,wetenschap ,zologische ,philosophie ,of beschouwingen over de ,natuurlijke ,historie der ,dieren etc4 door ,j4 ,b4 ,p4 ,a4 ,lamarck4 vertaald door ,dr4 ,j4 ,metzelaar4 ,met een woord vooraf van ,prof4 ,dr4 ,c4 ,ph4 ,sluiter ,eerste ,deel ,la postrit vous admirera1 elle vous vengera1 mon pre4 7,gedenkteeken voor ,lamarck1 ,jardin des ,plantes1 ,parijs47 ,uitgegeven door de ,maatschappij voor ,goede en ,goedkoope ,lectuur--,amsterdam ,gedrukt ter drukkerij van de ,wereldbibliotheek ,,voorwoord ,door ,prof4 ,dr4 ,c4 ,ph4 ,sluiter ,het ligt in den aard der bijzondere takken van wetenschap1 dat het feitenmateriaal en de methoden van onderzoek van geslacht op geslacht worden overgenomen1 maar dat de philosophische achtergrond1 waarop de onderzoekers van toenmaals stonden1 niet gekend1 of tenminste vergeten wordt4 ,hierdoor wordt dikwijls onrecht aangedaan aan hun nagedachtenis1 aan de waardeering van hun arbeid4 ,dit geldt zeker voor een aantal land- en tijdgenooten van ,lamarck1 de z4g4 materialistische philosophen uit den ,revolutie-tijd1 en zeker niet het minst voor ,lamarck4 ,het heeft zijn eigenaardige moeilijkheden1 om een man als ,lamarck naar waarde te schatten1 meer dan een eeuw1 nadat zijn belangrijkste werken3 ,philosophie ,zoologique in #ahji en ,histoire naturelle des ,animaux sans vertbres in #ahae-ahbb verschenen4 ,in den veelbewogen tijd van zijn eigen leven werd zijn beteekenis voor de ontwikkeling der biologische wetenschap zoo goed als geheel miskend4 ,zijn ,philosophie ,zoologique werd doodgezwegen of hoogstens met spot begroet1 en zelfs zijn geestverwanten en vrienden1 zooals ,latreille en ,geoffroy ,st4 ,hilaire waardeerden in hem vooral den grooten vakgeleerde1 zoodat laatstgenoemde hem zelfs als den ,franschen ,linnaeus begroette1 wat al zeer weinig de groote gaven van ,lamarck weergeeft4 ,van zijn talrijke geschriften hebben de meeste thans voor ons nog slechts historische waarde2 niemand zal meer naar zijn chemische of physische verhandelingen grijpen1 of zelfs naar zijn ,flore franaise of naar zijn ,histoire naturelle des ,animaux sans vertbres om zich over plant of dier op de hoogte te stellen4 ,maar444 geldt datzelfde ook voor zijn ,philosophie ,zoologique8 ,mij dunkt van niet en zoo was het1 naar ik meen1 een goede gedachte de ,philosophie ,zoologique voor een grooteren kring in het hollandsch toegankelijk te maken4 ,onder de verschillende evolutietheorien1 die heden ten dage bij de biologen meer of minder instemming vinden1 neemt nog altijd het lamarckisme1 of neolamarckisme1 zooals het in zijn gewijzigden vorm heet1 een belangrijke plaats in4 ,doordat het zich aansluit aan het onmiddellijk waargenomene in de natuur1 n4l4 de aanpassing der dieren aan de uitwendige omstandigheden1 is het voor velen de meest aanneembare1 misschien de meest menschelijke voorstelling geworden1 al is men zich zeer goed van de bezwaren bewust1 die er tegen in gebracht kunnen worden4 ,het is zeer gemakkelijk1 de leer van ,lamarck belachlijk te maken1 door enkele voorbeelden1 uit hun verband gerukt1 als typische specimina van zijn voorstellingen ten beste te geven4 ,maar leest men zijn eigen1 oorspronkelijk werk zonder bevooroordeeling1 dan is zeker spotternij het laatste1 wat men bij zich zal voelen opkomen4 ,diepe ernst en volkomen overtuiging spreekt uit alles1 wat hij schrijft4 ,het is waar1 de taal is niet boeiend1 bloemrijk of meeslepend1 hij vervalt telkens in herhalingen1 maar toch blijft men doorlezen en begrijpt meer en meer1 dat aan de gewone voorstelling van het ,lamarckisme in hand- en leerboeken een belangrijk iets ontbreekt1 n4l4 de wijsgeerige achtergrond1 die aan al zijn beschouwingen een dieperen zin geeft4 ,weliswaar maakt zijn philosophische natuurbeschouwing op ons vaak een wat naeven indruk2 begrippen uit zijn tijd als de fluida zijn voorstellingen1 waar wij tegenwoordig niet verder mee komen4 ,maar ook hierin hebben wij zijn wijze van denken te beoordeelen naar den tijd1 waarin hij leefde1 en dan ziet men1 hoe hij telkens met een helderzienden blik en goed doordachte redeneering tot inzichten kwam1 die niet veel afwijken van wat wij nu op hechteren grondslag omtrent de beteekenis van verschillende organen weten4 ,men denke bijv4 aan zijn tegenstelling der groote- tegenover de overige hersenen1 overeenkomende met onze tegenwoordige opvatting van ,neencephalon en ,palaencephalon 7,edinger74 ,evenwel1 het bleven veelal geniale concepties1 die slechts zelden door eigen onderzoek getracht werden bewaarheid te worden4 ,uitgaande van de grondgedachten was zijn systeem uiterst zorgvuldig en goedberedeneerd opgebouwd4 ,bleek echter de grondstelling onhoudbaar1 dan zijn natuurlijk ook de verdere besluiten1 waartoe hij komt1 voor ons van geen belang4 7,dit geldt bijna voor al zijn physische en chemische verhandelingen74 ,bij zijn biologischen gedachtengang volgt men echter ook thans nog ,lamarck met groote belangstelling1 al zal er altijd wel een zekere twijfel blijven bestaan4 ,maar444 dit geldt voor alle evolutietheorien1 en of het daarom wenschelijk is1 vooreerst ze maar alle te laten rusten1 en alleen waarnemingen te verzamelen1 moge ieder voor zich uitmaken4 ,de meeste biologen zullen toch wel eenige voorliefde hebben voor een bepaalde richting en dan is het zeker goed in het origineel het werk van een geniaal man als ,lamarck te leeren kennen1 die voorzeker de eerste ernstige en stellig niet de minst logisch denkende evolutionist was4 ,,voorrede ,,van ,,den ,,vertaler ,motto3 ,peut-il y avoir1 en histoire naturelle une considration plus importante1 et laquelle on doive donner plus d'attention que celle que je viens d'exposer8 ,lamarck1 ,phil4 ,zol4 cap4 ,,vii1 fin4 ,van de ,philosophie ,zoologique van ,jean ,baptiste de ,lamarck bestond nog steeds geen ,hollandsche uitgave2 en toch mag die in onzen tijd van oplevende belangstelling voor dezen classicus der afstammingsleer een behoefte heeten4 ,want van de toenemende waardeering voor zijne denkbeelden onder de zologen1 met name de palaeozologen getuigen de verschillende richtingen der lamarckisten en neolamarckianen4 ,voorzeker zijn de leidende gedachten van ,lamarck van blijvende waarde1 ondanks de verouderde dtails4 ,en laten wij over deze laatste1 al mogen zij ons thans ook zelfs wat wonderlijk voorkomen1 niet te hard oordeelen1 en bedenken1 dat wij moderne biologen op de schouders van deze pioniers zijn opgeheven6 ,wijzen wij o4m4 op de treffende onderscheiding tusschen organisatie- en aanpassingskenmerken in hoofdstuk ,v en ,,vi4 ,uiterst curieus zijn voor een zoloog de toevoegingen aan het einde1 waaruit hij met n slag het conflict begrijpt tusschen ,lamarck en een man als ,cuvier4 ,maar zijn glimlach besterve bij de magistrale slotalinea6 ,deze vertaling is gebaseerd op de oorspronkelijke editie van #ahji 7,paris1 ,libraire ,dentu74 ,aan de directie van het ,k4 ,z4 ,g4 ,natura ,artis ,magistra onze dank voor de vriendelijkheid1 uit zijn bibliotheek dit zeldzame werk te hebben mogen leenen6--,de herdruk bezorgd door ,ch4 ,martins 7,paris #ahgc7 bevat1 naast enkele emendaties1 nogal wat kleine fouten2 hierop schijnt ook de herdruk van #aijg alsmede de ,duitsche bewerking van ,prof4 ,arnold ,lang te berusten1 al welke uitgaven mij ter beschikking stonden1 en waaruit slechts zelden1 en dan met vermelding1 geput is4 ,van annoteeren is geheel afgezien4 ,hiervoor zij in de eerste plaats verwezen naar de ,geschichte des ,lamarckismus van ,dr4 ,adolf ,wagner 7,stuttgart #aiji72 voorts naar cap4 ,,vii-,,ix van ,f4 ,khner1 ,lamarck1 die ,lehre vom ,leben1 ,eug4 ,diederichs1 ,jena #aiac4--,ten gerieve van den niet geheel deskundigen lezer is echter bij sommige al te sterk verouderde plaatsen een waarschuwend 77 geplaatst4 ,in de lijsten van het ,v,i,i,ie hoofdstuk in het origineel komen de genera voor onder hun latijnsche of verfranschte1 jazelfs onder de ,fransche namen4 ,ik heb daarin meer eenheid gebracht door de wetenschappelijke nomenclatuur voorop te stellen en daaraan zooveel mogelijk het ,hollandsche aequivalent toe te voegen4 ,de vertaling is een onverkorte1 in die beteekenis1 dat vrijwel geen enkele zin van den hoofdtext is weggelaten 7,dit geldt niet voor de noten674 ,wel heb ik mij veelal veroorloofd1 de wijdloopige uitdrukkingswijze wat te bekorten3 den stijl dus bondiger te maken waardoor het volumen tot op ongeveer #i_/aj is terug-gebracht4 ,mogelijk1 dat de lectuur hier en daar op den modernen lezer alsnog een eenigszins breedsprakigen indruk maakt door de vele herhalingen4 ,uit eerbied voor den peetvader der ,biologie heb ik mij echter niet aan coupures willen bezondigen4 ,ook is er bij de woordkeuze rekening gehouden met het feit1 dat wij hier een werk voor ons hebben van meer dan een eeuw oud4 ,en hiermee heb ik mijn bescheiden daad van piteit verricht tegenover den zoo vereerden ,meester4 ,tot slot wil ik hier dank brengen aan hen1 die mij bij de vertaling zijn behulpzaam geweest1 en wel naast ,professor ,sluiter in de eerste plaats aan den heer ,justus ,meyer1 ,zandvoort4 ,amsterdam1 ,april #aiba4 ,dr4 ,j4 ,,metzelaar ,,voorrede ,de ondervinding1 bij het onderwijs opgedaan1 heeft mij doen gevoelen1 hoezeer op het oogenblik een zologische philosophie1 d4w4z4 een geheel van voorschriften en beginselen der dierstudie--ook toepasselijk op andere deelen der natuurwetenschap--van pas zou zijn1 aangezien onze zologische kennis sinds ongeveer #cj jaar aanmerkelijk is gevorderd4 ,ik heb daarom een schets van die philosophie trachten te ontwerpen ten gebruike bij mijn lessen en tot beter begrip van mijn leerlingen3 destijds had ik geen ander doel4 ,maar daar ik1 om te komen tot het opstellen van beginselen en regelen als studiegids verplicht was de samenstelling der onderscheidene bekende dieren te onderzoeken1 te letten op de bijzondere verschillen bij elke dier-familie1 -orde en -klasse1 de eigenschappen te vergelijken1 die alle rassen van dieren eraan ontleenen1 kortom3 de meest algemeene verschijnselen in de voornaamste gevallen te leeren kennen1 zoo werd ik gaandeweg geleid tot zeer belangwekkende wetenschappelijke overwegingen en tot het onderzoeken van de moeilijkste zologische vraagstukken4 ,hoe kon ik ook die eigenaardige trapsgewijze afdaling der dierlijke organismen in een reeks van de volkomenste tot de onvolkomenste onder oogen zien1 zonder den grond te onderzoeken van dat onbetwistbare en merkwaardige feit1 door zeer veel bewijzen gestaafd8 ,moest ik wel niet denken1 dat de natuur achtereenvolgens de verschillende levensvormen had voortgebracht1 al voortschrijdende van het eenvoudige tot het samengestelde8 ,immers1 aldus trapsgewijs opklimmende in de reeks der dieren wordt de organisatie allengs samengestelder op een hoogst opmerkelijke manier4 ,deze gedachte werd in mijn oogen des te waarschijnlijker1 toen ik besefte1 dat de allereenvoudigste organismen geen enkel bijzonder orgaan of vermogen vertoonen1 maar alleen die1 welke aan alle levende wezens gemeen zijn2 en dat1 naarmate de natuur geleidelijk de onderscheidene bijzondere organen schiep1 en aldus meer en meer de dierlijke organisatie verwikkelde1 de dieren al naar hun organische geleding verschillende speciale vermogens verkregen1 talrijk en op den voorgrond tredend bij de meest volkomene onder hen4 ,deze aandacht-boeiende beschouwingen deden mij weldra onderzoeken1 waaruit het leven werkelijk bestaat en welke voorwaarden dat natuurverschijnsel stelt om zich zelf voort te brengen en lichamelijk te bestendigen4 ,ik kon mij te minder aan dat onderzoek onttrekken1 overtuigd als ik was1 uitsluitend bij de simpelste organismen de oplossing te kunnen vinden van een klaarblijkelijk zoo moeilijk probleem1 daar alleen deze alle noodzakelijke levensvoorwaarden vertoonen en niets verwarrends daarenboven4 ,daar dus de levensvoorwaarden op den laagsten trap van bewerktuiging volledig en tegelijk in hun eenvoudigsten vorm aanwezig zijn1 ging het erom1 te weten1 hoe dezelve door een of andere wijziging tot een minder eenvoudige had kunnen leiden en tot de l samengestelder trappen der dierenreeks4 ,ik meende de oplossing van mijn probleem te zien1 met behulp der volgende beschouwingen waartoe de waarneming mij geleid had3 ,ten eerste bewijzen een menigte bekende feiten1 dat het voortdurend gebruik van een orgaan tot zijn ontwikkeling bijdraagt1 het versterkt en zelfs vergroot1 terwijl een tot gewoonte geworden niet-gebruik die ontwikkeling benadeelt1 het ontwaardigt en gaandeweg doet afnemen en ten slotte doet verdwijnen1 indien dat onbruik langdurig aanhoudt bij alle nakomelingen4 ,men begrijpt dus1 dat als een verandering van omstandigheden een dierenras dwingt tot wijziging van gewoonten1 de minder gebruikte organen dan meer en meer ten gronde gaan4 ,anderzijds ontwikkelen zich de veel-gebruikte deelen beter en erlangen afmetingen en kracht in verhouding tot het gebruik1 dat de individuen ervan maken4 ,ten tweede werd ik al nadenkend overtuigd1 dat naarmate de vloeistoffen van een organisme in beweging versneld worden1 zij het doorstroomende zachte celweefsel wijzigen1 er doorgangen en verschillende kanalen in openen1 kortom er verschillende organen doen ontstaan1 al naar hun eigene organisatie4 ,op grond dezer beide overwegingen beschouwde ik het als zeker1 dat de vloeistofbeweging in de dieren--allengs met de samengestelder wordende bewerktuiging versneld--en de invloed der nieuwe omstandigheden--waaraan ze blootgesteld werden bij de verspreiding over de bewoonbare wereld--de twee voorname oorzaken waren1 die hen tot den tegenwoordigen toestand gebracht hebben4 ,ik heb mij in dit werk volstrekt niet bepaald tot het uiteenzetten der wezenlijke levensvoorwaarden bij de eenvoudigste organismen of der oorzaken van de toenemende verwikkeling der dierlijke organisatie vanaf de onvolmaakste tot de volmaakste4 ,maar daar ik in de mogelijkheid geloof de physische gezien het vervolg oorzaken van het gevoel te leeren kennen1 waarover zooveel dieren beschikken1 heb ik ook daarmede mij beziggehouden4 ,overtuigd1 dat geen enkele stof zelf het vermogen tot voelen kan hebben en het gevoel zelf zich slechts openbaart bij de verrichtingen van een daarop ingericht orgaan-systeem1 heb ik gezocht naar het mechanisme van dat bewonderenswaardige verschijnsel1 en ik geloof het gevonden te hebben4 ,bij het inzamelen van positieve waarnemingen hieraangaande werd het mij duidelijk1 dat tot het tot stand komen van gevoel reeds een zeer samengesteld zenuwtoestel noodig is1 en in veel hooger mate nog voor intelligentie4 ,ik ben daardoor overtuigd geworden1 dat een zeer onvolkomen zenuwstelsel--gelijk bij de laaggeplaatste dieren1 waar het voor 't eerst optrad--in dien toestand slechts in staat is tot het opwekken der spierbewegingen en nog niet van eenig gevoel4 ,op dat stadium vertoont het slechts zenuwknoopen waarvan vezels uitgaan1 en noch een buikstreng1 noch ruggemerg1 noch hersenen4 ,in verder voortgeschreden toestand zien we die genoemde deelen optreden2 het middelpunt van het gevoel is de hersenen1 vanwaar de zenuwen ontspringen naar eenige bijzondere zintuigen4 ,de betreffende dieren verheugen zich dan in het vermogen tot gevoel4 ,vervolgens heb ik getracht het mechanisme te bepalen1 waardoor gewaarwordingen geschieden1 en aangetoond1 dat deze bij dieren zonder verstandsorgaan niet meer dan een indruk teweegbrengen1 volstrekt nog geen gedachte1 k als zij1 ondanks de aanwezigheid van zoo'n orgaan1 niet worden opgemerkt4 ,ik heb1 om de waarheid te zeggen1 bij mijzelf nog niet uitgemaakt1 of in dat mechanisme de gewaarwordingen geschieden door uitzenden van zenuwfluida vanaf het geprikkelde punt1 of enkel door een beweging 7trilling1 vert47 in datzelfde fluidum4 ,dat inmiddels de duur van zekere gewaarwordingen evenredig is met dien der veroorzaakte indrukken doet mij naar de laatste meening overhellen4 ,mijn waarnemingen zouden geen voldoende licht gebracht hebben over het onderhavige onderwerp1 als ik niet tot de erkenning en het bewijs gekomen was1 dat gevoel en prikkelbaarheid twee zeer verschillende verschijnselen zijn2 dat zij geenerlei gemeenschappelijken oorsprong hebben1 zooals men heeft gedacht2 dat het eerste n4l4 een vermogen is1 eigen aan bepaalde dieren1 een bijzonder stel werktuigen vereischende1 terwijl de tweede zooiets niet behoeft en aan alle dierlijke organisatie gemeen is4 ,door verwarring dezer beide nu zal men zich licht kunnen vergissen in den uitleg der meeste verschijnselen op het gebied van bewerktuiging der dieren4 ,vooral als men de beginselen van gevoel en beweging en den zetel hiervan bij de betreffende dieren proefondervindelijk tracht uit te vorschen4 ,nadat men bijv4 jeugdige dieren had onthoofd of het ruggemerg doorgesneden tusschen achterhoofd en atlas of er een sonde in gestoken had1 heeft men verschillende bewegingen--veroorzaakt door luchtinblazing in de longen--gehouden voor een bewijs van het weer opleven van het gevoel4 ,intusschen zijn deze gevolgen slechts te danken3 eenerzijds aan de niet-uitgebluschte prikkelbaarheid--die immers nog eenigen tijd na den dood aanhoudt1--anderzijds aan bepaalde spiertrekkingen1 door die inblazing opgewekt1 als de ruggestreng nog niet over de heele lengte door de sonde is verwoest4 ,als ik nu niet de organische werkkracht1 die beweging en gevoel teweegbrengt had leeren kennen als volkomen onafhankelijk van elkaar--ofschoon voor beide nerveuse inwerking noodig is--en als ik niet opgemerkt had1 dat men verschillende spieren kan bewegen zonder eenige gewaarwording daarvan1 en ook omgekeerd1 dan had ik die in diertjes zonder hoofd of hersenen opgewekte bewegingen voor teekenen van gevoel gehouden1 en ik zou mij vergist hebben4 ,indien een individu niet in staat is--van nature of anderszins--om van een gewaarwording te getuigen1 en niet door geluiden uiting geeft aan de geleden pijn1 zoo heeft men geen enkel ander zeker teeken voor zoo'n gewaarwording1 dan de wetenschap1 dat het stel gevoelsorganen niet verwoest1 en ongeschonden is4 ,spierbewegingen zonder meer zijn nog geen bewijs voor gevoel4 ,nadat ik mijn inzichten omtrent deze dingen gevormd had1 ging ik het innerlijke gevoel beschouwen1 d4w4z4 dat levensbesef slechts eigen aan dieren in staat tot voelen4 ,ik bracht het in verband met alle bekende1 correspondeerende feiten1 alsmede mijne eigene waarnemingen en kwam weldra tot de slotsom1 dat dit innerlijke gevoel een wezenlijke kracht is1 die men niet stilzwijgend voorbij kan gaan4 ,niets schijnt mij inderdaad belangrijker dan dit innerlijke gevoel 7bij den mensch en de dieren met een daarop ingericht1 zenuwstelsel7 opgewekt door physische en psychische #a behoeften en op zijn beurt weer de bron1 waaruit bewegingen en handelingen hun middelen tot uitvoering putten4 ,niemand had er aandacht aan besteed1 voor zoover ik weet1 zoodat alle mogelijke verklaringen voor de voornaamste verschijnselen in het dierlijk organisme onvoldoende bleven door deze leemte in de kennis van een hunner hoofdoorzaken4 ,intusschen hebben wij een soort donker besef van het bestaan van deze innerlijke macht bij het gewagen van de ontroeringen1 die wij zelf in tallooze omstandigheden ondergaan4 ,want het woord gemoedsbeweging 7dat ik niet gevormd heb7 wordt in het spraakgebruik nogal vaak aangewend1 om bovengenoemde feiten aan te duiden4 ,toen ik gemerkt had1 dat het innerlijk gevoel door verschillende oorzaken vermag bewogen te worden en dan kan optreden als opwekker van handelingen1 werd ik getroffen door de menigvuldige bekende feiten1 die dit bevestigen2 terwijl de moeilijkheden omtrent de oorzakelijke prikkels tot actie1 die mij al sinds lang bezwaard hadden1 mij thans geheel verdwenen bleken4 ,mijzelf nogal geslaagd achtende in het vatten van een waarheid--n4l4 om de kracht1 die de bewegingen der dieren voortbrengt1 toe te schrijven aan het innerlijke gevoel--had ik intusschen nog maar een deel van de moeilijkheden van dat onderzoek opgeruimd4 ,want klaarblijkelijk bezitten niet alle bekende dieren een zenuwstelsel en kunnen 't ook niet bezitten4 ,derhalve zijn ook niet alle met dat innerlijke gevoel begaafd1 en hebben dus bij hen de uitgevoerde bewegingen een anderen oorsprong4 ,eenmaal zoover gekomen werd het mij weldra duidelijk1 dat een groot aantal dieren zich in hetzelfde geval moesten bevinden als de planten1 wier leven niet zou kunnen bestaan en zich daadwerkelijk bestendigen zonder prikkels van buitenaf4 ,en daar ik al dikwerf gemerkt had1 dat de natuur verschillende middelen aanwendt om tot hetzelfde doel te komen1 bleef hieromtrent bij mij geen twijfel meer bestaan4 ,zoo geloof ik dan1 dat de laagste dieren1 zonder zenuwstelsel1 slechts leven met behulp van de prikkels1 uit de buitenwereld ontvangen1 d4w4z4 doordat fijne en immer-beweeglijke fluida uit de omgeving onophoudelijk in de organismen doordringen en er het leven onderhouden1 voorzoover hun toestand dit mogelijk maakt4 ,deze zoo vaak overwogen gedachte nu1 naar allen schijn door zooveel feiten bevestigd1 en bij mijn weten door geen enkel tegengesproken en waarvoor ook het plantenleven kennelijk getuigt1 zij werpt m4i4 een straal van licht op de hoofdoorzaak van leven en beweging der dieren1 waaraan zij alles verschuldigd zijn1 wat hen bezielt4 ,deze beschouwing in verband brengende met de beide vorige--d4w4z4 met die aangaande de uitwerking der fluidenbeweging in de dieren en #b;e de veranderingen in hun omstandigheden en gewoonten--kon ik de verbindingsdraad vatten tusschen de talrijke oorzaken der verschijnselen van het dierlijk organisme naar zijn ontwikkeling en verscheidenheid4 ,weldra zag ik het belang van dat middel van de natuur1 dat daarin bestaat1 dat de nieuwgevormde individun alles bewaren1 wat de voorouders door hun levens-loop en inwerking der omstandigheden verworven hadden4 ,toen ik nu had opgemerkt1 dat bewegingen bij de dieren nooit worden meegedeeld maar opgewekt1 begreep ik1 dat de natuur1 eerst gedwongen aan het omringend milieu de opwekkende kracht te ontleenen tot de bewegingen en handelingen der lagere dieren1 deze kracht--bij de groeiende samengesteldheid van de dierlijke organisatie--heeft weten te verleggen naar hun innerlijk1 en haar ten slotte ter beschikking van het individu stelde4 ,dit zijn de voornaamste onderwerpen1 die ik heb trachten op te stellen en te ontwikkelen in dit werk4 ,zoo biedt dan de ,zologische ,philosophie de resultaten van mijn studin over de dieren1 hun algemeene en bijzondere eigenschappen1 de oorzaken van de verschillende ontwikkeling van hun organisatie1 en de vermogens1 die zij daaraan ontleenen4 ,voor de samenstelling heb ik het voornaamste materiaal gebruikt1 verzameld voor een ontworpen werk over de levende wezens onder den titel ,biologie1 hetwelk niet door mij voltooid zal worden4 ,de talrijke opgesomde feiten staan vast1 en de eruit afgeleide gevolgtrekkingen schijnen mij dwingend juist en derhalve1 naar mijn overtuiging1 moeilijk te verbeteren4 ,intusschen--dit spreekt vanzelf--zullen verscheidene nieuwe beschouwingen in dit werk al dadelijk den lezer ongunstig stemmen door den natuurlijke weerstand van gevestigde meeningen tegen opstandige nieuwe4 ,daar nu deze macht van oude ideen over nieuwe dit vooroordeel begunstigt1 vooral als er eenig belang--hoe klein ook--op het spel staat1 zoo is bijgevolg1 hoe moeilijk het ontdekken van nieuwe waarheden bij de natuurstudie ook zij1 de strijd voor hun erkenning nog veel zwaarder4 ,deze moeilijkheden van verschillenden oorsprong zijn in den grond eerder vr-1 dan nadeelig voor ons weten4 ,want door die stroefheid bij het toelaten van nieuwe denkbeelden zijn er een menigte schoon schijnende1 maar zonderlinge en ongegronde ideen die1 nauw geboren1 weer terugzinken in de vergetelheid4 ,ondertusschen worden soms uitstekende inzichten en deugdelijke gedachten om dezelfde reden verworpen of verwaarloosd4 ,maar beter1 dat een eenmaal erkende waarheid lang moet strijden zonder rechtmatige belangstelling te ondervinden1 dan dat alle voortbrengselen der weelderige menschelijke verbeelding voetstoots aangenomen worden4 ,hoe meer ik hierover peins1 in 't bijzonder over de vele oorzaken1 die ons oordeel kunnen wijzigen1 hoe meer ik overtuigd raak1 dat1 uitgezonderd de door niemand betwijfelbare stoffelijke en abstracte #b feiten1 alles verder slechts meening of redeneering is4 ,en zooals bekend1 kan men tegenover de eene redeneering steeds de andere stellen4 ,hoezeer dan ook de onderscheidene menschelijke meeningen kennelijk mogen verschillen--in waarschijnlijkheid1 bewijskracht of zelfs in waarde--zoo komt het me toch voor1 dat wij hen niet moeten laken1 die de onze afwijzen4 ,moet men nu de meest-verspreide meeningen slechts gegrond achten8 ,de ondervinding leert toch1 dat de verlichtste personen met het meest-ontwikkelde verstand ten allen tijde slechts een kleine minderheid vormen4 ,ontegenzeggelijk moesten de gezaghebbenden in de wetenschap niet elkaar tellen1 maar naar waarde schatten1 ofschoon inderdaad die appreciatie zeer moeilijk is4 ,intusschen is het door de vele strenge voorwaarden voor een goed oordeel nog niet altijd zeker1 dat de als autoriteiten beschouwden de zaken volkomen juist beoordeelen4 ,voor den mensch zijn dus besliste waarheden1 waarop hij met zekerheid staat kan maken slechts3 waarneembare feiten zonder de eruit afgeleide gevolgtrekkingen2 het bestaan van de natuur1 die deze dingen vertoont en ten slotte de wetten1 die beweging en verandering harer deelen beheerschen4 ,daarbuiten is alles onzekerheid1 al hebben ook sommige gevolgtrekkingen1 theorin1 meeningen enz4 veel meer waarschijnlijkheid dan andere4 ,men kan op geen enkel der laatstgenoemde dingen bouwen1 daar zij1 die deze verstandsbewerkingen uitvoeren1 niet met zekerheid de bij uitstek ware elementen daartoe uitsluitend en vollediglijk gebruikt hebben4 ,daar voor ons niets vaststaat dan het bestaan van lichamen1 die onze zintuigen aandoen1 en hun werkelijke eigenschappen1 en voorts de kenbare stoffelijke en abstracte feiten1 moeten de in dit werk uiteengezette gedachten1 redeneeringen en uitleggingen eenvoudig beschouwd worden als voorgeslagen meeningen mijnerzijds aangaande den mogelijken toedracht van zaken4 ,hoe dit zij1 terwijl ik mij wijdde aan de waarnemingen1 die leidden tot de in dit werk uiteengezette beschouwingen heb ik ze met vreugde overeenkomstig de waarheid bevonden1 als belooning voor de vermoeienissen mijner studin en overdenkingen4 ,en met hun publicatie bedoel ik een uitnoodiging aan de verlichte natuurvrienden om ze na te gaan en te beproeven en er hun eigen1 passende gevolgtrekkingen uit af te leiden4 ,daar deze weg mij de eenige schijnt1 die leidt1 althans dicht nadert tot de kennis van de waarheid1 en deze kennis klaarblijkelijk voordeeliger is dan de dwaling in haar plaats1 zoo twijfel ik niet aan zijn juistheid4 ,men zal opmerken1 dat ik met bijzonder behagen het tweede1 en vooral het derde deel van dit werk behandeld heb en zij mij veel belangstelling ingeboezemd hebben4 ,ondertusschen moeten toch ook de beginselen van de natuurlijke historie1 die mij in het eerste deel hebben beziggehouden1 minstens beschouwd worden als zeer nuttige dingen voor de wetenschap1 daar zij het meest aansluiten bij de tot heden geldende meeningen4 ,ik zou voorts dit werk aanzienlijk hebben kunnen uitbreiden1 door elk onderdeel1 naar zijn belangwekkenden inhoud1 geheel uit te werken4 ,maar1 tot recht verstand mijner opmerkingen1 gaf ik er den voorkeur aan1 mij tot een strikt noodzakelijke uiteenzetting te beperken4 ,daardoor heb ik mijn lezers tijd bespaard1 zonder hen aan wanbegrip bloot te stellen4 ,ik zal mijn voorgestelde doel bereikt hebben1 als de vrienden der natuurwetenschap voor zich in dit werk eenige nuttige inzichten en beginselen vinden2 als de hier uiteengezette eigen waarnemingen bevestigd of accoord bevonden worden door hen1 die zich met dezelfde onderwerpen hebben beziggehouden2 en indien de eruit ontsproten gedachten1 welke zij ook zijn1 onze kennis kunnen vermeerderen of ons op weg brengen naar onbekende waarheden4 ,,inleiding ,om die bereikbare1 stellige kennis te verkrijgen1 die ons waarlijk van nut is1 moet men m4i4 de natuur waarnemen1 haar voortbrengselen bestudeeren1 de characteriseerende algemeene en bijzondere verhoudingen opsporen1 voorts de alom heerschende orde trachten te begrijpen1 alsmede den voortgang der natuur1 hare wetten1 en de duizenderlei middelen1 door haar gebruikt om die orde te bewerkstelligen4 ,aldus smaakt men tevens de zoetste genietingen1 zoo geigend als tegenwicht tegenover de onvermijdelijke moeiten des levens4 ,inderdaad1 wat is er belangwekkender in de waarneming der natuur dan de studie der dieren1 het beschouwen van het verband van hun samenstelling met die des menschen en van het vermogen van gewoonten1 levenswijze1 klimaat en woonplaats om hun organen1 eigenschappen en eigenaardigheden te wijzigen8 ,of het onderzoek der verschillende onder hen aangetroffen orgaanstelsels1 waarnaar men de meer of minder verwijderde betrekkingen vaststelt1 die de plaats van een iegelijk hunner in het natuurlijk systeem bepalen8 ,wat is er interessanter1 dan de algemeene indeeling1 waartoe wij deze dieren brengen op grond hunner grooter of kleiner samengesteldheid van bouw8 ,een indeeling1 die kon leiden tot de kennis van den weg zelf1 dien de natuur gevolgd heeft bij het scheppen van alle soorten4 ,zeker1 ontegenzeggelijk zijn al deze beschouwingen en nog verscheiden andere1 waartoe de dierstudie noodzakelijk leidt1 zeer belangwekkend voor alle natuurvrienden1 die het ware in alles zoeken4 ,merkwaardig intusschen1 dat wij de voornaamste verschijnselen eerst ter overdenking kregen sinds de voorkeur begon voor de studie der lagere dieren1 voornamelijk gebaseerd op hun anatomische onderzoek4 ,niet minder merkwaardig is het1 te moeten erkennen1 dat bijna steeds door de voortgezette onderzoekingen van de geringste objecten en schijnbare kleinigheden in de natuur de belangrijke kennis gewonnen is1 leidende tot de ontdekking harer wetten en middelen en van haar beloop4 ,deze waarheid1 reeds door veel belangrijke feiten bevestigd1 zal in dit werk nog nader blijken en ons meer dan ooit ervan overtuigen1 dat bij de natuurstudie volstrekt niets verwaarloosd mag worden4 ,het voorwerp van de studie der dieren is niet uitsluitend1 hunne verschillende rassen te leeren kennen1 en alle onderscheiden bijzondere eigenaardigheden daartusschen te bepalen4 ,maar het geldt ook1 te komen tot de kennis van den oorsprong hunner vermogens1 de oorzaaken van het ontstaan en onderhouden van hun leven en voorts van de merkwaardige voortschrijding hunner organisatie en van het aantal en de ontwikkeling hunner vermogens4 ,aan hun wortel zijn ongetwijfeld het physische en psychische n2 en men kan deze waarheid klaar doen uitkomen bij de studie van de bewerktuiging der verschillende bekende dierorden4 ,het uit den wortel ontsprotene is eerst nauwelijks1 later duidelijk in twee groepen onderscheiden1 welke op zichzelf genomen eertijds mij--en velen nu nog--toeschenen niets gemeenschappelijks te hebben4 ,ondertusschen heeft men reeds den invloed leeren kennen van het physische op het psychische #c4 ,maar blijkbaar heeft men aan het omgekeerde proces nog niet voldoende aandacht besteed4 ,voorwaar1 deze twee dingorden van gemeenschappelijken oorsprong werken op elkaar in1 vooral als zij het meest gescheiden lijken1 en men is tegenwoordig in staat1 te bewijzen1 dat zij elkaar onderling wijzigen4 ,om de gemeenschappelijke afkomst van de twee resulteerende gebieden aan te toonen1 die in hun grootste onderscheiding het physische en psychische uitmaken1 heeft men een verkeerden weg gekozen4 ,men is n4l4 begonnen deze twee zoo kennelijk onderscheiden object-groepen te bestudeeren bij den mensch zelf1 wiens ten uiterste samengesteld en volmaakt organisme in de oorzaken der levensverschijnselen1 gevoelens en functies het ingewikkeldst is1 en waar het bijgevolg 't moeilijkst valt1 den bron van zooveel verschijnselen te begrijpen4 ,na het menschelijk organisme ter dege bestudeerd te hebben1 had men--inplaats van dadelijk te zoeken naar de oorzaken van het leven1 het physieke en psychische gevoel1 kortom de hoogste menschelijke vermogens--de organisatie der andere dieren moeten beschouwen1 de daartusschen bestaande verschillen1 alsmede het verband met hun resp4 verrichtingen4 ,indien men dat gedaan had1 indien men den vooruitgang in samenstelling beschouwd had vanaf het eenvoudigste dier tot den mensch toe1 alsmede het achtereenvolgens verkrijgen van bijzondere nieuwe organen1 hoe de behoeften1--eerst nog in zeer gering1 later in groeiend aantal--den tendens tot hen bevredigende handelingen hebben meegebracht1 hoe de geregeld en versterkt uitgevoerde handelingen de ontwikkeling van de haar volbrengende organen hebben veroorzaakt2 hoe de beweging-wekkende kracht bij de laagste dieren buiten hen kan gelegen zijn en hen inmiddels toch bezielen4 ,hoe ten slotte deze kracht in het dier zelf overgebracht en vastgelegd is1 en hoe zij de bron is geworden van het gevoel1 en ten slotte van de verstandshandelingen4 ,ik kan er bijvoegen1 dat als men deze methode gevolgd had1 men dan in het geheel niet het gevoel als de algemeene en onmiddellijke oorzaak der bewegingen zou beschouwd hebben en het leven als een opvolging van bewegingen1 uitgevoerd krachtens de door verschillende organen ontvangen gewaarwordingen1 of anders1 dat alle vitale bewegingen voortgebracht werden door indrukken1 in de gevoelige deelen ontvangen4 7,rapp4 du phys4 et du moral de l',homme1 pp4 #ch-ci1 #he74 ,deze oorzaak zou tot op zekere hoogte gegrond schijnen ten opzichte der hoogste dieren4 ,maar als het er zoo mee stond bij alles wat leeft1 dan zou dat l het vermogen tot voelen bezitten4 ,men zou ons echter nog moeten bewijzen1 dat de planten of zelfs maar alle dieren in dat geval verkeeren4 ,ik erken in een dergelijke algemeene onderstelling volstrekt niet den waren gang der natuur4 ,bij de grondvesting van het leven is zij geenszins dadelijk begonnen met het stellen van een zoo uitnemend vermogen als het gevoel4 ,zij heeft niet vermocht dit te scheppen in de nog zoo onvolkomen onderste klassen van het dierenrijk4 ,de levende natuur heeft alles langzamerhand en gaandeweg gedaan1 daar kan men niet meer aan twijfelen4 ,onder de verschillende onderwerpen1 die ik mij voorstel in dit werk uiteen te zetten1 zal ik juist trachten aan te toonen1--door overal bekende feiten aan te voeren--1 dat de natuur in steeds samengestelder diervormen progressief de verschillende bijzondere organen en functies geschapen heeft4 ,lang geleden dacht men1 dat er een soort ladder of trapsgewijze keten bestond tusschen de verschillende levensvormen4 ,bonnet heeft deze meening ontwikkeld1 maar hij heeft haar gansch niet bewezen met aan de organisatie zelve ontleende werkelijke organieke feiten1 wat toch wel noodig was1 vooral wat de dieren betreft4 ,hij kon dat ook niet1 want in zijn tijd had men nog niet de middelen ertoe4 ,bij de bestudeering van dieren van alle klassen is er nog heel wat meer te zien dan alleen hun toenemende samengestelde bewerktuiging4 ,hoe de omstandigheden nieuwe behoeften meebrengen1 deze weer handelingen1 deze weer1 door herhaling1 gewoonten en neigingen als resultaat van het meerder of minder gebruik van een of ander orgaan3 door welke natuurlijke middelen al het door 't organisme verkregene te bewaren en te volmaken is1 enz4 enz41 dat zijn zeer belangrijke onderwerpen voor de rationeele philosophie4 ,maar deze dierenstudie1 vooral van de lagere1 werd zoolang verwaarloosd1 het vermoeden van hun groote belang lag nog zoover af1 en men is daarmee nog eerst zoo kortgeleden begonnen1 dat men alle reden heeft bij de voortzetting nog veel nieuw licht te verwachten4 ,toen men begon werkelijk natuurlijke historie te studeeren en elk rijk de aandacht der natuurvorschers kreeg1 hebben de dierkundigen hoofdzakelijk de gewervelde dieren onderzocht1 d4w4z4 de zoogdieren1 vogels1 kruipende dieren en ten slotte de visschen4 ,bij deze klassen scheen de studie der soorten1 grooter en beter bestembaar als ze gewoonlijk zijn en meer ontwikkeld van bouw en functies1 meer te beloven dan die der ongewervelden4 ,en inderdaad1 de uitermate kleine afmetingen der meeste ongewervelde dieren1 hun beperkte vermogens en het meer verwijderde verband hunner organen met die van den mensch vergeleken bij de hoogere dieren1 heeft hen a4h4w4 door het vulgus doen veracht en en hun zelfs tot op onze dagen van de zijde der natuuronderzoekers slechts een zeer matige belangstelling doen ten deel vallen4 ,intusschen begint men terug te komen van dit vooroordeel1 zoo schadelijk voor de vooruitgang onzer kennis4 ,want sinds eenige jaren lang deze eigenaardige dieren nauwlettend onderzocht zijn1 moet men bekennen1 dat hun onderzoek zoowel voor den natuurvorscher als den philosooph allerbelangwekkendst is1 omdat het over talrijke problemen der natuurlijke historie en dierkunde een licht werpt1 dat nders moeilijk te verkrijgen zou zijn4 ,belast met het onderwijs in de door mij dusgenoemde ongewervelde dieren in het ,museum voor ,natuurlijke ,historie gaven mij de onderzoekingen aangaande deze talrijke dieren1 het verzamelen van de hen betreffende waarnemingen en feiten1 en eindelijk het inzicht1 te danken aan hunne vergelijkende anatomie mij weldra een zeer hoog denkbeeld van de belangstelling1 welke die studie verdient4 ,inderdaad moet het onderzoek van de ongewervelden den natuurkenner wel bijzonderlijk interesseeren1 #a;e4 omdat de soorten dezer dieren veel talrijker zijn dan van de gewervelden2 #b;e4 omdat ze daardoor meer gevarieerd zijn2 #c;e4 wijl die variaties in samenstelling veel grooter1 ingrijpender en eigenaardig zijn2 #d;e4 omdat de weg1 dien de natuur volgt om successievelijk de verschillende dierlijke organen te vormen veel duidelijker uitgedrukt is in de mutaties1 die zij ondergaan bij de evertebraten en we daardoor veel beter het ontstaan zelf van de organisatie1 de oorzaak van hun samenstelling en ontwikkeling kunnen begrijpen1 dan door alle beschouwing van de meer volkomen dieren1 zooals de gewervelde4 ,toen ik doordrongen was van deze waarheden voelde ik wel1 dat om ze aan mijn leerlingen te geven ik1 in plaats van mij dadelijk in bijzonderheden te verliezen1 hun vr alles de algemeene verhoudingen omtrent alle dieren moest toonen2 het verband des geheels1 alsmede de wezenlijk daarop betrekking hebbende beschouwingen4 ,vervolgens stelde ik mij voor1 de voornaamste momenten te bespreken1 die dit geheel verdeelen1 om ze onder elkaar te vergelijken en elk afzonderlijk beter te doen kennen4 ,het ware middel toch1 om te komen tot een deugdelijke kennis van een onderwerp1 zelfs tot in de kleinste onderdeelen1 is3 te beginnen met het in zijn geheel te beschouwen2 door te onderzoeken1 f massa1 f uitgebreidheid1 f het geheel der samenstellende deelen4 ,dan moet men zijn aard en oorsprong onderzoeken1 welk verband er bestaat met andere bekende verschijnselen1 in n woord1 het onder alle gezichtspunten beschouwen1 die licht kunnen verschaffen omtrent de hun betreffende algemeene geldigheden4 ,men splitst vervolgens dat onderwerp in zijn voornaamste deelen om ze afzonderlijk te beschouwen in alle verhoudingen1 die ons te hunnen opzichte kunnen inlichten4 ,en aldus voortgaande met verdeelen en onderverdeelen dringt men tot in de kleinste details door1 waarvan de bijzonderheden onderzocht worden1 tot de geringste toe4 ,aan het eind van dit onderzoek trekt men er de conclusies uit en gaandeweg wordt zoo de wijsbegeerte dezer wetenschap opgesteld en verbeterd4 ,alleen langs dezen weg kan het menschelijk verstand de meest uitgebreide1 deugdelijke en stevig gegrondveste kennis erlangen1 in welke wetenschap ook4 ,en alleen door deze wijze van analyse maakt zij wezenlijke vorderingen en worden de betreffende onderwerpen nooit verward maar volkomen doorgrond4 ,ongelukkig is men bij de natuurstudie niet genoeg gewend deze methode te volgen4 ,de wel erkende noodzaak de afzonderlijke voorwerpen goed waar te nemen heeft de gewoonte doen ontstaan1 zich daarbij en bij hun kleinste details te bepalen1 zoodat zij voor de meeste natuurvorschers het voornaamste onderwerp van studie geworden zijn4 ,het zou intusschen voor de natuurwetenschappen een werkelijke remming zijn #d1 indien men in de waargenomen objecten slechts hardnekkiglijk den vorm1 afmeting1 uitwendig voorkomen tot in de kleinste details1 kleur enz4 bleef zien1 en als die systematici zich niet verwaardigden zich tot beschouwingen van hoogere orde op te werken1 zooals het onderzoek naar de natuur van het onderhavige voorwerp1 naar de oorzaken der wijzigingen en variaties1 waaraan het is onderworpen1 naar hunne onderlinge betrekkingen en die met de andere bekende voorwerpen1 enz4 ,doordat men niet genoeg de geschetste methode volgt1 merkt men zooveel uiteenloopende richtingen op in het dienaangaande geleeraarde1 zoowel in de boeken1 als elders1 begrijpen de systematische specialisten slechts hoogst moeilijk het algemeene verband tusschen de natuurvormen of het ware plan der natuur en erkennen zij bijna geen harer wetten4 ,eenerzijds nu overtuigd1 dat men niet een methode moet volgen die dusdanig de gedachten beperkt en benauwt1 en anderzijds verplicht1 een nieuwe uitgave van mijn ,systeem der ongewervelde ,dieren te bezorgen1 daar de snelle vorderingen der vergelijkende anatomie1 de nieuwe ontdekkingen der zologen en mijne eigene waarnemingen mij in staat stelden1 dit werk te verbeteren1 heb ik gemeend in een afzonderlijk werk onder den titel ,zologische ,philosophie te moeten verzamelen4 #a;e4 ,de algemeene beginselen voor de studie van het dierenrijk2 #b;e4 de belangrijke waarnemingen1 waarmee men daarbij rekening moet houden2 #c;e4 overwegingen betreffende de wetmatige groepeering der dieren en hun meest passende classificeering2 #d;e4 de gewichtigste gevolgtrekkingen natuurlijkerwijze uit een en ander af te leiden en die de ware philosophie der wetenschap grondvesten4 ,de ,zologische philosophie is niet anders dan een omgewerkte verbeterde en zeer vermeerderde uitgave mijner ,onderzoekingen over levende ,wezens4 ,zij is verdeeld in drie deelen1 en elk daarvan weer in verschillende hoofdstukken4 ,in het eerste deel1 dat de voornaamste waargenomen feiten moet bevatten en de algemeene beginselen der natuurwetenschappen1 zal ik eerst datgene behandelen1 wat ik noem hun kunstmatige hulpmiddelen1 het belang van een beschouwing van de overeenkomsten en van het ons te vormen begrip van dusgenoemde levende soorten4 ,na de algemeene geldigheden omtrent de dieren ontwikkeld te hebben1 zal ik uiteenzetten3 primo de bewijzen voor een trapsgewijze afklimming in organisatie1 die heerscht van het eene einde tot het andere van een dierketen1 waarbij de meest volkomen dieren aan het begin zijn geplaatst2 secundo zal ik aantoonen den invloed der omstandigheden en gewoonten op de dierlijke organen1 als zijnde de bron der oorzaken1 die hun ontwikkeling bevorderen of remmen4 ,ik zal dat gedeelte beindigen met een beschouwing van de natuurlijke orde der dieren en een epos van hun groepeering en indeeling4 ,in het tweede deel hoop ik mijn denkbeelden te geven over de orde en gesteldheid1 die den kern van het dierlijke leven uitmaken en ik zal de wezenlijke bestaansvoorwaarden van dat bewonderenswaardige natuurverschijnsel aanwijzen4 ,vervolgens zal ik de oorzaken trachten te bepalen1 die prikkelen tot organische bewegingen2 die van spanning en prikkelbaarheid2 de eigenschappen van het celweefsel2 de eenige voorwaarden waarbij generatio spontanea kan optreden2 de klaarblijkelijke gevolgen van de levensuitingen enz4 enz4 ,in het derde deel zal ik ten slotte mijn gedachten uitspreken omtrent de physieke oorzaken van het gevoel1 de actieve vermogens en de verstandshandelingen van zekere dieren4 ,ik zal daarbij behandelen2 #a;e4 den oorsprong en de vorming van het zenuwstelsel2 #b;e4 het zenuwfluidum1 slechts indirect te kennen1 maar welks bestaan bewezen wordt door de aan hetzelve bij uitstek eigen verschijnselen2 #c;e4 de stoffelijke gevoeligheid en het mechanisme der gewaarwordingen2 #d;e4 de kracht1 die de bewegingen en handelingen der dieren voortbrengt2 #e;e4 den bron van den wil of het vermogen daartoe2 #f;e4 de ideen en hun verschillende rangorde2 #g;e4 ten slotte eenige bijzondere uitingen van het verstand1 zooals de aandacht1 de gedachten1 de verbeelding1 de herinnering1 enz4 ,de in het tweede en derde deel uiteengezette beschouwingen behelzen ongetwijfeld zeer moeilijke en zelfs schijnbaar onoplosbare onderwerpen4 ,maar ze zijn zoo belangwekkend1 dat ook al de pogingen ten hunnen opzichte van nut kunnen zijn1 hetzij door het aantoonen van nog niet opgemerkte waarheden1 hetzij door den weg te banen1 die tot haar kan leiden4 ,,zo,,logische ,,philosophie ,,eerste ,,deel ,beschouwingen over de natuurlijke historie der ,dieren1 hun eigenaardigheden1 verhoudingen1 organisatie1 rangschikking en indeeling in soorten ,,hoofdstuk ,i ,,de ,,kunstmatige ,,hulpmiddelen ,,der ,,natuurwetenschappen ,overal in de natuur1 waar de mensch zich zet tot het vergaren van kennis1 is hij gedwongen1 verschillende middelen te gebruiken1 #a;e4 om orde te scheppen tusschen de oneindig-talrijke en gevarieerde beschouwde voorwerpen2 #b;e4 om zonder verwarring in die onmetelijke menigte f belangwekkende groepen te onderscheiden1 f elk voorwerp op zichzelf2 #c;e4 tenslotte om alles wat men vernomen en gedacht heeft aan zijns gelijken mee te deelen4 ,het daarbij door ons benoodigde dan vormt wat ik noem de kunstmatige hulpmiddelen der natuurwetenschappen1 niet te verwarren met de wetten en handelingen zelf der natuur4 ,evenzeer als het noodig is1 in die wetenschap het kunstmatige van het natuurlijke te onderscheiden1 zoo moet men ook twee heel verschillende drijfveeren tot natuurstudie uiteenhouden4 ,de eene is een economische1 omdat zij ontstaat uit de menschelijke behoeften aan nooddruft en verpoozing met betrekking tot de natuurvoortbrengselen1 die hij zich ten nutte wil maken4 ,uit dien hoofde interesseert hij zich slechts voor zulke1 waarvan hij voordeel wacht4 ,de andere1 hiervan zeer verschillende drijfveer is de wijsgeerige1 die ons doet wenschen de natuur zelf in al haar geledingen te leeren kennen1 om haar beloop1 wetten en verrichtingen te begrijpen1 ons een denkbeeld te vormen1 van alles1 wat zij laat ontstaan en bestaan1 i4e4w41 die soort kennis verschaft1 die den waren natuurvorscher kenmerkt4 ,den weinigen van deze geestesrichting interesseeren alle waarneembare natuurverschijnselen gelijkelijk4 ,de economische en amusements-behoeften deden eerst de verschillende hulpmiddelen bedenken1 bij de natuurwetenschap in gebruik4 ,eenmaal doordrongen van de belangstelling in de natuurstudie pasten wij hen daarbij verder toe4 ,zoo zijn die middelen onontbeerlijk1 zoowel bij de bestudeering van bepaalde voorwerpen als ter bevordering der natuurwetenschappen 7i4h4a471 en ter orinteering in haar enorme hoeveelheid verschillende objecten4 ,nu dwingt ons de wijsgeerige belangstelling in de betreffende wetenschappen--ofschoon minder algemeen gevoeld dan de economische--tot scheiding van het kunstmatige en het natuurlijke en de behandeling van het eerste binnen passende grenzen te houden1 om aan het tweede alle verdiende aandacht te schenken4 ,die hulpmiddelen zijn3 #a;e4 ,de systematische algemeene en bijzondere indeeling4 #b;e4 ,de klassen4 #c;e4 ,de orden4 #d;e4 ,de families4 #e;e4 ,de geslachten4 #f;e4 ,de nomenclatuur1 zoowel der verschillende afdeelingen als der bijzondere voorwerpen4 ,deze #f1 in de natuurwetenschappen algemeen gebruikelijke1 echte kunst-middelen moeten dienen tot het rangschikken1 indeelen1 bestudeeren1 vergelijken1 herkennen en aanhalen van de verschillende waargenomen natuurvoortbrengselen4 ,iets dergelijks heeft de natuur niet gedaan1 en inplaats ons zelf te misleiden door ons werk met het hare te verwarren1 moeten wij erkennen1 dat de klassen1 orden1 families1 geslachten en desbetreffende nomenclatuur hulpmiddelen van onze vinding zijn1 weliswaar onmisbaar1 maar die men moet gebruiken volgens overeengekomen beginselen om willekeurige veranderingen te vermijden1 die alle voordeel zouden te niet doen4 ,zonder twijfel moest men onvermijdelijk de natuurvoortbrengselen groepeeren en onder hen verschillende indeelingen opstellen1 zooals klassen1 orden1 families en geslachten en z4g4 soorten afpalen en al deze grootheden benoemen4 ,de grenzen van ons kunnen eischen het en wij behoeven zulke middelen als hulp bij het vastleggen van onze kennis omtrent die wonderbaarlijke menigte tot in 't oneindige verschillende1 waarneembare natuurvormen4 ,maar deze classificaties1 dikwijls zoo gelukkig door de natuurvorschers bedacht1 evenals haar indeelingen en onderverdeelingen1 zijn geheel en al kunstmatig4 ,niets van dat alles bevindt zich in de natuur1 ondanks den grondslag1 daaraan schijnbaar gegeven door zekere in schijn op zichzelf staande deelen van de ons bekende natuurlijke reeks4 ,men kan dan ook verzekeren1 dat de natuur klassen1 orden1 families1 geslachten noch soorten werkelijk in constanten vorm heeft voortgebracht1 maar alleen individuen die elkaar opvolgen en gelijken op hun voortbrengers #e4 ,deze enkelingen nu behooren tot oneindig-verschillende