischt1 om de geestontwikkeling niet te doen dalen4 ,ontstaat er nu door zekere verzadiging van rijkdom en magt1 gebrek aan veerkracht en matheid1 zoodat men zich zelf die inspanning niet gunt1 zoo daalt eerst de zedelijke ontwikkeling en sleept zij de intellectuele in haren val mede4 ,dit bijv4 was het geval in de ,romeinsche wingewesten ten tijde van den inval der barbaren4 ,in morele ontwikkeling stonden deze welligt hooger dan de door hen overwonnen volken1 even als tijdens het begin der ,romeinsche republiek zulks bij de zegevierende ,romeinen het geval was4 ,bij deze stond toen de morele ontwikkeling hooger dan de intellectuele4 ,dat voorts toeneming in beschaving en dus ook in absolute welvaart en rijkdom met zedebederf gepaard zou gaan1 is geheel bezijden de waarheid4 ,de beschaving toch versterkt de maatschappelijke banden en dus ook het onderling hulpbetoon en de beredeneerde opoffering voor de publieke zaak4 ,zij maakt dat men meer om de toekomst geeft en aldus minder aan de neigingen van het oogenblik toegeeft1 zij verhoogt de werkzaamheid en vervangt den blinden moed door eene uit plichtbesef ontstaande dapperheid4 ,de hooger geestelijk ontwikkelde menschen overheerschen de minder dan zij geestelijk ontwikkelden1 hetgeen bewezen wordt door de betrekking tusschen meesters en dienstboden1 door die tusschen de hooger standen en de lagere volksklassen1 door het kiezen van hoofden onder de meer beschaafden door het gepeupel en door de betrekkingen tusschen de ,europeanen en de inboorlingen hunner kolonien4 ,dit heeft eveneens plaats bij de dieren1 doch bij deze bestaat er geene zamenwerking tusschen de heeren en de onderdanen1 maar slechts een leven der eersten ten koste der laatsten4 ,zoo bijv4 verslinden de roofvogels de lager dan zij in geestontwikkeling staande granen etende vogels1 vele kleine vogels verslinden insecten1 zeevogels visschen1 deze weder weekdieren2 terwijl1 wanneer de lager staande dieren eene grootere ruwe kracht bezitten dan de hooger staande waarmede zij in contact komen1 deze laatste middelen bezitten om1 of gene te ontwijken1 of zoodanig aan te vallen dat hunne kracht nutteloos wordt4 ,even als eene gansche kudde schapen eene grootere totale ruwe kracht bezit dan een wolf en niettemin deze eenige van de schapen rooft1 zonder dat deze makkers door collectieve handeling zich hiertegen weten te verzetten1 zoo overheerscht een betrekkelijk klein aantal ,europeanen millioenen ,hindoes of ,javanen en in beide gevallen heeft de duur van die en de berusting in die overheersching haar gerechtvaardigd4 ,klaarblijkelijk zouden toch de schapen1 zoo zij vonden op eene voor hunne eigene geestontwikkeling door de wolven te vernederen de wijze behandeld te worden1 zie blz4 #dc1 hunne positie omhoog trekken1 even als bijv4 de ,isralieten zulks gedurende en na de middeleeuwen1 de meest beschaafde ,galliers 7onder anderen die tot geestelijken stand behoorende71 zulks na den vermeestering van ,gallie door de ,franken en zooveel tot groot aanzien gekomen vrijgelaten slaven1 zulks onder de ,romeinsche keizers gedaan hebben4 ,dat de roofdieren beter gewapend zijn dan de dieren welke zij bemagtigen1 spruit althans in de meeste gevallen voort uit hunne meerderheid in geestontwikkeling1 want op blz4 #bh hebben wij aangegeven1 hoe de impulsie tot verhooging der organisatie door den eigen wil der dieren ontstaat4 ,buitendien zouden de wapens der roofdieren hen van weinig nut zijn1 zoo eene hoogere geestelijke ontwikkeling dan die van de door hen bemagtigde dieren1 hen niet in staat stelde er een doelmatig gebruik van te maken4 ,een rund met de tanden en klaauwen van een leeuw1 en zich alleen met vleesch kunnende voeden1 zou van honger sterven1 zoo hij niet even als dit roofdier prooijen wist op te sporen1 zijn sprong wist te meten1 en de opvoeding zijner jongen zoover wist te drijven1 als dit bij de roofdieren het geval is4 ,beschaafde volken overwinnen wilde stammen1 door tegenover de pijlen en lanzen en onzamenhangende werking dezer stammen1 te stellen vuurwapens en zamenwerking4 ,voor dit laatste wordt er eene hoogere geestelijke ontwikkeling gevorderd dan die der wilden1 en eigenlijk is zulks voor het gebruik van vuurwapens ook het geval1 wegens de noodzakelijkheid om het geschut te transporteren1 de vuurwapens te repareren1 buskruid te vervaardigen enz4 ,waren de dieren ligchamelijk onsterfelijk1 stoorde geene accidentele oorzaken van de op blz4 #bb gemelde constante oorzaak tot geschiktwording gedurig de werking en bestond er geen drang tot verhooging der geestelijke ontwikkeling1 zoo zou eindelijk elke diersoort1 over anderen in ontwikkeling lager dan zij staande soorten1 eene heerschappij1 geevenredigd met derzelver overmaat van geestelijke ontwikkeling1 uitoefenen1 en zij daarentegen door anderen1 hooger dan zij staande diersoorten1 op hare beurt in reden van het verschil tusschen hare geestontwikkeling en die dezer hooger staande soorten overheerscht worden4 ,geen dier zou dus alsdan eenige reden bezitten om over zijn toestand ontevreden te zijn en de aarde worden een eentoonig paradijs1 waarin van vooruitgang geene sprake meer zou zijn4 ,de drang tot vooruitgang maakt echter1 dat1 bij eene volgens de opgegeven wijze bepaalden graad van overheersching1 de overheerschte soorten de over haar uitgeoefende heerschappij gemiddeld even sterk zullen trachten te verzwakken 7zooals bijv4 door het beter ontvlugten van roofdieren7 als de heerschappij voerende soorten haar nog sterker zullen trachten te doen worden 7zooals bijv4 door het behendiger vangen van prooijen door roofdieren74 ,hierdoor zal er tusschen die heerschers en beheerschter een strijd ontstaan1 van beide zijden met gemiddeld evenveel kracht gevoerd wordende en waarin aldus gemiddeld aan beide zijden evenveel voordeel behaald zal worden1 zoodat de verschillen in geestontwikkeling tusschen beide soorten even groot blijvende1 de heerschappij der eene over de andere zulks gemiddeld ook zal doen4 ,de inspanning1 door zulk een strijd gevorderd1 bij beide partijen alsdan even groot zijnde1 zal beider geestontwikkeling even veel doen stijgen en aldus bovengemelde verschillen hierin even groot laten4 ,de overheerschte soort wordt door zulk een strijd in geestontwikkeling en dus ook in positie verhoogd1 maar daarom niet gelukkiger4 ,de handwerksman1 die niet alleen voor zijn gezin moet zorgen1 maar ook zijne geldelijke belangen tegenover zijne bazen of werkgevers moet verdedigen1 zal bijv4 niet gelukkiger zijn dan den onbezorgden minder ontwikkelden slaaf1 en het roofdier1 dat beter dan vroeger prooijen kan vangen1 het niet ruimer en rustiger dan toen hebben1 zoo 7zie blz4 #ch7 die prooijen moeijelijker te vangen geworden zijn4 ,de verhouding tusschen de geboorten en de sterfgevallen zal aldus na zulk eene verhooging bij die roofdieren niet gunstiger voor eerstgemelde worden4 ,daar echter door zulk een strijd gebrek aan geschiktheid voor de omstandigheden1 waarin de dieren verkeeren1 levendiger dan anders gevoeld zal worden1 zoo zal hij tevens strekken om de organisatie dier dieren sterker dan anders voor die omstandigheden geschikt te doen worden4 ,zoo van de overheerschte soort1 tijdens zulk een strijd1 de positie te laag voor de geestontwikkeling is1 zal dit te laag zijn dier positie die ontwikkeling trachten te verminderen1 terwijl de strijd ze tracht te vergrooten4 ,bij de overheerschende soort de positie te hoog voor de geestontwikkeling zijnde1 zoo zal gene lager en deze ontwikkeling hooger worden en beiden trachten zich naar elkander te schikken4 ,de strijd nog in het bijzonder die geestontwikkeling trachtende te verhoogen1 zoo zal dit dan bij die diersoort wegens twee oorzaken geschieden4 ,bij beide die soorten te zamen genomen zal aldus1 even als in het vorige geval1 de strijd de geestontwikkeling en dus ook de positie verhoogd hebben4 ,na de nederzetting der ,germanen in de vroegere ,romeinsche wingewesten zijn bijv4 de eerste meer in beschaving gestegen dan de vroegere onderdanen van ,rome er in gedaald zijn4 ,zelfs wanneer twee diersoorten even hoog staan en even magtig zijn1 zullen zij strijden om elkander te overvleugelen en1 wegens de hiervoor gevorderde inspanning1 beiden in geestontwikkeling verhoogen4 ,iets dergelijks bestaat ook op maatschappelijk gebied1 zooals bij de concurrentie der verschillende industrin1 der arbeiders en bazen1 der politieke en religieuse partijen1 der spelers1 legers en zelfs der regeringen en volksvertegenwoordigers1 want1 al handelen geen dezer beiden in strijd met de wet1 zoo trachten zij niettemin op elkanders gebied te dringen en1 bij gelijke inspanning van beide zijden1 zal de verhouding van beider magt gemiddeld constant blijven1 maar beiden in talent toenemen4 ,hoe digter opeengehoopt de dieren binnen zekere streek zijn1 hoe moeilijker elk derzelve het noodige voedsel zal kunnen bekomen1 en daar dit integendeel gemakkelijker zal geschieden1 wanneer hunne organisatie beter voor de omstandigheden1 waarin zij verkeeren1 geschikt is1 zoo zal1 naarmate dit laatste meer het geval is1 bij den toestand1 waarbij elk dier gemiddeld het noodige heeft1 7namelijk die waarbij er niet meer dieren geboren worden dan sterven71 deze binnen zulk eene streek meer opeengehoopt zijn4 ,de eene helft der dieren van elke soort zal1 bij het bestaan van dien toestand1 wat meer en de andere helft er van wat minder dan dit noodige bezitten1 en bleven zij dan steeds op deze aarde voortleven1 zoodat er geen nieuwe zouden geboren worden en waren zij niet gedurig aan de werking van storende accidentele oorzaken blootgesteld1 zoo zou elk dier dieren in een standvastigen toestand komen1 waarbij het juist het noodige zou bezitten4 ,alsdan toch zouden de in overvloed levende1 wat minder goed voor hunne middelen van bestaan gaan zorgen en tegelijk hunne organisatie zich naar dien overvloed schikken1 zoodat deze er van lieverlede minder misbaar voor zou worden1 totdat zij eindelijk met een gemiddelde zorg voor hun bestaan1 niet meer dan het noodige zouden hebben4 ,evenzoo zal een arm geworden mensch harder gaan werken1 ten einde minder te kort te komen1 maar tegelijk zijne behoeften verminderen4 ,hoe minder hij nu te kort komt1 hoe geringer die overmaat van arbeid zal worden1 om geheel te verdwijnen1 wanneer hij geen gebrek meer heeft1 althans zoo die meerdere werkzaamheid niet eene behoefte voor hem wordt4 ,hoe zamengestelder de levensomstandigheden van dieren zijn1 hoe meer tijd de op blz4 #g gemelde constante oorzaak noodig heeft1 om hunne organisatie voor hunne levensomstandigheden geschikt te maken4 ,van daar1 dat er reeds voor het leven in den ,oceaan goed georganiseerde visschen bestonden1 tijdens dat er nog slechts gebrekkig georganiseerde landdieren aanwezig waren4 ,de ten gevolge der snelheid1 waarmede 7zie blz4 #bg7 derzelver ontwikkeling stijgt1 ontstaande ongeschiktheid der organisatie der diersoorten voor de omstandigheden waarin deze verkeeren1 maakt dat alsdan accidentele oorzaken gemakkelijker1 even als op blz4 #bc gezegd is1 verschillen tusschen de soorten kunnen daarstellen4 ,naarmate toch verschillende diersoorten1 in dezelfde omstandigheden verkeerende1 allen hiervoor minder geschikte organisatien bezitten1 kunnen deze bij grootere onderlinge verschillen allen even goed voldoen4 ,wordt daarentegen de ongeschiktheid der organisatie van elk dier diersoorten uiterst gering1 zoo zullen zij uiterst weinig van elkander moeten verschillen en aldus1 wanneer eenmaal de organisatien der diersoorten opgehouden zullen zijn met in ontwikkeling te stijgen1 er kleinere verschillen tusschen de nabij in dezelfde levensomstandigheden verkeerende dieren bestaan dan thans4 ,het zoo evengemelde bestaat ook op maatschappelijk gebied1 want toch iets1 bijv4 een werktuig1 tot zeker doel dienende1 kan slechts op eene wijze geconstrueerd zijn en tegelijk volmaakt voldoen2 terwijl er eene grootere verscheidenheid van allen even goed voldoende constructien mogelijk is1 naarmate deze allen minder voldoen4 ,het is dan zelfs wenschelijk zulk een verscheidenheid toe te laten1 daar men dan1 door na te gaan waarin elk derzelver uitmunt1 gemakkelijker meer volmaakte constructien kan vinden4 ,op de instellingen1 de manieren van leven en zelfs op de karaktertrekken der menschen is dit ook van toepassing4 ,de wederkeerige versterking van het geschikt worden voor zekere daden van eenig deel der organisatie der dieren en het verrigten van zulke daden beslist het pleit tusschen de beweringen1 dat bijv4 vogels vliegen1 omdat zij vleugels hebben1 of wel deze bezitten om te kunnen vliegen4 ,beide beweringen zijn waar4 ,de allereerste pogingen om zich van den bodem te verheffen1 ten gevolge van den op blz4 #bg gemelden drang1 leiden namelijk tot vorming der eerste rudimenten van vleugels en1 wegens de zeer trage toeneming der poging om te vliegen gedurende eene reeks van generatien1 bleven bij elk dezer de werktuigen1 voor het in zulk eene mate vliegen1 als door elk dier generatien gewenscht werd1 zeer weinig in gebreke4 ,iets hiermede vergelijkbaar heeft ook op maatschappelijk gebied plaats4 ,zoo zou men bijv4 kunnen vragen3 genieten de studenten hooger onderwijs 7wel te verstaan in de gezonde beteekenis van dit woord7 omdat er universiteiten bestaan8 of wel3 bestaan er universiteiten om studenten hooger onderwijs te doen genieten8 ,klaarblijkelijk konden de ,batavieren geene universiteiten stichten1 al gevoelden zij de noodzakelijkheid om hunne jeugd eenig onderwijs te doen genieten4 ,de pogingen hiertoe door onze onbeschaafde voorouders aangewend1 kunnen nu vergeleken worden met die1 welke de vetganzen of manchots tot vliegen doen4 ,evenmin als bij de organisatie eener diersoort1 staan in de ,maatschappij1 wegens de werking van accidentele oorzaken1 de verschillende zaken op dezelfde hoogte4 ,ten gevolge van den drang tot geschiktwording van het een voor het ander1 trekt hetgeen het hoogste staat het tegelijk lager staande omhoog en omgekeerd1 terwijl1 wegens den op blz4 #bg gemelden drang tot verhooging1 het gemiddelde van beiden verhoogt4 ,de kop en vooral de hersens der dolphijnen schijnen ons bijv4 op een hoogeren trap van ontwikkeling te staan dan het achterlijf dier zeezoogdieren1 en eveneens staan in de ,maatschappij de inrigtingen van liefdadigheid op een hooger standpunt dan het tweegevecht4 ,wat houdt echter dit voor onze ,maatschappij achterlijke gebruik in stand8 ,eenvoudig het door de werking der traagheid bestaande gemis aan zamenwerking bij het publiek1 waardoor dit de zaak der beleedigden niet genoegzaam opneemt en de beleedigers door verachting niet genoegzaam straft1 om gene te ontslaan van het zich verschaffen van eigen regt4 ,evenzoo staat thans bij de volken van ,middel-,europa 7in tegenstelling van gedurende het begin der middeleeuwen7 de godsdienst te laag betrekkelijk de wetenschap1 en tracht deze thans hier te lande op de gemengde scholen gene op te heffen1 terwijl op de sectescholen de godsdienst de wetenschap omlaag tracht te brengen4 ,bij uitzondering kunnen sommige zaken te hoog staan voor de eischen der omstandigheden1 ofschoon gemiddeld1 wegens de werking der traagheid1 het tegenovergestelde plaats heeft4 ,die uitzondering bestaat bijv4 bij nieuwe kinderkleederen1 welke op den groei gemaakt worden2 terwijl groeijende kinderen gemiddeld voor hen te kleine1 of als ware achterlijke kleederen dragen4 ,zulk een tijdelijk te hoogen stand van iets1 kan ontstaan1 doordat zulk eene zaak vroeger1 door te laag voor de eischen dier omstandigheden te staan1 groote rampen heeft te weeg gebragt1 en dat sommige menschen1 sterk met de zucht bezield om dit te verhelpen1 wegens de werking der traagheid 7waardoor men iets doende1 niet op het gepaste oogenblik weet uit te scheiden7 zulk eene zaak te hoog opvoeren4 ,dit is bijv4 het geval met het toekennen van het kiesregt aan de onbeschaafde klassen onzer ,maatschappij1 met het gemis der doodstraf in ,saxen1 en met het bestaan der republiek in ,frankrijk tijdens de revolutie van #aghi4 ,de republiek is een geschikte vorm van regering1 daar waar er een sterken geest van zamenwerking tusschen en eerbied voor de wet bij de burgers bestaat4 ,waar echter deze hiervoor te onbeschaafd zijn1 kunnen zij echter met eene lager staande deugd dan de eerbied voor de wet1 namelijk met trouw bezield zijn1 en het is nu op deze1 bij sommige dieren1 zooals bijv4 de hond1 bestaande deugd1 dat de monarchie en het feodale stelsel gebouwd zijn4 ,neemt de ,maatschappij met zekere snelheid in beschaving toe1 zoo wordt zij hierdoor betrekkelijk onvolmaakter1 omdat de inertie der menschen maakt1 dat al de maatschappelijke inrigtingen niet bij tijds voor de nieuwere en hoogere behoeften geschikt gemaakt worden4 ,zoo bijv4 binnen een staat het absolute stelsel goed werkt en de bevolking neemt sterker in gemasseerde en zamenwerkende geestelijke ontwikkeling toe dan de regering1 zal zij over het bestuur ontevreden worden4 ,maakt de vergrooting der bevolking en dien tengevolge gemiddeld die der beschaving1 dat steden zich uitbreiden1 zoo neemt de drukte op straat toe1 en vroeger genoegzaam breede straten worden later te smal gevonden4 ,het ,noord-,hollandsch ,kanaal voldeed #dj jaren geleden goed aan de behoeften van den ,amsterdamschen zeehandel1 en thans hebben de toegenomen behoeften van dien zeehandel dit kanaal te bekrompen hiervoor gemaakt4 ,wegens gebrek aan geest van zamenwerking bij de leden der ,maatschappij1 moet deze1 als geheel werkende1 in sommige gevallen aan hare leden dwang opleggen4 ,de hiertoe strekkende instellingen zijn thans1 nu die geest van zamenwerking bij de individuen toegenomen is1 veelvuldiger dan wenschelijk is4 ,wanneer eenige instelling van hoogeren aard wordt en aldus met zekere snelheid verandert1 zullen er ware en ingebeelde belangen gekwetst worden1 en1 wegens de werking der traagheid1 des te meer1 hoe sneller de opwaartsstreving dier instelling geschiedt4 ,laatstgemelde grieven moeten door de slijtende werking van den tijd verdwijnen terwijl1 eene slechts1 wegens het effect der traagheid1 na zekeren tijd mogelijke betere inrigting dier tot hooger gestreven instelling aan de eerstgemelde grieven te gemoet kan komen4 ,wegens dit effect der traagheid zullen bijv4 vroeger in het water levende dieren1 tot landdieren opgeklommen zijnde1 in hunne organisatie deelen bezitten1 door dit leven op het land op eene ongunstige wijze aangedaan wordende en somtijds eerst na een reeks van generatien de op blz4 #g gemelde tot geschiktwording leidende oorzaak dien euvel wegnemen4 ,wegens de werking der traagheid zullen eerst1 lang nadat het drooge voor landdieren bewoonbaar geworden was1 in het water levende diersoorten noemenswaardig tot landdieren opgeklommen zijn en dit bij die soorten bij een lageren trap van organisatie geschieden1 naarmate van derzelver thans bestaande nazaten de organisatie lager is4 ,goed voor het leven op het land georganiseerde dieren verdrinken in het water en in overeenkomst hiermede zou een bijna perpetuelen oorlogstoestand1 zoo als bij de wilden1 beschaafde volken ten gronde rigten4 ,als een verouderd deel der organisatie van eenig tot eene hoogere levenswijze opgeklommen diersoort kunnen de in ingekrompen toestand nog bestaande zwemvliezen van den fregatvogel beschouwd worden4 ,hiermede kan nu vergeleken worden den hinderlijken en verouderden band tusschen staat en kerk thans in ,engeland bestaande1 doch1 even als voor de lager dan hen staande en nog zwemmende voorouders der fregatvogels die zwemvliezen nuttig waren1 zoo was1 tijdens de regering van ,elizabeth1 bij het toen allerwege bestaande verband tusschen de godsdienstige voorschriften en de burgerlijke wetten1 de koppeling van kerk en staat noodig voor het weren van vreemden staatkundigen invloed4 ,even als voorts thans voor de lager dan de fregatvogels staande eenden de zwemvliezen zeer nuttig zijn1 kan bijv4 thans in het lager dan ,engeland staande ,abyssini1 voor de aldaar bestaande christelijke kerk het schild van den staat vereischt worden4 ,de graad van zamenwerking tusschen de individuen1 bij de dieren slechts zeer gering1 wijst den stand aan der maatschappelijke beschaving4 ,die zamenwerking nu verhoogt den aard van den strijd noodig voor de vergrooting der geestelijke ontwikkeling der individuen4 ,in plaats van strijd1 slechts het persoonlijk eigenbelang tot motief bezittende1 wordt het strijd door het publiek belang uitgelokt1 zooals bij het oorlogvoeren van natin1 bij den aanleg van groote werken1 bij de bestrijding van 7naarmate de mensch zich meer van den natuurstaat verwijderd1 de bevolking digter wordt en het verkeer toeneemt7 hinderlijker wordende maatschappelijke kwalen enz4 #i ,den strijd1 het eigenbelang tot motief bezittende1 ondergaat ook1 naarmate de maatschappij beschaafder wordt1 verandering1 daar in plaats dat er dan bloed bij gestort1 er geld bij omgewisseld wordt1 zoodat de een te veel en de ander te weinig geld voor zijne behoeften bekomt1 een kwaad1 wel minder in het oogvallende dan het vergieten van bloed1 maar dat niettemin bestaat4 ,wegens de werking der traagheid1 voert de betrekkelijk snel in beschaving toegenomen maatschappij eene voor haar stand van beschaving gemiddeld te lage soort strijd4 ,echter moeit men vermijden om de voor de thans bestaande maatschappij in sommige gevallen noodzakelijken en nuttigen oorlog te willen afschaffen1 omdat men hem voor eene hoogere denkbeeldige maatschappij in alle omstandigheden te barbaarsch vindt4 ,zoolang toch de internationale zamenwerking tusschen de staten niet zoo groot is1 dat sommige hunner1 in het belang van allen te zamen en van de menschheid1 afstand doen van deelen van hun grondgebied1 zonder door nederlagen hiertoe gedwongen te worden1 zoo lang zal de oorlog noodzakelijk blijven ter verbetering der verdeeling van den aardbodem in rijken1 zonder nog te gewagen van het regt tot defensieven oorlog4 ,bij de dieren van dezelfde soort bestaat er te weinig zamenwerking om hen te leiden1 om zich te vereenigen tot groote met elkander strijdende groepen en slechts ziet men hen somtijds elkander prooijen betwisten4 ,bij onbeschaafde volken is de geest van zamenwerking te gering om te vormen groote groepen in wier boezem er niet gevochten wordt1 zoodat bij hen de politie en de regtbanken in een rudimentairen toestand verkeeren4 ,een ieder behoort bij hen maar te strijden om zich regt te verschaffen en buiten de mogelijkheid zijnde om dit te beletten1 of iets verhevener er voor in de plaats te stellen1 hebben de regeringen van zulke volken gewis gelijk zoo zij het tweegevecht aan zekere regels binden4 ,de dieven voeren voorzeker binnen onze maatschappij een voor de belangen dezer veel te lage soort van strijd1 die buitendien den meer verheven strijd1 welke tot verhooging der beschaving leidt en door de met elkander zamenwerkende leden der maatschappij gevoerd wordt1 belemmert4 ,desniettemin toonen de kunstgrepen1 welke die dieven moeten verzinnen en de behendigheid1 welke zij moeten bezitten aan1 dat hun bedrijf strekt tot vergrooting van die lagere soort van geestontwikkeling1 welke men in ,sparta trachtte te bevorderen1 doch met het oogmerk om er slechts in den oorlog partij van te trekken4 ,bij meer verhevene wijzen van oorlogvoeren mag dit laatste zelfs niet gedaan worden en zijn de antagonisten1 als leden der de gansche menschheid bevattende maatschappij gehouden1 terwijl zij tegen elkander strijden1 met elkander zamen te werken in den meer verheven strijd door die gansche maatschappij tegen ziekten1 vijandige elementen enz4 gevoerd4 #aj ,klassen der maatschappij kunnen met elkander zamenwerken1 zooals bijv4 de bazen en werklieden1 bij het uitvoeren van publieke werken1 het fabriceren van voorwerpen en1 zonder derzelven gemeenschappelijke belangen te benadeelen1 te zamen strijden1 zoo dit bestaat in wettig concureren bij het opdrijven der loonen van de eene en het laag houden dezer van de andere zijde4 ,dat de werklieden thans trachten zamen te werken is een teeken dat hunne intellectuele ontwikkeling en tegelijk hunne behoeften gestegen zijn en moet1 voor zoo verre die zamenwerking tot geene daden van geweld aanleiding geeft1 gunstig werken op de toename in geestontwikkeling van al de klassen der maatschappij4 ,deze toch derzelver onderlinge distantie willende behouden1 zoo moet een stoot voorwaarts bij de eene1 dergelijke stooten bij de andere klassen tot gevolg hebben4 ,dat men niet alleen de menschen iets nuttig1 of anders gezegd1 iets ten bate der geschiktheid der ,maatschappij voor de omstandigheden waarin deze verkeert1 gesticht hebbende1 hoogschat1 maar insgelijks hen in eere houdt1 die de geestontwikkeling van eene menigte individuen sterk hebben doen toenemen1 bewijst de betooverende werking van roemrijke daden4 ,deze toch strekken meestal meer om de individuen te doen vooruitgaan door strijd van lagere of hoogere soort1 door inspanning van hunne vermogens1 dan om de maatschappij gelukkiger te maken4 ,even als strijd tusschen twee diersoorten en zelfs tusschen dieren van dezelfde soort1 leidt tot verbetering hunner organisatie1 zoo leidt de strijd tusschen de fabrieken tot verbetering der wijze van fabricering1 zonder dat de fabrieken uitgebreid worden1 of dat er in nieuwe wijze van bewerking 7voortbrengselen van een hoogeren trap van beschaving7 in praktijk gebragt worden1 of1 anders gezegd1 dat de fabrieken passende voor een hoogeren trap van beschaving gemaakt worden4 ,die verheffing der industrie is wel is waar evenzeer een gevolg van industrielen strijd als de boven gemelde wijze van verbetering der fabricering1 doch leidt niet voor de fabrikanten tot dezelfde uitkomsten als deze1 want1 terwijl die enkele verbetering zonder verheffing1 wegens de geringe er voor gevorderde uitgaven en de zekerheid waarmede de fabriekanten te werk kunnen gaan voor deze voordeelig is1 strekt de verheffing hunner fabrieken1 wegens de groote er voor gevorderde uitgaven en de onbekendheid van den weg1 waarop de fabrikanten zich begeven1 deze dikwijls tot schade4 ,eerst later1 wanneer alles meer in overeenstemming gebragt is met die op grootere schalen aangelegde en procedes1 van hoogeren trap van beschaving getuigende1 aanwendende fabrieken gebragt is1 wanneer die proceds1 zonder verdere verhooging er van1 verbeterd zijn en dat het publiek zich op de hoogte dier bij hoogeren trap van beschaving passende fabrieken gesteld heeft1 ontstaat er voordeel voor de fabriekanten4 ,alsdan dringen zulke fabrieken1 die bij lageren stand van beschaving passende1 tot op zekere distantie terug en onderwerpen hen in zekeren zin aan zich4 ,die minder hoog opgevoerde fabrieken kunnen dan wel is waar nog bestaan1 doch moeten een meer bescheiden en anderen rol dan vroeger vervullen1 om bij dien hoogeren trap van beschaving van het publiek nog te passen4 ,dit laatste vergelijkende met het inkrimpen der moerassen1 zoo komen die lager staande fabrieken overeen met de in die moerassen levende kruipende dieren en de tot op een hoogeren trap geklommen fabrieken met de tot zoogdieren verheven dieren1 nadat deze het drooge land in bezit genomen hadden1 zie blz4 #db4 ,de bewerking van het ijzer in het groot en door middel van door stoom bewogen werktuigen1 heeft wel is waar het smeden uit de hand van voorwerpen tot een geringer aantal hiervan beperkt1 doch slechts tot zekeren grens teruggedrongen en buitendien worden er in de groote ijzerfabrieken ook voorwerpen1 waarbij dit moeijelijk anders kan geschieden1 uit de hand gesmeed en bewerkt4 ,de ijzerindustrie staat bijv4 hooger dan de houtindustrie1 doch kan deze slechts tot zekeren grens terugdringen1 daar1 naarmate die houtindustrie vermindert1 zij zich hoe langer hoe meer bepaalt tot het leveren van voorwerpen1 niet slechts geschikter van hout dan van ijzer gemaakt kunnende worden1 maar zelfs in het eerste geval in het gebruik beter voldoende4 ,men verkeert dus hierbij in een geval overeenkomende met dat op blz4 #ac aangegeven4 ,de gansche vernietiging van soorten van industrie behoort evenzeer tot de uitzondering1 als1 naar ons inzien1 het uitsterven van soorten van dieren of planten4 ,evenmin als men1 hetgeen op het gebied van vrijen handel en industrie gebeurt1 kan opmaken uit hetgeen1 waar de staat den eenigen industrieel en handelaar is1 plaats heeft1 dat evenmin kan men1 uit hetgeen bij de tamme soorten plaats heeft1 afleiden hetgeen bij de wilde geschiedt4 ,zoo bijv4 het verbod om varkensvleesch te eten uit den ,koran geschrapt werd1 zouden de ,muzelmannen meer varkens en minder schapen gaan houden en zou men nu hieruit mogen besluiten1 dat in den strijd des levens de varkens eene belangrijke overwinning op de schapen behaald hebben8 ,hetgeen op blz4 #ba gezegd is1 dat met belastingen bezwaarde neringen1 eindelijk in handen geraken van lieden1 er zooveel minder voor gegeven hebbende1 als de belasting gekapitaliseerd bedraagt1 zou waar zijn1 zoo die neringen in het geval verkeerden van met grondbelasting bezwaard wordende landerijen1 of met huurwaarde bezwaard wordende huizen1 7onverschillig of die belasting door de eigenaars of huurders betaald wordt71 edoch zij doen dit slechts gedeeltelijk4 ,neemt de bevolking eener stad niet toe1 zoo zal1 na den invoer eener belasting op de huizen1 deze allen ter bewoning aangeboden worden1 en1 daar de huurders er van wat bekrompener gaan wonen1 het bod van huizen de vraag er naar zoo lang overtreffen1 totdat de waarde er van tot bovengemeld bedrag gedaald is1 de huurders weder even ruim als voor den invoer der belasting wonen en bod en vraag weder even sterk geworden zijn4 ,het aantal der bovengemelde neringen zal daarentegen na den invoer der belasting verminderen en buitendien de waarde er van gedeeltelijk bestaan uit die van zaken door arbeid gedurig op nieuw voortgebragt moetende worden4 ,van zulke zaken stijgt nu1 door meerdere vraag dan bod de prijs na den invoer der belasting in zulk eene mate1 dat deze niet alleen door de met patent belaste neringdoenden1 maar in werkelijkheid door de gansche maatschappij 7ter wier bate de opbrengst er van eindelijk komt7 en wel gemiddeld in reden1 van het vermogen van elk lid er van opgebragt wordt4 #aa ,de onregtvaardigheid eener belasting op den arbeid1 verdwijnt aldus door dat de arbeiders er eindelijk niet meer in deelen dan het gansche publiek1 die van eene belasting op het geene vaste renten gevende kapitaal door den dood der bezitters dier kapitalen1 en door de gewoonte hunner erven aan het bezit van minder fortuin4 ,zelfs al bleven dezelfde menschen steeds op aarde voortleven1 zou dit het geval blijven1 omdat de menschen zich kunnen voegen naar het bezit van minder inkomen1 mits hun werkkring tegelijk die wordt van personen van minder beschaving4 ,de opvolgers1 zoo van intellectuelen1 als van handenarbeiders kunnen zich daarentegen niet voegen naar het bezit van minder verdiensten dan hunne voorgangers1 zoo zij dezelfde soort van werk als deze willen blijven uitoefenen4 ,van daar1 dat1 wanneer zulk een arbeider en een kapitalist zich dezelfde moeite geven om niet te verarmen onder steeds toenemende druk1 de eerste kan maken dat zijn loon niet beneden zeker bedrag gevoerd wordt en de tweede slechts dat zijn kapitaal niet al te snel wegslinkt4 ,bovengemelde neringdoenden verkeeren nu daaromtrent in tusschengelegen gevallen2 deels wordt belast hun arbeid1 of wel dien der fabriekanten1 waarbij zij gestadig inkoopen doen1 deels hunne bedrijfskapitalen1 zooals werktuigen1 uitstallingen enz4 en daar beide zaken naauw verbonden zijn die arbeid te zamen1 met de inkrimping der neringen1 die bedrijfskapitalen beletten tot op het op blz4 #ba aangegeven bedrag te dalen4 ,verteringsbelastingen kunnen aldus door de belaste personen slechts gedeeltelijk1 door het grooter worden van het bod dan de vraag1 en door tijdelijk eene meer bekrompen levenswijze te voeren1 geladen worden op de bedrijfskapitalen van hunne leveranciers en van hen die hun woning1 vervoer enz4 verschaffen4 ,wordt nu dit slechts tijdelijk voelbare verlies over een groot aantal en eene groote verscheidenheid van bedrijfskapitalen geladen1 zoo zal1 daar de behoeften van den ,staat en die der ambtenaren ook door de bezitters van eene groote verscheidenheid van bedrijfskapitalen voldaan worden en deze trachten te verhoogen1 zelfs de tijdelijke onregtvaardigheid1 na den invoer van zulke belastingen ontstaande1 veel verminderd worden4 ,er bestaat eene oorzaak trachtende een ieder van het maatschappelijke kapitaal een deel te verschaffen1 evenredig met van zijn stand van beschaving afhangende behoeften4 ,bezit hij minder dan dit voor hem geschikte deel1 zoo zal hij 7zie blz4 #di7 duurder dan gemiddeld zijn arbeid en producten trachten te verkoopen1 en goedkooper dan gemiddeld trachten te koopen1 terwijl1 zoo hij meer dan zijn geschikt deel bezit1 het omgekeerde zal plaats hebben4 #ab ,alle onregt is een gevolg der variatie der wereldsche zaken1 ook bij den door belastingen teweeg gebragten druk4 ,bestond toch die variatie niet1 zoo zou het slechtste stelsel van belasting eindigen met geen onregt te baren1 omdat een ieder een vermogen zou verkrijgen dat1 na aftrek der gekapitaliseerde belasting1 die hij werkelijk zou opbrengen1 het voor hem geschikte deel van het maatschappelijke kapitaal zou vormen4 ,,beschouwingen ,,over ,,de ,,oorzaak ,,van ,,het ,,kwaad ,,en ,,over ,,het ,,doel ,,van ,,het ,,leven4 ,het kwaad1 zoowel het zedelijke als het stoffelijke1 bestaat in ongeschiktheid van het eene voor het andere en het is even eigen aan het veranderlijke1 als de volmaaktheid zulks is aan het onveranderlijke4 ,wegens de werking der traagheid1 anders gezegd de neiging van alles om1 zooals het geworden is1 in stand te blijven1 moet toch de op blz4 #g gemelde oorzaak van geschiktwording tijd noodig hebben1 om haar doel te bereiken1 maar zullen daarentegen volmaakte toestanden bestendigd worden4 ,het zedelijke kwaad1 dat wij menschen verrigten en de inspanning en opoffering die deugdsbetrachting ons kost1 ontstaan doordat onze geest niet op de hoogte is van de sedert de wording der maatschappij verhoogde eischen van ons zedelijk bestaan4 ,deze eischen vorderen opoffering van het genot in het heden ten bate1 van het welzijn1 zoo van andere menschen als van onze eigen toekomst4 ,de eischen van het heil der onbeschaafde maatschappijen vorderen zoo iets veel minder1 en die van den dierenstaat bijna niet4 ,de dieren hebben toch bijna geen besef van hunne toekomst en kunnen zeer weinig zoo hiervoor1 als voor elkander doen1 en zoo elk hunner slechts zorgt voor zijne oogenblikkelijke behoeften1 schiet hij bijna niet te kort in de vervulling der eischen van zijn zedelijk bestaan4 ,de1 betrekkelijk de toeneming in beschaving der maatschappij1 zeer langzaam opwaarts gestegen dierenstaat1 maakt dat1 wegens het effect der traagheid1 niet alleen de dieren minder ten achteren zijn met betrekking tot de eischen van hun zedelijk bestaan en aldus betrekkelijk minder zedelijk kwaad doen dan de menschen1 maar ook dat bij hen het lichaam betrekkelijk den geest minder ten achteren is dan bij ons menschen4 ,ons lichaam tracht ons toch naar het dierlijke en aldus achterwaarts te trekken1 ten einde den geest voor zich geschikt te maken1 terwijl omgekeerd onze geest het lichaam opwaarts moet trachten te halen1 hetgeen1 zoo de geest niet ophoudt met in ontwikkeling toe te nemen1 steeds aanhoudt en1 wel is waar door de hulpmiddelen der geneeskunde wat gemakkelijker gemaakt wordt1 maar niettemin het trage lichaam steeds achterlijk zal doen blijven4 ,ook de hartstogten kunnen hoog of laag zijn 7het woord laag dan niet in den alsdan gebruikelijken zin bezigende74 ,wegens zooeven gemelde werking der traagheid1 bezitten wij bijv4 hartstogten1 waaraan de dieren zich geheel kunnen overgeven1 zonder aan de eischen1 van hun zedelijk bestaan te kort te doen1 doch die wij menschen sterk moeten bedwingen1 omdat zij te laag voor de eischen van onze maatschappij zijn1 te meer dewijl zij1 wegens de hoogte waarop die maatschappij gestegen is1 op eene meer uitgebreide schaal kunnen werken4 ,zie noot blz4 #eg4 ,zelfs de menschen staan daarin op verre na niet gelijk4 ,de toegeving aan hartstogten doet bijv4 de wilden minder kwaad dan ons beschaafde1 en zelfs bij ons is dit kwaad geringer bij de lage dan bij de hooge standen4 ,zoo bijv4 zal grootspraak van een ijverigen en bekwamen werkman weinig ergeren en dit daarentegen in de hoogste mate doen in den mond van een beschaafd mensch4 ,het op straat vechten van vischvrouwen maakt niet dezelfde indruk als dat van dames1 en1 dat wij daaromtrent aan beschaafde en niet beschaafde menschen verschillende eischen stellen1 moet blijkbaar gegrond zijn op een verschil in de eischen van beider maatschappelijk en zedelijk bestaan4 ,het ligchaam der vrouwen1 van dat der mannen verschillende1 moet1 daar het den geest der eerste voor zich geschikt tracht te doen worden1 deze van die der mannen doen verschillen1 zoo anders beider geesten niet onderscheiden zouden zijn4 ,voorts neme men in aanmerking2 dat1 terwijl het ligchaam1 door met betrekking tot den geest te laag te staan1 op eene directe wijze de vergrooting der geestelijke ontwikkeling belemmert1 het deze op eene indirecte wijze1 namelijk bij het gebruik der zintuigorganen en der ledematen1 bevordert4 ,voor soorten van geestontwikkeling1 welke als de verhevenste binnen eenige onbeschaafde maatschappij beschouwd worden1 7bijv4 die betreffende den oorlog en de jagt7 kan nu die indirecte werking van het ligchaam der mannen gunstiger zijn dan van het ligchaam der vrouwen1 en vorderen nu de eischen eener maatschappij1 dat de sexe1 welke minder aan huis gebonden is1 meer leert1 zoo zal bij die sexe de intellectuele ontwikkeling verder dan bij de andere gedreven worden1 en de opvoeding bij beide sexen niet van denzelfden invloed op de hartstogten zijn4 ,die eischen kunnen nu langzaam in het voordeel der vrouwen1 veranderen naarmate de maatschappij beschaafder wordt1 doch zullen1 wegens de werking der traagheid1 gedurende die met zekere snelheid toenemende beschaving1 steeds wat te veel in het voordeel der mannen gehouden worden4 ,van daar welligt dat de eischen van het welzijn der thans bestaande maatschappij vorderen1 dat tusschen het de vergrooting der intellectuele ontwikkeling bevorderende onderwijs aan jongens en meisjes gegeven1 het verschil geringer zij dan werkelijk het geval is4 ,neemt echter eenmaal de beschaving zeer weinig toe1 zoo zal klaarblijkelijk dit verschil zoo groot worden als noodig en nuttig is4 ,ter opheldering van het hierboven en op blz4 #ef gemelde1 moeten wij opmerken1 dat er op de verschillende trappen van beschaving tusschen de geestontwikkeling niet slechts een verschil in quantiteit1 maar tevens ook in qualiteit bestaat4 ,op lagen trap van beschaving bevat toch de geest veel denkbeelden over strijd1 zoo met natuurlijke als met kunstwapens1 want men wane niet dat er geene andere denkbeelden bestaan1 dan die in woorden uitgedrukt kunnen worden4 ,integendeel worden er vele door oefening in de eene of andere zaak verkregen1 waarbij dit het geval niet is en de dieren moeten slechts zulk eene soort van denkbeelden bezitten4 ,het talent van een koorddanser zit bijv4 niet in zijne beenen1 maar in zijn geest4 ,hij bezit voor de spraak onuitdrukbare denkbeelden over de bewaring van het evenwigt door middel van zekere snelle bewegingen van het ligchaam1 die een ander mensch1 slechts van goede beenen voorzien1 niet bezit4 ,zoo echter zulk een koorddanser het koord niet meer beklimt en zich bijv4 op de wetenschappen gaat toeleggen1 zullen zijne denkbeelden over de middelen ter bewaring van het evenwigt1 zich steeds in den latenten toestand1 of1 zooals men zegt1 uit zijn hooft bevinden1 zij in dien toestand van lieverlede door ook deels voor de spraak niet uitdrukbare denkbeelden over de wetenschappen verdrongen worden1 en de kunstenaar van lieverlede voor het loopen op het koord onbekwamer worden4 ,denkt men hierover na1 zoo zal men gewaar worden1 dat de waarde der wereld bestaat in den geest1 anders genaamd de veropenbaring der zelfstandigheid door denking4 ,men bedenke bijv4 dat1 wanneer een zuigeling voor de eerste keer de aardsche voorwerpen ziet1 wel is waar die aanschouwing tot het domein zijner denking behoort1 maar nog geene beteekenis voor hem bezit4 ,die gezigtsvoorstellingen zijn voor hem even onverstaanbaar als voor een volwassen mensch1 de woorden eener in eene hem onbekende taal uitgesproken redevoering4 ,door oefening1 door met inspanning denken onder bezit van denkbeelden1 in den niet latenten toestand verkeerende1 moet het kind zich de beteekenis dier gezigtsvoorstellingen eigen maken1 en1 wanneer dit heeft plaats gegrepen1 het ook met betrekking tot dit zien rijker in denkbeelden geworden zijn4 ,waren zelfs de ligchamen der dieren en menschen onsterfelijk1 zoo zouden zij niettemin1 aan allerlei uiterst onregelmatig voorkomende accidentele omstandigheden blootgesteld zijnde1 wegens gedurig gebrek aan geschiktheid lijden4 ,zulk een gebrek leidt echter tot geestinspanning en als gevolg hiervan tot vergrooting der geestelijke ontwikkeling4 ,het gemis van zulke accidentele afwijkingen van een gemiddelden standvastigen toestand zou aldus1 zie blz4 #dg1 leiden tot een toestand1 waarin er1 wel is waar1 noch lijden1 noch ongeschiktheid van het een voor het ander meer zou bestaan1 maar tegelijk de prikkel tot verderen vooruitgang gemist zou worden4 ,de verhooging der geestelijke ontwikkeling der levende wezens door die hen lijden berokkende accidentele afwijkingen1 sluit niet in dat elk dezer1 7zooals bijv4 die van den gemiddelden toestand der gesmolten stoffen binnen den aardkern1 tijdens het bestaan van aardbevingen71 zulk eene verhooging in geestontwikkeling teweeg brengt1 dat er hierdoor eene vergoeding voor het er door teweeg gebragte nadeel ontstaat1 noch zelfs dat zij elk1 op zich zelve beschouwd1 tot verhooging dier geestontwikkelingen zouden bestemd zijn #ac4 ,dit zou eene kinderlijke en bekrompene wijze van natuurbeschouwing zijn4 ,slechts in zooverre men zulke accidentele of toevallige afwijkingen collectief met andere dergelijke afwijkingen beschouwt1 valt in zekere mate zoo iets er van te zeggen1 en wel in sterkere mate1 naar gelang men hen collectief met meer andere soorten van accidentele afwijkingen beschouwt1 en1 slechts op een volstrekte wijze1 wanneer alle mogelijke accidentele afwijkingen van gemiddelde toestanden te zamen beschouwd worden4 ,aldus1 slechts in ruimte en tijd collectief beschouwd1 vormen die afwijkingen iets algemeen en aanhoudend en1 naarmate nu de natuurverschijnsels een meer algemeen en voortdurend karakter bezitten1 komt het ons voor dat alles er bij meer voor elkander bestemd is #ad4 ,de eenvoudigheid der natuurwetten maakt bovendien dat tusschen oorzaken en gevolgen er zekere gelijkslachtigheid moet bestaan1 zoodat van accidentele afwijkingen1 zooals bijv4 aardbevingen1 stormen enz4 bij het bestaan van zulke natuurwetten1 aard niet kan bepaald worden door doelmatige wijzen om der menschen geestelijke ontwikkeling te verhoogen1 aangezien dit laatste op geestelijk gebied behoort4 ,die eenvoudigheid dier wetten maakt1 dat men kan leeren1 terwijl de er door teweeg gebragte verscheidenheid en afwijkingen dit leeren bevorderen4 ,was het verband tusschen oorzaken en gevolgen1 zoo als de supranaturalisten beweren1 dan zouden de natuurwetten zoo uiterst zamengesteld zijn1 dat de gevolgen van zekere gebeurtenissen onmogelijk zouden te gissen zijn en de ervaring geen leiddraad voor het handelen meer zou opleveren4 ,van daar dat er in het practische leven evenmin zuivere supranaturalisten als zuivere fatalisten bestaan4 ,de onwetenste schipper1 nimmer van natuurwetten en eene daardoor teweeg gebragte gelijkslachtigheid van oorzaken en gevolgen gehoord hebbende1 maakt bijv4 uit den staat van den atmospheer op1 welk weder er te verwachten is en rigt zich hiernaar in4 ,even als ,molieres bourgeois gentilhomme in proza sprak zonder dit te weten1 zoo gedraagt zich aldus die schipper1 zonder hiervan bewust te zijn1 in strijd met zijne supranaturalistische religieuse beginselen1 als naturalist1 en neemt hij bijv4 niet aan1 dat voor of tegenwind van de zedelijke gehalte zijner passagiers afhangen1 daar hij dan hun certificaat van goed gedrag zou moeten inzien1 in plaats van op wolken en windwijzer te letten4 ,hoe minder intellectueel ontwikkeld de menschen zijn1 hoe meer onmiddelijk de verschijnsels uit elkander voortvloeijen1 waarvan het verwachten der eene uit het voorkomen der andere opgemaakt dient te worden2 en met hoe minder kennis der werking der ,natuurwetten op stoffelijk en geestelijk gebied zij aldus kunnen volstaan4 ,hieromtrent gemaakte dwalingen zullen aldus door zulke menschen minder dan door meer beschaafde opgemerkt worden1 en buitendien heeft het bijgeloof minder invloed op de handelingen1 dan men wel denkt4 ,in plaats van deze te doen afhangen van goede of slechte voorteekens1 waardoor het toeval de wijze van handelen zou bepalen1 vallen1 naarmate1 wegens naturalistische oorzaken1 zekere handelingen al of niet geraden geoordeeld worden1 die voorteekens goed of slecht uit4 ,vaak toch bedriegen de menschen zich zelf en zien zij hetgeen zij raadzaam achten te zien4 ,wij hebben hierboven de directe en niet de indirecte gevolgen der verschijnsels in het oog gehad4 ,zoo is bijv4 zeeziekte een direct gevolg der schommelingen van schepen ten gevolge der deining1 maar de door deze teweeg gebragte bewondering en vrees1 moet niet als een direct gevolg der golving der zee1 maar als dat van zekere zinnelijke indrukken in verband met eene bestaande gemoedsgesteldheid beschouwd worden4 ,men heeft hierbij als ware eene andere reeks van oorzaken en daarmede gelijkslachtige gevolgen4 ,behalve de gemiddelde plaats hebbende vergrooting der geestontwikkeling der soorten bestaat die der wisselende individuen dier soorten4 ,deze1 zeer gering bij de geboorte1 klimt gedurende een beperkt aantal jaren tot de hoogte welke die der soort gedurende een veel grooter aantal eeuwen bereikt heeft2 en daar die snelle verhooging der geestontwikkeling der individuen het gevolg moet zijn van eene snelle verhooging der levensomstandigheden1 zoodat die individuen gedurig aan hoogere eischen moeten voldoen1 zoo zal1 wegens de werking der traagheid1 bij elk individu die geestontwikkeling meer te kort schieten1 dan bij de soort1 zoo deze bijv4 uit steeds op aarde voortlevende individuen bestond4 ,in dit geval zou gewis de toename in geestontwikkeling der soort sneller zijn dan thans1 daar bijv4 eene generatie1 op zeker tijdstip op den graad van geestontwikkeling harer soort staande1 na bijv4 #cj #dj jaren een hooger standpunt van geestontwikkeling zal bereikt hebben1 dan zoo op dit eerste tijdstip die generatie van ongeveer nul af aan alles moet leeren4 ,in dit laatste geval zal zij echter gedurende zekeren tijd sneller in geestontwikkeling toenemen dan in het eerste1 omdat in dit eerste geval er geen prikkel bestaat om zich op de hoogte der kennis van voorgangers te stellen4 ,dit geldt ook voor individuen van volgende generatin met betrekking tot individuen van voorgaande1 en vandaar dat bijv4 menschen van hunne geboorte tot hun dertigste jaar meer leeren dan van af dien leeftijd tot hun zestigste jaar4 ,van af den achttienden tot den dertigjarigen leeftijd is de verhooging der eischen der levensomstandigheden op het sterkste en vandaar dat alsdan de geestontwikkeling1 wegens de werking der traagheid1 het meeste te kort schiet1 de menschen uit gebrek aan ondervinding de meeste dwaasheden en euveldaden verrigten en zich daardoor het meeste benadeelen4 ,zelfs de uitmuntendste opvoeding kan dit kwaad slechts gebrekkig wegnemen1 daar de menschen veel minder van andere menschen dan door eigen ondervinding kunnen leeren4 ,niet slechts dat1 de snelle verhooging der menschen levensomstandigheden1 de voor de vervulling der eischen dier omstandigheden gevorderde wijsheid meer te kort doet schieten1 maar ook de accidentele veranderingen dier omstandigheden zullen1 al wordt er hierdoor geene verhooging dier eischen daargesteld1 wijsheid en ondervinding 7wegens de op blz4 #fc gemelde werking der traagheid7 in gebreke doen zijn1 wanneer er door1 alsware nieuwe en onbekende toestanden daargesteld worden4 ,dit nu zal veel meer het geval zijn bij vrij kort1 dan bij zeer lang op deze aarde vertoefd hebbende wezens1 en aldus reeds wegens twee oorzaken de sterfelijkheid der individuen voor hen eene bron zijn van te kortschieten in wijsheid en ondervinding en dus ook van ramp1 maar tevens van sterkere toeneming in geestontwikkeling gedurende een bepaalden tijd4 ,evenzoo als des menschen geest ten achteren blijft betrekkelijk de eischen der levensomstandigheden1 doet het ligchaam zulks betrekkelijk den geest4 ,dit vooruit-zijn van deze laatsten1 waardoor op het ligchaam eene vooruittrekkende werking uitgeoefend wordt1 doet dit lijden en kan het zelfs ongeschikt maken om tegelijk met eene juiste werkdadige denking te bestaan4 ,vandaar het somtijds idioot worden van geleerde kinderen4 ,buitendien kan men op eene gebrekkige wijze op de hoogte zijn van hoogere levensomstandigheden dan die waarin men verkeert4 ,een kind kan bijv4 in sommige opzigten te wijs zijn voor het kinderleven1 zonder zelfs in dit opzigt1 aan de eischen der levensomstandigheid van meervolwassenen te kunnen voldoen1 niet wegens eene te lage1 maar wegens eene scheve opvatting dier eischen4 ,zoo zal bijv4 de republikeinsche regeringsvorm voor de ,fransche natie1 wanneer bij deze de eerbied voor de wet grooter en de bekoorlijkheid van het prestige van naam en roem geringer geworden zal zijn1 geschikt worden1 doch de alsdan vigerende republikeinsche constitutie waarschijnlijk beter zijn dan die gedurende het laatst der voorgaande eeuw en aldus in ,frankrijk te vroeg ingevoerd #ae4 ,thans noemen zich de materialistische panthesten eene zeer geavanceerde partij op godsdienstig gebied1 doch1 wanneer het gros van het publiek op hunne hoogte gekomen zal zijn1 zal dit geene hooger staande en minder kinderlijke1 maar wel betere en minder eenzijdige godsdienstbegrippen dan zij aankleven4 ,krankzinnigheid1 vaak ontstaande door het onvervuld blijven van wenschen1 en waarbij het denken niet in overeenstemming is met de eischen der werkelijkheid1 gaat1 zooals bijv4 bij sommige asceten1 dikwijls gepaard met valsche voorstellingen van hoogere toestanden4 ,vandaar dat de geestelijke ontwikkeling van krankzinnigen gemiddeld niet lager is dan die van andere menschen en bijv4 door ,cervantes1 bij ,don ,quichotte1 zonder dezen onmogelijk te maken1 vooral in het zedelijke op een hoog standpunt gesteld kon worden #af4 ,het achterlijk zijn van het eene met betrekking tot het andere1 ontstaat alleen doordat de vooruitgang van het laatste dit alsware ten deele vernieuwd heeft1 en is aldus een bijzonder geval der uitwerking der traagheid waardoor1 wanneer iets verandert1 iets anders1 er mede in verband zijnde1 niet terstond eene overeenkomstige verandering ondergaat4 ,wat doen nu de geavanceerde beginselen bezittende menschen en partijen8 ,zij ontwerpen instellingen1 geschikt behoorende te zijn niet voor den bestaanden1 maar voor toekomstige toestanden1 en neemt men nu in aanmerking1 hoe1 door veranderingen in het verledene1 de bestaande toestand nog min of meer nieuw is1 zoo zal men beseffen1 hoe veel meer nieuws veronderstelde toekomstige toestanden zullen opleveren1 en hoeveel moeijelijker het wordt1 om de eischen en aard hiervan dan van een bestaanden toestand te bepalen4 ,door menschen van evenveel talent en doorzigt ontworpen1 zoo zullen ontwerpen van geavanceerde instellingen noodwendiger gebrekkiger zijn dan die van instellingen voor bestaande toestanden bestemd4 ,door de ondervinding ingelicht1 zullen daarentegen de ontwerpers van instellingen voor verleden toestanden bestemd1 deze volmaakter maken dan de instellingen werkelijk gedurende die verleden toestanden bestaan hebbende1 mits de aard dezer niet te zeer onbekend geworden is4 ,zoo weten de menschen gemiddeld beter wat zij vroeger hadden behooren te doen1 dan zij zulks vroeger geweten hebben en weten zij minder goed wat zij later zullen moeten verrigten1 dan zij zulks later zullen weten4 ,de miskenning der eischen van dezen thans bestaanden toestand1 het zonder zulks te weten1 voor oogen houden van hoogere toestanden dan den thans bestaanden1 benevens de zeer gebrekkige kennis van den aard en eischen er van1 hebben aanleiding gegeven tot het ontwerpen en zelfs tot het voor een deel in praktijk brengen van allerlei wel is waar buitensporige instellingen1 wetten en gebruiken1 maar waarbij de meeste der ontwerpers1 deze in dit opzigt1 gene in eenig ander opzigt1 iets voorgesteld hebben werkelijk voor hoogere maatschappelijke toestanden geschikt4 ,die ontwerpers zijn te vergelijken met de pionniers1 welke in ,amerika en ,australie de ontginners van den bodem in de wildernis voorafgaan1 dikwerf verdwalen zij1 doch niettemin wijzen zij aan het hen achterna komende gros van het menschdom den te volgen weg4 ,op wetenschappelijk en godsdienstig gebied is dit nu evenzeer het geval4 ,de hierop geavanceerde stellingen en hypothesen1 hoe eenzijdig1 gebrekkig en somtijds zelfs buitensporig1 bevatten meestal eenige vroeger onbekende waarheden1 die wel vaak lang onbegrepen blijven1 maar1 telkens op nieuw verkondigt1 eindelijk wortel schieten2 terwijl1 de tegelijk met hen voorgedragen dwalingen1 van lieverlede in de vergetelheid geraken4 ,daar echter de wetenschap gemiddeld steeds voorwaarts gaat1 houdt het opwerpen van geavanceerde stellingen niet op4 ,zekere dosis dwalingen1 en wel gemiddeld eene grootere1 naarmate de voortschrijding der wetenschap sterker is1 blijft aldus steeds in omloop4 ,nemen wij bijv4 de stelling van ,bouddha1 dat alle bestaan een kwaad is1 zoodat de mensch1 door onderdrukking zijner begeerten en door zedelijke veredeling1 moet trachten op te gaan in het ,nirwana en zich te onttrekken aan eene wedergeboorte4 ,vooreerst verstonden ,bouddha en zijne aanhangers onder ,nirwana het niet1 of wel de oplossing in de oneindige onveranderlijke denking onder verlies der eigenaardige menschelijke natuur1 en verstonden zij onder bestaan alle zijn hoe ook1 of wel gevarieerde op die van ons menschen gelijkende wijzen van bestaan4 ,de tweede onderstelling komt ons de aannemelijkste voor1 daar de stelling1 dat men zich door veredeling moet voorbereiden voor het niet ongerijmd is1 en omdat daarop1 zelfs bij de traagste ,oosterlingen1 geen godsdienst te bouwen is4 ,in zooverre had echter ,bouddha gelijk1 dat veranderlijkheid bij het bestaan1 wegens de werking der inertie-wet1 ramp te weeg brengt1 zoodat slechts eene1 met onze geestelijke natuur niet overeenkomende onveranderlijke wijze van bestaan1 met volmaakte zaligheid te vereenigen is en ook had hij gelijk door te stellen dat onderdrukking der begeerten1 tot geluk leidt1 doch hij had er bij moeten voegen1 ook tot stilstand4 ,was toch die tweede stelling van ,bouddha aanbevelingswaardig1 zoo zouden de menschen1 even als ,diogenes1 hunne stoffelijke en geestelijke behoeften moeten trachten te verminderen1 en in zooverre als de ontwikkeling van handel1 industrie en wetenschap meer dient om nieuwe stoffelijke en geestelijke behoeften te scheppen1 dan om aan reeds bestaande behoeften te voldoen1 zij gebreideld moeten worden4 ,bij het onderwijs zou dan alles wat kan strekken om de leerlingen een hoogeren graad van beelding1 dan voor den maatschappelijken toestand hunner ouders past1 te doen geven1 zorgvuldig geweerd moeten worden4 ,de indeeling der maatschappij in kasten behoorde alsdan weder te worden ingevoerd4 ,schadelijk voor den vooruitgang dier maatschappij1 omdat de geest van routine er door opgewekt wordt en rijk begaafde individuen uit de lagere standen er door belet worden om op de maatschappij eene opheffende werking uit te oefenen1 zoo bevordert daarentegen zulk eene indeeling de rust en tevredenheid1 wanneer de kinderen van jongs af opgeleid worden voor de bekwame vervulling van den ouderlijken werkkring4 ,de gilden en het staatstoezigt over handel en industrie zouden alsdan weder ingevoerd en vrije handel afgeschaft moeten worden4 ,de vrije concurrentie gaat toch gepaard met een strijd1 waarin de knapste industrielen de andere ten gronde trachten te rigten1 waarin zij op middelen peinzen1 om in het bedriegen van het publiek elkander de loef af te winnen en waarin een ieder dus maar1 ten bate der verhooging zijner geestontwikkeling1 maar moet zorgen om niet de verliezende partij te zijn4 ,wilden zou men slechts moeten trachten in den wilden toestand in gunstige omstandigheden te doen leven1 maar zich overigens wel hoeden moeten om hen te beschaven1 kortom men zou enkel aan de zucht tot geschiktmaking gehoor moeten geven4 ,dit echter wordt door de instinctmatige zucht tot vooruitgang1 den mensch in veel hoogere mate dan de dieren deelachtig1 onmogelijk gemaakt1 maar tevens wordt1 door het gehoorgeven aan die zucht1 verklaard hoe de mensch1 getooid met eene schoone1 maar met distelen doorvlochte kroon1 tegelijk is het verhevenste en het betrekkelijk onvolmaaktste1 het edelst en het ongelukkigste wezen der aarde4 ,even als bij snellen gang troepen niet meer opgesloten blijven1 maar zich verdeelen op den weg1 doet de betrekkelijke snelle toeneming in geestontwikkeling van den mensen een groot verschil in verhevenheid ontstaan tusschen zijne denkbeelden betreffende de eene en de andere zaak4 ,van daar zekere disharmonie1 zekere tegenstrijdigheid bij zijn wezen1 die gevoegd bij de uitwerking der met elkander strijdende neigingen naar geluk en naar vooruitgang1 hem in zijn eigen oog1 zooals ,pascal zeide1 tot een onbegrijpelijk monster maken #ag4 ,des menschen geest neemt te snel in ontwikkeling toe1 om voor blijvende aardsche ligchamen geschikt te zijn1 daar de aarde zelve het streven dier ligchamen naar hoogere ontwikkeling 7volstrekt niet in vergrooting der gezondheid bestaande7 belemmert4 ,het is dan ook verkeerd te beweren1 dat de waarde van den geest hand aan hand gaat met die van het ligchaam uit het oogpunt van gezondheid en goede werking der verschillende organen4 ,de menschen bijv4 bezitten meer wijsheid1 kennis en zelfs in het algemeen eene grootere geestelijke ontwikkeling1 wanneer op hoogen leeftijd hun ligchaam gebrekkig geworden is1 dan toen dit in vollen bloei verkeerde4 ,wanneer echter de zintuigen beginnen te begeven en alle bewegingen moeijelijker en vermoeijender worden1 let men minder op hetgeen in de omgeving geschiedt en gezegd wordt4 ,geestelijk leeft men dan minder in het heden en op de plaats zelve waar men zich bevindt1 en van daar het schijnbare gemis aan geheugen en die schijnbare botheid van geest welke de grijsaards met afgetrokken en diepzinnige personen gemeen hebben4 #ah ,bij de kinderen heeft het tegenovergestelde plaats1 hunne denkvormen gelijken meer op die der dieren dan die der volwassenen4 ,geheel vervuld met het heden en de omgeving1 ontgaat er weinig aan hunne opmerkzaamheid1 doch worden hunne vroeger gemaakte denkbeelden snel uitgewischt door andere1 ten gevolge van nieuwe zintuigelijke indrukken ontstaan4 ,ofschoon aan het leven gehecht1 zouden de meeste menschen niet andermaal hun levensloop willen herhalen4 ,wel zouden zij wenschen hun1 door inspanning en wegens gebrek aan ondervinding1 onder betaling van leergeld1 vooruitgeganen geest1 aan een verjongd ligchaam te koppelen1 doch niet in geestontwikkeling tot den kinderlijken toestand terug te keeren4 ,de geest kan overigens bij alle graden van ontwikkeling jong of oud zijn1 daar zulks afhangt1 of dat hij zekere toestanden en omgeving sedert kort begonnen is met bewustheid te aanschouwen1 of dat hij hieraan reeds lang gewoon geworden is1 of1 met andere woorden1 van het verkrijgen van nieuwe denkbeelden1 of van het behouden der vroegere4 ,werkte1 bij de op eenigen hemelbol aanwezige ligchamen van wezens slechts de oorzaken hen voor de omstandigheden1 door den aard van dien hemelbol opgeleverd1 geschikt trachtende te maken1 zoo zou zulk eene beschadiging dier ligchamen1 dat het organische leven er niet meer bij mogelijk is1 bij elke volgende generatie moeijelijker dan bij de voorgaande plaats hebben4 ,gemiddeld zou aldus elke generatie langer leven dan de haar voorgaande en van de1 na een oneindig langen tijd bestaande1 de ligchamen onsterfelijk zijn2 terwijl reeds thans dit het geval zou zijn1 zoo die constante oorzaak reeds gedurende eene eeuwigheid alleen gewerkt had4 ,tegelijk er mede heeft echter de oorzaak1 de organisatie dier ligchamen trachtende te verhoogen1 gewerkt1 en daar nu de snelheid waarmede zulks geschiedt1 zoo als op blz4 #gb verklaard is1 juist het tegengestelde effect der voorgaande oorzaak te weeg brengt1 beide oorzaken1 vereenigt werkende1 de organische ligchamen uit de stoffen van zekere hemelbollen gevormd1 wel meer zamengesteld van bouw en hooger ontwikkelt1 doch tegelijk meer teer en vernielbaar dan bij het gemis dier laatste oorzaak doen zijn4 ,hoe geringer de toeneming in geestontwikkeling en aldus ook de verhooging der organisatie der ligchamen van wezens is1 hoe zwakker de werking van de tweede der boven gemelde oorzaken wordt1 en hoe bezwaarlijker aldus het leven der ligchamen van zulke wezens uitgebluscht moet kunnen worden4 ,van daar de taaiheid van het leven en den meer onbeperkten groei der lagere dieren4 ,het optreden van hen overheerschende namelijk bestrijdende hoogere dieren heeft echter voor die lagere dieren veranderde levensomstandigheden daargesteld1 waarvoor eerstgemelde constante oorzaak1 wegens de binnen geen beperkten tijd te overwinnen werking der traagheid1 hen niet geheel geschikt kon maken4 ,hunne ligchamen moeten aldus voor die hoogere dieren verslindbaar zijn1 en1 korteren tijd bestaande1 door groeijen niet zulk een omvang verkrijgen1 als die der mede in ontwikkeling gelijk staande dieren1 aan zulk eene overheersching niet blootgesteld4 ,van daar dat welligt de 7zie blz4 #cj7 binnen de sedimentaire lagen gevonden fossile weekdieren1 levende voor dat de visschen optraden1 grooter waren dan de heden bestaande weekdieren en dat de kruipende dieren van het secundaire tijdperk grooter waren dan de heden bestaande door vogels en zoogdieren overheerschte kruipende dieren4 ,naar ons inzien kan aldus gesteld worden1 dat kortere duur van het leven van ligchamen gemiddeld een teeken is van snelle toename in ontwikkeling en tevens van betrekkelijke onvolmaaktheid van geest en ligchaam4 ,neemt een volk in beschaving af1 zoo zullen na zekeren tijd1 deszelfs instellingen en geestelijke ontwikkeling op de hoogte der eischen van den verminderden graad van beschaving zijn1 een maximum bereikt hebben1 na dien dalen1 en voor de eischen der afnemende beschaving1 wegens de werking der traagheid1 te hoog blijven 7zie ,noot blz4 #gb74 ,al bleven echter de individuen steeds voortleven1 zoo zou zulk een volk geruimen tijd in beschaving moeten achteruitgaan1 voordat de nog stijgende geestelijke ontwikkeling dier individuen in elk opzigt op zulk eene hoogte zou gekomen zijn1 dat zij aan de eischen der omstandigheden1 door den trap van beschaving daargesteld1 zou voldoen4 ,nu kunnen zulke afnamen in beschaving slechts bij uitzondering1 gedurende betrekkelijk korten tijd en gedurende den leeftijd der individuen slechts in geringe mate plaats hebben4 ,voor deze blijven aldus de eischen der levensomstandigheden gedurende hun leven toenemen1 zoodat hunne geestelijke ontwikkeling er beneden en buitendien1 wegens andere soorten van verandering dier omstandigheden 7zie blz4 #ga71 onvoldoende zal blijven4 #ai ,hoe1 wanneer de beschaving toeneemt1 de zedelijke ontwikkeling der volken absoluut kan toenemen en nogthans even onvoldoende blijven1 blijkt bijv4 uit het gemis aan eerlijkheid1 waarover men thans niet minder dan vroeger klaagt4 ,welligt zijn wij in geldzaken eerlijker dan onze voorouders vier vijf eeuwen geleden1 doch hoe uitgebreider is het finantieel verkeer geworden1 hoe noodzakelijker het is geworden1 dat men op de eerlijkheid van anderen staat kan maken4 ,de opvoeding van een timmerman duurt bijv4 korter dan die van een staatsman1 en niettemin levert gene gemiddeld beter werk dan deze en zullen er over de kunsten van koorddansers gemiddeld minder aanmerkingen dan over de verzen van dichters te maken zijn4 ,slechts in zooverre de lagere klasse aan dezelfde eischen als de hoogere moet voldoen1 vertoont zij zich betrekkelijk onvolmaakter dan deze1 terwijl1 wanneer die eischen evenredig zijn met de graden van beschaving van beide klassen1 de lage het in betrekkelijke zedelijke volmaaktheid van de hooge wint4 ,dit zou echter het geval niet zijn1 zoo de menschen tot hoogere klasse behoorende1 langer en alsware langzamer leefden dan die van lagere klassen1 zoodat zij niet sneller dan deze in geestontwikkeling moesten toenemen4 ,de graad van beschaving of geestelijke ontwikkeling der menschen zal1 na gedurende zeker tijdvak vertragende gestegen te zijn1 dit op deze aarde eenmaal niet meer noemenswaardig moeten doen4 ,de beperktheid der zintuigelijke aanschouwing is toch onvereenigbaar niet eene onbepaalde geestontwikkeling en1 naarmate de drang tot vergrooting hiervan zwakker is1 zal die grens1 waarboven de geestontwikkeling niet meer noemenswaardig stijgt1 lager gelegen zijn1 even als1 naarmate een steeds aanhoudende wind zwakker is1 de er door voortgebragte toenemende1 maar eindelijk in sterkte circa standvastig wordende golving1 geringer is4 ,dit laatste nu ziet op de hoogere en lagere dieren1 want ook deze bezitten1 ofschoon in veel zwakkere mate dan de mensch1 bewuste aanschouwing en zucht tot uitbreiding hiervan4 ,zoo elk mensch steeds op deze aarde bleef voortleven zou hij1 nadat zulk een eindtoestand der beschaving bereikt is1 alles weten wat hij maar eenigzins in zijn stand wenschelijk zou achten te weten1 omdat hij een onbepaalden tijd ter zijner beschikking zou hebben om een bij de maatschappij niet noemenswaardig meer toenemende dosis kennis op te doen4 ,hoe langer de individuen leven1 hoe sneller het gansche menschengeslacht bij gelijken aanleg in kennis zal toenemen1 omdat elke generatie alsdan meer tijd zal hebben om hare verkregene kennis aan het opkomende geslacht mede te deelen4 ,hoe hooger de beschaving is1 hoe meer elke generatie zal moeten leeren1 en hoe betrekkelijk gebrekkiger de opvoeding zal worden1 al is het dat alsdan1 wegens de grootere zamenwerking en onderlinge gemeenschap der menschen1 de mededeeling van wetenschap aan de jeugd gemakkelijker geschiedt4 ,elke generatie zal aldus op lateren leeftijd meer in kennis moeten toenemen1 om zich op de hoogte te stellen der kennis door het vorige geslacht bereikt4 ,dit zal nu gemiddeld wel geschieden en zelfs iets meer dan dat1 zoolang de beperktheid der zintuigelijke aanschouwing die vergrooting der wetenschap der aardbewoners niet belet1 maar de zoo even gemelde oorzaak de vergrooting der kennis van het menschdom trager doen toenemen4 ,van deze kennis zal alsdan elk individu een kleiner deel zich eigen kunnen maken dan tijdens het bestaan van een minder gevorderden trap van beschaving1 elk individu alsdan1 met betrekking tot het dan zoo zamengesteld geworden maatschappelijk leven1 meer in ondervinding te kort schieten2 zij alsdan gedurende hun leven wel sterker in geestontwikkeling dan thans toenemen1 doch tevens meer teleurstellingen ondervinden2 met betrekking tot hetgeen zij wenschen te leeren en te doen1 minder en gebrekkiger leeren en doen1 in een woord betrekkelijk onvolmaakter zijn dan tijdens het bestaan van lagere trappen van beschaving4 ,zij die de individuen geschikt voor het leven op deze aarde wenschen te zien1 zullen aldus door de toeneming der beschaving niet bevredigd worden4 ,wel integendeel zij1 die de toename der geestelijke ontwikkeling der individuen1 al zij het dat hierdoor hunne ligchamen gesloopt en hun leven verkort wordt1 als het doel hiervan beschouwen4 ,de aanhangers van eerstgemelde levensbeschouwing 7die der geschiktheid voor het aardsche71 waartoe behooren de epicuristen1 voegen den mensch toe3 gedenk te leven1 in den zin van gedenk op eene oordeelkundige wijze te genieten1 tracht uwe gezondheid en welvaart te bevorderen1 in vrede met andere menschen te verkeeren1 bedenk dat slechts in een gezond ligchaam eene gezonde ziel kan huizen en weet dat onnieuwsgierigheid een zacht hoofdkussen voor een welgevormd hoofd is4 ,de aanhangers der tweede levensbeschouwing 7die van den vooruitgang71 waartoe de rationele stocijnen behooren1 roepen daarentegen de menschen toe3 gedenk te sterven1 namelijk leef zoodat uwe geestelijke ontwikkeling op het oogenblik van het verscheiden hoog opgevoerd zij1 offer hieraan op gezondheid en welvaart1 schroom niet in strijd met anderen te komen en oneenigheid te stichten1 wanneer het beginselen geldt het menschdom naar hooger leidende en tracht zoover mogelijk1 door peinzen en denken1 op het gebied van het buitenzinnelijke door te dringen4 ,een gemiddelde tusschen beide soorten van levensbeschouwing komt ons voor de voorkeur te verdienen4 ,dat onze geest ons ligchaam noodig heeft om werkdadig te denken en om indrukken van de buitenwereld te verkrijgen en dat de bloeijende toestand van het ligchaam1 bij gelijke hoogte der organisatie hiervan1 maakt dat het de streving opwaarts van den geest gemakkelijker kan volgen1 en die streving aldus dan minder tegenwerkt1 maakt het noodig1 dat men in zekere mate een geschikt ligchaamsleven leidt en dat onze geest zich bezig houdt met het verkrijgen van hetgeen noodig is voor de behoeften van het ligchaam en aldus de wetenschap beoefent met het oog op het materiele en praktische nut4 ,dit een en ander maakt tevens dat wij aan den bloei van het ligchaamsleven en aan de welvaart van anderen zorgen moeten wijden1 terwijl het leven in vrede met deze zamenwerking met hen gemakkelijker maakt1 hetgeen weder strekt ter bevordering der vergrooting der geestelijke ontwikkeling4 ,eindelijk moet de beperktheid der zintuigelijke aanschouwing grenzen stellen aan het doordringen van den geest op buitenzinnelijk gebied 7zie later74 ,van den anderen kant moet het ligchaam dienstbaar gemaakt worden aan de toename der geestontwikkeling om aldus de machine1 slechts in zooverre in goeden staat gehouden worden1 als de eischen van het gebruik er van zulks toelaten4 ,zelfs behoort men1 om aan die eischen te voldoen1 niet te schromen om de machine te verslijten en aan gevaar voor vernieling bloot te stellen4 ,ook moet de wetenschap1 met het oog op die toename der geestontwikkeling1 zelfs ten koste van stoffelijke welvaart beoefent worden4 ,voorts behoort men zich jegens anderen zoo te gedragen1 dat men hunne materiele welvaart in zekere mate ondergeschikt maakt aan de toename hunner geestontwikkelingen moet de deze bevorderende strijd van denkbeelden en beginselen niet aan eene te ver gedreven zucht naar eensgezindheid en vrede opgeofferd worden #bj4 ,de liefde voor anderen moet niet alleen ten doel hebben om hen van lijden te bevrijden1 of anders gezegd om hen geschikt te maken voor de omstandigheden waarin zij verkeeren1 maar tevens om de zedelijke ontwikkeling1 zoowel van hem die liefde betoont als van hem aan wie zij betoond wordt1 te verhoogen1 en zij aldus ook ten bate van den vooruitgang der individuen strekken4 ,slechts1 wanneer de liefde op deze wijze beschouwd wordt1 kan het verstandig geacht worden zich groote offers op te leggen1 ten einde op eene onzekere wijze het lijden van anderen een weinig te verminderen4 ,het is waar dat1 hoe hooger de geestelijke ontwikkeling der menschheid is1 hoe meer de menschen zich om hunne natuurgenooten en om de belangen hunner eigen toekomst bekreunen en dit kunnen doen1 doch het is er verre van af1 dat het directe nut dat men1 zoo voor anderen als voor zich zelf1 op deze aarde sticht1 de hiervoor genomen inspanning loont4 ,ook nemen de menschen 7tenzij oppervlakkig op gezag7 niet gaarne onderrigt en teregtwijzing van anderen aan1 zij leeren liever zelf en nemen hierdoor wel is waar trager in kennis toe1 doch deze wordt alsdan dieper1 inniger en minder vergeetbaar1 terwijl hunne grootere en meer langdurige inspanning ten gunste van hun intellectuelen aanleg en van hunne geestontwikkeling in het algemeen werkt4 ,om een anders iden goed te begrijpen1 dient men zelfs 7al zij het meer onbepaald en minder naauwkeurig7 van zelf op die iden gekomen te zijn4 ,hoe moeten nu de aanhangers der epicuristische levensbeschouwing zich gevoelen op het gezigt eener omgeving weerbarstig in het aannemen van onderrigt1 en wel is waar grif in het aannemen van materiele hulpmiddelen1 doch slechts wanneer zij hierover naar goedvinden kunnen beschikken2 op het gezigt van min of meer direct ten gevolge van hun individuelen vooruitgang lijdende menschen en dieren1 waarvoor zij slechts zeer weinig kunnen doen8 ,zij die zulk eene levensbeschouwing aanhangen1 het doel van het lijden aldus niet begrijpen en aan de liefde geene hoogere beteekenis geven dan om dit lijden te verzachten en1 zoo der naasten als hunne eigen geestontwikkeling1 elk oogenblik met vernietiging bedreigd achten1 moeten geleid worden tot moedeloosheid1 tot minachting van zich zelf en van anderen1 tot gemis aan zedelijke kracht en moed om zich offers te getroosten ten behoeve van anderen of van eigen toekomst2 tot het zich verdooven in de beslommeringen en genietingen van het heden2 tot het ontvlugten van het lijden van anderen en zelfs tot ontkenning er van1 omdat dit lijden een protest is tegen die slechts geschiktheid bij een aardsch bestaan noodig achtende levensbeschouwing4 ,wanneer deze dan ook door de massas in praktijk wordt gebragt1 moet zedelijk verval het gevolg zijn1 zooals bijv4 bij de ,grieken en ,romeinen tijdens het begin onzer jaartelling4 ,de natuurwet1 dat van een verschijnsel oorzaak en gevolg aan elkander tegengesteld zijn1 deed echter toen hare