,,de ,,wereld ,v,r ,,de ,,schepping ,,van ,,den ,,mensch4 ,,naar ,,flammarion ,,voor ,,nederland ,,bewerkt ,,door ,,dr4 ,b4 ,c4 ,,goudsmit4 ,leeraar aan de ,h4 ,b4 ,s4 en het ,gymnasium te ,zutphen4 ,,met ,,meer ,,dan #cjj ,,gravures ,,en ,,gekleurde ,,platen4 ,,zutphen4--,w4 ,j4 ,,thieme ,cie4 snelpersdruk van ,h4 ,c4 ,a4 ,,thieme1 te ,nijmegen4 ,,inhoud4 ,inleiding4 #a ,,eerste ,,boek4 ,de geboorte der aarde4 #bb ,,tweede ,,boek4 ,het azosche tijdperk4 ,,hoofdstuk ,i4 ,bloedverwantschap en afstamming4 ,begin van het leven4 ,de eerste organismen4 #da ,,hoofdstuk ,,ii4 ,ontwikkeling van het leven4 #gg ,,hoofdstuk ,,iii4 ,eerste planten en eerste dieren4 #abf ,,derde ,,boek4 ,het primaire tijdperk4 ,,hoofdstuk ,i4 ,de tijdperken in de schepping4 ,de formaties1 hare verdeeling4 #aga ,,hoofdstuk ,,ii4 ,de veranderingen van den bodem in onzen tijd4 #aij ,,hoofdstuk ,,iii4 ,de devonische periode4 #bdi ,,hoofdstuk ,,iv4 ,de steenkoolperiode4 #bfi ,,hoofdstuk ,v4 ,de ,permische periode4 #cab ,,vierde ,,boek4 ,het secundaire tijdperk4 ,,hoofdstuk ,i4 ,de triasperiode4 #cbg ,,hoofdstuk ,,ii4 ,de ,juraperiode4 #cfi ,,hoofdstuk ,,iii4 ,de krijtperiode4 #dde ,,vijfde ,,boek4 ,het tertiaire tijdperk4 ,,hoofdstuk ,i4 ,de ,eocene periode4 #dhd ,,hoofdstuk ,,ii4 ,de ,miocene periode4 #ebi ,,hoofdstuk ,,iii4 ,de ,pliocene periode4 #eef ,,zesde ,,boek4 ,het quaternaire tijdperk4 ,,hoofdstuk ,i4 ,het vierde tijdperk van het leven op aarde en de eerste dagen van het tegenwoordige tijdperk4 #ega ,,hoofdstuk ,,ii4 ,de schepping van den mensch4 #eii ,,gekleurde ,,platen4 ,,plaat ,i4 ,de eerste eeuwen der menschheid4 ,titelplaat4 ,,plaat ,,ii4 ,een bosch uit de steenkoolperiode4 ,tegenover4 #bgb ,,plaat ,,iii4 ,tooneel uit de secundaire periode4 ,tegenover4 #cfe ,,plaat ,,iv4 ,europeesch landschap der tertiaire periode4 ,tegenover4 #dhi ,,de ,,wereld ,v,r ,,de ,,schepping ,,van ,,den ,,mensch4 ,,inleiding4 ,de eerste dagen der aarde4 ,er was een tijd1 dat de menschheid nog niet bestond4 ,de aarde bood toen eenen aanblik aan1 die geheel afweek van dien1 welken zij thans aanbiedt4 ,in de plaats van het verstandige1 nijvere en werkzame leven1 dat thans op hare oppervlakte heerscht2 in de plaats van die bevolkte steden1 dorpen en woningen1 van die bebouwde akkers1 die wijngaarden en tuinen1 van die wegen1 die spoorbanen1 schepen1 fabrieken en werkplaatsen2 van die paleizen1 tempels en monumenten2 in de plaats van die voortdurende werkzaamheid1 die tegenwoordig alle natuurkrachten aan zich dienstbaar maakt1 in de diepten der aarde doordringt1 de raadselen des hemels ontsluiert1 de wonderen van het heelal bestudeert en de geheele geschiedenis der schepping in zich schijnt te vereenigen3 bestonden er slechts woeste en ondoordringbare wouden1 rivieren1 die in de doodsche stilte stroomden tusschen eenzame oevers1 nooit beklommen bergen1 valleien zonder hutten1 avonden zonder droomen1 sterrenrijke nachten zonder waarnemers4 ,er bestond geen wetenschap en geene letterkunde2 geene schoone kunsten en geene nijverheid2 geene politiek en geene geschiedenis2 geen taal1 geen verstand1 geene gedachte4 ,in dien tijd waren de treur- en kluchtspelen van het menschelijk leven op aarde onbekend4 ,genegenheid en haat1 liefde en nijd1 deugd en boosheid1 zelfopoffering1 geestdrift en toewijding1 in n woord alle hartstochten1 die het stramien van het weefsel des menschelijken levens vormen1 bestonden nog niet4 ,de bewoners der aarde bestonden zonder het te weten en arbeidden zonder doel4 ,hier was het de logge mastodon1 die onder zijne voetstappen de bloemen vertrad1 die reeds te voorschijn gekomen waren1 of het ontzaglijke megatherium1 dat met zijnen snuit de wortelen der boomen opdolf1 of de mylodon robustus1 die knaagde aan de lage takken der cederen1 of het ,dinotherium ,giganteum1 het grootste van de zoogdieren1 die ooit bestaan hebben1 dat zijne lange slagtanden in de diepe wateren onderdompelde om er de bezonken planten uit te voorschijn te halen2 daar waren het de voorwereldlijke apen1 die hunne kromme sprongen maakten op de heuvelen van het voorwereldlijke ,griekenland en hun geslacht voortplantten op de hoogten van het ,parthenon4 ,in die vervlogen tijden sluimerde ,nederland nog in eene onbekende toekomst4 ,een oud bosch had zijnen donkeren mantel over ,frankrijk1 ,belgi en ,duitschland uitgestrekt2 visschen1 die thans niet meer bestaan1 vervolgden elkander in de breede wateren2 thans uitgestorven vogels zongen in de eilanden2 voorwereldlijke kruipende dieren bewogen zich over de rotsen4 ,andere planten en dieren waren over het aardrijk verspreid1 er heerschte eene andere temperatuur1 een ander klimaat1 eene geheel andere wereld4 ,gaan wij nog verder terug in de geschiedenis der aarde1 dan komen wij op een tijdstip1 waarop de oppervlakte van ,europa nog veel meer afweek van hare tegenwoordige gedaante1 een tijdstip1 waarop planten en dieren zzeer van de tegenwoordige verschilden1 dat misschien de bewoners van ,venus of ,mars meer met ons overeenkomen dan deze4 ,reusachtige vleugelvingerigen met breede vleugels sprongen door de lucht1 en die vliegende draken1 die ontzaglijke vleermuizen1 waren toen de vorsten van den dampkring4 ,de ,dimorphodon ,macronyx1 de ,ramphorynchus1 en andere dieren1 nog barbaarscher dan hunne namen1 zetten zich op de boomen neder en klommen met handen en voeten tot boven op de rotsen1 wierpen zich in de lucht1 terwijl zij hunne vliezige valschermen openden1 en wierpen zich als amphibin in de wateren4 ,in dien tijd ook1 leverden de reusachtige vischhagedissen1 de ,ichthyosaurus en ,plesiosaurus slag in de bewogen wateren1 de lucht vervullende met hun woest gebrul1 breedkoppige monsters met ontzaglijke kaken1 van tien tot twaalf meters lengte1 en somtijds met tweeduizend tanden in hunnen bek4 ,de ,iguanosaurus en de ,megalosaurus bewoonden de wouden1 waarin reusachtige boomen1 varens en duizenden kegeldragende boomen hunne pyramidale toppen verhieven4 ,de ,iguanodon1 een monster1 dat op onzen ,kanguro gelijkt1 had eene lengte van veertien meters3 met de pooten tegen onze tegenwoordige huizen staande1 zou hij tot boven de bovenste verdieping reiken4 ,wat verbazende massa's1 vergeleken met die van onzen tijd6 ,wel overtreffen die fantastische wezens die1 welke de menschelijke verbeelding heeft uitgevonden1 zooals de ,centaur1 de ,chimaera1 de ,draak1 de ,griffioen1 de ,cerberus1 de ,vampyr3 en zij hebben werkelijk geleefd in de oorspronkelijke wouden2 zij hebben de ,alpen en de ,pyrenen zien oprijzen uit de zee en zich tot boven de wolken zien verheffen en daaruit zien nederdalen4 ,grootsche landschappen van vervlogen eeuwen6 geen menschenblik heeft u aanschouwd1 geen oor heeft uwe harmonin begrepen1 uwe tooverachtige panorama's hebben geene enkele gedachte opgewekt4 ,des daags verlichtte de zon alleen de gevechten en spelen van het dierlijk leven2 des nachts bescheen de maan den slaap der zich onbewuste natuur4 ,sedert de geboorte der aarde1 sedert het tijdstip1 waarop zij1 losgerukt van de zonnenevelvlek1 als planeet een zelfstandig bestaan verkreeg1 en zich tot eenen bol verdichtte1 afkoelde1 vast en bewoonbaar werd1 zijn zvele millioenen jaren voorbijgegaan1 dat de geheele geschiedenis der menschheid bij dien ontzaglijken tijdkring in het niet verzinkt4 ,de vijftien- tot twintigduizend jaren geschiedenis der menschheid zijn zelfs slechts een klein gedeelte van de tegenwoordige geologische periode4 ,indien wij slechts honderdduizend jaren rekenen 7en dit is matig berekend7 voor den duur der tegenwoordige periode1 het quaternaire tijdstip genaamd1 de vierde sedert het ontstaan der aarde1 dan moet de tertiaire periode driehonderdduizend jaren geduurd hebben1 de secundaire periode twaalfhonderdduizend en de primaire periode meer dan drie millioen jaren4 ,dit is dus te zamen viermillioen zevenhonderdduizend jaren sedert den oorsprong van betrekkelijk reeds ontwikkelde planten en dieren4 ,doch die perioden waren reeds voorafgegaan door eene azosche periode1 waarin het ontstaande leven alleen wordt voorgesteld door lagere soorten van zeewier1 schaaldieren1 weekdieren1 ongewervelde dieren of koplooze gewervelde dieren1 en die azosche periode schijnt #ec honderdsten van de dikte der geologische formaties uit te maken1 en dus alleen reeds meer dan vijfmillioen jaren geduurd te hebben6 ,die tienmillioen jaren stellen dus den ouderdom van het leven op aarde voor4 ,maar de voorbereiding tot die wordingsgeschiedenis heeft nog heel wat langer geduurd4 ,de periode1 vrdat eenig levend wezen op onze planeet verscheen1 overtreft in duur verreweg de periode1 waarin zich de verschillende soorten hebben opgevolgd4 ,met zorg en oordeelkundig gedane proefnemingen hebben het waarschijnlijk gemaakt1 dat onze aarde minstens driehonderdvijftig millioen jaren noodig had1 om van tweeduizend tot tweehonderd graden af te koelen4 ,hoe belangrijk is de geschiedenis eener wereld6 ,hoe loffelijk is de eerzucht1 om ingewijd te worden in de belangrijke geheimen der natuur1 om te willen doordringen tot den raad der oude goden1 die het bestuur van het heelal onder elkander verdeeld hadden4 ,en moet men geen belang stellen in die schitterende veroveringen der moderne wetenschap1 die de graven der aarde opdelvende1 onze verdwenen voorouders heeft weten te doen herleven8 ,op de roepstem van het menschelijke genie hebben die voorwereldlijke monsters gesidderd in hunne donkere graven1 en vooral sedert eene halve eeuw zijn zij n voor n uit hunne graven verrezen1 te voorschijn getreden uit de steengroeven1 de mijnen en de tunnels1 om weder het daglicht te aanschouwen4 ,van alle zijden hebben die oude lijken1 die reeds in den tijd van den zondvloed versteend waren1 en die tot stukken waren verbrijzeld1 de kop hier1 andere deelen ginds1 het bazuingeschal gehoord van het gericht1 het gericht der wetenschap1 en zijn zij uit den doode opgestaan1 en hebben zij zich verbonden als een leger1 samengesteld uit vreemde legioenen van alle landen en alle eeuwen1 en trekken zij in gelederen voor ons voorbij1 vreemdsoortig1 wonderlijk1 links1 onhandig1 monsterachtig1 als kwamen zij uit eene andere wereld1 maar daarbij krachtig1 sterk1 zelfvoldaan1 alsof zij zich van hunne waarde bewust waren1 en ons wilden toeroepen3 ,hier zijn wij1 wij1 uwe voorouders1 wij1 die u het aanzijn geschonken hebben4 ,ziet ons aan en zoekt in ons den oorsprong van uw bestaan4 ,uwe oogen1 waarmede gij het oneindig groote peilt en het oneindig kleine uitmeet1 gij vindt ze bij ons in wording en nederig1 maar toch belangrijk1 want indien die eerste pogingen bij ons niet gelukt waren1 zoudt gij blind zijn4 ,ziet naar uwe handen1 zoo sierlijk en zoo knap1 en aanschouwt dan onze klauwen1 waarvan zij de volmaking zijn2 lacht niet te zeer over onze klauwen1 indien gij uwe handen nuttig en aangenaam vindt4 ,uw mond1 uwe tong1 uwe tanden1 dat alles is fijn1 sierlijk1 lief1 maar het zijn onze muilen1 onze snuiten1 onze bekken1 die uw mond geworden zijn4 ,uwe harten slaan zacht1 geheimzinnig1 en die kloppingen van het menschenhart1 die wij niet kennen1 verschaffen u1 zooals men zegt1 zulke diepe aandoeningen1 dat gij somtijds de geheele wereld zoudt willen geven1 om aan de nietigste dier aandoeningen te kunnen voldoen2 welnu1 ziet hier1 hoe de bloedsomloop begonnen is1 ziet hier het eerste hart1 dat geklopt heeft6 ,en in uwe hersens bewondert gij den zetel der ziel en der gedachte1 en zzeer waardeert gij hunne onvergelijkelijke gevoeligheid1 dat gij nauwelijks hunnen fijnen bouw durft doorgronden2 maar bedenkt1 dat uwe hersenen ons ruggemerg is1 het merg onzer wervelen1 dat zich ontwikkeld1 volmaakt1 gezuiverd heeft1 en bedenkt1 dat zonder ons de natuurkundige1 de geoloog1 de astronoom1 de wijsgeer1 de dichter niet zouden bestaan4 ,ja1 hier zijn wij1 begroet in ons uwe voorouders6 ,zoo zouden die versteende wezens1 de apen1 de halfapen1 de buideldieren1 de vogels1 de kruipende dieren1 de slangen1 de amphibin1 de visschen1 de weekdieren spreken1 en terecht1 want de mensch is de hoogste tak van den stamboom der natuur1 zijne wortels zijn vastgehecht aan den gemeenschappelijken bodem1 en de boom1 welke die schoone vrucht draagt1 is gevormd uit al die soorten1 die in schijn zoo verschillend zijn1 maar in werkelijkheid zoo nauw verwant4--,zij zijn uit den doode opgestaan1 en de beoefenaar der natuur rangschikt ze4 ,en welk denkend en belangstellend wezen1 welke denker1 ja zelfs welk eenvoudig lezer van mengelwerk en romans1 zou niet boven onvruchtbare lectuur het groote boek der natuur verkiezen1 dat voor een ieder geopend is1 en dat door zijne openbaringen zoo belangrijk1 door zijne verrassingen zoo boeiend en zoo verheven is boven alle verdichtselen en sproken8 ,wie zou niet willen ingewijd worden in het groote geheim van den oorsprong van den mensch1 van de geboorte der aarde en de wieg van het heelal8 ,is er n onderwerp1 dat ons meer van nabij raakt1 en onze belangstelling meer kan opwekken8 ,de geschiedenis der aarde bestudeeren1 beteekent eveneens het heelal en den mensch bestudeeren1 want de aarde is eene ster in het heelal1 en de mensch is het voortbrengsel van aardsche krachten4 ,hij is niet de vrucht van een wonder1 hij is het kind der natuur4 ,de dieren zijn niet plotseling op de roepstem van den ,schepper geheel gevormd en volwassen voortgekomen en paarsgewijze1 van den olifant tot de vloo en tot de mikroskopische mikroben2 het eerste paard is niet plotseling van eenen heuvel afgesprongen2 de eerste eik is niet als een honderdjarige geschapen4 ,neen1 de thans bestaande dieren zijn voorafgegaan door oorspronkelijke1 zeer verschillende soorten2 iedereen weet1 dat onze aarde zeer oud is1 en dat hare geologische lagen de versteeningen bevatten van vervlogen tijden2 iedereen weet1 dat uit een anatomisch oogpunt het lichaam van den mensch hetzelfde is als dat der zoogdieren2 iedereen weet1 dat wij nog sporen van organen bezitten1 die ons tot niets dienen1 en die de sporen zijn van die1 welke nog bestonden bij onze voorouders2 iedereen weet1 dat wij vr de geboorte1 in de eerste maanden na de bevruchting in den moederschoot2 weekdier1 visch1 kruipend dier1 viervoetig dier geweest zijn1 daar de natuur in het klein haren grooten arbeid der oude tijden samenvat2 iedereen weet eindelijk1 dat alle levende soorten aan elkander verbonden zijn als de schakels van eenen zelfden keten1 die onmerkbaar in elkander overgaan2 dat het leven op aarde begonnen is met de eenvoudigste wezens1 met planten1 die noch bladeren1 noch bloemen1 noch vruchten hadden en nauwelijks den naam van planten konden dragen1 met dieren1 die noch kop1 noch zintuigen1 noch spieren1 noch maag1 noch bewegingsorganen hadden1 en dus nauwelijks tot het dierenrijk konden gerekend worden1 en dat de wezens langzaam1 ja zelfs onmerkbaar1 trapsgewijze1 in overeenstemming met den toestand van den dampkring en het water1 de temperatuur1 de omgeving en de voeding1 meer levend1 gevoeliger1 karakteristieker1 volmaakter geworden zijn1 om eindelijk uit te loopen op die schitterende en welriekende bloemen1 die het sieraad onzer velden zijn1 op de vogels1 die in de bosschen zingen 444 op den mensch eindelijk1 die het hoogst van allen staat in de rei der levende wezens4 ,meen echter niet1 dat de mensch1 de koning der schepping1 zoo afgescheiden en zoo los is van zijne voorouders1 en ook zoo hoog ontwikkeld als hij wel schijnt4 ,op de veertienhonderd millioen menschelijke wezens1 die op aarde bestaan1 zijn er zoovelen1 die nooit eenig bewijs van verstandelijke ontwikkeling geven1 en dat niet alleen bij de stammen van ,centraal-,afrika1 de ,samojeden of de bewoners van ,vuurland1 maar zelfs bij de beschaafde natin3 menschen1 die niet denken1 die zich nooit rekenschap gegeven hebben van hunne bestemming1 die hoegenaamd geen belang stellen in hun eigen levensdoel1 in de geschiedenis der menschheid1 in die onzer planeet1 die niet weten1 waar zij zijn1 en er zich ook niet om bekommeren1 in n woord1 die geheel als redelooze dieren leven4 ,zij1 die werkelijk denken en een geestesleven leiden1 vormen de minderheid onder de menschheid4 ,toch neemt hun aantal van dag tot dag toe en ontwaakt en ontwikkelt zich het gevoel van belangstelling4 ,de vooruitgang1 die zich langzaam geopenbaard heeft in de volmaking der zintuigen en der hersenen van het dierenrijk1 gaat gestadig voort1 en wij zien dien aan het werk bij onze eigen soort1 die eertijds ruw1 grof1 onbeschaafd1 en thans gevoeliger1 fijner en verstandiger is4 ,de mensch verandert1 en waarschijnlijk sneller dan eenige andere soort4 ,indien iemand over honderdduizend jaren op aarde kon terugkeeren1 zoude hij de menschheid niet meer herkennen4 ,indien wij den toestand van het menschdom vergelijken met dien uit het steenen tijdperk1 dan bespeuren wij reeds eenen merkbaren vooruitgang1 niet alleen moreel1 maar ook lichamelijk4 ,het zijn dezelfde menschen niet meer4 ,de fijnheid van vernuft en van vormen is toegenomen4 ,de spieren zijn minder krachtig1 de zenuwen zijn meer ontwikkeld4 ,de moderne man is minder log en ruw2 onmerkbaar hebben de hersenen de overhand verkregen4 ,de moderne vrouw is fijner en heeft meer kunstgevoel2 zij is blanker1 haar haar is langer en meer zijdeachtig1 haar blik is helderder en hare hand is kleiner4 ,somtijds schijnt de ontwikkeling stil te staan in tijden van omwentelingen en beroeringen1 als de hartstochten ontketend zijn4 ,doch die stilstand is slechts schijnbaar4 ,het geheel wordt medegesleept in het onbewuste zoeken naar het hoogere1 in het streven naar het ideaal4 ,men zoekt en tast en streeft1 en dat streven voert de menschheid1 die nooit bevredigd is1 steeds vooruit naar eenen hoogeren trap van geestesontwikkeling4 ,de schedel modelleert de hersenen2 het lichaam modelleert den geest4 ,de oefening der ledematen ontwikkelt juist die1 welke het meest gebruikt worden1 terwijl die1 welke weinig geoefend worden1 verminderen1 om eindelijk weg te sterven4 ,men kan daarom over de zeden van eene bepaalde periode oordeelen uit den lichaamsbouw der individuen4 ,hoewel men ook in onzen tijd nog dikwijls ziet1 dat macht boven recht gaat1 toch is men thans overtuigd1 dat dit een valsch beginsel is4 ,de dag zal aanbreken1 waarop de mensch zich er over schamen zal1 dat er nog oorlogen gevoerd worden1 en waarop hij zich het oorlogsbudget1 dien mantel van dwaasheid en laagheid1 van de schouders zal werpen4 ,neen1 hij1 die over honderdduizend jaren op aarde zou terugkeeren1 zou het menschdom niet meer herkennen4 ,geen onzer talen zal meer gesproken worden4 ,geene onzer natin zal meer bestaan4 ,eene schitterende beschaving zal ,centraal-,afrika verlicht hebben4 ,de dampkring zal doorploegd zijn met luchtschepen4 ,nieuwe natuurkrachten zullen bedwongen zijn 444 en misschien zal de een of andere photophonische telegraaf ons doen spreken met de bewoners der naburige planeten4 ,de aarde verandert onophoudelijk4 ,hier knaagt de zee aan de sterke kusten en dringt zij tot in het binnenland door2 ginds daarentegen dragen de zeen zand aan1 vormen zij delta's en baaien2 regen en wind doen de bergen afdalen naar de stroomen en den ,oceaan2 onderaardsche krachten heffen andere bergen op2 vulkanen verwoesten en bouwen op2 zeestroomingen en stroomingen in den dampkring wijzigen het klimaat2 de jaargetijden veranderen periodiek2 de planten wijzigen haren vorm1 niet alleen door kweeking1 maar ook door verandering der omstandigheden2 steden ontstaan1 komen tot bloei en sterven2 alles beweegt zich met duizelingwekkende vaart voorwaarts2 in de natuur is nooit rust1 steeds een harmonische1 eeuwigdurende arbeid2 de aarde moge onbewegelijk schijnen3 zij voert ons in de ruimte voort met eene snelheid van #ajfjjj kilometers in het uur2 de sterren schijnen ons toe vast te zijn3 ieder van deze vliegt vooruit met eene duizelingwekkende snelheid2 de stroom aan onze voeten moge kalm schijnen als een spiegel3 hij stroomt steeds voort en voert onophoudelijk het regenwater in den ,oceaan1 dat steeds neervalt uit de wolken1 welke zich steeds vormen uit de dampen van den ,oceaan1 die zich altijd verheffen2 het gras1 waarop wij gezeten zijn1 schijnt slechts een levenloos tapijt te zijn3 het groeit en neemt toe1 en dag en nacht1 zonder een oogenblik van verpoozing bestrijden elkander of verbinden zich2 de moleculen waterstof1 zuurstof en koolzuur in voortdurende werkzaamheid2 en wij zelf1 die droomende dat groote schouwspel der natuur aanschouwen1 wij wanen ons in rust en verbeelden ons1 dat de natuur in ons gedurende onzen slaap eveneens slaapt1 doch dit is eene dwaling3 ons hart klopt1 en zendt bij iederen slag het bloed door onze slagaderen2 onze longen werken1 en hernieuwen onophoudelijk onze levenskracht1 de moleculen1 waaruit ieder deel van ons lichaam is samengesteld1 legeren zich naast elkander1 vereenigen zich1 verjagen elkander1 treden onophoudelijk in elkanders plaats1 en1 indien wij onder den mikroskoop de weefsels onzer organen1 onzer spieren1 onzer zenuwen1 van ons bloed1 ons ruggemerg konden bestudeeren1 en voornamelijk de gisting in onze hersens1 dan zouden wij eene voortdurende inwendige werking bijwonen1 die ieder deel van ons lichaam dag en nacht doet trillen1 van het oogenblik af1 dat wij verwekt zijn1 tot onzen laatsten ademtocht--en nog daarna2 immers na onzen dood keert ons lichaam weder molecule voor molecule in den kringloop der natuur terug1 om deel uit te maken van de planten1 de dieren en de menschen1 die na ons komen3 niets gaat verloren of wordt nieuw geschapen1 wij bestaan uit het stof onzer voorouders1 onze kleinkinderen zullen uit ons stof samengesteld worden4 ,alles verandert en neemt eene andere gedaante aan4 ,men wane niet1 dat tegenwoordig de schepping tot rust is gekomen4 ,de natuur is eeuwig en oneindig en steeds in wording4 ,nog thans ontbranden werelden in wording aan den hemel en worden andere uitgedoofd4 ,zwervende kometen1 zich van stelsel tot stelsel bewegend1 zaaien op haren weg de vallende sterren1 de asch van verwoeste werelden1 en de koolstof1 de kiem van de toekomstige organismen4 ,iedere planeet heeft hare jeugd1 haren rijpen leeftijd1 haren ouderdom1 haren doodstrijd4 ,de dag zal komen1 waarop de reiziger te vergeefs zal zoeken naar de plaats1 waar ,amsterdam1 ,londen1 ,parijs1 ,rome1 ,new-,york gedurende zoovele eeuwen geschitterd hebben als de hoofdplaatsen van bloeiende natin1 evenals de oudheidkenner thans de plaats zoekt1 waar ,ninive1 ,babylon1 ,tyrus1 ,sidon en ,memphis schitterden te midden der werkzaamheid en der weelde4 ,zoo zal ook de dag aanbreken1 waarop de menschheid na het zenith harer ontwikkeling bereikt te hebben1 zal uitdooven tegelijk met de laatste levenselementen der planeet1 en den doodslaap zal intreden op eene voortaan verlaten en woeste aarde1 waarop de vogel niet meer zal zingen1 de bloem niet meer zal bloeien1 het water niet meer zal stroomen1 de wind niet meer zal waaien1 waarop de witte lijkwade van sneeuw en ijs zich zal uitstrekken van de polen tot den evenaar4 ,en z zal ook de zon zelf worden uitgedoofd te midden van haar stelsel4 ,de wet van den ,vooruitgang beheerscht alles4 ,hoewel wij er ons geen rekenschap van geven1 toch gaan wij met snelheid vooruit1 en wij hebben geen reden1 ontevreden te zijn over den afgelegden weg4 ,wat is twee1 drie eeuwen in vergelijking met den tijd van het bestaan van het menschdom4 ,en in dien tijd is toch de vrijheid van geweten voor goed voor den vooruitgang veroverd4 ,ja1 de wereld beweegt zich voortdurend naar een hooger ideaal2 de zeden verliezen hare ruwheid1 de geest wordt verlicht1 de menschheid gaat in haar geheel en in hare onderdeelen vooruit4 ,de geschiedenis der aarde levert de schoonste en welsprekendste getuigenis voor de wet van den vooruitgang4 ,zij is als het ware de vooruitgang zelf1 belichaamd in het leven1 van het erts af tot den mensch toe4 ,onze planeet is begonnen als eene vormelooze nevelvlek1 die zich langzamerhand tot eenen bol verdicht heeft4 ,die gasvormige nevelvlek1 veel ijler dan de lucht die wij inademen1 was gevormd uit een gas1 veel lichter dan waterstof4 ,de wederzijdsche aantrekking van alle moleculen naar het middelpunt1 de verdichting1 die daarvan het gevolg was1 de wrijving en de omzetting van die beweging naar het middelpunt in warmte2 de eerste scheikundige verbindingen1 die ontstonden uit die warmteontwikkeling1 de invloed der electriciteit1 de veelzijdige werking der natuurkrachten1 die als het ware uit elkander voortvloeiden1 vormden de eerste elementen1 waterstof1 zuurstof1 koolstof1 stikstof1 natrium1 ijzer1 calcium1 silicium1 aluminium1 magnesium en de verschillende overige mineralen1 die alle in bepaalde meetkundige vormen gegoten schijnen1 alsof zij veelvouden zijn van de oorspronkelijke grondstof1 die het eerst tot waterstof verdicht schijnt te zijn4 ,diezelfde stoffen1 die onze oorspronkelijke planeet uitmaakten1 toen zij als nevelachtige ster schitterde2 die zuurstof1 die waterstof1 dat natrium1 toen in gloeiing verkeerend1 zooals die stoffen nu nog gloeien in de zon1 hebben zich op geheel andere wijze verbonden1 nadat de aarde als ster is uitgedoofd4 ,het vuur is water geworden4 ,uit een natuurkundig oogpunt zijn vuur en water uitersten1 uit een scheikundig oogpunt zijn zij dezelfde4 ,de oceaan1 die nog thans zijne golven doet rollen rondom de aarde1 bestaat uit waterstof1 zuurstof en natrium4 ,een waarnemer1 buiten de aarde geplaatst1 zoude onze aarde eerst hebben kunnen zien schijnen als eene bleeke nevelvlek1 daarop zien schitteren als eene zon1 dan eene roode1 daarna eene donkere en eindelijk eene veranderlijke ster zien worden met telkens anderen glans1 om ten slotte haar licht en hare warmte te verliezen en in eenen dergelijken toestand te komen1 als waarin wij thans ,jupiter zien4 ,reeds toen wentelde de aarde om eene as en om de zon4 ,toen de oorspronkelijke temperatuur was afgenomen1 toen de dampen in de atmosfeer zich verdichtten en de oorspronkelijke zee zich over de geheele aarde uitstrekte1 vormden zich te midden der vulkanische schokken der nog jonge aarde1 onder bliksemschichten en donderslagen1 in het lauwe en vruchtbare water1 de eerste planten en dieren uit koolstofverbindingen1 half vast1 half vloeibaar1 slijmig1 kneedbaar1 bewegelijk en veranderlijk4 ,die eerste wezens zijn niets anders dan cellen of groepen van cellen1 wier1 zeegras1 ringwormen1 geleiachtige lichamen1 weekdieren3 het zijn nog evenzeer mineralen als planten en dieren1 het zijn plantdieren1 koralen1 sponzen1 sterkoralen1 schaaldieren4 ,de eerste dieren zijn niets anders dan planten zonder wortels4 ,door de langzame verbetering der levensvoorwaarden op de planeet1 door de trapsgewijze ontwikkeling van enkele organen in wording1 verbetert1 verrijkt en volmaakt zich het leven4 ,gedurende het azosche tijdvak ziet men slechts ongewervelde dieren1 drijvende in de nog lauwe wateren der oorspronkelijke zeen4 ,op het einde dier periode1 gedurende het silurische tijdvak1 ziet men de eerste visschen verschijnen1 maar dan nog slechts de kraakbeenachtige2 de andere visschen komen eerst veel later4 ,gedurende de primaire periode ontstaan de grove amphibin1 de logge kruipende dieren1 de langzame schaaldieren4 ,eilanden heffen zich uit de wateren op en worden met een schitterend plantenkleed bedekt4 ,maar het dierenrijk is nog uiterst arm4 ,gedurende millioenen jaren zijn alle bewoners der aarde doofstom geweest2 de eerste op aarde verschenen dieren1 zij1 die thans beneden op de rei staan1 missen stemorganen2 de stem ontstaat eerst in het midden der secundaire periode1 en het oor ontstaat nog veel later4 ,ook zijn gedurende millioenen jaren planten en dieren geslachtloos geweest4 ,doch trapsgewijze gaat het leven vooruit4 ,spoedig splitst zich het dierenrijk in afzonderlijke en talrijke soorten4 ,de kruipende dieren ontwikkelen zich2 de vleugel voert den vogel hemelwaarts2 de eerste zoogdieren1 de buideldieren1 bewonen de wouden4 ,gedurende de tertiaire periode scheiden de slangen zich af van de kruipende dieren en verliezen zij hare pooten 7waarvan de oorspronkelijke aanhechtingen nog thans merkbaar zijn72 de archeopteryx1 half kruipend dier1 half vogel1 verdwijnt1 de voorouders der apen ontwikkelen zich op het vaste land1 tegelijk met de krachtige diersoorten4 ,maar de mensch bestaat nog niet4 ,deze komt eindelijk te voorschijn1 wat zijn' bouw betreft1 gelijkende op het dier1 maar hooger staande op den trap van den vooruitgang en bestemd om de wereld te beheerschen door de grootte van zijnen geest4 ,de verschillende geologische lagen der aarde1 die wij in onzen tijd kunnen omslaan als de bladen van een boek1 toonen ons duidelijk de opvolging der begraven versteende soorten4 ,die soorten zijn elkander opgevolgd1 terwijl zij zich stap voor stap ontwikkelden als de takken van eenzelfden boom4 ,zij zijn uit dezelfde bron voortgekomen en behooren tot eene zelfde orde van zaken4 ,maar laat ons niet vooruitloopen op de tooneelen1 die zich voor onze oogen zullen ontrollen4 ,nu wij eenen voorloopigen blik geslagen hebben in die grootsche vraagstukken1 moeten wij dadelijk in het hart der vraag binnendringen4 ,in de ,wonderen des ,hemels #a hebben wij over het ontstaan der werelden in het algemeen gehandeld1 terwijl wij daar1 zoowel als in het ,rijk der ,sterren #b over de verschillende typen van werelden uitvoerig gesproken hebben4 ,wij achten het dus overbodig1 hierop terug te komen4 ,wij zullen dan ook dadelijk ons onderzoek aanvangen met de beschouwing der aarde1 van het oogenblik af1 dat zij hare moeder1 de zonnenevelvlek had verlaten4 ,,eerste ,,boek4 ,de geboorte der ,aarde4 ,de zonnenevelvlek verspreidde aan den donkeren oneindigen hemel een flauw licht1 en terwijl zij zich gestadig naar haar middelpunt verdichtte1 gaf de aardsche nevelvlek1 uit haar voortgekomen1 een even flauw licht1 terwijl zij in den tijd van een jaar om de zon heenwentelde4 ,onze planeet was toen geheel gasvormig1 zij had toen nog geene vaste kern of geene vloeistoflaag2 zij bestond toen als het ware alleen uit eenen dampkring1 die veel lichter was dan de lucht1 die wij inademen4 ,hare oorspronkelijke temperatuur was even hoog als die van den zonnegordel1 waaruit zij was voortgekomen4 ,die temperatuur nam nog toe door hare eigen verdichting4 ,gehoor gevend aan de wetten der zwaartekracht1 verdichtten de moleculen zich nog sterker naar het middelpunt toe4 ,hare bolvormige gedaante werd hoe langer hoe duidelijker zichtbaar4 ,eindelijk werd de nevelvlek zon en verspreidde zij een schitterend licht4 ,de mechanische warmteleer leert ons1 dat alleen de verdichting onzer nevelvlek tot bol eene verwarming moet hebben veroorzaakt van #hihh graden 7,celsius74 ,in dien tijd schitterde dus de aarde in de ruimte als eene zon1 door eenen flauwen nevel omgeven4 ,een waarnemer1 toen in het heelal geplaatst1 zou eene dubbelster gezien hebben1 bestaande uit twee sterren van verschillende grootte2 de grootste was onze eigen zon1 de kleinste was onze aarde4 ,ongetwijfeld was dit stelsel veelvoudig1 daar verscheidene andere planeten tegelijkertijd met de aarde zonnen waren4 ,doch waarschijnlijk waren ,mercurius en ,venus nog nevelvlekken1 toen de aarde reeds tot zon verdicht was1 zoodat tusschen de aarde en de zon geene andere ster meer gezien werd4 ,eeuwen lang schitterde de aarde als eene glinsterende zon1 als het brandpunt van krachtige scheikundige werkingen1 en gaf zij het aanzijn aan vlekken en reusachtige uitbarstingen1 overeenkomende met die1 welke wij thans op de oppervlakte der zon waarnemen4 ,naar alle waarschijnlijkheid was zij toen niet zoo groot als thans de zon is2 doch zeker was zij veel grooter dan nu1 en strekte zij zich uit tot voorbij de loopbaan der maan2 zij was toen niet alleen geheel gasvormig1 doch ook uiterst ijl4 ,maar de ruimte1 waarin zich de werelden bewegen1 is koud en donker4 ,hare normale temperatuur ligt op #bgc onder nul4 ,die temperatuur is z laag1 dat de luchtsteenen die temperatuur inwendig behouden1 niettegenstaande zij aan hunne oppervlakte sterk verhit worden bij hunne snelle beweging door onzen dampkring2 indien men ze na hunnen val opneemt1 brandt men zich de vingers1 indien men ze aanraakt1 maar als men ze doorslaat1 zijn zij van binnen z koud1 dat men zich daaraan nog heviger brandt dan aan de buitenzijde4 7,dit is onder anderen opgemerkt bij den meteoor van ,dhurmsalla1 den #ad;den ,juli #ahfj74 ,bij die koude straalde de aarde hare warmte langzamerhand geheel uit2 noch de voortgaande verdichting1 noch de scheikundige verbindingen1 noch de val van kosmische stof1 die op haar neerkwam van de zonnenevelvlek en van de verschillende deelen der ruimte1 waren voldoende om te herstellen1 wat zij door die uitstraling verloor4 ,de aarde werd van gasvormig vloeibaar1 wel nog gloeiend1 maar nog steeds minder lichtgevend4 ,in stede van wit en schitterend werd zij eerst goudgeel1 daarna oranjekleurig1 rossig en donkerrood4 ,een dikke1 zware1 in beroering zijnde dampkring omgaf haar4 ,eindelijk doofde zij uit4 ,als zon had zij uitgediend1 maar om zich te koesteren aan den morgenstond van het leven4 ,in deze periode ontstond de maan1 dochter der aardsche nevelvlek1 evenals de aarde was voortgekomen uit den moederschoot der zon4 ,de maan behoort bij de aarde1 zooals de aarde bij de zon behoort4 ,zij draait om ons heen in #bg #a_/c dag1 zooals wij om de zon draaien in #cfe #a_/d dag2 als een trouwe wachter vergezelt zij ons op onze reis om de zon2 zij wentelt om ons heen in dezelfde richting als waarin wij ons bewegen1 d4i4 van