rassen1 geschakeerd in allerlei vormen en allerlei graden van bewerktuiging die onveranderd blijven zoolang geen oorzaak tot verandering op hen werkt4 ,laten wij enkele korte uiteenzettingen geven omtrent elk der zes genoemde hulpmiddelen4 ,systematische rangschikking4 ,zoo noem ik--hetzij in het algemeen1 hetzij in het bijzonder--elke reeks dieren of planten1 die niet overeenkomt met de natuurlijke orde1 d4w4z4 deze noch geheel1 noch gedeeltelijk weergeeft en bijgevolg niet gegrond is op welbepaalde onderlinge verhoudingen4 ,men heeft tegenwoordig allen grond tot de erkenning1 dat in de natuur een gestelde orde heerscht onder al haar levende wezens1 volgens welke orde zij oorspronkelijk gevormd zijn4 ,deze orde zelf bestaat in elk organisch rijk in wezen nig en ongedeeld en is te kennen uit de bijzondere en algemeene betrekkingen tusschen haar verschillende samenstellende deelen4 ,de organismen aan beide einden van zoo'n geordende reeks hebben onderling het minst wezenlijk verband en vertoonen in samenstelling en vorm de grootst mogelijke verschillen4 ,die orde zal1 naarmate we haar leeren kennen1 de systematische of kunstmatige rangschikking vervangen1 opgesteld om gemakkelijk de verschillende waargenomen natuurvoorwerpen te groepeeren4 ,inderdaad heeft men daarbij in de beginne slechts aan hun gemakkelijke onderscheiding gedacht4 ,en de werkelijke natuurlijke orde heeft men des te langer ondoorvorscht gelaten1 daar men haar bestaan zelfs niet vermoedde4 ,daardoor ontstonden allerlei kunstmatige systemen en methoden1 gegrond op z willekeurige beschouwingen1 dat zij bijna door iederen auteur beginselwijzigingen ondergingen4 ,het sexueele systeem van ,linnaeus1 zoo vernuftig het is1 vertegenwoordigt een algemeene systematische indeeling der planten2 en de entomologie van ,fabricius een bijzondere dito voor de insecten4 ,de philosophie der natuurwetenschappen heeft in den laatsten tijd haar bekende vorderingen moeten maken1 om ons--tenminste in ,frankrijk--te overtuigen van de noodzakelijkheid het natuurlijke systeem te bestudeeren1 d4w4z4 in onze indeelingen de natuurlijke orde zelf te zoeken4 ,want deze is de eenige blijvende1 onafhankelijke van alle willekeur en de aandacht des onderzoekers waardige4 ,bij de planten is de natuurlijke methode uiterst moeilijk te volgen1 door de nog duistere inwendige organisatie dier wezens en de mogelijke verschillen daarin bij de onderscheidene families4 ,intusschen heeft men na de geleerde onderzoekingen van ,antoine ,laurent de ,jussieu een grooten stap gedaan naar het natuurlijke systeem in de botanie4 ,talrijke families zijn gevormd op het onderzoek der onderlinge betrekkingen4 ,maar ons rest nog een deugdelijke bepaling van de algemeene verhoudingen al dezer families onder elkaar en bijgevolg van de heele ,orde4 ,het begin daarvan heeft men werkelijk gevonden1 maar het midden en vooral het einde zijn nog aan willekeur ten prooi4 ,met de dieren is het anders gesteld4 ,hun veel uitgesprokener organisatie in verschillende meer begrijpelijke stelsels heeft hun bewerking bevorderd4 ,de natuurlijke ,orde in het dierenrijk is dan ook tegenwoordig in hoofdtrekken vast en voldoende omlijnd4 ,alleen de grenzen der klassen1 orden1 families en geslachten zijn nog aan willekeur prijsgegeven4 ,de onder de dieren opgestelde systematische rangschikkingen zijn nog slechts bijzondere1 die bijvoorbeeld leden van n klasse betreffen1 bijvoorbeeld van de vogels of visschen4 ,bij de levende wezens zijn de determineer-kenmerken voor de natuurlijke betrekkingen van des te minder wezenlijken aard1 hoe meer men afdaalt van het algemeene tot het bijzondere1 en de ware ,orde der natuur wordt zoo hoe langer hoe moeilijker herkenbaar4 ,de klassen4 ,men geeft den naam klassen aan de algemeene hoofd-afdeelingen van een natuurrijk4 ,over de andere namen spreken we straks4 ,hoe meer onze kennis vordert omtrent de betrekkingen tusschen de samenstellende elementen van een rijk1 hoe beter en natuurlijker de opgestelde klassen zijn1 als men met die betrekkingen rekening heeft gehouden4 ,desniettemin zijn zelfs tusschen de beste klassen de grenzen kennelijk kunstmatig4 ,zij ondergaan dan ook steeds willekeurige wijzigingen van den kant der auteurs1 zoolang deze het niet eens zijn over zekere betreffende hulp-principes1 en zich daaraan niet onderwerpen4 ,zoo zullen dan1 zelfs indien de natuurlijke ,orde in een rijk volkomen bekend was1 de op te stellen klassen altijd echt kunstmatige verdeelsels blijven4 ,intusschen schijnen vooral in het dierenrijk verscheidene van die afdeelingen werkelijk door de natuur zelf geformeerd te zijn4 ,en zeker zal men nog lang nauwelijks gelooven1 dat de zoogdieren1 vogels1 enz4 gn wl onderscheiden1 natuurlijke klassen zijn4 ,en toch is dat slechts inbeelding en tegelijk een gevolg van de grenzen onzer kennis omtrent de bestaande of voormalige dieren4 ,hoe meer die voortschrijdt1 hoe meer bewijzen verkrijgen we1 dat de grenzen1 zelfs van de meest-afgezonderd schijnende klassen1 zich door onze nieuwe ontdekkingen zien uitgewischt4 ,zoo schijnen al de vogelbekdieren en mieren-egels het bestaan aan te duiden van overgangsvormen tusschen vogels en zoogdieren4 ,hoeveel zou de natuurwetenschap er niet bij winnen1 als het groote ,australische gebied1 en nog verscheiden andere1 ons beter bekend waren4 ,als klassen de afdeelingen van den eersten graad zijn1 volgt daaruit1 dat daarin gevormde indeelingen zelf geen klassen kunnen zijn2 want dat is klaarblijkelijk minder passend4 ,toch doet men dat wel4 ,brisson heeft1 in zijn ,ornithologie1 de klasse der vogels in verschillende bijzondere klassen verdeeld4 ,gelijk overal de natuur aan wetten1 zoo moet ook de wetenschap aan regels onderworpen zijn4 ,bij gebreke daaraan1--of als zij niet opgevolgd worden--blijven haar voortbrengselen onbestendig en haar doel gemist4 ,moderne natuurkundigen hebben een verdeeling van een klasse in meerdere onderklassen ingevoerd1 en anderen hebben dit denkbeeld zelfs toegepast op geslachten1 zoodat er sub-genera gevormd werden4 ,weldra zal ons systeem onder-klassen1 -orden1 -families1 -geslachten en -soorten rijk zijn4 ,dat is een onberaden misbruik dat de rangorde en eenvoud van indeeling vernietigt1 door ,linnaeus in zijn voorbeeld gesteld en door ieder aangenomen4 ,de verscheidenheid der tot een klasse behoorende dieren of planten is soms zoo groot1 dat het noodig is1 daaronder veel afdeelingen en onder-afdeelingen op te stellen4 ,maar het belang der wetenschap vordert voor elk daarvan steeds den grootst mogelijken eenvoud1 om de studie te vergemakkelijken4 ,dat belang laat al die afdeelingen toe1 maar verzet zich tegen een eigen naam voor elk4 ,er moet een einde komen aan dat namenmisbruik1 anders zou de nomenclatuur nog een moeilijker onderwerp worden1 dan de dingen zelf1 waar het om gaat4 ,de ,orden4 ,den naam orde moet men geven aan de voornaamste afdeelingen van een klasse4 ,en als deze zelf weer onder-verdeeling toelaten1 zijn die onderdeelen geen orden meer4 ,die naam zou haar kwalijk passen4 ,zoo is bijvoorbeeld de klasse der weekdieren gereedelijk in twee groote partijen te verdeelen1 de eene met een kop1 oogen enz4 en zich voortplantend door paring1 de andere zonder kop en oogen en paring4 ,deze cephale en acephale mollusken moeten dus als de twee orden van die klasse beschouwd worden4 ,intusschen is elk daarvan in meerdere merkwaardige parten te deelen4 ,maar dat is nog geen reden om deze nu orden of zelfs onder-orden te noemen4 ,zij kunnen als secties beschouwd worden1 als groote families1 zelf voor onderverdeeling vatbaar4 ,laat ons in onze hulpmiddelen den grooten eenvoud en rangorde bewaren1 door ,linnaeus ingesteld4 ,en laten we die orden voorzoover noodig in onderdeelen splitsen1 zonder bijzondere benamingen4 ,de orden moeten geteekend zijn door belangrijke kenmerken1 alle opgenomen leden betreffende4 ,maar men moet haar geen bijzondere naam geven1 toepasselijk op die leden zelf4 ,hetzelfde moet 't geval zijn met de noodzakelijk onder de orden te formeeren secties4 ,de ,families4 ,men geeft de naam familie aan systematische groepen1 die eenerzijds kleiner zijn dan de 7klassen en7 orden1 anderzijds grooter dan de genera4 ,maar hoe natuurlijk ook de families zijn door de onderlinge verwantschap van alle erin vervatte geslachten1 toch zijn de haar afbakenende grenzen altijd kunstmatig4 ,de natuurvorschers zullen dan ook door de verdere studie der natuurvoortbrengselen en het vinden van nieuwe families steeds hare grenzen wijzigen4 ,de een verdeelt een familie in verscheiden nieuwe1 de ander vereenigt er verschillende tot n1 weer een ander voegt eraan toe en verschuift zoo de haar toegekende grenzen4 ,als alle 7soorten genoemde7 rassen van een natuurrijk volmaakt bekend waren1 en eveneens de ware betrekkingen tusschen elk daarvan alsmede tusschen de verschillende gevormde groepen1 zoodat overal het werkelijk natuurlijk verband in de verdeeling der soorten tot stand gebracht ware1 dan zouden de klassen1 orden1 secties1 en geslachten families zijn van verschillende grootten4 ,want al die afdeelingen zouden grooter of kleiner porties zijn der natuurlijke ,orde4 ,in dat geval zouden de grenzen daartusschen uiterst lastig zijn vast te stellen4 ,willekeur zou ze onophoudelijk doen varieeren en men zou het er slechts over eens zijn1 voor zoover ze door gapingen duidelijk afgeperkt zijn4 ,gelukkig voor de in te voeren kunstbegrippen zijn er nog zveel soorten dieren en planten onbekend--en daarbij vele wellicht voor altoos1 wegens de ontoegankelijkheid van hun verblijfplaats of andere omstandigheden--dat de ontstane gapingen in de reeks1 zoowel de dieren als de planten ons nog lang--wellicht voorgoed--de begrenzing der meeste afdeelingen zal mogelijk maken4 ,gebruik en noodzaak vereischen voor elke familie en elk geslacht een eigen1 toepasselijken naam4 ,daaruit volgt1 dat de schommelingen in grenzen1 uitbreiding en bepaling der families steeds nomenclatuur-veranderingen zullen veroorzaken4 ,de ,geslachten4 ,men geeft den naam geslacht aan een vereeniging van soorten volgens hun onderlinge betrekkingen en stelt aldus kleine reeksen op1 omschreven door willekeurig-gekozen grenzen4 ,bij een goed genus gelijken alle bestreken soorten in de meest wezenlijke en talrijke trekken op elkaar1 moeten natuurlijkerwijze naast elkaar geschikt worden en verschillende slechts onderling in min-gewichtige opzichten1 maar voldoende ter onderscheiding4 ,zoo zijn de goede geslachten inderdaad kleine families1 d4w4z4 werkelijke deelen der ,natuurorde4 ,maar gelijk de uitbreiding der als families betitelde reeksen gevarieerd worden door de auteurs1 die willekeurig in de betreffende grondleggende normen afwijken1 zoo zijn ook de grenzen der genera blootgesteld aan oneindige veranderingen1 wijl zijlieden naar hun believen hun determineerkenmerken wijzigen4 ,en daar de geslachten elk een eigen naam vereischen en elke verandering in de genusbepaling bijna altijd naamswijziging meebrengt1 zoo kan men moeilijk de schade berekenen1 welke die eeuwige wijzigingen aan den voortgang der natuurwetenschappen toebrengen1 hoe zij de synonymie overstelpen1 de nomenclatuur overladen en de studie lastig en onaangenaam maken4 ,wanneer zullen de natuurkenners zich aan algemeen overeengekomen beginselen onderwerpen1 voor het opstellen van genera1 enz4 enz48 ,maar1 verleid door de natuurlijke betrekkingen1 herkend tusschen de samengebrachte voorwerpen1 gelooven zij bijna allen nog1 dat de opgestelde geslachten1 families1 orden en klassen werkelijk natuurlijk zijn4 ,zij bedenken niet1 dat weliswaar de goede reeksen1 op grond der onderlinge betrekkingen opgesteld1 werkelijk in de natuur bestaan1--als grooter of kleiner deelen harer ,orde--maar dat de scheidingslijnen1 noodwendig van afstand tot afstand te trekken om de ,natuurorde in te deelen1 daar geenszins zijn4 ,bijgevolg zijn de geslachten1 families1 verschillende secties1 orden en zelfs de klassen werkelijke kunstbegrippen1 hoe natuurlijk de welgevormde series ook mogen zijn1 die deze onderscheidene afdeelingen uitmaken4 ,ongetwijfeld is hun opstelling noodig en ze strekt klaarblijkelijk tot nut4 ,maar zij moet onderworpen worden aan overeengekomen en algemeen erkende regelen1 opdat niet door voortdurend misbruik alle opgeleverde voordeel te loor ga4 ,de ,nomenclatuur1 het zesde kunstbegrip4 ,zoo noemt men het stelsel van namen1 toegekend1 zoowel aan de afzonderlijke voorwerpen 7alle rassen of soorten7 als aan de verschillende groepen daarvan 7alle genera1 families en klassen74 ,tot duidelijke aanduiding van het voorwerp onzer nomenclatuur1--die slechts namen van soorten1 genera1 families en klassen behelst--moet men haar onderscheiden van die eener ndere tak van wetenschap1 de technologie1 welke uitsluitend deelen van natuurproducten betreft4 #f ,stellig is de nomenclatuur in de natuurlijke historie een noodzakelijk kunstbegrip1 om onze denkbeelden omtrent de waargenomen natuurvoortbrengselen vast te leggen en beide te kunnen overbrengen4 ,gewis moet dit hulpmiddel1 als alle andere1 onderworpen worden aan overeengekomen en algemeen opvolgende regelen4 ,weliswaar ontstaat het algemeene en beklagenswaardige misbruik hoofdzakelijk door de steeds talrijker verkeerde inkruipsels in de overige kunstbegrippen4 ,inderdaad ondergaat de nomenclatuur onbegrensde wijziging1 doordat bij gebrek aan vaste regels voor de vorming van geslachten1 families en klassen deze grootheden aan allerlei willekeur zijn blootgesteld4 ,en de reeds zoo uitgebreide synonymie zal steeds aangroeien1 en steeds minder zulk een fnuikende wanorde kunnen goed maken4 ,dat was nooit geschied1 indien men niet in aanmerking had genomen1 dat alle in de serie van levende wezens te trekken scheidslijnen in wezen kunstmatig zijn1 behalve voor zoover ze volgen uit nog openstaande gapingen4 ,maar men heeft dat niet bedacht4 ,men twijfelt dienaangaande zelfs niet1 en tot op onze dagen hebben de natuurvorschers vrijwel niet anders beoogd1 dan verscheidenheden tusschen de voorwerpen opstellen1 wat ik hoop aan te toonen #g4 ,ziedaar de gevolgen van het verzuim te onderscheiden tusschen het werkelijk-kunstmatige en het natuurlijke en van het feit1 dat men zich niet beijverd heeft1 passende regels te vinden1 om de op te stellen afdeelingen minder willekeurig te bepalen4 ,,hoofdstuk ,,ii ,,belang ,,van ,,een ,,beschouwing ,,over ,,de ,,natuurlijke ,,overeenkomsten ,men heeft onder de levende wezens den naam overeenkomst tusschen twee vergeleken voorwerpen gegeven aan trekken van analogie of gelijkenis1 in hun geheel genomen1 waarbij men inmiddels aan de gewichtigste de meeste waarde hecht4 ,hoe gelijkvormiger en omvattender ze zijn1 hoe belangrijker zijn die onderlinge betrekkingen4 ,zij duiden een soort verwantschap aan tusschen de betreffende levende wezens en doen de noodzakelijkheid gevoelen ze in onze indeelingen volgens den graad hunner overeenkomst bijeen te plaatsen4 ,welk een veranderden loop hebben de natuurwetenschappen niet genomen1 sinds men ernstig is begonnen1 aandacht te schenken aan de onderlinge overeenkomsten en vooral sinds men hun ware beginselen en waarde heeft vastgesteld4 ,vr deze verandering waren onze botanische indeelingen geheel ten prooi aan willekeur en aan mededinging onder de kunstmatige stelsels van alle schrijvers4 ,en in het dierenrijk vertoonde de indeeling der ongewervelden--de meerderheid van alle bekende dieren--zeer heterogene verzamelingen1 bijvoorbeeld onder den naam insecten of wormen1 van zeer uiteenloopende1 ver-verwante dieren4 ,gelukkig is de stand van zaken in dit opzicht veranderd4 ,voortaan is men verzekerd van voortuitgang1 bij de verdere studie der natuurlijke historie4 ,een beschouwing der natuurlijke overeenkomsten verhindert elke willekeur van onzen kant bij de pogingen tot een stelselmatige indeeling der levende wezens4 ,zij toont ons de natuurwet1 die ons moet leiden in het natuurlijke systeem4 ,zij dwingt de natuurkenners tot accoord omtrent den toe te kennen rang aan de voornaamste samenstellende groepen van hun stelsel en voorts aan de bijzondere voorwerpen1 waaruit die zijn opgebouwd4 ,ten slotte brengt zij hen tot het weergeven van de ,orde zelve1 die de natuur heeft gevolgd bij het voortbrengen van haar schepselen4 ,zoo moet dan de overeenkomst tusschen de verschillende dieren ons voornaamste voorwerp van onderzoek zijn vr elke indeeling of classificatie4 ,de betrekkingen1 waarover wij het hier hebben1 betreffen niet alleen die tusschen de soorten onderling1 maar ook al de nauwere of meer verwijderde algemeene betrekkingen tusschen de verschillende vergeleken groepen4 ,deze overeenkomsten1 ofschoon--al naar het belang van de betreffende deelen--van zeer verschillenden graad1 kunnen zich inmiddels tot de gedaante der uitwendige lichaamsdeelen uitstrekken4 ,als zij zoover gaan1 dat niet slechts de in-1 maar ook de uitwendige organen geen enkel aanwijsbaar verschil bieden1 dan zijn de beschouwde voorwerpen individuen van dezelfde soort4 ,maar als1 ondanks vrgaande1 wezenlijke overeenkomst1 de uitwendige deelen voelbare verschillen vertoonen1 dan zijn het onderscheidene soorten van eenzelfde geslacht4 ,het belangrijke onderzoek naar de onderlinge betrekkingen bepaalt zich niet tot het vergelijken van klassen1 families of zelfs soorten1 maar omvat ook een behandeling van de samenstellende deelen der individuen4 ,de vergelijking van gelijksoortige deelen met elkaar levert een gewichtig middel tot herkenning van specifieke overeenkomst of verschil tusschen de dieren4 ,men heeft namelijk opgemerkt1 dat de verhouding en schikking der deelen van alle individuen van een soort of ras steeds dezelfde blijven4 ,men heeft daaruit terecht besloten1 dat bij onderzoek van een paar afzonderlijke deelen is uit te maken1 tot welke bekende of nieuwe soort deze behooren4 ,dit middel bevordert zeer onze kennis der natuurvoortbrengselen in het tijdperk der waarneming4 ,maar de daaruit voortvloeiende determinaties kunnen slechts beperkten tijd geldig zijn1 want van de rassen zelf verandert de toestand der deelen naarmate de op hen in werkende omstandigheden zelf zich belangrijk wijzigen4 ,daar die veranderingen zich uiterst langzaam en onmerkbaar voltrekken1 schijnen de verhoudingen en schikkingen den waarnemer steeds onveranderlijk dezelfde4 ,en als hij er ontmoet1 die wl afgeweken zijn1 zoo meent hij1 die die verandering niet heeft zien plaats grijpen dat de bemerkte verschillen altijd hebben bestaan4 ,waar blijft het niettemin1 dat men bij vergelijking van gelijksoortige deelen van verschillende individuen de meerdere of mindere overeenkomst tusschen die deelen gemakkelijk en zeker bepaalt1 en ze bijgevolg herkent als te behooren tot individuen van dezelfde dan wel verschillende soort4 ,slechts de algemeene gevolgtrekking gaat mank1 als zijnde te overhaast opgesteld4 ,bij meer dan een gelegenheid zal ik dat in den loop van dit werk kunnen bewijzen4 ,de betrekkingen zijn steeds volledig1 als zij slechts op de beschouwing berusten van een op zichzelf genomen deel4 ,maar niettemin is haar belang evenredig met het min of meer essentieele van het desbetreffende deel4 ,er zijn dus graden in de bevonden overeenkomsten te bepalen en de belangrijkheid der betreffende deelen is van verschillende waarde4 ,deze kennis zou waarlijk zonder toepassing en nut gebleven zijn1 als men bij de levende wezens niet had leeren onderscheiden tusschen meer en minder wichtige deelen en als men bij de eerste niet het geigende beginsel had gevonden om tusschen hen 7niet-willekeurige7 waarde-graden op te stellen4 ,bij de dieren leveren de wezenlijke deelen voor instandhouding van het leven en bij de planten die voor de voortplanting de belangrijkste overeenkomsten4 ,daarom zal men de onderlinge betrekkingen bij de dieren steeds voor alles naar de inwendige samenstelling bepalen en bij de planten naar de voortplantingsorganen4 ,maar daar beide deze gewichtigste deelen van verschillenden aard zijn1 is het eenige passende middel1 om hun belangrijkheid uit te maken3 te onderzoeken1 welk hunner van nature 't meest gebruikt wordt en het belang dier functie voor het betreffende dier4 ,bij de dieren worden terecht drierlei bijzondere soorten organen uitgezocht als de geschiktste voor het leveren der voornaamste overeenkomsten4 ,in volgorde van gewicht zijn zij3 #a;e4 ,de gevoelsorganen3 de zenuwen met een middelpunt van verbindingen1 enkelvoudig 7hersenen7 of meervoudig 7buikganglieketen74 #b;e4 ,de ademhalingsorganen3 de longen1 kieuwen en tracheen4 #c;e4 ,het apparaat voor den bloedsomloop3 de slagaders en aders1 meest met een middelpunt van werking3 het hart4 ,de eerste twee dezer organen worden meer algemeen gebruikt door de natuur en zijn daardoor belangrijker dan het derde1 want zij komen nog voor bij de twee klassen nder de crustaceen1 terwijl het laatstgenoemde daar ontbreekt4 ,van de twee eerstgenoemde winnen het weer de gevoelsorganen in belang voor de onderlinge overeenkomsten1 want zij veroorzaken de meest-typische dierlijke functies en zonder hen zou er geen spierbeweging plaats hebben4 ,voor de gewassen1 waar alleen de voortplantingsorganen punten van overeenkomst-bepaling geven1 zou ik die deelen in volgorde van waarde aldus geven3 #a;e4 ,de kiem met toebehooren 7zaadlobben1 perisperm7 en zaad4 #b;e4 ,de geslachtsdeelen der bloemen3 de stamper en meeldraden4 #c;e4 ,de hulsels van deze3 kroon1 kelk1 enz4 #d;e4 ,de vruchthulsels of pericarp4 #e;e4 ,de ongeslachtelijke voortplantingsorganen4 ,deze beginselen geven aan de natuurwetenschap een ongekende duurzaamheid en houvast4 ,de daarop gegronde betrekkingen zijn volstrekt niet onderworpen aan wisselvalligheden van opvatting4 ,onze algemeene indeelingen worden hechter1 en naarmate wij ze met behulp dezer middelen volmaken1 naderen zij meer en meer tot de ,orde der natuur zelf4 ,na het belang der verwantschap gevoeld te hebben1 zag men inderdaad1 vooral sinds de laatste jaren1 pogingen opkomen tot 't opstellen van het z4g4 natuurlijke systeem zijnde niets anders dan de door den mensch uitgestippelde schets van den gang der natuur bij het doen ontstaan harer schepselen4 ,tegenwoordig moet men in ,frankrijk niets meer hebben van die kunstmatige stelsels1 gebaseerd op kenmerken1 die strijden met de natuurlijke betrekkingen tusschen de betreffende wezens1 en waarop berustende indeelingen schadelijk zijn voor den voortgang van onze natuurkennis4 ,ten opzichte der dieren is men tegenwoordig terecht overtuigd1 dat natuurlijke verwantschap alleen uit hun organisatie bepaald kan worden4 ,bijgevolg zal de zologie het daarvoor verlangde licht meest aan de vergelijkende anatomen ontleenen4 ,maar het zij opgemerkt1 dat wij voornamelijk de feiten uit hun werken moeten vergaren1 en niet altijd de daaruit getrokken conclusies4 ,want maar al te dikwijls gaan deze van misleidende gezichtspunten uit1 die ons zouden kunnen hinderen in het zien van de wetten en het ware plan der natuur4 ,de mensch schijnt veroordeeld om bij elk nieuw-ontdekt feit te verdwalen in de aanwijzing van de oorzaak4 ,zoo vruchtbaar is zijn verbeelding in het scheppen van ideen1 waarbij hij dan al te zeer verzuimt zijn oordeel te doen leiden door algemeene samenvattende beschouwingen1 die waarnemingen en andere feiten hem bieden kunnen4 ,bij gereedelijke beoordeeling van de natuurlijke betrekkingen tusschen de voorwerpen1 blijken de naar dat beginsel bij elkaar gegroepeerde soorten z4g4 geslachten te vormen4 ,de geslachten1 op dezelfde wijze tot eenheden van hooger orde gerangschikt1 stellen de families samen1 deze op hun beurt orden1 deze de hoofd-indeeling der klassen en zij weer die der ,rijken4 ,overal moeten dus de naar waarde geschatte natuurlijke betrekkingen ons leiden bij het opstellen van al die afdeelingen4 ,men is gerechtigd1 aan te nemen1 dat een indeeling der heele reeks wezens van een ,rijk op grond der onderlinge overeenkomsten de natuurlijke ,orde zelf laat zien4 ,maar--gelijk ik in het vorige hoofdstuk heb aangetoond--moet men daarbij voor oogen houden1 dat de verschillende om studie-redenen op te stellen afdeelingen volstrekt niet in de natuur voorkomen1 maar inderdaad kunstmatig zijn1 ofschoon natuurlijke deelen van die door de natuur ingestelde orde4 ,voeg daarbij1 dat onder de dieren de verwantschap hoofdzakelijk naar de organisatie bepaald moet worden1 en dat de hierbij toegepaste beginselen niet den minsten twijfel aan hun gegrondheid moeten laten1 en men heeft bij alle beschouwingen een stevige basis voor de zologische philosophie4 ,elke wetenschap moet immers haar philosophie hebben1 en slechts op dezen weg kan zij ware vorderingen maken4 ,vergeefs zullen de natuuronderzoekers hun tijd besteden met het beschrijven van nieuwe soorten1 en elke schakeering en kleine bijzonderheid gebruiken om de geweldige lijst van ingeschreven soorten te vergrooten1 i4e4w41 om op alle manieren genera op te stellen en hun normen voortdurend te wijzigen4 ,als de wijsbegeerte der wetenschap verwaarloosd wordt1 zullen zij werkelijken vooruitgang derven en het heele werk onvoltooid blijven4 ,eerst sinds het vaststellen der nauwere of meer verwijderde betrekkingen tusschen de verschillende natuurvoortbrengselen en hun afdeelingen heeft de natuurwetenschap eenige stevigheid van beginselen gekregen en een philosophie1 die haar werkelijk tot dien rang verheft4 ,welk een voordeel trekt onze systematiek niet elken dag ter harer volmaking uit de voortgezette bestudeering der overeenkomsten6 ,zoo heb ik daarbij bevonden1 dat de infusiediertjes niet langer met de polypen in dezelfde klasse konden worden vereenigd2 dat de straaldieren evenmin daarmee saamgesmolten mochten worden2 en dat de geleiachtige dieren zooals de kwallen en naburige geslachten1 die ,linne en ,bruguiere zelfs onder de weekdieren plaatsten1 wezenlijk dichter stonden bij de zeegels en daarmee een afzonderlijke klasse moesten vormen774 ,voorts kwam ik bij die studien tot de overtuiging dat de wormen een afzonderlijke afdeeling vormden1 zeer verschillend van de straaldieren en a fortiori van de polypen2 dat de spinachtigen geen deel meer uitmaken konden van de klasse der insecten en dat de rankpootigen noch ringwormen noch weekdieren waren4 ,tenslotte kon ik door genoemde studin tal van wezenlijke verbeteringen aanbrengen in de afdeeling zelf der mollusken en bevond ik1 dat de pteropoden1 zeer verwant met--schoon gescheiden van--de gasteropoden1 niet tusschen deze en de cephalopoden mochten geplaatst worden1 maar tusschen de hun naburige koplooze en de buikpootige weekdieren in4 ,deze pteropoden toch hebben geen oogen1 gelijk alle acephalen1 en bijna geen kop1 ,hyalaea zelfs heelemaal niet4 7,zie in hoofdstuk ,,vii de bijzondere indeeling der ,mollusca74 ,zoodra bij de gewassen de studie der overeenkomsten tusschen de verschillende bekende families ons beter ingelicht zal hebben omtrent den rang1 dien elk in de algemeene reeks moet innemen1 zal ook hun indeeling geen plaats meer laten voor willekeur en meer gaan overeenkomen met de ,natuurlijke ,orde zelve4 ,zoo zijn dan de onderlinge betrekkingen van zoo kennelijk belang1 dat men haar bestudeering tegenwoordig moet beschouwen als de voornaamste voor de bevordering der natuurwetenschap4 ,,hoofdstuk ,,iii ,,over ,,de ,,soort ,,bij ,,de ,,levende ,,wezens ,,en ,,het ,,begrip ,,daaraan ,,te ,,hechten ,het is geen bagatel1 nauwkeurig het begrip te bepalen1 dat we ons te vormen hebben van z4g4 soorten onder de levende wezens1 en te onderzoeken1 of inderdaad soorten absoluut standvastig zijn1 dus even oud als de natuur zelf en alle van den aanvang af in hun tegenwoordigen toestand bestaan hebben2 of zij niet1 onderworpen aan mogelijke wijzigingen hunner omstandigheden1 op de duur van karakter en vorm veranderd zijn1 zij het ook uiterst langzaam8 ,de oplossing van deze vraag is niet alleen van belang voor zologie en botanie1 maar ook voor de geschiedenis van den aardbol4 ,in een van de volgende hoofdstukken zal ik laten zien1 dat elke soort onder den invloed van de haar langen tijd omringende omstandigheden1 gewoonten heeft aangenomen1 welke op haar beurt een omvormende werking hebben op de deelen van elk individu der soort1 zoodat zij deze met zichzelf in overeenstemming brengen4 ,laten wij echter eerst eens het bestaande soort-begrip in oogenschouw nemen4 ,soort noemt men elke verzameling van overeenkomstige individus1 die door huns gelijken zijn voortgebracht4 ,deze bepaling is juist1 want al wat leeft gelijkt steeds ten naaste bij op datgene1 waaruit het voortkomt4 ,maar men voegt er de onderstelling aan toe1 dat de een soort samenstellende eenheden nooit in specifieke kenmerken veranderen en de soort bijgevolg in de natuur volkomen vast-staat4 ,alleen tegen deze onderstelling wil ik den strijd aanbinden1 wijl zkere waarnemingen ten duidelijkste haar ongegrondheid doen blijken4 ,de bijna algemeene aanname #h dat de soorten levende wezens door onveranderlijke kenmerken duurzaam onderscheiden zijn en hun aanzijn even oud is als de natuur zelf1 werd opgesteld in een tijd1 toen men nog niet voldoende had waargenomen en de natuurkennis nog vrijwel nihil was4 ,elken dag wordt zij echter gelogenstraft voor wie gereedelijk hun oogen den kost gegeven hebben1 de natuur lang gadegeslagen en met vrucht de groote en rijke collecties hebben geraadpleegd in onze ,musea4 ,ieder1 die zich veel met natuurlijke historie heeft beziggehouden1 weet dan ook1 dat tegenwoordig de natuurvorschers de grootste moeite hebben met de soortbepaling4 ,in onwetendheid1 dat soorten inderdaad slechts constant zijn ten opzichte hunner eigene omstandigheden zoolang deze duren1 en dat sommige afwijkende individuen rassen vormen1 overgaande in die van een naburige soort1 bestempelen de systematici willekeurig sommige exemplaren in verschillende landen en levensvoorwaarden als variteiten1 andere als soorten4 ,daardoor wordt dat gedeelte van het werk1 dat de soortbepaling betreft1 met den dag gebrekkiger1 d4w4z4 verwarder en vol hindernissen4 ,men heeft nu inderdaad reeds lang verzamelingen van individuen bemerkt1 die in samenstelling hunner deelen z op elkaar lijken en van geslacht op geslacht zoolang men ze kent dezelfde blijven1 dat men zich gerechtigd waande ze te beschouwen als vormende onveranderlijke soorten4 ,daar men er intusschen geen acht op geslagen heeft1 dat de elementen van een soort zich zoo lang moeten bestendigen1 als de hun levenswijze benvloedende omstandigheden zich niet in wezen wijzigden1 en daar de heerschende vooroordeelen ingenomen waren met dat eeuwige voortteelen van gelijke individuen1 zoo heeft men de soorten onveranderlijk en even oud als de natuur geacht1 elk afzonderlijk geschapen door den oppersten ,veroorzaker van al het bestaande4 ,ongetwijfeld bestaat er niets dan door den wil van den oppersten ,schepper aller dingen4 ,maar kunnen wij hem regelen toekennen voor de uitoefening van zijn wil en de gevolgde wegen vaststellen8 ,heeft zijn oneindige macht niet een orde der dingen kunnen scheppen1 die achtereenvolgens het aanzijn gaf aan alles1 bekend en onbekend8 ,waarlijk1 hoe ook zijn wil geweest zij1 de onmetelijkheid zijner macht is steeds dezelfde4 ,en hoe deze opperste wil zich ook volvoerd moge hebben1 niets kan er de grootte van verminderen4 ,terwijl ik dus voor de besluiten van deze eeuwige wijsheid ontzag heb1 beperk ik mij binnen de grenzen van een eenvoudig waarnemer der natuur4 ,indien ik dus op de wegen1 waarlangs zij hare werken volvoert1 iets aan den dag breng1 zal ik1 zonder vrees mij te vergissen1 zeggen1 dat 't den ,schepper behaagd heeft1 hetzelve zoo'n eigenschap en kracht toe te kennen4 ,het soort-begrip1 dat men zich gevormd had1 was vrij eenvoudig en begrijpelijk en scheen bevestigd door de onderlinge vormgelijkenis der nakomelingen4 ,zoo is het ng gesteld met zeer veel z4g4 soorten1 die wij elken dag zien4 ,intusschen1 hoe meer onze kennis omtrent de verschillende organismen vooruitgaat1 waarmee haast alle deelen van de aardoppervlakte bedekt zijn1 hoe grooter wordt onze verlegenheid bij de soortbepalingen en a fortiori bij de begrenzing en onderscheiding van geslachten4 ,naarmate onze verzamelingen van natuurproducten rijker worden1 zien we bijna alle open plaatsen zich vullen en onze scheidslijnen vervagen774 ,wij vinden ons bepaald tot willekeurige definities1 die ons nu eens de geringste verschillen doet aangrijpen als kenmerken van een soort1 dan weer van variteiten4 ,ik herhaal het1 hoe rijker onze collecties1 hoe meer de bewijzen1 dat alles min of meer onderling is genuanceerd1 de verschillen zich verdoezelen en de natuur ons meestentijds slechts ondergeschikte en soms zelfs kinderachtige bijzonderheden overlaat om onderscheidingen op te stellen4 ,menig genus onder de planten en dieren is door de vele soorten zoo uitgebreid1 dat hun bestudeering bijna ondoenlijk is geworden4 ,deze soorten toch1--in reeksen gerangschikt naar hun natuurlijke overeenkomst1--vertoonen zulke geringe verschillen met hun buren1 dat zij in elkaar overgaan1 eenigszins door elkaar loopen en met geen enkel middel hun kleine onderlinge verschillen onder woorden te brengen zijn4 ,slechts zij1 die zich lang en veel bezig hebben gehouden met de determineering van soorten--en rijke collecties hebben geraadpleegd--kunnen weten1 hoezeer deze vloeiend in elkaar overgaan1 en hoe hun hier en daar schijnbaar gesoleerd voorkomen slechts veroorzaakt wordt door het ons nog ontbreken van andere1 meer naburige maar nog niet verzamelde vormen4 ,ik wil daarmee niet zeggen1 dat de bestaande dieren een enkelvoudige en gelijkmatige reeks vormen1 maar veeleer een onregelmatige vertakte serie zonder plotselinge overgangen tusschen de deelen--althans niet van huis uit1 indien ze er al mochten zijn door het verloren gaan van enkele soorten4 ,daaruit volgt1 dat de soorten1 die elken tak van de algemeene reeks beindigen1 minstens aan een kant met andere1 naburige soorten samenhangen4 ,ziedaar wat ik thans1 door kennis van zaken vermag aan te toonen4 ,ik heb geen enkele onderstelling noodig3 ik roep alle waarnemende natuurvorschers tot getuigen4 ,niet alleen vele geslachten1 maar heele orden en soms zelfs klassen leveren ons reeds bijna volledige deelen van den aangeduiden toestand4 ,als men dan uit de volgens de natuurlijke verwantschap in reeksen gerangschikte soorten n uitkiest en een eind verderop weer n1 dan zullen die twee soorten bij vergelijking groote verschillen vertoonen4 ,zoo zijn wij eenmaal begonnen de meest voor de hand liggende natuurvoortbrengselen te zien4 ,toen waren de geslachts- en soorts-kenmerken gemakkelijk op te stellen4 ,maar bij onze tegenwoordige rijke verzamelingen zou men bij het vervolgen van bovengenoemde reeks tusschen die twee zoo uiteenloopende soorten van de eene schakeering vloeiend in de andere overgaan zonder opmerkelijke verschillen te ontmoeten4 ,ik stel hier de vraag1 welk ervaren zoloog of botanicus is niet doordrongen van de grondslagen van het zoo juist uiteengezette8 ,hoe kan men thans de soorten bestudeeren of bevredigend determineeren van die menigte polypen1 straaldieren1 wormen van allerlei orden en vooral onder de insecten1 waar alleen reeds de geslachten der dag- en nachtvlinders1 motten1 vliegen1 sluipwespen1 korenmotten1 bokkevers1 loopkevers en rozentorren zooveel verwante soorten omvatten1 die in allerlei schakeeringen vrijwel in elkander loopen8 ,welk een menigte schelpen vertoonen ons niet de weekdieren van alle landen en uit alle zeen1 die al onze onderscheidingsmiddelen uit-putten4 ,als men opstijgt tot de visschen1 kruipende dieren1 vogels1 zelfs tot de zoogdieren1 overal zal men1 behoudens nog aan te vullen gapingen1 schakeeringen ontwaren1 die naburige soorten en zelfs geslachten onder elkaar verbinden en vrijwel geen vat meer geven aan ons vernuft tot het opstellen van goede verschilpunten4 ,laat niet de botanie in haar verschillende onderdeelen een volkomen overeenkomstigen stand van zaken zien8 ,welke moeilijkheden ondervindt men inderdaad tegenwoordig niet bij de studie en bepaling der species in de genera3 ,lichen1 ,fucus1 ,carex1 ,poa1 ,piper1 ,euphorbia1 ,erica1 ,hieracium1 ,solanum1 ,geranium1 ,mimosa1 etc4 etc46 ,toen men deze geslachten vormde1 kende men er nog slechts een klein aantal soorten van1 en was hun onderscheiding gemakkelijk4 ,maar tegenwoordig1 nu bijna alle leemten er tusschen gevuld zijn1 dalen onze soort-diagnosen noodwendig tot bijzonderheden af1 en ook dat is nog dikwijls onvoldoende4 ,laat ons1 dit alles ter dege vastgesteld zijnde1 eens zoeken naar de mogelijke oorzaken2 of de natuur de middelen ertoe bezit1 en of de waarneming ons ten dien opzichte verder heeft kunnen brengen4 ,menigvuldige feiten leeren1 dat naarmate de leden van een soort veranderen van standplaats1 klimaat of levenswijze1 zij daarvan invloeden ondergaan1 die gaandeweg de gesteldheid en verhoudingen hunner deelen1 hun vorm1 functies1 ja zelfs hun samenstelling wijzigen1 zoodat mettertijd hun heele wezen deelt in de ondergane veranderingen4 ,in hetzelfde klimaat doen eerst de verschillen in plaatselijke omstandigheden de eraan blootgestelden varieeren4 ,maar allengs brengen deze voortdurende invloeden bij de groepsgewijze onder dezelfde levensvoorwaarden zich voortplantende individuen afwijkingen teweeg1 die c4q4 van essentieel belang worden2 zoodat na talrijke opvolgende geslachten de soort tenslotte in een nieuwe omgevormd is1 van de eerste onderscheiden4 ,als bijvoorbeeld de zaden van een gras of andere vochtige-weide-plant altemet naar de helling van een naburigen heuvel worden overgebracht1 waar de grond1 schoon hooger gelegen1 nog frisch genoeg is om de plant te doen voortbestaan2 als zij vervolgens1 na vele generatin hoe langer hoe verder een droge en bijna dorre berghelling bestijgt en ze slaagt erin1 zich te handhaven en voort te planten2 dan zal ze z veranderd zijn1 dat de botanici er een aparte soort van zullen maken4 ,hetzelfde gebeurt met de dieren1 door omstandigheden gedwongen te veranderen van klimaat1 levenswijs en gewoonten4 ,maar de genoemde oorzaken eischen ten hunnen aanzien nog meer tijd dan bij de planten1 om noemenswaardige wijzigingen teweeg te brengen4 ,de opvatting van hen1 welke onder den naam soort een verzameling gelijksoortige wezens samen vatten1 die zichzelf-gelijkblijvend voortplanten en wier bestaan als zoodanig dus van dezelfde stonde dagteekent als dat der natuur zelve1 achtte het onmogelijk1 dat exemplaren1 tot twee verschillende soorten behoorende1 zich zouden kunnen vermaagschappen4 ,ongelukkig heeft de waarneming tot op heden geleerd1 dat deze beschouwing geenszins gegrond is4 ,want de onder de planten zoo veelvuldige bastaarden en de zoo vaak bij de dieren opgemerkte paringen tusschen individuen van zeer verschillende soorten doen zien1 dat de gewaande vaste grenzen tusschen die soorten niet zoo stevig waren als men wel dacht4 ,weliswaar hebben veelal zulke singuliere paringen1 vooral als zij heel ongerijmd zijn1 geen resultaat2 althans zijn de nakomelingen in het algemeen onvruchtbaar4 ,maar anderzijds weet men1 dat in het geval van elkaar nader staande ouders deze gebreken zich niet voordoen4 ,langs dezen weg zijn dan ook inderdaad variteiten te teelen1 die ten slotte rassen worden1 en mettertijd z4g4 soorten4 7,n4,b461 vert47 ,laten wij1 om te beoordeelen1 of het soort-begrip eenigen waren grond heeft1 terugkomen op onze reeds uiteengezette beschouwingen4 ,zij doen ons zien3 #a;e4 ,dat alle organismen van den aardbol in veel tijds letterlijk door de natuur zijn voortgebracht4 #b;e4 ,dat de natuur tot op heden steeds begonnen is met het vormen van de eenvoudigste organismen1 en deze slechts langs directen weg2 ik bedoel3 die eerste beginselen van organisatie1 die men generatio spontanea noemt4 #c;e4 ,dat1 waar die eerste beginselen van dier en plant gevormd zijn in passende plaatsen en omstandigheden1 de functies van het beginnend leven en de organische bewegingen allengs noodwendig de organen ontwikkeld en mettertijd gedifferentieerd hebben #i4 #d;e4 ,dat de aan de eerste levensuitingen van het organisme in allen deele inhaerente groeikracht het aanzijn heeft gegeven aan de verschillende wijzen van vermenigvuldigen en voortplanting1 en dat daardoor de verkregen vooruitgang in bewerktuiging1 vorm en verscheidenheid der deelen bewaard is gebleven4 #e;e4 ,dat op den langen duur met behulp van de 7natuurlijk gunstige7 omstandigheden1 van de veranderingen1 door alle punten van het aardoppervlak ondergaan1 i4e4w4 van de macht van nieuwe standplaatsen en gewoonten tot wijziging der organen1 lle thans levende wezens onmerkbaar tot hun tegenwoordige gedaante gevormd zijn4 #f;e4 ,dat tenslotte1 daar de levende lichamen elk voor zich in gelijken trant zekere veranderingen in organisatie ondergaan hebben1 ook de z4g4 srten onmerkbaar en achtereenvolgens aldus gevormd zijn1 slechts een betrekkelijke standvastigheid hebben1 en niet even oud als de natuur kunnen zijn4 ,maar1--zal men zeggen1--zou men van deze onderstellingen niet weerhouden worden alleen al door de beschouwing van de bewonderenswaardige verscheidenheid in instincten der verschillende dieren en al de wonderen hunner vaardigheid8 ,wie zou zijn stelsel z ver durven doorvoeren1 te zeggen1 dat de natuur alln die verbazend veelvoudige middelen1 listen1 handgrepen1 voorzorgen en geduld geschapen heeft1 waarvan de bouwkunst der dieren ons zooveel voorbeelden levert8 ,is alleen wat wij ten dien aanzien bij de insecten waarnemen niet reeds duizend maal voldoende om ons te doen gevoelen1 dat de grenzen der natuurmacht haar volstrekt niet veroorloven1 zooveel voortreffelijks motu proprio voort te brengen en den hardnekkigsten philosooph te overtuigen1 dat hiervoor alleen de wil van den oppersten schepper aller dingen noodig en volmachtig is geweest8 ,zonder twijfel zou het een stoutmoedige of liever geheel waanzinnige bewering zijn1 grenzen toe te kennen aan het vermogen van den eersten ,alveroorzaker4 ,maar daarom valt nog niet te ontkennen1 dat die oneindige macht bepaalde dingen heeft kunnen willen1 waarvan we in de natuur de kennelijke teekenen zien4 ,laat dit zoo zijn2 als ik zie1 dat de natuur zelf de genoemde wonderen1 de organismen met leven en gevoel voortbrengt2 dat zij hun organen en functies op ongekende schaal heeft vermenigvuldigd2 dat zij alleenlijk door middel der gewoontevormende behoeften de bron heeft geschapen van alle handelingen en vermogens 7vanaf de eenvoudigste tot aan het instinct1 schranderheid en tenslotte oordeel71 moet ik dan niet in dat kunnen der natuur1 in de ,orde der dingen erkennen3 de uitvoering van des verhevenen ,scheppers wil1 dat de natuur dat vermogen zou hebben8 ,zal ik minder de grootheid van die eerste ,oorzaak van alles bewonderen1 als het haar behaagd heeft1 aldus te handelen1 dan indien zij zich voortdurend door wilsdaden bezig hield met de details van alle bijzondere scheppingen1 veranderingen1 ontwikkelingen1 verstoringen en vernieuwingen1 i4e4w4 met alle wijzigingen1 die zich algemeen in het bestaande voltrekken8 ,ik hoop dan ook te bewijzen1 dat de natuur de middelen heeft1 om zelf datgene voort te brengen1 wat we in haar bewonderen4 ,intusschen werpt men nog tegen1 dat al wat men ziet bij de levende wezens van een onveranderlijke vormbestendigheid getuigt4 ,en men denkt1 dat alle dieren1 wier geschiedenis sinds #b-cjjj jaar ons overgeleverd is1 steeds dezelfde zijn1 niets verloren noch gewonnen hebben in volmaking en vorm hunner organen4 ,terwijl die schijnbare standvastigheid sinds lang voor een feitelijke waarheid doorgaat1 heeft men haar zoo juist nog bijzonderlijk trachten te bewijzen in een ,rapport over de door ,geoffroy in ,aegypte verzamelde natuurhistorica4 ,de rapporteurs drukken zich als volgt uit3 ,de collectie heeft vooreerst dit eigenaardige1 dat zij om zoo te zeggen dieren van alle eeuwen bevat4 ,reeds sinds lang wenschte men te weten1 of de soorten mettertijd van vorm veranderen4 ,deze schijnbaar beuzelachtige vraag is niettemin van wezenlijk belang voor de geschiedenis van den aardbol en daardoor voor de oplossing van duizend andere1 die te maken hebben met de ernstigste voorwerpen van menschelijke vereering4 ,nooit was men beter in de gelegenheid1 haar uit te maken voor een groot aantal merkwaardige soorten en nog duizenden andere4 ,het schijnt1 alsof het bijgeloof der oude ,aegyptenaren genspireerd ware door de natuur om een monument van haar geschiedenis achter te laten4 ,men kan1 zoo vervolgt het rapport1 de vlucht zijner verbeelding nauw meester worden1 als men die volkomen herkenbare dieren ziet1 met de kleinste beentjes en haartjes nog bewaard1 die #b-cjjj jaar geleden in ,thebe of ,memphis hun eigen priesters en altaren hadden444 ,maar zonder ons te verliezen in al die gedachten daarover willen we ons bepalen tot het resultaat uit dat deel der verzameling van ,geoffroy1 dat deze dieren volmaakt overeenkomen met die van tegenwoordig #aj4 ,ik verwerp niet de volkomen overeenstemming van die dieren met de leden van dezelfde1 thans levende soorten in dat land4 ,het zou ook vreemd zijn1 als 't anders ware4 ,want ligging en klimaat van ,aegypte zijn nog thans ten naaste bij dezelfde als destijds4 ,zoodat dus de ng onder gelijke omstandigheden levende vogels er niet gedwongen kunnen zijn1 hun gewoonten te veranderen4 ,voorts1 wie voelt er niet1 dat de vogels1 die zich zoo makkelijk kunnen verplaatsen en passende kwartieren opzoeken1 minder dan menig ander dier onderworpen zijn aan de verschuivingen in locale omstandigheden1 en daardoor minder in hun gewoonten belemmerd4 ,inderdaad is er in de zoo juist meegedeelde waarneming niets strijdigs met mijn eigen desbetreffende beschouwingen1 of een bewijs1 dat die dieren altijd in de natuur zouden bestaan hebben4 ,ze toont slechts aan1 dat zij #b-cjjj jaar geleden in ,aegypte leefden4 ,en een iegelijk1 die nigszins gewend is1 na te denken en daarbij de gedenkteekenen gade te slaan getuigende voor den hoogen ouderdom der natuur1 zal gereedelijk een tijdsverloop van #b-cjjj jaar in dat verband naar waarde weten te schatten4 ,voorzeker zal ook altijd de schijnbare standvastigheid van de dingen der natuur door den gemeenen man voor de werkelijkheid worden gehouden1 omdat men in het algemeen over alles slechts oordeelt in verhouding tot zichzelf4 ,voor den mensch1--die zijn opvattingen hieromtrent altijd grondt op de door hemzelf bemerkte veranderingen1--zijn de tusschenpoozen tusschen die mutaties toestanden van oogenschijnlijk onbepaalde bestendigheid1 door den korten levensduur der individuen van zijn soort4 ,daar ook de annalen zijner waarnemingen en feiten1 in kronieken geboekstaafd1 zich slechts uitstrekken over eenige duizenden jaren1--een langen duur voor hem zelf1 maar uiterst kort in verhouding tot de aeonen1 waarin zich de groote veranderingen van de aardkorst voltrekken1--schijnt alles op zijn planeet hem duurzaam toe1 en is hij geneigd tot afwijzen van de teekenen1 welke de rond hem opgehoopte of in den grond onder zijn voeten begraven monumenten hem overal vertoonen4 ,grootheden in ruimte en tijd zijn betrekkelijk4 ,laat de mensch zich deze waarheid goed voor den geest houden1 en hij zal zich wat inbinden in zijn beslissingen ten opzichte van de duurzaamheid in de natuur4 #aa ,de bewijzen voor de onmerkbare veranderingen der soorten en exemplaren1 naarmate ze worden gedwongen tot wijzigen hunner gewoonten of aannemen van nieuwe1 zijn niet alleen beperkt tot de beschouwing van de--al te kleine--overzienbare tijdruimten4 ,want daarenboven wordt de onderhavige quaestie op 't zeerst verduidelijkt door een schat van waarnemingen gedurende tal van jaren verzameld4 ,en ik kan zeggen1 dat onze feitenkennis tegenwoordig te ver is voortgeschreden1 dan dat de gezochte oplossing niet voor de hand zou liggen4 ,behalve dat wij de invloeden en gevolgen van de heteroclite bevruchting kennen1 weten wij thans bijv4 beslist1 dat een straf volgehouden verandering in verblijfplaats en levensgewoonten bij de dieren na voldoenden tijd een zeer opmerkelijke omvorming der betreffende exemplaren teweegbrengt4 ,een vrijelijk in de vlakte levend en voortdurend rondrennend dier1 en een vogel1 wiens nooddruft hem steeds over groote afstanden de lucht doet doorklieven1 ondergaan bij opsluiting in dierentuin1 stal1 kooi of hoenderpark mettertijd opmerkelijke afwijkingen1 vooral na een reeks geslachten in hun nieuwen staat4 ,het eerste dier verliest er grootendeels zijn licht- en vlugheid2 zijn lichaam wordt dik1 zijn leden verliezen aan kracht en lenigheid en zijn eigenschappen zijn niet meer dezelfde4 ,het tweede wordt log en vleezig in allen deele en kan bijna niet meer vliegen4 ,in het #f;e hoofdstuk van dit eerste deel zal ik gelegenheid hebben1 met welbekende feiten te bewijzen1 dat afwijkende omstandigheden het vermogen bezitten1 om den dieren nieuwe behoeften bij te brengen en tot nieuwe handelingen te voeren2 dat dze nieuwe gewoonten en neigingen meebrengen1 het meer of minder veelvuldige gebruik van een of ander orgaan hetzelve weer wijzigt1 hetzij door versterking1 ontwikkeling en uitbreiding1 hetzij door verzwakken1 vermageren1 en het per-slot zelfs doet verdwijnen4 ,bij de gewassen zal men een dergelijken invloed zien van nieuwe omstandigheden op hun levenswijze en den toestand hunner