werking gevoelen1 namelijk dit zedelijke verval deed eene tegengestelde levensbeschouwing een kerkelijk gewaad aantrekken en1 aldus geschikt geworden voor de massas1 tot binnen deze dringen #ba4 ,te weinig wijsgeerig om te weten1 dat het lijden een gevolg is der werking der traagheid bij het veranderlijke en aldus ook bij het zich verheffende 7zie blz4 #fc71 zoo hebben de menschen niettemin een zeker besef1 dat er geleden moet worden om opwaarts te streven en dit besef nu werd levendig in de levensbeschouwing van het ,christendom1 dat het lijden heiligt1 op den weg ter heerlijkheid plaatst en door het zich omhoog heffende kruis zinnebeeldig voorstelt4 ,de aanhangers der picuristische levensbeschouwing verdiepen zich ongaarne in de beschouwing der individuen1 maar liever in die der in beschaving toenemende maatschappij1 in die harer kunstgewrochten1 in die der schoone en jaarlijks herlevende natuur4 ,doch is de duur van dit alles zoo zeker1 kunnen betrekkelijk snelle en groote veranderingen bij de aardkorst en het gasvormige omkleedsel onzer planeet dit alles niet vernietigen8 ,buitendien die schoone organische natuur maskert een slagveld1 een strijdperk waarop dieren en planten al strijdende hoogere organisatin verkrijgen en zich individueel trachten te verheffen en buitendien1 waartoe leidt die toenemende beschaving8 ,naar aanleiding van het op blz4 #hc gemelde1 tot sterkeren vooruitgang der individuen gedurende hun leven1 maar volstrekt niet tot hun geluk of geschiktheid voor de omstandigheden waarin zij verkeeren4 ,de maatschappij wordt gevormd door zamenwerkende individuen1 en in het belang van beider vooruitgang is het noodig dat die individuen zekere zelfstandigheid behouden1 en dat zij aldus geene levensbeschouwing1 de individualiteit in minachting brengende1 aanhangen4 ,om te begrijpen1 hoe het zedelijke verval eener maatschappij1 derzelver beschaving achteruit moet doen gaan1 behoeft men slechts te bedenken1 welk een nadeeligen invloed vermindering van arbeid en vertrouwen op handel en industrie uitoefent4 ,zoo bijv4 de menschen slechts werken om geld te winnen1 zal hun arbeid geene vruchten opleveren van zulk eene gehalte1 als wanneer men hem tevens ter vergrooting der geestelijke ontwikkeling1 zoo van anderen als van zich zelf1 doet strekken4 ,dit verschil1 niet noemenswaardig bij grof handenarbeid1 zal grooter worden1 naarmate die arbeid van meer verheven aard wordt4 ,verder zal1 zoo de winsten geringer worden1 de productie van den arbeid insgelijks verminderen1 en ook weder in sterkere mate1 naarmate de aard hiervan meer verheven is #bb4 ,de vergrooting der hulpmiddelen der wetenschap maakt dat de vruchten van den arbeid grooter worden1 terwijl de vergrooting der digtheid der bevolking eene tegenovergestelde werking uitoefent4 ,gedurende de toeneming der beschaving en der volkrijkheid komt ons de toeneming der hulpmiddelen der wetenschap eerst en die der digtheid van bevolking later de overhand te moeten hebben4 ,volstrekte overbevolking1 wegens gebrek aan te bebouwen bodem1 kan wel is waar niet gezegd worden te bestaan1 zoolang die bodem nog een mud graan1 of het voedsel voor een rund meer kan opbrengen1 iets wat overal het geval is1 doch dit belet niet1 dat1 het digter worden der bevolking1 den arbeid1 noodig om bijv4 een mud graan voort te brengen1 grooter doet worden4 ,minder arbeid zal er dus1 naarmate 7bij denzelfden trap van beschaving7 die digtheid der bevolking grooter wordt1 besteed kunnen worden aan de vervaardiging van voorwerpen niet volstrekt onmisbaar voor de menschen onderhoud1 minder van zulke voorwerpen zullen er aldus dan te verkrijgen zijn voor hen1 die hen dan met de winsten1 door hun arbeid opgeleverd1 willen koopen4 ,wel is waar zullen de meer beschaafde menschen steeds meer behoeften hebben dan de andere en grootere rijkdom aldus voor hen eene noodzakelijkheid blijven1 doch dit overwigt in geestelijke ontwikkeling zich 7wanneer de digtheid der bevolking grooter is met betrekking tot de beschaving7 meer door hare innerlijke waarde en minder door uiterlijk vertoon veropenbaren4 ,de kleinere verschillen in rijkdom1 bij het kleiner zijn der winsten van den arbeid1 kan men vergelijken met het meer opgesloten zijn der op blz4 #gg gemelde manschappen1 naarmate deze gemiddeld trager loopen4 ,het verschil in snelheid tusschen de verschillende manschappen zal hierdoor evenzoo verminderen1 als dat der gemaakte overwinsten door het mindere gemak om overwinsten te verkrijgen4 ,de neiging der manschappen tot opsluiting komt bij deze gelijkenis overeen met de uitwerking der verdeeling der rijkdommen bij het erven1 met die der giften aan behoeftigen en met het effect van den grooteren prikkel voor armen dan voor rijken om geld te winnen1 zie blz4 #di4 ,tegen hetgeen op blz4 #hf gezegd is1 zal men welligt aanvoeren1 dat het kwaad1 in ongeschiktheid van het een voor het ander bestaande1 het zedelijke kwaad eerder moet af- dan toenemen1 wanneer de menschen zich geschikter voor hun aardsch leven trachten te maken4 ,men dient hierbij echter te onderscheiden de eischen van het maatschappelijke en zedelijke leven van den mensch en die van zijn zinnelijk of ligchaamsleven4 ,de drang tot vooruitgang maakt dat de menschen die eerste eischen zoodanig verhoogen1 dat1 wegens de werking der traagheid1 hunne geestontwikkeling er bij te kort schiet4 ,verlagende op deze werken nu de eischen van het zinnelijke leven en verlagende op de organisatie van het ligchaam de onbewerktuigde aardt4 ,deze vier zaken1 waarvan nu de laatste onveranderlijk is1 trachten op gelijke hoogte te komen en aldus voor elkander geschikt te worden1 en1 zoo nu de eerste verlaagd wordt1 namelijk zoo de menschen trachten de maatschappij meer barbaarsch te doen worden en naar het dierlijke terug te brengen1 zullen zij tot elkander naderen en de menschen werkelijk betrekkelijk beter worden4 ,zoo bijv4 eene generatie in geestontwikkeling minder toeneemt dan de vorige1 zal de werking1 de toeneming in ontwikkeling van het ligchaam bevorderende1 hierbij ook eenigzins kleiner dan bij de vorige generatie zijn4 ,de laatste generatie zal aldus aan hare kinderen wat minder hoog ontwikkelde ligchamen achter laten dan zij van hare ouders ontvangen heeft1 en de ligchamen dier kinderen zullen1 door de werking van den geest1 wat moeijelijker dan die hunner ouders in ontwikkeling kunnen toenemen4 ,bij die derde generatie zal aldus de toeneming der geestontwikkeling nog wat zwakker zijn dan bij de tweede1 zoo zij zich1 betrekkelijk haar standpunt van ontwikkeling1 niet meer dan deze inspant1 en dit zoo voortgaan2 zoodat de mensch dan langs den op blz4 #cj gemelden stamboom1 alsware terug zal gaan1 en1 aangezien de geest der dieren ook opheffende en de onbewerktuigde aarde verlagende op hunne ligchamen werkt1 die teruggang niet ophouden1 voordat het punt van aanvang van dien stamboom weder bereikt is #bc4 ,wanneer de menschen hunne geestelijke ontwikkeling1 onder tegenwerking der eischen der zinnelijkheid1 bijzonder verhoogen1 zal zij1 wel is waar1 steeds in het een of ander ten achteren staan bij de eischen van het zedelijke en maatschappelijke leven1 doch die eischen en die ontwikkeling digter bij elkander komen en gene sneller opwaarts gedreven worden4 ,het tegengestelde zal daarentegen plaats hebben1 zoo1 wegens den drang tot vooruitgang1 men die eischen wel tracht te verhoogen1 maar de geestelijke en vooral de zedelijke ontwikkeling1 door het toegeven aan de eischen de zinnelijkheid1 daalt4 ,dit laatste dan kan in zulk eene mate geschieden1 dat de eischen van het zedelijke en maatschappelijke leven en aldus ook de beschaving er sterker door omlaag getrokken1 dan door den drang tot vooruitgang omhoog gedrongen worden4 ,zulk een geval1 op blz4 #hf bedoeld1 is vergelijkbaar bij eene schuit1 die een paard stroomopwaarts tracht te trekken1 maar daartoe onvermogend is1 zoodat dit paard 7met die eischen der beschaving vergelijkbaar7 achterwaarts moet stappen1 omdat de spanning der treklijn 7met de betrekkelijke zedelijke slechtheid der menschen vergelijkbaar7 groot is4 ,de groote afstand tusschen de beschaving der menschen en de organisatie van hun ligchaam maakt dat de beschaving middelen aanbiedt om zinnelijk te genieten en tevens dit ligchaam te benadeelen1 iets dat bij dieren slechts in veel zwakkere mate bestaat1 en bijv4 het geval is bij hen1 welke de epicuristische levensbeschouwing op eene verbasterde wijze in praktijk brengen1 namelijk bij hen die zich aan grove zinnelijke lusten overgeven en onverschillig worden voor de geestelijke ontwikkeling zoo van anderen1 als van zich zelf1 zie blz4 #hg4 ,de verbasterde opvatting der tegenovergestelde levensbeschouwing ontmoet men bij de asceten1 die1 om alle zinnelijkheid te vernietigen1 hun ligchaam martelen1 dit alzoo minder bekwaam maken1 om op eene indirecte wijze de vergrooting der geestelijke ontwikkeling te bevorderen en deze laatste zooals zij die opvatten1 zoodanig ter harte nemen1 dat zij andersdenkenden vervolgen #bd4 ,vele menschen zijn in het eene punt de eene en in tegengestelde het andere de levensbeschouwing toegedaan1 doch steeds zullen die onderdeelen hunner levensbeschouwing zich in harmonie met elkander trachten te stellen4 ,een gemiddelde tusschen beide dient echter in innigheid en wetenschappelijkheid toe te nemen1 naarmate de beschaving zulks doet1 en aldus de instinctmatige aandrang en tot geschiktheid en tot vooruitgang1 bij de dieren1 zie blz4 #fd1 voldoende1 alsdan meer te kort schieten om de menschen in de school van het leven te leiden4 ,het humanisme1 zooals de aanhangers der epicuristische levensbeschouwing dit opvatten1 zou slechts kunnen bestaan1 zoo de menschen steeds op aarde bleven voortleven1 de onbewerktuigde natuur niet de op blz4 #ia gemelde terugtrekkende werking op der menschen ligchamen uitoefenende en de beschaving niet meer toenam4 ,wegens de neiging der dingen om1 wanneer geene oorzaken dit tegengaan1 harmonisch met elkander te worden1 zouden dan de eischen van zedelijke en maatschappelijke leven1 de geestontwikkeling1 de eischen van het zinnelijke leven en de organisatie der menschelijke ligchamen zich op dezelfde hoogte stellen1 en de betrachting van het goede geene opoffering meer kosten en niet meer in strijd zijn met het genieten in het heden4 ,die toestand zou echter1 zelfs bij zulk eene aardsche onsterfelijkheid deelachtige wezens1 niet mogelijk zijn1 zoo de onbewerktuigde aarde de organisatie hunner ligchamen omlaag trok1 daar dit tegengegaan zou moeten worden door eene even sterke hen omhoog trekkende werking en deze niet zou kunnen bestaan1 zoo der menschen geestontwikkeling niet hooger dan die hunner ligchamelijke ontwikkeling stond1 en door hoogere eischen van het zedelijke en maatschappelijke leven1 die geestelijke ontwikkeling niet1 tegen omlaagtrekking er van door de eischen van het zinnelijke leven1 behoed werd #be4 ,een trap van beschaving1 wegens de terugtrekkende werking der onbewerktuigde aarde voor geene verdere verhooging vatbaar1 zal1 wegens de op blz4 #ga gemelde oorzaak1 bij sterfelijke wezens niet zulk eene hoogte kunnen bereiken als bij ligchamelijk onsterfelijke4 ,die beschaving1 door den eenen mensch in dit en door den anderen in andere opzigten opgedreven1 zal eischen stellen voor het zedelijke en maatschappelijke leven1 waaraan de menschen1 wegens den korten duur van hun leven1 nog minder zullen voldoen1 dan zoo zij steeds op deze aarde bleven voortleven1 aan den eenigzins hoogeren trap van beschaving1 die dan bereikbaar zou worden4 ,in dit laatste geval zou toch die beschaving het werk zijn van de alsdan levende menschen1 terwijl tot de werkelijk op deze aarde bestaande beschaving de vroegere generatin bijgedragen hebben1 zoodat zij voor elke volgende iets nieuws is4 ,de korte duur van ons leven maakt aldus dat wij in denzelfden tijd1 om even goed te voldoen1 in geestontwikkeling sneller moeten toenemen1 dat wij dit wel eenigzins sneller doen1 doch niet in zulk eene mate dat wij even goed voldoen als bij langer leven1 dat onze taak zwaarder dan in dit laatste geval is en dat1 wegens dien gevorderden snelleren aanwas in geestontwikkeling1 de eischen van het zinnelijke leven meer ten achteren staan bij die van het maatschappelijke en zedelijke leven1 zie blz4 #ga4 ,het maatschappelijke verkeer maakt niet slechts1 door die beschaving een hoogeren trap te doen bereiken en aldus het doel verder te stellen1 dat wij onze geestontwikkeling sterker moeten vergrooten1 maar tevens door het onderwijs1 dat wij geholpen worden om nog sterker in geestontwikkeling toe te nemen4 ,deze zou men kunnen vergelijken met een kapitaal1 dat gedurende zekeren tijd van af circa nul gemiddeld vertragende toeneemt en alsdan renten afwerpt4 ,het totale bedrag hiervan is vergelijkbaar met de baten die iemands geestontwikkeling aan anderen verschaft1 en zal1 betrekkelijk het kapitaal1 op het oogenblik dat dit ophoudt met renten af te werpen1 meer bedragen naar gelang die renteafwerping langer duurt4 ,men kan zich nu voorstellen dat de inspanning1 gevorderd voor de vergrooting van zulk een kapitaal1 grooter is dan het nut door het totaal die renten voortgebragt4 ,zoo echter dit totaal minder misbaar is1 naar gelang die rente kleiner is1 zal1 na zekere vertraging bij de vergrooting van het kapitaal1 het nut1 door het totaal der kleinere renten voortgebragt1 gelijk worden aan de inspanning gevorderd voor die mindere vergrooting van het kapitaal4 ,dit nu is vergelijkbaar met de grootere behoefte voor de leden eener maatschappij1 wier zedelijke eischen tot zekere hoogte opgedreven zijn1 om van de geestelijke ontwikkeling hunner medeleden te profiteren1 naarmate zij zulks minder doen1 of anders gezegd met de grootere behoefte aan het goede1 naarmate het gebrek hiervan grooter is4 ,wordt daarentegen het totaal der renten niet minder misbaar1 naarmate het minder bedraagt1 hetgeen te vergelijken is met het op blz4 #ij gemelde geval1 dat de eischen der beschaving van de maatschappij tegelijk met geestelijke ontwikkeling van derzelver leden verminderen1 zoo is er geene reden waarom1 na het ophouden der renteafwerping1 gedurig zulke kapitalen verloren moeten gaan1 en gedurig nieuwe van meet af aan vergaard moeten worden1 zie blz4 #he4 ,schoonheid bestaat evenzeer als deugd in geschiktheid1 doch1 terwijl men iets deugdelijk noemt1 wanneer het zekere geschiktheid bezit voor de omstandigheden waarin het verkeert1 zoo noemt men daarentegen iets schoon1 wanneer deszelfs deelen voor elkander geschikt zijn4 ,voor volmaakte deugdelijkheid wordt wel is waar dit laatste ook gevorderd1 doch bij zekeren graad er van1 kan van iets de geschiktheid der deelen voor elkander nog al te wenschen overlaten4 ,verschillende typen van diervormen vinden wij bijv41 wegens de juiste harmonie der deelen1 schoon1 maar daar onder behoort niet de vorm der miereneters1 niettegenstaande de organisatie dezer dieren geschikt is voor het vangen en opslurpen van mieren4 ,dit is evenzeer het geval op zedelijk gebied4 ,men zegt bijv4 dat een deugdzaam mensch eene schoone ziel bezit1 doch het komt ons voor dat het beter is te stellen dat eene schoone ziel zulk eene is1 wier eigenschappen goed met elkander overeenstemmen en voor elkander geschikt zijn4 ,de genis van het kwaad1 zooals ,milton die geschilderd heeft1 kan bijv4 kwalijk de bewondering opwekken als door zekere harmonie bij zijn zedelijken aard1 die wij vermeenen morele schoonheid te moeten noemen4 ,de werking der traagheid bij veranderlijke en dus ook bij naar de hoogte strevende wezens1 moet1 zooals op blz4 #ec gezegd is1 de harmonie en geschiktheid voor elkander bij de deelen dier wezens verbreken en deze noodwendig leelijk maken4 ,de aap1 naar het ligchaam half mensch half dier1 het vogelbekdier1 van vogel tot zoogdier opklimmende1 een wilde met vederen op het hoofd1 een knods in de hand en een pantalon met souspieds aan de beenen1 kwetsen evenzeer het schoonheidsgevoel als iemand1 binnen eene beschaafde maatschappij handelende1 zooals dit bij de wilde stammen gebruikelijk is1 het zedelijk gevoel kwetst4 ,men dient wel onderscheid te maken tusschen het schoone1 of de innerlijke harmonie van iets1 het goede1 of de geschiktheid van iets voor hetgeen waarmede het in verband is1 en de verhevenheid1 of het behooren van iets bij hoogere phasen van bestaan4 ,zoo noemen wij bijv4 eene uitmuntende geteekende mestvaalt1 waarin een varken wroet1 eene goede1 maar geene schoone en nog veel minder eene teekening van verheven genre4 ,de getrouwheid der afbeelding geeft deze zekere geschiktheid voor ons en maakt haar aldus goed1 doch eene verzameling van allerlei vuil en heterogene vodden kan kwalijk gezegd worden innerlijk harmonisch te zijn1 terwijl het wroetende varken naar het grove dierlijke terugtrekt4 ,wegens op blz4 #fd gemelde de werking der traagheid binnen onze veranderlijke wereld1 kan evenmin iets innerlijk volmaakt harmonisch zijn als precies passen voor alles waarmede het in verband komt4 ,bij het eene kan het eerste en bij iets anders het laatste meer het geval zijn en volmaakter zal iets zijn naarmate deugd en schoonheid beide in hoogere mate er in vereenigd zijn4 ,het streven naar de hoogte van ,natuur en ,maatschappij maakt verder dat het schoone en goede in hoogere phasen van bestaan komen4 ,zoo staat bijv4 de schoonheid van een insect lager dan die van een vogel1 die van eene mosplant lager dan die van eene roos1 die van een vogel lager dan die van een mensch1 die van de kleeding en hut eener negerin lager dan die van het gewaad en woning eener beschaafde dame1 niettegenstaande in elk dier gevallen de betrekkelijke schoonheid even groot kan zijn4 ,evenzoo is het met de deugd van zaken gelegen4 ,die van een spoorweg staat bijv4 hooger dan die van een straatweg1 die van een schietgeweer hooger dan die van een boog1 die van ons burgerlijk wetboek hooger dan de burgerlijke gebruiken der ,maories1 die van eene fotografie hooger dan die eener silhouette1 die van een gekleurd en met haren en nagemaakte oogen voorzien wassen beeld1 hooger die van een bronzen beeld1 niettegenstaande met betrekking tot hetgeen waarmede zij in verband zijn1 elk dier zaken even goed kan voldoen4 ,dit zal daarentegen1 wegens de werking der traagheid1 minder het geval zijn bij iets1 naarmate men sneller van een lageren tot een hoogeren trap van deugd tracht te komen en van daar dat bijv4 wassen poppen minder voldoen dan bronzen beelden4 ,de betrekkelijke schoonheid van zaken zal ook door de sterkte van zulk eene opklimming vermindert worden1 doch ook hierbij de gevolgen dier opklimming zich nog doen gevoelen1 nadat deze geindigd is1 omdat alsdan de werking der traagheid1 waardoor het eene met betrekking tot het andere achterblijft1 door de werking1 alles wel met elkander in verband is1 voor elkander geschikt trachtende te doen worden1 nog niet geheel overwonnen is4 ,zoo zal bijv4 wanneer een troep soldaten verspreid wordt1 ten gevolge van zijn snellen gang1 eerst zekeren tijd1 nadat de voorste man stilhoudt1 de troep weder opgesloten zijn1 en een wilde1 in eene op dezelfde hoogte van vrij groote beschaving blijvende maatschappij gebragt1 nog lang te laag ontwikkeld1 voor de omstandigheden waarin hij verkeert1 kunnen blijven4 ,stelt men bij nevenstaande fig4 in plaats der bovenste letter a1 a'1 zoo zullen de ordinaten der kromme ab voorstellen de graden van beschaving van dien wilde1 zoo hij bij zijne landgenooten bleef en die der kromme a'b' de graden van beschaving van den kring waarin hij gebragt wordt4 ,de kromme ab'1 in dit geval de opklimming in beschaving van dien wilde voorstellende1 zal nu de lijn a'b' eerst eenigzins regts van aa' raken4 ,zoo de menschen zich direct voorgesteld hadden om het menschelijke gelaat volledig af te beelden1 dan zou gewis de silhouette hen nimmer zoo goed voldaan hebben als thans de fotografie ons voldoet1 terwijl1 zoo zij zich tot taak stellen om zeer naauwkeurige afbeeldingen van schoone voorwerpen te maken1 deze dezelfde blijvende1 hunne afbeeldingen schooner moeten worden1 naarmate die menschen in kunstvaardigheid toenemen4 ,wij vermeenen hiermede aangetoond te hebben1 dat de volmaakte schoonheid en deugd niet in eene veranderlijke wereld en bij veranderlijke wezens gevonden kunnen worden en voorts dat schoonheid en deugd1 onafhankelijk van derzelver betrekkelijke grootte1 op zeer verschillende standpunten van alsware volstrekte grootte kunnen staan4 ,op deze aarde kan de volstrekte grootte1 van schoonheid en deugd1 even als die der kennis der waarheid1 slechts eene beperkte hoogte bereiken1 en nu kunnen wij ons wel wezens voorstellen1 waarbij die volstrekte grootte van schoonheid en deugd1 die van al de werkelijk bestaande menschen overtreft1 doch dit is slechts binnen zekere grenzen mogelijk1 willen zulke wezens voor ons te begrijpen blijven4 ,de oude ,grieken stelden zich hunne goden voor als wezens1 niet slechts van groote ligchamelijke1 maar ook van groote morele schoonheid in den zin als op blz4 #ig4 ,dier goden absolute grootte van zedelijkheid was1 toen de ,grieken nog barbaarsch waren1 nog vrij wel boven die dezer laatste verheven1 doch later toen die ,grieken1 ofschoon niet zedelijker met betrekking tot de intusschen verhoogde eischen van hun zedelijk en maatschappelijk leven geworden1 desniettemin in zedelijke ontwikkeling geklommen waren1 konden hunne goden1 als voorbeelden van het goede en verhevene1 hen niet meer voldoen4 ,hunne godsdienst strekte toen niet langer ter opheffing hunner zedelijke ontwikkeling en daar zij voortgingen met de eischen van hun maatschappelijk bestaan te verhoogen1 moesten zij deze op eene meer gebrekkige wijze gaan vervullen4 ,buitendien moet 7zie blz4 #gg7 bij denkbeeldige goddelijke wezens1 wier geestelijke ontwikkeling men niet beneden die van menschen stelt1 er1 evenals bij ons menschen1 disharmonie tusschen geest en ligchaam bestaan1 zoo de ligchamen1 die goden toegekend1 innerlijk harmonisch gemaakte1 of anders gezegd1 verfraaide copijen van onze ligchamen zijn1 en aldus1 zie blz4 #ig1 wel betrekkelijk1 maar weinig of niet absoluut schooner en verhevener zijn als deze4 ,dit hebben de stichters van den ,islam begrepen en vandaar hun verbod om ,allah1 ofschoon zij dezen menschelijke denkvormen toeschreven1 onder menschelijke gedaante af te beelden4 ,omdat het ligchaam der menschen lager staat dan hun geest1 voldoet men zooveel mogelijk in het geheim aan de ligchaamsbehoeften en tracht men voor het gezigt beider disharmonie te verminderen door het ligchaam gedeeltelijk te bedekken en wel1 naarmate de geest verhevener geacht wordt1 door de ligchaamsvormen meer masquerende gewaden #bf4 ,de absolute grootte van deugd en schoonheid wordt niet alleen vermeerderd door de hulpmiddelen van hoogere beschaving1 zie blz4 #ig1 maar ook door het passen er van in meer verhevene spheren1 in spheren waarin eene grootere geestelijke ontwikkeling als in het dagelijksche leven te huis behoort4 ,het er in ontmoeten der schoonheid1 maakt het treden binnen zulke spheren aantrekkelijker en in zooverre kan men zeggen dat de schoonheid de menschen naar hooger opvoert4 ,dat zij dit steeds van zelf direct doet en afgezien van hetgeen waarbij zij opgemerkt wordt1 vermeenen wij daarentegen te moeten ontkennen4 ,de harmonie tusschen de verschillende deelen eener zaak wordt toch teweeg gebragt doordat 7zie ons werk get4 ,over de werking der ,natuurwetten1 enz41 blz4 #eja1 en het vervolg hierop1 blz4 #bjg en #dad71 elk dier deelen het gemiddelde is van de overeenkomstige deelen van overeenkomstige zaken1 omdat bij die gemiddelden accidentele en grillige afwijkingen gemist worden4 ,wanneer er nu bij zaken sprake kan zijn van hoogere en lagere vormen1 zullen die bemiddelden evenmin naar de laatste als naar de eerste hellen4 ,zal bijv4 een menschelijk ligchaam1 wiens deelen1 indirect dienende tot verhooging der geestelijke ontwikkeling van zijn bezitter1 sterk en wiens deelen1 meer bestemd voor dierlijke verrigtingen1 weinig ontwikkeld zijn1 schoon gevonden worden8 ,naar ons inzien neen4 ,zijn de talen der meest beschaafde volken de zuiverste en van de regelmatigste constructie8 ,eigent zich fraaije stijl het beste voor het uitdrukken van diepzinnige denkbeelden1 van verhevene wetenschap8 ,wordt de aanschouwing van den sterrenhemel1 van een tal van lichtende werelden 7gedurende den spreekwoordelijk leelijken nacht71 bij uitnemendheid schoon gevonden8 ,worden de ,gothische kerken schooner gevonden dan de met de weinig verhevene godsdienst der oude ,grieken zoo in harmonie zijnde tempels van het oude ,hellas8 ,op dit alles vermeenen wij dat ontkennend geantwoord moet worden4 #bg ,dat de harmonie der deelen van tafereelen ontstaat doordat die deelen in den gemiddelden toestand verkeeren van die bij andere dergelijke tafereelen1 wordt bijv4 aangetoond bij die van stormen4 ,om het tafereel hiervan schoon te doen zijn moet toch eene bewolkte en driftige en geene heldere lucht zich boven eene onstuimige zee bevinden4 ,het daarstellen van schoone gewrochten is aldus eene bijzondere soort van geschiktmaken van het een voor het ander4 ,de klermaker1 die een rok voor iemand pas maakt1 de staatsman1 de constitutie van een staat zamenstellende en ,phidias toen hij de majesteit van den ,dondergod door een marmeren blok trachtte uit te drukken1 zij allen doen dit2 terwijl de burgerman1 die den edelman nabootst en zich hierdoor belagchelijk en ongelukkig maakt1 even goed aan den drang vooruitgang gehoorzaamt1 als ,columbus toen deze de ,spanjaarden naar ,amerika leidde en dien ten gevolge ,spanje van de noodige inwoners beroofde en als iemand1 die het voorvaderlijk geloof verzaakt en zijn geest te gelijk met twijfel en met philosophische bespiegelingen vult4 ,dat er nu in elk dier tweede soort van gevallen een tijdelijk kwaad geboren wordt1 ontstaat1 zooals reeds op blz4 #fh gezegd is1 ten gevolge der werking der traagheid bij overgangen4 ,hoe1 ten gevolge hiervan1 vooruitgang het schoone benadeelt1 bemerkt men bijv4 aan de klagten geheven over het bederven van landschappen door fabrieken1 over het gemis aan schoonheid der ,protestantsche eerdienst1 over het ondichterlijke dat er in gelegen is om bijv4 per spoorweg te ,athene te komen enz4 ,zoo echter deze stad eenmaal de bloeijende hoofdplaats van een bedrijvig volk wordt1 zal een spoorwegstation er evenmin misstaan als in vele oude en thans bedrijvige steden van ,europa4 ,de neiging tot het geschikt maken van het een voor het ander kan zich veropenbaren1 als teedere liefde voor bloedverwanten1 die men1 met opoffering van vooruitzigten1 niet wil verlaten2 als practisch gezond verstand1 dat doelmatigheid boven theoretische volkomenheid en verhevenheid verkiest2 als huisbakken bekrompenheid slechts kleine belangen trachtende te bevredigen2 als lage zelfzucht slechts zoekende eigengenot in het heden te verkrijgen4 ,de neiging tot vooruitgang kan zich daarentegen veropenbaren1 als opofferende liefde voor menschheid1 wetenschap en geloof2 als verstandelijke bespiegeling over verhevene en duistere onderwerpen2 als onpractische plannenmakerij2 als dwaze naperij van maatschappelijk hooger verheven personen4 #bh ,het is er aldus 7zie blz4 #hc7 verre van af1 dat aan den drang tot geschiktmaken en aan dien tot vooruitgang steeds op eene wijze toegegeven wordt in het welbegrepen en aldus ruim opgevatte heil der maatschappij zijnde4 ,achteruitgaan en tevens het een voor het ander ongeschikt maken1 doen de menschen nimmer tegen beter weten in2 en1 wanneer dit door hun toedoen gebeurt1 vermeenen zij dat1 men1 door te sterk en op verkeerde wijze vooruitgegaan te zijn1 de geschiktheid van het een voor het ander geschaad heeft4 ,geschikt houden is in het algemeen1 ofschoon niet geheel teregt1 het doel der conservatieven1 de vooruitgang het doel der liberalen4 7,zie blz4 #gc47 ,tusschen het toegeven aan beiderlei soorten van drang moet eene behoorlijke en van de omstandigheden afhangende verdeeling gemaakt worden1 bij het voorschrijven van zedelijke beginselen1 zie blz4 #hc1 bij het onderwijzen1 zie1 blz4 #gf1 bij het voeren van strijd en het bestaan van bescherming en regeling op verschillend gebied enz4 #bi ,de drang tot geschiktwording van het een voor het andere veroorzaakt bijv4 dat de aan wilde volken gepredikte ,christelijke godsdienst bij hen van lieverlede verbastert1 dat is wel1 door hooger als deze te zijn1 de beelding van zulke volken wat verhoogt1 maar zich te gelijk1 door te dalen1 op de hoogte hiervan stelt4 ,wel zal dan die invoering der ,christelijke godsdienst bij zulke volken hunne beschaving wat verhoogen1 doch die verhooging er niet alleen aan te danken zijn1 dewijl er bij de rest hunner beelding 7zie blz4 #dg7 eene eigen impulsie tot verhooging bestaat4 #cj ,bij de menschen wordt de aard hunner godsdienst bepaald door hun graad van intellectuele ontwikkeling1 door de eigenaardigheden van hun karakter1 den aard van het land dat zij bewonen1 hunne omgeving1 benevens door accidentele omstandigheden4 ,van elk dezer laatste kan de invloed niet blijvende zijn1 doch daar er gedurig nieuwe accidentele omstandigheden1 van invloed op der menschen godsdienstbegrippen1 ontstaan1 zoo zal er hierbij op den duur een zeker van aard veranderend deel het gevolg van het toeval zijn4 ,het in zulke deelen bevatte zal echter1 even als de op blz4 #bb gemelde door het toeval ontstaande afwijkingen bij de organisatie der dieren1 gemiddeld ten nadeele werken1 en aldus het geheel der godsdienstige begrippen van elk mensch1 noch voor dezen1 met betrekking tot zijne beelding gemiddeld geschikter maken1 noch gemiddeld nader tot de kennis van hetgeen werkelijk op buitenzinnelijk gebied bestaat1 brengen4 ,de invloed der omgeving baart zekere ofschoon vaak geringe gelijkenis tusschen de godsdienstige begrippen van met elkander verkeerende menschen1 en op blz4 #i hebben wij aangetoond hoe deze zich in groepen splitsen1 waarvan elk gezegd wordt tot zekere secte te behooren4 ,de grootte dezer wordt1 even als die der rijken1 door de geographische gesteldheid der landen1 het verkeer en den aard der menschen1 den aard der godsdiensten benevens door accidentele oorzaken 7zooals bijv4 accidentele grootere of kleinere gelijkvormigheid in opinie7 bepaald4 ,in het algemeen nemen zij1 even als de rijken1 in grootte toe naarmate de beschaving zulks doet4 ,overigens brengen veranderingen bij dien invloed der omgeving der volwassen menschen1 bij de godsdienstige begrippen dezer accidentele afwijkingen naar alle kanten van de godsdienstige begrippen1 welke zij1 zonder het bestaan dier invloeden1 zouden bezitten4 ,deze zijn te vergelijken met die op onze daden ten gevolge der raadgevingen der menschen1 waarmede wij achtervolgens te doen krijgen4 ,die onderscheidene oorzaken1 de accidentele uitgezonderd1 bepalen de religieuze begrippen der menschen geheel onafhankelijk van de leering en daden der stichters der godsdiensten4 ,zoo belijden bijv4 voornamelijk de ,germaansche volken de ,protestantsche godsdienst1 wegens de hoogte waartoe hunne beelding op het einde der middeleeuwen gestegen was1 benevens wegens hunnen grooteren ernst en minder zinnelijk karakter dan de ,latijnsche en ,slavische volken4 ,het deel hunner godsdienstige begrippen niet het gevolg hiervan1 maar van hetgeen er buitendien van de leer der hervormers overgeleverd is1 kan als iets toevallig beschouwd worden en moet van lieverlede verdwijnen4 ,men bedenke toch dat1 wanneer zoo iets door eene constante oorzaak wordt voortgebragt1 niet enkele1 maar zeer vele menschen in dien geest werkzaam zijn1 zoodat1 bij gemis dier enkele voorgangers1 de menigte het werk verrigt1 voor zooveel die arbeid levert hetgeen die constante oorzaken tot gevolg kunnen hebben4 ,die arbeid der achtervolgende generatien is grooter dan men denkt en zou bijv41 al hadden de stichters van het ,christendom nimmer bestaan1 de meer verheven begrippen betreffende de betrekking van ,god tot de menschen1 de pligten en roeping dezer enz41 waardoor het ,nieuwe ,testament zich van het ,oude ,testament en van het ,neoplatonisme enz4 onderscheid en hooger dan deze staat1 stellig voortgebragt hebben1 omdat de aard en toename in geestontwikkeling der bewoners van het ,romeinsche rijk tijdens het verval der ,romeinsche staatsgodsdienst hiertoe leidde1 maar dat die menigte tot de bijzonderheden der ,christelijke dogmas1 bij onstentenis der vinders dezer1 zou gekomen zijn1 is daarentegen zeer onwaarschijnlijk4 #ca ,die bijzonderheden zijn aldus gewrochten van het toeval1 zooals alles wat in iemands geest opkomt1 gelijkslachtig is met hetgeen tot vergrooting der kennis van het menschdom kan strekken1 en later niet opkomt in den geest van eene menigte andere menschen te zamen genomen1 zoo al deze in dezelfde omstandigheden als hij gaan verkeeren4 ,de genin1 welke1 door een toevalligen loop der omstandigheden1 in de zending1 welke zij zich opgelegd hebben1 zeer goed slagen1 7voorzeker de minderheid hunner7 vervullen dan ook de noodzakelijke behoeften der menschheid iets eerder1 maar op eene meer gebrekkige wijze1 dan dit bij hun gemis later gebeurd1 en het lot dier nakomelingschap hangt alzoo niet af van het broze bestaan dier enkele4 ,van daar ook dat zij1 welke dit anders begrijpen1 zulke genin als door ,god speciaal bestemd en bewaard achten voor zulke zendingen1 een begrip onvereenigbaar met de eenvoudigheid der ,natuurwetten en aldus van supranaturalistischen aard4 ,de bij de menschen bestaande godsdienstige begrippen1 bepaald wordende deels door accidentele oorzaken1 deels door dier menschen aanleg1 karakter en woonplaats1 aldus door dergelijke oorzaken als die der beschaving1 zoo dienen die godsdienstige begrippen bij de volken van grooteren aanleg gedurende denzelfden tijd meer dan bij die van minder aanleg in ontwikkeling en verhevenheid gestegen te zijn1 er op aarde te gelijk religieuse begrippen op allerlei graden van ontwikkeling te bestaan1 en in het verleden ook het geval geweest zijn1 maar1 naarmate men in dit verleden verder achterwaarts gaat1 de hoogst ontwikkelde der religieuse begrippen1 gedurende elk tijdstip omhelsd1 gemiddeld in verhevenheid lager te staan4 ,dit is dan ook het geval1 want bijv4 zijn bij de ,europeanen gedurende de laatste achttien eeuwen de religieuse begrippen in verhevenheid veel meer gestegen dan bij de ,hottentotten en zelfs dan bij de ,bedouinen1 ofschoon deze gedurende dien tijd van het heidendom tot den ,islam geklommen zijn4 ,voorts bestaan thans op aarde de geheel op wijsgeerigen grondslag berustende godsdienst-begrippen bezittende vrije ,duitsche gemeenten1 wilde stammen1 wier godsdienst het plengen van menschenbloed voorschrijft1 en volken met godsdiensten op allerlei trappen tusschen die beide ingelegen4 ,gaat men in het verledene achterwaarts1 zoo ontwaart men een paar eeuwen geleden als hoogste godsdienstbegrippen die van het orthodoxe protestantisme1 vier eeuwen geleden1 die van het catholicisme1 negentien eeuwen geleden1 die van het mozasme en van het wordende neoplatonicisme4 ,toen het gansche menschdom op den laagsten trap van beschaving stond1 was het verdeeld in eene menigte in geestelijken aanleg verschillende kleine stammen4 ,bij uitzondering zijn er van die stammen uitgestorven1 doch meestal hebben zich1 naarmate1 bij verhooging hunner beelding1 er meer geest van zamenwerking tusschen de menschen ontstond1 zich eerst tot kleine en later tot grootere1 volken gegroepeerd4 ,elk dier volken vormde niet altijd een staat of eene politieke eenheid1 maar deszelfs leden waren door taal1 zeden1 wetten1 godsdienst1 benevens door veelvuldiger onder elkander dan met leden van andere volken gesloten huwelijken1 met elkander verwant1 en splitste zich somtijds1 zooals bij het vormen van kolonien1 in verschillende van lieverlede zich van elkander vervreemende deelen4 ,het bovenstaande1 kan nu 7zie blz4 #cc7 voorgesteld worden door eene menigte stamboomen1 sneller groeijende naarmate de aanleg der stammen of volken grooter was 7somtijds zal deze1 zoo als bij vermenging van hoogere met lagere rassen1 den gemiddelden van die van beide geworden zijn7 en dan zamengroeijende en dan zich in verschillende takken splitsende4 #cb ,de bovenste einden dier takken en stammen zullen dan de thans bestaande volken 7wel te onderscheiden van staten7 en de distantie dier verschillende uiteinden tot den bodem1 de graden van beschaving dier volken aanduiden4 ,zoo nu van elk dezer de leden dezelfde godsdienstige begrippen aankleefden1 zouden die takken en stammen tevens den groei dezer begrippen voorstellen4 ,het ,britsche rijk en deszelfs kolonin zou bijv4 bevatten catholieke ,ieren1 angelicaansche ,engelschen1 presbyteriaansche ,schotten1 mozasche ,isralieten1 mohamedaansche ,maleijers1 brahmmaansche ,hindoes1 boedhisthische ,singalezen1 zonvereerende ,parsen enz4 ,het bezit van dezelfde godsdienst door verschillende dier volken zou dan niet als eene zamensmelting van derzelver stamboomen moeten beschouwd1 maar meer met het bezitten van dezelfde wetten moeten vergeleken worden en de bekeering van een volk tot eene andere godsdienst1 onder behoud van sporen der vorige1 met het enten van buiten aangebragte wetten op oude vergelijkbaar zijn en aldus niet als eene verandering van stamboom aangemerkt moeten worden4 ,die onderscheidene religieuse begrippen van volken zullen nu1 even als de diersoorten1 onder den invloed zijn van een drang tot geschiktwording1 een drang tot vooruitgang en de werking van het toeval4 ,het geschikt worden der organisatie der dieren voor hunne levensomstandigheden1 benevens het geschikt worden der verschillende deelen dier organisatie voor elkander1 wordt bij die religieuse begrippen der volken vervangen door het harmonisch worden derzelve met de beschaving en aard dier volken en met het goed bij elkander passen der verschillende deelen dier begrippen1 zoodat zij te zamen een harmonisch geheel vormen4 ,die geschiktheid of betrekkelijke volmaaktheid der godsdienstige begrippen neemt aldus volstrekt niet toe met derzelver wetenschappelijke waarheid van voorstelling van hetgeen in tijd en ruimte op buitenzinnelijk gebied bestaat4 ,bij onbeschaafde volken moeten zij bijv4 eenvoudig en zinnelijk zijn om voor hen geschikt te zijn en dit maakt bijv4 dat men niet in elke omstandigheid welke ook dwalingen moet bestrijden4 ,hierdoor zou meer dan wenschelijk is den vooruitgang ten koste der geschiktheid begunstigd worden4 ,even als bij de organisatie der dieren1 bestaat er ook bij die begrippen een drang tot vooruitgang waardoor zij echter in het algemeen niet te hoog voor den graad van beschaving der volken worden1 omdat hierbij ook een dergelijken eigen drang tot vooruitgang bestaat1 waardoor zij dan trager en dan sneller dan die begrippen zal klimmen en die godsdienstbegrippen aldus dan voor en dan achter zich zal laten4 ,daar echter in het eerste geval die begrippen de beschaving voor- en deze die begrippen achterwaarts tracht te trekken en omgekeerd in het tweede geval1 kan beider ongelijke snelheid van vooruitgang door geene constante oorzaak in stand gehouden worden4 ,bij vooruitgang dier begrippen zullen echter derzelver verschillende deelen dit nimmer even sterk doen en van daar dat1 naarmate zij sneller vooruitgaan1 de harmonie en consequentie bij het geheel verbroken wordt4 ,die verandering moet dan noodwendig twist over en twijfel aan de verschillende deelen der begrippen benevens splitsing van derzelver aanhangers in verschillende rigtingen doen ontstaan4 ,in een woord er ontstaat dan bij hen iets gebrekkigs1 dat met gemis aan opsluiting en rigting van met den looppas gaande soldaten vergelijkbaar is1 maar dat bij trageren voortgang dier begrippen van lieverlede moet verminderen1 daar de drang tot geschiktwording van het een voor het ander1 die begrippen evenzoo op gelijke hoogte tracht te stellen en voor elkander passende maakt1 als het bevel tot opsluiting die soldaten bij elkander brengt4 ,ook zijn die begrippen1 even als de organisatie der dieren1 aan de werking van accidentele oorzaken onderhevig en1 terwijl bij de ligchamen der dieren die toevallige bijzonderheden1 zoo als bijv4 de bogchels der kameelen1 door geslachtsvoortplanting van generatie tot generatie overgaan1 geschiedt dit bij de toevallige bijzonderheden dier begrippen1 door het onderwijs der jeugd4 ,hierboven hebben wij reeds gezegd1 hoe bij zeker geheel van godsdienstige begrippen de onderscheidene deelen1 even als bij de organisatie dier diersoorten1 op ongelijke hoogte kunnen staan1 doch ook kunnen deelen der organisatie van diersoorten1 zonder hooger of lager dan de rest te staan1 buitengemeen ontwikkeld1 vervormd of gereduceerd zijn4 ,somtijds maakt zoo iets zulke diersoorten geschikter voor hunne levensomstandigheden1 doch somtijds is het deels eene toevallige en aldus door den drang tot geschiktwording voor die levensomstandigheden van lieverlede weggenomen wordende wanstaltigheid4 ,evenzoo bij de godsdienstige begrippen4 ,zoo vindt men bijv4 bij die van het oude ,israel het bestaan van een volksgod zeer sterk en dat der zielsonsterfelijkheid zeer zwak uitgedrukt4 ,in zekere mate kan dit geschikt zijn geweest voor een volk1 waarbij het individu zoo sterk in het volksbestaan opging als bij de oude ,israelieten1 doch deels was het ook eene door het toeval ontstane wanstaltigheid1 die1 wel is waar1 door het geloof aan eene regtvaardige vergelding der daden en geschikte rolsverdeeling gedurende dit aardsche leven1 wel min of meer bedekt bleef1 doch bij de latere ,israelieten desniettemin van lieverlede verminderd werd4 ,evenzoo kan men zeggen dat het fatalisme wel min of meer eigenaardig is bij een volk van een passief en het begrip van een volstrekte wilsvrijheid bij dat van een actief karakter1 doch beide stellingen zijn niettemin accidentele afwijkingen van het juiste4 ,de stelling1 dat1 wat men ook denkt of doet1 eene zaak zal uitvallen zoo als dit vastgesteld is1 leidt tot moedeloosheid1 die1 dat men eene zaak goed of slecht kan doen uitvallen1 naarmate men zus of zoo verkiest te denken1 tot overmoed4 #cc ,de aanhangers der absolute wilsvrijheid stellen eigenlijk dat de loop der verschijnselen oneindig zamengesteld is1 zoodat zij met geene mogelijkheid te ontwarren en te voorzien is2 de fatalisten daarentegen1 dat de loop dier verschijnselen eenvoudiger is dan in waarheid4 ,zij maken van de menschen alsware inerte blokken wier aaneenschakeling van denkbeelden van geen invloed is op hetgeen bij hun ligchaam door anderen waargenomen wordt plaats te hebben4 ,evenals de dieren zoo handelen1 dat zij van de gebreken hunner organisatie zoo min mogelijk hinder hebben1 zoo verzaken de aanhangers van dergelijke eenzijdige begrippen deze grootendeels in het practische leven4 ,dit is zelfs het geval bij hetgeen wel eens door de godsdienst als maatschappelijken plicht voorgesteld is4 ,de christenleeraars vermanen bijv4 niet hunne gemeenteleden aan om zich te laten vertrappen1 of om te zorgen dat ieder hunner even rijk blijft4 ,voor de toeneming der ontwikkeling van het menschdom is het toch noodig1 dat men tracht door arbeid in vermogen toe te nemen en dat men voor zelfverdediging zorg draagt4 ,er bestaan dan trouwens ook maar weinig christenen welke dit niet aldus opvatten en de slagtoffers worden van de naauwgezette opvatting hunner godsdienstleer4 ,de anatomisten hebben bevonden dat de hoofddeelen der ligchamen der dieren volgens een grondtype1 bij de hoofddeelen van al de andere diersoorten terug gevonden wordende1 gevormd zijn4 ,in dergelijke gevallen verkeeren bijv4 het hoofd1 het hart1 het zenuwstelsel1 de ledematen enz4 ,naarmate de organisatie der diersoorten lager is1 bevinden die deelen zich in een meer rudimentairen toestand en buitendien verschillen die volgens denzelfden grondtype gevormde deelen ook als derzelver organisatie ongeveer even hoog is1 zooals bijv4 de voorpooten van honden en de vleugels van vleermuizen4 ,iets hiermede overeenkomende ontwaart men bij de verschillende godsdienstbegrippen der volken4 ,bij elk dezer kunnen toch die begrippen in drie deelen verdeeld worden1 namelijk3 #a4 die over ,god met of zonder ondergoden en hooger dan den mensch zijnde wezens1 #b4 die over de zielsonsterfelijkheid1 #c4 die over het werelddoel4 ,elk dezer deelen vindt men bij de godsdienstbegrippen van alle volken in meer rudimentairen toestand1 naarmate die begrippen bij eene lagere geestontwikkeling passen en buitendien met elkander verschillende1 wanneer zij1 over het geheel genomen1 op gelijke hoogte staan4 ,zoo staat bijv4 het christelijke godsbegrip hooger dan dat der ,israelieten van voor #cjjj jaren1 doch of het hooger staat dan het werkelijke der thans bestaande ,israelieten is de vraag4 ,in sommige opzigten misschien wel1 doch in andere opzigten zal welligt het ,israelitiesche godsbegrip1 wegens deszelfs strenger monothestisch karakter en het stellen dat ,god niet onder menschelijke gedaante kan afgebeeld worden1 het in verhevenheid winnen4 ,in zooverre zij door het karakter1 den graad van beschaving en den aard der woonplaats der volkeren bepaald worden1 zullen zulke verschillen bij die godsdienst begrippen door eene constante oorzaak in stand gehouden worden1 doch voor de rest zijn zij accidenteel en zullen zij1 door de op blz4 #bj gemelde constante oorzaak van geschiktwording van lieverlede weggenomen worden4 ,naarmate de geestontwikkeling der menschen grooter is1 worden die godsdienstbegrippen gemiddeld niet slechts meer verheven1 maar moeten zij1 naar ons inzien1 ook meer bevatten van hetgeen op buitenzinnelijk gebied werkelijk bestaat1 zonder evenwel1 wegens de beperking welke de aard hunner woonplaats aan de vergrooting der geestontwikkeling der aardsche menschen stelt1 die waarheid op dit gebied ooit geheel en zuiver te kunnen bevatten4 ,zelfs bij de minst ontwikkelde menschen overtreft de bewuste aanschouwing der dingen ver die der dieren4 ,zij zien niet slechts dat de lucht schijnbaar een gewelf vormt1 dat zon en maan daarop groote lichtende plekken en de sterren kleinere plekken vormen1 dat het licht van de zon komt1 dat de aardbodem1 bergen en dalen niet in achtgenomen1 plat voorkomt1 dat zon en maan het uitspansel doorloopen van horizon tot horizon1 maar zien dit met bewustheid1 dat is zij merken het op en prenten het in hun geest4 ,hoe is het nu mogelijk dat zulke door hunne zintuigen bedrogen menschen niet stellen dat de aarde plat is1 dat zon en maan bewegen1 dat de sterren zijn lichtende punten1 vastgehecht aan het uitspansel enz48 ,kunnen zij reeds dadelijk opmerken1 dat de voorwerpen bij den horizon duiken1 dat1 naarmate voorwerpen hooger gelegen zijn1 zij1 wanneer men zich verplaatst1 meer mede gaan1 zoodat de hemelligchamen1 dit in de hoogste mate doende1 uiterst ver moeten liggen1 neen zoo naauwkeurig kunnen zij eerst later opmerken4 ,kunnen zulke menschen denken1 wij zijn onbekwaam om door opmerking en redenering over den aard der hemelligchamen iets vast te stellen1 wij schorten ons oordeel op8 ,neen zoo iets kan slechts gedaan worden1 wanneer de ondervinding aangetoond heeft1 dat vroeger gedane waarnemingen en daarop gebouwde begrippen onjuist zijn4 ,de naauwkeurigheid der opmerkingen en die der daarop gebouwde redeneringen en stellingen staat tot bewuste aanschouwing der dingen in dezelfde verhouding als de organisatie der diersoorten tot de omstandigheden waarin deze verkeeren4 ,hoe sneller deze verhoogd zijn1 hoe meer zie blz4 #ca die organisatie te wenschen zal overlaten en eveneens1 hoe sneller de bewuste aanschouwing der dingen zich uitbreidt1 hoe meer dwaling der menschen begrippen zullen bevatten4 ,de veranderlijkheid is aldus1 wegens de werking der traagheid1 bij gebrek aan tijd1 evenzeer de moeder der dwaling als die der betrekkelijke onvolmaaktheid4 ,zoo aldus de bewuste aanschouwing van menschen bijna steeds op eene zelfde zeer beperkte hoogte bleef1 zou eindelijk dit effect der traagheid bijna vernietigd moeten worden en de menschen bijv4 wel van den aard en den loop der hemelligchamen zeer weinig afweten1 maar daaromtrent bijna geene dwalingen aankleven4 ,hunne dan door geene noemenswaardige overmaat van bewuste aanschouwing alsware omhoog getrokken en alzoo bijna niet meer toenemende sterrekundige kennis zou tot die onzer hedendaagsche astronomen bijv4 staan als de organisatie van een laagstaand1 maar vroeger zeer traag in ontwikkeling gestegen dier1 bijv4 een oester1 tot die van een veel hooger staand1 maar sneller in ontwikkeling toegenomen dier1 bijv4 een paard4 ,even als nu1 wegens die snellere ontwikkeling1 de organisatie van dit dier betrekkelijk onvolmaakter is dan die van den oester1 zoo zou de astronomische kennis van bovengemelde bijna niet in geestontwikkeling stijgende menschen minder dwaling dan die der hedendaagsche sterrekundigen moeten bevatten #cd4 ,dit zal daarentegen het geval niet zijn met de kinderlijke astronomische begrippen der werkelijk bestaande of bestaan hebbende zeer onbeschaafde volken1 omdat de bewuste aanschouwing der dingen bij hen niet in elk geval trager toeneemt dan bij de beschaafde volken4 ,in het naauwste verband met de bewuste aanschouwing staat de verbeelding4 ,deze rigt in der menschengeest gebouwen op1 en het verstand komt later deze verbeteren1 wijzigen en zelfs gedeeltelijk afbreken #ce4 ,hoe grooter de verbeeldingskracht eener natie is1 hoe sterker derzelver bewuste aanschouwing der dingen in uitgebreidheid zal toenemen1 hoe meer dwalingen zulk eene natie zal aanhangen1 maar ook hoe sneller die toename der bewuste aanschouwing de wetenschappelijke kennis zal verhoogen #cf4 ,gebrek aan verbeeldingskracht is bijv4 de oorzaak dat de wetenschappelijke kennis der ,chinezen zoo langzaam stijgt en tevens dat deze zoo arm aan mythen en zoo weinig bijgeloovig zijn4 ,omgekeerd zal gebrek aan oordeel en kritiserend verstand maken1 dat de wetenschappelijke kennis moeijelijker voortgaat1 en dit de toename in uitgebreidheid der bewuste aanschouwing vertragen4 ,waar dit nu het geval is1 zal de vooruitgang1 zoo in bewuste aanschouwing als in kennis1 even als in het vorige geval1 traag zijn1 maar1 in plaats dat de laatste weinig bij de eerste ten achteren zal zijn1 zoo als in het eerste geval1 zal zij zulks veel zijn4 ,zulke volken paren een bijna stationnairen intellectuelen toestand aan rijkdom van mythen2 terwijl daarentegen volken van scherp verstand en tevens van veel verbeeldingskracht1 7zooals bijv4 de oude ,grieken7 snel voorwaarts gaan in kennis en tevens rijk aan mythen zijn4 ,was de bewering der ,athesten1 dat alle begrippen omtrent de zielsonsterfelijkheid1 het werelddoel en den oneindigen onveranderlijken geest1 buiten der menschen en dieren geesten bestaande1 geheel het werk der verbeelding en valsch waren1 juist zoo zou der menschen verstand deze niet gebaat hebben om1 bouwende op de ervaring op zielkundig en ander gebied1 het werk hunner verbeelding te achtervolgen en alsware te verbeteren4 ,de middelste der drie bovengemelde gevallen zou alsdan in zeer geprononceerde mate bestaan en aldus die begrippen als werk der verbeelding slechts een lagen trap van ontwikkeling hebben kunnen bereiken1 even als bijv4 de organisatie van dieren1 zoo deze zich hoegenaamd niet naar hoogere levensomstandigheden kunnen schikken4 ,welk een verschil neemt men daarentegen waar tusschen de godsdienstige begrippen der fetischdienaars en der menschen van het steenen tijdperk en die van sommige wijsgeeren en in den jongsten tijd ook van vrijzinnige godsdienstleeraars4 ,uit het voorgaande volgt1 dat1 naarmate de godsdienstige begrippen in verhevenheid klimmen1 zij niet altijd minder dwaling zullen bevatten4 ,wanneer de bewuste aanschouwing het sterkste toeneemt1 zullen die dwalingen gemiddeld op een maximum zijn1 en1 zoowel in het verledene als in de toekomst1 verminderen1 even als bijv4 bij zeer kleine kinderen het vallen voor en na zekeren leeftijd zulks doet1 en wij vermeenen dat de protestanten dit keerpunt reeds achter zich hebben4 ,bleef de geestontwikkeling van een volk steeds op dezelfde hoogte en bestonden er 7zie blz4 #fh7 geene storende en verandering aanbrengende accidentele oorzaken1 zoo zouden eindelijk zijne godsdienstige begrippen1 door de volledige achterhaling van het werk der verbeelding door dat van het kritiserende verstand1 niet alleen van 7zie blz4 #ajd7 door het toeval1 maar ook van door constante oorzaken1 zooals zinnelijkheid1 bekrompenheid enz4 ontstaande dwalingen gezuiverd worden4 ,in plaats van met dwalingen vermengde en op eene gebrekkige wijze uitgewerkte waarheden te bevatten1 zouden zij slechts uit zuivere waarheden bestaan1 maar deze1 even als1 zie blz4 #aae1 de astronomische begrippen van zulk een volk zeer rudimentair kunnen zijn #cg4 ,bij het voorgaande moeten bij de dwalingen1 door de verbeelding bij bewuste aanschouwing der dingen voortgebragt1 gevoegd worden1 die geboren door onzuivere redeneringen1 waarmede men meent den aard der dingen op eene wetenschappelijke wijze te verklaren4 ,vandaar dat het maximum der dwalingen1 dan niet alleen1 uit wat men mythen kan noemen1 bestaande1 eigenlijk eenigzins later zal bestaan dan tijdens dat de bewuste aanschouwing op het sterkste toeneemt1 en dat eindelijk ook de uitbreiding van het veld van bespiegeling minder nieuwe dwalingen ten gevolge zal hebben1 dan er oude door de kritiek weggenomen worden #ch4 ,onder die dwalingen1 door constante oorzaken bij de godsdienstbegrippen teweeggebragt1 behoort de speciale en directe goddelijke veropenbaring4 ,deze dwaling zal in kracht afnemen1 naarmate de voorstellingen van den aard en de werking van het ,opperwezen minder gebrekkig worden4 ,integendeel doet de met de beschaving toenemende behoefte aan godsdienst haar in kracht toenemen4 ,beneden zeker standpunt van ontwikkeling der godsdienstbegrippen schijnt het laatste en na dien het eerste de overhand te hebben4 ,hunne bewuste aanschouwing van hetgeen in de natuur voorvalt buiten de ten gevolge hunner eigen denking ontstaande handelingen en arbeid1 moest de op lagen trap van geestontwikkeling staande menschen leiden om zulke voorvallen1 even als hunne eigen handelingen1 te stellen1 het gevolg te zijn van denking1 maar van denking van magtige1 onsterfelijke ofschoon menschelijke denkvormen bezittende wezens zie blz4 #d4 ,dat die ,goden der wilden ons zoo weinig zedelijk voorkomen spruit hieruit voort1 dat bij volken1 waarbij den maatschappelijken band zeer zwak is1 wat wij onregt1 willekeur en wreedheid noemen1 veel minder schaadt dan bij ons4 ,de vergrooting der geestontwikkeling der individuen kan bij wilden slechts door lagere soorten van strijd geschieden en het is klaar dat zulke wilden niet hunne goden kunnen modelleren naar de behoeften van maatschappelijke toestanden ver boven de hunne verheven4 ,tot het begrip van een eenigen ,god kunnen door eigen ontwikkeling wilden zich niet verheffen1 deels omdat zij de verschillende natuurverschijnsels niet genoegzaam met elkander in verband weten te brengen1 om zich een eenigen regelaar er van te denken1 deels omdat zij geen eenige wijze van denking slechts ,gode waardig weten te keuren4 ,zoodra dit laatste plaats heeft vervalt het polijtheisme1 omdat het ongerijmd is om zich verscheidene wezens alle precies op dezelfde wijze denkende en handelende en aldus als volmaakt identiek voor te stellen4 ,wegens die losheid der maatschappelijke banden en de slechts vijandelijke gevoelens welke wilden van verschillende stammen voor elkander koesteren1 kunnen menschenoffers niet als voor hen schandelijke en zeer schadelijke gebruiken gerekend worden4 ,evenals toch de zijne jongen zorgvuldig opvoedende arend1 andere dieren die hij magtig kan worden1 rooft en moordt1 zonder zijne zedelijke verpligtingen te kort te doen1 evenzoo kan de wilde deze vrij wel vervullen1 terwijl hij steeds vijandig optreedt tegen andere stammen en zelfs tegen andere huisgezinnen4 ,op hoogeren trap van beschaving en aldus van gevoel en deelneming voor de menschen in het algemeen staan bijv4 gewis de protestantsche ,kaapsche boeren en niettemin achten deze zich jegens de ,kaffers aan bijna niets gebonden en ontzeggen zij zelfs deze den naam van mensch4 ,ofschoon nu de wilde1 wegens de bovengemelde rede1 andere waarden dan wij aan de zedelijke daden toekent1 wenscht hij echter eene vergelding dier daden bepaald door de hem er aan toegekende waarde1 dat is hij wenscht dat er billijkheid heersche4 ,de menschen komen hem daartoe onvermogend voor1 de goden moeten te hulp komen en wel1 wegens zijne beperkt inzigt in den tijd1 binnen korten tijd1 of wel zij laten het onregt met het oog op een voor de menschen verborgen doel1 toe4 ,in tweederlei opzigten werkt aldus zijn godsbegrip gunstig voor hem1 primo als drijfveer tot het goede1 zooals hij dit1 met het oog op de eischen van zijn lagen maatschappelijke toestand1 opvat1 en secundo als een drang tot het hoogere1 omdat hij zich zijne goden1 ofschoon1 wegens zijne beperkte opvatting1 naar zijn model geschoeid1 als hooger geestelijk ontwikkelde wezens voorstelt4 ,in zulk een godsbegrip bestaat er1 naar ons inzien1 een grond van waarheid4 ,de billijkheid heerscht1 maar niet gedurende een beperkt1 maar slechts gedurende grootst eindig aantal jaren1 7zie ons werk get3 ,over de werking der ,natuurwetten op zedelijk gebied enz4 blz4 #aca47 ,hij die het goede betracht verheft zijne zedelijke ontwikkeling en maakt zich geschikter voor hoogere levens toestanden1 terwijl hij1 die zich aan het kwaad overgeeft1 naar lagere toestanden neigt4 ,het onregt bestaat1 deels wegens de betrekkelijke snelle verhooging der eischen van den maatschappelijken toestand1 deels wegens de werking van accidentele oorzaken en beide oorzaken strekken1 zie blz4 #fg1 ter verheffing van de geestelijke ontwikkeling der menschen1 ofschoon1 zooals op blz4 #fh gezegd is1 slechts1 in zooverre zulke onregt teweegbrengende accidentele omstandigheden vereenigt met andere accidentele omstandigheden beschouwd worden1 zij voor zulk een doel als die geestelijke verheffing kunnen geacht worden bestemd te zijn4 ,desniettemin is hij1 die de werking der ,natuurwetten op geestelijk gebied niet nagegaan heeft1 geregtigd om te zeggen1 dat het bestaan van het onregt zamenhangt met een voor hem verborgen doel4 ,dat het opzien naar en het zich wenden tot een hooger wezen geestopheffende is1 zal wel niet ontkend worden1 maar bekrompen zijn de begrippen1 dat zulk een wezen qualitatief niet van wijze menschen verschilt1 dezelfde denkvormen als deze bezit1 dat zijne werking op de menschen gelijkt op die van deze op elkander en dat men zich met hem in gemeenschap kan stellen zoo als de menschen dit onderling doen4 ,naar ons inzien is de gemeenschap van ons menschen met het oneindige oerwezen wel in het duister verborgen1 maar veropenbaart zij zich echter hierdoor1 dat de beschouwing van de stoffelijke en geestelijke wereld onzen in het bezit van zekeren aanleg zijnde geest vraagstukken ter oplossing voorstelt en ons aldus alsware vragender wijze doet leeren en ten gevolge hiervan in geestontwikkeling doet toenemen4 ,geheel de beschaving en wetenschap van ons geslacht en de toeneming in geestontwikkeling der menschen gedurende hun leven is hiervan het gevolg4 ,op blz4 #ef hebben wij aangetoond1 dat de verhooging der geestelijke ontwikkeling der wezens door geestinspannenden strijd geschiedt4 ,nu zijn hulp en bescherming zaken voorkomende bij strijd met collectieve handeling met onderlinge zamenwerking der menschen gepaard gaande en waarvan dus slechts tusschen de medestrijders onderling sprake kan zijn4 ,ja zelfs bij de aldus strijdende maatschappij1 wordt1 in het belang der toeneming van hare geestelijke ontwikkeling1 bescherming en hulpbetoon beperkt4 ,dit zoeken van hulp en bescherming bij volksgoden1 bij sommige der goden en1 bij hoogeren trap van beschaving1 bij het eenige ,opperwezen is een gevolg van het op blz4 #aag gemelde vooruitloopen der werking der verbeelding4 ,hoe sterker de maatschappelijke banden worden1 hoe sterker bij den mensch het denkbeeld van hulpbetoon1 wordt1 doch hij blijft ten achteren om1 door middel van beredeneerde beschouwing en doorgronding der dingen1 te bepalen bij wie hij hulp bij arbeid en strijd mag ondervinden om haar vruchtbaar voor zijne geestelijke ontwikkeling te doen zijn zie blz4 #ee #ci4 ,tot een noemenswaardig begrip der onsterfelijkheid der ziel is de mensch eerst op een hoogeren trap van geestelijke ontwikkeling en aldus later gekomen dan tot een godsbegrip4 ,eerstgemeld begrip is toch niet in zulk direct verband met zijn heden als dit laatste en de onbeschaafde mensch houdt zich zeer weinig met de toekomst op4 ,buitendien was het gemakkelijker om zon1 maan enz4 bezield te achten1 dan te stellen dat van den mensch iets anders dan een bewegingloos lijk kan overschieten4 ,bij de wilden1 die wijsheid bij verzwakte en oude en daarentegen minder geestontwikkeling bij krachtige ligchamen bezittende menschen vermeenen te vinden1 onder anderen bij onze voorouders de ,germanen1 verkregen de dapperste en krijgshaftigste1 dat is in zeker opzigt de 7zie blz4 #fe7 meest geestelijk ontwikkelde onder hen eene eereplaats in den ,walhalla4 ,reeds dit rudimentaire begrip der onsterfelijkheid der ziel is een bewijs hoe vroeg de mensch tot het bewustzijn komt1 dat wij in dit aardsche leven wel in zekeren zin ons ligchaam verslijten1 zoodat dit na volbragte taak geene reden van bestaan meer heeft1 maar dat wij in geestelijk opzigt1 door werken1 strijden en leeren1 iets voor ons eigen ik bekomen1 zoodat dit niet behouden blijvende1 dit leven grootendeels zijn doel zou missen4 ,de onbeschaafde mensch is echter te beperkt van opvatting om zich een leven hier namaals voor te stellen1 waarin men niet ligchamen bezit op de aardsche gelijkende en met dezelfde zintuigen als deze begiftigd1 waarin niet perpetueel de menschelijke denkvormen en de menschelijke geestelijke natuur1 al zij het in verhevener vorm1 behouden blijven en dat elders dan boven de wolken1 of in de diepte der aarde gesleten wordt4 ,trouwens het bestaan van een onnoemelijk aantal werelden buiten onze aarde1 waarvan de meeste tot woonplaatsen kunnen dienen van ver boven ons verheven wezens1 is betrekkelijk kort geleden ontdekt en de meest gevorderde godsdiensten hebben zich nog niet op de hoogte der astronomie kunnen stellen4 ,evenmin hebben zij zich kunnen verheffen tot het bij sommige wijsgeeren wortelgeschoten hebbende begrip van eene reeks van toekomstige levens1 waarin de gewonnen schat 7namelijk de geestontwikkeling7 niet alleen voor roesten bewaard of behouden1 maar ook door arbeid en strijd vergroot moet worden2 van eene reeks van levens1 waarin van lieverlede de denkvormen van het wezen veranderen en meer gelijkslachtig met die van het oerwezen worden1 totdat na een grootst eindigen tijd en grootst eindige vergrooting der geestontwikkeling1 er eene volmaakte oplossing in dit oerwezen plaats grijpt4 ,slechts bij het ,boeddhisme wordt die eindelijke oplossing op eene twijfelachtige en gebrekkige wijze1 7omdat zij plotseling geacht wordt te kunnen geschieden7 aangenomen4 ,bij de godsdienst der ,brachmanen vindt men het zinrijke denkbeeld1 dat hij1 die zijne zedelijke ontwikkeling vermindert1 zich voor lagere levensvormen geschikt maakt en deze deelachtig wordt1 en aldus een verband tusschen menschen en dieren1 alsmede het begrip van preexistentie 7zie later74 ,in sommige opzigten zijn aldus die godsdiensten de christelijke vooruitgestreefd1 evenals dieren1 over het geheel eene lagere organisatie dan andere bezittende1 in sommige opzigten hooger dan deze staan4 ,de mensch hecht aan het leven1 zelfs dan wanneer zijn door ouderdom uitgeput ligchaam zijn naderend einde verkondigt en desniettemin voldoet het leven hem niet1 terwijl noch het een noch het ander zou moeten plaats hebben1 zoo het1 in plaats van eene leerschool1 die men op allerlei leeftijden en door allerlei toevallen kan verlaten1 een goed voltooiden loopbaan1 waarvan al de vruchten achterbleven1 vormde4 ,hoe minder dit laatste1 naar aanleiding van het op blz4 #hc gemelde1 het geval is1 naarmate bij de maatschappij de geestontwikkeling en dus ook de beschaving grooter is1 hoe meer behoefte men dan aan duurzaamheid heeft1 hoe meer men dan om de toekomst denkt en hiervoor leeft1 in hoe scherper tegenstelling dan met die behoefte de broosheid van het leven van het ligchaam wordt en hoe inniger het bewustzijn1 dat met dit ligchaam onze geestelijke ontwikkeling niet kan ten ondergaan1 moet zijn4 ,zoo toch bij hoogere beschaving de kunst meer hulpmiddelen verschaft om het ligchaam te behoeden1 is men dan ook meer verpligt om in den strijd des levens1 in het streven naar hooger1 op de onmetelijke vlakte der zee1 in de ingewanden der aarde1 bij werktuigen1 bij het minste ongeval verwoesting veroorzakende1 het bestaan van dit ligchaam te wagen1 terwijl van den dan gedurende zijn leven meer leerende mensch de grootere geestinspanning zie bl4 #gb en #hd ook vernielender op zijn ligchaam werkt4 ,ook met betrekking tot het werelddoel vormt de onbeschaafde mensch zich bekrompen1 maar kiemen van waarheid bevattende begrippen4 ,zoo bijv4 acht hij dieren en planten voor hem geschapen4 ,dit nu is 7zie bl4 #ah7 niet juist1 maar1 wegens de uitwerking der oorzaak de mensch geschikt trachtende te maken voor de levensomstandigheden waarin hij verkeert1 en de wijzigingen die hij ook1 tengevolge dier oorzaak1 bij sommige dier en plantensoorten heeft teweeggebragt bestaat er wel een zeker verband tusschen zijne behoeften en den aard der dieren en planten4 ,ook het nederdalen van ,goden op deze aarde om het menschdom in moeijelijke omstandigheden te helpen is een bekrompen denkbeeld1 doch dat de waarheid bevat1 dat in zulke omstandigheden er werkelijk redding komt1 maar van de menschheid zelve die1 geprikkeld door het ongeluk1 onder inspanning en vergrooting harer geestontwikkeling de vereischte hulpmiddelen vindt en in toepassing brengt4 ,ook behoort tot de begrippen over het werelddoel die1 dat eene opvolging van generatien elk een leven leidende1 zoo rijk aan ramp en teleurstelling als het menschelijke leven1 niet steeds heeft plaats gehad1 noch immer zal voortduren1 maar gevolgd is op een zeer gelukkigen primitieven toestand en1 na de totale nederlaag van het genie van het kwaad1 eindelijk zal opgevolgd worden door een niet minder gelukkigen eindtoestand4 ,bij dit begrip heeft men dan het oog gehad op een volk1 dat eindelijk de anderen zal overheerschen1 dan op eene godsdienst1 die eindelijk het gansche menschdom onder hare banier zal brengen1 dan op de menschheid1 die eindelijk het godsrijk zal binnentreden #dj4 ,laat ons thans zien in hoeverre die begrippen waarheid bevatten4 ,op bl4 #fd en #fg hebben wij aangegeven dat de veranderlijkheid1 de voorwaarde van allen vooruitgang1 wegens de werking der traagheid1 de bron is van alle kwaad1 dwaling en onvolmaaktheid1 terwijl die zelfde traagheid de voorwaarde is van alle bestendigheid4 ,is er nu in de wereld voor een grootst eindigen tijd eene uiterst kleine verandering ontstaan1 zoo kan eerst toen er op het kwaad in eene noemenswaardige mate ontstaan en aldus het rijk van ,ahriman geboren zijn4 ,zoolang echter die veranderingen zeer luttel waren1 moest dit kwaad zulks ook zijn1 omdat1 even als een zeer traag groeijend kind gemiddeld steeds weinig uit zijne kleederen zal gegroeid zijn1 de trage verandering van het eene1 waarna zich het andere moet schikken1 dit laatste veroorlooft om weinig achterna te komen4 ,toen echter die verandering sneller plaats had moesten onvolmaaktheid en kwaad grooter en aldus ,ahriman magtiger worden1 doch tegelijk1 naar aanleiding van het op bl4 #ac gezegde1 de organische ,natuur in ontwikkeling sneller dan vroeger toenemen4 ,stelt men echter dat1 wanneer deze ontwikkeling eene zeer groote hoogte zal bereikt hebben1 de veranderingen weder trager gaan geschieden1 zoo zal alsdan het kwaad weder afnemen1 om bijna niet meer te bestaan wanneer na een uiterst langen tijd die verandering weder uiterst luttel geworden is4 ,na eene eeuwigheid moet dan ,ormuzd weder alleen heerschen1 doch er dit verschil met den toestand in het eeuwig verleden aanwezig bestaan1 dat toen die ontwikkeling nul en nu oneindig groot is4 ,op deze aarde is echter zoo iets onmogelijk1 wegens de gedurige verandering van in geestontwikkeling toenemende individuen1 zie bl4 #hb4 ,dit systema vindt men bij het ,parsisme op eene wel is waar gebrekkige en kinderlijke wijze ontwikkeld1 doch het doet dit in zoo verre staan boven het christendom1 dat met eeuwige straffen in de hel dreigt1 niettegenstaande de oorzaak1 het eene voor het andere geschikt trachtende te maken1 bij een constanten toestand der hel1 onmogelijk de verdoemden gedurende eene eeuwigheid onvoldaan kan laten4 ,een slecht mensch is iemand sterk ten achteren zijnde betrekkelijk de zedelijke eischen van zijn bestaan1 7zoodat slechtheid niet de tegenstelling van deugdzaamheid in het algemeen1 maar slechts van die met offers gepaard gaande1 is74 ,deze eischen trekken hem opwaarts en1 ofschoon zoo iemand gedrongen wordt naar wijzen van bestaan waarbij die eischen lager zijn1 zoo gaan gemiddeld toch die lagere eischen ook opwaarts4 ,zoo zal b4v4 een verspilziek beschaafd man wel matroos of soldaat kunnen worden1 betrekkingen waarin men met weinig zorg voor de toekomst kan volstaan1 doch ook de matrozen en soldaten moeten1 naarmate de beschaving klimt1 aan hoogere maatschappelijke eischen voldoen4 ,stijgen nu deze eischen zeer weinig1 zoo moet klaarblijkelijk een slecht mensch minder betrekkelijk die eischen ten achteren geraken en aldus betrekkelijk minder slecht worden1 en1 wanneer die eischen gedurende uiterst langen tijd bijna niet vooruitgegaan zijn1 niet meer noemenswaardig slecht zijn4 ,hiertegen zal men aanvoeren dat zijne finale trap van oneindige ontwikkeling dan kleiner moet zijn dan bijv4 die van een steeds braaf mensch1 doch een ieder1 in de hoogere wiskunde ervaren1 weet dat oneindige grootheden zelfs oneindig veel met elkander kunnen verschillen1 en dat eene kromme lijn steeds minder en minder boven de abcissen as kan stijgen en niettemin bij oneindig groote abcissen er oneindig hoog boven verheven kan zijn4 ,naarmate de beschaving stijgt1 hechten de menschen meer aan hunne godsdienstbegrippen1 doch begrijpen zij tevens beter dat die begrippen hen niet direct op goddelijke wijze geopenbaard zijn4 ,heeft nu1 gedurende de toeneming in ontwikkeling dier begrippen1 eerst het eerste en later het tweede de overhand1 zoo zal bij zekere graad van ontwikkeling dier begrippen1 7evenwel nog al veel uiteen loopende1 naarmate van den aard dezer7 het toekennen van goddelijk gezag aan de godsdienstbegrippen op een maximum van sterkte zijn4 ,bij elk volk vindt men individuen1 zoo wegens opvoeding als wegens ouderdom1 op zeer verschillende trappen van geestontwikkeling staande4 ,ofschoon nu hierin de lage klassen en de kinderen bij beschaafde volken op gelijke hoogte als de volwassenen onder de hooge standen bij minder beschaafde volken kunnen gerekend worden te staan1 is dit niet het geval voor elk deel dier geestontwikkeling4 ,bij sommige deelen hiervan zullen die hooge standen bij minder beschaafde volken1 omdat zij de andere standen moeten overheerschen1 hooger dan bij ons de lage standen en bij andere deelen dier geestontwikkeling1 omdat zij het onderrigt van meer beschaafde menschen dan zij missen1 lager dan deze staan4 ,men kan echter niet zeggen dat hierdoor1 zoo bij de hooge standen der minder beschaafde als bij de lage standen der meer beschaafde volken1 het harmonische verband tusschen de deelen hunner geestontwikkeling verbroken is4 ,zij verkeeren toch in verschillende omstandigheden1 even als bijv4 de groote gras en kruidenetende en de kleine vleeschetende zoogdieren1 die insgelijks niet quantitatief maar wel qualitatief met elkander in geestontwikkeling verschillen4 ,zie blz4 #ch4 ,desniettemin moet bijv4 de volksklasse lagere en meer kinderlijke godsdienstige begrippen dan de meer beschaafde klasse bezitten1 zonder dat zij daarom bij gene meer dan bij deze1 met die1 zooals op blz4 #ajd gezegd is1 door het toeval ontstane begrippen vermengd zijn4 ,de geschiedenis leert dan ook dat bij sommige volken hiervoor welligt 7in tegenoverstelling van bij ons7 zelfs in te sterke mate gezorgd werd1 doch men moet niet hieruit besluiten dat het oningewijd blijven der volksklassen in de mysterin der godsdienst niet voornamelijk tot oorzaak had de onvatbaarheid dier volksklassen om die mysterin te begrijpen4 ,wanneer menschen betrekkelijk anderen in kennis van iets toenemen1 oefenen zij te weinig gezag uit en willen zij anderen te veel van hunne verkregen kennis mededeelen1 en1 wanneer hunne superioriteit vermindert1 heeft het omgekeerde plaats4 ,bij het harmonisch zijn der verschillende takken van het weten1 gelooft men met betrekking tot het godsdienstige aan hetgeen men1 krachtens de ervaring 7die op zielkundig gebied er onder begrijpende7 krachtens op die ervaring gebouwde redeneringen en krachten historische gronden en inspiratie1 zeker vermeent te weten4 ,wanneer echter de harmonie tusschen de verschillends takken van het weten verbroken is1 ontdekt men bij het licht der verst gevorderde wetenschap1 dat de juistheid der minder gevorderde geen onderzoek meer kan verdragen1 en wordt niettemin het geloof aan die juistheid als iets noodzakelijk voor den mensch beschouwd1 zoo wordt er een anderen grondslag dan eene vermeende indirect op ervaring gegronde overtuiging aan gegeven4 ,dit gebrek aan harmonie tusschen de verschillende takken van wetenschap1 wegens derzelver ongelijken vooruitgang zie blz4 #acc1 benadeelt den phylosophischen geest1 leidende om die verschillende wetenschappen in verband met elkander te beschouwen en maakt thans dat velen in hun geest eene scheiding maken tusschen wetenschap en godsdienstig geloof en dezelfde scheiding bij het onderwijs der jeugd verlangen4 ,de primaire verbetering van zulk een vicieusen toestand1 