het westen naar het oosten en bijna in het vlak der aardbaan 7de helling bedraagt #e72 hare geboorteakte draagt zij bij hare beweging met zich1 en haar aardsche oorsprong treedt in al hare karaktertrekken voor den dag2 zij is tachtigmaal lichter en vijftigmaal kleiner dan de aarde1 zoodat hare dichtheid #f_/aj van die der aarde is4 ,zij heeft zich van de zonnenevelvlek losgemaakt op een tijdstip1 waarop de beweging der aarde om hare as veel sneller was dan thans het geval is2 de maan toch is z dicht bij ons1 en hare aantrekking is z aanzienlijk1 dat zij aanzienlijke vloeden teweegbrengt2 deze vloeden werkten de beweging der aarde om hare as tegen1 zooals zij dit thans nog doen1 maar toen in veel sterkere mate4 ,nauwkeurige berekeningen1 door den zoon van den grooten ,darwin gedaan1 schijnen tot de gevolgtrekking te leiden1 dat de maan ongeveer vijftig millioen jaren geleden van de aarde is losgerukt1 in eenen tijd1 waarin de aarde zich in drie uren om eene as bewoog4 ,reeds vr de geboorte van de maan ondervond de aarde vloeden1 die het gevolg waren van de aantrekking der zon en die onze aardnevelvlek deden zwellen in het vlak van den equator4 ,bovendien veroorzaakte de snelle beweging onzer planeet om eene as in het vlak van den evenaar eene krachtige middelpuntvliedende kracht1 zoodat de minste kracht voldoende was1 om een betrekkelijk groot gedeelte van de nevelvlek los te rukken4 ,die kracht ging uit van de zon4 ,een krachtige vloed1 zijnen invloed voegende bij de middelpuntvliedende kracht1 heeft een gedeelte van de aarde vrijgemaakt van de aantrekking2 de aarde heeft haren bolvorm hernomen en de losgerukte massa heeft zich verzameld tot ne massa1 die op hare beurt weder aantrekking uitoefende op hare samenstellende deelen1 terwijl de losgerukte gordel zijne oorspronkelijke beweging behield en om de aarde bleef wentelen4 ,z ontstond de maan4 ,in de eerste tijden nadat zij gevormd was1 was zij in de onmiddellijke nabijheid der aarde en wentelde zij om haar heen in eene periode van drie uren4 ,onze vloedgolven zijn slechts een flauw overblijfsel van wat zij in den eersten tijd na de vorming der maan waren4 ,in de eerste plaats was de wachter veel dichter bij de planeet1 en men weet1 dat de aantrekking toeneemt in de reden van het vierkant van den afstand1 zoodat op den dubbelen afstand de aantrekking viermaal zwakker1 op den drievoudigen afstand negenmaal zwakker wordt4 ,in de tweede plaats was de aarde niet zooals thans verdeeld in land en zee1 maar was zij geheel vloeibaar2 de vloed werkte dus op de geheele massa en deed eenen kring van water om haar heen draaien4 ,thans1 nu onze onbeduidende vloedgolven in tegengestelde richting loopen van de omwentelingsrichting der aarde en alzoo die beweging tegenhouden1 verlengt zij den dag met #bb secunden in eene eeuw4 ,in dien tijd daarentegen werkten de reusachtige vloeden1 die de geheele aarde tweemaal daags doorliepen1 de beweging der aarde veel krachtiger tegen1 zoodat de tijd harer omwenteling van drie tot vier1 vijf1 twaalf en eindelijk tot vier en twintig uren toenam4 ,de vertraging in de beweging der aarde gaat gepaard met die der maan1 en daardoor ook met eene langzame verwijdering van onzen wachter4 ,de vloed1 door de aarde op de maan uitgeoefend1 was heel wat heviger1 dan die door de maan op de aarde uitgeoefend2 de planeet immers is #hj maal zwaarder dan de wachter4 ,hij heeft z lang gewerkt1 totdat hij de maan om hare as deed wentelen in denzelfden tijd1 waarin zij zich om de aarde beweegt1 zoodat zij thans steeds dezelfde helft naar ons toekeert4 ,bovendien is zij niet volkomen bolvormig1 maar een weinig gerekt in de richting der aarde4 ,er zijn thans geen getijden meer op de maan2 zelfs indien de maan nog met water bedekt was1 zou dit toch niet het geval zijn1 nu de maan steeds hare zelfde zijde naar de aarde toekeert4 ,sedert hare geboorte heeft zich dus de maan langzaam van de aarde verwijderd1 al langzamer en langzamer rondwentelend2 evenzoo is ook wederkeerig de omwentelingssnelheid der aarde afgenomen4 ,nog steeds doen de getijden hunne remmende werking op de aarde gevoelen4 ,waarschijnlijk zal eens de dag aanbreken1 waarop ook de maan de beweging der aarde om hare as zzeer zal vertraagd hebben1 dat deze even lang zal duren als de beweging der maan om de aarde1 zoodat dan ook de aarde steeds hare zelfde zijde naar de maan zal keeren4 ,indien de zeen op aarde z lang zullen blijven bestaan1 dat de getijden een zoodanig gevolg zullen hebben1 zal de maan in #eh dagen om ons heen wentelen1 en zouden wij slechts #f dagen in het jaar hebben1 ieder van #adjj uren4 ,welken invloed zou dit niet moeten uitoefenen op onze zeden en gewoonten6 ,er zijn in het zonnestelsel twee planeten1 die ons een beeld kunnen geven van die lang vervlogen tijden2 hoewel zij immers lang vr de aarde geboren zijn en dus veel ouder zijn dan zij1 hebben zij zich veel langzamer verdicht1 en zijn zij dus betrekkelijk jonger dan thans onze aarde is4 ,wij bedoelen de grootste lichamen van het zonnestelsel1 ,jupiter en ,saturnus4 ,de manen van ,saturnus zijn nog in de onmiddellijke nabijheid van de planeet gelegen1 waaruit zij zijn voortgekomen2 zij zijn dan ook betrekkelijk nog eerst kort geleden ontstaan4 ,bovendien bestaan de ringen1 die om ,saturnus heenwentelen1 uit kleine lichamen1 tot een kring verbonden1 terwijl de deeltjes1 waaruit die ringen bestaan1 en die met groote snelheid om de planeet heenwentelen1 in bepaalde richtingen opgehoopt zijn tot dichte banden1 en in andere richtingen verspreid en verdund zijn4 ,men vindt zelfs eene volkomen ledige strook1 die de ringen in twee afzonderlijke deelen scheidt4 ,men mag aannemen1 dat die vreemdsoortige ringen de kiemen zijn van twee toekomstige wachters1 waardoor het aantal gezellen van ,saturnus tot tien zou stijgen4 ,waarschijnlijk is het1 dat de maan1 evenals de wachters der overige planeten1 gevormd is uit eenen gordel1 die van de planeet is losgeraakt1 en die door de aantrekking harer samenstellende deelen langzamerhand in eenen bol is overgegaan4 ,de duur van de periode1 waarin zich eene planeet heeft gevormd1 hangt af van de hoeveelheid stof1 waaruit zij bestaat1 terwijl de tijd1 waarin zij is afgekoeld1 afhangt van de temperatuur van den oorspronkelijken bol1 van zijn volume en zijne oppervlakte2 hierbij moet nog gevoegd worden de aard van de stoffen1 waaruit de planeet bestaat1 en de aard van den dampkring2 de laatste toch zal1 naarmate hij de warmtestralen meer of minder tegenhoudt1 in meerdere of mindere mate de planeet tegen afkoeling beschermen4 ,eene planeet koelt natuurlijk aan de buitenoppervlakte af1 en daar het volume der aarde #di maal grooter is dan dat der maan1 maar hare oppervlakte slechts dertienmaal grooter is1 zoo is het afkoelend vermogen der maan bijna viermaal grooter dan dat der aarde1 en inderdaad is zij ook sneller dan de aarde verkoeld4 ,onze planeet moet1 zooals uit de wijze van haar ontstaan volgt1 eene temperatuur gehad hebben1 overeenkomende met die der zon2 langzamerhand moet zij begonnen zijn af te koelen1 terwijl zij zich nog steeds verdichtte2 daarop is zij van gasvormig vloeibaar geworden1 en moet het tijdstip zijn aangebroken1 waarop hare oppervlakte begon vast te worden4 ,de aarde koelde dus van eeuw tot eeuw af van de buitenzijde naar binnen4 ,is die afkoeling thans geindigd1 of is er nog inwendige warmte verborgen in den schoot der aarde8 ,is zij niet van binnen ijskoud geworden1 nu zij zich eeuwen lang heeft voortbewogen in eene ruimte van #bgc onder het nulpunt8 ,wat is thans de inwendige temperatuur der aarde8 ,deze vraag is van het hoogste gewicht1 en daarom zullen wij deze in bijzonderheden bestudeeren en daaraan een afzonderlijk hoofdstuk wijden1 waarin wij alle gegevens zullen mededeelen1 die door de wetenschap zijn verzameld omtrent den inwendigen toestand der aarde1 omtrent de temperaturen in mijnen1 tunnels1 warme bronnen1 vulkanen1 enz4 enz4 waargenomen4 ,maar de geschiedenis der aarde houdt ons thans bezig1 en wij zijn thans genaderd tot n der beslissende overgangen in haar bestaan4 ,een ieder weet1 dat de drie toestanden1 waarin de stof kan voorkomen1 de vaste1 vloeibare en gasvormige toestand1 alleen het gevolg zijn van temperatuursverschillen4 ,indien b4v4 een blok ijs gebracht wordt tot de temperatuur van het smeltpunt 7#j ,celsius71 houdt het op vast te zijn en gaat het in den vloeibaren toestand over2 de moleculen zullen zich op andere wijze schikken en zich rangschikken1 zooals dit onder den invloed der zwaartekracht noodzakelijk is4 ,wordt dit water verhit tot het kookpunt 7#ajj ,celsius7 dan gaat het in damp over4 ,in alle drie toestanden is het water scheikundig niet veranderd2 het is nog steeds water2 maar het natuurkundig voorkomen is geheel gewijzigd2 in het eerste geval is het eene vaste stof1 in het tweede geval eene vloeistof1 in het derde geval een gas1 dat snel onzichtbaar wordt4 ,zoo zal een stuk ijzer bij #aejj smelten1 een stuk zink bij #dgj1 terwijl het bij #acjj gasvormig wordt4 ,de verschillende stoffen1 waaruit de aarde bestaat1 zijn eerst vloeibaar en vast geworden1 toen zij voldoende waren afgekoeld4 ,de scheikundige verbindingen1 waaruit de samengestelde lichamen gevormd zijn1 konden eerst ontstaan nadat de oorspronkelijke temperatuur aanmerkelijk was afgekoeld4 ,de dampen in den dampkring begonnen als regens neer te vallen4 ,bij #cej begon de kwikregen1 de waterregen was eerst mogelijk bij #ajj4 ,wanneer vielen de overige stoffen neder1 zoowel de enkelvoudige als de samengestelde8 ,welke waren te midden van die ongelijksoortige bestanddeelen de scheikundige werkingen in dat uitgestrekte laboratorium1 aan den evenaar1 de polen en de tusschenliggende plaatsen8 ,langzamerhand werd de oppervlakte van de aarde door afkoeling vast en dik genoeg1 om tot bekken te dienen voor de wateren en vloeistoffen1 die voor goed den dampkring verlieten1 om de zeen te vormen4 ,deze vloeibare neerslag werkte evenals de dampkring zelf op de brandbare of zoutvormende stoffen van het vaste gedeelte4 ,door voortgezette afkoeling van de kern en door hare inkrimping1 brak de omringende korst1 die om eene te nauwe kern sloot1 op verschillende tijdstippen door1 welke doorbraken zeldzamer werden1 nadat de korst dikker en steviger werd4 ,niet alle gasvormige bestanddeelen onzer planeet gingen gedurende die langzame afkoeling in vloeistoffen of vaste stoffen over4 ,om den bol bleef een uitgestrekt gasvormig omhulsel over1 bestaande uit een mengsel van zuurstof en stikstof4 ,dit is de lucht1 die wij inademen4 ,de dampkring1 die zich eertijds tot aan de maan uitstrekte 7die toen trouwens niet zoo ver als thans van ons verwijderd was71 en die bezwangerd was met verbazende hoeveelheden waterdamp1 die zich later tot oceanen en zeen verdichtten1 en bovendien met dampen en gassen van toekomstige mineralen1 is van eeuw tot eeuw veranderd en gezuiverd1 en z hebben wij thans het voorrecht1 die doorschijnende lucht te kunnen inademen1 die ons het prachtige blauw des hemels verschaft1 ons de schoonheden van het luchtperspectief doet bewonderen1 het daglicht tempert1 de planten en dieren voedt1 en wier sluier1 dicht genoeg om de volkomen afkoeling in den nacht en den winter te beletten1 ijl genoeg is om ons de sterren te doen zien en het heelal te doen bestudeeren4 ,wij geven er ons niet voldoende rekenschap van1 dat indien de dampkring slechts weinig anders ware1 wij door eenen eeuwigdurenden nevel zouden omgeven zijn1 en dat zulk een ondoorschijnend omhulsel van enkele kilometers voldoende zoude zijn1 om ons van het overige deel van het heelal af te zonderen4 ,de oppervlakte der aarde moet toen vuurrood geweest zijn4 ,de atmosfeer van dampen1 die op haar drukte1 was de zetel van uitwasemingen1 van opstijgende stroomen1 van diluviaansche regens en nieuwe verdampingen1 die eeuwen lang van onze aarde eene reusachtige scheikundige werkplaats maakten1 waar alle elementen oorspronkelijk door elkander gemengd waren4 ,de ontzaglijke electrische ontladingen1 die het gevolg waren van die omzettingen van warmte en beweging1 vervulden den dampkring met hare bliksemschichten en donderslagen4 ,misschien was in dien tijd de maan bewoond1 misschien zijn hare bewoners zelfs getuigen geweest van die titanische worsteling der elementen1 die met elkander wedijverden om de heerschappij over eene nieuwe wereld te veroveren4 ,maar de maan1 dichter bij de aarde gelegen dan thans1 veroorzaakte door hare machtige aantrekking verbazende getijden1 die hooger waren1 naarmate1 bij afwezigheid van vast land1 de vloeibare of weeke bodem geheel gehoorzaamde aan den gezamenlijken invloed van zon en maan4 ,de ontzaglijke vloedgolf liep van het westen naar het oosten om de geheele aarde1 terwijl de zware dampkring zelf nog geweldiger getijden ondervond4 ,het was nog geen wereld1 maar een oceaan van vuur1 vlammen1 rook1 dampen1 stormen en onweders4 ,doch door zich voort te bewegen in de ijskoude ruimte1 koelde de planeet zelf langzamerhand af4 ,de dag brak aan1 waarop de oppervlakte van dien vloeibaren en nog brandenden bol begon vast te worden2 dit geschiedde het eerst aan de polen1 waar de getijden het minst heftig waren en het spoedigst ophielden1 waar de dagelijksche beweging en de middelpuntvliedende kracht1 die daarvan het uitvloeisel is1 het zwakst zijn1 waar dus eene betrekkelijke kalmte de natuur in staat stelde1 te herademen4 ,de polen hadden toen dezelfde temperatuur als de evenaar4 ,de warmte der aarde overtrof verre die1 welke zij van de zon verkreeg2 zij bedroeg eenige honderden graden1 en was voor alle deelen der aarde dezelfde4 ,er waren toen noch klimaten1 noch jaargetijden1 hoewel de stand der aarde met betrekking tot de zon en hare helling niet veel verschilden met die van onze dagen4 ,maar de oven kookte in zijne eigen warmte4 ,de eerste vaste lagen1 die in de poolstreken ontstonden1 konden reeds eenigen tijd duren4 ,maar die1 welke in de andere streken der aarde gevormd werden1 en vooral die in de tropen en aan den evenaar1 werden langen tijd door de getijden opgeheven en verbroken4 ,zij vormden slakken1 op de vuurzee drijvende1 die beurtelings afnamen1 smolten en weder gevormd werden4 ,toch werd de oppervlakte tot op eene bepaalde diepte brijachtig2 zij was niet meer vloeibaar als water1 maar kreeg eene zekere vastheid1 zooals pek of zooals het ijzer1 dat uit den oven komt4 ,na verloop van eeuwen namen die drijvende slakken in aantal toe1 groeiden zij aan elkander1 namen zij in uitgebreidheid toe en werd de eerste vaste bodem gevormd4 ,doch niet voor langen tijd4 ,nauwelijks gevormd1 werd de bodem weder verbroken en gescheurd door de dampen en gassen1 die zich in den inwendigen oven ontwikkelden1 terwijl de getijden den bodem onder de oppervlakte in golvende beweging brachten4 ,hoe zoude die eerste korst weerstand hebben kunnen bieden aan de golven van die vuurzee8 ,wie kan zich eene voorstelling maken van de vreeselijke verwoestingen1 overstroomingen en beroeringen in die eerste tijden8 ,in den vurigen hellegloed bestreden elkander reusachtige titanen1 tot waanzin gedreven door den gloeienden dampkring4 ,de vloeibare stroomen1 die zich eenen uitweg baanden door de eerste breuken in de oorspronkelijke korst en daarbuiten vast werden1 waren stroomen van graniet4 ,zoo ontstonden de eerste bergen4 ,toen de afkoeling zver gevorderd was1 dat water in vloeibaren toestand kon bestaan1 begonnen de dampen te verdichten en vielen de eerste waterdruppels neder4 ,maar bij die temperatuur 7welke door de grootere dampkringsdrukking #ajj overtrof7 verdampte de nauwelijks neergevallen regen weder4 ,er was toen eene langdurige periode van regen van kokend water4 ,de verdamping bracht het water weder in dampvormigen toestand in de hoogere lagen van den dampkring1 waar de temperatuur veel lager was door uitstraling in de ijskoude ruimte1 en daar werd het weder tot wolken verdicht1 om weder als regen neder te vallen en alzoo dien eeuwigdurenden kringloop voort te zetten4 ,die strijd van water en vuur duurde eeuwen en eeuwen te midden van electrische ontladingen1 stormen1 donder en bliksem4 ,daardoor werd ook de afkoeling verhaast4 ,z brak de dag aan1 waarop eene waterlaag van verscheidene kilometers dikte zich over de geheele aardoppervlakte uitstrekte1 nadat het grootste gedeelte der dampen verdicht was4 ,de eerste vaste aardkorst1 die den bodem der eerste wereldzee vormde1 en die door hare opheffingen het aanzijn schonk aan de eerste eilanden en de eerste bergen1 bestond uit graniet4 ,dit gesteente heeft zijnen naam ontleend aan zijne korrelige structuur 7van het ,italiaansche grano1 korrel74 ,het bestaat uit veldspaat1 kwarts en glimmer4 ,het water1 zoowel koud als warm1 en het koolzuur der lucht1 ontleden gemakkelijk het veldspaat1 dat uit een kiezelzuur zout bestaat1 waarin aluminium1 kalium en natrium voorkomen4 ,die kiezelzure zouten verweren gemakkelijk onder den scheikundigen en mechanischen invloed van het in beweging zijnde water1 en zoo werd de bodem der zee bedekt met zand en klei1 dat zich in oorspronkelijk horizontale lagen uitstrekte4 ,het graniet en het gneiss1 de oorspronkelijke gesteenten1 werden dus op deze wijze voor het eerst gewijzigd4 ,de invloed der warmte op die eerste lagen is duidelijk zichtbaar4 ,de zoo afgezette klei kreeg onder den invloed der warmte eene bladerige structuur1 en bestond toen uit gemakkelijk te scheiden horizontale lagen1 evenals de leisteen4 ,die eerste afzettingen liggen onmiddellijk boven de terreinen van vulkanischen oorsprong4 ,in die eerste periode van haar bestaan was onze aarde overal bedekt met eene laag lauw en modderig water1 waarin zich die producten der verwering van het graniet neerzetten4 ,de eerste opheffingen deden het graniet als eenzame eilanden boven den waterspiegel uitsteken1 terwijl dit graniet verweerde onder den invloed van regen1 wind en onweder4 ,die oorspronkelijke bodem1 dien men onder alle geologische lagen vindt1 bestaat gewoonlijk uit vier op elkander liggende lagen3 geheel beneden het graniet2 daarboven gneiss1 dat slechts eene wijziging van het graniet is1 waarin glimmer de overhand heeft2 daarna het micaschiefer2 en daarboven eene opeenvolging van lagen4 ,in die lagen heeft men nooit eenige versteening1 of schelp of plant gevonden4 ,het leven bestond nog niet op de oppervlakte der aarde4 ,door de spleten en de scheuren1 die in deze periode gevormd zijn1 hebben zich metalen1 onder den invloed der inwendige warmte gesmolten1 in dikkere of dunnere lagen eenen weg gebaand4 ,men vindt daarin ijzer1 goud1 zilver1 koper1 tin en edelgesteenten1 zooals granaat en robijn4 ,waarschijnlijk bevinden zich onder het graniet in het inwendige der aarde onmetelijke hoeveelheden ijzer en zeer dichte metalen4 ,de onderste lagen1 die onmiddellijk op het graniet rusten1 zijn blauw1 en die welke zich later op de eerste afzetten1 zijn groen 7leisteen74 ,die lagen hebben zich natuurlijk horizontaal op den bodem der wateren afgezet4 ,als men hellende lagen vindt1 dan moeten zij f door onderaardsche krachten opgeheven zijn1 f wel zij zijn door haar eigen gewicht neergestort1 toen zich door afkoeling en samentrekking ledige ruimten in het inwendige der aarde gevormd hadden4 ,zoo dikwijls men bij het doen boren van eene rij hellende lagen op het graniet komt1 is men even zeker1 de oppervlakte van dat laatste gesteente in dezelfde richting hellend te vinden1 als men uit het feit1 dat alle meubels eener kamer hellen1 het besluit mag trekken1 dat de vloer in dezelfde richting helt4 ,ja zelfs1 de lagen1 die men boven het graniet van eenen berg vindt1 duiden het tijdperk zijner opheffing aan4 ,indien men bij voorbeeld alleen blauwe lagen vindt zonder het groene leisteen1 dan is dit een bewijs1 dat de opheffing van het graniet heeft plaats gevonden onmiddellijk na de eerste bezinking en vr de tweede4 ,indien zich leisteenlagen boven de blauwe lagen bevinden1 dan heeft de opheffing later plaats gehad4 ,het onderzoek der ,alpen en der ,pyrenen bewijst1 dat die bergen verscheidene rijzingen en dalingen hebben ondergaan4 ,somtijds zijn het niet de vorige lagen1 die met het graniet in aanraking zijn1 maar bezinksels van veel latere dagteekening4 ,indien een granieteiland zich uit de oorspronkelijke zee heeft opgeheven vr de vorming der lagen1 waarover wij gesproken hebben1 en het daarna weder gezonken is 7die afwisselende bewegingen zijn in den ,griekschen ,archipel en in ,itali niet zeldzaam71 dan is het granieteiland alleen bedekt met bezinksels van lateren tijd4 ,men vindt de blauwe lagen1 waarvan wij zooeven spraken1 in sommige gedeelten van ,frankrijk 7,finistre1 ,vende72 dit zijn de oudste gronden van ,europa en waarschijnlijk van de geheele aarde4 ,men vindt ze ook in ,cumberland in ,engeland4 ,de groene lei vindt men niet in ,bretagne1 maar wel in ,wales en in ,noord-,amerika4 ,gneiss en glimmerschiefer vindt men bij ,lyon1 ,limoges1 de ,cevennes1 ,auvergne1 ,bretagne1 de ,vende4 ,die terreinen leveren weinig op voor den landbouwer1 maar zijn daarentegen vruchtbaar voor den mijnwerker4 ,de periode1 wier geschiedenis wij in groote trekken geschetst hebben1 strekt zich over millioenen jaren uit4 ,de gedenkboeken der aarde zijn kostbaar en welsprekend4 ,de scherpzinnige onderzoekingen der geologen hebben zelfs versteende afdrukken van regendruppels voor den dag gebracht1 zooals fig4 #ad aanwijst4 ,die droppels waren op zand gevallen1 dat tot zandsteen verhard is4 ,men vindt in ,chalindrey 7,haute-,marne7 eene steengroeve1 waarin men over eene groote oppervlakte de sporen vindt van eene golvende beweging van het water 7fig4 #ae74 ,dergelijke versteeningen zijn bij ,boulogne-sur-,mer gevonden4 ,gedurende al de eeuwen dier eerste periode zijn wij op eene planeet1 die uit een astronomisch en geologisch oogpunt belangrijk is1 maar op eene planeet zonder leven4 ,geen dier1 geen plant6 ,slechts eene woestenij1 water of rotsen4 ,geen mos op die rotsen4 ,geen weekdier in die wateren4 ,is het de aarde wel8 ,tevergeefs zou men de gedaante1 die haar thans kenmerkt1 willen terugvinden4 ,noch ,amerika1 noch ,europa1 noch ,azi1 noch ,afrika4 ,alleen de zee1 overal de zee met enkele granieteilanden4 ,een onmetelijke vloedgolf beweegt zich tweemalen daags om de aarde4 ,bijna overal1 bijna altijd is de lucht bedekt4 ,de regen valt1 de donder rolt1 bliksemschichten doorklieven de wolken1 de wind blaast en de storm beweegt de wateren4 ,maar de levenselementen zijn in wording4 ,in de uren van rust zou een helderziend profeet reeds in de diepte der lauwe wateren enkele sporen van eene vruchtbare gelei ontdekken1 die reeds niet meer geheel levenloos is4 ,,tweede ,,boek4 ,het azosche tijdperk4 ,,eerste ,,hoofdstuk4 ,bloedverwantschap en afstamming4 ,begin van het leven4 ,de eerste organismen4 ,te midden der oneindige eenzaamheid schijnt de natuur hare krachten te verzamelen voor de schepping van het leven4 ,nog is er geen enkel levend wezen op de oppervlakte der aarde3 noch menschen1 noch dieren1 noch planten4 ,overal en altijd water4 ,in zijnen schoot zal het leven ontkiemen4 ,onder de wereldzee zijn de mineralen gestold tot eene dunne laag1 die voortdurend opgeheven wordt en weder nederdaalt onder den invloed der getijden1 eene laag1 beweeglijk1 veerkrachtig1 van verschillende dichtheid1 die reeds gedurig gespleten en weder vast geworden is en de eerste uitbarstingen van graniet1 de eerste eilanden heeft doorgelaten4 ,die laag is nog steeds een drijvend vlot op de vloeibare aarde4 ,maar van eeuw tot eeuw neemt hare vastheid toe4 ,de afkoeling doet hare dikte toenemen4 ,de oorspronkelijke eilanden ondergaan nu ook den invloed van dampkring1 wind1 regen1 afwisseling van dag en nacht1 en terwijl zij langzaam verweren1 doen zij op den bodem der zee de eerste bezinksels ontstaan4 ,de temperatuur is nog zeer hoog4 ,nog nauwelijks kan men verschil in temperatuur waarnemen tusschen zomer en winter1 dag en nacht4 ,langzamerhand echter beginnen de jaargetijden en openbaart zich het verschil tusschen dag en nacht4 ,de zon is nog steeds omsluierd door den dampkring1 die met dampen1 wolken en regen bezwangerd is2 zij zelf is nog niet in die periode gekomen1 waarin hare schijf scherp begrensd is2 nog steeds is zij omgeven door eenen neveldampkring1 die een gedeelte harer stralen opslorpt1 en daarenboven strekt zij zich waarschijnlijk uit tot voorbij de baan van ,venus1 en heeft zij dus eene tweehonderd maal grootere middellijn dan thans4 ,maar onmerkbaar nadert zij van eeuw tot eeuw tot den toestand van lichtende ster1 van brandpunt der planeten1 van steun van het wereldstelsel4 ,de dampkring der aarde wordt zuiverder en in eene nog verwijderde toekomst zal het hemelsblauw te voorschijn treden4 ,de wereld was toen zeer verschillend van wat zij nu is4 ,geen menschenoog was nog in staat haar te aanschouwen2 geen wezen kon hare geheimen doorgronden4 ,de eilanden1 uit de golven te voorschijn getreden1 waren dor en naakt3 geen boom1 geen struik1 geen grassprietjes1 geen zeemos4 ,grijze rotsen1 uit het water uitstekende1 weerkaatsten het licht1 en ontvingen de regenvlagen en de bliksemschichten1 die haar des nachts verlichtten1 en die wel troffen1 maar niets konden dooden1 terwijl de onmetelijke maan1 die nog geene schijngestalten had1 maar haar eigen licht afgaf1 op de golven hare vaalroode stralen verspreidde4 ,wat is het leven8 ,hoe zijn de ontelbare diersoorten en plantensoorten op de aarde verschenen8 ,hoe lang bestaan zij reeds8 ,zijn zij aan elkander verwant en afgeleid uit enkele oorspronkelijke vormen8 ,men meende vroeger1 dat de soorten alle van elkander verschilden en onveranderlijk waren1 doch dit is eene dwaling4 ,niet alleen is de soort geen hoofdfactor bij de inrichting van het leven op aarde1 maar zelfs kan men zeggen1 dat er geene soorten bestaan4 ,in de natuur kent men slechts individuen2 deze individuen veranderen naar gelang van de levensvoorwaarden1 waaraan zij onderworpen zijn1 en die veranderingen zetten zich van geslacht tot geslacht voort1 en worden erfelijk4 ,het dieren- en het plantenrijk hangt met elkander samen door hunnen gemeenschappelijken oorsprong en vormen ieder ne enkele nheid4 ,dit is de groote waarheid1 reeds voor tweeduizend jaren door ,aristoteles vermoed1 en vele eeuwen lang bestreden1 totdat ,lamarck haar in het begin onzer eeuw in eenen wetenschappelijken vorm goot1 terwijl zij later door ,darwin1 ,wallace en anderen op vaste grondslagen gevestigd werd4 ,onze verdeeling van het planten- en dierenrijk is noodzakelijk voor de studie1 maar is volkomen kunstmatig en bestaat niet in de natuur zelf4 ,zij komt ons slechts daarom onveranderlijk voor1 omdat wij slechts n oogenblik kennen in den onmetelijken duur der eeuwen4 ,indien het menschelijke leven1 zoo zeide reeds ,lamarck1 zich slechts ne secunde uitstrekte1 dan zoude ieder individu onzer soort1 de wijzers van een uurwerk beschouwende1 deze niet van plaats zien veranderen4 ,de waarnemingen van dertig geslachten zou nog weinig leeren omtrent de verplaatsing dier wijzers1 want deze is in eene halve minuut nog niet noemenswaard1 en indien oudere waarnemingen ons leerden1 dat die wijzer werkelijk van plaats veranderd is1 dan zouden wij het niet gelooven en aan eene vergissing denken1 daar ieder die wijzers steeds op dezelfde plaats van de wijzerplaat gezien heeft4 ,als wij met een oppervlakkig oog de zoo ongelijksoortige levens beschouwen1 die onze planeet bewonen1 dan schijnt het alsof zij elkander en ons volkomen vreemd zijn4 ,indien wij de voorwereldlijke dieren beschouwen1 die den mensen zijn voorafgegaan en die thans uit hunne graven verrijzen1 schijnen zij ons monsters toe2 en toch zijn zij aan ons verbonden door banden1 die in onzen tijd hoe langer zoo meer aan het licht komen1 nu men den invloed weet1 door de omgeving uitgeoefend op den vorm en den bouw der wezens4 ,de invloed van het water1 de lucht1 het licht en de warmte op de bewerktuiging der dieren en planten1 is niet te loochenen4 ,doch indien de omgeving de ontwikkeling van bepaalde organen bepaalt1 die in volume toenemen door aanhoudend gebruik1 en van geslacht tot geslacht steeds volmaakter worden1 niet minder waar is het1 dat diezelfde organen in volume afnemen1 wegsterven of geheel verdwijnen1 indien door wijziging der omstandigheden het orgaan niet meer gebruikt wordt4 ,de plantkundigen hadden reeds vr de zologen het groote gewicht dier rudimentaire organen begrepen4 ,reeds de ,candolle wijdde in zijne elementaire theorie der plantkunde een afzonderlijk hoofdstuk aan de mislukking der organen4 ,de dorens der boomen en heesters zijn mislukte takken4 ,onder den invloed van eenen slechten bodem1 van droogte of van de nabijheid van eenen overvloed van andere planten1 blijven zij kort1 hard en puntig4 ,breng den doornachtigen pruimeboom eener haag naar eenen tuin over1 bemest hem en kweek hem1 en gij zult zien1 dat de dorens langer worden en den vorm van gebladerde takjes aannemen1 terwijl er geene nieuwe dorens meer ontstaan4 ,elke jonge tak eener sering eindigt in drie knopjes2 maar steeds ontwikkelen zich de twee zijdelingsche knoppen1 terwijl de middelste1 die tusschen de beide andere ingesloten is1 niet aangroeit1 zoodat de tak zich slechts in twee1 niet in drie takken verdeelt4 ,bij de dieren komen de redenen van wegsterving veel duidelijker aan het licht dan bij de planten1 daar is het eenvoudig het gebrek aan oefening van een orgaan1 het gevolg van gewijzigde levensomstandigheden van het dier4 ,niets is uit dit oogpunt leerzamer dan de invloed van het licht op het gezichtsorgaan4 ,een dier1 dat steeds in de duisternis verkeert1 beweegt zich niet langer met behulp van zijne oogen1 maar op het gevoel2 de oogen nemen dan in grootte af1 gaan dieper in de kassen liggen1 worden door de huid bedekt en eindigen met weg te sterven en te verdwijnen4 ,dit is erfelijk van de ouders op hun kroost1 en men ziet diersoorten die van oogen voorzien zijn zoolang zij in het licht leven1 blind worden1 als zij later in de duisternis komen4 ,wat wij van het oog gezegd hebben1 geldt van alle organen1 wat ook de aard hunner verrichtingen wezen moge1 zij worden door oefening ontwikkeld1 en gebrek aan oefening doet ze wegsterven1 terwijl die wijzigingen erfelijk zijn4 ,wij gebruiken gewoonlijk den linkerarm veel minder dan den rechterarm2 daardoor is de laatste dan ook zwaarder en zijne beenderen1 spieren1 aderen en zenuwen zijn dan ook krachtiger dan die van den linkerarm2 die verschillen bestaan reeds bij den jonggeborene4 ,bij de struisvogels1 dieren die te zwaar zijn1 om zich in de lucht te verheffen1 zijn de pooten krachtiger en langer1 de vleugels daarentegen korter geworden2 deze laatste doen alleen dienst als zeilen1 als de vogel in de richting van den wind loopt4 ,bij den casuaris zijn de vleugels teruggebracht tot een onnut deel1 dat onder de veeren verborgen ligt1 omdat het dier niet langer vliegt1 maar loopt4 ,zoo heeft men bij watervogels1 zooals de vetganzen1 gezien1 dat de vleugels in vinnen veranderd zijn1 en omgekeerd bij de vliegende visschen1 dat de borstvinnen z wijd zijn1 dat de dieren zich eenigen tijd in de lucht in evenwicht kunnen houden4 ,daarentegen ziet men bij de alen en de lampreien1 wier langwerpig lichaam zich gemakkelijk in het water beweegt1 dat de borst- en buikvinnen verdwijnen1 daar de staartvinnen voor het zwemmen volkomen voldoende zijn4 ,bij vele insecten bestaan de vleugels alleen bij het mannetje1 terwijl zij bij het wijfje onvolkomen of mislukt zijn4 ,uit al deze feiten blijkt1 waarom de zoloog1 zoo hij zich nauwkeurig wil uitdrukken1 altijd zegt3 de vogels vliegen1 omdat zij vleugels hebben1 en niet3 de vogels hebben vleugels om te vliegen4 ,de eerste uitdrukking drukt een eenvoudig1 duidelijk en onwederlegbaar feit uit2 de tweede uitdrukking daarentegen onderstelt eene voorbeschikking van een bepaald dier tot eene bepaalde levenswijze4 ,de levensomstandigheden bepalen de ontwikkeling of het wegsterven der organen2 zij zijn werkzaam of buiten werking naar gelang van de omstandigheden en levensvoorwaarden van het dier4 ,eene algemeene wet van vooruitgang1 ontwikkeling1 volmaking1 opklimming1 van verandering der levenlooze stof in levende en denkende organismen1 is gegrift in het karakter der geheele natuur2 aan die wet zijn de wezens onderworpen1 hun bestaan brengt reeds hunne wijziging en ontwikkeling mede4 ,doch zetten wij ons onderzoek voort4 ,bij de kruipende dieren verdwijnen de pooten4 ,de krokodillen en de hagedissen hebben er vier2 bij enkele zijn deze zeer kort1 andere hebben alleen vr- of achterpooten1 bij nog andere vindt men alleen sporen van achterste ledematen4 ,bij enkele slangen vindt men sporen van bekkenbeenderen1 wat aan het begin van den staart door de aanwezigheid van een paar hoornachtige punten merkbaar is4 ,lamarck verklaart het verdwijnen der ledematen uit de gewoonte van het kruipen1 die reeds bij de hagedissen bestaat1 hij merkt op1 dat een lichaam1 z uitgerekt als dat van eene slang niet voldoend ondersteund zoude zijn door vier pooten1 welk aantal bij geen der gewervelde dieren overtroffen wordt4 ,eene slang kruipt door middel van hare ribben voort4 ,de bovenmatige verlenging van het lichaam heeft de vermindering van n der longen te voorschijn geroepen1 terwijl de andere zich tot in den buik voortzet4 ,zelfs bij de zoogdieren zijn mislukte en onnutte organen niet zeldzaam2 z hebben de meeste zoogdieren de drie typen van tanden1 namelijk snijtanden1 hoektanden en kiezen4 ,reeds vroeger had men