deelen4 ,zoodat men bij de reeds lang door ons gekweekte niet over de veroorzaakte omwenteling verwonderd zal zijn4 ,zoo laat1 gelijk reeds opgemerkt1 de natuur ons strikt genomen slechts op- en uit elkaar volgende individuen zien2 soorten echter zijn slechts tijdelijk onveranderlijk4 ,om de bestudeering en kennis van zooveel verschillende voorwerpen te vergemakkelijken is het niettemin nuttig1 den naam soort te geven aan elke verzameling van overeenkomstige enkelingen die zich in dezelfde gedaante voortplanten zoolang hun omstandigheden niet voldoende gaan afwijken om ook hun gewoonten1 eigenaardigheden en vorm te wijzigen4 ,over de zoogenaamde uitgestorven soorten ,het is nog steeds een vraag voor mij1 of de middelen1 door de natuur gebruikt om het bestaan aan haar soorten en rassen te verzekeren1 z onvoldoende zijn geweest1 dat sommige van hen thans geheel zouden zijn vernietigd of uitgestorven4 ,intusschen vertoonen ons de op zoo verschillende plaatsen in den grond begraven overblijfselen de resten van een menigte verschillende dieren1 waarvan slechts een zeer klein deel met de ons bekende1 thans levende volkomen overeenstemmen4 ,kan men daaruit nu met eenigen schijn van grond besluiten1 dat die fossiele soorten niet meer bestaan in de natuur8 ,er zijn nog zooveel deelen van het aardoppervlak niet bezocht1 zooveel andere1 waar vorschende blikken de natuur slechts terloops opnamen1 en nog andere1 zooals verschillende deelen van den zeebodem1 wiens dierlijke bewoners we niet vermogen te verzamelen1 dat de onbekende soorten wel door deze oorden geherbergd zouden kunnen worden774 ,als er werkelijk soorten zijn verloren gegaan1 dn waarschijnlijk slechts onder de groote dieren uit de land-streken van onzen aardbol1 daar waar de mensch door zijn absolute heerschappij alle exemplaren heeft kunnen dooden van die species1 die hij niet heeft willen bewaren of temmen4 ,daardoor is het mogelijk1 dat de geslachten ,palaeotherium1 ,anoplotherium1 ,megalonyx1 ,megatherium1 ,mastodon van ,cuvier en eenige andere soorten van reeds bekende genera niet meer in de natuur bestaan4 ,intusschen is dat ook eenvoudig niet meer dan een mogelijkheid4 ,maar de dieren1 die leven in den boezem der wateren1 vooral in zee1 en bovendien alle kleinere soorten te land1 welke lucht ademen1 zijn beveiligd tegen uitdelging door den mensch4 ,zij vermenigvuldigen zich zoo snel1 en de middelen om zich aan zijn vervolging en hinderlagen te onttrekken zijn van dien aard1 dat hij naar allen schijn een van die soorten niet totaal kan uitroeien774 ,dus kunnen slechts de grootste soorten landdieren blootstaan aan verdelging van de zijde des menschen1 ofschoon dit feit nog niet volledig bewezen is4 ,niettemin behooren er onder de1 van zoovele dieren gevonden1 fossiele overblijfselen een groot aantal tot soorten1 wier volkomen overeenkomstige levende analoga niet bekend zijn4 ,de meeste van hen zijn weekdieren met schelpen1 welke laatste ons dan ook alleen zijn overgebleven4 ,omdat nu veel van die fossiele schelpen verschillen vertoonen1 waardoor men meent ze niet gelijk te mogen stellen met naburige1 levende1 zijn het daarom noodwendig uitgestorven soorten8 ,waarom zouden die verloren gegaan zijn1 waar de mensch hun uitroeing niet heeft kunnen bewerkstelligen8 ,ware het in tegendeel niet mogelijk1 dat die bedoelde fossielen nog bestonden1 maar tot de tegenwoordig levende1 naburige soorten waren omgevormd8774 ,de volgende beschouwingen en opmerkingen maken dit vermoeden zeer waarschijnlijk4 ,elk welingelicht waarnemer weet1 dat niets op aarde in denzelfden toestand verhardt4 ,alles ondergaat er mettertijd meer of minder ingrijpende wijzigingen1 al naar den aard van het voorwerp1 en zijn omstandigheden4 ,hooggelegen plaatsen verlagen zich onophoudelijk door de wisselende inwerking van zonneschijn1 regen en nog andere oorzaken2 al wat ervan loslaat wordt meegesleurd naar de diepten4 ,rivier- en zeebeddingen veranderen van gedaante en diepte en verplaatsen zich onmerkbaar4 ,i4e4w4 alles hier op aard is onderhevig aan beurtwisselingen in ligging1 gestalte en aanzicht1 en zelfs de klimaten der verschillende landstreken zijn niet standvastig4 ,waar nu1--gelijk ik zal beproeven aan te toonen1--afwijkende omstandigheden voor de levende wezens 7en vooral voor de dieren7 veranderingen in behoeften1 gewoonten en levenswijzen meebrengen2 en waar deze wijzigingen de organen en hun deelen ombouwen of ontwikkelen1 zoo gevoelt men wel1 dat elk levend wezen zachtjes aan varieeren moet1 vooral in de uitwendige deelen of kenmerken1 ofschoon dat eerst na gereeden tijd merkbaar wordt4 ,men zij dus niet al te zeer verwonderd1 dat onder de talrijke fossiele resten uit alle landen der wereld van zoovele eertijds bestaande dieren1 er zoo weinige zijn1 waarvan we de levende analoga kennen4 ,integendeel1 het meest verwonderlijk is nog1 onder die menigvuldige fossiele overblijfselen van weleer eenige te ontmoeten1 wier representanten nog heden bestaan4 ,dit feit1 door onze palaeontologische verzamelingen bewezen1 doet ons vermoeden1 dat juist deze de jongste zijn4 ,zij hadden buiten twijfel nog geen tijd gehad1 van gedaante te veranderen4 ,de onderzoekers1 die de waarnemingen omtrent de fossielen wilden verklaren alsmede de omwentelingen op verschillende punten van de aardkorst hebben1--onbewust van de afwijkingen1 die de dieren mettertijd meestal ondergaan1--ondersteld1 dat een algemeene aardramp had plaats gehad1 die alles 't onderst boven gekeerd en de toenmaals bestaande soorten grootendeels vernietigd had4 ,jammer genoeg1 dat dit gemakkelijke redmiddel uit de moeilijkheid bij een poging tot verklaren der onbegrepen natuurverschijnselen slechts grondt in de verbeelding1 en door geen enkel bewijs gestaafd wordt4 ,plaatselijke catastrophen1 veroorzaakt bijv4 door aardbevingen1 vulcanen en andere bijzondere oorzaken zijn voldoende bekend en in de daardoor geteisterde streken heeft men verdervingen kunnen aanschouwen4 ,maar waartoe een onbewezen algemeene wereldramp aan te nemen1 als het beter bekende verloop der natuur in allen deele voldoende rekenschap geeft van hare feiten8 ,als men overweegt1 dat eenerzijds de natuur niet plotseling werkt en zij overal bedachtzaam en stap voor stap tewerk gaat1 en anderzijds de bijzondere of plaatselijke oorzaken der verstoringen1 omwentelingen en ontzettingen den ganschen aanblik onzer aarde kunnen verklaren--en nochtans onderworpen zijn aan hare wetten en algemeenen loop1--zoo zal men--de onderstellingen--als onnoodig--verwerpen1 dat een wereldramp een groot deel van de eigen werken der natuur is komen opbreken en verwoesten4 ,hiermee genoeg over een onderwerp1 dat licht ware uit te breiden2 beschouwen wij thans de algemeene en wezenlijke eigenschappen der dieren4 ,,hoofdstuk ,,iv ,,algemeene ,,opmerkingen ,,over ,,de ,,dieren ,in de dieren hebben wij levende wezens1 in het algemeen zeer opmerkelijk door eigenschappen1 die onze bewondering en bestudeering overwaard zijn4 ,in gestalte1 samenstelling en vermogens oneindig verschillend1 zijn ze in staat om zich--althans met sommige deelen--te bewegen1 zonder een stuwkracht van buiten af maar door een prikkelende oorzaak1 7bij den n 'n inwendige1 bij den ander een uitwendige47 ,meerendeels kunnen ze van plaats veranderen en alle bezitten ze bepaalde1 bij uitstek prikkelbare deelen4 ,men ziet1 hoe bij verplaatsing de een kruipt1 loopt1 rent of springt1 de ander zich op vleugelen in de lucht verheft en de ruimte doorkruist1 weer andere rondzwemmen in den schoot van het water waarin zij leven4 ,daar de dieren niet--gelijk de planten--voedsel onder hun naaste bereik vinden1--de roofdieren zelfs hun buit moeten opzoeken en vervolgen--werd het vermogen tot bewegen en verplaatsen vereischt om zich het noodige voedsel te kunnen verschaffen4 ,daar voorts de dieren geen tweeslachtigheid vertoonen zoodanig1 dat zij aan zich zelf genoeg zouden hebben771 was het voor de voortplanting noodzakelijk1 zich te kunnen verplaatsen tot het volvoeren der bevruchting en ook1 dat de omgeving de mogelijkheid daartoe vergemakkelijkte voor die dieren1 welke1 als de oesters1 niet van plaats kunnen veranderen4 ,aangezien dus dit vermogen tot beweging en verplaatsing in het belang was van hun eigen voortbestaan en dat van de soort is het door de behoeften aangeworven en verkregen4 ,in het tweede deel zullen wij den oorsprong zoeken van die merkwaardige eigenschap en nog van de belangrijkste overige4 ,maar intusschen zullen wij omtrent de dieren de volgende voor de hand liggende opmerkingen maken4 #a;e4 ,dat sommige zich slechts geheel of gedeeltelijk bewegen nadat hun prikkelbaarheid is opgewekt1 nochtans geen enkele gewaarwording ondervinden en dat van wil geen sprake kan zijn4 ,dit zijn de meest onvolkomene4 #b;e4 ,dat andere dieren daarenboven in staat zijn tot het ondervinden van gewaarwordingen1 en ze innerlijk een zeer duister besef van hun bestaan hebben1 doordat ze slechts handelen door de inwendige aandriften van begeerten die hen drijven tot een of ander voorwerp1 zoodat hun wil steeds afhankelijk meezwalkt4 #c;e4 ,dat weer andere niet alleen bovengenoemde bewegingen en gewaarwordingen vertoonen1 maar bovendien in staat zijn tot het vormen van1 zij het nog vage1 voorstellingen1 en hun handelen door een wil overheerst wordt1 nochtans onderworpen aan aandriften1 die hen nog uitsluitend tot bepaalde voorwerpen voeren4 #d;e4 ,dat ten slotte de meest volmaakte dieren in hooge mate alle vorige eigenschappen vertoonen maar zich bovendien verheugen in het vermogen tot heldere en nauwkeurige voorstellingen over de voorwerpen1 die hun zinnen hebben beroerd en hun aandacht getrokken1 ja1 die voorstellingen tot op zekere hoogte vergelijken1 combineeren en tot samenstellingen en oordeelen verwerken2 i4e4w4 zij kunnen denken en hun minder zwaar gekluisterde wil veroorlooft hun meer verschillende handelingen te volbrengen4 ,bij de laagste dieren zijn de levensacties schier zonder energie en alleen de prikkelbaarheid is genoeg voor de uitvoering der vitale bewegingen4 ,maar vermits de levensenergie aangroeit met het samengestelder worden van het organisme komt er een oogenblik1 dat hetzelve1 om zich met de noodige snelheid te kunnen roeren1 grooter middelen van noode heeft4 ,daartoe is de spierwerking bij den bloedsomloop toegepast1 waarvan een aanjaging van den sapstroom het gevolg was4 ,deze is vervolgens aangewakkerd in verhouding tot de ervoor aangewende spierkracht4 ,daar tenslotte geen enkele spier kan arbeiden zonder nerveusen influx1 zoo is deze laatste overal noodig bevonden voor de betreffende stroomversnelling4 ,aldus heeft de natuur aan de--onvoldoende geworden--prikkelbaarheid de spier- en zenuwwerking weten toe te voegen4 ,schoon de eerste door de laatste wordt opgewekt1 geschiedt dat nooit langs den weg van het gevoel4 ,in het tweede deel hoop ik dan ook aan te toonen1 dat gevoeligheid volstrekt niet noodig is voor de uitvoering van vitale bewegingen1 zelfs niet bij de hoogste dieren4 ,zoo zijn dan de verschillende bestaande dieren niet alleen door bijzonderheden van uitwendigen vorm1 lichaamsgesteldheid1 formaat1 enz4 kennelijk van elkaar onderscheiden1 maar ook door de vermogens1 waarmee zij zijn begiftigd4 ,sommige--de minst volkomene--zijn in dit opzicht het meest beperkt1 geen andere dan de typische levens-functies vertoonende en zich niet bewegende dan door een kracht buiten henzelf2 daarentegen nemen van andere de vaardigheden allengs in getal en volledigheid toe1 totdat zij bij de meest volkomene een bewonderenswaardig geheel vertoonen4 ,deze feiten verbazen ons niet langer1 als we eenmaal erkend hebben1 dat elke verkregen eigenschap het gevolg is van een bijzonder orgaan of orgaanstelsel en dat vervolgens van het laagste tot het hoogste dier het organisme geleidelijk samengestelder wordt1 zoodat al die lichaamsdeelen1 tot de belangrijkste toe1 achtereenvolgens ontstaan op de verschillende trappen van het dierenrijk1 en dan gaandeweg worden door de ondergane wijzigingen1 die hen aanpassen aan den toestand van het betreffende organisme en zij eindelijk door hun samenspel in de hoogere dieren die zoozeer gecompliceerde bewerktuiging vormen1 waarvan de meest verscheidene en opperste functies het gevolg zijn4 ,de beschouwing van de inwendige samenstelling der dieren en haar verschillende systemen1 en van de onderscheidene bijzondere organen moeten dus voornamelijk onze aandacht richten bij de studie der dieren4 ,zijn de dieren als natuurvoortbrengselen reeds bij uitstek onderscheiden door hun beweeglijkheid1 nog meer zijn ze het door gevoeligheid4 ,maar evenals de eerste nog zeer beperkt en onwillekeurig is bij de laagste dieren en slechts tot stand komt door prikkels van buiten af1 maar1 bij het volmaakter worden1 ten slotte in het dier zelf--aan zijn wil onderworpen--ontspringt1 zoo is ook het gevoel in zijn aanvang nog zeer duister en begrensd en roept vervolgens1 bij verder voortschrijdende ontwikkeling1 op zijn hoogtepunt in de dieren de elementen van het verstand in 't leven4 ,inderdaad hebben de hoogere dieren eenvoudige en zelfs meer samengestelde voorstellingen1 hartstochten1 geheugen1 ja zij drmen1--d4w4z4 dat die voorstellingen ongewild kunnen terugkomen--en ze zijn tot op zekere hoogte vatbaar voor africhting4 ,is dat geen merkwaardige uitkomst van de macht der natuur8 ,aan een levend wezen het vermogen te geven1 zich zelfstandig te bewegen1 de wereld buiten zich waar te nemen1 er zich voorstellingen van te vormen door de ontvangen indrukken met andere te vergelijken en ook die voorstellingen weer te vergelijken en samen te stellen en zich een rdeel te vormen1 7d4i4 een voorstelling van andere orde7 i4e4w4 te denken1 dat is niet alleen het grootste wonder1 waartoe de natuur-kracht heeft kunnen komen1 maar bovendien bewijst 't de noodzakelijkheid van een aanzienlijk tijdsverloop1 daar de natuur alles geleidelijk tot stand brengt4 ,vergeleken met de tijdperken1 die wij bij onze gewone berekeningen lng noemen1 is er ongetwijfeld een enorme tijd en een aanmerkelijke opvolgende variatie van omstandigheden noodig geweest om de organisatie tot dien graad van samengesteldheid en ontwikkeling te hebben kunnen opvoeren1 die wij bij de meest volmaakte dieren zien4 ,en waar reeds de talrijke verschillende lagen1 waaruit de aardkost bestaat1 een stellig getuigenis zijn van haar hoogen ouderdom1 en waar de zeer langzame maar aanhoudende verplaatsingen der zeebekkens1--bewezen door vele sporen1 die zij op hun weg hebben achtergelaten--1 dezen ouderdom nog bevestigen1 zoo draagt een beschouwing van de door de hoogste organismen bereikte volmaaktheid er harerzijds toe bij1 om deze waarheid allerwaarschijnlijkst te maken4 #ab ,maar om dit nieuwe bewijs stevig te kunnen grondvesten1 zullen we eerst den vooruitgang zelf der organismen in het volle daglicht moeten stellen4 ,men zal zoo mogelijk de werkelijkheid daarvan moeten aantoonen en ten slotte de betreffende best-gestaafde feiten verzamelen en de middelen opzoeken1 die de natuur bezit1 om het bestaan aan al haar schepselen mogelijk te maken4 ,ondertusschen merken wij op1 dat ofschoon men de wezens van de verschillende natuurrijken algemeen aanduidt met den naam natuurproducten1 men niettemin aan die uitdrukking geen enkel positief begrip schijnt vast te knoopen4 ,klaarblijkelijk staat het vooropgezette oordeel omtrent afzonderlijke scheppingen de erkenning in den weg1 dat de natuur zelf het aanzijn vermag te geven aan zooveel verschillende wezens1 hun rassen onophoudelijk ofschoon geleidelijk te wijzigen en de overal waargenomen algemeene ,orde in stand te houden4 ,wij willen alle meeningen over die belangrijke zaken ter zijde laten en overal de natuur zelf bevragen om niet door onze verbeelding misleid te worden4 ,ten einde in gedachten alle bestaande dieren te omvademen en ze gemakkelijk onder een gezichtspunt te brengen zij eraan herinnerd1 dat alle natuurproducten sinds lang in drie rijken verdeeld zijn1 onder de benamingen dieren-1 planten-1 en delfstoffen-rijk4 ,door die indeeling worden de tot elk dier rijken behoorende wezens als onderling gelijkwaardige vergeleken ondanks hun zeer uiteenloopenden oorsprong4 ,reeds geruimen tijd heb ik een andere1 meer kenschetsende indeeling passender bevonden4 ,ik onderscheid nl4 alle natuurvoortbrengselen in twee groepen3 #a;e4 ,bewerktuigde1 levende lichamen4 #b;e4 ,onbewerktuigde1 levenlooze lichamen4 ,planten en dieren vormen de eerste groep4 ,zij hebben1 gelijk bekend1 de vermogens zich te voeden1 te groeien en zich voort te planten en zijn noodzakelijkerwijs onderworpen aan den dood4 ,maar wat men niet zoo goed weet1 omdat de gangbare onderstellingen anders luiden1 is1 dat de levende lichamen bij de verrichtingen hunner organen en bewegingen zelf hun eigen stoffen en afscheidingsproducten bereiden #ac4 ,en wat men nog minder weet1 dat dze weer door hun ontleding het ontstaan geven aan alle samengestelde1 anorganische stoffen in de natuur1 wier verschillende soorten zich vermeerderen--al naar de omstandigheden--door onmerkbaar ondergane veranderingen die hen vereenvoudigen en op den duur de volledige ontbinding bewerkstelligen hunner samenstellende elementen477 ,de verschillende vaste en vloeibare levenlooze stoffen stellen de tweede groep natuurvoortbrengselen samen1 die meerendeels bekend zijn onder den naam mineralen4 ,men kan zeggen1 dat er zich tusschen het al- en niet-levende een onmetelijke gaping bevindt1 die verbiedt1 deze twee soorten op n lijn te stellen1 noch ze door tusschentrappen te verbinden1 wat men tevergeefs beproefd heeft4 ,de levende wezens vallen vanzelf in twee afzonderlijke rijken1 gebaseerd op werkelijke verschillen1 die de planten van de dieren scheiden4 ,en1--ondanks al het daarover beweerde--ben ik overtuigd1 dat er op geen enkel punt een werkelijke overgang is tusschen die twee rijken771 en bijgevolg er noch dierplanten1 7uitgedrukt door het woord zophyten7 noch plantdieren zijn4 ,de prikkelbaarheid in alle of bepaalde deelen is de meest algemeene eigenschap der dieren1 mr dan het vermogen tot willekeurige bewegingen en gevoel1 mr zelfs dan de spijsverteering4 ,alle planten1 de z4g4 gevoelige niet uitgezonderd1 noch die1 welke bij de minste aanraking of een zuchtje wind bepaalde deelen bewegen1 zijn geheel verstoken van prikkelbaarheid1 wat ik elders heb aangetoond4 ,men weet1 dat de prikkelbaarheid een wezenlijke eigenschap is voor de dieren1 7althans voor sommige hunner deelen die niet opgeheven kan worden bij het levende dier zoolang het betreffende deel niet beschadigd is74 ,zij uit zich in een oogenblikkelijke samentrekking van alle prikkelbare deelen bij aanraking door een vreemd lichaam4 ,deze samentrekking houdt tegelijk met haar oorzaak op en vernieuwt zich evenzooveel keeren1 als het betreffende deel1 na ontspanning1 weerom geprikkeld wordt4 ,iets dergelijks nu is in geenen deele bij de planten waargenomen4 ,als ik de uitgespreide takken van het kruidje-roer-mij-niet 7,mimosa pudica7 aanraak1 zie ik1 inplaats van een samentrekking dadelijk de gewrichten der takken en stelen door den schok verslappen1 waardoor die deelen kunnen neerklappen en zelfs de blaadjes tegen elkaar slaan4 ,dit gebeurd zijnde zal men tevergeefs verder de takken en bladeren dezer plant aanraken1 de werking herhaalt zich niet4 ,er is een vrij lange tijd toe noodig--behalve als het zeer warm is--opdat de oorzaak van het strekken der gewrichten al die deelen weer kan opheffen en uitbreiden1 zoodat ze zich bij een lichten schok weer kunnen samenvouwen4 ,ik vermag in dat verschijnsel geen enkel verband te ondekken met de prikkelbaarheid der dieren2 maar1 met de wetenschap1 dat gedurende de vegetatieperiode1 vooral bij warm weer1 er in de planten veel elastische vloeistoffen optreden771 waarvan een deel voortdurend uitgedampt wordt1 heb ik de gevolgtrekking gemaakt1 dat bij de leguminosen die vloeistoffen zich wel eens bij voorkeur zouden kunnen ophoopen in de gewrichten der bladeren alvorens te verdampen1 en dezelve aldus strekten en de bladen of blaadjes uitgespannen houden4 ,in dat geval zou de langzame vervluchtiging dier elastische fluiden van de leguminosen in het algemeen bij nadering van den nacht het verschijnsel van den slaap veroorzaken1 en de plotselinge1 door een schokje opgewekte verdamping i4h4 bijzonder bij mimosa pudica de verkeerdelijk dusgenoemde prikkelbaarheid #ad4 ,daar blijkens straks mee te deelen beredeneerde waarnemingen1 de dieren zonder uitzondering niet gevoelig zijn1 in staat tot het volbrengen van wilsdaden of1 bijgevolg1 tot willekeurige bewegingen1 zoo is de tot nu toe gegeven definitie van dieren--ter onderscheiding van planten--ten eenen male onhoudbaar4 ,derhalve heb ik al voorgesteld1 haar door de volgende te vervangen1 als zijnde meer overeenkomstig de waarheid en geschikter1 om beide natuurrijken te kenschetsen4 ,definitie van dieren ,dieren zijn bewerktuigde1 levende wezens1 voorzien van ten allen tijde prikkelbare deelen1 die bijna alle de spijzen verteeren1 waarmee ze zich voeden en die zich bewegen1 deels door hun vrijen of afhankelijken wil1 deels door het opgewekt worden van hun prikkelbaarheid4 ,definitie van planten ,planten zijn levende1 bewerktuigde wezens1 wier deelen nooit prikkelbaar zijn1 geen spijsvertering hebben en zich noch vrijwillig1 noch door werkelijke prikkelbaarheid bewegen4 ,volgens deze definities1 veel nauwkeuriger en gegronder dan de tot op heden gebruikelijke1 zijn dus de dieren in de eerste plaats van de planten onderscheiden door de prikkelbaarheid van alle--of bepaalde--deelen1 en voorts door de bewegingen1 die zij daarmee kunnen verrichten1 in casu door uitwendige oorzaken opgewekt1 via de irritabiliteit4 ,het spreekt vanzelf1 dat men deze nieuwe ideen maar niet voetstoots kan aannemen4 ,maar ik meen1 dat elk niet-vooringenomen lezer1 na overweging van de in dit werk uiteengezette feiten en beschouwingen hun onafwijsbaar den voorkeur zal geven boven de oude1 als zijnde deze met de waarneming klaarblijkelijk in strijd4 ,laat ons deze algemeene gezichtspunten beindigen met twee niet onbelangwekkende opmerkingen4 ,de eene betreffende het buitensporig groote aantal dieren te land en te water2 de andere over de door de natuur aangewende middelen1 om desniettegenstaande al het voorgebrachte in zijn algemeene verhoudingen te bewaren4 ,van de beide natuurrijken blijkt het dierenrijk verreweg het rijkst en meest gevarieerd en vertoont op het gebied van organisatie de meest bewonderenswaardige verschijnselen4 ,het aardoppervlak1 de boezem van het water1 in zeker opzicht zelfs de lucht worden bewoond door een zoo oneindige verscheidenheid van dieren1 dat waarschijnlijk een groot deel van hen altoos aan onze onderzoekingen zal ontsnappen4 ,men heeft des te meer reden om aldus te denken1 daar de wonderbaarlijke vruchtbaarheid der natuur in de allerkleinste soorten1 de enorme uitgestrektheid der zeen en hun diepte op vele plaatsen ongetwijfeld ten allen tijde een bijna onoverkomelijke hinderpaal zullen vormen tegen de vorderingen van onze kennis in deze materie774 ,een enkele klasse van de ongewervelde dieren1 bijv4 die der insecten weegt1 wat betreft het getal en de verscheidenheid van de daarin bevatte voorwerpen1 tegen het heele plantenrijk op4 ,die van de polypen is naar allen schijn nog veel talrijker771 zoodat men zich nooit zal kunnen vleien al die daartoe behoorende dieren te kennen4 ,door de ontzaglijke vermenigvuldiging van de kleinere soorten1 speciaal van de laagste dieren1 zou die groote massa exemplaren wel eens het bestaan kunnen bedreigen van bepaalde soorten en rassen1 en daarmee den verkregen vooruitgang in organisatie1 in een woord1 de algemeene ,orde1 indien de natuur geen voorzorgen genomen had1 om die vermenigvuldiging binnen zekere grenzen te houden4 ,de dieren eten elkaar op1 behalve de uitsluitende planteneters1 maar deze staan bloot aan het verslonden worden door de vleescheters4 ,men weet1 dat de sterkere en beter bewapende de zwakkere opeten en de grootere soorten de kleinere4 ,niettemin verschalken de exemplaren van dezelfde soort elkaar slechts zelden1 de verdelgingskrijg wordt tegen andere soorten gestreden4 ,de vruchtbaarheid der kleine diersoorten is van dien aard1 dat zij den aardbol voor de andere onbewoonbaar zouden maken1 als de natuur daartegen geen paal en perk had gesteld4 ,maar daar ze aan een menigte andere dieren ten prooi strekken1 hun levensduur zeer beperkt is en temperatuurverlaging hen doet omkomen1771 zoo wordt hun aantal steeds op het juiste peil gehouden voor de instandhouding van hun soorten en van andere4 ,de grootere en sterkere dieren echter zouden wel aan het bestaan van verscheiden andere soorten afbreuk kunnen doen1 als zij zich al te sterk voortplantten4 ,maar zij vreten elkaar op en planten zich slechts langzaam voort met weinige tegelijk1 hetgeen ook ten hunnen aanzien het vereischte evenwicht doet bewaren4 ,de mensch ten slotte schijnt1 afgezien van zijn eigenaardigheden1 zich onbeperkt te kunnen vermenigvuldigen1 want zijn verstand en hulpmiddelen beveiligen hem tegen inperking daarvan door verscheurende dieren4 ,ja1 hij beheerscht ze in die mate1 dat1 inplaats van de grootste en sterkste dieren te moeten vreezen1 hij ze veeleer kan vernietigen en hun aantal iederen dag meer doet inkrimpen4 ,maar de natuur heeft hem met verschillende hartstochten behept1 die1 daar ze zich ongelukkig genoeg tezamen met zijn intellect ontwikkelen1 een dam opwerpen tegen de al te sterke voortteling van zijn geslacht4 ,de mensch schijnt inderdaad zelf belast1 om voortdurend het aantal van zijns gelijken te beperken4 ,want ik aarzel niet1 te zeggen1 dat de aarde 7naar allen schijn7 nooit de bevolking zal herbergen1 die zij zou kunnen voeden4 ,verscheidene van hare bewoonbare streken zullen bij tusschenpoozen zeer matigjes bevolkt zijn1 ofschoon de duur dier tijdperken voor ons niet te bepalen is4 ,zoo blijft dan door wijze voorzorgen in alles de gestelde ,orde bewaard4 ,de eeuwige veranderingen en vernieuwingen daarin worden binnen onoverschrijdbare grenzen gehouden4 ,de soorten levende wezens blijven ondanks hun veranderingen in stand2 de verkregen verbeteringen in organisatie gaan nooit verloren4 ,alles wat wanorde1 omverwerping1 abnormaliteit schijnt1 is steeds in een hoogere algemeene ,orde opgenomen en doet daarin mede4 ,en overal en altijd wordt onveranderlijk de wil van den oppersten ,schepper van de natuur en van al wat bestaat uitgevoerd4 ,alvorens ons nu bezig te houden met de trapsgewijze afdaling en vereenvoudiging van de dierlijke organismen bij het voortschrijden van de meest samengestelde naar de enkelvoudigste1 willen we eens den werkelijken staat van hun indeeling en ordening nagaan en de beginselen1 die men bij de opstelling daarvan heeft gebruikt2 dan zullen wij de bewijzen voor bedoelde afklimming beter kunnen volgen4 ,,hoofdstuk ,v ,,over ,,de ,,huidige ,,indeeling ,,en ,,ordening ,,der ,,dieren ,voor den vooruitgang der ,zologische ,philosophie en voor ons eigen oogmerk is het noodig1 den huidigen stand van indeeling en classificeering #ae der dieren onder oogen te zien2 te onderzoeken1 hoe men ertoe gekomen is1 omtrent welke beginselen men zich moet verstaan en wat er nog te doen valt1 om met die indeeling het dichtst de ,orde zelf der natuur te benaderen4 ,maar om eenig profijt uit al die beschouwingen te trekken1 moeten we eerst het eigenlijke doel van indeeling en van groepeering bepalen1 want daartusschen bestaat verschil4 ,het doel van de eerste toch is niet alleen1 om een gemakkelijk te raadplegen lijst te bezitten1 maar bovenal1 om daarmee zooveel mogelijk de ,orde voor te stellen1 die de natuur gevolgd heeft bij het voortbrengen van al die dieren1 bijzonderlijk uitgedrukt in hunne onderlinge overeenkomst4 ,van een classificeering daarentegen is het doel1 met behulp van de van afstand tot afstand getrokken scheidingslijnen in de algemeene reeks dezer wezens rustpunten voor onze verbeelding te scheppen1 gemakkelijker reeds waargenomen soorten te kunnen herkennen1 het verband met andere te begrijpen1 en nieuwgevonden soorten in elk kader te kunnen passen4 ,dit onontbeerlijke hulpmiddel vergemakkelijkt de studie voor ons kleine menschen1 maar in werkelijkheid is het een totaal onnatuurlijk kunstproduct1 gelijk reeds aangetoond4 ,de juiste bepaling der overeenkomsten zal in onze algemeene indeelingen steeds de plaats bepalen van #a;e41 de groote massa's of hoofdafdeelingen2 #b;e4 de daaraan ondergeschikte groepen2 #c;e4 de bijzondere soorten of rassen4 ,zietdaar dus het onschatbare wetenschappelijke voordeel van de kennis der verwantschappen2 daar zij het werk van de natuur zelf zijn1 zal geen onderzoeker daaraan ooit willen of kunnen tornen1 na ze eenmaal goed begrepen te hebben4 ,de algemeene indeeling zal dus meer en meer een vasten en volkomen vorm krijgen1 naarmate onze kennis van de betrekkingen tusschen de samenstellende elementen der natuurrijken vooruit gaat4 ,anders is het met de classificeering gesteld1 d4w4z4 met die verschillende scheidslijnen1 in de algemeene indeeling getrokken4 ,waarlijk1 zoolang er leemten in onze indeelingen te vullen zijn1 zullen wij altijd van die schijnbaar natuurlijke scheidingen vinden1 maar die illusie zal verdwijnen hoe meer men waarneemt4 ,en hebben wij er niet reeds verscheidene zien uitvloeien--tenminste onder de kleinere eenheden--door de talrijke natuurkundige ontdekkingen van de laatste halve eeuw8 ,zoo zijn dan die grenzen1 behalve de nog openstaande kloven1 altijd willekeurig en daarom in schommeling1 zoolang de natuuronderzoekers voor hare opstelling geen vaste beginselen overeenkomen4 ,in het dierenrijk is als zulk een beginsel te beschouwen1 dat elke klasse dieren moet bevatten1 door een bijzonder stelsel van organisatie onderscheiden4 ,de strikte uitvoering daarvan is nogal gemakkelijk4 ,want ofschoon de natuur niet plotseling van het eene systeem op het andere overgaat1 zoo zijn er toch onderlinge grenzen te bepalen1 daar als regel slechts weinige dieren die grenzen zoo dicht naderen1 dat er twijfel omtrent hun werkelijke klasse kan rijzen4 ,de scheidslijnen tusschen de onderdeelen der klassen zijn gewoonlijk moeilijker vast te stellen1 daar zij berusten op minder gewichtige kenmerken1 en dientengevolge willekeuriger zijn4 ,alvorens nu den huidigen stand van de classificeering der dieren te onderzoeken1 willen we trachten aan te toonen1 dat de rangschikking der levende wezens in haar groote groepen een reeks moet vormen1 en geen netvormige vertakking4 ,daar de mensch gedoemd is1 om eerst alle mogelijke dwalingen te begaan alvorens een waarheid te erkennen bij het onderzoek van desbetreffende feiten1 zoo heeft men ontkend1 dat de natuurvoortbrengselen in elk rijk werkelijk een echte reeks zouden kunnen vormen volgens hun overeenkomst of een trapsgewijze opklimming in algemeene gesteldheid4 ,zoo hebben dan verschillende natuurkundigen1 met bepaalde1 eenigszins gesoleerde soorten1 geslachten en families voor oogen1 zich verbeeld1 dat de levende wezens1 al naar hun natuurlijke betrekkingen dichter of verder van elkaar zouden staan1 vergelijkbaar met de verschillende punten van een landkaart4 ,zij beschouwen de kleine1 wel omschreven reeksen1 die men natuurlijke families genoemd heeft1 als zich onder elkaar te verhouden op de wijze van een netwerk4 ,dit denkbeeld nu1 zoo naar den smaak van sommige modernen1 is klaarblijkelijk een vergissing4 ,en ongetwijfeld zal het weer verdwijnen1 als men de organismen grondiger en algemeener zal kennen1 en vooral als men onderscheid zal maken tusschen kenmerken1 die voortvloeien uit aangenomen verblijfplaatsen en gewoonten1 n uit de meer of minder volmaakte trap van bewerktuiging4 ,intusschen zal ik aantoonen1 dat de natuur bij het voortbrengen van alle dieren en planten1 in den langen loop der tijden1 wel degelijk in elk dezer rijken een echte scala gevormd heeft met toenemende samengesteldheid van organisatie4 ,maar dat1 als wij de natuurvoorwerpen naar hun natuurlijke betrekkingen rangschikken1 die scala slechts tusschen de hoofdafdeelingen merkbare trappen vertoont1 en niet bij de soorten1 of zelfs bij de geslachten4 ,de reden van die bijzonderheid is1 dat de buitengewone verscheidenheid van omstandigheden1 waarin de verschillende soorten verkeeren1 geheel onafhankelijk is van hun toenemend gecompliceerde bewerktuiging1 zooals ik zal laten zien1 en dat de eerste in de uitwendige vormen afwijkingen en abnormaliteiten doet ontstaan1 die niet alleen op rekening van de tweede kunnen gesteld worden4 ,er valt dus te bewijzen1 dat de trapsgewijze reeks der dieren voornamelijk de groepeering der hoofdafdeelingen aangaat1 en niet die der soorten of genera4 ,die reeks dan kan nl4 slechts bepaald worden door de plaatsing der grootere groepen--klassen en grootere families--omdat deze elk een eigen bijzonder orgaanstelsel vertoonen4 ,en juist dit vertoont een afdalende orde vanaf het meestsamengestelde tot het eenvoudigste4 ,maar op zich zelf beschouwd vertoont elk lichaamsdeel gn zoo regelmatige gradeering1 en des te minder1 naarmate het zelf van minder belang is en vatbaarder voor wijziging door de omstandigheden4 ,inderdaad houden de min-gewichtige organen onderling niet steeds gelijken tred in volmaking of achteruitgang4 ,als men dan ook alle soorten van een klasse nagaat1 zal men zien1 dat zeker lichaamsdeel in een bepaalde soort de grootste volkomenheid heeft bereikt1 terwijl een ander deel1 bij diezelfde soort slechts kommerlijk ontwikkeld zijnde1 bij haar collega een hooge vlucht heeft genomen4 ,die onregelmatige variatie in de trapsgewijze ontwikkeling van bijkomstige lichaamsdeelen komt1 doordat deze meer dan andere aan den invloed van uitwendige omstandigheden zijn blootgesteld4 ,zij op hun beurt laten vorm en uitwendig voorkomen niet ongemoeid en geven het aanzijn aan een z verstrekkende en eigenaardig-geordende veelsoortigheid1 dat inplaats evenals de hoofdgroepen in een simpele lineaire reeks te kunnen gerangschikt worden1 deze soorten vaak van hun eigen afdeelingen zijdelingsche vertakkingen uitmaken1 wier uiteinden werkelijk afzonderlijke punten zijn4 ,om het inwendige orgaansysteem te wijzigen is de hulp van invloedrijke omstandigheden gedurende langer tijd noodig dan voor de uitwendige4 ,niettemin merk ik op1 dat als de omstandigheden het noodig maken de natuur--weliswaar zonder sprongen--van het eene systeem op het andere naburige overgaat4 ,ja1 door dat vermogen heeft zij ze alle achtereenvolgens kunnen vormen1 vanaf de eenvoudigste tot de meest samengestelde4 ,zij heeft dat vermogen in die mate1 dat niet alleen de overgang van het eene naar het andere systeem kan plaats hebben tusschen twee naburige families1 maar zelfs in een en hetzelfde individu4 ,de stelsels met echte longen voor de ademhaling staan dichter bij die met kieuwen dan die met tracheen4 ,zoo schrijdt de natuur niet alleen van kieuwen tot longen bij naburige klassen en families1--gelijk visschen en tweeslachtige dieren #af uitwijzen1 maar die verandering kan zich zelfs in een enkel individu voltrekken1 dat dus achtereenvolgens de beide systemen gebruikt4 ,men weet1 dat de kikvorsch in larvalen toestand als dikkopje ademt door kieuwen1 als volkomen dier echter door longen4 ,maar nergens ziet men een trachee- in een longsysteem overgaan4 ,naar waarheid kan men dus zeggen1 dat in elk natuurrijk de groote groepen in een enkele1 trapsgewijze reeks te rangschikken zijn1 overeenkomstig de toenemend samengestelde bewerktuiging1 en dat deze serie aan het begin de eenvoudigste en aan het eind de best-uitgeruste en -georinteerde organismen moet bevatten4 ,zoo schijnt de werkelijke orde van de natuur te zijn1 en zoo blijkt bij de meest-nauwlettende waarneming en gezette studie van alle eigenaardigheden van haar verloop4 ,sinds wij in onze indeeling der natuurproducten de noodzakelijkheid hebben beseft1 om hunne onderlinge betrekkingen1 ook tusschen de verschillende groepen in aanmerking te nemen1 kunnen we die reeks niet meer naar welgevallen schikken4 ,en de aldus nieuw-verworven kennis omtrent den loop van de natuur dwingt ons1 hare ,orde aan te nemen4 ,voor de systematiek is het eerst-verkregen resultaat van deze werkmethode1 dat de beide uiteinden der reeks de meest-uiteenloopende wezens moeten bevatten1 omdat ze verwantschappelijk1 en dus organisch1 het verst van elkaar staan2 aan het eene einde de meest-volkomene1 aan het andere noodwendig de nvolkomenste1 d4w4z4 de eenvoudigste4 ,bij de planten kent men van deze natuurlijke reeks nog slechts het ne uiteinde goed1 d4w4z4 men weet1 dat de cryptogamen daar behooren4 ,doordat van we de planten nog niet zooveel weten als van vele dieren1 is het andere einde alsnog onzekerder4 ,daaruit volgt1 dat wij bij de planten nog geen vasten gids hebben voor de betrekkingen tusschen de groote groepen1 gelijk voor geslachten en families4 ,bij de dieren echter zijn de twee uiteinden der reeks voorgoed vastgesteld4 ,want zoolang het natuurlijke stelsel van kracht zal zijn zullen noodwendig de zoogdieren de bovenste1 de afgietseldiertjes de onderste plaats innemen4 ,er is dus1 voor dieren zoowel als voor planten een ,orde1 voortvloeiende uit de middelen1 ingesteld in de natuur door den ,oppersten ,schepper aller dingen4 ,zij1 de ,natuur1 is niet anders dan de algemeene en onveranderlijke ,orde1 door den verheven ,veroorzaker in alles ingeschapen1 en het geheel van de daarovergestelde algemeene en bijzondere wetten4 ,door die voortdurend gebruikte middelen roept zij onafgebroken haar voortbrengselen tot aanzijn1 verandert en vernieuwt ze onophoudelijk en bewaart alzoo overal de ,orde des ,geheels4 ,wij zullen zien1 dat deze natuurlijke orde--waarvan wij reeds verschillende stukken bezitten in de goedbekende families en geslachten--wat de dieren betreft thans in zijn geheel boven alle willekeur is vastgesteld4 ,maar de groote verscheidenheid der bekende dieren en het licht1 door de vergelijkende anatomie op hun samenstelling geworpen1 doen ons thans de middelen aan de hand1 om ze alle definitief in te deelen en de juiste plaats hunner voornaamste afdeelingen vast te stellen4 ,een en ander zal men ontegenzeggelijk moeten toestemmen4 ,onderzoeken we nu den ,huidigen stand van indeeling en classificeering der ,dieren4 ,daar doel en beginselen dezer beide in den aanvang hunner bewerking ten eenen male miskend werden1 deed de arbeid der natuuronderzoekers nog lang de stumperigheid onzer denkbeelden gevoelen4 ,het ging met de natuurwetenschappen als met alle andere1 waar men zich eerst laat is gaan bezinnen op de grondleggende1 regelende beginselen4 ,inplaats van de levende wezens te classificeeren volgens een onomstootelijke orde1 had men slechts een overzichtelijke rangschikking op het oog1 en bleef daardoor vol willekeur4 ,zoo bijv4 gebruikte men wegens de duistere betrekkingen tusschen de groote planten-groepen langen tijd kunstmatige botanische systemen4 ,zij boden alle gemak van willekeurige groepeeringen4 ,ieder auteur stelde naar eigen smaak een nieuw stelsel op4 ,de heele natuurlijke indeeling werd dan ook voor de planten opgeofferd4 ,eerst sinds het erkennen van het belang der voortplantingsorganen1 en vooral van sommige daarvan boven andere begint de botanische systematiek meer volkomen te worden4 ,bij de dieren evenwel zijn in het algemeen de betrekkingen1 die de groote groepen characteriseeren veel gemakkelijker te onderscheiden4 ,verscheidene zulke groepen werden dan ook reeds bij het begin van de beoefening der natuurlijke historie als zoodanig herkend4 ,zoo verdeelde ,aristoteles de dieren in twee hoofdafdeelingen1 klassen1 t4w4 #a;e4 ,dieren met bloed3 ,levend-barende viervoeters1 ,eierleggende viervoeters1 ,visschen1 ,vogels4 #b;e4 ,dieren zonder bloed3 ,mollusca1 ,crustacea1 ,testacea1 ,insecta4 ,de hoofdindeeling in twee groote groepen was vrij goed1 maar het door ,aristoteles gebruikte criterium slecht4 ,immers1 hij gaf den naam bloed aan de voornaamste dierlijke vloeistof met roode kleur4 ,en in de meening1 dat de dieren van de tweede groep alle slechts witte of witachtige sappen hadden1 beschouwde hij ze eens en vooral als bloedeloos4 ,zoo was dan het eerste ontwerp voor een classificatie der dieren1 althans het oudste1 waarvan wij kennis dragen4 ,maar tevens is 't het eerste voorbeeld van een indeeling in omgekeerde volgorde aan de natuurlijke1 daar men een1 hoewel nog zeer gebrekkige1 voortschrijding vindt van het meer samengestelde naar het eenvoudigere4 ,sinds dien tijd heeft men algemeen bij het indeelen der dieren die verkeerde richting gevolgd1 wat onze kennis van het natuurlijke proces kennelijk heeft in den weg gestaan4 ,moderne natuurvorschers hebben gemeend1 de onderscheiding van ,aristoteles te verbeteren1 door zijn eerste afdeeling te noemen dieren met rood bloed en de tweede dieren met wit bloed4 ,men weet echter tegenwoordig1 hoe onbevredigend deze kenschetsing is1 aangezien er ongewervelde dieren zijn met rood bloed 7vele anneliden74 ,volgens mij verdienen de lichaamsdeelen der dieren niet langer den naam bloed als ze niet meer circuleeren in slagaderlijke en aderlijke vaten4 ,die vochten zijn dan zoo vereenvoudigd1 zoo onvolkomen in de samenstelling hunner elementen1 dat men ze ten onrechte met mloopende vloeistoffen zou gelijk stellen4 ,bloed toe te schrijven aan straaldieren of polypen zou dan ook gelijk staan met hetzelfde te doen aan de planten4 ,om alle dubbelzinnigheden en hypothetische beschouwingen te vermijden heb ik op mijn eersten cursus in het ,museum in het voorjaar van #agid het geheel der bekende dieren in twee volkomen scherp onderscheiden secties verdeeld1 te weten3 ,gewervelde dieren1 7,vertebrata7 ,ongewervelde dieren1 7,evertebrata7 ,ik deed aan mijn leerlingen opmerken1 dat de wervelkolom bij de betreffende dieren het bezit van een meer of minder ontwikkeld geraamte aanduidt1 en een bouwplan naar verhouding2 terwijl haar ontbreken bij andere deze niet alleen zuiver van de eerste onderscheidt1 maar tevens beteekent1 dat zij volgens een totaal verschillend stelsel zijn georganiseerd4 ,van ,aristoteles tot ,linnaeus verscheen niets van belang op het gebied van onze systematiek4 ,maar in de laatste eeuw hebben de groote natuurkundigen talrijke bijzondere waarnemingen omtrent de dieren gedaan1 voornamelijk over de ongewervelde4 ,sommige hebben hun anatomie meer of minder volledig bekend gemaakt2 andere beschreven nauwkeurig en uitvoerig de gedaanteverwisselingen en gewoonten van een groot aantal dezer dieren4 ,en het gevolg van hun kostbare waarnemingen is geweest1 dat een uiterst belangrijk feitenmateriaal ter onzer kennis is gekomen4 ,na de feiten verzameld te hebben en ons geleerd te hebben1 met groote nauwgezetheid de kenmerken van allerlei graad te bepalen gaf ,linn1 een man van superieuren geest en een van de grootste natuuronderzoekers ons de volgende indeeling der dieren4 ,hij verdeelde het bekende dierenrijk in zes klassen1 volgens drie trappen of graden van organisatie3 ,systeem der ,dieren volgens ,linnaeus4 ------ ,,table ,klassen4 ,eerste graad4 ,i4 ,zoogdieren4 ,hart met twee kamers2 rood en warm bloed4 ,,ii4 ,vogels4 ,,iii4 ,tweeslachtige dieren ,tweede graad4 7reptielen74 ,hart met een kamer2 rood en koud bloed4 ,,iv4 ,visschen4 ,derde graad4 ,v4 ,insecten4 ,kleurlooze1 koude lichaams-vloeistof4 ,,vi4 ,wormen4 ------ ,behalve de omgekeerde volgorde1 die deze indeeling met alle andere gemeen heeft1 zijn hare eerste vier klassen nu eens en vooral vastgesteld2 hun plaatsing in de algemeene reeks1 zal voortaan altijd de instemming der zologen erlangen1 zoodat men er in de eerste plaats den beroemden ,zweed dankbaar voor moet zijn4 ,anders is het gesteld met de twee laatste afdeelingen4 ,deze zijn kwalijk geslaagd en ondoelmatig4 ,en aangezien zij het grootste aantal en de meest verscheidene bekende dieren omvatten1 zoo hadden ze ook talrijker moeten zijn4 ,men heeft ze dus moeten hervormen en door andere vervangen4 ,gelijk men ziet schonken ,linn en zijn opvolgers zoo weinig aandacht aan de noodzaak1 om de evertebraten--met een kleurloos1 koud lichaamsvocht inplaats van bloed1 wier bewerktuiging een zoo groote verscheidenheid vertoont--verder te splitsen1 dat zij deze talrijke dieren slechts in twee klassen hebben verdeeld1 t4w4 insecten en wormen4 ,zoodat al wat niet als insect werd beschouwd1 anders gezegd alle ongelede ongewervelden zonder uitzondering tot de wormen gerekend werden4 ,zij plaatsten de insecten nder de visschen en daaronder weer de wormen4 ,volgens ,linnaeus vormden dus de wormen de laatste klasse van het dierenrijk4 ,deze beide klassen treft men nog in dien vorm in alle posthume uitgaven van het ,systema naturae aan4 ,en ofschoon de kardinale fout van die indeeling1 vergeleken met de natuurlijke ,orde der dieren duidelijk blijkt1 en buiten twijfel de ,linneaansche wormen-klasse slechts een soort van chaos is1 waarin ver uiteenloopende zaken vereenigd zijn1 woog de autoriteit van dien geleerde zoo zwaar voor de natuurkenners1 dat niemand durfde te tornen aan die monsterklasse der vermes4 ,met de bedoeling1 hierin eenige nuttige hervorming aan te brengen1 stelde ik op mijn eersten cursus de volgende indeeling voor van de evertebraten1 die ik inplaats van in twee1 in vijf klassen onderscheidde1 in deze volgorde3 #a;e4 ,mollusca4 #b;e4 ,insecta4 #c;e4 ,vermes4 #d;e4 ,echinodermata4 #e;e4 ,polypi4 ,deze klassen1 bevatten eenige van de door ,bruguire ter indeeling van de wormen voorgeslagen door mij niet in allen deele geadopteerde orden1 en de klasse der insecten van ,linn4 ,nadat nu door de komst van ,cuvier te ,parijs tegen het midden van het jaar #agie de aandacht der zologen gevestigd was op de anatomie der dieren1 zag ik tot mijn groote voldoening de beslissende bewijzen1 door hem gegeven voor den aan de weekdieren toe te kennen voorrang boven de insecten in de algemeene reeks4 ,ik had dat al bij mijn lessen gedaan1 hetgeen echter door de natuuronderzoekers van deze stad niet gunstig was opgenomen4 ,de verandering1 door mij aangebracht in het gevoel van onbevredigdheid met de ,linneaansche indeeling1 bevestigde ,cuvier volkomen door de uiteenzetting van de meest positieve feiten1 waaronder verscheidene weliswaar bekend1 maar door ons nog niet in aanmerking genomen4 ,vervolgens mijn voordeel doende met het licht1 dat deze geleerde sinds zijn komst over alle onderdeelen van de dierkunde wierp1 en in het bijzonder over de ongewervelde1--door hem witbloedige genoemde--dieren1 voegde ik successievelijk nieuwe klassen aan mijne indeeling toe4 ,ik was de eerste1 die ze instelde1 maar1 gelijk men zien zal1 duurde het lang1 voor eenige daarvan werden aangenomen4 ,weliswaar stellen de geschied-schrijvers weinig belang in de wetenschap en des te minder in hare beoefenaars2 niettemin schijnt het mij de moeite waard1 om de veranderingen in de classificatie gedurende deze vijftien jaren te leeren kennen4 ,ziehier die1 welke ik zelf heb aangebracht4 ,vooreerst veranderde ik de benaming echinodermen in radiarin1 teneinde er de kwallen en verwante geslachten bij te voegen774 ,deze klasse is ondanks haar nut en noodzakelijkheid nog niet geaccepteerd4 ,gedurende mijn lessen van het jaar #agii heb ik de klasse der crustaceen opgesteld4 ,cuvier begreep toen in zijn ,tableau des ,animaux 7p4 #dea7 nog de crustacea onder de insecten4 ,en ofschoon deze klasse er zich in wezenlijke punten van onderscheidt1 duurde het zes of zeven jaar1 vr eenige natuuronderzoekers ertoe konden besluiten1 haar aan te nemen4 ,het volgend jaar1 d4w4z4 op mijn cursus van het jaar #ahjj stelde ik voor de arachniden als een aparte klasse1 gemakkelijk en noodzakelijk1 te onderscheiden4 ,hare karaktertrekken wezen van huis uit op de aparte organisatie dezer dieren4 ,want het is onmogelijk1 dat organismen gelijk die der insecten1 die alle een gedaanteverwisseling ondergaan1 zich in den loop van hun leven slechts eenmaal voortplanten en slechts twee antennen1 twee facetoogen en zes gelede pooten hebben1 het aanzijn kunnen geven aan dieren1 die nooit van gedaante verwisselen en overigens in verschillende eigenaardigheden afwijken van de insecten4 ,deze waarheid is sindsdien door de waarneming bevestigd geworden4 ,toch wordt die klasse der arachniden nog in geen enkel werk behalve de mijne toegelaten4 ,toen ,cuvier bij eenige dieren1 die men onder den naam vermes met andere van totaal verschillende samenstelling verwarde1 het bestaan van arterieele en veneuse bloedvaten ontdekt had1 gebruikte ik dadelijk dat nieuwe feit voor het verbeteren van mijne classificeering4 ,en op mijn cursus van #ahjb stelde ik de klasse der anneliden op1 achter de mollusken en voor de crustacea1 overeenkomstig hun anatomie4 ,bij het geven van een nieuwe naam aan die nieuwe klasse kon ik den ouden van wormen voor dieren bewaren1 die dezen altijd hadden gedragen en waaruit de anneliden op anatomische gronden wederom verwijderd moesten worden4 ,dus ik zette de wormen achter de insecten en onderscheidde ze wl van de radiaten en polypen1 waarmede men ze nooit zal mogen vereenigen4 ,mijne klasse der anneliden1 gepubliceerd in mijn lessen en in mijne ,recherches sur les corps vivans 7p4 #bd7 werd meerdere jaren lang door de dierkundigen niet erkend4 ,niettemin begint men dat sedert