kan slechts geschieden door het achterhalen1 of althans door het meer nabij achtervolgen der meest gevorderde takken van weten door de minder gevorderde1 doch als secundaire verbetering is het welligt het beste1 zoo men teregt het onderwijs der jeugd de wereld en levensbeschouwing niet verbannen wil1 er zeer bescheiden mede te zijn en de zaak zoo te middelen1 dat de gematigden1 namelijk het gros1 wanneer zij die levens en wereldbeschouwing der school niet te veel op den keper beschouwen1 er mede kunnen instemmen4 ,van de uiterste partijen1 namelijk de sterkste1 maar in scheve rigting geavanceerde1 die der materialistische pantheisten en de achterlijkste1 die der stijf orthodoxen1 moeten de godsdienstige overtuigingen dan maar ongeerbiedigd blijven4 ,trouwens zij1 welke tot de uiterste politieke partijen behooren1 moeten bij gemeenschappelijke handeling van een gemengd publiek zich evenzeer gekwetst gevoelen4 ,dit gebrek is 7zie bl4 #gc7 het gevolg der sterkte der toeneming der maatschappelijke ontwikkeling en zal even goed verminderen als deze toeneming geringer wordt1 als dat een troep soldaten bij vertraagden gang beter opgesloten zal raken4 ,zoolang de voorste verwisseld wordende manschappen van den troep sneller loopen dan het gros1 zullen zij meer verspreid en verder van dit gros verwijderd zijn dan de achterste manschappen1 doch het omgekeerde plaats hebben1 wanneer zij naderhand trager dan deze loopen4 ,evenzoo zullen1 zoolang van de beschaafde klasse1 zij die geavanceerde begrippen koesteren1 sneller vooruitgaan dan het gros dier klasse zij slechts1 enkelen zijn betrekkelijk ver van dit gros verwijderd 7zooals bijv4 de wijsgeeren7 doch kunnen zij eenmaal hier op aarde weinig verder voorwaarts gaan1 het gros bij hen komen en de achterblijvende uit enkele verspreide personen bestaan4 ,het voorwaarts gaan bij nevenst4 fig4 van a naar d gerekend wordende te geschieden1 zoo zal de digtheid van groepering bij de gelijktijdig bestaande trappen van vooruitgang in het eerste geval door de ordinaten der kromme abd en in het laatste geval door de ordinaten der kromme acd aangegeven worden4 ,onderdrukking der uiting van denkbeelden1 van die van het gros verschillende1 ter bevordering van eenheid en aldus ter daarstelling van geschiktheid in zekeren zin1 zal 7behoudens de vertraging van den vooruitgang door het onderdrukken van den intellectuelen strijd7 in het eerste geval bij gemiddeld al de individuen van bovengemelde beschaafde klasse tot trageren en in het tweede 7zooals bijv4 bij het opdringen van het christendom aan verschillende heidensche stammen door ,karel den ,grooten7 tot snelleren vooruitgang leiden4 ,het gros kleeft de het meeste prestige bezittende denkbeelden aan4 ,dit prestige van iets is gemiddeld het gevolg van deszelfs voortreffelijkheid met betrekking tot de behoeften der menschen gedurende zeker tijdvak1 doch1 wegens de werking der traagheid1 is het op het grootste wanneer die voortreffelijkheid reeds aan het verminderen is4 ,het belemmert aldus den vooruitgang1 maar bevorderd de geschiktheid1 daar het wel eenigzins verouderde1 maar niettemin nog veel goeds bezittende zaken sterker in de maatschappij doet wortelen en deze als ware1 zie blz4 #gb op een beteren weg trager voorwaarts doet schrijden4 ,even als dwang gaat het prestige den intellectuelen strijd tegen en maakt1 door dien dwang aan zich dienstbaar te doen worden1 dat deze gemiddeld meer de uiting der geavanceerde dan die der verachterde denkbeelden onderdrukt4 ,zelfs in het geval dat 7zie bl4 #hc7 de maatschappij bij de achtervolgende generatien niet meer in beschaving toeneemt1 zal bij de individuen er verschil in opinie bestaan en den hierdoor verwekten intellectuelen strijd den vooruitgang dier individuen gedurende hun leven bevorderen4 ,deze zal daarentegen1 ten bate der geschiktheid1 door geen leed teweeg brengende dwang tegen gegaan worden1 want alle soort van dwang schept evenmin geschiktere levensomstandigheden voor de individuen1 als 7zie bl4 #ef7 alle soort van strijd ten beste van hun vooruitgang strekt4 ,bestaat er eene oorzaak1 waardoor in een staat eene meerderheid en eene minderheid tegenstrijdige belangen hebben1 zoo zal1 wanneer elk hunner toegeeft in omgekeerde reden van derzelver sterkte1 de drang van beide zijden even sterk zijn1 er als ware een evenwigtstoestand ontstaan en de oorzaak1 het een voor het ander geschikt makende1 zoowel de grieven der minderheid als die der meerderheid van lieverlede doen verdwijnen4 ,veranderingen van omstandigheden1 waardoor er nieuwen strijd tusschen de belangen ontstaat en de trage werking dier oorzaak van geschiktmaking zijn hierbij de oorzaken van grieven en tweespalt4 ,de oorzaak1 waardoor gemiddeld de godsdienstbegrippen der volken eenigzins ten achteren zijn betrekkelijk hunne andere wetenschappelijke kennis1 ontstaat doordat het verstand moeijelijk in het gebied van het buitenzinnelijke kan dringen1 en de godsdienstbegrippen voor een grooter deel op buitenzinnelijke zaken betrekking hebben dan bijv4 de begrippen over de scheikunde1 geologie enz4 ,dit is echter het gevolg der toeneming onzer geestelijke ontwikkeling en is vergelijkbaar met de afstanden tusschen de op bl4 #aca gemelde soldaten ontstaande1 zoo sommige hunner op moeijelijker paden dan de andere loopen4 ,hoe harder zulk een troep dan gemiddeld loopt1 hoe verder die soldaten uiteen zullen geraken1 niettegenstaande het bevel tot opsluiting1 dat te vergelijken is met de neiging der verschillende takken van weten om zich op dezelfde hoogte te stellen en aldus voor elkander geschikt te worden4 ,zoo echter de voorste manschappen van lieverlede langzamer gaan loopen1 zullen de achterblijvende hen steeds meer naderen en eindelijk1 wanneer alles stilstaan1 de troep volmaakt opgesloten zijn4 ,evenzoo zou dit met der menschen verschillende takken van weten moeten gaan bij wezens slechts voor eene eindige ontwikkeling vatbaar4 ,hunne meest gevorderde tak van weten zou zich eindelijk niet verder ontwikkelen en de andere van lieverlede zich op eene zelfde lijn er mede stellen1 omdat1 waar de vooruitgang opgehouden is1 de disharmonie eindelijk ook verdwijnen moet4 ,zoo echter het pad voor de achterblijvende manschappen voorbij zekere plaats van den weg wat gemakkelijker wordt1 ofschoon nog steeds moeijelijker blijvende dan voor de voorste manschappen1 zal hunne distantie verminderen en dit eveneens het geval kunnen zijn met der geesten verschillende takken van weten gedurende toekomstige wijze van bestaan4 ,de practische hulpmiddelen der wetenschap zijn bij de eischen van het in ontwikkeling toenemende maatschappelijke leven gemiddeld ten achteren4 ,toen bijv4 ,columbus naar de ,west-,indi toog1 liet zijne kennis van het aardmagnetismus hem in den steek1 de mijnwerkers zouden wel wat meer van den geologischen toestand der aardkorst en de schippers van de meteorologie wenschen te weten4 ,trouwens de vooruitgang van het practische deel der wetenschappen ontstaat gemiddeld ten gevolge der behoefte hieraan en slechts bij uitzondering zullen practische hulpmiddelen der wetenschap te verheven voor de maatschappelijke behoefte zijn1 want het tijdelijk verzuimen van kortelings verkregen hulpmiddelen der wetenschap1 wegens de ongewoonte hieraan1 mag niet als het werkelijk er voor te laag zijn dier behoeften aangemerkt worden4 ,zulke verkregen hulpmiddelen komen overeen met die te laat voor de maatschappelijke behoeften ingevoerde instellingen1 waaraan men zich moet gewennen1 zoodat in een opzigt men hierbij eene zaak reeds vroeger noodig zou gehad hebben en in een ander opzigt nog niet op hare hoogte gekomen is4 ,eigen vooruitgang bij de practische hulpmiddelen der wetenschap noopt de eischen van het maatschappelijke leven1 voor zoo verre zij met die hulpmiddelen in verband staan1 hooger te worden4 ,zoo bijv4 heeft de uitvinding van het kompas gemaakt dat men wat eerder verre zeereizen is gaan ondernemen1 en zal bijv4 de vergrooting der vleugels van vogels deze hooger doen vliegen4 ,dit maakt echter slechts dat hetgeen men1 om aan de eischen van iets te voldoen noodig heeft1 hierbij minder ten achteren blijft1 terwijl beide evensnel en wat sneller1 dan bij het gemis van den eigen vooruitgang1 van het eerstgemelde1 voorwaarts gaan4 ,dit bijv4 voorstellende door eene schuit1 zoo zal die eigen voortgang vergelijkbaar zijn met roeijen1 waardoor die schuit1 bij wat snelleren gang dan anders1 minder ver achter het jaagpaard zal liggen1 zoo het hiermede verbonden is door eene elastieke treklijn4 ,dit jaagpaard komt dan in de plaats van dit iets aan wiens eischen behoort voldaan te worden en de zamentrekkende werking bij de elastieke treklijn met den drang tot geschiktwording van het een voor het ander4 ,in dezelfde verhouding als zulke hulpmiddelen1 betrekkelijk de eischen van het een of ander bedrijf1 staan de godsdiensten betrekkelijk de eischen van het geestelijke leven van den mensch4 ,deze vorderen verklaringen betreffende het werelddoel1 de bestemming van den mensch en het ,opperwezen1 verklaringen bij elke hoogte dier eischen met betrekking tot deze in geene voldoende mate te geven4 ,nu kan het wel zijn dat1 evenmin als een schipper inziet1 dat bijv4 de bemesting der akkers niet aan de eischen van den landbouw voldoet1 menschen van geringe geestontwikkeling met betrekking tot de maatschappij waarin zij verkeeren1 dit onvoldoende der godsdienstbegrippen dier maatschappij niet bemerken4 ,dit echter bewijst slechts dat zij een oppervlakkigen blik in het leven slaan1 of wel met sterke veroordeelen behebt zijn1 en van hen is dan ook geene bevordering van den vooruitgang dier begrippen te verwachten4 ,zoo eenmaal de eischen der beschaving niet meer toenemen moeten de hulpmiddelen der wetenschap op de hoogte der behoefte er aan komen1 doch ook dan zullen zij er slechts gebrekkig aan voldoen4 ,veel komt het toch aan op de aanwending dier hulpmiddelen1 en deze zal door de1 wegens hun kortstondig en veranderlijk leven1 slechts gebrekkig iets leerende menschen nimmer volmaakt goed geschieden4 ,welke hulpmiddelen men bijv4 verzint om schipbreuken bij de zeevaart te beletten1 de niet volkomene ervarenheid der bemanningen zal maken1 dat er steeds op zee ongelukken zullen plaats hebben4 ,de groote verschillen bij en den accidentelen aard der omstandigheden1 waarin er behoefte aan het aanwenden van zulke hulpmiddelen bestaat1 verhindert ook het steeds voldoen hiervan4 ,dit gaat ook door voor menschen1 zoodat1 om deze in zekeren werkkring beter te doen voldoen1 men hen in zoo min mogelijk varirende omstandigheden moet plaatsen1 iets dat bijv4 gedaan wordt bij de verdeeling van den arbeid4 ,ten bate der geschiktheid wordt door die verdeeling den vooruitgang der individuen geschaad1 want hoe nadeelig hiervoor is het veroordeelen van menschen tot steeds denzelfden arbeid is gemakkelijk na te gaan4 ,hoe hooger de graad van beschaving is1 hoe meer1 naar aanleiding van het op bl4 #hc gemelde1 het individu in kennis in den algemeensten zin en dus ook in die van ambachten ten achteren zal staan betrekkelijk de gansche ,maatschappij en zulk een toenemende euvel zal slechts door versterking der werkverdeeling kunnen getemperd worden4 ,die verdeeling van den arbeid is1 naarmate de staten grooter werden1 ook bij de legers en regeringen meer ingevoerd4 ,zij baart verschil in rangen1 autoriteit en discipline en strekt ter verhooging der maatschappelijke beschaving1 voor zooverre deze door de zamenwerking der individuen bevorderd wordt1 doch belemmert daarentegen die verhooging1 voor zooverre deze de vrucht der vrije en veelzijdige werking der individuen is4 ,vandaar dat bij toeneming der beschaving wel de willekeur vermindert1 maar1 noch de vrijheid1 noch de gelijkheid der individuen grooter worden4 ,leeren veronderstelt iets nieuws doen op eene gebrekkige wijze1 terwijl men op de beste wijze iets zal doen en aldus op het meeste practisch nuttig zijn1 wanneer men iets1 waarmede men bekend is1 verrigt4 ,vandaar dat de menschen het meeste practisch nuttig zouden zijn1 zoo zij steeds op deze aarde voortleefden en niet door leeren in geestontwikkeling toenamen1 zoodat zij zonder vermoeijende inspanning werkzaam en1 voor de eischen van hun bestaan en de omstandigheden waarin zij verkeerden1 volmaakt geschikt waren4 ,op bl4 #acd hebben wij gezegd1 dat der menschen kennis niet op de hoogte is der behoeften der maatschappij en toch zullen de menschen meer kennis moeten trachten te bekomen dan die1 waarvan zij in de praktijk voordeel kunnen trekken4 ,dit nu is het geval1 omdat de wetenschap1 zoo lang zij in ontwikkeling toeneemt1 bij elken graad hiervan slechts gedeeltelijk voor practische toepassing vatbaar is1 en alzoo hiertusschen en de ontwikkeling der wetenschap dezelfde verhouding en wederkeerige neiging tot gelijkwording bestaat als op bl4 #fd voor den geest en het ligchaam is aangegeven4 ,evenzoo is het gelegen met de intellectuele ontwikkeling der menschen in het algemeen1 benevens met hunne zedelijke ontwikkeling4 ,bij het gebruik dat zij hiervan in de praktijk maken1 vervullen zij slechts gebrekkig de eischen van het maatschappelijke leven1 en desniettemin kunnen zij1 noch hunne intellectuele1 noch hunne zedelijke ontwikkeling hier op aarde geheel ten nutte van anderen als van zich zelf benuttigen4 ,men treft hierbij aldus tegelijk aan gebrek en overvloed1 even als bij de kinderen1 welke niet genoeg weten voor de eischen van het leven als kind en desniettemin met zaken bekend zijn1 waarvan zij als kind nog geen partij kunnen trekken4 ,bleven dezelfde menschen steeds op aarde voortleven1 zoo zouden zij1 door in geestelijke ontwikkeling niet meer toe te nemen1 die ontwikkeling door de practisch nuttige aanwending er van doen inhalen 7iets dat gedurende hun beperkt leven in geestontwikkeling veranderende wezens daarentegen niet kunnen doen7 en de stilstand dier ontwikkeling bij een hoogeren graad er van invallen1 naarmate zij later besloten enkel voor het practisch nuttige te leven4 ,dit zou eveneens het geval zijn bij elke generatie1 zoo deze geen onderwijs van de vorige generatie verkreeg en niet in geestontwikkeling toenam en aldus zoo elk harer van de geboorte af enkel voor het practisch nuttige geleefd had1 er op deze aarde geen hoogere wezens dan infusiediertjes bestaan1 zie blz4 #cj4 ,bij het wel bestaan van zulk een onderwijs1 zou de stelregel1 om zich tot het practisch nuttige te bepalen1 de opvolgende generatien in geestontwikkeling trapsgewijze doen dalen4 ,zoo toch een dezer het onderwijs der volgende enkel tot het practisch nuttige bepaalde1 zou deze in geestontwikkeling en beschaving voor hare voorgangster wat onder doen en hierdoor het veld van het practisch nuttige bij haar wat kleiner dan bij gene zijn4 ,men zal toch toegeven1 dat de grootte van het veld van het practisch nuttige afhangt van den graad van geestontwikkeling en beschaving1 zoodat bijv4 een wilde onze industrile kennis1 onzen eerbied voor wetten en voorschriften even gevoegelijk kan missen als de zonderling ,diogenes een nap om uit te drinken4 ,die volgende generatie zou nu1 door zich1 bij het onderwijs van het op haar volgende geslacht1 tot het voor haar zelf practisch nuttig geoordeelde te willen bepalen1 deze minder leeren dan zij zelf geleerd zou hebben en dit bij elke nieuwe generatie zoo voortgaan4 ,zoo iets is wel is waar in strijd met de geestelijke natuur van den mensch1 doch niet onmogelijk is het dat elke generatie1 bij het onderwijzen der volgende1 zoo weinig buiten de grenzen van het practisch nuttige treedt1 dat elke generatie aan de volgende niet meer leert dan zij geleerd heeft1 iets dat bijv4 thans in ,china het geval is en zamenhangt met den eerbied der ,chinezen voor de voorvaderlijke overleveringen4 ,hoe meer de beschaving bij de opvolgende generatin toeneemt1 hoe meer het onderwijs van elk dezer de grenzen van het practisch nuttige zal overschrijden1 terwijl dit insgelijks het geval moet zijn1 bij het even groot blijven dier beschaving1 naarmate1 deze grooter is1 omdat als dan die individuen van elke generatie1 op zich zelve beschouwd1 gedurende hun leven sneller in geestontwikkeling toenemen4 #da ,de menschen trachten steeds hulpmiddelen uit te vinden om den arbeid te verrigten1 anders met werzin door menschen verrigt moetende worden4 ,daar echter1 naarmate de beschaving stijgt1 elk individu meer arbeid vereischende producten verbruikt1 zoo zullen1 wegens de werking der traagheid1 die hulpmiddelen1 menschelijken arbeid uitsparende1 steeds wat te kort schieten4 ,van den anderen kant zouden onbeschaafden weinig arbeid vereischende producten consumerende volken te veel ledigen tijd hebben1 zoo het mogelijk was1 dat zij over de hulpmiddelen van beschaafde volken ter besparing van menschelijken arbeid konden beschikken4 ,bij de beschaafde standen gebruikt men zelfs somtijds ter beschikking staande hulpmiddelen1 bestemd ter verkrijging van het gewenschte met minder menschelijken arbeid1 niet en geeft men aan in zeker opzigt meer primitieve middelen de voorkeur1 ten einde gemis aan ligchaamsbeweging en aan vaardigheid in den wapenhandel te voorkomen4 ,dit is bijv4 het geval bij het verkrijgen van wild door middel der jagt1 terwijl de fokkerijen met veel minder arbeid evenveel wildbraad kunnen opleveren4 ,onze geperfectionneerde wapens zouden bijv4 ongeschikt en alsware te machinaal voor wilden zijn4 ,naar gelang toch wapens meer primitief zijn1 vereischen zij meer kracht en behendigheid1 aldus eene grootere mate van hetgeen wij op bl4 #ff eene lage soort van geestontwikkeling genoemd hebben om goed behandeld te worden1 waarvoor men slechts het gebruik van een slinger met dat van een revolver te vergelijken heeft4 ,eenvoudige wapens1 ofschoon zie blz4 #acd wat minder primitief dan die welke zij zelf hebben uitgevonden1 zijn aldus geschikter voor wilden1 die veel tijd aan ligchaamsoefeningen en aan den wapenhandel kunnen wijden en bij wie het oorlogen op eene kleine schaal geschiedt1 maar veel tijd mag wegnemen4 ,bleef in het beschaafde deel van ,europa de beschaving van heden af stationnair1 zoo zou men er zoo lang voortgaan met het verbeteren der middelen van communicatie1 als men meenen zou te veel tijd en inspanning voor het reizen te besteden1 maar na dien niet meer4 ,de menschen zullen hunne woonplaatsen zoo verleggen1 dat1 waar bijv4 wegens den aard van het terrein1 die uitbreiding en volmaking der middelen van communicatie1 kosten zouden veroorzaken overtreffende de baten door het meerdere gemak en den meerderen spoed bij het reizen opgeleverd1 zij minder en met minder spoed behoeven te reizen en aldus meer primitieve middelen van communicatie voldoende zijn4 ,van daar1 dat het onraadzame van den aanleg van eenig middel van communicatie1 zoo de directe en indirecte baten niet tegen de kosten opwegen1 slechts een tijdelijk verschijnsel zal zijn1 omdat de menschen aldaar van lieverlede meer zullen gaan wonen en die baten doen stijgen4 ,hierbij moet men echter stellen1 dat er van lieverlede een nadien niet meer veranderenden toestand ontstaat1 want blijft deze veranderlijk1 zoo zal1 zooals wij meermalen gezegd hebben1 het een nimmer steeds voor het ander geschikt kunnen blijven4 ,de meer primitieve middelen van vervoer vereischen meer bedrevenheid bij de reizigers dan de meer geperfectionneerde4 ,zij die bijv4 hun talent in de stuurmanskunst willen toonen1 maken niet van stoom- maar van zeiljagten gebruik4 ,buitendien zijn zij voor de reizigers leerzamer1 meer herinneringen opleverend en minder enkel verplaatsend4 ,weet men aldus van den tijd en van het geld1 die1 bij het gebruik van 7zie blz4 #ig7 meer verheven middelen van vervoer gespaard blijven1 geen gebruik te maken1 zoo verdient eene meer primitieve wijze van reizen de voorkeur4 ,dit een en ander is niet in strijd met hetgeen wij op blz4 #df gezegd hebben1 dat namelijk bij de dieren het bezit van meer geperfectionneerde wapens meer geestontwikkeling bij hen vereischt1 want dit laatste is bij de 7hetgeen de dieren niet doen7 in de maatschappij zamenwerkende menschen evenzeer het geval1 edoch bij de vervaardigers en niet bij de gebruikers dier wapens4 ,het bestaan dezer vordert bij de maatschappij en somtijds ook bij die hen behandelen1 in mindere mate1 zie blz4 #ff lagere1 doch in sterkere mate hoogere soorten van geestontwikkeling 7namelijk zulke welke minder het ligchaam vaardig maken7 dan de meer primitieve wapens4 ,,beschouwingen ,,over ,,eenige ,,onderwerpen ,,op ,,buitenzinnelijk ,,gebied4 ,hoe ontstaat het vermogen der organisatie der dieren1 om1 grootendeels buiten de bijzondere soort van eigen denking der dieren wil genaamd1 geschikt te worden voor de omstandigheden waarin de dieren verkeeren4 ,naar ons inzien1 door het aan de ligchamen dezer annex zijn van moleculaire bewegingen der zelfstandigheid1 geene zintuigelijke indrukken te weeg brengende1 en alzoo niet makende dat die zelfstandigheid zich voor ons als ligchaam veropenbaart4 ,een deel dier geene zintuigelijke indrukken voortbrengende bewegingen vormen een geheel en worden bepaald door en bepalen de eigen denking van het dier1 waartoe ook het zien1 het voelen1 enz4 behoort1 en die aldus evenmin door de hersens 7namelijk zintuigelijke indrukken te weeg brengende ligchamen7 als de in de denking van het dier begrepen gezigtsindrukken1 door de oogen1 plaats heeft4 ,de overige dier geene zintuigelijke indrukken te weeg brengende bewegingen1 worden naar ons inzien bepaald door en bepalen eindige deelen eener oneindig groote eenheid van denking1 behalve de geesten of eenheden van denking van menschen en dieren en hiermede verwante wezens op andere hemelbollen1 in de totale veropenbaring der zelfstandigheid door denking bevat4 ,die eindige deelen dier oneindige denking werken nu1 door dat zij door bewegingen der zelfstandigheid bepaald worden1 mechanisch op de deelen der ligchamen der dieren en zijn wederkeerig aan den invloed hiervan blootgesteld4 ,stel bijv4 dat iemand1 ten gevolge van eenige tot hem gerigte woorden1 gaat zitten1 wat heeft er dan plaats4 #ao ,geluidsgolven planten zich in de lucht voort1 #bo de trommelvliezen van dien persoon geraken in trilling1 #co onbekende moleculaire bewegingen ontstaan in zijne gehoorzenuwen1 #do in zijne denking ontstaat een gehoorindruk1 #eo hij denkt over de woorden na1 #fo in zijne denking ontstaat een wilsindruk1 #go onbekende moleculaire bewegingen ontstaan binnen eenige zijner bewegingszenuwen1 #ho insgelijks onbekende bewegingen ontstaan binnen de met die zenuwen in verband zijnde spieren1 #io beweging der ledematen heeft plaats4 ,bij ,no4 #a1 #b en #c zijn elkander mechanisch bepalende bewegingen aangegeven1 insgelijks bij ,no4 #g1 #h en #i1 terwijl bij ,no4 #d1 #e en #f er elkander bepalende denkingen zijn aangeduid4 ,de keten van elkander bepalende bewegingen kan echter kwalijk na ,no4 #c afgebroken zijn en bij ,no4 #g weder beginnen1 want denking en beweging zijn geheel ongelijkslachtige zaken4 ,er schiet aldus niets anders over dan te stellen1 dat de denkingen1 bij ,no4 #d1 #e en #f aangeduid1 geene zintuigelijke indrukken teweeg brengende bewegingen der zelfstandigheid bepalen4 ,van den anderen kant zou men ook kunnen vragen of1 zoo de ons bekende denking van bewegingen vergezeld moeten gaat1 alle bewegingen welke ook der zelfstandigheid 7ofschoon volstrekt niet in reden van derzelver sterkte7 niet mede bepalen en bepaald worden door denking1 behalve de eenheden van denking der eindige levende wezens eene oneindige eenheid van denking vormende #db4 ,de denking bij ,no4 #d aangeduid1 zou dan door die denking buiten ons bepaald worden en die bij ,no4 #f aangegeven er bepalende op werken1 zoodat de keten der denking evenmin als die der beweging1 afgebroken zou zijn4 ,de fatalisten stellen eigenlijk dat de aaneenschakeling onzer denkbeelden van geen invloed is op die denking buiten ons1 de aanhangers der absolute wilsvrijheid1 dat deze van geen invloed is op de aaneenschakeling onzer denkbeelden1 terwijl daarentegen die invloed wederkeerig is4 ,veranderen de omstandigheden waarin een dier verkeert1 zoo wordt dit er eerst min of meer aan gewoon en verandert aldus zijn toestand1 zonder dat er eene noemenswaardige verandering bij de organisatie van zijn ligchaam bespeurd kan worden4 ,verandering dient er dan evenwel ergens plaats gegrepen te hebben1 en zou deze dan niet kunnen bestaan bij die geene zintuigelijke indrukken te weeg brengende bewegingen1 het eigenlijke leven daarstellende1 en wier er door bepaalde denking1 het ligchaam voor die nieuwe levenstoestanden geschikt zoekt te maken8 ,deze bewegingen werken toch mechanisch op de wel zintuigelijke indrukken voortbrengende moleculaire en andere bewegingen van het ligchaam en kunnen hierbij alsware eene verandering te weeg brengen in gelijken geest als die bij haar zelve tijdens het wennen plaats had1 ofschoon1 wegens de werking der traagheid1 later1 zoodat de wijzigingen der geene zintuigelijke indrukken teweeg brengende bewegingen1 die der organisatie van het ligchaam alsware achter zich voortslepen4 #dc ,zonder de aanhoudende werking der op blz4 #g gemelde oorzaak van geschikthouding1 zouden de ligchamen der dieren onmogelijk aan vele de deugd hunner organisatie verstorende invloeden kunnen wederstaan1 en er bestaat hierdoor eene ondempbare kloof tusschen de levende organismen aan de eene en de anorganische en doode organische stof aan de andere zijde4 ,gene toch zijn actief1 deze passief1 van gene kan men zeggen1 dat zij voor zich zelf beter of slechter zijn ingerigt1 terwijl het ongerijmd is te zeggen1 dat een stuk goud voor deszelfs eigen ik meer of minder deugdzaam is4 ,de denking buiten de eigen denking der menschen en dieren1 de organisatie dezer voor de bestaande omstandigheden geschikt trachtende te maken1 moet niet veronderstelt worden te grijpen naar middelen1 slechts in indirect verband met de gebreken dier organisatie zijnde1 tevens ook niet door redenering het bekende uit het bekende af te leiden1 of tusschen verschillende in te slane wegen eene keus te doen4 ,de dieren komen slechts van het eene tot het andere1 wanneer dit laatste in direct verband met het eerste staat1 en zijn hierdoor veel minder dan de menschen aan dwaling onderhevig4 ,bij deze ontstaat eerst het begrip van het doen van daden1 geschikt bij het verkeeren in zekere omstandigheden en later worden die daden verrigt4 ,bij de dieren gaat dit eerste dit laatste minder vooraf1 zij vormen zich meer al handelende het begrip van hetgeen zij behooren te doen4 ,zij bezitten andere denkvormen dan wij1 en van daar dat de fabeldichters onder den naam van dieren eigenlijk menschen van verschillende karakters doen optreden4 ,overleg en handeling ten gevolge van eigene opmerking1 en aldus rede kan aan de dieren niet ontzegt worden1 zamenwerking met en opoffering voor andere wezens evenmin1 doch wel de bewustheid1 dat hunne daden strekken ter vergrooting hunner geestelijke ontwikkeling1 alsmede abstracte en op het gebied van het buitenzinnelijke treden de denkbeelden4 ,zij missen geheel de bij vele menschen zoo flaauw ontwikkelde godsdienstige wijsbegeerte1 hunne levensbeschouwing is gegrond op de directe ervaring1 op de eischen van het practische nut1 en dweepen en droomen is hen even vreemd als aan middelmatige menschen de dwalingen en exentriciteiten van het genie4 ,evenals de op blz4 #adc gemelde denking1 moet de eigen denking van dieren1 wegens de werking der traagheid1 blijven beneden de eischen van zekere levensomstandigheden1 wanneer zij hieraan niet geheel gewoon is1 en niet aan die eischen zonder vermoeijende inspanning kan voldoen4 ,om bij gelijken aanleg en even hoogen graad van geestontwikkeling tijdens de geboorte1 gedurende het leven sterk in geestontwikkeling toe te nemen1 moet #ao4 van het voorgeslacht veel te leeren vallen1 #bo4 de middelen van gemeenschap met dit voorgeslacht1 namelijk het spraakvermogen enz4 op een hoogen trap staan1 #co4 de levensomstandigheden1 waarvoor men zijne geestontwikkeling geschikt tracht te maken1 insgelijks op een hoogen trap staan1 en #do4 het ligchaam op de vergrooting der geestontwikkeling slechts eene kleine directe tegenhoudende werking uitoefenen4 ,met betrekking tot het eerste en derde zijn wij ,nederlanders bevoordeeld boven onze voorouders de ,batavieren enz4 en deze waren1 met betrekking tot al die zaken bevoordeeld boven hunne op de boomen klauterende en1 bij hoogeren aanleg1 de geestontwikkeling der hedendaagsche apen bezittende voorouders en deze op hunne beurt boven hunne millioenen jaren vroeger in zee levende en de geestontwikkeling der hedendaagsche visschen bezittende voorzaten1 zie blz4 #ca4 ,wel kan men door zijn vrijen wil1 of anders gezegd door daden het gevolg zijnde van uit elkander voortvloeijende en elkander bepalende redeningen1 de omstandigheden1 op wier hoogte men zich tracht te stellen1 eenigzins hooger of lager stellen1 en dit ook door het toeval plaats hebben1 doch hiervoor bestaan er grenzen1 en1 evenmin als ,napoleon ,i in gewone tijden keizer had kunnen worden1 kan een wezen zelfs van grooten aanleg1 met een laag bewerktuigd ligchaam voorzien1 en beroofd van de middelen om uitgebreide waarnemingen te doen en om met andere wezens denkbeelden te wisselen1 gedurende zijn leven belangrijk in geestontwikkeling klimmen4 ,op bladz4 #adc hebben wij aangegeven1 hoe op onze denking eigenlijk niet eene wel of geen zintuigelijke indrukken te weeg brengende moleculaire beweging bij ons ligchaam en de daarbuiten gelegen voorwerpen1 maar eene hierdoor gedeeltelijk bepaalde denking 7buiten de onze en die van andere eindige wezens bestaande7 van invloed kan zijn4 ,om meer bij het gewone spraakgebruik te blijven1 gewagende van den invloed door ons ligchaam op onzen geest uitgeoefend1 zoo herinneren wij dat1 naar aanleiding van het op blz4 #ia gemelde1 die invloed op eene directe wijze onzen geest tracht te verlagen4 ,op eene indirecte wijze tracht hij echter1 door ons te veroorloven waarnemingen te doen en met de buitenwereld en andere wezens in contact te treden en onder zekere inspanning denkbeelden in werkdadigen toestand te bezitten1 hem te verhoogen4 ,sprekende1 om bij het gewone spraakgebruik te blijven1 van wederkeerige werking tusschen ligchaam en geest1 zoo is het klaar1 dat elke verandering bij onze denking gepaard zal moeten gaan met zekere verandering bij de verschillende ligchaamsdeelen en omgekeerd4 ,zijn nu die veranderingen bij een dier deelen merkbaar1 en worden zij door andere invloeden niet zoodanig gestoord1 dat zij onherkenbaar worden1 zoo moet elke toestand van den geest overeenkomen met zekeren toestand van zulk een ligchaamsdeel1 en zelfs met dien der kleederen welke men draagt4 ,in zekere mate kan dit nu het geval zijn met de hersens1 doch hieruit mag men volstrekt niet afleiden dat de hersens denken en aldus boven alle andere organische levende stofmassa's het voorregt bezitten1 om te denken en dus ook te voelen1 te ruiken1 te zien enz4 ,bijna even goed kan men bijv4 aan eenig ingezegend voorwerp boven andere dergelijke1 maar niet ingezegende voorwerpen het voorregt toekennen om zekere geheime kracht uit te oefenen4 ,waarom buitendien aan de hersens boven de andere zenuwknoopmassa's het vermogen om denken toe te kennen1 en1 zoo men dit min of meer als een vermogen van al de zenuwknoopmassa's beschouwd1 waarom kan men1 zooals bij afzetting van ledematen1 van die zenuwknoopmassa's verliezen1 terwijl de denkbeelden in hun geheel behouden blijven8 ,waarom kan men zelfs bij lagere dieren de hersens wegnemen en zij nogthans1 waarschijnlijk ten gevolge van bewuste denking1 hunne ledematen bewegen4 ,het komt ons integendeel waarschijnlijk voor1 dat de op blz4 #adc gemelde eenheid van geene zintuigelijke indrukken veroorzakende beweging aan onze ligchamen annex1 wanneer de beleediging van dit ligchaam zekere grenzen overschrijdt1 hier niet meer annex mede kan blijven1 en1 even als de op blz4 #ade gemelde denking 7buiten de onze bestaande en onze organisatie geschikt voor de levensomstandigheden trachtende te maken7 alsware vrij komt en dan 7zie later7 geene werkdadige denking kan bepalen4 ,dat voorts organische stof onder den invloed dier geene zintuigelijke indrukken te weeg brengende beweging ontstaat en tegelijkertijd uit anorganische stoffen zamengesteld kan worden1 behoeft niet meer te verwonderen1 als dat bijv4 waterstof door electrische ontleding van water en tegelijk op zuiver chemische wijze te vormen is4 ,op blz4 #adf hebben wij gezegd dat de geest der dieren niet slechts quantitatief1 maar tevens ook qualitatief met den onzen verschilt4 ,een zoodanig verschil bestaat er echter ook tusschen den geest der kinderen en die der volwassenen en bij den op blz4 #ca gemelden stamboom van het menschelijke geslacht moet de qualitatieve verandering evenzeer geleidelijk als de quantitatieve plaats gegrepen hebben4 ,het bestaan van gelijkslachtigheid tusschen de ziel der dieren en die der menschen kan echter niet ontkend worden en1 zoo men aan de onze eene toekomstige steeds voortdurende gemiddelde vergrooting toeschrijft1 moet eene tragere vergrooting aan die der dieren toegekend worden4 ,men verhoogt zich dan trouwens ook niet door anderen te verlagen1 en passende met een hoogeren trap van geestontwikkeling1 dan de thans bij de menschen bestaande1 zal het welligt zijn1 om1 wanneer men van dieren gewaagt1 niet slechts te denken aan ponden vleesch en vet1 of zelfs aan een kunstig physiologisch zamenstel1 maar tevens ook aan iets dat aan den kogel van den jager en aan het mes van den slagter ontsnapt4 ,het verschil in uitzigt en levenswijze van wezens1 elkander als niet meer vreemd beschouwende1 wordt grooter naarmate de beschaving stijgt1 en1 terwijl bij zeer lagen trap van beschaving de leden der verschillende stammen elkander vreemd of vijandig blijven en wreedheid en onverschilligheid jegens de dieren1 gemis aan beschaving aanduidt1 zoo moeten1 naarmate de beschaving stijgt1 de menschen minder exclusief en meer cosmopoliet worden4 ,hetgeen op blz4 #adh gezegd is1 dat elk verschil in zielstoestand1 wegens de wederkeerige werking tusschen ziel en ligchaam1 gepaard moet gaan met eene ofschoon volstrekt niet er mede gevenredigde verandering bij het ligchaam 7evenmin als de veranderingen van uit zintuigelijke indrukken bestaande denkbeelden met er aan gevenredigde veranderingen bij de ligchamen die zintuigelijke indrukken opwekkende71 moet niet aldus verstaan worden1 dat de ontwikkeling en eigenschappen der ziel geheel door het ligchaam 7de op blz4 #adc gemelde moleculaire beweging1 de eigen denking bepalende1 hier niet bij gerekend7 bepaald worden4 ,de ziel zou zich dan tegenover de invloeden1 door het ligchaam er op uitgeoefend1 geheel lijdelijk moeten gedragen1 iets dat wel bij de dieren en vooral bij de lagere meer dan bij de menschen1 maar volstrekt niet volkomen het geval is4 ,de waarde van een wezen wordt niet alleen bepaald door hetgeen het is1 maar tevens door hetgeen het kan worden1 zoodat bijv4 een wezen1 in gedaante en geestontwikkeling met een visch gelijk staande1 maar met menschelijken aanleg begiftigd1 uit een geestelijk oogpunt meer waarde dan een werkelijken visch zou bezitten4 ,de geestelijke aanleg1 die1 door grooter te zijn1 de toename in geestontwikkeling bevordert1 is voorts bij elk individu niet onveranderlijk1 maar kan door inspanning van den geest 7waaronder eigenlijk alle inspanning begrepen is1 omdat bijv4 het gevoel van spierinspanning tot het rijk der denking behoort7 vergroot worden4 ,die inspanning aldus beide de geestelijke ontwikkeling en den aanleg vergrootende1 ofschoon deze laatste minder snel1 zoo moet1 bij het niet bestaan van de vergrooting dier geestontwikkeling tegengaande oorzaken1 zooals bijv4 de moeijelijkheid om de bewuste aanschouwing uit te breiden1 die vergrooting versnellende geschieden4 ,de aanleg1 waardoor onder geestinspanning de zedelijke ontwikkeling van den mensch toeneemt1 bestaat naar ons inzien in den graad van verhevenheid van het karakter4 ,zoo bijv4 iemand zich veel moeite geeft om beter te handelen1 vergroot hij zijne zedelijke ontwikkeling1 maar tevens verbetert hij zijn karakter1 waardoor later dezelfde toename in geestontwikkeling hem ligter zal vallen1 en dus bij gelijke inspanning als vroeger1 zij grooter dan toen zal worden4 ,de graad van zedelijke ontwikkeling hangt veel meer van de opvoeding en van de maatschappij af waar binnen men op deze aarde treedt1 dan van het karakter4 ,hedendaagsche menschen1 geen verhevener karakter bezittende dan oude ,romeinen1 dompelen bijv4 niet als zij de krijgsgevangenen in slavernij1 verstooten niet zoo ligt als zij hunne echtgenooten1 hakken in schijnbaar wanhopende omstandigheden niet zoo ligt als zij1 door middel van zelfmoord1 den gordiaansche knoop door1 in plaats van te trachten hem te ontwarren1 kortom zij staan hooger in zedelijke ontwikkeling als die oude ,romeinen4 ,bij de intellectuele ontwikkeling staat de aanleg vooral in verband met de op blz4 #fg gemelde door oefening verkregen en niet door middel van de spraak uitdrukbare denkbeelden4 ,men zal bijv4 ontwaren dat binnen zekere grenzen1 hoe langer men zich in iets geoefend heeft1 hoe gemakkelijker het valt om er zich verder in te bekwamen1 zoodat de bekwaamheid versnellende toeneemt4 ,vandaar de verwonderlijke hoogte waarin menschen het brengen in zaken1 waarin zij zich bijzonder oefenen1 doch hierbij werken de beperktheid der bewuste aanschouwing1 de levensomstandigheden en zeker besef van genoegzaamheid1 die anders versnellende toename der intellectuele ontwikkeling in het een of ander tegen4 ,die inspanning1 waardoor de geestontwikkeling en te gelijk1 maar in mindere mate den aanleg vergroot1 is echter steeds eene overmaat van inspanning boven die noodig om die geestelijke ontwikkeling op dezelfde hoogte te houden4 ,voor zooveel de inspanning hiertoe werkt1 komt het ons voor dat zij ons aangenaam moet zijn4 ,trouwens zij zou bestaan bij een veranderlijken toestand van onzen geest en hierbij moet1 zooals op blz4 #dg en #fd gezegd is het een geheel voor het ander geschikt zijn4 ,deze slechts voor de bestendiging der verkregen geestontwikkeling gevorderde inspanning is naar ons inzien tijdens het waken grooter dan gedurende den slaap1 bij hooge geestontwikkeling grooter dan bij kleine1 aldus bij de menschen grooter dan bij de dieren en grooter bij eene natuur van den geest waarbij deze sterk gedreven wordt naar verhooging zijner ontwikkeling #dd4 ,slechts voor zooverre de vergrooting in aanleg en geestontwikkeling eener generatie door eigen toedoen op de ligchamen van derzelver leden en op de opvoeding der volgende generatie van invloed is1 zal deze er partij van trekken4 ,dit bedrag vormt echter eene kleinere breuk dier vergrooting1 voor zooverre deze den aanleg dan voor zooverre die vergrooting de geestelijke ontwikkeling betreft4 ,in wetenschappelijke ontwikkeling zijn de volken gedurende de toeneming der beschaving het meeste toegenomen1 in de kunsten veel minder1 omdat hetgeen men daaromtrent weet moeijelijker medetedeelen is dan in zaken van wetenschap1 en in aanleg voor de kunsten nog veel minder4 ,op blz4 #adf hebben wij gezegd1 dat bij de anorganische ligchamen er van geene deugd of geschiktheid voor het verkeeren in zekere omstandigheden en van verhooging van organisatie sprake kan zijn4 ,het is er echter verre van af dat hierbij de uitwerking der ,natuurwetten naar geen doel zou streven4 ,beschouwt men bijv4 de anorganische ligchamen niet afzonderlijk1 maar tot hemelbollen gemasseerd1 zoo kan bij deze zeer wel sprake zijn van deugd in eigen belang1 welke bijv4 zou bestaan in het vermogen om een afzonderlijk bestaan te perpetueren1 om niet steeds in snelheid af te nemen1 om korsten en gasvormige omhulsels te bezitten1 om bij een en ander verscheidenheid van aard en van temperatuur in stand te houden enz4 ,ook kan het zijn dat de hemelbollen1 door zamenpakking van den ether of algemeene enkelvoudige oerstof1 binnen en om hun oppervlak gelegen1 er bij chemische verbindingen te weeg brengen1 de natuur van hun eigen bestanddeelen aan dien ether geven en aldus in massa toenemen1 hetgeen met de vergrooting der geesten te vergelijken zou zijn1 terwijl de neiging dier bollen om in massa toe te nemen met den aanleg dier geesten zou overeenkomen4 ,hoe grooter afwijkingen er van de geschikste organisatie der planten en dieren ten gevolge van zekere accidentele oorzaak bestaat1 hoe sterker de oorzaak1 des geschikste organisatie trachtende voort te brengen1 de verdere vergrooting dier afwijking tegengaat en deze1 wanneer die accidentele oorzaak niet meer bestaat1 tracht te vernietigen4 ,hiervan1 kan de algemeene reden zijn1 dat1 wanneer natuurwerkingen zekere afwijking van een toestand voortbrengen1 de verdere vergrooting dier afwijking steeds bezwaarlijker voor hen wordt en andere natuurwerkingen een teruggang sterker trachten voort te brengen4 ,de ongelijkheid in snelheid van naast elkander bewegende ligchamen doet bijv4 gewone snelheden door middel der wrijving in warmtebeweegkracht overgaan1 doch de ongelijke druk1 bij warme ligchamen bestaande1 doet weder warmte in gewone snelheden veranderen4 ,hoe meer er nu van die snelheden en hoe minder warmte er bestaat1 hoe sterker die uitwerking der wrijving en hoe zwakker die dezer ongelijkheid in drukking zal zijn4 ,bij ongelijkheid van temperatuur verspreidt zich de warmte van de warmste naar de koudste plaatsen en wordt de temperatuur overal meer egaal1 doch waar er electrische scheiding plaats heeft1 wordt er warmte ergens opgenomen en deze bij electrische verbinding in warmte1 van hooge temperatuur omgezet1 zoodat aldaar de temperatuur veel hooger dan elders wordt en aldus de ongelijkheid er van op de verschillende plaatsen hersteld wordt #de4 ,was de aarde van binnen vast1 zoo zou het rivier- en beekwater de grondspecie naar zee voeren1 de golving der zee deze stoffen op derzelver bodem egaliseren en eindelijk de aardkorst volmaakt vlak en overal met eene even diepe zee overdekt raken4 ,de aarde is echter van binnen met 7zie hierboven7 in beweging gehouden gesmolten lava gevuld en daar deze specifiek wat ligter dan de aardkorst is1 zoo zal1 waar die lava deze korst van onderen afschuurt1 deze dunner en aldus1 ter bewaring van het hydrostatische evenwigt1 opgeligt worden4 ,elders het tegenovergestelde plaats hebbende1 zoo zullen hierdoor de ongelijkheden van den bodem hersteld worden #df4 ,ook op maatschappelijk gebied ontbreken niet die dit grooter worden der accidentele afwijkingen en1 naarmate die afwijkingen zulks zijn1 sterker1 tegengaande werkingen4 ,wordt er bijv4 wegens het bestaan eener accidentele oorzaak1 minder goed en meer kwaad gedaan1 zoo lijdt de maatschappij hieronder en tracht zij dit te keer te gaan door meer moeite ter zedelijke verbetering der menschen aan te wenden1 benevens door de belooningen en straffen te vergrooten #dg4 ,zoo de hemelbollen1 door de werking der wrijving der vloeistoffen dier bollen tegen die van andere bollen waartegen zij botsen 7want1 voordat zulk eene botsing mogelijk wordt1 zullen1 wegens derzelver onderlinge aantrekking1 hemelbollen zoo sterk uitgezet en dus kouder worden en zooveel warmte uit den omringenden ether opnemen en binden dat derzelver bestanddeelen tot den gasvorm overgaan7 veel kleinere banen verkrijgen1 zal eene andere werking die banen sterker trachten te vergrooten #dh4 ,stel bijv4 dat eene groep betrekkelijk kleine hemelbollen langs eene elliptischen baan om een anderen bol1 in het eene brandpunt van die ellips gelegen1 beweegt1 zoo zullen de kleine bollen der groep buitendien gedurig naar elkander toe1 digt achter elkander heen en1 wegens de werking der traagheid1 weder van elkander afgaan2 zij zullen aldus gemiddeld grootere resulterende snelheden bezitten1 dan zoo zij slechts een enkelen bol vormden1 waar echter hunne resulterende elliptische baan krom is1 zooals bijv4 digt bij het perihelium1 zullen zij1 wegens het bezit dier bijzondere snelheden meest grootere banen erlangen welke echter voor elk dier kleine bollen niet dezelfde als van de andere zal zijn4 ,verder gekomen zal echter derzelver onderlinge aantrekking hen weder naar elkander toe doen gaan1 doch daar zij meest eene grootere baan verkregen hebben1 de resulterende baan1 waar langs nu die groep van kleine bollen beweegt1 grooter dan vroeger geworden zijn4 ,dit nu zal insgelijks het geval zijn1 zoo die groep vervangen wordt door een enkelen vloeibaren bol waarbinnen er stroomen bestaan1 zoodat de vloeistofmassa's van dien bol1 behalve derzelver snelheid langs eene elliptische baan nog bijzondere snelheden bezitten4 ,het uiteenloopen der zooeven gemelde grooter geworden banen zal zulk een vloeibaren bol sterk uitzetten en vervormen1 doch de onderlinge aantrekking dier massas 7nu in tegenstelling van bij het voorgaande geval door de drukking dier massas tegen elkander wederstaan7 die vervorming1 wanneer die bol voorbij het perihelium gekomen is1 met behulp der wrijving van lieverlede te loor doen gaan1 zonder evenwel de baanvergrooting van het zwaartepunt van den bol te kunnen vernietigen4 ,stelt men nu dat wanneer die bollen grooter zijn1 bij het bestaan van grootere onzuivere en zeer sterk elliptische banen om elkander1 de baan vergrootende en verkleinende werkingen tegen elkander opwegen1 zoo zal1 wanneer van eene groep hemelbollen de leden grooter worden door1 zooals op blz4 #aed gezegd is1 ether tot hunne zelfstandigheid te vervormen1 de banen1 welke zij om elkander beschrijven1 ook grooter worden en aldus de groep in omvang toenemen en de gemiddelde positie dier bollen1 bij derzelver aphelium gelegen1 verder van het middelpunt der groep komen4 ,zelfs zou zoo iets plaats hebben1 wanneer die bollen langs eene schil verspreid waren daar1 ten gevolge van derzelver onderlinge aantrekking1 terwijl sommige dier bollen ver van anderen gelegen1 zeer nabij stil zullen staan1 andere digter bij elkander gekomen1 zekere snelheden en ook ontbondene snelheden rakende aan het oppervlak dier schil zullen bezitten4 ,elke bol zal nu binnen betrekkelijk korte tijden zulke ontbondene snelheden bezitten1 zoodat1 zoo de aantrekkingskracht plotseling verdween1 de bollen dier schil gemiddeld buitenwaarts zouden bewegen en zich verspreiden4 ,daarentegen zal de resulterende aantrekking van al de overige bollen1 langs het oppervlak dier schil verspreid1 de tegen gestelde uitwerking doen4 ,bij vergrooting dier bollen moet dan alsware de schaal van het geheel grooter worden en aldus slechts bij een grooteren diameter dier schil die centrifugale werking aan die resulterende aantrekking gelijk zijn4 ,zulke bollen zullen niet met elkander kunnen zamensmelten1 wegens de tegengestelde snelheden welke zij bezitten1 wanneer zij tegen elkander botsen1 en1 bij het aphelium gelegen1 dan onder de overheerschende aantrekking van deszelfs eenen en dan onder die van deszelfs anderen buur komen en alzoo dan naar den een en dan naar den ander gaan1 er achter om heen trekken en1 door de werking der traagheid1 vertragende ongeveer naar derzelver vorige plaatsen terugkeeren4 ,ontstaan er nu bij het midden van bovengemelde groepen nieuwe bollen1 door zamenpakking van den omringenden ether van af eene kleinst eindige massa zich verder vergrootende1 en gaan de andere bollen dier groep door zamenpakking en omzetting van den omringenden ether in hunne zelfstandigheid voort met in massa toe te nemen1 zoo zal zulk eene groep steeds meer omvang verkrijgen en de buitenste bollen er van de oudste1 grootste en gemiddeld snelst bewegende zijn4 ,waren al die bollen regelmatig gegroepeerd en in rust1 zoo zou zulk eene groep door de werking der aantrekkingskracht kleiner worden1 maar de elkander naderende bollen in snelheid toenemen1 digt achter elkander1 en nadien door de werking der traagheid weder buitenwaarts gaan2 de groep weder grooter worden1 terwijl deze bollen in snelheid afnemen en zij weder voor een oogenblik in den primitieven toestand komen4 ,bij onregelmatige groepering bestaan in zeker opzigt al de toestanden1 zooals zooeven gezegd is achtervolgens bij de regelmatige groepering plaats hebbende1 tegelijk4 ,hier komen er bollen ver van elkander en circa in rust1 elders zijn zij digt tot elkander genaderd en bezitten zij groote snelheden dan in deze en dan in ongeveer tegengestelde rigting1 zoodat het oppervlak der groep wel hier zich naar buiten en elders zich wat naar binnen kan verplaatsen1 maar onmogelijk in grootte sterk kan varieren4 ,de vergrooting der snelheden der in massa toegenomen bollen1 zal hierbij ontstaan door de vergrooting der aantrekkende massa's1 die van derzelver banen1 zie blz4 #aeg1 door vermindering der snelheden waarmede de vloeibare massas van elk dier bollen zich betrekkelijk derzelver zwaartepunten verplaatsen en die laatste snelheden1 zie blz4 #aee1 door ongelijke drukking binnen die vloeibare massas onder omzetting in snelheden van warmte ontstaan door omzetting van ether in de zelfstandigheid dier bollen1 daar dit onder scheikundige verbinding plaats heeft4 ,bij die vergrootende hemelbollen kan er nu een strijd bestaan tusschen twee tegengestelde werkingen1 namelijk die der warmte van den er binnen en buiten tegen gecomprimeerden onomgezetten ether1 uitzetting dier bollen en onder warmteopneming chemische ontleding van derzelver bestanddeelen trachtende te veroorzaken en die der zamenpersende werking der zwaartekracht en welligt ook der beroering der hemelbollen bestanddeelen deze onder warmteafgeving chemisch zamengestelder pogende te doen worden4 ,heeft nu laatst gemelde werking eerst de overhand boven die der warmte en moet zij nadien hiervoor onderdoen1 zoo zullen de bollen eerst in digtheid toenemen en qualitatief meer van den ether gaan verschillen en nadien1 wanneer zij tot op zekere distantie van het middelpunt der groep gekomen zijn1 het omgekeerde gaan plaats hebben en dit steeds aanhouden1 terwijl zij1 meer en meer in massa toenemende1 verder van dit middelpunt komen4 ,die toeneming in massa dier bollen1 door omzetting van den ether er binnen en er omheen1 zal wel op het sterkste zijn1 wanneer derzelver bestanddeelen op het meeste met die van den ether verschillen en derzelver digtheid op een maximum is2 doch later1 wanneer zij meer etherachtig geworden zijn1 niet geheel verdwijnen4 ,er bestaat aldus geen eindigen grens voor de vergrooting dier bollen1 doch zij kunnen geene oneindige grootte bereiken en tevens in natuur hoe weinig ook met den ether verschillen en hiermede niet geheel eenzelvig zijn4 ,binnen die eene grootere dan elke eindige ruimte beslaande sterrengroep1 zal er nu eene bolvormige schil bestaan1 waar binnen van de middelpuntszijde er gedurig bollen intreden1 aan de andere zijde er bollen uitgaan en waarbinnen de bollen eene grootere digtheid en chemische zamengesteldheid dan ter wederzijde er van bezitten4 ,alsdan moeten naar ons inzien de electrieke verbindingen gestolde1 gecondenseerde of gasvormige stoffen bij die bollen op zulk eene hooge temperatuur brengen1 dat zij voor ons waarneembaar licht uitstralen1 want toch wanneer die hemelbollen zeer etherachtig zijn moeten zij in temperatuur weinig boven de gemiddelde van den ether verheven zijn en kunnen zij aldus dan kwalijk als vurige nevels voor ons zigtbaar zijn4 ,slechts de sterren binnen die schil gelegen en dan nog slechts een deel er van1 omdat vele geen voor ons waarneembaar licht uitstralen1 of door andere voor ons donkere bollen gemasqueerd zijn1 moeten zich voor ons als zonnen vertoonen4 ,al de sterren in dit geval zijnde moeten1 zoo deze hypothese juist is1 wegens de kromte van bovengemelde schil1 alsmede omdat men slechts het licht der sterren binnen een segment dier schil kan zien1 ons op geen grooten cirkel omspannenden en aldus den hemel in twee wat in grootte verschillende deelen splitsenden onregelmatigen ring 7den ,melkweg7 op het digtste gegroepeerd voorkomen4 ,de bewoners van elk dier bollen binnen die schil gelegen1 zullen aldus hun eigen melkweg aanschouwen1 even als iemand1 op eenige plaats staande1 zijn eigen horizon bezit1 en1 evenmin als voor menschen1 op verschillende plaatsen staande1 langs den horizon dezelfde voorwerpen zich verheffen1 evenmin de melkwegen der bewoners der verschillende bollen dier schil dezelfde zonnen bevatten4 ,met den blik naar het middelpunt van het kleinste cirkelvlak1 door hun ,melkweg gevormd1 gerigt1 zullen echter allen naar het middelpunt van de sterrenwereld zien1 en voor ons dit middelpunt in de rigting van het sterrenbeeld1 het ,hoofdhaar van ,berenice zijn4 ,evenmin als de hemelbollen1 wegens de tegengestelde snelheden1 welke zij1 tegen elkander botsende1 bezitten1 die 7bij het alsdan zijn dampvormig van minstens den kleinsten dier beide bollen7 wegens het bestaan van veerkracht niet zullen verdwijnen1 kunnen zamensmelten1 evenmin kunnen zij zich naar ons inzien in verschillende hemelbollen splitsen #di4 ,het planetenstelsel is naar ons inzien het gevolg eener accidentele wenteling der zon om derzelver as1 en deszelfs toevallig bestaan heeft naar ons inzien den volgenden oorsprong gehad4 ,zoo eene groep van hemelbollen 7bijv4 ontstaan1 door dat bij die bollen de baanverkleinende werking de baanvergrootende werking tijdelijk heeft overtroffen7 door een er buiten gelegen hemelbol a wordt aangetrokken en dat in die groep zich een hemelbol b bevindt zooals zon1 veel grooter zijnde dan de andere bollen c van die groep1 later de planeten1 zoo zal de bol b bij a gekomen1 7even als de kometen bij derzelver perihelium7 gasvormig en uiterst sterk uitgezet zijn4 ,botsen nu die beide bollen a en b scheef tegen elkander1 zoo zullen zij aswentelingen verkrijgen1 in stand blijvende1 nadat zij zich weder van elkander verwijderd hebben4 ,de bollen c zullen dan betrekkelijk den bol b zeer komeetachtige banen bezitten1 en tegen b botsende door de aswenteling van dien bol snelheden ongeveer loodregt op die banen kunnen erlangen4 ,tegelijk door de werking der wrijving in lengte afnemende1 zullen die banen1 door de impulsie der aswenteling van b aan de bollen c gegeven1 breeder worden1 en krimpt nu die bol b in1 doordat hij zich van den bol a verwijdert1 nadat de bollen c er aldus herhaaldelijk tegen gebotst zijn1 zoo kan eene anders onvermijdelijk nieuwe botsing der bollen b en c vermeden worden4 ,wel is waar zal1 wanneer de aswentelingssnelheid bij den evenaar van den bol b kleiner is dan de snelheden der bollen c bij hun perihelium digt bij het oppervlak van den uitgezetten bol b1 de banen dezer nog vrij sterk uitmiddelpuntig moeten zijn1 doch die uitmiddelpuntigheid1 terwijl die banen en tegelijk de bol b kleiner worden1 kunnen verminderen4 ,hoe sneller de hemelbol b1 waartegen die botsingen van c geschieden1 om deszelfs as wentelt1 hoe geringer de uitmiddelpuntigheid dier banen van c zal worden en zij is nu bij de binnenkometen kleiner dan bij de buitenkometen1 bij de coplaneten weder kleiner dan bij eerstgemelden kometen1 en bij de planeten ,venus en ,neptunus weder merkelijk kleiner dan bij de coplaneten4 ,de kometen en planeten voor geheel verschillende hemelligchamen te houden1 komt ons even ongegrond voor als het stellen dat de inwoners van twee steden op verschillende wijzen gekleed gaan1 zoo men de eene stad slechts over dag en de tweede slechts des nachts bezoekt4 ,wij zien toch de kometen slechts wanneer zij betrekkelijk digt bij de zon gekomen1 zoo als op bl4 #aee gezegd is1 uitgerekt1 misvormd en tot den dampvorm overgegaan zijn4 ,het bewegen der meeste kometen in dezelfde rigting als die waarin de zon om derzelver as wentelt1 maakt buitendien waarschijnlijk dat vele er van1 even als de planeten1 tegen het wentelende zonsoppervlak gebotst hebben4 ,op blz4 #aeh hebben wij gezegd dat1 naarmate hemelbollen grooter zijn1 bij grootere banen de deze verkleinende en vergrootende werkingen aan elkander gelijk zijn4 ,van daar welligt1 dat de grootste planeten gemiddeld het verste van de zon gelegen zijn4 ,bij groepen van betrekkelijk kleine bollen1 om eene ster zooals de zon primitief een sterk uitmiddelpuntige baan beschrijvende en later1 wanneer die baan meer cirkelvormig en kleiner geworden is1 langs de gansche lengte derzelve verspreid rakende1 moet bij deze stelling de totale massa der bollen dier groep in rekening gebragt worden4 ,de coplaneten1 de ligchamen van het zodiakaallicht en de ringen van ,saturnus hebben welligt primitief zulke groepen van betrekkelijk kleine bollen gevormd4 ,wanneer bij zulke langs eene weinig uitmiddelpuntige baan verspreide bollen van zulk eene zich dan niet meer bij het aphelium weder vormende groep1 een derzelver de andere in massa ver overtreft en eene snelle aswenteling bezit1 moeten de kleinere bollen dier voormalige groep er tegen botsende evenzoo weinig uitmiddelpuntige banen er om verkrijgen als op blz4 #afa voor de planeten aangegeven is4 ,van daar den oorsprong der satelliten4 ,waarschijnlijk zijn echter1 tijdens de vorming van het planeten-stelsel1 de baanverkortende werkingen slechts wegens accidentele omstandigheden grooter dan de baanverlengende geweest1 zoodat nu die oorzaak met meer bestaande1 evenmin als eene oorzaak van instandhouding der aswenteling der zon en planeten1 bij deze laatste1 alsmede bij de manen de baanverlengende werkingen de overhand boven de tegenovergestelde kunnen bezitten en in de uiterst verre toekomst het gansche planeten-stelsel uit elkander rukken1 zoodat derzelver1 alsdan uiterst lange komeetachtige banen verkrijgende leden niet meer1 of althans niet meer uitsluitend om de zon zullen wentelen1 maar elk hunner op zich zelf zal staan4 ,eene afscheiding van ringvormige massa's langs den evenaar der om derzelver as wentelende zon1 komt ons onmogelijk voor1 daar bij dien evenaar de snelheid van omwenteling nimmer zoo groot kan geweest zijn1 dat de zonsaantrekking niet in sterke mate de overhand boven de centrifugale kracht bezat4 ,wanneer men eene zeer vervormbare massa met zekere snelheid duwt over een wrijvend vlak1 zullen derzelver hier langs verschuivende deelen eene kleinere snelheid verkrijgen1 dan die hooger boven dit vlak bewegende1 doch1 wegens de gemakkelijke vervormbaarheid dier massa1 deze1 door de ongelijke verplaatsing van derzelver deelen1 sterk uitgerekt worden en niet gaan kantelen4 ,dit laatste zal daarentegen wel geschieden1 zoo die massa door zekere inwendige1 kracht bolvormig poogt te blijven en aldus die uitrekking er van tegengegaan wordt4 ,bij de op blz4 #afa gemelde scheve botsing der sterk uitgezette en geheel dampvormig geworden zon1 bestaat nu zoodanig een geval1 daar de eigen aantrekking der zon die onbepaalde vervorming hiervan bij derzelver oppervlak tegengaat4 ,de roterende1 beweging der zon b1 tengevolge van derzelver scheve botsing tegen een ander hemelligchaam a1 is aldus slechts mogelijk1 wanneer de aantrekking der zon bij het oppervlak hiervan meester blijft4 ,wel is waar zal de dampvormige zon1 zich verwijderende van den hemelbol a1 weder kleiner worden1 en hierdoor de kromming en dientengevolge ook de centrifugale kracht bij derzelver evenaar toenemen1 doch men houde in het oog dat dit verkleinen en krommer worden van den zonsevenaar door de er bij bestaande centrifugale kracht tegengewerkt wordt en1 wanneer die kracht zeer nabij gelijk wordt aan de zonsaantrekking1 bijna geheel verhindert wordt1 zoodat alsdan de verkleining van het zonneligchaam onder warmte afgeving meer door toeneming der afplatting zal geschieden4 ,buitendien zal de aswenteling der zon stroomen binnen de gasvormige massa dier zon doen ontstaan1 en de hierbij onstaande wrijving die aswenteling zoodanig verkleinen1 dat de centrifugale kracht1 tijdens het krommer worden van dien evenaar1 hierbij wel niet belangrijk zal toenemen4 #ej ,naar ons inzien bezit de ether zekere aantrekkingstrillingen1 welke om lichamen1 grooter specifiek dan dien ether bezittende1 zonder dat de er bij bestaande1 beweegkracht verandert1 zulk eene wijziging ondergaan1 dat zij op concentrieke boloppervlakken aantrekkingen naar die ligchamen voortbrengen4 ,gaat er nu hier naar toe eenig ander ligchaam1 zoo kan het zijn dat dit op zijn weg die aantrekkingstrillingen in gewone snelheden bij deszelfs massa omzet1 en wel in sterkere mate1 naar gelang het digter bij het aantrekkende ligchaam komt4 ,volgens deze hypothese zou de beweegkracht of levendige kracht steeds eene snelheid1 of liever het quadraat hiervan zijn1 zoodat1 wanneer men zegt snelheden gaan verloren door overwinning van afstooting over zekeren weg1 zij werkelijk in andere niet direct waarneembare snelheden omgezet worden4 ,elk der atomen van een homogeen ligchaam 7bij hetzelfde ligchaam niet dezelfde behoevende te blijven en die men1 wanneer men ze oneindig digt bij elkander stelt te zijn1 oneindig klein moet veronderstellen71 draagt bij tot vorming van al deszelfs eigenschappen bij de veropenbaring van deszelfs zelfstandigheid door beweging1 en in overeenkomst hiermede moet bij de veropenbaring der zelfstandigheid door denking1 die van elken atoom tot elk denkbeeld van een geest bijdragen1 en dus een deel der denking van elk dier atomen tot het eene denkbeeld1 een ander deel tot eenig ander denkbeeld enz4 ,de eigenschappen der veropenbaring der zelfstandigheid door beweging zijn in vele opzigten met die der veropenbaring dier zelfstandigheid door denking te vergelijken1 zoo men de hemelbollen met de eindige geesten en de eene oneindigmaal grootere massa dan al die bollen te zamen bezittende ether met het oerwezen vergelijkt4 ,op blz4 #ade hebben bijv4 gezegd1 dat de denkbeelden van den oergeest invloed uitoefenen en geinfluenceerd worden door de denkbeelden der afgescheidene geesten en bij den ether heeft1 met betrekking tot de hemelbollen1 iets dergelijks plaats4 ,het digt bijeen liggen dier bollen kan men bijv4 vergelijken met het met elkander in contact zijn van geesten 7iets dat in het algemeen niet het digtbij elkander zijn der er aan annex zijnde levende ligchamen vordert71 derzelver onderlinge aantrekking wordt bij de geesten vervangen door de neiging dezer om met elkander in contact te komen1 derzelver snelheid en in het algemeen de er bij bestaande beweegkracht met de werkdadige denking van geesten en1 terwijl bij de bollen die snelheden op het grootste zijn1 wanneer zij elkander op het meeste genaderd zijn1 zoo is de werkdadigheid van geesten op het grootste1 wanneer zij met andere geesten op het sterkste in contact zijn4 ,even als twee hemelbollen van ongelijke massa evenveel beweegkracht kunnen bezitten1 zoo kunnen geesten van ongelijke grootte1 of anders gezegd in het bezit van een ongelijk aantal denkbeelden 7de sterkte en diepte dezer hierbij in acht nemende7 in even sterke mate werkdadig zijn1 en bij die geesten wordt die werkdadigheid grooter of kleiner1 naar mate zij met grootere of kleinere geesten in contact zijn1 even als de hemelbollen trager of sneller bewegen1 naarmate zij door kleinere of grootere andere bollen aangetrokken worden4 ,de overheerschende werking door grootere geesten over kleinere1 waarmede zij in contact zijn1 uitgeoefend1 kan vergeleken worden met die van groote bollen op de banen van kleinere en het verstrooid liggen dezer laatste met het gemis van collectieve werking bij overheerscht wordende wezens4 ,die hemelbollen oefenen 7zie blz4 #afe7 door tusschenkomst van den ether invloed op elkander uit1 de geesten1 volgens het op blz4 #ade gemelde1 door tusschenkomst der denkbeelden van den oergeest en1 even als gene1 wanneer zij elkander naderen 7zie blz4 #afe door omzetting van ethertrillingen in snelheden bij hunne massa's7 beweegkracht uit den ether opnemen1 zoo kan men stellen dat de geesten1 bij het sterker in contact komen met andere geesten1 om hunne latente denkbeelden werkdadig te maken1 denkkracht van den oergeest ontleenen4 ,de door de nadering der bollen ontstane snelheden heeft tot gevolg dat zij zich weder van elkander verwijderen1 en die verwijdering dat derzelver snelheden kleiner worden4 ,bij de geesten moet evenzeer 7zie blz4 #hg7 het voortgebragte uitputtende werken op het voortbrengende1 en aldus de werkdadigheid van geesten derzelver contact 7waarvan de wijzigingen met de veranderingen in rigting der snelheden der bollen vergelijkbaar zijn7 verzwakken en die laatste verzwakking wederom leiden om die werkdadigheid te verminderen4 ,op blz4 #gc en #hd hebben wij dan ook aangegeven1 hoe de werkdadigheid der geesten de er annex aan zijnde ligchamen1 met wier behulp zij in contact met andere geesten zijn1 vernield en op blz4 #gc en #gh hoe die vernieling de werkdadigheid dier geesten vermindert4 ,een eindelijk volslagen gemis hiervan bij den dood dient echter krachtens bovengemelde wet te leiden tot de vergrooting van het contact met andere wezens en alzoo tot het ontstaan van de hiervoor gevorderde hulpmiddelen4 ,de denking1 behoorende bij de levende organische wereld van hemelbollen1 zou men tot deze kunnen stellen in dezelfde verhouding te staan1 als de ligchamen bij die denking annex1 7en zie blz4 #adc wel te onderscheiden van de moleculaire beweging deze bepalende7 tot die denking zelve4 ,gedurig verwisselen die ligchamen van deelen1 en evenzoo kunnen die organische werelden van denkende wezens verwisselen1 terwijl1 even als die ligchamen ontstaan1 groeijen en vergaan1 en dit laatste1 zooals op blz4 #gc gezegd is1 een gevolg is der sterke werkdadigheid van de er aan annex zijnde geesten1 die organische werelden kunnen ontstaan1 bloeijen en1 tengevolge van aanraking der bollen waarop zij aanwezig zijn met andere1 7het op blz4 #afa gemelde tengevolge hebbende7 weder vergaan4 ,op blz4 #g hebben wij wel is waar gezegd dat organische naturen zich geschikt maken voor de omstandigheden door elken hemelbol opgeleverd en aldus van allerlei aard kunnen zijn1 doch1 wanneer die omstandigheden snel veranderen1 zal1 wegens de op blz4 #fh gemelde werking der traagheid1 er zulk eene ongeschiktheid bij zulke naturen kunnen ontstaan1 dat zij er onder te niet moeten gaan4 ,die vernietigende oorzaak1 bestaande in het zeer sterk uitgezet en gasvormig zijn van zulke betrekkelijk zeer digt bij elkander gekomen hemelbollen1 op het grootste kort nadat zij op het snelste bewegen1 zal 7zie blz4 #afg7 vroeger moeten invallen dan het gevolg er van1 namelijk het vernietigd zijn der organische naturen1 en evenzoo volgt de dood van het ligchaam eenigen tijd na dat de werkdadigheid van den geest een maximum bereikt heeft4 ,op blz4 #aei hebben wij gezegd1 dat de hemelbollen1 onder vergrooting van derzelver massas1 door vervorming tot derzelver bestanddeelen van den omringenden ether 7iets dat misschien door het bezit van snelheden door die bollen bevorderd wordt7 eerst tot zekeren grens minder etherachtig worden en in massa versnellende toenemen1 en1 nadat zij dien grens bereikt hebben1 weder meer etherachtig worden en vertragende in massa toenemen1 zonder echter weder volmaakt etherachtig te zijn1 voor dat derzelver massa oneindig groot geworden en hunne zijde gekeerd naar het op blz4 #afa gemelde middelpunt van het ,heelal1 oneindig ver hiervan afgelegen is4 ,hoe minder etherachtig die bollen zijn1 hoe grooter betrekkelijk hunne massas hunne snelheden gemiddeld zullen zijn1 doch tevens hoe minder latente warmte beweegkracht die massas zullen bevatten4 ,zou men nu bij de in geestontwikkeling1 of anders gezegd in grootte toenemende geesten ook niet kunnen stellen1 dat hunne denkvormen eerst tot zekeren grens van die van den oergeest gaan verschillen en die toeneming alsdan versnellende is1 terwijl later het tegenovergestelde plaats heeft4 ,die toeneming zou aldus voorgesteld kunnen worden door het onbepaald hoog oploopen van eene ojiefvormige kromme lijn1 wier buigpunt oneindig ver van het punt waar die kromme de abcissen as raakt1 maar op zekere distantie boven die as gelegen is4 #ea ,bij dien grens1 waarbij zij qualitatief het meeste van den oergeest verschillen1 zullen die geesten het veranderlijkste en aldus zie blz4 #fd het betrekkelijk onvolmaaktste zijn1 hunne invidualiteit 7wel van zelfbewustheid te onderscheiden7 op een maximum zijn1 en zij betrekkelijk hunne grootte op het meeste op eene wijze1 vergelijkbaar met het bezit van snelheden1 doch daarentegen op het minste op eene wijze1 vergelijkbaar met het bezit van warmtebeweegkracht1 werkdadig zijn4 ,het bezit dier laatste soort van werkdadigheid1 achten wij te zijn de mogelijkheid om denkbeelden1 door aanschouwing verkregen1 voor den geest te houden1 en het bezit der eerste om1 zooals bij ons menschen1 denkbeelden onder inspanning en met verstandswerking voor den geest te houden1 en aldus te oordeelen1 te zoeken1 te kiezen enz4 ,van de oneindige massa van den ether is slechts een deel1 gelijk aan de grootst eindige grootheid en betrekkelijk volstrekt nietig1 onder den invloed der uit van den ether onderscheiden stof gevormde1 hemelbollen4 ,slechts bij dit laatste deel van den ether1 oneindig maal overtroffen wordende door deszelfs gansche massa1 verkeert aldus die oerstof in geen onveranderlijken toestand en is aldus de veropenbaring der zelfstandigheid door beweging niet steeds onveranderlijk dezelfde4 ,des te minder zal dit het geval zijn bij de massas van gemeld deel van den ether1 naarmate zij digter liggen bij hemelbollen en vooral bij die minder etherachtig van aard zijnde4 ,in overeenstemming hiermede moet het oneindig aantal denkbeelden van den oergeest op een grootst eindig en aldus betrekkelijk volstrekt nietig deel na onveranderlijk dezelfde en zie blz4 #fd derhalve volmaakt zijn1 terwijl van dit uiterst groote1 maar nog eindig aantal veranderlijke denkbeelden deze het sterkste veranderlijk moeten zijn1 welke het meeste met de denkbeelden der afgescheiden geesten 7en voornamelijk met die qualitatief het meeste met den oergeest verschillende7 in contact zijn4 ,op blz4 #adc hebben wij daarvan reeds gewag gemaakt en tevens gemeld dat de beweging der zelfstandigheid de denking moet bepalen en omgekeerd4 ,slechts bij de hemelbollen en1 zooals hierboven gezegd is1 bij een grootst eindig deel van den ether bestaan er nu veranderlijke bewegingen 7ofschoon te zamen met onveranderlijke7 en daar slechts zij veranderlijke denking kunnen bepalen en hierdoor bepaald worden1 zoo volgt ook hieruit1 dat slechts een grootst eindig maar betrekkelijk volstrekt nietig deel der denkbeelden van den oergeest veranderlijk en aan den op blz4 #fd gemelden invloed der traagheid onderworpen kan zijn4 ,men dient hierbij wel te onderscheiden de wederkeerige bepaling der beweging en denking der zelfstandigheid van de overeenkomst tusschen hetgeen op het gebied der veropenbaring der zelfstandigheid door beweging en door denking bestaat4 ,een zich als iets onderscheiden veropenbarende op dit laatste gebied1 is vergelijkbaar met een evenzoo onderscheiden iets op het andere gebied1 maar wordt niet door zulk een onderscheiden iets hierop bepaald4 ,de denking van eenig wezen wordt bijv4 niet door iets onderscheiden op het gebied der veropenbaring door beweging bepaald1 maar kan vergeleken worden met de bewegingen 7de moleculaire ingesloten7 van een hemelbol1 terwijl omgekeerd de bewegingen hiervan niet door een onderscheiden iets op het gebied der denking bepaald worden4 ,zoo hebben wij bijv4 het oerwezen met den ether vergeleken1 terwijl ook bewegingen bij de massas der hemelbollen bijdragen om de veranderlijke denkbeelden van den oergeest te bepalen1 en daarentegen veranderlijke bewegingen bij den ether voor een deel de denking der afgescheiden geesten kunnen bepalen4 ,de enkelvoudige etheratomen zullen misschien oneindig klein zijn1 oneindig digt bij elkander zijn gelegen1 en in een oneindig kleine tijden trillingen maken1 voor zooverre deze niet ontstaan door den invloed van hetgeen op de hemelbollen plaats heeft1 zooals bijv4 wel het geval is bij de ethertrillingen der stralende warmte4 ,zulke binnen een oneindig kleinen tijd zich herhalende bewegingen kunnen nu in zekeren zin als een onveranderlijke bewegingstoestand beschouwd worden en onveranderlijke denkbeelden bepalen4 ,elk der moleculen der ligchamen1 een oneindig aantal etherdeelen bevattende1 zal voorts op een eindige distantie van andere moleculen gelegen zijn4 ,de op blz4 #aei gemelde bollen1 zullen1 naarmate zij trager gemiddeld naar buiten dringen1 in grooter aantal op concentrieke boloppervlakken1 het middelpunt1 van blz4 #afa tot middelpunt bezittende1 gelegen zijn1 en bij al die boloppervlakken de naar buiten dringende massa gemiddeld even groot moetende zijn1 zoo zullen aldus de uiterst groote bijna etherachtige bollen met zeer kleine gemiddeld buitenwaarts gerigte snelheden kunnen volstaan4 ,voorts zal de ether1 ter vergrooting der massa dier bollen strekkende1 naar binnen stroomen en met de landwaarts zich verplaatsende dampen te vergelijken zijn1 zoo men die zich vergrootende bollen met de rivieren1 en de ether met den ,oceaan en het dampkringswater vergelijkt4 ,elk verschijnsel ondervindt den invloed van eene reeks van verledene en oefent invloed uit op eene reeks van toekomstige verschijnsels1 doch doet zulks minder1 naarmate deze verschijnsels verder in het verleden en in de toekomst gelegen zijn4 ,zoo nu een bestanddeel van een zamengesteld verschijnsel in het heden min of meer verflaauwd bevat is in zamengestelde verledene of toekomstige verschijnsels1 kan men zeggen dat wat van het verleden nog en wat van de toekomst reeds in het heden bevat is1 en dit zal in sterkere mate het geval zijn1 naarmate zulke bestanddeelen van verschijnselen in het heden minder veranderlijk en tevens meer algemeen zijn4 ,zoo bijv4 een volk eene ingewortelde liefde voor een vorstenhuis bezit1 moet die liefde1 ofschoon in flaauwere mate1 zoo zij door de daden dier vorsten later niet opgewekt wordt1 in de toekomst nog bestaan en alsdan op den toestand van dit volk1 waaraan inmiddels eene andere dynastie opgedrongen kan zijn1 van invloed zijn4 ,van de toekomstige omstandigheden van dit volk is aldus reeds een deel in het