opgemerkt1 dat bij de walvisch1 waar de tanden vervangen zijn door baleinen1 de sporen der mislukte tanden bij de ongeboren vrucht aanwezig zijn2 evenzoo bij de vogels4 ,de herkauwende dieren hebben in de plaats van de bovenste snijtanden eenen eeltvormigen ring1 maar in de ongeboren vrucht komen de sporen dier tanden voor4 ,de zeekoeien hebben in het geheel geen snijtanden2 daar zij zich alleen met zeeplanten voedden1 gebruikten zij ze niet1 en daardoor zijn deze langzamerhand verdwenen4 ,de mislukte organen1 die de mensch bezit1 en waarvan hij dagelijks het nuttelooze kan inzien1 werden eertijds beschouwd als een bewijs voor de eenheid van het scheppingsplan4 ,evenals1 zoo meende men1 een bouwmeester op symmetrie gesteld1 valsche ramen aanbrengt1 of op de zijvleugels van een gebouw het gronddenkbeeld van den hoofdgevel doet uitkomen1 zoo ontsluiert ons de ,schepper in die organen het plan1 dat hij met de schepping heeft gevolgd4 ,de aanwezigheid echter van die sporen van organen bij den mensch1 voor wien zij geheel nutteloos zijn1 bewijst alleen1 dat zijn bouw nauw verbonden is met dien van het dierenrijk1 waarvan hij het volmaaktste uitvloeisel is4 ,aan de zijden van den hals hebben wij eene niet volkomen ontwikkelde huidspier2 bij de paarden doet die spier de huid trillen1 wanneer zij de vliegen willen verjagen2 bij ons maken de kleederen1 bij de wilden de huiden1 of het vet1 waarmede zij zich besmeren1 die spier overbodig2 zij is dan ook z dun geworden1 dat zij aan de huid niet de minste beweging geven kan4 ,hetzelfde is het geval met de spieren1 die de ooren van het paard1 den hond en andere dieren bewegen2 ook wij bezitten ze1 maar zij dienen ons tot niets4 ,zoo merkt men aan den binnenhoek van ons oog eene kleine plooi op2 deze is het overblijfsel van het derde ooglid der roofvogels1 waardoor zij1 zonder hunne oogen te sluiten1 in de richting der zon kunnen zien4 ,het is zelfs mogelijk1 dat rudimentaire organen niet alleen nutteloos1 maar zelfs schadelijk zijn4 ,de kuit wordt gevormd door krachtige spieren1 die door de ,achillespees aan den hiel verbonden zijn2 daarnaast bevindt zich eene lange1 dunne spier1 ongeschikt tot eenigen krachtigen arbeid1 de voetzoolspier4 ,die spier gelijkt op eenen dunnen katoendraad vastgehecht aan een dik kabeltouw2 als zij scheurt1 hetgeen geschieden kan bij het springen of iets dergelijks1 is eene langdurige rust voor de genezing noodig4 ,bij de kat1 den tijger1 den panter1 den luipaard en verwante geslachten1 is die spier even sterk als de beide overige1 en stelt zij die dieren in staat1 hunne verbazende sprongen te volvoeren4 ,zoo bezitten de plantenetende dieren1 het paard1 de koe en enkele knaagdieren een toevoegsel bij den grooten darm1 dat den naam draagt van coecum3 blinde darm2 dit toevoegsel hangt samen met de plantaardige voeding dier dieren2 bij den mensch1 wiens voeding niet zuiver plantaardig is1 bestaat die blinde darm alleen uit een klein cilindervormig lichaam1 waarvan de opening zeer nauw is4 ,hij is voor de spijsvertering van geene waarde1 daar het voedsel er niet in binnen kan dringen2 hij kan zelfs gevaarlijk worden1 indien een hard lichaam1 zooals eene pit of eene vischgraat er bij ongeluk in geraakt2 daardoor wordt ontsteking veroorzaakt1 en somtijds doorboring van het darmkanaal1 waarvan dikwijls buikvliesontsteking het gevolg is4 ,deze voorbeelden zijn voldoende1 om de beteekenis van afgestorven organen aan te toonen4 ,bij den mensch en de hoogere zoogdieren zijn die rudimentaire organen herinneringen aan dieren1 lager op de ladder geplaatst2 maar bij de lagere gewervelde dieren zijn zij somtijds eene aanwijzing voor toekomstige volmaking4 ,in n woord1 het geheele dierenrijk1 zoowel het levende als het fossiele1 doet ons dezelfde verschijnselen zien1 als de ontwikkeling der vrucht1 die1 beginnende uit de cel1 zich trapsgewijze verheft tot aan de sport1 waarop de beide wezens staan1 die haar het aanzijn geschonken hebben4 ,diezelfde ontwikkeling openbaart zich in de rij der dieren1 waarvan de geologische lagen ons de overblijfselen bewaard hebben4 ,de onderste lagen bevatten slechts ongewervelde dieren en visschen2 daarop volgen de kruipende dieren1 de vogels en de zoogdieren1 terwijl de mensch die opklimmende reeks sluit4 ,de fabelleer van alle tijden en van alle natin heeft de voortzetting der reeks voorzien1 door engelen te scheppen1 wezens volmaakter dan de mensch1 staande tusschen dezen en zijnen ,schepper4 ,in meesterlijke bewoordingen heeft reeds ,goethe hetzelfde betoogd4 ,hij zegt ongeveer het volgende3 ,de dieren zijn gevormd naar eeuwige wetten1 en iedere vorm verbergt het oorspronkelijke type in zich4 ,de bouw van het dier bepaalt zijne gewoonten1 en de levenswijze werkt weer terug op de vormen4 ,aan al die organismen ligt een gemeenschappelijke oorsprong ten grondslag1 terwijl het verschil in vormen het gevolg is van de betrekking der organismen tot de buitenwereld4 ,wij mogen beweren1 dat de volmaaktste vormen der organische natuur1 zooals de visschen1 de amphibin1 de vogels1 de zoogdieren1 en boven allen de mensch1 gevormd zijn naar een oorspronkelijk type1 waarvan de schijnbaar onveranderlijke deelen slechts binnen enge grenzen veranderen1 en dat die vormen zich nog dagelijks ontwikkelen en zich bij hunne voortplanting wijzigen4 ,indien men de planten en dieren beschouwt1 die beneden op de ladder der organismen geplaatst zijn1 dan kan men ze nauwelijks van elkander onderscheiden2 wij mogen dus zeggen1 dat de wezens1 die oorspronkelijk z nauw aan elkander verwant waren1 dat zij niet van elkander onderscheiden konden worden1 langzamerhand planten en dieren geworden zijn1 terwijl zij zich in twee tegengestelde richtingen volmaakten1 de eerste om te eindigen in den onbewegelijken boom1 de tweede in den mensch1 die het type is van den hoogsten graad van bewegelijkheid en vrijheid4 ,darwin heeft de leer van de langzame verandering der soorten en hare afstamming van eenen gemeenschappelijken oorsprong uitgewerkt1 en den naam van natuurlijke teeltkeus gegeven aan de wijze1 waarop de natuur daarbij te werk gaat4 ,in zijn ,origin of species 7de oorsprong der soorten7 heeft hij de algemeene en onwederlegbare wet van de verwantschap aller wezens samengevat4 ,de verschillende vormen der wezens zijn het resultaat van uiterst langzame wijzigingen4 ,het is in het groot hetzelfde1 wat in het klein geschiedt met het uiterlijk en de gewoonten van de menschen naar gelang van hunne levenswijze en hunne bijzondere vermogens4 ,een denker1 een geleerde1 een dichter1 een kunstenaar1 een ambtenaar1 een koopman1 een militair1 een werkman1 een monnik1 een losbol1 een speler1 een dief1 een boosdoener1 dragen allen op hun gelaat en in hunne wijze van zijn1 de ondubbelzinnige uitdrukking van hunne plaats in de maatschappij4 ,dikwijls vindt men in de maatschappij wezens1 wier hersenen afgestorven schijnen4 ,de denker draagt het hoofd gewoonlijk iets voorovergebogen1 als het ware iets zoekende2 hij wiens hersenkas ledig is1 draagt het hoofd rechtop en neemt eene kunstmatige houding aan1 als een pauw4 ,de werkman heeft spieren1 de dichter en de musicus zenuwen1 de waarnemer oogen1 en op ieders gelaat spiegelt zich de ziel in hare openbaringen af4 ,laten die kleine schakeeringen zich eeuwen lang overerven en ontwikkelen1 en gij hebt een beeld van de verandering der soorten4 ,het onderzoek der versteeningen1 die de verschillende lagen der geologische terreinen karakteriseeren1 toont aan1 dat de bewerktuigde wezens eenvoudiger van maaksel zijn1 naarmate men dieper afdaalt en men oudere lagen vindt4 ,wel is waar zijn nog niet alle vormen van versteeningen gevonden4 ,de opdelvingen uit de aardkorst zijn als het ware medailles uit verschillende eeuwen2 men heeft er enkele gevonden1 maar er ontbreken een groot aantal4 ,toch zijn zij voldoende1 om den loop der ontwikkeling weder terug te vinden1 en iedere nieuwe vinding vindt hare plaats tusschen de ledige ruimten die nog overgebleven zijn1 en dient tot verbindende schakel tusschen twee soorten1 die te ver van elkander verwijderd schenen4 ,en indien men afdaalt tot de oorspronkelijke lagen1 dan vindt men geene versteeningen van planten of dieren1 die gelijken op thans bestaande soorten1 maar wel hoogst eenvoudige typen1 laag staande op de ladder1 en die als het ware slechts verzamelingen van niet georganiseerde cellen voorstellen4 ,de verschillende soorten vormen eene aaneengesloten keten4 ,niet alleen dat men van de ne soort naar de andere kan overgaan1 zoowel bij planten als bij dieren1 zonder ooit groote sprongen behoeven te maken1 men kan ook aanwijzen1 hoe de meest volmaakte soorten verbonden zijn met de eenvoudigste1 evenals men van de uiteinden der takken van eenen reusachtigen boom afdaalt tot de lagere takken1 waaraan de andere hunnen oorsprong ontleenen4 ,doch er is meer4 ,indien men afdaalt tot de meest eenvoudige dieren en planten1 dan ziet men1 dat deze onderling niet z ver van elkander liggen als de hoogere dieren van de hoogere planten verwijderd zijn1 en dat zij daarentegen zzeer tot elkander naderen1 dat men niet meer weet1 of men ze dieren of planten moet noemen4 ,het zijn tusschenvormen1 die noch tot het dierenrijk noch tot het plantenrijk behooren1 maar zelfs tot de delfstoffen naderen4 ,wij wijzen slechts op de koralen1 de sponsen1 en een groot aantal zophyten4 ,men ziet dus1 hoe alles ons op de eenheid van den geslachtsboom van het leven wijst1 en op de natuurlijke schakels1 die zelfs de aardwormen met den mensch verbinden4 ,de embryologie1 die ons den mensch leert kennen1 zooals hij zich ontwikkeld heeft uit een ei1 in overgangen1 die overeenkomen met de diervormen1 waaruit zijne voorouders zijn voortgekomen2 de vergelijkende ontleedkunde1 die aantoont1 dat zijn geraamte overeenkomt met dat der hoogere gewervelde dieren2 de physiologie1 die ons in de hersens de gestadige ontwikkeling uit het ruggemerg doet kennen1 en in ieder orgaan de vrucht van de oefening van steeds aangroeiende vermogens2 de natuurlijke geschiedenis in hare volle uitgebreidheid1 die ons bij planten en dieren de verandering der organen doet zien1 veroorzaakt door wijziging der omgeving1 der voeding1 der ademhaling1 van licht1 temperatuur enz42 de paleontologie1 die ons de versteeningen leert kennen1 die zich van tijdperk tot tijdperk opvolgen1 van de eenvoudigste tot de meer samengestelde1 en eenen langzamen en voortdurenden vooruitgang in de ontwikkeling der soorten aanwijst2 de delfstofkunde1 die ons de overeenstemming doet zien tusschen de perioden en de soorten1 die toen bestonden3 dat alles is voor ons het bewijs van die grootsche eenheid1 die algemeene verbroedering4 ,de leer van de verandering der soorten niet te willen aannemen1 staat gelijk met de oogen te sluiten voor het licht4 ,indien gij in onzen tijd iemand de verwantschap tusschen mensch en aap en de overige diersoorten hoort belachelijk maken1 wees dan overtuigd1 dat gij een weetniet voor u hebt1 of iemand1 die ter kwader trouw is1 of eenen bevooroordeelde1 en neem u de moeite niet1 hem te willen overtuigen4 ,zoodanige personen zoeken den adel1 waar hij niet is1 en wel in den achteruitgang van een min of meer volmaakt oorspronkelijk type1 in plaats van dien te erkennen1 te bewonderen en te begroeten in den ,vooruitgang4 ,zoo zijn wij dan genaderd tot eene hoogstbelangrijke vraag4 ,wij mogen na al het voorgaande aannemen1 dat de geslachtsboomen van planten en dieren dezelfde wortels hebben2 maar gaan wij steeds verder en verder terug in de afkomst der georganiseerde wezens1 dan komen wij eindelijk tot een tijdstip1 waarop het leven moet begonnen zijn4 ,het leven kon niet bestaan1 zelfs niet in kiem1 toen de aarde nog zon was1 en licht gaf in de eenzame ruimte4 ,er konden toen noch kiemen van planten of van dieren bestaan1 noch moleculen organische stof4 ,zelfs konden er toen geene scheikundige verbindingen gevormd worden4 ,vrdat onze planeet zon was1 was zij in gasvormigen toestand en maakte zij deel uit van de zonnenevelvlek4 ,nog verder teruggaande1 komen wij tot een tijdstip1 waarop de stof1 waaruit de aarde later zou bestaan1 zzeer verdund was1 dat het meest volkomen luchtledig van onze luchtpompen in vergelijking daarmede als lood zoude zijn4 ,in die omstandigheden is het onmogelijk1 zich kiemen van het leven voor te stellen1 tenzij men aanneme1 dat de oorspronkelijke kiemen van het leven bijzondere1 levende atomen zijn4 ,men neemt in de scheikunde aan1 dat de atomen niet vernietigd kunnen worden4 ,is dit zoo1 dan mag men evenzeer aannemen1 dat zij eeuwig bestaan hebben4 ,indien de oorsprong van het leven gelegen is in de eigenschap van het levende atoom1 om andere atomen aan te trekken en daaruit organische moleculen te vormen1 dan zou de eerste organische cel gevormd zijn1 zoodra de voorwaarden voor die vorming aanwezig waren4 ,maar deze onderstelling is zeer onwaarschijnlijk4 ,hoogst waarschijnlijk bestaan er geene atomen waterstof1 zuurstof1 koolstof1 ijzer1 maar alleen moleculen dier lichamen1 d4w4z4 bepaalde groepeeringen van oorspronkelijke atomen1 die zelf noch waterstof1 noch zuurstof1 noch ijzer zijn4 ,de lichamen1 in de scheikunde enkelvoudig genoemd1 zijn waarschijnlijk samengesteld uit groepen van grondatomen4 ,is dit waar1 dan zoude er slechts ne soort van oorspronkelijke atomen bestaan4 ,de oorspronkelijke kosmische stof moet bestaan uit gelijkslachtige atomen4 ,de lichamen1 die wij enkelvoudig noemen1 moeten bestaan uit groepen van atomen1 uit moleculen1 die onderling verschillen in volume1 vorm en gewicht4 ,eene molecule waterstof weegt #h maal minder dan eene molecule zuurstof1 #ad maal minder dan stikstof1 #ajj maal minder dan kwik4 ,maar dit zijn waarschijnlijk moleculen en geen atomen1 en hun verschil in eigenschappen komt voort uit verschil in atomistischen bouw4 ,die moleculen vormen weder deeltjes van lichamen1 die vroeger als enkelvoudig beschouwd werden en waarvan men thans weet1 dat zij samengesteld zijn4 ,twee volumina waterstof1 verbonden met n volume waterstof1 vormen water1 #ba deelen zuurstof1 vermengd met #gi deelen stikstof1 vormen de lucht4 ,alle lichamen1 die ons omgeven1 hetzij organisch1 hetzij anorganisch1 zijn samengesteld1 en bestaan uit moleculen gevormd uit de stoffen1 die men in de scheikunde enkelvoudige stoffen noemt4 ,overal en altijd klimt de natuur van het enkelvoudige tot het samengestelde op4 ,wij moeten dus bij ons onderzoek naar den oorsprong der dingen tot den meest eenvoudigen toestand afdalen4 ,bij den oorsprong van het zonnestelsel bestond de kosmische stof uit gelijkslachtige atomen2 de tegenwoordige toestand van het heelal is een gevolg van de latere schikking dier atomen onderling4 ,wij nemen verder aan1 dat de moleculen der lichamen1 die wij thans nog enkelvoudig noemen1 uit atomen bestaan1 en dat de verschillen in de lichamen het gevolg zijn van de rangschikking dier atomen tot moleculen4 ,die rangschikking is niet willekeurig1 maar het gevolg van de natuurkrachten1 zooals de aantrekkingskracht der stof 7wat die ook wezen moge71 de warmte1 het licht1 de electriciteit1 het magnetisme en de andere vormen van beweging der atomen4 ,het is dus niet te verwonderen1 dat dezelfde combinaties van atomen voorkomen op verschillende wereldstelsels1 en dat de spectraalanalyse de aanwezigheid van ijzer1 waterstof1 natrium1 magnesium1 zuurstof en koolstof1 en van andere op aarde voorkomende elementen heeft aangewezen op de zon1 de sterren1 de planeten en de kometen4 ,de wetten der natuur zijn overal dezelfde1 al zijn ook de omstandigheden1 waaronder zij optreden1 verschillend4 ,doch diezelfde oorspronkelijke atomen kunnen zich tot andere soorten van moleculen verbonden hebben1 die op aarde niet bestaan4 ,zoo wijst ons de spectroskoop in ,saturnus1 in ,uranus en in enkele nevelvlekken1 op lichamen1 die op aarde niet voorkomen4 ,in het zonnespectrum toonen de strepen van het helium aan1 dat er op de zon lichamen zijn1 welke niet overeenkomen met die1 welke wij op aarde kennen4 ,de meetkundige groepeering van atomen heeft het aanzijn geschonken aan de oorspronkelijke moleculen der organische stoffen1 zooals waterstof1 zuurstof1 stikstof1 koolstof1 ijzer1 zwavel1 phosphorus1 arsenicum1 zilver1 goud1 lood1 zink1 enz4 ,de vereeniging der moleculen1 waartoe in de eerste plaats de koolstof1 het water en de lucht behooren1 heeft de eerste organische stof gevormd4 ,de kracht1 die oorspronkelijk in de beweging der elementaire atomen zuiver mechanisch is1 wordt verwantschap1 physisch-chemische kracht in de verbinding der moleculen1 levenskracht in den bouw der planten- en dierenorganismen1 en later denkkracht bij de dieren en menschen4 ,er bestaat ongetwijfeld slechts ne kracht1 zooals er slechts ne soort van atomen bestaat4 ,maar die kracht openbaart zich op verschillende wijzen1 en die verschillende uitingen kunnen van de ne in de andere overgaan1 zonder dat het arbeidsvermogen der stof vernietigd wordt4 ,het scheikundig onderzoek der plantaardige en dierlijke weefsels bewijst1 dat zij uit anorganische moleculen bestaan4 ,alle levende wezens bestaan uit anorganische moleculen1 waaronder de waterstof1 de zuurstof1 de koolstof en de stikstof de overhand hebben4 ,indien men nu die weefsels nauwkeuriger onderzoekt1 dan blijkt het1 dat zij bestaan uit aan elkander verbonden slijmige bolletjes4 ,deze eiwitachtige bolletjes1 cellen genaamd1 zijn mikroskopische eitjes1 waarin men alles onderscheiden kan1 wat ieder ei kenmerkt3 een omhulsel1 eene vloeistof en eene kern4 ,dit is het materiaal1 waaruit alle levende wezens zijn opgebouwd1 zoowel planten als dieren4 ,allen 7de mensch evenzeer7 ontstaan nog thans uit een mikroskopisch eitje1 eene cel4 ,wij worden er dus van zelf toe gebracht1 aan te nemen1 dat het leven op aarde begonnen is uit elementaire cellen4 ,maar hoe en waaruit zijn die cellen gevormd8 ,deze vraag is van zveel belang1 dat zij steeds allen heeft beziggehouden1 die belangstellen in de kennis der waarheid4 ,men heeft de oplossing dikwijls zeer ver gezocht4 ,zoo heeft ,sir ,william ,thomson de onderstelling geuit1 dat de eerste kiemen van het leven op onze planeet konden gebracht zijn door de vallende sterren en de meteoren4 ,de stelling is zeer oorspronkelijk doch niet waarschijnlijk1 hoewel het niet onmogelijk is1 dat een stuk van eene doode planeet uit den hemel valt en ons eene nog niet onvruchtbaar geworden kiem brengt4 ,maar de voorwaarden van bewoonbaarheid der verschillende werelden verschillen onderling zoozeer1 dat zelfs indien zoo iets plaats vond1 het nog niet gezegd is1 dat de plek in zee of op het vaste land1 waar een zoodanige steen zou neerkomen1 daarom geschikt zou zijn1 om de bovenaardsche kiem te doen ontkiemen4 ,doch eene zoodanige onderstelling verplaatst bovendien slechts de moeilijkheid4 ,immers indien het leven zijnen oorsprong had op eene andere wereld1 dan zou nog altijd de vraag overblijven1 hoe dat leven op die andere wereld ontstaan is1 en z zoude men eindeloos voort kunnen gaan4 ,doch komen wij op de vraag zelf terug2 om haar op te lossen hebben wij de volgende gegevens3 ten eerste het onderzoek der versteeningen1 tot de oudste lagen behoorende2 dan den stamboom der plant- en diersoorten1 en bovendien het onderzoek van den tegenwoordigen bouw der bewerktuigde wezens en van de stoffen1 waaruit zij gevormd zijn4 n der merkwaardigste resultaten der moderne wetenschap is1 zooals wij zooeven opmerkten1 dat er geene afzonderlijke organische stof bestaat1 omdat planten en dieren uit bekende anorganische elementen zijn samengesteld1 waarvan de belangrijkste zijn3 koolstof1 waterstof1 zuurstof1 stikstof1 kalk1 kiezel1 phosphorus1 zwavel4 ,alle levende wezens1 van den mensch tot de meest eenvoudige plant1 bestaan uit anorganische bouwstoffen4 ,wat hen van de delfstoffen onderscheidt1 is niet de samenstelling1 de stof1 maar de wijze van rangschikking1 die er noch vaste1 noch vloeistoffen1 noch gassen van maakt1 zooals bij de anorganische lichamen1 maar half vaste1 half vloeibare stoffen2 die bijzondere toestand is voornamelijk toe te schrijven aan het water1 dat in groote hoeveelheid in alle bewerktuigde lichamen aanwezig is1 en dat door zijne verbinding met de hoofdelementen der stof de voornaamste rol speelt in de verklaring der verschijnselen van het leven4 ,dit is een zeer belangrijk feit voor de oplossing van het groote vraagstuk4 ,een tweede1 niet minder belangrijk feit is1 dat die wezens zich voortplanten4 ,maar men moet dit vermogen kunnen verklaren1 en zich niet door den schijn laten verblinden4 ,men gelooft gewoonlijk1 dat alle levende wezens1 menschen1 dieren1 planten1 tegenwoordig geboren worden uit eenen vader en eene moeder1 en men ziet daarin een onoverkomelijk bezwaar tegen de vorming van het eerste levende wezen4 ,dit is eene dwaling4 ,alleen de hoogere wezens planten zich langs sexueelen weg voort4 ,de lagere wezens planten zich door deeling voort4 ,nemen wij b4 v4 de moneren1 de zophyten1 de amoeben1 de polypen en andere4 ,wat zien wij bij een groot aantal van deze8 ,eenvoudig dit3 het lichaam verdeelt zich in twee gelijke helften1 zoodra het door groei een zeker volume gekregen heeft2 daarna groeit ieder der twee helften aan en wordt weder een volledig wezen4 ,dezelfde wijze van voortplanting ontmoet men bij sommige gelede dieren4 ,dit is dan ook de gewone toedracht bij de cel1 het grondlichaam der bewerktuigde wezens4 ,oorspronkelijk waren er noch delfstoffen1 noch dieren1 maar alleen cellen1 of misschien nog minder1 de moneren van ,haeckel4 ,de moneren zijn de eenvoudigste lichamen1 die tot nu toe zijn waargenomen4 ,zij zijn in #ahfd in de ,middellandsche zee ontdekt1 in de prachtige baai van ,villafranca bij ,nizza1 en wel door ,haeckel1 hoogleeraar in de dierkunde aan de hoogeschool te ,jena2 het zijn kleine slijmachtige bolletjes1 met het bloote oog onzichtbaar of zeer klein1 7zelden grooter dan #a millimeter in middellijn74 ,zij bestaan uit eene eiwitachtige koolstofverbinding en zijn aan elkander verbonden als de moleculen van een blad1 men vindt ze in den vorm van kleine geleiachtige lichamen op de rotsen en in de zee4 ,het is een wezen zonder organen1 kop1 leden1 maag1 hart1 zenuwstelsel of spieren4 ,het is stof zonder bouw1 gelijkslachtig en eenvoudig1 zoowel plant als dier4 ,het heeft eene ongeloofelijke levensvatbaarheid1 en men heeft het gevonden tot op #hjjj ,meters onder de oppervlakte der zee4 ,het is bolvormig en bewegelijk4 ,als het zich gaat bewegen1 vormen zich op de oppervlakte vingervormige uitsteeksels1 die het in staat stellen zich te verplaatsen4 ,het voedt zich zonder mond1 zonder darmkanaal door endosmose1 evenals de planten2 het voedsel1 dat moet worden opgenomen1 dringt dus door aanraking binnen in het lichaam4 ,het plant zich voort1 door verdeeling in twee deelen1 die zich door insnoering vormen1 zooals men kan waarnemen door het beschouwen der vorige figuur4 ,deze wijze van voortplanting is niets anders dan een overmaat van groei van het organisme1 dat zijne normale grootte overtreft4 ,de voortplanting door deeling is eigenlijk de meest verspreide wijze van voortplanting2 op deze wijze toch planten zich de cellen voort1 uit wier opeenhooping de meeste organismen1 en ook het menschelijke lichaam gevormd is4 ,beschouwen wij bijvoorbeeld een eitje van een zoogdier4 ,het is niets dan eene enkele cel4 ,de buitenste omtrek is een vlies1 dat de geleiachtige massa omgeeft1 waarin men eene kleine kern of een kiemblaasje opmerkt4 ,in het eerste tijdperk der vorming van het levende wezen verdeelt zich dat kiemblaasje in twee kernen en volgt de celstof1 de dooier van het ei1 de beweging 7fig4 #be1 ,a74 ,zoo verdeelen de twee cellen zich weder in vier 7,b71 deze in acht 7,c71 in zestien enz41 en eindelijk komt daaruit voort een bolvormige hoop1 op eene framboos gelijkend 7,d74 ,zoo begint nog thans ieder levend wezen1 ook de mensch4 ,deze zelfde wijze van voortplanting kan ook bij eene groote menigte afgietseldiertjes worden waargenomen1 zooals fig4 #bf aantoont4 ,in den tijd van eenige dagen ziet men in een glas zeewater millioenen wezens ontstaan1 langs dezen eenvoudigen weg voortgebracht4 ,in nauw verband met de voortplanting door verdeeling staat de voortplanting door knopvorming1 die zeer verspreid is in het plantenrijk en in enkele lagere klassen van het dierenrijk1 zooals bij wormen1 polypen en andere4 ,maar terwijl in het eerste geval de twee wezens1 ontstaan uit de splitsing der oorspronkelijke cel1 aan elkander gelijk zijn1 is bij de voortplanting door knopvorming het tweede wezen een product van het eerste2 het is kleiner1 en moet eerst nog groeien1 vrdat het aan het eerste gelijk wordt4 ,z was het begin van het leven4 ,de lagere organismen1 zoowel planten als dieren1 zijn geslachtloos4 ,gedurende millioenen jaren plantten zij zich voort door deeling1 door knopvorming en vervolgens door kiemen4 ,het bestaan van geslachten en de scheiding in twee verschillende wezens is eerst van veel latere dagteekening4 ,de tweeslachtigheid bestond lang vr de scheiding der geslachten2 zij bestaat nog bij de meeste planten en enkele lagere dieren 7de slak1 de pier en verscheidene andere wormen74 ,daarentegen bestaat de scheiding der geslachten bij de hoogere planten1 de mimosen1 de orchiden1 de wilgen1 de peppels1 de kastanjes en andere4 ,de voortplanting zonder geslacht grenst trouwens aan de geslachtsvoortplanting1 en de tweede komt uit de eerste voort1 langs den weg der afwisselende voortplanting4 ,de parthenogenesis bestaat bij een groot aantal volkomen insecten 7iedereen kent de bladluizen74 ,zoo brengen bij de bijen1 de eieren der koningin mannelijke wezens voort1 als zij niet bevrucht zijn1 en vrouwelijke zoo dit wel het geval is geweest4 ,hieruit volgt1 dat de oude bedenking1 gegrond op het denkbeeld1 dat alle levende wezens voortkomen uit voortbrengende ouders1 geene wetenschappelijke waarde heeft1 omdat gedurende eene lange rij van eeuwen de oorspronkelijke bewoners der aarde zonder ouders geboren zijn4 ,de moeilijkheid1 om de vorming van organische cellen aan te nemen1 is niet meer z groot1 als toen men de wereld in eenen te nauwen kring insloot4 ,die vorming schijnt nauwelijks ingewikkelder1 dan die der mineralen1 die in prachtige1 meetkunstige vormen kristalliseeren1 of die der scheikundige voortbrengselen1 die onder bepaalde voorwaarden van verzadiging en temperatuur1 het aanzijn geven aan die prachtige rangschikking van moleculen1 waarvan de mikroskoop ons de schoonheid en harmonie heeft leeren kennen4 ,de moneren van ,haeckel zijn de eenvoudigste organismen1 die men ooit heeft waargenomen4 ,men kan hier nog aan toevoegen de mikroskopische wezens1 die men eerst als schimmel heeft beschouwd1 doch welke langs scheikundigen weg de opgeloste suiker omzetten1 om de azijnmoer te vormen1 in n woord3 om de organische stoffen te doen gisten4 ,die organische korrelingen dragen den naam van micrococcus4 ,zij zijn niet grooter dan duizendsten van millimeters4 ,de aard van die organismen staat nog niet volkomen vast1 maar hetzij zij het onvernietigbare leven in zich dragen1 zooals door sommigen beweerd wordt1 hetzij zij alleen dienen voor den bouw der wezens1 zij moesten hier1 al is het slechts oppervlakkig1 aangestipt worden4 ,maar moneren1 cellen1 micrococci1 zij alle zijn uit iets gevormd4 ,dat iets bezit eene zekere werkzaamheid1 dat de delfstoffen missen4 ,welnu6 dat is de eerste levende stof1 en de eenvoudigste3 zij draagt den naam van protoplasma1 de physiologen toonen aan1 dat dit aan alle weefsels1 hetzij dierlijke hetzij plantaardige ten grondslag ligt4 ,het protoplasma is eene stof1 die behoort tot de groep der eiwitverbindingen1 dat wil zeggen1 het is samengesteld uit koolstof1 waterstof1 stikstof en zuurstof4 ,daarbij komen nog dikwijls in veranderlijke hoeveelheid zwavel1 ijzer en phosphorus4 ,dat protoplasma leeft1 wordt geboren1 groeit aan1 plant zich voort1 sterft1 is gevoelig1 beweegt zich en reageert tegen prikkels4 ,de stof dient1 terwijl zij zich op verschillende wijzen wijzigt1 tot opbouwing der weefsels en der organen van alle levende wezens4 ,als de levende wezens sterven1 dan ontleedt het protoplasma1 en keert het terug tot de anorganische wereld1 waaraan het ontleend was4 ,de gevoeligheid is het uitgangspunt van het leven geweest4 ,planten1 zoowel als dieren1 zijn gevoelig2 het protoplasma is gevoelig1 en dit is juist het groote verschil tusschen die stof en de anorganische stoffen1 die het meest er op gelijken4 ,de moneren1 die nog thans het zoute water bewonen1 bestaan alleen uit eene klont protoplasma4 ,het zijn de eenvoudigste wezens1 die wij kennen4 ,het leven is begonnen in eenen tijd1 toen de aardbol geheel omringd was door het lauwe water van den oorspronkelijken oceaan4 ,de eerste levende wezens1 die zeer waarschijnlijk overeenkwamen met de tegenwoordige moneren1 waren bewoners der zee4 ,daaruit zijn de land- en waterplanten voortgekomen1 de wezens1 die thans alleen slechts kunnen leven in het zoetwater van meren1 rivieren en stroomen1 en de geheele planten- en dierenwereld1 die thans het vaste land versiert en leven schenkt4 ,nog thans bestaan alle wezens voornamelijk uit water4 ,de studie der natuur geeft dus een antwoord op de zooeven gestelde vraag4 ,wij weten1 dat de eerste organismen gevormd zijn in het lauwe water der oorspronkelijke zee en slechts geleiachtige1 vormlooze lichamen geweest zijn zonder structuur1 scheikundige lichamen1 waarin de bijzondere eigenschappen der koolstof1 en vooral de halfvloeibaarheid en de onbegrensde buigzaamheid der eiwitbestanddeelen1 eene splitsing hebben doen ontstaan met de uitsluitend minerale lichamen en de verschijnselen van het leven hebben voortgebracht4 ,hunne nog weifelende vormen zijn als het ware het beeld der weifelende schreden van het juist ontstane leven4 ,bij hen bestaat zelfs de cel nog niet met hare kern en haar vlies4 ,de protoplasmastof1 weifelend en vormloos1 geeft ons nauwelijks een denkbeeld van werkelijke wezens4 ,toen men den eersten kabel in den ,atlantischen oceaan legde1 vond men vermengd met het grijze slib1 op den bodem gelegen1 eene vormlooze geleiachtige massa1 die kalklichaampjes bevatte4 ,die gelei werd in alcohol bewaard4 ,huxley herkende daarin het vormlooze protoplasma1 de laagst staande monere1 den ,bathybius ,haeckelii4 ,de merkwaardige onderzoekingen in #ahfh en #ahfi door ,thompson en ,carpenter gedaan op de schepen ,lightning en ,porcupine1 die al de vroeger algemeen aangenomen denkbeelden omverwierpen omtrent de afwezigheid van het leven in de diepte der zee1 deden op eene diepte van drie- tot vier duizend meters op den bodem der zee dat protoplasma kennen1 dat uit eene groote hoeveelheid geleiachtige1 organische stof bestond1 en dat in z groote hoeveelheid voorkwam1 dat het aan het slib eene zekere kleverigheid mededeelde4 ,indien men dit slib met verdunden wijngeest schudt1 zetten zich zeer fijne vlokken af1 die het voorkomen hebben van eene slijmerige eiwitstof4 ,indien men een weinig van dat slib in eenen druppel zeewater onder den mikroskoop brengt1 dan ziet men gewoonlijk na eenigen tijd een onregelmatig net van eiwitachtige stof met scherp begrensde omtrekken1 dat zich niet met het water vermengt2 men kan zien1 hoe die stof langzamerhand van gedaante verandert1 en hoe de op zich zelf staande korreltjes en de vreemde lichamen onderling van plaats veranderen4 ,die stof is dus in staat zich eenigszins te bewegen1 en het is niet twijfelachtig1 of zij vertoont verschijnselen van eenen nog weinig ontwikkelden vorm van het leven 7,fig4 #bg74 ,langen tijd bleef men twijfelen aan de juistheid der hier medegedeelde resultaten4 ,daar de scheikundigen hadden aangetoond1 dat alcohol1 in zeewater gestort1 een slijmerig neerslag gaf1 meende men1 dat de zooeven genoemde stof eenzelfde neerslag was4 ,doch in #ahge werden dezelfde waarnemingen herhaald door den ,duitschen natuuronderzoeker ,bossels bij eene ,noordpool-expeditie1 op eene diepte van #ib vademen4 ,de toen gevonden stof was werkelijk protoplasma1 waarin toevallig enkele kalklichaampjes voorkwamen4 ,de moneren zijn niet anders dan protoplasma4 ,een klonter gelei is het eenige1 wat onze krachtigste mikroskopen ons doen zien2 maar die gelei leeft1 men ziet haar ieder oogenblik van vorm veranderen1 zich meester maken van andere infusiediertjes1 ze oplossen en ze opnemen in haar eigen stof4 ,in de omringende vloeistof gelijken zij op die dunne strepen1 die in een glas water ontstaan boven een stukje suiker1 dat oplost4 ,de moneren zijn kleine bolletjes4 ,moeten zij zich verplaatsen1 dan groeien er stralen aan1 die als pooten dienst doen4 ,men kent reeds verschillende soorten4 ,zij hebben1 zooals wij zeiden1 trilharen1 die als pooten dienst doen1 doch kort en onregelmatig zijn1 in alle richtingen uitspringen1 zich inkorten en naar binnen treden1 als het wezen ze niet meer noodig heeft4 ,de beweging is als het ware eene soort van kruipen1 hetwelk geschiedt door het uitrekken van een trilhaar1 dat met zijn uiteinde een steunpunt zoekt1 zich daarna inkort en z het geheele lichaam medetrekt1 dat zich beweegt als een oliedroppel1 dat op een stukje glas voortgeblazen wordt4 ,als een zonnestraal het vat treft1 dat n dier wezens bevat1 dan beweegt het zich steeds naar het licht toe4 ,de veerkracht van het levende protoplasma1 zijne uitzetting en samentrekking onder den invloed der warmte1 zijn voldoende om rekenschap te geven van de wijze van beweging4 ,wij noemen ten slotte onder de moneren