ongeveer twee jaar te doen2 maar men oordeelt het noodig1 er de benaming van te wijzigen1 nl4 in die van vermes1 zoodat men niet weet1 wat te doen met de eigenlijke vermes1 die noch zenuwstelsel1 noch bloedsomloop bezitten4 ,in deze verlegenheid vereenigt men ze met de klasse der polypen1 hoezeer ze hiervan ook in samenstelling mogen verschillen4 ,zulke voorbeelden van later weer te niet gedane verbeteringen in de classificeering1 die ten slotte weer door den loop der dingen noodzakelijk hersteld moesten worden zijn niet zeldzaam in de natuurwetenschap4 ,zoo had ,linnaeus verscheidene geslachten van planten vereenigd die ,tournefort tevoren onderscheiden had1 zooals ,polygonum1 ,mimosa1 ,justicia1 ,convallaria en nog vele andere4 ,tegenwoordig richten de botanici die door ,l4 geschrapte genera weer op4 ,het vorige jaar--bij mijn colleges van #ahjg--;heb ik ten slotte een nieuwe1 tiende klasse van evertebraten ingesteld1 die der infusoria1 omdat ik mij na een gedegen onderzoek dezer lagere dieren overtuigd heb1 dat ik ze ten onrechte onder de polypen gerangschikt had4 ,terwijl ik aldus de vruchten verzamelde van eigen waarneming en de snelle vorderingen der vergelijkende ontleedkunde grondvestte ik achtereenvolgens de verschillende klassen mijner tegenwoordige indeeling der ongewervelden4 ,opgenoemd in de gebruikelijke omgekeerde volgorde zijn het de volgende3 ,klassen3 ,mollusca4 ,cirrhipedia4 ,annelida4 ,crustacea4 ,arachnidea4 ,insecta4 ,vermes4 ,radiata4 ,polypen4 ,infusoria4 ,ik zal bij de afzonderlijke behandeling dezer klassen aantoonen1 dat het noodzakelijke afdeelingen zijn1 gebaseerd op derzelver organisatie4 ,en ofschoon er in de buurt van hun onderlinge grenzen soorten kunnen1 ja moeten voorkomen1 die in zekeren zin overgangsvormen tusschen twee klassen vormen1 zoo zijn ze toch z passende1 als onze kunst maar vermag voort te brengen4 ,zoolang dan ook het belang der wetenschap voorop zal staan1 zal men niet buiten hun erkenning kunnen4 ,als men derhalve bij de tien klassen der evertebraten de vier der vertebraten van ,linn voegt1 krijgt men als indeeling van alle bekende dieren de volgende veertien klassen1 die ik nog eens in omgekeerde volgorde zal opsommen3 ,gewervelde dieren4 #a4 ,zoogdieren4 #b4 ,vogels4 #c4 ,kruipende dieren4 #d4 ,visschen4 ,ongewervelde dieren4 #e4 ,weekdieren4 #f4 ,rankpootigen4 #g4 ,ringwormen4 #h4 ,schaaldieren4 #i4 ,spinachtigen4 #aj4 ,insecten4 #aa4 ,wormen4 #ab4 ,straaldieren4 #ac4 ,polypen4 #ad4 ,afgietseldiertjes #ag4 ,we zouden thans eigenlijk een zeer belangrijke1 ja dringende vraag moeten opwerpen1 die nooit diepgaande onderzocht schijnt1 nl43 ,moet men1 de klassen van het dierenrijk als een reeks van groepen behandelend zijn weg vervolgen van het meest-gecompliceerde naar het eenvoudigste1 of wel omgekeerd8 ,wij zullen trachten de oplossing dezer vraag te geven in hoofdstuk ,,viii1 het laatste van dit deel4 ,maar tevoren willen wij een zeer merkwaardige zaak onderzoeken1 onze aandacht overwaard1 die ons ten gids kan strekken bij het naspeuren van den door de natuur gevolgden weg bij het tot aanzijn roepen van hare verschillende voortbrengselen4 ,ik bedoel die eigenaardige trapsgewijze afklimming van bewerktuiging in de natuurlijke reeks der dieren vanaf de volkomenste en meest samengestelde tot aan de eenvoudigste en onvolkomenste4 ,ofschoon deze gradatie niet zonder onvermijdelijke schokken gaat1 gelijk ik zal aantoonen1 bestaat zij tusschen de hoofdgroepen zoo klaarblijkelijk en1 zelfs in de afwijkingen van haar gewonen baan1 met een zoo onwrikbare standvastigheid1 dat zij ongetwijfeld onderworpen is aan een of andere algemeene wet1 die wij daarom moeten opsporen4 ,,hoofdstuk ,,vi ,,trapsgewijze ,,afklimming ,,en ,,vereenvoudiging ,,der ,,organisatie ,,van ,,het ,,eene ,,einde ,,van ,,de ,,keten ,,der ,,dieren ,,tot ,,het ,,andere ,beschouwingen over het bovengenoemde onderwerp behooren tot de meest belangwekkende op het gebied van de zologische philosophie4 ,ons doel is dus1 te weten te komen1 of dat feit werkelijk aangetoond kan worden2 want in dat geval zal het een sterk licht werpen op den door de natuur afgelegden weg en ons in den zadel helpen1 om verscheidene van haar meest belangrijke wetten te ontdekken4 ,ik stel mij hier voor1 te bewijzen1 dat het betreffende feit inderdaad bestaat1 en het product is van een aanhoudend en gelijkmatig werkende natuurwet2 maar dat een voor de hand liggende1 bijzondere oorzaak hier en daar de te verwachten resultaten daarvan langs de heele keten der dieren doet afwijken4 ,vooreerst moet men erkennen1 dat de algemeene reeks der dieren1 gerangschikt naar hunne natuurlijke betrekkingen1 een serie van afzonderlijke groepen vormt als gevolg van de verschillende stelsels van bewerktuiging die door de natuur zijn gebruikt1 en dat zelf weer naar afnemend-samengestelde organisatie geplaatste groepen samen een echte keten vormen4 ,voorts merkt men op1 dat er1 behoudens afwijkingen1 waarvan wij de oorzaken nog nader zullen opsporen1 van het eene einde van die keten tot het andere een opvallende vereenvoudiging van bewerktuiging heerscht en in overeenstemming hiermee een vermindering van het aantal eigenschappen4 ,zoodat1 indien aan het eene einde de in alle opzichten meest volkomen dieren staan1 men noodwendig aan den tegenovergestelden kant de eenvoudigste en laagststaande ontwaart4 ,tenslotte kan men zich overtuigen1 dat alle bijzondere organen zich gaandeweg van klasse tot klasse vereenvoudigen en veranderen1 ginds nog van voornaam belang1 hier hoe langer hoe armzaliger en zwakker worden1 en hun plaatselijke concentratie verliezen om te eindigen met volkomen te verdwijnen nog vr het andere einde van de keten is bereikt4 ,voorwaar schrijdt deze degradatie niet altijd regelmatig voort2 want vaak ontbreekt er eenig orgaan of verandert het plotseling en neemt soms daarbij zonderlinge gestalten aan1 die met geen enkele andere door herkenbare overgangen verbonden zijn4 ,ook verschijnt en verdwijnt een orgaan dikwerf nog herhaaldelijk1 alvorens definitief van de baan te zijn4 ,maar men zal gevoelen1 dat dit niet anders heeft kunnen zijn2 dat de oorzaak der toenemende samengesteldheid van bewerktuiging verschillende afwijkingen in hare voortbrengselen heeft moeten ondergaan1 wijl deze vaak door een sterke werking van buiten af gewijzigd worden4 ,nochtans zal men zien1 dat de betreffende degradatie niet minder werkelijk voortgaat4 ,indien de tendens tot voortdurende ontwikkeling der organismen de eenige was1 die invloed had op de dierlijke vormen en lichaamsdeelen1 zouden deze overal zeer regelmatig samengestelder worden4 ,maar verre van dien3 de natuur is gedwongen om wat zij volbrengt overal te onderwerpen aan den invloed der omringende omstandigheden1 die hare voortbrengselen in allen deele doen varieeren4 ,ziedaar de bijzondere oorzaak1 die in den loop van de trapsgewijze afklimming dikwijls zonderlinge afwijkingen van het gewone verloop doet ontstaan4 ,laat ons trachten in het volle licht te stellen3 zoowel de progressieve vereenvoudiging der dierlijke organisatie als de oorzaak der afwijkingen1 die deze ondergaat4 ,het is duidelijk1 dat als de natuur slechts het aanzijn gegeven had aan waterdieren1 die alle steeds onder hetzelfde klimaat in dezelfde soort water van dezelfde diepte geleefd hadden1 enz41 men dan in hun organisatie een regelmatige opklimming met vloeiende overgangen zou gevonden hebben4 ,intusschen heeft de natuur hare vermogens niet tusschen zoo nauwe grenzen beperkt4 ,vooreerst al heeft zij in het water zelf de omstandigheden belangrijk gedifferentieerd3 zoet- en zeewater1 stilstaande en stroomende of bewogen wateren1 warme en koude1 ondiepe en diepe bieden evenzoovele bijzondere omstandigheden voor de hen bewonende dieren4 ,bij gelijken trap van organisatie ondergaan dan de daaraan blootgestelde dierrassen speciale invloeden van elk ervan en worden er door gewijzigd4 ,nadat waterdieren van allerlei aard waren voortgebracht en bijzonder gevarieerd met behulp der onderscheidene levensvoorwaarden van het water1 zijn sommige hun natte element ontrouw geworden1 eerst aan de oevers1 om daarna geheel een landleven te gaan aannemen in de dampkringslucht4 ,deze bevonden zich mettertijd in omstandigheden z totaal verschillend van hunne vroegere en van zoo ingrijpenden invloed op gewoonten en organen1 dat de theoretische regelmatige opklimming in bewerktuiging er op eigenaardige wijze door gewijzigd is zoodat zij hier en daar nauwelijks meer herkenbaar is4 ,deze door mij reeds lang onderzochte dingen1 die ik met stellige bewijzen zal staven geven mij aanleiding om het volgende zologische beginsel voor te stellen1 welks grondslagen mij aan elken twijfel ontheven schijnen3 ,het proces van voortschrijdende samengesteldheid van bewerktuiging ondergaat hier en daar in de algemeene reeks der dieren afwijkingen onder den invloed van de omgevende omstandigheden en de aangenomen gewoonten4 ,men heeft zich op grond dier afwijkingen gerechtigd geacht1 de opvallende progressie in de dierlijke bewerktuiging zelf te verwerpen en daarmee den weg1 dien de natuur volgt bij het voortbrengen van hare levende schepselen4 ,intusschen zijn ondanks die genoemde anomalien het algemeene plan der natuur en haar gestadige procd nog zeer goed te onderkennen1 alhoewel de gebruikte middelen tot in het oneindige varieeren4 ,daartoe moet men de algemeene reeks der bekende dieren in haar geheel beschouwen1 en vervolgens in hare groote groepen en men zal er de meest ondubbelzinnige bewijzen ontdekken van de trapsgewijze opklimming in de organisatie1 onmiskenbaar ondanks de opgenoemde afwijkingen4 ,ten slotte merke men op1 dat overal1 waar geen uiterst-afwijkende omstandigheden aan het werk zijn geweest men in die opklimming vloeiende overgangen vindt in die deelen der reeks1 welke wij families hebben genoemd4 ,die waarheid blijkt nog treffender bij de studie van de z4g4 soorten4 ,want hoe meer wij waarnemen1 hoe moeilijker1 ingewikkelder en uitvoeriger onze specifieke onderscheidingen worden4 ,de opklimming in de samenstelling der dieren zal dus een onbetwistbaar feit zijn1 zoodra wij de stellige bewijzen tot in bijzonderheden kunnen geven van wat zoo juist uiteengezet is4 ,en daar wij de dierenreeks beschouwen in omgekeerde volgorde als de natuur bij hunne voortbrenging heeft gevolgd1 doet zich de gradatie aan ons voor als een merkwaardige afdaling1 van het eene einde van den dierenketen tot het andere behoudens de onderbrekingen als gevolg van de nog te ontdekken natuurvoorwerpen en van de afwijkingen1 veroorzaakt door uitersten in levensomstandigheden4 ,om nu met stellige feiten die trapsgewijze afklimming in de dierlijke organisatie te grondvesten willen we eerst eens een blik slaan op de samenstelling en het geheel dezer reeks en de feiten ermee annex2 vervolgens zullen we hare veertien klassen snel de revue laten passeeren4 ,bij het onderzoek van de algemeene indeeling der dieren zooals ik die in het vorige hoofdstuk heb voorgeslagen en die over het geheel door de zologen eenstemmig wordt erkend--behoudens de bezwaren tegen de grenzen van eenige klassen--springt n feit dadelijk in het oog1 dat op zichzelf al beslissend zou zijn voor mijn zaak1 en wel het volgende3 ,aan het eene einde van de serie1 dat men gewoonlijk het voorste noemt ziet men de in alle opzichten meest volkomen dieren met de meestingewikkelde organisatie terwijl zich aan het andere einde de laagst-bewerktuigde bevinden1 wier dierlijkheid men ternauwernood zou vermoeden4 ,dit welbekende en inderdaad onweerlegbare feit wordt het eerste bewijs voor de aan te toonen afklimming1 want het is er de wezenlijke voorwaarde voor4 ,een ander bewijzend feit daarvoor is het volgende3 ,de eerste vier klassen van het dierenrijk bevatten dieren1 zonder uitzondering met ruggegraat1 welke bij alle andere ten eenen male ontbreekt4 ,men weet1 dat die wervelkolom de ruggesteun is van het geraamte1 dat zonder haar niet kan bestaan en dat overal waar zij zich bevindt er een meer of minder volledig en volkomen skelet is4 ,voorts wijst1 naar bekend1 volmaking der functies op die der betreffende organen4 ,ofschoon nu hier de mensch niet in aanmerking komt doordat zijn verstand zoozeer meerderwaardig is boven zijn lichamelijkheid1 levert hij ongetwijfeld het voorbeeld van de grootst mogelijke volmaaktheid2 hoe meer dan ook een dierlijk organisme het zijne nadert1 hoe volkomener is het4 ,dit zoo zijnde merk ik op1 dat het menschelijk lichaam niet alleen een geleed skelet bezit1 maar nog wel het in allen deele meest volledige en volkomene4 ,dit geraamte verstevigt zijn lichaam1 levert talrijke aanhechtingsplaatsen voor de spieren en stelt hem in staat zijn bewegingen vrijwel tot in het oneindige te varieeren4 ,daar nu het skelet een voornaam aandeel neemt in het bouwplan van het menschelijk lichaam1 zoo is het duidelijk1 dat elk dier mt geraamte beter georganiseerd is dan zonder4 ,dus zijn de evertebraten onvolkomener dan de vertebraten4 ,plaatst men dus aan het hoofd van de dierenreeks de meest volkomene1 dan vertoont zij een werkelijke afklimming in bewerktuiging1 aangezien na de eerste vier klassen alle volgende dieren een geraamte missen en bijgevolg onvolkomener georganiseerd zijn4 ,maar dat is niet alles3 onder de gewervelde dieren zelf wordt die afklimming ook opgemerkt4 ,wij zullen zien dat zij ook onder de ongewervelde dieren bestaat1 dat dus deze afklimming volgt uit het door de natuur constant volgehouden plan en tegelijkertijd een gevolg is van de omgekeerde richting1 waarin wij hare orde vervolgen4 ,want indien wij de werkelijke richting kozen van onvolkomen tot volkomen1 zouden we een toenemende samengesteldheid vinden en achtereenvolgens de dierlijke functies in aantal en doeltreffendheid zien wassen4 ,laten we daarom ten bewijze van de werkelijke degradatie eens schielijk de verschillende klassen van het dierenrijk doorloopen4 ,de ,zoogdieren ,dieren met melkklieren1 vier ledematen en alle integreerende lichaamsdeelen der meest volkomen dieren4 ,haar op eenige plaatsen4 ,de zoogdieren 7,mammalia71 moeten blijkbaar aan een der uiteinden van de keten der dieren staan1 en wel op de plaats van de best georganiseerde en functioneerende2 want alleen onder hen vindt men de meest ontwikkelde intelligentie4 ,indien de ontwikkeling der functies die der betreffende organen bewijst1 dan zijn de zoog-dieren1--de eenige werkelijk levendbarende77--het best bewerktuigd1 omdat1 gelijk bekend1 deze dieren meer verstand1 meer eigenschappen en een meer volkomen geheel van zintuigen hebben dan alle andere2 overigens nadert hun organisatie het meest tot die van den mensch4 ,zij toch vertoonen ons een lichaam1 in allen deele bevestigd door een geleed geraamte1 vollediger dan bij de vertebraten van de drie andere klassen4 ,de meeste hebben vier ledematen1 afhankelijk van het skelet1 en alle een middenrif tusschen borst en buik2 een hart met twee kamers en twee boezems2 rood en warm bloed2 vrij in de borstkas opgehangen longen waardoor alle bloed circuleert alvorens naar de andere lichaamsdeelen gezonden te worden4 ,ten slotte zijn zij alleen echt levendbarend1 want alleen bij hen houdt het foetus1 ingehuld in zijn bekleedselen1 nochtans met de moeder voortdurend verbinding1 ontwikkelt er zich ten haren koste en voedt zich na de geboorte nog eenigen tijd met het zog van hare melkklieren4 ,dus moeten de zoogdieren de eerste plaats in het dierenrijk innemen1 in verband met hunne volmaking van organen en vermogens 7,recherches sur les ,corps vivans1 p4 #ae7 aangezien men buiten hen geen echte viviparie meer vindt1 noch door een diaphragma in de borstkas afgeperkte longen waar alle lichaamsbloed doorheen spoelt1 enz4 enz4 ,nu is het werkelijk onder de zoogdieren zelf vrij moeilijk1 onderscheid te maken tusschen datgene1 wat inderdaad behoort tot de door ons onderzochte trapsgewijze afklimming en de gevolgen van omringende omstandigheden1 van levenswijze en sinds langen tijd aangenomen gewoonten4 ,intusschen vindt men bij hen sporen van de algemeene trapsgewijze rangschikking in organisatie2 want zij wier ledematen tot grijpen ingericht zijn staan boven die1 welke er slechts mee loopen kunnen4 ,onder de eerste bevindt zich de mensch4 ,wijl dus het menschelijk organisme het meest volmaakt is1 moet men het als type beschouwen1 waarnaar de meerdere of mindere volkomenheid van de andere te beoordeelen is4 ,zoo vertoonen de drie afdeelingen1 waarin de klasse der zoogdieren1 zij het niet gelijkmatig1 te onderscheiden is1 een opmerkelijke trapsgewijze afklimming in de bewerktuiging der betreffende dieren4 ,eerste afdeeling3 genagelde zoogdieren2 7,unguiculata72 zij bezitten vier ledematen1 platte of puntige nagels aan de uiteinden hunner vingers1 die daardoor niet omhuld worden4 ,die ledematen zijn in het algemeen geschikt om te grijpen1 althans zich aan de voorwerpen vast te klemmen4--,onder hen in 't bijzonder bevinden zich de meest-volmaakt georganiseerde dieren4 ,tweede afdeeling3 hoefdieren 7,ungulata72 vier ledematen1 wier uiteinden geheel omhuld worden door een rond stuk hoorn1 z4g4 hoef4 ,de voeten dienen slechts tot loopen of rennen en zijn ongeschikt tot het boomleven of als grijporganen of tot het aanvallen en verscheuren van andere dieren4 ,de voeding geschiedt uitsluitend met planten4 ,derde afdeeling3 nagellooze zoogdieren 7,exungulata72 slechts twee zeer korte1 afgeplatte en tot zwemmen geschikte ledematen4 ,de door de huid omgeven vingers dragen geen nagels of andere hoornvormingen4 ,van alle zoogdieren zijn zij het laagst bewerktuigd4 ,ze bezitten bekken noch achterste ledematen en verzwelgen het voedsel ongekauwd4 ,gewoonlijk leven zij in het water1 maar komen aan de oppervlakte om adem te halen4 ,men noemt ze cetacea 7walvischachtigen74 ,ofschoon de tweeslachtige zoogdieren #ah eveneens het water bewonen1 waaruit zij slechts van tijd tot tijd aan land kruipen1 zoo behooren zij inderdaad tot de eerste afdeeling1 van de natuurlijke ,orde1 en niet tot die1 welke de cetacea bevat4 ,men zal nl4 al dadelijk inzien1 dat onderscheid dient gemaakt te worden tusschen een lageren trap van organisatie als gevolg #a;e4 van woonplaats en aangenomen gewoonten1 en #b;e4 van uit een geringeren graad van volmaaktheid of bewerktuiging4 ,daardoor is voorzichtigheid geboden bij de beschouwingen van details4 ,want aangezien de levensomstandigheden1 de bijzondere woonplaatsen de van buiten af op-gedwongen gewoonten1 levenswijze enz41 een groot orgaan-omvormend vermogen bezitten--gelijk ik nader zal laten zien--zoo zou men bepaalde vormen verkeerdelijk aan oorzaken sub ,i kunnen toeschrijven4 ,zoo is het duidelijk1 dat de amphibien #ai en de walvisschen1 die beide een dichte middenstof bewonen1 waar goed-ontwikkelde ledematen de bewegingen slechts zouden hinderen1 het best gediend zijn van zeer verkorte leden2 dat uitsluitend de invloed van het water ze heeft moeten maken tot wat ze zijn1 en dat bijgevolg deze dieren hun algemeenen lichaamsvorm danken aan het bewoonde milieu4 ,maar in die afdalende orde1 welke wij bij de zoogdieren zelve tracht te onderscheiden moeten de tweeslachtigen van de cetacea verwijderd worden1 wijl hun bewerktuiging in hare voornaamste deelen veel minder gedegradeerd is2 en men moet ze daarom nader brengen tot de genagelde zoogdieren1 terwijl de walvischachtigen1 als zijnde de minst volkomene1 de laatste orde der klasse moeten vormen4 ,thans zullen wij tot de vogels overgaan1 maar eerst wil ik nog opmerken1 dat van de zoogdieren tot de vogels geen overgang bestaat4 ,hier is een leegte4 ,maar de natuur heeft zonder twijfel dieren voortgebracht1 die deze leegte ten naaste bij aanvullen1 en die een afzonderlijke klasse moeten vormen1 indien zij noch onder de zoogdieren1 noch onder de vogels gerangschikt kunnen worden4 ,dit is nu inderdaad gebleken1 doordat men kort geleden in ,nieuw-,holland twee geslachten van zoogdieren ontdekt heeft1 t4w4 ,ornithorhynchus ,monotremata ,geoffr4 ,echidna4 ,deze dieren bezitten vier ledematen1 geen melkklieren1 tanden in kassen noch lippen4 ,zij hebben slechts n afvoergang voor geslachtsproducten1 vaste- en vloeibare uitscheidingsstoffen1 7cloaca74 ,het lijf is bedekt met haren of stekels4 ,zoogdieren zijn het niet1 want ze hebben geen melkklieren en zijn hoogstwaarschijnlijk eierleggend4 ,het zijn geen vogels1 want de longen zijn niet doorboord noch de armen tot vleugels omgevormd4 ,reptielen zijn ze ten slotte ook niet1 blijkens hun twee hartkamers4 ,zij behooren dus tot een afzonderlijke klasse4 ,de ,vogels4 ,dieren zonder melkklieren1 met twee pooten en twee tot vleugels gewijzigde armen4 ,lichaam bedekt met veeren4 ,de tweede rang komt klaarblijkelijk aan de vogels toe1 want ofschoon men bij hen gewis niet zooveel vermogens en verstand vindt als bij de eersterangs-dieren1 zoo zijn zij1 ongeacht de monotremen1 de eenige die een hart met twee kamers en twee boezems1 warm bloed1 een geheel met hersenen gevulde schedelholte en een in ribben gevatten romp hebben1 evenals de zoogdieren4 ,met deze laatste hebben ze dus zeer-aparte kenmerken gemeen1 die men bij geen der latere klassen zal terugvinden4 ,vergeleken met de zoogdieren vertoonen nochtans de vogels een kennelijk lageren trap van organisatie1 geenszins afhankelijk van de omstandigheden4 ,immers1 als hoofdzaak missen zij de melkorganen1 slechts eigen aan de hoogst-ontwikkelde dieren1 in verband met de echt-levendbarende wijze van voortplanten1 die men zoowel bij de vogels als bij een der na-volgende rangen vergeefs zou zoeken4 ,in een woord3 ze leggen eieren4 ,hun in een anorganische z4g4 eierschaal gehulde foetus heeft weldra geen verbinding meer met de moeder en ontwikkelt zich zonder aan haar direct voedsel te ontleenen4 ,een middenrif1 dat bij de mammalin borst- en buik-holte volkomen1 zij het ietwat scheef1 afscheidt1 ontbreekt hier ten eenen male4 ,in de wervelkolom zijn slechts hals- en staartwervels bewegelijk1 daar dit voor de overige onnoodig is1 en daarmede geen hinderpalen in den weg gelegd worden aan de ontwikkeling van den kam van het borstbeen1 hetwelk thans op zijn beurt welhaast alle beweging onmogelijk maakt4 ,immers1 daar het sternum der vogels als steunpunt dient voor pectoraalspieren1 7door voortdurende1 krachtige beweging zeer dik en sterk geworden7 is het zelve uiterst breed uitgegroeid met een kam in het midden4 ,maar dit houdt verband met de gewoonten dezer dieren1 en niet met hun plaats in het systeem4 ,immers1 een zoogdier3 de vleermuis vertoont eveneens een borstbeenkam4 ,al het bloed der vogels doorstroomt de longen1 alvorens de andere lichaamsdeelen te bereiken4 ,dientengevolge geschiedt de long-bloedzuivering hier nog even volledig als bij de zoogdieren2 later wordt dat stelsel niet meer aangetroffen4 ,maar hier echter doet zich een zeer merkwaardige bijzonderheid voor1 welke zonder twijfel samenhangt met de levensomstandigheden dezer dieren4 ,de vogels1 bij uitstek bewoners der lucht1 die ze onophoudelijk in alle richtingen doorklieven1 hebben de gewoonte aangenomen hun longen te doen zwellen ter verlichting1 hetgeen deze organen zijwaarts zakvormig heeft doen uitgroeien1 en de--door de plaatselijke warmte verdunde--lucht in staat gesteld heeft1 longen en omhulsels te doorboren en voorts in bijna alle lichaamsdeelen1 zelfs in de groote holle beenderen door te dringen1 ja tot in de schachten der pennen #bj4 ,desalniettemin ondergaat het bloed slechts in de longen den vereischten invloed van de zuurstof1 want de in de andere lichaamsdeelen binnendringende lucht heeft een andere functie dan voor de ademhaling4 ,aldus staan de vogels met recht een trap onder de zoogdieren4 ,niet1 wijl hun longen een bijzonderheid bieden1 die de eerste missen1--evenals de veeren slechts een gevolg van het lucht-leven--doch wijl ze een ander voortplantingssysteem bezitten dan de meest-volmaakte dieren1 nl4 hetzelfde als het meerendeel der lagere klassen4 ,onder de vogels zelf is de afklimming in organisatie zeer moeilijk te onderkennen2 onze kennis van hunne bewerktuiging is daarvoor nog van te algemeenen aard4 ,men heeft dan ook tot heden vrij willekeurig deze of gene orde aan het hoofd der klasse gesteld1 en haar naar welbehagen geindigd4 ,edoch1 indien men in aanmerking neemt1 dat de watervogels 7zooals de zwemvoetigen71 de steltloopers en de hoenderachtigen het uitnemende voordeel hebben1 dat hun jongen dadelijk na het verlaten van het ei kunnen loopen en zich voeden en bovenal1 als men oplet1 hoe onder de zwemmers de vetganzen en pinguns--wier bijna vederlooze1 tot zwemmen ongeschikte vleugels niet veel meer dan vinnen zijn--eenigermate tot de cloaakdieren en walvischachtigen naderen1 zoo zal men inzien1 dat de zwemvoetigen1 steltloopers en hoenderachtigen de eerste drie vogelorden moeten vormen en de duiven1 zang-1 roof- en klimvogels de laatste vier4 ,voorzoover bekend kunnen bij hen de pas uitgekomen jongen zich ook nog niet voortbewegen of voeden4 ,ten slotte maken volgens deze beschouwingen de klimvogels de laatste orde uit1 als zijnde de eenige met twee teenen naar voren en twee naar achteren1 hetgeen op een nadere overeenkomst met de reptielen 7chamaeleon7 schijnt te wijzen4 ,reptielen4 ,dieren met slechts een hartkamer1 nog in het genot van longademing1 schoon onvolkomen4 ,huid glad of beschubd4 ,op den derden rang komen natuurlijk 7en noodzakelijk7 de reptielen1 en zij zullen ons nieuwe en belangrijke bewijzen aan de hand doen voor de trapsgewijze afdaling der bewerktuiging van het eene tot het andere einde der dieren-rij4 ,ten eerste heeft hun hart1 met slechts n hartholte1 niet meer die gedaante1 bij uitstek eigen aan de eerste- en tweederangs dieren1 en hun bloed is koud1 bijna gelijk dat van de leden der laagste rangen4 ,een ander bewijs voor hun lageren trap van bewerktuiging vertoonen de kruipende dieren ons in de ademhaling4 ,vooreerst zijn zij de laatste1 die nog door echte longen ademen1 want na hen vinden wij in geen enkele dierklasse dergelijke organen1 hetgeen ik zal trachten te bewijzen bij de weekdieren4--,ten tweede bestaat de long in 't algemeen uit zeer groote cellen1 naar verhouding weinig talrijk en reeds sterk vereenvoudigd4 ,bij vele soorten ontbreekt dit orgaan op jeugdigen leeftijd nog1 en de functie wordt dan waargenomen door kieuwen1 ademhalingsorganen1 welke bij geen der vorige rangen gevonden worden4 ,soms worden hier beide systemen tegelijk bij hetzelfde individu aangetroffen 7jonge kikvorschachtigen74 ,maar het beste bewijs voor hun lagere rangorde in zake de ademing is het feit1 dat slechts een deel van het bloed door de longen passeert1 terwijl de rest de lichaams-deelen bereikt zonder gelucht te zijn4 ,tenslotte beginnen de vier ledematen1 zoo karakteristiek voor de hoogere dieren1 hier verloren te gaan1 ja1 veelal geheel te verdwijnen1 zooals bij haast alle slangen4 ,onafhankelijk van de vereenvoudiging in bewerktuiging1 waarneembaar in3 hart-vorm1 bloedtemperatuur--die ternauwernood boven die van de omgeving stijgt--onvolkomen ademhaling en trapsgewijze vervlakking der longen1 bemerkt men voorts ook tusschen de reptielen onderling belangrijke verschillen1 zoodanig1 dat de orden dezer klasse in voorkomen en anatomie grooter verschillen vertoonen dan bij de twee voorafgaande klassen4 ,sommige leven gewoonlijk op het land1 en onder hen kunnen de pootlooze soorten slechts kruipen4 ,andere bewonen het natte element of wel afwisselend land en water4 ,de huid is nu eens glad1 dan weer beschubd4 ,ofschoon alle slechts n hartkamer hebben1 zijn er sommige soorten met twee boezems1 andere met een4 ,al deze verschillen hangen af van de woonplaatsen1 levenswijze1 enz42 zonder twijfel oefenen de omstandigheden grooteren invloed uit op een organisatie1 nog ver van het beoogde doel verwijderd1 dan op zulke1 die reeds meer naar hun volmaking zijn voortgeschreden4 ,wijl de kruipende dieren eieren leggen1 7ook wanneer deze intusschen in de moederschoot uitkomen71 voorts een gewijzigd1 meest sterk vereenvoudigd skelet bezitten1 een minder volkomen ademhaling en bloedsomloop dan de zoogdieren en vogels en hunne smalle hersenen de schedelholte niet geheel vullen1 zoo zijn zij minder volmaakt dan de twee voorafgaande klassen1 aldus van hun kant de voortdurend-toenemende onvolkomenheid van organisatie bevestigend4 ,reeds genoemd zijn de kieuwen der pasgeboren batrachia4 ,indien men het ontbreken der pooten als een teeken voor lagere rangorde zou opvatten1 dan moesten de slangen de laatste orde vormen2 dit ware echter een averechtsche opvatting4 ,immers1 door het aannemen van de gewoonte om zich te verbergen door vlak op den bodem te kruipen heeft hun lichaam een overmatige lengte verkregen1 vergeleken met de dikte4 ,derhalve zouden lange pooten schadelijk geweest zijn voor 't zich kruipend verbergen1 en korte pooten--waarvan ten hoogste vier beschikbaar--niet in staat om het lijf voort te bewegen4 ,aldus hebben de gewoonten dezer dieren hun pooten doen verdwijnen1 en niettegenstaande de tweeslachtigen ze wel bezitten1 zijn deze meer overeenkomstig de visschen georganiseerd4 ,de bewijzen voor deze mijne belangrijke beschouwingen zullen gebaseerd zijn op positieve feiten1 en bijgevolg beveiligd voor--vergeefs aangevoerde--tegenwerpingen4 ,de ,visschen ,dieren1 door kieuwen ademende1 met gladde of beschubde huid en voorzien van vinnen ,volgens onze plaatsing naar afklimmende orde van algemeene bewerktuiging moeten de visschen noodzakelijkerwijze op den vierden rang worden geplaatst1 dus na de reptielen4 ,inderdaad zijn zij ook minder-volkomen bewerktuigd dan deze laatste6 ,ongetwijfeld zijn hun algemeene lichaamsvorm1 het ontbreken van een insnoering tusschen kop en romp1 en de verschillende vinvormige ledematen een gevolg van de dichte middenstof1 die zij bewonen1 en geen kenmerk van lagere organisatie4 ,toch is deze laatste niet minder werkelijk1 ja1 blijkens hunne inwendige samenstelling1 aanzienlijk lager dan die der reptielen4 ,bij hen vindt men het ademhalingsstelsel der hoogste dieren niet terug1 d4w4z41 de--ontbrekende--ware longen zijn vervangen door kieuwen1 d4z4 kamvormige1 vaatrijke plaatjes1 ten getale van vier stel aan beide zijden van hals of kop geplaatst4 ,het door den bek opgenomen water strijkt tusschen de kieuwbladen door1 omspoelt de talrijke vaten daarin1 en de in het water vervatte lucht1 schoon in geringe hoeveelheid1 werkt op het kieuw-bloed in1 ter weldoende lucht-verversching4 ,het water passeert daarna de zijdelingsche openingen in den hals4 ,merk op1 dat hier voor de laatste maal het ingeademde fluide door den mond heen het respiratie-orgaan bereikt774 ,evenals de na-volgende rangen1 missen ook deze dieren luchtpijp1 keel en echte stem 7n'en dplaise de z4g4 brommers7 alsmede oogleden1 enz4 ,nochtans maken de visschen deel uit van de gewervelde dieren doch zij beindigen den vijfden trap van organisatie1 wijl ze alleen met de kruipende dieren de volgende eigenschappen gemeen hebben3 ,een wervelkolom1 ,zenuwen1 in hersenen samenkomend die niet de schedelholte opvullen1 ,en hartkamer1 ,koud bloed1 ,uitsluitend inwendige gehoororganen4 ,de visschen zijn aldus georganiseerd3 voortplanting door eieren2 lichaam zonder melkklieren en van den meest zwem-vaardigen vorm2 vinnen1 welke niet geheel overeenkomen met de vier ledematen der hoogere dieren2 een zeer onvolledig skelet1 zonderling vervormd en bij de laagst-staande leden dezer klasse ter nauwernood ontwikkeld2 n hartkamer en koud bloed2 kieuwen inplaats van longen2 zeer kleine hersenen2 een tastzin zonder zin voor vormen en klaarblijkelijk geen reukzin1 wijl geuren slechts door de lucht worden voortgeplant774 ,kortom1 het is duidelijk1 dat ook deze dieren van hun kant de trapsgewijze afklimming1 welke wij in het heele dierenrijk nagaan1 bevestigen4 ,bij een hoofd-indeeling dezer klasse zullen we zien1 dat de z4g4 beenvisschen meer volkomen zijn dan de kraakbeenachtigen4 ,ook onderling duiden deze twee groepen dus weer op een trapsgewijzen teruggang1 want laatstgenoemde groep bewijst door de zwakte der steunende deelen--ook in de voortbewegingsorganen--dat bij hen het skelet eindigt1 of liever3 dat de natuur daar juist met de vorming ervan begonnen is4 ,steeds verder gaande in een richting1 tegengesteld aan de natuurlijke ,orde1 moeten de laatste acht geslachten van deze klasse die visschen omvatten1 waarvan de kieuwopeningen1 zonder operculum 7kieuwdeksel7 of membraan1 slechts zijdelingsche of keelstandige gaten zijn4 ,aan 't einde zullen ten slotte de lampreien en lancetvischjes moeten komen1 wijl zij ten eenen male verschillen van alle andere door de onvolkomendheid van hun skelet en door hun naakt1 slijmig lichaam zonder zijdelingsche vinnen1 enz4 ,algemeene opmerkingen over de gewervelde dieren4 ,ofschoon onderling sterk afwijkende1 zoo blijken de gewervelde dieren alle volgens een gemeenschappelijk organisatieschema gebouwd4 ,van de visschen tot de zoogdieren opstijgende ziet men1 dat dit grondplan zich van klasse tot klasse volmaakt heeft1 en eerst in de hoogste zoogdieren voleindigd is4 ,doch tevens merkt men op1 dat het type in den loop zijner volmaking talrijke wijzigingen heeft ondergaan1 en zelfs zeer aanzienlijke1 zoowel door den invloed van de omgeving1 als door de gewoonten1 welke iedere soort gedwongen was1 naar omstandigheden aan te nemen4 ,men ziet daaruit1 dat indien de vertebraten onderling in organisatie sterk verschillen1 dit een gevolg van het feit is1 dat de natuur eerst bij de visschen een aanvang heeft gemaakt met de uitvoering van haar ontwerp1 het vervolgens verder doorgevoerd bij de reptielen1 en bij de vogels nader tot zijn volmaking heeft gebracht1 om het pas bij de hoogste zoogdieren te voleinden4 ,aan den anderen kant kan men niet nalaten op te merken1 dat zoo al de voltooing van dit plan niet overal van de visschen tot de zoogdieren geleidelijk-vloeiend plaats heeft1 dit zijn oorzaak vindt in de bijzondere verschillende1 soms zelfs tegenstrevende omstandigheden1 die wijzigend1 tegenwerkend1 ja zelfs richtingveranderend gewerkt hebben gedurende de lange keten der opvolgende geslachten4 ,verdwijnen van de wervelkolom4 ,als men tot dit punt van de dierlijke ontwikkelingstrap genaderd is1 bevindt men1 dat de wervelkolom totaal verdwijnt1 en wijl deze de kern is van ieder waar skelet en deze beenige stut een belangrijk onderdeel uitmaakt van de organisatie der hoogste dieren1 zoo zijn alle ongewervelden1 welke wij nu achtereenvolgens gaan beschouwen1 onvolkomener bewerktuigd dan de vier laatstbehandelde klassen4 ,van nu af zullen dus de spieren geen steunpunten meer aan inwendige deelen zoeken4 ,bovendien ademen de evertebraten nooit door cellige longen2 geen enkele heeft een stem1 bijgevolg ook niet de betreffende organen4 ,ten slotte schijnen ze meestal geen echt bloed te bezitten1 d4i4 die meest roode vloeistof der gewervelde dieren1 welke haar kleur slechts dankt aan haren graad van bezwangering met bewegende lichaampjes1 en die voor alles een echten omloop vertoont4 ,misbruik ware het1 den naam bloed ook te geven aan die vloeistof zonder kleur of samenstelling1 welke zich bijv4 langzaam door de celsubstantie der polypen beweegt4 ,moet men dienzelfden naam dan ook aan de plantensappen geven8 ,behalve de wervelkolom1 gaat ook de iris verloren1 die de oogen der hoogere dieren kenmerkt1 want die der evertebraten zijn nooit versierd met een duidelijk regenboogsvlies4 ,ook de nieren worden slechts bij de vertebraten gevonden1 voor het laatst bij de visschen4 ,voortaan geen ruggemerg meer1 noch sympathisch zenuwstelsel6 ,belangrijk is het voorts1 op te merken1 dat bij de gewervelden1 en voornamelijk bij de hoogstontwikkelde daaronder1 alle organen afzonderlijk liggen1 althans een eigen haard bezitten op evenzoovele aparte plaatsen4 ,men zal zien1 dat volstrekt het tegenovergestelde plaats vindt1 naarmate men zich naar het andere einde der scala toe beweegt4 ,het is dus duidelijk1 dat de ongewervelde dieren alle primitiever georganiseerd zijn1 dan de gewervelde1 met de zoogdieren1 als de meest-typische1 aan den top4 ,laat ons thans eens nagaan1 of de klassen en groote families1 waarin de lange rij der evertebraten ingedeeld wordt1 eveneens een trapsgewijze afklimming aan kan wijzen in samenstelling en volmaking van organisatie4 ,ongewervelde ,dieren 7,evertebraten7 ,komende tot de evertebraten treden wij een oneindig rijk van verschillende dieren binnen1 de talrijkste van de heele natuur1 allerbelangwekkendst en merkwaardig verschillend in organisatie en eigenschappen4 ,bij de beschouwing van hen komt men tot de overtuiging1 dat de natuur bij hun achtereenvolgende schepping van de eenvoudigste tot de meest-samengestelde heeft moeten voortschrijden4 ,waar zij nu een systeem van organisatie voor oogen had1 dat de groote volmaaktheid zou mogelijk maken1 7dat der vertebraten71 een stelsel1 geheel verschillend van diegene1 die zij aanvankelijk bij wijze van bruggen gedwongen was te scheppen1 zoo is het duidelijk1 dat men onder deze talrijke dieren niet een enkel1 gaandeweg verbeterd systeem moet verwachten1 doch verschillende1 onderling scherp onderscheiden stelsels1 waarvan elk heeft moeten ontspringen vanuit het begin-punt van ieder voornaam orgaan4 ,bij het in 't leven roepen van een bijzonder orgaan voor de spijsvertering--zooals bij de polypen--heeft de natuur voor 't eerst inderdaad een bijzonderen1 standvastigen vorm gegeven aan de betreffende dieren1 terwijl de infusoren1 die grondvesters van het dierenrijk1 noch de functie1 noch den vorm of organisatie van dat orgaan bezitten kunnen4 ,toen moeder natuur daarop een apart ademhalingswerktuig liet ontstaan1 en dit1 al verbeterend1 wijzigde in aanpassing aan de levensomstandigheden der dieren1 heeft zij zijn bouw gevarieerd1 al naarmate bestaan en ontwikkeling van de andere bijzondere organen dat gaandeweg vereischten4 ,met de schepping van een zenuwstelsel werd het haar vervolgens tevens mogelijk1 een spierstelsel voort te brengen waaarbij gepaarde deelen een symmetrischen vorm bewerkstelligen4 ,en als resultaat zien wij verschillende nieuwe typen1 naar gelang van de levensomstandigheden en de nieuw-verworven deelen4 ,toen de natuur tenslotte de dierlijke vloeistoffen voldoende in beweging gebracht had1 als begin van een circulatie1 won de bewerktuiging verder nog belangrijke bijzonderheden in onderscheid met systemen zonder vloeistofomloop4 ,om deze opvattingen te grondvesten en de afklimming en vereenvoudiging der organisatie duidelijk te doen uitkomen zullen wij nu snel in averechtsche richting de verschillende klassen der ongewervelde dieren doorloopen4 ,mollusca 7,weekdieren74 ,weeke1 ongelede dieren1 door kieuwen ademend1 in het bezit van een mantel4 ,geen overlangsche zenuwknoopstreng of ruggemerg4 ,de vijfde rang bij het afdalen van de dierenscala behoort ongetwijfeld aan de weekdieren1 want1 schoon als zijnde evertebraat van lagere orde dan de visschen1 zoo zijn zij desniettemin de bestgeorganiseerde ongewervelden4 ,zij ademen door kieuwen1 zeer variabel naar vorm1 grootte1 naar de ligging binnen of buiten het dier en naar de genera en de gewoonten derzelver leden4 ,alle bezitten zij hersenen en zenuwen1 echter zonder ganglinrij langs een gestrekte mergstreng2 voorts aderen en slagaderen en een of meer enkelvoudige harten4 ,zij zijn de eenige bekende dieren met een zenuwstelsel en nochtans zonder ruggemerg of buikganglinketen4 ,de kieuwen1 door de natuur bij uitstek bestemd voor de ademhaling in het water1 hebben wijzigingen in vorm en functie moeten ondergaan bij die water-dieren1 die zich veelvuldig aan de lucht zijn gaan bloot stellen of zelfs1 gelijk sommige soorten1 daarin duurzaam zijn gaan verblijven4 ,het respiratieorgaan dezer vormen heeft zich geleidelijk aan die dampkringslucht aangepast2 en dat is geen bloote aanname1 want men kent krabben 7,cancer ruricola7 die altoos op het land leven1 terwijl toch alle schaaldieren kieuwen bezitten4 ,op den langen duur is die gewoonte1 om atmospherische lucht op te nemen1 voor vele weekdieren een noodzaak geworden2 zij heeft het orgaan zelf gewijzigd1 dat1 niet meer zveel aanraking met de in te ademen middenstof noodig hebbende1 zich aan de wanden van de kieuwholte heeft vastgehecht4 ,daaruit volgt de onderscheiding van twee soorten kieuwen bij de mollusken4 ,de eene bestaat uit een netwerk van vaten1 zich slingerend zonder relief over het slijmvlies eener holte2 deze kieuwen zijn slechts geschikt voor lucht-ademen2 men kan ze dus lucht-kieuwen noemen4 ,de andere soort daarentegen vertoont bijna altijd in of buiten het dier uitspringende organen en vormt franjes of gekamde lamellen1 of ook wel strengetjes1 enz4 ,zij kunnen de ademhaling slechts in natte omgeving bewerkstelligen2 7waterkieuwen74 ,indien nu de onderling-verschillende gewoonten der dieren hunne organen overeenkomstig hebben gewijzigd1 zoo mogen wij hier besluiten1 dat het voor recht begrip van sommige molluskenorden nuttig zal zijn1 die met lucht- te onderscheiden van die met waterkieuwen4 ,maar in beide gevallen zijn het kieuwen1 en het schijnt ons ongepast1 te spreken van weekdieren met longen4 ,wie weet niet1 hoe vaak misbruik van woorden en valsche aanwending van namen dienst hebben gedaan1 om zaken onnatuurlijk voor te stellen en ons in verwarring te brengen6 ,is er bijv4 zoo groot verschil tusschen het netwerk of streng van bloedvaten in de huid van ,pneumodermon en dat van het inwendige vlies bij een tuinslak8 ,en toch ademt ,pneumodermon naar allen schijn slechts water4 ,overigens zullen wij eens nagaan1 of er verband is tusschen de lucht-kieuwen der mollusken en de longen der vertebraten4 ,het eigenaardige van longen is hun sponsachtige structuur1 samengesteld uit min of meer talrijke cellen1 waarin de buitenlucht steeds doordringt1 eerst door den mond en vervolgens door een kraakbeenachtig kanaal1 de luchtpijp1 die zich vertakt tot bronchin1 welke in celletjes uitmonden4 ,de cellen en bronchin vullen en ledigen zich afwisselend door de opeenvolgende opzwelling en afplatting van de lichaamsholte1 zoodat kenmerkend voor de longen is een duidelijke1 afwisselende in- en uitademing4 ,dit orgaan kan slechts de aanraking met lucht verdragen en wordt zelfs door water of een andere stof sterk geprikkeld4 ,het is dus van een andere natuur dan de steeds ongepaarde kieuwholte van zekere weekdieren1 die nooit opzwelling en afplatting vertoont1 noch luchtpijp of bronchin en waarin het ingeademde fluide nooit door den mond binnentreedt4 ,een dergelijke holte1 die zich buitendien dn weer aan het water en dn weer aan de lucht aanpast1 kan nooit long heeten4 ,met eenzelfden naam twee zoozeer verschillende zaken aan te duiden1 is geen wetenschap bevorderen1 maar verwarren4 ,de long is het eenige orgaan1 dat aan dieren een stem kan geven4 ,na de reptielen bezit geen enkel dier longen1 ergo ook geen stem4 ,mijne conclusie is1 dat weekdieren nimmer door longen ademen774 ,indien ook al sommige van hen lucht inademen1 zoo geldt dat ook voor sommige schaaldieren1 alsmede alle insecten4 ,nochtans bezit geen dezer dieren echte longen4 ,terwijl de weekdieren door hun algemeenen bouw1 die onder dien der visschen staat1 ook hunnerzijds de afklimming in de dierenketen bewijzen1 zoo is deze onder de weekdieren onderling veel moeilijker aantoonbaar1 want onder de zeer talrijke en uiteenloopende diervormen dezer klasse valt de onderscheiding zwaar tusschen #a;e4 wat op rekening komt van die onderhavige afklimming en #b;e4 de gevolgen van de woonplaatsen en levenswijzen der dieren4 ,weliswaar zijn de beide orden1 waarin de volkrijke klasse der weekdieren wordt verdeeld1 sterk met elkaar in contrast door het gewicht der kenmerkende eigenschappen4 ,de leden van de eerste orde 7,mollusca cephalota7 bezitten een scherp afgeteekenden kop1 oogen1 kaken of slurf1 en planten zich door paring voort4 ,al deze kenmerken worden bij de tweede 7,acephale weekdieren7 gemist4 ,zonder eenige quaestie staat dus de tweede orde bij de eerste in organisatie ten achteren4 ,het is echter van belang1 op te merken1 dat het gemis van kop1 oogen1 etc4 bij de acephalen niet uitsluitend aan de algemeen lagere bewerktuiging moet worden toegeschreven1 in overeenstemming met het feit1 dat kop en oogen bij lagerstaande orden in de dieren-scala weer terugkeeren4 ,integendeel1 naar allen schijn is hier sprake van een dier afleidingen van het volmakingsproces door de omstandigheden1 niet te vereenzelvigen met de oorzaken van de geleidelijke hoogere organiseering der dieren4 ,den invloed van gebruik of voortdurend1 volkomen onbruik der organen beschouwende1 zullen wij zien1 dat een kop1 oogen1 enz4 voor de tweede orde hoogst nutteloos waren geweest1 wijl de groote ontwikkeling van den mantel het gebruik toch onmogelijk gemaakt zou hebben4 ,overeenkomstig die algemeene natuurwet1 dat elk ongebruikt orgaan degenereert1 zachtjes aan verkomt en verarmt om ten slotte geheel te verdwijnen1 zijn kop1 oogen1 kaken enz4 bij de acephalen geheel vernietigd2 overigens zullen wij daar nog meer voorbeelden van ontmoeten4 ,wijl de natuur bij de ongewervelde dieren geen inwendige steunpunten voor de spieren meer had1 heeft zij gene bij de weekdieren vervangen door een mantel4 ,deze is des te sterker en vaster naarmate de dieren zich krachtiger bewegen en er uitsluitend op aangewezen zijn4 ,bij de cephalen1 met hun sterkere bewegingen1 is die mantel enger1 dikker en steviger en onder hen zijn de naakte vormen 7zonder schelp7 bovendien voorzien van een pantser binnen den mantel1 dat nog steviger is dan de mantel zelf en de samentrekking en 't voortkruipen van die dieren 7de naaktslakken7 bijzonder vergemakkelijkt4 ,maar als wij1 inplaats van tegen den draad in te gaan1 de dierlijke scala van het minder- naar het meer-volmaakte doorloopen1 zullen wij spoedig inzien1 dat de natuur op den drempel van het gewervelde dier-type bij de mollusken gedwongen is geweest een verkorste of hoornachtige huid als steun voor de spierbeweging op te geven en1 in voorbereiding van de verlegging dier aanhechtingspunten naar het inwendige1 de weekdieren in zekeren zin als overgangsvormen zijn te beschouwen1 zoodat zij hun bewegingen merkwaardig langzaam uitvoeren1 als hebbende nog slechts zwakke middelen daartoe774 ,cirripedia 7,rankvoetigen7 ,dieren zonder oogen1 door kieuwen ademend1 met een mantel en gelede pooten met hoornachtige huid4 ,de geheel opzichzelf staande rankvoetigen1 waarvan men nog slechts vier geslachten kent #ba moeten als een afzonderlijke1 geheel zelfstandige klasse der evertebraten opgevat worden774 ,zij naderen tot de weekdieren door het bezit van een mantel1 en ze moeten onmiddellijk na de koplooze ,mollusken geplaatst worden door hun gemis van kop en oogen4 ,nochtans kunnen ze geen deel uitmaken van de weekdieren1 wijl hun zenuwstelsel1 evenals dat der drie volgende klassen1 een overlangsche ganglenstreng vertoont4 ,voorts hebben ze gelede armen met hoornige huid en verscheidene dwarse paren kaken4 ,dus staan ze een rang lager dan de mollusken4 ,de bloedsomloop geschiedt door een echte circulatie1 dus in aderen en slagaderen4 ,deze dieren hechten zich aan voorwerpen in zee en verplaatsen zichzelf dus niet2 de bewegingen1 bepalen zich voornamelijk tot de armen4 ,wijl nu de mantel onbruikbaar was als steunpunt voor de armspieren1 moesten die in de huid dezer armen gezocht worden4 ,die huid is dan ook taai en hoornachtig1 als bij de insecten en schaaldieren4 ,annelida 7,ringwormen7 ,langgerekte1 geringde dieren1 zonder gelede pooten1 ademend door kieuwen1 in het bezit van een bloedvaatstelsel en overlangsche zenuwknoopenstreng4 ,de klasse der ringwormen komt noodzakelijkerwijze na de cirripedia1 wijl een mantel ten eenen male ontbreekt4 ,wijders moeten ze per se voor de schaaldieren geplaatst worden1 als behoorende niet tot de geleedpootigen--wier keten niet onderbroken mag worden--terwijl hun bouw een plaatsing na de insecten verbiedt4 ,ofschoon deze dieren over het algemeen nog zeer weinig bekend zijn1 zoo bewijst nochtans hun organisatie1 dat ook voor hen de wet der degradatie of trapsgewijze afklimming geldt1 wijl ze bij de weekdieren ten achter staan door het bezit van een zenuwknoopenstreng en bij de cirripedia door het gemis van een mantel4 ,aan hun gewoonte1 te leven in aarde1 slik of water--7en dan meest in huizen van verschillend materiaal1 die naar believen verlaten of betrokken kunnen worden7--danken de anneliden hun gestrekten vorm1 die hen zoodanig op wormen doet gelijken1 dat tot heden alle natuurvorschers ze ermee verward hebben4 ,hun inwendige bouw vertoont zeer kleine hersenen1 een overlangsche ganglinstreng1 aderen en slagaderen1 waarin het meest roodgekleurde bloed circuleert2 zij ademen door kieuwen1 nu eens inwendig en verborgen1 dan weer uitwendig naar voren tredend4 ,crustacea 7,schaaldieren7 ,dieren met geleed lichaam en gelede pooten1 een verschaalde huid1 een bloedvaatstelsel en ademend door kieuwen4 ,hier betreden wij het terrein der talrijke gelede dieren1 wier huidbekleeding stevig1 verkorst1 hoorn- of lederachtig is4 ,hunne harde deelen bevinden zich alle uitwendig en wijl de natuur1 die bij de onmiddellijke voorouders van deze klasse juist een spierstelsel had gevormd en daarvoor harde steundeelen noodig had1 het systeem van geledingen heeft moeten invoeren1 