heden bevat4 ,de aard van zulk een volk1 een minder veranderlijk en meer algemeen verschijnsel als de populariteit van eene dynastie1 zal aldus in de toekomst minder verzwakken dan die populariteit en veel langer dan deze van noemenswaardigen invloed zijn op de lotgevallen van zulk een volk4 ,als zulk een verschijnsel kan ook beschouwd worden de gunstige ligging eener stad voor den zeehandel1 waardoor die stad1 terwijl de beschaving toeneemt1 zulks in rijkdom en uitgestrektheid moet doen4 ,de verheffing van zulk eene stad in de toekomst1 zoo accidentele oorzaken dit niet tegengaan en in dit geval zekeren wederstand aan accidentele oorzaken van verval1 is aldus een feit reeds in het heden begrepen1 doch1 evenmin als het karakter eener natie1 is de gunstige ligging eener stad voor den zeehandel iets dat door eene volstrekt constante oorzaak steeds in stand gehouden wordt4 ,die van ,amsterdam is bijv41 door het ondieper worden der ,zuiderzee en het vergrooten van het charter der schepen1 na gedurende de opkomst der zeevaart tijdens de middeleeuwen in waarde gestegen te zijn1 na de zestiende eeuw van lieverlede vermindert1 en evenzoo zal het toenemende verkeer tusschen de volken de eigenaardigheden van den ,nederlandschen volksaard van lieverlede uitwisschen4 ,kenden wij uitmuntend den aard onzer ziel1 zoo zouden wij welligt door aanschouwing er bij gewaar worden eene constante oorzaak1 haar in ontwikkeling trachtende te doen toenemen4 ,die oorzaak zou aldus een verschijnsel zijn van een onveranderlijk en algemeen karakter1 en het gemiddeld minder ontwikkeld zijn eener ziel1 naarmate men hoever ook in derzelver verleden teruggaat en het gemiddeld meer ontwikkeld zijn er van1 aan hoe verder afgelegen toekomstige tijden men denkt1 iets zijn in den huidigen toestand dier ziel bevat4 ,het is aldus klaar dat1 naarmate verschijnsels in het heden1 door meer onveranderlijk en algemeen te zijn1 de verledene en toekomstige toestanden meer bepalen1 zij absoluut belangrijker worden en eene ruimere plaats in de denking van eenig wezen zouden innemen1 zoo diens inzigt in den tijd niet beperkt ware4 ,bij den oergeest dit laatste het geval niet zijnde1 zoo moet bij dit wezen het denken aan de volstrekt algemeene en onveranderlijke verschijnsels oneindig maal sterker zijn1 dan dat over de veranderlijke en niet volstrekt algemeene1 welke slechts bij en door den invloed van eindige wezens en eindige hemelbollen ontstaan4 ,het denken betreft steeds min of meer direct de veropenbaring der zelfstandigheid door beweging1 doch1 naarmate de geestontwikkeling grooter is1 is de kennis dier veropenbaring der zelfstandigheid door beweging rijker en van meer beteekenis en wordt zij algemeener en dieper opgevat 7zooals bijv4 bij sterker onderzoek der oorzaken der verschijnselen en der werking der ,natuurwetten74 ,in den allerhoogsten graad behoort men zoo iets te veronderstellen bij de denking van het oerwezen1 doch men hierbij geene kennis ontstaan door het afleiden van het onbekende uit het bekende door oordeelen en raden1 maar slechts eene1 door directe aanschouwing van het tegenwoordige verkregen1 moeten veronderstellen4 ,de ether niet onder den invloed der er van onderscheiden hemelbollen zijnde1 maar waarmede deze1 na het bereiken eener oneindige grootte zamensmelten1 vormt eene oneindige massa en deszelfs bewegingen moeten aldus bepalen de oneindige en onveranderlijke denkbeelden van den oergeest 7de geesten1 nadat deze eene oneindige grootte bereikt hebben en er mede qualitatief gelijk geworden zijn in zich bevattende74 ,daar nu die denkbeelden moeten betreffen dienzelfden ether1 beschouwd als eene oneindig rijke en diepe veropenbaring der zelfstandigheid door beweging en oneindige en onveranderlijke verschijnsels te weeg brengende1 zoo moet het gezegde1 dat het oerwezen verzonken is in de contemplatie van zich zelf en er voor al het algemeenste van het verledene en toekomende door het huidige bepaald is1 waar zijn4 ,de zelfstandigheid1 wier veropenbaring door beweging al de veranderlijke verschijnselen bij de eindige hemelbollen en die bij den ether1 voor zoo verre deze den invloed van die bollen ondervindt1 vormt1 kan kwalijk zich door denking veropenbarende1 bij het oerwezen anders dan eindige en veranderlijke denkbeelden te weeg brengen4 ,zoo deze echter slechts de kennis van het thans bestaande bevatten1 voor zoo verre dit voor volmaakte aanschouwing vatbaar is1 en die van het verledene en toekomstige1 voor zooverre deze in het tegenwoordige vervat zijn1 zal die kennis volmaakt juist zijn4 ,van eene kennis zooals wij menschen bezitten1 waarbij uit de beschouwing van verschijnselen afgeleid is het bestaan van zekere natuurwetten en1 door het bestaan zulke wetten te stellen1 tot het aanwezig zijn van andere verschijnsels besloten wordt1 moet zij aldus onderscheiden zijn4 ,de wetenschap van wetten dient bij de kennis van het oerwezen bevat te zijn in de aanschouwing van al de er door te weeggebragte verschijnsels1 want slechts dan kan zij geheel zeker zijn4 ,die veranderlijke denkbeelden van den oergeest 7door zijne onveranderlijke denkbeelden oneindig maal in sterkte overtroffen wordende7 moeten niet als deze laatste slechts betreffen de bewegingsveropenbaring van het geheel van bewegingen m welke die denkbeelden bepalen en er door bepaald worden1 evenmin als zulks bij ons menschen het geval is4 ,het geheel van beweging1 onze denking bepalende1 vormt toch geen verschijnsel op het gebied der veropenbaring der zelfstandigheid door beweging1 waarmede onze denking zich alleen bezig houdt1 ja zij is zelfs onnaspeurlijk voor onze zintuigen4 ,die bewegingen m moeten echter van invloed zijn op andere bewegingen1 bijv4 die waardoor de organisatie der planten en dieren gevormd wordt en deze omhoog drijven en voor de levensomstandigheden waarin zij verkeeren geschikt maken4 ,minder naauwkeurig1 aangezien denking slechts op denking en niet direct op bewegingen van invloed is1 zou men kunnen zeggen1 dat door de denkbeelden van den oergeest door de bewegingen m bepaald1 die organisatien op eene wijze1 direct uit de bestaande gebreken voortvloeijende1 voor derzelver levensomstandigheden geschikt gemaakt worden4 ,wegens de kracht waarmede het bestaande1 of dit al of niet moge voldoen1 onveranderd tracht te blijven1 of anders gezegd wegens de werking der traagheid1 zullen die verbeteringen te laat plaats hebben1 doch zij kunnen niet ten gevolge van zulk eene onzekere en indirecte aanschouwing der gebreken en niet in zulk een indirect verband hiermede aangebragt worden als de verbeteringen van ons menschen voortspruitende4 ,het oordeelen of deze of gene verbetering te verkiezen is1 zal er aldus niet bij kunnen plaats hebben4 ,het aannemen van die bewegingen zonder er door bepaalde denking heeft sommige menschen geleid tot het ontkennen van doel in de natuur1 terwijl het niet aannemen van zulke bewegingen1 maar wel van die denking1 andere menschen geleid heeft tot de miskenning van het noodwendig uit elkander voortvloeijen der stoffelijke verschijnsels4 ,elk verschijnsel bevat iets bijzonder1 tot alleen eigen1 voorts iets meer algemeen en minder veranderlijk1 dat het met meer soortgelijke verschijnsels gemeen heeft1 iets nog meer algemeen en nog minder veranderlijk1 dat het met eene grootere verscheidenheid van verschijnsels gemeen heeft enz4 ,een verschijnsel is het bijv4 dat een dier des winters eene zwaardere vacht verkrijgt4 ,het meest bijzondere hiervan bestaat in de eigenaardigheden dier vachtverzwaring bij dit eene dier verscheiden van die in het algemeen bij de dieren dierzelfde soort bestaande1 het minder bijzondere1 in het eigenaardige der verzwaring der vacht bij de gansche soort1 het meer algemeene1 in het eigenaardige der natuurlijke beschutting van al de diersoorten tegen koude1 het nog meer algemeene1 in dat van derzelver beschutting tegen schadelijke invloeden in het algemeen en het meest algemeene1 in dat der beschutting der levende organisme op al de wereldbollen tegen schadelijke invloeden in het algemeen4 ,bij elk verschijnsel1 bij elk in vachtverzwaard dier kan het meer bijzondere niet bestaan1 zonder het meer algemeene1 doch wel omgekeerd1 en kan de zorg voor het meer bijzondere niet bestaan zonder die voor het meer algemeene en is dit laatste iets van meer gewigt dan het eerste4 ,men kan die geschiktmaking der organisatin der dieren voor derzelver levensomstandigheden vergelijken met het in goeden gang houden van machines van verschillend maaksel1 tot verschillende einden dienende en aan allerlei storende oorzaken blootgesteld4 ,de hiervoor te nemen maatregelen zullen dan1 deels voor elk dier machines verschillende1 doch deels ook voor alle dezelfde worden4 ,behalve die gedurige verbetering van zulke machines kan men eene beschouwing van derzelver goede werking aannemen4 ,wij menschen zouden1 niet alleen wegens den aard onzer zintuigelijke waarneming1 maar tevens ook wegens die onzer denkvormen1 zulke machines achtervolgens bezigtigen1 en1 van de eene naar eene andere gaande1 de denkbeelden betreffende de eerste latent maken4 ,men kan zich echter ook voorstellen dat1 even als men het bespelen van al de instrumenten van een orkest tegelijk en niet achtereenvolgens hoort1 al zulke machines te gelijk bezigtigd worden4 ,geschiedt zulks en verandert de werking van elk dier machines1 zoo is de denking van den toeschouwer niet veranderlijker dan de taferelen die hij aanschouwt2 terwijl dit daarentegen wel het geval is1 zoo hij die veranderlijke werking dan bij de eene en dan bij de andere machine beschouwt4 ,dit kan met op blz4 #ahb gemelde in verband gebragt worden4 ,de bewuste aanschouwing der verschijnselen leidt niet alleen1 zooals op blz4 #aai gezegd is1 tot onderzoek en verklaring er van1 maar ook tot verificatie der waarde onzer begrippen over die verschijnselen4 ,de eerste soort van bewuste aanschouwing betreft meer verschijnselen dan die waarvan den aard verklaard wordt1 terwijl de tweede soort van aanschouwing der dingen 7dieper en grondiger dan de eerste zijnde en waaronder bijv4 behoort die van de telescopische planeet ,neptunus71 slechts van eenige dier verklaringen de waarde aantoont4 ,zoo nu die eerste soort van aanschouwing niet grooter werd1 zou de kennis der verschijnselen en de controle hiervan door de tweede soort van aanschouwing zich van lieverlede1 op derzelver hoogte stellen1 die kennis aldus eindelijk volmaakt juist worden1 en die tweede soort van aanschouwing alsdan direct den aard en het verband der verschijnselen aantoonen1 zoodat men naar geene verklaringen er van zou te zoeken hebben4 ,zulk een eind toestand kan bij in geestontwikkeling toenemende en deze aarde tot standplaats bezittende wezens niet bestaan2 doch1 naarmate bij aardsche wezens de geestelijke ontwikkeling en eerstgemelde soort van bewuste aanschouwing minder toenemen1 zal de controlerende aanschouwing minder ten achteren blijven1 en de afwijkingen van dien eindtoestand geringer zijn4 ,dit bijv4 kan bij de dieren het geval zijn1 niettegenstaande bij hen de eerste soort van bewuste aanschouwing geringer dan bij ons menschen is4 ,de werking der traagheid1 waardoor bij ons menschen de sterkte der controlerende aanschouwing der verschijnselen ten achteren is betrekkelijk onze denkbeelden over den aard en de toedragt dier verschijnselen1 maakt dat vele verschijnselen ons toevallig voorkomen4 ,kon men bijv4 uiterst goed waarnemen op welk eene wijze een witte of zwarte bal blindelings uit eene bus 7evenveel witte als zwarte ballen bevattende7 getrokken wordt1 zoo zou het trekken van een witten bal ons niet meer toevallig voorkomen4 ,dat ons ligchaam en onze zintuigen van dien aard zijn1 dat zij bij de verst verwijderde generatin nimmer zoodanig kunnen worden1 dat de controlerende aanschouwing van elk verschijnsel der aard hiervan zoo sterk aantoont1 dat geene onzekere veronderstellingen daaromtrent kunnen gevormd worden1 is slechts een bewijs dat op deze aarde de harmonie tusschen die aanschouwing en de redeneering bij der menschen geest onmogelijk kan ontstaan en dat deze aldus geen product dezer aarde is4 ,hierbij dient echter onkunde1 waarvan men bewust is1 als kennis aangemerkt te worden1 daar zij vordert het bezit van denkbeelden over verschillende wijzen waarop eene zaak zich kan toedragen1 doch waar tusschen men1 wegens de onvolkomenheid der waarneming1 geene keus weet te doen4 ,zoo iemand1 in eene foul staarde1 bijv4 door den bliksem wordt getroffen1 zal een naturalist zeggen1 de vochtigheid van het ligchaam en de aard van den bodem waarop de getroffen persoon stond1 de verplaatsing van de donderwolk kunnen hiertoe geleid hebben1 en hij blijft in het onzekere4 ,niet alzoo de supre-naturalist1 zoo deze dit verschijnsel wijdt aan het opwekken van den toorn ,gods door den getroffen persoon4 ,hij die zulk eene verklaring geeft bewijst slechts dat hij van zijne onkunde weinig bewust is4 ,zoo nu de inrigting van het ,heelal zoodanig was1 dat die supre-naturalist gelijk had1 zouden de ,natuurwetten zoo uiterst zamengesteld zijn1 dat verstandige redenering over den aard der verschijnselen tot geene uitkomst zou leiden1 en dat slechts de directe aanschouwing van elk derzelve ons er mede bekend zou maken #eb4 ,met zulke wetten kunnen eenigzins vergeleken worden die voor de uitspraak der ,engelsche taal4 ,het is circa even gemakkelijk om van die taal woord voor woord door nazegging goed te leeren uitspreken1 dan om de regels dier uitspraak te leeren en toe te passen4 ,voor zooverre de menschen schijnbaar vrijwillig handelen1 zijn hunne handelingen geheel toevallig1 of anders gezegd1 de vruchten van accidentele oorzaken1 en kan men evenmin uit de omstandigheden1 waarin die menschen verkeeren1 opmaken1 welke schakels van redeneringen uit die omstandigheden zullen voortvloeijen en tot welke handelingen die redeneringen zullen leiden1 als dat men uit de houding der hand1 welke men in eene met ballen van verschillende kleur gevulde bus zal steken1 benevens uit de kennis van de kleur dier ballen1 kan opmaken1 van welke kleur een blindelings getrokken bal zal zijn4 ,er bestaat echter onderscheid tusschen handelen ten gevolge van inwendigen dwang bij het doen van aaneengeschakelde redeneringen1 en handelen ten gevolge van uitwendigen dwang4 ,zoo overigens wij en anderen steeds in den letterlijken zin schijnbaar vrijwillig handelden1 zouden1 zoowel onze daden als die van anderen1 ons steeds raadselachtig voorkomen4 ,wordt toch iemand niet door bekende beweegredenen gedwongen tot zekere handeling1 zoo is deze toevallig1 dat is zoo iemand weet zich volstrekt niet te verklaren waarom hij zoo handelt4 ,zulke beweegredenen bestaan nu ook bij het doen eener keus1 zoodat1 wanneer deze schijnbaar vrijwillig geschiedt1 het is alsof zij door dobbelen bepaald wordt4 ,dat der menschen daden afhangen van constante oorzaken zooals bijv4 den aard van hun geest1 is voor hen een waarborg1 om1 althans niet binnen zeer korten tijd1 daden1 geheel met den huidigen toestand hunner ziel in strijd1 te verrigten4 ,overigens moet die inwendige dwang slechts bij den geest verondersteld worden te bestaan en die dwang hierop door het ligchaam uitgeoefend1 slechts als een meer nabijzijnden uitwendigen dwang als dien der omgeving aangemerkt worden4 ,zedelijke daden1 ten gevolge van innerlijken dwang gedaan1 gaan van het individu zelf uit 7van daar het gevoel der toerekenbaarheid7 en toonen op welken trap van zedelijke ontwikkeling het1 met betrekking tot de maatschappij waarin het verkeert1 staat1 en voor welke behandeling het aldus geschikt is4 ,doet een individu1 zonder uitwendig hiertoe gedwongen te worden1 kwaad1 zoo is het niet voldoende zijne omgeving zoodanig te maken1 dat het geen kwaad meer kan doen1 en aldus den uitwendigen dwang hiertoe weg te nemen1 maar het moet ook gestraft1 dat is als een lager ontwikkeld wezen behandeld worden4 ,is de intellectuele ontwikkeling van dit individu even groot als die van het gros der menschen1 zoo moet klaarblijkelijke die behandeling anders zijn1 dan zoo zij even laag als de zedelijke ontwikkeling staat1 hiervoor bestaat er even goed reden als om bijv4 een hond anders te behandelen dan een schaap4 ,in het eerste geval heeft men te doen met een disharmonisch wezen1 dat in zijn eigen oog behoort vernederd te worden1 in het tweede met een meer harmonisch wezen1 dat naar lagere rangen behoort te worden verbannen4 ,ongerijmd is het echter zoo bijv4 een zedeloos mensch zegt3 ik kan mijn gedrag niet verbeteren1 want mijne denkbeelden zijn gedetermineerd1 dat is uit een dezer kunnen niet zus of zoo andere volgen4 ,zoo iemand stelt toch zijne keus1 om zijn gedrag niet te verbeteren1 ongedetermineerd1 en niet voor een deel zijn later gedrag noodwendig te moeten bepalen4 ,de menschen handelen onder den gezamentlijken invloed van bekende oorzaken 7zooals bijv4 hun karakter7 en van onbekende accidentele oorzaken1 welke de gevolgen van eerstgemelde oorzaken kunnen vergrooten1 maar ook verkleinen en zelfs opheffen4 ,van daar hunne bewustheid dat hunne daden anders kunnen zijn1 dan zoo deze enkel de gevolgen van eerstgemelde oorzaken waren4 ,waar dit niet het geval is1 hebben wij dan ook het bewustzijn dat onze denking niet vrij is1 bijv4 dat wij de tastbaarste waarheden niet in gemoede kunnen ontkennen4 ,door accidentele redeneringen kan men echter constante oorzaken bijv4 zijn karakter en een graad van verlichting1 waardoor het onmogelijk wordt om aan bijgeloovigheden te hechten1 veranderen4 ,de indeterminist1 die den drang dier constante oorzaken ontkent1 maakt 7zie blz4 #aab7 van de wereld een warboel1 de determinist1 die de werking der accidentele redeneringen niet telt1 vervalt tot fatalisme1 voor beiden zal echter in de praktijk de illusie dat hun wil vrij is sterker zijn1 naar gelang hunne kennis van hetgeen er met hen voorvalt de op blz4 #agh gemelde controlerende aanschouwing meer overtreft4 ,op blz4 #fg hebben wij gezegd1 dat denkbeelden1 uit het hoofd gebragt zijnde1 tijdens het verkrijgen van nieuwe denkbeelden1 van lieverlede uitgewischt worden4 ,moeijelijker echter geschiedt dit1 naarmate die latente denkbeelden dieper in den geest gegrifd zijn1 moeijelijker aldus wanneer zij1 al of niet door middel van de spraak uitdrukbaar1 betreffen iets1 dat men met inspanning geleerd heeft1 dan wanneer zij slechts door vlugtige zintuigelijke indrukken ontstaan4 ,wanneer men bijv4 zich in eenige wetenschap geoefend heeft en er gedurende eenigen tijd niet meer aan doet1 zal men wel van die wetenschap het een en ander en wel voornamelijk datgene1 wat meer bepaaldelijk geheugenwerk is1 vergeten1 doch andermaal de beoefening dierzelfde wetenschap weder opvattende1 zij gemakkelijker als vroeger zijn4 ,die eerste leering is aldus niet te vergeefs geworden4 ,dit bestaan van latente denkbeelden is een gevolg van de veranderlijkheid van ons bestaan1 zoodat1 bij het komen in nieuwe toestanden1 nieuwe denkbeelden sterk in het hoofd gebragt of werkdadig worden4 ,ware dit niet het geval1 kon men al zijne denkbeelden in ligte mate in het hoofd houden1 geen dezer zou dan vergeten worden1 doch de som der denkbeelden1 de diepte dezer ook in acht nemende1 niet vergrooten1 terwijl daarentegen dit opdagen van nieuwe toestanden de belangstelling opwekt1 tot grootere inspanning leidt en maakt1 dat men 7zie blz4 #aea7 meer nieuwe denkbeelden verkrijgt dan oude vergeet4 ,die invloed der veranderingen van toestand doet zich in sterke mate gevoelen bij de denkbeelden betreffende der menschen eigen geschiedenis1 en wel in veel sterkere mate bij kinderen dan bij bejaarden4 ,men kan het er dus voor houden1 dat die invloed sterker is1 naarmate de geestelijke ontwikkeling en de zelfbewustheid geringer zijn1 ofschoon dan niet steeds de betrekking der kennis van verleden en heden eene kleinere breuk zal zijn4 ,het laat zich toch denken1 dat1 wanneer de bewuste aanschouwing van het heden zwakker is bij eenig wezen van zwakkere zelfbewustheid dan bij een ander1 die breuk bij dit eerste wezen grooter dan bij het tweede kan zijn1 niettegenstaande1 dat het zich absoluut minder dan dit tweede van zijn verleden herinnert4 ,in elk geval zal bij een in geestelijke ontwikkeling en zelfbewustheid toenemend wezen de herinnering van feiten1 naarmate deze langer verleden zijn1 niet slechts kleiner zijn1 wegens den langeren tijd sedert verloopen1 maar tevens omdat1 toen zij pas verleden werden1 de zelfbewustheid van het wezen geringer was4 ,de zelfbewustheid van dit wezen constant zijnde1 zoo zou zijne herinnering van feiten1 bij het begin der achtervolgende veelvouden van zekere tijdseenheid geschiedt1 vertragende verzwakken1 naarmate die veelvouden grooter zijn en aldus nimmer volmaakt nul zijn1 hoe groot die eindige veelvoud ook zijn moge4 ,aldus zal bijv4 de herinnering van een feit1 voor #bn jaren plaats gegrepen1 minder met die van een dergelijk feit1 voor n jaren geschiedt1 verschillen dan die laatste herinnering met die van een dergelijk feit1 zoo dit gisteren heeft plaats gehad4 ,wegens bovengemeld effect van het zwakker zijn der zelfbewustheid van de waarnemers van feiten1 naarmate deze tijdens het begin van grootere veelvouden van zekeren tijd plaats gehad hebben1 zullen de herinneringen dier feiten bij in zelfbewustheid toenemende wezens1 kleinere onderdeelen dezer herinneringen zijn1 7in de veronderstelling1 dat die zelfbewustheid steeds even groot als in het heden geweest was71 naarmate die feiten tijdens het begin van grootere veelvouden van zekere tijdseenheid geschiedt zijn4 ,aldus zullen bij elk wezen1 zekeren graad van zelfbewustheid verkregen hebbende1 die herinneringen geheel nietig zijn1 zoo zij feiten betreffen geschiedt toen zijne zelfbewustheid nog betrekkelijk gering was1 en de som der herinneringen van al die feiten zelfs geheel nietig zijn1 al is dit aantal feiten grooter dan de grootst mogelijke eindige grootheid #ec4 ,dit betrekkelijk kleiner worden der herinnering van feiten1 naarmate deze waargenomen zijn door wezens van kleinere zelfbewustheid1 bestaat bijv4 bij de geschiedenis der menschheid1 omdat1 naarmate volken op een lager standpunt van beschaving staan1 hunne geschiedenis meer verloren raakt4 ,van hetgeen bijv4 vroeger dan #ajjj jaren voor het begin onzer jaartelling geschiedt is1 weten wij zeer weinig en de kennis hiervan kan vergeleken worden met hetgeen een bijv4 #cd;jarig mensch weet van de geschiedenis van zijn eigen leven voor bijv4 zijn zesde jaar4 ,de kennis van zijn verleden gedurende een acht-en-twintigjarig tijdvak vormt aldus zeer nabij zijne gansche kennis van zijn verleden1 even als de kennis der geschiedenis van het menschdom gedurende de jongste acht-en-twintig verloopen eeuwen bijna onze gansche kennis vormt der geschiedenis van de voorouders van het thans bestaande menschelijke geslacht1 sedert dat het organische leven op deze aarde begonnen is te ontluiken zie blz4 #cj4 ,sommige geologen stellen nu dat dit voor meer dan tienduizend millioen eeuwen geschied is1 zoodat1 stellende1 dat bij een imaginair menschelijk wezen de toeneming in geestontwikkeling honderdmaal sterker is dan bij het menschdom en deszelfs stamboom vormende voorouders1 zulk een imaginair mensch1 voor tienduizend millioen plus acht-en-twintig jaren geboren1 gedurende dit eerste aantal jaren het maar tot den staat van een zesjarig kind zou gebragt hebben1 en geen noemenswaardige herinnering van zulk een ontzettend lang bestaan zou bezitten4 ,dit in de geschiedenis onbekende ontzaggelijk lange verleden van het menschelijke geslacht1 voor dat dit eene noemenswaardige mate van beschaving verkregen had1 heeft echter er voor eene werkelijke waarde4 ,op blz4 #ca hebben wij toch aangegeven1 hoe1 wegens de werking der traagheid1 naarmate een organisch wezen sneller verandert1 deszelfs organisatie slechter wordt4 ,die trage opklimming der organisatie der voorouders van het menschelijk geslacht heeft aldus gemaakt1 dat dit voor de levensomstandigheden waarin het verkeert1 geschiktere ligchamen bezit4 ,vooral moet dit het geval zijn bij de eigenaardigheden dier organisatie vroeger bij de achtervolgende generatin van den stamboom van het menschelijke geslacht bestaan hebbende1 en die aldus in sterkere mate als de grondslagen er van kunnen beschouwd worden4 ,hetgeen der menschen organisatie1 met die van al de gewervelde dieren gemeen heeft1 behoort toch meer tot de grondslagen hunner organisatie dan de bijzonderheden hiervan1 bij geen viervoetig en dus nog minder bij visschen aangetroffen wordende1 en1 hetgeen de organisatien van al de dieren gemeen hebben1 vormt nog in sterkere mate den grondslag der organisatie der gewervelde dieren dan hunne geraamten en ledematen4 ,daar nu de sterkte van opklimming der organisatie bij de achtervolgende generatin van bovengemelden stamboom zwakker geweest is1 naarmate die generatien vroeger geleefd hebben en eene lagere organisatie bezaten1 zoo moeten de eigenaardigheden der organisatie der menschen volmaakter zijn1 naarmate zij in sterkere mate de grondslagen er van vormen4 ,evenzoo zou dit het geval zijn met de geestelijke ontwikkeling van den op blz4 #ahe gemelden imaginaire mensch na tienduizend millioen levensjaren slechts den graad van ontwikkeling van een zesjarig kind bereikt hebbende4 ,eene zeer zwakke toeneming in geestontwikkeling gepaard gaande met zeer geringe verandering en vernieuwing van denkbeelden1 moet deze zie blz4 #aae en #agh eene zeer groote mate van juistheid geven1 en van daar misschien1 dat de dieren binnen een zeer beperkten kring zoo oordeelkundig te werk gaan #ed4 ,nu zijn het juist de denkbeelden1 welke een wezen bezit1 voor snel in ontwikkeling toe te nemen1 welke den grondslag vormen der later te verkrijgen denkbeelden1 en waarvan de deugd dier latere vergrooting in geestontwikkeling voornamelijk afhangt4 ,een mensch1 ofschoon zich zijne lotgevallen voor zijn zesde jaar niet meer herinnerende1 bezit op dien leeftijd eene geestontwikkeling1 wel is waar betrekkelijk die van later gering1 doch uithoofde van het zooeven gemelde1 van eene betrekkelijke belangrijke waarde1 zie voorgaande noot4 ,het is nu echter de vraag of een kind1 van af het oogenblik1 dat het begint te zien en te hooren1 betrekkelijk snel in geestontwikkeling zou kunnen toenemen1 zoo er op dit oogenblik geen grondslag aanwezig was voor dit op te trekken gebouw van denkbeelden dat is zoo dit kind alsdan niet reeds eene voor ons onwaarneembare geestontwikkeling bezat4 ,deze achten wij nu niet te bestaan uit zoogenaamde aangeboren denkbeelden1 maar wel uit die1 gedurende vroegere zielenlevens1 door tusschenkomst van met de aardsche verschillende zintuigelijke indrukken1 verkregen4 ,de verschillen hierin vergelijkende met die tusschen de behandeling van buksen en van bogen1 zoo zou men zulk een kind1 op het oogenblik der geboorte reeds zekere geringe geestontwikkeling bezittende1 kunnen vergelijken met iemand1 nooit eene buks in handen gehad hebbende1 maar geoefend in de behandeling van den boog4 ,wel zijn de tot het domein der denking behoorende zintuigelijke indrukken in zekeren zin de bouwstoffen der denkbeelden1 doch1 even goed1 als men deze eerst in eene en later in eene andere taal uitdrukt1 kan men hen eerst uit deze en later uit andere zintuigelijke indrukken zamenstellen4 ,op blz4 #agd hebben wij gezegd1 dat werkdadige denking onbestaanbaar is zonder aanschouwing der veropenbaring der zelfstandigheid door beweging1 zoodat1 deze bij het heelal niet bestaande1 alle denking zou vervallen4 ,van den anderen kant drukt het woord veropenbaring uit het bestaan van iets waaraan zij geschiedt1 dat niet anders dan bewuste denking1 onder welke vorm ook1 kan zijn1 zoodat1 zonder deze1 er wel van zelfstandigheid1 doch van geene veropenbaring hiervan sprake kan zijn4 ,bij dit woord van zelfstandigheid mag dan niet eens aan massa en beweging gedacht worden1 omdat dit begrippen onafscheidelijk van denking zijn4 ,op verschillende plaatsen hebben wij op blz4 #add gezegd1 dat de denking bepaald wordt door atomistische beweging1 ofschoon zij volstrekt niet in reden der sterkte hiervan is2 naauwkeuriger is het echter om te zeggen1 dat de zelfstandigheid1 in den toestand zijnde waarin zij zich veropenbaart1 eenige denking bepaalt1 omdat die toestanden niet aanschouwd wordende1 de zelfstandigheid zich op geenerlei wijze zou veropenbaren4 ,men kan echter niet zeggen1 dat die veropenbaring verloren gaat1 wanneer ligchamen niet het voorwerp der aanschouwing van menschen zijn1 evenmin als men kan zeggen1 dat de denking dezer onbestaanbaar is1 wanneer bij derzelver aanschouwing de aardsche zintuigelijke indrukken niet meer worden opgewekt4 ,dat menschen kunnen stellen1 dat die onbestaanbaarheid niet bestaat1 bewijst de juistheid dier stelling4 ,elke met ernst geopperde stelling moet toch1 hoe weinig ook1 zekeren grond van waarheid bevatten4 ,zegt men bijv4 van een schurk1 dat hij een braaf mensch is1 zoo moet braafheid met betrekking tot dien persoon niet iets volstrekt onbestaanbaar zijn1 evenals bijv4 met betrekking tot een spiegel4 ,zoo nu het bestaan van eenigen grond van waarheid bij eene stelling vereischt1 dat deze geheel waar is1 moet zulks het geval zijn en aldus iets niet onbestaanbaar zijn1 zoo er eenigen grond voor de bestaanbaarheid er van bestaat4 ,bespiegelingen over hetgeen op buitenzinnelijk gebied bestaat1 zijn voor ons menschen mogelijk en kunnen aldus1 hoeveel dwalingen ook inhoudende1 niet in alle deelen ongerijmd zijn4 ,hebben de menschen immer gedacht eenige wetenschap te beoefenen1 terwijl deze1 geheel op het gebied van het ongerijmde verkeerde8 ,naar ons inzien neen4 ,zoo bijv4 zochten de alchimisten goud in waardelooze stoffen en uit klei is het aluminium voor den dag gekomen4 ,de astrologen veronderstelden dat de hemelligchamen allerlei invloeden op deze aarde uitoefenen1 en meer en meer invloeden schrijft men thans aan het zonnelicht toe4 ,buitendien dient men wel onderscheid te maken tusschen hetgeen de astrologen zelf voor wetenschappelijk waar hielden1 en hetgeen zij oningewijden zochten wijs te maken4 ,bij het op blz4 #ahe gemelde hebben wij het oog gehad op eene prexistentie der zielen van menschen en dieren1 gedurende welke zij1 annex zijnde aan ligchamen op andere wereldbollen1 wel zie blz4 #afi gemiddeld in geestontwikkeling versnellende zijn toegenomen1 doch hierin nog steeds te laag stonden1 om1 betreffende verledene feiten1 denkbeelden in den latenten toestand1 niet uiterst nabij geheel door nieuw opgekomen denkbeelden verdrongen en uitgewischt1 te behouden4 ,er bestaan naar ons inzien voor die hypothese even veel gronden als voor die van het niet ophouden van het bestaan der ziel na den dood van het ligchaam4 ,men dient toch aan te nemen1 dat1 even als de wereldbollen in massa toenemen1 door etherdeelen den aard hunner bestanddeelen te geven en aan zich te voegen1 de zielen in grootte toenemen1 door denkbeelden van den oergeest te verflaauwen ten bate hunner eigen hoeveelheid denkbeelden1 want anders bestaat er op het gebied der veropenbaring der zelfstandigheid door denking niet iets overeenkomende met de onveranderlijkheid van het totaal der massa op het gebied der veropenbaring der zelfstandigheid door beweging4 ,op blz4 #aeh hebben wij gezegd1 dat de hemelbollen voor den grootst eindigen tijd reeds eene eindige grootte bezaten en aldus gedurende geen eindigen tijd van af nul eene eindige grootte bereikt hebben4 ,ware dit het geval wel1 zoo zouden zij gedurende een eindig tijdvak in massa betrekkelijk oneindig maal vergroot zijn1 hetgeen1 bij een zelfstandig en door eigen vermogen en impulsie zich vergrootend iets1 niet aanneembaar is4 ,de zaken1 bij hun ontstaan oogenblikkelijk eene eindige grootte verkrijgende1 zijn afgescheiden en vervormde deelen van andere er mede gelijkslachtige zaken1 en is bijv4 de dierlijke vrucht eene afscheiding van de uitgegroeide ligchamen der ouders4 ,stelt men nu1 dat geene reeds vroeger bestaande denking aan de vrucht annex wordt1 maar dat er zich eene denking van nul af er bij ontwikkelt1 zoo weten wij niet waarom men deze voor geene afscheiding der denking der ouders zou houden4 ,terwijl echter het ligchaam in grootte toeneemt door afscheidingen uit massa's voedsel1 wier aard op die van het ligchaam van invloed is en waarvan1 door die er bij gedane afscheidingen1 de quantiteit vermindert1 waarmede vergroot zich de1 bij het aanhouden der werkdadigheid1 tot aan den dood in ontwikkeling toenemenden geest8 ,tegen de ontkenning der prexistentie bestaat buitendien ook dit bezwaar1 dat alsdan op eenige bollen zooals bijv4 de aarde er bij ligchamen denking van niet af zou ontstaan1 terwijl er slechts vroeger bestaande denking annex zou worden aan de ligchamen op andere bollen aanwezig1 een onderscheid1 waarvoor geene reden van bestaan is4 ,wezens kunnen naar ons inzien niet binnen een eindigen tijd van nul af zekeren graad van aanleg verkrijgen1 en deze dient zie blz4 #aea1 tijdens dezelfde toeneming in geestontwikkeling1 meer te vergrooten1 naarmate die toeneming der geestontwikkeling gedurende meer tijd heeft plaats gehad #ee4 ,daar1 na het komen van wezens onder geheel andere omstandigheden1 de door eene nieuwe aanschouwing opgewekte denkbeelden meer zullen verschillen van die in vroegere omstandigheden verkregen1 naar gelang zij meer het bijzondere betreffen1 en er aldus van de vroeger verkregen denkbeelden in den latenten toestand minder uitgewischt zullen worden1 naarmate deze het meer algemeene betreffen1 zoo zal1 naarmate van eenig wezen de denkbeelden meer van laatstgemelden aard zijn1 het zich onder geheel nieuwe omstandigheden in sterkere mate herkennen4 ,dit houden wij voor het ware deel van het dogma der zielsonsterfelijkheid verkregen door het geloof1 omdat dit geloof gewaand werd in te houden begrippen verheven boven de denkbeelden verkregen door de indrukken der omgeving en van het heden1 bijv4 de denkbeelden over der menschen handel1 bedrijf en vermaken1 welke allen het zeer bijzondere betreffen4 ,de physica leert1 dat zekere geheelen van moleculaire bewegingen van stofdeelen1 als zoodanig niet waar te nemen1 maar zekeren zintuigelijken indruk1 bijv4 het beeld van eenig voorwerp te weeg brengende1 zich bij eene middenstof onbegrijpelijk snel golfvorming in de eene of andere rigting voortplanten en aldus onbegrijpelijk snel van stofdeelen verwisselen4 ,in uiterst korten tijd breiden zij zich uit over stofdeelen binnen verbazende inhouden bevat1 en ongehinderd doorkruisen zij andere dergelijke zich in andere rigtingen golfvorming voortplantende geheelen van moleculaire bewegingen4 ,de electriciteit1 van eene in den grond gegraven zinkplaat uitgaande1 bestaat hoogstwaarschijnlijk uit zulke binnen de vochtige aardkorst zich golfvorming voortplantende moleculaire bewegingen1 en deze breiden zich van af die zinkplaat uiterst snel over de omringende ruimte alsware tastende uit2 doch1 zoodra een deel er van eene honderde mijlen verwijderde ingegraven koperen plaat bereikt heeft 7iets dat1 uiterst kort nadat die golfvormige voortplanting begonnen is1 geschiedt7 dringen zij alsware hier naar toe en verzamelen zij zich er bij4 ,men verbeelde zich eene lange goot1 uitgezonderd bij de beide einden1 waar zich afgesloten vakken bevinden1 met water en aldaar met eenig ander vocht van even groot specifiek gewigt als water gevuld4 ,zoo nu dit vocht binnen een dier vakken in golving is1 en men verbreekt de afsluiting1 wordt die golving voortgaande1 plant zij zich voort tot binnen het water1 dat vroeger in rust was1 doorloopt zij1 navolgbaar dezelfde blijvende1 al verandert zij van gedaante1 de goot en komt zij eindelijk binnen het tegenovergestelde vak1 zoo dit open is4 ,wordt dit laatste vak alsdan direct gesloten1 zoo blijft die golving hier binnen en het vocht binnen het eerste vak is dan op het oog in rust #ef4 ,even als nu het wezen van ligchamen in het algemeen1 waartoe ook zulke1 golvingen behooren1 7omdat ligchamen zijn de veropenbaringen der zelfstandigheid door beweging7 zich in sommige omstandigheden onbegrijpelijk snel verplaatsen kan1 om op uiterst verren afstand van de primitieve plaats1 wegens den aard der localiteit daar ginds1 weder stil te staan1 zoo kan dit1 naar ons inzien1 ook doen het niet zintuigelijk aanschouwbare geheel van bewegingen het denken van eenig wezen bepalende1 en omgekeerd door die denking bepaald wordende4 ,wel is waar is de moleculaire beweging bij den ether1 tusschen en binnen de hemelbollen gelegen en deze1 zie blz4 #afe en #aga in verbinding met elkander brengende1 anders dan bij het cellenweefsel der zenuwknoopmassa1 doch op blz4 #add is reeds gezegd1 dat het niet de zintuigelijke aanschouwing te weeg brengende moleculaire bewegingen der zenuwknoopmassa behoeven te zijn1 welke de denking der menschen bepalen4 ,bij het bovengemelde voorbeeld zijn het toch niet de moleculaire bewegingen van het vocht1 waardoor dit bijv4 spiegelend1 blaauw en vloeibaar voorkomt1 welke de golving te weeg brengen4 ,wegens de talrijkheid der bevolking dezer aarde 7en nog in veel sterkere mate van die van het uiterst groote aantal hemelbollen na hun vertrek van het op blz4 #afa gemelde middelpunt1 tot een gelijksoortigen graad van ontwikkeling gestegen zijnde7 zullen de oorzaken1 tot veel en weinig sterfte bijdragende1 door gelijktijdig te bestaan1 te zamen eene resulterende gemiddelde sterfte te weeg brengen en dit eveneens plaats hebben met de oorzaken welke de geboorten bevorderen en verhinderen4 ,op die1 wegens gelijktijdigheid van ontstaan in zekere zin gelijksoortige hemelbollen1 te zamen beschouwd1 zullen gedurende korte tijdperken er aldus evenveel vruchten bestaan1 waarbij eene zelfstandige denking annex wordt1 en dit constante aantal door zeer algemeene oorzaken bepaald worden4 ,diezelfde algemeene oorzaken kunnen nu tegelijkertijd bepalen de sterfte gedurende even groote tijdvakken plaats hebbende op de verzameling bollen m1 aan de middelpuntszijde van gene gelegen1 en die tot op den voorafgaanden trap van ontwikkeling van die der bollenverzameling n1 waartoe onze aarde behoort1 gestegen is4 ,die algemeene oorzaak is te vergelijken met de verhouding tusschen de witte en zwarte ballen binnen eene bus1 waaruit blindelings een uiterst groot aantal ballen getrokken worden4 ,doen nu twee personen1 onafhankelijk van elkander1 even veel trekkingen1 zoo zal de kans1 dat beide even veel witte ballen trekken1 uiterst groot zijn1 en1 zoo er eene oorzaak bestaat hen hiertoe dwingende1 het bestaan hiervan geheel onmerkbaar kunnen zijn1 daar1 zoo beide personen geheel vrij en onafhankelijk van elkander te werk gaan1 er uiterst groote kans bestaat1 dat zij tot dezelfde uitkomst zullen geraken1 als onder den dwang dier oorzaak4 ,een zoo kan het annex worden van zelfstandige denking bij de vruchten op de verzameling van bollen n1 gedurende korte tijdvakken even menigvuldig zijn1 als het ophouden van het annex zijn van zelfstandige denking bij stervende ligchamen op de verzameling van bollen m1 niettegenstaande het eene schijnbaar geheel onafhankelijk van het andere plaats heeft4 ,wat meer is gedurende uiterst korte tijden kan dit het geval zijn1 daar bijv4 hier op aarde het juiste oogenblik van het sterven niet aan te geven is1 zoodat men bijv4 onmogelijk kan opmaken1 hoeveel personen er gedurende achtervolgende secunden werkelijk sterven1 terwijl er geene questie van is om het juiste tijdstip1 waarop de vruchten beginnen te denken1 aan te geven4 ,wij moeten hier zelfs de hypothese opperen1 of niet alle ontstaan van organisch leven op de verzameling bollen n gepaard gaat met vernietiging van dit leven op de verzameling bollen m1 zoodat de bollen hiervan alsware levensstroomen 7in den zin van electrische stroomen opgevat zie blz4 #aib7 naar de bollen der verzameling n zenden #eg4 ,de geene zintuigelijke indrukken teweegbrengende moleculaire bewegingen bij die stroomen1 zouden alsdan bepalen de denking1 de organisatie der er aan annex zijnde levende bewerktuigde natuur trachtende1 zooals op blz4 #adc gezegd is1 geschikt voor levensomstandigheden te maken1 en tegelijk die organisatie eene hoogere ontwikkeling trachtende te geven4 ,binnen die uit zich golfvormige voortplantende moleculaire of liever atomistische bewegingen zouden zich dan evenzoo voortplanten de geheelen van moleculaire beweging1 de denking der afzonderlijke wezens bepalende1 wanneer deze van er aan annex zijnde ligchamen veranderen4 ,die bijzondere stroomen zouden dan bij de plaatsen van aankomst van den algemeenen levenstroom van een bol uitgaande1 naar speciale punten leiden1 namelijk naar die waar vruchtbeginsels in een sterk stadium van groei1 den algemeenen stroom sterker zien naar toetrekken #eh4 ,tot het sterven der ligchamen van dieren moet1 naar ons inzien1 ook bijdragen de drang tot verhooging der ontwikkeling dier ligchamen door de er aan annex zijnde denking buiten die eigen denking der dieren1 en eerstgemelde denking alleen1 door te trachten de organisatie der gewassen eene hoogere ontwikkeling te geven1 deze doen sterven4 ,hiervan zijn toch de accidentele variatin der omstandigheden1 waarin die gewassen verkeeren1 niet1 de eenigste oorzaak1 zelfs voor de gemiddelde dier omstandigheden zijn de organisatien dier gewassen niet geschikt1 iets dat daarentegen wel het geval zou zijn1 zoo zij niet sneller in ontwikkeling toenamen1 dan op blz4 #aeg gezegd is door onze gansche planeet te geschieden4 ,van daar ook1 dat de laagst ontwikkelde planeten een taaijer leven dan de hooger ontwikkelde bezitten4 ,de oorzaak van het sterven der planten en der ligchamen der dieren 7bij deze laatste1 voor zooverre de toename in ontwikkeling hunner eigen denking dit zie blz4 #adc niet bevordert7 hebben aldus volgens deze hypothese plaats wegens de toename in ontwikkeling der bijzondere denkbeelden van den ,oergeest aan die levende planten en dierenligchamen annex1 iets dat1 naar ons inzien1 slechts dan bijna niet bestaat1 als die ligchamen bijna niet onderscheiden zijn van de overige massa van de hemelbollen1 dat weder slechts mogelijk is1 als deze bijna etherachtig van aard zijn4 ,slechts dan zullen die bollen bijna in geen staat van groei1 van verandering verkeeren1 bij derzelver organische natuur geboorten en sterfgevallen betrekkelijk niet noemenswaardig in aantal zijn en die aan die natuur annex zijnde bijzondere denkbeelden bijna niet naar hooger streven4 ,al het bijzondere en wel in sterkere mate1 naarmate het meer van het algemeenste op het gebied der veropenbaring der zelfstandigheid door denking 7de algemeenste en onveranderlijke denkbeelden van den ,oergeest7 en opdat der veropenbaring dier zelfstandigheid door beweging 7de ether buiten invloed der hemelbollen7 afwijkt1 moet1 naar ons inzien1 in ontwikkeling toenemen1 om reden van bestaan te hebben4 ,men kan zich wel iets bijzonder denken1 dat1 even als alles aan wiens invloed het blootgesteld is1 in geen opzigt1 of wel er tegelijk regelmatig periodiek mede verandert 7zoo als bijv4 het openen en sluiten der bloemen met de afwisseling van dag en nacht7 en dat aldus volmaakt geschikt is voor de omstandigheden waarin het verkeert1 doch1 door naar geen einddoel te streven1 zou het niet absoluut volmaakt zijn4 ,de op blz4 #aid gemelde levensstroom1 bepalende de bijzondere denking annex geweest aan de pas gestorven planten en dieren1 moet naar ons inzien uitkomen daar waar die bijzondere denking weder annex kan worden aan stofmassas er voor geschiktheid bezittende1 en die zij op een hongeren trap van organisatie kan voeren1 dan die welke zij verlaten heeft4 ,gesteld1 dat iemand ter zijner beschikking heeft eenige stukken stof1 in grootte verschillende1 en1 naarmate zij zulks meer doen in aard1 meer onderscheiden zijnde1 uit welk stuk zal dan die persoon een nieuwen rok laten maken1 zoo hij die1 gemaakt van een stuk waarvan de qualiteit hem het beste paste1 door te groeijen verscheurd heeft8 ,klaarblijkelijk uit het stuk stof1 in grootte en in qualiteit het digtste grenzende aan dat waaruit zijn vernielde rok gesneden geweest is1 en zelfs1 zoo hij nog een dergelijk stuk stof ter zijner dispositie had1 zou hij dit niet kiezen1 omdat de alsdan er uit te snijden rok te klein voor hem zou zijn4 ,wegens dezelfde reden moet de bovengemelde levensstroom uitkomen bij eene verzameling van hemelbollen een trap in ontwikkeling verschillende en van buiten 7namelijk aan de van het middelpunt van blz4 #afa afgekeerde zijde71 grenzende aan de bollenverzameling waarvan hij uitgaat4 ,zooals bekend is ontstaat de geslachtsvoortplanting door het ophouden van den groei der ligchamen der ouders1 en die groei moet1 dunkt ons1 het gevolg zijn van de toeneming in ontwikkeling der bijzondere denking aan het groeijende ligchaam annex 7zie blz4 #adc wel van de eigen denking van een persoon te onderscheiden7 zonder toeneming in geestontwikkeling onderscheiden4 ,bij onveranderlijke wezens1 zonder toeneming in geestontwikkeling1 voor hunne levensomstandigheden volmaakt geschikt en volmaakt in harmonie met hunne niet groeijende ligchamen1 zou er aldus ook geene reproductie bestaan1 zoodat die toeneming in geestontwikkeling zoowel die reproductie1 door de ligchamen te doen groeijen1 als1 door deze als ware geweld aan te doen1 het sterven te weeg brengt #ei4 ,welvaren der ligchamen moet zoowel de reproductie als derzelver groei gemakkelijker maken en aldus den op blz4 #aid gemelden levensstroom er naar toe trekken1 terwijl sterkere drang van dien stroom de reproductie ten koste van den groei der ligchamen moet bevorderen4 ,zooals bekend is1 is de organisatie der dierlijke vrucht bij het begin van derzelver ontstaan uiterst laag en1 evenmin als 7zie blz4 #cj7 bij de laagste soort van dieren 7zooals bijv4 de infusoria7 behoeft er dan eigen denking bij die vrucht annex te zijn1 en zal dit welligt eerst plaats hebben1 wanneer de organisatie er van zekeren trap 7iets hooger voor de bolverzameling n van blz4 #aic dan voor die m genaamd7 overschreden heeft4 ,ook kan de invloed der ligchamen der ouders de toename in ontwikkeling der organisatie der vrucht bevorderen1 doch1 even als de op blz4 #bh gemelde locomotief het paard helpt om den trein voort te trekken1 zoodat de impulsie tot die toename in ontwikkeling der organisatie der vrucht ontstaat door het er aan annex en min of meer werkdadig worden der door den op blz4 #aid gemelden levensstroom aangebragte bijzondere denking4 ,de invloed der ligchamen der ouders op de organisatie der vrucht is vergelijkbaar met die van het onderwijs op leerlingen4 ,deze behooren de zucht naar onderwijs niet van hunne leeraren te bekomen1 en zulk een onderwijs hen slechts in staat te stellen om sneller te leeren1 dan zoo zij dit uit hun eigen moesten doen1 benevens om de vakken te bepalen1 welke geleerd moeten worden4 ,men kan zich hierbij voorstellen1 dat dit onderwijs in zulk eene sterke mate gegeven wordt1 als de leerling poogt vorderingen te maken1 en dit vergelijkbaar zijn met het zich afmeten van den opheffenden invloed der ligchamen der ouders op de vrucht naar de werkdadigheid der hieraan annex zijnde bijzondere denking4 ,met de oorzaak der gelijkenis der jongen op hunne ouders is alsdan de aard der leervakken vergelijkbaar4 ,even weinig kan men zeggen1 dat de individuen dienen om de eigenaardigheid der soort te perpetueren1 alsdat leerlingen van gymnasia dienen om de kennis der oude talen in stand te houden4 ,de aan de vrucht annex zijnde bijzondere denking zou1 door de organisatie er van vooruit te zijn1 hierdoor alsware achterwaarts getrokken worden en aldus in geestontwikkeling verkleinen1 zoo zij niet een eigen drang tot uitbreiding en verhooging van haar veld van aanschouwing en dientengevolge tot vergrooting dier geestontwikkeling bezat4 ,bovengemelde werking van de ligchamen der ouders op de vrucht zal maken1 dat de organisatie hiervan minder bij de ontwikkeling dier bijzondere denking ten achteren blijft en1 naarmate hierbij den geestelijken aanleg1 die1 zooals op blz4 #aej gezegd is1 met de geestontwikkeling toeneemt1 grooter is1 men kunnen stellen1 dat die bijzondere denking annex wordt aan eene vrucht van ouders eene hoogere organisatie bezittende1 en die aldus de ontwikkeling der organisatie dier vrucht krachtiger vergrooten4 ,dit zou vergeleken kunnen worden met het zenden van vlugge kinderen naar scholen1 waarop het onderwijs sneller opklimt en1 de vorming tot eene hoogere maatschappelijke betrekking ten doel heeft4 ,dat de reproductie bij eenige diersoort grooter wordt1 wanneer1 ten gevolge der vervolging door nieuwe vijanden1 de sterfgevallen er bij menigvuldiger worden1 kan misschien ontstaan1 doordat het aantal individuen zulk eener soort verminderende1 terwijl het aantal sterfgevallen betrekkelijk grooter dan vroeger blijft1 die individuen wegens overvloediger voeding sneller dan vroeger zullen groeijen4 ,het omgekeerde zal daarentegen plaats hebben1 zoo wegens overbevolking de voeding schaarscher wordt1 en aldus dan de gestalte der menschen verkleinen en het betrekkelijke aantal geboorten zooveel verminderen1 tot dat deze weder even menigvuldig als de sterfgevallen zijn #fj4 ,naarmate de hemelbollen in aard minder met den ether verschillen1 zullen zij1 zooals op blz4 #afj gezegd is1 betrekkelijk trager bewegen en in massa toenemen en1 in harmonie hiermede1 de er op wonende wezens in zeker opzigt qualitatief minder met den ,oergeest verschillen1 trager in geestontwikkeling toenemen1 op elk dier bollen gemiddeld langer leven4 ,hunne verwisseling van ligchaam zal meer geleidelijk geschieden en bij de denking dier wezens eene minder scherpe verandering te weeg brengen1 terwijl de op blz4 #id gemelde terugtrekkende werkingen geringer zullen zijn bij hen dan bij ons4 ,zoo lang de denking van wezens annex wordt aan ligchamen achtervolgens in aard meer met den ether verschillende1 moeten die denkingen qualitatief meer met die van den ,oergeest in natuur gaan verschillen en 7zie blz4 #afi7 in grootte of ontwikkeling gemiddeld versnellende toenemen4 ,dat de toeneming op deze aarde van het aantal menschen eenmaal niet noemenswaardig zal worden1 blijkt ook uit het volgende4 ,hetgeen de menschen jaarlijks aan voedsel1 kleeding1 woning1 huisraad en andere kunstwerken benevens aan brandstof verteren1 kan toch beschouwd worden als de rente van een kapitaal bestaande uit3 #ao4 de voor de weide1 bouw- en boschgronden benoodigde zouten2 #bo4 het voor de gewassen gevorderde koolzuur2 #co4 de den bodem bedekkende nuttige gewassen2 #do4 het vee en #eo4 de voor voedsel en mestspecie gebruikt wordende waterdieren en planten4 ,daar nu de drie laatste deelen van dit kapitaal in reden zijn met de hoeveelheden zouten en koolzuur1 ter vorming er van benoodigd1 zoo kan met dit kapitaal in zeker opzigt stellen geheel te bestaan uit zulke zouten1 benevens uit koolzuur4 ,neemt men nu de vermeerdering van dit gas1 door de verbranding der fossile brandstof1 benevens door de vulcanische werkingen1 niet in aanmerking1 zoo wordt dit kapitaal constant1 maar vergrooten1 naarmate de beschaving en het aantal aardbewoners stijgen1 de deelen ,no4 #c en #d er van ten koste van de deelen ,no4 #a1 #b en #e4 ,buitendien wordt alsdan de omzetting van dit kapitaal en dus ook de jaarlijksche rente er van grooter2 doch1 zoowel dit als die vormverandering van dit kapitaal1 moeten noodwendig begrensd zijn4 ,naarmate de landbouw volkomener is1 draagt elke oppervlakte grond gemiddeld meer planten en wordt er meer en zwaarder vee gehouden1 doch1 wegens het alsdan meer opvangen der mestspecien1 zullen er minder zouten hiervan door het grondwater en de rivieren naar zee gevoerd worden1 en aldus al het water alsmede de dampkring 7op de op blz4 #e verklaarde wijze7 minder van die zouten inhouden4 ,zoo wegens deze oorzaak1 waardoor het voedsel der zeedieren vermindert als1 wegens het verjagen1 zullen deze dan minder in aantal worden4 ,neemt de beschaving toe1 zoo vindt men middelen om het vee sneller vet te doen worden1 om de nuttige gewassen sneller te doen groeijen1 om de bosschen jaarlijks meer brandhout te doen leveren en om de vischvangst te verbeteren1 hetgeen de hierboven gemelde rentevergrooting uitmaakt4 ,zoowel dit als de vermindering der hoeveelheden vrij koolzuur en vrije voor den landbouw benoodigde zouten zal echter steeds bezwaarlijker worden1 naarmate men beide verder doordrijft1 en aldus de middelen van bestaan van het menschdom1 tegelijk met de totale massa der menschelijke ligchamen1 vertragende en eindelijk niet meer noemenswaardig toenemen #fa4 ,op blz4 #i en #ah hebben wij gezegd1 dat de verschillen tusschen de op natuurlijke wijze ontstane rassen1 waaronder ook de menschenrassen behooren1 bepaald worden door de verschillen hunner levensomstandigheden in verband met die tusschen de grond en luchtgesteldheid1 en op blz4 #bf1 dat de verschillen in lucht en grondgesteldheid1 naarmate de beschaving klimt1 van minder invloed zijn op de menschen1 zoodat1 zie blz4 #i1 de verschillen tusschen de thans bestaande menschenrassen geringer moeten zijn dan tusschen die aanwezig1 toen het menschdom ontstaan is4 ,de thans bestaande verschillen zijn echter grooter dan door de verschillen in lucht en grondgesteldheid der woonplaatsen der onderscheidene menschenrassen gewettigd wordt4 ,zoo kan men bijv4 kwalijk aannemen1 dat de organisatie van menschen1 zich geschikt hebbende naar het tropische klimaat van ,afrika1 de neger en die van menschen1 zich geschikt hebbende naar het tropische klimaat van ,amerika1 de roodhuidentype heeft voortgebracht4 ,de verschillen tusschen de thans bestaande menschenrassen moeten aldus1 zie blz4 #bd voor een deel de gevolgen zijn van accidentele oorzaken1 of wel zij moeten1 7zie blz4 #cj7 voor het ontstaan van het menschdom1 door de verschillen in levensomstandigheden der voorouders der menschen in de verschillende werelddeelen teweeggebragt1 ten gevolge der werking der traagheid1 zie blz4 #da later1 te groot gebleven zijn1 en dus gedeeltelijk als iets verouderd beschouwd moeten worden4 ,naar ons inzien mag men niet stellen1 dat primitief elk der zoogenaamde menschenrassen een volk heeft gevormd1 eene enkele taal sprekende en later in verschillende natin gesplitst1 daar toch de toeneming der beschaving 7zie blz4 #bf7 juist het tegenovergestelde namelijk aglomeratie en eenheid te weeg brengt4 ,elk der zoogenaamde menschenrassen moet integendeel in een groot aantal onzamenhangende en verschillende talen sprekende stammen verdeeld zijn geweest en eene primitieve taal van het zoogenaamde ,arische menschenras1 naar ons inzien1 evenmin beslaan hebben1 als thans eene enkele ,australische ,indianentaal4 ,zoodra echter wilde stammen niet volstrekt vreemd aan elkander blijven1 door bijv4 door zeen1 woestijnen1 enz4 van elkander gescheiden te zijn1 zullen zij bij die plaatsen van onderlinge aanraking1 gebruiken1 woorden1 enz4 van elkander overnemen en zelfs hun bloed vermengen1 en die kruisingen zich alsware van af die plaatsen van aanraking naar het midden de woonplaatsen van elk der stammen1 zie blz4 #ab1 voortgeplant hebben4 ,volksverhuizingen hebben er steeds plaats gehad1 stammen hebben1 7zie blz4 #ab7 stammen teruggedrongen1 of onder deze hunne woonplaatsen gevestigd en met hen hun bloed1 zeden1 taal1 enz4 vermengd1 7zooals bijv4 de ,normandirs met de ,anglo-,saxen74 ,wegens de met de toename der beschaving plaats hebbende aanwas in bevolking1 zal het indringen meer dan het terugdringen 7zooals dat der ,mooren uit ,spanje7 plaats gehad hebben2 doch men mag1 naar ons inzien1 niet stellen1 dat wilde stammen na hunne verhuizing zeer veel uitgestrekter jagtvelden en weidegronden hebben ingenomen dan voor die verhuizing4 ,hetgeen thans in ,amerika en ,australi plaats heeft kan toch niet vergeleken worden met hetgeen heeft plaats gehad tijdens de nederzetting der ,germanen in ,duitsland en ,scandinavi4 ,de ,engelschen en ,duitschers leven1 wegens hunne hooge mate van beschaving1 in hun vaderland digt opeengehoopt1 en vinden aldus in ,amerika en ,australi voor hunne behoeften zeer uitgestrekte akkers en vermenigvuldigen aldaar sterk4 ,zoo echter1 in plaats dat er ,engelschen zich in ,australi vestigen1 men er ,sioux en andere ,indiaansche stammen bragt1 zou dit geenszins het geval zijn1 en niet veel uitgebreider streken als die welke deze stammen in de ,vereenigde ,staten innemen1 zouden door de inboorlingen van ,australi op dit eiland1 al zij het zelf gedwongen1 7zie blz4 #ac7 aan die ,amerikaansche wilden afgestaan kunnen worden4 ,,beschouwingen ,,over ,,de ,,geestelijke ,,ontwikkeling ,,van ,,den ,,mensch4 ,er bestaat in des menschen geest een strijd tusschen de zucht naar toestanden1 waarvoor hunne natuur1 zooals zij thans is1 zekere geschiktheid bezit en waaraan zij gewoon zijn1 hetgeen eene soort van geschiktheid is1 en de zucht naar hoogere1 maar hun onbekende toestanden4 ,van daar dat bijv4 menschen1 geruimen tijd in de gevangenis vertoefd hebbende1 aan hunne enge cel hechten1 en er somtijds tegen op zien1 om weder in de wijde en hun vreemd geworden maatschappij te treden #fb4 ,vandaar ook de liefde der menschen niet slechts voor bestaan in het algemeen1 maar tevens voor het aardsche leven1 dat wel is waar hun veel leed oplevert1 maar met wiens aard zij bekend zijn1 en waarvoor zij zekere geschiktheid verkregen hebben4 ,hoe lager des menschen trap van geestontwikkeling is1 en aldus hoe zinnelijker zij en hoe meer bekrompen hunne denkbeelden zijn1 hoe sterker 7althans zoo men het zwakker zijn hunner zelfbewustheid niet in aanmerking neemt7 hunne gehechtheid aan bekende levenstoestanden1 en tegelijk hoe sterker hun afkeer voor door hen veronderstelde vreemde toestanden zal zijn4 ,dit kan nu de oorzaak zijn1 dat de oude ,grieken het verblijf in den ,hades zoo weinig aanlokkend voorstelden1 en dat de menschen zekere neiging bezitten om den zielstoestand na den dood wel verhevener1 maar overigens gelijkende op die hier op aarde te stellen4 ,kan bijv4 de meest philosophische mensch vurig verlangen naar een leven1 waarin hij een veel hoogere ontwikkeling1 maar tegelijk geheel andere denkvormen dan hier op aarde bezit1 en dat hij aldus wel kan stellen te zullen bestaan1 maar voor zich niet begrijpelijk kan maken8 ,naar ons inzien neen1 maar zulk een philosoof zal zeggen1 dat de aardsche levenstoestanden thans voor hem niet eene grootere absolute1 maar slechts eene grootere relatieve waarde bezitten dan alle andere wier bestaan hij kan stellen1 en dat die voorkeur voor het aardsche bestaat door zijne bekendheid er mede1 aldus door eene oorzaak1 die1 wanneer hij eenmaal vertrouwd zal zijn met andere levenstoestanden1 hem voor deze dezelfde voorkeur zal inboezemen1 al thans voor de aardsche4 ,wel zal hij1 naar ons inzien1 een oneindig1 onveranderlijk en dus volmaakt1 maar hem geheel vreemde denkvormen en denkbeelden bezittend en aldus hem onbegrijpelijk wezen1 in waarde onvergelijkbaar hooger schatten dan de menschen1 die hij liefheeft1 maar toch1 wegens de onmogelijkheid om het te kunnen begrijpen1 dit wezen niet kunnen beminnen op de wijze als hij menschen bemint4 ,hiervoor zou hij dit ,oerwezen moeten vermenschelijken en aldus een karakter moeten geven1 dat zijne rede en wetenschap hem zegt1 dat het niet bezitten kan4 ,die voor hem onbegrijpelijke aard van het ,oerwezen zal die wijsgeer achten volmaakt geschikt te zijn voor het ,heelal en zelfs voor zijn eigen geestelijken loopbaan1 gedurende de eeuwigheid als een geheel beschouwt1 maar voor zijn gemoedsgevoel1 zooals dit thans is en zelfs1 zoolang zijn geest binnen de palen der eindigheid besloten is1 zijn zal1 moet die onbegrijpelijke aard als iets ongeschikt voorkomen #fc4 ,slechts wanneer de wezens1 na eene oneindige groote geestontwikkeling bereikt te hebben1 geheel met den ,oergeest vereenigd zijn1 moeten zij1 naar ons inzien1 zijne natuur door deze volkomen te deelen1 volkomen begrijpen1 en dan ook eene volmaakte wetenschap van hunne eigene bestemming en van het werelddoel bezitten4 ,voor dien tijd1 terwijl die geestontwikkeling uiterst groot1 maar nog eindig is en1 ofschoon uiterst weinig1 nog toeneemt zie blz4 #bjj1 kan dit begrijpen wel reeds uiterst goed1 maar nog niet volkomen goed zijn1 evenmin als eene kromme lijn ac 7zie onderstaande fig471 een assymptoot lg bezittende1 deze op uiterst groote eindige distantin volkomen kan raken4 ,zoo nu1 na het bereiken van zekere eindige grootte1 de geestontwikkeling1 na steeds verzwakkende vergrooting er van1 niet meer toenam1 zou na een uiterst langen tijd er 7zie blz4 #agh7 geene noemenswaardige dwaling en disharmonie bij onze denkbeelden meer moeten bestaan4 ,daar dan echter het begrijpen van het oneindige zeer onvolkomen zou zijn1 zou het stellen er van in 's menschen geest niet meer moeten plaats hebben1 want anders zou de disharmonie zelfs niet zeer nabij weggenomen zijn4 ,van den anderen kant kan een niet in grootte van ontwikkeling afnemende geest1 het stellen van het oneindige niet verleeren1 en dit toont dunkt ons aan1 dat dit stellen 7door de wijsgeeren slechts bepaalder en naauwkeuriger dan door andere menschen geschiedende1 en waarvan bij alle metaphysische godsdienstbegrippen zelfs de laagste1 er reeds eene kiem bestaat7 bewijst1 dat de natuur van onzen geest zoodanig is1 dat bij geen trap van eindige ontwikkeling er tusschen zijne denkbeelden eene volmaakte harmonie kan bestaan1 en dat aldus binnen geen eindigen tijd hij in een volmaakt bevredigenden toestand kan geraken4 ,het zich bevinden der stelling van het eeuwige1 onveranderlijke en oneindige binnen de hierdoor nimmer derzelver aanhangers geheel bevredigende godsdienstbegrippen1 heeft gemaakt1 dat de vermogensvergelijking der goden slechts tot zekeren graad mogelijk werd4 ,bij den ,oergod1 tijdens het begin der tijden begonnen zijnde den chaos te ontwarren1 ging dit het minste goed1 bij de ondergoden en middelaars beter1 en uit zucht1 om voor zich zooveel mogelijk geschikte godsdienstbegrippen te verkrijgen1 hebben de menschen dan ook niet verzuimd om zulke middelaars1 wier bijna menschelijke natuur hen goed begrijpelijk1 en ten gevolge van dien vrij beminnenswaardig en geschikt om gebeden te verhooren maakte1 te scheppen4 ,somtijds geen1 somtijds eenigen1 maar steeds een grootendeels toevalligen historische oorsprong bezittende1 zoo waren die middelaars vaak zinnebeelden van zaken op geestelijk of stoffelijk gebied binnen de bewuste aanschouwing vervat1 en verhevener was hunne natuur1 naarmate hunne voorstelling deel uitmaakte van hooger staande godsdienstbegrippen4 ,de disharmonie van hetgeen wij op het buitenzinnelijk gebied stellen met wat wij hiervan begrijpen1 is1 naar ons inzien1 de oorzaak waardoor de arbeid der eigenlijke wijsgeeren voor de verhooging der godsdienstbegrippen der massas zoo weinig vruchtbaar geweest is en waarom men aan de juistheid1 van hetgeen men op buitenzinnelijk gebied gelooft met de waarheid ongeveer over een te komen1 te kort moet doen bij het mededeelen van godsdienstbegrippen aan kinderen en onbeschaafde menschen4 ,terwijl de wiskundige kennis bij de achtervolgende generatin door juxtaposa aangroeit1 zoodat het nieuwe zich naast het oude vleit1 zonder aan de waarheid hiervan te kort te doen1 groeit de kennis van het buitenzinnelijke door interposa1 namelijk elk deel ontwikkelt zich en nadert gemiddeld meer tot de waarheid4 ,tracht men aldus bij het onderwijs der jeugd die deelen in hun vorigen verachterden toestand alleen te verbeteren en te zuiveren1 zonder hen tegelijk te verhoogen1 zoo zal men gebrekkig werk leveren4 ,zie blz4 #acj4 ,zelfs menschen1 welke zich boven de voorstelling van middelaars verheven hebben1 zijn niet vrij van het toeschrijven van menschelijke denkvormen aan het ,opperwezen4 ,zij zeggen1 wij zijn geene loondienaars1 doch de hartekenner volgt onze schakel van denkbeelden en1 naarmate deze goed of slecht zijn1 keurt hij die goed of af1 en daarvoor is het dat wij gevoelig zijn4 ,men zou nu aan zulke menschen kunnen vragen1 of die opvatting der denking van ,god niet insluit1 dat zij voor een deel even als ,godsvoorwetenschap van al het toekomstige bijzondere 7en derhalve ook van hetgeen door al de menschen in de toekomst gedacht zal worden7 eene overbodige duplicata is van het geestelijke leven der menschen1 en tevens dezelfde vorm als de denkbeelden dezer laatste bezit1 zie blz4 #age4 ,die goed of afkeuring kan ook kwalijk zonder het bezit der menschelijke denkvormen geschieden1 en zou buitendien niets beteekenen1 zoo zij aan ,god geene vreugde of verdriet verschafte1 hetgeen de toekenning van menschelijke hartstogten aan hem noodzakelijk maakt #fd4 ,wijsgeeriger is het naar ons inzien te zeggen1 dat1 door goed te doen1 men zijne zedelijke ontwikkeling1 en wel te meer hoe verhevener door onbaatzuchtigheid de gehalte van die goede daden is bevordert1 en zich hierdoor een blijvenden schat verwerft1 zoo het geestelijke leven niet met vernietiging bedreigd wordt1 en men zorgt die verkregen vergrooting van zedelijke ontwikkeling in stand te houden4 ,zie blz4 #aec4 ,even als toch eene nietige oorzaak1 gedurende zeer langen tijd werkzaam1 groote kwalen kan doen verdwijnen en eene groote ommekeer van zaken te weeg kan brengen 7reden waarom ongelukkige en door de omstandigheden magteloos gemaakte1 maar met wijsheid en wilskracht begiftigde menschen vertrouwen in de toekomst kunnen stellen71 zoo moet een verworven goed1 niet onderhouden wordende gedurende een lang tijdsverloop tot op een niet noemenswaardig deel wegslijten4 ,op blz4 #abb hebben wij aangegeven wat ons noopt om onze geestontwikkeling naar de hoogte te werken1 en op blz4 #bjg wat het einddoel dier vergrooting is4 ,die vergrooting onzer geestontwikkeling is aldus onafscheidelijk van de denking van den ,oergeest1 en zonder deze zou ons bestaan zelfs onmogelijk zijn1 zoodat de gedachte aan hem onafscheidelijk is van die dat de vergrooting onzer geestontwikkeling onze roeping is4 ,de zooveel mogelijk regtvaardige vergelding der daden1 of anders gezegd het beloonen en straffen1 dit is de taak der met elkander verkeerende eindige wezens4 ,dit moet dunkt ons niet alleen hier op aarde1 maar ook op de hemelbollen1 waar er hooger ontwikkelde levende wezens met elkander in contact komen1 het geval zijn4 ,wegens de gelijkslachtigheid tusschen oorzaken en gevolgen 7zie blz4 #gj7 moet de behandeling van andere wezens door deze laatste1 of1 wanneer op hoogeren trap van geestesontwikkeling zij met andere wezens zamenwerken1 door die welke hunne partij opnemen1 beantwoord worden4 ,slechts omdat dit het geval is1 kunnen wij onderzoeken hoe die beantwoording moet zijn om tot heil van de geheele maatschappij te strekken1 of anders gezegd om onregt te weren4 ,dit onderzoek1 die pogingen vereischen geestinspanning en leiden aldus tot de vergrooting zoo van eigen geestontwikkeling1 als tot de verheffing der maatschappij4 ,zoo er eene supranaturalistische vergelding bestond1 zouden wij de handen in den schoot kunnen leggen1 zoo zulk eene vergelding kort na het begaan der daden op een goed merkbare wijze plaats had4 ,het is waar1 dat1 wegens het bestaan van allerlei accidentele omstandigheden en wegens de kortheid van het aardsche leven1 het voor de menschen zelfs met den besten wil onmogelijk is om elk hunner voor zijn dood zijn geregeld deel te geven2 doch beide die oorzaken1 en aldus ook het er door teweeggebragte kwaad1 zijn zie blz4 #hd onafscheidelijk verbonden aan levenstoestanden waarin toename der geestontwikkeling mogelijk is4 ,het voorschrift1 dat men andere menschen even sterk als zich zelf moet beminnen1 en aldus in de wederwaardigheden van vreemdelingen evenveel belang stellen als in zijn eigen lot1 kan1 naar ons inzien1 eerst een vereischte worden voor wezens1 na eene oneindige vergrooting hunner geestontwikkeling1 zie blz4 #afi volmaakt met elkander samengesmolten zijnde4 ,uit het feit1 dat wij thans individueel bestaan1 volgt direct1 dat wij voor ons zelf moeten zorgen en een levensdoel met betrekking tot ons eigen persoon moeten bezitten1 terwijl uit het feit1 dat wij met andere wezens behooren zamen te werken1 volgt1 dat wij ons het lot dier anderen behooren aan te trekken4 ,wij behooren hen te helpen voor zooverre zij onze strijdmakkers zijn1 en wel niet slechts in den strijd van partijen van het menschdom tegen elkander1 maar zie blz4 #ee tevens in de hoogere soort van strijd door het gansche menschdom vereenigd gevoerd4 ,slechts in zooverre de menschen aldus behooren zamen te werken1 moet elk hunner voor de maatschappij leven1 en dit kan nu hun levensdoel met betrekking hun eigen persoon hooger en edeler doen worden4 ,wanneer begrippen over levens- en wereldbeschouwing te laag staan met betrekking tot de wetenschap en de behoeften der maatschappij1 zijn zij voor deze laatste wel in het algemeen1 maar niet in allen deele ongeschikt geworden1 en zijn dien ten gevolge de hoogere begrippen over wereld- en levensbeschouwing ongeschikt voor bijzonderheden der maatschappelijke behoeften4 ,om dit op te helderen stellen wij bijv4 dat iemand te klein gehuisd is4 ,vooreerst zal hij1 wegens de werking der traagheid1 later verhuizen dan op het oogenblik1 dat hij ondervindt te eng gehuisd te zijn1 al kon dit verhuizen zonder de minste zwarigheid geschieden1 maar buitendien wordt hij terug gehouden1 omdat zijne vloerkleederen en gordijnen zoo goed in het oude huis passen1 omdat hij geen meubels genoeg bezit voor eene ruimere woning enz4 #fe4 ,precies in dezelfde verhouding staan nu de massas iets bezittende1 dat in het algemeen te laag voor hen staat tegenover novateurs1 welke zulk eene zaak op een hooger standpunt willen brengen1 al is het dat hierdoor aan eene werkelijke behoefte voldaan wordt1 en aldus nog zooveel te meer zoo die behoefte nog maar flaauw is1 en het nieuwe1 dat wordt aanbevolen1 voor die massas nog te verheven is4 ,de geschiktheid van het oude voor bijzonderheden van den bestaanden toestand en de ongeschiktheid van het nieuwe hiervoor1 verklaren de inertie dier massas1 en ten gevolge hiervan worden die hervormers1 meestal bekwame personen1 maar die weinig te verliezen hebben1 gehouden voor lastige menschen en onpraktische warhoofden1 goed om te worden verwaarloosd4 ,komen deze nu in aanraking met magthebbende personen1 wier positie aan den ouden stand van zaken verbonden is1 zoo wordt de zaak erger voor hen1 althans zoo men vervolging erger kan noemen dan voor anderen vruchteloos te arbeiden4 ,al komen zulke magthebbenden niet tegen beter weten in veel te kort in de vervulling der eischen van hunne positie1 al zijn het dus geen slechte menschen1 zoo zullen zij1 door overdrijving der bezwaren der verandering1 door gehechtheid aan hunne wijze van zien1 door gekwetste ijdelheid1 al ligt er toe komen om die hervormers voor monsters en vijanden van het heil der maatschappij te houden1 en hen1 wanneer de stand van beschaving en de wetten dit veroorloven1 naar het schavot zenden4 ,dit in aanmerking nemende1 zoo is het gemakkelijk te verklaren hoe de ,atheners1 zonder te meenen onregt te plegen1 ,socrates konden ter dood veroordeelen1 omdat hij beticht werd de jeugd tot ongeloof en zedeloosheid te verleiden4 #ff ,wat nu is de oorzaak dier verkeerde oordeelvellingen en van het verwonderlijke verschil in appreciatie der waarde van zaken door de menschen8 ,niets anders dan de verandering der wereldsche zaken1 waardoor1 wegens de werking der traagheid1 bij verandering van eene zaak1 niet al de andere direct eene overeenkomstige verandering ondergaan en zich er naar schikken1 maar op verschillende hoogten staan1 zie ,noot blz4 #fi1 en voorts het verschil in werking der traagheid niet alleen bij onderscheidene menschen1 naar gelang van hun karakter1 beelding1 antecedenten en positie1 maar ook bij denzelfden mensch bij de verschillende zaken1 waarmede hij zich bezig houdt4 ,zoo zal bijv4 een geleerde1 de vader der nieuwste ontdekkingen op het gebied van eenige wetenschap1 in zijne kleeding de mode van voor twintig jaren volgen1 ofschoon hij volstrekt niet overtuigd is1 dat deze doelmatiger dan de thans bestaande is1 en eenig ander mensch hevig liberaal1 maar tevens voorstander zijn van classieke studin voor regtsgeleerden en sterrekundigen zijn1 omdat het toeval hem rector gemaakt heeft4 ,eene constante oorzaak 7bij het voorbeeld van blz4 #acb de doorloopende orde tot opsluiting zijnde7 tracht echter1 wanneer bij iemand1 of bij eenige maatschappij verschillende zaken op ongelijke hoogte staan1 deze in hoogtestand naar elkander te trekken4 ,zoo is het bijv4 niet aan het toeval te wijten1 dat thans de geestelijken eene ouderwetsche kleeding dragen en gehecht zijn aan de klassieke studin4 ,bij zwakke verandering der maatschappelijke toestanden1 meeningen en behoeften zal men daarentegen bij instellingen geene groote ongeschiktheid van het een voor het ander en evenmin groote verschillen in opinie bij de menschen1 ten gevolge van bovengemelde werking der traagheid1 waardoor zie blz4 #aai de kritiek met betrekking tot de vorming van nieuwe opinin ten achteren blijft1 bespeuren4 ,tusschen den mensch van genie van heden en den gewonen mensch van lateren hoogeren trap van beschaving1 wiens toename in geestontwikkeling door uitgebreider onderwijs en zelfs zie blz4 #aii door den ligchamelijken invloed zijner ouders meer begunstigd is dan die zijner voorzaten1 bestaat het verschil1 dat gene betrekkelijk zijne tijdgenooten in eene soort van geestontwikkeling kan uitmunten1 waarvan later weinig werk wordt gemaakt zie blz4 #fg1 en waarin dus zijne niet geniale nakomelingen hem niet evenaren1 ofschoon deze in andere soorten van geestontwikkeling hem zullen overtreffen4 ,desniettemin kan men zeggen1 dat in zeker opzigt1 vooral de in het algemeen geniale mensch van heden1 vertoont wat de gewone mensch in de verre toekomst zal zijn1 en dat hetgeen hij voor zich 7niet voor zijne tijdgenooten7 op maatschappelijk en religieus gebied geschikt acht1 in de toekomst bij hoogeren trap van beschaving eenmaal zal bestaan4 ,beide zullen zie blz4 #hd gebrekkiger