het myxodictyum sociale 7fig4 #bh74 ,daar bestaat het protoplasma uit afzonderlijke wezens1 kleine min of meer bolvormige klonters1 die van alle zijden omgeven zijn van vertakte en straalvormige trilharen en zich door deeling voortplanten1 maar toch in kolonin vereenigd blijven door hunne vezels4 ,dit zijn de oorspronkelijke wezens4 ,het organische komt uit het anorganische voort4 ,de levenskracht is uit de physisch-chemische kracht ontstaan4 ,de electriciteit is waarschijnlijk niet vreemd geweest aan dien vooruitgang der stof2 in den toestand1 door de warmte1 de drukking van het water1 en andere factoren voorbereid1 heeft zij nog ingewerkt door aan de moleculen inwendige bewegingen mede te deelen4 ,nog thans speelt zij eene belangrijke1 nog niet genoeg doorgronde rol in de hoogere levensverschijnselen4 ,de bevruchting der planeet is echter geen gewoon scheikundig proces1 evenmin als eene scheikundige verbinding een gewoon mechanisch proces is1 het is iets meer4 ,het leven is een nieuwe vorm van beweging2 het is eene nieuwe schepping1 voortgebracht door de scheikundige verhoudingen1 die het bepaald hebben4 ,door de voortdurende veranderingen in samenstelling1 door de bewegingen1 waarvan het de zetel is1 door zijn vermogen om zich te voeden1 zich in afzonderlijke wezens te verdeelen1 en zich voort te planten1 onderscheidt zich het protoplasma van alle scheikundige stoffen en vormt het eene klasse van lichamen op zich zelf4 ,de afstand tusschen de levende stof en de scheikundige verbindingen is groot1 maar toch weet men thans1 dat het leven met al zijne kenmerken in eene soort stof aanwezig is1 die even eenvoudig van bouw is als de scheikundige verbindingen4 ,voor den denker1 die de geheimen der natuur tracht te ontwarren1 is het niet vreemder1 de koolstofverbindingen het aanzijn te zien schenken aan geleiachtige lichaampjes1 dan de kristallen uit eene zoutoplossing te zien aangroeien naarmate het water verdampt1 of den loodboom te zien aangroeien1 die ontstaat1 indien men eene zinkstaaf in eene oplossing van azijnzuur lood hangt1 of den waterdamp heesters te zien teekenen op de glazen van een bevroren venster1 of de sneeuwkristallen te zien vormen in de lucht1 of den zwavel te zien kristalliseeren1 of het bismuth1 het goud en het koper4 ,het verschil tusschen de organische en de anorganische stoffen bestaat niet in hare samenstelling1 want de levende wezens zijn alle samengesteld uit dezelfde elementen als de anorganische stoffen2 het verschil bestaat alleen in de lenigheid der weefsels1 in haar vermogen1 om de omringende middenstof te kunnen opnemen en van binnen aan te groeien1 terwijl de kristallen aangroeien door uitwendige aanzetting1 en in haar vermogen1 om zich te verlengen1 te verkorten en te bewegen4 ,het kenmerkend onderscheid schuilt voornamelijk in het vermogen van voortplanting1 maar zooals wij zeiden1 oorspronkelijk openbaarde zich dat vermogen door eenvoudige verdeeling van het aangegroeide voorwerp4 ,men kan een organisch lichaampje1 dat z weinig ontwikkeld is als een protoplasmakorrel1 noch onder de dieren1 noch onder de planten rangschikken1 maar toch verschilt het in wezen van de overige scheikundige voortbrengselen en is het de kiem van het leven1 dat zich later over de oppervlakte der aarde verspreid heeft4 ,voor de natuur bestaat er geene scheikunde of natuurkunde1 of werktuigkunde1 of sterrenkunde1 of plant- en dierkunde1 evenmin als er zuivere soorten van planten1 dieren of delfstoffen bestaan4 ,dit zijn verdeelingen1 door de menschen uitgedacht om de studie te vergemakkelijken en de voorwerpen van studie te kunnen splitsen4 ,hoewel een groot aantal geleerden zich illusin scheppen en hunne eigene vindingen als feiten aannemen1 is het wenschelijk1 niet het slachtoffer te worden van eene dwaling1 die voor onzen geest den prachtigen eenvoud der natuur zou verwoesten4 ,voor haar is het bewerktuigde wezen1 evenals de onbewerktuigde wereld de ontwikkeling van een zelfde wezen2 de geheele wereld wordt door eene onmetelijke nheid beheerscht4 ,het heelal bestond langen tijd in eenen zuiveren mechanischen toestand1 als in werking zijnde nevelvlek1 als eene verzameling van bewegende atomen1 als onderworpen aan de algemeene aantrekkingskracht4 ,de warmte1 het licht1 de electriciteit1 de vorming der moleculen1 hebben het aanzijn geschonken aan den natuurkundigen toestand1 tijdens welken de planeet haar karakter als nevelvlek verloor4 ,de verbindingen1 de verwantschap der stoffen hebben den scheikundigen toestand doen geboren worden2 de voorwaarden voor het leven werden gunstig4 ,op die drie tijdperken1 die uit elkander voortvloeiden1 is de organische toestand gevolgd1 die weer het noodzakelijk gevolg was van het vorige tijdperk4 ,van den dag af1 waarop de voorwaarden van het leven alle aanwezig waren1 moest zich het protoplasma even zeker vormen als eene scheikundige verbinding het gevolg is van de voorwaarden1 die haar bepalen4 ,en van den dag af1 waarop het leven verschenen is met zijne karakteristieke eigenschap van eeuwigdurende voortplanting1 moest het zich uitbreiden en vermenigvuldigen over de geheele oppervlakte der aarde4 ,evenals het licht1 de warmte1 de verwantschap1 de moleculaire beweging1 zoo ook werkt het leven onophoudelijk voort en wordt het nooit meer uitgedoofd4 ,tot aan den laatsten dag van het bestaan der aarde zal het de natuur bezielen1 steeds van vorm veranderen en nooit vernietigd worden4 ,welke onweerstaanbare kracht6 ,zoodra een organisme tot den volwassen leeftijd gekomen is1 dan gevoelt het oogenblikken van wellust1 zonder welken de stroom des levens in zijnen loop zoude gestuit worden4 ,het is niet genoeg te leven1 het leven moet worden voortgeplant4 ,van dit tijdstip af is onze planeet van vorm veranderd4 ,tot nu toe behoorde zij tot het rijk der delfstoffen1 doof1 blind1 zich zelf niet bewust2 van nu af aan draagt zij het leven1 en het eerste flauwe begrip van persoonlijk bestaan1 dat zich bij de vorming der eerste wezens openbaart1 ontwikkelt zich en neemt toe1 totdat het eindelijk den trap bereikt1 waarop verstand en zedelijkheidsbegrippen haar beheerschen4 ,in de zee is het leven begonnen2 en daar is het steeds het vruchtbaarst geweest4 ,de wateren bezitten veel meer bewoners dan het vasteland4 ,overal zijn de zeen bewoond2 overal1 tot op den bodem van den afgrond1 bewegen zich schepselen1 die met elkander in harmonie zijn2 overal vindt de natuuronderzoeker stof tot leering en de wijsgeer stof tot nadenken4 ,de diepten van den oceaan1 zijne bergen en dalen1 zijne valleien en duisternissen1 zelfs zijne puinhoopen zijn bezield en versierd met ontelbare bewerktuigde wezens4 ,het zijn eenzame of samenlevende planten1 zich tot weiden uitstrekkend of tot onmetelijke bosschen verbindend4 ,die planten beschermen en voeden duizenden dieren1 die kruipen1 loopen1 zwemmen1 vliegen1 zich bedelven in het zand1 zich aan rotsen vasthechten1 in ravijnen wonen1 elkander zoeken en ontvluchten1 bestrijden of vervolgen1 elkander minnend liefkoozen of meedoogenloos verscheuren4 ,onze wouden op het vaste land bevatten lang niet zooveel dieren als die der zee4 ,de oceaan1 waarin de mensch het leven niet kan behouden1 is voor duizenden dieren de bron van leven en gezondheid4 ,op groote diepten is de temperatuur van het water op alle breedten ongeveer dezelfde 7#j7 van den aequator tot aan de polen4 ,de meeste beroeringen harer oppervlakte dringen niet dieper door dan #be meters1 waarvan het gevolg is1 dat de planten en dieren1 door meer of minder diep af te dalen1 steeds eene omgeving kunnen vinden1 die hun past4 ,de monsters1 die men in de zee vindt1 de walvisch1 de potvisch1 de dolfijn1 de haai1 maken niet het belangrijkste deel uit van de bevolking der zee4 ,de oceaan is bevolkt met ontelbare1 oneindig kleine wezens1 mikroskopische afgietseldiertjes1 z klein1 dat een droppel vloeistof er millioenen bevat4 ,alle wateren zijn er vol van1 zoowel het rivier- als het zeewater1 bij hooge en bij lage temperatuur4 ,de groote stroomen voeren steeds oneindige hoeveelheden naar zee4 ,alleen reeds de ,ganges voert in een jaar tijds eene hoeveelheid naar zee1 die zes- tot achtmaal grooter is1 dan de massa der hoogste pyramide van ,egypte4 ,in de nabijheid der polen1 waar groote organismen niet zouden kunnen bestaan1 vindt men nog duizenden infusiediertjes4 ,zelfs in de overblijfselen van het gesmolten ijs1 dat op #gj breedte drijft1 heeft men meer dan vijftig verschillende soorten gevonden4 ,op plaatsen der zee1 dieper gelegen dan de hoogte der hoogste bergen bedraagt1 leven in iedere waterlaag ontelbare scharen van bijna onzichtbare bewoners4 ,daar is de bakermat van het leven1 en daar zijn de eerste levende wezens geweest4 ,de oceaan is hun wieg geweest1 en de geleiachtige stof1 waaruit de afgietseldiertjes bestaan1 is de vruchtbare stof geweest1 waaruit zich het levend organisme heeft ontwikkeld4 ,nog thans zijn de infusiediertjes de talrijkste dieren der natuur1 en die wier levenskracht het grootst is4 ,letten wij b4v4 op de amoeben 7fig4 #ca74 ,stelt u voor een droppel1 half-vaste1 half-doorschijnende1 half-geleiachtige1 gelijkslachtige stof1 tot willekeurige beweging in staat4 ,zij beweegt zich in verschillende richtingen1 zet zich uit of krimp weer in1 en neemt de meest onregelmatige1 meest onverwachte gedaanten aan4 ,als men het diertje plaatst op het voorwerpglaasje van eenen mikroskoop1 glijdt het voort als een oliedroppel en verandert het telkens van gedaante4 ,als een ware ,proteus is het nu eens rond1 dan weer langwerpig1 of gesterd1 of gelobd4 ,al die infusiediertjes zijn van trilharen voorzien1 die hun voor alles dienen1 zoowel voor de beweging1 als voor de voeding en de ademhaling4 ,deze wezens hebben als het ware het leven in ieder hunner deelen4 ,men kan somtijds een zoodanig diertje zich zien oplossen in deelen1 die voortzwemmen als ware er niets geschied4 ,nadert men het water1 waarin zij zwemmen1 met een' penneveer in ammoniak gedompeld1 dan staat het diertje stil1 maar blijft het de trilharen bewegen4 ,plotseling ontstaat er eene insnijding op een punt van den omtrek2 deze wordt langzamerhand grooter1 totdat het geheele dier als het ware opgelost is4 ,voegt men hier eenen droppel zuiver water bij1 dan houdt de ontleding plotseling op1 en wat er van het dier nog over is1 begint zich weer te bewegen en te zwemmen1 als ware er niets geschied4 ,er zijn van die organismen1 die na gedurende jaren op eenen zolder vergeten en verdroogd te zijn1 na bevochtiging weder herleven4 ,al die kleine wezens kunnen tot de oudste der planeet gerekend worden4 ,op alle breedten en op iedere diepte vindt men in onmetelijke banken versteende foraminiferen4 ,de steengroeven van ,gentilly bevatten er wel #bj milliard op eenen cubieken meter6 ,indien wij een huis voorbijgaan1 dat afgebroken1 of een gebouw1 dat opgetrokken wordt1 dan ademen wij in de stofwolk1 die ons tegemoet waait1 duizenden van die diertjes in4 ,die oneindig kleine wezens hebben eilanden en bergen gebouwd1 en eene meer belangrijke rol gespeeld bij de vorming der aarde dan de grootste en schijnbaar belangrijkste dieren4 ,die kleine wezens zullen ons in het volgende hoofdstuk onderrichten over de geschiedenis van het leven op onze planeet2 thans was het ons slechts te doen1 den oorsprong van het leven vast te stellen4 ,geven wij dus in korte trekken het vorige weer3 ,wij kennen thans den oorsprong van het leven op aarde2 wij weten1 dat alle levende wezens1 en ook de mensch1 met elkander verwant zijn en aan dien oorsprong hun bestaan ontleenen2 wij weten ook1 dat die oorsprong eene nederige organische stof is1 het gevolg van de physisch-chemische omstandigheden1 die haar het aanzijn geschonken hebben2 wij weten ten slotte1 dat de wet van den vooruitgang de geheele schepping beheerscht4 ,,tweede ,,hoofdstuk ,ontwikkeling van het leven4 ,ten gevolge van den reusachtigen arbeid der laatste tijden zijn wij door verbinding en vergelijking van al de wetenschappelijke veroveringen1 die elkander aanvullen1 zver gekomen1 dat wij eenen tip van den sluier kunnen opheffen1 die het geheim verborg1 dat zoovele eeuwen bedolven was onder de menigte schijnbaar ondoordringbare raadselen der natuur2 wij hebben een blik geslagen in de vorming der eerste organische stoffen1 die weder uit de verbinding van vroegere stoffen zijn afgeleid1 welke zelf weer ontstaan waren uit de verschillende groepeeringen der moleculen2 wij hebben in gedachte de trapsgewijze gedaanteverwisseling der aardnevelvlek gevolgd1 van den gasvormigen1 als het ware onweegbaren toestand af tot aan den bouw van de moleculen der als enkelvoudig beschouwde lichamen1 en tot aan de verschillende verbindingen1 de omzettingen van kracht en stof1 de bakermat van het leven en de eerste bewerktuigde wezens1 planten en dieren4 ,die oorspronkelijke organische stof blijft na hare vorming niet onvruchtbaar4 ,gehoorzamende aan de wet van den vooruitgang1 ondergaat zij zelf vervormingen1 die de trapsgewijze ontwikkeling van het leven1 de verscheidenheid in organismen1 de volmaking der wezens ten gevolge heeft4 ,mogen al sommige geleerden beweerd hebben1 dat de hoeveelheid leven op aarde standvastig is1 dit is eene dwaling4 ,bij den oorsprong van het leven was er niet de minste verscheidenheid en geen verschil in soorten4 ,het aantal soorten is van eeuw tot eeuw toegenomen door splitsing in de vorming der bewerktuigde wezens1 en ook het aantal levende wezens is van geslacht tot geslacht toegenomen4 ,sedert de eerste vorming van het protoplasma is de hoeveelheid leven1 het aantal en de verscheidenheid der levende wezens1 steeds toegenomen4 ,van den dag af1 waarop zich de eerste hoeveelheid protoplasma gevormd heeft1 heeft het leven iets aan de aarde toegevoegd1 iets onweegbaars1 maar toch eenen nieuwen vorm van werkzaamheid1 iets wat de planeet voorheen niet bezat3 het leven1 het gevoel1 en later de gedachte4 ,de volmaking van het leven heeft voortdurend iets aan de natuur toegevoegd4 ,de invloed van het licht en de vorming van de gezichtszenuw2 de invloed van het geluid en de vorming van de gehoorzenuw2 de langzame ontwikkeling der vijf zintuigen1 de vorming en de ontwikkeling van het zenuwstelsel1 het ontstaan der eerste indrukken1 het zelfbewustzijn1 eerst nog duister en onbepaald1 langzamerhand beter ontwikkeld1 de gedachte1 het geheugen1 ziedaar langzame veroveringen der levende wezens4 ,niets hiervan bestond op onze planeet vr het ontstaan van het leven4 ,het is dus inderdaad de geschiedenis eener doorloopende schepping1 welke wij hier beschrijven4 ,de geleerden1 die op het voorbeeld van ,haeckel meenen1 dat het leven slechts eene mechanische functie is1 een bepaalde vorm van beweging1 behoorende tot het gebied der natuur- en scheikunde1 tasten mis4 ,de ontwikkeling van het ei1 dat een zoogdier1 een' vogel of een' visch zal voortbrengen1 behoort niet uitsluitend tot het gebied dier wetenschappen4 ,de werkzaamheid van plant of dier1 dat in zich de luchtmoleculen opneemt1 of water1 koolstof en andere stoffen aan de omgeving onttrekken1 waardoor het organisme in zijne kracht en schoonheid onderhouden wordt1 behoort niet uitsluitend tot het gebied der natuur- en scheikunde1 hoewel de levensverschijnselen er door beheerscht worden4 ,er is nog iets meer4 ,de kracht1 die de plant1 het dier1 den mensch doet leven1 is eene omzetting der natuurkrachten1 die in de anorganische wereld werkzaam zijn4 ,sedert ,lavoisier is de oude vergelijking van het leven met eene brandende vlam werkelijkheid geworden4 ,dezelfde scheikundige processen1 die het vuur in de onbewerktuigde natuur onderhouden1 onderhouden het leven in de organische natuur2 de zuurstof oefent daarbij hare werking uit4 ,maar evenmin als het zuur in het galvanisch element1 of het zink en het koper1 het electrisch uurwerk de uren doet aanwijzen1 evenmin brengt de stof de verschijnselen voort1 die zich in het leven openbaren1 de stof is slechts de draagster van het leven4 ,de scheikundige verbindingen en de verwantschap der moleculen zijn ontstaan na de zuiver mechanische periode van de geboorte der aarde1 en zijn het gevolg van den toestand1 waarin kracht en stof toen verkeerden4 ,ook zij hadden reeds iets nieuws toegevoegd aan den chaos der azosche periode4 ,de eerste vorming van het protoplasma1 ontstaan uit de vroegere scheikundige verbindingen1 was tevens het begin van het leven4 ,er was toen noch ziel1 noch gedachte4 ,de gedachte is bij de lagere dieren1 de insecten1 en de eerste gewervelde dieren3 visschen en kruipende dieren1 ongetwijfeld het uitvloeisel geweest van de ontwikkeling der zintuigen4 ,het leven is begonnen met eene eenvoudig samengestelde stof1 die nauwelijks de eigenschappen bezat1 die wij thans als uitingen van het leven kennen1 en de kiem1 de voortbrengster dier oorspronkelijke organismen1 is niets anders geweest1 dan eene gelukkige vereeniging van elementen1 waardoor die nieuwe vorm van werkzaamheid in het werk der schepping bepaald is4 ,evenals de electriciteit te voorschijn treedt uit eene daartoe geschikt gemaakte batterij1 zoo is ook de levenskracht voortgekomen uit de groote werkplaats der natuur4 ,het protoplasma ondervindt op zijne beurt den invloed1 waardoor het zich langzamerhand boven zijnen nederigen oorsprong verheft4 ,door zijn vermogen1 om zich te voeden1 ontwikkelt het zich en verdeelt het zich3 dit is de eerste wijze van voortplanting geweest4 ,wel is het nog geene plant1 maar het leeft1 hernieuwt zijn weefsel en plant zich voort4 ,die eiwitstof1 die geleiachtige verbinding van koolstof1 stikstof en zuurstof1 zal weldra andere stoffen1 zooals zwavel1 phosphorus1 ijzer1 zouten1 in zich opnemen1 en van vorm en eigenschappen veranderen4 ,zoo zal het protoplasma1 na zich verdeeld te hebben in verschillende lichamen1 die in eigenschappen verschillen1 het aanzijn schenken aan de moneren1 de foraminiferen1 de eerste cryptogamen1 de myxomyceten1 de sponsen1 het wier1 enz4 ,wij hebben reeds kennis gemaakt met de verschillende moneren en gezien1 dat er een aantal verschillende soorten bestaan1 die zich bijna alle voortplanten door verdeeling van hun lichaam in twee gelijke deelen4 ,er zijn er echter enkele1 zooals de protomonas1 de vampyrilla en de protomyxa1 die zich op eene andere wijze voortplanten4 ,op een bepaald tijdstip van hun leven trekken zij hunne kleine trilharen in1 die hun voor de beweging en als grijporganen dienen1 en veranderen zij in bolletjes4 ,de buitenste laag dier bolletjes wordt taaier dan die van het protoplasma en vormt eene soort van omhulsel1 waarbinnen het protoplasma zich verdeelt in een groot aantal kleine bolvormige massa's4 ,daarna breekt het omhulsel en komen de nieuw gevormde lichamen naar buiten4 ,zoo vormen zich de zosporen4 ,de microben1 waarvan men vooral in de laatste jaren zooveel spreekt1 schijnen ook niets anders dan moneren te zijn4 ,men heeft gewoonlijk geen denkbeeld1 hoe groot het aantal wezens is1 dat overal in de lucht en in het water krioelt4 ,gemiddeld bevat een cubieke meter lucht in eene volkrijke stad van drie- tot vierduizend4 ,maar deze zijn eerst van jongeren datum1 daar zij als parasieten bij samenhoopingen van menschen gevonden worden en in volle zee en op de bergen verdwijnen4 ,hunne levensvatbaarheid is verbazend1 evenals die van de meeste afgietseldiertjes4 ,eene enkele bacterie kan in #bd uren meer dan #ae millioen bacterin voortbrengen6 ,sommige afgietseldiertjes kunnen als het ware niet sterven4 ,spallanzani heeft door bevochtiging rotiferen doen herleven1 die dertig jaren lang uitgedroogd waren4 #c ,de stamboom van het dierenrijk heeft zich evenmin als die van het plantenrijk1 gemakkelijk en spoedig ontwikkeld4 ,er was eene verbazende ontwikkeling noodig1 eer bepaalde moneren1 die hun geheele leven het omhulsel behielden1 dat het protoplasma van enkele hunner tijdelijk beschermt1 in staat geworden waren1 om onmiddellijk van het water en de lucht1 die meer of min met minerale stoffen bezwangerd waren1 de grondstoffen voor hunnen bouw te verkrijgen4 ,van dien dag af is het plantenrijk op de aarde verschenen langen tijd waren de moneren de eenige bewoners der aarde1 en daaruit zijn langzamerhand naast elkander te voorschijn getreden de wezens1 die later de aarde zouden bedekken met haar groen kleed of aan de weiden en de bosschen hunne tallooze bewoners zouden verschaffen4 ,de planten zijn niet de voorouders der dieren4 ,het zijn twee verschillende werelden1 die alleen denzelfden oorsprong hebben4 ,het zou mogelijk geweest zijn1 dat alleen dieren bestonden1 hetgeen het geval zou geweest zijn1 als geen der oorspronkelijke organismen zich aan den bodem had vastgehecht4 ,ook zou het mogelijk geweest zijn1 dat alleen planten gevormd waren1 hetgeen het geval geweest ware1 indien alle oorspronkelijke organismen uit den bodem gevormd waren1 hetzij in de vrije lucht1 hetzij in de diepte der wateren4 ,ook had het kunnen zijn1 dat het dierenrijk evenals het plantenrijk zich geheel anders had ontwikkeld1 dan het geval geweest is2 daartoe hadden slechts de omstandigheden1 zooals de elementen1 de warmte1 de zwaartekracht1 de dichtheid1 het licht en andere moeten verschillen van die1 waaronder de organismen thans gevormd zijn4 ,de vormen1 waaronder het leven op de overige werelden optreedt1 moeten geheel verschillend zijn van die op aarde4 ,hoe moeten wij ons deze echter denken8 ,zouden wij ons boomen1 vruchten en bloemen kunnen voorstellen1 indien er geen plantenwereld op onze planeet bestond8 ,wat ons het meeste treffen moet bij onze studie der eerste bewerktuigde wezens op aarde1 zijn hunne bijzonder kleine afmetingen3 de meeste zijn mikroskopisch klein4 ,de eerste uiting der levenskracht was hoogst bescheiden1 alsof de natuur eerst hare krachten beproeven wilde1 vrdat zij zich te ver van het onbewerktuigde rijk verwijderde4 ,minerva is niet in volle wapenrusting uit het hoofd van ,jupiter te voorschijn getreden4 ,maar al zijn die wezens klein1 zij zijn ontelbaar in aantal4 ,enkele terreinen bestaan uitsluitend uit mikroskopische versteeningen van die oude wezens1 waarvan een groot aantal soorten nog in onzen tijd voorkomen4 ,ehrenberg heeft in nen cubieken centimeter krijt vijfhonderdduizend versteende foraminiferen gevonden2 ,max-,schultze schatte het aantal van die skeletten in #cj grammen zand van de haven van ,gaeta op #a #a_/b millioen4 ,zij vormen dikwijls geheele bergen4 ,geheele eilanden1 zooals ,barbados1 bestaan uitsluitend daaruit4 ,het krijt bestaat uit de overblijfselen van mikroskopische dieren en planten2 geen stamper is fijn genoeg om de kleine wezens te verbrijzelen4 ,fig4 #dj is een deel van het oppervlak van een geglaceerd visitekaartje1 tweehonderd malen vergroot1 zooals dit door ,ehrenberg reeds in #ahdb is waargenomen4 ,foraminiferen1 diatomen en andere lagere diertjes zijn bij duizenden opgehoopt in de krijt- en kiezelrijke terreinen2 volgens ,ehrenberg kan een cubieke duim #dj millioen diertjes bevatten4 ,ook hier zijn de moleculen meetkundig gerangschikt4 ,de foraminiferen1 zoo genoemd omdat hunne schaal van kiezel tallooze gaatjes bevat2 de rhizopoden 7wortelpootigen71 die stralen1 stekels1 haartjes om zich heen hebben1 bestaan evenals de moneren alleen uit protoplasma1 en hun skelet bestaat uit kiezel evenals het bergkristal4 ,de organische draden van deze dieren houden reeds door hunne aanraking de afgietseldiertjes of de kleine schaaldieren tegen1 die om hen heen drijven2 zij grijpen ze vast1 omringen ze met hun slijmerig net1 lossen ze op en voeden zich er mede4 ,de foraminiferen zijn mikroskopische diertjes2 de rhizopoden kunnen somtijds de grootte van eenen speldeknop bereiken4 ,de eerste onttrekken het kiezel aan het omringende water2 de tweede scheiden koolzure kalk af4 ,beide leven nog steeds in de diepte der zee4 ,deze oorspronkelijke wezens zijn niet uitsluitend uit de anorganische wereld voortgekomen4 ,de koolzure kalk kristalliseert bij de rhizopoden in meetkundige vormen1 die gewijzigd worden onder den scheikundigen invloed van het eiwitachtige protoplasma1 maar toch in meetkundige vormen1 evenals de sneeuw1 het ijs1 de kristallen enz4 ,beide soorten van dieren komen in tallooze vormen voor4 ,zij zijn geslachtloos en planten zich1 evenals vele planten1 door insnoering voort4 ,geene enkele der voorwaarden voor vooruitgang is in haar aanwezig1 geen strijd om het bestaan of wedijver1 want zij hebben eeuwen bestaan zonder te veranderen1 en zijn dus niet de stamvaders geworden van eene volmaakter soort4 ,die kleine wezens verdienen reeds den naam van dieren4 ,de amoeben1 waarmede wij reeds vroeger kennis gemaakt hebben1 die niets anders zijn dan protoplasma1 en die zich eenvoudig voortplanten door eene verdeeling in twee deelen1 verdienden evenmin dien naam1 als dien van planten4 ,een eerste stap voorwaarts was het1 toen het protoplasma geschikt werd1 om een vliezig omhulsel af te scheiden1 waarbinnen het zich in meer of minder deelen verdeelen kon4 ,is het omhulsel van eiwitachtigen aard1 dan is het wezen1 dat dit omhulsel voortbracht1 van dierlijken aard2 is het daarentegen celstof1 dan nadert het wezen tot het plantenrijk4 ,de eiwitstoffen zijn meer of min buigzaam1 de celstof is dit niet2 hieruit volgt1 dat in het eerste geval de bewegingen van het protoplasma zich naar buiten kunnen openbaren2 in het tweede geval daarentegen niet4 ,daarom zijn de dieren in staat zich te bewegen1 terwijl het grootste aantal planten haar geheele leven onbewegelijk zijn4 ,vr dien stap voorwaarts1 waren de organismen noch planten1 noch dieren1 hoewel zij reeds samengestelder waren dan de moneren en de amoeben4 ,er bestaan nog heden talrijke afstammelingen van die wezens1 die een ieder kan bestudeeren4 ,de zweepdragende afgietseldiertjes1 zoo genoemd1 omdat zij gewoonlijk eene soort zweep aan hun uiteinde dragen1 behooren tot die tusschenvormen1 die protisten1 die noch plant noch dier zijn4 ,zij nemen alle mogelijke vormen aan4 ,enkele zijn eivormig en roodachtig1 andere zijn bladvormig plat2 weer andere zijn uitgerekt in den vorm van staafjes2 nog andere leven in kokers1 die in boomvormige kolonin vertakt zijn4 ,die organismen zijn dikwijls de oorzaak van het roodkleuren van den regen of de sneeuw1 welk verschijnsel eertijds door het bijgeloof van het angstige volk aan bloed werd toegeschreven4 ,tot dezelfde klasse van tusschenvormen behoort ook de ,magosphaera planula1 in #ahfi door ,haeckel in de ,noordzee ontdekt4 ,het is een lichaam bestaande uit #cb pyramiden1 met hare toppen onderling verbonden 7fig4 #db n4 #a2 n4 #b is eene doorsnede door het middelpunt gaande74 ,met behulp der trilharen zwemt het evenals de volvox ronddraaiend voort4 ,op een bepaald oogenblik valt het lichaam uiteen1 de vrijgeworden cellen gaan weg1 verschillende grootten en vormen aannemend 7n4 #c1 #d en #e71 daarna nemen zij den bolvorm aan en gelijken zij op kleine eieren 7n4 #f74 ,die eieren behoeven niet bevrucht te worden4 ,ieder van deze verdeelt zich weder in #b1 #d1 #h1 #af en #cb cellen 7n4 #g7 en brengt weder een wezen voort1 dat overeenkomt met dat1 waaruit het is voortgekomen4 ,wij zeiden reeds1 dat die organismen geen der karakteristieke kenteekenen van het planten- of dierenrijk bezitten4 ,tot dezelfde soort van wezens behooren ook de myxomyceten1 die zich des zomers in menigte ontwikkelen op de eikenkrullen4 ,het zijn slijmachtige1 oranjekleurige massa's1 die verlengsels bezitten evenals de pseudopoden der amoeben1 en die zich kunnen verplaatsen en zich voeden door vreemde stoffen op te nemen4 ,het zijn ongetwijfeld de voorouders der paddestoelen1 die reeds tot het plantenrijk behooren4 ,de ,noctiluca miliaris 7zeevonk7 en het ,peridinium1 waaraan grootendeels het phosphoresceeren der zee moet worden toegeschreven1 zijn eveneens tusschenvormen4 ,allen1 die een tijd lang des zomers aan het strand der zee hebben doorgebracht1 kennen dit schoone verschijnsel4 ,voornamelijk na warme en na stormachtige dagen treedt het zeer sterk op4 ,het zeewater bevat somtijds #bejjj van die wezens in #cj cub4 centimeters water4 ,de zee schijnt dan verlicht1 alsof eene ,najade over de golven glijdt en het phosphoresceerende licht ontsteekt4 ,die protist is als het ware slechts een bolletje doorschijnend gelei4 ,indien men het water beweegt1 spatten er duizenden vonken uit3 als men de armen dompelt in eenen emmer zeewater1 dan ziet men het vuur langs de huid opkruipen4 ,dit zijn de ware zophyten1 plantdieren1 de eerste pogingen der natuur1 om aan het leven vorm te geven4 ,verder ontwikkeld dan de vorige organismen zijn de sponsen1 die nog op de grens gelegen zijn van beide rijken2 zij zijn aan den grond bevestigd als planten1 maar voeden zich op de wijze der dieren4 ,de spons is eene verzameling van amoeben en zweepdragende afgietseldiertjes1 die hunne persoonlijkheid verliezen1 om op te gaan in de gemeenschappelijke massa4 ,deze massa leeft1 ondervindt indrukken1 kan zich samentrekken of uitzetten1 ontvangt het water1 dat haar voedt1 doet het door haar lichaam stroomen en verjaagt het weer4 ,het plant zich zelf voort1 schenkt het aanzijn aan amoebencellen1 die in het water drijven en zich vasthechten aan oneffenheden van den bodem1 om eene nieuwe spons te vormen4 ,er is echter nog geene geslachtsvoortplanting1 en dus nog geene vaststaande soortkenmerken4 ,die kenmerken komen eerst voor den dag bij de hydra's4 #d ,hier treedt de persoonlijkheid veel sterker op den voorgrond dan bij de vorige organismen4 ,de hydra's of zoetwaterpolypen worden in poelen gevonden4 ,het voedsel treedt weer uit dezelfde opening1 waardoor het is binnengetreden4 ,om zich te verplaatsen buigt het dier zijn lichaam in eenen boog1 hecht het den mond vast tegen het voorwerp1 waartegen het steunt1 maakt den voet los1 trekt dien weer naar den mond1 plaatst den mond weer wat verder en zoo vervolgens4 ,gewoonlijk volbrengen zij die bewegingen1 om in het licht te komen1 hoewel zij geene oogen bezitten1 somtijds ook om hunne prooi te zoeken4 ,en toch1 wat vreemde wezens6 ,men kan ze in stukken snijden1 zonder ze te dooden2 integendeel3 uit ne enkele hydra kan men er twee1 drie1 ja zelfs tien maken4 ,men kan ze ook als een handschoen omkeeren1 zonder dat dit invloed heeft op hare spijsvertering3 de buitenoppervlakte wordt dadelijk maag4 ,men kan ze aan elkander vastmaken1 ze enten als boomtakken enz4 ,is eene hydra overlangs in twee helften gesneden1 dan zal iedere helft in minder dan vier-en twintig uren zich weer sluiten en zoo eene nieuwe hydra vormen1 in staat eene prooi te grijpen4 ,indien men haar overdwars doorsnijdt1 dan zal de voorste helft in twee dagen weder eenen voet verkrijgen1 en de achterste helft weer nieuwe armen4 ,indien men eene hydra eerst overlangs doorsnijdt1 en daarna elk der helften overdwars1 dan heeft men na verloop van acht dagen vier hydra's4 ,zoo heeft ,trembley uit ne hydra vijftig nieuwe wezens gevormd4 ,men kan ook1 zoools wij zooeven opmerkten1 dat vreemde dier omkeeren4 ,terwijl bij de sponsen1 het endoderm 7de binnenste cellaag7 zeer veel van het ectoderm 7de buitenoppervlakte7 verschilt1 komen beide bij de hydra's bijna geheel overeen4 ,men kan van het ectoderm naar willekeur endoderm maken en omgekeerd4 ,daarvoor behoeft men de polyp slechts om te keeren4 ,dan moet de vroegere buitenoppervlakte het voedsel kunnen verteren1 en de vroegere binnenoppervlakte het beschermende en gevoelige deel van het lichaam worden4 ,toch heeft dat omkeeren niet de minste schadelijke uitwerking4 ,eenige uren lang schijnt het dier minder op zijn gemak en doet het pogingen1 7die dikwijls gelukken71 om in zijnen vroegeren toestand terug te keeren4 ,maar gelukt dit niet1 dan weet het zich in zijnen nieuwen toestand te schikken1 en ziet men het de armen uitstrekken om een ruim maal te doen en den verloren tijd in te halen4 ,indien men eene hydra omkeert en dan door eene andere laat inslikken1 dan raken de beide binnenoppervlakten elkander aan1 en zullen deze zich zdanig aan elkander vasthechten1 dat de twee dieren na verloop van enkele dagen n wezen vormen6 ,men ziet1 hoe die weefsels zich schikken in de verandering hunner omgeving1 en veranderen4 ,hunne physiologische eigenschappen1 hunne scheikundige samenstelling worden meer of minder gewijzigd1 en dit is dan ook n der vruchtbaarste bronnen voor de splitsing van het dierenrijk4 ,de hydra's planten zich voort door knopvorming2 eene kleine hydra groeit op bet lichaam der eerste en ontwikkelt daar2 na eenigen tijd geraakt zij los en leeft zij afzonderlijk4 ,somtijds dragen zij tot vijf jongen op verschillende trappen van ontwikkeling4 ,er zijn nog geene geslachten3 de jongen groeien naarmate van het voedsel1 dat de polyp heeft opgenomen1 en de temperatuur4 ,maar reeds openbaart zich de neiging tot geslachtsvoortplanting4 ,in het laatst van den zomer ziet men dikwijls bij de ,cordylophora eene wijze van voortplanting1 die van de vorige verschilt4 ,de jeugdige polypen veranderen1 in stede van zich tot individuen te ontwikkelen1 in bolronde zakjes1 waarvan sommige eitjes en andere mannelijke organen bevatten4 ,dit is een nieuwe stap der natuur op het gebied der uitingen van het leven4 ,die stap tot de vorming der geslachten vormt den overgang tusschen de polypen en de medusen1 die vreemdsoortige schijven gelei1 die iedereen dikwijls aan het strand gezien heeft1 of in den vorm van halve bollen in het water heeft zien drijven4 ,langen tijd hebben de beoefenaars der dierkunde gezocht naar de wijze van ontstaan van die wezens2 men had ze zorgvuldig