om beweging mogelijk te maken4 ,door ,linnaeus en zijn opvolgers werden alle gelede dieren tot een enkele klasse onder den naam insecten vereenigd2 maar ten slotte heeft men ingezien1 dat die groote dierenrij in eenige belangrijke afdeelingen moet worden onderscheiden4 ,de klasse der schaaldieren1 met die der insecten verward1 ofschoon door alle klassieke natuurvorschers daarvan gescheiden1 is dan ook een zeer natuurlijke groep1 waard om in stand te blijven4 ,zij moet onmiddellijk op de anneliden volgen en neemt den achtsten rang in op de algemeene reeks der dieren2 een beschouwing hunner organisatie eischt dat onvoorwaardelijk4 ,immers1 de schaaldieren bezitten een hart1 aderen en slagaderen waarin een doorschijnende1 bijna kleurlooze vloeistof circuleert2 verder ademen alle door echte kieuwen4 ,dit is onloochenbaar en zal altijd moeilijkheden baren aan hen1 die ze met alle geweld bij de insecten willen onderbrengen1 uit hoofde hunner gelede pooten4 ,schoon de schaaldieren door hun bloedsomloop en hun ademhalingsorgaan duidelijk onderscheiden zijn van de spinachtigen en insecten1 en daardoor kennelijk een hoogeren rang innemen1 zoo hebben zij met de genoemde dieren in vergelijking met de anneliden dezen trek van minderwaardigheid gemeen1 dat ze behooren tot de geleedpootigen1 waarbij men het vaatstelsel1 d4w4z4 hart1 aderen en slagaderen geleidelijk ziet verloren gaan1 evenals de ademhaling door kieuwen4 ,de crustaceen bevestigen dus ook voor hun deel de voortdurende en trapsgewijze afklimming in organisatie 7in de richting1 waarin wij de dieren-scala doorloopen74 ,dat de circuleerende vloeistof doorschijnend en bijna kleurloos is1 als bij de insecten1 wijst eveneens op hun lagere rangorde4 ,wat het zenuwstelsel betreft1 dit bestaat uit zeer kleine hersenen en een overlangsche zenuwknoopenstreng1 een kenmerk van verarming1 gemeenschappelijk met de twee voorafgaande en twee volgende klassen1 als zijnde deze de laatste met duidelijke zenuwen4 ,ook worden bij de schaaldieren de laatste sporen van een gehoororgaan gevonden774 ,opmerkingen4 ,hier eindigt het echte bloedvatstelsel1 zooals we dat tot nu toe hebben aangetroffen4 ,de volgende dieren zijn dus nog onvolmaakter georganiseerd dan de crustaceen4 ,aldus openbaart zich de degradatie duidelijk1 wijl1 naarmate men in de dierenrij voortschrijdt1 gaandeweg alle trekken van gelijkenis met de hoogste dieren worden uitgewischt4 ,welke ook de aard der vloeistofbeweging zij bij de hier na volgende dieren1 zij voltrekt zich door minder werkzame middelen1 en gaat steeds langzamer4 ,arachnida 7,spinachtigen7 ,dieren1 ademend door beperkte luchtbuizen 7tracheen7 en zonder gedaanteverwisseling2 steeds met gelede pooten en oogen aan den kop4 ,voortgaande op de ingeslagen richting komt de negende rang in het dierenrijk van zelf toe aan de arachniden2 met de schaaldieren hebben zij zooveel gemeenschappelijks1 dat men steeds gedwongen zal zijn1 ze daar onmiddellijk achter te plaatsen4 ,niettemin zijn ze er duidelijk van onderscheiden1 want ze toonen het eerste voorbeeld van een ademstelsel van lagere orde dan de kieuwen1 dat nooit samengaat met een hart1 slagaders en aders4 ,inderdaad ademen de spinachtigen door huidopeningen 7stigmata7 en luchthoudende buizen1 overeenkomstig die der insecten4 ,maar in stede van1 gelijk bij de insecten1 zich door het gansche lichaam uit te strekken1 zijn deze tracheen beperkt tot een klein aantal blaasjes2 hetwelk aantoont1 dat de natuur bij de spinnen afstand doet van dit adem-systeem1 dat aan de kieuwen heeft moeten voorafgaan--evenals bij de visschen of de eerste reptielen de kieuwen weer verdwijnen1--om plaats te maken voor de echte longen4 ,waar dus de arachniden zich scherp van de crustaceen onderscheiden door hun stelsel van respiratie1 zoo mogen ze evenmin met de insecten vereenigd worden1 van wier klassieke type ze overigens1 ook in inwendigen bouw1 afwijken4 ,de voornaamste verschilpunten van deze twee groepen zijn nl4 de volgende3 #a;e4 ,zij ondergaan nooit eenige gedaanteverwisseling1 worden dus geboren in hun definitieve gedaante1 met oogen op den kop en gelede pooten2 deze staat van zaken houdt verband met den inwendigen bouw1 sterk afwijkende van dien der insecten4 #b;e4 ,bij hunne eerste orde 7,ar4 palpata7 treft men den aanleg van een bloedsomloop aan #bb4 #c;e4 ,het ademhalingsstelsel1 ofschoon van dezelfde orde als dat der insecten1 onderscheidt er zich toch sterk van1 gelijk boven nader is aangegeven4 #d;e4 ,ten slotte planten zich de spinachtigen meerdere malen in het leven voort1 welk vermogen de insecten missen477 #bc ,deze beschouwingen mogen voldoende doen uitkomen hoezeer ten onrechte men wel de arachniden en insecten tot n enkele klasse vereenigt1 doordat de betreffende auteurs slechts letten op de gelede pooten en min of meer verharde huid4 ,dat zou ten naaste bij op hetzelfde neer komen1 alsof men bijv4 visschen en reptielen tot n klasse vereenigde1 uitsluitend op grond van hun beider min of meer beschubde huid6 ,wat betreft de trapsgewijze afklimming der organisatie1 die wij voor de geheele dierenreeks navorschen1 deze is bij de arachniden al bijzonder duidelijk2 deze dieren bevestigen haar ook weer door hun minder volmaakte ademstelsel--dat bij de longen1 zelfs bij de kieuwen ten achter staat--en door hun onvoltooiden bloedsomloop1 blijkbaar nog in aanleg4 ,deze afklimming laat zich ook nagaan bij de rij van soorten onderling1 die tot deze klasse behooren2 want de tweede orde derzelve 7,a4 antennata7 is belangrijk lager georganiseerd en staat veel dichter bij de insecten1 waarvan ze niettemin door het ontbreken van elke gedaanteverwisseling onderscheiden is4 ,en aangezien ze zich nooit in de lucht verheffen1 strekken hunne tracheen zich waarschijnlijk niet overal in alle lichaamsdeelen uit4 ,de ,insecten ,dieren met een gedaanteverwisseling1 die hun ten slotte geeft3 twee oogen1 twee sprieten1 zes gelede pooten en twee luchtbuizen1 die zich door het heele lichaam uitstrekken4 ,onzen weg vervolgende in tegengestelde richting aan de natuurlijke komen na de spinachtigen noodzakelijkerwijze de insecten1 d4w4z4 de onmetelijke reeks van lagere dieren1 die aders en slagaders missen1 ademen door uitgebreide luchtbuizen1 en in onvolkomen staat geboren worden1 hetgeen een gedaanteverwisseling meebrengt4 ,in volwassen toestand bezitten alle insecten zonder uitzondering zes gelede pooten1 twee antennen1 twee oogen op den kop1 en het meerendeel heeft alsdan ook vleugels4 ,in de door ons gevolgde rangorde nemen de insecten noodzakelijk de tiende plaats in1 want ze staan in organisatie ten achter bij de spinachtigen1 wijl ze niet--als deze--in volkomen staat geboren worden1 en zich slechts eenmaal in het leven voortplanten774 ,speciaal bij de insecten valt op te merken1 hoe de vitale organen bijna gelijkmatig en meestentijds over de geheele uitgebreidheid van het lichaam verdeeld zijn1 in stede van beperkt tot bepaalde afdeelingen van hetzelve1 zooals dat bij de hoogste dieren het geval is4 ,deze eigenaardigheid verliest langzamerhand haar uitzonderingskarakter en wordt bij de na-komende klassen hoe langer hoe meer regel4 ,nergens is de algemeene degradatie zoo duidelijk uitgedrukt als bij de gekorven dieren1 die lager zijn georganiseerd dan alle voorafgaande klassen4 ,zij blijkt zelfs tusschen de verschillende natuurlijke orden der insecten onderling2 want bij de eerste drie orden 7kevers1 recht- en net-vleugeligen7 zijn er boven- en onderkaken aan den mond2 de vierde 7vliesvleugeligen7 begint een soort snuit te krijgen2 de laatste vier ten slotte 7vlinders1 wantsen1 vliegen1 luizen7 hebben inderdaad nog slechts een slurf774 ,na de eerste drie insectenorden worden gepaarde kaken dan ook nergens meer in het dierenrijk gevonden4 ,wat de vleugels betreft1 de leden van de eerste #f orden hebben er vier1 waarvan er n of wel alle #b paar tot vliegen dienen4 ,bij de zevende en achtste orde zijn er nog maar twee1 of ze ontbreken geheel door reductie4 ,de larven van de laatste twee orden missen de pooten en gelijken op wormen4 ,blijkbaar zijn de insecten de laatste dieren met een duidelijke geslachtelijke voortplanting en echte eieren leggend4 ,uiterst merkwaardige bijzonderheden vallen voorts te vermelden omtrent de voortbrengselen van hun nijverheid2 hunne gewrochten komen geenszins voort uit eenige gedachte1 d4w4z4 uit een combinatie van ideen #bd4 ,opmerkingen4 ,zooals de visschen onder de gewervelde dieren in hun algemeene gedaante en de afwijkingen van den geleidelijken voortgang der bewerktuiging den invloed van hun levensomstandigheden vertoonen1 zoo laten hier ook de insecten in hun vorm1 bouw en gedaanteverwisselingen duidelijk de inwerking zien van de omringende lucht1 waarin het meerendeel zich--als de vogels--kan verheffen en duurzaam verblijven4 ,indien de insecten longen gehad hadden en zich konden opblazen met lucht1 die al uitzettend in alle lichaamsdeelen ware doorgedrongen als bij de vogels1 dan zouden ongetwijfeld hun haren in veeren zijn veranderd774 ,en zoo men zich mocht verwonderen1 dat er zoo weinig aanknoopingspunten bestaan tusschen de insecten met hun zonderlinge gedaanteverwisselingen en de overige ongewervelde dieren1 zoo houde men in het oog1 dat zij onder hen de eenige vliegers zijn1 en dat z bijzondere omstandigheden en gewoonten hun zeer eigene resultaten wel moesten meebrengen4 ,slechts met de arachniden vertoonen zij een zekere overeenkomst en inderdaad zijn beide groepen1 in het algemeen gesproken1 de eenige evertebraten1 die in de atmospherische lucht leven2 nochtans vertoont geen enkele spin vlieg-vermogen of metamorphosen4 ,en bij de behandeling van den invloed der levensgewoonten zal ik laten zien1 dat door zich te gewennen aan een verblijf op den vasten grond en zich in schuilplaatsen terug te trekken deze dieren een deel van de vermogens der insecten hebben moeten verliezen en daartegenover die kenmerken verwerven1 die hen er zoo in het oog vallend van onderscheiden4 ,het verdwijnen van meerdere organen1 die voor de hoogere dieren van essentieel belang zijn4 ,na de insecten gaapt er in de rij der dieren een vrij belangrijke klove1 door nog niet-waargenomen dieren alsnog te vullen4 ,want op dit punt gaan verscheidene lichaamsdeelen1 die de hoogere dieren kenmerken1 plotseling en volledig verloren1 aangezien men ze niet meer terug vindt bij de klassen1 die thans de revue zullen passeeren4 ,verdwijnen van het zenuwstelsel4 ,op dit punt gaat het zenuwstelsel--de zenuwen met hun verbindings-middelpunt--metterdaad geheel verloren1 en vertoont zich niet meer bij de hierna volgende klassen4--,bij de hoogste dieren bestaat het uit hersenen1 die voor de intellectueele verrichtingen schijnen te dienen en aan de basis waarvan zich het centrum der gewaarwordingen bevindt1 vanwaar zenuwen uitgaan1 en een ruggemerg1 dat eveneens zenuwen naar verschillende richtingen uitzendt4 ,bij de vertebraten vallen de hersenen gaandeweg af1 en naarmate hun inhoud vermindert gedijt het ruggemerg en schijnt hun plaats in te nemen4 ,bij de weekdieren--de eerste klasse der evertebraten--bestaan de hersenen nog1 maar geen ruggemerg of ganglieketen2 door de weinige ganglin schijnen de zenuwen volstrekt niet knoopig4 ,bij de vijf volgende klassen ten slotte krimpt het zenuwstelsel in tot hersenen van armzalige afmetingen en een overlangsche streng1 vanwaar zenuwen naar de lichaamsdeelen verloopen4 ,van daar af is er geen apart centrum meer voor de gewaarwordingen1 maar een menigte kleinere1 over de geheele lengte van het dier verspreid4 ,z eindigt bij de insecten het zoo belangrijke gevoelsorgaan1 dat bij een zekeren graad van ontwikkeling het aanzijn geeft aan de gedachte2 dat op grootsten trap van volmaking de verstandelijke werkzaamheid in al haar volheid kan doen ontstaan2 de bron1 waaruit ook de spieren hun kracht en zonder hetwelk geslachtelijke voortplanting niet schijnt te kunnen plaats hebben774 ,het verbindingscentrum van het zenuwstelsel bevindt zich in de hersenen of hun basis1 of in een ganglieketen4 ,zoo beide afwezig zijn1 houdt het heele stelsel op te bestaan4 ,verdwijnen van de geslachtsorganen4 ,alle sporen van geslachtelijke voortplanting verdwijnen eveneens op dit punt1 en bij de nog te noemen dieren zijn bevruchtingsorganen inderdaad niet te onderkennen4 ,niettemin zullen wij bij de leden der twee navolgende klassen nog een soort van eierstokken aantreffen1 gevuld met eivormige lichaampjes1 die als eieren beschouwd worden4 ,maar die zoogenaamde eieren1 die zich zonder voorafgaande ontwikkeling kunnen ontwikkelen1 vat ik op als inwendige knoppen774 ,zij vormen den overgang tusschen de voortplanting met inwendige knopvorming tot de geslachtelijke met eieren4 ,de macht der gewoonte is bij den mensch zoo groot1 dat hij1 zelfs tegen beter weten in1 geneigd is1 om alle zaken op dezelfde manier te beschouwen4 ,aldus willen verscheidene plantkundigen1 gewend om bij een groot aantal planten geslachtsorganen aan te treffen1 aan alle zonder uitzondering overeenkomstige deelen toeschrijven4 ,en zoo hebben zij dan met alle mogelijke moeite ook bij de bedektbloeienden meeldraden en stempels trachten te ontdekken1 en liever aan zekere nog ondoorzochte deelen willekeurig bepaalde functies toegeschreven dan erkend1 dat de natuur eenzelfde doel met heel verschillende middelen weet te bereiken4 ,men heeft zich verbeeld1 dat elk voortplantingslichaam een zaad of een ei moest zijn1 d4w4z4 een lichaampje1 dat om te kunnen kiemen bevrucht moest worden4 ,dat heeft ,linnaeus doen zeggen3 ,omne vivum ex ovo4 ,maar thans kennen wij planten en dieren genoeg1 die zich volstrekt niet op de genoemde manier voorttelen1 en bijgevolg ook geen bevruchting van noode hebben4 ,de betreffende lichaampjes zijn dan anders van vorm en ontwikkeling4 ,ziehier het beginsel1 dat in het oog te houden is bij de beoordeeling van de voortplanting van eenig levend wezen4 ,elk voortplantingslichaampje--hetzij plantaardig of dierlijk--dat zonder zich van een hulsel te ontdoen zich strekt en tot een plant of dier uitgroeit1 gelijk aan het oorspronkelijk wezen1 is gn zaad of ei2 na den aanvang van den groei ondergaat het geenerlei kieming of ontluiking en tot zijne vorming is geen bevruchting noodig geweest4 ,het bevat dan ook geen embryo1 besloten in omhulsels1 waarvan het zich moet bevrijden1 gelijk zaad en ei4 ,als men nu nauwlettend de ontwikkeling van de voortplantingslichaampjes eener alg of paddestoel nagaat1 zal men zien1 dat het slechts behoeft te zwellen om dan ongemerkt uit te groeien tot den vorm van de moederplant4 ,evenzoo kan men bij een poliep 7bijv4 ,hydra7 de ontwikkeling volgen van een knop 7gemma7 om zich te overtuigen1 dat deze zich slechts strekt en groeit en volstrekt niet uitkomt als een kuiken of zijdeworm uit het ei6 ,het is dus duidelijk1 dat in vele gevallen de voortplanting niet geschiedt via een geslachtelijke bevruchting1 en daarmede ook de geslachtsorganen ontbreken4 ,en wijl men nu bij de vier1 op de insecten volgende klassen geen bevruchtingsorganen meer aantreft1 zoo heeft het er allen schijn van1 dat op dit punt van den dierenketen de geslachtelijke voortplanting ophoudt te bestaan4 ,verdwijnen van het gezichtsvermogen4 ,ten slotte gaat het gezichtsorgaan1 zoo nuttig voor de hoogere dieren1 geheel verloren4 ,dit orgaan1 dat bij de rankpootigen en een deel der weekdieren en ringwormen begon te ontbreken en vervolgens bij de schaaldieren1 spinachtigen en insecten slechts wordt aangetroffen in hoogst onvolkomen vorm en van een uiterst beperkte functie1 verschijnt na de insecten bij geen enkel dier meer774 ,hier verdwijnt ook nog de kop1 dat zoo gewichtige lichaamsdeel voor de meer ontwikkelde dieren1 zetel van de hersenen en bijna alle zintuigen4 ,immers1 de verdikking aan het vooreinde van het lichaam bij sommige wormen 7,taenia71 veroorzaakt door de plaatsing der zuignappen1 kan niet als een echte kop beschouwd worden1 aangezien zij niet de zetel is der hersenen1 noch van het gezicht of gehoor enz41 al welke organen hier ontbreken4 ,men ziet1 dat op deze sport der dieren-ladder de afklimming in organisatie zeer schielijk geschiedt1 en dat grooter vereenvoudiging van de dierlijke organisatie haar schaduwen sterk vooruitwerpt4 ,vermes 7,wormen7 ,dieren met een week1 lang lichaam1 zonder kop1 oogen1 gelede pooten1 zenuwstreng of bloedsomloop ,het geldt hier wormen1 verstoken van een bloedsomloop1 zooals de z4g4 ingewandswormen en enkele vrijlevende1 al even laag georganiseerd4 ,het zijn dieren met een week1 min of meer verlengd lichaam zonder gedaanteverwisseling771 kop1 oogen of gelede pooten4 ,de wormen moeten onmiddellijk na de insecten en voor de straaldieren komen en den elfden rang in het dierenrijk innemen4 ,bij hen begint de neiging van de natuur naar een geleden bouw1 welk stelsel dan bij de insecten1 arachniden en schaaldieren tot zijn volle ontwikkeling komt4 ,maar de bij de insecten ten achterstaande organisatie der wormen zonder buikstreng1 kop1 oogen of echte pooten dwingt ons1 ze achter deze te plaatsen4 ,dat voorts de natuur1 in voorbereiding van dien--nieuwen--geleden vorm zich losmaakt van het straalsgewijze type1 noopt ons ze te rangschikken vr de straaldieren zelf4 ,overigens gaat na de insecten ook het algemeene bouwplan van de voorgaande klassen verloren1 nl4 de symmetrische plaatsing der deelen1 zoodanig1 dat een iegelijk tegenover zijn spiegelbeeld staat4 ,bij de wormen mist men dit gespaarde stelsel1 en het is aan het--in- en uitwendig--straalsgewijze gebouwde type der radiaten nog niet toe4 ,sinds ik de groep der annelida heb opgesteld geven verscheidene natuurvorschers aan die ringwormen den naam van vermes2 en1 in ongelegenheid met de dieren1 waarvan hier sprake is1 vereenigen zij deze dan maar met de polypen4 ,aan den lezer het oordeel over het verband en de klassieke kenmerken1 die het recht zouden verleenen1 om een lintworm of spoelworm met een zoetwater- of andere poliep in een klasse te vereenigen6 ,gelijk de insecten zoo schijnen sommigen wormen door tracheen te ademen1 uitmondende met een soort stigma4 ,maar er is alle reden te gelooven1 dat deze korte tracheen geen lucht1 maar water bevatten1 vermits deze dieren nooit in de atmospherische lucht leven en zonder uitzondering ondergedompeld zijn in water of een waterige vloeistof4 ,uit het ontbreken van duidelijke bevruchtingsorganen maak ik op1 dat geen geslachtelijke voortplanting meer bij hen plaats heeft774 ,het ware nochtans mogelijk1 dat1 evenals bij de spinachtigen het bloedvaatstelsel een aanvang neemt1 dit bij de wormen met de geslachtelijke voortplanting het geval was4 ,hierop schijnen verschillende staartvormen bij de palissadenwormen te wijzen1 maar goede waarnemingen omtrent deze voortplantingswijze bestaan hier nog niet4 ,wat men bij sommige van hen 7zooals den lintworm7 voor eierstokken houdt1 zijn naar allen schijn slechts hoopen kiemlichaampjes1 die zich zonder bevruchting kunnen ontwikkelen4 ,deze eivormige corpuskeltjes zijn inwendig als van een zeegel1 inplaats van uitwendig1 gelijk bij den korstpolyp 7,coryne7 enz4 ,de polypen vertoonen dezelfde verschillen in de plaatsing hunner broedknoppen4 ,waarschijnlijk zijn dus de wormen inwendig gemmipaar 7knopvormend74 ,dieren als de wormen1 zonder kop1 oogen1 pooten en wellicht ook zonder geslachtelijke voortplanting bewijzen dus ook hunnerzijds die trapsgewijze afklimming in organisatie1 die wij voor de geheele dieren-scala pogen aan te toonen4 ,radiata 7,straaldieren7 ,lichaam tot zelfherstelling geschikt1 uit- en inwendig straalsgewijze gebouwd1 zonder kop1 oogen1 of gelede pooten4 ,mond onderstandig ,volgens de gebruikelijke volgorde staan de straaldieren op den #ab;en rang in de heele dierenreeks en vormen een van de laatste drie klassen van de ongewervelde dieren4 ,tot deze klasse genaderd ontmoet men hier een algemeene gestalte en een in- en uitwendige rangschikking der deelen en organen1 tot nu toe in de natuur niet gebruikt4 ,en wel vinden we hier een straalsgewijzen bouw rondom een as of middelpunt1 die eerst bij de polypen een aanvang neemt1 welke bijgevolg hieronder behandeld worden4 ,niettemin vormen de radiaten op de dieren-scala een duidelijk van de polypen onderscheiden trap1 zoodat men ze onmogelijk meer daarmee kan verwarren1 evenmin als de schaaldieren met de insecten of de kruipende dieren met de visschen4 ,immers1 bij de straaldieren bemerkt men niet alleen nog ademhalingsorganen 7watervaten of een soort tracheen71 maar ook bijzondere voortplantingswerktuigen1 nl4 eierstokken van onderscheidenen vorm1 in afwijking van de polypen4 ,bovendien is het ingewandskanaal hier geen doodloopende zak met een enkele opening en heeft de mond steeds een eigenaardige1 onderstandige plaatsing1 verschillend van die bij de polypen4 ,ofschoon de straaldieren zeer singuliere dieren zijn1 zoo is het weinige omtrent hun organisatie bekende blijkbaar voldoende om hun den hier aangewezen rang toe te kennen4 ,evenals de wormen missen de radiaten kop1 oogen1 gelede pooten1 bloedsomloop en wellicht ook zenuwen4 ,toch moeten zij achter de wormen komen1 omreden de vermes hoegenaamd geen straalsgewijzen bouw vertoonen en onder hen voorts ook het gelede type zijn intrede doet4 ,indien de straaldieren geen zenuwen hebben1 zijn ze derhalve buiten staat tot gevoelen1 en nog slechts prikkelbaar zonder meer772 dit schijnt bevestigd te worden door waarnemingen aan levende zeesterren1 aan wien men de armen heeft afgesneden zonder dat zij eenig teeken van pijn gaven4 ,bij vele radiaten bestaan nog duidelijke vezels4 ,maar mag men daaraan den naam spieren geven1 zonder te mogen beweren1 dat spieren zonder zenuwen nog functioneeren kunnen8 ,heeft men in het plantenrijk geen voorbeelden van celweefsel met een vezeligen bouw1 zonder deze als spiervezels te mogen beschouwen8 ,elk levend lichaam met vezels behoeft daarom nog geen spieren te bezitten1 en het komt mij voor1 dat er zonder zenuwen ook geen spierstelsel meer kan bestaan4 ,er is reden om aan te nemen1 dat bij zenuwlooze dieren eventueel aanwezige vezels alleen door hun prikkelbaarheid bewegingen kunnen bewerkstelligen1 welke die der spieren vervangen1 zij het met minder kracht774 ,niet alleen schijnt bij de straaldieren het spierstelsel niet meer aanwezig te zijn1 maar evenmin de geslachtelijke voortplanting774 ,inderdaad wijst niets erop1 dat de ovale lichaampjes1 die de z4g4 eierstokken vormen1 eenige bevruchting ondergaan of echte eieren zouden zijn3 dat is des te onwaarschijnlijker1 waar ze gelijkelijk bij alle individuen gevonden worden4 ,ik beschouw ze dus als reeds ontwikkelde inwendige knopjes en hun opeenhooping op bepaalde plaatsen als een voorbereiding van de natuur tot de geslachtelijke voortplanting4 ,de radiaten dragen ook hunnerzijds bij tot de bewijzen voor de algemeene trapsgewijze afklimming der dierlijke organisatie2 men ontmoet bij hen een nieuwen vorm en rangschikking der deelen1 sterk afwijkend van die in de vorige klassen4 ,overigens schijnen zij gevoel1 spierbeweging en geslachtelijke voortplanting te missen4 ,bij sommige heeft het darmkanaal geen twee openingen meer2 ook ziet men de opeenhoopingen eivormige corpuskeltjes verdwijnen en het heele lichaam geleig worden4 ,opmerkingen4 ,het schijnt1 dat bij de lagere dieren1 zooals polypen en straaldieren het middelpunt der vloeistofbewegingen nog eerst bestaat in het spijsverteringskanaal4 ,hier neemt het zijn aanvang1 en langs den weg van dit kanaal dringen de fijne omringende fluiden hoofdzakelijk door om de beweging van de eigen sappen dezer dieren op te wekken4 ,wat ware het plantenleven zonder uitwendige prikkels1 en wat zelfs de lagere vormen van dierenleven zonder deze oorzaak1 d4w4z4 zonder de warmte en electriciteit van de omgeving8 ,ongetwijfeld heeft door een serie van dergelijke middelen1--aanvankelijk nog zwak bij de polypen1 later sterker bij de radiaten--de natuur den straalvorm tot aanzijn gebracht4 ,want de fijne binnengedrongen vloeistoffen1 hebben door hun uitzetting hun van het middelpunt uitstralenden druk den straalsgewijzen bouw moeten voortbrengen774 ,daardoor heeft dat nog zoo onvolkomen1 blinde spijskanaal zich niettemin gecompliceerd door straalsgewijze1 buisvormige1 vaak vertakte aanhangsels in grooten getale4 ,daardoor ontstaat zonder twijfel ook bij de weeke radiaten1 zooals de kwallen1 enz4 die bestendige1 regelmatige beweging1 hoogstwaarschijnlijk een gevolg van de afwisseling tusschen de binnenstroomende fijne fluiden1 de verbreiding in alle deelen en hun weer ontwijken4 ,men bewere niet1 dat deze isochrone beweging het gevolg zou zijn van de ademhaling2 want na de gewervelde dieren toont de natuur nergens meer afwisselende1 regelmatige in- en uitadembewegingen774 ,hoe ook de ademhaling der straaldieren moge zijn1 zij geschiedt uitermate langzaam en zonder merkbare bewegingen4 ,de ,polypen ,dieren met een vrijwel geleiachtig lichaam1 tot zelfherstelling geschikt4 ,geen ander bijzonder orgaan dan een spijsverteringskanaal met een enkele opening3 een einstandige mond1 met straalsgewijs vangarmen of een gewimperd raderorgaan ,genaderd tot de polypen hebben wij de voornaamste sport der dieren-scala bereikt1 d4w4z4 op een na de laatste klasse4 ,hier komt de onvolkomendheid en eenvoud van organisatie dermate sterk uit1 dat deze dieren welhaast geen vermogens bezitten en men langen tijd aan hun dierlijken aard getwijfeld heeft4 ,deze dieren zijn knopvormend1 in 't bezit van een homogeen1 bijna geheel geleiachtig1 in allen deele sterk regeneratief lichaam1 dat den straalvorm1 die hier in de natuur zijn intrede doet1 nog slechts in de rangschikking der vangarmen rond den mond vertoont4 ,er is geen ander bijzonder orgaan dan een darmkanaal met slechts een opening en derhalve onvolledig4 ,men kan zeggen1 dat de polypen op lager trap staan dan alle voorafgaande dieren1 als hebbende geen hersenen1 noch mergstreng1 noch bijzondere ademhalingsorganen1 noch bloedvaatstelsel1 noch eierstokken4 ,hun lichaamssubstantie is o4z4t4z4 gelijksoortig en bestaat uit een geleig1 prikkelbaar celweefsel waarin de vloeistoffen zich langzaam voortbewegen4 ,alle ingewanden bepalen zich tot een onvolkomen1 zelden gekronkeld of geappendeerd spijsverteringskanaal1 in het algemeen slechts op een langen zak gelijkend met een enkele opening1 tot mond en anus tegelijk dienende4 ,men is niet gerechtigd tot de meening1 dat bij de onderhavige dieren al die opgemelde organen niettemin uiterst gereduceerd aanwezig zijn1 verspreid in en vermengd met de algemeene lichaamssubstantie en gelijkelijk verdeeld over de kleinste deeltjes instede van op bepaalde plaatsen gelocaliseerd te zijn en dat bijgevolg ieder punt van het lichaam gewaarwordingen zou kunnen ondergaan1 en spierbeweging1 wil of gedachte vertoonen2 dit ware ontbloot van allen grond of waarschijnlijkheid4 ,immers1 op grond eener dergelijke veronderstelling zou men kunnen zeggen1 dat ,hydra op alle punten van haar lichaam alle organen der meest volkomen dieren nog bezat1 dus op elk punt zag1 hoorde1 rook1 proefde1 enz41 en bovendien gedachten had1 oordeelen velde1 kortom redeneerde4 ,ieder molecuul bijv4 van den zoetwaterpolyp ware alsdan op zijn eentje een volmaakt dier en de hydra zelve ware nog volkomener dan de mensch1 wijl elk van haar kleinste deeltjes in organisatie en functie gelijkwaardig ware aan een geheel exemplaar van het menschelijk ras4--,en waarom zou men dezelfde redeneering niet uitbreiden tot de monade1 het laagst-bekende dier1 en vervolgens zelfs tot de planten1 die toch k leven6 ,men zou dan aan alle moleculen eener plant alle genoemde vermogens moeten toeschrijven1 zij het ook beperkt binnen grenzen al naar den aard van het betreffende levende wezen4 ,maar het natuuronderzoek wijst geenszins op een dergelijk resultaat2 het leert ons integendeel1 dat overal tegelijk met een orgaan ook zijn functie verdwijnt4 ,een blind 7of blind gemaakt7 dier kan niet zien1 en ofschoon de onderscheidene zinnen hun oorsprong blijken te nemen in het tastgevoel1 hetwelk in elk van hen slechts op verschillende manier gewijzigd is1 zoo zal toch een dier zonder zenuwen nooit gewaarwordingen kunnen ondergaan1 wijl het geen innerlijk besef van zijn bestaan heeft en evenmin een middelpunt1 waarop die gewaarwordingen moesten worden betrokken2 en bijgevolg kan het ook niet voelen4 ,de tastzin1 die grondslag van de andere zintuigen1 verbreid als zij is in bijna alle lichaamsdeelen1 der gennerveerde dieren1 is niet meer aanwezig bij dieren zonder zenuwen1 gelijk de polypen4 ,bij hen zijn de deelen nog slechts prikkelbaar1 en wel in zeer sterke mate4 ,maar hen ontbreekt 't gevoel en dus ten eenen male alle gewaarwording4 ,immers1 voor het tot stand komen van deze laatste wordt vooreerst een ontvangend orgaan vereischt 7zenuwen71 en vervolgens een of ander middelpunt waarop die gewaarwordingen kunnen betrokken worden 7hersenen of knoopige mergstreng74 ,een gewaarwording is steeds het gevolg van een ontvangen en onmiddellijk naar een inwendig verzamelpunt geleiden indruk1 waar zij dan gevormd wordt4 ,verbreek de verbinding tusschen het receptorische orgaan en de plaats1 waar zich de gewaarwording vormt1 en ieder gevoel zal op dit punt ophouden2 dit beginsel is onweerlegbaar4 ,geen polyp kan werkelijke eieren voortbrengen1 aangezien geen enkele bijzondere voortplantingsorganen bezit4 ,immers1 voor echte z4g4 oviparie is het niet voldoende1 dat het dier een eierstok bezit1 maar bovendien moet hetzelf1 of een ander individu van zijn soort een apart bevruchtingsorgaan hebben en niemand zou bij de polypen een dergelijk orgaan kunnen aantoonen1 terwijl men bij vele van hen zeer goed de broed-knoppen kent1 die bij nadere beschouwing slechts meer zelfstandige insnoeringen van het dierlijk lichaam blijken1 zij het ook minder eenvoudige dan wij bij de laatste dierklasse aantreffen4 ,de zoo bij uitstek prikkelbare polypen bewegen zich slechts op prikkels van buiten af1 en deze bewegingen voltrekken zich algemeen zonder wilsdaden1 en zonder mogelijkheid van keuze1 daar de polypen geen wil hebben kunnen4 ,zij wenden zich altijd naar het licht1 evenals dat1 ofschoon langzamer1 met takken1 bladeren of bloemen het geval is4 ,geen enkele polyp achtervolgt haar prooi of zoekt er naar met zijn voelarmen2 maar als deze aangeraakt worden door een of ander vreemd voorwerp1 dan houden zij het vast1 brengen het naar den mond en de polyp verzwelgt het1 eetbaar of nutteloos1 zonder eenig onderscheid4 ,in het eerste geval voedt hij zich ermee1 met teruggave van de onverteerbare resten2 in het tweede geval werpt zij het na eenigen tijd in zijn geheel weer uit zijn spijsverteringskanaal2 maar bij dat alles heerscht dezelfde noodzakelijkheid van handelen en nooit een mogelijkheid van keuze1 tot variatie4 ,groot en ingrijpend is het verschil tusschen polypen en straaldieren3 inwendig vindt men bij een polyp geen straalsgewijs gerangschikte deelen2 alleen de tentakels hebben die plaatsing1 d4w4z4 dezelfde als de armen der koppootige weekdieren1 die geen mensch toch verwarren zal met de radiaten4 ,overigens is bij de polypen de mond boven- en eind-standig1 maar bij de radiaten anders4 ,de naam zophyten of dier-planten past geenszins voor de polypen1 wijl zij uitsluitend en volkomen dieren zijn met algemeen bij de planten ontbrekende functies1 t4w4 echte prikkelbaarheid en spijsvertering en wijl hun aard ten slotte in wezen niets van een plant heeft4 ,de eenige punten van overeenkomst tusschen beide zijn4 #a;e4 ,een overeenkomstige eenvoud van organisatie2 #b;e4 ,de onderlinge samenhang en de gemeenschap van het darmkanaal bij vele polypen1 waardoor samengestelde dieren ontstaan4 #c;e4 ,ten slotte vormen deze vereenigde polypen massa's1 die een uitwendige gelijkenis met planten vertoonen1 wijl zij dikwerf op dezelfde wijze vertakt zijn4444 ,de monden van de polypen 7een of vele7 voeren altijd tot een darm-1 d4w4z4 een spijsverteringskanaal1 hetwelk bij alle planten ontbreekt4 ,zoo de vanaf de zoogdieren vervolgde trapsgewijze afklimming in organisatie ergens duidelijk is1 dan is zij dat voorzeker wel onder de polypen1 wier bouw tot een uiterste van eenvoud zich bepaalt4 ,de ,infusoria 7,afgietseldiertjes7 ,uiterst kleine1 geleiachtige1 doorzichtige1 homogene en zeer-samentrekbare diertjes1 zonder eenig duidelijk inwendig orgaan 7behoudens eivormige knoppen7 noch straalsgewijze tentakels of raderorganen aan de buitenzijde ,hier zijn wij eindelijk aangeland bij de laatste klasse van het dierenrijk1 in elk opzicht de minst volkomene van alle1 d4w4z4 het eenvoudigst van organisatie en 't minst begaafd1 wier leden eigenlijk nog slechts schijnen te verkeeren in den voorhof van het dierlijke leven4 ,tot nu toe had ik deze kleine diertjes vereenigd met de klasse der polypen onder den naam ,amorpha1 wijl zij geen standvastige1 specifieke vormen vertoonen4 ,maar ik heb de noodzakelijkheid ingezien1 ze daarvan te scheiden om een afzonderlijke klasse te vormen1 hetgeen echter niets aan den hun toegekenden rang afdoet4 ,het heele gevolg van die verandering bepaalt zich tot een scheidslijn1 kennelijk vereischt door hun eenvoudiger bouw en het ontbreken van straalgewijs geplaatste voelarmen en raderorganen4 ,de organisatie der infusorin wordt van geslacht tot geslacht steeds eenvoudiger2 de laatste genera vertoonen ons a4h4w4 het uiterste stadium van dierlijkheid1 voorzoover voor ons bereikbaar4 ,vooral bij de tweede orde kan men zich overtuigen1 dat elk spoor van darmkanaal1 mond of eenig bijzonder orgaan ontbreekt1 in een woord3 geen spijsvertering meer plaats grijpt4 ,het zijn slechts uiterst kleine1 gelatineachtige1 doorzichtige1 samentrekbare en homogene lichaampjes1 samengesteld uit een bijna vloeibaar en niettemin op alle punten prikkelbaar celweefsel774 ,zij schijnen slechts bezielde1 althans bewegende punten die zich voeden door een voortdurende opslorping of drenking en ongetwijfeld worden zij belevendigd door de omringende fijne fluida1 zooals warmte en electriciteit1 die in hen de levensbewegingen opwekken4 ,hoe inhoudsloos ware de veronderstelling1 dat alle van de overige dieren bekende organen ook bij de infusoren voorkwamen1 maar dan verspreid over het heele lijfje4 ,inderdaad leert de uiterst zwakke1 bijna nietige gesteldheid dezer geleiklompjes het overbodige van dergelijke organen1 die toch niet zouden kunnen functioneeren4 ,immers om te kunnen reageeren op de fluiden en hun eigen functie uit te oefenen is voor organen een zekere vastheid en stevige houvast noodig2 bij deze teere wezentjes kan dat dus niet verondersteld worden4 ,alleen in de onderhavige klasse schijnt de natuur oer-voortbrenging of generatio spontanea te plegen1 telkens1 onder gunstige omstandigheden1 herhaald4 ,en wij zullen trachten aan te toonen1 dat uitsluitend hierop de mogelijkheid berust om in een enorm tijdsverloop langs indirecten weg alle andere diersoorten te vormen4 ,de grond voor het geloof1 dat de afgietseldiertjes--althans de meerderheid van hen--door generatio spontanea ontstaan is1 dat deze teere schepseltjes in het ongunstige jaargetijde bij lagere temperatuur alle omkomen2 en men zal toch voorzeker niet veronderstellen dat zoo'n broos wezentje een overwinterknop van voldoende vastheid kan vormen1 die deszelfs bestaan bij warm weer wederom kan voortzetten477 ,men vindt infusoren in stilstaand water1 aftreksels van plantaardige of dierlijke stoffen en zelfs in het zaadvocht der hoogstaande dieren4 ,men vindt hen in alle deelen der aarde1 maar alleen in zoodanige omstandigheden1 waarin zij kunnen ontstaan4 ,zoo zien wij bij het achtereenvolgens beschouwen van de verschillende dierlijke organisatiestelsels vanaf de meest samengestelde tot de eenvoudigste de trapsgewijze afklimming daarvan1 beginnende met de meest volkomen dieren zelve1 vervolgens van klas tot klasse voortschrijdende--ofschoon met afwijkingen ten gevolge van verschillende typen van omstandigheden--om te eindigen met de infusorin1 wier bewerktuiging het allereenvoudigst en onvolkomenst is1 gelijk boven nader uiteengezet is4 ,speciaal bij de ongewervelden hebben wij achtereenvolgens alle bijzondere organen1 zelfs de meestbelangrijke1 gaandeweg zien degradeeren1 minder specifiek en afgezonderd worden en ten slotte volkomen verdwijnen1 lang vr het ander einde van de heele keten is bereikt4 ,ja1 nog voor wij het rijk der vertebraten verlaten zien we reeds groote verschillen in volkomenheid der organen en sommige1 zooals urineblaas1 middenrif1 stemorgaan1 oogleden enz4 gaan geheel te loor4 ,zoo begint bijv4 de long1 dat volmaakte ademhalingswerktuig1 bij de reptielen te ontaarden1 verdwijnt 't bij de visschen om bij geen enkel ongewerveld dier weer terug te keeren4 ,het geraamte tenslotte1 dat mede den grondslag vormt van de vier ledematen bij de meeste vertebraten1 begint vooral bij de reptielen achteruit te gaan1 om bij de visschen geheel op te houden4 ,maar de ongewervelde dieren verliezen gaandeweg hart1 hersenen1 kieuwen1 samengestelde klieren1 bloedvaten en de organen voor het gehoor1 gezicht1 geslachtelijke voortplanting1 gevoel en beweging4 ,immers1 zooals reeds werd opgemerkt1 zou men bij een polyp vergeefs de minste sporen van zenuwen of spieren zoeken1 zoodat zij dan ook zoowel gevoel als willekeurige beweeglijkheid derft1 aangezien de wil altijd een handeling is van het verstandsorgaan en het dier van iets dergelijks absoluut verstoken is4 ,des te beter is echter de prikkelbaarheid ontwikkeld1 en zoo zijn dan alle bewegingen het noodwendig resultaat van buiten af in de irritable deelen ontvangen indrukken en voltrekken zij zich zonder de mogelijkheid van keuze4 ,plaatst men een zoetwaterpolyp in een glas water in een kamer1 waarin het licht slechts door n venster1 dus van n zijde1 binnenkomt1 dan zal hij zich op een bepaald punt van het glas vastzetten4 ,draait men hetzelve dan een halven slag om1 dan ziet men zich de ,hydra langzaam begeven naar de belichte plek en hier blijven zoolang de toestand ongewijzigd is4 ,evenals ook de plantendeelen zich geheel onwillekeurig naar het licht draaien4 ,zonder twijfel houdt tegelijk met een orgaan ook de betreffende functie op te bestaan1 maar bovendien ziet men duidelijk1 dat naarmate een orgaan verarmt en verkomt ook de functie naar verhouding minder scherp en volkomen wordt4 ,zoo zijn1 bij het afdalen van het samengestelde tot het eenvoudige1 de insecten de laatste dieren met oogen1 maar er is alle reden om aan te nemen1 dat zij zeer onduidelijk zien en er weinig gebruik van maken4444 ,in diezelfde volgorde de verschillende stelsels van bewerktuiging beschouwende hebben wij trapsgewijze afklimming van de organisatie en van de afzonderlijke organen tot hun volkomen verdwijning als een goed vastgesteld feit bevonden4 ,deze afklimming vertoont zich zelfs in aard en samenstelling van de lichaamsvochten en het vleesch der dieren2 want bij zoogdieren en vogels zijn dit de meest-samengestelde en krachtigst levende stoffen uit de weeke deelen van het lichaam4 ,na de visschen gaan deze stoffen dan ook doorloopend achteruit1 totdat bij de polypen1 de weeke straaldieren en vooral bij de infusoren het voornaamste lichaamsvocht nog slechts waterachtig is en het vleesch niet meer dan een geleige1 nauwelijks verdierlijkte massa4 ,een daarvan getrokken bouillon zou zonder twijfel al heel weinig geneeskrachtig en versterkend zijn voor den mensch6 ,of men nu deze belangwekkende feiten al of niet erkent1 toch zullen altijd zij hierop stuiten1 die de heerschende vooroordeelen te boven komen1 nauwlettend de feiten waarnemen en op de verschijnselen1 wetten en stagen gang van de natuur acht geven4 ,nu zullen wij tot een onderzoek van anderen aard overgaan en trachten te bewijzen1 dat de omstandigheden der verblijfplaatsen een grooten invloed op de handelingen der dieren en als gevolg daarvan volgehouden vermeerderd of verminderd gebruik van een orgaan oorzaken zijn van het wijzigen van organisatie en vorm der dieren en het aanzijn geven aan afwijkingen van de voortschrijdende samenstelling der dierlijke organisatie4 ,,chapter ,,vii ,hoofdstuk ,,vii ,van den invloed der omstandigheden op handelingen en gewoonten der dieren en van deze als oorzaken die hun samenstelling en deelen wijzigen ,het betreft hier niet een redeneering zonder meer1 maar het onderzoek van een positief feit1 algemeener dan men denkt en waaraan men verzuimd heeft die aandacht te schenken1 waarop het zonder twijfel recht heeft1 omdat het meestal moeilijk te onderkennen is4 ,dit feit bestaat uit den invloed1 dien de omstandigheden uitoefenen op de aan hen onderworpen levende wezens4 ,men heeft inderdaad reeds sinds lang den invloed opgemerkt van de verschillende toestanden van ons organisme op ons karakter1 onze neigingen1 handelingen1 jazelfs op onze ideen1 maar het komt mij voor dat niemand nog 7omgekeerd7 dien van onze handelingen en gewoonten op ons organisme heeft leeren kennen4 ,daar nu deze handelingen en gewoonten geheel afhangen van de omstandigheden1 waarin wij gemeenlijk verkeeren1 zoo zal ik trachten aan te toonen hoe groot de invloed is1 dien deze uitoefenen op den algemeenen vorm1 den toestand der deelen en zelfs op de samenstelling der levende wezens4 ,zoo zal er dan van dit zeer wisse feit in dit hoofdstuk sprake zijn4 ,hadden wij niet veelvuldig gelegenheid gehad den klaarblijkelijken invloed te leeren kennen1 uitgeoefend op levende wezens die zijn gebracht onder geheel nieuwe omstandigheden1 zeer verschillend van die1 waaronder zij zich eerst bevonden1 en hadden wij de daaruit volgende veranderingen niet voor onze oogen zien ontstaan1 zoo zou het belangrijke feit1 waarom het hier gaat1 voor altijd onbekend gebleven zijn4 ,de invloed der omstandigheden op al wat leeft is overal en altijd daadwerkelijk geldig2 maar wat voor ons dien invloed moeilijk merkbaar maakt is1 dat zijn gevolgen eerst na langen tijd voelbaar of herkenbaar worden1 vooral bij de dieren4 ,alvorens nu de gronden uiteen te zetten voor dit feit1 dat onze aandacht verdient en zeer belangrijk is voor de ,zologische ,philosophie willen wij den draad van onze begonnen beschouwingen weer opvatten4 ,in het voorgaande hebben wij gezien1 als een tegenwoordig onweerlegbaar feit1 dat men bij de beschouwing van den levensladder in een richting1 tegengesteld aan de natuurlijke1 in de samenstellende elementen een aanhoudende maar onregelmatige trapsgewijze afdaling vindt1 een toenemende vereenvoudiging in de organisatie der levende wezens en tenslotte een overeenkomstige afname van het aantal functies4 ,dit wel bekende feit nu kan een belangrijk licht werpen op het systeem1 dat de natuur gevolgd heeft in het voortbrengen van de tot aanzijn geroepen dieren4 ,maar het zegt ons niet1 waarom de dierlijke organisatie in haar groeiende samenstelling vanaf de onvolmaakste tot de meest volkomene een onregelmatige trapsgewijze opklimming vertoont1 wier verloop veelvuldige afwijkingen te zien geeft1 die in hun verscheidenheid geen enkele klaarblijkelijke regelmaat hebben4 ,als men bij het zoeken naar de reden daarvan nagaat het resultaat der invloeden door oneindig-verscheidene omstandigheden in alle deelen van den aardbol uitgeoefend op algemeenen vorm en deelen der dieren1 dan wordt alles duidelijk verklaard4 ,het zal inderdaad blijken1 dat de toestand1 waarin wij alle dieren aantreffen eenerzijds het product is van de toenemende samengesteldheid van bewerktuiging1 die streeft naar het vormen van een regelmatige opklimming en anderzijds van een menigte uiteenloopende omstandigheden1 die voortdurend trachten dien regelmaat te verstoren4 ,hier wordt het noodig een verklaring te geven omtrent den zin1 dien ik hecht aan deze uitdrukkingen4 ,de omstandigheden benvloeden vorm en bewerktuiging der dieren1 d4w4z4 dat zij1 zelf anders wordende1 door overeenkomstige wijzigingen mettertijd zoowel vorm als bewerktuiging veranderen4 ,zeker1 als men deze uitdrukkingen letterlijk opvatte1 zou men mij een fout kunnen verwijten2 immers1 welke ook de omstandigheden zijn1 zij benvloeden nooit direct vorm of samenstelling der dieren4 ,maar1 groote veranderingen in omstandigheden brengen groote wijzigingen in de behoeften der dieren teweeg1 en deze noodzakelijkerwijze weer in de handelingen4 ,en als de nieuwe behoeften constant of van langen duur worden nemen de dieren nieuwe gewoonten aan1 even duurzaam als die behoeften4 ,ziedaar iets gemakkelijk aantoonbaars dat zelf geen enkele verklaring behoeft om als waar gevoeld te worden4 ,het blijkt dus duidelijk1 dat zoodra een groote verandering in omstandigheden standvastig geworden is voor een dierenras1 zij tot gewoonten leidt4 ,als nu voorts nieuw-bestendigde omstandigheden een dierenras nieuwe1 tot gewoonte geworden handelingen hebben bijgebracht1 dan zal gevolgelijk het betreffende deel bij voorkeur boven andere gebruikt worden1 in andere gevallen ook een of ander nutteloos geworden onderdeel geheel in onbruik geraken4 ,niets van dit alles moet als bloote onderstelling of persoonlijke meening beschouwd worden2 het zijn integendeel waarheden die tot hun rechtvaardiging slechts opmerkzaamheid en waarneming van feiten vereischen4 ,door het noemen van bekende en getuigende feiten zullen wij noodzakelijk zien1 dat eenerzijds1 zoodra nieuwe gewoonten een orgaan noodig gemaakt hebben1 zij dit ook werkelijk door aanhoudende inspanning doen ontstaan1 en dat voortdurend gebruik het zoetjesaan versterkt1 ontwikkelt en tenslotte aanzienlijk vergroot4 ,anderzijds zullen wij zien1 dat wanneer in sommige gevallen nieuwe omstandigheden en behoeften een of ander onderdeel geheel nutteloos hebben gemaakt1 het totale onbruik daarvan dan oorzaak is1 dat het gaandeweg ophoudt met ontwikkeld te worden1 terwijl de andere organen daarmee voortgaan2 dat het meer en meer vermagert en tenslotte1 als het lang zoo duurt1 eindigt met te verdwijnen4 ,dat alles is zeker3 ik stel me voor1 er de meest overtuigende bewijzen voor te geven4 ,bij de planten1 waar in het geheel geen handelingen voorkomen en bijgevolg ook geen eigenlijk gezegde gewoonten1 brengen groote veranderingen in omstandigheden niettemin groote verschillen in ontwikkeling der deelen mede2 zoodat sommige ontstaan en zich ontwikkelen1 andere verminderen en verdwijnen4 ,maar hier voltrekt zich alles door veranderingen1 teweeggebracht in de voeding van het gewas1 in zijn absorptie en uitwaseming1 in de hoeveelheid warmte1 licht1 lucht en vochtigheid1 die het anders gewoonlijk ontvangt2 tenslotte in het overhand nemen van sommige levensfunctin boven andere4 ,tusschen de individuen van dezelfde soort1 waarvan sommige voortdurend goed gevoed worden en verkeeren in gunstige ontwikkelingsvoorwaarden1 andere daarentegen in tegengestelde positie1 ontstaan hoe langer hoe opmerkelijker verschillen in gesteldheid4 ,hoeveel voorbeelden zou ik niet kunnen opsommen van dieren en planten1 die deze beschouwing bevestigen6 ,indien wijders de toestand der slecht gevoede1 lijdende of kwijnende dieren bestendigd wordt onder dezelfde omstandigheden1 zoo wordt daardoor tenslotte hun inwendige samenstelling gewijzigd4 ,en hun nageslacht bewaart de verkregen veranderingen en eindigt met een zeer afwijkend ras te leveren4 ,een zeer droge lente veroorzaakt slechten groei der weidegrassen1 die mager en armzalig blijven en desondanks toch bloeien en vrucht geven4 ,een lente met afwisselend warm en vochtig weer doet deze zelfde grassen welig groeien en de hooioogst is dan voortreffelijk4 ,maar indien een of andere oorzaak de ongunstige omstandigheden bestendigt zullen zij overeenkomstig gaan afwijken1 eerst in hun algemeen voorkomen en vervolgens in meerdere karakter-eigenschappen4 ,als bijvoorbeeld een korrel van een of ander weidegras hoogerop overgebracht wordt naar een droog steenachtig winderig berg-weidje1 en er ontkiemt1 dan zal de daar opgroeiende plant altijd slecht gevoed worden4 ,en als de nakomelingen ad hoc hun bestaan onder die slechte omstandigheden voortzetten zal er een ras ontstaan1 wezenlijk verschillend van het in de vlakte levende waarvan het afstamde4 ,de leden van dat nieuwe ras zullen klein zijn en minnetjes van afmetingen en sommige hunner deelen zullen eigenaardige verhoudingen vertoonen1 als zijnde meer ontwikkeld dan andere4 ,zij die veel hebben waargenomen en de groote verzamelingen geraadpleegd1 hebben zich kunnen overtuigen1 dat naarmate de omstandigheden van woonplaats1 ligging1 klimaat1 voedsel1 levensgewoonten enz4 voor de dieren veranderen1 de eigenschappen van wasdom1 vorm1 verhoudingen tusschen de onderdeelen1 kleur1 gesteldheid1 bewegelijkheid en kunstvaardigheid #be zich overeenkomstig wijzigen4 ,wat de natuur in den loop der eeuwen volvoert1 dat doen wij altoos1 wanneer wij plotseling voor een levend gewas de omstandigheden veranderen1 waaronder al zijn exemplaren verkeerden4 ,alle plantkundigen weten1 dat de gewassen1 bij overbrenging van hunne oorspronkelijke groei-plaatsen naar kweektuinen1 van lieverlede veranderingen ondergaan1 die hen tenslotte onherkenbaar maken4 ,vele planten met sterke beharing verliezen deze geheel of ten naaste bij2 verscheidene liggende of kruipende vormen richten hun stengel weer op2 andere verliezen er hun stekels of ruwe oppervlak2 weer andere veranderen hunne houtachtigheid in de tropische groeiplaatsen tot een kruidachtigen toestand