dan den gewonen mensch van heden aan de door hen gestelde levenseischen voldoen1 sneller dan dezen voorwaarts schrijden op de baan der geestontwikkeling1 en beter dan dezen begrijpen hoeveel er voor den individuelen mensch te leeren valt1 en welke kennis hunne nakomelingschap zal kunnen opdoen4 ,van den in kennis boven zijne tijdgenooten verheven mensch1 wordt vaak de leering1 van den hen zedelijk overtreffenden mensch1 de beweegredenen zijner handelingen gebrekkig begrepen4 ,beide nu moeten binnen zekere grenzen trachten zich geschikt te maken voor hunne omgeving1 de eerste door zich door deze te doen begrijpen1 de tweede door de verdediging zijner regten minder aan de hoede der maatschappij over te laten en haar meer op zich te nemen4 ,hiervoor behoeft men echter zijne toeneming in intellectuele en zedelijke ontwikkeling slechts te wijzigen1 zonder haar te verzwakken4 ,zoo men toch minder tijd wijdt aan het opdoen van kennis1 ten einde pligten jegens anderen te vervullen1 zal men zijne zedelijke ontwikkeling bevorderen1 en zoo men zich sterk tracht te maken1 ten einde zijne belangen beter te verdedigen en geene vergevingsgezindheid en onbaatzuchtigheid betoont waar misbruik van gemaakt zou worden1 zijne intellectuele ontwikkeling begunstigen4 ,verder mag men evenwel naar ons inzien niet gaan1 en aldus niet zeggen1 ik zal die kennis niet opdoen1 omdat ik haar niet ten volle aan anderen kan mededeelen1 ik zal mij niet meer zedelijk veredelen1 omdat anderen hierdoor slechts weinig gebaat zouden worden4 ,zulk eene nuttigheidsleer zou slechts kunnen opgaan zoo de menschen uiterst innig met elkander verbonden en alsware geestelijk zamengesmolten waren1 zoo er een geestelijk communisme bestond4 ,even als de door de regtbanken opgelegde en tot afschrikking dienende straffen1 zooveel mogelijk aan de zedelijke verheffing der veroordeelden dienstbaar gemaakt worden1 zoo moet een ieder1 zooals hierboven gezegd is1 de verhooging zijner geestelijke ontwikkeling zooveel mogelijk dienstbaar trachten te maken aan het heil zijner medemenschen4 ,dit nu wordt door hen1 welke zich aan het zoogenaamde comtemplatieve leven wijden1 verzuimd1 doch dit leven kan voor die personen zelve even heilzaam zijn als eene de veroordeelden niet zedelijk opheffende straf voor de maatschappij4 ,het verzuimen van lagere soorten van geestontwikkeling1 ten einde zijn leven toe te wijden aan vergrooting van meer verhevene soorten er van1 was primitief het doel van het kloosterleven1 en zoo iets kan niet ten allen tijde geschieden1 zonder zich van de maatschappij af te zonderen4 ,de vergrooting der geestelijke ontwikkeling dier maatschappij1 zijn eigen persoon hier in begrepen1 zooveel mogelijk bevorderen1 behoort een ieders streven te zijn1 doch om 7zooals op blz4 #he gezegd is7 de geschiktheid dier maatschappij voor het aardsche te paren aan haren geestelijken vooruitgang1 dient die vergrooting niet alleen bij de hoogste ons bekende soort1 maar ook bij lagere soorten van geestontwikkeling 7waarvan op blz4 #fg gesproken is7 plaats te hebben4 ,alles komt toch neder op gedachten4 ,onjuist komt ons voor ,gthes epicuristische stelling1 dat men gedurende zijn leven de som der aangename en verstandige gedachten zoo groot mogelijk moet trachten te maken4 ,deze stelling zou passen voor wezens1 individueel in geen phase van vooruitgang zijnde4 ,de eischen hiervan maken 7zie blz4 #hd7 dat men zich dikwijls onaangename en bezwarende gedachten moet opleggen4 ,wanneer bij eenig wezen de zedelijke ontwikkeling hooger staat dan de intellectuele1 zal gene verlagen door onwetendheid en gebrek aan kracht1 terwijl in het omgekeerde geval1 de intellectuele ontwikkeling door toegeving aan hartstogten zal verlaagd worden4 ,op den langen duur kunnen beide soorten van geestontwikkeling niet op verschillende hoogten blijven staan1 en van daar dat de genius van het kwaad1 bestendig eene hooge intellectuele aan eene zeer lage morele ontwikkeling parende1 niet slechts een niet bestaand1 maar zelfs een onbestaanbaar wezen is4 ,het kwaad bezit steeds het karakter van dierlijkheid1 zwakheid of bekrompenheid4 ,hij die bijv4 zelfs ter bereiking van een goed en groot doel 7zooals bijv4 het daarstellen van een deels meer geschikten1 deels meer geavanceerden maatschappelijken toestand7 slechte middelen aanwendt1 handelt bekrompen1 daar hij weinig vertrouwen in zijn talent schijnt te stellen en een gebouw op zwakke grondslagen sticht4 ,even als het afbreken veel gemakkelijker dan het opbouwen is1 zoo is het benadeelen en bedriegen van een ander veel gemakkelijker dan het met hem zamenwerken ter bevordering van zijn heil4 ,hiervoor wordt meer menschenkennis en overleg gevorderd dan voor het bedriegen1 waarbij men met eene lage soort van geestontwikkeling1 ook bij de roofdieren bestaande1 kan volstaan4 ,deze kunnen toch goed onderscheiden welk dier zij aan en welk zij niet aan kunnen1 zich in hinderlagen leggen en hunne prooi onverwachts bespringen1 doch wat zij slechts op eene zeer beperkte schaal kunnen doen is met elkander zamenwerken4 ,zoo iemand door kwaad te doen1 zijne zedelijke ontwikkeling betrekkelijk die der andere menschen verlaagt1 trachten de door deze opgelegde straffen hem te verlagen1 en omgekeerd1 na het plegen van goede daden1 de ontvangen loonen hem in eene hoogere positie te plaatsen4 ,de menschelijke vergelding strekt dus niet alleen1 om door afschrikking en aanmoediging de zedelijke ontwikkeling der menschen te verhoogen1 maar tevens om deze in voor hen geschiktere toestanden te brengen1 door een ieder digter bij de plaats te brengen1 waarop de hoogte zijner geestelijke ontwikkeling hem aanspraak geeft4 ,overigens loonen en straffen de menschen slechts voor zoo verre hen door iemand goed of kwaad gedaan wordt4 ,de verhooging of verlaging der zedelijke ontwikkeling van een persoon1 gevolgen zijner daden1 bestaan naast die loonen en straffen1 zijner niet steeds mede evenredig1 worden er meer of minder door geinfluenceerd en zijn sterker en duurzamer1 naarmate de zelfbewustheid der menschen grooter is4 ,tegelijk hiermede moet het bewustzijn der morele verhooging of verlaging1 bij de menschen sterker wordende1 deze meer wrhouden om anderen kwaad of te kort en meer dringen om anderen goed te doen4 ,werden de eischen van het maatschappelijke en zedelijke bestaan der menschen alsdan niet hooger1 zoo zouden de menschen zeldzamer door anderen te kort gedaan en menigvuldiger goed bejegend worden1 dit kwaad en dit goed minder geteld en menschelijke straf en loon zwakker worden #fg4 ,men ziet aldus hoe wenschelijk het is1 dat de menschen hunne zedelijke verlaging of verhooging ten gevolge hunner slechte of goede daden1 groot en duurzaam voorstellen1 en hoe is dit nu mogelijk1 zoo zij haar bij het einde van hun aardsche leven stellen op te houden8 ,de voorstelling der zedelijke verhooging of verlaging van den mensch na den dood is thans bij de massas nog kinderlijk1 daar zij is die van opgelegd menschelijk loon of straf1 doch verdween zij bij die massas1 zoo zouden deze betrekkelijk wat slechter worden1 hierdoor de eischen van hun maatschappelijk en zedelijk bestaan verlagen1 en dit successivelijk voort gaan1 tot dat het menschdom zou dalen tot op het standpunt dier wilde volken wier zelfbewustheid zoo gering en wier zinnelijkheid zoo groot is1 dat zij zich nog hoegenaamd geene voorstelling van een toekomstig leven kunnen vormen4 ,de athesten door redenering zouden aldus van lieverlede athesten uit onwetendheid zijn geworden1 of is het niet waar1 dat bij den mensch alles zich op dezelfde hoogte tracht te stellen1 en dat1 zoo aldus iets bij hem op een zeer laag standpunt te houden was1 al het ander van lieverlede op een even laag standpunt zou komen8 ,hij die zoo iets ontkent1 kent de natuurwet der geschiktwording van het een voor het ander niet4 ,of zou men denken1 dat1 zoo het mogelijk ware dat de menschen steeds naakt gingen loopen1 en hunne dierlijke lusten in het publiek dan met deze en dan met gene gingen voldoen1 kunsten en wetenschappen nog lang zonden bloeijen8 ,apen zouden zulke menschen worden1 apen in ligchaamsvorm1 in intellectuele en zedelijke ontwikkeling1 in levenswijze4 ,dit onverzettelijk zeer laag houden van een factor der ontwikkeling van eenig wezen1 betrekkelijk de andere factoren1 is echter op den duur onmogelijk1 daar niet slechts alles in hoogte elkander tracht te naderen1 maar bij dit alles een drang tot vooruitgang bestaat4 ,door dien vooruitgang worden de wezens magtiger1 en streven zij sterker dan hunne gelijken voorwaarts1 zoo worden zij magtiger dan deze4 ,de menschen bezitten eene zucht hiernaar1 doch trachten zij macht te verkrijgen1 niet door vergrooting hunner intellectuele en morele ontwikkeling onder gestadige inspanning1 maar ten koste dezer laatste soort van geestontwikkeling1 zoo worden zij eene prooi hunner hartstogten en zinnelijkheid1 en het gebouw hunner magt valt weldra ineen4 ,zinnebeeldig heeft men zoo iets voorgesteld door verbonden van naar magt en grootheid hunkerende menschen met den booze1 en het geloof aan tooverij heeft geen anderen oorsprong4 ,de toovenaars toch werden beschouwd magt verkregen te hebben door onwettige middelen1 terwijl godsdienst en vroomheid als de wettige middelen beschouwd werden1 en de maatschappij1 zich door de toovenaars benadeeld achtende1 strafte deze4 ,de toovenaars zijn verdwenen1 doch waarop berust thans veler ephemere grootheid8 ,op intrigue1 op bedrog en opligterij1 en hunne weelde en saturnalin duiden genoegzaam den onwettigen oorsprong dier magt aan4 ,hoogere intellectuele ontwikkeling maakt1 dat men meer bespeurt1 welke voordeelen in het heden misdaden te weeg kunnen brengen1 en beter de middelen weet te vinden om deze te volvoeren4 ,vandaar dat1 ofschoon de menschen gedurende hun leven gemiddeld absoluut in zedelijke ontwikkeling toenemen1 in het oog loopende misdaden1 zie blz4 #gb niet meer door jonge lieden dan door oudere van dagen gepleegd worden4 ,dat menschen in beschaving toenemen en absoluut moreel slechter worden1 gebeurt somtijds en naar ons inzien door dat zij dan aan qualitatief lagere eischen van zedelijkheid minder gaan voldoen1 en zulks nog vrij slecht aan qualitatief hoogere doen4 ,dit kan vergeleken worden met het slecht schieten door een wilde1 die afgeleerd heeft om met den boog om te gaan1 maar nog niet goed met vuurwapens overweg kan1 alsmede met het ongeloof van hen die hunne voorvaderlijke godsdienst ontgroeit1 maar nog slechts gebrekkig eene meer verhevene godsdienst aangenomen hebben4 ,dit verschijnsel is echter bij de menschen in beschaving toenemende slechts tijdelijk4 ,bij vergrooting zijner intellectuele ontwikkeling verkrijgt de mensch een dieperen blik in verschijnselen op stoffelijk en geestelijk gebied meer vreemd zijnde aan die onder het directe bereik zijner waarneming gelegen1 zoo wegens derzelver aard als wegens het plaats hebben er van in verder verleden of toekomst4 ,hij verkrijgt aldus dan kennis van alsware sterker buitenzinnelijke zaken1 van zaken welke een meer algemeen karakter bezitten1 dan de het gevolg er van zijnde bijzonderheden die hij direct waarneemt2 in een woord een wijderen blik in tijd en ruimte1 zoo men die laatste uitdrukking niet slechts volgens de letter1 maar tevens in figuurlijken zin opneemt4 ,bij vergrooting der zedelijke ontwikkeling verkrijgt de mensen liefde 7uit met zekere eigenschappen begiftigde denkbeelden bestaande7 voor wezens sterker van hem onderscheiden1 en dus in figuurlijken zin in de ruimte verder van hem verwijderd1 voor belangen dier wezens verder in de toekomst verscholen1 en van een meer verborgen en meer algemeenen aard zijnde dan die welke direct onder het bereik zijner waarneming vallen4 ,zijne liefde dringt aldus dan door tot meer buitenzinnelijke zaken1 tot verder in ruimte en tijd4 ,naarmate de zedelijke ontwikkeling grooter wordt1 veranderen de er bij behoorende denkbeelden1 door verhevener en dieper te worden1 op dezelfde wijze van karakter als die der intellectuele ontwikkeling4 #fh ,er moet aldus eene constante oorzaak bestaan beide soorten van geestontwikkeling1 door te trachten hen op gelijke hoogte te stellen1 een overeenkomstig karakter trachtende te geven4 ,aldus bestaat bij een hoog intellectueel ontwikkeld mensch1 een ver en diep ziende geest parende aan groote wijsgeerige kennis1 en zich verheffende boven het heden en de omgeving1 een drang om opofferingen in het heden ligt te tellen1 om niet een alles aan zijn eigen en oogenblikkelijk belang opofferend bekrompen egost te blijven en om door de ruimte van zijn blik1 tot regtvaardigheid geleid te worden4 ,hij die daarentegen zeer van hem onderscheiden wezens en ver in de toekomst verscholen belangen met zijne liefde bereikt1 moet daarentegen klaarblijkelijk geleid worden om zich bekend te maken met den aard van hetgeen in tijd en ruimte 7ook in figuurlijken zin opgevat7 ver van hem gelegen is4 ,kan men bijv4 deelneming in vreemdelingen stellen en onverschillig blijven voor hun ganschen zijn en alles wat daarop betrekking heeft1 en moet omgekeerd de kennis hiervan niet leiden tot deelneming voor zulke personen4 ,het spreekwoord zegt onbekend maakt onbemind1 maar evenzeer moet onbemind onbekend houden4 ,de godsdienstbegrippen moeten van die vergrooting der intellectuele en zedelijke ontwikkeling de gevolgen en het doel aangeven1 tevens deel uitmaken dier intellectuele ontwikkeling1 en op dezelfde wijze als derzelver andere deelen verkregen worden4 ,onze voorstellingen der daden van andere menschen vergelijken wij bijv4 met de voorstellingen onzer eigen daden en uit de overeenkomst van beide1 leiden wij af dat zij gelijkslachtige oorzaken moeten bezitten1 en dat aldus andere menschen even als wij denken4 ,die denking van andere wezens behoort echter reeds met alles wat ligt buiten de voorstellingen door de zintuigelijke indrukken teweeggebragt1 tot het gebied van het buitenzinnelijke1 en niettemin verkeeren wij daaromtrent niet in onzekerheid4 ,bij hoogeren graad van geestontwikkeling gaat men echter vragen of een oester denkt1 iets dat insgelijks uit de door dit dier verrigt wordende daden moet opgemaakt worden4 ,zekerheid bestaat hierbij niet1 doch het is vrij waarschijnlijk1 dat de oesters wel denken1 maar andere denkvormen bezitten als de menschen4 ,moet nu uit hetgeen wij opmerken1 dat in de stoffelijke en zedelijke wereld plaats heeft1 zonder dat de eigen denking van menschen of dieren daarvan de oorzaak kan zijn1 de menschen niet evenzoo leiden om na te gaan of die verschijnselen al dan niet denking tot oorzaak hebben1 of hiermede vergezeld gaan1 een vraagstuk waarbij men1 door middel van op zinnelijke waarnemingen gebouwde redeneringen1 komt tot de vaststelling van iets dieper op buitenzinnelijk gebied gelegen dan de denking van andere menschen4 ,bestaat er een anderen weg om tot de kennis van het ,oerwezen te komen8 ,naar ons inzien neen1 en dat die kennis zoo gebrekkig is1 spruit naar ons inzien alleen voort uit de disharmonie tusschen onze denkbeelden over buitenzinnelijke zaken en die door de zintuigelijke indrukken teweeggebragt4 ,wanneer de geestontwikkeling van wezens sedert lang slechts zeer langzaam aan het toenemen is1 moet de laatste soort van denkbeelden zeer nabij in hoogte gelijk staan met de eerste1 even als1 bij eenigen dwang tot opsluiting1 een mensch1 zeer ver voor een ander uitgaande1 na sedert zeer lang zeer langzaam geloopen te hebben1 door deze bijna ingehaald moet worden4 ,op blz4 #hj hebben wij aangegeven hoe1 wanneer de geestontwikkeling van een wezen toeneemt1 deszelfs ligchaam in figuurlijken zin omhoog getrokken wordt2 en aldus hierbij1 hetzij door eigen1 of wel door kunstmatige hulpmiddelen1 het veld der zintuigelijke waarneming vergroot4 ,dat er hiervoor op deze aarde een grens bestaat1 bewijst dat wezens1 welke zelfs rudimentaire denkbeelden over het buitenzinnelijke en oneindige verkregen hebben1 omdat die denkbeelden door middel van zintuigelijke waarneming en directe ervaring op deze aarde niet tot volle zekerheid en klaarheid kunnen komen1 van eene natuur zijn1 dat zij er slechts tijdelijk op kunnen wonen4 ,een hersenschimmige1 ongevallen en ligchamelijk onsterfelijk gebleven ,adam zou1 sedert uiterst langen tijd in geestontwikkeling niet toegenomen zijnde1 slechts denkbeelden kunnen bezitten door directe ervaring en zintuigelijke waarneming zeer nabij ten volle bevestigd1 en zijn geest alsware een aardsch product zijn4 ,in sommige opzigten zou hij aldus lager dan de laagst ontwikkelde onzer1 en niettemin hooger staan dan een slechts kortstondig op deze aarde levend1 maar overigens zijne geestelijke natuur bezittend wezen4 ,zoo bijv4 een leerling al zijne denkbeelden van zijn onderwijzer bekomt1 zal hij1 uiterst lang onderwijs genietende1 eindelijk bijna even bekwaam als dien onderwijzer en klaarblijkelijk bekwamer dan na het kortstondig genieten van zulk onderwijs zijn4 ,ook in dit laatste geval zou aldus de leerling een product zijn van zijn onderwijzer1 even als onze geest een der aarde1 zoo hij zich niet1 even als de vogels boven den bodem1 boven de aardsche ervaring wist te verheffen4 ,ons gemis aan volmaakte juiste en klare bevatting1 van hetgeen wij op buitenzinnelijk gebied en betreffende het oneindige stellen1 is echter niet oneindig groot1 want alsdan zouden wij1 evenmin als de dieren1 zulke stellingen kunnen maken1 en veler onzer niet kunnen wanen1 dat bij hen dit gemis niet noemenswaardig bestaat4 ,de grootte hiervan kan aldus bij ons menschen1 zie fig4 blz4 #bjg niet door de oneindige hoogte der assijmptoot al der kromme a b c uitgedrukt worden4 ,zij zal dit integendeel voor onbeschaafde1 bewoners dezer aarde door de ordinaat i h en voor beschaafde door de ordinaat f b gedaan worden2 terwijl de kromme a b c1 voorbij c uiterst ver verlengd gedacht1 aldaar uiterst kleine ordinaten bezitten zal4 ,het op blz4 #bbc gemelde geldt ook voor het verkrijgen der kennis van het werelddoel en van 's menschen bestemming4 ,zoo wij ons bijv4 een vroeger leven1 op een anderen hemelbol doorgebragt1 konden herinneren1 zouden wij slechts door directe ervaring weten1 dat de ziel het leven van ne soort van er aan annex geweest zijnde ligchaam kan overleven1 maar volstrekt niet dat die ziel gedurende eene eeuwigheid voor eene steeds gemiddeld vergrootende ontwikkeling bestemd is4 ,dit laatste zou eene stelling op buitenzinnelijk gebied blijven1 en buitendien bedenke men1 dat de graad van wetenschap1 door middel van directe ervaring te bekomen1 geheel afhangt van den graad der intellectuele geestontwikkeling4 ,de stelling der oneindigheid en onveranderlijkheid van het ,opperwezen1 benevens het voorschrift1 dat men voor ieder mensch evenveel liefde als voor zich zelf moet gevoelen1 iets 7eerst geschikt wordende tijdens de op blz4 #baa gemelde volkomene zamensmelting der wezens7 zijn1 wegens derzelver ongeschiktheid voor ons veranderlijke1 betrekkelijk laag geestelijk ontwikkelde en weinig met elkander zamenwerkende menschen1 bijna geheel doode letters gebleven #fi4 ,het ,opperwezen heeft men vermenschelijkt en tot eene ,voorzienigheid en liefderijken ,vader gemaakt1 en als leiddraad voor liet practische leven zooeven gemeld voorschrift vervangen door het overal bekende1 dat men een ander niet mag doen1 hetgeen men wenscht dat ons niet gedaan worde4 ,dit laatste voorschrift heeft het voordeel1 dat het voor alle trappen van geestontwikkeling geschikt is1 zoodat bijv4 een ,indiaan1 zeer weinig medelijden van een overwinnaar vorderende1 er weinig aan te kort zal doen1 wanneer hij door hem verslagen vijanden op eene wreede wijze behandelt4 ,met de hierboven gemelde stellingen kan vergeleken worden die op politiek gebied1 dat eene de gansche menschheid omvattende republiek de eenigste absoluut zuiver rationele regeringsvorm is4 ,als men nu nagaat hoe1 bij toeneming der beschaving1 de staten steeds grootere groepen gaan vormen en in aantal verminderen1 en de menschen meer cosmopolietisch worden1 meer eerbied verkrijgen voor krachtens de wet uitgeoefend gezag en meer gezind worden om met elkander zamentewerken1 zoo zullen zij1 die begrijpen welke ontzettende veranderingen geringe constante oorzaken1 gedurende eene reeks van eeuwen werkzaam1 kunnen voortbrengen1 moeten toegeven1 dat1 zoo de aardkorst lang genoeg voor wezens van eene geestontwikkeling1 hooger dan die wij thans menschen bezitten1 bewoonbaar blijft2 de thans voor de behoeften van het menschdom geheel ongeschikte1 of anders gezegd alle praktische waarde missende universele republiek eenmaal eene werkelijkheid zal worden4 ,uit hetgeen op blz4 #bbc gezegd is1 blijkt1 dat der menschen stellingen op buitenzinnelijk gebied1 waarin hunne godsdienstbegrippen 7voor zoo verre deze niet1 zie blz4 #ajh de vruchten van het toeval1 of der op de verbeelding werkende hartstogten zijn7 bevat zijn1 de uitkomsten van redeneringen1 van de ervaring uitgaande1 moeten zijn4 ,zij hebben dit gemeen met al onze wetenschappelijke kennis1 en slechts kunnen zij minder dan vele der uitkomsten op het gebied van wetenschappen1 zooals de zologie1 chemie1 astronomie1 enz4 door de ervaring gecontroleerd worden4 ,wij zeggen dan vele1 want bijv4 wie kan door zintuigelijke waarnemingen bewijzen1 dat de ether de eenige absoluut enkelvoudige stof is1 dat de aarde eene voorbij de maan reikende dampmassa geweest is1 dat dieren van af de laagst ontwikkelde tot menschen opgeklommen zijn8 ,deze laatste hypothese1 althans voor dat zij door de jongste onderzoekingen der fossilen eene nog zeer onzekere bevestiging verkregen had1 tot het gebied van het weten en de stelling1 dat de ziel gedurende den grootst eindigende lijd voor eene gemiddelde toename in ontwikkeling bestemd is1 tot het gebied van iets1 dat men geloof noemt1 te rangschikken1 achten wij ongerijmd4 ,men is echter hiertoe gekomen1 omdat men voor de zedelijkheid en het geluk der menschen het voor waar houden dier laatste stelling noodzakelijk achtte en die der eerste1 ofschoon ten onregte1 voor verderfelijk achtte1 zie blz4 #aej #gj4 ,die noodzakelijkheid dient echter in iets haren grond te hebben1 en waarin anders kan dit zijn1 dan in den aard en werking of denking onzer ziel1 zooals wij die gedurende dit leven waarnemen1 en die wij tot voorwerp van bespiegelingen kunnen maken1 namelijk van wetenschappelijke bespiegelingen1 waarin de werking der natuurwetten op stoffelijk en geestelijk gebied nagegaan wordt1 en welke aldus aan 's menschen ontwikkeld verstand gerigt zijn4 ,de kennis1 welke wij op lateren leeftijd bezitten1 is de vrucht van hetgeen wij tijdens onze jeugd en later geleerd hebben1 en de toepassing er van verklaart het doel van dit leeren4 ,evenzoo moeten de godsdienstbegrippen de vruchten zijn der toename in intellectuele ontwikkeling en in wijsbegeerte1 en tevens verklaren het doel waartoe de verhooging onzer geestelijke ontwikkeling dient4 ,zij behooren aldus een voornaam deel uit te maken van der menschen wijsgeerige kennis1 en in verband gebragt te worden met de overige deelen hiervan4 ,onder wijsgeerige kennis verstaan wij die der werkingen der natuurwetten op stoffelijk en geestelijk gebied1 dat is op het gebied van het absolute ,al1 waaronder het oneindige en onveranderlijke ,oerwezen ook begrepen is4 ,dit boven die wetten te stellen1 zou slechts zijn het te stellen te zijn onder andere meer primitieve natuurwetten1 waarvan die wij trachten op te sporen1 7aldus dan eigenlijk niet de ware onveranderlijke wetten van het ,al71 de producten zouden zijn4 ,stelt men bijv4 de zwaartekrachtswet is eenmaal ingesteld1 zoo kan men vragen1 volgens welke wetten bewogen zich vroeger de ligchamen1 en hebben die bewegingen zich tijdens die instelling zoo gewijzigd1 dat zij thans juist geschieden als volgens de vermeende natuurwet der algemeene aantrekking plaats moet hebben4 ,ware die stelling juist1 zoo zouden er aldus niettemin nimmer ingestelde natuurwetten bestaan1 maar deze slechts zamengestelder zijn dan de naturalisten met grond vermeenen1 dat zij zijn4 ,men kan aan niets hoegenaamd zekere natuur toeschrijven1 of men bepaalt tevens1 zonder hiervan bewust te zijn1 dat die natuur het product der werking van zekere onveranderlijke wetten is1 en zegt men dit wezen1 aan wie ik die natuur toeschrijf1 kan in strijd hiermede en met die wetten handelen1 zoo bekent men tegelijk1 dat dit wezen eene andere meer zamengestelde natuur2 door andere meer primitieve wetten beheerscht1 dan die men gesteld heeft1 bezit4 ,met de noodwendige aaneenschakeling van oorzaken en gevolgen verkeert men precies in hetzelfde geval4 ,steeds moet men ze aannemen1 doch van zekere feiten kan de eene mensch dit en de ander iets anders de noodzakelijke oorzaak stellen te zijn4 ,het is aldus klaar1 dat de godsdienstbegrippen niet alleen niet in strijd met de wetenschap1 maar tevens in harmonisch verband met het wijsgeerige deel daarvan moeten zijn1 iets dat thans bij die van vele onzer het geval niet is1 en maakt dat hunne godsdienstbegrippen uit de plaatsen1 waar de wetenschap moet heerschen1 als belemmerend verbannen worden4 ,dit gebrek aan overeenstemming moet noodwendig ontstaan1 zoo men tracht met die begrippen slechts op eene pietistische wijze te voldoen aan het gemoedsgevoel1 de zucht naar regt1 de menschelijke kortzigtigheid1 in een woord aan eenige hartstogten en te bevreesd en te traag is om hen te zuiveren en opwaarts te drijven4 ,het gevolg daarvan is1 dat 7zie blz4 #gd7 de geest van ontkenning het hoofd opsteekt1 omdat verscheidene 7zooals bijv4 de zoogenaamde materialisten7 ziende dien verwarden toestand van den ,gordiaansche knoop1 dezen liever doorhakken dan ontwarren1 en1 wars van de kinderlijke oplossingen van het vraagstuk van het werelddoel1 het bestaan hiervan ontkennen4 ,zij doen dit bezield met eene overtuiging1 waarachter hen onbewust veel moedeloosheid1 beperktheid en eenzijdigheid van opvatting schuilt1 en zijn nuttig als critisie4 ,terwijl de ,desten van het gehalte van ,martinet en ,uilkens alles in het ,heelal goed vinden1 en slechts der menschengeest en diens werken onvolmaakt en gebrekkig achten1 houden de ,materialisten er voor1 dat er nergens doel bestaat dan in het menschelijke brein en bij de menschelijke werken1 zoodat en voor gemelde ,desten en voor de ,materialisten de menschen en in zwakkere mate ook de dieren 7want ook deze toch dwalen en houden zeker doel voor oogen71 voor zoo verre hunne denking en hetgeen daaruit voortspruit betreft1 wanklanken en raadsels in de ,natuur zijn1 voor gene wegens hunne onvolmaaktheid1 voor de ,materialisten1 omdat1 volgens deze1 bij hen alln denking en doel bestaat4 ,,beschouwingen ,,over ,,de ,,drie ,,algemeene ,,natuurwetten ,,en ,,eenige ,,andere ,,hiermede ,,in ,,verband ,,zijnde ,,zaken4 ,men kan zich voorstellen1 dat bij een onveranderlijken toestand van zaken iets volmaakt geschikt is voor eenig zamengesteld doel1 doch onmogelijk kan iets bij een veranderlijken toestand van zaken tegelijk volmaakt geschikt voor twee of meer in verschillende omstandigheden voorkomende doelen4 ,zoo kan bijv4 geen geweer met bajonet tegelijk zeer geschikt zijn om dan te schieten en dan te steken4 ,in het eerste geval zal het bij de lans en in het tweede bij het geweer zonder bajonet ten achteren staan4 ,bij verandering van omstandigheden maakt de werking der traagheid dat dergelijke zaken niet genoegzaam snel en sterk gewijzigd worden1 om hen dan voor het eene en dan voor het andere doel zeer geschikt te maken4 ,bestond er toch geene traagheid1 zoo zouden in een oogwenk de grootste metamorphosen mogelijk worden4 ,wegens haar bestaan kan bijv4 de ,natuur geen dierlijk ligchaam zeer geschikt maken1 om dan op de vaste aarde te leven en dan te vliegen1 en daar nu op den vasten bodem er meer zamengestelde wijzen van leven kunnen bestaan dan in de lucht1 zoo zijn het niet de vogels welke de hoogst ontwikkelde wezens dezer aarde zijn4 ,hiermede stemt overeen1 dat in het algemeen communicatie middelen over land1 welke de reizenden steeds in contact met de woonplaatsen der menschen doen blijven1 en aldus bij hoogere standen van beschaving1 waarbij de behoefte aan gedurig contact van veel menschen grooter wordt1 meer gezocht zullen zijn dan die over water1 alsware hooger dan deze staan4 ,het vervoer op een kunstweg met wagens staat bijv4 hooger dan dat met schuiten op eene rivier4 ,zoo de levensomstandigheden van eenig dier gedurende deszelfs leven veranderen1 zal er bij deszelfs organisatie en zeker vermogen ontstaan om ook wat te veranderen en wel door inwendigen drang1 te vergelijken met den op blz4 #bh gemelden locomotief1 zoo de uitwendige drang1 door de levensomstandigheden teweeggebragt1 met het aldaar gemelde paard vergeleken wordt4 ,zoo bezitten wij bijv4 een inwendigen drang om achtervolgens gedurende eenige uren te slapen en dan gedurende eenige uren te waken4 ,die drang is gewis ontstaan ten gevolge der impulsie der verandering der uitwendige omstandigheden gedurende het etmaal4 ,men kan bijv4 geen mensch van zijne geboorte af wennen om achtervolgens eene maand lang te slapen en dan eene maand lang te waken1 en evenmin om het een en ander om de minuut te doen1 en veranderden die omstandigheden gedurende elk etmaal niet1 zoo zouden welligt onze hersenen en ledematen1 evenmin als thans ons hart1 een alternatieven toestand van inspanning en rust noodig hebben4 ,kan echter dit vermogen tot periodieke verandering onzer organisatie deze1 zooals wij op blz4 #bc en #aif beweerd hebben1 even goed dan voor werkzaamheid en dan voor rust geschikt maken1 als de oorzaak van geschiktwording van blz4 #g zulks voor onveranderlijke omstandigheden kan doen8 ,naar ons inzien neen1 omdat het niet uit gebrek aan tijd bij alle deelen van het ligchaam de werking der traagheid hiervoor genoegzaam kan overwinnen4 ,bij de werking van hart en maag geschiedt die periodieke verandering bijv4 slechts in zwakke mate1 en de rust gedurende den slaap moet hierdoor minder volkomen worden4 ,trouwens1 wanneer dit vermogen meer tijd heeft1 om de neiging der ligchaamsdeelen1 om in beweging te zijn1 te overwinnen1 doet het zulks ook1 zooals bijv4 bij den winterslaap van sommige dieren4 ,de op blz4 #g gemelde oorzaak van geschiktmaking neemt in die gevallen een middenweg4 ,zoo zij dit vermogen tot verandering der organisatie van het ligchaam te groot maakte1 zoo zij dit laatste ongeschikt voor het leven maken1 en deed zij dit vermogen te klein blijven1 zoo zou zij het ligchaam te onvatbaar maken om anders te zijn1 wanneer de uitwendige omstandigheden tot werkzaamheid1 dan wanneer zij tot rust nopen4 ,een inwendigen drang om binnen elk jaar eenmaal dikker en eenmaal dunner haar te verkrijgen bezit de organisatie der zoogdieren niet4 ,worden deze bijv4 verplaatst naar klimaten1 alwaar het des winters warm is1 zoo verkrijgen zij aldaar geen winterhaar2 terwijl1 naar de poolstreken verplaatst1 zij wel gedurende den aldaar maanden langen dag in slaap vallen4 ,met betrekking tot die voorziening der dieren tegen de koude1 maakt de werking der traagheid dat de oorzaak van geschiktwording hierbij in gebreke blijft4 #ga ,muizen en vogels lijden bijv4 van de winterkoude1 terwijl het ijskoude water1 waarin zij zich steeds bewegen1 de walvisschen waarschijnlijk niet hindert4 ,hunne organisatie is hiervoor welligt nog beter ingerigt dan de levenswijze en woningen der ,javanen voor de warmte1 waarvoor wij1 omdat deze hier te lande slechts kort aanhoudt1 ons slechts vrij gebrekkig inrigten4 ,bij de organisatie van dieren bestaat er ook een inwendigen drang om te veranderen met den ouderdom dezer dieren4 ,veranderingen bij de uitwendige omstandigheden dier dieren gedurende hun leven hebben welligt tot impulsie gediend voor het ontstaan van dien inwendigen drang4 ,hiertoe behoort het groeijen1 het sterker worden der dieren1 omdat dit gebeurt1 al blijft de moeder het jong even zoo beschermen en koesteren als vlak na de geboorte4 ,dit groeijen doet in zeker opzigt de dieren geschikter worden voor de omstandigheden waarin zij achtervolgens komen1 doch brengt met zekere snelheid veranderingen teweeg in derzelver organisatie1 waarnaar deze1 wegens de werking der traagheid1 zich niet in andere opzigten even snel kan voegen1 en kan hierdoor zelfs somtijds het ligchaam ongeschikter voor het leven maken4 ,de uit hunne krachten groeijende jongelieden strekken tot voorbeeld hiervan4 ,onder de groote veranderingen der organisatie van dieren gedurende hun leven1 ten gevolge van innerlijken drang1 behooren de gedaante-verwisselingen van vele der lagere dieren4 ,veranderingen der levensomstandigheden dier dieren gedurende de achtervolgende tijdperken van hun leven zullen wel primitief de op blz4 #g gemelde oorzaak van geschiktmaking geleid hebben om de organisatie dier dieren met dit vermogen tot gedaante-verwisseling te begiftigen4 ,wl kan1 wanneer eenige accidentele oorzaak de organisatie van eenig dier veranderd heeft1 dit zijne levenswijze hiernaar wat voegen1 doch men heeft bij die gedaante-verwisseling met een te algemeen verschijnsel te doen1 om aan te nemen1 dat het de vrucht is van een toeval4 ,kinderen kruipen en klauteren meer dan volwassen menschen1 en denkt men zich nu het menschelijke ligchaam op ongeveer het vijftiende jaar door innerlijken drang eene verandering te ondergaan1 waardoor het voor kruipen en klauteren minder geschikt wordt1 zoo heeft men iets dat te vergelijken is met de gedaante-verwisseling der insecten1 die1 wegens de werking der traagheid1 bij latere generatien in verzwakkende mate kan blijven bestaan1 wanneer de veranderingen der levensomstandigheden bij die generatien er niet meer de impulsie toegeven4 ,waarom moeten nu de levensomstandigheden van vele der lagere dieren gedurende derzelver jeugd anders zijn dan op lateren leeftijd8 ,wegens eene overeenkomstige reden waarom de levensomstandigheden van kinderen1 niet slechts om zoo te zeggen quantitatief1 maar tevens ook qualitatief anders dan die der volwassenen gehouden worden1 en dit niet enkel uit een hygienisch oogpunt1 maar tevens1 omdat het doelmatig is1 om zie blz4 #fg eerst lagere en later hoogere soorten van geestontwikkeling te vergrooten4 #gb ,meestal veranderen de levensomstandigheden der aan gedaante-verwisseling onderworpen dieren in verheffenden en slechts bij uitzondering in verlagenden zin4 ,in dit laatste geval kunnen zulke dieren1 even als op blz4 #db gezegd is1 naar lagere levensomstandigheden teruggedrongen zijn en de op blz4 #g gemelde oorzaak hebben getracht hen hiervoor geschikt te maken4 ,het is echter de vraag of die teruggang gedurende het leven van elk individu niet meer schijnbaar dan wezenlijk is4 ,ten gevolge van den op blz4 #bca gemelden innerlijken drang1 groeijen de hersens1 onder omzetting in derzelver zelfstandigheid van het door het ligchaam opgenomen voedsel4 ,was nu het denken eene functie der hersens1 zoo zou eten en groeijen hierbij de geestelijke ontwikkeling even goed moeten doen toenemen1 als de vorming en afleiding van zekere stoffen bij andere ligchaamsdeelen zie blz4 #aig4 ,de op blz4 #g gemelde oorzaak van geschiktmaking der organisatie der levende wezens voor de levensomstandigheden dezer laatste1 heeft de pasgeboren kinderen veel hulpeloozer dan de jongen der dieren gelaten1 omdat de ouderlijke hulp natuurlijke hulpmiddelen1 voor die jongen noodzakelijk1 voor de kinderen overbodig1 en dus in andere opzigten hinderlijk voor deze heeft doen worden4 ,onze levensomstandigheden vorderen dat ons ligchaam geschikt is voor zekere beweging1 zoodat te groote inertie er ongeschikt voor is4 ,van den anderen kant is eene inspanning1 waardoor het ligchaam veranderd wordt en bijv4 de spierkracht toeneemt1 dit insgelijks1 omdat1 wegens de werking der traagheid1 de bate der voeding betrekkelijk die grooter wordende werkzaamheid ten achteren blijft4 ,hoe langzaam men nu ook de vermeerdering der werkzaamheid van kinderen maakt1 steeds zullen deze aan zekere uitputting lijden1 omdat het vermogen voor die werkzaamheid dan ook wel toeneemt1 maar steeds wat te klein hiervoor blijft4 ,kon dit nu geweerd worden1 door tegelijk met de werkzaamheid de voeding te vergrooten1 zoo zou de verandering van het ligchaam1 wegens de werking der traagheid1 desniettemin op de eene of andere wijze ongeschiktheid er bij baren4 ,wordt de voeding versterkt1 zoo zal1 wegens de werking der traagheid1 het profijt er van voor het ligchaam er bij ten achteren blijven en dit door die voeding lijden1 en natuurlijk meer1 zoo geene vergrooting der werkzaamheid het profijt van het genomen voedsel betrekkelijk grooter doet worden4 ,uitputting moet van teruggang van spiersterkte onderscheiden worden1 het gelijkt hier evenmin op1 als breken op wegsmelten1 en als het ligchaam van een grijsaard op dat van een nog zwak kind4 ,uniformiteit van omstandigheden leidt tot geschiktheid bij de in die omstandigheden verkeerende wezens1 omdat de op blz4 #fd gemelde ongeschiktheid barende werking der traagheid1 dan weer weggenomen wordt4 ,verscheidenheid van omstandigheden leidt daarentegen bij zulke wezens tot ongeschiktheid1 maar tevens tot vooruitgang4 ,het is toch klaar dat wezens1 dan in deze en dan in andere omstandigheden verkeerende1 al zijn deze van even verheven aard1 door zich gedurig voor een nieuwen toestand van zaken geschikt te willen maken en hierin te willen dringen1 tot grootere geestinspanning en aldus tot eene grootere toeneming in geestontwikeling geleid zullen worden1 dan wezens1 wie een veel meer beperkt veld van leering ten dienste staat1 door dat zij steeds in dezelfde omstandigheden verkeeren4 ,iemand die reist1 al zij het zelfs bij minder beschaafde natien1 dan die waartoe hij behoort1 zal bijv4 meer leeren dan een ander die te huis blijft1 mits beide zich met even gewigtige zaken bezighouden4 ,volken1 op denzelfden trap van beschaving staande1 maar in aard1 zeden en behoeften verschillende1 zullen zich sneller ontwikkelen zoo zij met elkander verkeeren1 dan zoo zij dit niet doen4 ,bewoners van een hemelbol1 waarbij de onderscheidene deelen in lucht- en grondgesteldheid verschillen1 en elk dier deelen slechts geschikt is om eenige der voor die bewoners noodzakelijke producten voort te brengen1 zullen sneller in ontwikkeling toenemen dan de bewoners van een hemelbol1 waarbij elk plekje alles oplevert waaraan deszelfs bewoners behoefte hebben1 zoodat er geene aanleiding tot handel en vervoer bestaat4 ,wie zullen echter de gelukkigste zijn1 zoo althans de drang tot vooruitgang een eentoonig leven niet vervelend maakte8 ,gewis zij die in elk dier gevallen het minste kunnen leeren4 ,geschiktheid verzwakt den drang tot vooruitgang1 want men zal toch moeijelijker zekeren toestand verlaten1 om in een hoogeren te komen1 naargelang men zich in eerstgemelden toestand beter bevindt4 ,vandaar dat de toevallige afwijkingen der jongen van hunne ouders1 zooals op blz4 #ae gezegd is1 gene in organisatie gemiddeld ongeschikter dan die ouders makende de verhooging der organisatien bij de achtervolgende generatien zullen bevorderen4 ,de toestand onzer aarde is zeer verscheiden en wel voornamelijk wegens hare nabijheid van de zon1 zie blz4 #bf4 ,hierdoor ontstaan er toch bij de afwisseling van licht en duisternis1 van koude en warmte1 sterke verandering van luchtstroomen en welligt ook eene sterke werking van de gesmolten kern op de schors4 ,hieruit volgt dat de toestand onzer aarde zeer geschikt is voor den vooruitgang der er oplevende wezens1 maar niet voor derzelver geschiktheid voor de omstandigheden waarin zij verkeeren1 en dat die wezens er op snel in geestontwikkeling zullen toenemen1 maar kort zullen leven en aan allerlei oorzaken van vernietiging zullen blootstaan4 ,dit nu moet in het algemeen het geval zijn bij hemelbollen in de nabijheid van anderen zijnde1 en alzoo zich snel verplaatsende en een sterken en wederkeerigen invloed op elkander uitoefenende4 ,wegens eene constante oorzaak zullen bij het op blz4 #afj gemelde wereldsterrenstelsel er steeds een zeker aantal bollen in zulk een geval verkeeren1 doch dat onze aarde er thans in verkeert en eene weinig elliptische baan om de zon beschrijft1 moet zie blz4 #fi als een toevallig gevolg der uiterst zamengestelde werking der natuurwetten bij het wereldsterrenstelsel beschouwd worden4 ,het is aldus verkeerd te zeggen1 dat de zon onze planeet bewoonbaar maakt4 ,maakt de zon eene komeet meer bewoonbaar1 wanneer deze1 er digt bij gekomen1 aanzienlijk vervormd en uitgezet wordt8 ,men zal dit ontkennen1 en waarom zou de zon op de aarde1 met betrekking tot de hier op bestaande organische natuur1 eene tegenovergestelde uitwerking uitoefenen als op eene komeet8 ,de sporen van het ontstaan der organische natuur op onze aarde zijn nog niet uitgewischt1 een bewijs dat dit ontstaan betrekkelijk kort geleden heeft plaats gehad1 en dat de tijd1 dat eene zelfde organische natuur zich op deze aarde heeft kunnen staande houden1 omdat de toestand dezer1 met betrekking tot andere hemelligchamen zie blz4 #afh1 niet snel sterk veranderd is1 betrekkelijk kort is4 ,de op blz4 #bjj gemelde zeer etherachtige hemelbollen binnen- en buitenwaarts van de bolvormige schil den ,melkweg gelegen1 deze zijn het1 naar ons inzien1 die aan derzelver bewoners bijna onveranderlijke levensomstandigheden kunnen aanbieden1 en daardoor die bewoners veroorloven om zeer geschikt voor die omstandigheden te worden1 en om een zeer geringen drang tot vooruitgang te bezitten4 ,het niet beseffen1 dat de veranderlijkheid1 voor den vooruitgang noodig1 de geschiktheid vermindert1 heeft tot de meest bekrompene en scheve opvattingen van het werelddoel bij sommigen1 en tot ontkenning van eenig werelddoel bij anderen aanleiding gegeven4 ,de eerste hebben overal geschiktheid gezocht1 zonder deze steeds te kunnen vinden1 en de tweede hebben geschiktheid ontkend1 waar zij in zekere mate bestaat4 ,dat bijv4 het zeewater zout is1 kan als een gevolg van het toeval beschouwd worden1 doch de op blz4 #g gemelde oorzaak heeft de organisatie der zeevisschen voor het leven in dit zoute water geschikt gemaakt1 omdat die schepselen1 niet ten gevolge hunner eigen denking1 de zee zijn gaan bewonen4 ,wij menschen verkeeren daarentegen in een ander geval4 ,ten gevolge onzer eigen denking hebben wij schepen gebouwd en ons op den ,oceaan begeven2 onze eigen denking moet aldus de hulpmiddelen voortbrengen om het zout zijn van het zeewater voor de zeevaarders niet hinderlijk te maken1 hetgeen tot geestinspanning en aldus tot vooruitgang aanleiding geeft4 ,dit is eveneens het geval met andere zaken4 ,de kunstwarmte is bijv4 voor de menschen noodig geworden1 ten gevolge van hun kunstmatigen toestand1 een gevolg hunner eigen denking4 ,deze moet aldus ook de hulpmiddelen weten te vinden om die kunstwarmte daar te stellen1 en dat de menschen daarvoor nog gedurende eenige eeuwen van de fossile brandstoffen gebruik zullen kunnen maken1 moet slechts als een gelukkig toeval beschouwd worden1 even als bijv4 het bezit van natuurlijke havens4 ,zulke toevallen maken de toeneming in beschaving gemakkelijker1 doch is deze1 ondanks hen1 op de hoogte gekomen1 dat men hetzelfde als met hun hulp wil bekomen1 zoo maakt hun gemis1 dat men zich dan sterker inspant om dit gemis te vergoeden1 en die grootere inspanning leidt dan tot sterkere toeneming der geestontwikkeling zie ,noot blz4 #hi4 ,het toeval is het product van eene reeks van oorzaken en gevolgen die wij niet kunnen naoogen1 en bestaat aldus bij zeer samengestelde verschijnsels noodzakelijk voor de verscheidenheid1 op hare beurt weder noodzakelijk voor den vooruitgang der wezens4 ,waarom spreken wij van het blinde toeval8 ,omdat het gemiddeld niet leidt tot geschiktheid voor ons menschen1 en omdat het grillige der toevallige accidentele verschijnselen het ons menschen moeijelijk maakt1 om ze onschadelijk of voordeelig voor ons te maken1 wegens de werking der traagheid zie blz4 #fd1 doch1 zooals op blz4 #bcf gezegd is1 strekt juist dit veranderlijke1 mits op blz4 #fh gemelde wijze beschouwd1 ter bevordering van den vooruitgang der levende wezens4 ,eene accidentele oorzaak is een beloop van zaken1 deel uitmakende van een zeer zamengesteld verschijnsel1 en die tot een waargenomen wordenden toestand van zaken aanleiding geeft1 die1 zoo hij gedurende voor ons menschen lange tijdvakken onveranderd blijft1 eene constante oorzaak van secundaire verschijnselen is4 ,de helling der aardas is bijv4 het gevolg van zulk eene accidentele oorzaak1 en is tevens de constante oorzaak der regelmatige afwisseling der saizoenen4 ,deze is aldus evenzeer het gevolg van het toeval als het blindelings trekken van een hoogen prijs uit eene loterij1 doch daar die regelmatige afwisseling der jaargetijden gedurende voor de menschheid zeer langen tijd onveranderd aanhoudt1 zoo heeft deze in zekere mate er zich naar geschikt1 terwijl de trekker van het goede nummer geen tijd gehad heeft om zich te schikken naar het bezit van zijne zoo plotseling ontvangen geldsom4 ,behoudt hij echter deze1 zoo zal hij zijne behoeften zoo vergrooten1 dat1 al was dit primitief hoegenaamd niet het geval1 het bezit dier som zie blz4 #ej van lieverlede noodzakelijker voor hem zal worden4 ,het is niet denkbaar dat1 bij het bestaan van slechts eenvoudige verschijnsels1 witte en zwarte ballen binnen eene bus onregelmatig gegroepeerd kunnen raken1 en hierdoor wordt aangetoond dat toevallige groepering dier ballen onafscheidelijk is van een zeer zamengesteld verschijnsel4 ,men moet voorts wel onderscheid maken tusschen langer of korter durende en een meer uitgestrekt1 of meer beperkt veld van werking bezittende standvastige oorzaken1 zelve verschijnsels zijnde en andere verschijnsels tot gevolg bezittende1 en de wetten der ,natuur1 eigenlijk wel absoluut constante oorzaken1 die alle verschijnsels regelen1 maar zelf geen objectief bestaan bezittende4 ,deze zijn in zeker opzigt te vergelijken met de ,staatswetten1 zoo deze noch te verwaarlozen1 noch te overtreden1 noch te ontduiken1 noch te veranderen waren1 en al de verschijnsels op maatschappelijk gebied bepaalden4 ,de doodstraf bijv4 is geen verschijnsel1 maar zij bepaalt het verschijnsel der executien en dit is eene verschijnsel-oorzaak tot gevolg afschrikking voor het moorden hebbende4 ,er bestaan absoluut constante verschijnsels1 zooals bijv4 de gemiddelde vergrooting der hemelbollen1 die weder andere verschijnsels tot gevolg hebben1 en aldus1 ofschoon volgens het gewone spraakgebruik1 absoluut constante oorzaken1 desniettemin geene natuurregels zijn1 maar1 even als derzelver gevolgen1 door die natuurwetten bepaald worden4 ,het komt ons nu verkieselijk voor om onder oorzaken steeds te verstaan verschijnseloorzaken1 bepaalt door de vereenigde en in elkander grijpende werking der natuurregels1 en waarbij de werking van sommige dier regels meer kunnen predomineren en die van anderen nietiger zijn4 ,geheel ontbreken zullen die laatste werkingen nimmer doen1 want toch wordt zie blz4 #add alle denking bepaald door beweging1 zoodat bijv4 op onze denkingsverschijnselen de deze hoegenaamd niet bepalende bewegingen middelijk van invloed zijn1 daar toch deze influenceren op de onze denking bepalende niet zintuigelijk waarneembare atomistische bewegingen4 ,van elk der natuurwetten heeft de werking steeds dezelfde strekking1 maar vertoont zich gedurig onder andere gedaanten1 en1 met betrekking tot die gedaanten1 verkeeren zij in hetzelfde geval als de accidentele en betrekkelijk constante oorzaken1 zij zijn namelijk even als deze de vruchten van accidentele omstandigheden1 en min of meer beperkt van duur4 ,zulk een natuurregel is bijv4 de geschiktwording van levende wezens voor de omstandigheden waarin zij verkeeren4 ,waar de werking van dien regel zich nu vertoont als geschiktwording der organisatie der zeevisschen voor het zoute water van een ,meer1 is deze bijzondere gedaante dier werking een gevolg van het toevallig zout zijn van zulk een ,meer1 en zal zij ophouden1 wanneer1 door het verkrijgen van afvoer langs den bodem1 dit meerwater deszelfs zoutheid verliest4 ,iemand wandelt op straat1 eene wolk bedekt toevallig de zon1 en die wandelaar knoopt zijne jas digt1 ten einde zich te hoeden tegen koude4 ,die gedaante der werking der wet van geschiktwording duurt in dit geval al zeer kortstondig1 en is het gevolg van een zeer vlugtig en toevallig verschijnsel4 ,de reeksen van achtervolgende verschijnsels1 hoe zamengesteld ook1 ontstaan door de vereenigde in elkander grijpende werking van al de ,natuurregels1 doch onnaspeurlijk is het voor ons hoe dit geschiedt1 welk aandeel elk dier regels in die vereenigde werking heeft1 en hoe deze de achtervolgende verschijnsels uit elkander doen voortvloeijen4 ,tot voorbeeld hiervan strekken de uiterst zamengestelde banen door verschillende bollen1 onder de vereenigde werking der zwaartekracht en der traagheid beschreven4 ,die banen zullen ons meest als toevallig voorkomen1 doch wanneer zij hoofdzakelijk ontstaan door de aantrekking van slechts een bol op een anderen1 men kunnen nagaan hoe of de vereenigde werking dier beide natuurwetten plaats heeft4 ,evenzoo op het gebied der geschiedenis4 ,de vereenigde werking der natuurwetten brengt op dit gebied zulke zamengestelde verschijnsels te weeg1 dat van deelen er van het ondoenlijk is om na te gaan1 hoe die vereenigde werking heeft plaats gehad bij de achtervolgende uit elkander voortspruitende accidentele oorzaken1 waarvan de laatste tot dit feit aanleiding gegeven heeft4 ,dit bijv4 is niet te doen voor het feit dat de ,zwitsers eene zelfstandige natie vormen4 #gc ,wel weten wij dat hierbij in het spel is de werking der wet van geschiktwording1 die gescheiden tracht te houden wat niet bij andere zaken past1 doch die wetenschap staat gelijk met die1 dat de zwaartekracht in het spel is bij de meest onregelmatige bewegingen der hemelbollen4 ,even als echter1 zooals bijv4 bij ons zonnenstelsel1 die zeer zamengestelde bewegingen weinig1 ofschoon op zeer zamengestelde wijze gestoorde meer eenvoudige bewegingen worden1 waarbij wel nagegaan kan worden hoe deze door de werking der zwaartekracht en der traagheid ontstaan1 zoo ontmoet men in de geschiedenis dikwerf eene toedragt van gebeurtenissen1 wel is waar1 op eene zeer zamengestelde wijze gestoord wordende1 maar niettemin in hoofdzaak genoegzaam eenvoudig1 om er bij de werking der natuurwetten op maatschappelijk gebied na te gaan4 ,men moet voorts niet denken wanneer1 wegens de zeer samengestelde wijze waarop zij ontstaan zijn1 zaken ons toevallig voorkomen1 zij daarom steeds minder geschikt zijn4 ,bij eene eenvoudige toedragt van zaken kan dit ook het geval zijn4 ,onder de standvastige oorzaken behoort bijv4 de werking der inertie1 waardoor bijv4 menschen1 wanneer zij vrees of afkeer voor iets gevoelen1 dit wegens de werking der traagheid blijven doen1 nadat de aanleidende oorzaak er voor verdwenen is1 zooals bijv4 volken doen1 wanneer deze1 uit een anarchistischen toestand gerakende1 onder een despotisch juk vallen1 om later1 nadat zij hunne despoten verjaagd hebben1 weder tot anarchie te vervallen4 ,ons geheel toevallig voorkomende storingen kunnen nu zulke eenvoudige schommelingen van den politieken toestand van een volk vernietigen1 even als een toevallige stoot de verflaauwende schommelingen van een slinger1 en zulk een volk hierdoor in een meer geschikten toestand geraken4 ,nu zal men zeggen1 wanneer de toedragt van zaken op geschiedkundig gebied eenvoudiger is1 kan men beter nagaan wat er gebeuren zal1 en1 door de oorzaak der geschiktwording te doen werken1 tot een meer bevredigenden toestand geraken4 ,dit is zoo1 doch daartegenover staat1 dat die zeer zamengestelde toedragt van zaken1 waarbij ons zoo dikwerf het toeval overvalt1 zoo als op blz4 #bdj gezegd is1 den vooruitgang der individuen bevordert1 en met betrekking tot den geestelijken vooruitgang dier op- en aftredende individuen moet de geschiedenis beschouwd worden4 ,om na te gaan1 hetgeen eene school bewerkt heeft1 moet men niet vragen1 wat is er van die school geworden1 maar wat heeft zij van de haar bezocht hebbende leerlingen gemaakt4 ,er bestaat een groot onderscheid tusschen de zeer zamengestelde werking van een klein getal natuurwetten1 en die van uiterst zamengestelde natuurwetten4 ,bijv4 op eene hoe gecompliceerde wijze hemelbollen ook betrekkelijk elkander bewegen1 zoo slechts de zwaartekracht en de traagheid hierbij in het spel zijn1 zal een sterrekundige direct zeggen1 dat een dier bollen1 versnellende in zekere rigting bewegende1 niet plotseling eene andere rigting1 een niet afgeronden regten hoek met eerstgemelde vormende1 kan gaan volgen4 ,drie of meer van die bollen digt bij elkander zijnde1 zoo kan een astronoom vrij wel aangeven1 hoe zij althans1 voor eerst zullen bewegen1 hetgeen onmogelijk voor hem zou zijn1 zoo de verplaatsing dier bollen geschiedde door de vereenigde werking van een onnoemelijk aantal natuurwetten4 ,ware dit het geval1 zoo zou naar ons inzien de meest volkomene controlerende aanschouwing1 zie bl4 #agh1 den zamenhang en de oorzaken van al de verschijnselen aan geen wezen1 welk ook1 kunnen aangeven4 ,evenzoo in andere zaken4 ,tusschen twee plaatsen bestaat er bijv4 een groot verschil in luchtdrukking1 zonder dat men weet door welke aaneenschakeling van oorzaken dit ontstaan is4 ,het ontstaan van harden wind in zekere rigting is echter alsdan te voorspellen1 omdat in zulk een geval de beweging der luchtdeelen niet van de vereenigde werking van een uiterst groot aantal oorzaken1 maar slechts van drie afhankelijk is1 namelijk het verschil in drukking1 de traagheid der luchtdeelen1 waardoor zij1 op hoogere breedten komende1 den aardbodem van west naar oost vooruitloopen en ten derde de wrijving4 ,een sterke wind blaast tegen een beschot1 zonder dat men de aaneenschakeling van oorzaken kent1 waardoor die wind ontstaan is en dit beschot aldaar staat4 ,zoo een onnoemelijk aantal vereenigt werkende en in elkander grijpende oorzaken in zulk een geval van invloed waren op de drukking van den wind met betrekking tot het beschot1 zou men niet kunnen weten1 dat men dit aan de benedenwindzijde moet stutten1 om het voor vallen te behoeden4 ,weet men echter1 dat men hierbij slechts te doen heeft met de werking der wet der botsing eener bewegende veerkrachtige vloeistof1 en dat deze het beschot wil medeslepen zoo1 dit al de hierop uitgeoefende drukking niet op den bodem kan overbrengen1 zoo verkrijgt men de wetenschap van hetgeen er te doen valt1 om het beschot staande te houden4 ,onwetende menschen weten dit uit ervaring1 doch1 zoo een uiterst groot aantal oorzaken bij zulk een geval in het spel waren1 zou die ervaring niet dezelfde zijn1 en zou zij zelfs in het geheel niet bestaan1 voor zulke onwetende menschen zou hetgeen dan gebeurt een warboel zijn4 ,iemand voelt zich kleinmoedig en bevreesd1 zonder dat hij weet hoe dit ontstaan is4 ,wat hiertegen te doen8 ,de oorzaak van geschiktmaking laten werken1 door zich voor den geest te brengen de geestelijke en stoffelijke hulpmiddelen1 waarover men beschikt1 door hiermede den aard der bezwaren te vergelijken1 door in zijn geest het denkbeeld van krachtige en doelmatige handeling en van vertrouwen overheerschende te maken4 ,verkiest men nu zulks te doen in den vorm van een gebed1 het is wel1 doch men zal dit doen1 door de oorzaak van geschiktmaking niet onder dezelfde gedaante als in het vorige geval te doen werken1 omdat men weet dat nu niet in het spel is de wet van botsing van bewegende vloeistoffen4 ,door de beenen wijd van een op den bodem te plaatsen zal men aldus geen gevoel van kleinmoedigheid weren1 evenmin als men1 door zich aan te moedigen zonder meer1 zich zal behoeden tegen omverwaaijing4 ,zeer eenvoudige opmerkingen en waarvan desniettemin de supra-naturalisten geen helder begrip hebben4 ,dat de totale hoeveelheid der zelfstandigheid onveranderlijk is1 moet naar ons inzien1 ontstaan doordat haar bestaan traagheid bezit4 ,anders toch zou eene oorzaak1 kleiner dan eenige te geven grootheid1 gedurende een eindigen tijd het bestaan van een eindig deel dier zelfstandigheid kunnen vernietigen1 terwijl1 zoo de traagheid niet het ontstaan van zelfstandigheid tegenging1 eene dergelijke oorzaak als zoo even de absolute quantiteit dier zelfstandigheid zou kunnen vergrooten4 ,terwijl de traagheid een oneindig sterken wederstand schijnt te bieden aan eindige oorzaken de hoeveelheid dier zelfstandigheid trachtende te veranderen1 biedt zij slechts een eindigen wederstand aan de oorzaken1 leidende tot veranderingen der veropenbaring dier zelfstandigheid door beweging1 7namelijk de bewegingen der ligchamen1 alsmede derzelver eigenschappen1 welke zie bl4 #afe1 ook door bewegingen worden bepaald7 en der veropenbaring dier zelfstandigheid door denking 7namelijk de denkbeelden en de door den aard der denkbeelden bepaalde karaktertrekken der geesten47 ,de traagheid biedt niet slechts wederstand aan de veranderingen in sterkte1 maar ook aan die in aard dier veropenbaringen1 aldus niet alleen aan het werkdadig maken van latente denkbeelden1 zie blz4 #afg1 maar tevens aan de verwisseling en vervanging dezer laatste door andere denkbeelden1 niet alleen aan het ontstaan van beweegkracht1 van welken aard ook1 bij de ligchamen1 maar tevens aan de verandering van den aard der zeer zwakke met de structuur der ligchamen verbonden atomistische bewegingen1 waardoor den aard der eigenschappen dier ligchamen bepaald worden4 ,bij die eigenschappen bestaat er onderscheid tusschen derzelver intensiteit en derzelver uitbreiding1 7dat is of zij tot een grooter of kleiner ligchaam behooren7 en bij de veropenbaring der zelfstandigheid door denking bestaat er eveneens onderscheid tusschen de intensiteit van latente denkbeelden en derzelver uitbreiding4 ,deze laatste is bijv4 grooter1 wanneer zij bij veel dan wanneer zij bij weinig personen bestaan1 en zelfs bij een enkel wezen kunnen1 bij gelijke intensiteit der denkbeelden1 deze in uitbreiding verschillen4 ,om aldus bij de denkbeelden van wezens groote veranderingen te weeg te brengen1 dient er1 wegens de werking der traagheid1 eene oorzaak te bestaan1 die1 zoo deze slechts gedurende korten tijd werkt1 met betrekking tot de intensiteit en uitbreiding dier denkbeelden groot is4 ,vandaar dat bijv4 op het gebied der geschiedenis groote verschijnselen slechts kleine oorzaken kunnen bezitten1 wanneer deze gedurende zeer langen tijd werkzaam zijn4 ,integendeel1 kan bijv4 wanneer in eenig land de individuen sterk voor den vrede geneigd zijn1 een oorlogzuchtig pamflet hen evenmin eene noemenswaardige zucht tot oorlogvoeren geven1 alsdat de aantrekking eener komeet van geringe massa de snelheden en banen der planeten noemenswaardig kan wijzigen #gd4 ,de uitwerking van zulk een pamflet zal van lieverlede verdwijnen1 dat is de traagheid dier uitwerking zal met den tijd geheel overwonnen worden1 zoo de inhoud van het pamflet de drijfveeren1 tot oorzaak dier vredelievende neiging strekkende1 onveranderd laat4 ,eveneens zal eene accidentele snelheid gegeven aan waterdeelen1 wier snelheid door het verhang en de wrijving bepaald worden1 van lieverlede verdwijnen1 zoo de kortstondige oorzaak dier accidentele snelheid noch op het verhang1 noch op de wrijving van het water van invloed is4 ,bij de 7zie blz4 #agd7 onveranderlijke ofschoon zeer zamengestelde veropenbaring der zelfstandigheid door beweging en denking1 doet de traagheid1 door telkens den bestaande alsdan steeds volmaakt geschikten toestand in stand te willen houden1 het effect van eene alleenheerschende oorzaak van geschikthouding4 ,bij de veranderlijke veropenbaring der zelfstandigheid door beweging en door denking is dit integendeel anders1 en wel te meer hoe grooter die veranderlijkheid is4 ,de traagheid tracht alsdan slechts gebrekkig geschikte toestanden1 en zoowel het kwade als het goede hierin bevat1 in stand te houden1 met betrekking tot het geschikte en ongeschikte is zij neutraal4 ,bij de veranderlijke veropenbaring der zelfstandigheid bestaan er naar ons inzien eigenlijk slechts drie natuurwetten1 namelijk #ao4 de traagheid1 #bo4 de drang tot geschiktwording en #co4 die tot veranderlijkheid4 ,de door de wetenschap gestelde natuurregels zijn slechts de bijzondere ofschoon onveranderlijke regels1 waardoor bepaald worden de verschillende gedaanten1 welke de werkingen dier drie algemeene natuurwetten aannemen4 ,de wet der traagheid der met gewone snelheden begiftigde ligchamen1 de wetten volgens welke afstooting en aantrekking1 zie blz4 #aga1 onveranderlijke doch zeer zamengestelde atomistische trillingen regelen1 en de daarmede vergelijkbare natuurwetten1 waardoor de aard onzer denkbeelden onveranderd tracht te blijven1 bepalen toch de gedaanten waaronder zich vertoont de werking der algemeene wet der traagheid1 in het eerste geval op astronomisch gebied1 in het tweede op bijv4 scheikundig gebied1 omdat die trillingen de chemische eigenschappen der ligchamen kunnen bepalen en in het derde op zielkundig gebied4 ,bij elke verandering van verschijnsels1 bij alle opvolging van verschijnsels door er mede in verband zijnde andere verschijnsels1 ontmoet men steeds de zich onder de eene of andere gedaante vertoonende werkingen van die drie algemeene natuurwetten4 ,die der geschiktmaking zal trachten den bijzonderen aard der dingen meer algemeen te maken1 omdat hier door dien aard nadert tot die van het onveranderlijke en aldus volmaakte deel van het ,heelal1 zie blz4 #agd4 ,door de werking dier algemeene natuurwet zal aldus het bijzondere bij de veropenbaring der zelfstandigheid door denking verzwakken1 die denking naderen tot de algemeenste denkbeelden van den oergeest1 en het bijzondere bij de veropenbaring der zelfstandigheid door beweging verzwakken1 en die bewegingen naderen tot de algemeenste en onveranderlijke van den ether4 ,in beide gevallen zal echter de werking dier natuurwet slechts eene qualitatieve en niet1 zie blz4 #afi1 eene quantitatieve verandering te weeg brengen4 ,bestond de wet der veranderlijkheid niet1 zoo zou het bijzondere en verscheidene bij de veropenbaring der zelfstandigheid ook niet bestaan1 terwijl1 zoo de wet van geschiktmaking niet bestond1 de ontwikkeling van de bijzondere en veranderlijke hemelbollen en wezens niet zou strekken om deze1 wanneer derzelver ontwikkeling de palen der eindigheid bereikt1 de natuur van het onveranderlijke en aldus volmaakte te geven1 maar eerder om de afwijking hier van steeds grooter te doen worden4 ,gedurende het gemiddeld gaan dier hemelbollen en der er op verblijvende wezens van het op blz4 #afa gemelde middelpunt naar het midden der dikte van den ,melkweg1 moet er bij naar ons inzien de werking der natuurwet van de veranderlijkheid en tegelijk die der wet van geschiktmaking grooter worden1 zoo bij dit midden der dikte van den ,melkweg de aard der hemelbollen het meeste van die van den ether verschilt1 en dit ook het geval is met de op die bollen bestaande ligchamen1 waarmede de geene zintuigelijke indrukken voortbrengende atomistische beweging1 de denking der wezens bepalende1 in contact komen4 ,gedurende derzelver gemiddelde verwijdering van die plaats naar buiten1 bij die bollen de werking van beide die wetten geringer wordende1 zoo zal alsdan de aard dier bollen en der daarop wonende wezens van lieverlede minder bijzonder en verscheiden worden4 ,gedurende deze laatste periode zal de werking der natuurwet der geschiktmaking die der wet der onveranderlijkheid overtreffen1 en gedurende de eerste periode het tegenovergestelde plaats hebben4 ,door die eerste werking zullen zie blz4 #aee de gewone snelheden of overgaan in warmtetrillingen of1 wanneer gedurende derzelver verzwakking de aantrekking overwonnen wordt1 veranderen in de op blz4 #afe1 gemelde aantrekkingstrillingen1 de warmte zal er door verspreid worden1 de elektrische trillingen in warmtetrillingen overgaan1 de chemische zamenstellingen meer gaan gelijken op die der absoluut enkelvoudige stof den ether enz4 ,de werking der wet der veranderlijkheid moet daarentegen1 bij het grooter maken der afwijkingen van den toestand der zaken van den toestand van der ether1 voor zooverre deze niet aan den invloed der hemelbollen blootgesteld is1 juist het tegenovergestelde doen1 zoodat de werkingen der bijzondere natuurwetten der zwaartekracht1 der warmte1 der electriciteit1 van het chemismus enz4 begrepen zullen zijn deels in de werking der algemeene natuurwet der geschiktmaking en deels in die der natuurwet der verscheidenheid1 zoodat zij in dezelfde verhouding tot deze algemeene wetten staan als de op blz4 #bfi gemelde bijzondere natuurwetten tot de algemeene wet der traagheid4 ,uit het bovenstaande volgt dat de op blz4 #bdc1 gemelde1 hetgeen wij toeval noemen1 barende verschijnsels de vruchten zijn der werking der wet van de verscheidenheid4 ,de snelheden1 waarmede de hemelbollen volgens allerhande rigtingen den ether doorklieven1 zijn bijv4 het werk er van1 de ongelijke verspreiding der warmte en de hierdoor ontstaande ongelijke drukkingen eveneens1 het alsdan veranderen van warmtetrillingen in gewone snelheden bij vloeistoffen evenzoo4 ,de werking der wet der geschiktmaking tracht1 zie blz4 #afi1 de werkdadigheid van den geest1 waarbij er geoordeeld1 afgeleid en onder vooruitloopen der ervaring gedwaald wordt1 te vernietigen1 of liever om te zetten in de algemeene werkdadigheid van den ,oergeest1 hetgeen met de omzetting van gewone snelheden der ligchamen in de algemeenste atomistische bewegingen van den ether vergelijkbaar is4 ,van den anderen kant zal die werking bij de wezens eene werkdadigheid trachtten op te wekken als bij het voor den geest houden van denkbeelden door directe aanschouwing verkregen1 namelijk eene zuivere contemplatieve ervaringsdenking1 hetgeen zie blz4 #aei met de opneming van warmte door de hemelbollen te vergelijken is4 ,de werking der wet van de verscheidenheid tracht daarentegen het tegenovergestelde te doen1 namelijk ons niet te doen denken aan hetgeen wij door aanschouwing zeker weten dan voor zooverre dit strekt om te oordeelen1 te kiezen1 af te leiden enz4 ,dat het bestaan van verscheidenheid1 annex aan dat van het bijzondere1 de ontwikkeling bevordert1 blijkt niet slechts uit het effect er van op onzen geest1 maar tevens ook hieruit1 dat de organisatie der planten en dieren1 aan de meeste verscheidenheid van omstandigheden blootgesteld1 gedurende derzelver leven in ontwikkeling het sterkste toeneemt4 ,stelt men water te loopen langs eene ojiefvormige1 flaauwe en wrijvende helling1 zoo zal1 ongeveer waar het verval op het grootste is1 de snelheid van het water zulks ook zijn1 en dit het meeste slibstoffen opgeheven houden4 ,het verval hierbij is te vergelijken met de werking der wet der veranderlijkheid1 de wrijving met de werking der wet van geschiktmaking1 de snelheid met de intensiteit van het bijzondere en der verscheidenheid en het bezwangerd zijn van het water met slibstoffen met den vooruitgang4 ,even als de beide op blz4 #bej1 gemelde werkingen waar de meeste verscheidenheid bestaat1 zijn bij het zoo even gemelde geval1 waar de snelheid op het grootste is1 de werkingen van verval en wrijving op het grootste en even groot4 ,bij de aanschouwing van het verscheidene en aldus bijzondere trachten wij1 zooals bij de classificatie en het zoeken van het verband tusschen oorzaken en gevolgen1 eene kennis te verkrijgen met meer algemeene begrippen en aldus van meer algemeenen aard dan die aanschouwing4 ,de kennis1 direct door aanschouwing van het bijzondere verkregen1 voldoet ons aldus niet1 doch juist daarom strekt die aanschouwing van het bijzondere om zie bl4 #bcg ons zoodanig in te spannen dat onze geestontwikkeling toeneemt4 ,dit aldus niet kunnende geschieden1 zonder dat het oordeelen en besluiten de kennis1 door controlerende aanschouwing verkregen1 anders gezegd de ervaringskennis1 vooruitloopen1 waardoor deze laatste alsware omhooggetrokken en uitgebreid wordt1 zoo moet noodwendig de wijze van verkrijging van kennis1 waardoor de geestontwikkeling kan vergrooten1 aanleiding geven tot dwaalbegrippen4 ,loopen nu in geestelijken aanleg en intellectuele ontwikkeling uitstekende menschen die ervaringskennis meer dan het gros der menschen vooruit1 zoo zullen zij niet minder dan dit in dwalingen vervallen4 ,een pasgeboren kind kan niet denken ik schort mijn oordeel op over alles wat de ervaring mij niet als zekerheid aangeeft4 ,zulk een kind zou van niets de juistheid te verifieren hebben en niets leeren4 ,denkt het dat een verwijderd voorwerp te grijpen is1 zoo loopt het evenzoo de ervaring1 door het gezigt verkregen1 vooruit1 als een wijsgeer1 die zich op het gebied van het buitenzinnelijke begeeft1 de ervaring door al de zintuigen aan de menschen verschaft4 ,door de werking der wet van geschiktmaking zullen de gewone snelheden van ligchamen1 al zijn deze zelfs door geene wrijvende vloeistof omgeven1 in warmte beweegkracht overgaan4 ,geen ligchaam is toch volmaakt vast1 en bij geen ligchaam zullen alle punten precies dezelfde evenwijdige snelheden bezitten1 bij alle zal dus hetgeen1 op bl4 #aed en in ,noot bl4 #aef1 gezegd is1 met de snelheden te gebeuren1 plaats hebben4 ,dit is insgelijks het geval1 wanneer zulke ligchamen om eene as wentelen1 daar alsdan1 zie ,noot blz4 #afe moleculen1 digter bij den equator gelegen1 zullen komen naast andere1 er wat verder van gelegen1 en die aldus eene kleinere absolute wentelingssnelheid dan gene bezitten4 ,de op blz4 #aed gemelde egaliserende en de verscheidenheid bij de aardkorst wegnemende werking van het water is eene werking der wet van geschiktmaking1 ofschoon zij de aarde voor ons menschen1 maar niet voor de lage en een uniform leven leidende zeedieren onbewoonbaar tracht te maken4 ,de op diezelfde bl4 gemelde werking der lava van den aardkern is daarentegen eene werking der wet der veranderlijkheid4 ,de wet van geschiktmaking oefent1 bij de overwinning der traagheid van het bijzondere eene werking uit1 die wij in ons het3 ,over de werking der ,natuurwetten op zedelijk gebied enz4 blz4 #ffj slijtende werking genaamd hebben4 ,zoo in zooeven gemeld werk als in het vervolg er op1 hebben wij vele voorbeelden dier slijtende werking aangehaald en aangetoont hoe hierdoor de periodieke schommelingen 7zie later71 van lieverlede verzwakken en de toeneming in intensiteit van verschijnsels1 waarbij er elkander wederkeerig versterkende oorzaken in het spel zijn 7zie later7 tegengewerkt wordt4 ,deze wet tracht dan geschiktheid uit een en dan uit een ander oogpunt beschouwd voort te brengen1 zoodat zij in het eene geval somtijds1 in zeker opzigt1 in strijd werkt als in andere gevallen4 ,zoo tracht een harer werkingen menschen1 die met elkander op den voet van gelijkheid en in dezelfde omstandigheden verkeeren1 even deugdzaam en kundig te maken als het gros van hen1 en aldus een kundig en braaf mensch1 door zijn omgang 7zie blz4 #dh7 op den voet van gelijkheid met menschen1 die zulks minder zijn1 in geestontwikkeling te doen afnemen4 ,is daarentegen1 de geestontwikkeling van menschen te laag voor de eischen der omstandigheden waarin zij verkeeren1 zoo zal eene andere werking dierzelfde wet beide tot elkander doen naderen en aldus die menschen deugdzamer en kundiger maken1 althans zoo zij daarin niet tegengewerkt wordt door een andere van hare werkingen1 waardoor de geesten van menschen geschikt worden voor de ligchamen waaraan zij annex zijn en aldus meer naar het dierlijke neigen4 ,in dit geval zullen de werkingen dier wet drie zaken1 namelijk de ligchamen1 de geesten en de eischen van den maatschappelijken toestand op dezelfde hoogte trachten te stellen4 ,eenvormigheid bij menschen1 op denzelfden voet met elkander verkeerende1 is gewis op zich zelf beschouwd1 eene geschiktheid1 en dit is ook het geval bij andere zaken1 zoodat de wet van geschiktmaking er toe zal leiden om alle afwijkingen van gemiddelde toestanden weg te nemen4 ,zij maakt door eene secundaire werking dat individuen van dezelfde soort elkander opzoeken1 edoch bestaat er voor het bestaan dier verschillende soorten geene andere oorzaak dan de traagheid1 zoo zal zij1 7zie blz4 #g7 al die soorten tot eene gemiddelde soort ineen doen smelten1 en daar1 zooals op blz4 #ij gezegd is1 de aarde hierop eene terugtrekkende werking uitoefent1 die zich vormende middelsoort omlaag trekken4 ,een ander voorbeeld van met elkander in strijd zijnde werkingen der wet van geschiktmaking1 wanneer deze bij iets geschiktheid voor verschillende belangen tracht voort te brengen1 is de strijd tusschen de pogingen tot zamensmelting van verschillende volkstammen van een zelfden staat1 en die waardoor die stammen hunne nationale eigenaardigheden trachten te behouden4 ,de zamensmelting is voor de sterkte van den staat wenschelijk1 de pogingen er toe kunnen aldus als werkingen der wet van geschiktmaking beschouwd worden4 ,blijft nu de regering de sterkste1 zoo zullen de volkstammen wel1 met betrekking tot hunne nationale eigenaardigheden1 in een ongeschikten toestand komen1 maar de werking der wet van geschiktmaking hen daaraan ontwennen1 zooals zij zulks bijv4 bij de ,elzassers gedaan heeft4 ,zijn daarentegen de nationaliteiten de sterkste1 en is het mogelijk dat zij1 door niet door elkander vermengd te wonen1 afzonderlijke staten vormen1 zoo zullen zij zich hierop inrigten4 ,tracht een waanzinnige zijne neiging tot vernieling bot te vieren1 zoo tracht hij1 tengevolge der werking der wet van geschiktmaking1 hetgeen1 hem voor het oogenblik genoegen geeft1 te doen4 ,hierdoor schaadt hij zoowel zijne eigen toekomstige belangen als andere menschen1 doch deze sluiten hem1 tengevolge der werking van diezelfde wet1 op in een lokaal waar hij anderen niet hinderlijk is1 niets vernielen kan en zich niet kan bezeren4 ,die waanzinnige plooit1 zich naar het leven in zulk een vertrek en zijne vroegere betrekking wordt door anderen waargenomen4 ,dit een en ander toont aan1 dat zoo bij elken gegeven toestand er geene andere oorzaken van verandering werken dan die van