van de polypen onderscheiden1 terwijl zij inderdaad dochters daarvan zijn4 ,zij ontstaan uit bepaalde polypen1 ,scyphistomen1 langs een rij van vreemdsoortige overgangen1 die men aldus kan samenvatten3 de scyphistoma1 die zeer veel op de andere zoetwaterhydra's gelijkt1 verandert in eene geheel andere polyp1 ,strobila genaamd2 deze verandert in eene reeks segmenten1 die men niet beter vergelijken kan dan met eenen stapel borden1 die n voor n losraken en nieuwe medusen worden4 ,deze worden grooter1 haar scherm neemt toe1 krijgt insnijdingen en vangarmen4 ,volwassen geworden1 verkrijgen zij eieren en mannelijke organen1 en die eieren geven weder het aanzijn aan waterpolypen1 waaruit nieuwe medusen ontstaan4 ,dit zijn geene gedaanteverwisselingen als bij de insecten 7die toen trouwens nog niet bestonden71 het zijn merkwaardige voortbrengselen van wisselende voortplanting4 ,wat zijn de oorzaken dier wisselingen8 ,de hydra's ontstaan uit bevruchte eieren1 de medusen uit hydra's zonder voorafgaande bevruchting1 door eenvoudige verdeeling van het lichaam1 door knopvorming en loslating4 ,niet alle medusen gelijken op elkander4 ,er zijn een aantal verschillende vormen1 en hoewel alle door hare geboorte aan de hydra's verwant zijn1 ontstaan zij niet op dezelfde wijze4 ,de kleine klokvormige medusen ontstaan niet als de groote paddestoelvormige medusen door deeling uit eene strobila2 zij groeien als bloemen op hydra's1 die in boomvormige kolonin leven2 andere ontstaan in den vorm van trossen of kraagjes1 en raken los en drijven in het water4 ,zij gelijken volkomen op zeeplanten1 takken1 knoppen en vruchten4 ,de medusa verhoudt zich tot de hydra als de bloem tot den tak2 haar scherm is als het ware eene bloemkroon4 ,evenals de bloem gevormd is uit gewijzigde bladeren1 die zich straalsgewijze gerangschikt hebben om de as1 die ze draagt1 zoo is ook de medusa gevormd uit gewijzigde waterpolypen1 die zich straalsgewijze gerangschikt hebben door verkorting van den oorspronkelijken afstand4 ,toch hebben de polypen1 in fig4 #dh afgebeeld1 geene andere overeenkomst met de planten1 dan dat zij aan een vast punt zijn vastgehecht1 op de wijze der koralen4 ,die plantdieren1 wier vorm en wezen zoozeer verschillen naar gelang der voeding1 der temperatuur en andere omstandigheden1 zijn eene belangrijke les der natuur4 ,de zoetwaterhydra1 die gewoonlijk eenzaam is1 sticht kolonin1 als men haar plaatst in eene omgeving van eene hooge temperatuur en rijk aan voedingsstoffen4 ,is dit niet een krachtig bewijs voor de veranderlijkheid der soorten8 ,de waterpolypen maken ons duidelijk1 hoe een eenvoudig organisme de meest verschillende vormen kan aannemen1 de ladder der bewerktuiging kan afdalen en opklimmen2 zij doen ons nog heden stap voor stap die wonderlijke gedaanteverwisseling volgen4 ,denzelfden naam van plantdier kan men geven aan de koraalpolypen1 die in de zee gebouwen van schitterende bloemen optrekken en bouwmateriaal afscheiden1 zoodat geheele eilanden uitsluitend daaruit gevormd zijn4 ,het zijn meer of minder talrijke kolonin1 waarvan ieder inwoner zijn eigen huis bouwt en bewoont4 ,die ontelbare koraaltakken waren langen tijd een raadsel voor de wetenschap1 en de schoonheid hunner kleuren heeft de schoonste beschrijvingen in het leven geroepen4 ,thans weet men1 dat het polypenkolonin zijn1 wier verscheidenheid in vorm en wier organische eigenschappen niet minder welsprekend zijn dan die der vorige wezens4 ,evenals zij bestaan zij uit eene buis1 wier uiteinde beschouwd kan worden als een mond en waarvan de binnenzijde als de maag kan worden aangemerkt4 ,een aantal vangarmen zijn aanwezig2 de kop ontbreekt nog4 ,gehoor- en gezichtsorganen worden nog gemist4 ,van de vijf zintuigen bestaat nog slechts alleen de tastzin2 dat van den smaak begint eerst4 ,enkele spieren worden gevonden2 de zenuwen verkeeren nog in rudimentairen toestand1 en zijn weinig gevoelig4 ,iedere kleine polyp leeft afzonderlijk1 maar haar leven smelt ineen met het doodsche bestaan van de kolonie1 waarvan zij deel uitmaakt1 ,evenals bij de medusen heeft de voortplanting plaats door middel van eieren en kleine bevruchtende lichamen1 hetgeen het begin der geslachtsvoortplanting is1 doch slechts in sluimerenden toestand4 ,die wezens zijn tweeslachtig1 doch onbewust4 ,gevoelen zij zelfs iets van het leven8 ,zeker is het1 dat zij er geheel onverschillig voor schijnen4 ,somtijds slorpt de ne polyp de andere op zonder dat deze den minsten tegenstand biedt4 ,somtijds sterft de polyp in hare woning en wordt zij dadelijk weder vervangen door eene andere1 door die woning zelf voortgebracht3 de woning zelf brengt hare eigene bewoners voort4 ,alsof de natuur langzamerhand hare krachten beproefde bij de ontwikkeling van het leven1 staan naast de vorige wezens1 doch iets hooger in ontwikkeling1 de tunicata 7manteldieren1 huidzakdieren71 wier omhulsel evenals bij de planten uit cellulose bestaat1 wier spijsverteringskanaal twee openingen heeft1 ne voor het intreden van het voedingswater1 de andere voor het uitstroomen1 en die behalve de spijsverterings- en voortplantingsorganen een begin van een hart en van bloedsomloop bezitten4 ,die kleine weekdieren zijn als het ware niets anders dan levende zakken1 maar hun leven is reeds iets ontwikkelder dan dat der vorige4 ,het vreemdste is1 dat in dit beginsel van een hart1 zonder kleppen1 zonder hartkamers1 het bloed nog geene bepaalde richting volgt3 het hart slaat een tijdlang in de ne richting1 staat stil1 slaat dan in tegengestelde richting1 zoodat de bloedvaten1 die in het eerste geval de rol van slagaderen vervulden1 in het tweede geval als aderen dienst doen4 ,het dier ademt en zijne ademhalingswerktuigen 7kieuwen7 zijn gevormd ten koste van het voorste gedeelte van de spijsverteringsorganen4 ,het schijnt1 dat deze van alle ongewervelde dieren het dichtst aan de gewervelde dieren grenzen1 en hunne stamvaders zijn4 ,nog altijd zijn het de trilharen1 die het water1 dat de voedingsstoffen bevat1 naar den mond voeren4 ,hunne gedaante en afmetingen bieden de grootste verscheidenheid aan4 ,verschillende soorten zijn mikroskopisch2 enkele scheiden kleine schelpen af2 andere1 zooals de ,pyrosoma 7vuurlichaam71 zijn phosphoresceerend1 en verspreiden zelfs1 indien zij hunne volle levenskracht hebben1 een helder1 rood licht2 sommige zijn geheel vrij en brengen hun leven zwemmende door2 andere hechten zich aan de rotsen vast op het oeverzand3 het zijn de ,ascidin1 die in grooten getale op onze kusten voorkomen en somtijds de grootte van kippeneieren bereiken2 zij hechten zich onder de steenen vast als stukken gelei1 en indien men den steen omkeert1 werpen zij water om zich heen4 ,bij die wezens is de voortplanting even onregelmatig1 en als het ware nog even weifelend als de bloedsomloop4 ,zij zijn tweeslachtig1 geven het aanzijn aan eieren1 die zij bevruchten1 en uit het ei komt niet de zoon1 maar de kleinzoon voort van het dier1 dat het heeft voortgebracht1 daar de zoon in het ei alleen ontstaat om zich daarin voort te planten en dadelijk te sterven6 ,het ei brengt een wezen voort1 dat nooit het daglicht zal zien1 het omhulsel van dat ei is tegelijkertijd de wieg en het graf van een wezen1 dat zich daarbinnen voortplant als ongeboren vrucht1 en waarvan de overblijfselen tot voedsel dienen voor het nieuwe geslacht1 dat het eenige is dat bestemd is1 naar buiten te treden4 ,dit merkwaardige en vreemde feit is van groot gewicht voor de ontwikkelingsleer4 ,het toont ons aan1 dat die wezens behooren tot die periode in de geschiedenis der natuur1 waarin de levenskracht na duizenden pogingen en aarzelingen de grens had overschreden1 die de weekdieren onderscheidt van de dieren1 door een geraamte gesteund1 de ongewervelde van de gewervelde dieren4 ,reeds heeft de natuur eenen langen weg doorloopen in de ontwikkeling der bewerktuigde wezens4 ,toch hebben wij tot nu toe nog slechts vormelooze wezens beschouwd1 die leven in de diepten der zee4 ,sommige zijn kleine geleiachtige bolletjes1 die door middel van hunne trilharen1 die hun voor alles dienen1 voortzwemmen2 andere zijn tot kolonin verbonden en vormen als het ware levende boomen4 ,wel hebben zij een spijsverteringsorgaan1 voortplantingsorganen en organen voor den bloedsomloop1 zenuwen en spieren1 maar geen spoor van symmetrie4 ,overbodig is het1 hierbij te voegen1 dat zij nog geen hoofd hebben4 ,tot nu toe zijn al die wezens blind1 doof en stom4 ,een begin van een kop en een begin van symmetrie openbaart zich bij de wormen1 wier voorouders in het slijk van zeen en rivieren woonden4 ,die weekdieren onderscheiden zich van de vorige door twee eigenschappen3 zij zijn gerekt en zij verplaatsen zich4 ,beschouwen wij b4v4 den eenvoudigen aardworm4 ,het feit reeds1 dat hij kruipt1 geeft hem meerdere voortreffelijkheid4 ,hij bestaat uit gelijke ringen en zijne toename in lengte wordt alleen verkregen door eene toename in het aantal dier ringen1 waarvan elke zoowel kop als staart kan worden4 ,maar het feit alleen1 dat de voorste ring tot taak heeft het eerst het voedsel op te nemen1 dat den geheelen worm moet doorloopen1 plaatst dien ring in zoodanige omstandigheden1 dat zijn bevattingsvermogen gedurig werkzaam is en zich ontwikkelen moet4 ,het is een mond1 die zich vooruit beweegt1 die eene zekere verantwoordelijkheid draagt tegenover de geheele kolonie1 die altijd vooraan moet staan in het gelid1 om het beste uit den grond te zoeken1 en reeds daardoor veroorzaakt1 dat in dat dier eene buikzijde1 eene rugzijde1 een voorste gedeelte1 een links en een rechts bestaat4 ,de kop krijgt eene afzonderlijke taak4 ,hij zal hindernissen ontmoeten1 zal van tijd tot tijd geroepen worden tot den strijd en somtijds aan groote gevaren zijn blootgesteld4 ,zijne kracht en zijn weerstandsvermogen zullen langzamerhand toenemen4 ,toch is dat orgaan nog niet van zoo groot gewicht1 of het kan1 indien het verminkt is1 van zelf weer aangroeien4 ,indien men van eenen worm den kop afsnijdt1 dan groeit hij weder aan2 snijdt men eenen worm in tween1 dan worden beide deelen weder aangevuld 7ook het achterste deel1 dat weder organen voor den bloedsomloop en hersenen moet verkrijgen74 ,er bestaan zelfs ringwormen1 die men in zoovele deelen kan snijden als men verkiest1 en waarbij dan ieder deel weer eenen kop en eenen staart zal krijgen en een dier zal worden1 dat volkomen levensvatbaar is4 ,sommige ringwormen kunnen eene lengte van #a #a_/b meter tegen eene dikte van #c centimeter bereiken1 en bestaan uit honderden ringen4 ,men vindt in zee dikwijls ringwormen1 die z lang zijn1 dat de staart als het ware niet meer in betrekking staat tot den kop1 zoodat zij zich kunnen bijten1 zonder het zelf te gevoelen4 ,enkele soorten1 zooals de ,nadinen1 planten zich door knopvorming voort2 veertig tot zestig ringen groeien na elkander aan1 en daarna verdeelt het dier zich van zelf in twee deelen1 terwijl aan het voorste deel van het nieuwe wezen een kop groeit2 maar merkwaardig is het1 dat in den herfst die wijze van voortplanting plaats maakt voor geslachtsvoortplanting4 ,sommige ,nereden zijn nog merkwaardiger3 zij bestaan uit twee wezens1 met hunne uiteinden aan elkander gehecht1 het ne van geslachtsdeelen voorzien1 het andere niet4 ,hetzelfde is het geval bij de ,sylliden 7fig4 #ea74 ,het is1 alsof de natuur niet gemakkelijk eene keuze heeft kunnen doen tusschen de verschillende wijzen van voortplanting4 ,later1 bij de insecten1 zal de voortplanting alleen geschieden bij het volmaakte wezen1 de kapel uit de pop voortgekomen1 terwijl de larven zich niet kunnen voortplanten4 ,hier echter planten de larven zich wel voort4 ,de onderlinge onafhankelijkheid der ringen is somtijds z groot1 dat bij eenzelfde dier enkele ringen mannelijk1 andere vrouwelijk1 weer andere van geslachtsdeelen voorzien zijn1 andere niet4 7,spirorben1 ,autoliten74 ,de kop vormt zich onmerkbaar4 ,het beginsel der hersenen is gelegen in den eersten ring bij de ringwormen1 in den derden1 somtijds in den vierden1 bij de regen wormen2 bij de ringwormen ligt de mond aan den tweeden ring4 ,de trilharen zijn voelhorens1 grijporganen1 geworden4 ,de oogen1 nog in rudimentairen toestand1 komen voor den dag2 het zijn zenuwen1 gevoelig voor het licht1 die zich beginnen te ontwikkelen1 en dat wel aan de beide uiteinden1 aan de uiterste ringen4 ,de ,nematoneres contorta1 de ,oria armandi1 de ,fabricia hebben gewoonlijk twee oogen op het achtergedeelte2 de ,amphicorina1 de ,myxicola hebben er vier1 de ,amphiglena mediterranea zes of acht4 ,de lintwormen1 parasieten1 die zich aan een ander organisme vasthechten1 en die dus hun voedsel nooit behoeven te zoeken1 dat zij van zelf binnen hun bereik hebben1 hebben in het geheel geen kop1 maar alleen een soort zuiggat1 waaruit het lichaam van het dier zich ontwikkelt door de vorming van nieuwe ringen4 ,ook de gehoorwerktuigen beginnen voor den dag te komen1 nu eens op den eersten ring1 dan weder op een volgenden4 ,doch langzamerhand beginnen zich de verschillende zintuigen te beperken tot het voorste gedeelte van het lichaam4 ,zoo wonen wij van stap tot stap de ontwikkeling en den vooruitgang van het leven bij1 terwijl iedere bijzonderheid van de vorming van nieuwe organismen zich aan onze blikken vertoont als eene openbaring van den oorsprong1 waaruit alle thans levende schepselen zijn voortgekomen4 ,als wij aan de insecten komen1 dan zien wij ook daar denzelfden oorspronkelijken bouw3 meer of minder met elkander verbonden ringen4 ,de duizendpooten hebben gewoonlijk bij hun uittreden uit het ei slechts negen ringen2 de overige ringen groeien na elkander aan het achterdeel van het lichaam2 maar deze insecten treden reeds meer als afzonderlijke individuen op3 wel kunnen de twee helften eener ,scolopendra1 die dwars doorgesneden is1 eenigen tijd blijven leven en zich bewegen1 maar zij eindigen toch met beide te sterven zonder te zijn aangegroeid4 ,de geslachtsvoortplanting treedt meer op den voorgrond4 ,bij alle insecten bestaat het lichaam uit drie kenmerkende deelen3 kop1 borststuk en achterlijf2 de kop bestaat uit aan elkander gehechte ringen1 het borststuk uit drie en het achterlijf uit zes tot twaalf ringen4 ,bij de spinnen zijn de ringen alleen waar te nemen in de vrucht4 ,doch de eenheid van oorsprong der gelede dieren is duidelijk aan te toonen4 ,maar wij moeten niet te snel vooruitgaan1 opdat wij met oordeel den gang van zaken kunnen volgen bij die langzame en grootsche ontwikkeling van het leven4 ,even laag op de trap der organische wezens staan de ,echinodermen of stekelhuidigen1 crinoden1 zeegels1 holothurin1 enz4 ,zij hebben nog beide soorten van voortplanting1 dat wil zeggen1 zij hebben eensdeels eieren en anderdeels vermenigvuldigen zij zich door knopvorming4 ,visschers1 die dikwijls lastig gevallen worden door zeesterren1 snijden ze in stukken1 indien zij zich vasthechten aan hunne netten1 doch vergeten1 dat zij zoodoende vier of vijf voor ne in de plaats krijgen4 ,zij kunnen zich door middel van hunne kleine voelhorens langzaam bewegen4 ,de zeesterren en zeegels hebben rudimentaire oogen3 het zijn roode vlekken1 gelegen aan de benedenzijde der stralen1 vlak onder de uiterste voelhorens4 ,het licht wordt sterk daarin gebroken4 ,zij verdienen nauwelijks den naam van oogen1 maar toch zijn zij het reeds4 ,de zeesterren zijn oorspronkelijk polypen1 met den kop vastgehecht aan het midden van de ster4 ,de arm eener ster1 losgemaakt van de middenschijf1 groeit weder tot een geheel lichaam aan4 ,de vijf armen 7bij sommige soorten zelfs meer7 groeien eveneens weder aan4 ,iedere arm leeft en kan op zijne beurt het leven schenken aan een' knop1 die weder middenschijf wordt en zich zoo tot eene zeester vormt4 ,er is nog geen kop en evenmin zijn er ademhalingswerktuigen4 ,de weekdieren in engeren zin1 de ,cephalopoden1 koppootigen1 die op hun' kop loopen1 de ,gasteropoden1 buikpootigen1 die op den buik voortgaan1 schelpslakken en andere1 de ,acephalen1 koploozen1 oesters1 mossels enz4 schijnen af te stammen van de ringwormen4 ,volgens ,perrier toch bewegen zich al die weekdieren op een aanhangsel van hunnen kop en zouden de armen van de cephalopoden1 de afgeplatte voet der gasteropoden en de tongvormige voet der acephalen aanhangsels zijn van het weekdier2 hunne vormen zouden alleen de vrucht zijn van de omgeving1 waarin zij moesten leven4 ,de weekdieren en de cephalobranchiaten 7kopkieuwigen7 zouden beide afstammelingen zijn van wezens1 die in kokers wonen1 en die in geene betrekking tot de buitenwereld staan dan door de openingen in die kokers en voornamelijk door de voorste opening4 ,de koploozen zouden ontaarde buikpootigen zijn1 bij wie de kop geatrophieerd is1 toen hij geene taak meer te verrichten had4 ,de brachiopoden 7armpootigen71 die evenals de koploozen1 in eene tweekleppige schelp zijn opgesloten1 maar van de eerste uit een anatomisch oogpunt zeer verschillen1 zouden van de ringwormen langs eenen anderen tak afstammen1 en het dichtst bij den gemeenschappelijken oorsprong gebleven zijn4 ,bij de weekdieren is het zenuw- en spierstelsel nog slecht ontwikkeld4 ,het zenuwstelsel bestaat uit knoopen en strengen1 en deze centrale deelen zijn onder het darmkanaal gelegen4 ne der bijzondere eigenschappen van het bekleedsel der weekdieren is1 dat het vaste stoffen afscheidt1 die de zoo verschillende schelpen vormen1 en die voor hen steunsels vormen1 onafhankelijk van het spierstelsel4 ,de zintuigen beginnen zich sterk te ontwikkelen4 ,de tastzin is reeds ver gevorderd4 ,de reuk onderscheidt zich langzamerhand van den smaak4 ,het gehoor heeft tot zintuig blaasjes1 waarin reeds gehoorsteentjes gevonden worden4 ,het oog bezit een netvlies1 eene kristallens1 een regenboogvlies1 eenen oogrok en glasachtig vocht4 ,het gedeelte van het lichaam1 waarop de oogen gevonden worden1 is gewoonlijk de aanhechtingsplaats der voelhorens2 dikwijls zijn zij aan de uiteinden gelegen4 ,zij hebben alle een hart of een orgaan voor den bloedsomloop1 dat de plaats daarvan inneemt4 ,zij zijn van geslachtsorganen voorzien en planten zich door eieren voort1 maar de geslachten zijn niet altijd gescheiden in twee individuen3 bij de koppootigen zijn de geslachten gescheiden1 de buikpootigen zijn bijna alle tweeslachtig4 ,de slakken zijn tweeslachtig1 dat wil zeggen3 ieder individu bezit beide organen1 maar de innige vereeniging van twee wezens is voor de voortplanting noodig1 daar ieder tegelijkertijd als mannetje en wijfje optreedt4 ,op de grens der gewervelde en ongewervelde dieren ontmoet men den ,amphyoxus1 lancetvischje1 den eerwaardigen amphyoxus1 zooals ,haeckel hem begroet1 die nog meer van de visschen verschilt1 dan de visschen van den mensen4 ,het is een gewerveld dier zonder kop4 ,de amphyoxus leeft op de zandige oevers der zee1 gedeeltelijk in het zand begraven1 men vindt hem aan de ,noordzee1 aan de kusten van ,engeland1 die der ,middellandsche zee1 in ,brazili1 ,peru1 ,borneo1 ,china1 bijna overal4 ,het geraamte bestaat uit eene kraakbeenige ruggestreng2 een cilindervormige buis vormt de as van het lichaam1 daarin ligt het centrale zenuwstelsel4 ,een kleine vlek aan het uiteinde van de ruggestreng is het begin van een oog1 ook het reukorgaan komt in primitieven toestand voor1 het gehoor bestaat nog niet2 hersens zijn nog niet te ontdekken4 ,de anatomische eigenschappen wijzen er op1 dat hij de waarschijnlijke stamvader is van de gewervelde dieren1 de laatste afstammeling van het oude ras der koplooze gewervelde dieren1 de verbindingsschakel tusschen de gewervelde en de ongewervelde dieren4 ,onmiddellijk achter dezen stamvader kunnen de ,cyclostomen 7rondbekken7 gerangschikt worden1 waartoe de prik of lamprei behoort4 ,hun lichaam is wormvormig1 zonder ledematen2 hun bek bevat geene tanden1 hunne huid is naakt en zonder schubben4 ,zij missen een beenig skelet1 maar hebben reeds een begin van kieuwen en van hersenen4 ,naarmate wij in ons onderzoek vooruitgaan1 zullen wij het leven meer beperkt zien tot bepaalde organen1 en de bestanddeelen1 waaruit de dieren bestaan1 hunne oorspronkelijke eigenschappen zien verliezen1 om zich over te geven aan de leiding van het met hersenen voorziene wezen4 ,de gewervelde dieren1 zooals de zoogdieren1 vogels1 kruipende dieren1 visschen1 bestaan in hoofdzaak uit een gebouw van wervels1 dat het ruggemerg beschermt1 en eindigt in eenen schedel1 die zelf uit gewijzigde wervels bestaat1 en de hersenen bevat1 die niets anders zijn dan de oorsprong van het ruggemerg4 ,geboren uit de ongewervelde dieren1 en ongetwijfeld voortgekomen uit de laagste dezer dieren1 de ringwormen1 wier anatomische bouw de meeste overeenkomst heeft met de lagere gewervelde dieren1 vertoonen zij zich aan ons als de meest volmaakte ontwikkeling van het leven op onze planeet4 ,het is hieruit1 dat men zich niet alleen den vorm der wezens kan verklaren1 maar ook de schikking van ieder orgaan in het lichaam4 ,het hoofd1 de zoo fijne organen van het gezicht en het gehoor1 het hart1 de longen1 de nieren hebben zich langzaam gevormd4 ,de vorm van ieder wezen1 zoowel in- als uitwendig1 is de vrucht van zijne levenswijze en die zijner voorouders4 ,wij zagen1 dat gedurende eene reeks van eeuwen de organismen zich hebben voortgeplant door knopvorming en verdeeling4 ,daarna hebben wij bij wezens1 die zich nog steeds op die wijze voortplantten1 organen zien ontstaan1 die het aanzijn schonken aan kleine eieren of aan klieren4 ,van toen af begon de geslachtsvoortplanting1 bij dezelfde wezens met de vorige wijze van voortplanting afwisselende1 en die optrad bij dieren1 die beide geslachtsorganen bezaten en tweeslachtig waren4 ,daarna treedt de voortplanting op door de verbinding van twee verschillende wezens1 die1 om het voortbestaan der soort te verzekeren1 tot elkander moeten naderen en zich tijdelijk tot n lichaam moeten vereenigen1 en juist door deze wijze van voortplanting splitsen zich de wezens tot verschillende soorten4 ,de ligging der voortplantingsorganen in de nabijheid van de organen1 die dienen tot de afscheiding van stoffen1 die geen nut meer hebben voor het organisme1 is niet zeer gelukkig1 zij is het gevolg van den bouw der aardwormen1 bij welke de oorspronkelijke organen voor de voortplanting verbonden zijn met de organen tot afscheiding4 ,bij de ringwormen vinden de eitjes1 die zich in alle kanalen van het lichaam vormen1 in die afscheidingskanalen eenen doorgang naar buiten4 ,de langzame volmaking van het dierenrijk heeft dien oorsprong nog niet uitgewischt4 ,de voortplanting door eieren heeft voortgeduurd tot den dag1 waarop levende jongen werden voortgebracht4 ,ieder levend wezen kwam van toen af voort uit een bevrucht ei1 en heeft eenen vader en eene moeder4 ,deze behoeven elkander echter daarom niet te kennen4 ,de visschen leggen hare eieren in het water2 op den eenen of anderen tijd worden die eieren bevrucht1 zonder dat de visch1 die zich daartoe leent1 ooit de moeder dier eieren gekend heeft4 ,hierop maken de roggen en andere eene uitzondering2 deze liggen tusschen de levend barenden en de eieren leggende dieren in1 daar het ei uitgebroed wordt in den moederschoot4 ,in andere gevallen1 zooals bij de kikvorschen1 de watersalamanders en andere dieren1 naderen de ouders tot elkander zonder elkander aan te raken1 en toch worden de eieren bevrucht vrdat zij gelegd zijn1 of op het oogenblik van het leggen4 ,de innige vereeniging van twee wezens1 het huwelijk1 hetzij tijdelijk1 hetzij duurzaam1 is de vrucht van den vooruitgang4 ,die teedere band1 reeds opmerkelijk bij een groot aantal vogels1 is begonnen bij de eierleggende dieren1 waaronder men een groot aantal viervoetige dieren vindt4 ,de schildpadden1 de krokodillen1 de kikvorschen1 de slangen1 de vogels leggen eieren4 ,men kan de ontwikkeling der voortplanting door eieren volgen van de laagste insecten tot aan de zoogdieren4 ,deze brengen wel levende jongen voort1 maar iedereen weet1 dat ook daar in den moederschoot ieder levend wezen als ei begonnen is4 ,het baren van levende jongen is de tot volkomenheid gebrachte voortplanting door eieren2 de eerste wijze van voortplanting is zelfs nog weifelend bij de eerste zoogdieren1 de buideldieren1 die hare jongen dragen in eenen uitwendigen zak1 en vooral bij de vogelbekdieren 7ornithorhynchus paradoxus74 ,van welk oogpunt wij dus ook de zaak beschouwen1 wij zien in het leven op aarde steeds de ontwikkeling uit nen zelfden stamboom4 ,de eierleggende viervoetige dieren vormen den overgang tusschen de voortplanting door eieren en door het baren van levende jongen2 men weet zelfs nu nog niet1 of de ornithorhynchus altijd eieren legt of somtijds ook levende jongen voortbrengt4 ,de buideldieren1 zooals de kangoeroe's en andere1 schijnen met de vogelbekdieren de oudste zoogdieren der wereld te zijn4 ,die wezens1 die in de ontwikkeling van het leven zijn blijven stilstaan1 brengen jongen voort1 die zich eerst ontwikkelen na hunne geboorte4 ,de moeder grijpt met de lippen hare jongen1 die op zich zelf nog niet levensvatbaar zijn1 en legt ze in den zak1 dien zij vr haren buik draagt4 ,daar hechten zij zich vast1 ieder aan eenen tepel1 en blijven daaraan vast1 totdat hunne ledematen en organen voldoende ontwikkeld zijn4 ,die buidelzak is als het ware eene tweede baarmoeder1 waarin de ontwikkeling der vrucht ten einde gebracht wordt4 ,indien de jongen alleen kunnen loopen1 vergeten zij toch dat nest niet en vluchten zij daarin bij het eerste alarm2 zij brengen daarin een groot gedeelte van hunne kindsheid door4 ,men ziet1 hoe wij geleidelijk de ontwikkeling van alle organen bijwonen4 ,men kan stap voor stap de vorming van den boezem volgen1 te beginnen met de vogelbekdieren tot aan de schitterende ,venus van ,milo2 de volmaking van den kop1 van den eenvoudigen worm tot dien van ,apollo of ,antinos1 en zoo verder van het geheele lichaam en van ieder orgaan1 hand1 oog1 oor enz4 ,stap voor stap begint elk orgaan1 ontwikkelt het zich en wordt het volmaakter4 ,de levenskracht1 eerst in het geheele organisme verspreid1 beperkt zich langzamerhand in enkele organen4 ,wij zagen reeds1 dat men eenen ringworm in zooveel deelen kan snijden als men wil1 zonder dat het dier zijn leven verliest4 ,men kan toch het dier beschouwen als eene verzameling van kleine deelen1 die ieder hunne eigene levensvatbaarheid bezitten3 de rugstukken eener nadine vormen eenvoudig dertig dieren2 elk deel verkrijgt eenen kop1 eenen staart en nieuwe ringen4 ,zoo ook zagen wij1 dat enkele lange ringwormen zich in hunnen eigen staart bijten zonder dat zij het zelf bemerken2 dat men eene hydra in stukken kan snijden1 kan omkeeren1 twee hydra's op elkander kan enten1 enz4 ,de aardworm heeft niet meer die verbazende levensvatbaarheid in ieder zijner deelen2 toch groeit de kop weer aan1 als deze afgesneden is4 ,charles ,bonnet verhaalt1 hoe hij van eenen zelfden worm twaalf malen den kop heeft afgesneden1 en hoe deze twaalf malen weder aangroeide4 ,iedere straal van eene zeester vormt weder eene nieuwe zeester4 ,naarmate wij verder komen in ons onderzoek naar de ontwikkeling der wezens1 beperkt zich de levenskracht meer en meer4 ,bij de salamanders groeien zoowel de pooten als de staart weer aan en zelfs ook de oogen en een deel van den kop4 ,onder de insecten bezitten de sprinkhanen eene verbazende levensvatbaarheid4 ,van #ca onthoofde sprinkhanen leefden alle nog na twee dagen en waren zij nog even vlug als vr de operatie1 #bi leefden drie dagen1 #bc vier dagen1 #aj vijf dagen1 #d zes dagen1 #b zeven dagen4 ,de laatste leefde nog vijftien dagen na de onthoofding4 ,die zelfde dieren kunnen in het leven blijven1 als alle organen er uit genomen zijn1 7en zelfs ook als zij daarna opgevuld worden73 leeggemaakt vijf dagen1 leeggemaakt en onthoofd vier dagen4 ,de enkele kop leeft nog vier en twintig uren4 ,de kop met den eersten ring kan #cj uren leven4 ,de kop met de twee eerste ringen drie dagen4 ,de eerste ring1 van den kop en het lichaam gescheiden1 leeft nog verscheidene uren4 ,de derde ring met het achterdeel van het lichaam sterft dadelijk4 ,het blijkt dus1 dat de levenscentra in den kop en de twee eerste ringen gelegen zijn4 ,opmerkelijk is het1 dat die dieren niet de minste stuiptrekkende beweging openbaren als men ze den kop afsnijdt1 of de ingewanden uitneemt4 ,een sprinkhaan1 wien de kop is afgesneden1 merkt daar waarschijnlijk niets van4 ,zoo ziet men ook1 dat de twee helften van eenen doorgesneden kikvorsch niet dadelijk sterven3 de voorste helft1 de kop en de twee voorpooten1 loopt weg1 terwijl de achterste helft hare gevoeligheid behoudt2 niet zelden kan men in een laboratorium eenen onthoofden kikvorsch met den poot de tang zien wegduwen1 die hem doet lijden4 ,ook ziet men dikwijls een onthoofd hoen wegvliegen1 een spoor van bloed op zijnen weg achterlatend4 ,een gevilde en in stukken gesneden paling beweegt zich nog langen tijd4 ,het hart van eene schildpad1 uit het lichaam verwijderd1 blijft nog eenige uren kloppen4 ,vroeger hebben wij reeds gezien1 dat men bij de lagere dieren de hersenen kan wegnemen1 en dat deze weder aangroeien2 diezelfde proef kan ook bij duiven genomen worden4 ,indien men bij eene duif de hersenen wegneemt1 verliest het dier onmiddellijk het gebruik zijner zintuigen en het vermogen1 om zijn voedsel te zoeken4 ,doch indien men het dier voedsel ingiet1 kan het blijven leven1 omdat de voedingsfuncties ongestoord blijven1 als men de daarmede samenhangende zenuwcentra niet geschonden heeft4 ,langzamerhand groeien de hersenen weder aan1 en naarmate die aangroeiing voortgaat1 ziet men het gebruik der zintuigen1 het bewustzijn en het instinct van het dier weder terugkeeren4 ,indien de lezer ons wel heeft willen volgen in ons onderzoek over de ontwikkeling en den vooruitgang van het leven1 dan zal hij doordrongen zijn van het denkbeeld1 dat er een nauw verband bestaat tusschen de verschillende onderdeelen der natuur1 van de gesteenten tot aan den mensch2 wij herhalen het1 van de gesteenten af4 ,zoo zal een stuk gebroken kristal weer evenzeer aangroeien1 alsof het een plantaardig of dierlijk weefsel ware4 ,pasteur heeft aangetoond1 dat indien men een gebroken kristal in de vloeistof plaatst1 waaruit het gekristalliseerd is1 men het kristal in alle richtingen ziet aangroeien door een afzetsel van kristallijne deeltjes1 maar dat men tevens eene sterke werking waarneemt aan het gebroken gedeelte1 zoodat het verminkte deel na verloop van enkele uren weer zijne regelmatige gedaante heeft herwonnen4 ,in die onafgebroken reeks openbaringen der scheppende natuur1 heeft er van de mechanische1 physische en chemische periode vr het leven1 tot aan onzen tijd1 zoo rijk aan de vruchten van verstand en gedachte1 geene verbreking plaats gehad in den samenhang1 geene enkele gaping1 geene verandering van plan1 geen onoverkomelijke afgrond1 geene spontane schepping4 ,de geheele natuur op aarde is naar een zelfde plan gebouwd en vertoont overal de uitdrukking van eenzelfde gronddenkbeeld4 ,komt men eindelijk tot den mensen1 dan staat men niet meer tegenover eenen onoverkomelijken afgrond4 ,de mensen is het kind der natuur1 evenals alle voorgaande voortbrengselen4 ,hij is door onverbreekbare banden verbonden aan de wezens1 die hem zijn voorgegaan1 aan de gesteenten1 de planten en de dieren4 ,later zullen wij onderzoeken1 wie zijn onmiddellijke stamvader geweest is4 ,maar terwijl wij dit onderzoek sluiten1 moeten wij duidelijk die verwantschap van den mensch met de geheele natuur der aarde verstaan4 ,de geest zoowel als het lichaam zijn de producten van de levenskracht1 zooals zij langzamerhand ontwikkeld is4 ,wel beperkt zich het leven meer en meer in het hart en in de hersenen1 wel beperkt zich het bewustzijn meer en meer in de hersenen1 maar daarom is dit nog geene nieuwe wereld1 het is slechts de voortzetting en ontwikkeling van oude vormen4 ,wij merkten zooeven op1 dat het hart van eene schildpad nog blijft kloppen1 nadat het uit het lichaam van het dier verwijderd is2 hezelfde is met het hart van den mensch het geval4 ,indien men het hart van eenen ter dood gebrachte enkele minuten na de terechtstelling uitneemt1 kan men de kloppingen1 ten getale van #dj tot #de in de minuut1 nog wel een uur lang waarnemen1 zelfs indien de lever1 de maag1 de ingewanden verwijderd zijn4 ,eenige jaren geleden zag een betrouwbaar en bekwaam ooggetuige bij eene terechtstelling in ,japan1 hoe de oogen van het hoofd van den onthoofde1 nadat het op het zand gevallen was1 hem strak aanstaarden1 en hem #ae tot #bj seconden lang bij zijne bewegingen volgden4 ,men houde in het oog1 dat het hoofd met de scheidingsvlakte dadelijk op het zand was neergekomen1 zoodat er bijna geen bloedverlies had plaats gegrepen4 ,de ledematen1 de organen van den mensch hernieuwen zich niet1 zooals dit met de lagere dieren het geval was2 de weefsels echter herstellen zich weer vanzelf1 wonden heelen1 het vleesch sluit zich weder2 door aanhechting van andere weefsels heeft men enkele deelen van organen weder kunnen herstellen1 en bekend is het1 hoe de transfusie van bloed reeds in vele gevallen het leven gered heeft4 ,naarmate de centralisatie duidelijker uitkomt1 worden een aantal bewegingen onwillekeurig verricht4 ,het hart klopt1 de longen ademen1 de maag verteert het voedsel1 zonder dat de wil zich openbaart4 ,langzamerhand heeft de gedachte zich tot de hersenen beperkt1 langzamerhand verkrijgt het individu het bewustzijn zijner persoonlijkheid4 ,die persoonlijkheid1 dat bewustzijn is reeds begonnen op de laagste trappen van het