bij ons en sommige daaronder zijn nog slechts eenjarige planten4 ,ten slotte ondergaan de afmetingen hunner deelen zelf zeer aanzienlijke wijzigingen4 ,deze gevolgen van klimaatsverandering zijn zoo bekend1 dat de botanici bij voorkeur geen tuinplanten beschrijven1 tenzij eerst voor kort aangevoerd4 ,is de gekweekte tarwe 7,tricitum sativum7 niet door den mensch tot zijn tegenwoordigen toestand gebracht8 ,men zegge mij in welk land een dergelijke plant van nature voorkomt1 d4w4z4 zonder ergens in de buurt te zijn gecultiveerd8 ,waar vindt men in de natuur onze koolen1 saladen1 enz4 z als in den moestuin8 ,staat het niet evenzoo met verscheidene dieren die de getemde staat ingrijpend gewijzigd heeft8 ,wat een verschillende rassen van huis-hoenders en -duiven hebben we niet gekregen door ze te fokken in verschillende landen en omstandigheden en hoe vergeefs zou men die thans in de natuur terugzoeken6 ,zij die het minst veranderd zijn 7ongetwijfeld door hun recente temming en door niet in een vreemd klimaat te leven71 laten niettemin in sommige deelen groote verschillen zien1 veroorzaakt door de gewoonten1 die wij hen hebben laten aannemen4 ,zoo vinden we onze eenden en ganzen terug in hun wilde verwanten1 maar de onze hebben het vermogen verloren om zich in de hooge regionen van de lucht te verheffen en groote afstanden vliegende af te leggen2 in een woord1 er heeft zich een werkelijke toestandsverandering voltrokken1 vergeleken met de dieren van de oorspronkelijke soort4 ,wie weet er niet1 dat een of andere vogel uit onze luchtstreken1 dien wij in een kooi grootbrengen1 en een jaar of vijf zes in het leven houden1 vervolgens weer1 aan zijn natuurlijke vrijheid teruggegeven1 niet meer in staat is om te vliegen als zijn soortgenooten1 die de vrijheid nooit hebben gemist8 ,deze kleine verandering van omstandigheden heeft weliswaar bij dat exemplaar niets gedaan dan het zijn vliegvermogen te ontnemen en zonder twijfel geen enkele verdere wijziging teweeggebracht4 ,maar indien gedurende een lange reeks van generaties individuen van diezelfde soort geruimen tijd in gevangenschap waren gehouden1 zou zonder twijfel hun gestalte in allen deele ingrijpende veranderingen ondergaan hebben4 ,a fortiori indien dit terzelfder tijd vergezeld was gegaan van een sterkere klimaatswijziging en die exemplaren gaandeweg gewend waren geworden een ander soort voedsel en andere methoden om dat te bemachtigen2 voorwaar1 deze omstandigheden zouden tezamen1 constant geworden1 een geheel nieuw1 apart ras hebben doen ontstaan6 ,waar vindt men thans in de natuur die menigvuldige hondenrassen die wij als huisdieren tot hun tegenwoordigen toestand hebben gebracht8 ,waar die doggen1 hazewinden1 poedels1 patrijshonden1 langharige schoothondjes1 enz4 enz41 welke rassen onderling nog meer verschillen1 dan in het wild levende1 die wij als echte soorten onderscheiden8 ,ongetwijfeld is een enkel uitgangsras1 zeer verwant met den wolf--indien al niet deze zelf--te eeniger tijd tot huisdier getemd4 ,dat ras1 dat toen nog geen enkel verschil tusschen zijn individuen aan kon wijzen1 is gaandeweg door den mensch in verschillende landen en klimaten verspreid2 en na eenigen tijd hebben deze zelfde individuen onder den invloed van de verblijfplaatsen en verschillende gewoonten die men hen in elk land heeft doen aannemen1 doordaar merkwaardige veranderingen ondergaan en onderscheidene bijzondere rassen gevormd4 ,nu kan de mensch--die zich voor handels- of andere belangen over enorme afstanden verplaatst--in een groote stad verschillende hondenrassen1 uit verre landen stammende1 tezamengebracht hebben en kan hun kruising achtereenvolgens het aanzien gegeven hebben aan alle tegenwoordige rassen4 ,voor de planten bewijst het volgende feit1 hoezeer de verandering van een belangrijke omstandigheid de vormen kan benvloeden4 ,zoolang ,ranunculus aquaticus ondergedoken leeft zijn de bladeren alle fijn ingesneden met haarvormige slippen2 maar als de stengels de oppervlakte bereiken worden de lucht-bladen verbreed1 afgerond en eenvoudig gelobd4 ,indien eenige scheuten van dezelfde plant komen te groeien op vochtigen1 niet-ondergeloopen grond1 dan zijn de takken kort en de bladen nooit haarvormig ingesneden1 wat dan aanleiding geeft haar als een zoogenaamde aparte soort1 ,ranunculus hederaceus te onderscheiden4 ,ongetwijfeld geldt voor de dieren dezelfde invloed2 maar hier voltrekken zich de veranderingen veel langzamer dan bij de planten en daardoor voor ons meer onmerkbaar en onnaspeurlijker4--,onder de machtig-omvormende omstandigheden wordt ongetwijfeld de invloedrijkste plaats ingenomen door de verschillende woonplaatsen2 maar daarnevens werken tal van andere krachtig in op de organen4 ,men weet1 dat de aard van een landstreek in nauw verband staat met haar ligging1 gesteldheid1 en klimaat1 't geen men terstond opmerkt bij het doorreizen van verschillende typische gebieden4 ,hier ligt al een oorzaak van variatie voor de betreffende dieren en planten4 ,maar wat men niet genoeg in het oog houdt en zelfs weigert te gelooven1 is1 dat elke plaats zelf mettertijd van betrekkelijke gesteldheid1 klimaat1 en natuur verandert1 schoon z langzaam1 vergeleken met onze tijdsmaat1 dat wij haar volkomen standvastig wanen4 ,en met dit veranderen der verblijfplaatsen vervlieten ook de omstandigheden1 die op de bewoners van invloed zijn4--,men voelt daaruit1 dat al mogen er uitersten in die wijzigingen zijn1 er ook schakeeringen zijn1 d4w4z tusschengelegen graden4 ,bijgevolg zijn er ook nuances in de kenmerken der dusgenoemde soorten4 ,klaarblijkelijk vertoont dus het heele aardoppervlak in aard en plaatsing van zijn verschillende zelfstandigheden een verscheidenheid van omstandigheden1 overal in samenhang met die der vormen en deelen van de dieren en onafhankelijk van die bijzondere verscheidenheid1 die voor elk dier noodwendig voortvloeit uit de voortschrijdende organische ontwikkeling4 ,in elke voor dieren bewoonbare streek blijven de heerschende omstandigheden zeer lang dezelfde1 en veranderen slechts z langzaam in wezen1 dat de mensch het niet direkt vermag op te merken4 ,hij moet de achtergelaten gedenkteekenen raadplegen om te erkennen1 dat op al die plaatsen de bestaande toestand niet steeds zoo geweest is1 noch ook zoo blijven zal4--,hunne dierlijke bewoners moeten dus ook geruimen tijd hun gewoonten getrouw blijven2 vandaar die schijnbare standvastigheid van de als soorten betitelde rassen1 die hen even oud als de natuur zelf heeft doen wanen4 ,maar op de verschillende punten van het aardoppervlak vormen aard1 ligging en klimaat voor dier en plant verschillende omstandigheden in allerlei graad4 ,de betreffende dieren moeten dus niet alleen onderling afwijken in specifieken trap van organisatie1 maar bovendien naar gelang van de gewoonten waartoe de leden van elke soort gedwongen zijn4 ,zoodra dan ook de natuuronderzoeker op zijn wereldreizen een eenigszins belangrijke verandering der omstandigheden waarneemt1 ziet hij strijk en zet ook de soorten zich overeenkomstig wijzigen4 ,als de werkelijke regels van dit alles heeft men dan ook te erkennen3 #a;e4 ,dat elke eenigszins ingrijpende en duurzame verandering van de omstandigheden bij elke diersoort een werkelijke wijziging van behoeften teweegbrengt4 #b;e4 ,dat elke wijziging van behoeften nieuwe handelingen noodig maakt1 om daaraan te voldoen1 en daardoor andere gewoonten4 #c;e4 ,dat daardoor bepaalde deelen meer gebruikt worden dan voorheen1 hetwelk ze aanzienlijk ontwikkelt en vergroot1 ja1 door de inspanning van het innerlijke gevoel onmerkbaar nieuwe deelen doet ontstaan1 hetgeen ik zoodadelijk met bekende feiten hoop te staven4 ,als deze onweersprekelijke waarheden eenmaal erkend zijn zal men spoedig gewaar worden hoe die nieuwe behoeften bevredigd kunnen zijn en de gewoonteverandering zich voltrokken hebben1 indien men eenige aandacht schenkt aan de volgende twee1 door de waarneming steeds bevestigde natuurwetten4 ,eerste ,wet ,bij elk dier1 dat het eindpunt van zijn ontwikkeling nog niet voorbij is1 versterkt herhaaldelijk1 voortdurend gebruik gaandeweg elk orgaan1 ontwikkelt en vergroot hetzelve en geeft het een vermogen evenredig met den duur van dat gebruik2 anderzijds doet voortdurend onbruik het onmerkbaar verzwakken1 degenereeren1 beperken en ten slotte verdwijnen4 ,tweede ,wet ,al wat de natuur heeft doen verwerven of verliezen door de afzonderlijke individuen van een soort onder invloed van lang-aanhoudende omstandigheden1 erft over op de nieuwe individuen1 mits beide sexen1 of wel de 7ongesl47 voortbrengsters daarvan die verkregen veranderingen vertoonen4 ,deze twee blijvende waarheden kunnen slechts miskend worden door hen1 die nooit de levende natuur hebben gadegeslagen of die zich door de hier gewraakte dwalingen hebben laten meeslepen2 bij de aanschouwing van het nauwe verband tusschen vorm en functie der lichaamsdeelen hebben de natuurvorschers gemeend1 dat vorm en toestand dier deelen hun gebruik zouden hebben meegebracht2 dit nu is een misvatting1 want de waarneming toont aan1 dat integendeel behoefte en gebruik de organen ontwikkeld hebben1 ze 7bij ontstentenis7 zelfs hebben doen verrijzen en bijgevolg den huidigen toestand hebben veroorzaakt4 ,als dat niet zoo was1 zou de natuur zooveel vormen van dierlijke lichaamsdeelen hebben moeten scheppen1 als door de levensomstandigheden vereischt werden en deze noch gene ooit doen veranderen4 ,maar zoo staat het zeer zeker niet met de bestaande levende wezens want in dat geval hadden wij geen ,engelsche renpaarden naast de logge1 zware trekpaarden2 immers1 iets dergelijks heeft de natuur zelf nooit voortgebracht4 ,evenmin zouden we dashonden met hun kromme pooten hebben1 noch snelvoetige windhonden of poedels2 staartlooze kippen noch pauwstaartjes1 enz4 ,ten slotte zouden we1 zoo lang het ons behaagde1 wilde planten kunnen kweeken in den vetten1 vruchtbaren grond onzer tuinen zonder eenige wijziging te zien optreden4 ,reeds lang heeft men ten deze de waarheid gevoeld en uitgedrukt in het alom bekende spreekwoord3 de gewoonte wordt een tweede natuur4 ,voorzeker1 indien de gewoonten en aard van elk dier onwrikbaar vast stonden1 zou dat spreekwoord fout geweest zijn en nooit zijn ontstaan1 althans zich niet gehandhaafd hebben4 ,bij ernstige overweging van mijne uiteenzettingen gevoelt men1 dat ik in mijn werk ,recherches sur les corps vivans 7p4 #ej7 terecht de volgende stelling geponeerd heb3 ,niet de organen van het dier1 d4w4z4 de natuur en vorm der lichaamsdeelen hebben het aanzijn gegeven aan zijn gewoonten en bijzondere functies1 maar integendeel hebben gewoonten1 levenswijze en de omstandigheden der voorouders zijn lichaamsvorm1 aantal en aard der organen1 kortom al zijne vermogens bepaald4 ,het belang en de gegrondheid van deze stelling blijkt ten duidelijkste bij hare beproeving en vergelijking met de waarneembare feiten1 die de werkelijkheid ons voortdurend biedt4 ,gelijk reeds opgemerkt1 zijn tijd en gunstige omstandigheden de twee voornaamste door de natuur gebruikte middelen tot al hare voortbrengingen3 men weet1 dat voor hr de tijd onbegrensd is en bijgevolg steeds ter beschikking4 ,wat betreft de omstandigheden1 die elken dag benut worden tot varieeren van al het voortgebrachte1 men kan ze in zekeren zin onuitputtelijk noemen4 ,de voornaamste komen voort uit den invloed van het klimaat3 de verschillende temperaturen van den dampkring en van de overige omgeving2 uit de verscheidenheid en ligging der woonplaatsen2 uit de werking der gewoonten1 de meest-gewone bewegingen en de meest-herhaalde handelingen2 ten slotte uit de levenswijze1 de middelen om zich te verdedigen1 te handhaven1 zich voort te planten1 enz4 ,als gevolg van deze verschillende invloeden nu breiden de functies zich uit en versterken zich door het gebruik1 slaan verschillende richtingen in door het aannemen van nieuwe1 vaste gewoonten1 en onmerkbaar gaan vorm1 gesteldheid1 i4e4w4 aard en toestand der organen deelen in de gevolgen van al die invloeden en worden bewaard en overgedragen door de voortplanting4 ,deze twee waarheden1 vanzelf volgende uit de twee bovengenoemde natuurwetten1 worden in ieder geval bevestigd door de feiten2 zij wijzen duidelijk den gevolgden weg aan van de natuur bij haar verschillende voortbrengingen4 ,maar laat ons1 inplaats van ons met de algemeenheden tevreden te stellen--die wellicht hypothetisch te noemen waren--de feiten direct onderzoeken en de gevolgen nagaan van gebruik of onbruik der dierlijke organen op henzelve1 overeenkomstig de aan elke soort opgedrongen gewoonten--,ik zal dus bewijzen1 dat aanhoudend gemis aan oefening een lichaamsdeel knotwiekt1 het gaandeweg doet verworden en eindelijk verdwijnen als dat onbruik zich lang achtereen voortzet bij de achtereenvolgende geslachten van de betreffende soort4 ,vervolgens zal ik echter aantoonen1 dat bij elk dier1 dat het eindpunt van reductie nog niet bereikt heeft1 de gewoonte1 een orgaan te oefenen1 hetzelve niet alleen verbetert en de functie verrijkt1 maar bovendien een ontwikkeling en afmetingen doet verkrijgen1 die het onmerkbaar doen wijzigen1 zoodat het mettertijd sterk gaat afwijken van hetzelfde1 doch minder gebruikte orgaan bij een ander dier4 ,een tot gewoonte geworden voortdurend onbruik doet een orgaan geleidelijk aan verarmen en vernietigt het ten slotte volkomen4 ,daar een dergelijke stelling slechts op voldoende bewijs kan worden toegegeven en niet op eenvoudige uitspraak1 zoo willen wij haar bepleiten door de voornaamste bekende1 bewijskrachtige feiten aan te voeren4 ,de gewervelde dieren1 wier schema overal vrijwel eender is1 ondanks de vele verschillen in onderdeelen1 hebben kaken1 bewapend met tanden4 ,diegene intusschen1 die door de omstandigheden de gewoonte hebben aangenomen1 hun prooi ongekauwd in te slikken1 ontwikkelen daarmee hun tanden niet4 ,dan zijn deze f tusschen de beenplaten der kaken verborgen gebleven zonder naar buiten te kunnen komen1 f zijn zelfs reeds in hun aanleg vernietigd4 ,bij den walvisch 7,balaena71 dien men geheel verstoken van tanden waande1 heeft ,geoffroy deze bij het foetus aangetroffen1 in de kaken verborgen4 ,bij vogels heeft deze hoogleeraar voorts de groeve gevonden1 waarin de tanden moesten staan2 maar henzelf ziet men er niet meer in4 ,bij de klasse der zoogdieren1 die de hoogst ontwikkelde levende wezens bevat1--in de eerste plaats diegene1 waarin het organisatieplan der vertebraten het volledigst is uitgevoerd1--is niet alleen de walvisch tandeloos1 maar ook de miereneter 7,myrmecophaga71 die het kauwen al sinds lang voorgoed heeft opgegeven4 ,een kenmerk van een groot aantal verschillende dieren en een wezenlijk deel van het bouwplan der vertebraten is het bezit van oogen in den kop4 ,nochtans heeft de mol1 die door zijn levenswijze het gezicht weinig gebruikt1 slechts uiterst kleine1 nauwelijks zichtbare oogen1 doordat hij dit orgaan weinig oefent--,aspalax 7,olivier1 ,voyage en ,egypte et en ,perse1 ,,ii1 pl4 #bh1 f4 #b71 die gelijk de mol een onderaardsch leven voert1 en zich waarschijnlijk nog minder dan deze aan het daglicht blootstelt1 heeft het gezichtsvermogen geheel verloren1 en vertoont dan ook nog slechts sporen van het betreffende orgaan2 en deze zijn nog geheel bedekt door de huid en eenige andere lagen en ontvangen niet het minste licht meer4 ,de ,olm 7,proteus71 een verwante van de salamanders die in diepe1 duistere holen-wateren leeft1 heeft evenals ,aspalax nog slechts sporen van gezichtsorganen1 op dezelfde wijze verborgen en bedekt4 ,dit feit is voor ons huidige onderwerp beslissend4 ,het licht dringt niet overal door2 bijgevolg missen de dieren der duisternis de gelegenheid1 hun gezichtsorgaan te oefenen1 zoo zij er een hebben4 ,dieren1 behoorende tot een systeem van organisatie met oogen1 moeten deze intusschen van huis uit gehad hebben4 ,daar men onder hen echter niet-ziende vormen aantreft met nog slechts verborgen sporen van oogen is het verarmen en verdwijnen daarvan klaarblijkelijk het gevolg van een voortdurend gebrek aan oefening4 ,een bewijs hiervoor is1 dat het gehoororgaan nimmer in dat geval verkeert en altijd aanwezig is bij de dieren1 wier organisatie zulks vereischt1 en wel om de volgende reden3 ,de geluidsstof #bf1 die door een trillend lichaam in beweging gebracht1 den ontvangen indruk aan het oor mededeelt1 dringt overal door1 zelfs in de dichtste lichamen4 ,bijgevolg heeft elk dier1 in wiens plan van organisatie het gehoor een wezenlijke plaats inneemt1 steeds de gelegenheid dit te oefenen1 wr het ook wone4 ,onder de ,vertebraten is er dan ook niet een verstoken van een gehoororgaan1 maar daarna vindt men het bij geen enkel lid der volgende klassen meer774 ,anders is 't met het gezicht gesteld1 want oogen ziet men afwisselend verschijnen en verdwijnen naar gelang van de al of niet bestaande mogelijkheid tot gebruik door het dier4--,bij de acephale weekdieren had de groote ontwikkeling van den mantel de oogen en zelfs den kop geheel nutteloos gemaakt4 ,ofschoon in het betreffende bouwplan opgenomen hebben deze organen moeten verdwijnen door voortdurend onbruik4 ,tot het organisatie-plan der reptielen ten slotte behooren vier knokige ledematen4 ,bijgevolg zouden dan ook de slangen er vier moeten hebben1 temeer1 daar ze volstrekt niet de laatste orde der kruipende dieren vormen en verder afstaan van de visschen dan kikvorsch1 salamanders1 enz4--,daar intusschen de slangen de gewoonte hebben aangenomen om op den grond te kruipen en onder het kruid zich te verbergen1 heeft door de steeds herhaalde inspanning om zich uit te rekken--tot het passeeren van nauwe openingen--het lichaam een aanzienlijke lengte gekregen buiten verhouding tot de dikte4 ,pooten zouden dan ook voor deze dieren ten eenen male van onwaarde geweest zijn en dus overbodig4 ,want lange pooten zouden bij het kruipen hebben gehinderd1 en zeer korte--slechts ten getale van vier beschikbaar--het lichaam onmogelijk hebben kunnen bewegen4 ,het voortdurende onbruik dezer organen bij die dieren heeft hen geheel doen verdwijnen1 ofschoon zij een wezenlijk deel uitmaakten van het bouwplan der betreffende klasse4 ,veel insecten1 die volgens de kenmerken van hun orde--of zelfs geslacht--vleugels zouden moeten hebben1 missen door niet-gebruik deze vrijwel volkomen4 ,een menigte schild-1 recht-1 vlies-en half-vleugeligen vertoonen daar voorbeelden van2 hunne gewoonten beletten voortdurend het gebruik der vleugels4 ,maar het is niet voldoende een verklaring te geven van de oorzaken voor den toestand der organen bij verschillende dieren voor zoover die toestand voor een soort standvastig blijft2 men moet bovendien de wijzigingen laten zien1 daarin uitsluitend door een groote verandering van de bijzondere specifieke gewoonten teweeggebracht bij n individu in den loop van zijn leven4 ,het volgende uiterst merkwaardige feit bewijst afdoende den invloed der gewoonten op de bewerktuiging en hoezeer blijvende veranderingen in de eerste op de daarbij tepas komende organen ingrijpen4 ,tenon1 lid van de ,academie1 heeft aan de ,wetenschappelijke ,klasse medegedeeld1 dat bij onderzoek het spijsverteringskanaal van hartstochtelijke gewoonte-drinkers altijd buitengewoon verkort bleek1 vergeleken met normale personen4--,zooals men weet1 nemen de echte dronkaards zeer weinig vast voedsel tot zich2 de overvloedig genoten drank is voor de voeding voldoende4--,daar nu vloeibare spijzen1 vooral spiritualin1 niet lang blijven in maag en ingewand1 zoo ontwennen deze bij de drinkebroers aan normale uitzetting1 even als bij personen met een zittende levenswijze en voortdurend met geestelijken arbeid bezig1 die zich aan het gebruik van weinig spijzen gewend hebben4 ,gaandeweg trekt zich hun maag samen en verkorten zich de darmen4--,het gaat hier volstrekt niet om een inkrimping1 waarbij de gewone uitrekking nog mogelijk zou zijn1 als die leege ingewanden weer eens gevuld werden2 neen1 er is hier sprake van een echte en belangrijke vernauwing en verkorting1 zoodanig1 dat de betreffende organen eerder zouden bersten1 dan ineens tot hun gewonen omvang uitdijen4 ,vergelijk onder overigens gelijke omstandigheden van leeftijd1 enz4 eens een man1 die door zijn studeerend leven--'t welk de spijsvertering bemoeilijkt--zich aan weinig eten gewend heeft1 met een ander die veel beweging neemt1 uitgaat en flink eet2 de maag van den eerste is tot weinig meer in staat en reeds met weinig spijs gevuld1 terwijl die van den tweede haar vermogen bewaard en ontwikkeld zal hebben4 ,ziehier dus een in afmetingen en functies sterk gewijzigd lichaamsdeel1 enkel en alleen door verandering der gewoonten gedurende het individueele leven4 ,veelvuldig1 door gewoonte bevestigd gebruik verrijkt de functies van een orgaan1 ontwikkelt het en doet het ganschelijk nieuwe afmetingen en kracht verkrijgen4 ,aan den anderen kant hebben wij gezien1 dat onbruik het zelve wijzigt1 verarmt en ten slotte vernietigt4 ,thans ga ik aantoonen1 dat onafgebroken functie van een lichaamsdeel en de inspanning1--onder omstandigheden die zulks vereischen--om er grootelijks voordeel van te trekken1 het sterkt1 uitbreidt en vergroot of nieuwe organen schept1 die de noodige verrichtingen kunnen uitvoeren4 ,de vogel1 door nooddruft naar den waterspiegel getrokken1 spreidt de teenen uit om al trappende te zwemmen4 ,door dit voortdurend uitbreiden verkrijgt het huidje aan de basis der teenen de gewoonte1 zich te strekken4 ,zoo zijn mettertijd de groote zwemvliezen van de eenden1 ganzen1 enz4 tot hun tegenwoordigen toestand vervormd4 ,dezelfde zwem- of liever roei-pogingen hebben de zwemvliezen doen optreden bij kikvorsch1 zeeschildpadden1 otter1 bever1 etc4 ,anderzijds hebben de van geslacht op geslacht in de boomen levende vogels noodzakelijk langere en anders gevormde teenen dan de watervogels4 ,gaandeweg hebben hun nagels zich verlengd1 toegescherpt en klauwvormig gebogen om de takken te omknellen1 waarop de dieren zoo vaak rusten4 ,evenzeer gevoelt men1 dat een oevervogel1 die niet van zwemmen houdt en toch voor zijn levensonderhoud aan den waterkant moet verblijf houden1 voortdurend gevaar loopt1 in den modder te zinken4 ,de vogel doet nu1 om zijn lichaam droog te houden1 al zijn best1 om de pooten uit te rekken en te verlengen4 ,deze langdurige gewoonte van die vogelsoorten doet hen ten slotte a4h4w4 op stelten staan op hun lange naakte pooten1 d4w4z4 tot de dijen 7en vaak nog verder7 onbevederd4 7,systme des animaux sans vertbres1 p4 #ad74 ,men zal ook inzien1 dat dezelfde vogel door den wensch om te visschen zonder zich nat te maken1 zich voortdurend moet inspannen zijn hals te strekken4 ,het gevolg van deze aanhoudende inspanning moet dan ook mettertijd een merkwaardige halsverlenging zijn geweest1 die men inderdaad bij alle waadvogels kan waarnemen4 ,dat bepaalde watervogels met korte pooten1 zooals zwaan en gans1 niettemin zeer langhalzig zijn1 komt door de gewoonte om bij het zwemmen aan de oppervlakte den kop zoo diep mogelijk onder te dompelen tot het vangen van waterlarven en ander klein dierlijk voedsel terwijl zij geen enkele poging doen tot het strekken der pooten4 ,laat bij het zoeken van voedsel een dier al maar trachten zijn tong zoo ver mogelijk uit te steken1 en zij zal een aanzienlijke lengte verkrijgen 7miereneter1 groene specht72 laat het de behoefte hebben1 er iets mede te grijpen1 en de tong zal zich vorkvormig splijten4 ,de grijptong der colibri's en de tast-tong van hagedissen en slangen zijn het bewijs daarvoor4 ,de steeds door de omstandigheden opgewekte behoeften en de volhardende inspanning om deze te bevredigen bepalen zich niet tot het wijzigen der organen1 maar ze slagen er ook in deze zoo noodig te verplaatsen4 ,daar de visschen1 die gewoonlijk in overvloed van water leven1 zijwaarts zien moeten1 zoo liggen inderdaad de oogen terzijde in den kop4 ,hun al naar de soort min of meer afgeplatte lichaam snijdt het water in een richting loodrecht op zijn oppervlak en de oogen staan zoo1 dat elke platte zijde er een heeft4 ,maar die visschen1 die hun levenswijze naar vlakke kusten voert1 werden gedwongen op hun zijde te zwemmen1 ten einde den oever nog dichter te kunnen naderen477 ,daar zij in deze ligging meer licht van boven dan van onder krijgen heeft de behoefte om steeds acht te geven op de bovenwereld een der oogen doen verschuiven en de zeer eigenaardige plaats innemen1 die men kent van tong1 tarbot1 schar1 etc4 7,pleuronectes en ,achirus74 ,deze oogen staan niet meer symmetrisch1 wijl de draaing niet volledig is geweest4 ,bij de roggen echter is dit wel het geval77 en is de dwarse afplatting van lichaam en kop geheel horizontaal1 zoodat de beide naar boven gekeerde oogen opnieuw symmetrisch zijn geworden4 ,de slangen1 die op het aardoppervlak kruipen1 hadden hoofdzakelijk naar boven te kijken4 ,deze behoefte heeft van invloed moeten zijn op de plaats der gezichtsorganen en inderdaad zijn deze zij- en opwaarts in den kop ingesteld1 zoodat zij gemakkelijk naar boven en opzij kunnen schouwen maar bijna niet kunnen zien1 wat vlak vr hen is4 ,ten einde nu aan dit gebrek tegemoet te komen en het hoofd niet te stooten hebben zij hun weg slechts kunnen verkennen met behulp van de tong1 die uit alle macht werd uitgestoken4 ,deze gewoonte heeft er niet alleen toe bijgedragen om de tong dun1 lang en zeer samentrekbaar te maken1 maar ook om zich bij de meeste soorten te splijten1 teneinde meerdere voorwerpen tegelijkertijd te kunnen bestrijken2 jazelfs1 om aan het einde van de snuit een opening te vormen tot het doorlaten van de tong bij gesloten bek4 ,nergens hebben de gewoonten merkwaardiger dingen teweeggebracht dan bij plantetende zoogdieren4 ,de viervoeters1 wier geslachten zich sinds onheugelijke tijden aan plantenkost gewend hebben1 in overeenstemming met de door de omstandigheden meegebrachte behoeften1 loopen het grootste deel van hun leven op vier pooten over den grond1 in het algemeen met een matige snelheid4 ,het tijdroovende naar binnen werken van elken dag weer hetzelfde voedsel doet zoo'n dier zijn gemak houden en zijn ledematen slechts gebruiken om te staan en te loopen1 maar nooit om in de boomen te klauteren4 ,deze gewoonte om dagelijks groote hoeveelheden plantaardig voedsel te gebruiken1 die de ingewanden deden uitzetten1 gevoegd bij de geringe bewegelijkheid1 heeft het lichaam van deze beesten aanzienlijk verdikt1 zwaar-massief en volumineus gemaakt1 zooals bij olifant1 neushoorn1 rund1 buffel1 paard1 etc4--,de gewoonte1 langdurig achtereen overeindstaande te grazen heeft een dik hoornig omhulsel om de vingereinden doen ontstaan2 en daar die vingers slechts tot steun dienden1 met uitsluiting van elke andere beweging1 zoo zijn ze voor een deel verkort1 verkleind en eindelijk verdwenen4 ,zoo hebben sommige dikhuidigen pooten met vijf genagelde teenen1 dus een vijf-deeligen hoef2 andere echter vier en weer andere slechts drie4 ,maar bij de oudste zoogdieren1 die zich uitsluitend tot den beganen grond bepaald hebben3 de herkauwers1 zijn er niet meer dan twee vingers aan den voet en bij de eenhoevers 7paard1 ezel7 zelfs nog maar een enkele4 ,in eenzame streken loopen echter juist onder de herkauwende planteneters sommige voortdurend gevaar1 ten prooi te vallen aan roofdieren en kunnen zij hun heil slechts vinden in een overhaaste vlucht4 ,noodgedwongen hebben zij zich dus in het rennen geoefend en door die gewoonte zijn lichaam en pooten veel slanker en ranker geworden1 bijvoorbeeld bij gazelle1 antilope1 enz4 ,in onze luchtstreken veroorzaakt bij herten1 reen1 damherten de voortdurende jacht van den mensch overeenkomstige gewoonten en lichaamsvormen4 ,daar bij die ruminantia de pooten slechts zijn ingericht tot steunen en de weinig krachtige kaken tot afbijten en kauwen van gras1 zoo kunnen ze alleen vechten met kopstooten1 het voorhoofd vooruit4--,bij de--vooral bij de mannetjes veelvuldige--driftbuien richt het sterk gespannen inwendige gevoel een krachtiger bloedstroom naar dat deel van den kop en er zet zich hoorn af1 bij sommige vergezeld van beenstof1 waardoor stevige uitsteeksels ontstaan als oorsprong van de geweien en horens1 waarmee de kop dezer dieren meestal bewapend is4 ,een merkwaardig gevolg van levensgewoonten ziet men in de afwijkende gestalte van de giraffe 7,camelopardalis74 ,men weet dat dit hoogste aller zoogdieren woont in vrijwel droge binnenlanden van ,afrika1 wier kaalheid het noopt het gebladerte der boomen af te knabbelen onder voortdurend ingespannen reiken4 ,ten gevolge van deze algemeene en lang-volgehouden gewoonte zijn de voorpooten langer geworden dan de achterpooten en de hals dermate verlengd1 dat de giraffe in gewoon-opgerichte houding tot een hoogte reiken kan van zes meter1 of bijna twintig voet4 ,onder de vogels danken de niet-vliegende struisen waarschijnlijk hun eigenaardige1 zeer hooge pooten aan overeenkomstige omstandigheden4 ,andere1 even merkwaardige gevolgen hebben de gewoonten teweeggebracht bij de roofdieren4--,die soorten van zoogdieren1 die zich gewend hebben om te klimmen of den grond om te krabben of een prooi te verscheuren hebben de vingers van hun ledematen noodig gehad1 hetgeen de uiteenspreiding daarvan heeft begunstigd en ze met klauwen heeft bewapend4 ,bij sommige vleeschetende dieren moet de dagelijksche behoefte 7en dus gewoonte7 de klauwen diep in het vleesch van andere dieren te slaan1 om ze al vasthakende te verscheuren1 door herhaalde inspanning deze klauwen dermate vergroot en gekromd hebben1 dat ze ten slotte lastig werden bij het loopen op steenachtigen bodem en jagen van de prooi4 ,daardoor waren zij verplicht die uitspringende nagels in te trekken1 en zoo is gaandeweg die eigenaardige scheede ontstaan1 waarin kat1 tijger1 leeuw1 etc4 hun klauw in rust opbergen4 ,langen tijd regelmatig in een bepaalde richting volgehouden inspanning tot bevredigen van--door natuur of omstandigheden geischte--behoeften vergrooten de betreffende lichaamsdeelen tot afmetingen en een gedaante die zij zonder die geregelde inspanning van het dier nooit zouden verkregen hebben4 ,waarnemingen bij alle bekende dieren leveren daarvoor de overvloedige bewijzen4 ,een van de treffendste voorbeelden toont wel de kangoeroe4 ,dit dier heeft een opgerichte houding aangenomen1 steunende op achterpooten en staart en verplaatst zich slechts door te springen1 daarbij overeind blijvende ten behoeve van de jongen1 die in een buidel aan het onderlijf worden meegedragen4 ,ziehier de resultaten4 #a;e4 ,de voorpooten1 uitsluitend gebruikt tot steun in de oogenblikken1 waarin de opgerichte houding verlaten wordt1 hebben zich nooit evenredig met de andere deelen ontwikkeld en zijn mager1 klein en vrijwel krachteloos gebleven4 #b;e4 ,de achterpooten daarentegen1 bijna voortdurend in actie tot steun of sprong1 zijn zeer groot en sterk ontwikkeld geworden4 #c;e4 ,ten slotte is de in rust en beweging zoo krachtig meewerkende staart aan den wortel buitengemeen stevig en dik geworden4 ,deze overbekende feiten vermogen zeker wel voor eenig orgaan of lichaamsdeel de gevolgen te bewijzen van geregeld gebruik4 ,en mocht men nu van een of ander bijzonder krachtig ontwikkeld orgaan beweren1 dat zijn voortdurende oefening daar niets aan toe doet--of rust niet f doet--en dat het er altoos zoo geweest is sedert de schepping van de betreffende soort1 zoo zou ik vragen1 waarom dan de wilde eenden beter kunnen vliegen dan de tamme8 ,en ik kan daarenaan een menigte voorbeelden toevoegen1 aan ons eigen organisme ontleend1 die de verschillen bewijzen1 teweeggebracht door al- of niet gebruik onzer eigen lichaamsdeelen4 ,weliswaar worden deze niet erfelijk voortgezet1 want dan zouden zij nog veel belangrijker zijn4 ,in het tweede deel zal ik aantoonen1 dat als een dier het een of ander wil verrichten1 de betreffende organen terstond tot de handeling aangezet worden door het toevloeien van fijne zenuwfluiden1 die de bepalende oorzaak van de beweging worden4 ,talrijke waarnemingen staan hiervoor zonder eenigen twijfel borg4 ,het gevolg is1 dat veelvuldige herhaling dezer levensverrichtingen de ervoor noodige organen versterkt1 uitbreidt1 ontwikkelt1 jazelfs nieuw vormt4 ,men heeft slechts nauwgezet acht te geven op alles1 wat te dezen opzichte voorvalt1 om zich te overtuigen van deze ware oorzaak van organische ontwikkeling en verandering4 ,elke wijziging in een orgaan1 verkregen door een voldoende regelmatig gebruik1 erft vervolgens over1 indien het gemeenschappelijk eigen is aan de beide parende individuen4 ,zoo wordt die wijziging overgedragen op alle volgende geslachten1 die aan dezelfde omstandigheden onderworpen zijn zonder haar zelf langs direkten weg te moeten verwerven4 ,bij de paring verhindert overigens noodwendig de menging tusschen individuen met verschillende eigenschappen en vormen de constante voortplanting daarvan4 ,en dat verhoedt juist1 dat bij den mensch--aan omstandigheden van zoo uiteenloopenden invloed onderworpen--toevallig opgedane gebreken of eigenschappen worden overgerfd4 ,als in zoo'n geval steeds twee zoodanige individuen paarden1 zouden zij dezelfde eigenaardigheden voortbrengen1 en indien dan de opvolgende generaties zich tot zulke huwelijken bepaalden1 zou er een bijzonder1 apart ras gevormd worden4 ,maar aanhoudende menging van onderling afwijkende menschen doet alle in ongewone omstandigheden verkregen bijzonderheden weer verdwijnen4 ,zonder de afstanden tusschen de menschelijke verblijfplaatsen zouden dan ook voorzeker door de geslachtelijke vermenging de algemeene1 characteristieke onderscheiden tusschen de verschillende volkeren verdwijnen4 ,indien ik hier alle klassen1 orden1 geslachten en soorten de revue zou willen laten passeeren1 zoo kon ik aantoonen1 dat in allen deele de bouw der tegenwoordige dieren1 hun organen1 vermogens1 enz4 overal het uitsluitend gevolg zijn van de omstandigheden1 waaronder elke soort zich van nature bevonden heeft en van de opgedrongen gewoonten1 maar geenszins van een aanvankelijken vorm1 die tot de huidige levensgewoonten genoopt zou hebben4 ,gelijk bekend1 verkeert de z4g4 ,ai of luiaard 7,bradypus tridactylus7 voortdurend in een dergelijken staat van zwakte1 dat hij slechts uiterst langzame en beperkte bewegingen uitvoert en moeilijk op den grond loopt4 ,z traag beweegt hij zich1 dat hij1 naar beweerd wordt1 slechts een vijftigtal stappen per dag kan doen4 ,ook stemt de organisatie van dit dier1 naar bekend1 volkomen overeen met zijn zwakheid of ongeschiktheid tot loopen en is buiten staat tot eenige beweging1 anders dan de bovenomschrevene4 ,in de veronderstelling nu1 dat de ,ai van nature deze bewerktuiging ontvangen had1 heeft men gemeend1 dat deze hem tot zijn gewoonten en ellendigen levensstaat doemde4 ,wel verre van aldus te denken ben ik overtuigd1 dat oorspronkelijk noodgedwongen aangenomen gewoonten onvermijdelijk hebben moeten leiden tot de huidige organisatie van den luiaard4 ,voortdurende gevaren mogen deze soort vroeger voorgoed de wijk hebben doen nemen in de boomen1 en er zich doen voeden met bladeren2 blijkbaar zal zij zich dan hebben moeten spenen van allerlei bewegingen1 eigen aan de bodem-dieren4 ,alle behoeften van den ,ai zullen zich dus hebben bepaald tot hangerig langs de takken te kruipen om bladeren te plukken en dan maar werkeloos in den boom te blijven1 zorgende niet te vallen4 ,die luiheid zal overigens nog door de hitte van het klimaat in de hand gewerkt zijn1 welke warmbloedige dieren toch al meer tot rust dan tot beweging noodt4--,als nu de ai gedurende langen tijd een boomleven geleid heeft met zijn langzame en weinig gevarieerde bewegingen--maar voldoende voor de behoeften--dan zal zijn bewerktuiging zich gaandeweg aan de nieuwe behoeften hebben aangepast1 en het gevolg daarvan zal zijn geweest3 #a;e4 ,dat bij de voortdurende pogingen dezer dieren om de boomtakken gemakkelijk te omklemmen de armen zich verlengd hebben4 #b;e4 ,dat door het aanhoudende klauteren de klauwen zeer lang en krom uitgegroeid zijn4 #c;e4 ,dat de nooit afzonderlijk geoefende vingers alle onderlinge beweeglijkheid verloren hebben1 zich vereenigd hebben en slechts tot gemeenschappelijk buigen en strekken in staat blijven4 #d;e4 ,dat door telkens weer omvatten van stam of dikke takken de dijen gaandeweg ver uit elkaar zijn gaan wijken1 hetgeen zal hebben bijgedragen tot bekkenverwijding en tot verplaatsen van de bekkenholte naar achteren4 #e;e4 ,dat tenslotte een groot aantal beenderen samengesmolten zijn en een gesteldheid en gedaante verkregen hebben1 overeenkomstig de gewoonten dezer dieren1 met uitsluiting van alle andere4 ,dit staat onweersprekelijk vast1 gelijk dan ook inderdaad de natuur ons in duizend andere gevallen doorloopend overeenkomstige voorbeelden laat zien van den invloed der omstandigheden op de gewoonten en van deze weer op vorm1 gesteldheid en verhoudingen der dierlijke lichaamsdeelen4--,daar het opsommen van meer aanhalingen echter volkomen overbodig is zetten wij hier het hoofdpunt van de discussie nog eens kortelijk uiteen4 ,een feit is1 dat naar gelang van geslacht en soort de verschillende dieren elk bijzondere gewoonten hebben en een daarmee volmaakt overeenstemmende organisatie4--,uit de beschouwing daarvan kan men naar believen een dezer twee--beide onbewijsbare--gevolgtrekkingen afleiden1 t4w43 ,tot nu toe aangenomen conclusie3 bij het voortbrengen der dieren heeft de natuur 7of haar schepper7 alle mogelijke levensomstandigheden voorzien en aan iedere soort een standvastige bewerktuiging en in allen deele bepaalden1 onveranderlijken vorm gegeven1 die hen dwong te leven in huidige woonplaatsen en klimaten en hier hun geijkte gewoonten getrouw te blijven4 ,mijn eigen conclusie3 bij het achtereenvolgens voortbrengen van alle diersoorten heeft de natuur1 door met de eenvoudigste te beginnen en met de meest volkomene te eindigen1 hunne bewerktuiging trapsgewijze gecompliceerd4 ,en bij de algemeene verspreiding over alle bewoonbare streken van den aardbol heeft elke soort onder invloed der omringende omstandigheden--van lieverlede--hare huidige gewoonten verkregen en zijn hare organen tot hun tegenwoordigen staat omgevormd4 ,de eerste dezer beide gevolgtrekkingen wordt tot heden vrijwel algemeen aangenomen4 ,naast onveranderlijke organisatie der dieren1 neemt zij aan1 dat de omstandigheden hunner woonplaatsen zich nimmer wijzigen4 ,want indien dat wel het geval ware1 zouden dezelfde dieren er niet meer kunnen leven2 en de mogelijkheid om elders overeenkomstige omstandigheden op te kunnen zoeken stond nog te bezien4 ,de tweede gevolgtrekking is mijn eigene4 ,zij veronderstelt1 dat onder invloed der gewoonten--middellijk veroorzaakt door de omstandigheden--de organische omstandigheden bij elk dier verstrekkend gewijzigd kan worden en tot hun huidigen toestand gebracht zijn4 ,om deze laatste opvatting te ontzenuwen valt eerst te bewijzen1 dat elk punt van het aardoppervlak zichzelf in aard1 betrekkelijke gesteldheid1 klimaat1 enz4 steeds gelijk blijft1 en vervolgens1 dat geen enkel dierlijk orgaan1 zelfs na een lang tijdsverloop1 ooit eenige wijziging ondergaat door het veranderen der omstandigheden en door de noodzaak1 die hen dwingt tot anderen handel en wandel dan de gewone4 ,indien nu ook maar in een enkel geval een sinds lang getemde diersoort afwijkt van den stamvorm en men bij zoo'n huisdier een groote individueele vormverscheidenheid aantreft naar gelang van de verschillende hun aangewende gewoonten1 dan strookt voorzeker de eerste conclusie volstrekt niet met de natuurwetten1 de tweede daarentegen wl4 ,alles wijst dus in de richting van mijn opvatting1 t4w41 dat geenszins de dierlijke lichaamsvormen aanleiding geven tot de gewoonten en levenswijzen1 maar deze laatste integendeel1 met alle andere invloedrijke omstandigheden1 mettertijd de gestalte der dieren in allen deele bewerkstelligd hebben4 ,tegelijk met de nieuwe vormen werden nieuwe vermogens verkregen en gaandeweg is de natuur al omvormend tot de huidige dieren gekomen4 ,kan er in de natuurlijke historie wel een gewichtiger beschouwing bestaan en onze aandacht meer waard zijn dan deze zoo juist uiteengezette8 ,,chapter ,,viii ,hoofdstuk ,,viii ,over de natuurlijke ,orde der ,dieren en hoe hunne indeeling daarmee te doen overeenstemmen4 ,ik heb in hoofdstuk ,v reeds opgemerkt1 dat het wezenlijke doel van een indeeling der dieren zich onzerzijds niet moet bepalen tot het bezit van een lijst van klassen1 geslachten en soorten1 maar dat zij door hare rangschikking tegelijk een uitstekend hulpmiddel bij de studie van de natuur moet zijn en het meest geschikt om ons haar loop1 middelen en wetten te doen kennen4 ,intusschen schroom ik niet te zeggen1 dat onze algemeene zologische systemen in tegengestelde volgorde gerangschikt zijn als die van de natuur zelf bij het tot aanzijn roepen van hare verschillende levende schepselen gevolgd2 zoodat1 als wij1 naar oud gebruik1 voortschrijden van de meer samengestelde tot de meer eenvoudige1 wij het begrijpen van den vooruitgang in organisatie bemoeilijken1 waardoor we de oorzaken daarvan alsmede zijn onderbrekingen minder gemakkelijk vatten4 ,als men het nut1 ja1 de onontbeerlijkheid voor een gesteld doel van een bepaald ding erkend heeft1 en er is geen ongerief aan verbonden1 dan moet men zich haasten het uit te voeren1 ofschoon het niet in gebruik moge zijn4--,zoo nu is het geval met de aan de algemeene indeeling der dieren te geven rangschikking4 ,zoo zullen wij zien1 dat het volstrekt niet onverschillig is1 met welk einde die indeeling begint1 en dat het niet aan onze keuze is overgelaten4 ,het tot op den huidigen dag gevolgde gebruik om de meest volkomen dieren aan het hoofd der rij te zetten en de onvolkomenste en eenvoudigste aan het lage einde vindt zijn oorsprong eenerzijds in onze neiging om steeds den voorkeur te geven aan de zaken1 die ons het meest treffen1 behagen of belang inboezemen2 anderzijds doordat men liever van het bekendere naar het minder bekende voortschrijdt4 ,in den aanvang van de studie der natuurlijke historie lieten deze overwegingen zich ongetwijfeld zeer wel hooren2 thans echter moeten zij wijken voor de behoeften der wetenschap en in het bijzonder voor zulke1 die de kennis der natuur bevorderen4 ,indien wij ook al door het groote aantal en de verscheidenheid der dieren in de natuur ons niet kunnen vleien1 nauwkeurig de werkelijke volgorde te kennen1 die zij bij hunne voortbrenging heeft gevolgd1 zoo is toch diegene1 die ik straks ga uiteenzetten1 waarschijnlijk van de hare een vrij getrouw beeld3 ons gezond verstand en alle verzamelde kennis spreken daarvoor4 ,inderdaad1 als het waar is1 dat alle levende wezens natuurvoortbrengselen zijn1 kan men niet weigeren te gelooven1 dat de natuur deze slechts achtereenvolgens heeft kunnen voortbrengen1 en niet alle tegelijkertijd in een ondeelbaar oogenblik4 ,als dat zoo is heeft men ook alle reden te denken1 dat zij alleen met de eenvoudigste begonnen is en pas in de laatste plaats de meest samengestelde organismen van dieren- of plantenrijk4 ,de botanici hebben aan de zologen het eerste voorbeeld gegeven van de werkelijke rangschikking1 die men in de algemeene indeeling moet aanwenden om de ,orde der natuur zelve voor te stellen4 ,want met de acotyledones of agamen vormen zij de eerste klasse der planten1 d4w4z4 met de eenvoudigst georganiseerde en in alle opzichten meest onvolkomen planten die in het geheel geen zaadlobben en vaten in hun weefsels hebben2 wier geslacht niet is uit te maken en die eigenlijk slechts uit celweefsels zijn samengesteld1 dat in de verschillende uitbreidingen eenigszins gewijzigd is4 ,wat de plantkundigen gedaan hebben voor de gewassen1 dat moeten wij doen voor de dieren2 niet alleen1 omdat de natuur zelf het zoo aanwijst1 en de rede het wil1 maar ook1 omdat de natuurlijke volgorde der klassen volgens toenemend-samengestelde bewerktuiging bij de dieren vrij wat gemakkelijker is uit te maken dan bij de planten4 ,terwijl deze orde beter de natuurlijke zal weergeven1 zal zij de studie der voorwerpen veel gemakkelijker maken1 de dierlijke organismen en hun voortschrijdende samenstelling van klasse tot klasse beter doen kennen en nog beter de betrekkingen laten zien tusschen de verschillende graden van dierlijke organisatie en de uitwendige kenmerken1 die wij meest gebruiken om de klassen1 orden1 families1 geslachten en soorten te karakteriseeren4 ,ik voeg aan deze beide beschouwingen1 die niet ernstig bestreden kunnen worden nog toe1 dat als de natuur die de organismen niet eeuwigdurend heeft kunnen maken1 hun niet het vermogen tot de voortplanting #bg gegeven had1 zij dan alle soorten direct had moeten voortbrengen1 waarbij zij het echter maar tot een enkel dier en plant1--n4l4 de allereenvoudigste van beide--zou gebracht hebben4 ,bovendien1 indien de natuur aan de handelingen van het organisme niet het vermogen gegeven had1 om zichzelf hoe langer hoe samengestelder te maken1 door de kracht der vloeistof-beweging--en daardoor van de organen zelf--te doen toenemen en indien ze de verkregen verbeteringen en vooruitgang in bewerktuiging niet door de voortplanting vastgehouden had1 dan zou ze zeker nooit die oneindig groote verscheidenheid van dieren en planten voortgebracht hebben4 ,zij heeft ten slotte niet maar dadelijk bij het eerste begin de functies van de allerhoogste dieren kunnen scheppen2 want deze hebben slechts plaats met behulp van een zeer ingewikkeld stelsel van organen1 en het bestaan hiervan heeft zij langzamerhand moeten voorbereiden4 ,om dus tot den tegenwoordigen stand van zaken in de levende natuur te geraken1 heeft de ,natuur slechts spontaan1--d4w4z4 zonder hulp van eenig organisch proces--de allereenvoudigste organismen behoeven voort te brengen2 en zij brengt ze ook nog thans voort1 ter gelegener plaats en tijd4 ,door nu aan de zelf-geschapen wezens de vermogens te geven1 zich te voeden1 te groeien1 zich voort te planten en telkens den verkregen vooruitgang in hun organisatie vast te leggen1 en vervolgens die eigenschappen op alle voortgebrachte nakomelingen over te dragen1 zijn mettertijd door de enorme verscheidenheid van de altijd wisselende omstandigheden1 al die klassen en orden van de levende wereld achtereenvolgens in aanzijn geroepen4 ,met de trapsgewijze opklimming1 die stellig bestaat in de toenemende samengesteldheid van de organisatie der dieren en zoowel in het aantal als in de volmaking hunner functies1 verkondigt men verre van een nieuwe waarheid1 want reeds de ,grieken merkten haar op #bh1 maar zij konden er de beginselen en bewijzen nog niet van geven1 omdat het hun aan de daartoe noodige kennis ontbrak4 ,tot recht begrip van de beginselen1 die mij geleid hebben bij het overzicht der dieren1 dat ik zoo dadelijk zal geven en om beter die bewuste opklimming te doen gevoelen heb ik de organisatie-systemen over het geheele dierenrijk in zes graden verdeeld1 die duidelijk van elkaar zijn onderscheiden4 ,van deze zes omvatten de eerste vier de ongewervelde dieren en daarmee de eerste tien klassen volgens onze nieuwe indeeling4 ,de laatste twee daarentegen bevatten de vertebraten1 dus de laatste vier 7of vijf7 dierklassen4 ,met behulp van dit middel zal men gemakkelijk den door de natuur gevolgden loop bij de voortbrenging van hare dieren kunnen volgen en langs de geheele reeks de verworven verbeteringen in bewerktuiging onderscheiden en overal zoowel de nauwkeurigheid der indeeling als het gepaste der toegekende rangen controleeren door onderzoek van de betreffende kenmerken1 enz4 ,zoo geef ik al meerdere jaren college over de evertebraten1 waarbij ik altijd van het min- tot het mr-samengestelde schrijd4 ,teneinde de gesteldheid in allen deele van de algemeene reeks der dieren in haar verband des geheels beter weer te geven willen wij eerst een tabel opstellen van de veertien klassen van het dierenrijk1 waarbij wij ons bepalen tot een zeer eenvoudige schets van hun eigenschappen en de trappen van bewerktuiging waarop zij staan4 ,tabel ,i ,van de trapswijze indeeling en classificatie der dieren zoo nauw mogelijk volgens hunne ,natuurlijke ,orde ,,ongewervelde ,,dieren ------ ,,table ,klassen ,i ,,infusoria4 7,,afgietseldiertjes74 ,vormlooze dieren1 zich voortplantende door deeling of knopvorming2 het lichaam geleiachtig1 doorzichtig en homogeen1 samentrekbaar en microscopisch klein2 geenerlei straalsgewijze tentakels of rondwielende aanhangsels2 geen enkel bijzonder orgaan1 zelfs niet voor de spijsvertering4 ,ien ,,graad3 ,geen zenuwen2 geen vaten2 geen andere inwendige organen dan die voor de spijsvertering4 ,,ii ,,polypi4 7,,poliepen74 ,voortplanting door knopvorming2 lichaam tot zelfherstelling geschikt en zonder andere inwendige organen dan een spijsverteringskanaal met n enkele opening4 ,mond eindstandig1 straalsgewijze omgeven van tentakels of voorzien van gewimperde1 rondwielende aanhangselen4 ,de meeste vormen samengestelde kolonien4 ,,iii ,,radiata4 7,,straaldieren74 ,vrijlevend en oneigenlijke eieren leggend2 het lichaam tot zelfherstelling in staat4 ,geen kop1 oogen of gelede pooten1 de deelen straalsgewijze gerangschikt4 ,mond onderstandig4 ,i,ien ,,graad3 ,geen overlangsche ganglieketen2 geen vaten voor den bloedsomloop2 eenige inwendige organen buiten die voor de spijsvertering4 ,,iv ,,vermes4 7,,wormen74 ,oneigenlijke eieren