geschiktmaking1 er ten laatste een onveranderlijken toestand zal ontstaan1 waarbij alles voor elkander geschikt is1 en geschiktheid in het eene oogpunt geene ongeschiktheid in eenig ander oogpunt meer zal baren4 ,zoo lang echter die onveranderlijkheid niet volmaakt is1 zal de geschiktheid zulks evenmin zijn4 ,van een staat1 voortdurend burgers bevattende die onder dezelfde wetten1 instellingen1 en regering wenschen te leven1 zullen die burgers in n opzigt in een onveranderlijken1 maar dan ook slechts in een opzigt in een voor hen geschikten toestand verkeeren4 ,om in eenig ander opzigt in een geschikten toestand te zijn 7bijv4 niet meer of minder te bezitten dan zij noodig hebben7 zouden zij ook in een ander opzigt in een onveranderlijken toestand moeten komen en zoo voort4 ,volmaakte geschiktheid in alle opzigten vordert aldus onveranderlijkheid1 of gemis van alle verscheidenheid in tijd1 doch1 daar de ervaring leert dat verscheidenheid in ruimte steeds gepaard gaat met verscheidenheid in tijd1 zoo zal het gemis hiervan met dat der verscheidenheid in de ruimte moeten gepaard gaan1 en aldus de volmaakte geschiktheid slechts bij den onveranderlijken ,ether en de onveranderlijke denkbeelden van den ,oergeest te vinden zijn #ge4 ,de wet der veranderlijkheid werkt echter het ontstaan van zulk een toestand onophoudelijk tegen en wel sterker bij de hemelbollen qualitatief meer van den onveranderlijken ,ether1 en bij de geesten evenzoo meer van den onveranderlijken ,oergeest verschillende4 ,deze wet werkt op verschillende wijzen4 ,zij doet bijv4 uit verschijnsels andere verschijnsels voortspruiten waardoor de eerste tegengewerkt of bevordert worden4 ,in het eerste geval is echter dit tweede verschijnsel traag1 zoodat het nog bestaat1 wanneer het eerste zulks niet meer doet1 en dan een verschijnsel tegengesteld aan het eerste te voorschijn brengt4 ,dit alsware negatieve eerste verschijnsel vernietigt wel het tweede1 doch zelf traag zijnde1 zoo bestaat het nog1 wanneer dit tweede verschijnsel zulks niet meer doet1 en brengt dan een verschijnsel tegengesteld aan dit tweede voort4 ,deze vernietiging van verschijnsels hebben wij op blz4 #ffj van ons werk get3 ,over de werking der ,natuurwetten op zedelijk gebied enz4 de uitputtende werking genaamd4 ,zoo in dat werk1 als in het vervolg er op1 hebben wij eene menigte voorbeelden aangegeven van schommelingen door die werking der wet der veranderlijkheid bij verschijnsels van zeer verschillenden aard te weeg gebragt4 ,een voorbeeld er van is het volgende4 ,iemand gedraagt zich slecht1 men begint hem te straffen1 en1 op het oogenblik dat hij zich het slechtste gedraagt1 neemt het bestraffen het sterkste toe1 om een maximum te worden1 wanneer die persoon zich even goed als gemiddeld de menschen gedraagt4 ,daarna begint hij zich beter dan deze te gedragen1 en1 op het oogenblik dat hij zich het beste gedraagt1 neemt het bestraffen het sterkste af en gaat het over in beloonen4 ,hierdoor wordt die persoon bedorven1 hij begint zich minder goed te gedragen1 en1 op het oogenblik dat hij zich weder even goed als gemiddeld de menschen gedraagt1 is het beloonen op een maximum geklommen enz4 ,zulke schommelingen zouden nu slechts kunnen ontstaan door de gecombineerde werkingen der natuurwetten der traagheid en der veranderlijkheid4 ,bij dit voorbeeld toch trachten1 zoowel zij die straffen en loonen1 als hij die gestraft en beloond wordt1 zoo zeer geene afwijkingen1 te vernietigen1 dan1 tengevolge van bestaande afwijkingen van handelingen te veranderen4 ,wanneer bij deze de afwijking op het grootste is1 veranderen gene op het meeste hunne manier van handelen1 omdat alsdan de wet der veranderlijkheid hen daartoe dringt2 terwijl1 wanneer de afwijkingen bij de handelingen van gene op het grootste zijn1 de gestraft of beloond wordende1 eveneens wegens dezelfde oorzaak1 zijne wijze van doen op het meeste wijzigt4 ,zulke schommelingen zullen echter zoo sterk niet plaats kunnen hebben1 omdat de wet der geschiktmaking vereenigt met de beide bovengemelde natuurwetten werkt4 ,werkte zij alleen met de wet der traagheid1 zoo zou de intensiteit der straffen steeds evenredig blijven met die van het wangedrag1 die straffen aldus ophouden1 wanneer hij1 die deze straffen ondergaan heeft1 zich weder gedraagt als gemiddeld de menschen1 en er geene schommelingen ontstaan4 ,evenzoo zal dit met het loonen plaats hebben1 zoo de werking der wet van geschiktmaking alleen het vernietigen van afwijkingen tot doel heeft1 en aldus het loonen een bedervenden invloed uitoefent4 ,heeft daarentegen de werking dier wet tot doel om de menschen1 accidenteel beter geworden1 aldus te houden1 zoo zal zij hen hoogere eischen dan vroeger stellen1 en hen in eene hoogere omgeving dan vroeger plaatsen4 ,deze laatste werking der wet van geschiktmaking niet in aanmerking nemende1 zoo zal1 bij de vereenigde werking der drie natuurwetten1 in het begin het straffen sneller toenemen dan bij het geval op blz4 #beh behandeld1 het reeds trager dan vroeger toenemen1 wanneer het wangedrag op een maximum is1 en het reeds weder verminderd zijn1 wanneer de gestraft wordende persoon zich weder als gemiddeld de andere menschen gedraagt4 ,op dit oogenblik geschiedt het straffen aldus minder streng dan in het vorige geval1 en zal aldus die persoon1 tengevolge der werking der wet der veranderlijkheid1 minder in gedrag boven de andere menschen gaan uitsteken4 ,de werking der wet der geschiktwording zal hem leiden om ook1 zonder dat hij gestraft of beloond wordt1 in zedelijkheid met gemiddeld de andere menschen gelijk te worden1 eene reden waardoor de schommelingen bij de afwijkingen van zijn gedrag zwakker zullen worden1 hetgeen wederom de schommelingen bij de wijzen1 waarop hij behandeld wordt1 verzwakt4 ,het gaat hierbij als bij een slinger1 hoe minder deze van den verticaal afwijkt1 met hoe minder snelheid hij den verticaal zal voorbijgaan1 en met hoe minder snelheid hij dit laatste doet1 hoe kleiner die afwijkingen zullen worden4 ,bij de veranderlijke veropenbaring der zelfstandigheid door denking en door beweging baren zie blz4 #bdj bijzondere verschijnsels21 andere verschijnsels1 deze weder andere verschijnsels1 terwijl tevens verschijnsels1 noch oorzaak noch gevolg van elkander zijnde1 op elkander kunnen werken4 ,in dit laatste geval kan het zijn1 dat het eene dier verschijnsels het andere tracht te verzwakken en dit het eerste te versterken1 of dat zij beide in aard aan elkander gelijk trachten te worden4 ,in dit geval zal de wet der geschiktmaking trachten hen in het eerste geval quantitatief en in het tweede qualitatief aan elkander gelijk te doen worden1 maar de wet der veranderlijkheid hen alsdan gevolgen geven1 op dezelfde wijze op hen werkende als de snelheden van een slinger op de afwijkingen van den verticalen stand van dezen1 zoodat zij met betrekking tot elkander schommelingen zullen ondergaan4 ,het verkeer van een arm met een rijk mensch zal bijv4 genen meer behoeften geven1 en dit behendigheid en vlijt1 maar tevens oneerlijkheid bij hem kunnen opwekken1 terwijl door dit verkeer de rijke zekere verzadiging zal ondervinden1 waardoor hij zorgeloos en lui1 maar tevens grootmoedig zal worden4 ,wanneer nu1 tengevolge dier bij hen door dit verkeer opgewekte eigenschappen1 beide dier personen even rijk geworden zijn1 zullen1 zoo van de wet van geschiktmaking de op blz4 #bei gemelde werking niet bestond1 die eigenschappen op een maximum zijn en de vroeger arme rijker worden1 dan den vroeger rijken #gf4 ,verschijnsels kunnen tot gevolg hebben andere verschijnsels wier grootte zij tengevolge der werking der veranderlijkheid trachten te doen toenemen1 terwijl die gevolgen van geen noemenswaardigen invloed zijn op derzelver oorzaak4 ,door de nabijheid der aarde van de zon zou bijv4 gene steeds warmer worden1 zoo de op blz4 #bdi gemelde werking der wet van geschiktmaking1 zich in dit geval als warmteuitstraling veropenbarende1 er aan geen grens stelde4 ,die verwarming der aarde zal echter derzelver afstand van de zon niet veranderen2 doch op blz4 #aef gemelde werking hierbij die der wet van geschiktmaking zijn1 in zooverre zij maakt dat snelheden1 zie blz4 #afe in aantrekkingstrillingen overgaan4 ,in zoo verre die werking warmtetrillingen bij de hemelbollen in gewone snelheden doet overgaan1 is zij daarentegen eene werking der wet der veranderlijkheid4 ,trouwens1 zoo zij1 door de hemelbollen zeer ver van elkander te brengen1 tegengaat dat deze met groote snelheden betrekkelijk elkander bewegen en invloeden op elkander uitoefenen1 zooals bijv4 de zon op de aarde1 belet zij dat die hemelbollen zich blijvend vereenigen tot een eenigen bol1 die1 door het opnemen der wrijvingswarmte door overgang voor uiterst vele en groote gewone snelheden in warmtetrillingen1 voortgebragt1 uiterst ijl en uitgezet zou worden1 en aldus een zeer algemeen karakter zou verkrijgen4 ,ook kan het zijn dat twee verschijnsels1 noch oorzaak noch gevolg van elkander zijnde1 op elkander gaan werken1 en dat het eene hierdoor niet noemenswaardig verandert1 terwijl het andere versterkt of verzwakt wordt4 ,het onderwijs1 door een schoolmeester gegeven1 komt bijv4 in aanraking met den geest van een leerling1 en tracht diens kennis te vergrooten4 ,door de werking der wet der veranderlijkheid zou die schoolmeester dien leerling gansche bibliotheken van buiten kunnen doen leeren maar1 onder de gedaante van vergeten1 beperkt de werking der wet van geschiktmaking de toename der geleerdheid van den leerling4 ,neemt men den geest opheffende werking der inspanning1 welke zich de schoolmeester geeft1 niet in aanmerking1 zoo zal deze door den directen invloed op hem van dit door hem gegeven onderwijs1 niet meer of minder geleerd worden1 en de op blz4 #bee gemelde werking der wet van geschiktmaking hem niet even kundig als zijn leerling trachten te maken1 omdat hij zich niet op eene lijn met dezen stelt1 en niet vermeent aan dezelfde voorwaarden als dezen te moeten voldoen4 ,ook kan het zijn dat een verschijnsel een ander tot gevolg heeft en de intensiteit hiervan tracht te vergrooten1 terwijl dit gevolg iets dergelijks bij deszelfs oorzaak tracht te weeg te brengen1 of dat twee verschijnsels zulke invloeden op elkander uitoefenen1 dat zij elkander wederkeerig versterken of verzwakken4 ,op blz4 #cji van het ,vervolg van ons werk get43 ,over de werking der ,natuurwetten op zedelijk gebied enz4 hebben wij daarvan verscheidene voorbeelden gegeven4 ,de werking der wet van geschiktmaking werkt dan echter de vergrooting van elk dier verschijnsels tegen1 zoodat zij eindelijk1 na zekeren trap van grootte bereikt te hebben1 niet meer noemenswaardig veranderen4 ,zoo zal wel het vliegen der vogels de vergrooting van derzelver vleugels bevorderen1 en het bezit van grootere vleugels die vogels sterker doen vliegen1 edoch1 zoowel eene bovenmatige grootte hunner vleugels1 als het uiterst snel doorklieven der lucht1 voor de vogels iets ongeschikt moeten worden4 ,zoo versterken moedeloosheid en geledene verliezen elkander wel1 doch de werking der wet van geschiktmaking zal den ontmoedigden tot bezinning doen komen1 en hem tevens zijn werkkring doen beperken1 waardoor deze zie blz4 #db meer in harmonie met de overgeschotene hulpmiddelen komt1 en het lijden van nog meer verliezen moeijelijker wordt1 ofschoon de moedeloosheid dan nog als gevoel van zwakte kan blijven bestaan4 ,op blz4 #aeb hebben wij gesproken van eene wederkeerige versterking van den aanleg voor iets en den graad waarin men het er in brengt4 ,de werking der wet van geschiktmaking schijnt echter de vergrooting van zulk een aanleg1 naarmate deze graad grooter is1 sterker te bemoeijelijken1 terwijl de werking dier wet1 waardoor de verschillende soorten van geestontwikkeling zich bij den mensch op dezelfde hoogte trachten te stellen1 voor zooverre de levensomstandigheden dit niet tegengaan1 benevens de terugtrekkende werking van het ligchaam en der beperktheid der controlerende zintuigelijke aanschouwing1 de vergrooting van eene soort van geestontwikkeling bij den mensch tegengaan4 ,wanneer echter die wederkeerige versterking van aanleg en graad van geestontwikkeling in iets zwakker is1 zal de werking der wet van geschiktmaking eerst later beide beletten verder noemenswaardig in grootte toe te nemen4 ,die geestontwikkeling zal dan toch meer tijd gehad hebben om zich geschikt voor andere zaken te maken1 om de bovengemelde haar alsware achteruittrekkende zaken te ontvlieden1 en bijv4 met een hooger georganiseerd ligchaam en eene ruimere controlerende aanschouwing in aanraking te komen4 ,bij die wederkeerige versterking komt het ons voor dat de aanleg zwakker toenemen moet1 naarmate hij van meer algemeenen aard en meer met de op blz4 #ahe gemelde grondslagen van de ligchaamsorganisatie vergelijkbaar is4 ,vooral voor de vergrooting van deze soort van aanleg 7evenals de meer bijzondere soorten er van in eigenschappen van denkbeelden bestaande7 zal langere duur der toeneming der geestontwikkeling gunstiger werken dan de sterkte dier toeneming1 hetgeen ook doorgaat voor de verandering der algemeene karaktertrekken bij wederkeerige versterking dier verandering en van zekere rigting van denkbeelden4 ,wederkeerige versterking tusschen een eindigen aanleg en eene geestontwikkeling gelijk nul kan binnen geen eindigen tijd bestaan1 ten eerste omdat1 zonder geestontwikkeling1 dat is zonder denkbeelden1 er geen aanleg kan bestaan zie blz4 #bdg1 ten andere omdat nul1 met alle eindige grootheden vermenigvuldigd1 steeds nul tot product geeft4 ,buitendien zal er eene opheffende werking noodig zijn om de geestontwikkeling te vergrooten4 ,aanleg is hiervoor niet voldoende1 deze maakt slechts de taak dier opheffende werking gemakkelijker4 ,deze is zelfs ook noodig om de vogels te leiden om te vliegen1 want men kan het bezit van vleugels door de vogels eenigzins vergelijken met die van zintuigsorganen door de menschen4 ,de vergelijking van het edelere gebruik dat wij1 met het lagere gebruik dat de dieren van die organen maken1 toont aan dat voor het waarnemen en opmerken het bezit van zulke organen niet voldoende is4 ,deze beide voorbeelden zijn dan ook niet die van eenvoudige wederkeerige versterking van twee verschijnsels1 maar van zoo iets gepaard met de versterking van het eene dier verschijnsels door een ander dat er niet door aangedaan wordt 7zie later74 ,de werking der wet van geschiktmaking zou de versterking van dit eerste verschijnsel namelijk die van de geestontwikkeling zeer beperken1 zoo die werking steeds gevormd werd door de terugtrekkende werking van de ligchamen en de beperktheid der aardsche zintuigelijke indrukken4 ,verplaatst zich echter het peil1 waarnaar de terugtrekking geschiedt1 naar hooger1 zoo vervalt de beperking der toeneming der geestontwikkeling door de werking der wet van geschiktmaking4 ,de bijzondere verschijnsels met betrekking tot de gemiddelde toestanden1 brengen voort bijzondere verschijnsels met betrekking tot iets van een anderen algemeenen aard1 of afwijkingen van eene andere soort van gemiddelde1 7zooals bijv4 de afwijkingen van een gemiddeld gedrag1 afwijkingen van eene gemiddelde behandeling74 ,deze doen op hunne beurt hetzelfde1 en zoo ontstaan er eene menigte van bijzondere verschijnsels of afwijkingen van gemiddelden van verschillenden aard1 die elkander versterken of verzwakken4 ,doordat bij dit laatste er echter1 zooals blz4 #beh gezegd is1 eene versterking in tegenovergestelden zin plaats heeft1 wanneer het gevolgverschijnsel verzwakt1 terwijl wederkeerige verzwakking niet kan plaats hebben1 wanneer een der verschijnsels opgewekt wordt1 zoo zal het ontstaan van bijzondere verschijnsels en afwijkingen1 door andere bijzondere verschijnsels en afwijkingen van iets anders voortgebragt1 als ware het totale bedrag der bijzondere verschijnsels en afwijkingen van verschillenden aard vergrooten4 ,wel zal nu de werking der wet van geschiktmaking de bijzondere verschijnsels en afwijkingen trachten te vernietigen en dit in zekere mate doen1 doch daar andere bestaande bijzondere verschijnsels en afwijkingen als gevolgen baren nieuwe bijzondere verschijnsels en afwijkingen van de soort der vroeger1 door de werking der wet van geschiktmaking grootendeels vernietigd1 de werking dier wet tegengewerkt worden door die der wet der veranderlijkheid en in den ganschen veranderlijken wereld dan de eene en dan de andere werking de overhand bekomen4 ,ofschoon die der wet der veranderlijkheid verschijnselen in aard hier mede verschillende gevolgen doet voortbrengen1 zoo hebben oorzaken steeds er mede gelijkslachtige hetzij hen verzwakkende1 hetzij hen versterkende gevolgen4 ,iets dergelijks ontwaart men ook bij de werking der wet van geschiktmaking4 ,bij de verschijnsels geschiedt deze op er mede gelijkslachtige wijze1 zooals vernietiging van snelheden door omzetting dezer in trillingen1 die van het hinderlijke der slavernij door verdierlijking der slaven enz4 ,dit ontstaat doordat1 zooals op blz4 #bdi gezegd is1 vaste1 maar alsware meer bijzondere wetten bepalen in welke verhouding de aard der werkingen der beide algemeene wetten staat tot de verschijnsels waarbij zij plaats hebben4 ,vandaar dat al de wetenschappen1 die de oorzaken en het verband der verschijnselen nagaan1 zooals de ,natuurkunde1 de ,staathuishoudkunde1 de ,ethica1 de ,wijsgeerige geschiedenis1 de ,volkenkunde enz41 ten doel hebben om te vinden1 welke bijzondere natuurwetten uitsluitend op ieders gebied heerschen zouden1 zoo er geen verband tusschen de verschijnsels1 tot het gebied dier verschillende wetenschappen behoorende1 bestond #gg4 ,der menschen handelingen kunnen slechts dan geheel werkingen der wet van geschiktmaking zijn1 wanneer zij de directe gevolgen zijn van ongeschikte toestanden van zaken1 en dit nu is niet het geval1 wanneer die handelingen de gevolgen van redeneringen zijn4 ,zoo bijv4 iemand1 met losbollen verkeerende1 er ook een wordt1 geschiedt dit door de besmettelijke1 zie blz4 #bee1 afwijkingen wegnemende werking van zijne omgeving en niet door redenering1 evenmin zoo iemand met de oogen knipt1 wanneer hierop te sterk licht valt4 ,wanneer de menschen op eene beredeneerde wijze ongeschiktheden 7bijv4 ziekten7 trachten te doen verdwijnen1 zijn de daarvoor door hen aangewende middelen steeds de zeer indirecte gevolgen dier ongeschiktheden4 ,was dit anders1 wees bijv4 maagpijn op eene instinctieve en directe wijze de daartegen aan te wenden middelen aan1 zoo zouden deze zeker doelmatig zijn1 want het zich aldus genezende wezen zou zich daarvoor niet boven de zintuigelijke ervaring behoeven te verheffen1 en geene andere verandering in het ligchaam dan het wegnemen der kwaal zou plaats hebben4 ,bij de behandeling van zieken door artsen geschiedt dit nu ook wel zoo in zekere mate1 doch buitendien worden er1 deels door dwalingen1 veranderingen bij de ligchamen der patienten te weeg gebragt4 ,die behandeling bestaat aldus uit de vereenigde werking der wet van geschiktmaking en van die der veranderlijkheid4 ,in andere gevallen is hetgeen de menschen tengevolge van redenering doen in betrekkelijk sterkere mate ofschoon niet geheel de werking der wet van geschiktmaking4 ,het kleeden bijv4 verkeert in dit geval1 want de gewaarwordingen van onze ligchamen duiden ons aan1 dat wij bijv4 geen lappen laken onder onze voeten moeten bevestigen en geen rok van zoolleer maken1 terwijl ook de vorm der kleederen door die van onze ligchamen in zekere mate direct aangegeven wordt4 ,bij al ons redeneren hebben wij steeds ten doel bij iets geschiktheid voort te brengen1 al zij het dat er door zie blz4 #bef1 te gelijk ongeschiktheid bij andere zaken ontstaat1 zoodat dit redeneren evenmin alleen eene werking der wet der veranderlijkheid als1 wegens de reden van blz4 #bfj1 eene der wet der geschiktmaking is4 ,omdat het echter deels eene werking van eerstgemelde wet is1 zal het slechts in eene veranderlijke wereld1 dat is in zulk eene waarin er een drang tot vooruitgang kan bestaan1 kunnen plaats hebben4 ,het verkeer in eene veranderlijke wereld is echter niet voldoende om vooruitgang bij de wezens voort te brengen1 hiervoor moet bij deze een drang er toe bestaan1 even als zie blz4 #bfc1 voor de toeneming der intellectuele ontwikkeling bij wezens in het bezit van zekeren aanleg4 ,een wezen kan een lager en gebrekkiger georganiseerd ligchaam dan zijns gelijken bezitten en hierdoor zie blz4 #ij1 aan eene grootere terugtrekkende werking dan dezen blootgesteld zijn4 ,het kan zich echter ook eene grootere geestinspanning dan de andere wezens geven1 ten einde in dit gebrek te voorzien1 en die grootere geestinspanning de vergrooting zijner geestelijke ontwikkeling bevorderen4 ,wanneer dit wezen aan die bevordering groote behoefte gevoeld1 zal het in dit laatste geval verkeeren1 en dit vergelijkbaar zijn met het op blz4 #bdj1 gemelde geval1 waarin een volk door kunstmiddelen moet voorzien in hetgeen de natuur elders zelve geeft4 ,het is naar ons inzien het duistere besef van die onbepaalde vergrooting der geestontwikkeling der menschen1 dat doet zeggen dat hun leven onschatbaar is1 niettegenstaande de waarde van het aardsche leven van enkele menschen negatief is1 en van de meeste hunner niet boven die eener matige geldsom gaat4 ,de statistiek leert toch hoe1 door het verzuimen van zekere veiligheidsmaatregelen1 er gemiddeld jaarlijks een zeker aantal menschen omkomen1 en toch kan men die maatregelen niet invoeren wanneer zij te veel geld kosten4 ,bij al zijn werken en drijven stelt de mensch zijn ligchaam aan meer of minder gevaren bloot4 ,productie van welken aard ook kost aldus bloed1 zelfs wanneer die productie dient tot het verschaffen van middelen ter beveiliging van der menschen leven4 ,het bewerkte hout en ijzer dat bijv4 op de schepen hiervoor dient1 kost aan een aantal houthakkers en mijnwerkers het leven4 ,men zou aldus moeten oplossen het vraagstuk van welken aard de productie moet zijn om een minimum van menschenlevens te kosten1 een vraagstuk dat1 wegens de gedurige variatien der omstandigheden1 slechts zeer in het ruwe op te lossen is1 en waarbij men de productie door te groote voorzigtigheid niet moet verminderen1 omdat hierdoor1 ten bate der geschiktheid met betrekking tot de veiligheid1 de van de productie afhangende beschaving te veel benadeeld zou worden4 #gh ,terwijl bij met den onveranderlijken oergeest volmaakt zamengesmolten wezens1 wat geschikt is in het eene opzigt ook geschikt moet zijn in een ander opzigt1 wat voor den een geschikt is1 ook voor den ander geschikt moet zijn1 en wat gewenscht is voor het heden ook in de toekomst gewenscht moet zijn1 is dit bij veranderlijke wezens geenszins het geval4 ,deze kunnen dan ook slechts trachten de bij hen bestaande totale ongeschiktheid1 waaronder zoowel die voor toekomstige hoogere toestanden1 als die voor het heden1 zoowel die met betrekking tot hunne zamenwerking met anderen1 als die met betrekking tot hun eigen1 tot een minimum te maken1 iets dat zij1 zoo zij aan de eischen van hun maatschappelijken toestand voldeden1 gemiddeld zouden trachten te doen1 doch welke pogingen door allerlei veranderingen van toestand te weeg brengende accidentele oorzaken aanhoudend tegengewerkt zouden worden4 ,van zulk een minimum van ongeschiktheid in allerlei opzigten1 dus ook voor de toekomst1 verwijdert men zich echter wanneer men de geschiktheid voor het een geheel opoffert ten bate van die voor het ander4 ,die eerste soort van ongeschiktheid wordt alsdan meer vermindert dan de tweede vergroot1 omdat1 naarmate er geschiktheid bij iets meer vermindert1 de verdere vermindering er van bezwaarlijker wordt1 omdat zij zich alsware dan bepaalt tot hetgeen waarbij zij moeijelijker uitteroeijen is4 ,dit kan vergeleken worden met de uitwerking der geregtelijke straffen4 ,deze gaan in zekere mate de misdaden tegen1 maar straft men zelfs de ligtste diefstallen met den marteldood1 zoo zouden er nog in voor de dieven zeer aanlokkende gevallen er nu en dan diefstallen gepleegd worden1 en de maatschappij minder winnen door de vermindering der diefstallen1 dan verliezen door de pijnlijke uitwerking dier verschrikkelijke straffen4 ,wij menschen trachten wel in zekere mate de ongeschiktheid bij ons genoegen in het heden1 die bij ons toekomstig bestaan1 die bij andere menschen en die bij het toekomstige bestaan van andere menschen weg te nemen1 doch doen dit niet bij elk dier soorten van ongeschiktheid in zulk eene verhouding als behoort1 om bij allen te zamen de ongeschiktheid tot een minimum te maken1 en wel1 omdat de toestand daaromtrent niet alleen bij de in beschaving gestegene menschheid veranderd is1 maar tevens bij elk individu gedurende zijn leven verandert4 ,bij de dieren toch lijdt de geschiktheid voor de toekomst en die van andere individuen veel minder dan bij ons menschen door de verwaarlozing er van ten bate der geschiktheid van het individu in het heden1 en daar1 sedert dat wij maatschappelijke pligten te vervullen hebben1 onze verheffing boven den staat der dieren niet sedert zeer langen tijd uiterst langzaam heeft plaats gegrepen1 handelen wij1 tengevolge der werking der traagheid en van de in de ,noot van blz4 #aci gemelde terugtrekkende werking1 met betrekking tot het te keer gaan der ongeschiktheid bij elk dier zaken1 te veel als dieren1 dat is wij voldoen niet aan de eischen van ons maatschappelijk bestaan4 ,desniettemin verzuimen wij niet geheel om bij elk dier zaken de ongeschiktheid tegen te gaan1 en zelfs niet bij ons en anderen toekomstig buiten aardsch bestaan4 ,dit wordt bewezen1 doordat der menschen ideaal hooger reikt dan om de hen bewuste kwalen der menschheid weg te nemen1 en om deze in den geschiktsten toestand met betrekking tot het aardsche leven in de tot den thans bestaanden stand van beschaving gestegene maatschappij te stellen4 ,om dit laatste in voldoende mate te doen1 hiervoor zijn de menschen1 wegens bovengemelde oorzaak1 te zinnelijk1 te egostisch en te zorgeloos1 kunnen zij gedurende hun kortstondig aardsch bestaan te weinig de behoeften hunner medemenschen leeren kennen1 en mangelt het hen aldus zoowel aan intellectuele als aan morele ontwikkeling1 doch dit neemt niet weg1 dat de 7zie blz4 #gh71 zoo onharmonische mensch somtijds zorgt om geschiktheid te vergrooten voor iets hooger dan het genoegen der aardsche maatschappij in het heden1 en dat hij hiervoor dit genoegen vermindert1 en zich zelf lijden oplegt4 ,dit is bijv4 het geval zoo iemand zooals ,beijling1 om zijn gegeven woord niet te breken1 niet slechts zijn eigen leven opoffert1 maar tevens zijne vrienden in droefheid dompelt4 ,dit is het geval zoo iemand1 overstelpt door rampen of behebt met ongeneeselijke en smartelijke kwalen1 zich liever in de harde maar leerrijke school van den tegenspoed laat1 dan zich van den last van het leven te bevrijden1 en vooral is dit het geval bij uitingen van het godsdienstig gevoel1 en maakt dat zij1 die zich offers opleggen om anderen in het heden genoegen te doen1 ons niet voorkomen aan de roeping van den mensch ten volle te voldoen4 ,dergelijke daden maken het de menschheid evenmin in het heden genoegelijker als de bekende raad van ,aristides in het belang van ,athene was1 en toch kan het doel hierbij niet slechts zijn om goede voorbeelden te geven1 daar dit geheel van de middelen der publiciteit afhangt1 en buitendien verzinsels daar even goed als werkelijk bedreven daden voor kunnen dienen4 ,die vergrooting der zedelijke ontwikkeling kan somtijds geschieden door het bedrijven van daden1 de maatschappij geen voordeel verschaffende1 zooals bijv4 bij het bedwingen van de neiging voor genot in het heden door het nakomen van een verbod van iets dat werkelijk schadeloos is4 ,de waarde van zulk eene daad1 met betrekking tot den bedrijver er van1 zal dan echter verminderen1 zoo deze geen ijver genoeg betoont om de doelmatigheid er van te onderzoeken4 ,de nakomelingschap heeft aan ,napoleon ,i de terdoodbrenging van den hertog van ,enghien1 benevens zijn trouweloosheid jegens het ,spaansche hof meer euvel geduid1 dan al de door hem geprovoceerde oorlogen4 ,dit nu kan slechts geschied zijn1 omdat die nakomelingschap het voorbeeld van moord en trouwbreuk voor latere heerschers verderfelijker achtte dan dat van oorlog voeren1 niettegenstaande1 wanneer die oorlogen stroomen bloed doen vloeijen en duizende huisgezinnen in rouw dompelen1 zij ontegenzeggelijk het genoegen der maatschappij meer schaden1 dan enkele moorden zulks doen4 ,deze strekken echter tot zedelijke verlaging1 de oorlogen daarentegen in verscheidene opzigten tot geestelijke verhooging der strijders en van de navolgers dezer4 ,zoo wij ons buitendien geen hooger ideaal voorstelden dan het genoegen der maatschappij in het heden1 zou bij het niet voldoen aan de eischen van dit ideaal1 dit omlaag getrokken worden1 dat is de beschaving zou afnemen1 en dit genoegen der maatschappij meer op het dierlijke gaan gelijken4 ,zoo1 wegens de in de ,noot blz4 #aci gemelde terugtrekkende werking1 als wegens den zeer geringen graad der geestontwikkeling der menschen tijdens derzelver geboorte1 zouden deze1 wanneer zij volwassen zijn1 wegens het kleiner zijn van het hunne geestontwikkeling optrekkenden ideaal1 op een lageren trap van geestontwikkeling komen1 en aldus de graad van ontwikkeling van het genoegen der maatschappij steeds teruggaan #gi4 ,het is hiermede gelegen als met de grootte van wandelingen1 zoo deze1 hoe klein ook1 inspanning vorderen1 en zij noch voor de gezondheid1 noch voor het genoegen gedaan worden4 ,al heeft iemand door dwang de gewoonte verkregen om eene wandeling van zekere grootte te maken1 die grootte zal van lieverlede verminderen1 nadat die dwang opgeheven is4 ,is aldus ons ideaal het publieke genoegen bij de thans bestaande beschaving der maatschappij1 zoo hangt het in de lucht1 en zal de noodzakelijkheid dier beschaving voor ons deze evenmin voor teruggang beveiligen1 als de gewoonte aan het doen van eene groote wandeling1 deze zal behoeden voor verkleining1 zoo geene andere oorzaak dit tegen gaat4 ,slechts zal die verkleining alsdan trager zijn4 ,wel is waar bezitten wij zie blz4 #bh een drang tot vooruitgang1 en misschien leidt deze de dieren1 om zich 7zie blz4 #aeb7 eene inspanning te geven grooter dan hun aangenaam is1 maar bij ons menschen1 die bewustheid hebben van de toekomst en van hoogere trappen van bestaan1 is deze instinctive drang hiervoor niet voldoende1 wij behooren hiertoe hetzij door anderen gedwongen te worden1 of wel een door onze zucht tot gemak niet omlaag trekbaar doel voor oogen te houden4 ,is dit doel bij de menschheid geheel aardsch1 zoo moet het1 wil de trap van beschaving niet verminderen1 minstens zijn om dezen trap te verhoogen4 ,is echter de trap van beschaving op aarde zoo hoog geklommen als de in de ,noot van blz4 #aci gemelde terugtrekkende werking benevens de traagheid der op een zeer laag standpunt van geestelijke ontwikkeling geboren wordende menschen gedoogt1 welk ideaal moeten deze zich dan ter bereiking voorstellen1 om op dit maximum van op deze aarde mogelijke beschaving te blijven8 #hj ,een aardsch ideaal kan dit klaarblijkelijk niet zijn1 en ook voor ons1 die dit maximum niet bereikt hebben1 kan die optrekkende werking niet geheel gevonden worden1 zoo men de oogen slechts op de aarde gevestigd houdt4 ,wij achten ons te weinig in de menschheid op te gaan1 7iets dat wel van zamenwerking met medemenschen onderscheiden moet worden7 en ons gevoel van zelfstandigheid is te sterk1 om ons ideaal vast te knoopen aan het lot der aan allerlei wisselvalligheden overgeleverde nakomelingschap4 ,wij bezitten eene meer of minder gebrekkige voorstelling1 dat voor een deel ons ideaal zoodanig moet zijn1 dat het op heffende werkt1 hoe hoog ook men binnen de palen der eindigheid gestegen zij1 en aldus slechts bij den oneindigen onveranderlijken en aldus volmaakten ,oergeest kan bestaan4 ,de idealen van zelfs leden van onbeschaafde maatschappijen bevatten dan ook bestanddeelen in sommige opzigten ongelijkslachtig zijnde met1 ofschoon niet minder verheven dan hetgeen tot het genoegen strekt der wisselende leden van beschaafde maatschappijen4 ,reeds de onbeschaafde mensch begeeft zich met zijne verbeelding en ook eenigzins met zijne rede op buitenzinnelijk gebied1 en vervalt alsdan in dwalingen4 ,dit is een noodwendig gevolg van het ver vooruitloopen der controlerende zintuigelijke aanschouwing tengevolge der natuurwet van de veranderlijkheid1 doch even noodwendig is het dat die dwalingen verkeerde opvattingen zijn van iets dat werkelijk bestaat4 ,de natuurwet der geschiktmaking verbiedt toch dat wij menschen een vermogen behouden om bespiegelingen te maken over het niet1 evenals zij niet zou gedogen dat de vogels vleugels behielden1 zoo er geene lucht bestond om er in te vliegen4 ,hetzelfde kan gezegd worden van de zucht der menschen om zich in eene hoogere en naauwere betrekking met het buitenzinnelijke en verhevene op het gebied der veropenbaring der zelfstandigheid door denking te stellen4 ,die zucht is de oorzaak der zoogenaamde inspiratie1 die der veronderstelde persoonlijke tegenwoordigheid van ,god op gewijde plaatsen1 die der gewaande lichamelijke vereenzelviging met hem4 ,de menschen hebben1 onder de vereenigde werking der wet van geschiktmaking en die der veranderlijkheid1 die zucht naar het hooge op eene voor hunne bekrompenheid van begrip geschikte wijze trachten te bevredigen1 en zijn hierdoor tot dwaalbegrippen tot bijgeloovigheden vervallen1 doch het bestaan dier zucht bij hen bewijst dat deze eenmaal bij elk hunner op eene objectief ware wijze bevredigd zal worden4 ,het is aldus niet de zucht naar het hoogere op buitenzinnelijk gebied1 of het godsdienstig gevoel in het algemeen1 waardoor de toeneming der menschelijke kennis vertraagd wordt1 maar het is de zinnelijke bevrediging dier zucht die zulks doet4 ,vandaar1 dat1 voorbij het standpunt van beschaving waarop de mensen en wijsgeerig beginnen te worden1 zie blz4 #aah1 er eene botsing ontstaat tusschen de verlichten der natien1 namelijk de wijsgeeren en de voorgangers van het gros dier natin in de zinnelijke bevrediging van het godsdienstig gevoel1 en dat de eerste op de laatste eene opheffende werking uitoefenen4 ,die disharmonie1 moge in het eene tijdvak sterker1 in het andere zwakker zijn1 overal zal zij bestaan waar1 tengevolge der werking der wet van geschiktmaking1 zinnelijke wezens zich door zinnelijke voorstellingen trachten te bevredigen1 en te gelijk1 tengevolge der werking der wet der veranderlijkheid1 door middel hunner rede zich tot het abstracte verheffen4 ,het wegens welk motief ook niet dringen in het abstracte maakt niet alleen dat de menschen bijgeloovig1 maar tevens dat zij ongeloovig zijn4 ,op het eene oogenblik vormt de mensch verheven bespiegelingen1 en zweeft hij boven de wolken in de wereld van het abstracte1 op het andere oogenblik trekt zijne zinnelijkheid hem naar den bodem terug1 en laat in zijn boezem een grond van wantrouwen voor zijne naar hij meent voor de rede onwederlegbare bespiegelingen4 ,is het aldus te verwonderen1 dat zij die gezeten zijn in het vaartuig hunner kerk1 wiens deelen zij de planken der behoudenis wanen te zijn1 omdat zij er tusschen op min of meer zinnelijke wijze het edelste hunner gevoelens voldoen1 dit vaartuig niet durven te verlaten en te wandelen op de baren van het abstracte1 uit vrees van te zinken naar de diepte van het ongeloof8 ,uit vrees van mismaakte dwergen te worden1 blijven zij liever kinderen4 ,de werking der traagheid moet de wezens beletten eensklaps van natuur te veranderen en hunne persoonlijke eigenaardigheden te verliezen1 zoodat zij niet op de wijze zooals ,bouddha gesteld beeft1 maar zelfs1 slechts na eene verzwakking van hun karakter van bijzonderheid en veranderlijkheid gedurende de grootst eindige tijden1 in het onveranderlijke oerwezen1 door met dit qualitatief identiek te worden1 opgenomen kunnen worden4 ,de wet der geschiktmaking1 welke dit tracht te doen1 zal zwakker werken1 naarmate er aan die volmaakte eenzelvigheid minder ontbreekt1 zoodat er evenmin een eindigen tijd zal bestaan1 waarin die werking alle te kort komingen aan die eenzelvigheid opgeheven zal hebben1 alsdat er eene eindige abcis zal bestaan1 waarbij bij eene kromme alle verwijdering van den assymptoot dezer verdwenen is4 ,dat de drang tot verandering van zaken1 naarmate zij den toestand1 waarin die drang hen wil brengen1 meer genaderd zijn1 kleiner wordt1 is een gevolg der werking der wet der traagheid1 die zulk een drang slechts veroorlooft binnen een eindigen tijd in grootte te veranderen1 en aldus ook te verdwijnen4 ,er zullen aldus zeer korte1 maar toch nog eindig groote tijden bestaan1 dat die drang uiterst gering zijnde1 voor het voortbrengen eener nadering der eene zaak tot de andere1 die vroeger binnen korten tijd geschiedde1 uiterst langen tijd noodig zal hebben4 ,bij bovengemelde kromme is de grootte der hoeken1 welke de tangenten met de as der abcissen maken1 met de grootte van dien drang te vergelijken4 ,is de vergelijking dier kromme nu zoodanig1 dat die hoeken wel naar nul streven1 maar niet negatief kunnen worden1 en beneden zekere grootte alle soorten van grootte bezitten1 zoo moet zulk eene kromme een assymptoot paralel met de as der abcissen bezitten4 ,evenmin als een veranderlijk wezen binnen een eindigen tijd het karakter der onveranderlijkheid kan verkrijgen1 kan het1 een zelfstandig iets zijnde1 binnen zulk een tijd volmaakt vernietigd worden4 ,ware eene vernietiging er van mogelijk zoo zou hierbij juist het omgekeerde als bij de op blz4 #ahd gemelde aangroeijing van zulk een wezen van af nul tot een eindig bedrag gedurende eene eeuwigheid moeten plaats hebben4 ,een wezen1 in dit laatste geval verkeerende1 moet eene eeuwigheid nadat het eene eindigen grootte bereikt heeft1 oneindig groot zijn1 en de stelling der prexistentie tot noodwendig gevolg hebben1 dat de geestontwikkeling der wezens de palen der eindigheid moet overschreden hebben1 wanneer zij met den ,oergeest volmaakt zamensmelten4 ,de wet van geschiktmaking werkt1 door de wezens een onveranderlijken aard te willen geven1 de vergrooting dier wezens tegen4 ,de wet der veranderlijkheid werkt op eene tegenovergestelde wijze1 en moet gedurende het laatste oneindig lange tijdvak1 dat de eindige wezens1 voor met den ,oergeest zamen te smelten1 in grootte toenemen1 in werking betrekkelijk de wet van geschiktmaking verzwakken4 ,bij eene eindige betrekking tusschen de werkingen dier beide wetten in het voordeel der eerstgemelde1 voor zooverre deze zie blz4 #bhd geene terugtrekkende werking uitoefent1 zullen1 bij den aanvang reeds bestaande wezens gedurende een eindigen tijd eene eindige betrekkelijke1 vergrooting ondergaan4 ,alsdan zal echter die betrekkelijke vergrooting dier wezens gedurende eene eeuwigheid1 van af een eindig getal tot nul afnemende zulks te traag doen om binnen die eeuwigheid slechts eene eindige absolute vergrooting voort te brengen4 ,hiervoor zou die verhouding1 op het oogenblik van den aanvang dier eeuwigheid1 oneindig groot moeten zijn en bij een wezen in grootte nul bestaan4 ,die grootte is vergelijkbaar met die der ordinaat nul bij den top van assymptoten bezittende kromme lijnen4 ,van dergelijke krommen moeten de met bovengemelde betrekkelijke vergrooting vergelijkbare tangenten der hoeken der raaklijnen van oneindig tot op nul afnemen4 ,de op blz4 #bgf gemelde zucht tot opheffing van den geest naar den onveranderlijken oneindigen ,oergeest1 vereischt dat diens onveranderlijke denkbeelden een invloed hoe indirect ook op onze veranderlijke denkbeelden uitoefenen1 want anders zou het zijn1 of dit onveranderlijke wezen voor ons geen objectief bestaan had1 en aldus1 zooals op blz4 #bge gezegd is1 die zucht bij de menschen niet kunnen bestaan4 ,die onveranderlijke denkbeelden van den ,oergeest kunnen echter niet direct op de onze van invloed zijn1 omdat deze dan ook een directen invloed op die onveranderlijke denkbeelden zonden uitoefenen1 en hen niet volmaakt onveranderlijk zouden kunnen laten4 ,die invloed moet aldus geschieden door eene grootst eindige reeks van zie blz4 #age1 veranderlijke denkbeelden van den ,oergeest1 en wel zoo dat de leden dier reeks naar de zijde waar deze zich aan de onveranderlijke denkbeelden hecht1 meer en meer hun karakter van veranderlijkheid verliezen en in uitgebreidheid toenemen #ha4 ,die uitgebreidheid bij die onveranderlijke denkbeelden oneindig zijnde1 zoo kan hun invloed op onze denkbeelden vergeleken worden met dien van een oneindig grooten hemelbol op een eindig grooten bol1 waarvan hij oneindig ver verwijderd1 en aldus1 zie blz4 #afe1 door eene oneindige massa van aantrekkingstrillingen bezittenden ether gescheiden is4 ,de invloed dier reeks van denkbeelden van den ,oergeest op onze denkbeelden moet echter niet beschouwd worden als inspiratie1 maar zie blz4 #abb als de oorzaak waardoor wij ons door middel der rede en verbeelding boven zintuigelijke indrukken verheffen4 ,de veranderlijke denkbeelden van den ,oergeest1 bepaalt door de atomistische bewegingen der aarde1 oefenen1 door tusschenkomst van dergelijke veranderlijke denkbeelden1 bepaalt door atomistische bewegingen der deelen van ons ligchaam1 geestelijke invloeden uit op door de zintuigelijk onwaarneembare atomistische bewegingen bepaalde denking van onzen geest #hb4 ,gedroeg deze zich hier tegenover geheel passief1 zoo zou hij een aardsch product zijn1 en werkelijk tracht die invloed hem daartoe door eene werking der wet van geschiktmaking te verlagen4 ,onze geest gedraagt zich echter ook actief1 ofschoon niet steeds even sterk1 het minste in den slaap1 in staat van dronkenschap1 van waanzin1 enz41 wanneer hij zich weinig inspant2 het meeste bij het denken over abstracte onderwerpen1 over het algemeene en bij het in den niet latenten toestand4 houden van denkbeelden1 zoo dit sterke inspanning vereischt4 ,voor het bezit dier activiteit heeft echter onze geest noodig primo om eene menigte van verscheiden en veranderlijke indrukken te ontvangen1 zonder welke hij niet werkdadig kan zijn1 zie blz4 #ic1 en secundo om invloed te kunnen uitoefenen op voorwerpen1 die zich alsdan tegenover hem passief gedragen4 ,zoo gedragen zich de beenen passief1 wanneer wij tengevolge van onzen wil 7eene soort van denking7 gaan1 en zouden zij zich slechts actief gedragen1 zoo zij ons konden dwingen om te loopen #hc4 ,onze geest zou slechts aan de op blz4 #id gemelde werking1 trachtende hem een aardsch product te doen worden1 blootgesteld zijnde1 dit werkelijk naar ons inzien worden1 zoo de werking der wet der veranderlijkheid hem niet binnen de wereldsche verscheidenheid en veranderlijkheid door de op blz4 #bgi gemelde reeks aan eene opheffende werking blootstelde1 en daardoor tevens maakte dat die eerste werking haar doel niet kan bereiken1 en aldus verlagende op den geest blijft werken4 ,men kan zich voorts voorstellen wezens zich niet verheffende boven de zintuigelijke indrukken1 die zij op een hemelbol verkrijgen1 en die1 in zeker opzigt qualitatief niet van elkander verschillende1 dit quantitatief wel doen4 ,zoo zouden bijv4 op deze aarde waterdieren1 zich niet boven hunne zintuigelijke indrukken verheffende1 niet slechts minder hoog in geestontwikkeling staan dan de werkelijk bestaande waterdieren1 maar tevens als imaginaire landdieren1 welke zich ook niet boven hunne zintuigelijke indrukken verheffen4 ,om te beseffen hoe de aardsche zintuigelijke aanschouwing1 door beneden de denking der aardbewoners te blijven1 de vergrooting der geestontwikkeling dier wezens belemmert1 en1 zoo onze planeet 7zie blz4 #aed7 niet zelve in eene phase van vooruitgang was1 hij de nakomelingschap slechts tot een zeker maximum zou veroorloven te gaan1 neme men in acht1 dat al der menschen wetenschappelijke kennis bestaat uit zintuigelijke waarnemingen1 wiskunde en logica4 ,van het eerste is natuurlijk het maximum op deze aarde beperkt1 en met de wiskunde en logica is dit1 door eene indirecte uitwerking van dit te laag staan der zintuiglijke aanschouwing met betrekking tot onze denking1 insgelijks het geval4 ,zoowel bij de logica als bij de wiskunde wordt den aard en grootte van het onbekende1 uit het bekende afgeleid1 zoodat1 waar zie blz4 #agd de rijkdom en volkomenheid der aanschouwing de geesten ten volle verzadigen1 wiskunde en logica overbodig zijn4 ,zoowel bij de logische als bij de wiskundige redenering 7wier juistheid eigenlijk onafhankelijk is van de objectieve waarheid van de stellingen waarvan men uitgaat7 gebruikt men beelden en voorstellingen aan de zintuigelijke aanschouwing ontleend4 ,de beperktheid hiervan moet nu de vlugt van onze voorstellingen beperken door hierop eene terugtrekkende werking uit te oefenen1 en hierdoor aan de intellectuele ontwikkeling der aardbewoners met betrekking tot de wiskunde en logica grenzen stellen1 zelfs al waren die bewoners in het bezit eener aardsche onsterfelijkheid en aldus van een onbepaald langen tijd om te leeren1 zonder dat hun geest een aardsch product was1 twee zaken die1 zie blz4 #bbd1 naar ons inzien1 onvereenigbaar zijn4 ,men zij voorts indachtig dat de werktuigen1 zooals telescopen1 microscopen1 passers1 barometers enz4 waardoor onze aardsche zintuigelijke aanschouwing uitgebreider geworden is1 niet zouden bestaan1 zoo het vooruitloopen er hiervan door onze denking er zie blz4 #agh niet opheffende opgewerkt had1 doch die uitbreiding is begrensd4 ,bij de theorie snelt men door middel van wiskundige en logische redeneringen de zintuigelijke aanschouwing meer vooruit1 dan bij de praktijk4 ,meer dan hierbij komt men bij de theorie tot resultaten van een meer algemeenen aard4 ,bij haar staat meer dan bij de praktijk vooruitgang en minder dan bij deze geschiktheid op den voorgrond4 ,wanneer een ligchaam valt1 bestaat er een verschijnsel1 namelijk de aantrekking waaraan dit ligchaam is blootgesteld1 dat opwekt een ander aldus in grootte toenemend verschijnsel1 namelijk de nadering van dit ligchaam tot andere ligchamen4 ,wederkeerige versterking tusschen die aantrekking en die sterkte van nadering heeft er hierbij 7evenals in zeker opzigt zie blz4 #ab tusschen den aanleg en de toeneming der geestelijke ontwikkeling7 slechts zeer weinig plaats1 omdat1 in tegenstelling van bij onderlinge nadering van twee hemelligchamen1 de aantrekking bij aardsche ligchamen gedurende den val van deze zeer weinig vergroot4 ,die nadering van dit ligchaam tot andere1 een gevolg der aantrekking1 brengt voort elastieke botsing1 dat is een overgang dier aantrekking in afstooting1 en aldus eene vernietiging en omkeering van deszelfs oorzaak voort4 ,op het oogenblik dat die afstooting begint1 zal de nadering op een maximum zijn2 terwijl1 op het oogenblik dat de afstooting op een maximum is1 de nadering nul geworden zal zijn4 ,deze wordt daarna negatief1 dat is zij gaat over in verwijdering1 die op het grootste wordt op het oogenblik dat de afstooting weder in aantrekking overgaat4 ,afneming hierbij dier heen en teruggaande snelheden door wrijving of onveerkrachtige botsing1 is eene werking der wet van geschiktmaking1 omdat er dan zie blz4 #bea snelheden in warmtetrillingen overgaan4 ,bestaat die verwijdering bij hemelligchamen1 zoo zal er na de botsing tusschen de sterkte der verwijdering en de aantrekking eene wederkeerige verzwakking bestaan4 ,zoo die hemelligchamen1 in plaats van tegen elkander te botsen1 zeer langwerpige ellipsen om een gemeenschappelijk brandpunt beschrijven1 zullen de naderingen op eene andere wijze de hen voortbrengende aantrekkingen vernietigen4 ,zij keeren in dit geval de rigting waarin de aantrekking geschiedt om1 zoodat alsdan de aantrekkingen niet negatief worden1 door in afstootingen over te gaan1 maar door in tegenovergestelde rigting te geschieden4 ,in dien laatsten zin zijn die aantrekkingen bij de perihelia op het sterkste negatief1 en aldaar is de sterkte der nadering nul geworden1 om later negatief te worden1 dat is in verwijdering over te gaan4 ,bij de aphelia zijn bij dit geval de positieve aantrekkingen gering wegens bovengemelde wederkeerige verzwakking tijdens de verwijdering der beide ligchamen4 ,bij het eerste voorbeeld is daarentegen de aantrekking der aarde minus de afstooting der beide ligchamen op het grootste1 wanneer het botsende ligchaam weder begint terugtevallen1 en aldus de sterkte der nadering er bij nul is4 ,wanneer de werking der wet der veranderlijkheid zoodanig is1 dat het gevolg deszelfs voortbrengend verschijnsel tracht te vernietigen en negatief te maken1 is die werking in denzelfden geest als de werking der wet van geschiktmaking terwijl1 wanneer het gevolg deszelfs voortbrengend verschijnsel tracht te versterken1 de werking der wet der veranderlijkheid in tegengestelden geest als die der wet van geschiktmaking is4 ,in het eerste geval bestaat er echter dit verschil tusschen de werking der wet der veranderlijkheid en die der wet van geschiktmaking1 dat de werking dier laatste wet alsware een nevenverschijnsel te weeg brengt1 in sterkte toe en afnemende met het verschijnsel waarop die werking vernietigende werkt1 zooals bijv4 de met wrijving gepaard gaande snelheden2 terwijl daarentegen bij de werking der wet der veranderlijkheid1 zooals in het eerste geval1 het vernietigd wordende verschijnsel door zijne grootte het vernietigende opwekt4 ,deze laatste werking1 gepaard met die der wet van geschiktmaking1 waardoor1 bijv4 zooals op blz4 #bei aangegeven is1 de gewijzigde werking van blz4 #beg ontstaat1 zou op maatschappelijk gebied steeds iets heilzaams wrochten1 zoo de maatschappij in geen staat van vooruitgang verkeerde1 en zal aldus iets heilzaam teweeg brengen in de gevallen waarmede de vooruitgang niet te maken heeft1 zooals bijv4 het vernietigen van afwijkingen ten eene of andere zijde van een welgemaakt ligchaam4 ,in zulke gevallen is toch de gemiddelde toestand den besten1 de vernietiging van afwijkingen hiervan wenschelijk en het ontstaan van zulke afwijkingen door de wet der veranderlijkheid1 waarbij er wederkeerige versterking tusschen oorzaak en gevolg plaats heeft1 schadelijk4 ,bij zaken in staat van vooruitgang is daarentegen1 wegens de werking der traagheid zie blz4 #eb1 die gemiddelde toestand niet den besten1 het ontstaan van afwijkingen er van naar boven is aldus wenschelijk en de vernietiging dier afwijkingen schadelijk4 ,zoo aldus die werking der wet der veranderlijkheid1 waarbij er wederkeerige versterking tusschen oorzaak en gevolg ontstaat alsdan dergelijke afwijkingen te weeg brengt1 zal de werking er van heilzaam en de tegengestelde werking der wet der veranderlijkheid schadelijk zijn1 daar in het eerste geval men iets goeds met betrekking tot wat ook1 tracht te vergrooten en in het laatste dit goede tracht te vernietigen4 ,zoo is het bijv4 goed dat de belooningen1 zij die zich goed gedragen1 tot nog beter aansporen4 ,de begrenzing van dergelijke afwijkingen1 tengevolge der op blz4 #bfa gemelde werking der wet der geschiktmaking1 is dan echter en wel meer1 naarmate zij digter bij zekere grootte is1 iets heilzaams4 ,zoo is het bijv4 goed om door belooningen de vlijt van leerlingen op te wekken1 edoch de toeneming dier vlijt moet gematigd worden1 omdat zij anders de gezondheid dier leerlingen zou schaden1 en evenzeer moet de vergrooting der belooningen gematigd worden1 omdat deze anders onregtvaardig zouden worden4 ,het ontstaan van alsware beneden of achterwaartsche afwijkingen van achterlijke gemiddelde toestanden door de werking der wet der veranderlijkheid1 waarbij er wederkeerige versterking plaats heeft1 is daarentegen schadelijk omdat alsdan iets kwaads vergroot wordt2 terwijl de omgekeerde werking dier wet1 waardoor dergelijke afwijkingen naar achteren tegengegaan worden1 heilzaam is4 ,schadelijk is het bijv4 wanneer men slechte menschen zoo bejegent en plaagt1 dat zij uit wrok nog slechter worden1 goed1 wanneer men dit zoo doet1 dat hunne zedelijkheid digter bij die van het gros der menschen komt4 ,deze de afwijkingen uitputtende werking der wet der veranderlijkheid gepaard met de werking der wet van geschiktmaking1 tracht de verschillende bestanddeelen van zaken met elkander in harmonisch verband en op dezelfde hoogte van ontwikkeling te brengen4 ,zijn nu bij die zaken1 door dat zij in een staat van vooruitgang zijn zooals op blz4 #gh gezegd is1 die bestanddeelen op zeer ongelijke hoogte1 zoo zullen die beide zoo even gemelde werkingen1 door de trachten de hoogst staande bestanddeelen dier zaken te verlagen1 ofschoon niet met betrekking tot de geschiktheid er van zie blz4 #bee1 iets schadelijk1 te weeg brengen1 en daarentegen1 door de laagst staande bestanddeelen er van omhoog te trekken1 iets goeds wrochten4 ,omgekeerd zal de werking der wet der veranderlijkheid1 waarbij oorzaak en gevolg elkander wederkeerig versterken1 iets1 ofschoon ook weder niet met betrekking tot de geschiktheid1 heilzaams voortbrengen1 wanneer zij zaken onharmonisch maakt door enkele bestanddeelen er van te verhoogen1 en daarentegen schadelijk werken1 wanneer zij eene disharmonie te weeg brengt door andere bestanddeelen dier zaak te verlagen4 ,dit laatste was bijv4 het geval bij het ontstaan van den aflaathandel in het begin der zestiende eeuw4 ,de vernietiging er van door de hervormers was aldus eene werking der wet der veranderlijkheid1 wanneer hierdoor afwijkingen uitgeput worden en te gelijk ook eene werking der wet der geschiktmaking4 ,toen zij echter eene nieuwe godsdienst verhevener dan de toen bestaande stichtten1 waren de handelingen der hervormers werkingen der wet der veranderlijkheid1 waarbij oorzaak en gevolg elkander wederkeerig versterken1 begrensd door de op blz4 #bfa gemelde werking der wet der geschiktmaking4 ,hunne handelingen strekten toen toch volstrekt niet meer om de verschillende bestanddeelen der toen bestaande godsdienst meer harmonisch met elkander en met de zinnelijkheid der menschen te maken4 ,ware dit het geval geweest1 zoo zouden de hervormers de hoogste bestanddeelen der catholijke godsdienst zie blz4 #bee hebben moeten verlagen4 ,niet de drang tot geschiktmaking1 maar die tot vooruitgang was de drijfveer dier hervormers4 ,eveneens was dit het geval bij ,galileus1 toen deze als vertegenwoordiger der wel op waarnemingen gebaseerde1 maar desniettemin abstracte wetenschap verscheen voor de vierschaar der vertegenwoordigers der zinnelijkheid1 der zie blz4 #agh niet controlerende getuigenis der zintuigen4 ,hierbij toch past de stelling1 dat de aarde om de zon wentelt1 zoo weinig1 dat niemand1 tenzij hij beter ingelicht is1 haar geloof zal willen schenken4 ,ook op staatkundig gebied bestaat er1 wegens den vooruitgang der maatschappij1 disharmonie bij verschillende zaken4 ,ingezetenen van rijken wenschen zich bijv4 te vereenigen met ingezetenen van andere rijken1 met wie zij zich verwant gevoelen1 en willen tevens zeer locale belangen overheerschende maken4 ,de werking der wet der geschiktmaking en de in denzelfden geest zijnde werking der wet der veranderlijkheid zullen klaarblijkelijk trachten eerstgemelde zucht te verzwakken en te gelijk te geven eene ruimere opvatting van locale belangen4 ,bij eene verdeeling der menschheid in staten1 enkel tengevolge van die beide werkingen1 zou aldus die zucht der inwoners van staten om staatkundig zamen te smelten met hen verwante inwoners van andere staten onbevredigd moeten blijven1 en zie blz4 #bef later verdwijnen4 ,wegens den vooruitgang der menschheid zullen de staten door zamenvoeging gemiddeld steeds grooter worden1 doch dit wegens de werking der traagheid gemiddeld zie noot blz4 #gh wat te laat geschieden1 en de staatkundige indeeling aldus zoo zijn1 dat zoo even gemelde zucht tot zamensmelting1 minder bevredigd wordt dan het particularisme4 ,de werking der wet van geschiktmaking en de in denzelfden geest zijnde werking der wet der veranderlijkheid1 zouden bij eene niet vooruitgaande maatschappij de staatkundige indeeling der menschheid zoo goed mogelijk trachten te maken1 en wel volgens nationaliteiten1 waarbij de particuliere en locale belangen weinig uiteenloopen1 want zulk een toestand zou dan evenzeer den gemiddelden politieken toestand zijn1 als de welgemaakte toestand van het ligchaam den gemiddelden van allerlei mismaakte toestanden1 zie blz4 #ajb4 ,oorlogen zouden het ontstaan van zulk een gemiddelden politieken toestand kunnen bevorderen1 door tot beide zoo even gemelde werkingen te behooren1 of kunnen tegengaan1 door werkingen te zijn der wet der veranderlijkheid1 die in strijd zijn met die der wet van geschiktmaking4 ,meer zullen zij echter in eerst dan in laatstgemelden geest werken1 omdat gemiddeld de morele kracht alsmede de ondersteuning van andere staten zijn voor den oorlogvoerenden staat1 die eene geschikte staatkundige verdeeling wenscht4 ,de werking van den oorlog kan men vergelijken met die van het trekken van ballen uit eene bus1 witte en zwarte ballen bevattende1 met zekere voorliefde voor de witte4 ,het kan dan echter zijn1 dat die bus zoo weinig witte en zooveel zwarte ballen bevat1 dat1 niettegenstaande die voorliefde voor de witte ballen1 er meer zwarte dan witte ballen getrokken worden1 en evenzoo zou de staatkundige indeeling zoo nabij de beste kunnen zijn1 dat1 niettegenstaande de gemiddeld grootere kans voor zege der partij1 die de staatkundige indeeling nog beter tracht te doen worden1 de oorlogen deze eerder trachten te verslimmeren dan nog beter te doen worden4 ,de gemiddelde toestanden1 op zich zelve beschouwd1 geschikte toestanden1 en somtijds afwijkingen van gemiddelde toestanden van meer algemeenen aard1 kunnen veranderen1 en zullen dit1 bij het bestaan van blijvende afwijkingen naar de eene zijde er van1 doen zoodat men dan alsware een anderen gemiddelden toestand zonder afwijking zal verkrijgen4 ,zoo kan de verzwakking van een staat iets worden1 waarnaar deszelfs bevolking zich voegt1 en die deze niet meer als eene door groote inspanning te vernietigen afwijking beschouwd4 ,de werking der wet der geschiktmaking tracht namelijk te gelijk afwijkingen te vernietigen1 en den gemiddelden toestand alsware naar de zijde dier afwijkingen te verschuiven4 ,de werkelijke afwijkingen zijn aldus steeds van tijdelijken aard1 en1 wanneer de werking der wet der veranderlijkheid wederkeerige versterking tusschen een verschijnsel en deszelfs gevolg te weeg brengt1 zal niet alleen zie blz4 #bfa de werking der wet van geschiktmaking de vergrooting van zulk een verschijnsel en van deszelfs gevolg eens doen ophouden1 maar1 zoo de gemiddelden toestand zich niet verplaatst1 door de op blz4 #beh gemelde werking der wet der veranderlijkheid1 die door wederkeerige versterking voortgebragte afwijking later weder vernietigd worden4 ,zoo zal bijv4 magtsvergrooting1 voortgebragt door wederkeerige versterking van succes en aanmoediging1 later door verslapping en overmoed weder vernietigd en zelfs negatief kunnen gemaakt worden1 beide echter slechts zoo die grootere magt1 door geschiktmaking er voor1 geene werkelijke behoefte wordt4 ,de wederkeerige versterking bestaat1 alsdan tusschen het voortbrengend verschijnsel en eenig ander1 doch zij kan ook bestaan1 tusschen het voortgebragte verschijnsel1 dat het eerstgemelde tracht te vernietigen en zelfs omgekeerd te doen worden1 en eenig ander verschijnsel #hd4 ,hoe zwakker de werking der wet van geschiktmaking is1 in hoe meer tijd zij aldus het beoogde doel bereikt1 hoe minder ongeschiktheid in andere opzigten er bij andere zaken er door teweeg gebragt zal worden4 ,vandaar dat men een goed doel kan bereiken zonder slechte middelen er toe te bezigen1 zoo men slechts geduld heeft1 en een op minder vaste gronden steunende geschikten toestand1 binnen korten tijd ontstaande niet verkiest boven een op vastere gronden steunende geschikten toestand meer in de toekomst4 ,stelt men het verbod om aan anderen te doen1 hetgeen zij wenschen dat hun niet gedaan wordt1 niet in strijd met het werkelijke belang der individuen1 zoo kan in elken staat het belang der deelen in overeenstemming met dat van het totaal dier deelen zijn4 ,dit zal insgelijks het geval bij het statenstelsel kunnen zijn1 want het is hiervoor wenschelijk1 dat er geene onderdrukte nationaliteiten bestaan1 en dit zal niet in strijd zijn met de belangen van elk dier staten1 omdat de meerderheid der inwoners van elk dezer toch een afkeer moet hebben van het denkbeeld dat zijne nationaliteit onderdrukt wordt4 ,hierbij1 zooals steeds op maatschappelijk gebied1 moet echter in acht genomen worden1 dat het verkeerd is bestaande afwijkingen van den toestand1 die het beste voor het algemeen welzijn is1 plotseling te willen vernietigen1 omdat door den tijd zij1 bij wie die afwijkingen bestaan1 zich in zekere mate er naar zullen geschikt hebben4 ,dit is bijv4 het geval bij zoogenaamde door den tijd verkregen en met het algemeen belang in strijd zijnde regten1 zooals bijv4 die van het houden van slaven1 te hoog geestelijk ontwikkeld met betrekking tot hunne meesters om zie blz4 #dg eene heerschappij1 als die over slaven uitgeoefent1 niet nadeelig te doen worden4 ,zulke regten behoeven evenmin plotseling1 althans zonder schadevergoeding 7eene soort van geschiktmaking voor den bezitter dier regten7 afgeschaft1 als onbepaald bestendigd te worden4 ,wanneer een voortbrengend verschijnsel of oorzaak eene afwijking is van een gemiddelde1 dat zich niet tracht te verplaatsen1 zal het voortgebragte of gevolg1 verschijnsel die oorzaak trachten uit te putten1 en deze daarentegen versterken1 wanneer dit gemiddelde zich wel tracht te verplaatsen4 ,zoo zal bijv4 succes in den krijg1 tengevolge van tijdelijke grootere eenheid1 deze trachten te verminderen1 of wel te vergrooten1 al naar gelang die grootere eenheid elders niet aangetroffen wordt1 of wel eene toenadering is tot die welke elders bestaat1 of die men noodig voor zich acht4 ,in het eerste geval schijnt die grootere eenheid iets1 dat na de zege overbodig geworden is1 en in het tweede iets waarvan de heilzame vruchten met betrekking tot de toekomst gebleken zijn4 ,inspanning brengt verhooging in positie te weeg1 en deze zal1 wegens den drang tot vooruitgang1 gemiddeld die inspanning niet trachten te vernietigen1 ofschoon de op blz4 #bfa gemelde werking der wet van geschiktmaking1 de vergrooting dier inspanning tengevolge van wederkeerige versterking1 weldra zal doen ophouden4 ,dat voorts die vergrooting in positie geschiedt onder strijd 7zie4 blz4 #ee7 in den algemeensten zin genomen1 ontstaat doordat magten zooals individuen1 staten enz4 in contact komen met andere niet met hen in alle deelen zamenwerkende magten of zaken1 hetgeen een gevolg is der verscheidenheid1 die zie blz4 #bcg eene voorwaarde is van den vooruitgang4 ,de werking van elken hartstogt is die van een der beide op blz4 #bhd gemelde werkingen der wet der veranderlijkheid1 in het eene geval zooals op blz4 #bei en in het andere1 zooals op blz4 #bfa gezegd is1 gepaard met de werking der wet van geschiktmaking4 ,lijden wekt bijv4 medegevoel op1 dat dit lijden tracht te vernietigen4 ,de sterkte van dit medegevoel klimt en daalt nu niet1 wegens de werking der traagheid1 te gelijk met die van dit lijden1 en vooral niet zoo de bekendheid hier van snel toeneemt1 en evenmin is dit medegevoel op een maximum wanneer dit lijden ophoudt met te bestaan4 ,met betrekking hiertoe verkeert het in een overeenkomstig geval als doelmatige straf met betrekking tot slecht gedrag1 en als met oordeel toegeven met betrekking tot gegronde grieven4 ,is het daarentegen iemands geluk dat medegevoel opwekt zoo heeft er tusschen beiden1 even als tusschen eischen en toegeving met zwakheid1 wederkeerige versterking plaats4 ,de werking der wet van geschiktmaking tracht echter dan de toeneming van beiden tegen te gaan1 daar zij iemands positie1 en te gelijk de gevoelens die men hem toedraagt1 tot zekere gemiddelden tracht te brengen4 ,met betrekking tot derzelver oorzaken staan de werkingen der hartstogten zie blz4 #bfg in dezelfde verhouding als de daden gedaan tengevolge van redeneringen4 ,trouwens bij hartstogtelijke handeling worden er redeneringen van eenvoudigen en oppervlakkigen aard gemaakt1 die1 zooals bij woede en vrees1 in der menschen geest overheerschende worden4 ,het zijn de hartstogten die de menschen doen handelen1 de goede op eene niet1 de slechte op eene wel te lage wijze voor de eischen van der menschen zedelijk leven en onderlinge zamenwerking1 en het verkeerde van zich blindelings aan goede hartstogten over te geven1 bestaat juist in het alsdan niet maken van genoegzaam diepzinnige redeneringen4 ,of de intellectuele ontwikkeling is dan in gebreke met betrekking tot de morele ontwikkeling1 of men weet haar dan niet genoegzaam te doen gelden4 ,dit in gebreke zijn der intellectuele ontwikkeling1 of het niet gebruik er van kan in het algemeen leiden om zich van het goede en insgelijks van het kwade te onthouden1 en aldus de neiging tot het eene en tot het andere verminderen4 ,naar aanleiding van hetgeen op blz4 #bag gezegd is1 zal1 omdat kennis noodig is om begrip en waardering van het goede te geven1 en niet alleen evenals bij het kwaad strekt1 om het op eene meer doelmatige wijze te doen1 ontbering er van gemiddeld meer tot kwaad dan tot goed strekken1 en aldus1 naar aanleiding van blz4 #aeb1 de neiging tot het goede meer verminderen dan die tot het kwaad #he4 ,men bedenke hierbij dat de werking der wet van geschiktmaking de verschillende soorten van kennis 7althans zie blz4 #fg7 die van even hooge soort1 met elkander in harmonisch verband tracht te brengen1 zoodat vermindering der wijsgeerige kennis ook die der andere kennis tengevolge heeft4 ,iemand1 die zich nu steeds er op toelegt om met overleg kwaad te plegen1 moet noodwendig de wijsgeerige kennis1 die betrekking heeft op de maatschappelijke behoeften en vooruitgang1 verwaarloozen en dit1 wegens de zooeven gemelde reden1 daling van andere takken van kennis ten gevolge hebben4 ,zoo de geestelijke aanleg der individuen der verschillende diersoorten en menschenrassen bij de geboorte dier individuen slechts bepaald werd door den aard van hunne ligchamen1 zou het onverklaarbaar blijven hoe zulke groote verschillen in den dezen geestelijken aanleg bepalenden aard der ligchamen ontstaan zijn1 of liever in stand gehouden worden1 want bestond er geene constante oorzaak voor dit laatste1 zoo zouden die verschillen1 slechts door de werking der traagheid in stand gehouden1 van lieverlede verminderd zijn1 en slechts accidentele omstandigheden 7anders gezegd het toeval7 die den geestelijken aanleg bepalenden aard der ligchamen wat doen variren4 ,de verschillen in levensomstandigheden kunnen althans bij de menschenrassen die constante oorzaak niet zijn1 omdat de verschillen in hoogte der levensomstandigheden bij de menschen kunstmatig zijn1 en niet door de aarde aangeboden worden4 ,de verschillen in den bovengemelden aard der dierlijke en menschelijke ligchamen1 moeten in overeenstemming met de stelling van blz4 #ib1 dat die ligchamen aan eene opwaarts drijvende werking buiten hen blootgesteld zijn1 naar ons inzien1 ook in stand gehouden worden door eene oorzaak buiten hen1 namelijk zie blz4 #aif door de verschillen in aanleg der geesten op de aarde met levende ligchamen in contact willende komen4 ,de geslachtsvoortplanting en het verkeer zullen voorts klaarblijkelijk strekken om bovengemelden aard dier ligchamen bij dezelfde soorten of dezelfde volken gelijk aan elkander te doen worden4 ,dit zelfde verschil in aanleg der geesten houdt1 naar ons inzien1 bij een zelfde volk het verschil in stand1 voor zooverre dit niet door het toeval ontstaat1 in stand4 ,wel heeft de maatschappij zich naar die verschillen in beschaving geschikt1 doch die verschillen kunnen naar ons inzien geene noodzakelijke behoefte zijn van welke maatschappij ook1 bijv4 niet van eene wier leden in geestelijken aanleg tijdens hunne geboorte alle gelijk zijn1 en niet1 tengevolge der werking van het toeval1 ongelijk in beelding en rijkdom worden4 ,verschil in magt zou in zulk eene maatschappij enkel door verschil in ancieniteit bepaald worden4 ,de werking der wet der veranderlijkheid1 waarbij oorzaak en gevolg elkander wederkeerig versterken1 veroorzaakt vaak eene overdrevene schatting van zekere hartstogten1 zooals vreugde1 smart1 bewondering1 verachting1 opwekkende gebeurtenissen4 ,tusschen de opvatting dezer laatste in den geest dier hartstogten en deze bestaat er dan eene wederkeerige versterking1 door de werking der wet van geschiktmaking1 waardoor de hartstogt en de overdrevene voorstelling gematigd worden1 begrensd4 ,de aanschouwing der werkelijke gevolgen van zulk eene gebeurtenis wekt dan echter het denkbeeld op1 dat men zich aan overdrijving heeft schuldig gemaakt1 en dit denkbeeld nu is1 wegens de werking der traagheid1 niet verdwenen1 wanneer1 tengevolge er van1 die overdrijving niet meer bestaat4 ,vandaar dat deze naar aanleiding van hetgeen op blz4 #beh gezegd is1 negatief zal worden1 en er aldus1 met betrekking tot de juiste schatting1 verflaauwende schommelingen zullen ontstaan4 ,was dit niet het geval1 zoo zou men1 na het vernemen dat eene heugelijke tijding valsch is1 direct weder in dezelfde gemoedsstemming als voor het ontvangen dier tijding moeten komen1 want op het oogenblik dat de ongegronde vreugde verdwenen zou zijn1 zou zulks ook zijn het denkbeeld dat men zich ten onregte verheugd heeft4 ,dit is echter in werkelijkheid het geval niet1 en vandaar1 dat men daar na gedurende zekeren tijd treurig wordt4 ,hierbij komt echter nog dat de wet van geschiktmaking de menschen ras gewoon maakt aan het denkbeeld van voorspoed1 en aldus1 zooals op blz4 #bhi gezegd is1 althans met betrekking tot de bestaande afwijking1 in gevoel van vreugde bestaande1 het gemiddelde verzet1 zoo dat hierdoor1 wanneer de valschheid der goede tijding ruchtbaar wordt1 de vreugde reeds veel vermindert zal zijn4 ,een zelfde verschijnsel kan te gelijk bestaan bij verschillende groepen van verschijnsels1 elk1 wegens de vereenigde werking der zamenstellende verschijnsels1 opwekkende een gevolg onderscheiden van de gevolgen dier andere groepen4 ,zoo kan bijv4 eene slechte daad1 vereenigd werkende met de vriendschappelijke stemming der beoordeelaars dier daad1 jegens derzelver bedrijver tot gevolg medelijden hebben2 terwijl diezelfde daad1 vereenigd werkende met de vijandelijke stemming van andere beoordeelaars1 jegens derzelver bedrijver verachting en haat tengevolge heeft4 ,het gretig eten van gewijde kuikens kan1 vereenigd werkende met de bijgeloovige gevoelens van een leger1 aanmoediging hiervan tot gevolg hebben2 terwijl1 vereenigd werkende met de functie van de keel dier kuikens1 dit gretig eten dezer de vulling van derzelver magen tot gevolg heeft4 ,in elk dier gevallen zal elk gevolg zie blz4 #ga1 gelijkslachtig zijn met een of meer der verschijnsels door wier vereenigde werking het opgewekt wordt4 ,zoo is bijv4 aanmoediging gelijkslachtig met bijgeloovige stemming1 en vulling van magen met eten4 ,evenzoo is uitdrooging der lucht gelijkslachtig met derzelver oorzaak1 namelijk de met storm vergezeld gaande betrekkelijk sterke luchtrijzing1 terwijl het reven van zeilen gelijkslachtig is met het besturen van vaartuigen1 dat vereenigd werkende met storm1 dit reven tengevolge heeft #hf4 ,gelijkslachtig zijn oorzaken en gevolg1 wanneer deze op gene kunnen terugwerken en hen1 zooals op blz4 #bhd gezegd is1 kunnen uitputten en omkeeren1 of versterken1 en ongelijkslachtig zijn oorzaken en gevolgen1 wanneer dit niet mogelijk is4 ,zoo zal bijv4 de aan- of ontmoediging van een leger kunnen terugwerken op deszelfs bijgeloovige stemming1 maar niet op het eten van gewijde kuikens1 terwijl de met dit eten gelijkslachtige vulling der magen dier kuikens dit daarentegen wel kan doen4 ,evenzoo zal de uitdrooging der lucht de luchtrijzing en aldus ook de horizontale toeschieting der lucht of den wind verzwakken1 terwijl het reven van zeilen op de sterkte van den wind niet1 maar op het besturen van zeilvaartuigen wel terugwerken kan4 ,hoe komt het nu dat1 zooals bij deze voorbeelden1 geheel ongelijkslachtige verschijnsels vereenigd werkende gevolgen kunnen opwekken1 die aldus onmogelijk met elk van derzelver oorzaken gelijkslachtig kunnen zijn8 ,naar ons inzien1 doordat hier op aarde niet alles in harmonisch verband is1 doordat1 zooals op blz4 #aie gezegd is1 de gewassen en de ligchamen der dieren hooger dan de onbewerktuigde natuur1 en de geesten der menschen hooger dan de door derzelver ligchamen bepaalde denking1 en zie blz4 #ia en #bhj nog hooger dan de door de onbewerktuigde aardsche natuur bepaalde denking staan4 ,zoo is het rijp worden van vruchten1 een gevolg der vereenigde werking der organische zamenstelling dier vruchten en der warmte1 met deze laatst geheel ongelijkslachtig4 ,het met die warmte gelijkslachtige gevolg is daarentegen de grootere uitstraling en de mindere vatbaarheid voor warmteopslurping der verhitte voorwerpen4 ,wegens de op de verhitting terugwerkende eigenschap van dit gevolg1 moet het in de warmteleer beschouwd worden1 hetgeen aldaar daarentegen weinig meer met het rijpen van vruchten1 als met het bezoeken van zomer-theaters behoeft te geschieden4 ,hoe grooter de disharmonie is tusschen met elkander in verband gebragte zaken1 hoe ongelijkslachtiger de gevolgen en sommige van derzelver oorzaken kunnen worden4 ,dit is bijv4 in sterke mate het geval1 zoo het eten van gewijde kuikens1 of zie blz4 #ade en #aga juister gezegd1 de hierdoor bepaald wordende denking1 in verband komt met de menschelijke denking over geheel andere zaken4 ,die disharmonie is nu enkel het gevolg hiervan1 dat de verbeelding opwekkende bewuste aanschouwing sterk vooruitloopt de op blz4 #agh gemelde aanschouwing1 waardoor de menschen met den waren aard der zaken bekend worden1 en zoo nu die disharmonie werkelijk maakt dat gevolgen geheel ongelijkslachtig met sommige van derzelver oorzaken worden1 zoo is het klaar1 dat de door