dierenrijk #e4 ,de weekdieren1 de visschen1 de kruipende dieren1 zij allen weten1 dat zij bestaan1 zij allen verdedigen hun leven en brengen de geheele wereld in verband met hunne persoonlijkheid4 ,zij beginnen reeds te denken4 ,de gedachte ontwikkelt zich met het zelfbewustzijn4 ,niemand trekt tegenwoordig het verstand der dieren meer in twijfel4 ,de waarneming der gewoonten1 de ontleding der willekeurige handelingen en van de gevoelsuitingen der apen1 der honden1 mieren1 katten1 olifanten1 bijen enz4 toonen onwederlegbaar aan1 dat naast en boven het erfelijk instinkt de ziel der dieren begaafd is met al de eigenschappen1 waarop zich de menschelijke ziel verhoovaardigt1 hoewel dan ook gewoonlijk in mindere mate4 ,wij zeggen gewoonlijk1 omdat het niet zelden voorkomt1 zelfs bij beschaafde volken1 dat de ouders door hunne daden toonen1 dat hunne liefde en offervaardigheid voor hunne kinderen verre beneden die der katten1 leeuwen en tijgers staat4 ,niet zelden ontmoeten wij menschen1 minder verstandig dan mieren1 minder goedaardig dan honden1 minder slim dan apen4 ,de ,bosjesmannen1 ,hottentotten en ,papoea's staan op eenen z lagen trap van ontwikkeling1 dat men zoude meenen1 dat zij in het geheel niet denken4 ,een groot aantal van die stammen hebben geen woord voor het begrip dier1 plant1 geluid1 kleur1 terwijl zij wel uitdrukkingen hebben1 om ieder dier1 iedere plant1 iederen toon1 iedere kleur te onderscheiden4 ,zij missen volkomen het vermogen om te abstraheeren4 ,zij kunnen tot vijf tellen2 verder dan vijf hebben zij geene voorstelling meer van een getal4 ,andere wilde volken kunnen tot tien tellen1 of tot twintig3 sommige dieren hebben het wel verder gebracht4 ,men vindt in ,zuid-,azi en ,oost-,afrika stammen1 die evenals de apen slechts tijdelijke vereenigingen vormen1 zonder dat zij nog een begrip hebben van familieleven of huwelijk1 de grondslagen der menschelijke beschaving4 ,de halfaapachtige negers1 die in de hoogere ,nijlstreken leven1 zijn volgens de berichten van vele zendelingen niet vatbaar voor eenig begrip2 niet alleen dat zij niet kunnen nadenken1 zij hebben zelfs geen begrip van dankbaarheid en staan dus in dat opzicht beneden de honden4 ,men behoeft slechts de verhalen na te lezen van reizigers1 die deze primitieve volksstammen hebben gadegeslagen1 om een oordeel te kunnen vellen over den lagen trap van hunne zedelijke en verstandelijke ontwikkeling4 ,indien wij de zielkundige processen bestudeeren1 door de dieren in toepassing gebracht bij het openbaren van hunnen wil en hun gevoel1 dan zien wij1 dat zij evenals wij langs inductieven en deductieven weg besluiten trekken4 ,het is slechts een verschil in hoeveelheid1 niet in aard4 ,ook het kind gaat slechts uiterst langzaam vooruit in het overwegen1 en zijne eerste redeneeringen berusten eveneens slechts op vergelijking4 ,een kind van een jaar is uit dat oogpunt beschouwd nog een klein dier2 zijne verstandelijke vermogens zijn nog in kiem en zullen zich eerst trapsgewijze ontwikkelen4 ,in het eerst zal het als een jonge aap alles willen nabootsen1 en dit is de eerste stap tot vooruitgang4 ,daarna eerst begint het te oordeelen over oorzaken en gevolgen1 en gewoonlijk zal dat oordeel zeer juist zijn4 ,eerst later wordt het door onze valsche maatschappelijke opvoeding met dwalingen en vooroordeelen omgeven en daardoor verhinderd1 op den weg van den vooruitgang voort te schrijden4 ,even zeker als de eerste scheikundige verbindingen ontstaan zijn uit de samenvoeging der moleculen onderling1 en even zeker als de scheikundige verwantschap afgeleid is uit de verbindingen1 en de oorspronkelijke organismen met hunne levenskracht uit die verwantschap geboren zijn1 even zeker is de menschelijke ziel eene volmaking van die van het dier4 ,toch zoude geen enkele onzer lezers voldaan zijn1 indien wij dit hoofdstuk over de ontwikkeling en den vooruitgang van het leven1 dat ons stap voor stap van het protoplasma tot den mensch voerde1 hiermede eindigden4 ,en waarom8 omdat ieder onzer gevoelt1 dat hij nog iets anders is dan een dier1 evenzeer als het dier geene plantaardige stof1 of de plant iets anders is dan een voorwerp uit het delfstoffenrijk4 ,reeds bij het dier1 en vooral bij het hoogere dier1 is de ziel eene leidende kracht en niet eene eigenschap4 ,de stof1 die het lichaam vormt1 heeft scheikundige en natuurkundige eigenschappen1 en die eigenschappen zijn voortdurend in het organisme werkzaam4 ,een levend wezen is evenals alle lichamen onderworpen aan de zwaartekracht1 en de wetten der mechanica zijn evenzeer van toepassing bij de beweging van de spier1 die den arm opheft1 als bij de beweging van het voedsel van den mond naar de maag4 ,maar die eigenschappen der stof geven een levend wezen niet zijnen vorm1 zijne levenskracht1 zijne persoonlijkheid4 ,men moet de eigenschappen der stof1 zoo schreef ,claude ,bernard1 niet verwarren met de functies1 die verricht worden4 ,zoude men het niet ongerijmd vinden1 als men hoorde zeggen1 dat de stembanden de eigenschap hebben van te spreken en te zingen1 of het middelrif de eigenschap heeft van te ademen8 ,zoo is het ook met de hersencellen3 men kan niet zeggen1 dat zij de eigenschap hebben van te gevoelen1 te denken of te willen6 ,het leven heeft de gedachte voortgebracht4 ,ook de gedachte bestaat2 het is eene kracht1 die zelfbewust is1 die gevoelt1 wil en handelt4 ,zij is geen stof4 ,het lichaam en de beweging zijn zuiver verschijnselen3 het eerste is het beeld der stof1 het tweede het beeld der handeling2 maar beide zijn de gevolgen der kracht4 ,op den bodem van ons onderzoek is de kracht gelegen4 ,wij hebben haar zien ontstaan1 nederig1 zwak1 onbewust in het protoplasma4 ,wij hebben haar langzaam zien toenemen1 zich bevestigen en heerschen bij de ontwikkeling van het dierenrijk4 ,wij zien haar op haar toppunt bij den mensch4 ,de menschelijke gedachte is het eindresultaat van alle natuurkrachten1 omdat zij die alle in zich heeft opgenomen4 ,het wezen der kracht is ons onbekend4 ,wij houden eenen steen in de hand3 hij valt2 waar is de onzichtbare band1 die hem naar de aarde heeft toegetrokken4 ,onze planeet draait met groote snelheid om de zon3 waar is de slinger1 die haar aan het draaien gebracht heeft8 ,hier is een regelmatig veelvlak1 eene ster van sneeuw1 eene ijsbloem1 waar is de hand1 die de moleculen in bepaalde vormen rangschikt8 ,hier zijn twee zaadkorrels2 uit een natuur- en scheikundig oogpunt zijn zij gelijk2 de n zal echter het aanzijn schenken aan een plantje1 dat in den herfst niet meer zal leven1 de andere aan eenen reusachtigen boom1 die jaren en eeuwen zal voortbestaan3 waarin ligt het verschil der beide kiemen8 in eene onzichtbare kracht1 die de ontwikkeling der plant van hare geboorte tot aan haren dood beheerscht4 ,het wezen der dingen is dus niet de stof1 maar de kracht4 ,de wetenschap veroordeelt dus niet ons gevoel1 onze hoop1 onze neigingen4 ,haar doel is integendeel1 ze te verklaren en te rechtvaardigen4 ,de wetenschap is nog zoo jong1 en laat dus nog zoovele raadselen onopgelost4 ,maar naarmate zij meer vooruitgaat1 zal zij ons meer licht verschaffen4 ,de wetenschap is echter niet de slavin van eene secte of van een stelsel2 zij brengt ons voortdurend nader tot het ideaal1 om ons in de natuur wetten en krachten te doen bewonderen1 waarvan het wezen ons verborgen is en tot het gebied van het onzichtbare en oneindige behoort4 ,,derde ,,hoofdstuk4 ,eerste planten en eerste dieren4 ,de oudste versteeningen4 ,laurentische1 ,cambrische en ,silurische tijdperken4 ,wij moeten1 nadat wij in groote trekken de ontwikkeling van het leven op aarde besproken hebben1 thans hare geologische geschiedenis bestudeeren4 ,wij hebben den oorsprong1 de langzame ontwikkeling en de schitterende vorderingen van het leven bijgewoond1 van het nederige protoplasma tot aan de menschelijke ziel4 ,wij zullen in de versteeningen1 die bij iedere laag behooren1 de onwraakbare getuigenis vinden van den vooruitgang van het leven1 van de oudste tijden af tot op onzen tijd4 ,reeds zagen wij1 dat de aardbol1 die zich uit de zonnevlek verdicht heeft1 eeuwen lang in gloeienden toestand geweest is1 langzaam is afgekoeld en aan de oppervlakte hard is geworden2 in dien tijd was er geen leven op de aarde mogelijk4 ,doch toen de dampkring1 die de aarde omringde1 zich verdicht had1 toen de afgekoelde dampen vloeibaar geworden waren1 en de zoo ontstane wateren de zeen gevormd hadden1 toen de temperatuur van het water tot #fj was afgekoeld1 toen gaven de koolstofverbindingen en de stoffen die in dat water dreven1 het aanzijn aan de eerste organismen4 ,die eiwitrijke1 geleiachtige organismen konden niet versteenen en dus niet bewaard blijven tot leering voor toekomstige eeuwen4 ,de eerste fossielen zijn die van wezens1 die op den bodem der zee onttrokken waren aan den vernielenden invloed van de destijds levende dieren1 het water en de lucht1 en die zich in eenen zoodanigen grond bevinden1 dat zij daarin konden versteenen4 ,in eenen doordringbaren grond1 zooals van zand of zandsteen1 heeft de versteening1 die hand aan hand gaat met de verharding van den grond1 niet op dezelfde wijze plaats als in ondoordringbare lagen1 zooals klei4 ,somtijds ontstaat er alleen een getrouwe afdruk van het dier2 in andere gevallen maakt ieder der moleculen plaats voor eene delfstofmolecule1 door de laag geleverd1 die op het lijk1 het geraamte1 de schelp drukt4 ,somtijds ook worden de schelpen tegelijkertijd omgeven en doordrongen met kalk2 ook geschiedt het wel1 dat er als het ware eene aantrekking van zwavelijzer rondom of in de versteening plaats grijpt4 ,steeds dus ondergaan de lichamen meer of minder belangrijke wijzigingen4 ,indien het beschermende afzetsel volkomen ondoordringbaar ware1 dan zouden zij eeuwen en eeuwen ongeschonden bewaard kunnen blijven4 ,dit is het geval met het steeds bevroren slijk van ,siberi1 waar geheele lijken van mammouths geheel onveranderd zijn teruggevonden1 zonder dat het vleesch of de haren iets van hunne frischheid verloren hadden2 ook ziet men dit bij de insecten1 die in de hars en het barnsteen zijn opgesloten4 ,hoe hebben zich de lagen gevormd8 ,de oorspronkelijke aardbol bestaat ongetwijfeld voornamelijk uit ijzer4 ,de dichtheid der planeet 7#e1e maal zoo groot als water7 bewijst1 dat zij bestaat uit elementen1 die zwaarder zijn1 dan die welke in de korst voorkomen4 ,het graniet weegt tusschen #b1f en #b1g2 zoo ook gneiss1 kwarts en schiefer4 ,de dichtheid van lei is van #b1f tot #b1i1 van bazalt van #b1h tot #c1a1 van zandsteen #b1b1 van marmer #b1f tot #b1h1 van gips #b1b4 ,deze getallen zijn veel kleiner dan de gemiddelde dichtheid der aarde1 en indien onze planeet hoofdzakelijk bestond uit graniet1 zou zij nauwelijks driemaal zooveel wegen als een even groote bol water1 terwijl zij thans #e1e maal zooveel weegt4 ,dit zoude eene reeks van merkwaardige gevolgen hebben4 ,wij zelf zouden minder wegen2 met dezelfde spierkracht zouden wij lichter zijn1 de maan zoude langzamer om ons heen draaien1 de maanden zouden dus langer zijn enz4 ,de groote hoeveelheden ongemengd ijzer1 somtijds 7zooals in ,siberi7 uit de diepten der aarde naar de oppervlakte gebracht1 de verschijnselen van het aardmagnetisme1 de samenstelling der meteoorsteenen1 zijn even zoovele getuigenissen1 die gevoegd bij het feit1 dat de dichtheid der aarde zoo aanzienlijk is1 ons er toe leiden aan te nemen1 dat het ijzer n der hoofdbestanddeelen onzer aarde is4 ,zijne dichtheid 7#g1b7 is juist zoo groot1 dat wij voor het soortelijk gewicht der geheele aarde #e1e vinden4 ,laten wij nog even terugkeeren tot den tijd1 toen de aarde1 na haar licht en hare warmte verloren te hebben1 hare eigenschappen als zon verloren had1 en in den toestand van planeet overging1 nog steeds vloeibaar1 maar afkoelende4 ,de lichtste gedeelten der gesmolten massa1 die door hun gering soortelijk gewicht tot de oppervlakte moesten naderen1 waren tevens samengesteld uit de moeilijkst smeltbare stoffen1 en indien enkele lichte metalen daarmede vermengd waren1 dan waren het metalen1 die gemakkelijk zuurstof opnamen en zich ook gemakkelijk met kiezel en aluminium konden verbinden4 ,naarmate dus het warmteverlies door uitstraling toenam1 begon die soort kiezelschuim gedeeltelijk vast te worden4 ,daar de gesteenten bij het vast worden in het algemeen een grooter soortelijk gewicht verkrijgen1 begonnen de eerste vaste stukken eerst te zinken1 maar niet zeer diep2 daar immers de stoffen in gesmolten toestand op elkander lagen in de volgorde harer dichtheid1 vond ieder stuk spoedig eene gesmolten laag om zich heen van dezelfde dichtheid4 ,de stukken begonnen toen geheel of gedeeltelijk weder opnieuw te smelten1 maar ten koste van de warmte der omringende stoffen4 ,dit verschijnsel1 zich tegelijkertijd op de geheele aardoppervlakte herhalend1 had ten gevolge1 dat er eene bolvormige korst ontstond1 bestaande uit een mengsel van de lichtste stoffen en andere1 die behoorden tot iets zwaardere lagen4 ,het gesmolten graniet werd vast1 toen de temperatuur der aardoppervlakte tot #aejj gedaald was4 ,vrdat die korst vast geworden was1 was al het water onzer zeen in dampvormigen toestand in den oorspronkelijken dampkring1 wiens drukking #bej tot #cjj maal grooter was dan thans1 zoodat ook deze eenen grooten invloed uitoefende op de wijze van vast worden van de kiezelmassa4 ,met den waterdamp vermengd vond men verschillende vluchtige zelfstandigheden1 die thans in den oceaan of in de aardschors gebonden zijn1 voornamelijk alcalische chloor- en fluorium-verbindingen4 ,nauwelijks was de korst gevormd1 of de vluchtige stoffen1 van nu af aan afgesloten van de warmtebron1 die ze in gasvormigen toestand hield1 begonnen te verdichten4 ,men kan zich gemakkelijk voorstellen1 hoe verbazend de kracht was1 waarmede in dien eersten oceaan1 die bijna de temperatuur van het kookpunt had1 de stoffen kristalliseerden4 ,vandaar dus eene zoowel scheikundige als mechanische vervorming der stoffen1 waaruit de nauwelijks vast geworden aardschors bestond4 ,bovendien konden de mineralen der schors1 die eene soort van kleverig deeg vormden1 zich niet onttrekken aan de verschijnselen van moleculaire samentrekking1 die steeds optreden in alle ongelijkslachtige stoffen1 die niet volkomen onbewegelijk zijn4 ,het is dus mogelijk1 dat er op die wijze eene meer of minder volkomen scheiding heeft plaats gevonden van de verschillende elementen1 en dat wel bij voorkeur in den vorm van lensvormige in horizontalen zin gerekte strooken4 ,daar eindelijk die eerste korst in het begin weinig weerstand kon bieden aan uitwendige krachten1 zoo moesten de stoffen1 die daaronder in vloeibaren of weeken toestand gelegen waren1 zich als aderen of als massieve stukken daar door heen verspreiden en zoo door hare aanraking de omringende deelen wijzigen4 ,zoo kunnen wij ons de omstandigheden denken1 waaronder zich die schors moet gevormd hebben1 die als voetstuk moest dienen voor de sedimentlagen4 #f ,die aardkorst1 die oorspronkelijke formatie1 bestaat1 zooals wij reeds vroeger zagen1 uit graniet1 gneiss1 micaschiefer en gesteenten1 waarin kwarts1 veldspaat en mica de hoofdrol vervullen 7,plutonische formatie74 ,men vindt die oorspronkelijke formatie overal1 op alle breedten terug1 als grondslag voor de sedimentlagen1 die zich later in het water hebben gevormd en op die oorspronkelijke formatie hebben afgezet4 ,terwijl die sedimentlagen zeer verschillend zijn en niet overal gevonden worden1 bestaat de oorspronkelijke formatie overal in de diepten van den bodem4 ,die formatie is dus zonder twijfel de oppervlakte onzer planeet1 op het tijdstip toen de wateren zich verdichtten4 ,op die oorspronkelijke gesteenten1 wier oppervlakte zeer gewijzigd is door uitwendige verschijnselen1 zooals de drukking van het water1 de zuurstof der lucht en andere1 op dat voetstuk1 dat reeds bestond vrdat er nog leven op aarde was1 hebben zich de formaties afgezet1 die gelijktijdig bestonden met het leven4 ,de oorsprong van die sedimentlagen verschilt ten eenenmale van dien der vorige4 ,het zijn bezinksels en stoffen1 die van andere plaatsen zijn aangebracht en die onafhankelijk zijn van de inwendige samenstelling der planeet4 ,regen1 wind1 zonnestralen1 koude1 ontleden langzamerhand alles wat daaraan is blootgesteld4 ,nauwelijks waren de eerste rotsachtige eilanden1 die nog elken plantengroei misten1 uit de wereldzee opgestegen1 nauwelijks waren de eerste graniet- of gneissrotsen uit het water te voorschijn getreden1 nauwelijks verhieven zich de eerste bergen in de lucht1 of die verwering nam een aanvang4 ,de regen gaf het aanzijn aan bronnen1 de bronnen aan beken1 de beken aan stroomen1 en later aan de groote rivieren4 ,de wateren verbrijzelden de steenen1 en veranderden ze in keien en in zand4 ,de zee1 die aan de kusten knaagde1 de vloed en de eb1 veranderden tweemalen daags de grenzen en de vormen der kusten4 ,daardoor hebben de elementen der aardoppervlakte1 meer of minder verdeeld1 zich neergezet op den bodem van den oceaan1 van de stroomen en de meren1 alle overblijfselen met zich mede voerende1 waarmede zij vermengd waren4 ,wij zeiden reeds1 dat de verschillende sedimentformaties onderling zeer verschillen4 ,enkele zijn gevormd uit zeer fijn zand1 dat zweefde in de kalme wateren1 en dat zich zeer langzaam neerzette op eenen horizontalen bodem4 ,andere1 als het zandsteen1 zijn de vrucht van het samenkleven van zand met de ne of andere bindende stof3 men onderscheidt kwartszandsteen1 ijzerzandsteen1 leemzandsteen1 kalkzandsteen enz4 ,nog andere1 en deze worden bijna overal gevonden1 zijn bezonken opeenhoopingen van keisteenen1 kiezel1 ijzeroxyde enz4 door het water medegevoerd4 ,weer andere zijn kleiachtige afzetsels1 of kalkformaties1 bestaande uit koolzure kalk1 en die zeer dikwijls uitsluitend ontstaan uit opeengehoopte schelpen4 ,daartoe behoort het krijt1 een broos gesteente1 dat bestaat uit eene verzameling van protozon3 men vindt daarin stukken van foraminiferen1 met overblijfselen van polypen1 stekelhuidigen1 weekdieren1 verbonden met kiezelrijke overblijfselen van straaldieren1 sponsen en diatomen4 ,sommige kalkformaties bestaan geheel en al uit eene opeenhooping van kleine schilden van zoetwaterschaaldieren4 ,de kristallisatie der kalksteenen brengt het marmer voort4 ,tripelaarde bestaat geheel uit diatomen1 mikroskopisch kleine kiezelrijke wieren1 bacillen enz4 ,de steenkool is eene sedimentformatie1 bestaande uit overblijfselen van dicht opeengehoopte planten1 onder eene verbazende drukking begraven4 ,die lagen hebben zich in volgorde op elkander gerangschikt4 ,de overblijfselen van dieren en planten1 die men er ontmoet1 behoorden tot wezens1 die leefden op de tijdstippen1 waarop die lagen gevormd zijn1 en die behoudens enkele uitzonderingen niet ver van de plaatsen leefden1 waar men ze vindt2 want groote verplaatsingen kunnen zij niet zonder nadeel weerstaan4 ,meesttijds is het lichaam bewaard gebleven door in de plaatstreding van andere moleculen1 zoodat het geheel versteend is1 en van de stof zelf niets is overgebleven1 maar de vorm1 zoowel in- als uitwendig1 geheel is behouden gebleven4 ,de bezinking groeit van boven aan1 zoodat zij ouder is1 naarmate zij dieper ligt4 ,terecht noemt men de oorspronkelijke gesteenten1 graniet1 gneiss1 micaschiefer1 die de kristallijnen stoffen voorstellen van de kern der aarde1 toen deze nog gloeiend was en het leven ontbrak1 azosch 7zonder leven71 en de eerste sedimentformaties1 die ontstaan zijn na de verdichting van het water1 paleozosch 7oudste leven74 ,de wetenschap der fossielen is nog jong4 ,eeuwen lang heeft men gestreden tegen de meening1 als zouden die overblijfselen van dieren en planten werkelijk aan levende wezens behoord hebben4 ,men zeide1 dat het spelingen der natuur waren1 ontstaan onder den invloed der sterrenbeelden1 de zon1 maan en planeten1 door eene geheimzinnige kracht1 aan de aarde eigen4 ,eerst in de eerste helft der zestiende eeuw begonnen de geologische verschijnselen de aandacht te trekken4 ,toen ontbrandde een hevige strijd in ,itali over den waren aard en den oorsprong der zeeschelpen en andere bewerktuigde versteeningen1 die men in menigte in de formaties van dat land vindt4 ,de beroemde schilder ,leonardo de ,vinci1 die in zijne jeugd de plannen had gemaakt voor verscheidene bevaarbare kanalen in het noorden van ,itali1 die door hem werden uitgevoerd1 was n der eersten1 die op gezonde en logische wijze over dit onderwerp oordeelde4 ,het slijk der rivieren1 zoo sprak hij1 heeft de fossiele schelpen bedekt en is daar in binnengedrongen1 toen zij nabij de kusten op den bodem der zee lagen4 ,men beweert1 dat die schelpen gevormd zijn op de heuvels1 onder den invloed der sterren1 maar dan vraag ik1 of men thans nog de sterren op de heuvels schelpen ziet vormen van verschillende tijden en soorten4 ,hoe zouden daarenboven de sterren den oorsprong van het grint kunnen verklaren1 dat men op verschillende hoogten vindt1 en dat bestaat uit keisteenen1 die door de beweging van het stroomende water afgerond schijnen8 ,hoe eindelijk is op deze wijze op die heuvels de versteening te verklaren van de bladeren1 de planten en de zeekrabben8 ,de opgravingen1 in #aeag gedaan ten behoeve van de herstellingswerken van ,verona1 brachten een aantal merkwaardige versteeningen aan het licht en leverden aan verschillende schrijvers stof op voor bespiegelingen4 ,zoo zeide o4a4 ,frascatoro1 dat de fossiele schelpen alle aan wezens hadden behoord1 die moesten geleefd hebben op de plaatsen1 waar men hunne overblijfselen gevonden had4 ,hij toonde aan1 hoe dwaas het was1 zijne toevlucht te nemen tot de plastische kracht der natuur1 die het vermogen zoude gehad hebben1 om organische vormen aan de steenen te geven1 en bewees met tal van on wederlegbare bewijzen1 dat het bespottelijk was1 om de ligging der schelpen toe te schrijven aan den zondvloed1 zooals sommigen volhielden4 ,doch deze verstandige denkbeelden werden niet begrepen1 en drie eeuwen lang duurde de strijd voort1 of de fossiele overblijfselen eertijds hadden toebehoord aan levende wezens1 en of1 als dit eenmaal vaststond1 alle verschijnselen niet konden verklaard worden uit den zondvloed4 ,tot dien tijd toch meende men algemeen1 dat sedert de schepping de zondvloed de eenige oorzaak was1 dat eene belangrijke verandering op de oppervlakte der aarde had plaats gegrepen4 ,men vindt dan ook in de bespiegelingen der oude geologen overal toespelingen op den invloed van den zondvloed en op de spoedige nadering van den ondergang der wereld1 die eerst reeds tegen het jaar #ajjj voorspeld was4 ,wat den ouderdom der aarde betrof1 bleef de meening der geleerden eeuwen lang ongewijzigd4 ,de eerste poging1 om door middel van natuurkundige bewijzen een zoo algemeen verspreid geloofsartikel af te breken1 verwekte eene verbazende opschudding2 maar door de verdraagzaamheid der ,italiaansche geestelijkheid was het veroorloofd dat onderwerp volkomen vrij te bespreken4 ,zelfs de priesters namen deel aan het twistgeding en namen daarbij zelfs niet allen hetzelfde standpunt in4 ,te betreuren is het1 dat dergelijke vraagpunten niet werden gesteld met het doel om de waarheid te zoeken1 maar voornamelijk om de handigheid der stellers in het debat te doen uitkomen4 ,elke theorie1 hoe dwaas ook1 vond aanhangers1 zoodra zij op het groote publiek indruk kon maken4 ,zoo verdedigde ,mattioli1 een uitnemend plantkundige1 de stelling1 dat eene vette zelfstandigheid1 in gisting gebracht door de warmte1 het aanzijn schonk aan fossiele organische vormen4 ,en toch hadden hem zijne eigene waarnemingen geleerd1 dat poreuze lichamen1 zooals beenderen en schelpen1 in steenen konden veranderen1 daar zij doordringbaar waren voor wat hij het versteenende sap noemde4 ,zoo beweerde ,faloppio1 van ,padua1 dat versteende schelpen door gisting ontstonden op de plaatsen waar men ze vindt1 of dat zij in bepaalde gevallen hare vormen verkregen hadden door de beroeringen van aardsche uitwasemingen4 ,hoewel zelf een verdienstelijk hoogleeraar in de ontleedkunde1 beweerde hij toch1 dat sommige slagtanden van olifanten1 in zijnen tijd opgegraven1 niets anders waren dan verhardingen der aarde4 ,zoo beweerde men zelfs1 dat de muntschelpen 7nummuliten71 in ,egypte gevonden1 linzen waren1 door de ,pharao's opgehoopt tot voedsel voor de slaven1 die gebruikt werden voor den bouw der pyramiden6 ,eindelijk echter brak de waarheid door4 ,een eenvoudig pottenbakker1 ,bernard ,palissy1 neemt de natuur zelf waar en heeft den moed te ,parijs te verkondigen1 ten aanhoore van alle doctoren1 dat de fossiele schelpen niets anders waren clan gewone schelpen1 eertijds door de zee neergelegd op de plaatsen1 waar zij gevonden werden1 dat dieren1 en vooral visschen aan de steenen hunne verschillende vormen gegeven hadden1 en hij tartte de geheele ,aristotelische school1 zijne bewijzen te weerleggen4 ,en al vindt men steenen1 met schelpen gevuld op de toppen der hoogste bergen1 zoo sprak hij1 daarom meene men niet1 dat de schelpen gevormd zijn op zoodanige vreemde wijze1 als sommigen meenen4 ,geen enkele steen kan den vorm van eene schelp of van een dier aannemen1 als niet het dier zelf dien vorm gebouwd heeft4 ,vrdat dus die schelpen versteend waren1 leefden de visschen1 die ze gevormd hebben1 in het water1 en de visschen en het water zijn gelijktijdig versteend4 ,toch bleef men twijfelen4 ,hoewel reeds ,steno in #affi eene verklaring gegeven had van de sedimentformaties en de fossielen1 twijfelen ,fontenelle1 ,buffon en anderen nog aan den aard der fossielen1 en hebben zij geen denkbeeld van de wijze van ontstaan der sedimentformaties4 ,doch langzamerhand trekt het geheimzinnig waas weg1 dat altijd de fossielen bedekt had4 ,de onderzoekingen van ,steno1 ,pallas1 ,saussure1 ,werner1 ,deluc1 ,hutton1 ,playfair1 ,smith1 ,humboldt1 ,cuvier1 ,lyell1 ,elie de ,beaumont en anderen verhieven de leer der fossielen tot de positieve wetenschap1 die een belangrijk onderdeel der aardkunde uitmaakt4 ,cuvier was in waarheid de schepper der paleontologie4 ,na hem durfde niemand meer te twijfelen aan het wezen der fossielen1 en moest iedereen erkennen1 dat zij de overblijfselen waren van dieren en planten1 die geleefd hadden in eenen tijd1 toen de mensch nog niet op aarde verschenen was1 en die bewaard gebleven waren in de sedimentformaties1 die zich achtereenvolgens hadden afgezet4 ,toch had reeds ,ovidius geschreven3 ,vidi1 ego1 quod fuerat quondam solidissima tellus ,esse fretum2 vidi factas ex quore terras2 ,et procul a pelago conch jacuere marin ,et vetus inventa est in montibus anchora summis4 #g ,maar de waarheid breekt eerst langzamerhand baan2 het oog gewent eerst geleidelijk aan het licht4 ,naar aanleiding van dit overzicht is het niet van belang ontbloot1 op te merken1 hoe groote geesten eenen eigenaardigen luister geven aan ieder onderwerp1 door hen behandeld4 ,somtijds wel breiden zij hunnen horizon zzeer uit1 dat zij het doel nooit bereiken1 maar op hunnen weg vinden zij eenen z ruimen oogst1 dat die oogst1 oorspronkelijk bijzaak1 z belangrijk is1 dat deze hoofdzaak wordt4 ,zoo werd aan ,leibnitz in #afhj door hertog ,ernst ,august van ,brunswijk opgedragen1 de geschiedenis van het huis van ,hannover en het hertogdom ,brunswijk te schrijven1 en hij wilde die geschiedenis beginnen met die van den bodem zelf2 zoo kwam hij tot dien van den geheelen aardbodem4 ,aldus ontstond zijn geschrift over de vormingen en omwentelingen van den aardbodem1 als inleiding tot de geschiedenis van ,hannover4444 en kwam hij zelfs niet tot aan den zondvloed4 ,toch is dit boekje onvergelijkelijk belangrijker dan de geschiedenis eener dynastie van hertogen1 of keizers1 en zoo was ,leibnitz zijnen tijd twee eeuwen vooruit4 ,doch keeren wij tot ons onderwerp terug4 ,de oudste sedimentformaties zijn die1 welke op de oorspronkelijke gesteenten rusten4 ,zij zijn de bezinkingen in de azosche periode en kunnen in drie lagen verdeeld worden4 ,zij hebben haren oorspronkelijken horizontalen vorm niet behouden1 maar zijn door verschillende oorzaken telkens veel vervormd geworden4 ,de doorsnede van den aardbol in figuur #fj is dan ook meer theoretisch1 dan dat zij in werkelijkheid zoo bestaat4 ,de diepste formatie heet de ,laurentische4 ,zij is haren naam verschuldigd aan de opgravingen oan de ,sint-,laurensrivier in ,canada2 de tweede formatie1 de ,cambrische1 heet naar ,wales 7,cambria7 in ,engeland1 waar die lagen bijzonder bestudeerd zijn2 de derde1 de ,silurische1 heet naar de ,celtische volksstam de ,silurirs1 die in ,shropshire woonden tijdens den inval der ,romeinen in ,engeland1 waar die sedimentformaties zeer verspreid zijn4 ,de betrekkelijke dikte dier drie lagen kan een denkbeeld geven van de verhouding van den duur der perioden1 waarin zij gevormd zijn4 ,de ,laurentische formatie is negen kilometers dik1 de ,cambrische zes kilometers1 de ,silurische acht kilometers1 te zamen dus #bc kilometers1 geheel gevormd door de bezinking in de zee4 ,alle nieuwere formaties1 op de andere gelegen1 en behoorende tot de volgende perioden1 de primaire1 secundaire1 tertiaire en quaternaire periode1 zijn slechts #bj kilometers dik4 ,hieruit volgt reeds1 dat de azosche periode langer geduurd heeft dan de vier nieuwere perioden te zamen4 ,uit de waarnemingen van den tijd1 dien regen en wind noodig hebben om de boven het water uitstekende deelen der aarde te verweren1 van den tijd1 waarin de stroomen en rivieren de ontlede stoffen naar zee voeren1 en waarin de in het water zwevende stoffen bezinken1 kan men zich bij benadering een denkbeeld vormen van den duur dier praehistorische tijden4 ,ons leven is z kort1 de geschiedenis der volken gaat z snel voort1 dat wij steeds de neiging hebben1 de werken der natuur terug te brengen tot de schaal van onzen mikrokosmos1 en daar ne eeuw ons zeer lang toeschijnt1 meenen wij ook1 dat dit werkelijk ook voor de natuur eene lange periode is4 ,maar de studie van het heelal en zijne bewegingen en vervormingen leert ons1 dat in de geschiedenis van het heelal de eeuwen minder zijn dan secunden in ons leven4 ,toch nemen wij als grondslag voor onze redeneering eene nauwe doch voor ons te bevatten grens aan4 ,onze historische herinnering is z kort1 dat indien wij voor het quaternaire tijdperk1 het tijdperk1 waarin de mensch leefde1 honderdduizend jaren nemen1 wij vreezen te overdrijven1 en toch is het zeker1 dat dit cijfer beneden de werkelijkheid is4 ,de menschheid heeft reeds onmetelijke tijden bestaan1 vrdat de geschiedenis begon1 vrdat zij kon spreken en schrijven1 vrdat zij zich vereenigde tot volken4 ,doch nemen wij als grondslag voor de tegenwoordige periode sedert den oorsprong der menschheid honderdduizend jaren aan4 ,in dat geval heeft de tertiaire periode #dfj #jjj jaren1 de secundaire #b #cjj #jjj jaren1 de primaire periode #f #dbj #jjj jaren1 de azosche periode #aj #gbj #jjj jaren geduurd1 zooals blijkt uit de volgende tabel3 ,verhouding van de dichtheid der lagen en minimumduur der perioden3 ,dikte4 ,verhouding4 ,duur4 7#ajj #jjj jaren voor de quaternaire periode gerekend74 ,azosche periode4 #bc #jjj ,meters #ec1f #aj #gbj #jjj jaren4 ,primaire periode4 #ad #jjj ,meters #cb1a #f #dbj #jjj jaren4 ,secundaire periode4 #e #jjj ,meters #aa1e #b #cjj #jjj jaren4 ,tertiaire periode4 #a #jjj ,meters #b1c #dfj #jjj jaren4 ,quaternaire periode4 #bjj ,meters #j1e #ajb #jjj jaren4 #dc #bjj ,meters #ajj #bj #jjb #jjj jaren4 #h ,wij hebben als grondslag voor deze getallen de gegevens van ,haeckel omtrent de dikte der formaties genomen4 ,de cijfers1 door verschillende geologen gegeven1 wijken in enkele opzichten af1 maar het eindresultaat blijft ongeveer hetzelfde4 ,laat ons thans de azosche periode wat nader beschouwen en de sporen van planten en dieren onderzoeken1 die men daarin aantreft4 ,de azosche periode wordt in de aardkunde vertegenwoordigd door drie formaties1 die in de volgorde harer vorming op elkander liggen en de volgende betrekkelijke dikte hebben3 ,formaties4 ,dikte4 ,azosche periode laurentisch #i #jjj ,meters1 cambrisch #f #jjj ,meters1 silurisch #h #jjj ,meters4 ,in de laurentische formatie heeft men tot nu toe niets met volkomen zekerheid gevonden4 ,verscheidene geologen1 vooral ,dawson en ,carpenter1 meenden1 dat die lagen in ,canada bestonden uit organische overblijfselen2 men heeft aan die gesteenten den naam gegeven van ,eozon ,canadense 7organisme van den dageraad74 ,men meent diezelfde organismen ook gevonden te hebben in ,ierland1 ,zweden1 ,boheme en ,beieren4 ,hoewel nu het bestaan van die organismen niet volkomen zeker is1 zoo staat het toch vast1 dat de eerste organismen in die periode gevormd zijn4 ,wij mogen dus aannemen1 dat wij op den drempel staan van het gebouw des levens4 ,daar de geologische onderzoekingen zich nog nauwelijks uitstrekken over het duizendste deel van de oppervlakte der aarde1 zoo is het niet vreemd1 dat men zoo weinig fossielen gevonden heeft1 behoorende tot de eerste tijden van het leven op aarde2 daarenboven zijn die oorspronkelijke formaties zzeer verhit en zzeer gewijzigd door de inwendige warmte der aarde1 dat de groote meerderheid van de overblijfselen van levende wezens onder die omstandigheden verwoest zijn4 ,toch behoeft men niet te wanhopen1 dat er meer bewijsstukken voor den dag zullen komen1 naarmate de geologen hun onderzoek verder zullen uitstrekken1 en dat zij met zekerheid zullen aantoonen1 dat het leven begonnen is in de ,laurentische periode4 ,het is niet overbodig1 