leggend2 lichaam als zoodanig tot de voortbrenging geschikt1 zonder gedaanteverwisselingen en nooit met oogen of gelede pooten2 geen straalsgewijze rangschikking der inwendige deelen4 ,v ,,insecta 7,,gekorven ,,dieren74 ,eierleggend1 een gedaanteverwisseling ondergaande en in volkomen toestand met oogen in den kop1 zes gelede pooten en zich allerwege vertakkende luchtbuizen2 een enkele bevruchting in den loop van het leven4 ,i,i,ien ,,graad3 ,zenuwen eindigende in een overlangsche ganglieketen2 ademhaling door luchthoudende tracheen2 geen of onvolkomen bloedsomloop4 ,,vi ,,arachnida7,,spinachtigen74 ,eierleggend1 altijd met gelede pooten en oogen in den kop1 en geen gedaanteverwisseling ondergaande4 ,beperkte tracheen voor de ademhaling2 een begin van bloedsomloop2 verscheidene bevruchtingen in den loop van het leven4 ,,vii ,,crustacea7,,schaaldieren7 ,eierleggend1 met geleed lichaam en pooten1 verschaalde huid1 oogen in den kop en meestal vier sprieten2 ademhaling door kieuwen2 een overlangsche ganglieketen4 ,i,ven ,,graad3 ,zenuwen eindigende in hersenen of een ganglieketen2 ademhaling met kieuwen2 aders en slagaders voor den bloedsomloop4 ,,viii ,,annelida 7,,ringwormen74 ,eierleggend met verlengd en geringd lichaam2 geen gelede pooten2 oogen bij uitzondering2 ademhaling door kieuwen2 een ganglieketen4 ,,ix ,,cirrhipedia 7,,rankpootigen74 ,eierleggend met een mantel en gelede armen waarvan de huid hoornachtig is2 geen oogen2 ademhaling met kieuwen2 een ganglieketen4 ,i,ven ,,graad3 ,zenuwen eindigende in hersenen of een ganglieketen2 ademhaling met kieuwen2 aders en slagaders voor den bloedsomloop4 ,x ,,mollusca 7,,weekdieren74 ------ ,eierleggend met week1 ongeleed lichaam en een mantel van verschillenden vorm2 ademhaling door kieuwen1 die in ligging en vorm zich onderscheiden2 noch ruggemerg1 noch ganglieketen maar de zenuwen eindigen in hersenen4 ,,gewervelde ,,dieren ------ ,,table ,klassen ,,xi ,,pisces 7,,visschen74 ,eierleggend zonder melkklieren2 ademhaling volkomen en altijd door kieuwen2 een begin van 7#b of #d7 ledematen2 voortbeweging door vinnen2 huid zonder veeren of haar4 ,ven ,,graad3 ,zenuwen eindigend in hersenen1 die de schedelholte niet vullen2 hart met een boezem en koud bloed4 ,,xii ,,reptilia 7,,kruipende ,,dieren74 ,eierleggend zonder melkklieren2 ademhaling onvolkomen1 meest door longen1 hetzij ten allen tijde1 hetzij alleen in volwassen staat2 ledematen vier of twee of geen2 geen haren noch veeren op de huid4 ,,xiii ,,aves 7,,vogels74 ,eierleggend en zonder melkklieren2 vier gelede pooten waarvan twee tot vleugels omgevormd2 volkomen ademhaling door vastgehechte1 doorboorde longen2 veeren op de huid4 ,v,ien ,,graad3 ,zenuwen eindigend in hersenen die de schedelholte geheel vullen2 hart met twee boezems en warm bloed4 ,,xiv ,,mammalia 7,,zoogdieren74 ------ ,levendbarend met melkklieren2 vier gelede pooten1 soms echter twee2 volkomen ademhaling met ondoorboorde longen4 ,lichaam althans gedeeltelijk behaard4 ,de gesteldheid van deze klassen is van dien aard1 dat men altijd gedwongen zal zijn1 zich er mee te vereenigen771 zelfs al zou men hun onderlinge scheidslijnen verwerpen2 en wel1 omdat zij gegrond is op organisatie van de betreffende levende wezens4 ,en een beschouwing daarvan legt de betrekkingen bloot tusschen de samenstellende elementen van elke afdeeling en den rang van elk harer in de geheele reeks4 ,men zal nooit deugdelijke motieven kunnen aanvoeren1 om deze indeeling in haar geheel te veranderen1 wegens de zoo juist opgenoemde redenen4 ,maar men zal de onderdeelen kunnen wijzigen1 vooral de onderafdeelingen van de klassen1 wijl de betrekkingen tusschen de daaraan ondergeschikte dieren moeilijker te bepalen zijn en aan grooter willekeur onderworpen4 ,om nu beter te doen gevoelen1 hoezeer onze indeeling der dieren overeenkomt met de natuurlijke ,orde zelve1 ga ik een uiteenzetting geven van de algemeene reeks der bekende dieren en hare voornaamste afdeelingen1 daarbij voortschrijdende van het eenvoudigere tot het samengesteldere1 volgens ons boven genoemde richtsnoer4 ,mijn oogmerk zal daarbij zijn den lezer in staat te stellen om den rang te leeren kennen1 dien de in dit werk meermalen genoemde dieren in de reeks innemen1 en hem de moeite te besparen zich daarvoor tot andere dierkundige werken te wenden4 ,intusschen zal ik hier slechts een eenvoudige lijst geven van de geslachten en alleen de voornaamste afdeelingen2 maar deze zal voldoende zijn om de uitgebreidheid van de algemeene reeks te laten zien1 het natuurlijke van hare rangschikking en het dwingende van de plaatsing der klassen1 orden en wellicht ook van de families en genera4 ,men voelt wel1 dat de bijzonderheden van alle genoemde voorwerpen in onze goede werken over zologie moten bestudeerd worden1 aangezien de behandeling daarvan in dit boek niet op mijn weg lag4 ,,tabel ,,ii1 ,,algemeene ,,indeeling ,,der ,,dieren ,,in ,,een ,,reeks ,,volgens ,,de ,,natuurlijke ,,orde ,,zelve ,,ongewervelde ,,dieren 7,,evertebrata7 ,zij hebben geen wervelkolom en bijgevolg ook geen skelet2 voor zoover er steunende elementen voor de beweging der deelen zijn1 liggen deze onder de huid4 ,een ruggemerg ontbreekt1 en de bewerktuiging laat een groote verscheidenheid van vormen zien4 ,,organisatie ,,van ,,den ,ien ,,graad 7,infusoren en ,polypen7 ,zie tabel ,i 7boven7 #bi ,,klasse ,i ,,infusoria4 ,zie tabel ,i ,opmerkingen4 ,van alle bekende dieren zijn de afgietseldiertjes het meest onvolkomen en eenvoudigst georganiseerd en het armst aan vermogens2 voelen doen zij zeer zeker niet4 ,oneindig klein1 geleiachtig1 doorzichtig1 samentrekbaar1 bijna homogeen en niet in staat tot het voeren van eenig bijzonder orgaan door de al te zwakke gesteldheid van hun deelen staan de infusoren inderdaad niet meer dan in den voorhof van het dier-zijn4 ,deze teere diertjes zijn de eenige1 die zich voeden zonder eigenlijke spijsvertering771 maar door de absorptie der huidporin en inwendige opzuiging4 ,in dat opzicht gelijken zij op de planten1 wier organische bewegingen voorts ook slechts geschieden door prikkeling van buiten af4 ,de infusoren echter zijn prikkelbaar1 contractiel en volvoeren plotselinge bewegingen die telkens herhaald kunnen worden1 hetgeen hen van de gewassen onderscheidt4 ,,overzicht ,,der ,,infusori,n ,,orde ,i1 ,,infusoria ,,nuda ,zonder uitwendige aanhangselen4 ,monas 7,amoebe74 ,volvox 7,boldiertje74 ,proteus4 ,vibrio4 ,bursaria4 ,colpoda4 ,,orde ,,ii4 ,,infusoria ,,appendiculata ,met uitspringende deelen als haren1 hoornachtige uitsteeksels of een staart4 ,cercaria4 ,trichocerca4 7,een zuigwormlarve74 ,trichoda4 ,opmerking4 ,de monade1 vooral ,monas termo is het onvolkomenste en eenvoudigste van alle bekende dieren1 vermits het uiterst kleine lijfje slechts bestaat uit een geleiachtig1 doorzichtig maar samentrekbaar punt4 ,met dit wezentje moet dus de volgens de natuurlijke ,orde gerangschikte reeks der dieren beginnen4 ,,klasse ,,ii4 ,,polypi ,zie ,tabel ,i4 ,opmerkingen4 ,bij de infusoren hebben wij uiterst kleine dierkens gezien1 wier teere lichaamsbouw alle stevigheid of bijzonderen vorm mist en bijgevolg ook een duidelijken mond en spijsverteringskanaal4 ,de polypen echter1 ofschoon nog zeer eenvoudig georganiseerd1 zijn toch niet zoo onvolkomen meer als de infusoria4 ,de bewerktuiging heeft kennelijke vorderingen gemaakt2 want reeds heeft de natuur voor de betreffende dieren een standvastig-regelmatigen vorm verkregen2 reeds zijn alle voorzien van een speciaal spijsverteringsorgaan en derhalve van een mond1 den ingang van den spijsverteringszak4 ,om een idee te krijgen van een polyp stelle men zich voor3 een klein1 langwerpig lichaam1 geleiachtig en zeer prikkelbaar met aan het boveneinde een mond1 voorzien van raderorganen of wel van uitstralende tentakels1 en welke toegang geeft aan een spijsverteringskanaal zonder verdere uitgangen4 ,als men hieraan toevoegt de onderlinge verkleving van verscheidene dezer lichaampjes1 die aan een gemeenschappelijk leven deel hebben zal men het meest kenschetsende en opmerkelijke omtrent hen weten4 ,de polypen zijn1 als hebbende geen gevoelszenuwen noch aparte ademhalingsorganen noch bloedvaten1 lager bewerktuigd dan de volgende dierklassen4 ,,overzicht ,,van ,,de ,,polypen ,,orde ,i4 ,,raderpolypen 7,,rotiferi7 ,mond met trilhaar- en rader-organen4 ,urceolaria4 ,brachionus8 ,vorticella4 7klokdiertje1 een infusorium74 ,,orde ,,ii4 ,,polypen ,,met ,,polypenstok ,hebben rondom den mond straalsgewijze voelarmen en zijn bevestigd op een polypenstok1 die niet in het water zweeft4 #a4 ,stok vliezig of hoornachtig1 zonder duidelijke schors #cj4 ,cristatella 7,mosdiertje74 ,plumatella 7,mosdiertje74 ,tubularia 7,pyppoliep74 ,sertularia 7,zeemos74 ,cellularia 7,mosdiertje74 ,flustra 7,hoornwier74 ,cellepora4 ,botryllus 7,geleikorst #ca74 #b4 ,stok met een hoornachtige as1 door schors bedekt4 ,acetabulum4 #cb ,corallina4 ,spongia 7,spons74 ,alcyonium 7,doomansduim74 ,antipathes 7,zwart koraal74 ,gorgonia 7,hoornkoraal74 #c4 ,stok met geheel of gedeeltelijk versteende as en bedekt door een schorsachtige korst4 ,isis 7,wit koraal74 ,corallium 7,edel koraal74 #d4 ,stok geheel versteend en zonder schors4 ,tubipora 7,orgelkoraal74 ,lunulites4 ,ovulites4 ,siderolites4 ,orbulites4 ,alveolites4 ,ocellaria4 ,madrepora4 7,sponskoraal74 ,caryophyllia 7,bekerkoraal74 ,turbinolia 7,solitair koraal74 ,fungia 7,zwamkoraal74 ,pavonia4 ,eschara 7,mosdiertje74 ,retepora 7,netkoraal7 #cc4 ,millepora 7,hydrokoraal74 ,argaricia4 ,maeandrina 7,hersenkoraal74 ,astraea4 7,sterkoraal74 ,cyclolites4 ,dactylopora4 ,virgularia4 7,lichtend diepwaterkoraal74 ,,orde ,,iii4 ,,drijvende ,,polypen ,stok vrij1 verlengd en in het water drijvend met hoorn- of beenachtige as1 bedekt met een voor alle polypen gemeenschappelijk week gedeelte2 tentakels straalsgewijze om den mond4 ,funiculina4 ,veretillum4 ,pennatula 7,zeeveder74 ,encrinus4 7,zeelelieachtige ,zeeveders7 ,umbellula7ria74 ,,orde ,,iv4 ,,naakte ,,polypen ,de vaak veelvoudige voelarmen stralen van den mond uit4 ,stok ontbreekt4 ,pedicellaria4 ,coryne4 ,hydra 7,zoetwaterpoliep74 ,zoanthus4 7,zeeanemonen7 ,actinia4 7,zeeanemonen7 ,,organisatie ,,van ,,den ,i,ien ,,graad ,zie ,tabel ,i 7,straaldieren en wormen7 ,,klasse ,,iii4 ,,radiata 7,,straaldieren7 ,vrijlevende dieren met knop-achtige eieren2 lichaam in staat tot regeneratie1 zoowel in- als uitwendig straalsgewijs gebouwd4 ,een samengesteld spijsverterend orgaan en onderstandige1 enkel- of meervoudigen mond4 ,opmerkingen4 ,dit is de derde classicale scheidingslijn1 die ik passend geoordeeld heb bij de natuurlijke indeeling der dieren te trekken4--,hier vinden wij geheel nieuwe vormen1 die inmiddels in n beginsel1 n4l4 de straalsgewijze rangschikking der deelen1 zoo in- als uitwendig1 hun verwantschap vertoonen4 ,het zijn niet langer langwerpige dieren met boven- en eindstandigen mond1 meest vastzittend op een polypenstok en in een groot aantal tezamen een gemeenschappelijk leven voerend2 maar de organisatie van deze dieren is veel samengestelder1 als zijnde enkelvoudig1 steeds vrijlevend771 eigenaardig van gestalte en gemeenlijk om zoo te zeggen in omgekeerde houding verblijvende4 ,bijna alle straaldieren vertoonen buizen voor het opzuigen van water1 die waterhoudende tracheen schijnen2 bij een groot aantal vindt men bijzondere lichamen gelijkende op eierstokken4 ,uit een mmoire1 die ik zoo juist heb hooren voorlezen in de vergadering van professoren aan het ,museum verneem ik1 dat een geleerd waarnemer1 doctor ,spix1 een ,beiersch arts1 bij zeesterren en actinin een zenuwstelsel ontdekt heeft4 ,dr4 ,spix verzekert bij de roode zeester een vlechtwerk van witte knoopen en vezels gezien te hebben onder het bindweefselvlies dat als een tent over de maag is uitgespannen4 ,voorts waren er aan de basis van elken straal twee knoopen of ganglin1 onderling door een netwerk verbonden en van waaruit andere netten naar de naburige organen verloopen1 o4a4 twee flinke lange over de geheele lengte van den straal1 die de voetjes voorzien4 ,volgens zijn waarnemingen vindt men per straal3 twee zenuwknoopen1 een uitstulping van de maag1 twee leverlobben1 twee eierstokken en tracheekanalen4 ,bij de zeeanemonen observeerde ,dr4 ,spix in den voet onder de maag eenige paren ganglin rondom een middelpunt en onderling verbonden door cylindrische netten waarvan er ook naar de hooger gelegen deelen verloopen2 buitendien vier ovarin rond de maag1 van welker basis kanalen gaan die na zich vereenigd te hebben zich op een lager gelegen punt in de voedselholte uitstorten4--,hoe verwonderlijk1 dat dermate samengestelde organen aan de aandacht der betreffende onderzoekers zijn ontsnapt6 ,indien ,dr4 ,spix zich in zijn waarnemingen niet vergist heeft door aan die organen een verkeerden aard en functie toe te kennen--wat zooveel botanici overkomen is1 die geslachtelijkheid bij welhaast alle cryptogamen gezien meenen te hebben1--dan is het resultaat3 #a;e4 ,dat men niet langer het zenuwstelsel moet beschouwen als te beginnen bij de insecten1 maar #b;e4 bij de wormen1 straaldieren en zelfs bij ,actinia1 het laatste geslacht der polypen2 #c;e4 ,dat daarom nog niet alle polypen zoo'n stelsel in beginsel behoeven te bezitten--7evenmin als bijvoorbeeld alle reptielen kieuwen hebben72 #d;e4 ,dat desalniettemin het zenuwstelsel een bijzonder orgaan is1 niet bij alle levende wezens voorkomend1 noch bij de planten1 noch bij alle dieren4 ,want1 gelijk aangetoond1 is zijn tegenwoordigheid bij de infusorin uitgesloten en voorzeker ook bij de meerderheid der polypen2 men zou het bijv4 tevergeefs zoeken bij de zoetwaterpolyp1 die intusschen toch tot de laatste orde van die klasse behoort1 welke orde het dichtst bij de radiaten staat1 als bevattende ook de actinin4 ,hoezeer gegrond dus de bovengenoemde feiten ook mogen zijn1 de in dit werk uiteengezette beschouwingen omtrent de achtereenvolgende vorming der verschillende bijzondere organen blijven onaangetast bestaan1 op welken trap van de scala der dieren zij ook een aanvang nemen4 ,en altijd geldt dit3 dat de dierlijke functies pas beginnen plaats te hebben bij het optreden van de betreffende organen4 ,,overzicht ,,der ,,radiata ,,orde ,i4 ,,weeke ,,straaldieren ,lichaam geleiachtig2 huid week en doorschijnend1 zonder gelede stekels2 anus ontbreekt4 ,stephanomia4 ,lucernaria 7,bekerkwallen74 ,physophora 7,blaaskwal74 ,physalia 7,portugeesch oorlogsschip74 ,velella 7,zeilkwal74 ,porpita 7,platte buiskwal74 ,pyrosoma 7,vuurrol #cd74 ,bero 7,ribkwal74 ,aequorea 7,hydromeduse74 ,rhizostoma 7,longkwal74 ,medusa 7,groote kwal74 ,,orde ,,ii4 ,,stekelhuidige ,,straaldieren 7,,radiata ,,echinodermata7 ,huid ondoorschijnend1 korst- of lederachtig met intrekbare voetjes of op knobbeltjes bewegelijk bevestigde stekels en 7dan7 met rijen gaatjes4 #a4 ,zeesterren4 ,huid niet prikkelbaar maar beweeglijk2 geen anus4 ,ophiura 7,slangster74 ,asterias 7,zeester74 #b4 ,zeegels4 ,huid noch prikkelbaar1 noch beweeglijk2 een anus4 ,clypeaster 7,zeeschild74 ,cassidulus4 ,spatangus 7,zeeklit74 ,ananchytes4 ,galerites4 ,nucleolites4 ,echinus 7,zeeegel74 #c4 ,zeekomkommers4 ,lichaam verlengd1 huid beweeglijk en prikkelbaar2 een anus4 ,holothuria 7,zeekomkommer74 ,sipuncules 7,spuitworm #ce74 ,opmerking4 ,sipunculus is zeer verwant met de wormen2 wegens het ontdekken van hun betrekkingen tot de holothuren zijn ze bij de straaldieren geplaatst771 wier eigenschappen ze niet meer vertoonen en aan welker einde ze derhalve moeten komen4 ,bij een goede natuurlijke indeeling vertoonen de eerste en de laatste genera der klassen de klassieke karaktertrekken het minst uitgesproken1 wijl ze zich op den grens bevinden4 ,en aangezien de scheidingslijnen kunstmatig zijn moeten zij wel die eigenschappen van hun klasse in mindere mate bezitten4 ,,klasse ,,iv4 ,,vermes 7,,wormen7 ,weeke dieren1 zich voortplantende met oneigenlijke eieren2 lang van vorm zonder kop1 oogen of pooten en zonder trilhaargroepen of bloedsomloop2 compleet spijsverteringsorgaan1 met twee openingen4 ,mond bestaande uit een of meerdere zuignappen4 ,opmerkingen4 ,de algemeene gedaante der wormen is zeer verschillend van die der straaldieren en hun zuig-mond heeft geen enkele overeenkomst met dien der polypen welke slechts bestaat uit een opening1 straalsgewijze omgeven door tentakels of raderorganen4 ,de wormen hebben in 't algemeen een zeer weinig samentrekbaar lichaam1 ofschoon zeer week en het ingewand is niet langer voorzien van slechts een enkele opening4 ,bij de holothuren heeft de natuur voor 't eerst den straalsgewijzen bouw verlaten en het lichaam een langwerpigen vorm gegeven1 de eenige1 die tot het voorgestelde doel kon leiden4 ,te beginnen met de wormen zal zij voortaan streven naar het beginsel van symmetrie tusschen gepaarde deelen1 de weg waarheen leidt over den geleden lichaamsbouw2 maar in de i4z4o4 tweevormige klasse der vermes zijn daarvan ternauwernood de grondslagen gelegd4 ,,overzicht ,,der ,,vermes ,,orde ,i4 ,,rolronde ,,wormen ,gordius 7,koordworm74 ,filaria 7,draadworm74 ,proboscides4 ,crino4 ,ascaris 7,spoelworm74 ,fissula4 ,trichocephalus 7,haarkopworm74 ,cucullanus4 ,strongylus 7,palissadenworm74 ,scolex 7,blaasworm74 ,caryophyllaeus 7,anjelierworm74 ,tentacularia4 ,echinorhynchus4 7,hakenworm74 ,,orde ,,ii4 ,,blaaswormen ,bicornis 7,ditrachycera74 ,hydatis 7,worm-blaas74 ,,orde ,,iii4 ,,platwormen ,taenia 7,lintworm74 ,linguatula 7,wormspin74 ,ligula 7,vogellintwormpje74 ,fasciola 7,leverbot74 ,,organisatie ,,van ,,den ,i,i,ien ,,graad ,zie ,tabel ,i 7,insecten en ,spinachtige dieren74 ,,klasse ,v4 ,,insecta ,eierleggende dieren1 die een gedaanteverwisseling ondergaan1 vleugels kunnen hebben en in volkomen staat zes gelede pooten1 twee sprieten1 twee facetoogen en een verhoornde huid bezitten4 ,ademhaling door luchthoudende tracheen die zich in alle deelen uitstrekken2 geen bloedsomloop2 gescheiden geslacht met een enkele bevruchting gedurende den loop van het leven 774 ,opmerkingen4 ,bij de insecten aangekomen bevinden we bij de uiterst talrijke dieren dezer klasse een staat van zaken1 totaal afwijkend van dien in de vier vorige4 ,in plaats van een kleinen vooruitgang in bewerktuiging heeft men dan ook een belangrijken sprong gemaakt4 ,bij deze dieren toch ontmoeten we bij uitwendige beschouwing voor de eerste maal een werkelijken1 duidelijken kop2 zeer merkwaardige1 ofschoon nog onvolkomen oogen2 gelede pooten op twee rijen geplaatst1 en het beginsel van symmetrie tusschen gepaarde deelen1 dat de natuur voortaan tot bij de meest volkomen dieren zal toepassen4 ,inwendig treffen we een volledig zenuwstelsel aan1 bestaande uit zenuwen1 die uitloopen in een ganglieketen4 ,maar ofschoon volledig is het nog verre van volmaakt daar het gevoelscentrum zeer verbrokkeld is en de zinnen zelve weinige in getal en zeer duister zijn4 ,ten slotte vinden wij er nog een werkelijk spierstelsel en gescheiden geslachten die echter1 evenals de planten1 slechts tot n enkele bevruchting in staat zijn774 ,weliswaar ontbreekt alsnog een bloedsomloop1 welke perfectioneering van bewerktuiging men hooger in de dierenketen moet zoeken4 ,aan alle insecten zijn in volwassen staat vleugels eigen2 diegene1 waarbij ze ontbreken1 hebben ze door constant geworden reductie verloren4 ,in het hier volgende overzicht is het aantal geslachten tot ver onder het gebruikelijke teruggebracht4 ,het belang van de studie1 de eenvoud en duidelijkheid van de methode schenen mij die besnoeing noodig te maken1 die overigens aan de wetenschap geen schade behoeft te doen4 ,alle voorhanden bijzonderheden in de eigenschappen der planten en dieren aan te grijpen om het aantal genera tot het oneindige te vermeerderen is1 wel verre van de wetenschap te dienen1 deze fnuiken en verduisteren1 en de studie zoo samengesteld en moeilijk maken1 dat zij nog slechts uitvoerbaar blijft voor diegenen1 die hun heele leven zouden willen wijden aan het leeren kennen van de geweldige nomenclatuur en de pietluttige bijzonderheden ter onderscheiding dezer dieren4 ,,overzicht ,,der ,,insecten ,,error3 unhandled comment start ,make ,,sgml validator happy -- 7,a7 ,,zuigers ,bek met zuigslurf1 met of zonder scheede4 ,,orde ,i4 ,,aptera 7,,vleugelloozen47 ,een tweekleppige drieledige snuit1 een uit twee borstels bestaande slurf insluitend4--,de vleugels gewoonlijk bij beide sexen onontwikkeld2 pootlooze larve2 onbeweeglijke pop in een cocon4 ,pulex 7,vloo7 ,,orde ,,ii4 ,,diptera 7,,tweevleugeligen7 ,slurf ongeleed1 recht of gebogen1 soms intrekbaar4 ,twee naakte vleugels1 vliezig en van aderen voorzien2 twee kolfjes2 larve een meest pootlooze made4 ,hippobosca 7,paardenluisvlieg74 -- ,oestrus 7,schapenhorzel74 -- ,stratiomys 7,doornrug74 ,syrphus 7,zweefvlieg74 ,anthrax7,rouwvlieg74 ,musca 7,huisvlieg74 -- ,stomoxys 7,steekvlieg74 ,myopa4 7 ,conops4 7 7,dikkopvlieg74 ,empis 7,dansvlieg74 ,bombylius 7,hommelvlieg74 ,asilus 7,roofvlieg74 ,tabanus 7,daas74 ,rhagio 7,leptis1 ,snipvlieg74 -- ,culex 7,steekmug74 ,tipula 7,langpootmug74 ,simulium 7,kriebelmugje74 ,bibio 7,vliegmug74 ,,orde ,,iii4 ,,hemiptera 7,,halfvleugeligen7 ,snuit scherp1 geleed1 onder de borst gebogen en als scheede dienende voor een uit #c borstels bestaande slurf4--,twee vleugels1 onder vliezige dekschilden verborgen2 larf zespootig2 beweeglijke en etende pop4 ,dorthesia 7,brandnetelluis74 ,coccus 7,schildluis74 ,psylla 7,bladvloo74 ,aphis 7,bladluis74 ,aleurodes 7,motschildluis74 ,thrips 7,blaaspoot74 -- ,cicada4 ,fulgora 7,lantaarndrager74 ,tettigonia4 -- ,scutellera 7,schildwants74 ,pentatoma 7,frambozenwants74 ,cimex 7,bedwants74 ,corteus 7,randwants74 ,reduvius 7,roofwants47 ,hydrometra 7,schaatsenrijder74 -- ,gerris4 ,nepa 7,waterschorpioen74 ,notonecta 7,rugzwemmer74 ,naucoris 7,zwemwants74 ,corisa 7,duikerwants74 ,,orde ,,iv4 ,,lepidoptera 7,,vlinders7 ,slurf uit twee stukken bestaande zonder scheede1 een buisvormige snuit gelijk en spiraalvormig opgerold in rust4--,vier vliezige vleugels1 bedekt met gekleurde en meelachtige schubben4--,larf met acht tot zestien pooten2 pop onbeweeglijk4 #a4 ,sprieten priem- of borstelvormig4 ,pterophorus 7,vedermot74 ,orneodes 7,kamperfoeliemot74 ,cerostoma 7,motten74 ,tinea4 ,alucita 7,zespennige ,vlinder74 ,adela 7,mot74 ,pyralis 7,meelmot74 -- ,noctua 7,uil74 ,phalaena4 ,bombyx 7,zijdevlinder74 ,hepialus 7o4a4 ,hopvlinder1 ,heidewortelvlinder74 #b4 ,sprieten ergens verdikt4 ,zygaena 7,st4 ,jansvlinders of ,bloedvlekjes74 ,papilio 7,koninginnepage74 ,sphinx 7,pijlstaart74 ,sesia 7,wespvlinder74 7,b7 ,,bijters ,bek met bovenkaken1 meest begeleid door onderkaken4 ,,orde ,v4 ,,hymenoptera 7,,vliesvleugeligen7 ,bovenkaken en een uit drie min of meer verlengde stukken bestaande slurf1 waarvan de basis in een korte scheede besloten is4--,vier naakte vleugels1 vliezig1 geaderd en ongelijk van vorm2 anus van de wijfjes met een stekel of legboor bewapend2 pop onbeweeglijk4 #a4 ,anus der wijfjes met een stekel gewapend4 ,apis 7,bij74 ,monomelita4 ,nomada 7,wespbij1 ,koekoeksbij74 ,eucera 7,langsprietbij74 ,andrena 7,graafbij74 ,vespa 7,wesp74 ,polistes 7,plooiwesp74 ,formica 7,mier74 ,mutilla 7,mierenwesp74 ,scolia 7,dolkwespen74 ,tiphia4 ,bembex 7,bastaardwesp74 ,crabro 7,graafwesp74 ,sphex 7o4a4 ,sprinkhanenjager74 #b4 ,anus der wijfjes voorzien van een legboor4 ,chrysis 7,goudwesp7 ,oxyurus4 -- ,leucopsis 7een dipteer74 ,chalcis 7,metaalwesp74 ,cynips 7,galwesp74 ,diplolepis 77 ,ichneumon 7,sluipwesp74 -- ,evania 7,hongerwesp74 ,foenus 7,jichtwesp74 -- ,urocerus4 ,oryssus 7,houtwesp74 ,tenthredo 7,bladwesp74 ,clavellaria 774 ,,orde ,,vi4 ,,neuroptera 7,,netvleugeligen7 ,boven- en onderkaken4--,vier naakte1 vliezige vleugelen met een netwerk van aderen2 achterlijf verlengd en zonder stekels of legboor2 larve zespootig2 metamorphose verschillend4 #a4 ,pop onbeweeglijk4 ,perla4 ,nemura4 7,perlarien7 ,phryganea 7,kokerjuffer74 ,hemerobius 7,gaasvlieg74 ,ascalaphus 7,vlinderhaft74 ,myrmeleon 7,mierenleeuw74 #b4 ,pop beweeglijk4 ,nemoptera 7,draadhalft74 ,panorpa 7,schorpioenvlieg74 ,psocus 7,houtvlieg74 ,termes 7,termiet74 -- ,corydalis 7een ,grootvleugel74 ,chauliodes4 ,raphidia 7,kameelhalsvlieg74 ,ephemera 7,haft74 -- ,agrion 7,waterjuffer74 ,aeschna 7,glazenmaker74 ,libellula 7,libel74 ,,orde ,,vii4 ,,orthoptera 7,,rechtvleugeligen7 ,bovenkaken en door een helm bedekte onderkaken4 ,twee rechte vleugels1 overlangs opgevouwen en bedekt door bijna vliezige elytren4--,larf als het volwassen insect1 maar zonder vleugels of dekschilden2 beweeglijke pop4 ,locusta 7,sabelsprinkhaan74 ,acheta 7,huiskrekel74 ,acridium 7,treksprinkhaan74 ,truxalis4 -- ,mantis 7,bidsprinkhaan74 ,phasma4 ,spectrum 7,wandelende ,tak74 -- ,gryllus 7,krekel74 ,blatta 7,kakkerlak74 ,forficula 7,oorworm74 ,,orde ,,viii4 ,,coleoptera 7,,kevers7 ,boven- en onderkaken4--,twee vliezige vleugels1 in rust overdwars gevouwen en onder twee kortere harde of leerachtige schilden4--,larf zespootig1 blind en met beschubden kop2 pop onbeweeglijk4 #a4 ,twee of drie leden aan alle tarsen4 ,pselaphus4 -- ,coccinella 7,lieveheersbeestje74 ,eumorphus4 #b4 ,vier leden aan alle tarsen4 ,erotylus 7,zwamkever74 ,cassida 7,schildpadtor74 ,chrysomela 7,goudhaantje74 ,necydalis 7,wespenbok74 ,callidium 7,prachtbok74 ,cerambyx 7,heldenbok74 ,galeruca 7,helmkever74 ,crioceris 7,haantje74 ,clytra 7,zakkever74 ,cryptocephalus4 -- ,leptura 7,smallebloemenbok74 ,stenocorus4 ,saperda 7,populierenboktor74 -- ,prionus 7,breede bok74 ,spondylis 7,woudbok74 -- ,bostrychus 7,boorkever74 ,mycetophagus 7,zwameter74 ,trogosita 7,meeltor74 ,cucujus 7,schorskever74 ,bruchus 7,erwtenkever74 ,attelabus 7,eikenbladroller74 ,brenthus 7,langkever74 ,curculio 7,snuittor74 ,brachycerus4 #c4 ,vijf leden aan de tarsen van de twee voorste pootparen1 vier aan die van het achterste paar4 ,opatrum 7,dofzwarte zandtor74 ,tenebrio 7,meelworm74 ,blaps 7,rouwkever74 ,pimelia 7,vetkever74 ,sepidium4 ,scaurus4 ,erodius4 ,chiroscelis4 -- ,helops4 ,diaperis4 -- ,cistela4 ,mordella 7,wigkever74 ,rhipiphorus 7,waaierkever74 ,pyrochroa 7,vuurkever74 ,cossyphus4 ,notoxus 7,spitsrugkever74 ,lagria 7,haartor74 ,cercoma4 ,apalus4 ,horia4 ,mylabris 7,blaaskever74 ,cantharis 7,weekschildkever74 ,melo 7,oliekever74 #d4 ,aan alle tarsen vijf leedjes4 ,lymexylon 7,werfkever74 ,telephorus 7,cantharis74 ,malachius 7,koperen tor74 ,melyris4 ,lampyris 7,glimworm74 ,lycus4 ,omalysus4 ,drilus 7,slakkentor74 -- ,melasis4 ,buprestis 7,prachtkever74 ,elater 7,kniptor74 -- -- ,hydrophilus 7,pikzwarte watertor74 ,gyrinus 7,draaikever74 ,dryops4 ,clerus 7,bonte kever74 -- ,necrophorus 7,doodgraver7 ,silpha 7,aaskever74 ,nitidula 7,glanskever74 ,ips 7,graveertor2 ,bastkevers74 ,dermestes 7,spektor74 ,ptilinus4 ,anobium 7,klappertje74 ,ptinus 7,diefje74 -- ,staphylinus 7,kortschildkever74 ,oxyporus4 ,paederus 7,kortvleugeltor74 -- ,cicindela 7,zandkever74 ,elaphrus 7,ooverlooper74 ,scarites 7,vingertor74 ,mantichora 7,zandkever74 ,carabus 7,loopkever74 ,dytiscus 7,watertor74 ,anthrenus 7,museum tor74 ,byrrhus 7,pillenkever74 ,hister 7,krengtor74 ,sphaeridium 7,koemestkever74 -- ,trox4 ,cetonia 7,gouden tor74 ,goliathus 7,goliathkever74 ,melolontha 7,meikever74 ,lethrus 7,wingerdsnijder74 ,geotrupes 7,mestkever74 ,copris 7,spaansche kever74 ,scarabaeus 7,heilige tor74 ,passalus 7,suikerkever74 ,lucanus 7,vliegend hert74 ,,klasse ,,vi4 ,,arachnida 7,,spinachtigen7 ,zie ,tabel ,i ,opmerkingen4 ,de spinachtige dieren1 die in onze rangschikking na de insecten komen1 hebben een kennelijken vooruitgang in bewerktuiging te boeken4 ,zoo vertoont zich feitelijk de geslachtelijke voortplanting voor 't eerst in zijn typischen vorm1 daar deze dieren zich meerdere malen in den loop van hun leven paren en voortplanten 7de insecten slechts n keer1 evenals de planten74 ,voorts vinden we hier ook het eerste optreden van een bloedsomloop1 want volgens de waarnemingen van ,cuvier treft men bij hen een hart aan1 waarvanuit twee of drie paar bloedvaten loopen4 ,de arachnida leven in de lucht1 evenals de volwassen insecten1 maar ze ondergaan volstrekt geen gedaanteverwisseling1 hebben nooit vleugels of dekschilden 7zonder dat dit het gevolg is van reductie7 en leven gewoonlijk verborgen1 althans eenzaam1 terwijl ze zich voeden met hun prooi1 daaruit tenminste bloed zuigen4 ,bij de arachniden gaat de ademhaling nog op dezelfde wijze als bij de insecten1 maar dit is op het punt van te veranderen2 want de tracheen zijn hier zeer beperkt1 om zoo te zeggen verworden en strekken zich niet in alle deelen van het lichaam uit4 ,ze zijn gelimiteerd tot een klein aantal blaasjes1 volgens de mededeelingen van ,cuvier 7,anatom4 vol4 ,,iv1 p4 #dai74 ,bij geen enkel dier van de hierna volgende klassen vinden we dit ademstelsel terug4 ,,overzicht ,,der ,,spinachtige ,,dieren ,,orde ,i4 ,,arachnida ,,palpata ,geen sprieten maar slechts palpen2 kop met borststuk versmolten2 acht pooten4 ,mygale 7,vogelspin74 ,aranea 7,kruisspin74 ,phrynus 7,zweefschorpioen74 ,thelyphonus 7,draadschorpioen74 ,scorpio 7,schorpioen74 -- ,chelifer 7,boekenschorpioen74 ,galeodes 7,rolspin74 ,phalangium 7,hooiwagen74 ,trogulus4 ,elays4 ,trombidion 7,loopmijt74 -- ,hydrachna 7,watermijt74 ,bdella 7,snavelmijt74 ,acarus 7,mijt74 ,nymphon 7,zeespin74 ,pycnogonum 7,zeespin74 ,,orde ,,ii4 ,,arachnida ,,antennata ,twee sprieten2 kop en borststuk afzonderlijk4 ,pediculus 7,luis74 ,ricinus 7,hondenteek74 ,forbicina4 ,podura 7,springstaart74 -- ,scolopendra 7,duizendpoot7 ,scutigera 7,schilddrager74 ,julus 7,milioenpoot74 ,,organisatie ,,van ,,den ,i,ven ,,graad ,zie ,tabel ,i 7,crustacea1 ,annelida1 ,cirripedia en ,mollusca74 ,eierleggende dieren met geleed lichaam en ledematen1 verharde huid1 verscheidene paren kaken en op den kop oogen en sprieten4 ,ademhaling met kieuwen2 een hart en bloedvaten4 ,opmerkingen4 ,bij de formeering der schaaldieren heeft de natuur blijkbaar weer een aanzienlijken vooruitgang gemaakt4--,vooreerst verschilt het ademhalingssysteem ten eene male van dat der spinachtige en gekorven dieren2 het betreffende stelsel namelijk 7de kieuwen7 wordt tot bij de visschen toegepast4 ,tracheen zullen we niet meer aantreffen en de kieuwen zelf verdwijnen pas met het optreden van cellongen4 ,voorts is de bloedsomloop1--bij de arachniden nog pas in staat van wording1--hier tot volle ontwikkeling gekomen1 want bij de crustacea vindt men een hart en slagaderen1 die het bloed naar de verschillende deelen van het lichaam stuwen alsmede aders voor de terugleiding naar het centrum der circulatie4 ,de geleding geschiedt nog op dezelfde manier als bij insecten en spinnen1 waar door verharding van de huid de spier-werking vergemakkelijkt is2 maar voortaan zal de natuur dit stelsel verlaten ten gunste van een ander4 ,de meeste schaaldieren leven in het water1 't zij zout1 brak of zoet2 slechts sommige houden zich op 't land op en ademen met hun kieuwen lucht in2 ze voeden zich zonder uitzondering met dierlijk voedsel 774 ,,overzicht ,,der ,,schaaldieren ,,orde ,i4 ,,crustacea ,,met ,,zittende ,,oogen ,de oogen zittend en onbeweeglijk4 ,oniscus 7,pissebed74 ,ligia 7,zeepissebed74 ,asellus 7,waterspin74 ,cyamus 7,walvischluis74 ,gammarus 7,vlookreeft74 ,caprella7,spookkreeftje74 -- ,cyclops 7,eenoog74 ,zoea 7,larvevorm74 ,cephaloculus4 ,anymone4 ,daphnia 7,watervloo74 ,lynceus4 ,osole4 ,limulus 7,degenkrab74 ,caligus 7,vischluis74 ,polyphemus 7,roof-watervloo74 ,,orde ,,ii4 ,,crustacea ,,met ,,gesteelde ,,oogen ,twee duidelijke oogen op beweeglijke stelen4 #a4 ,staart verlengd1 met zwemblaadjes1 haken of haren voorzien4 ,branchipus 7,kieuwpoot74 ,squilla 7,bidkreeft74 ,palaemon 7,garnaal74 ,crangon 7,garnaal74 ,palinurus7,langoest74 ,scyllarus 7,beerkreeft74 ,galathea 7,bastaardkreeft74 ,pagurus 7,heremietkreeft74 -- ,ranina 7,kikkerkrab74 ,albunea 7,zandkreeft74 ,hippa 7,bras4 ,graafkreeft74 ,corystes 7,helmkrab74 ,porcellana 7,porcelein krabbetje74 #b4 ,staart kort1 naakt en tegen de onderzijde van het achterlijf gedrukt4 ,pinnotheres4 7,erwtenkrabbetje74 ,leucosia 7,bolkrab74 ,arctopsis4 ,maia 7,spinkrab74 ,matuta4 ,orithyia4 ,podophthalmus4 ,dorippe 7,camoufleerkrab74 ,plagusia4 ,grapsus 7,rotskrab71 ,ocypode 7,zandkrab74 ,calappa 7,schaamkrab74 ,hepatus 7,chilikrab74 ,dromia 7,wolkrab74 ,cancer 7,noordzeekrab74 ,,klasse ,,viii4 ,,annelida 7,,ringwormen7 ,eierleggende dieren met verlengd1 week lichaam1 overdwars geringd1 zelden met oogen of duidelijken kop en zonder gelede pooten4 ,aderen en slagaderen voor den bloedsomloop2 ademhaling door kieuwen2 een ganglieketen4 ,opmerkingen4 ,bij de ringwormen ziet men een poging der natuur tot het verlaten van den geleden lichaamsbouw der insecten1 crustaceen en spinachtigen4 ,het lange1 weeke lichaam1 meestal eenvoudig in ringen verdeeld1 geeft hun schijnbaar het onvolkomen voorkomen der wormen1 waarmede zij verward zijn4 ,maar het bezit van arterin en venen en de ademhaling door kieuwen doet deze dieren den overgang vormen van de schaal- tot de week-dieren4 ,zij missen gelede pooten #cf1 en de meerderheid voert in plaats daarvan 7bundels van7 haren4 ,bijna alle zijn zuigers en voeden zich slechts met vloeibare stoffen4 ,,overzicht ,,der ,,ringwormen ,,orde ,i4 ,,cryptobranchiata 7,,bedektkieuwige ,,anneliden7 ,planaria 7,platworm74 ,sanguisuga 7,bloedzuiger74 ,lernaea 7,haantje74 #cg ,clavella4#b -- ,furia4 ,nais 7,zoetwaterborstelwormpje74 ,lumbricus 7,regen worm74 ,thalassema 7,echiuride74 ,,orde ,,ii4 ,,gymnobranchiata 7,,naaktkieuwige ,,anneliden7 ,arenicola 7,zeepier74 ,amphinome4-- ,aprodite 7,zeemuis74 ,nereis 7,zeeduizendpoot74 -- ,terebella 7,schelpkokerworm74 ,amphitrite 7,schelpkokerworm74 ,sabellaria 7,zandkokerworm74 -- ,serpula 7,kalkkokerworm74 ,spirorbis 7,spiraalkokerwormpje74 ,siliquaria4 #ch ,dentallium4 ,,klasse ,,ix4 ,,cirripedia 7,,rankpootigen7 ,eierleggende dieren met een schaal1 zonder kop of oogen2 een mantel bekleedt van binnen de schaal2 gelede armen met hoornachtige huid2 mond met twee paar kaken4 ,ademhaling met kieuwen2 een ganglieketen1 bloedvaten aanwezig4 ,opmerkingen4 ,ofschoon men van deze groep nog slechts een gering aantal geslachten kent zijn de eigenschappen dezer dieren z singulier1 dat zij de opstelling van een afzonderlijke klasse eischen4 ,de cirripedin kunnen1 als hebbende een schaal en mantel1 en kop met oogen missende1 geen crustaceen zijn2 hun rank-armen verzetten zich tegen een groepeering onder de anneliden en de ganglieketen tegen die bij de mollusken4 ,,overzicht ,,der ,,rankpootigen ,tubicinella4 op walvisschen ,coronula4 groeiende r4p4 ,balanus 7,zeepok74 ,lepas 7,eendemossel74 ,opmerking4 ,men ziet1 dat de rankpootigen nog met de ringwormen overeenkomen door de ganglieketen4 ,maar ze zijn al een voorbereiding tot de mollusken1 hetgeen blijkt uit den mantel1 waarmee de binnenzijde der schaal bekleed is4 ,,klasse ,x4 ,,mollusca 7,,weekdieren7 ,zie ,tabel ,i ,de meeste zijn gehuld in een schelp2 bij sommige is deze meer of minder in het lichaam besloten en bij nog andere ontbreekt ze geheel4 ,opmerkingen4 ,de weekdieren zijn het best georganiseerd van alle evertebraten1 d4w4z4 het meest samengesteld en den visschen het naast bestaande4--,ze vormen een rijkvertakte klasse als afsluiting der ongewervelde dieren1 bij uitstek van de overige onderscheiden doordat het zenuwstelsel noch uit een ruggemerg noch uit een ganglieketen bestaat4 ,de natuur schijnt1 op den drempel van de bewerktuiging der vertebraten1 de noodige toebereidselen daartoe te treffen4 ,de mollusken1 die met een geleed huidskelet voorgoed gebroken hebben1 zijn dan ook zeer langzaam in hun bewegingen en schijnen in zooverre zelfs lager georganiseerd dan de insecten4 ,en voorts laten zij vooral in hun zenuwstelsel een overgangstoestand zien tusschen de ongewervelde en de gewervelde dieren en zijn in dat opzicht goed gekarakteriseerd tegenover de andere evertebraten4 ,,overzicht ,,van ,,de ,,weekdieren ,,orde ,i4 ,,koplooze ,,weekdieren 7,,mollusca ,,acephalota7 ,geen kop1 oogen of kauwwerktuigen2 voortplanting zonder paring4 ,de meeste hebben een tweekleppige1 scharnierende schelp4 ,,brachiopoda ,lingula4 ,armpootige ,terebratula4 ,weekdieren ,orbicula4 ,,ostraceae ,radiolites4 ,calceola4 ,crania 7,brachiopode74 ,anomia 7,zadelmossel74 ,placuna 7,zadelschelp74 ,vulsella 7,tangmossel74 ,ostrea 7,oester74 ,gryphaea4 ,plicatula4 ,spondylus 7,klepoester74 ,pecten 7,kam- of ,jacobsschelp74 ,,byssiferae ,pedum4 ,lima 7,vijlmossel74 ,pinna 7,steekmossel74 ,mytilus 7,mossel74 ,modiola 7,baardmossel74 ,crenatula4 ,perna4 ,malleus 7,hamermossel74 ,avicula 7,vogelmossel74 -- ,,chamaceae theria 7,afr4 zoetwateroesters74 ,chama 7,gaapmossel74 ,diceras4 ,corbula 7,korfje74 ,pandora4 -- ,,najades ,unio 7,schildersmossel74 ,anodonta 7,vijvermossel74 ,,arcaceae ,nucula 7,nootschelp74 ,pectunculus4 ,arca 7,arkmossel74 ,cuculaea4 ,trigonia 7,driehoekschelp74 -- ,,cardiaceae ,tridacna 7,reuzenschelp74 ,hippopus 7,paardevoet74 ,cardium 7,kokkel74 ,isocardia 7,hartkromp74 ,cardita4 ,,conchiae ,venericardia4 ,venus 7,venusschelp74 ,cytherea4 ,donax 7,zaagje74 ,tellina 7,platschelp74 ,lucina4 ,cyclas 7,hoornschaal74 ,galathaea4 ,capsa4 ,,mactraceae ,erycina4 ,ungulina4 ,crassatella 7,dikschelp74 ,lutraria 7,slijkschelp74 ,mactra 7,strandschelp74 -- ,,myidae ,mya 7,gaper74 ,panopea4 ,anatina 7,eendenschelp74 ,,solenaceae ,glycymeris4 ,solen 7,messcheede74 ,sanguinolaria4 ,petricola4 7,steenboorder74 ,saxicava4 7,steenboorder74 ,rupellaria4 ,,pholadidae ,pholas 7,baardmossel74 ,teredo 7,paalworm74 ,fistulana 7,zandpijp74 ,aspergillum 7,gieterschelp74 -- ,,ascidiae #ci ,ascidia 7,zakpijp74 ,salpa 7,glaspijp74 ,mammaria4 ,,orde ,,ii4 ,,weekdieren ,,met ,,kop 7,,mollusca ,,cephala7 ,een duidelijke kop1 oogen1 en gewoonlijk twee of vier voelers2 in den bek kaken of een slurf2 voortplanting door paring4 ,schelp indien aanwezig1 nooit tweekleppig4 ,i4 ,,pteropoda 7,,vleugelslakjes7 ,twee zijdelingsche1 vinvormige vleugels4 ,hyalea4 ,geschaalde ,pneumodermon4 ,vleugelslakken4 ,clio4 ,ongeschaalde ,,ii4 ,,gasteropoda 7,,buikvoetigen7 ,a4 ,lichaam recht1 over 7bijna7 de heele lengte met den voet vereenigd4 ,,tritonidae ,glaucus 7,zeeblauwe drijfslak74 ,aeolis 7,draadslak74 ,scyllaea 7,sargassumslak74 ,tritonia4 ,tethys 7,zeilslak74 ,doris 7,sterslak74 ,,phyllidiidae ,pleurobranchus 7,schildpadslak74 ,phyllidia4 ,oscabrium 7keverslak74 ,patella 7,napje74 ,fissurella 7,sleutelgathoren74 ,emarginula4 ,,aplysiidae ,aplysia 7,zeehaas74 ,dolabella4 ,bullaea4 ,sigaretus4-- ,,limaceae ,oncidium 7,zee-longslak74 ,limax 7,veldslak74 ,parmacella4 ,vitrina 7,glashoren74 ,testacella 7,vleeschetende schaaltjesslak74 ,b4 ,lichaam spiraalvormig2 geen sipho4 ,,helicidae ,helix 7,gew4 ,huisjesslak74 ,helicina4 ,bulimus 7,veelvraatslak74 ,amphibulimus4 ,achatina 7,patrijsslak74 ,pupa 7,tonhorentje74 ,,orbaceae ,cyclostoma 7,rondmond74 ,vivipara 7,moerasslak74 ,planorbis 7,posthoornslak74 ,ampullaria 7,kogelslak74 ,,auriculaceae ,auricula 7,oorslak74 ,melanopsis-- ,melania 7,levendbarende zoetwaterslak74 ,limnaeus 7,poelslak74 ,,neritaceae ,neritina4 ,nacella 7,beekslak74 ,nerita4 ,natica 7,tepelhoren74 ,,stomataceae ,haliotis 7,zeeoor74 ,stomatia4 ,stomatella4 ,,turbinaceae ,phasianella4 ,turbo 7,maanhoren74 ,monodonta4 ,delphinula4-- ,scalaria 7,wenteltrapje74 ,turritella 7,torentje74 ,vermicularia8 ,,heteroclita ,volavria4 ,bulla 7,blaasslak74 ,janthina 7,kwalboot- of viooltjesslak74 ,,calyptraceae ,crepidula 7,pantoffelslak74 ,calyptraea4 ,solarium 7,zonnewijzer74 ,trochus 7,tolhoren74 ,c4 ,lichaam spiraalvormig2 een sipho4 ,,canaliferae ,cerithium 7,naaldslak74 ,pleurotoma 7,slurfrand74 ,pyrula 7,peerslak74 ,murex 7,stekelhoorn74 ,turbinella4 ,fasciolaria 7,bandslak74 ,fusus 7,spilhoren74 ,,alatae ,rostellaria4 ,pterocera 7,duivelsklauw74 ,strombus 7,springende slak74 ,,purpuraceae ,cassis 7,stormkap74 ,harpa 7,harpslak74 ,dolium 7,tonslak74 ,terebra 7,schroefslak74 ,eburna4 ,buccinum 7,wulk74 ,concholepas 7,chili-purperslak74 ,monoceros4 ,purpura 7,purperslak74 ,nassa 7,fuikhoorn74 ,,columbellaceae ,cancellaria 7,tralieslak74 ,marginella4 ,columbella 7,duifjesslak74 ,mitra 7,mijterslak74 ,voluta 7,plooihoren74 ,,involutae ,ancillaria4 ,oliva 7,olijfhoren74 ,terebellum4 ,ovula4 ,cypraea 7,porceleinhoorn74 ,conus 7,kegelhoorn74 ,,iii4 ,,cephalopoda ,a4 ,schaal veelkamerig 7bijna alle fossiel74 ,,lenticulaceae ,miliolites4 ,gyrogonites4 ,rotalites4 ,numulites4 ,renulites4 ,discorbites4 ,lenticulina4 ,,lituolaceae ,lituolites4 ,spirolinites4 ,spirula4 ,orthoceras4 ,hippurites4 ,belemnites4 ,,nautilaceae ,baculites4 ,turrilites4 ,ammonoceratites4 ,ammonites4 ,orbulites4 ,nautilus4 ,b4 ,schaal met een kamer4 ,,argonautaceae 7,levend7 ,argonauta 7,papiernautilus74 ,carinaria 7,kielslak74 ,c4 ,schaal ontbreekt4 ,,sepialeae ,octopus 7,achtarm1 ,kraak74 ,loligo 7,pijlinktvisch74 ,sepia 7,zeekat74 ,,gewervelde ,,dieren ,deze hebben een wervelkolom1 samengesteld uit een reeks van korte1 met elkaar geledende beenderen4 ,deze kolom dient tot steun voor het lichaam1 tot grondslag voor het geraamte1 als koker voor het ruggemerg en eindigt van voren in een beenigen schedel die de hersenen bevat4 ,,organisatie ,,van ,,den ,ven ,,graad ,zie ,tabel ,i 7,visschen en ,kruipende dieren7 ,,klasse ,,xi4 ,,pisces 7,,visschen7 ,eierleggende1 koudbloedige vertebraten1 in het water levend en ademend door kieuwen4 ,de huid beschubd of wel naakt en slijmig2 voortbeweging door vliezige vinnen1 gesteund door beenige of kraakbeenige graten4 ,opmerkingen4 ,de bewerktuiging der visschen is veel volkomener dan die der weekdieren of der vorige klassen1 aangezien zij voor 't eerst een wervelkolom vertoonen met ruggemerg benevens een hersenschedel1 den aanleg van een skelet1 waaraan de spieren steun vinden4 ,intusschen zijn hun ademhalingsorganen nog overeenkomstig aan die der week- en schaaldieren1 rankpootigen en ringwormen2 en nog evenmin als deze bezitten ze een stem of oogleden4 ,de algemeene lichaamsvorm is aangepast aan het zwemmen en heeft de symmetrie tusschen de gepaarde deelen behouden1 die reeds bij de insecten werd aangevangen4 ,voorts geschiedt van nu af de geleding uitsluitend inwendig1 tusschen de deelen van het geraamte4 ,n4,b4 ,voor de overzichten van de gewervelde dieren heb ik gebruik gemaakt van ,m4 ,dumeril1 ,zologie ,analitique1 waarbij ik mij slechts luttele wijzigingen in de rangschikking heb veroorloofd4 ,,overzicht ,,van ,,de ,,visschen ,,orde ,i4 ,,kraakbeenvisschen ,wervelkolom zacht en kraakbeenachtig2 geen talrijke1 werkelijke ribben #a4 ,geen kieuwdeksel1 noch vlies over de kieuwen4 ,,trematopnea ,ademhaling door ronde gaten ,i4 ,,tr4 ,,cyclostomata 7,,rondbekken7 ,gastrobranchus 7,lancetvischje74 ,petromyzon 7,lamprei of ,prik74 ,,ii4 ,,tr4 ,,plagiostomata 7,,dwarsbekken7 ,torpedo 7,sidderrog74 ,raja 7,rog74 ,rhinobatus 7,halawi74 ,squatina 7,zeengel74 ,squalus 7,speerhaai74 ,aodon 7,zeeduivel74 #b4 ,geen kieuw-deksel maar een -vlies4 ,kieuwspleten op zijde in den hals2 vier gepaarde vinnen4 ,,iii4 ,batrachus 7,paddevisch74 ,lophius 7,hoozemond74 ,balistes 7,hoornvisch74 ,chimaera 7,zeerat74 #c4 ,een kieuw-deksel maar geen membraan4 ,,eleutheropoma ,vier gepaarde vinnen2 bek onder de snuit4 ,,iv4 ,polyodon 7,lepelsteur74 ,pegasus 7,zwempaardje74 ,acipenser 7,steur74 #d4 ,een kieuw-deksel en een vlies over de kieuwen4 ,,teleobranchia ,v4 ,,tel4 ,,aphiostoma ,macrorhynchus4 ,solenostoma 7,buismond74 ,centriscus 7,zeesnip74 ,,vi4 ,,tel4 ,,plecoptera ,cyclopterus 7,snotdolf74 ,lepadogaster 7,slakdolf74 ,,vii4 ,,tel4 ,,osteoderma ,ostracion 7,koffervisch74 ,tetrodon 7,viertand74 ,ovoides4 ,diodon 7,egelvisch74 ,sphaeroides 7,ballonvisch74 ,syngnathus 7,zeenaald74 ,,orde ,,ii4 ,,been-,,visschen ,wervelkolom uit beenige1 onbuigzame wervels bestaand4 #a4 ,een kieuw-deksel en een vlies onder de kieuwen4 ,,holobranchia ,h4 ,,apoda4 7,,vinloozen7 ,onderste gepaarde vinnen ontbreken4 ,,viii4 ,,hol4 ,,peroptera ,caecilia 7 ,sphagebranchus7 ,monopterus4 ,leptocephalus 7,palinglarf74 ,gymnotus 7,sidderaal74 ,trichiurus 7,degenvisch74 ,notopterus4 ,ophisurus 7,slangaal74 ,apteronotus4 ,regalecus 7,riemvisch74 ,,ix4 ,,hol4 ,,pantoptera ,muraena 7,murena7 ,ammodytes 7,zandspiering74 ,ophidium 7,slangvisch74 ,xiphias 7,zwaardvisch74 ,macrognathus4 ,anarrhichas 7,zeewolf74 ,comephorus 7,olievisch74 ,stromateus 7,dekenvisch74 ,rhombus 7 ,peprilus1 pompano74 ,h4 ,,hol4 ,,jugularia ,onderste gepaarde vinnen keelstandig voor de borstvinnen4 ,x4 ,,hol4 ,,auchenoptera ,muraenoides 7 ,pholis1 botervischje74 ,calliomorus4 ,uranoscopus 7,sterrekijker74 ,trachinus 7,pieterman74 ,gadus 7,kabeljauwachtige74 ,batrachoides 7,sapo74 ,blennius 7,slijmvischje74 ,oligopus4 ,kurtus 7,kuitkopvisch74 ,chrysostomus4 ,h4 ,,hol4 ,,thoracica ,onderste gepaarde vinnen onder de borstvinnen gelegen4 ,,xi4 ,,hol4 ,,petalosoma ,lepidopus 7,kousebandvisch74 ,cepola 7,bandvisch74 ,taenioides4 ,bostrichthys4 ,bostrichoides4 ,gymnetra4 ,,xii4 ,,hol4 ,,plecopoda ,gobius 7,grondel74 ,gobioides 7,barreto74 ,,xiii4 ,,hol4 ,,eleutheropoda ,gobiomorus 7,guavina74 ,gobiomoroides4 ,echeneis 7,koperzuiger74 ,,xiv4 ,,hol4 ,,atractosoma ,scomber 7,makreel74 ,scomberoides 7,springer74 ,caranx 7,marsbanker74 ,trachinotus 7,pampano74 ,caranxomorus 7 ,coryphaena74 ,caesio4 ,caesiomorus 7 ,trachinotus74 ,scomberomorus 7 ,cybium1 ,koningsvisch74 ,gasterosteus 7,stekelbaars74 ,centropodus4 ,centronotus4 ,lepisacanthus 7 ,naucrates1 ,loodsmannetje74 ,histiophorus 7,zwaardvisch74 ,pomatomus 7 ,temnodon74 ,,xv4 ,,hol4 ,,leiopoma ,hiatula 7 ,tautoga74 ,coris4 ,gomphosus4 ,osphromenus 7,goerami74 ,trichopus4 ,monodactylus 7,spadevisch74 ,plectorhynchus4 ,pogonias 7,trommelvisch74 ,labrus 7,lipvisch74 ,cheilinus4 ,cheilodipterus 7,kardinaalsvisch74 ,ophiocephalus 7,slangekopvisch74 ,hologymnotus4 ,sparus 7,booneknaap74 ,dipterodon 7 ,apogon1 ,koning van de ,mul74 ,cheilio4 ,mullus 7,mul of barbeel74 ,,xvi4 ,,hol4 ,,osteostoma ,scarus 7,papegaaivisch74 ,osteorhynchus4 ,leiognathus4 ,,xvii4 ,,hol4 ,,lophionota ,coryphaena 7,goudmakreel74 ,hemipteronotus4 ,coryphaenoides4 ,taenianotus4 ,centrolophus 7,zwartvisch74 ,eques 7,riddervisch74 ,,xviii4 ,,hol4 ,,cephalota ,gobiesox 7,schildvisch74 ,aspidophorus 7,harnasman74 ,aspidophoroides 7,zeestroopertje74 ,cottus 7,knorhaan1 donderpad74 ,scorpaena 7,drakenkop74 ,,xix4 ,,hol4 ,,dactylea ,dactylopterus 7,vliegende poon74 ,prionotus 7,amerik4 poon74 ,trigla 7,poon74 ,peristedion 7,pantserhaan74 ,,xx4 ,,hol4 ,,heterosoma ,pleuronectes4 ,achirus4 ,,xxi4 ,,hol4 ,,acanthopoma ,lutjanus 7,snapper1 corra74 ,centropomus 7,bima74 ,bodianus 7,poeroentjie74 ,taenionotus4 ,sciaena 7,schaduwvisch74 ,micropterus 7,zwartbaars74 ,holocentrus 7,stekelvisch74 ,perca 7,baars74 ,,xxii4 ,,hol4 ,,leptosoma ,chaetodon 7,borsteltandkoraalvisch74 ,acanthinion 7 ,trachinotus74 ,chaetodipterus 7 ,ephippus1 ,oceancobbler74 ,pomacentrus 7,rifvisch74 ,pomadasys 7,burro74 ,pomacanthus 7,tjamba74 ,holacanthus 7,keizervisch74 ,enoplos4 ,glyphidodon 7,catabalie74 ,acanthurus 7,chirurg74 ,apisurus4 ,acanthopus4 ,selene 7,ploegschaarvisch1 palometon74 ,argyreiosus 7,moonfish74 ,zeus 7,zonnevisch74 ,gallus 7 ,alectio1 ,zeehaantje74 ,chrysostomus4 ,capros 7,evervisch74 ,,xxiii4 ,,hol4 ,,siphonostoma ,fistularia 7,tabakspijp74 ,aulostomus 7,trompet74 ,solenostoma 7,pijpbek-zeenaald74 ,,xxiv4 ,,hol4 ,,cylindrosoma ,cobitis4 ,misgurnus ,modderkruipertje4 ,anableps 7,vieroog74 ,fundulus 7,modder-tandkarpertje74 ,colubrinus4 ,amia 7,slijkvisch74 ,butirinus 7 ,chanos1melkvisch74 ,tripteronotus 7 ,coregonus74 ,ompock4 ,,xxv4 ,,hol4 ,,hoplophora ,silurus 7,meerval74 ,macropteronotus4 ,malapterurus 7,siddermeerval74 ,pimelodus 7,congros barbosos74 ,doras 7,gekielde of trekmeerval74 ,pogonathus 7,pogonias74 ,cataphractus4 ,plotosus4 ,ageneiosus4 ,macrorhamphosus 7,snipvisch74 ,centranodon4 ,loricaria 7,pantsermeerval74 ,hypostomus 7 ,hemiancistrus74 ,corydoras 7,gevlekte ,pantsermeerval74 ,tachysurus4 ,,xxvi4 ,,hol4 ,,dimereda ,cirrhites4 ,cheilodactylus4 ,polynemus 7,mango- of draadvisch74 ,polydactylus 7,barbudos74 ,,xxvii4 ,,hol4 ,,lepidoma ,mugil 7,harder74 ,mugiloides4 ,chanos4 ,mugilomorus 7,elops74 ,,xxviii4 ,,hol4 ,,gymnopoma ,argentina 7,zilvervisch74 ,atherina 7,koornaarvisch74 ,hydrargyra 7,tandkarper74 ,stolephorus 7,zilveransjovis74 ,buro 7,amphacanthus74 ,clupea 7,haring74 ,mystus4 ,clupanodon 7,sardine74 ,serpa 7 ,gastropelecus1 ,bijlvisch74 ,mene4 ,dorsuarius 7 ,cyphosus1 ,xyster4 bocachito74 ,cyprinus 7,karpers74 ,,xxix4 ,,hol4 ,,dermoptera ,salmo 7,zalm74 ,osmerus 7,spiering74 ,coregonus 7,houting74 ,characinus4 ,serrasalmo 7,zaagbuikzalm74 ,,xxx4 ,,hol4 ,,siagonota ,elops 7,tienponder74 ,megalops 7,tarpon74 ,esox 7,snoek74 ,synodon 7,synodus hagedisvisch74 ,sphyraena 7,pijlsnoek74 ,lepidosteus 7,kaaimanvisch74 ,polypterus 7,snoeksteur74 ,scombresox 7,schipper74 #b4 ,een kieuw-deksel1 maar zonder vlies4 ,,sternoptygia ,,xxxi4 ,sternoptyx4 #c4 ,geen kieuwdeksel1 wel een vlies4 ,,cryptobranchia ,,xxxii4 ,mormyrus 7,nijlvisch74 ,stylephorus 7,griffeldrager74 #d4 ,geen kieuw-deksel noch vlies2 buikvinnen ontbreken4 ,,ophichthyia ,,xxxiii4 ,unibranchus4 ,sphagebranchus4 ,muraenophis 7 ,muraena74 ,gymnomuraena4 ,opmerking4 ,daar het skelet bij de visschen zich eerst aan het vormen is zijn de z4g4 kraakbeenvisschen waarschijnlijk de onvolkomenste4 ,,klasse ,,xii4 ,,kruipende ,,dieren ,eierleggende1 koudbloedige vertebraten2 ademhaling1 tenminste in volwassen staat1 door longen en onvolkomen4 ,huid naakt1 beschubd of met een beenig pantser bedekt4 ,opmerkingen4 ,bij vergelijking met de visschen vindt men als merkwaardige vooruitgang in bewerktuiging hier voor 't eerst longen1 de meest volmaakte ademhalingsorganen1 daar zij ook bij den mensch voorkomen4 ,maar dit stelsel bevindt zich nog slechts in de kinderschoenen en bij verscheidene reptielen ontbreekt het zelfs in de jeugd3 hun respiratie is inderdaad nog onvolledig1 daar slechts een deel van het bloed de longen passeert4 ,ook ziet men bij hen voor 't eerst vier duidelijke ledematen die als aanhangselen van het skelet in het bouwplan der gewervelde dieren meedoen4 ,,overzicht ,,van ,,de ,,reptilen ,,orde ,i4 ,,reptilia ,,batrachia 7,,tweeslachtigen7 ,hart met een boezem2 huid naakt2 twee of vier pooten2 in de jeugd kieuwademhaling2 geen inwendige bevruchting4 ,,urodela 7,,gestaarte ,,amphibi,n7 ,siren 7,voorpootsalamander74 ,proteus 7,olm74 ,triton 7,watersalamander74 ,salamandra 7,landsalamander74 ,,anura4 7,,staartlooze ,,amph47 ,hyla 7,boomkikvorsch74 ,rana 7,kikker74 ,pipa 7,surin4 broedpad74 ,bufo 7,pad74 ,,orde ,,ii4 ,,reptilia ,,ophidia 7,,slangen7 ,hart met een boezem2 lichaam verlengd1 smal en zonder pooten of vinnen2 geen oogleden4 ,,homoderma ,caecilia 7,wormsalamander74 ,amphisbaena 7,wormhagedis74 ,acrochordus4 ,ophisaurus 7,pantser-slanghagedis74 ,anguis 7,hazelworm74 ,hydrophis 7,distira4 zeeslang74 ,,heteroderma ,crotalus 7,ratelslang74 ,scytalus4 ,boa 7,afgodslang74 ,herpeton 7,voelhoornslang74 ,eryx4 ,vipera 7,adder74 ,coluber 7,gestreepte slang74 ,platurus 7,zeeslang74 ,,orde ,,iii4 ,,reptilia ,,sauria 7,,hagedisachtigen7 ,hart met twee boezems2 huid beschubd2 vier pooten met nagels aan de vingers2 tanden in de kaken4 ,,tereticauda ,chalcides 7,koperslang74 ,scincus 7,woelhagedis74 ,gecko4 ,anolis4 ,draco4 7,vliegend draakje74 ,agama4 ,lacerta 7,hagedis74 ,iguana 7,leguaan74 ,stellio 7,slingerstaart74 ,chamaeleon 7,kameleon74 ,,planicauda ,uroplatus 7,bladstaart gecko74 ,tupinambis 7,salompenter74 ,basiliscus4 ,lophyrus 7,lophura874 ,dracaena 7,tejuhagedis74 ,crocodilus 7,krokodil74 ,,orde ,,iv4 ,,reptilia ,,chelonia 7,,schildpadden7 ,hart met twee boezems2 lichaam met vier pooten en door een pantser bedekt2 kaken zonder tanden4 ,chelonia 7,karetschildpad74 ,chelys 7,franjeschildpad74 ,emys 7,zoetwaterschildpad74 ,testudo 7,landschildpad74 ,,organisatie ,,van ,,den ,v,ien ,,graad ,zie ,tabel ,i 7,vogels en ,zoogdieren7 ,,klasse ,,xiii4 ,,vogels ,zie ,tabel ,i ,opmerkingen4 ,voorzeker zijn de vogels beter bewerktuigd dan de reptielen of de overige vorige klassen1 wegens hun warme bloed1 de twee hartkamers en doordat de hersenen de schedelholte vullen1 welke eigenschappen ze slechts met de meest volkomene 7laatste7 klasse deelen4 ,toch vormen klaarblijkelijk de vogels nog maar den vrlaatsten trap van de scala der dieren1 als zijnde minder volmaakt dan de zoogdieren door hun eier-leggen1 het gemis van melkklieren1 middenrif1 blaas1 enz4 ,ook bezitten ze minder bijzondere vermogens4 ,in de volgende tabel merke men op1 dat de eerste vier orden vogels omvatten1 wier jongen niet dadelijk na het uitkomen kunnen loopen of zich voeden1 die van de laatste drie daarentegen wl4 ,daarvan schijnt de #g;e orde 7palmipedia7 mij weer het naast verwant met de eenvoudigste zoogdieren4 ,,overzicht ,,van ,,de ,,vogels ,,orde ,i4 ,,scansores 7,,klimvogels7 ,twee teenen naar voren1 twee naar achteren4 ,,levirostres ,psittacus 7,papagaai74 ,cacatus 7,kakatoe74 ,ara 7,amazone papegaai74 ,bucco 7,baardkoekkoek74 ,corythaix 7,touraco1 ,helmvogel74 ,trogon 7,soeroekoe74 ,musophaga 7,banaaneter74 ,ramphastos 7,toekan74 ,,cuneirostres ,picus 7,specht74 ,yunx 7,draaihals74 ,galbuna 7,glansvogel74 ,crotophaga 7,sinonzo1 madeneter74 ,cuculus 7,koekkoek74 ,,orde ,,ii4 ,,accipitres 7,,roofvogels7 ,een teen naar achter3 voorsten teenen volkomen vrij2 snavel en klauwen gekromd4 ,,uilen ,strix 7,kerkuil74 ,bubo 7,ooruil74 ,surnia 7,sperweruil74 ,,gieren ,sarcoramphus 7,condor74 ,vultur 7,gier74 ,,dagroofvogels ,gryptus4 ,serpentarius 7,secretaris74 ,aquila 7,arend74 ,buteo 7,buizerd74 ,astur 7,havik74 ,falco 7,valk74 ,,orde ,,iii4 ,,passeres 7,,zangvogels7 ,een teen naar achter2 de beide buitenste van voren verbonden2 beenen van middelmatige langte4 ,,pas4 ,,crenirostres ,tanagra4 ,lanius 7,klauwier74 ,muscicapa 7,vliegenvangertje74 ,cotinga4 ,turdus 7,lijster74 ,,pas4 ,,dentirostres ,buceros 7,neushoornvogel74 ,momotus 7,zaagbekscharrelaar74 ,phytotoma4 ,,pas4 ,,plenirostres ,gracula 7,bo74 ,paradisea 7,paradijsvogel74 ,coracias 7,scharrelaar74 ,corvus 7,kraai1 raaf74 ,pica 7,ekster74 ,,pas4 ,,conirostres ,buphaga 7,buffelpikker74 ,claucopis 7,ellea7 ,trupialis ,gacicus 7,voorhoofdsvogel7 ,sturnus 7,spreeuw74 ,crucirostra 7,kruisbek74 ,ioxia4 ,colius4 7,muisvogel74 ,passer 7,musch74 ,emberiza 7,gors74 ,,pas4 ,,subulirostres ,pipra4 ,parus 7,mees74 ,alauda 7,leeuwerik74 ,motacilla 7,kwikstaart74 ,,pas4 ,,planirostres ,apus 7,gierzwaluw74 ,hirundo 7,zwaluw74 ,caprimulgus 7,geitenmelker74 ,,pas4 ,,tenuirostres ,alcedo 7,i,jsvogel74 ,todus 7,platsnavel74 ,sitta 7,boomklever74 ,orthorincus4 ,merops 7,bijeneter74 ,trochilus 7,kolibri74 ,certhia 7,boomkruiper74 ,upupa 7,hop74 ,,orde ,,iv4 ,,columbinae 7,,duiven7 ,snavel week1 buigzaam1 aan den wortel afgeplat2 neusgaten door een washuid bedekt2 goede vliegers2 legsel van twee eieren4 ,columba 7,duif74 ,,orde ,v4 ,,gallinae 7,,hoendervogels7 ,snavel hard en hoornachtig1 aan den wortel afgerond2 legsel van meer dan twee eieren ,,gal4 ,,alectridae ,otis 7,trapgans74 ,pavo 7,pauw74 ,tetrao 7,korhoen74 ,phasianus 7,fasant74 ,numida 7,parelhoen74 ,crax 7,hokko74 ,penelope 7,sjakoehoen74 ,meleagris 7,kalkoen74 ,,gal4 ,,brachypteridae ,didus 7,dodo74 ,casuarius 7,kasuaris74 ,rhea 7,am4 nandoe47 ,struthio 7,struis74 ,,orde ,,vi4 ,,grallae 7,,waad- ,,of ,,strandvogels7 ,loop zeer lang1 tot den scheen onbevederd2 buitenste teenen aan hun basis vergroeid4 ,,gr4 ,,pressirostres ,parra 7,jassana74 ,rallus 7,waterral74 ,haematopus 7,scholekster74 ,gallinula 7,waterhoen74 ,fulica 7,meerkoet74 ,,gr4 ,,cultrirostres ,hians4 ,ardea 7,reiger74 ,ciconia 7,ooievaar74 ,grus 7,kraanvogel74 ,mycteria 7,reuzen oojevaar7 ,tantalus 7,nimmerzat74 ,,gr4 ,,tenuirostres ,avocetta 7,kluit74 ,numenius 7,wulp74 ,scolopax 7,houtsnip74 ,vanellus 7,kievit74 ,charadrius 7,pluvier74 ,,gr4 ,,latirostres ,cancroma 7,lepelbekreiger1 ,schoensnavel74 ,platalea 7,lepelaar74 ,phaenicopterus 7,flamingo74 ,,orde ,,vii4 ,,palmipedes 7,,zwemvoetigen7 ,teenen door breede vliezen verbonden2 loop vrij kort 7watervogels74 ,,palm4 ,,pinnipedes ,plotus 7,slanghalsvogel74 ,phaeton 7,keerkringvogel74 ,sula 7,gent74 ,fregata 7,fregatvogel74 ,phalacrocorax 7,aalscholver74 ,pelecanus 7,pelikaan74 ,,palm4 ,,serrirostres ,mergus 7,zaagbek74 ,anas 7,eend74 ,phaenicopterus 7,flamingo74 #dj ,,palm4 ,,longipennae ,larus 7,meeuw74 ,diomedea 7,albatros74 ,procellaria 7,stormvogel74 ,recurvirostra 7,kluit74 ,sterna 7,zeezwaluw74 ,rhynchops 7,schaarbek74 ,,palm4 ,,brevipennae ,colymbus 7,fuut74 ,uria 7,zeekoet74 ,alca 7,alk74 ,spheniscus 7,pinguin74 ,aptenodytes ,,monotremata ,tusschenvormen tusschen vogels en zoogdieren4 ,viervoetig1 zonder melkklieren1 zonder tanden in kassen1 zonder lippen en met een enkele opening voor geslachtsproducten1 faeces en urine4 ,lichaam bedekt met haren en stekels4 ,ornithorhynchus 7,vogelbekdier74 ,echidna 7,mierenegel74 ,n4,b4 ,van deze dieren is reeds gesproken in hoofdstuk ,,vi1 p4 #hj alwaar is opgemerkt1 dat het noch reptielen1 noch vogels1 noch zoogdieren zijn4 ,,klasse ,,xiv4 ,,de ,,zoogdieren 7,zie ,tabel ,i7 ,opmerkingen4 ,in de natuurlijke ,orde1 die zoo kennelijk van het eenvoudigere tot het meer samengestelde voortschrijdt vormen de zoogdieren noodwendig de laatste klasse van het dierenrijk1 wier leden het meest volkomen ontwikkeld1 het meest vermogend1 het verstandigst1 kortom het allerbest bewerktuigd zijn4 ,van deze dieren1 die het dichtst bij den mensch staan1 vormen de zintuigen een meer volkomen geheel met de functies dan bij alle andere4 ,zij alleen zijn werkelijk levendbarend en geven hun jongen de borst4 ,zoo bereikt dan de dierlijke bewerktuiging in de ,zoogdieren haar hoogtepunt van volmaking1 en daardoor ook het aantal functies4 ,zij moeten dus aan het einde komen van de geweldige reeks der bestaande dieren4 ,,overzicht ,,van ,,de ,,zoogdieren ,,orde ,i4 ,,mammalia ,,exungulata 7,,nagelloozen7 ,slechts twee ledematen1 n4l4 de voorste2 deze kort1 afgeplat1 geschikt tot zwemmen en zonder nagels of hoeven4 ,,cetacea ,balaena 7,walvisch74 ,balaenoptera 7,vinvisch74 ,physalus4 ,catodon4 7,potvisch74 ,physeter4 ,monodon 7,narwal74 ,hyperoodon 7,bottlenose74 ,delphinapterus 7,beluga of ,witte walvisch74 ,delphinus 7,dolfijn74 ,,orde ,,ii4 ,,mammalia ,,amphibia 7,,kustbewoners7 ,de twee voorste ledematen kort1 vinachtig1 met klauwtjes aan de vingers2 de achterste achterwaarts gericht of vergroeid met het achterdeel van het lichaam1 dat den vorm van een vischstaart heeft 77 ,phoca 7,zeehond74 ,trichechus 7,walrus74 ,halicore 7,dugong74 ,manatus 7,lamantijn74 ,opmerking4 ,deze orde is hier slechts geplaatst wegens den algemeenen lichaamsvorm der betreffende dieren4 ,zie de opm4 op p4 #gi4 ,,orde ,,iii4 ,,mam4 ,,ungulata 7,,hoefdieren7 ,de vier ledematen zijn slechts geschikt tot loopen2 de vingers zijn aan het uiteinde geheel van een hoornen hoef omgeven4 ,,solipedes 7,,eenhoevigen7 ,equus 7,paarden74 ,,ruminantia 7,,herkauwers7 ,bos 7,rund74 ,antilope4 ,capra 7,geit74 ,ovis 7,schaap74 ,cervus 7,hert74 ,camelopardalis 7,giraffe74 ,camelus 7,kameelen74 ,moschus 7,muskusos74 ,,pachyderma 7,,dikhuidigen7 ,rhinoceros 7,neushoorn74 ,hyrax 7,klipdas74 ,tapir4 ,sus 7,zwijn74 ,elephas 7,oliphant74 ,hippopotamus 7,nijlpaard74 ,,orde ,,iv4 ,,mam4 ,,unguiculata 7,,genagelden7 ,toegespitste of afgeplatte1 vrije nagels aan de vier ledematen4 ,,tardigrada ,bradypus 7,luiaard74 ,,edentata 7,,tandeloozen7 ,myrmecophaga 7,miereneter74 ,manis 7,schubdier74 ,orycteropus 7,aardvarken74 ,dasypus 7,gordeldier74 ,,rodentia 7,,knaagdieren7 ,halmaturus 7,kangeroo74 ,lepus 7,hazen74 ,coendu 7,boomstekelvarken7 ,hystrix 7,stekelvarken74 ,chiromys 7,vingerdier74 ,phascolomys 7,wombat74 ,hydromys 7,australische beverrat74 ,castor 7,bever74 ,cavia 7,guineesch biggetje74 ,aspalax 7,blindmuis74 ,sciurus 7,eekhoorn74 ,myoxus 7,zevenslaper74 ,cricetus 7,hamster74 ,arctomys 7,marmot74 ,arvicola 7,veldmuis74 ,ondatra 7,fiber ,bisamrat74 ,rattus 7,rat74 ,,pedimana 7,,buideldieren ,p4 ,p47 ,didelphis 7,buidelrat1 ,opossum74 ,perameles 7,buideldas74 ,dasyurus 7,buidelmarter74 ,wombatus #da4 ,phalanger 7,koeskoes74 ,phalangista4 ,,plantigrada 7,,zooltreders7 ,talpa 7,mol74 ,sorex 7,spitsmuis74 ,ursus 7,beer74 ,cercoleptes 7,kinkajoe74 ,taxus 7,das74 ,nausa 7,coati1 neusbeer74 ,erinaceus 7,egel74 ,centetes 7,borstelegel74 ,,digitigrada 7,,teengangers7 ,lutra 7,otter74 ,mungos 7,ichneumon74 ,mephitis 7,stinkdier74 ,mustela 7,marter74 ,felis 7,katten74 ,civetta 7,civetkat74 ,hyaena4 ,canis 7,hond etc47 ,,chiroptera 7,,vleermuizen7 ,galeopithecus 7,vliegende ,maki74 ,rhinolophus 7,hoefijzervleermuis74 ,phyllostoma 7,bladneus74 ,noctilio 7,visschende vleermuis74 ,vespertilio 7,gew4 ,vleermuis74 ,pteropus 7,kalong of vliegende hond74 ,,quadrumana 7,,vierhandigen7 ,galago4 ,tarsius 7,spookdiertje74 ,stenops 7,slanklori74 ,lemur 7,maki74 ,lichanotus 7,wolmaki74 ,cercopithecus 7,meerkat74 ,papio 7,baviaan74 ,callithrix 7,penseelaapje74 ,cebus 7,capucijneraapje74 ,cynocephalus 7 ,papio7 ,pongo 7,menschapen #db7 ,pithecus4 ,opmerking4 ,volgens de hier toegepaste ordening omvat dus de familie der quadrumana de meest volkomene bekende dieren1 vooral de laatste genera daarvan1 zoodat het geslacht ,pithecus de geheele reeks beindigt1 gelijk ,monas haar aanvangt4 ,welk een verschil in bewerktuiging en eigenschappen tusschen die twee genera6 ,de natuurkundigen1 die den mensch uitsluitend naar zijne lichamelijke organisatie beschouwd hebben1 hebben voor hem een afzonderlijk geslacht gevormd met zes variteiten1 hetwelk op zich zelf een familie uitmaakt1 op de volgende wijze gekarakteriseerd4 ,,bimana 7,,tweehandigen7 ,zoogdieren met gedifferencieerde ledematen1 met nagels voorzien1 waarvan alleen bij de hand de duim tegenoverstelbaar is4 ,,homo ,variteiten3 ,kaukasier4 ,hyperboreer4 ,mongool ,americaan4 ,maleier4 ,aethiopier of ,neger ,men heeft aan deze familie den naam tweehandigen gegeven1 omdat inderdaad alleen de handen van den mensch een opponeerbaren duim hebben1 terwijl daarentegen bij de vierhandigen ook de duim van den voet dezelfde eigenschap heeft4 ,eenige opmerkingen betreffende den mensch ,indien de mensch slechts in lichamelijke bewerktuiging van de dieren verschilde1 zou men gemakkelijk kunnen aantoonen1 dat zijn speciale eigenschappen alle het gevolg zijn van vroegere veranderingen in handelingen en gewoonten1 die aan zijn geslacht eigen zijn geworden4 ,indien dan ook door den nood der omstandigheden gedwongen een of ander ras van quadrumanen--bij voorkeur het hoogst-staande--de klim-gewoonte op de boomen verloor en daarbij het vastklemmen der takken met handen en voeten2 en indien het vele generaties lang gedwongen ware om slechts op voeten te loopen1 zoo zouden ongetwijfeld--volgens onze beschouwingen in het vorige hoofdstuk--deze vier- tot twee-handigen omgevormd worden en de groote teenen niet langer van de overige af-staan1 aangezien ze nog slechts tot loopen zouden dienen4 ,indien voorts de leden van datzelfde ras1 door de behoefte om boven hun omgeving uit te steken en te zien1 zich inspanden om rechtop te gaan en dit van geslacht op geslacht tot gewoonte maakten1 zoo zouden zonder twijfel hun voeten zoetjes aan een voor de opgeheven houding geschikte gestalte aannemen2 de kuiten zouden zich aan de beenen ontwikkelen1 zoodat ten slotte die dieren nog slechts met moeite op handen en voeten zouden kunnen gaan4 ,als ten slotte diezelfde individuen niet langer hun kaken als bijt-1 scheur-1 of grijp-wapens gebruikten of als tang om kruiden af te plukken1 en de functie zich dus bepaalde tot het eigenlijke kauwen1 dan zou ongetwijfeld hun gelaatshoek meer open worden1--door het verkorten van de snuit tot verdwijnens toe--waarbij dan de snijtanden een verticalen stand zouden erlangen4 ,veronderstellen we eens dat zeker ras van quadrumanen1 als zijnde het verst voortgeschreden1 door standvastige gewoonten de zoo juist beschreven gestalte en het vermogen tot opgerichte houding zou verkregen hebben1 en zich gaandeweg boven de andere dieren had weten te verheffen1 dan zal men begrijpen3 #a;e4 ,dat 't meer geavanceerde ras door zijn heerschende positie zich van alle geschikte plaatsen op de aardoppervlakte zal hebben meester gemaakt4 #b;e4 ,dat het andere voortreffelijke rassen1 die het de aardsche goederen betwistten1 daarvandaan gejaagd zal hebben en hen gedwongen zal hebben zich naar onbewoonde streken terug te trekken4 #c;e4 ,dat het door het onderdrukken van die naast-verwante rassen1 die in de bosschen en andere verlaten streken verbannen bleven1 hun ontwikkeling geknot zal hebben1 terwijl het zlf1 in onbelemmerde voortteling en verbreiding tot volkrijke stammen zich van lieverlede nieuwe behoeften zal geschapen hebben1 die zijn vernuft zullen hebben geprikkeld en gaandeweg vermogens en eigenschappen hebben vervolmaakt4 #d;e4 ,dat tenslotte die uitnemende soort1 door het verkrijgen van een volstrekte heerschappij over de andere1 erin zal geslaagd zijn om tusschen zichzelf en de hoogste dieren een verschil1 ja1 een aanmerkelijke klove te bewerkstelligen4 ,zoo kan het meest volkomene ras der vierhandigen overheerschend geworden zijn1 door zijn gewoonten te wijzigen als gevolg van de gewonnen absolute overmacht over de andere en van nieuw-ontstane behoeften2 het kan daardoor bij voortduring veranderingen erlangd hebben in de eigen organisatie en nieuwe1 talrijke eigenschappen2 de naast-ontwikkelde overige rassen op hun eigen peil ondergehouden hebben2 en tusschen hen en zichzelf belangrijke onderscheiden teweeggebracht hebben4 ,de ,chimpansee 7,simia troglodytes ,l47 is het hoogst-ontwikkeld van alle dieren1 veel hooger dan de orang-oetan 7,simia satyrus ,l474 ,niettemin zijn ze beide zoowel lichamelijk als verstandelijk veel lager georganiseerd dan de mensch4 #dc ,ze richten zich nogal eens op de achterpooten op1 maar daar ze van deze houding geen vaste gewoonte gemaakt hebben1 is hun lichaam er niet voldoende door gewijzigd1 zoodat de staande houding hun zeer moeilijk valt4 ,uit verhalen van reizigers weet men1 dat als een dreigend gevaar den orang op de vlucht drijft1 hij fluks op vier pooten terug valt4 ,dat verraadt1 naar men zegt1 de ware afkomst van dit dier1 genoodzaakt als het is om die hem vreemde1 gedwongen houding prijs te geven4--,dat is ongetwijfeld waar1 aangezien het dier er bij het gaan minder gebruik van maakt en het lichaam er daardoor minder is aan-gepast4 ,maar al moge die staande houding dan voor den mensch gemakkelijker zijn1 is zij voor hem dan geheel en al de natuurlijke8 ,ofschoon de mensch door de geslachten-lang volgehouden gewoonten slechts rechtop kan gaan1 zoo is die stand niettemin voor hem een vermoeiende1 die slechts beperkten tijd kan worden volgehouden door de werking van talrijke spieren4 ,indien de wervelkolom van het menschelijke lichaam de as ware1 en hoofd en overige deelen in evenwicht hield1 zoo ware een staande mensch in rust-stand4 ,naar bekend is dit intusschen niet het geval4 ,het hoofd wordt volstrekt niet in het zwaartepunt ondersteund2 borst en buik met hunne ingewanden rusten bijna geheel op het voorste deel van de wervelkolom en deze steunt op een scheeve basis1 enz4 ,zooals dan ook ,richerand uiteenzet is er bij het staan voortdurend een actieve kracht noodig om het dreigende vallen te voorkomen1 door gewicht en plaatsing der lichaamsdeelen4 ,dezelfde geleerde vervolgt aldus3 ,het relative gewicht van hoofd en ingewand trachten de zwaartelijn van het heele lichaam naar voren te brengen1 welke lijn precies loodrecht op het steunpunt moest staan bij een zuiver evenwichtigen stand4 ,dit wordt door het volgende bevestigd3 ik heb opgemerkt1 dat kinderen met groot hoofd en dikken buik door het vele ingewandsvet zich moeilijk aan de opgerichte houding wennen4 ,pas tegen het einde van hun tweede jaar durven zij zich op eigen krachten te verlaten2 nochtans loopen ze herhaaldelijk gevaar te vallen en behouden een natuurlijke neiging naar den toestand van viervoeter terug4 ,physiologie1 vol ,,ii1 p4 #bfh4 ,deze verhouding der deelen1 die het staan voor den mensch tot een werkzame1 vermoeiende inplaats van tot een rustige houding maakt zou dus zijn overeenstemmende afkomst met de overige zoogdieren verraden1 indien we uitsluitend op zijn organisatie letten4 ,om nu de in den aanvang geuite onderstelling geheel te vervolgen1 moeten we er de volgende beschouwingen aan vastknoopen3 ,na de vermeestering van alle bewoonbare plaatsen en een aanzienlijke vermeerdering van behoeften1 evenredig met de toename van bevolking hebben de leden van vorengenoemd1 overheerschend ras evenzeer een rijker wereld van gedachten moeten krijgen en daardoor de behoefte1 deze aan elkaar mede te deelen4 ,daaruit zal voor hen vanzelf de noodzaak zijn voortgevloeid1 om in de zelfde mate hun teekens en gebaren te vermeerderen en te varieeren4 ,klaarblijkelijk zullen zij daarop al hun best gedaan hebben en alle beschikbare middelen hebben aangewend4 ,anders is het met de overige dieren gesteld4 ,want ofschoon de hoogst-ontwikkelden onder hen1 zooals de vierhandigen meerendeels in troepen leven1 zoo is1 sinds de machtige opkomst van het genoemde ras1 hun voortgang gestokt1 daar zij overal vandaan verjaagd werden en verdreven naar wilde en verlaten streken1 waar ze telkens weer ellendiglijk verontrust en van de eene schuilplaats naar de andere gejaagd werden4 ,in zulke omstandigheden krijgt een dier geen versche behoeften1 vormt zich geen nieuwe voorstellingen2 en van de weinige1 waardoor het beziggehouden wordt1 behoeven er slechts luttele aan de anderen te worden meegedeeld477 ,om elkaar te verstaan hebben zij dus genoeg aan een paar teekens1 eenige bewegingen1 wat gefluit en kreten1 door eenvoudige stembuigingen gevarieerd4 ,aan den anderen kant zullen de leden van het overheerschende ras door de behoefte aan meer teekens om elkaar snel hun wassenden gedachtenvloed mee te deelen1 en onbevredigd met gebarenspel of de beschikbare stem-buigingen1 na verschillende pogingen gekomen zijn tot het vormen van gearticuleerde klanken4 ,aanvankelijk zullen zij die slechts in kleinen getale ter beschikking gehad hebben1 samen-stemmende met hun geluidsorgaan2 maar allengs meerdere1 gewijzigd en verbeterd naar gelang hun behoeften toenamen en zij zich er meer voor inspanden4 ,inderdaad zal de voortdurende oefening van keel1 tong en lippen om de klanken te articuleeren dat vermogen bij uitstek ontwikkeld hebben4 ,vandaar voor dat bijzondere ras het bewonderenswaardige spraak-vermogen4 ,en daar voorts de overeengekomen gebaren van zekere beteekenis vervielen1 door de groote afstanden1 waarover de individuen zich verspreidden1 ontstonden van lieverlede ook de--zich differencieerende--talen4 ,zoo zullen hier de behoeften ten slotte alles teweeggebracht hebben1 zij zullen de inspanning hebben opgewekt en door het voortdurend gebruik zullen de spraakorganen zich hebben ontwikkeld4 ,zulke overwegingen zouden wij kunnen koesteren indien dat bewuste ras3 de mensch1 louter in organisatie van de dieren verschilde en niet van een andere afkomst ware4 ,noot van den vertaler4 ,de diagnosen der ,,vi graden van organisatie1 zooals die in tabel ,i 7pag4 #aei sqq47 is gegeven1 worden in het origineel bij de afzonderlijke bespreking dezer groepen nog eens herhaald4 ,in deze vertaling is echter volstaan met een verwijzing4 ,voorts ben ik mij zeer wel bewust van de leemten in de twee-talige weergave der genera-lijsten in dit hoofdstuk4 ,j4,m4 ,toevoegingen aan ,hoofdstuk ,,vii en ,,viii ,in het laatst van ,juni #ahji ontving de menagerie van het ,museum voor ,natuurlijke ,historie een gewonen zeehond1 ,phoco vitulina die levend van ,boulogne gezonden was1 en had ik de gelegenheid1 de bewegingen en gewoonten van dit dier waar te nemen4 ,sindsdien ben ik nog sterker overtuigd1 dat dit kustdier #dd met de genagelde zoogdieren nader verwant is dan met alle andere1 ondanks de groote verschillen in algemeenen vorm4 ,zijn achterpooten1 ofschoon evenals de voorpooten zeer kort1 zijn zeer vrij-beweeglijk en gescheiden van den kleinen maar duidelijken staart4 ,zelfs kunnen er voorwerpen mee gegrepen worden als met echte handen4--,ik heb opgemerkt1 dat dit dier naar believen de voeten samenvoegt--zooals wij onze handen--en dan door het uitspreiden der teenen met hun zwemvliezen een vrij breede spatel vormt om ermee te zwemmen1 evenals de visschen met hun staartvin4 ,op het land beweegt zich deze zeehond tamelijk snel door een golvende beweging van het lichaam1 zonder eenige hulp van de achterpooten1 die werkeloos uitgestrekt blijven4 ,daarbij dienen hem de voorpooten slechts 7tot de polsen7 tot steun1 zonder speciaal gebruik van de handen4 ,hij grijpt z'n prooi f met de voeten f met den bek2 en ofschoon de handen soms tepas komen bij het stukknauwen van den buit schijnen zij toch in de eerste plaats bij het zwemmen dienst te doen4 ,ook heb ik bemerkt1 dat hij de neusgaten gemakkelijk en volledig kan sluiten1 hetgeen hem zeer ter stade komt bij het duiken1 daar het dier dikwijls vrij lang achtereen onder water verblijft waar het zelfs op zijn gemak voedsel gebruikt4 ,ik zal dezen zeer bekenden zeehond niet verder beschrijven4 ,de bedoeling was alleen om op te merken1 dat de tweeslachtige zoogdieren in het verlengde van de lichaamsas geplaatste achterpooten hebben omdat zij voortdurend gedwongen zijn deze1 vereenigd1 bij wijze van staartvin te gebruiken onder uitspreiden van de teenen4 ,zoo kunnen ze deze kunstmatige vin naar rechts en links uitslaan en hun voortbeweging bespoedigen of wijzigen4--,het zou bij die achterwaartsche richting niet gebleven zijn van de zeehond-voeten3 zij zouden geheel met elkaar vergroeid zijn1 gelijk die der zeekoeien1 als zij niet zoo vaak gebruikt werden tot het grijpen en wegvoeren van de prooi 774 ,want de daarbij vereischte bijzondere bewegingen veroorloven aan de voeten geen duurzame1 maar slechts een tijdelijke vereeniging4 ,bij de zeekoeien daarentegen1 die zich gewend hebben aan een voeding met ondergedoken oeverplanten en hun vereenigde voeten uitsluitend bij wijze van staartvin gebruiken1 zijn in de meeste gevallen de achterpooten onderling en met den staart geheel versmolten 774 ,ziehier dus bij dieren van overeenkomstigen oorsprong een nieuw bewijs voor den invloed van gewoonten op vorm en toestand der organen1 't welk ik toevoeg aan alle vroeger genoemde in hoofdstuk ,,vii van dit werk4 ,ik zou er nog een ander1 zeer treffend bewijs bij kunnen voegen met betrekking tot de zoogdieren1 voor welke het vliegvermogen iets zeer vreemds schijnt te zijn4 ,ik zal aantoonen1 hoe vanaf de vrspringers onder hen tot de goede vliegers de natuur geleidelijk de huid van deze dieren heeft uitgebreid1 hetgeen hen ten slotte in staat stelde te vliegen1 even goed als de vogels1 zonder daarmede intusschen nader verwant te zijn4 ,zoo kunnen de vliegende eekhoorns 7,sciurus volans1 aerobates1 petaurista1 sagitta1 volucella7 slechts een zeer langen sprong maken als zij zich van een boom laten vallen of van den eenen naar den anderen springen over een matigen afstand2 zij hebben eerst sinds betrekkelijk korten tijd de gewoonte om hun ledematen bij het springen uit te strekken1 aldus een soort parachute vormend4 ,door veelvuldig herhalen van dergelijke sprongen is bij deze soorten de huid in de flanken beiderzijds uitgedijd tot een soepele membraan die de voor- met de achterpooten vereenigt en door een groote luchtmassa te bestrijken een plotselingen val voorkomt4 ,deze dieren hebben nog geen huid tusschen de vingers4 ,bij ,galeopithecus1 de vliegende maki1--wiens vlieggewoonte ongetwijfeld van nog vroeger datum dateert dan van ,pteromys ,geof4--is het valscherm nog meer ontwikkeld1 niet alleen tusschen de pooten onderling maar ook tusschen de vingers en voorts den staart met de achterpooten vereenigende4 ,de sprongen1 grooter dan bij de bovengenoemde soorten1 naderen dan ook het echte vliegen4 ,waarschijnlijk nog veel ouder dan de vliegende maki's zijn de verschillende vleermuizen in de gewoonte om hun ledematen en zelfs hun vingers uit te strekken tot het bestrijken van een groote hoeveelheid lucht1 waarop zij gedragen worden bij het fladderen4 ,door die reeds zoo lang geleden aangenomen en volgehouden gewoonten hebben zij niet alleen een zijdelingsche vlieghuid gekregen1 maar ook1 in voortzetting daarvan1 eenerzijds flinke vliezen tusschen de buitengewoon verlengde vingers 7den duim uitgezonderd71 anderzijds tusschen de staart en achterpooten1 al welke tezamen groote vlerken vormen1 uitstekend tot vliegen geschikt4 ,zoo groot is dus de macht der gewoonten1 dat zij een merkwaardigen invloed hebben op den vorm der deelen1 en aan de betreffende dieren vermogens geven1 ontbrekende bij dieren met andere gewoonten4 ,aan de bespreking der kust-zoogdieren behaagt het mij hier de volgende beschouwingen vast te knoopen1 die door al mijn waarnemingen meer en meer bevestigd worden4--,ik twijfel geenszins1 of de zoogdieren zijn oorspronkelijk werkelijk uit het water afkomstig1 hetwelk de ware wieg is van het heele dierenrijk4 ,inderdaad ziet men thans nog de lagere 7d4z4 de talrijkste7 dieren uitsluitend in het water leven1 zoodat waarschijnlijk alleen dr1 althans op zeer vochtige plaatsen onder gunstige omstandigheden de natuur langs directen weg 7generatio spontanea7 de meest-eenvoudige georganiseerde diertjes heeft voortgebracht1 waaruit dan achtereenvolgens alle andere zijn voortgekomen4 ,zoo wonen1 gelijk bekend1 de infusoren1 polypen en straaldieren zonder uitzondering in het water en de wormen althans niet buiten zeer vochtig terrein4 ,wat nu betreft de wormen1 die n aanvangsloot schijnen te vormen van den dierenstam1--zooals klaarblijkelijk de infusoren de andere--zoo hebben zich waarschijnlijk de uitsluitende waterbewoners onder hen 7d4w4z4 de niet-parasitische vormen1 zooals ,gordius en verscheidene nog onbekende7 aldaar zeer gedifferencieerd2 en diegene1 die zich aan de lucht zijn gaan blootstellen1 hebben naar allen schijn de amphibische insecten voortgebracht1 zooals ,culex1 ,ephemera1 enz4 enz4 771 waaruit voorts dan weer de overige1 echte lucht-insecten zouden zijn ontstaan 774 ,maar verscheidene soorten van deze laatste hebben1 door in overeenstemming met de omstandigheden hun gewoonten te veranderen tot een eenzame of verborgen levenswijs1 het aanzijn gegeven aan de spinachtige dieren1 welke bijna alle een lucht-leven leiden 774 ,diegene van de arachniden ten slotte1 die zich meer en meer aan een water-leven gewend hebben1 en de atmospherische lucht ten slotte geheel hebben vaarwel gezegd--hetgeen voldoende bewezen wordt door de verwantschap van de duizend- met de millioenpooten1 van deze met de land-pissebedden1 en van deze weer langs waterpissebed met de garnalen1 etc4--zij hebben het aanzijn gegeven aan het heele rijk der schaaldieren 774 ,de overige water-wormen1 die hun element nooit verlaten en wier mettertijd veelvuldiger en meer verschillend geworden soorten overeenkomstig zijn vooruitgegaan in de samenstelling van hun organisatie1 hebben geleid tot de vorming der anneliden1 cirrhipedin en mollusken1 welke tezamen een ononderbroken reeks vormen in de dierenscala4 77 ,ondanks de aanzienlijke gaping1 die wij bevinden tusschen de bekende weekdieren en de visschen1 zoo zijn toch uit eerstgenoemde--door tusschenkomst van voorshands nog onbekende vormen--de visschen gesproten en uit deze weer de kruipende dieren4 ,als wij zoo voortgaan1 den mogelijken oorsprong der verschillende dieren te overwegen1 dan twijfelen we niet of de reptielen hebben in twee verschillende takken1--door de omstandigheden bedongen1--eenerzijds het aanzijn gegeven aan de vogels1 anderzijds aan de amphibische zoogdieren en deze op hun beurt aan alle overige mammalin 774 ,daar n4l4 de uit visschen ontstane tweeslachtige reptielen 7,batrachia7 en de hieruit weer voortgekomen slangen allebei slechts n hartboezem hebben1 zoo heeft de natuur gemakkelijk den boezem der andere kruipende dieren kunnen verdubbelen1 welke twee afzonderlijke takken vormen2 bij de aanvangsleden daarvan was vervolgens ook de hartkamer gemakkelijk dubbel te maken4 ,zoo schijnen dan onder de reptielen met dubbelen boezem de schildpadden het aanzijn gegeven te hebben aan de vogels 774 ,want afgescheiden nog van eenige andere onmiskenbare trekken van verwantschap ziet men welhaast geen wezenlijk verschil in algemeen voorkomen wanneer men een schildpaddekop op het lichaam van bepaalde vogels zet4 ,anderzijds schijnen de hagedisachtigen 7,sauria7 vooral de platstaartige1 zooals de crocodillen1 de amphibische zoogdieren te hebben voortgebracht 774 ,indien uit de schildpadden de vogels voortgekomen zijn zoo mag men voorts veronderstellen dat van de zwemvoetige watervogels1 vooral de kortvleugelige daaronder1 zooals de pinguins en vetganzen1 de kloaakdieren zijn afgestamd774 ,als ten slotte uit den tak der hagedisachtigen werkelijk de kust-zoogdieren zijn gesproten1 dan geldt dit naar alle waarschijnlijkheid ook voor alle overige zoogdieren4 ,niet zonder reden geloof ik dus1 dat oorspronkelijk de landzoogdieren geboren zijn uit door ons dusgenoemde amphibische zoogdieren 774 ,want waar deze zich1 door op den duur verschillende gewoonten aan te nemen1 in drie takken gesplitst hebben1 daar heeft een dezer groepen geleid tot de vorming der cetacea1 een andere tot de ungulata en de derde tot de unguiculata of genagelde zoogdieren 774 ,diegene van de tweeslachtige zoogdieren bijvoorbeeld1 die aan hun kust-leven getrouw bleven1 gingen twee richtingen uit in de wijze van voeding4 ,sommige1 zich gewennende aan plantenkost1 zooals de zeekoeien en lamatijnen1 voerden later gaandeweg tot de hoefdieren1 zooals dikhuidigen1 herkauwers1 etc4774 ,de andere daarentegen1 de zeehonden c4s41 die de gewoonte aannamen zich slechts met visch en ander zeegedierte te voeden1 leidden tot het ontstaan van de unguiculaten1 door middel van soorten1 die al varieerende geheel tot een landleven overgingen4 77 ,aan den anderen kant hebben die zoogdieren1 welke ten slotte het natte element nooit meer verlieten en slechts voor de ademhaling aan de oppervlakte kwamen waarschijnlijk het aanzijn gegeven aan de verschillende tegenwoordige cetacea4 ,het reeds uit een ver verleden dagteekenende1 volslagen zeeleven der walvischachtigen heeft dan ook hun bewerktuiging dusdanig gewijzigd1 dat de onderkenning van hun afkomst er thans zeer door bemoeilijkt is4--,inderdaad zijn in den loop van den onmetelijken tijd1 dat deze dieren in den boezem der zeen leven1 de achterpooten1 die nooit gebruikt werden1 bijvoorbeeld om den prooi te grijpen1 geheel en al verdwenen1 evenals het gebeente daarvan en zelfs het tot steun en bevestiging dienende bekken4--,maar de invloed van omgeving en gewoonten openbaart zich bij hen ook in de voorpooten1 die1 geheel door huid omhuld als ze zijn1 uitwendig geen vingers meer laten onderscheiden1 zoodat ze beiderzijds zich nog slechts als een vin vertoonen1 waarin het geraamte van de hand verborgen is4 ,voorzeker bracht het plan van organisatie der walvischachtigen als zoogdieren mede1 om vier ledematen te hebben met een bekken tot steun van de achterste daarvan4 ,voorzoover deze deelen nu hier ontbreken1 is dit1 gelijk ook elders1 het gevolg van terugvorming door langdurig onbruik1 als zijnde nutteloos geworden deelen4 ,gezien het feit1 dat bij de zeehonden het bekken slechts zwak ontwikkeld is1 n4l4 nauw en zonder uitspringende heupen1 zal men gevoelen1 dat dit veroorzaakt moet zijn door het middelmatige gebruik der achterste ledematen en dat bij geheel ophouden daarvan die pooten zelf en het bekken wel zouden kunnen verdwijnen4 ,de hier uiteengezette beschouwingen nu zullen ongetwijfeld slechts eenvoudige gissingen schijnen wegens de onmogelijkheid1 ze met direkte1 stellige bewijzen te schragen4 ,maar bij eenige aandacht voor de in dit werk meegedeelde waarnemingen en een deugdelijk onderzoek van de opgenoemde dieren en van het product van hun gewoonten en omgeving zal men bevinden1 dat deze gissingen een groote mate van waarschijnlijkheid erlangen4 ,het volgende overzicht moge het begrip van een en ander verduidelijken4 ,men zal eruit zien dat naar mijne meening de dierenladder begint met minstens twee afzonderlijke stammen en dat hier en daar gaande-weg eenige takken haar schijnen af te sluiten4 ,,overzicht ,,van ,,de ,,afstamming ,,der ,,verschillende ,,dieren ,vermes ,infusoria _/ ,polypi _/ ,radiata _/ _/ _/ ,insecta _/ ,arachnida _/ ,crustacea ,annelida ,cirrhipedia ,mollusca ,pisces ,reptilia _/ _/ _/ ,aves ,monotremata ,mam4 ,amphibia _/ _/ _/ ,m4 ,cetacea _/ _/ _/ ,m4 ,ungulata _/ ,m4 ,unguiculata ,van elk der beide stammen1 waarmede deze dieren-reeks begint1 ontleenen de allereerste1 eenvoudigste vormen hun aanzijn aan oer-voortbrenging of generatio spontanea4 77 ,een belangrijke oorzaak verhindert ons1 de achtereenvolgens teweeggebrachte wijzigingen te onderkennen1 die de dieren tot hun tegenwoordigen staat gevoerd hebben1 en wel deze1 dat wij van die veranderingen nooit getuige zijn4 ,zoo aanschouwen wij dan de voldongen feiten maar zien het proces zich niet voltrekken en zijn daardoor van nature geneigd te gelooven1 dat de dingen niet gaandeweg zoo gegroeid zijn maar altijd in hun tegenwoordigen vorm bestaan hebben4 ,terwijl het ,geheel der natuur en hare wetten zichzelf steeds gelijk blijven worden van de veranderingen1 die de natuur onophoudelijk zonder uitzondering in allen deele volvoert1 diegene gereedelijk door den mensch onderkend1 wier duur dien van zijn eigen leven niet aanzienlijk overtreft4 ,maar die1 welke een langen tijdsduur vereischen1 gaan hem voorbij4 ,teneinde mijne bedoelingen te verduidelijken veroorlove men mij de volgende veronderstelling3 ,indien het menschelijk leven niet langer duurde dan een seconde1 dan zou een iegelijk onzer den uurwijzer van een gewone1 loopende pendule nooit van plaats zien veranderen ofschoon in werkelijkheid die wijzer niet stationair zou zijn4 ,de waarnemingen van dertig geslachten zouden niets zekers leeren omtrent de verplaatsing van dezen wijzer want de in een halven minuut afgelegde weg zou te gering zijn om goed te worden opgemerkt2 en indien we uit veel oudere waarnemingen zouden opmaken1 dat de wijzer werkelijk van plaats veranderd is1 zouden we dat niet gelooven en eerder een of andere vergissing veronderstellen1 daar ieder den wijzer steeds op dezelfde plek van de wijzerplaat heeft zien staan4 ,aan mijn lezers laat ik het over1 alle desbetreffende toepassingen te maken4 ,de natuur1 dat mateloos geheel van verschillende lichamen en wezens in allen deele waarvan een eeuwige cyclus heerscht van bewegingen en veranderingen1 aan wetten onderworpen2 dit geheel1 alleen onveranderlijk zoolang het zijn verheven ,schepper behaagt het in stand te houden1 moet beschouwd worden als een veelnheid met1 als zoodanig1 een alleen aan zijn ,schepper bekend doel en niet bestaande om der wille van een der samenstellende deelen in het bijzonder4 ,daar elk deel noodwendig moet veranderen en al verkeerende zichzelf opheffen1 zoo druischt zijn belang in tegen dat des geheels4 ,zoo het verstand heeft oordeelt het dat ,geheel kwalijk gesteld te zijn4 ,in werkelijkheid echter is het ,geheel der dingen volmaakt en vervult volkomen het doel1 waarvoor het bestemd was4 ,korte ,inhoud van het ,eerste ,deel pag4 ,voorwoord van ,professor ,sluiter ,v ,voorwoord van den ,vertaler ,,ix ,voorrede ,,ix ,motieven van het werk en algemeene gezichtspunten over de erin behandelde onderwerpen4 ,inleiding ,,xxiii ,eenige algemeene beschouwingen over het belang van de studie der dieren1 in het bijzonder van hun organisatie1 vooral van de lagere4 ,eerste ,deel ,beschouwingen over de natuurlijke historie der dieren1 hun eigenaardigheden1 verhoudingen1 organisatie1 rangschikking en indeeling in soorten4 ,hoofdstuk ,i ,de kunstmatige hulpmiddelen der ,natuurwetenschappen #c ,hoe de systematische rangschikking1 klassen1 orden1 families1 geslachten en de nomenclatuur slechts kunstmiddelen zijn4 ,hoofdstuk ,,ii ,belang van een beschouwing over de natuurlijke overeenkomsten #ae ,hoe de kennis van de natuurlijke overeenkomsten tusschen de verschillende natuurvoortbrengselen de grondslag is van de natuurwetenschappen en van de algemeene rangschikking der dieren4 ,hoofdstuk ,,iii ,over de soort bij de levende wezens en het begrip daaraan te hechten #bc ,hoe het niet waar is1 dat de ,,soorten even oud zouden zijn als de natuur zelve en onderling even oud2 maar dat zij zich achtereenvolgens gevormd hebben en slechts een betrekkelijke standvastigheid1 een tijdelijke onveranderlijkheid vertoonen4 ,hoofdstuk ,,iv ,algemeene opmerkingen over de dieren #da ,de handelingen der dieren voltrekken zich slechts door opgewekte1 niet door meegedeelde bewegingen4 ,slechts de ,,prikkelbaarheid is een algemeene en uitsluitende eigenschap1 de bron hunner handelingen1 en het is niet waar1 dat alle dieren gevoel zouden hebben1 of wilshandelingen uitvoeren4 ,hoofdstuk ,v ,over de huidige indeeling en ordening der dieren #ed ,dat de algemeene indeeling der dieren1 tenminste in haar hoofdgroepen1 een reeks vormt1 overeenkomstig de toenemende smenstelling van organisatie1 dat de kennis van de betrekkingen tusschen de verschillende dieren de eenige gids is1 die ons leiden kan bij het opstellen van die indeeling1 zoodat zijn gebruik de willekeur doet verdwijnen2 dat tenslotte1 daar het aantal scheidslijnen1 7die in die indeeling tot het vormen der klassen getrokken moesten worden7 aangegroeid is naarmate men de verschillende orgaanstelsels leerde kennen1 er thans veertien klassen worden onderscheiden1 zeer bevorderlijk voor de zologische studin4 ,hoofdstuk ,,vi ,trapsgewijze afklimming en vereenvoudiging der organisatie van het eene einde van de ,keten der dieren tot het andere #ga ,dat bij het afdalen van de keten der dieren in de gewone volgorde vanaf de meer naar de minder volkomene men een toenemende afklimming en vereenvoudiging van organisatie waarneemt2 dat bijgevolg bij het doorloopen van de dierenscala in mgekeerde1 d4w4z4 natuurlijke volgorde een toenemend samengestelder worden van de organisatie zal opgemerkt worden1 die overal regelmatig zou voortschrijden indien de omstandigheden van de woonplaatsen1 levenswijze enz4 er niet verschillende afwijkingen van hadden veroorzaakt4 ,hoofdstuk ,,vii ,van den invloed der omstandigheden op handelingen en gewoonten der dieren en van deze als oorzaken1 die hun samenstelling en deelen wijzigen #abd ,hoe de veelsoortigheid der omstandigheden van invloed is op organisatie1 algemeenen vorm en deelen der dieren2 hoe verandering in de verblijfplaatsen en levenswijze wijziging in de handelingen der dieren teweegbrengt en deze laatste1 tot gewoonte geworden zijnde1 herhaaldelijker gebruik vereischt van bepaalde lichaamsdeelen1 hetgeen ze verhoudingsgewijze ontwikkelt en vergroot1 een ander deel daarentegen juist weer buiten gebruik zal stellen1 het geen de ontwikkeling tegenhoudt1 het doet vermageren om ten slotte te verdwijnen4 ,hoofdstuk ,,viii ,over de natuurlijke ,orde der ,dieren en hoe hun indeeling daarmede te doen overeenstemmen #aec ,dat een waarlijk natuurlijke rangschikking der dieren in een reeks moet beginnen met de meest onvolkomene en eenvoudigste om met de hoogst-ontwikkelde te eindigen2 want hun voortbrengster1 de natuur1 heeft hen niet alle tegelijk in het leven kunnen roepen4 ,dus bij hun achtereenvolgens tot aanzijn brengen heeft zij noodwendig moeten beginnen met de eenvoudigste en is aan de meest samengesteld-bewerktuigde pas in de laatste plaats kunnen toekomen4 ,dat de hier voorgestelde indeeling klaarblijkelijk het dichtst nadert tot de natuurlijke ,orde zelve2 zoodat indien er al correcties in noodig zijn1 dit dan toch slechts de onderdeelen kan betreffen2 gelijk ik dan inderdaad geloof1 dat de naakte polypen 7p4 #afh7 de derde orde van hun klasse zullen moeten vormen en de drijvende polypen de vierde4 ,toevoegingen aan ,hoofdstuk ,,vii en ,,viii #bae ,,aanteekeningen #a ,het woord moral is hier steeds vertaald door psychisch of abstract 7,vert47 #b ,ik noem abstract 7faits moraux7 de wiskundige waarheden1 d4w4z4 de resultaten van qualitatieve1 quantitatieve of energetische berekeningen1 omdat zij niet door de zinnen maar door het verstand erkend worden4 ,deze abstracte feiten nu omvatten zoowel positieve waarheden1 waaronder de waarneembaarheden omtrent het bestaan der lichamen1 als vele andere hierop betrekking hebbende 7,emend4 naar ,martins4 ,vert47 #c ,zie het uitstekende werk van ,cabanis1 getiteld3 ,rapport du physique et du moral de l'homme4 #d ,de emandatie van ,martins hier niet gevolgd6 7,vert47 #e ,nota bene 7,vert47 #f ,alle ontdekkingen en waarnemingen der natuuronderzoekers zouden in vergetelheid verzinken en voor de maatschappij verloren gaan1 als de geobserveerde objecten niet elk een naam hadden gekregen1 waarmee ze dadelijk zijn aan te duiden als men 't er over heeft4 ,dictionaire de ,botanique1 art4 ,nomenclature4 #g ,men heeft begrepen1 dat een nauwkeurige bepaling van de eigenaardigheden van elk bereikbaar voorwerp der natuur noodzakelijk was1 om ze ons ten gebruike te kunnen verschaffen4 ,en daarom moest men hun verschillende kenmerkende bijzonderheden van samenstelling1 vorm1 afmeting enz4 onderzoeken4 ,tot op zekere hoogte is men na gezette studie hierin geslaagd4 ,dit deel van den natuurwetenschappelijken arbeid is het meest gevorderd1 sedert #a-a_/b eeuw heeft men1 en met reden1 krachtige pogingen aangewend om het te volmaken1 omdat het ons helpt bij kennisnemen van nieuw ontdekte dingen en ons herinneren van oude2 en omdat het nu en later de kennis moet vastleggen van nuttig gebleken voorwerpen4 ,maar daar de natuurvorschers te veel den nadruk gelegd hebben op de scheidsmuren tusschen afdeelingen van het planten- en dierenrijk en zich bijna uitsluitend op n soort werk hebben toegelegd1 zonder beschouwingen van uit het ware gezichtspunt en zonder onderling overleg1 d4w4z4 vruit beginselen overeen te komen voor de begrenzing van elk deel van die groote onderneming en voor elke determineering1 zijn er tal van misbruiken binnengeslopen4 ,zoodat waar ieder willekeurig zijn normen wijzigde voor de klassen1 orden en genera1 en het publiek voortdurend talrijke verschillende classificaties worden voorgezet1 ondergaan de geslachten onophoudelijke wijziging en veranderen de natuurvoortbrengselen als gevolg van dien gedachteloozen gang van zaken al maar van naam4 ,daardoor is de synonymie afschrikwekkend uitgebreid4 ,elken dag wordt de wetenschap duisterder1 hult zij zich in schier onoverkomelijke moeilijkheden1 en verkeert zich de best bedoelde poging van den mensch tot herkenning en onderscheiding van al het door de natuur ter waarneming en gebruik gebodene in een geweldig doolhof1 waarin men terecht vreest1 zich te begeven4 ,discours d'ouverture du ,cours de #ahjf1 p4 #e #f4 #h ,de vertaler verontschuldigt zich voor eenige bewustelijk gebruikte germanismen4 #i ,emend4 ,martins gevolgd4 7cf4 ,a4 ,lang74 #aj ,annales du ,mus4 d',hist4 ,natur4 vol4 ,i1 p4 #bce-bcf4 #aa ,zie ,recherches sur les corps vivans1 aanhang1 p4 #ada4 #ab ,hydrogeologie1 p4 #da sqq4 #ac ,hydrogeologie1 p4 #aab4 #ad ,hier staat een botanische aanteekening1 refereerende aan ,hist4 nat4 des vgtaux1 uitg4 ,dterville1 ,vol4 ,i4 p4 #bjb1 van den auteur 7vert47 #ae ,letterlijk op te vatten als indeeling in klassen2 hier verder ook weergegeven door groepeering 7vert47 #af ,reptiles4 #ag ,ter afwisseling zijn nu eens de hollandsche benamingen gebruikt 7vert47 #ah ,robben 7vert47 #ai ,robben 7vert47 #bj ,waar de vogels doorboorde longen en tot veeren omgevormde haren hebben als gevolg van hun luchtleven1 zal men mij vragen1 waarom dan de vleermuizen ook geen dergelijke longen en veeren bezitten8 ,ik antwoord1 dat de vleermuizen waarschijnlijk1 als zijnde hooger georganiseerd1 door de aanwezigheid van een middenrif1 dat het uitdijen der longen beperkt1 er niet in geslaagd zijn deze te doorboren1 noch zich voldoende op te blazen1 zoodanig dat de lucht1 met kracht de huid bereikende1 aan de hoornstof der haren het vermogen kon geven1 zich tot veeren te vertakken4 ,immers1 bij de vogels dringt de lucht het haarzakje binnen1 verandert de basis in een buisje1 en dwingt deze haren zich uit te pluimen4 ,bij de vleermuizen is dat onmogelijk1 wijl de lucht niet buiten de longen treedt477 #ba ,lepas1 ,balanus1 ,coronula1 ,tubicinella4 #bb ,juist bij de spinnen is het hart gemakkelijk aan te toonen4 ,bij de onbehaarde soorten kan men het door de huid heen zien kloppen4 ,bij verwijdering daarvan bemerkt men een hol1 langwerpig1 voor en achter puntig orgaan1 tot aan het kopborststuk loopende1 en van waaruit ter weerszijden duidelijk twee of drie paar vaten verloopen 7,cuvier1 ,anat4 ,comp4 vol4 ,,iv1 p4 #adai4 #bc ,de kever ,calosma o4a4 paart ongeveer #c keer en leeft meerdere jaren 7vert47 #bd ,in verband met p4 #ca is wellicht industrie hier bedoeld als de psychische gesteldheid1 die aan deze verrichtingen ten grondslag ligt 7vert47 #be ,zie noot op #ajd4 #bf ,in het origineel dwaalt hier de schrijver in een noot over de geluidstof af naar zijn ,hydrogeologie1 p4 #bbe4 #bg ,vrij vertaald4 ,er staat3 la facult de reproduire lui mme d'autres individus1 qui lui ressemblent1 qui le remplacent et qui perpetuent sa race par la mme voie2 deze tusschenvoeging maakt echter den heelen passus dubbelzinnig en is daarom hier weggelaten 7vert47 #bh ,zie ,voyage du jeune ,anarcharsis1 door ,j4 ,j4 ,barthelemy1 deel ,v1 p4 #cec en #ced4 #bi ,aldus afgekort ter vermijding van herhalingen 7,vert47 #cj ,bryozoa ,hydroida4 #ca ,een synasceidie4 #cb ,een kalkwier4 #cc ,een ,bryozoon 7vert47 #cd ,een ,tunicaat 7vert47 #ce ,een ,gephyree 7vert47 #cf ,ten einde de voortbewegings-organen te verbeteren bestond de behoefte om het stelsel van gelede1 sceletlooze pooten te verlaten ten gunste van dat met vier knokige ledematen1 't welk de allerhoogste dieren characteriseert4 ,dit nu heeft de natuur bij de anneliden en mollusken a4h4w4 voorbereid1 om eerst bij de visschen het typische bouwplan der gewervelde dieren aan te vangen4 ,zoo zijn bij de ringwormen de gelede pooten verlaten en bij de weekdieren daarenboven de ganglieketen4 #cg ,parasitische copepoden op visschen levende2 #ch weekdieren 7slangenslak en olifantstand1 vert47 #ci ,manteldieren1 7vert47 #dj ,komt tweemaal voor6 7vert74 #da ,identiek met ,phascolomys 7vert47 #db ,blijkbaar heerscht reeds bij ,lamarck verwarring in de nomenclatuur der anthropoiden4 #dc ,zie eenige waarnemingen over den ,,chimpansee in mijne ,recherches sur les corps vivans1 p4 #acf4 #dd amphibie 7vert47