de wijsbegeerte zie blz4 #aag niet ingelichte menschen het mogelijk kunnen achten1 dat gevolgen er mede gelijkslachtige oorzaken geheel kunnen missen1 of met andere woorden dat er wonderen bestaan4 ,kon bijv4 het gezigt van een klein stuk beschreven papier de eenigste oorzaak zijn1 dat iemands bloed sneller gaat loopen1 en dat zijne spijsvertering belemmerd wordt1 zoo zou dit verschijnsel van denzelfden aard zijn alsdat iemands woorden een dooden kunnen opwekken4 ,wat maakt echter het eerste verschijnsel mogelijk en het tweede onmogelijk8 ,het bestaan van eene oorzaak gelijkslachtig met de physiologische werkingen binnen het ligchaam1 en vereenigde werkende met de inzage van het kleine stuk beschreven papier1 het gemis van eene oorzaak gelijkslachtig met de organische en chemische werkingen bij lijken en vereenigd werkende met de woorden van den zoogenaamden doodenopwekker4 ,niet slechts moet eene der oorzaken van elk verschijnsel hier qualitatief op gelijken1 ook dient zij dit quantitatief te doen4 ,zoo bijv4 een voorwerp breekt tengevolge van een zachten tik1 zoo dient te gelijk hiermede1 de broosheid van dit voorwerp de oorzaak van dat breken te zijn1 omdat dit een veel sterker verschijnsel dan dien ligten tik is4 ,broosheid bestaat voorts ook op maatschappelijk gebied1 bijv4 bij legers wier nederlaag het gevolg kan zijn van een verkeerd kommando4 ,op dit gebied bestaat de vastheid in ongevoeligheid voor storende oorzaken1 en de taaiheid in de sterkte der werking der wet van geschiktmaking waardoor de storingen verdwijnen ,die eene oorzaak1 wier sterkte die van het gevolg evenaart1 kan somtijds voor oppervlakkige of oningewijde menschen onbekend blijven1 en somtijds vereenigd werken met andere bekende belangrijke oorzaken1 waardoor het bekende gevolg van deze zeer belangrijk gewijzigd kan worden4 ,hetgeen op blz4 #agf gezegd is1 dat elk verschijnsel bevat zekere bijzonderheden bijv4 het bijzondere van eenige daad van een persoon1 voorts te gelijk iets meer algemeen1 zooals bijv4 de uiting van het karakter van dien persoon1 in alle dergelijke daden die hij verrigt bevat1 voorts nog iets meer algemeen1 bijv4 de algemeene uiting van den menschelijken aard enz41 kan alsware naar beide zijden voortgezet worden1 zoodat men naar de eene zijde steeds korter durende eigenaardigheden der verschijnsels ontmoet1 terwijl naar de andere zijde1 men steeds meer algemeene en langer aanhoudende eigenaardigheden er van te beschouwen heeft1 totdat men eindelijk1 zie blz4 #aga1 bij het algemeenste1 wat op het gebied van denking en beweging bestaat1 zou teregt komen4 ,bij alles wat gebeurd kan men aldus stellen te bestaan bijzonderheden uiterst kort durende1 gedurende dien tijd slechts in grootte1 maar niet in aard veranderende1 en die1 voorafgegaan en gevolgd door andere dergelijke bijzonderheden1 elk bezitten eene oorzaak die hen voortbrengt en een gevolg dat hen vernietigt1 tengevolge der op blz4 #beg gemelde werking der wet der veranderlijkheid gepaard met eene zoodanige werking der wet der geschiktmaking1 dat de op blz4 #bei gemelde schommelingen niet noemenswaardig ontstaan4 #hg ,zoo toch dit gevolg die bijzonderheid niet zeer snel na zijn ontstaan vernietigde1 maar onveranderd liet of versterkte1 zou deze in aard gedurende langeren tijd onveranderd blijvende1 en eerst door een ander en trager ontstaand gevolg vernietigd wordende1 iets meer algemeen zijn4 ,dit meer algemeene is nu geen verschijnsel naast een ander meer bijzonder verschijnsel bestaande1 maar slechts eene minder veranderlijke eigenaardigheid van hetzelfde verschijnsel1 dat te gelijk meer veranderlijke eigenaardigheden bezit4 ,men kan bijv4 niet zeggen dat loopen een verschijnsel is1 en dan in deze dan in gene rigting loopen er een ander is1 niettegenstaande men van het loopen in elke rigting1 hoe kort men dit ook moge doen1 de oorzaken en de gevolgen kan nagaan1 en deze verschillen van de oorzaken en de gevolgen van het loopen in het algemeen4 ,dit bijv4 kan het gevolg zijn van gemoedsaandoening door ligchaamsbeweging versterkt wordende1 zoodat hierbij oorzaak en gevolg elkander wederkeerig versterken1 totdat een ander gevolg dier ligchaamsbeweging namelijk de vermoeijenis hier vernietigende opwerkt4 ,die gedurende zekere tijd heftiger wordende ligchaamsbewegingen veranderen echter gedurig van vorm1 en1 wanneer elk dier verschillende soorten van vorm1 op een maximum van intensiteit zijn1 zullen de er door opgewekte gevolgen nog in intensiteit toenemen1 en1 wanneer het aantal dier gevolgen in eenig geval meer dan een bedraagt1 slechts het met die soort van eigenaardigheid gelijkslachtige gevolg die eigenaardigheid kunnen vernietigen4 ,ligchaamsbewegingen kunnen bijv4 wegens derzelver aard twee gevolgen opwekken een van physiologischen en een van geestelijken aard1 en nu wel het eerste gevolg van het tweede kunnen afhangen1 maar het niettemin alleen in staat zijn om den bijzonderen vorm van zulk eene beweging uit te putten1 en als oorzaak werkende een anderen vorm van beweging op te wekken4 ,de denking van een lam mensch is bijv4 even onvermogend om den vorm zijner ligchaamsbewegingen te wijzigen1 als het waarnemen van een zoogenaamd slecht teeken voor het ondernemen eener zaak1 om een niet bijgeloovig mensch van zulk eene onderneming te doen afzien4 ,het verlies van zekere soort van bijzondere eigenaardigheden bij eenig verschijnsel komt op hetzelfde neder als het er steeds bij bestaan van het gemiddelde dier bijzondere eigenaardigheden4 ,van eenig voorwerp kan het bijv4 eene veranderlijke bijzonderheid zijn1 dat het in kleur varieert1 zonder dat het gemiddeld de eene kleur van den regenboog meer dan eene der andere vertoont4 ,het gemiddelde dier kleuren zal grijs zijn1 en klaarblijkelijk een voorwerp1 dat die bijzondere eigenaardigheid van dan zus en dan zoo gekleurd te zijn verliest1 zich steeds grijs moeten vertoonen4 ,op blz4 #bee hebben wij gezegd1 dat de werking der wet van geschiktmaking afwijkingen van gemiddelden tracht te vernietigen1 en op blz4 #bef dat zij het veranderlijke van toestanden tracht te doen verdwijnen4 ,waar nu komt dit laatste op neder3 ,op het vernietigen van veranderlijke bijzondere eigenaardigheden bij zaken1 zoodat hierbij slechts meer algemeene en te gelijk minder veranderlijke eigenaardigheden overschieten4 ,zulke gemiddelden1 afwijkingen zijnde van andere meer algemeene en nog minder veranderlijke gemiddelden1 zoo zal de werking der wet van geschiktmaking ook deze afwijkingen trachten te vernietigen1 hetgeen hierop neder komt1 dat zij meer algemeene eigenaardigheden van verschijnsels tracht weg te nemen1 om deze slechts nog algemeener en nog minder veranderlijke eigenaardigheden over te laten enz4 totdat1 bij het niet bestaan der werkingen der wet der veranderlijkheid1 zooals op blz4 #beg gezegd is1 eerstgemelde werking eindelijk zou leiden tot het slechts laten bij de verschijnsels van het absoluut onveranderlijke en algemeenste bij de veropenbaring der zelfstandigheid door denking en door beweging4 ,die werking der wet van geschiktmaking tracht bijv4 zie blz4 #bee de menschen op een gemiddelden trap van zedelijkheid te brengen1 en aldus zoodanig te doen worden1 dat er van hunne moraliteit niets bijzonders te zeggen valt1 en dat1 ofschoon te veel aan te lage hartstogten toegevende en beneden de eischen van hun leven blijvende1 zij niettemin noch gierig1 noch mild1 noch hoogmoedig1 noch nederig1 noch geduldig1 noch ongeduldig1 noch vlijtig1 noch lui kunnen genaamd worden1 en aldus bijzondere eigenaardigheden verliezen4 ,een beschonken mensch1 van eene naar eenige andere plaats willende gaan1 wijkt1 door te zwaaijen1 dan aan deze dan aan gene zijde af van zekeren weg tusschen die twee plaatsen1 en de werking der wet der geschiktmaking en de werking der wet der veranderlijkheid op blz4 #beh gemeld1 trachten gedurig die afwijkingen te vernietigen1 en dien persoon brengen op den gemiddelden van al de verschillende wegen1 die hij herhaalde keeren in staat van dronkenschap tusschen beide gemelde plaatsen zal volgen4 ,die gemiddelde weg is nu echter ook die welke een niet beschonken mensch tusschen die twee plaatsen zal volgen1 en het gaan langs dien gemiddelden weg is aldus iets meer algemeen1 dan het regts en links afwijken er van in staat van dronkenschap4 ,die wandeling van dien beschonken mensch is aldus een verschijnsel1 waarvan het meer algemeene is dat beoogt wordt om haar te maken langs dien gemiddelden weg en het meer bijzondere in de afwijkingen hiervan bestaat4 ,van de gemiddelde toestanden1 waarvan af deze afwijkingen1 welke de werking der wet van geschiktmaking en de werking der wet der veranderlijkheid1 op blz4 #beg gemeld1 trachten te vernietigen1 bestaan1 wordt trouwens den aard steeds door iets meer algemeen en minder veranderlijk bepaalt dan hetgeen den aard dier afwijkingen bepaalt4 ,het verschil tusschen het gemiddelde mannen en het gemiddelde vrouwenkarakter wordt bijv4 bepaalt door de verschillen in ligchaamsorganisatie en werkkring der mannen en vrouwen in het algemeen1 doch dat sommige vrouwen een vrij mannelijk karakter verkrijgen1 van eene dergelijke afwijking kan de oorzaak van zulk een algemeenen aard niet zijn4 ,dit is eveneens het geval met de afwijkingen uit het oogpunt der gezondheid der ligchamen der menschen van het gemiddelde menschelijke ligchaam4 ,zooals op blz4 #gh gezegd is1 kan1 wegens de optrekkende werking van den geest en de terugtrekkende werking der aarde1 dit gemiddelde menschelijke ligchaam niet volmaakt gezond zijn1 doch van den ziekelijken toestand er van zal niet anders te zeggen zijn1 dan dat geen zijner organen volmaakt goed werken4 ,zoo de menschelijke ligchamen in geen staat van ontwikkeling verkeerden1 zou daarentegen het volmaakt gezonde ligchaam het gemiddelde zijn1 zoodat het1 bij het wel bestaan dier ontwikkeling1 niet de uiterste afwijking ter eene zijde kan zijn1 en wel te minder hoe zwakker die ontwikkeling is4 ,men kan zich aldus bij sterkere afwijkingen aan die zijde alsware te bloeijende ligchamen voorstellen1 evenals men zich zie blz4 #bae menschen kan denken in alles aan hoogere eischen voldoende dan die voor de behoeften der thans bestaande maatschappij nuttig en noodig zijn4 ,in de werkelijkheid ontmoet men echter evenmin zulke ligchamen als zulke karakters1 omdat bij geen van beide de verschillende deelen met elkander in harmonie zijn4 ,ditzelfde gebrek aan harmonie neemt men waar bij de voorstellingen der menschen van hoogere maatschappelijke toestanden en wereld en levensdoelen4 ,niet alleen zijn1 zooals op blz4 #gc gezegd is1 die voorstellingen scheef1 maar men vindt er tevens bij hoogere en lagere voorstellingen dooreengemengd1 en de laatste betreffen dan zaken1 waarvan de hoogere voorstellingen het meeste met de zinnelijkheid en met de zucht om in zeker opzigt voor het heden geschikte toestanden daar te stellen1 in strijd zijn4 ,het socialisme1 het pantheisme enz4 leveren voorbeelden op van dergelijke mengsels van op verschillende trappen staande voorstellingen4 ,menschelijke ligchamen zie blz4 #gh even hoog boven die der dieren verheven1 kunnen in gezondheidstoestand verschillen1 doch1 zoo men althans de ligchamelijke ontwikkeling van het menschelijke geslacht 7wel van de bovengemelde der individuen te onderscheiden7 niet noemenswaardig stelt te zijn1 zullen die ligchamen1 op de gemiddelde hoogte van verheffing boven de ligchamen der dieren1 staande1 gemiddeld de gezondste zijn1 ten gevolge van den op blz4 #bcd gemelden inwendigen drang4 ,gevolgen van verschijnsels worden door deze1 zie blz4 #beh vergroot zoolang deze zie blz4 #big door andere er mede gelijkslachtige gevolgen en door de werking der wet van geschiktmaking niet vernietigd zijn4 ,geschiedde dit niet1 zoo zou de werking van laatstgemelde wet1 benevens gevolgen dier gevolgen en hiermede gelijkslachtig zijnde1 deze beletten zeker maximum te overschrijden zie blz4 #bfa4 ,geschiedt dit daarentegen wel1 zoo zullen beide laatstgemelde werkingen1 die eerste gevolgen in intensiteit reeds wat hebben doen afnemen1 wanneer de hen opwekkende verschijnsels1 wegens bovengemelde reden1 opgehouden hebben te bestaan4 ,de pijn1 door een slag teweeg gebracht1 en die in intensiteit afneemt1 na het ophouden van het slaan1 vernietigt dit niet1 doch dit geschiedt door andere gevolgen van den slag1 namelijk door den wederstand door de slaande hand ontmoet1 door physiologische werkingen binnen het ligchaam van hem die slaat1 tengevolge van zijn wil teweeg gebragt enz4 ,goede daden doen de zedelijke ontwikkeling van hen die ze bedrijft toenemen1 doch1 nadat die daden1 tengevolge der uitputtende werking van met hen gelijkslachtige gevolgen opgehouden hebben te bestaan1 zooals bijv4 die van het redden van iemand door het feit dat hij buiten gevaar is1 zal de werking der wet van geschiktmaking die verkregen vergrooting in zedelijke ontwikkeling1 zie blz4 #abd1 alsware trachten weg te slijten4 ,de voldoening over het bedrijf van zulk eene daad is nu niet1 zooals sommigen beweren1 de belooning er van1 maar de blijde bewustheid1 dat men eene aanwinst in zedelijke ontwikkeling verkregen heeft1 eene bewustheid1 die eene verkeerde rigting nemende1 denzelfden verslappenden invloed als zie blz4 #bei ondoelmatige belooningen kan hebben4 ,de werking der wet van geschiktmaking tracht de positie der menschen in alle opzigten in harmonie te brengen met hunne omgeving1 en aldus bijv4 menschen hunne vrijheid te ontnemen1 zoo zij1 met betrekking tot de maatschappij waarin wij verkeeren1 vrijwillig niet genoegzaam arbeiden4 ,diezelfde werking tracht bijv4 ook1 wanneer den grond ter vermenigvuldiging van het aantal eigenaars te veel versnipperd wordt1 de hierdoor ontstaande nadeelen te doen verdwijnen4 ,men heeft in dergelijke gevallen toch niet te doen met zie blz4 #bca een veranderlijk1 maar met een zamengesteld doel1 en hierbij zou1 zoo de werking der wet der veranderlijkheid niet bestond1 er eindelijk geschiktheid in alle opzigten ontstaan4 ,dit zou eveneens het geval zijn met de verdeeling van het menschdom in uit bij elkander passende personen bestaande deelen1 zie blz4 #abh en #bee1 zoo de werking der wet der veranderlijkheid de menschen in aard niet veranderde1 en niet menschen deed geboren worden in kringen1 waarin zij1 zie blz4 #bid1 wegens hun geestelijken aanleg niet passen4 ,mislukkingen hebben plaats1 doordat1 tengevolge eener werking van laatstgemelde wet1 handelingen gevolgen baren1 die hen niet slechts vernietigen1 maar zie blz4 #beh somtijds een tegenovergestelden toestand als die1 door die handelingen daargesteld1 teweeg brengen4 ,men poogt bijv4 door eene omwenteling een staat in een geavanceerden toestand1 waarvoor hij nog niet rijp is1 te brengen1 ondervindt tegenstand1 en er ontstaat tijdelijk eene reactie4 ,men valt1 door getal of beleid overmagtige vijanden aan1 wekt het strijden dezer op1 en wordt van aanvallers aangevallenen1 tenzij de slijtende werking der wet van geschiktmaking de vijanden1 nadat den aanval afgeslagen is1 zijn strijden doet staken zie ,noot blz4 #cjj4 ,zoo daarentegen zulk een aanval gelukt1 bestaat er tusschen hem en den strijd wederkeerige versterking1 en worden beiden vernietigd door het er door opgewekte gevolg1 in de vlugt van den vijand bestaande4 ,dit gevolg is nu wel de op blz4 #beh gemelde werking der wet der veranderlijkheid1 maar verkeert in hetzelfde geval als het gevolg in ,noot blz4 #cjj gemeld1 namelijk het tracht deszelfs oorzaak niet negatief te doen worden4 ,dergelijke gevolgverschijnsels1 waarover wij op blz4 #ffj van ons werk get4 ,over de werking der natuurwetten op zedelijk gebied enz4 gehandeld hebben1 kunnen aangemerkt worden als de tegenhangers van die welke hunne oorzaken onveranderd laten1 in plaats van deze1 zooals bij de andere op blz4 #bfa gemelde werking der wet der veranderlijkheid gezegd is1 te versterken4 ,deze laatste gevolgen zijn daarentegen de tegenhangers van die welke hunne oorzaken negatief doen worden1 en het zie blz4 #beh weder positief opwekken van die oorzaak door het negatief geworden gevolg1 kan als den tegenhanger der wederkeerige verzwakking van twee zie blz4 #bfe op elkander werkende verschijnsels beschouwd worden4 ,naarmate zaken eene fijnere nuance eener eigenschap gemeen hebben1 zal de kans1 dat al hunne andere eigenschappen dezelfde zijn1 grooter zijn4 ,wij leeren gebruik te maken van ons ligchaam met betrekking tot hetgeen er buiten gelegen is4 ,verandert nu die betrekking1 tusschen ons ligchaam en hetgeen er buiten ligt1 plotseling1 zoo wordt het gebruik van het ligchaam verkeerd1 edoch slechts tijdelijk1 omdat de werking der wet van geschiktmaking leert het ligchaam in deszelfs nieuwen toestand van lieverlede goed te gebruiken4 ,de veranderlijkheid is aldus ook in dit geval eene oorzaak van dwaling zie blz4 #bca4 ,niet minder is zulks het vooruitloopen van de rede door de verbeelding1 en zoo dit in sterke mate het geval is1 waar de werking van het verstand zie blz4 #agh de controlerende aanschouwing weinig vooruitloopt1 en aldus die werking steeds vrij juist kan zijn1 ontstaan er krankzinnigheid4 ,wanneer daarentegen de verbeelding die controlerende aanschouwing slechts sterk vooruitloopt in de gevallen waarin de werking van het verstand zulks ook moet doen1 ontstaat er bijgeloof zie blz4 #aag4 ,de werking der wet van geschiktmaking beperkt zie blz4 #cjb bij gelijksoortige gevallen afwijkingen in onregelmatigheid van de onregelmatigste gemiddelden dier gevallen4 ,bij de regelmatige gevallen1 voortbrengsels van oorzaken1 ontstaat er toch als ware zekeren toestand van onvast evenwigt1 die allerhande accidentele omstandigheden1 in die oorzaken begrepen1 zullen trachten te verstoren4 ,die onregelmatigste gemiddelde gevallen behoeven aan minder voorwaarden dan de meer regelmatige te voldoen1 zoodat derzelver kans van voorkoming grooter dan die van deze zal zijn4 ,de werking der wet van geschiktmaking zal aldus het ontstaan van gevallen van eenige soort moeijelijker maken1 naarmate de kans van voorkoming er van kleiner wordt1 doordat het karakter van regelmatigheid er bij grooter wordt4 ,dergelijke gevallen1 wier kans van voorkoming zeer klein zou zijn1 zoo boven gemelde werking der wet van geschiktmaking niet bestond1 zullen aldus door deze werking onmogelijk gemaakt worden4 ,de eenigzins minder regelmatige gevallen1 waarvan anders de kans van voorkoming wat grooter zou zijn1 zullen1 tengevolge dier die regelmatigheid storende werking der wet van geschiktmaking1 slechts uiterst zeldzaam kunnen plaats hebben1 omdat1 zoo zij meer plaats hadden1 de kans er van anders beneden tot zooeven gemeld minimum zou dalen door kleiner te worden1 zooals bijv4 het bij herhaling trekken van een zeer groot aantal witte ballen uit eene bus evenveel witte als zwarte ballen bevattende4 ,gevallen1 waarbij de werking der wet van geschiktmaking aldus is1 dienen echter uit eene aaneenschakeling van verschijnsels 7bijv4 trekkingen uit gemelde bus7 te bestaan1 welke op elkander van invloed zijn 7bijv4 door het onbewust niet voor het gevoel identiek zijn dier witte en zwarte ballen7 en aldus niet van elkander onafhankelijke verschijnsels te zijn4 ,zie verder hierover blz4 #egi van ons werk get4 ,vervolg op het werk get43 ,over de werking der ,natuurwetten op zedelijk gebied enz4 ,de accidentele omstandigheden1 waarvan hierboven gesproken is1 zijn werkingen der wet der veranderlijkheid zie blz4 #bea1 doch de werking der wet van geschiktmaking tracht die omstandigheden te doen bestaan uit de gezamentlijke werking van vele veranderlijke omstandigheden1 en hen hierdoor een meer algemeen karakter te geven4 ,zijn er daarentegen enkele omstandigheden overheerschende1 zoo kan men meer bijzondere en regelmatige gevallen1 namelijk die1 waarbij eene al of niet periodieke herhaling van hetzelfde plaats heeft1 verkrijgen4 ,dit is bijv4 het geval bij het achtervolgens trekken van witte ballen uit bovengemelde bus1 zoo dit met de ballen in het gezigt geschiedt1 en de trekker eene blijvende voorkeur voor de witte ballen bezit1 en even eens1 wanneer de regelmatige vorm van ligchamen bij schudding dezer1 tot eene regelmatige wijze van groepering er van leidt4 ,zijn wij onbekend met zulke overheerschende bijzondere omstandigheden1 zoo spreken wij van toeval1 doch1 voor het voortbrengen van regelmatige gevallen1 moeten zij desniettemin bestaan4 ,alleen kan men zeggen1 dat dezelfde overheerschende omstandigheden alsdan minder steeds dezelfde soort van regelmatigheid zullen voortbrengen1 dat dit zal afhangen van hun verband met andere omstandigheden1 en dat die wisselingen van regelmatigheid eene resulterende onregelmatigheid zullen voortbrengen4 ,heeft men nu uit bovengemelde bus achtervolgens slechts witte ballen getrokken1 zoo zullen de nog niet uitgewischte ons onbewuste indrukken dier vorige trekkingen opgehoopt zijn1 en er aldus bestaan een regelmatigheidsverschijnsel in den tijd1 waarvan de regelmatigheid bij de volgende trekkingen slechts tot zekeren grens kan vergroot worden4 ,het moet dunkt ons alsdan wat moeijelijker worden om1 onder de voor ons menschen onbewuste invloeden der vorige trekkingen1 nogmaals een witten dan een zwarten bal te trekken4 ,men bedenke dat1 daar beide soorten van ballen onderscheiden zijn1 bij het trekken van witte1 er iets anders dan bij het trekken van zwarte ballen moet plaats hebben1 en dat de vorige trekkingen een materieel spoor achtergelaten hebben4 ,bestaat er nu bij dit spoor zekere regelmatigheid1 zoo zal bij eene volgende trekking deze regelmatigheid gemakkelijker verzwakt dan versterkt worden1 en het eerste door het trekken van een zwarten en het laatste1 door het nogmaals uit de bus halen van een witten bal1 plaats hebben4 ,hoe meer witte ballen men achtervolgens getrokken heeft1 hoe ligter toch geheel verstoorbaar de dan meer geprononceerde oorzaak er van1 namelijk een van bovengemelde accidentele overheerschende omstandigheden1 zal worden4 ,de kansrekening1 waarbij er geen door de werking der wet der geschiktmaking niet geheel uitgewischten invloed der vorige rekkingen op de volgende aangenomen wordt1 toont aan dat1 naarmate er meer trekkingen gedaan worden1 de kans1 dat men evenveel zwarte als witte ballen zal trekken1 grooter wordt4 ,dit ontstaat doordat bij dit geval een grooter aantal verschikkingen tusschen de witte en zwarte ballen mogelijk is dan bij de andere gevallen1 en in zooverre zal dit geval elk dier andere in onregelmatigheid overtreffen1 en wel te meer hoe grooter het aantal trekkingen is4 ,behoudens de voorwaarde1 dat de periodieke afwisseling der getrokken witte en zwarte ballen er niet onregelmatiger bij is1 zal elk dier andere gevallen zich aldus niet zoo dikwijls als het eerste1 zie blz4 #cjh1 kunnen herhalen4 ,de regelmatige groepering van witte en zwarte ballen binnen eene bus1 zal1 bij het schudden onder den invloed van allerlei veranderlijke omstandigheden1 verstoord worden1 terwijl hierdoor eene primitieve onregelmatige groepering derzelver karakter van onregelmatigheid niet tot buiten zekeren grens kan verliezen1 mits die witte en zwarte ballen niet voor die schuddende bewegingen identiek zijn4 ,regelmatige groepering der ballen binnen de bus oefent nu op het schudden dezer een dergelijken invloed uit als de overschietende sporen van vorige regelmatige trekkingen op de volgende1 en terwijl bij zulke regelmatigheden in den tijd langer geleden voorvallen van minder invloed zijn op de regelmatigheid bij de volgende1 zoo zal bij regelmatigheid in de ruimte1 die bij verder gelegen plaatsen minder beletten ergens regelmatigheid te doen ontstaan1 naarmate die plaatsen hier verder van verwijderd zijn4 ,binnen eene bus1 er zekere verhouding tusschen het aantal er in bevatte witte en zwarte ballen bestaande1 zoo zal binnen vakken dier bus1 een groot aantal ballen bevattende1 bij eene zeer regelmatige wijze van groepering dezer1 desniettemin ongeveer dezelfde verhouding tusschen de witte en zwarte ballen bestaan dan binnen de gansche bus4 ,wegens het groote aantal der ballen binnen elk dier vakken1 zal toch regelmatigheid bij een derzelve alsware in de ruimte ver van die binnen de aangrenzende vakken verwijderd zijn1 en er aldus weinig invloed op uitoefenen #hh4 ,buitendien zullen bij onregelmatige schudding der bus1 uit zulke vakken1 waar binnen de verhouding voor de witte ballen gunstiger is dan binnen de aangrenzende vakken1 er meer witte ballen uitgaan dan er weder binnen komen4 ,om dit anders te doen uitvallen1 zouden meer dezelfde witte ballen1 uit zulk een vak door schudding gegaan zijnde1 er weder door schudding in terug moeten komen1 en aldus deze1 onder den invloed van vele omstandigheden zijnde1 eene regelmatigheid teweeg brengen veel grooter zijnde dan die teweeggebragt door het bestaan van ongeveer dezelfde verhouding tusschen de witte en zwarte ballen binnen elk dier vakken4 ,zoo deze integendeel weinig ballen bevatten1 zal het omgekeerde het geval zijn1 zoodat binnen die betrekkelijk kleine vakken de verhoudingen tusschen de witte en zwarte ballen op eene zeer onregelmatige wijze zullen varieren4 ,binnen veel ballen bevattende bussen zullen voorts die betrekkelijk kleine vakken1 waarbij de verhouding tusschen de witte en zwarte ballen zeer varieert1 iets grooter zijn dan binnen kleine minder ballen inhoudende bussen4 ,geschud wordende verschillende vochten bevattende vaten kunnen met bussen1 ontzettend veel uiterst kleine ballen van verschillende kleur bevattende1 vergeleken worden4 ,elk der nog te onderscheiden kubieke ruimten binnen zulk een mengsel zal een uiterst groot aantal moleculen van die verschillende vochten bevatten1 en aldus binnen elk dier zoo kleine ruimten de verhouding tusschen de verschillende vochten uiterst nabij dezelfde moeten blijven als binnen het gansche vat1 zoo hier binnen de vermenging de verschillende vakken zoo onregelmatig mogelijk is4 ,binnen ruimten1 betrekkelijk weinig vochtdeelen bevattende1 zal alsdan wel is waar die verhouding varieren1 edoch die ruimten1 zoo klein zijn1 dat zij zelfs met het sterkst gewapende oog niet te onderscheiden zijn4 ,stelt men dat zekere beslotene ruimte1 een uiterst groot aantal poeijerdeelen met allerlei onregelmatige snelheden begiftigd1 bevat1 zoo zal elk onderdeel dier ruimte1 dat gemiddeld een zeer groot aantal dier poeijerdeelen zou inhouden1 er steeds nabij evenveel en evenveel als de andere even groote onderdeelen bevatten4 ,om dit toch anders te doen worden1 en bijv4 binnen een dier deelen betrekkelijk belangrijk meer poeijerdeelen te doen komen1 zouden deze om de grenzen van dit deel gelijktijdig hier naar toe gerigte snelheden moeten verkrijgen1 hetgeen iets zeer regelmatigs zou zijn1 en onmogelijk wordt1 zoo die snelheden onder den invloed zijn van een menigte van omstandigheden4 ,zoo daarentegen binnen zulk een onderdeel er belangrijk meer van die poeijerdeelen dan binnen omliggende gelegen zijn1 zal de overmaat dier poeijerdeelen door allerlei snelheden1 door die in de eene rigting eerder1 door die in andere rigtingen later1 uit zulk een onderdeel gebragt worden #hi4 ,worden aan zulke poeijerdeelen snelheden medegedeeld onder den invloed eener enkele overheerschende omstandigheid1 dan kan daarentegen derzelver digtheid van groepering binnen elk dier onderdeelen zeer gaan verschillen4 ,dit heeft bijv4 plaats1 zoo men met de hand strijkt over een deel eener laag poeijer4 ,alsdan komen zeer vele digt bij en onder elkander gelegen poeijerdeelen onder den invloed dier bij alle op dezelfde wijze werkende omstandigheid1 die klaarblijkelijk voor die poeijerdeeltjes niet als de gezamentlijke werking van uiterst vele omstandigheden gelden kan1 daar in dit geval deze bij elk der poeijerdeelen op eene andere wijze werken zou4 ,dit laatste is bijv4 het geval1 zoo elk dier deeltjes beweegt tengevolge der gezamentlijke aantrekking van al de overigen4 ,de gezamentlijke werking van al de omstandigheden is alsdan voor elk der poeijerdeelen verschillend en bezit dientengevolge een karakter van algemeenheid4 ,dit is insgelijks het geval bij het op blz4 #aeh gemelde sterrenstelsel4 ,voor de hemelbollen hiervan bestaat er zekere kans om digt bij elkander bij hun perihelium1 en ver van elkander bij hun aphelium te liggen1 zullende die eerste kans veel kleiner dan de tweede zijn4 ,hieruit volgt dat bij ruimten1 zeer veel van die sterren bevattende1 de verhouding tusschen de sterren1 digt bij hun perihelium en digt bij hun aphelium gelegen1 wegens den invloed van eene menigte van omstandigheden1 op het meeste slechts weinig zal kunnen varieren1 doch dat bij verzamelingen van slechts weinig sterren1 die verhoudingen sterk zullen verschillen1 zoo de ligging dier hemelbollen met betrekking tot elkander zeer onregelmatig is4 ,het aanzienlijk verschillen dier verhouding bij die elk zeer veel sterren bevattende ruimten zou vereischen1 of dat binnen deze meer sterren dan gemiddeld bij hun perihelium1 of bij hun aphelium gelegen zijn1 doch in beide gevallen zou er iets bijzonders moeten plaats hebben1 in het eerste1 dat veel sterren bij paren bijna tegelijk in hun perihelium komen1 in het tweede1 dat zij bij hun aphelium tegelijk van alle kanten even sterk aangetrokken worden1 eene onmogelijke regelmatigheid wegens de veranderlijke aantrekking van elk dier sterren door eene ontzaggelijke menigte van andere4 ,hoe sterker nu bij verschijnsels de werking van zeer vele varirende omstandigheden blijft1 hoe moeijelijker enkele omstandigheden overheerschende zullen werken1 en dit zou bij het gemelde sterrenstelsel steeds in hooge mate het geval zijn1 zoo niet de hemelbollen zie blz4 #afa1 tengevolge der wrijving tegen elkander bij botsing1 zulke korte banen konden verkrijgen1 dat zij onder de zeer overheerschende aantrekking van een hunner gedurende langen tijd kunnen blijven4 ,zoo de op blz4 #cac gemelde poeijerdeelen langs flaauw gebogene kromme lijnen bewegen1 zal er iets regelmatigs bij hunne snelheden bestaan4 ,op het meeste onregelmatig zullen deze zijn1 zoo zij over betrekkelijk de grootte dier poeijerdeeltjes zeer kleine distantien allerlei rigtingen verkrijgen1 of anders gezegd1 zoo die poeijerdeeltjes in uiterst onregelmatige trillende beweging zijn1 en elk derzelve dezelfde buren1 met betrekking waarvan het op de onregelmatigste wijze dan nadert dan zich verwijdert1 behoudt1 dat is wanneer die poeijerdeeltjes moleculen zijn van eene vloeistof1 waarbij overmaten van afstooting het digt bij een en overmaten van aantrekking het ver van een komen der moleculen tegengaande1 deze1 nadat zij zeer kort zich in eene rigting bewogen hebben1 geheel van rigting veranderen4 ,stelt men verder dat die deelen oneindig klein en oneindig digt bij elkander gelegen zijn1 zoodat elke kleinst eindige ruimte een oneindig aantal er van bevat1 zoo zal1 zoo binnen elk dier ruimten de toestand dier gasdeelen volmaakt identiek is met die binnen de andere gelijk en gelijkvormige ruimten1 de onregelmatige toestand dier gasdeelen niet minder worden1 omdat1 naar aanleiding van blz4 #caa1 de regelmatigheid van iets niet vergroot door gelijkvormigheid met iets anders betrekkelijk oneindig ver er van gelegen1 of anders gezegd1 dat tusschen beiden een oneindig aantal zaken1 hier gasdeelen1 gelegen zijn4 ,in zulk een toestand moet nu naar ons inzien zie blz4 #aga de ether1 voor zooverre deze niet onder den invloed der hemelbollen is1 verkeeren1 en aldus die toestand niet slechts zie blz4 #agd uiterst zamengesteld en onveranderlijk1 maar tevens onregelmatig zijn1 zoodat de werking der wet van geschiktmaking1 door de veropenbaringen der zelfstandigheid door beweging zie blz4 #beg meer tot de natuur van den ether te doen naderen1 hen niet slechts minder veranderlijk1 maar tevens minder regelmatig doet worden4 ,bij verdamping1 overgang van gewone snelheden in zie blz4 #bea gedurig geheel van rigting veranderende warmtetrillingen1 bij verbrekingen van toestanden van onvast moleculair evenwigt 7zooals bijv4 bij vochten beneden het vriespunt afgekoeld7 bij de scheiding van vaste ligchamen in verstuivende poeijerdeelen heeft dit insgelijks plaats4 ,het bestaan binnen den ether van hemelbollen1 waarbij de digtheid van groepering der atomen veel grooter is dan bij den ether1 is eene regelmatigheid ontstaan door de overheerschende werking der aantrekkingskracht dier bollen zie blz4 #aei in begin van vorming1 en waarbij er dan eene werking der wet der veranderlijkheid1 waarbij oorzaak en gevolg zich wederkeerig versterken1 bestaat4 ,die aantrekkingskracht is hierbij geweest eene op zeer veel stofdeelen op dezelfde wijze werkende omstandigheid1 en op dergelijke wijze is al het regelmatige en aldus bijzondere1 dat bij de veropenbaring der zelfstandigheid door beweging bestaat1 ontstaan4 ,de werking der wet der veranderlijkheid begint dit te doen1 doch heeft zij dit regelmatige en bijzondere voortgebragt1 zoo kan de werking der wet van geschiktmaking verschillende bijzondere en regelmatige zaken zoodanig wijzigen1 dat zij in harmonie met elkander worden1 of anders gezegd bij elkander passen4 ,accidentele omstandigheden1 werkingen zijnde der wet der veranderlijkheid1 storen nu gedurig de door overheerschende en gedurende zekeren tijd in werking niet veranderende omstandigheden in stand gehouden regelmatige zaken1 doch bestaat hier harmonie bij1 zoo zal de werking der wet van geschiktmaking die alsdan afwijkingen voortbrengende storingen trachten te verzwakken4 ,buitendien tracht zij deze op eene onregelmatige wijze te doen voorkomen1 zoodat1 als die afwijkingen in grootte verschillen1 en voor elk dier afwijkingen van verschillende grootte zekere kans tot ontstaan bestaat1 bij zeer veel van die afwijkingen de werking der wet van geschiktmaking de afwijkingen van elke grootte tracht te doen voorkomen in verhouding van dergelijke kans van voorkoming4 ,in harmonie met de lengte der beenen van menschen verkrijgen deze bijv4 op egaal terrein eene voor hen gemakkelijkste lengte van pas4 ,accidentele afwijkingen zullen echter maken1 dat onwillekeurig1 dat is zonder dat eene overheerschende omstandigheid tengevolge van zeker voornemen hiertoe leidt1 die passen naar beide zijden van dien gemakkelijksten pas afwijken4 ,hoe grooter nu die afwijkingen ter eene of andere zijde zijn1 hoe moeijelijker zij zullen voorkomen1 en nu zal de werking der wet van geschiktmaking maken1 dat bij zeer veel passen de groote en kleine passen niet regelmatig1 maar onregelmatig afwisselen4 en dat de passen1 het minste in grootte met den gemakkelijksten verschillende1 meer dan die1 er meer mede verschillen1 zullen voorkomen #ij4 ,buitendien tracht de werking der wet van geschiktmaking1 zonder de harmonie tusschen bijzondere en regelmatige zaken te schaden1 hen meer algemeen1 onveranderlijk en onregelmatig te doen worden4 ,hoe onveranderlijkheid en onregelmatigheid zamen kunnen gaan blijkt wel bij mengsels van vochten4 ,giet men bijv4 voorzigtig wat wijn binnen water1 zoo kan men maken dat beide vochten zich niet dadelijk egaal vermengen1 en gedurende de verspreiding van den wijn binnen het water1 wordt dan de aanblik van het gevulde glas gedurig anders4 ,schudt men dit echter op eene onregelmatige wijze1 zoo wordt het mengsel overal egaal en de aanblik er van blijft steeds denzelfden4 ,het is voorts onjuist dat onregelmatigheid steeds gemis aan doel of geschiktheid zou aantoonen4 ,dat dit voor ons vaak het geval is1 komt hier vandaan1 dat wij het onregelmatige beschouwen uit een bijzonder en beperkt oogpunt1 evenals bijv4 een denkbeeldig wezen zeer onregelmatige vermenging van vochtdeelen van verschillende soort binnen ruimten slechts betrekkelijk weinig vochtdeelen bevattende4 ,zoo wij daarentegen het onregelmatige konden beschouwen uit een zeer algemeen oogpunt1 bijv4 op eene wijze1 te vergelijken met die waarop wij de egale mengsels van verschillende vochten beschouwen1 zoo zou dit begrip van wanorde en doelloosheid1 door het onregelmatige verwekt1 geheel bij ons verdwijnen4 ,wij hebben ons naar vele regelmatige toestanden1 door gedurende voor ons lange tijden standvastige omstandigheden overheerscht1 geschikt1 en daarom schijnt ons het onregelmatige1 dat bij de opvolgende gebeurtenissen op allerlei onvoorziene wijzen variatien teweeg brengt1 ongeschikt4 ,dit echter verandert geheel1 wanneer men groepen1 elk uit zeer veel gelijksoortige gebeurtenissen bestaande1 beschouwt1 en aldus de gebeurtenissen uit een alsware in tijd en ruimte meer verheven standpunt waarneemt4 ,regelmatigheid doet alsdan die groepen verschillen en onregelmatigheid hen gelijk worden4 ,al onze statistieke berekeningen1 waarbij men gebeurtenissen zooals geboorten1 misdaden1 ziekten enz4 bij groepen van millioenen individuen beschouwt1 zijn dan ook gegrond op de standvastigheid1 welke de uiterst onregelmatige opvolging van zulke gebeurtenissen bij groote groepen er van teweeg brengt4 ,was dit niet het geval1 zoo namelijk de werking der wet van geschiktmaking het voorkomen van dergelijke gebeurtenissen niet onder den invloed bragt van zeer vele accidentele omstandigheden1 maar zij daarentegen steeds onder den invloed van enkele omstandigheden stonden1 en de uitwerking hiervan1 wegens derzelver verband dan met deze dan met gene andere omstandigheid1 sterk veranderde1 zoo zou het dan meer en dan minder voorkomen van dergelijke gebeurtenissen bij groote groepen van individuen1 ons even onverklaarbaar voorkomen als het zich bevinden van eene groote overmaat van witte ballen bij veel blindelingsche trekkingen uit eene bus evenveel witte als zwarte ballen bevattende4 ,is daarentegen binnen die bus de overmaat der er in bevatte witte ballen even groot als bij de reeks van trekkingen1 zoo zullen deze onder den invloed van velerlei accidentele omstandigheden kunnen zijn1 en bij die achtereenvolgende trekkingen de onregelmatigheid aldus zeer groot kunnen zijn4 ,nu bestaat er verschil tusschen de omstandigheid dat die bus eene groote menigte van witte ballen bevat1 en die waardoor uit eerstgemelde bus bij eene reeks van trekkingen er veel meer witte ballen dan zwarte uit de bus te voorschijn komen4 ,die eerste omstandigheid1 bekend of niet1 werkt namelijk steeds op dezelfde wijze1 terwijl de tweede1 naarmate zij zus of zoo met andere omstandigheden in verband staat1 op geheel andere wijzen werkt4 ,zij is vergelijkbaar met de voorkeur die men1 bij het ziende trekken1 kan bezitten voor de eene of andere regelmatige afwisseling der witte en zwarte ballen bij de trekkingen4 ,die voorkeur kan zus of zoo zijn1 tengevolge van eene onnaspeurlijke aaneenschakeling van oorzaken en gevolgen4 ,nu kan de aanbieding der bus1 eene overmaat van witte ballen bevattende1 ook wel aldus ontstaan1 maar zal1 hoe ook ontstaan zijnde1 desniettemin steeds eene omstandigheid zijn1 leidende tot het blindelings trekken van meer witte dan zwarte ballen4 ,hoe velerlei omstandigheden bij de blindelingsche trekking van ballen er ook van invloed zijn1 zij blijft steeds denzelfden invloed uitoefenen1 terwijl daarentegen onbewuste voorkeur voor de eene of andere regelmatige wijze van trekking onder den invloed van allerlei omstandigheden1 evenzeer moet veranderen als de gedragingen van menschen1 welke de speelballen zijn van allerlei inblazingen #ia4 ,bij ons menschen kunnen het karakter1 het verstand1 de positie enz4 vergeleken worden met die verhoudingen tusschen de witte en zwarte ballen binnen gemelde bus1 en de onder den invloed van velerlei accidentele omstandigheden zijnde reeks van denkbeelden met de aan allerlei invloeden blootgestelde bewegingen der handen bij de blindelingsche trekkingen4 ,ook epidemische ziekten zijn van die steeds denzelfden invloed uitoefenende omstandigheden4 ,zij kunnen toch niet1 zus of zoo met andere omstandigheden in verband zijnde1 het aantal sterfgevallen bij een groot getal individuen vergrooten of verkleinen4 ,hoe grooter het aantal veranderlijke omstandigheden1 op eenig verschijnsel van invloed1 is1 hoe kleiner de kans voor regelmatigheid bij dit verschijnsel zal zijn4 ,het aantal dier veranderlijke omstandigheden steeds grooter blijvende dan de grootst eindige grootheid1 zoo zou1 zoo de invloed van elk die omstandigheden even groot was1 die regelmatigheid bij het verschijnsel 7dat uit eene reeks van met elkander in verband zijnde gelijksoortige gebeurtenissen kan bestaan7 nul zijn4 ,dit is nu het geval niet1 want op zulk een verschijnsel kunnen van invloed zijn vooreerst enkele omstandigheden1 voorts een grooter aantal op eene zwakkere wijze1 nog een grooter aantal op eene nog zwakkere wijze enz41 zoodat die invloeden van al de veranderlijke omstandigheden kunnen uitgedrukt worden door zekere breedte bezittende bundels van ordinaten eener kromme lijn met de bolle zijde naar de abcissen as gekeerd1 deze op eene grootst eindige distantie rakende1 en met die as der abcissen en een ordinaat een eindigen inhoud omsluitende4 ,die inhoud stelt dan voor het totaal der invloeden van al die omstandigheden op het verschijnsel1 en het is nu klaar dat voor zooverre die invloeden uiterst groot in aantal1 maar uiterst gering zijn 7bij dien inhoud voorgesteld door het uiterst lage1 maar uiterst lange deel er van1 het effect er van zal trachten het verschijnsel zoo onregelmatig mogelijk te doen zijn4 ,nu kunnen wel de sterkere invloeden der overige eindig in aantal zijnde omstandigheden 7voorgesteld door het kortere maar hooge deel van gemelden inhoud7 dit verschijnsel regelmatig trachten te doen worden1 maar klaarblijkelijk die regelmatigheid min of meer gestoord worden4 ,zoo zullen bijv4 de zuiver elliptische banen der planeten om de zon niet slechts door de werkingen der andere planeten1 maar tevens1 en dat wel op eene voor ons onwaarneembare1 maar uiterst onregelmatige wijze1 door het onnoemelijk getal der zich verplaatsende sterren gestoord worden4 ,die storing der regelmatigheid zal bijv4 ook bestaan wanneer men blindelings maar te gelijk eene menigte van ballen uit de op blz4 #cjh gemelde bus trekt1 en zij dan maken dat de gelijktijdig getrokken ballen niet boven zeker aantal tot de witte ballen der bus zullen behooren4 ,bij het achtereenvolgens trekken van die ballen1 zou men bij elke trekking iets dergelijks als in het zoo even gemelde geval verkrijgen1 zoo de indrukken van een aantal vroegere trekkingen1 gelijk aan dat van de ballen die men bij dit vorige geval tegelijk uit de bus trekt1 onverflaauwd bleef bestaan4 ,dit is nu wel is waar niet het geval1 edoch de verflaauwde indrukken der vorige trekkingen1 gepaard met de volgende1 zullen een geval vormen1 gelegen tusschen het vorige en dat waarbij de vorige trekkingen van geen invloed op de volgende zijn1 zoodat het zekere minimum van storing der regelmatigheid er bij kleiner dan in het eerste geval en grooter dan in het laatste1 waarin dit minimum nul is1 zal worden voor zooverre men de verschijnselen beschouwt met betrekking tot derzelver sterkte1 kan men hen verdeelen in verschillende categorien1 zoodat van die tot elk dezer categorien behoorende1 het eene of andere dier verschijnsels in ruimte en tijd en plaats heeft4 ,zoo kan bijv4 een dier categorien bevatten winden van verschillende sterkte4 ,overal in den atmospheer en gedurende al den tijd van het bestaan dezes zal de lucht circa in rust1 of in meer of minder heftige beweging zijn4 ,ter wederzijde van meest voorkomende windsnelheden1 door vrij standvastige omstandigheden voor elke plaats bepaald1 bestaan er nu afwijkingen1 met betrekking tot wier opvolging op eene zelfde1 of wel gelijktijdige voorkoming op verschillende plaatsen1 hetzelfde te zeggen valt als zie blz4 #cag voor de afwijkingen van eene gemakkelijkste lengte van pas4 ,de nagelaten sporen der snelheden van den wind gedurende de vorige tijden op eenige plaats en de menigte der omstandigheden op de windsnelheden van invloed zijnde1 moeten bijv4 regelmatige afwisseling van zwakke en sterke winden storen4 ,het lang na elkander voorkomen van hetzij zeer zwakke1 hetzij zeer sterke winden1 wordt reeds tegengegaan door de hunne oorzaken vernietigende gevolgen er van4 ,in het eerste geval zal toch de dampkring door verdamping meer vochtig worden dan opdroogen door de condensatie van omhoog gevoerde dampen1 daar waar de met den wind gepaarde rijzingen van lucht bestaan1 en die meerdere vochtigheid der lucht aanleiding gevende tot een grooter verschil in vochtigheid er van op de eene en andere plaats1 en aldus tot een grooter verschil in ijlheid der lucht1 de rijzingen en dalingen der lucht en aldus ook den wind bevorderen #ib4 ,in het andere geval heeft het omgekeerde plaats1 doch die gevolgen kunnen niet beletten1 dat bijv4 stormen in den winter om de dertig dagen voorvallen in plaats van dit meer ongelijk te doen4 ,die regelmatigheid kan slechts belet worden door de op blz4 #cba gemelde invloeden van eene overgroote menigte van veranderende omstandigheden4 ,eene andere dier op blz4 #cbc gemelde categorien bevat de gedragingen der menschen jegens anderen4 ,deze kunnen toch weldadig1 welwillend1 onverschillig1 onwelwillend en misdadig zijn4 ,eene derde categorie bevat de toestanden van gebouwen met betrekking tot brand1 en men heeft hierbij1 hevig branden1 flaauw branden1 de nabijheid van brandende gebouwen1 of het bevatten van brand veroorzakende voorwerpen4 ,ook hierbij zullen de afwijkingen van den gemiddelden toestand1 naarmate zij grooter zijn1 in toeneming sterker belet worden door de werking der wet van geschiktmaking en door de op blz4 #beh en #cjj gemelde werking der wet der veranderlijkheid1 zooals bijv4 bij de meer afdoende pogingen tot blussching van hevige dan van flaauwe branden4 ,de werking dier beide wetten bestaat ook bij de positieve en negatieve afwijkingen in menigvuldigheid van verschijnsels van zekere gemiddelde menigvuldigheid van voorkoming4 ,bij al deze gevallen zal niet slechts de op blz4 #cba gemelde werking het regelmatig er van voorkomen1 maar tevens1 zooals zoo even gezegd is1 het veel of weinig voorkomen er van tegengewerkt worden1 en dit laatste met alsware grootere kracht dan het eerste geschieden4 ,de werking van de wet van geschiktmaking gaat bijv4 sterker tegen het zeer rijk worden van meer menschen dan gewoonlijk1 dan het herhaald door hen trekken van hooge prijzen uit eene loterij1 want er bestaan vele verschijnsels wier menigvuldigheid van voorkoming1 enkel wegens de er door teweeg gebragte regelmatigheid1 door de op blz4 #cba gemelde werking der wet van geschiktmaking tegengaan wordt1 en dit is bijv4 met de zooeven gemelde herhaalde trekking van prijzen het geval4 ,periodiciteit1 bijv4 het achtervolgens dan dikwijls en dan zeldzaam voorkomen van verschijnsels wordt1 als zijnde eene soort van regelmatigheid1 door accidentele overheerschende omstandigheden voortgebragt1 doch1 wanneer de op blz4 #bfg gemelde werking der wet der veranderlijkheid dit dikwijls voorkomen tegengaat1 door het1 zooals op blz4 #beh gezegd is1 negatief worden van het eerste verschijnsel1 zal op dien overvloed schaarste1 daarna weder overvloed enz4 volgen1 en er aldus van lieverlede verzwakkende schommelingen en periodiciteit ontstaat4 ,deze zal alsdan door de op blz4 #cba gemelde werking evenzeer gestoord worden als de uitwerking der zie blz4 #cji de herhaling derzelfde zaak voortbrengende overheerschende omstandigheden4 ,bij het schieten naar eene schijf1 zullen bijv4 de sterkste afwijkingen ter regterzijde slechts1 wegens de alsdan niet onregelmatige afwisseling er van met gemiddeld veelvuldiger voorkomende kleinere regtsche afwijkingen1 belet worden in aantal veel grooter dan gemiddeld voor te komen1 zoo de schutter niet het denkbeeld verkrijgt1 dat hij dikwijls zoo sterk mis schietende als voor hem mogelijk is1 zich gaat inspannen om juister te schieten4 ,in dit geval beperkt de werking der wet van geschiktmaking niet slechts het misschieten bij elk schot1 maar tevens de herhaling er van4 ,dit is insgelijks het geval bij de meeste feiten waarmede de statistiek zich bezig houdt1 zooals bijv4 misdaden1 sterfgevallen enz4 doch dit is niet de eenigste reden waarom onder zeer veel individuen die voorvallen binnen even groote tijden circa even veelvuldig voorkomen4 ,daartoe draagt ook bij een ons onbewust verband waarin zij1 door tusschenkomst eener menigte van verschijnsels1 tot elkander staan1 waardoor zij1 wegens de op blz4 #cba gemelde reden in tijd en ruimte onregelmatig moeten voorkomen1 omdat er anders1 hetzij bij gelijktijdig voorvallende verschijnsels1 hetzij bij de achtergeblevene sporen van vroegere verschijnsels met betrekking tot de huidige1 te veel regelmatigheid zou ontstaan4 ,vandaar dat er niet1 althans niet buiten zekere grenzen1 gelijktijdig in eenig land1 zooals men zegt bij toeval1 zeer veel meer diefstallen dan gemiddeld gepleegd worden1 en dat evenmin kort nadien dit aantal veel kleiner dan gemiddeld wordt1 zonder dat de justitie en particulieren intusschen waakzamer geworden zijn en het straffen der diefstallen verscherpt is4 ,die diefstallen zijn te vergelijken met het trekken van bijv4 gele ballen uit eene bus1 ballen van allerlei andere kleuren bevattende1 op eene onbewuste wijze voor het gevoel onderscheiden1 en wier trekking met het voorvallen van de verschillende andere feiten1 welke in de plaats van diefstallen kunnen plaats hebben1 vergelijkbaar is2 terwijl de verspreiding en de verhouding dier ballen van verschillende kleur binnen de bus1 vergelijkbaar is met den stand van zaken aanleiding gevende tot die gelijktijdig voorvallende feiten van verschillende soort4 ,bij elke trekking1 een groot aantal ballen bevattende1 zullen de getrokken gele ballen niet buiten zekere grenzen in verhouding tot al die gelijktijdig getrokken wordende ballen kunnen afwijken van derzelver verhouding tot het totale aantal ballen binnen de bus1 omdat er anders bij elk dier trekkingen eene te groote regelmatigheid zou ontstaan4 ,evenzoo bij de gelijktijdig maar op verschillende plaatsen gepleegde diefstallen4 ,niet slechts heeft de stand van zaken op elke plaats invloed op de aldaar gepleegde daden1 maar tevens in zwakkere mate ook die op andere plaatsen4 ,niet alleen hebben de andere daden1 ter plaatse waar de diefstal geschiedt tegelijk hiermede plaats hebbende1 maar tevens die en aldus ook de diefstallen op andere plaatsen gepleegd1 invloed op eerstgemelden diefstal #ic4 ,op blz4 #caa hebben wij gezegd dat1 wanneer in de ruimte alsware tusschen gelijksoortige gebeurtenissen er eene menigte andere gelegen zijn1 zij1 door met betrekking tot elkander regelmatig of onregelmatig in te vallen1 zeer weinig bijbrengen tot de regelmatigheid van het geheel1 en als onafhankelijk van elkander ontstaan beschouwd kunnen worden4 ,men behoeft aldus het gelijktijdig voorvallen van bijv4 diefstallen slechts te beschouwen over zulk een ruimte1 dat er aldaar gemiddeld zeer veel ongeveer gelijktijdig geschieden4 ,is nu dit aantal buitengewoon veel grooter dan gemiddeld1 zoo bestaat er eene regelmatigheid welke de vrucht moet zijn van eenige accidentele overheerschende omstandigheden tegelijk bij al die plaatsen1 waar die diefstallen begaan worden1 van invloed zijnde4 ,die regelmatigheid moet toch eene oorzaak bezitten1 daar op blz4 #cba aangetoond1 is1 dat die oorzaak niet in het totaal der zeer geringe invloeden van een uiterst groot aantal omstandigheden kan bestaan1 wordt aldus het bestaan dier eerste oorzaak ontkent door iemand die regelmatigheid aan het toeval toeschrijft1 zoo bekent hij tevens dat de laatste oorzaak alleen bestaat1 en deze kan slechts1 zooals op blz4 #cba gezegd is1 onregelmatigheid en geene zoogenaamde toevallige regelmatigheid voortbrengen4 ,hieruit blijkt tevens dat bijv4 diefstallen op verschillende plaatsen1 zooals men zegt1 onafhankelijk van elkander gepleegd1 invloeden op elkander uitoefenen1 die te zamen met velerlei andere even weinig waarneembare invloeden niet verwaarloosd mogen worden1 want zij behooren1 of tot die menigte van zeer geringe invloeden waardoor1 zooals op blz4 #cba gezegd is1 onregelmatigheid ontstaat1 of zij worden teweeg gebragt door de enkele overheerschende omstandigheden bij die verschillende plaatsen tegelijk werkende1 waardoor er bij het voorkomen dier diefstallen regelmatigheid kan ontstaan4 ,alsdan kan men niet met juistheid zeggen1 dat de diefstallen onafhankelijk van elkander gepleegd worden1 zoodat1 wanneer bijv41 bij gemis aan afspraak van dieven op velerlei plaatsen1 of van dergelijke omstandigheden1 men bij de gewone wijze van spreken mag zeggen1 dat die diefstallen niet anders dan onafhankelijk van elkander kunnen gepleegd zijn1 zoo zij onder den invloed derzelfde enkele op verschillende plaatsen tegelijk werkende overheerschende omstandigheden ontstaan zijn1 deze al zeer zwak moeten zijn1 en de er door teweeg gebragte regelmatigheid1 door de op blz4 #cba gemelde werking1 noodzakelijk zeer sterk gestoord moet worden4 ,wanneer de omstandigheden1 van invloed op gelijksoortige verschijnsels1 wier wijze van herhaling in tijd of ruimte men wenscht na te gaan1 ook onderling meer op elkander van invloed zijn1 zal de regelmatigheid bij die voorkoming dier verschijnsels binnen naauwere grenzen besloten blijven4 ,enkele dier omstandigheden zullen dan toch moeijelijker een eenigen tijd aanhoudenden overheerschenden invloed in denzelfden geest kunnen blijven uitoefenen1 omdat alsdan de grootere invloed van andere omstandigheden er op dit gedurig meer verhindert4 #id ,dit zal insgelijks het geval zijn1 zoo die invloed van eenvoudigen aard is1 omdat dan elk dier omstandigheden meer geinfluenceerd wordt door elk der andere op eene wijze in verhouding der aanraking tusschen beide1 en eerstgemelde omstandigheden gedurig met andere1 of op eene andere wijze met dezelfde omstandigheid in aanraking komen4 ,zijn daarentegen die invloeden van meer zamengestelden aard1 zoo kan eene omstandigheid meer ongevoelig blijven voor vele andere waarmede zij in directe aanraking komt1 en daarentegen sterk den invloed ondervinden van enkele omstandigheden1 in tijd of ruimte er betrekkelijk ver van verwijderd4 ,dit is in sterke mate het geval bij de omstandigheden daargesteld door de wijze van denking die men willen noemt4 ,iemand wil1 tengevolge eener voor geheele wijziging zeer vatbare gril1 bijv4 witte ballen uit eene bus nemen1 en1 ofschoon dan zwarte ballen meer bij de hand kunnen liggen1 neemt hij toch moeijelijker te bereiken witte ballen4 ,zoo zullen1 wanneer de dieven nemen wat het gemakkelijkste en met het minste gevaar te stelen is1 de gedurende elke week gepleegde diefstallen onder eene groote bevolking1 wegens gebrekkige onregelmatigheid van voorkoming minder veranderen1 dan zoo die diefstallen gepleegd worden nadat derzelver daders berekeningen gemaakt hebben4 ,tusschen twee havens varende stoomschepen1 wier machines steeds met evenveel kracht werken1 en die aan allerlei winden en accidentele stroomen blootgesteld zijn1 zullen langs de distantie tusschen die twee havens steeds op eene vrij onregelmatige wijze verspreid moeten zijn4 ,hangt daarentegen de kracht waarmede de machines dier vaartuigen werken af van den wil hunner gezagvoerders1 zoo zal die verspreiding regelmatiger kunnen zijn1 al bestaat er geene dit bevorderende afspraak tusschen die gezagvoerders4 ,gesteld dat de werking van den wil dier gezagvoerders niet bestaat1 zoo zullen bij gemelde vaartuigen1 bij zekere regelmatige verspreiding van sommige hunner1 de winden1 de stroomen1 golven enz4 invloeden1 waarbij de indruk dier regelmatigheid bestaat1 op de andere vaartuigen overbrengen4 #ie ,gezamentlijk met de voorgaande1 bestaan nu bij die overige vaartuigen een uiterst groot aantal andere invloeden van water en lucht1 welke1 zooals op blz4 #cba gezegd is1 door hun aantal en hunne veranderlijkheid iets onregelmatigs zullen trachten teweeg te brengen4 ,zoo aldus de min of meer regelmatige ligging dier overige vaartuigen1 in verband met die der eerstgemelde beschouwd1 eene sterkere regelmatigheid1 dan door de ligging van eerstgemelde vaartuigen wordt voortgebragt1 daarstelt1 dienen de van deze op die andere vaartuigen overgebragte regelmatige invloeden sterker te zijn1 en zich hierbij te paren aan dergelijke invloeden bij die overige vaartuigen4 ,dit kan naar ons inzien1 niet anders geschieden1 dan zoo die min of meer regelmatige invloeden bij elk vaartuig aanwezig en van de andere er naar toe overgebragt1 door enkele voor al de vaartuigen in denzelfden geest werkende omstandigheden worden voortgebragt4 ,onder de omstandigheden1 op de ligging dier vaartuigen van invloed zijnde1 behoort echter ook de behandeling er van door derzelver bemanning4 ,al wordt nu die behandeling geheel bepaald door de betrekking dier vaartuigen met de winden1 golven en stroomen1 zoo zal veel hiervan op die bepaling dier behandeling van zeer weinig en enkele zaken1 hier en nu anders dan elders en later1 van veel invloed kunnen zijn4 ,die behandeling kan aldus staan onder den overheerschenden invloed van enkele1 volstrekt niet steeds op dezelfde wijze van invloed zijnde1 accidentele omstandigheden1 en daar zij sterken invloed uitoefent op de ligging dier vaartuigen1 deze alsdan gemiddeld meer onder den invloed van enkele en gemiddeld minder onder den invloed van zeer vele veranderlijke omstandigheden komen4 ,dit nu is wel is waar geene bestendige oorzaak van meer regelmatige onderlinge ligging dier vaartuigen1 maar wel eene oorzaak1 waardoor de invloeden van zeer vele veranderlijke omstandigheden er op zwakker kunnen worden4 ,het is aldus mogelijk dat alsdan de op blz4 #cba gemelde werking1 waardoor de regelmatigheid tegengegaan wordt1 zwakker wordt4 ,eene overheerschende omstandigheid kan ergens1 zooals op blz4 #cji gezegd is1 regelmatigheid voortbrengen1 en eene andere overheerschende omstandigheid elders eene andere regelmatigheid veroorzaken1 zonder dat beide soorten van regelmatigheid1 wegens het verband waarin zij tot elkander staan1 iets regelmatigs vormen4 ,is dit daarentegen wel het geval1 en zelfs zoo op beide plaatsen er geene regelmatigheid bestaat1 maar onregelmatigheden1 welke1 door bijv4 min of meer identiek te zijn1 wegens derzelver onderling verband eene regelmatigheid daarstellen1 zoo moet deze door voor beide plaatsen gemeenschappelijke overheerschende omstandigheden teweeg gebragt worden4 ,anders toch zou de wegens dit onderlinge verband ontstaande regelmatigheid zonder oorzaak zijn1 en aldus de ook met betrekking tot dit onderlinge verband onregelmatigheid voortbrengende werking der wet van geschiktmaking alleen heerschen4 ,naar mate echter die twee plaatsen in de ruimte1 of wanneer het tijdstippen geldt waarop die1 wegens hun onderling verband1 regelmatigheid voortbrengende gebeurtenissen plaats hebben1 deze in den tijd verder van elkander gelegen zijn1 dat is1 wanneer er tusschenbeide alsware meer gebeurtenissen liggen1 zullen de omstandigheden1 regelmatigheid wegens onderling verband voortbrengende1 bij dezelfde sterkte dier regelmatigheid1 zwakker kunnen zijn4 ,de werking der wet van geschiktmaking zal dan toch1 door tusschenkomst der invloeden van eene zeer groote menigte van omstandigheden1 bij de tweede plaats de regelmatigheid met betrekking tot hetgeen1 op de eerste plaats geschied is1 slechts kunnen storen1 voor zoo verre hetgeen aldaar geschied is1 bij die tweede plaats van invloed is4 ,is nu die verzwakking1 bij grootere betrekkelijke verwijdering in tijd of ruimte1 sterker dan die der omstandigheden1 bij beide plaatsen1 of op beide tijdstippen1 eene1 zooals hierboven gezegd is1 door onderling verband ontstaande regelmatigheid voortbrengende1 zoo zal deze bij groote verwijdering in ruimte of tijd grooter kunnen worden #if4 ,zoo bijv4 thans ergens in ,europa iemand1 de kleur der ballen onderscheidende1 eene reeks hiervan uit eene bus trekt1 en over eene eeuw iemand anders in ,amerika dit ook doet1 zal de eerste reeks van trekkingen zekere invloeden hoe gering ook op de andere uitoefenen1 en de regelmatigheid bij de verhouding tusschen beide reeksen van trekkingen tot zekeren graad hoe gering ook door op blz4 #cba gemelde werking der wet van geschiktmaking verstoord worden4 ,zoo er nu slechts in beide gevallen sprake kan zijn om de witte of zwarte ballen1 met betrekking tot derzelver afwisseling1 slechts op een bepaald aantal verschillende wijzen uit die bus te trekken1 kan de zucht naar varieteit maken1 dat in beide gevallen de trekkers dit op al die wijzen doen1 en dat aldus in beide gevallen1 in tijd en ruimte zoover van elkander gelegen1 er identieke reeksen van trekkingen plaats hebben4 ,de omstandigheid1 welke dan in die beide gevallen tegelijk werkt1 is de zucht om uit bussen1 witte en zwarte ballen bevattende1 met onderscheiding der kleuren1 deze bij de getrokken ballen op een zeker aantal verschillende wijzen te doen afwisselen4 ,zoo daarentegen in beide gevallen slechts eene reeks van trekkingen en wel blindelings gedaan wordt1 en dat in beide gevallen de witte en zwarte ballen op de onregelmatigste1 maar in elk dier gevallen op volmaakt dezelfde wijze afwisselen1 zoo dient de invloed van eene voor beide gevallen gemeenschappelijke omstandigheid hiervan de oorzaak te zijn1 en zal deze die overeenstemming tusschen de beide reeksen van trekkingen moeijelijker te weeg kunnen brengen1 naarmate die reeksen elk uit meer trekkingen bestaan4 ,die voor beide reeksen gemeenschappelijke omstandigheid kan in dit geval niet in eene voorbedachtelijke imitatie in het tweede geval van hetgeen in het eerste heeft plaats gehad bestaan1 en dient dan wel derzelver invloed van de trekking in ,europa1 tot die eene eeuw later in ,amerika op eene gelijksoortige wijze overgebragt te hebben als de sporen dier geheele eerste trekking4 ,de oorzaak1 die overeenstemming tusschen beide reeksen van trekkingen voortbrengende en die deze verstorende1 moeten aldus beide in dit geval uiterst zwak zijn1 en zullen dit nog meer worden1 zoo tusschen de reeksen van trekkingen in beide gevallen er nog meer liggen1 omdat de invloeden der eerste trekking hierdoor meer verloren gaan dan door andere zaken4 ,de werking der wet van geschiktmaking wischt namelijk vooral zaken uit door andere er mede gelijksoortige later voorvallende zaken1 zie blz4 #ahb1 want die uitwissching of liever omzetting geschiedt niet van zelf1 hiertegen verzet zich de werking der wet der traagheid4 ,men moet echter zeer voorzichtig zijn bij de ontkenning dat bij gevallen1 in tijd en ruimte ver van elkander gelegen1 er geene onderlinge regelmatigheid tusschen hen kan ontstaan dan op dezelfde wijze waarop die gevallen zelve van invloed op elkander zijn4 ,die regelmatigheid tusschen twee gevallen kan toch1 even als de absolute regelmatigheid bij een geval1 dikwijls ontstaan op wijzen wel in zekeren zin gelijksoortig met die wij kennen en aldus niet door het toeval1 maar op wijzen buiten onzen kring van kennis of1 wegens hare zwakte1 buiten onzen kring van waarneming gelegen4 ,de invloeden der daden der bewoners dezer aarde op die der bewoners van de planeet ,venus moeten bijv4 uiterst gering zijn1 en toch zouden al de bewoners der dagzijde dezer aarde onbewust bijna te gelijk iets gelijksoortigs kunnen doen1 en1 zoo de bewoners der dagzijde van ,venus1 tengevolge der op blz4 #bcb gemelde werking der wet van geschiktmaking1 gevoelig zijn voor de warmte der zon1 ook zij iets dergelijks doen4 ,een onwaarneembare vermindering der warmte der zon1 tengevolge van het ontstaan eener zonnevlek1 zou toch de oorzaak hiervan kunnen zijn4 ,bij het geval van blz4 #cab bestaat er voor al de waarneembare ruimtedeelen van het mengsel eene omstandigheid1 welke zekere onderlinge regelmatigheid tusschen hetgeen bij die ruimtedeelen bestaat1 namelijk de gelijkheid tusschen de verhouding der verschillende vochten1 bij elk hunner teweeg brengt4 ,die omstandigheid is namelijk dat door roering voor alle de quantiteit van het bijgeschonken vocht dezelfde wordt gemaakt4 ,wij besluiten uit dit een en ander1 dat de regelmatigheid bij gevallen en de onderlinge regelmatigheid tusschen verschillende gevallen binnen enge grenzen beperkt is1 tenzij bijzondere oorzaken1 kennelijk van anderen aard dan de invloeden tusschen de deelen dier gevallen1 of tusschen deze laatste onderling1 haar voortbrengen1 en dat voorts de uitwerkingen en het belangrijke van zulke regelmatigheden niet buiten zekere grenzen kunnen afwijken van de sterkte dier bijzondere oorzaken4 ,deze werking der wet van geschiktmaking komt ons menschen zeer te pas1 want1 omringd van min of minder regelmatige bijzondere zaken1 is het voor ons noodig de oorzaken er van te kennen en hierop te kunnen rekenen1 en desniettemin doet onze fantaisie ons somtijds gelooven dat er regelmatige zaken bestaan1 waar wij weten dat de oorzaken er van niet aanwezig kunnen zijn4 ,dat regelmatigheid in tijd of ruimte door enkele op verschillende tijdstippen1 of op verschillende plaatsen overheerschende omstandigheden voortgebragt moet worden1 volgt alsware uit het bestaan van regelmatigheid in de herhaling of periodieke herhaling derzelfde zaken4 ,voorts kan eene gebrekkige regelmatigheid zamengesteld worden uit eene volmaakte regelmatigheid on eene volslagene onregelmatigheid4 ,bij het voorbeeld der op blz4 #cbg gemelde diefstallen heeft men1 al vallen deze in tijd of ruimte zoo onregelmatig mogelijk voor1 wel is waar eene herhaling derzelfde zaak1 doch hiervoor te gelijk eene in tijd en ruimte overheerschende omstandigheid1 namelijk die in eene maatschappij tot diefstallen aanleiding gevende4 ,bestaat er nu buiten deze regelmatigheid eene tweede1 namelijk die1 welke met een volstrekt onregelmatig voorkomen dier diefstallen zamengesteld1 vormt eene gebrekkige regelmatigheid van voorkoming er van1 zoo bestaat die tweede regelmatigheid in eene periodieke herhaling derzelfde zaak1 en moet zij de vrucht van andere overheerschende omstandigheden zijn4 #ig ,trouwens verschijnsels1 onder den invloed staande van verschillende omstandigheden1 tracht men1 ten einde de invloeden elk dezer te vinden1 alsware te ontleden in verschillende regelmatige verschijnsels1 en wel in meer1 naarmate die omstandigheden meer in aantal zijn4 ,dan echter wordt de regelmatigheid van het resulterende verschijnsel van meer zamengestelden aard en meer onregelmatig1 en moet het zulks volstrekt worden als die er op van invloed zijnde veranderlijke omstandigheden in aantal onnoemelijk zijn1 en dat geene derzelver overheerscht1 want in dit laatste geval kan het verschijnsel eene op uiterst zamengestelde wijze gestoorde eenvoudige regelmatigheid vertoonen1 zie ,noot blz4 #cbh4 ,op blz4 #bgh hebben wij aangetoond dat zaken geene plotselinge veranderingen er van in grootte kunnen ondergaan1 zoodat veranderingen er van in grootte aangeduid zullen kunnen worden door de ordinaten van nergens niet afgeronde hoeken bezittende kromme lijnen4 ,zoo aldus zaken1 aan een steeds grooter wordenden drang tot vergrooting onderworpen raken1 zal derzelver grootte gedurende de achtervolgende tijdstippen door de ordinaten eener van af zeker punt oploopende en met de bolle zijde naar de abcissenas gekeerde kromme voorgesteld kunnen worden4 ,vergroot die drang later niet meer1 en wordt hij daarna steeds kleiner1 om eindelijk nul te worden1 zoo zal die kromme een buigpunt verkrijgen1 vervolgens steeds flaauwer oploopen en met de holle zijde naar de abcissenas gekeerd zijn1 en eindelijk hiermede paralel loopen4 ,wanneer oorzaak en gevolg elkander wederkeerig versterken1 en aldus de drang tot vergrooting bij het gevolg steeds versnellende grooter zou worden1 zoo de werking der wet van geschiktmaking zie blz4 #bfb de vergrooting der oorzaak niet tegenging1 zal dit gevolg wel is waar aan een na zekeren tijd steeds trager1 maar nog steeds toenemenden drang tot vergrooting blootgesteld zijn1 maar1 daar de werking der wet van geschiktmaking ook de vergrooting van dit gevolg tracht tegen te gaan1 en1 even als bij de oorzaak1 in sterkere mate1 naarmate het grooter is1 het zijn1 of er bij beide eene eerst toe en later afnemende vergrootende werking bestaat4 ,de werking der wet van geschiktmaking kan nu wel de vergrooting van eenig verschijnsel zeer moeijelijk maar niet onmogelijk maken1 en verkeert daaromtrent steeds in het geval van als bij eene van derzelver werkingen1 namelijk den tegenstand van het water tegen drijvende vaartuigen4 #ih ,hoe snel ook deze bewegen1 de vergrooting der voortstuwende kracht kan desniettemin eene ofschoon uiterst geringe vergrooting der snelheid van het vaartuig teweeg brengen4 ,vandaar dat alsdan de op blz4 #ccf gemelde ojiefvormige kromme1 wier ordinaten de achtervolgende grootten van het bovengemelde gevolg verschijnsel aangeven1 eerst bij eene oneindig groote abcis en eene eindig groote ordinaat met de abcissenas paralel zal loopen4 #ii ,gesteld dat nu de stoommachine van dit vaartuig sterker gestookt wordt1 naarmate de snelheid hiervan meer bedraagt1 zoo zal de werking der wet van geschiktmaking de versterking van het vuur steeds meer gaan belemmeren1 en klaarblijkelijk zulk een vaartuig eerst versnellende1 maar later vertragende in snelheid toenemen1 zonder dat ooit de aanwas in snelheid geheel ophoudt4 ,dit zal insgelijks het geval zijn1 zoo het gevolg1 hierbij de snelheid van het vaartuig1 de oorzaak1 hierbij het stoken der machine1 niet versterkt4 ,ook dan zal het gevolg1 ofschoon niet noemenswaardig nimmer geheel ophouden met in grootte toe te nemen1 doch dit wel bij de oorzaak het geval zijn4 ,deze zal eerst versnellende daarna vertragende en na zekeren eindigen tijd in het geheel niet meer toenemen aldus even als de ordinaten der op blz4 #ccf gemelde ojiefvormige kromme4 ,op blz4 #cjg hebben wij gezegd1 dat een gevolg1 door zekere oorzaak opgewekt1 deze kan versterken1 onveranderd laten1 vernietigen en daarna zelfs negatief maken #ajj4 ,een ongeschikte toestand van zaken kan bijv4 opwekken1 het er over oordeelen en dien ten gevolge handelingen van menschen4 ,zijn alsdan die handelingen oordeelkundig1 zoo zullen zij het derde te weeg brengen1 of wel het vierde1 wanneer zie blz4 #bei en #bfg die ongeschikte toestand gerekend wordt te bestaan met betrekking tot een gemiddelden toestand en een uitslag naar de andere zijde hiervan een nog wenschelijker toestand te weeg kan brengen4 ,handelingen1 ten gevolge van slecht oordeelen begaan brengen daarentegen het eerste of tweede voort1 namelijk zij laten den ongeschikten toestand onveranderd1 of versterken dien4 ,dit geschiedt daarentegen door handelingen1 ten gevolge van goed oordeelen begaan1 zoo die toestand geschikt is1 en geperpetueerd dient te worden1 terwijl in dit geval handelingen1 ten gevolge van slecht oordeelen begaan1 het derde1 of somtijds ook het vierde voortbrengen4 ,wanneer er twee partijen tegen elkander strijden1 kan elk dezer een voor haar al of niet werkelijken ongeschikten toestand trachten weg te nemen1 en het gevolg namelijk den strijd voor de overwonnene partij bij dien ongeschikten toestand het eerste of tweede en voor de overwinnende partij het derde of vierde voortbrengen4 ,die door die ongeschikte toestanden opgewekten strijd wordt op zijne beurt door uitputting van een of van de beide partijen vernietigd1 en de partij1 die de ongeschiktheid van hare toestand het beste beoordeelt1 zal gemiddeld de zege behalen1 zie blz4 #bhh #aja4 ,dit is ook van toepassing op den strijd tusschen het hoogere en lagere1 zooals bijv4 tusschen beschaafde en onbeschaafde volken1 tusschen aanhangers van lagere en hoogere godsdiensten1 zie blz4 #bhg4 ,neemt men hierbij den gemiddelden vooruitgang van het menschdom niet in aanmerking1 zoo zal de meerdere geschiktheid van dit hoogere of van dit lagere gemiddeld aan dit of gene de zege verschaffen4 ,het ten gevolge van den drang tot vooruitgang zich verwijderen van het lagere1 zie blz4 #bhg1 is eene werking van de wet der veranderlijkheid1 waarbij het gevolg deszelfs oorzaak min of meer versterkt2 doch de pogingen om zich tegen de achterwaarts trekkende werking van het lagere te verzetten1 en om het verkregen hoogere te behouden1 zijn werkingen der wet van geschiktmaking en van de wet der veranderlijkheid1 waarbij het gevolg deszelfs oorzaak 7in dit geval de afwijking van het lagere van het verkregen hoogere7 te vernietigen4 ,de werking der wet van geschiktmaking tracht steeds ook1 zonder dat er strijd in den algemeensten zin plaats heeft1 van lieverlede ongeschiktheden te doen verdwijnen bijv4 door bij de partij1 wier uiterlijke magt derzelver hulpbronnen overtreft1 zijnde die gemiddeld aangevallen wordt1 die ongelijkheid weg te nemen1 zie blz4 #bhi4 ,de gevolgen van verschijnsels zullen op deze de beide eerste1 of de beide laatste der op blz4 #cch gemelde uitwerkingen hebben1 al naar gelang zij1 zie blz4 #bif in contact komen en den invloed ondervinden van andere verschijnsels1 zoo of tegengesteld zijnde1 zooals bijv4 het komen der op blz4 #cch gemelde handelingen onder den invloed van personen met of zonder oordeel en overleg4 ,de op blz4 #cjg gemelde gevolgen1 dient men1 zie blz4 #gj1 steeds met derzelver oorzaken gelijkslachtig te stellen1 en aldus in de stoffelijke en geestelijke wereld alsware een uiterst groot aantal zich somtijds vertakkende1 somtijds ophoudende reeksen van gelijkslachtige1 uit elkander voortspruitende verschijnsels aan te nemen4 ,van ongelijkslachtige oorzaken en gevolgen kan er eigenlijk geen sprake zijn1 doch wel kan het contact met andere er niet gelijkslachtig mede zijnde zaken1 deze laatste wijzigen1 waardoor de gelijkslachtige gevolgen hiervan anders worden1 zie blz4 #bif en #bii4 ,vandaar is het op blz4 #cjb gezegde1 dat ligchaamsbewegingen gevolgen van geestelijken aard kunnen opwekken1 niet naauwkeurig4 ,van die bewegingen wijzigt het contact geestelijke werkingen1 waardoor deze andere gevolgen1 er mede gelijkslachtig en aldus insgelijks van geestelijken aard1 opwekken4 ,zoo zal bijv4 van de menschelijke daad1 bestaande in het werpen van brandstof in eenen vuurhaard1 het contact met de mededeeling der gloeijing van deelen brandstof aan andere deelen1 deze