hierbij op te merken1 dat de eerste geleiachtige organismen nog niet genoeg vastheid bezaten1 om te versteenen2 hunne omzetting en bewaring zouden ten minste moeten plaats gegrepen hebben onder zeer moeilijk te verwezenlijken omstandigheden1 zoodat het niet vreemd is1 dat de bewijsstukken voor het bestaan van organische lichamen zeldzamer worden1 naarmate de lagen ouder zijn4 ,die laurentische laag vertegenwoordigt eene langdurige periode van bezinking op den bodem der wateren2 zij is immers negen kilometers dik4 ,de laagste schatting geeft voor die periode eenen duur van verscheidene millioenen jaren4 ,die rekening kan niet volkomen nauwkeurig zijn1 daar die bezinking sneller of langzamer plaats vindt naar gelang van den afstand tot de kusten1 van de diepte van het water en van de rijzingen en de dalingen van den bodem4 ,in de aardkunde is men lang niet op zulk een bekend terrein als in de sterrenkunde4 ,de eerste zekere sporen van organische wezens zijn in de cambrische lagen gevonden1 hoofdzakelijk in ,engeland en ,zweden4 ,het zijn afdruksels van zeer laag staande zeeplanten en zeedieren1 wieren1 ringwormen1 weekdieren1 sponsen1 polypen1 zeegels4 ,bij het aanschouwen van die eerste afdruksels aarzelt men te beslissen1 of het wieren of buizen van ringwormen zijn1 ja zelfs of het misschien strepen zijn van zuiver levenlooze voorwerpen1 door de golven voortbewogen langs den slibbigen bodem4 ,alles schijnt geheimzinnig1 en toch gevoelt men1 dat men die niet te ontcijferen teekens niet aan het toeval kan toeschrijven1 en dat men daar de sporen van de eerste planten en de eerste dieren vr zich heeft4 ,de raadselachtige wezens der oude zeen1 de bilobieten1 de gyrolithen1 de vexillen1 die men versteend in de oudste formaties1 voornamelijk in de silurische vindt1 en waarin enkele geologen en natuurkundigen slechts versteende sporen zien van voetstappen van dieren1 zijn naar de uitstekende onderzoekingen van den markies de ,saporta werkelijke organismen1 die wel zeer laag staan1 doch het karakter vertoonen van planten en de voorouders zijn der wieren4 ,men mag aannemen1 dat die eerste zeeplanten1 hetzij plat liggende1 hetzij schuin geplaatst tegen den bodem der zee1 op het slijk elkander kruisende hoopen vormden1 als het ware om elkander kruipende kolonin4 ,evenals men het meest vaatcryptogamen vindt onder de eerste planten op aarde2 evenals men de kraakbeenige visschen ziet optreden vr de andere2 evenals men kan nagaan1 dat de kruipende dieren de overige gewervelde dieren1 door longen ademend1 zijn voorafgegaan1 en de buideldieren de overige levend barende gewervelde dieren1 zoo moeten op den bodem der oude zeen de ncellige wieren als oudste plantenvormen zijn voorgekomen4 ,de wieren worden reeds spoedig z talrijk1 dat men somtijds de azosche periode het wierentijdperk noemt4 ,zijn het planten8 ,zij zijn nog weinig ontwikkeld4 ,enkele draden gaan uit van een centraal punt 7fig4 #fh74 ,zoodra verscheidene van die planten zich vereenigen1 vormt zich eene soort van weefsel1 eene soort van kleverig slijk1 dat half-doorschijnend is en onder den mikroskoop gezien zich verdeelt in eene menigte voor het bloote oog onzichtbare draden4 ,het zeegras1 dat de zee nog thans in groote hoeveelheid bevat1 is veel steviger4 ,nog altijd zijn het aaneengestrengelde1 wortellooze cellen1 maar die door hare opeenhooping in zee een z dicht weefsel vormen1 dat een schip somtijds moeite heeft er door heen te komen4 ,die eerste planten zijn bijzonder eenvoudig4 ,het zijn als het ware niets anders dan platte buizen1 zonder bladeren1 zonder bloemen en zonder vruchten4 ,zij leefden en ontwikkelden zich in het lauwe water der oorspronkelijke zeen4 ,er was nog geen vast land2 nauwelijks begonnen enkele eilanden te voorschijn te treden uit de wateren4 ,er waren toen noch seizoenen1 noch klimaten1 daar de aardschors nog warmer was dan de temperatuur1 die zij van de zon kon verkrijgen2 de levensvoorwaarden waren aan de pool dezelfde als aan den evenaar4 ,zelfs gaven de getijden1 die het sterkst waren in de richting van zon en maan1 aan de streken1 die wij thans de tropen noemen1 eene beweging1 die naar de polen afnam4 ,de poolstreken waren dus uit dat oogpunt meer bevoorrecht dan de keerkringen1 te meer waar diezelfde aantrekking van zon en maan1 die met meer kracht werkte op de vloeibare kern aan den evenaar dan aan de poolstreken1 de aardschors aan den evenaar minder vastheid gaf4 ,de eerste levende organismen moeten zich dus gevormd hebben in de rustige poolstreken1 die toen door eene reusachtige zon verlicht werden4 ,het is zelfs hoogst waarschijnlijk1 dat de zon zich gedurende de laurentische periode1 waarin het leven zijne intrede op aarde gedaan heeft1 nog niet ver binnen de loopbaan van ,venus verdicht had4 ,het is te verwachten1 dat men de eerste organismen1 hetzij planten1 hetzij dieren1 nog niet gevonden heeft1 en dat men die vinden zal in de nog niet onderzochte laurentische lagen4 ,de eerste dieren zijn eveneens zeedieren4 ,men heeft in de cambrische gesteenten ringwormen gevonden1 die evenzeer gelijken op voortbrengselen van het plantenrijk als van het dierenrijk3 het zijn niets anders dan gelede buizen1 die in het water drijven4 ,ook vindt men in grooten getale graptolithen1 eenvoudige polypen1 bestaande uit getande en samengerolde buizen1 monograpten1 rastriten1 phyllograpten4 ,het zijn eenvoudige protozon1 verzamelingen van aan elkander vastgehechte vakken4 ,zij zijn het begin der polypen1 en men verbaast er zich over1 dat het leven zoo vreemdsoortige vormen heeft kunnen aannemen4 ,dezelfde lagen bevatten ook kleine schelpen1 waaraan men den naam van lingulae gegeven heeft 7de eerste armpootige weekdieren7 en mosdieren1 opgesloten in cellen4 ,reeds hebben de cambrische lagen een vijftigtal soorten van planten en dieren opgeleverd1 waaronder in de eerste plaats voorkomen ncellige wieren1 ringwormen1 armpootigen1 sponsen en polypen4 ,in de silurische lagen vormen de graptolithen en trilobieten de meerderheid4 ,eene menigte nieuwe wezens treedt immers op en verspreidt zich wijd en zijd3 het zijn schaaldieren1 bekend onder den naam van trilobieten1 en die reeds sedert langen tijd zijn uitgestorven3 zij zijn verdwenen in de steenkoolperiode1 millioenen jaren geleden4 ,de trilobieten kwamen in menigte voor in de oorspronkelijke zeen1 en men vindt ze gemakkelijk1 indien men er eenige uren naar zoekt op klippen of in bergtunnels in de terreinen1 die ze bevatten4 ,zij zijn zeer verspreid in ,maine-et-,loire1 en in de silurische lagen van de mijngroeven van ,trlaz bij ,angers4 ,uit dezen tijd dagteekent ook de koraalpolyp1 die zulk eene belangrijke rol gespeeld heeft bij de vorming der aarde1 en wier eeuwenoude kolonin groote eilanden hebben gevormd4 ,onder de plantdieren vindt men de peervormige hemicosmiten1 stekelhuidigen1 zeekomkommers 7holothurin74 ,nauwelijks verdienen die wezens den naam van dieren4 ,verscheidene hebben nog geen kop en kunnen zich niet bewegen1 evenals de oesters1 wier voorvaderen men daaronder vindt2 andere hebben eene soort van kop en een begin van een spijsverteringskanaal2 maar het voedsel wordt door dezelfde opening ingebracht en verwijderd1 evenals bij de stekelhuidigen2 nog andere1 zooals de wormen1 hebben een begin van bewerktuiging1 hoewel de meeste zintuigen nog afwezig zijn en zij zich alleen kruipend kunnen voortbewegen1 door hunne ringen beurtelings in te trekken en uit te rekken4 ,deze azosche periode heeft1 zooals wij zagen1 millioenen jaren geduurd4 ,gedurende dien langen tijd vertoonden de eerste diersoorten1 hoe laag zij ook stonden1 reeds sporen van vooruitgang4 ,wel is er nog geen enkel gewerveld dier en bestonden er zelfs nog geene insecten1 visschen1 kruipende dieren1 vogels of zoogdieren4 ,maar onder de ongewervelde dieren is er vooruitgang4 ,wij hebben niet meer alleen het oorspronkelijke protoplasma en de platen gelei1 die in het water drijven1 en de eenvoudige cellengroepen1 de wieren en de ringwormen4 ,de trilobieten hebben reeds eenen kop1 eenen staart en waarschijnlijk pooten1 de laatste echter tenger en dun1 want zij zijn niet versteend2 op den kop vindt men de sporen van oogen4 ,het zijn de eerste oogen1 die op onze aarde bestaan hebben1 nog niet ontwikkeld en nauwelijks waard dien naam te dragen1 maar reeds vinden wij oogzenuw en netvlies4 ,die oorspronkelijke arthropoden1 7gelede dieren7 veel lager staande dan onze krabben en kreeften1 nemen de voornaamste plaats in onder de zeedieren der silurische periode2 het aantal soorten en families neemt eerst verbazend toe1 doch plotseling verdwijnen zij tijdens de steenkoolperiode1 en thans worden zij nauwelijks vertegenwoordigd door den limulus4 ,men heeft nog twee andere schaaldieren gevonden1 die betrekkelijk even hoog staan op den trap der ontwikkeling1 den pterygotus bilobus1 en den eurypterus remipes2 ook deze hadden eenen kop1 waarin oogen aanwezig waren1 en misschien waren zij de eerste zoetwaterdieren4 ,het zoetwater1 uit den regen ontstaan1 ontstond tegelijk met de bergen1 de bronnen en de eerste rivieren4 ,in de silurische periode werden de schaaldieren nog door andere soorten vertegenwoordigd4 ,behalve alle soorten van trilobieten vond men de dalmaniten1 den trinucleus enz42 behalve den pterygotus en den eurypterus1 zou men nog den peltocaris1 den ceratiocaris1 de aristozo1 de beyrichia e4a4 kunnen noemen4 ,maar wij schrijven geen leerboek over paleontologie en mogen dus de hoofdtrekken van de geschiedenis der aarde niet vergeten1 door in de bijzonderheden te verdwalen4 ,toch moeten wij nog opmerken1 dat in het tweede gedeelte dezer periode de koppootigen eene verbazende uitbreiding verkrijgen3 men vindt meer dan #afjj soorten dier dieren1 waaronder de ,nautiliden belangrijk zijn4 ,enkele dezer 7o4a4 orthoceras7 zijn tot twee meters lang4 ,de vinpootigen1 7pteropoda7 buikpootigen en armpootigen zijn zeer talrijk1 wij geven in nevensgaande teekening enkele typen 7fig4 #gh74 ,ook vindt men polypen1 sponsen en medusen4 ,de stekelhuidigen worden vertegenwoordigd door de crinoden1 7zeelelin7 merkwaardige wezens1 waarvan de meeste door eenen buigzamen1 rechten steel aan den grond verbonden zijn4 ,die steel bestaat uit een groot aantal op elkander gestapelde schijven en hoewel oorspronkelijk kort1 heeft hij tijdens de juraperiode eene groote ontwikkeling verkregen4 ,fig4 #gi geeft twee merkwaardige typen1 den ichthyocrinus uit de silurische periode en den apiocrinus uit de juraperiode4 ,de versteende zeelelin alleen vormen somtijds reeds uitgebreide steenlagen2 in de oorspronkelijke zeen waren zij buitengewoon talrijk en bekleedden zij den bodem der zee met prachtige levende weilanden4 ,bijna alle zeelelin uit dien tijd waren aan den bodem vastgehecht3 een lange1 buigzame1 gelede steel droeg eenen bundel eveneens gelede aanhangsels1 die dikwijls nog tot in het oneindige vertakt waren en die zich boven den steel uitspreidden als de bladeren van enkele palmen1 of die tegen elkander sloten en ineengerold waren als de bloembladeren van eene slapende bloem4 ,enkele zeelelin waren meer dan een meter lang2 de steel van sommige ,pentacrinen was meer dan vijftig voet lang4 ,de geschiedenis der zeelelin begint tegelijk met de geschiedenis der aarde4 ,de eerste rudimentaire vormen zijn verwant met die1 waaruit de holothurin1 de encriniden en de zeesterren ontstaan zijn4 ,nadat zij gedurende de secundaire periode een tijdperk van buitengewonen bloei gehad hadden1 zijn de zeelelin in de volgende perioden langzaam achteruitgegaan2 toch vindt men thans nog enkele soorten1 zooals de comatuliden1 de pentacriniden1 de bathycriniden e4a4 ,de zeelelin leven op groote diepten3 de ,pentacrinus ,caput ,medusae op #djj tot #ejj ,meters onder den waterspiegel1 de ,rhyzocrinus ,lafotensis op #afj tot #aejj ,meters1 de ,bathycrinus gracilis op #djjj ,meters4 ,op die diepten1 waar de storm niet meer woedt1 waar de veranderingen in temperatuur niet meer gevoeld worden1 waar de zon nauwelijks hare stralen werpen kan1 waar alleen phosphoresceerende wezens eenen flauwen lichtschijn verspreiden1 is het leven niet meer onderworpen aan de zoo veranderlijke omstandigheden1 die daarop aan de oppervlakte van invloed zijn4 ,het is dan ook in de diepte der wateren1 dat de wezens zijn blijven voortleven onder die omstandigheden1 waaronder zij oorspronkelijk optraden4 ,de moeilijkheid om de bewoners dier donkere afgronden te bereiken heeft ze langen tijd aan onze nasporing onttrokken1 doch thans weet men1 dank zij vooral de onderzoekingen van ,agassiz en zijne leerlingen1 dat zij zeer talrijk zijn1 en dat de pentacriniden den bodem der zee bedekken met eene nieuwe soort van leven4 ,zij zijn in de millioenen jaren van hun bestaan weinig veranderd1 omdat de voorwaarden van het leven op die diepte weinig gewijzigd zijn4 ,alleen die wezens1 die in de nabijheid der kusten of de oppervlakte langzamerhand zijn gaan leven in eene andere middenstof1 en van waterdieren landdieren geworden zijn1 kunnen zich wijzigen4 ,konden zij zich niet in de gewijzigde levensvoorwaarden schikken1 dan zijn zij verdwenen4 ,gelijktijdig met de stekelhuidigen komen in de silurische periode de weekdieren en de schaaldieren in grooten getale voor4 ,de trilobieten en de nautiliden met eenen reeds gevormden en tamelijk volkomen kop hebben de overhand4 ,de vooruitgang neemt steeds toe4 ,de eerste visschen verschijnen in het water op het einde dier periode1 bij den overgang tot de devonische periode1 en op de uit de zee verrezen eilanden1 die reeds met planten1 voornamelijk met wolfsklauwen bedekt zijn1 zullen gelijktijdig de eerste dieren1 in de lucht ademend1 verschijnen1 in de gedaante van schorpioenen4 ,door opheffingen van de aardschors zijn de cambrische en silurische lagen op verschillende punten van ,europa bloot geraakt en daardoor het voorwerp geworden van belangrijke onderzoekingen4 ,in ,engeland is de cambrische laag meer dan #fjjj ,meters dik en de silurische #hjjj ,meters4 ,in ,zweden daarentegen is de silurische laag slechts #fjj ,meters dik4 ,in ,bohemen daarentegen is zij gelegen tusschen eruptiefgesteenten4 ,opmerkelijk is het1 dat dezelfde levende wezens1 thans versteend1 gelijktijdig verschenen zijn in alle silurische formaties4 ,dezelfde soorten worden gevonden in ,zweden1 ,engeland1 ,boheme1 de ,vereenigde ,staten1 de ,kaap de ,goede ,hoop en in ,barrowstraat en ,melville-eiland op #gf noorderbreedte2 enkele soorten1 zooals graptolithus ,murchisonii e4a4 komen voor op plaatsen1 die aan verschillende uiteinden van de middellijn der aarde gelegen zijn4 ,overal heerschte dezelfde temperatuur4 ,zelden zijn de silurische lagen horizontaal4 ,zij hebben alle rijzingen en dalingen medegemaakt1 die in de aardschors sedert dien tijd hebben plaats gevonden2 men heeft hare fossielen in de ,andes in ,amerika gevonden op #ejjj ,meters hoogte4 ,gedurende die langdurige azosche periode strekken de zeen zich bijna over de geheele aarde uit4 ,bijna geheel ,europa b4v4 van ,spanje tot aan het ,ural-gebergte lag onder water4 ,een deel van ,bretagne stak boven water uit1 zoo ook ,auvergne1 de ,alpen1 de ,jura en enkele eilanden in de ,pyrenen2 maar de plaatsen1 waar ,parijs1 ,rouaan1 ,havre1 ,orleans1 ,bordeaux1 ,marseille1 ,nizza1 ,turin1 ,genve1 ,brussel gelegen zijn1 lagen toen nog onder de golven der silurische zee4 ,brest1 ,nantes1 ,autun waren reeds uit de wateren te voorschijn getreden4 ,i,jsland1 gevormd uit eruptiefgesteenten der azosche periode1 ,lapland1 ,finland1 een deel van ,zweden en ,noorwegen1 een deel van ,schotland en ,ierland1 van ,spanje1 ,zwitserland1 ,corsica1 ,sardini1 ,boheme1 ,turkije1 staken boven de zee uit2 maar ,londen1 ,amsterdam1 ,parijs1 ,madrid1 ,petersburg lagen op den bodem van den ,oceaan1 en daarboven bewogen zich in de wateren onze plantaardige en dierlijke voorouders der silurische periode1 die het vruchtbare werk van het toekomstige leven voorbereidden4 ,hoe welsprekend is dit schouwpel voor hem1 die het kan bevatten6 ,op den eersten oogopslag doet het ons den betrekkelijken ouderdom der bergen kennen4 ,de ,alpen zijn ouder dan de ,pyrenen4 ,toen de ,mont-,blanc1 de ,sint-,gothard1 de ,jungfrau reeds hunne kruinen boven de wolken verhieven1 rustten de ,pyrenen nog op den bodem van het water2 zij zijn de dochters der secundaire periode en millioenen jaren jonger dan de ,alpen4 ,toen verhieven zich slechts enkele toppen der ,pyrenen als kleine eilanden1 boven de golven2 maar het water stroomde vrij door den archipel1 en ,spanje was nog evenmin scherp begrensd als ,frankrijk4 ,de ,middellandsche zee bestond evenmin als de ,caspische1 de ,zwarte zee1 de ,baltische zee of het ,kanaal3 ne enkele wereldzee strekte zich over den aardbol uit4 ,de ,alpen waren waarschijnlijk veel hooger dan nu2 zij schijnen ten minste weder gezakt te zijn1 en zelfs verscheidene malen te zijn gestegen en gedaald4 ,in die zeen heerschten de phalangieten 7bastaardspinnen7 en tallooze trilobieten4 ,gewapend met zijn drielobbig schild1 was dit het eerste schaaldier1 dat zich vrij durfde bewegen1 andere plaatsen durfde opzoeken en nieuwe kusten tot woonplaats durfde te kiezen4 ,het was ook het eerste dier1 dat oogen had1 geschikt om te zien4 ,vr dien tijd werd ieder wezen blind geboren en bleef het blind1 alsof de vormelooze natuur zich schaamde voor hare omgeving4 ,tot nu toe konden de dieren alleen licht en duisternis1 dag en nacht onderscheiden1 zij konden de plaats1 die zij innamen1 alleen voelen en niet zien4 ,doch nu treedt de trilobiet op2 hij heeft een werkelijk gezichtsorgaan1 niet langer in rudimentairen toestand4 ,en wat zag dat eerste oog1 met bulten overdekt8 ,kleine drijvende weekdieren1 nog geen visschen1 of kruipende of gewervelde dieren1 maar tallooze plantdieren1 koralen1 zeelelin1 zeesterren4 ,om zijne vijanden te ontkomen1 rolde hij zich tot eenen bal samen en liet hij zich door den ,oceaan medevoeren4 ,hij zal lang genoeg leven1 om eindelijk het bijna volkomen gevormde oog der koppootige weekdieren te aanschouwen2 het geheele gezichtsorgaan heeft zich ontwikkeld en geleidelijk volmaakt1 van de gekleurde stip der zontharin tot aan de groote oogen der ammonieten en belemnieten4 ,de levende natuur is niet langer blind4 ,de trilobiet1 de voorvader der schaaldieren1 was ook een der eerste wezens1 die van de zich ontwikkelende aarde verdwenen4 ,zijn schild met drie lobben heeft hem niet kunnen beschermen tegen den tand des tijds2 hij verkondigt de veranderlijkheid der vormen1 die zich evenals de aarde voortdurend wijzigen2 hij verkondigt1 hoe niet alleen individuen1 maar ook soorten en geslachten sterven4 ,geen schepsel heeft zich nog buiten de lauwe wateren gewaagd2 hier en daar werpen de stormen eene ontwortelde wier1 eene tweekleppige schelp op de kust1 doch deze worden weder door de golven medegevoerd en aan den ,oceaan teruggegeven4 ,geen wezen heeft nog gepoogd op het vaste land te leven2 geen enkele getuige heeft nog het hoofd boven de zee durven uitsteken en het heelal durven aanschouwen3 alleen de wateren zijn bewoond4 ,verheffend denkbeeld6 ,de menschen1 die ons zijn voorgegaan1 kenden slechts de bewerktuigde wezens van hunnen tijd1 zonder te vermoeden1 dat er ooit andere bestaan hebben4 ,hun horizon beperkte zich tot de tegenwoordige natuur4 ,zij vermoedden niet1 dat er eene zichtbare1 versteende eeuwigheid achter hen lag4 ,of indien zij vermoedden1 dat ooit andere vormen op de aarde bestaan hadden1 waren het voor hen chimaeren1 centauren en dergelijke monsters1 door de verbeelding gewrocht4 ,de sterrenkunde deed ons de ruimte1 de aardkunde1 den tijd kennen4 ,doch zie6 ,daar leeren wij een nieuw heelal kennen4 ,voor ons opent zich een onmetelijk verleden1 bewoond met schepselen1 waarvan wij geen denkbeeld hadden4 ,de visioenen der dichters en profeten zijn door de werkelijkheid overtroffen4 ,zij nemen voor ons een' vorm aan en heeten pterodactylen 7vleugelvingerigen71 plesiosauren1 dinotheriums enz4 ,welk eenen invloed1 zegt ,edgard ,quinet1 moeten dergelijke veranderingen in onze beschouwingen1 een zoodanige rijkdom1 bij den reeds aanwezigen rijkdom gevoegd1 de gift van eene geheel nieuwe natuur1 in den dood bewaard1 uitgeoefend hebben op onze voorstellingen van leven en dood1 van het heden en de toekomst1 van onze plaats aan de spits der bewerktuigde schepselen6 ,indien de kruipende dieren in het secundaire tijdperk hadden kunnen spreken1 dan zouden zij gezegd hebben3 ,wij zijn de koningen der schepping4 ,geen wezen staat boven ons1 niemand dan wij is in staat te kruipen4 ,tevergeefs tracht een troep lagere wezens1 straaldieren1 weekdieren1 visschen zich met ons te meten4 ,het kruipende dier is het uitverkoren schepsel1 de goddelijke vorm2 met hem eindigt de wereld haren vooruitgang en hij is de kroon der schepping4 ,indien de groote zoogdieren van het tertraire tijdperk hunne stem hadden doen hooren1 dan zouden zij gezegd hebben3 ,het heelal heeft eenen stap voorwaarts gedaan1 wij staan op de hoogste trede der ontwikkeling4 ,hoe is het mogelijk1 dat de kruipende dieren ooit hebben kunnen gelooven1 dat met hen de wereld voltooid was4 ,zij zijn in staat op den buik voor te gaan2 maar wij hebben het hoofd opgeheven4 ,wij zijn de wettige heerschers1 hoe kunnen er nog hooger bewerktuigde wezens bestaan8 ,al die overgangsvormen1 die zich oefenden tot het leven1 ontwikkelden zich geleidelijk tot onze gedaante4 ,maar wij hebben het eindpunt bereikt1 zonder vrees1 dat ooit eenig ander wezen ons van onzen troon verjaagt2 wij kunnen van eeuw tot eeuw rustig de aarde afweiden en ons onderling verscheuren4 ,doch zie6 ,daar begint het quaternaire tijdstip2 de mensch verschijnt en zegt3 ,tot nu toe heeft iedereen zich vergist1 wij alleen niet4 ,de kruipende dieren geloofden aan de goddelijke heerschappij der kruipende dieren1 de zoogdieren aan die der zoogdieren4 ,dwaling1 vermetelheid van het lagere volk der schepping4 ,ik alleen ben de wettige heerscher4 ,om voor mij plaats te maken1 zijn al die koningen van nen dag ter aarde gestort1 van de trilobieten en de koninklijke ammonieten tot de groote gewervelde dieren4 ,ik alleen ben de heerscher1 in wien het leven zijnen volmaaktsten vorm heeft verkregen2 of juister gezegd1 er is geene enkele schakel tusschen de vroegere vormen en den mijnen4 ,het heelal is voltooid1 de tijden zijn vervuld4 ,in mij heeft ,god zich uitgeput1 ik ben de laatste zoon van zijnen ouderdom4 ,dat gezichtspunt is dagelijks moeilijker vol te houden2 zoo talrijke organische dynastin moeten den mensch eindelijk overtuigen1 dat hij zelf eene soort van ne dag is1 en dat het oogenblik komen zal1 waarop ook hij zal worden onttroond4 ,wanneer ik dien langzamen vooruitgang zie1 van den trilobiet1 den eersten verbaasden getuige van de wordende wereld tot aan het menschengeslacht1 dan is het mij onmogelijk1 te gelooven1 dat de opklimming bij mij eindigt en dat die oneindige arbeid zich niet verder uitstrekt dan tot den horizon1 dien ik overzie4 ,dan kan ik mij niet langer tevreden stellen met wat ik ben4 ,dan verlang ook ik vleugelen en schep ik mij in mijne verbeelding toekomstige1 nu nog onbekende rijen van vormen en wezens1 die mij in kracht en in licht evenveel zullen overtreffen1 als ik uitmunt boven het eerste wezen1 in de oude wereldzee geschapen4 ,dan kan ik mij dat wonder van hoogmoed en nederigheid verklaren1 mensch genoemd2 hoogmoedig tegenover de vroegere wezens1 die langzaam tot hem opklimmen2 maar nederig tegenover de hoogere wezens1 waarvan hij de kiem in zich omdraagt en waarvan hij de hoogere aspiraties in zich voelt4 #i ,langzaam en regelmatig groeit en ontwikkelt zich de boom des levens4 ,de ontwikkeling van het plantenrijk loopt evenwijdig met die van het dierenrijk4 ,de oudste planten zijn de laagste zeeplanten1 evenals de oudste dieren zeedieren waren4 ,opmerkelijk is het1 dat planten- en dierenrijk ontwikkeld zijn in de volgorde1 door de physiologie aangegeven3 dit is een belangrijk en tevens onwederlegbaar feit4 ,indien de gesteenten1 in de laurentische1 cambrische en silurische lagen bewaard gebleven1 ons hoogere planten1 boomen1 bloemen of vruchten hadden leeren kennen1 aan de onze gelijk1 dan had men grond gehad1 de beginselen in dit boek neergelegd te bestrijden4 ,maar beide rijken hebben nauwkeurig den weg gevolgd1 dien onze lezers bij deze onderzoekingen hebben leeren kennen4 ,de eenvoudigste planten1 de cryptogamen1 zijn de oudste2 men vindt deze alleen in de geologische lagen der azosche periode2 de meer volkomen planten1 de phanerogamen zijn eerst veel later ten tooneele verschenen4 ,de cryptogamen zijn in de geschiedenis der planeet evenals in de plantenphysiologie1 de oorsprong en het uitgangspunt van alle planten4 ,aan den oorsprong van alle planten ontmoeten wij het vormelooze protoplasma1 dat echter reeds de kenmerken van het leven bezit4 ,het is dezelfde stof1 waaruit ook de eerste dieren bestaan1 en in de meest volmaakte plant vindt men nog de herinnering aan dien toestand terug4 ,binnen de plantencellen trekt het protoplasma zich samen en ademt het1 zooals de dierlijke stof4 ,de vleeschetende planten herinneren ons aan dien toestand1 evenzeer als het kruidje-roer-mij-niet1 dat den invloed van verdoovende middelen ondervindt4 ,de eerste planten1 de ncellige wieren1 de paddestoelen1 de korstmossen1 zijn slechts opeenhoopingen van protoplasmacellen4 ,terecht heeft men aan de azosche periode den naam van de periode der wieren gegeven1 want spoedig hebben zij zich in de oorspronkelijke zeen verspreid1 en het zijn ook de eerste planten1 die zich aan de kusten een weinig gewijzigd hebben1 om zonder veel water te kunnen leven of zelfs in vochtige lucht4 ,die wieren1 welke op den bodem van het water gebleven zijn1 onder ongewijzigde omstandigheden1 behoefden zich niet te vervormen1 en zooals zij dan ook voor millioenen jaren bestonden1 zoo vinden wij ze nog heden terug4 ,die eerste planten 7protophyten7 vertoonen echter op het einde der silurische periode eene groote verscheidenheid van vormen en afmetingen4 ,bij de vroeger genoemde soorten kan men nog voegen de crossochorda1 in de lagere silurische lagen van ,schotland en ,bagnols 7dpartement de l',orne7 gevonden1 die uit niets anders bestaat dan uit dooreengestrengelde buizen2 de arthrophycus1 op alle diepten der silurische formatie1 de eophyton en vooral de belangrijke groep der ,chondriten1 die beginnende in de silurische periode1 in het midden der tertiaire periode verdwenen zijn4 ,de hoogere wieren1 fucoden1 floriden enz4 zijn eerst veel later verschenen4 ,wij zullen thans niet verder in bijzonderheden afdalen4 ,ons doel was alleen aan te toonen1 dat het planten- en dierenrijk begonnen is met de laagste zeeorganismen4 ,de planten in de lucht zijn ontstaan uit de waterplanten4 ,verschillende wiersoorten hebben het water verlaten om bezit te nemen van den grond1 die boven het water uitstak2 eerst hebben zij zich gelegerd op vochtige en dikwijls overstroomde plaatsen1 doch later hebben zij zich stap voor stap verspreid met die wijzigingen1 die de levensvoorwaarden medebrachten4 ,onder den invloed van de nieuwe omgeving gaven de celweefsels1 die oorspronkelijk gelijkslachtig waren1 het aanzijn aan nieuwe bedekkingen4 ,bij gewijzigde voeding werden ook de planten voor dat doel gewijzigd4 ,zoo ontstonden eensdeels de blad- en levermossen1 anderdeels de varens1 de paardestaarten en andere4 ,de eerste planten waren sporeplanten 7cryptogamen72 de phanerogamen 7zaadplanten7 stammen daarvan af4 ,de eerste op het land groeiende planten komen evenals de eerste in de lucht ademende dieren eerst voor op het einde van het silurische tijdperk4 ,in het leisteen van ,angers heeft men eenen schoonen afdruk van eene varen gevonden4 ,men vindt ook in de silurische lagen van ,cincinnati wolfsklauwen en sigillaria's4 ,dit zijn de oudste planten1 buiten het water levende en dagteekenend uit de silurische periode4 ,de reeds zoo ingewikkelde bouw der plant bij haar eerste verschijnen op de oppervlakte van den bodem1 doet ons vermoeden1 dat er eene ons onbekende periode moet geweest zijn1 waarin op het vasteland eenvoudiger planten bestaan hebben dan varens4 ,toen de regens als het ware voortdurend op de aarde nedervielen en het water der zee door zijne hooge temperatuur steeds verdampte1 moesten planten van zeer lage ontwikkeling den grond bedekken4 ,die planten leefden ongetwijfeld op de wijze der wieren1 die als het ware gedompeld blijven in een onafgebroken bad4 ,eerst na eene reeks van eeuwen kunnen zij de vormen verkregen hebben1 door de oudste afdruksels geopenbaard4 ,in den tijd waarin zich de lei-1 de kwarts- en de kalkrotsen der laurentische1 cambrische en silurische periode vormden1 is de lucht gezuiverd1 vielen de regens in plaats van voortdurend1 met tusschenpoozen1 en vormde de dampkring1 nevelachtig en warm blijvend1 eene tweede zee1 over den ,oceaan hangend4 ,toen verkreeg de plantengroei op aarde nieuwe vormen en organen1 passend voor de gewijzigde omstandigheden4 ,voor het eerst verkregen de planten bladeren1 schoten zij wortels uit1 en kregen de weefsels verschillenden bouw en verwierven zij grootere schoonheid en symmetrie4 ,het water is eene middelstof1 uiterst geschikt voor de meeste lagere organismen4 ,geheele afdeelingen van planten en dieren1 zooals wieren1 plantdieren1 de meeste weekdieren en alle visschen leven in het water1 dat zij niet straffeloos kunnen verlaten4 ,niet alleen dient het water tot voertuig voor de gassen1 door die schepselen ingeademd1 maar het doordringt ze ook2 het waterdragend deel der weekdieren bevat een geheel stelsel van openingen en kanalen4 ,dit is zelfs n der duidelijkste karaktertrekken1 waaruit hunne betrekkelijk lage ontwikkeling blijkt4 ,zoowel de wieren als de weeke dieren drogen uit1 zoodra zij uit het water komen en verliezen dan door verdamping het vocht1 dat voor het behoud van hun leven noodig is4 ,een zeer vochtige dampkring echter kan de rol van eene vloeibare middenstof vervullen4 ,zoo kunnen blad- en korstmossen1 al zijn het landplanten1 alleen onder den invloed van water groeien4 ,zoolang de lucht droog blijft1 schijnt het leven uitgedoofd1 totdat de vochtigheid het leven weder opwekt4 ,de vochtige lucht is dan ook de weg geweest1 waarlangs het leven zijne voortbrengselen van het water naar de oppervlakte der aarde heeft overgebracht4 ,de varens1 de oudste der bekende landplanten1 tieren het weligst in vochtige lucht4 ,het door longen ademende weekdier1 bij hetwelk de kieuwen vervangen zijn door luchtzakken1 en dat buiten het water ademt1 is eerst na tal van voorzorgen er toe kunnen komen1 om op het land voort te kruipen4 ,het zou zich1 met eene bloote en weeke huid1 niet over den grond kunnen voortbewegen1 zonder het slijm te verliezen1 dat uit zijn lichaam druipt en zijnen gang vergemakkelijkt4 ,het bewoont daarom donkere en vochtige plaatsen1 die het alleen des nachts of op regendagen verlaat1 terwijl voor diegenen welke eene schelp bezitten1 het gevaar om zich aan de lucht bloot te stellen1 z groot is1 dat zij zich hermetisch insluiten1 f door het afscheiden van een slijmerig vocht1 f door van een deksel gebruik te maken4 ,teruggetrokken in eene nauwe1 doch zekere schuilplaats1 blijven weekdieren somtijds maanden lang slapend1 totdat zij door de vochtigheid ontwaken2 men heeft zelfs somtijds dieren uit eene schelpenverzameling na jaren uit hunne rust zien ontwaken onder den invloed van een bad4 ,terwijl echter de planten en dieren1 vroeger in het water levend1 begonnen zijn voor het land geschikt te worden door het water te zoeken in den bodem en de lucht1 duurde het nog langen tijd1 en moest de natuur meer ingewikkelde plannen scheppen1 eer zij voor goed voor het land geschikt waren4 ,bij de werveldieren moesten daartoe de organen voor het ademen door longen gevormd worden1 bij de planten een aantal organen1 die bij de lagere planten f niet bestaan1 f niet ontwikkeld zijn1 zooals de wortels1 die dienen1 om de sappen op te zuigen en de bladeren1 die dienen voor de ademhaling4 ,tot voor eenige jaren twijfelde men nog aan het bestaan van dieren1 die in de lucht ademen1 uit het silurische tijdvak4 ,in #ahhd werd echter in de bovenste silurische lagen van ,gothland 7,zweden7 een versteende schorpioen gevonden4 ,opmerkelijk is het1 dat tegelijkertijd de ware aard van eenen anderen schorpioen ontdekt werd1 in #ahhc in de bovenste silurische lagen van ,schotland gevonden4 ,deze beide exemplaren van dieren1 die thans alleen leven in de warme landen1 zijn gevonden op de hooge breedte van ,schotland en ,zweden1 een bewijs te meer1 dat er toen nog geene klimaten bestonden4 ,zoo vertoont zich dan het ncellige wezen aan den drempel der geheele schepping2 naarmate de eeuwen bij tienduizenden voorbijgaan1 verdeelen zich de wezens in soorten1 die zich weder splitsen en vertakken2 al meer en meer wijken zij van elkander af2 hunne levensverrichtingen worden met hunne organen ingewikkelder2 hunne vermogens beperken zich tot bepaalde deelen2 hunne instincten komen voor den dag2 het laatst treedt het verstand op4 ,en z nadert het indrukwekkende drama zijne ontknooping1 waarbij de mensen optreedt1 de kroon der schepping1 volkomen bewust van de hem toebedeelde rol4 ,,derde ,,boek4 ,het primaire tijdperk4 ,,eerste ,,hoofdstuk4 ,de tijdperken in de schepping4 ,de formaties4 ,hare verdeeling4 ,in een ,arabisch handschrift uit de #ac;de eeuw legt de schrijver een denkbeeldig persoon de volgende aardige legende in den mond3 ,toen ik mij eens in eene oude