mededeeling wijzigen1 en hierdoor het hiervan gelijkslachtige gevolg1 namelijk de vrijmaking van de latente warmte binnen de zuurstof der lucht bevat door gloeijende brandstof1 anders namelijk sterker worden4 ,de warmteontwikkeling bij het vuur is een gevolg van die vrijmaking dier zuurstofwarmte door gloeijende deelen brandstof1 en zou steeds in sterkte toenemen1 zoo de werking der wet van geschiktmaking1 in reden der sterkte der warmte bij het vuur1 die warmte er niet van afvoerde4 ,de er mede gelijkslachtige oorzaak van het vrijmaken der zuurstofwarmte door gloeijende brandstof1 is de mededeeling dier gloeijing van het eene stuk brandstof aan het andere1 en deze oorzaak wordt door derzelver gevolg versterkt1 zoodat dit in sterkte versnellende zou toenemen1 ware het niet1 dat zekere werking der wet van geschiktmaking1 in de uitbranding der brandstof bestaande1 zelfs bij eene onbeperkte hoeveelheid hiervan1 die sterkte eindelijk vertragende deed toenemen4 ,de werking der wet der veranderlijkheid doet echter de mededeeling der gloeijing der brandstof als gevolg opwekken het niet meer voorhanden zijn hiervan1 terwijl de vrijmaking der zuurstofwarmte door de gloeijende deelen brandstof als gevolg opwekt het blusschen van het vuur1 en beide die gevolgen zullen nu werken1 zooals in noot blz4 #cjj gezegd is1 namelijk derzelver oorzaken vernietigen #ajb4 ,het werpen van brandstof in het vuur behoort daarentegen tot eene andere reeks van gelijkslachtige oorzaken en gevolgen4 ,tot oorzaak heeft dit werpen voorafgaande handelingen van den stoker1 en tot gevolg zekere het stoken opvolgende handelingen1 en wel zal op het stoken het contact van het vuur van invloed kunnen zijn1 maar enkel als eene er mede ongelijkslachtige zaak4 ,die hevigheid van het vuur moet toch niet noodwendig het stoken sterker of zwakker doen worden1 zie blz4 #big4 ,de werkingen der wet van geschiktmaking hebben wij niet onder de gevolgen van hiermede gelijkslachtige oorzaken begrepen1 omdat die werkingen steeds evenredig blijven met de sterkte der zaken1 waardoor zij opgewekt worden1 terwijl daarentegen de in werkingen der wet der veranderlijkheid bestaande gevolgen door de er mede gelijkslachtige oorzaken versterkt worden4 ,eveneens tracht het contact1 tusschen ongelijkslachtige1 of 7zie het voorbeeld van #bfj7 tusschen gelijkslachtige verschijnsels1 als oorzaak de er door teweeg gebragte wijzigingen bij die verschijnsels door zijn duur te versterken4 ,deze somtijds niet ontstaande wijzigingen1 werkingen der wet der veranderlijkheid1 kunnen beschouwd worden als gevolgen van dit contact en door terugwerking kunnen zij dit verzwakken of versterken4 ,zoo kan bijv4 de verwarming van het ligchaam1 door het contact met een vuur1 tot gevolg hebben1 dat dit ligchaam tot het vuur nadert1 of er zich van verwijdert1 en aldus dat dit contact grooter of kleiner wordt4 ,de vergrooting dier wijzigingen1 ten gevolge1 der opwekkende werking van het contact1 wordt1 even als op blz4 #bfb gezegd is1 vertragende gemaakt door de werking der wet van geschiktmaking4 ,dit is bijv4 het geval1 wanneer het gezigt van eenig voorwerp het denken er over versterkt4 ,allerlei andere opkomende gedachten maken dan1 dat zie blz4 #aag en #ahc die over dit voorwerp na zekeren tijd in sterkte slechts vertragende kan toenemen4 ,voorts kan de werking der wet der veranderlijkheid maken1 dat zulk een gewijzigd wordend verschijnsel in contact komt met een ander1 en dat dit laatste contact eene tegengestelde wijziging er bij opwekt1 zooals bijv4 bij het voorbeeld1 zie blz4 #cda1 van het contact van het vuur met iemand1 die dit tracht te blusschen4 ,somtijds kan dan zulk een verschijnsel wijzigingen dan in deze en dan in tegenovergestelde rigting ondergaan1 doordat die eerste positieve wijziging alsware het contact noopt negatief te worden1 zie blz4 #beh4 ,accidentele omstandigheden ten gevolge van wijzigingen1 tot oorzaken het contact van allerlei andere zaken hebbende1 zullen echter dergelijke verflaauwende schommelingen verstoren4 ,wanneer gevolgen derzelver oorzaken onveranderd laten1 of wel versterken1 kunnen zij zelve door een gevolg van henzelve vernietigd worden1 zonder dat hierdoor die oorzaak aangedaan wordt4 ,dit is bijv4 het geval1 wanneer eenige blijvende zaak de menschen leidt tot handelingen1 waarmede zij na zekeren tijd wegens eenige rede ophouden4 ,zoo een gevolg deszelfs oorzaak vernietigt1 zonder deze negatief te doen worden1 zal1 zoo bij dit gevolg de slijtende werking der wet van geschiktmaking niet bestaat1 het in grootte steeds vertragende toenemen4 ,wederkeerige verzwakking1 zie blz4 #bfa1 kan ontstaan tusschen twee verschijnsels1 waarvan het eene tijdens het begin dier wederkeerige verzwakking bestaat en negatief of tegenovergesteld zijnde1 als gevolg door het andere zou opgewekt worden onder wederkeerige versterking van gevolg en oorzaak4 ,het verschijnsel1 dat bij die wederkeerige versterking de oorzaak is1 ontstaat bij de wederkeerige verzwakking later dan het andere1 en wel op eene wijze tegengesteld aan die1 waarop het bij de wederkeerige versterking vernietigd wordt4 ,dit bijv4 geschiedt bij nadering en botsing van twee hemelligchamen bij derzelver aantrekking door de opgewekte afstooting1 zie blz4 #bhc1 terwijl bij de wederverwijdering dier beide hemelligchamen de aantrekking weder ontstaat door de verdwijning der afstooting4 ,dit is nu wel is waar een gevolg der sterkte van verwijdering dier beide ligchamen1 doch het is klaar1 dat deze niet op dezelfde wijze die aantrekking opwekt als verzwakt4 ,bij wederkeerige versterking eene oorzaak1 door derzelver gevolg versterkt1 en door eene andere werking van dit gevolg1 onder medewerking hiervan met iets anders1 vernietigd wordende1 zoo zal bij de wederkeerige verzwakking eerstgemeld gevolg negatief zijnde en als verschijnsel bestaande1 slechts door medewerking met iets anders die oorzaak opwekken4 #ajc ,de werking der wet van geschiktmaking zal bij zulk eene wederkeerige verzwakking het bovengemelde bestaande verschijnsel en het later opgewekte sneller doen verzwakken1 zoo die zelfde werking in het omgekeerde geval de vergrooting1 zoo van de oorzaak als van het deze versterkende gevolg verzwakt4 ,eene goede omgeving1 waakzaamheid en voorzigtigheid kunnen iemands gedrag beter doen worden1 en de goede uitkomsten van zulke maatregelen nopen hen te versterken4 ,later kan echter dit verbeterde gedrag1 zamenwerkende met bijv4 slechte raadgevingen1 die maatregelen overbodig doen achten1 en tot vernietiging er van leiden4 ,het tegenovergestelde verschijnsel van het gevolg dier maatregelen is nu slecht gedrag1 en dit als verschijnsel bestaande1 kan gepaard met goede raadgevingen1 opwekken waakzaamheid1 voorzigtige behandeling1 het brengen in goede omgeving1 enz4 ,deze zullen klaarblijkelijk op dit slechte gedrag 7ook buitendien door de slijtende werking der wet van geschiktmaking van lieverlede vernietigd wordende7 eene verzwakkende werking uitoefenen1 edoch ook die maatregelen kunnen door den duur van dit slecht gedrag1 door eene wegens niet genoegzaam resultaat ontstane moedeloosheid1 verzwakt worden1 terwijl zij buitendien als iets bijzonders aan zekere slijting onderhevig zijn4 ,de op blz4 #afe gemelde wijzigingen der onregelmatige aantrekkingstrillingen van den ether door het bestaan binnen deze van bijzondere ligchamen1 zullen die aantrekkingstrillingen regelmatig doen worden4 ,bij de onregelmatige afstootings- of warmtetrillingen van den ether heeft dit insgelijks plaats door het bestaan van bijzondere ligchamen1 omdat die trillingen op de van deze ligchamen uitgaande stralen zulk eene wijziging ondergaan1 dat zij deels worden transversale trillingen1 waarbij het aantal trillingen per seconde even groot is als bij dat der warmtetrillingen dier bijzondere ligchamen4 ,wanneer die stralen tusschen twee ligchamen1 waarvan het eene warmte opslurpt1 loopen1 zal het aantal dier transversale ethertrillingen gelegen zijn tusschen die bij de warmtetrillingen dier beide ligchamen bestaande4 #ajd ,ook bij deze laatste soort van trillingen bestaat er in zooverre regelmatigheid1 dat de temperaturen1 gemeten door het aantal der trillingen per seconde1 van het eene punt naar het andere min of meer egaal af of toenemen4 ,dit belet echter niet dat het overgaan in dergelijke warmtetrillingen van bijv4 geluidsgolven eene de onregelmatigheid bevorderende werking der wet van geschiktmaking is4 ,de aantrekking van massas digter dan en onderscheiden van den ether1 aldus van iets bijzonders1 perst om zich heen gassen te zamen1 doet deze condenseren1 onder vermindering der banen der warmtetrillingen en verhooging van het aantal dezer per seconde1 of anders gezegd onder overgang van latente warmte in vrije warmte4 ,bij nog sterkere zamenpersing1 waarbij de afgifte van vrij geworden warmte voortgaat1 kunnen die vochten stollen1 en daar nu de onregelmatigheid bevorderende werking der wet van geschiktmaking vochten en ook vaste ligchamen 7voor zooverre deze niet verrotten7 doet verdampen1 en aldus een omgekeerden overgang der stof te weeg brengt1 moeten de vochten in het algemeen in een meer bijzonderen toestand dan de gassen en in minder bijzonderen toestand dan de vaste ligchamen verkeeren4 ,terwijl dan ook bij de vloeistoffen1 wier deelen zeer verschuifbaar zijn1 binnen gelijke kubieke ruimten1 betrekkelijk weinig moleculen bevattende1 het aantal dezer zeer zal verschillen1 en daarentegen binnen gelijke kubieke ruimten1 zeer veel moleculen bevattende1 dit aantal betrekkelijk zeer weinig verschilt1 zie blz4 #caa1 moet bij de vaste ligchamen en vooral bij de elastieke1 het tegenovergestelde plaats hebben4 ,wordt bijv4 een elastiek vast ligchaam verticaal ingedrukt1 zoo zet het zich in horizontale rigting uit1 en moeten in die rigting de aantrekkingen tusschen de zich van elkander verwijderende moleculen grooter dan derzelver afstootingen worden1 en het omgekeerde in de verticale rigting plaats hebben4 ,anders toch zou het ligchaam1 na het ophouden der indrukking1 deszelfs primitieve gedaante niet weder kunnen hernemen4 ,dit nu zal slechts mogelijk zijn1 zoo er tijdens de indrukking geene blijvende verschuiving van moleculen plaats heeft1 dat weder slechts mogelijk is1 zoo de aan elkander grenzende uiterst kleine kubieke ruimten1 elk niet veel moleculen bevattende1 er ongeveer evenveel inhouden4 ,dat de kubieke ruimten1 elk zeer veel moleculen bevattende1 er bij de vaste ligchamen niet evenveel inhouden1 hetgeen vooral bij de zeer merkbaar poreuse onder hen het geval is1 belet daarentegen dit niet blijvende zijn der onderlinge verschuiving der moleculen niet1 mits de moleculen massas1 tusschen die porien gelegen1 dik genoeg zijn om niet te breken4 ,bij de stolling van vochten moet er aldus iets plaats hebben1 als op blz4 #cac gezegd is1 namelijk1 door het gelijktijdig dringen van veel moleculen naar eene plaats en het zich gelijktijdig verwijderen van andere plaatsen1 er eene grootere regelmatigheid ontstaat #aje4 ,eene soort van veerkracht als die der vaste ligchamen bezitten de vloeistoffen niet1 dan voor zooverre zij kleverig zijn1 en derzelver moleculen aldus niet volmaakt verschuifbaar zijn4 ,het niet bevatten van evenveel moleculen door evengroote ruimten1 er elk niet veel van inhoudende1 moet voorts bij de vochten in verband gebragt worden met de moleculaire warmtetrillingen1 bij hen1 wegens het bevatten van meer latente warmte1 grooter zijnde dan bij de vaste ligchamen4 ,bij chemische verbinding heeft er1 even als bij stolling en condensatie1 overgang van gebondene in vrije warmte plaats1 terwijl bij chemische verbinding gemiddeld1 ofschoon niet steeds1 de stoffen van den gasvorm tot den toestand van vochten of vaste ligchamen gebragt worden4 ,in het algemeen kan dus chemische verbinding beschouwd worden als eene werking der wet der veranderlijkheid in strijd met de onregelmatigheid verwekkende werking der wet der geschiktmaking1 zie blz4 #bea4 ,het is echter eene primaire werking dier laatste wet1 welke1 door de stoffen chemisch te ontleden1 de ontbondene meer dan de verbinding op de natuur van den ether doet gelijken4 ,waar er toch chemische verbindingen bestaan1 kunnen1 terwijl die primaire werking hen tracht te ontleden1 secondaire werkingen dier wet1 zie blz4 #bd1 er andere stoffen mede in harmonie brengen1 door deze chemisch met elkander te verbinden4 ,een dergelijke secundaire werking is bijv4 de verbinding der metalen met de zuurstof1 waardoor er met de natuur van de aardkern en van de anorganische aardkorst1 alsware in harmonie zijnde chemische verbindingen ontstaan4 ,de scheikundige verwantschap tusschen stoffen is toch niet zoo zeer iets aan deze eigen1 dan wel het gevolg der omstandigheden waarin zij zich bevinden4 ,de vochtigheid1 de warmte enz4 hebben er grooten invloed op1 en men kan zich even goed zie blz4 #aei een hemelbol van meer etherachtige en chemisch minder zamengestelde natuur dan onze aarde denken1 alwaar ijzeroxyde zonder kunstmiddelen1 door opneming en binding der warmte van omgevende ligchamen en verbreking der moleculen door de vergrootende warmteafstooting1 in ijzer en zuurstof overgaat1 alsdat op deze aarde bijv4 de planten in water en koolzuur ontleed worden4 #ajf ,zoo kan het weren van bederf1 eene tertiaire werking der wet van geschiktmaking1 namelijk eene met betrekking tot de organische stoffen zelve zijn2 terwijl dit bederf zelf eene secondaire werking dier wet is1 wegens de disharmonie tusschen de levende organismen en de aarde1 zie blz4 #id4 ,tusschen die twee werkingen der wet van geschiktmaking bestaat er nu een strijd1 maar waarbij zoo1 zie blz4 #aie1 geene werking der wet der veranderlijkheid gedurig nieuwe levende organismen vormde1 de tertiaire werking even goed het onderspit zou delven1 als de verdediging van een staat1 noch op de nationaliteit1 noch op de behoeften der ingezetenen gebaseerd1 of zie blz4 #bef later geschikt kunnende worden1 voor de ondermijning van het bestaan van zulk een staat4 ,de drang der vaste stoffen en vochten om te verdampen1 zie blz4 #caf1 ontstaat ten gevolge eener primaire werking der wet van geschiktmaking1 en secundaire werkingen hiervan met betrekking tot de aarde kunnen een tegenovergesteld effect uitoefenen4 ,die secundaire werkingen kunnen bijv4 gerekend worden hier op aarde alles in harmonie te brengen met den toestand van hare kern en korst1 zoo de aarde zeer ver van de zon gelegen was1 en tot zulke werkingen behooren dan de gedurige uitstraling door de aarde van opgeslurpte zonnewarmte1 het vervoer van warmte van den evenaar naar de polen1 enz4 ,de nabijheid der aarde van de zon is toch1 zie blz4 #afa1 eene bijzonderheid1 die de werking van blz4 #afc zal trachten op te heffen1 doch er bestaan tertiaire werkingen der wet van geschiktmaking trachtende alles op deze aarde te brengen in harmonie met haren gemiddelden toestand met betrekking tot de zon4 ,alle afwijkingen hiervan1 zoo periodieke als accidentele1 zal die tertiaire werking der wet van geschiktmaking trachten te vernietigen4 ,hierdoor wordt er bijv4 van de dag- en zomerzijde der aarde warmte gevoerd naar de nacht- en winterzijde1 en hierdoor zullen1 wanneer de zonnewarmte veel water heeft doen verdampen1 die dampen later condenseren1 iets dat niet zou plaats hebben1 zoo de aantrekkingskracht der aarde die dampen niet zamenperste1 en hen daardoor belette ten gevolge der op blz4 #cde gemelde primaire werking der wet van geschiktmaking steeds meer uit te zetten #ajg4 ,electriciteit kan kwalijk als in harmonie met de verdeeling der warmte beschouwd worden1 omdat de beide electriciteiten neiging bezitten om elkander te vernietigen onder overgang der elektrieke beweegkracht in warmte zie blz4 #bea1 welke laatste zich dan evenzoo1 ten gevolge der werking der wet van geschiktmaking1 verspreid1 als zekere hoeveelheid wijn1 binnen water gestort1 zulks doet4 ,eene primaire werking van gemelde wet put de snelheid van den wind uit1 doch1 met betrekking tot de wentelende en aan de zonnewarmte blootgestelde aarde1 zal eene secundaire werking dier wet slechts alle afwijkingen van zekere constante hoofdwinden trachten te vernietigen #ajh4 ,evenzoo is het met de zeestroomen gelegen1 en men kan aannemen1 dat eene tertiaire werking der wet van geschiktmaking alle afwijkingen van constante stroomen met betrekking tot door vaste landen en eilanden afgebroken en ongelijk diepe zeeen vernietigt1 terwijl zie blz4 #bed eene secundaire werking dier wet1 zooals bijv4 het afvallen en afschuiven van aardsche voorwerpen1 de aardkorst overal met eene zee van gelijke diepte tracht te bedekken4 ,dat de werking der wet van geschiktmaking zaken in harmonie met volgens zekere regels veranderende toestanden tracht te brengen1 ofschoon alsdan die harmonie steeds onvolmaakt blijft1 hiervan is reeds op blz4 #bcc gesproken4 ,meer primaire werkingen dier wet zullen echter die regelmatige veranderingen trachten te vernietigen4 ,het kenteeken van harmonie bij zaken is het gemis er bij van oorzaken van verandering anders dan die1 wegens het zijn dier zaken binnen de veranderlijke wereld1 voortspruiten1 en onder laatstgemelde oorzaken moeten ook geteld worden die welke de zaken1 waarmede gene in verband staan1 wijzigen4 ,gesteld toch1 dat er harmonie bij eene zaak bestaat1 zoo zal1 bij verandering van het verband er van met andere zaken1 die harmonie verbroken worden1 zooals bijv4 die bij de constante zeestroomen bij verandering der kusten4 ,men kan zich voorts ook voorstellen1 dat er harmonie bestaat bij eene bijzondere zaak afhangende van eene meer algemeene4 ,verandering bij deze laatste kan dan zelfs maken1 dat er van die bijzondere zaak later geene questie meer kan zijn1 zooals bijv4 van het goed verdeelen van levensmiddelen binnen ingeslotene vestingen na het ontzet dezer4 ,in de werkelijkheid bestaat er slechts een volmaakt harmonischen toestand1 namelijk de onveranderlijke en algemeenste veropenbaring der zelfstandigheid door denking en beweging4 ,bij alle andere meer of minder bijzondere zaken bestaan er echter alsware door het zijn er van geboren werkingen1 welke die zaken zoodanig trachten te wijzigen1 dat deze in een nieuwen1 wegens de gedurige werking van allerlei accidentele oorzaken1 nimmer volmaakt bereikt wordenden toestand gekomen zijnde1 die er uit voortgesproten werkingen zouden ophouden te bestaan4 ,deze zijn nu die wij de werkingen der wet van geschiktmaking genaamd hebben4 ,toestanden1 uit met elkander in verband zijnde zaken bestaande1 worden er door meer harmonisch gemaakt door wijziging dier verschillende zaken1 en wel zoo1 dat die het moeijelijkste kunnen gewijzigd worden1 of wel het meeste op die toestanden van invloed zijn1 door de werking der wet van geschiktmaking het minste gewijzigd worden1 zie blz4 #bfe en #bhi4 ,wanneer oorzaken gevolgen verwekken1 welke hen vernietigen1 moeten die gevolgen de toestanden1 waarvan die oorzaken eenige der met elkander in verband zijnde zaken vormen1 meer harmonisch maken1 zoo tevens die gevolgen door het bestaan dier toestanden geboren worden1 omdat alsdan die oorzaken het karakter van afwijking bezitten4 ,zoo bijv4 omdat het peil der moraliteit bij eene maatschappij grooter is dan die van een slecht mensch1 er deel van uitmakende1 deze zoodanig wordt behandeld1 dat de slechtheid van zijn karakter vernietigd wordt1 zal die maatschappij in zedelijkheid meer harmonisch worden1 daar dan toch derzelver leden elkander minder door omgang en voorbeeld in moraliteit zullen doen veranderen4 ,zoo echter derzelver oorzaken vernietigende gevolgen niet tevens door de zoo even gemelde toestanden geboren worden1 behoeven zij de harmonie bij het een of ander niet te bevorderen1 en zelfs kunnen dergelijke gevolgen1 door in het algemeen verandering te weeg te brengen1 de harmonie bij met elkander in verband zijnde zaken verstoren4 ,terwijl toch die oorzaken hier als ware buiten liggen1 kunnen derzelver gevolgen er in grijpen1 zie blz4 #cdb4 ,hetzelfde valt op te merken omtrent gevolgen derzelver oorzaken versterkende1 doch1 wegens eene bijzondere rede1 zullen dergelijke gevolgen de harmonie bij toestanden verstoren1 wanneer zij zaken1 die1 met andere in verband1 zulke toestanden vormen1 op eene wijze tegengesteld aan die1 welke uit dien toestand voortspruit1 wijzigen1 namelijk wanneer afwijkingen er door versterkt worden4 ,zoo men bijv4 iemand1 boven zijne medemenschen in deugd uitstekende1 zoodanig beloont1 dat hij nog meer boven deze gaat uitsteken1 is dit niet tevens het gevolg van de betrekking1 waarin zijne zedelijkheid staat tot die zijner medemenschen1 maar wel van het niet voldoen dezer aan de eischen van hun zedelijk en maatschappelijk bestaan4 ,door zulke verheffingen van individuen wordt echter niet de harmonie bij een toestand van zaken bevordert1 want op blz4 #bgg hebben wij gezegd1 dat door dit meer harmonisch worden van zulk een toestand1 de door het wezen er van geboren werkingen1 door zwakker te worden1 hen minder zullen trachten te wijzigen4 ,nu is wel is waar de zedelijkheid der menschen in verband met de eischen van hun zedelijk bestaan1 maar tevens met de werking der zinnelijkheid1 en de terugtrekkende werking hiervan zal sterker zijn1 naarmate de menschen meer aan de eischen van hun zedelijk bestaan voldoen4 ,eene uit hun wezen1 en hetgeen hiermede in verband staat1 voortspruitende werking tracht alsdan1 in plaats van eene flaauwere1 eene sterkere wijziging tot stand te brengen4 ,op blz4 #bgj hebben wij wel is waar gezegd1 dat bij menschen1 aan de eischen van hun maatschappelijk bestaan voldoende1 de bij hun geest bestaande ongeschiktheid op een minimum zou zijn1 doch hierbij is hun verband met de zinnelijkheid1 met het dierlijke egosme1 zie noot blz4 #aci1 niet in aanmerking genomen4 ,bij toestanden van met elkander in verband zijnde zaken1 waarbij de eene dezer dien toestand zus en andere hem op eene tegengestelde wijze tracht te wijzigen1 en waarbij aldus het gemis aan eene er uit voortspruitende werking1 hem trachtende te wijzigen1 ontstaat1 doordat dergelijke werkingen elkander opheffen1 bestaat er buitendien slechts in zeker opzigt harmonie4 ,voor harmonie in alle opzigten zoude geen dier zaken zulk eene den toestand wijzigende werking moeten trachten uit te oefenen4 ,men dient wel het goede van het harmonische te onderscheiden4 ,het kan bijv4 gebeuren1 dat iets goeds1 in zamenwerking met andere oorzaken1 een gevolg verwekt dat het vernietigt1 doch daar zie blz4 #cea het harmonische iets is1 dat uit zich zelf geene aanleiding tot verandering er van geeft1 kan het een dergelijk gevolg niet verwekken4 ,goede zaken kunnen1 zie blz4 #cch1 bestendigd worden door de uitwerking van er door opgewekte gevolgen1 terwijl daarentegen harmonische zaken1 door de werking der traagheid in stand gehouden wordende1 zoo zij geene storing door er niet uit voortspruitende zaken ondervinden1 dergelijke gevolgen niet kunnen opwekken4 ,bij het harmonisch maken van met elkander in verband zijnde zaken1 kan er slechts sprake zijn van hetgeen die harmonie verstoort te vernietigen1 en zoo nu die storing bestaat in gemis aan iets1 zal dit gemis1 als oorzaak werkende1 een gevolg opwekken1 dat het vernietigt en aldus aanvult4 ,zoo nu dit gemis opwekt een gevolg dat deszelfs oorzaak niet vernietigt1 zal dit gevolg niet tevens door de afwijkingen van den harmonischen toestand bij zoo even gemelde zaken geboren worden4 ,het schoone1 dat wij op blz4 #ig gezegd hebben te zijn de innerlijke harmonie bij zaken1 moet meer uit zich zelf geene aanleiding geven tot veranderingen er bij dan het goede1 of de geschiktheid van iets voor hetgeen waarmede het in verband komt1 zie blz4 #bga4 ,in ons werk getiteld3 ,over de werking der ,natuurwetten op zedelijk gebied enz41 blz4 #eja1 hebben wij de stelling ontwikkeld1 dat het schoone bij den gemiddelden toestanden van zaken bestaat1 en nu zijn het juist de afwijkingen van zulke gemiddelde toestanden1 zooals die der juist geproportioneerde menschelijke gestalte1 die uit zich zelf natuur en kunst nopen om hen te doen verdwijnen4 ,geschiktheid van iets voor verschillende1 bijv4 zie blz4 #bca1 ten gevolge van ongelijke verandering1 op verschillende hoogten gekomen1 en aldus met betrekking tot elkander onharmonische zaken1 kan binnen eene in tijd en ruimte veranderlijke wereld slechts onvolkomen zijn1 en uit dien hoofde zullen de toestanden1 waarbij dergelijke geschiktheid bestaat1 uit zich zelve aanleiding tot verandering er van geven4 ,wetten kunnen bijv4 gewijzigd worden1 ten einde er dan deze en dan gene belangen mede te bevredigen1 al zijn zij zoo goed mogelijk4 ,moet het wetboek verbeterd worden1 zoo wijst het zich niet van zelf aan hoe slechts de afwijkingen van dit wetboek van een dat goed is1 behoeven vernietigd te worden1 en leemten er in wijzen niet even bepaald de aanvulling aan1 als bij eenig menschenligchaam het gemis der neus aanwijst1 dat er eene neus bij zou behooren1 om het op het door geene afwijkingen mismaakte menschelijke ligchaam te doen gelijken4 ,zulk eene leemte in een wetboek kan zeer wel1 als oorzaak werkende1 als gevolg handelingen bij wetgevers hebben1 welke1 na vergelijking der voor- en nadeelen er van1 haar laten bestaan en zelfs versterken4 ,om aan reeds bestaande eischen bij het oude wetboek1 aldus1 zonder dat de behoeften der maatschappij veranderd zijn1 te voldoen1 kan men oude wetten in zekeren zin beginnen te wijzigen1 en het gevolg of de bearbeiding dier wetten leiden tot versterking der wijziging4 ,veranderen de eischen der omstandigheden1 zoo verandert ook het goede1 terwijl het harmonische zulks blijft1 al verliest het ook zijn objectief bestaan4 ,in dit laatste geval verkeert bijv4 eene despotieke regeering met een tal van verspieders1 een huurleger1 geheime regtspleging enz4 in de beschaafde wereld1 alwaar vooral de middelpartijen1 ten koste van harmonie en consequentie1 goede regeringen wenschen daar te stellen4 ,men make voorts onderscheid tusschen disharmonie1 wegens door accidentele oorzaken ontstane afwijkingen bij eene zaak1 terwijl deze overigens gelijksoortig blijft met die zaak1 zoo die afwijkingen niet bestaan1 en disharmonie1 wegens het met elkander in verband zijn van ongelijksoortige zaken4 ,de eerste soort van disharmonie wordt bijv4 voortgebragt door de ongelijkheden van de aardkorst1 door de ongelijke verdeeling der warmte1 de ongelijkheid in rijkdom der menschen1 enz4 ,de tweede soort van disharmonie bestaat bijv4 bij het verband tusschen de planten en de onbewerktuigde aarde1 bij dat tusschen ziel en ligchaam1 en verschilt hierin met de eerste1 dat1 terwijl hierbij de vernietiging der afwijkingen1 ter vorming van een geschikten toestand1 slechts van eene zijde geschiedt1 zij bij die tweede soort van twee zijden en alsware zie blz4 #cdh tegen elkander in plaats heeft4 ,de planten1 waarbij er1 tusschen derzelver contact met andere zaken als oorzaak en derzelver grootte als gevolg1 wederkeerige versterking plaats heeft1 trachten1 ten bate van haren toestand1 de onbewerktuigde stof organisch te maken1 terwijl de aarde1 ter bevordering van derzelver harmonischen toestand1 het tegenovergestelde poogt te doen1 en hierdoor onder anderen de vergrooting der planten1 zie blz4 #ccf1 limiteert4 ,nu moge bij beide die met elkander in strijd zijnde geschiktmakende werkingen gedeeltelijk uit dezelfde soorten van veropenbaring der zelfstandigheid door beweging1 zooals aantrekking1 warmte1 electriciteit enz4 bestaan1 ofschoon er wel bij de organische werkingen zullen bestaan1 die bij de onbewerktuigde aarde gemist worden1 het blijft niettemin waar1 dat men hier niet met eene de planten voortbrengende aarde te doen heeft1 omdat alsdan dier planten bestaan in den harmonischen toestand dier aarde in derzelver betrekking tot de zon alsware bevat zou zijn4 ,wel is waar schikken de planten zich hiernaar1 maar slechts ten bate van haar eigen toestand1 even als vijanden zich naar elkander schikken1 ten einde elk voor zich op de doeltreffendste wijze voordeel te verschaffen4 #aji1 zie blz4 #cci4 ,in wereld der verscheidenheid gaat dit een en ander ook door voor andere met elkander in verband zijnde zaken1 elk strevende naar een eigen harmonischen toestand1 doch die wereld der verscheidenheid moet tevens die der veranderlijkheid zijn1 zoodat de streving naar al die verschillende harmonische toestanden van meer of minder algemeenen aard gedurig tegengewerkt wordt4 ,onder die veranderingen1 en wel zie blz4 #fi1 als gevolg van de accidentele veranderingen in het algemeen beschouwd1 bevindt zich nu ook die1 waarbij de ontwikkeling van het op blz4 #aid gemelde eigenlijke wezen1 dier naar eene eigene harmonie strevende zaken1 vergroot wordt1 totdat die kernen1 wanneer derzelver ontwikkeling de palen der eindigheid bereikt heeft1 volkomen zamensmelten en harmonisch worden met de onveranderlijke veropenbaring der zelfstandigheid door beweging en door denking4 ,wanneer de handelingen van wezens een doel hebben1 strekken zij om bij het een of ander geschiktheid te weeg te brengen1 al zij het dat hierdoor bij andere zaken1 zelfs die van meer verheven aard1 de ongeschiktheid vergroot wordt1 en daar de wezens die doelen1 zie blz4 #bfg niet op de meest directe wijze trachten te bereiken1 kan het gebeuren1 dat zij daarvoor niet den juisten weg inslaan4 ,de rest hunner handelingen zijn1 of zooals men zegt toevallig1 of wel gedwongen1 waarin men hen alsware als verbonden aan de handelingen van anderen kan rekenen4 ,voor de handelingen1 niet uit de denking der eindige wezens voortvloeijende1 geldt hetzelfde1 uitgezonderd het bereiken van doelen op niet volstrekt directe wijze1 en aldus de mogelijkheid om niet op den juisten weg te zijn om die doelen te bereiken4 #aaj ,zoowel de handelingen1 die niet1 als die wel voortvloeijen uit de denking der zie blz4 #add afgescheidene wezens1 zijn aldus deels toevallig1 en ware dit het geval niet1 zoo zou de verscheidenheid1 het gedurig ontstaan van nieuwe toestanden1 waarvoor geschiktheid moet gevormd worden en de hierdoor ontstaande ontwikkeling der wezens gemist worden4 ,op blz4 #bii hebben wij gezegd1 dat de verschijnsels bevatten bijzonderheden1 deze bijzonderheden andere nog sterker dan de voorgaande van het algemeene afwijkende enz4 ,elk dezer verschijnsels bestaat nu uit met elkander in contact zijnde1 elkander wijzigende en gevolgen opwekkende handelingen van de afgescheiden eindige wezens1 of wel van het ,oerwezen1 voor zoo verre dit zie blz4 #agj eene veranderlijke natuur bezit4 ,elke oorzaak is een verschijnsel1 elk gevolg insgelijks1 elke werking der wet van geschiktmaking vormt1 hetzij afzonderlijk1 hetzij1 zooals bij het geval van blz4 #bei1 vereenigt met derzelver oorzaken uitputtende gevolgen1 verschijnsels1 het in stand blijven van zaken1 ten gevolge der wet der traagheid1 doet dit insgelijks4 ,elk dier verschijnsels bevat nu meer bijzondere verschijnsels1 in elk dier gevallen kunnende vormen oorzaken1 gevolgen werkingen der wet van geschiktmaking en werkingen der wet der traagheid1 hiervoor gaat weder hetzelfde door enz41 totdat men komt tot de meest bijzondere verschijnsels op blz4 #cjj aangegeven4 ,iemands goed gedrag1 eene oorzaak het beloonen tot gevolg hebbende1 kan bijv4 beschouwd worden als een verschijnsel bevattende bijzondere daden1 zijnde oorzaken of gevolgen van andere daden1 of wel1 even als op blz4 #cdb gezegd is1 wijzigingen voortbrengende contacten tusschen toestanden1 of het wennen dan aan deze dan aan gene toestanden1 of het gedurende eenigen tijd blijven in toestanden1 niet alleen wegens geschiktheid er voor1 maar tevens omdat men er verkeert4 ,het zich voegen van een landverhuizer naar een vreemd klimaat en een vreemden maatschappelijken toestand1 kan ook beschouwd worden als een verschijnsel1 een menigte meer bijzondere verschijnsels bevattende1 en hierbij weder al de gevallen bij de bijzondere verschijnsels van het voorgaande geval voorkomen4 ,het volhouden bij eenmaal aangenomen meeningen1 waardoor nieuwe en grootere wetenschappelijke gehalte bezittende denkbeelden1 vaak zoo traag bij het publiek ingang vinden1 zie blz4 #bab1 deels eene werking der traagheid1 kan alsmede aangemerkt worden als een verschijnsel bevattende vele bijzondere verschijnsels zijnde oorzaken of gevolgen van andere dergelijke verschijnsels1 benevens werkingen der wet der geschiktmaking en der traagheid4 ,de werkingen der anorganische aarde1 der levende organische natuur en der kunst oefenen invloeden op elkander uit1 even als dit bijv4 doen de daden der verschillende soorten van werklieden1 zooals smeden1 metselaars en timmerlieden4 ,evenzeer als nu deze allen bijv4 een last kunnen ophalen1 en nogthans elkanders werk niet kunnen doen1 evenzeer kunnen de anorganische aarde1 de organische natuur en de kunst1 eene zelfde werking verrigten1 7bijv4 eene van osmotischen aard7 en desniettemin niet dezelfde producten leveren4 ,zoo kan bijv4 de kunst evenmin een boomblad daarstellen1 als de levende organische natuur een uurwerk kan maken zie blz4 #aie4 ,de werking der wet der traagheid1 benevens de standvastigheid te weeg brengende werking der wet van geschiktmaking moeten de indrukken van dezelfde zaken bij de wezens dezelfde houden1 tenzij zie blz4 #ccc oorzaken1 van den aard als die men kan leeren kennen1 die indrukken veranderen1 zooals bijv4 het anders zien der voorwerpen bij het scheel zien enz4 #aaa ,de werking der wet van geschiktmaking leidt de wezens om door opmerking en oordeel met juistheid te leeren kennen wat waar1 schoon1 goed en verheven is1 omdat zij zie blz4 #agh het vooruitloopen der controlerende aanschouwing en der kritiek door de meeningen der menschen tracht te verminderen1 en de beoordeeling van veranderde of nieuwe toestanden van zaken van lieverlede juist tracht te doen worden4 ,die werking overwint van lieverlede de traagheid1 zoowel bij gewoonten als bij meeningen1 die geen grond van bestaan meer bezitten1 zoodat haar bestaan het sceptieke gezegde1 dat de menschen geene gronden voor hunne handelingen kunnen bezitten1 en veroordeeld zijn om de gewoonten te volgen1 valsch maakt4 ,overdrijving van deugden bestaat zie blz4 #bga in het te veel verzuimen van het eigenbelang in het heden ten bate van toekomstige en vreemde belangen4 ,verbastering van deugden daarentegen in het tegenovergestelde1 of wel in het gemis aan paring van intellectuele ontwikkeling met zedelijke ontwikkeling zie blz4 #bic4 ,men bedenke hierbij dat1 wegens de invloeden van ligchaam en omgeving op den geest der wezens 7bij de menschen kleiner dan bij de dieren7 zij in de opvatting van hun genoegen in het heden zeer verschillen2 de een doet bijv4 dat genoegen in veiligheid en rust1 de ander in het begaan van roekelooze daden1 de derde in verkwisting1 de vierde in doellooze verzameling van goederen bestaan4 ,somtijds ontstaan er evenwigtstoestanden1 wanneer eene blijvende oorzaak een gevolg opwekt1 en dit weder een ander gevolg1 dat het vorige tracht te vernietigen en negatief te maken4 ,is toch dit eerste gevolg nul geworden1 zoo zal het tweede niet meer versterkt worden1 en het eerste even sterk negatief trachten te doen worden1 als de oorzaak het in de positieve rigting tracht te vergrooten4 ,zoo zal bijv4 de aantrekking der aarde een bij twee punten ondersteunden zwaren balk met toenemende sterkte trachten te vervormen2 terwijl de overmaten van moleculaire aantrekking en afstooting binnen dien balk1 hiervan de doorbuiging zullen trachten te vernietigen1 en ten gevolge der veerkracht negatief te doen worden4 ,bij zekere sterkte van doorbuiging kan nu de drang tot vergrooting hiervan door deszelfs oorzaak1 de aantrekking der aarde1 opgewogen worden door den drang tot verkleining er van door het gevolg dier doorbuiging4 ,bestendig meer vraag naar eenige waar1 heeft tot gevolg verhooging van den prijs er van1 terwijl deze vergrooting van het bod opwekt4 ,zijn nu de prijzen weder even hoog als vroeger geworden1 zoo zal dan die meerdere vraag hen evenzeer trachten op te voeren1 als dit tweede gevolg hen tracht te verlagen4 ,bij dergelijke gevallen bestaan er twee in tegengestelde rigting werkende verschijnsels1 welke uit zich zelf aanleiding tot verandering zou kunnen geven4 ,men heeft aldus dan wel zie blz4 #ab een toestand van evenwigt1 maar niet van harmonie4 ,de steunpunten van bovengemelden balk kunnen bijv4 zijn menschen1 die zulk een zwaren last slechts gedurende korten tijd kunnen torschen1 en zooeven gemelde vraag behoeft niet steeds door een voortdurend grooter verbruik van eene waar te ontstaan4 ,wij hebben op blz4 #ceb gezegd dat1 naarmate afwijkingen van harmonische toestanden kleiner worden1 de werking der wet van geschiktmaking hen trager zal vernietigen4 ,dit geschiedt bijv4 wanneer al de deelen van brandstoffen tegelijk branden1 daar alsdan de omvang van het vuur gaandeweg zal verminderen4 ,zooals op blz4 #ceh gezegd is1 kan echter zulk eene werking bevatten bijzondere verschijnsels1 zijnde werkingen der wet der veranderlijkheid1 waarbij de gevolgen de oorzaken versterken of vernietigen4 ,zoo kan bijv4 bij het in het algemeen verbranden van organische stoffen1 derzelver reductie tot anorganische stoffen versterkt worden door mededeeling der gloeijing1 zie blz4 #cda1 doch ook verzwakt worden door ontstaand gebrek aan nabij gelegen brandstof4 ,een zamengesteld doel1 zie blz4 #beg1 een gevolg zijnde der verscheidenheid in de ruimte1 zoo kan bij zaken1 er voor bestemd1 zie blz4 #cjf1 geene volmaakte geschiktheid ontstaan1 doch de geschiktheid bij die zaken kan dan verder gedreven worden1 dan zoo het doel veranderlijk is1 en die zaken1 zie blz4 #bcj1 niet voor verandering vatbaar zijn4 ,een zamengesteld doel bestaat bijv4 bij het zie blz4 #cje te gelijk trachten te voldoen aan den welstand der menschen op deze aarde en aan derzelver geestelijke ontwikkeling zie blz4 #bgj4 ,hoe het eerste geschaad wordt ten bate van het laatste1 blijkt bijv4 somtijds bij het strijden en niet toegeven ter wille der eer4 ,accidentele afwijkingen van een bijzonderen harmonischen toestand wekken1 terwijl de werking der wet van geschiktmaking hen tracht te vernietigen1 als gevolgen1 zie blz4 #bfe1 afwijkingen van een anderen aard bij dien toestand op2 de laatste afwijkingen weder andere enz4 ,het bijzondere van zulk een toestand maakt namelijk het opwekken van dergelijke gevolgen mogelijk1 zoodat1 hoe algemeener karakter die toestand bezit1 hoe zwakker die reeks van uit elkander volgende afwijkingen zal zijn4 ,bestond er geene slijtende werking der wet van geschiktmaking1 zoo zouden1 wanneer de gevolgen derzelver oorzaken trachten te vernietigen1 die vernietiging gemiddeld opwegen tegen de opwekkende werking dier oorzaken bij derzelver gevolgen1 en aldus de leden van bovengemelde reeks gemiddeld gelijk aan elkander zijn zie blz4 #bfe4 ,de latere moeten daarentegen grooter worden1 zoo de gevolgen derzelver oorzaken onveranderd laten of versterken1 zoodat1 wanneer het een en het ander plaats heeft1 en zooeven gemelde slijtende werking bestaat1 de latere leden der reeks noch steeds grooter1 noch steeds kleiner dan de vorige zullen worden4 ,nu bestaan er op elk oogenblik eene menigte van afwijkingen van zulk een bijzonderen harmonischen toestand1 en elk dier afwijkingen brengt eene dergelijke reeks voort4 ,daar echter van elk dezer de leden van invloed zijn op die der andere reeksen1 zoo zullen bij de latere leden dier reeksen die invloeden van lieverlede in de plaats treden van de invloeden der eerste leden dier reeksen1 en die laatste invloeden aldus zwakker worden1 hoe verder de latere leden dier reeksen van de eerste gelegen zijn4 ,de uitwissching dier invloeden kan ook als eene werking der wet van geschiktmaking beschouwd worden4 ,,aanteekeningen #a ,wiskundigen zouden zeggen1 dat het aantal zuiver blanken bij de nde generatie gemiddeld het #a_/7bbn7de of #a_/7bbn7de deel der individuen dier generatie zal bevatten4 #b ,hierbij is eigenlijk verondersteld1 dat de voortplanting door hermafroditen geschiedt1 want anders zal een toevallig niet slechter dan hare ouders georganiseerd wijfje1 meestal paren met een door de werking van het toeval slechter dan zijne ouders georganiseerd mannetje4 #c ,als secundaire verbetering kan aangemerkt worden1 het krachtig verdedigen van een privilegie1 wanneer vroegere bezitters er van hetzelve uit zwakheid in minachting gebragt hebben2 als primaire verbetering het niet beleid opgeven van zulk een privilegie1 zoo dit in strijd is met het publieke welzijn4 #d ,zie blz4 #fd van het vervolg van het hierboven gemelde werk4 #e ,even als bij het voorbeeld van blz4 #ae1 voor het verstoren der juiste rangschikking1 bestaat er hier meer kans dat die accidentele oorzaken het uiteenloopen grooter1 dan dat zij het minder zullen doen worden4 #f ,uit het feit1 dat uit eene diersoort er vele tamme rassen voortspruiten1 kan geen gevolg getrokken worden voor hetgeen in den wilden staat plaats heeft4 ,wanneer toch eene diersoort getemd wordt1 ondergaat zij eene soort van revolutie en hervormen de menschen haar door kunstkeus en entrainement in zooveel verschillende tamme rassen1 als zij noodig hebben1 om1 nadat hun doel bereikt is1 hiermede op te houden4 #g ,zoo kunnen bijv4 de thans bestaande leeuwen van de grootste en meest ontwikkelde tijgers van het tertiaire tijdvak en de thans bestaande tijgers van wat lager staande katachtige dieren van dit tijdvak afstammen4 #h ,hierop moet vooral gelet worden1 wanneer men1 om de vruchten van het onderwijs na te gaan1 deze bij bewoners van groote steden met die bij bewoners van achterafhoeken vergelijkt4 #i ,hiertoe behooren de nadeelen door de stormen aan de scheepvaart toegebragt1 het verwoesten van steenen gebouwen door aardbevingen1 het woeden van besmettelijke ziekten in groote steden1 de verspreiding der smetstoffen door het verkeer enz4 #aj ,dit maakt ook dat middelen1 ter eigen bevoordeeling1 of ter bereiking van eenig doel1 geoorloofd bij lageren stand van beschaving1 bij hoogeren stand hiervan onzedelijk worden4 #aa ,dit is ook het geval1 wanneer er bijv4 eene gemaalbelasting op de arbeiders gelegd wordt4 ,hun drang tot loonverhooging zal dan eerst bij een verhoogd loon gelijk zijn aan die tot loonverlaging der werkgevers4 ,worden nu de belastingen dezer laatste verligt ten bedrage dier gemaalbelasting1 zoo zullen zij evenveel werk als vroeger verschaffen en laatstgemelde belasting de arbeiders met kleine huishoudens in een evenveel ruimeren1 als die met zware huishoudens in een bekrompener toestand brengen4 #ab ,accidentele omstandigheden zooals bijv4 het ongelijk aantal kinderen bij elk huisgezin1 verstoren gedurig die juiste verdeeling van het kapitaal1 doch voor elk der groote klassen der maatschappij moet zij ongeveer de geschikste zijn1 tenzij er groote gebeurtenissen op industrieel gebied hebben plaats gehad4 ,ten gevolge hiervan bezit bijv4 thans de handenarbeid verrigtende klasse een wat te klein deel van het maatschappelijke kapitaal1 maar haren drang tot loonverhooging is dan ook grooter dan dien tot verlaging der werkgevers4 ,zij tracht buiten deze om werk te vinden1 arbeidersvereenigingen daartestellen enz4 #ac ,het kwaad1 door zulke kortstondige accidentele veranderingen teweeg gebragt1 kan vergeleken worden met de zwarigheden ondervonden door een fabriekant1 wiens klandisie onregelmatig toe- en afneemt4 ,wegens de werking der traagheid1 zal hij toch zijne fabriek niet steeds bij tijds daarna kunnen inrigten4 ,al het kwaad1 zoowel het zedelijke als het stoffelijke1 heeft nu denzelfden oorsprong als de zwarigheden in tijden van overgang ondervonden wordende4 #ad ,zoo kan iemand1 ter bevordering zijner gezondheid1 veel beweging nemen1 zonder dat daarvan elk dier bewegingen met andere zaken in verband1 de bevordering der gezondheid tot doel heeft en hierdoor geregtvaardigd wordt4 #ae ,gemiddeld zullen 7zie blz4 #eb7 de regeringsvormen wat ten achteren zijn met betrekking tot de eischen der maatschappij1 en desniettemin de individuen1 omdat deze1 wegens de werking der traagheid1 gebrekkig aan de maatschappelijke eischen voldoen1 zelfs aan die hunner regeringsvormen niet geheel voldoen4 #af ,krankzinnigheid is aldus eene zijwaartsche afwijking der gewone geestelijke ontwikkeling2 terwijl slechtheid eene achterwaartsche afwijking der zedelijke ontwikkeling is4 #ag ,die wijsgeer verklaarde dit echter door ongelijke daling van de verschillende deelen der menschennatuur na ,adams val4 #ah ,wij ontkennen echter niet1 dat daar1 wegens de1 7zie blz4 #gb71 de geestontwikkeling verlagende werking van het ligchaam1 zekere inspanning noodig is1 om de geestelijke ontwikkeling niet te doen verminderen1 gebrek aan oefening1 deels door den toestand van hun ligchaam te weeg gebragt1 zulk eene vermindering1 ofschoon1 minder dan men waant1 bij grijsaards te weeg kan brengen4 #ai ,daar de directe werking van het ligchaam op den geest de ontwikkeling hiervan tracht te verminderen1 zoo kan het zelfs zijn1 dat1 zelfs bij afnemende eischen der beschaving1 die werking van dat ligchaam de geestontwikkeling nog te laag voor die eischen tracht te houden4 #bj ,men spreekt veel van onzalige twisten over eenige belangrijke zaak4 ,is onverschilligheid er voor dan beter8 ,het kwaad bestaat in de verkeerde wijze waarop men twist1 namelijk dat men de ooren sluit voor de argumenten der tegenpartij1 en aldus van den strijd weinig partij trekt4 #ba ,over de werking dier ,natuurwet is in de beide op het titelblad van dit geschrift gemelde werken in het breede gehandeld4 #bb ,van daar dat1 bij gelijke beschaving en behoeften de productie in vruchtbare1 warme landen grooter is dan in koude streken4 ,in deze stijgt de beschaving eerst trager dan in gene1 omdat het verspreid zijn der bewoners der koude landen1 derzelver zamenwerking tegengaat1 doch later heeft het omgekeerde plaats1 omdat in die koude landen de behoeften grooter zijn4 #bc ,naar gelang de geestontwikkeling grooter is1 zal er absoluut meer inspanning gevorderd worden1 om haar bij de achtervolgende generatin constant te houden1 zie hierover blz4 #hc4 #bd ,die indirecte werking van het ligchaam op den geest1 zooals bijv4 door het spraakvermogen1 bestaat slechts dan wanneer de graad van ontwikkeling van den geest hooger dan die van het ligchaam is1 en wel in sterkere mate1 naar gelang beide meer in hoogte verschillen4 ,zij maakt die verheffing van den geest boven het ligchaam gemakkelijker en daar zij afneemt1 wanneer gene dit ligchaam in graad van ontwikkeling nadert1 belet zij niet dit den geest 7zoo hierbij geene verheffende werking bestaat71 naar zich toe te halen4 ,die indirecte werking van het ligchaam kan vergeleken worden met iets bij de derde winding van de in noot blz4 #id gemelde veer1 waardoor naarmate de windingen verder van elkander gelegen zijn1 de persoon1 die de veer spant1 meer kracht kan uitoefenen4 ,ook de onbewerktuigde aarde oefent eene dergelijke indirecte werking uit door het veld van bewuste aanschouwing en door de hulpmiddelen1 ten bate van kunst en wetenschap1 er door opgeleverd4 #be ,deze verschillende zaken kan men vergelijken met massa bezittende windingen van eene met de as horizontaal gestelde spiraalveer4 ,is deze ontspannen1 zoo liggen al de windingen tegen elkander1 maar trekt men aan de voorste winding 7met de eischen van het maatschappelijke en zedelijke leven vergelijkbaar71 zoo zullen de andere windingen1 wegens de werking der traagheid bij derzelver massas1 betrekkelijk de voorste eenigzins ten achteren zijn4 ,bevestigt men daarentegen de achterste winding 7vergelijkbaar met de onbewerktuigde aarde7 ergens aan vast1 zoo zullen de windingen verder van elkander komen1 naarmate men sterker aan de voorste trekt en veroorlooft men deze om wat achterwaarts te gaan1 de windingen digter bij elkander komen om dezelfde volgorde te behouden1 zie blz4 #ia4 #bf ,een leeuw1 eene prooi verslindende1 kan bijv4 een schoon tafereel opleveren1 doch niet een mensch met vraatzucht etende1 omdat dit in disharmonie is met zijne zielswerking4 #bg ,ons zoo veranderlijk bestaan doet ons behagen scheppen in verscheidenheid1 mits deze de innerlijke harmonie niet verstoort1 hetgeen bijv4 wel het geval zou zijn1 zoo men bij eene kolonnade de kolommen om de andere van de ,dorische en van de ,ionische orde maakte4 #bh #bi ,in die gevallen maakt men zich niet voor alles geschikter1 of gaat men niet in elk opzigt vooruit1 maar slechts voor of in hetgeen in elk dier gevallen een overheerschende invloed uitoefent4 ,in het laatste bestaat er bijv4 vooruitgang in oppervlakkige beschaving1 maar niet in zedelijke ontwikkeling4 #cj ,de drang tot vooruitgang baart emancipatie1 die tot geschiktmaking het kinderlijk en ondergeschikt houden4 #ca ,men houde hierbij in het oog1 dat bij zekeren trap van geestontwikkeling der massas1 de begrippen dezer omtrent de denking op buitenzinnelijk gebied zoo bekrompen is1 dat zij hunne ,goden niet alleen menschelijke denkvormen toeschrijven1 maar zelfs onder menschelijke gedaante1 ter vervulling van missien1 hier op aarde doen verkeeren4 ,het meer algemeene van zulke begrippen wordt door constante oorzaken1 maar de bijzonderheden er van door het toeval teweeg gebragt4 ,eene constante oorzaak maakt dat1 naarmate de geestontwikkeling der menschen grooter is1 aan zulke missien een meer verheven aard wordt toegekend4 #cb ,wegens de vroeger gemelde oorzaak zal het eerste1 vooral bij de hoog boven den bodem verheven deelen der stammen de overhand hebben4 #cc ,die laatste stelling paart zich toch aan die1 dat ons willen niet door den bestaanden toestand bepaald wordt1 zie blz4 #fi4 #cd ,later zullen wij aantoonen1 dat zulke menschen ook naar den geest aardsche producten zouden moeten zijn1 daar zij slechts in zulk een geval gedwongen zouden worden om hunne wetenschap te bepalen tot hetgeen waarvan de juistheid hier op aarde volkomen te verifieren is4 #ce ,de pozy wordt alsdan door de phylosophie vervangen4 ,gene is naar ons inzien de vrucht der beschouwing door middel der verbeelding van het betrekkelijke verhevene en tevens schoone bij wezens en zaken1 en1 zoowel wanneer men deze van hunne vulgaire zijde beschouwd1 als wanneer bij die beschouwing de verbeelding door de redenering vervangen wordt1 is het met de pozy gedaan4 ,waar slechts de verbeelding op het gebied van het buitenzinnelijke treedt1 moeten godsdienst en pozij innig met elkander verbonden zijn1 doch men behoeft het niet te betreuren dat1 nadat later de redenering zich op dit gebied begeven heeft1 de schoone en geurige bloem door de saprijke vrucht wordt vervangen4 #cf ,zie over de werking der traagheid bij het voorwaarts getrokkene1 wanneer het voorwaarts trekkende stationnair geworden is1 blz4 #hi en #ic4 #cg ,zoo iets zou echter slechts bij de in de ,noot van blz4 #aaf gemelde wezens mogelijk zijn4 #ch ,zie hierover blz4 #bcc van ons werk get3 ,vervolg op het werk get43 door de werking der ,natuurwetten op zedelijk gebied enz4 #ci ,naarmate dit besef van hulpbetoon sneller toeneemt1 zal 7zie blz4 #hi en #aah7 dit ten achterblijven sterker zijn4 #dj ,hoe weinig grond het met het ,joodsche ,messiasrijk verwante aardsche idaal der humanisten1 namelijk de menschheid op den hoogsten trap van beschaving1 heeft1 is op blz4 #hc aangetoond4 #da ,bij ons menschen dient1 zie blz4 #ach1 de geestelijke ontwikkeling de practisch nuttige aanwending ervan te overtreffen1 ten einde hierop uit te oefenen eene opwaarts trekkende werking1 opwegende tegen de tegengestelde werking er op door de aarde door tusschenkomst onzer ligchamen uitgeoefend4 ,deze laatste werking tracht1 zie blz4 #ij1 onze met die practisch nuttige aanwending zamenhangende behoeften die der dieren te doen naderen4 #db ,hierbij moet men volstrekt niet aannemen1 dat die bewegingen1 naar gelang hunner plaats1 een of ander denkbeeld bepalen1 maar eerder1 dat door elke beweging elk der denkbeelden meer of minder en dus gedeeltelijk bepaald wordt omgekeerd4 #dc ,er bestaat voorts naar ons inzien een groot onderscheid tusschen gewoonte en instinct4 ,men is bijv4 gewoon om eene daad te doen1 wanneer de primitief door redenering verkregen denkbeelden1 het verrigten dier daad moetende vergezellen1 zoo diep ingeworteld zijn1 dat zij met weinig inspanning voor den geest1 of buiten den latenten toestand kunnen gehouden worden2 terwijl men iets uit instinkt verrigt1 wanneer men door de denking buiten de onze1 of die van andere menschen of dieren1 er toe gedreven wordt4 #dd ,zie blz4 #fi van ons werk get4 ,over de werking der ,natuurwetten op zedelijk gebied enz4 #de ,zie hierover ons geschrift get3 ,over den aard en de toekomst der beweegkracht blz4 #d en #af4 #df ,zie hierboven ons werk get3 ,vervolg van het werk get3 ,over de werking der ,natuurwetten op zedelijk gebied enz4 blz4 #abc en #ebd4 #dg ,zie hierover het in de voorgaande noot gemelde werk1 blz4 #cbb4 #dh ,deze baanverkleining zal ook ontstaan1 doordat van een uitzettenden bol de verschillende deelen door een anderen bol niet even sterk aangetrokken wordende en aldus ongelijke snelheden bezittende1 tegen elkander zullen wrijven zie blz4 #aed4 #di ,de kleinste dier beide bollen zal alsdan1 wegens de ongelijke snelheid van derzelver verschillende deelen1 betrekkelijk meer uitzetten en warmte binden dan den grootsten1 zie noot blz4 #aef4 #ej ,vooral op lage breedten ontstaat er namenlijk door de werking der verticale ontbondene der centrifugale krachten eene circulatie overeenkomende met die der passaatwinden en anders vooral op hooge breedten door de werking der horizontale ontbondene der centrifugale kracht eene tegengestelde circulatie4 ,de oorzaak hiervan is door ons elders verklaard4 #ea ,even als de hemelbollen vergrooten door omzetting van deelen der algemeene oerstof in hunne eigen soorten van bijzondere stof1 zoo vergrooten geesten door omzetting van bijdragen tot de algemeene denkbeelden bij deelen van den oergeest in bijdragen tot hunne eigen bijzondere denkbeelden1 zie blz4 #add4 #eb ,dit zou ook het geval zijn1 zoo menschen zoodanig aan zeker lot verbonden waren1 dat bijv4 de accidentele werverschijnselen zich er naar zouden regelen4 #ec ,de beoefenaars der wiskunde is het bekend1 dat de ruimte besloten tusschen eene kromme1 derzelver assijmptoot en eene zekere ordinaat dier kromme eindig kan zijn1 ofschoon de lengte dier ruimte oneindig is4 #ed ,ook zal1 naarmate die toeneming in geestontwikkeling trager is1 de aanleg gedurende een zelfde aanwas in ontwikkeling sterker toegenomen zijn4 #ee ,op din aanleg kan de praexistentie een invloed uitoefenen1 vergelijkbaar met den op blz4 #ahe gemelden invloed van het ligchaamsleven der reeks onzer antiduliviaansche voorouders op de deugd van de type van ons ligchaam4 ,hetgeen op blz4 #ahf gezegd is van het algemeene van dit type gaat door voor den aanleg voor het verkrijgen van denkbeelden1 innig in veel andere bevat1 vooral voor deze gronddenkbeelden moet de praexistentie den aanleg bevorderd hebben4 #ef ,men denke hierbij aan de geluidsgolven1 binnen vloeistoffen of vaste ligchamen1 de in onze monden gevormde phrasen1 getrouw naar een anders ooren overbrengende4 #eg ,zie ons geschrift get43 ,over den aard en toekomst der beweegkracht1 blz4 #dc4 #eh ,men denke hier aan de ligchamen waarop de electriciteit bij verkiezing overspringt4 #ei ,dit is te vergelijken met de uitwerking van overspanning der spieren4 ,deze worden er door onbruikbaar1 niettegenstaande zij door het gebruik zich ontwikkelen1 zie blz4 #afh4 #fj ,de oorzaak van geschiktmaking moet de stofwisseling bij de ligchamen der individuen in het eerste geval versterken en in het tweede verzwakken1 zie blz4 #di4 #fa ,de oppervlakte van het land zal een en ander slechts begrenzen1 zoo de vulcanische werkingen de voor de gewassen benoodigde zouten uit de vloeibare aardkern brengen4 #fb ,van daar het hechten van grijsaards aan oude gebruiken1 en dat het ten bate hunner vooruitgang noodig is1 dat de menschen gedwongen in nieuwe toestanden worden gebragt4 #fc ,dat men iemand dient te begrijpen om hem lief te hebben1 blijkt hieruit1 dat het bezit van kleine zwakheden1 waardoor zij voor anderen begrijpelijker worden1 menschen beminnenswaardiger maakt1 en dat men bij onbekende weldoeners deelneming voor zich moet veronderstellen1 om hen te kunnen beminnen4 #fd ,die vreugde zou vergelijkbaar zijn met die van een vader1 zich verheugende1 dat zijn zoon zich zoo gedraagt als diens welbegrepen en ruim opgevat belang zulks vordert1 en zij zal gewis zeer matig zijn1 zoo die zoon zuinig is met eene geldsom bestemd om toch binnenkort verloren te raken4 ,wel is waar kan die vaderlijke vreugde den zoon aanmoedigen om zich goed te gedragen1 doch hetzelfde resultaat verkregen worden1 zoo die zoon inniger het belang van goede gedragingen gaan beseffen4 #fe ,zoo kunnen de behoeften van het vervoer den aanleg van een groot werk vereischen1 maar deze te bezwarend zijn voor de financien1 omdat deze1 wegens de werking der traagheid1 niet op de hoogte der eischen van den tijd zijn4 ,aldus kunnen de bestaande vervoermiddelen ten achteren zijn betrekkelijk de eischen van het vervoer1 en de financien dit zijn betrekkelijk die vervoermiddelen4 #ff ,zouden niet velen onder ons1 die1 wegens het gevestigde prestige van den naam van ,socrates1 diens gedragingen thans verheerlijken1 zoo zij zijne tijdgenooten geweest waren1 dien wijze naar het vaderlijke atelier hebben verwezen8 #fg ,zie ons werk1 get4 ,vervolg van het werk1 get4 ,over de werking der ,natuurwetten op zedelijk gebied1 enz4 blz4 #cbb4 #fh ,de zedelijke ontwikkeling1 noodig om wezens geschikt te maken voor den strijd1 staat bijv4 lager dan die noodig om hen voor zamenwerking geschikt te doen zijn4 ,bij overigens gelijke omstandigheden zal een zedelijk mensch meer denkbeelden bezitten over hetgeen hij aan zijne medemenschen en aan zijn eigen toekomst verschuldigd is1 dan een onzedelijk mensch4 #fi ,wij willen hiermede niets afdingen op de absolute waarde dier beide stellingen1 welke1 door waarheden op het gebied van het volstrekt hoogste ideaal te bevatten1 de hoogste eertitels der menschheid zijn4 ,tusschen de absolute deugd en de geschiktheid of betrekkelijke deugd moet1 zie blz4 #hb1 onderscheid gemaakt worden4 #gj ,men neme in acht dat zoo 7zie blz4 #ahg7 de ziel een zelfstandig iets is1 wij slechts naar het ligchaam op deze aarde voorouders hebben4 #ga ,die werking dier oorzaak is bijv4 vergelijkbaar met de elasticiteit van eenig kleed4 ,zoo dit een kind goed gepast heeft1 zal het een volwassen mensch knellen1 zoo deze het niet zoo lang gedragen heeft1 dat het al den tijd tot uitrekking gehad heeft4 #gb ,zie hierover ons geschrift get43 ,vervolg van het werk ,over de werking der ,natuurwetten enz41 blz4 #ejj4 #gc ,het is klaar1 dat het kennen der geschiedenis1 dat met de op blz4 #agh gemelde eerste soort van bewuste aanschouwing te vergelijken is1 daarvoor niet voldoende is4 #gd ,bij de planeten zal de invloed der aantrekking der komeet niet uitgewischt worden1 omdat zie blz4 #aed1 geene oorzaak anders dan de traagheid het planetenstelsel in stand tracht te houden1 zie blz4 #afc4 #ge ,verscheidenheid in ruimte moet ontstaan zijn door verandering der zaken ten gevolge van accidentele oorzaken4 ,komen deze nu niet meer voor1 zoo zal de werking der wet van geschiktmaking 7zie blz4 #bgj en #bge71 die verscheidenheid in ruimte doen verdwijnen #gf ,de zedelijke waarde van armen zal gemiddeld in zooverre absoluut minder zijn dan die van rijken als zij in geestelijke ontwikkeling voor deze onderdoen4 ,overigens kan men evenmin zeggen1 dat in alle opzigten armoede de oorzaak als het gevolg van slecht gedrag is4 #gg ,op blz4 #fa hebben wij verschillende voorbeelden der werking der wet van geschiktmaking op economisch gebied gegeven4 ,hiernevens nog eenige4 ,zoo omstandigheden het uitoefenen van eenig beroep onvoordeeliger maken1 zal1 door het verlaten er van1 of door overmaat van sterften boven geboorten1 7zie begin blz4 #ej7 het aantal beoefenaars er van verminderen1 en dit de overblijvende in gunstiger omstandigheden stellen1 dan zoo hun aantal grooter is4 ,die overblijvende beoefenaars zullen aldus even veel geld kunnen verdienen na het ontstaan dier voor dit beroep ongunstige omstandigheden1 dan het grootere aantal beoefenaars er van voor het ontstaan dier omstandigheden4 ,men kan hieruit nagaan1 hoe de werking der wet van geschiktmaking beroepen1 bij derzelver beoefenaars evenveel beelding vorderende1 even winstgevend1 en die winsten bij beroepen1 bij derzelver beoefenaars niet evenveel beelding vorderende1 in reden der behoeften dier beoefenaars tracht te doen worden4 ,voorts zal de werking der wet van geschiktmaking bij vergroote productie de behoeften en de voeding der arbeiders zoodanig vergrooten1 dat deze het eindelijk betrekkelijk niet ruimer dan vroeger bij minder verdiensten zullen hebben4 ,eene werking dier wet is ook de beperking der prijsverhooging van iets tengevolge van grootere vraag dan bod4 ,die prijsverhooging zal toch de koopers moeijelijker en de verkoopers gemakkelijker maken1 en hierdoor het weder gelijk worden van vraag en bod en aldus ook het tot staan komen van den prijs bevorderd worden4 ,werkingen der wet der veranderlijkheid op economisch gebied zijn alle die welke die bovengemelde werkingen verstoren2 voorts alle toevallige winsten of verliezen1 handelscrisissen1 beurspanieken enz4 ,werkingen dier wet der veranderlijkheid1 waarbij er wederkeerige versterking plaats heeft1 zijn de bankroeten veroorzaakt door vorige bankroeten2 het overleggen van meer geld door handelaars1 naarmate hun bedrijfskapitaal grooter is2 het op schadelijke wijze leenen van geld naarmate de schuld grooter is enz4 #gh ,te gelijk hiermede zou ook de behoefte aan veiligheid1 alsmede de kennis om zich deze te verschaffen afnemen4 ,bij elken stand van beschaving trachten al de gevolgen hiervan harmonisch met elkander te worden4 ,zoo zullen bijv4 volken in het bezit van spoorwegen en van langdurige tijdperken van vrede1 zich mijnongelukken en het bekostigen van moorddadige vuurwapens moeten getroosten4 #gi ,hieruit volgt dat moraal onafhankelijk van een ideaal langzamerhand tot dierenmoraal zou dalen4 #hj ,het ideaal1 dat beoogt het door den graad van beschaving bepaalde genoegen der maatschappij1 is te vergelijken met eene zware maar niet wrijvende massa1 die slechts hierdoor aan eene zie blz4 #ach1 achterwaarts trekkende kracht wederstaat4 ,het ideaal1 dat daarentegen den geestelijken vooruitgang der individuen beoogt1 is te vergelijken met zulk eene massa1 maar waarop tevens eene kracht werkt1 die aan de zooeven gemelde achterwaarts trekkende wederstaat4 ,voor zoo verre der menschen ideaal niet het eerste der beide gemelde is1 strekt betrachting van deugd niet om gemiddeld het gelukkigste te zijn1 en om gemiddeld het beste in zijn doen te gelukken1 en hangt de waarde der zedelijke daden niet af van het voordeel dat de maatschappij er van trekt1 zie blz4 #bah4 #ha ,iets dergelijks moet ook plaats hebben bij den invloed door de onveranderlijke atomistische bewegingen van den ether op hemelbollen uitgeoefend zie blz4 #agj4 #hb ,de kinderlijke voorstelling van dit een en ander is die der hemel en aardgeesten4 #hc ,met de hersens is dit eveneens het geval4 ,wanneer de directe werking der indrukken1 door de hersens bij den geest voortgebragt1 bij de denking van dezen 7zie blz4 #add bepaalt door een geheel van zintuigelijke onwaarneembare atomistische bewegingen7 overheerschende is2 is de geest min of meer passief4 ,tot dien toestand1 waarbij de denking van eene lagere gehalte is1 trachten de hersens den geest nu te brengen1 en niet het minste wanneer het ligchaam gezond is1 omdat dit dan in een gemiddelden toestand verkeert1 en aldus zie bl4 #gh en #ajb niet in dien waarbij het de minste terugtrekkende werking op den geest uitoefent zie ,noot blz4 #gi4 #hd ,in dit geval verkeeren bijv4 de door ongeschikt geworden instellingen voortgebragte en deze slopende revolutien4 ,in den aanvang geschiedt dit op eene meer schroomvallige wijze dan later1 omdat er tusschen de intensiteit dier revolutien en de bedoelingen1 die men er mede heeft1 alsmede den bijval die zij vinden1 wederkeerige versterking plaats heeft4 ,voor zooverre zulke revolutien nieuwe zaken daarstellen moeten zij1 zooals op blz4 #bhg met betrekking tot de hervorming gezegd is1 beschouwd worden4 #he ,hierbij stellen wij dat in elk dier gevallen de zedelijke eischen van het leven even groot zijn1 zoodat zie blz4 #hb de absolute graad van deugd gelijk aan den betrekkelijk graad hiervan is4 ,van de voor die eischen te groote zelfzucht en zucht tot genot in het heden1 zijn de slechte hartstogten wel verschillende uitingen1 edoch bij veel lagere trappen van beschaving kunnen de zelfzucht en de zucht tot genot in het heden zich of in het geheel niet op de wijze van sommige dier slechte hartstogten1 of slechts gebrekkig op de wijze van andere derzelve uiten4 #hf ,zie hierover ons werk get4 ,over de werking der wet ,natuurwetten op zedelijk gebied enz4 blz4 #cfa en het vervolg van dit werk blz4 #gd4 #hg ,een gevolg kan een verschijnsel vernietigen1 op het oogenblik dat dit geschiedt is1 zelf door de werking der wet van geschiktmaking vernietigd zijn1 en intusschen een nieuw verschijnsel van den aard als het eerste opgewekt hebben4 ,dit bijv4 is het geval bij het gaan dan in deze en dan in gene rigting1 twee verschijnsels welke door een tusschenliggend verbonden zijn4 #hh ,liggen er n #bn ballen binnen die bus en n ballen binnen elk deel er van1 waar binnen die verhoudingen op allerlei wijze varieren1 zoo zal1 bij het voorkomen van al de gevallen1 slechts eene dier #bn deelen enkel witte en een ander enkel zwarte ballen bevatten4 ,nu zal de grootheid n niet aanzienlijk behoeven te zijn1 om het aantal deelen #bn uiterst groot en de betrekkelijke grootte dier deelen aldus zeer gering te doen worden4 #hi ,die ongelijkheid in digtheid van groepering binnen eene rij van zulke aan elkander grenzende deelen kan echter in stand gehouden worden1 zoo binnen het deel1 bij het eene einde der rij1 er nieuwe poeijerdeelen in gebragt en1 bij het deel bij het andere einde1 er poeijerdeelen weggenomen worden4 ,de digtheid van groepering der poeijerdeelen zal alsdan langs dien weg van het eene naar het andere einde afnemen1 en1 onder het bezit van allerlei onregelmatige snelheden1 die poeijerdeelen zich langzaam van het eene naar het andere einde dier rij verplaatsen4 ,iets hiermede overeenstemmende heeft bijv4 plaats bij de in de poolzeen drijvende ijsbergen4 ,de gletschers voeren er nieuwe in zee aan1 zij smelten onder weg1 en de accidentele en onregelmatige stroomen binnen de poolzeen1 het effect van hierboven gemelde snelheden doende1 zullen die ijsbergen gemiddeld naar lagere breedten voeren1 zoo hier naar toe de digtheid van groepering der ijsbergen afneemt4 ,de zwaarte der stof of slibbedeelen1 door wind of stroomend water opgeheven1 zal hetzelfde effect uitoefenen als die aan en afvoer van bovengemelde poeijerdeelen4 ,stroomende vloeistoffen zijn steeds in beroering en1 bij zekere afneming der sterkte van groepering dier stofjes of slibbedeelen naar boven1 kan de werking dier beroering er overal gemiddeld even veel meer op dan nederwaarts voeren als de zwaartekracht er nederwaarts voert4 ,niet alleen zal bij sterke stroomen die digtheid van groepering naar boven minder afnemen1 maar zij zal dan tevens bij den bodem grooter zijn1 zoo hierop eene onbepaald aantal ophefbare stofjes of slibbedeelen gelegen is4 #ij ,die verschillende kansen van voorkoming bezittende afwijkingen zijn te vergelijken met de trekkingen uit bussen1 ballen van verschillende kleur bevattende4 ,de onregelmatigheid bij eene reeks van trekkingen zal alsdan minder worden1 zoo niet enkele keeren ballen van eene kleur1 in de bus schaars voorkomende1 getrokken worden4 ,zie ons werk get4 ,vervolg op het werk get43 ,over de werking der ,natuurwetten op zedelijk gebied enz4 blz4 #dec4 #ia ,merken wij hier op dat bij het geval van blz4 #c van ons werk get43 ,vervolg op het werk get4 ,over de werking der ,natuurwetten op zedelijk gebied enz41 zoo de drang tot onregelmatigheid1 op blz4 #cji gemeld1 niet bestond1 hoe lang ook schuddende1 de groepering n binnen geen eindigen tijd zou ontstaan moeten1 evenmin als bij het werpen met eene dobbelsteen1 waarvan het eene vlak met lood bezwaard is 7hetgeen overeenstemt met de meerdere kans van voorkoming der groepering n47 ,door zachter te gaan schudden1 wanneer de groepering n zich vormt1 ontstaat er nu iets overeenkomende met het minder in aantal worden der vlakken dier dobbelsteen4 #ib ,zie ons werk get4 ,vervolg van het werk get4 ,over de werking der ,natuurwetten op zedelijk gebied enz4 blz4 #gc en #ecf4 #ic ,dit is met inachtneming van den tijd noodig voor eene ons onbewuste voortplanting van het effect der handelingen der menschen met de golvingen binnen vloeistoffen vergelijkbaar4 #id ,dit zou bijv4 het geval bij ons zonnestelsel zijn1 zoo de vaste sterren er veel digter bij gelegen waren4 #ie ,men denke hierbij aan de voortplanting van toonen4 #if ,dit niet te verwarren met gelijksoortige absolute regelmatigheden4 ,hoe verder deze toch in tijd of ruimte van elkander gelegen zijn1 hoe minder groote totale regelmatigheid zij1 in verband met elkander beschouwd1 zullen teweegbrengen zie blz4 #caa4 #ig ,in plaats van op de onregelmatigste wijze dan te winnen en dan te verliezen1 kan een speler verliezen1 door het krijgen van slechte spellen1 door onoplettendheid en door onkunde4 ,in alle drie gevallen zal dit steeds na een verliezen door den overheerschenden invloed van enkele omstandigheden geschieden1 doch in het eerste deze omstandigheden ieder oogenblik kunnen verdwijnen en dit eindelijk moeten doen1 terwijl zij sterker zullen bestaan1 naar gelang dit krijgen van slechte spellen langer aanhoudt4 ,het tweede geval ligt alsware tusschen de beide andere in1 en kan dan meer op het eerste dan meer op het derde geval gelijken4 #ih ,de door de wet der veranderlijkheid opgewekte gevolgen bij dergelijke verschijnsels1 welke1 even als in de ,noot van blz4 #cjj gezegd is1 werken1 kunnen die verschijnsels echter uitputten4 ,de beweging van zulk een vaartuig1 heeft bijv4 tot gevolg het loopen er van tegen den een of anderen oever4 #ii ,dit is het geval omdat1 zoo het gevolg eenparig kon toenemen1 de werking der wet van geschiktmaking1 trachtende de vergrooting der oorzaak tegen te gaan1 versnellende zou toenemen1 en aldus eenmaal die tegenstand veel grooter dan de opwekkende werking van het gevolg zou worden4 ,bij den aanvang van zulk eene wederkeerige versterking1 bezit de oorzaak zekere grootte1 en neemt het gevolg van af nul toe4 ,wil dit aldus de oorzaak vergrooten1 zoo dient hierbij de tegenstand der werking der wet van geschiktmaking in het eerst trager dan de die oorzaak vergrootende werking van het gevolg toe te nemen4 #ajj ,zoo kan bij het voorbeeld van blz4 #beh opgelegde straf somtijds geene uitwerking doen1 of wel zie noot blz4 #cjj de straf verminderd worden1 naarmate de gestrafte het peil van gemiddelde zedelijkheid nadert1 en zij1 wanneer dit peil bereikt is1 ophouden4 #aja ,die uitputting werkt als gevolg van den strijd1 zooals in noot blz4 #cjj gezegd is4 #ajb ,zie verder hierover ons werk1 get4 ,vervolg op het werk1 get4 ,over de werking der ,natuurwetten op zedelijk gebied enz41 zie blz4 #aeb4 ,de werking der wet van geschiktmaking bij de gloeijing der brandstof bestaat in de afkoeling hiervan1 zooals deze in het luchtledige zou plaats hebben1 en neemt1 zie #b;e ,noot blz4 #ccg1 meer versnellende1 dat is1 eerst minder en later sterker dan de chemische verbinding en uitbranding toe4 #ajc ,dit verschijnsel na verzwakking nul en daarna negatief wordende1 zoo zal alsdan die steeds positief blijvende oorzaak weder grooter worden1 en de wederkeerige verzwakking overgaan in wederkeerige versterking4 ,even als bij het geval van blz4 #beh verkrijgt men aldus ook hierbij schommelingen4 #ajd ,vandaar dat naar ons inzien de hemelruimte geene eigene temperatuur bezit1 maar allerhande temperaturen op de stralen1 tusschen de ligchamen gelegen1 er aan gegeven1 zoodat een etherdeel1 op verscheidene van zulke stralen gelegen1 ook verschillende temperaturen bezit1 zie ons werk get43 ,over den aard en de toekomst der beweegkracht1 zie blz4 #ah4 #aje ,de kristallisatie toont dit ook aan4 #ajf ,hoe kleiner de zwaartekracht bij het oppervlak van eenigen hemelbol1 en hoe grooter de temperatuur hiervan is1 hoe eerder eenige anorganische stof er op in den gasvorm en niet chemisch met andere stoffen verbonden1 zal voorkomen4 #ajg ,men zij hierbij indachtig dat1 voor zoo verre de afwijkingen van den harmonischen toestand niet vernietigd worden in reden der sterkte dier afwijkingen1 de op blz4 #bei en #cjj gemelde werking der wet der veranderlijkheid zich aan die der wet van geschiktmaking paart4 #ajh ,op hooge noorderbreedte zou die constante benedenwind1 zie ,noot blz4 #afe1 zuidwest zijn1 zie hierover ons werk1 het ,vervolg op het werk get43 ,over de werkingen der ,natuurwetten op zedelijk gebied enz4 blz4 #ajd4 #aji ,voor zooverre bij het harmonische ongeschiktheid bestaat voor hetgeen waarmede het in verband komt1 bestaat er een drang om het te wijzigen ten bate van het goede1 zie blz4 #cec1 edoch er bestaat tevens een drang om dit verband zoodanig te wijzigen1 dat het goede harmonisch wordt4 #aaj ,het toeval kan1 zie blz4 #ccd1 wel regelmatigheid1 maar geene harmonie teweeg brengen4 ,de assimilatie der stoffen met de bestanddeelen der aarde is bijv4 niet het product van het toeval1 zie ,noot blz4 #afi4 ,ook kan dit onregelmatigheid voortbrengen1 doch het behoeft het niet steeds te doen1 zooals de werking van blz4 #cba4 #aaa ,slechts op die voorwaarde kunnen toch die indrukken geschiktheid baren in den tijd bij een individu1 of in de ruimte bij vele zamenlevende individuen4 ,vandaar dat1 wanneer die indrukken valsch worden1 zooals bij het ijlen1 er een ongeschikten toestand ontstaat4