en bevolkte stad bevond1 vroeg ik nen der inwoners1 hoe lang geleden die stad gesticht was4 ,hij antwoordde3 wij weten niet1 sedert wanneer deze groote stad bestaat1 en onze voorouders wisten het evenmin4 ,vijf eeuwen later kwam ik weer op dezelfde plaats en kon ik geen spoor der stad meer ontdekken4 ,ik vroeg eenen boer1 die op de plaats waar de stad gestaan had1 aan het maaien was1 hoe lang geleden de stad verwoest was4 ,dit is1 antwoordde hij1 eene vreemde vraag4 ,deze plek is nooit iets anders geweest1 dan zij nu is4--,maar stond er dan oudtijds niet eene prachtige stad8--,nooit1 was zijn antwoord1 voor zooverre wij er tenminste over kunnen oordeelen1 en onze vaderen hebben ons nooit over het bestaan dier stad gesproken4 ,weer vijfhonderd jaren later vond ik op dezelfde plek de zee4 ,aan de kust stond een troep visschers1 die ik vroeg1 sedert hoelang het land overstroomd was4 ,hoe kunt gij ons dat vragen1 zeiden zij4 ,die plek was altijd1 wat zij nog thans is4 ,nog eens vijfhonderd jaren later was bij mijne terugkomst de zee verdwenen2 ik vroeg iemand1 dien ik alleen op die plek vond1 sedert wanneer de verandering had plaats gegrepen1 en hij gaf mij hetzelfde antwoord als te voren4 ,eindelijk1 na eene even groote tijdsruimte1 kwam ik er voor het laatst1 en ik vond er eene bloeiende stad1 meer bevolkt en rijker in monumenten1 dan de eerste1 en toen ik naar haren oorsprong vroeg1 antwoordden mij de inwoners3 de tijd harer stichting verliest zich in de grijze oudheid2 wij weten niet1 hoelang zij bestaat1 en onze vaderen wisten er evenmin iets van af4 ,ziedaar inderdaad het beeld van den korten duur van 's menschen herinnering1 en van de beperktheid van onzen gezichtskring in tijd en in ruimte4 ,wij zijn geneigd te gelooven1 dat de aarde altijd geweest is wat zij nu is2 slechts met moeite kunnen wij ons de veranderingen voorstellen1 die zij in de millioenen en millioenen jaren1 die het optreden van den mensch zijn voorafgegaan1 heeft ondergaan2 de lange duur van dien tijd verplettert ons1 zooals de uitgestrektheid der ruimte ons in de sterrenkunde verplettert4 ,in het tijdperk1 waartoe wij thans genaderd zijn in onze geschiedenis der aarde1 was het leven reeds zeer verspreid in de wateren1 die nog bijna de geheele aarde bedekten4 ,zij bestaat hoofdzakelijk uit laag ontwikkelde planten1 uit weekdieren en schaaldieren4 ,doch zij ontwikkelt zich4 ,de soorten1 die in dezelfde levensomstandigheden blijven1 zooals op den bodem der zee1 blijven onveranderd voortbestaan1 een groot aantal leeft nog in onzen tijd4 ,de soorten1 die zich aan de kusten of op het vasteland bevonden1 ondergaan wijzigingen in voeding1 temperatuur1 licht1 ademhaling enz41 zij zullen zich schikken naar die gewijzigde omstandigheden door te veranderen1 of zullen bezwijken1 als de verandering te groot of te plotseling plaats heeft4 ,enkele geologen noemen het tijdperk1 dat wij thans gaan bespreken1 overgangstijdperk2 doch ten onrechte3 iedere periode is eene overgangsperiode4 ,wij zullen dus de geologische benaming behouden1 die men er aan gegeven heeft1 en zullen dus de periode1 die begint onmiddellijk na de silurische periode1 het primaire of devonische tijdperk noemen1 omdat men voor het eerst die terreinen nauwkeurig bestudeerd heeft in ,devonshire 7#ahcg74 ,de formatie zelf wordt ook wel bonte zandsteenformatie genoemd4 ,maar het is van belang1 dat wij ons uit een geologisch standpunt rekenschap geven van die opvolging in geologische formaties4 ,tot nu toe hebben wij voornamelijk de geboorte en de ontwikkeling van het leven bestudeerd en hebben wij de wezens zien ontstaan1 die de eerste trede vormden1 welke leidde tot het toppunt der schepping1 den mensch4 ,het is thans van belang na te gaan1 hoe de lagen zich op elkander hebben gerangschikt1 en den gang te volgen der natuur bij het afzetten van al die lagen1 waarin men de sporen van verdwenen wezens heeft gevonden4 ,laten wij dus eerst eene tabel samenstellen van de opvolging dier formaties en tijdperken1 te beginnen met de oudste1 dat zijn die1 welke wij reeds in het vorige hoofdstuk besproken hebben4 ,tabel der groote perioden van de organische geschiedenis der ,aarde4 ,i4 ,azosche periode4 ,periode der koplooze dieren en der wieren4 #a ,oudste azosche periode of ,laurentische periode4 #b ,middelste azosche periode of ,cambrische periode4 #c ,jongste azosche periode of ,silurische periode4 ,,ii4 ,primaire periode4 ,periode der ,visschen en ,varens4 #d ,oudste primaire periode of ,devonische periode4 #e ,middelste primaire periode of ,steenkool periode4 #f ,jongste primaire periode of ,permische periode4 ,,iii4 ,secundaire periode4 ,periode der kruipende dieren en der boomen met overblijvende bladeren4 #g ,oudste secundaire periode of ,trias periode4 #h ,middelste secundaire periode of ,jura periode4 #i ,jongste secundaire periode of ,krijt periode4 ,,iv4 ,tertiaire periode4 ,periode der zoogdieren en der boomen met afvallende bladeren4 #aj ,oudste tertiaire periode of ,eoceen periode4 #aa ,middelste tertiaire periode of ,mioceen periode4 #ab ,jongste tertiaire periode of ,plioceen periode4 ,v4 ,quaternaire periode4 ,periode der menschen1 der gekweekte planten en der huisdieren4 #ac ,oudste quaternaire periode of ,i,jsperiode4 #ad ,middelste quaternaire periode of ,postglaciaire periode4 #ae ,jongste quaternaire periode of ,periode der beschaving4 ,in dezelfde volgorde komen ook de lagen voor4 ,ook deze zullen wij geven1 met de oudste beneden1 zooals zij ook in de geschiedenis der natuur op elkander volgen3 ,opvolging en chronologische volgorde der verschillende lagen4 ,dikte der lagen4 #bjj m4 ,quaternair ,oppervlakte4 ,bovenste quaternaire formatie4 ,middelste quaternaire formatie4 7,postglaciair74 ,oudste quaternaire formatie4 7,glaciair74 #ajjj m4 ,tertiair ,bovenste pliocene formatie4 ,onderste pliocene formatie4 ,bovenste miocene formatie4 ,onderste miocene formatie4 7,molasse74 ,bovenste eocene formatie4 7,gips74 ,middelste eocene formatie4 7,grofkalk74 ,onderste eocene formatie4 7,zand en klei74 #ejjj m4 ,secundair ,bovenste krijtformatie4 7,wit krijt74 ,middelste krijtformatie4 7,groenzand74 ,onderste krijtformatie4 7,wealdvorming74 ,witte ,juraformatie4 7,lithographische steen7 ,bruine ,juraformatie4 7,portland cement74 ,zwarte ,juraformatie4 7,lias74 ,bovenste ,triasformatie4 7,keuper1 mergel74 ,middelste ,triasformatie4 7,schelpkalk74 ,onderste ,triasformatie4 7,bonte zandsteen74 #adjjj m4 ,primair ,bovenste ,permische formatie4 7,zechsteen74 ,onderste ,permische formatie4 7,roode zandsteen74 ,bovenste steenkoolformatie4 7,zwarte leisteen74 ,onderste steenkoolformatie4 7,kolenkalk74 ,bovenste devonische formatie4 7,roode zandsteen74 ,onderste devonische formatie4 #bcjjj m4 ,azosch ,bovenste silurische formatie4 ,onderste silurische formatie4 ,bovenste cambrische formatie4 ,onderste cambrische formatie4 ,bovenste laurentische formatie4 ,onderste cambrische formatie4 ,deze formaties liggen op den oorspronkelijken bodem der aarde1 het graniet1 enz41 waarin men geen spoor van leven ontdekt heeft4 ,tusschen het graniet en de onderste laurentische formaties ligt1 zooals wij zagen3 gneiss1 micaschiefer en glimmer d4i4 waarschijnlijk graniet1 gewijzigd door de drukking1 de hitte1 het water1 de zouten1 de uitbarstingen1 verplaatsingen1 vermengingen1 enz41 in n woord door de omwentelingen in de oorspronkelijke formatie4 ,fig4 #hd geeft eene schematische voorstelling van die formaties met hare betrekkelijke dichtheid4 ,wel zijn1 zooals wij zagen1 die lagen in werkelijkheid niet horizontaal of evenwijdig1 maar de volgorde is steeds dezelfde4 ,iedereen weet1 dat onder den bebouwden grond1 waarop de bosschen1 weiden en bouwlanden groeien1 steenachtige lagen gelegen zijn van anderen aard1 meer of minder harde steenen1 kalksteen1 zand1 krijt1 klei1 enz4 ,de vruchtbare grond is nooit zeer dik2 dikwijls bedraagt de dikte slechts enkele decimeters1 en in enkele steenachtige streken slechts enkele centimeters4 ,de bovenste laag van den bodem is het product van de thans nog werkzame krachten3 hier is het eene humuslaag1 die langzaam de dikte van de vruchtbare laag doet toenemen1 daar is het de menschelijke industrie1 die meststoffen aan den grond toevoegt2 nog verder zetten de regens op de lagere streken de vruchtbare stoffen af1 van hoogere streken toegevoerd2 elders weder verspreiden de overstroomde rivieren haar slib over de weilanden2 en zoo wordt steeds de oppervlakte der aarde gewijzigd4 ,onder deze laag vindt men de delfstoffen in de volgorde1 waarin zij gevormd zijn4 ,daarin vindt men bijna overal afwisselend zandsteen1 kalk en klei4 ,van den bebouwden grond af tot op de grootste diepten bestaat de aarde hoofdzakelijk uit kiezel1 koolzure kalk en aluminium4 ,het kiezel heeft de kwarts1 de bloksteen en de keisteen1 het zand der oevers en duinen voortgebracht2 het aluminium1 de klei en de mergel2 de koolzure kalk1 de kalksteen1 de steenen uit onze steengroeven1 het krijt1 het marmer en het zandsteen4 ,dan komen de metalen1 gewoonlijk in aderen4 ,die lagen zijn uiterst langzaam gevormd4 ,hetgeen in stilstaand water of aan de oevers der zee gedurende eene geheele eeuw bezinkt1 vormt eene bijna onmerkbare laag4 ,de op elkander gelegen lagen hebben zich als slib op den bodem der zee afgezet4 ,dat slib is langzamerhand versteend2 na een groot aantal rijzingen en dalingen hebben die rotsen zich tot bergen verheven4 ,alle bergen1 met uitzondering van die van graniet en gneiss1 bestaan uit rotsen1 die zich oorspronkelijk op den bodem der zee gevormd hebben4 ,nog thans worden er evenals vroeger stoffen afgezet op den bodem van het water4 ,de werking van de zuurstof der lucht op de hardste rotsen1 de warmte1 die den grond uitdroogt en doet barsten1 de afwisseling van warmte en koude1 de wind1 de bliksem1 de regen1 overstroomingen1 dat alles ontleedt de rotsen1 en verandert de gesteenten in zand4 ,noch het graniet1 noch het ijzer1 noch de hardste metalen kunnen daaraan weerstand bieden4 ,alleen reeds de werking van den regen en van het koolzuurhoudende water is verbazend groot4 ,steenen- en marmeren beelden1 eerst eenige eeuwen geleden vervaardigd1 zijn daardoor reeds nu bijna onkenbaar geworden4 ,kerken van graniet verweren aan de zijde1 die aan wind en regen is blootgesteld4 ,de steengroeven1 waaruit de steenen van de kerk te ,limoges afkomstig zijn1 zijn over eene dikte van #a1fj meters verweerd4 ,al dat stof1 al dat zand wordt door den regen naar zee medegevoerd1 waar het zich afzet1 vermengd met de plantaardige en dierlijke overblijfselen1 die het medevoert4 ,geheel andere bezinkingen hebben thans in den ,oceaan plaats2 de peilingen bij het leggen van den transatlantischen kabel hebben doen zien1 dat eene witte modder1 bestaande uit organische lichamen1 overeenkomende met die1 welke het krijt vormen1 en die men op verschillende diepten in bijna geheel ,europa vindt1 thans bezinkt over eene uitgestrektheid1 die veel grooter is dan geheel ,europa4 ,hoewel de betrekkelijke dikte der verschillende lagen ons bij benadering den betrekkelijken duur der verschillende tijdperken doet kennen1 zoo mag men toch niet besluiten1 dat eene laag van honderd meters overeenkomt met eene duizendmaal langere periode dan eene laag van n decimeter1 daar de voorwaarden voor de vorming der verschillende lagen niet dezelfde zijn4 ,met alleen dat een verbazende tijd noodig geweest is voor de vorming der bezinksels en voor hunne versteening tot harde rotsen1 maar het is ook zeker1 dat voor de opheffingen van bergen1 zooals de ,alpen1 ,pyrenen1 ,andes en ,cordillera's1 die van vier- tot achtduizend meters boven de oppervlakte der zee uitsteken1 onmetelijke tijdstippen noodig waren4 ,behalve bij vulcanische werkingen en door plaatselijke oorzaken1 moeten die rijzingen en dalingen uiterst langzaam hebben plaats gegrepen4 ,hoe groot de onregelmatigheden van de aardoppervlakte ons ook toeschijnen1 met betrekking tot de grootte der aarde zijn zij hoogst onbeduidend4 ,wij herhalen hier nog eens met nadruk1 dat al die sedimentformaties gevormd zijn ten koste der oorspronkelijke aardschors3 zij zijn de vrucht van langzame verwering4 ,indien zij #dcjjj meters dik zijn1 van de laurentische periode tot op onzen tijd1 dan zijn dit #dcjjj meters stap voor stap ontnomen aan de oppervlakte der boven het water uitstekende rotsen4 ,de aardschors1 ten koste waarvan alle sedimentformaties zijn gevormd1 was dus reeds zeer dik gedurende dien langen geologischen tijd4 ,sedert de azosche periode is trouwens de vaste aardschors van twee zijden aangegroeid3 beneden1 door het langzaam vast worden ten gevolge der afkoeling2 van boven1 door het afzetten der stoffen in de bekkens der zee2 die tweede toename in dikte moet echter meer beschouwd worden als eene gelijkmaking dan als eene werkelijke aangroeiing1 daar zij plaats heeft ten koste der bergen en van alles1 wat blootgesteld is aan atmosferische invloeden4 ,de hier geteekende doorsnede 7fig4 #hf7 geeft ons een denkbeeld van het ontstaan dier formaties4 ,in een meer of minder diep bekken1 hetzij zee of meer1 heeft zich het puin van de boven water uitstekende rotsen1 dat daaraan ontnomen is door de genoemde atmosferische invloeden1 geleidelijk neergezet4 ,de samenstelling1 de dichtheid en de dikte van die laag hangen af van den aard der gesteenten1 waaruit1 en van de omstandigheden1 waaronder zij ontstaan is4 ,oorspronkelijk waren die lagen horizontaal of flauw hellend4 ,maar wij zagen reeds vroeger1 dat de aarde oorspronkelijk vloeibaar was1 en hare afkoeling begonnen is aan de oppervlakte1 daar de omgeving eene temperatuur had van #bgj onder nul4 ,het eerste vlies1 de eerste granietlaag1 is ontstaan door het op elkander stapelen en het vasthechten van drijvende stukken hard geworden graniet1 en langen tijd bleef dat vlies uiterst dun4 ,eeuwen lang kon het dus gehoor geven aan de lichtste slingeringen van den vloeibaren bol en onderging het den invloed van getijden1 schommelingen1 rijzingen en dalingen4 ,toen het vlies echter dikker en steviger werd1 kon het niet meer zoo gemakkelijk golven1 maar kon het evenmin weerstand bieden aan de inwendige schokken1 veroorzaakt door scheikundige werkingen1 door veranderingen in het evenwicht1 die het gevolg waren der verdichting1 door het opgesloten zijn van eenen vuurbol in eene schaal van klei1 water en lucht4 ,opheffingen1 gering in betrekking tot de grootte der geheele aarde1 veranderden langzamerhand de oppervlakte4 ,de oude vulcanische rotsen1 nog week of zelfs vloeibaar1 hieven de vaste korst op1 die daarop drukte1 en baanden zich eenen uitweg door spleten1 die dikwijls verscheidene kilometers breed zijn 7fig4 #hg74 ,zoo zijn de ,alpen1 de ,pyrenen1 de ,vogezen en andere bergen ontstaan4 ,hieruit volgt1 dat sedert het begin van het leven1 de geheele aardoppervlakte alle mogelijke veranderingen heeft ondergaan4 ,er is geene enkele plek op aarde1 die niet gedurende den loop der tijden verscheidene vervormingen heeft ondergaan4 ,alle deelen der aarde zijn eens of meer met water bedekt geweest4 ,de meeste deelen zijn beurtelings gerezen1 gedaald en weder gerezen4 ,men vindt hier en daar alle soorten van formaties bloot liggen1 zoowel primaire als secundaire1 tertiaire en quaternaire4 ,de steengroeven doen ons de ligging der verschillende formaties zien 7fig4 #hh74 ,niet alle plaatsen der aardoppervlakte zijn even sterk gewijzigd4 ,als regel kan men stellen1 dat de berglanden gevormd zijn door opheffingen der oorspronkelijke gesteenten2 dat de heuvelachtige terreinen als het ware de schoormuren zijn van de berglanden1 en gevormd zijn door opheffing der secundaire formaties1 welke steunen tegen de primaire formaties1 die aan de eruptiefgesteenten grenzen1 terwijl de vlakten gelegen zijn op de tertiaire formaties1 die verder van de plaats van opheffing verwijderd zijn 7fig4 #ij74 ,ook de vlakke terreinen leveren eene groote verscheidenheid op4 ,dikwijls hebben aanslibbingen1 ontstaande door overstroomingen eener naburige rivier1 die vlakten met eene sliblaag bedekt1 die even glad is als de waterspiegel4 ,dikwijls daarentegen heeft eene rivier1 die de vroeger vlakke streek doorstroomt1 met hare bijstroomen den grond doorwoeld1 en vooral na regentijden en stortvloeden de vlakte vervormd1 valleien gegraven en zoo het geheele terrein gewijzigd4 ,maar de lagen1 die den ondergrond van die valleien uitmaken1 en die welke de heuvels vormen1 die ontstaan zijn door de uitgraving der omliggende terreinen1 zijn horizontaal en regelmatig op elkander gerangschikt gebleven4 ,zoo rust de vlakte1 waarop ,parijs gebouwd is1 op tertiaire formaties1 bestaande uit horizontale lagen1 en diezelfde lagen zetten zich voort in de heuvels4 ,de groote overstroomingen der ,seine in praehistorische tijden hebben het terrein1 waarop thans de stad rust1 uitgebaggerd en zoo van den ,mont-,valrien en den ,montmartre op zich zelf staande heuvels gemaakt4 ,toen men in #ahcc de ,artesische put van ,grenelle wilde boren1 die in #ahdb voltooid was1 stelde men zich ten doel1 door de verschillende formaties heen het water te bereiken1 dat uit ,bourgogne en de bergvlakte van ,langres afkomstig was1 welke streken1 zooals fig4 #ia aanwijst1 tot de ,juraformatie behooren4 ,men moest dus de verschillende formaties doorboren1 die in den vorm van eene waschkom onder ,parijs doorloopen1 en verder weer stijgen4 ,op eene diepte van #edg meters was men tot die formatie doorgedrongen4 ,had men nog verder doorgeboord1 dan zoude men door de ,jura- en triasformatie gekomen zijn in de primaire1 formaties en eindelijk de lagen der azosche periode bereikt hebben1 die rusten op eenen ondergrond van gneiss1 micaschiefer en graniet4 ,zooals men ziet1 is ,parijs in eene soort kom gebouwd1 op eene bedding1 gevormd door de tertiaire lagen1 zooals deze zich door de golvingen der secundaire lagen hebben moeten vervormen4 ,de bovenste laag van de secundaire formatie1 de krijtlaag1 komt b4 v4 oostwaarts te ,troyes bloot4 ,de ,juralaag heeft o4 a4 de heuvelen van ,bourgogne en de bergvlakte van ,langres gevormd4 ,fig4 #ia maakt duidelijk1 hoe het water der artesische put gevoed wordt door het water1 dat stroomt door het secundaire zand1 dat de ,juraformatie van ,langres tot ,parijs bedekt4 ,de geschiedenis der menschheid hangt ten nauwste samen met den aard der formaties1 waarop de mensch leeft4 ,niet alleen dat de oeconomische waarde der terreinen1 uit het oogpunt van voeding1 van de planten1 die er groeien1 de dieren1 die er leven1 de bouwmaterialen1 en alles wat op de levensvoorwaarden van de bewoners betrekking heeft1 eenen grooten invloed op het karakter der menschen en op de lotgevallen van het land heeft uitgeoefend1 maar men kan bijna de geheele geschiedenis van een volk uit den bodem leeren kennen4 ,meermalen is de vraag gesteld1 waarom ,parijs de hoofdstad van ,frankrijk is geworden4 ,parijs ligt niet in het midden van het land3 ,bourges voldoet veel meer aan die voorwaarde4 ,zij is evenmin de oudste stad3 ,marseille en ,lyon waren bloeiende steden in het ,romeinsche tijdvak1 toen ,lutetia 7,parijs7 nog slechts een visschersdorp was1 en toch zijn ,marseille en ,lyon slechts de voorloopige standplaatsen der beschaving geweest4 ,de politieke rol van ,parijs moet noch aan het toeval1 noch aan den menschelijken wil worden toegeschreven1 maar aan de geologische ligging4 ,ile de ,france is eene oase1 omgeven door streken1 minder bevoorrecht uit het oogpunt van den loop der stroomen en den plantengroei1 en alsof de natuur alle mogelijke voorzorgsmaatregelen wilde nemen1 heeft zij daar uitstekende bouwmaterialen bijgevoegd4 ,zoo hangt alles in de natuur samen1 oorzaken en gevolgen staan met elkander in nauw verband1 en de mensch met al zijne overtreffelijke gaven en zijne vrijheidsliefde1 is slechts de slaaf van het land1 dat hem heeft voortgebracht4 ,zoo zijn de verschillende formaties onder den invloed van atmosferische invloeden ontstaan1 zoo droeg iedere laag hare eigen planten en dieren1 met hare eigen fossielen4 ,de dikte van iedere laag hangt af van de voorwaarden1 waaronder zij ontstaan is1 hier zijn zij rijk en dik1 daar arm en dun1 elders ontbreken zij door opheffingen en verschuivingen geheel en al1 maar wij zagen in het vorige hoofdstuk1 dat toch de som van alle lagen #dcjjj meters bedraagt1 gerekend van de oppervlakte tot aan den granietbodem4 ,de menschheid woont dus op een kerkhof van #dj kilometers dikte2 wij loopen over de graven van ontelbare wezens1 die gedurende millioenen en millioenen jaren daar begraven zijn1 op de schepselen1 die van de grijze oudheid af daar langzaam zijn opgehoopt1 van den oorsprong van het leven tot op onzen tijd2 het stof van verloopen eeuwen vertreden wij met de voeten4 ,de geschiedenis der natuur wordt nog steeds voortgezet4 ,nog thans beweegt zich onze planeet in de ruimte voort1 zooals in de voorhistorische tijden2 nog steeds wordt in iedere secunde een mensch geboren2 de geslachten volgen elkander op1 de dooden keeren tot de aarde weder1 en dienen weder tot de vorming van nieuwe wezens1 zoowel menschen als planten en dieren2 wie weet1 of n onzer niet eene molecule bevat1 die vroeger behoord heeft aan ,caesar of ,napoleon2 de wilg aan den oever der beek ademt de zuurstof uit1 die door het kind1 dat te midden der bloemen speelt1 wordt ingeademd2 de koolzuurmolecule1 door den stervenden grijsaard uitgeademd1 kan de schoone roos tot voedsel dienen2 van het leven tot den dood1 van den dood tot het leven1 wordt alles gewijzigd en vervormd4 ,de wereld1 door onze voorouders uit de vorige tijdperken betreden1 was dezelfde als de tegenwoordige4 ,geene wonderen zijn noodig om de vorming der geologische lagen te verklaren4 ,het eerste dunne vlies om den gloeienden1 vloeibaren bol heeft alle golvingen en trillingen van dien bol moeten volgen4 ,doch ook die eerste plooien zijn gewijzigd4 ,de aarde koelt af en trekt samen4 ,de korst moet zich dus weder op eene andere wijze plooien1 om op de kern te kunnen blijven rusten2 aan de ne zijde daalt zij1 aan de andere zijde gaat zij omhoog2 zij scheurt1 de eruptiefgesteenten zoeken eenen uitweg door de scheuren en komen bloot4 ,de wateren verzamelen zich op de diepste plaatsen4 ,bergen1 vastland1 zeebekkens1 dalingen1 rijzingen1 vulcanische uitbarstingen1 adervormingen 7fig4 #ib-ig71 het is alles een geopend boek voor hem1 die het wil lezen4 ,nog steeds herhalen zich die verschijnselen2 nog steeds verandert de gedaante der aarde2 het ne deel rijst1 een ander deel daalt1 hier knaagt de zee aan de kusten1 daar trekt zij zich terug1 hier wordt eene vallei gevuld1 daar glijdt een heuvel af met al wat hij bevat4 ,dit onderwerp1 van het hoogste wetenschappelijk en philosophisch belang1 zal in ons volgende hoofdstuk nader behandeld worden2 het is de grondslag der geologie4 ,,tweede ,,hoofdstuk4 ,de vervormingen van den bodem in onzen tijd4 ,verandering der kusten4--,mondingen en delta's4--,werking van het stroomende water4--,langzame schommelingen4--,rijzingen4-- ,dalingen4--,het land en de zee4--,de natuur zet haren arbeid voort4 ,langzamerhand verandert alles om ons heen4 ,de grond zelf1 dien wij gewoon zijn te beschouwen als het type van wat onveranderlijk is1 verandert onophoudelijk4 ,het is daarom verkeerd1 te zeggen1 dat er bepaalde geologische perioden zijn1 die de schepping der wereld voorstellen1 en dat die schepping thans voleindigd is4 ,ook onze periode is geologisch1 en zelfs niet minder dan de voorafgaande4 ,de oppervlakte der aarde1 in haar geheel beschouwd1 verandert4 ,regen1 vorst1 warmte1 wind1 onweer1 beken1 bergstroomen1 verweren de toppen der bergen1 waarvan de bouwstoffen afgerukt1 medegesleept1 verbrijzeld1 tot zand vermorzeld en door de mondingen der rivieren naar zee gevoerd worden4 ,ook knaagt de zee voortdurend aan de oevers2 daardoor worden de kusten steiler en wordt de bodem verhoogd door de losgelaten bouwstoffen4 ,bovendien eindelijk werken nog voortdurend de inwendige krachten der aarde3 enkele streken rijzen1 terwijl andere dalen4 ,laat ons zoo kort mogelijk de bewijzen voor die veranderingen nagaan1 en die zooveel mogelijk op het terrein zelf bestudeeren4 ,wij kunnen uitgaan van twee algemeene grondbeginselen3 #a4 ,overal1 waar de kust steil is1 wint de zee2 #b4 aan de mondingen der rivieren wijkt de zee terug4 ,in het eerste geval knaagt zij aan de klippen1 die tot strandkeien verbrijzeld worden2 in het tweede geval draagt de zee zand aan1 dat den bodem der zee verheft en haar doet wijken4 ,er zijn wel is waar uitzonderingen op die regels1 onder andere kunnen de zeestroomingen en de golven het water een eind binnenwaarts voeren of de keisteenen gebruiken om nieuwe kustgrenzen te vormen1 maar in het algemeen zijn die twee oorzaken voldoende1 om de geheele gesteldheid onzer planeet te veranderen1 onafhankelijk van de rijzingen en dalingen van den bodem4 ,iedereen b4v4 kent ,havre4 ,men weet1 dat die stad nog geen vier eeuwen oud is en in #aeaf door ,frans ,i is gesticht4 ,de geheele vlakte1 waarop die belangrijke stad zoo snel is opgekomen1 is gevormd door aanslibbing van de ,seine en bezinking van het zand1 dat bij springvloed door de zee is uitgeworpen2 de geheele plek was tot aan deze eeuw moeras4 ,de ,seine sleept het zand mede1 dat zij langzaam neerlegt aan hare monding1 en tot zelfs een eind ver in zee4 ,maar bij springtij en storm drijft de zee dat bezinksel terug en wijzigt zij daardoor onophoudelijk den ondergrond4 ,het gevolg hiervan is1 dat het gebied der zee gedurig afneemt4 ,de rechteroever der ,seine wordt voorbij ,havre al langer en langer1 de linkeroever verandert eveneens1 zoodat het zeestrand bij ,trouville al breeder en breeder wordt4 ,zoo ziet men1 hoe alles om ons heen verandert door nog steeds werkende oorzaken1 en dat daartoe volstrekt geene groote omwentelingen in de natuur noodig zijn4 ,fig4 #ii toont ons aan1 hoe de zee langzamerhand den voet der rotssteilten bij ,kaap la ,hve ondermijnt1 en wel vooral bij storm en springtij1 en hoe daardoor die banken van krijt1 mergel en klei verteerd worden2 het gevolg hiervan is1 dat vertikale muren van honderd meters hoog overhellen1 en dat door het voortdurend invreten in den voet der rots de eeuwenoude steenlagen worden uitgegraven4 ,daardoor levert die kust eenen schilderachtigen aanblik op4 ,sedert het begin der elfde eeuw zijn reeds #adjj meters door de werking der zee ingevreten4 ,oorspronkelijk hadden de kusten van alle zeen eene geringe helling3 de vertikale muren en de rotssteilten zijn het gevolg van het invreten der zee2 dat voortdurend wegbijten geeft het aanzijn aan de keisteenen1 die men op het strand vindt4 ,men kan zelfs een karakteristiek verschil waarnemen tusschen het profiel van klippen1 die langzamerhand weggebeten worden door eene zee met standvastigen waterspiegel1 zooals de ,middellandsche zee1 waar bijna geene getijden zijn1 en de klippen van den ,atlantischen ,oceaan4 ,in het eerste geval vertoonen de klippen1 waartegen de golven aanklotsen1 een enkel profiel 7fig4 #ajj71 in het tweede geval is het profiel dubbel3 het ne is geteekend door den vloed1 het andere door de ebbe 7fig4 #aja74 ,behoudens de kleine verschillen1 veroorzaakt door de aantrekking van het vaste land1 door de veranderingen in luchtdruk1 door den invloed der getijden1 mag men den waterspiegel der zee als bijna standvastig beschouwen2 die waterspiegel is dan ook het beste merkteeken ter vergelijking4 ,indien men van eeuw tot eeuw aan eene kust eene verandering van de waterhoogte waarneemt1 dan is men zeker1 dat niet de zee in hoogte veranderd is1 maar de grond4 ,de zee houdt steeds dezelfde gemiddelde hoogte1 omdat de hoeveelheid water1 die in den vorm van regen of sneeuw neervalt1 gelijk is aan die welke door verdamping der zee opstijgt2 dit kan trouwens niet anders1 daar de wolken gevormd worden door verdamping van het water der zee en der rivieren4 ,men schat de hoogte van den regen1 die ieder jaar op de geheele aarde neervalt1 op #a1ej meter4 ,dit is dus ook juist het bedrag1 dat verdampt1 om de wolken te vormen4 ,indien die waterdamp buiten de aarde kwam1 zou de zee van jaar tot jaar lager worden4 ,maar het water valt in den vorm van regen weder in den ,oceaan neer1 of het wordt door de rivieren weder naar den ,oceaan toegevoerd4 ,indien het regent1 keert een deel van het neervallende water onmiddellijk weder door verdamping in den dampkring terug2 het overblijvende water dringt in den bodem1 totdat het eene laag ondoordringbare klei vindt4 ,het glijdt dan over die laag heen1 totdat het eindelijk eene bron vormt1 in de nabijheid van de oppervlakte der aarde4 ,dit is de oorsprong van alle bronnen1 beken en rivieren4 ,men vindt bronnen op alle hoogten1 van de toppen der bergen af1 tot op den bodem der zee4 ,die verdamping1 die verdichting tot wolken boven in de lucht1 en dat neerslaan als regen1 maakt van de aarde eenen grooten distilleerketel4 ,de zonnewarmte1 die noodig is1 om die hoeveelheid water op te heffen tot de gemiddelde hoogte der wolken1 komt overeen met den arbeid1 die verricht zoude worden door #aejj milliard paarden1 zeven uren per dag werkende6 ,daar het zout niet verdampt1 is het water der wolken1 van den regen1 van de bronnen en de stroomen zoet water1 door de zon gedistilleerd4 ,het normale water1 het zeewater1 is zout1 daar het bestaat uit waterstof1 zuurstof en chloor-natrium 7keukenzout74 ,een zeer klein gedeelte van het regenwater keert niet tot de zee terug1 omdat het1 in den grond dringende1 geene volkomen ondoordringbare laag vindt4 ,dat gedeelte dringt dus diep in het inwendige der aarde door1 verzadigt de gesteenten1 vormt de minerale wateren1 daalt af tot in de warme lagen1 waar het verdampt en uitbarstingen veroorzaakt1 maar in ieder geval niet naar de oppervlakte terugkeert4 ,de zee vermindert dus van eeuw tot eeuw iets2 maar zelfs in drieduizend jaren is die vermindering nog niet merkbaar #aj4 ,iedere rivier1 hetzij zij haren oorsprong vindt in de gletschers1 zooals de ,rijn1 de ,rhne1 de ,po1 de ,garonne1 of in de bergstroomen1 zooals de ,seine1 de ,loire enz1 volgt eene sterke helling1 die haar in den regentijd eene groote snelheid geeft1 zoodat de terreinen1 waardoor zij stroomt1 sterk veranderen4 ,zij graaft valleien1 maakt gesteenten los1 rolt steenen voort1 verbrijzelt die en sleept ze mede1 zoodat zij eene groote hoeveelheid zand en slijk medevoert4 ,op het bovengedeelte van haren loop bijt zij den bodem uit2 op het tweede gedeelte1 waar de stroom nog krachtig genoeg is om de stoffen mede te voeren1 maar breeder en regelmatiger1 graaft zij hare bedding niet meer uit1 doch vult zij die evenmin weder aan2 op het derde gedeelte1 waar zij tot de zeevlakte nadert1 wordt de helling flauw en zet zij de medegevoerde stoffen af1 zoodat daar aanslibbing plaats vindt4 ,zoo komt de ,rhne1 die haren oorsprong op #agfj meters hoogte in de ,alpen heeft1 in het meer van ,genve met eene gemiddelde helling van #g1dj meter per kilometer4 ,bij haar binnentreden in dat meer zet zij reeds zveel stoffen af1 dat het meer van ,genve sterk in lengte en diepte afneemt2 dit is reeds van geslacht tot geslacht merkbaar4 ,van ,genve tot ,lyon is de helling slechts #a meter per kilometer2 van ,lyon tot ,beaucaire is zij #j1dj meter1 en van ,beaucaire tot ,arles #j1ab meter2 van ,arles tot aan zee is er slechts eene helling van #a meter op de #ej kilometers2 de rivier heeft daar op sommige plaatsen eene breedte van verscheidene kilometers1 hare snelheid1 die te ,genve en zelfs te ,lyon nog zoo groot was1 is bijna nul en al het zand spreidt zich daar uit over eene groote uitgestrektheid1 die door de golven en de zeestroomingen voortdurend gewijzigd wordt4 ,dit is de wijze1 waarop iedere rivier de gedaante der planeet wijzigt4 ,enkele rivieren1 zooals de ,seine1 de ,gironde1 de ,theems1 de ,hudson1 houden eene voldoende snelheid en worden door de zeestroomingen voldoende uitgeschuurd1 om hare monding vrij te houden1 en daardoor de vestiging van groote havenplaatsen1 zooals ,havre1 ,bordeaux1 ,london1 ,new-,york1 mogelijk te maken2 andere1 zooals de ,rhne1 de ,po1 de ,nijl1 de ,donau1 voeren haar zand z langzaam weg1 dat langzamerhand de bodem verhoogd wordt en de doortocht voor schepen onmogelijk wordt4 ,de geheele golf van ,lyon1 van de ,pyrenen tot ,marseille1 levert bewijzen op van de veranderingen1 die aan de monding eener rivier plaats vinden4 ,voor tweeduizend jaren1 vr de ,romeinsche overheersching en gedurende dien tijd1 had men eene rij van bloeiende steden langs die golf3 ,illiberris1 ,ruscino1 ,narbonne1 ,agde1 ,aigues-,mortes1 ,st4 ,gilles1 ,heraclea1 ,rhodanusia4 ,vier van die bloeiende steden zijn geheel verdwenen1 en slechts puinhoopen zijn er van overgebleven4 ,de overige zijn dood1 en haar tegenwoordige toestand is slechts de schaduw van hare vroegere grootheid4 ,eertijds waren de mondingen diep en bevaarbaar1 en langs de kusten waren lagunen1 evenals die van ,veneti1 voor de scheepvaart geopend4 ,maar de bedding der rivier rijst langzaam en de steden1 eertijds door hare stroomen gevoed1 en als het ware uit de lagunen geboren1 zijn thans met die lagunen gestorven4 ,de bosschen zijn onverstandig door den mensch geveld4 ,de lagunen zijn in poelen1 de poelen in koortsverwekkende moerassen veranderd4 ,reeds eeuwen lang tracht men de grootste oppervlakte dier moerassen droog te maken1 maar de grond is nog steeds niet vast genoeg voor den plantengroei4 ,men begrijpt1 dat de rivieren aan hare monding de neiging hebben1 aan het vaste land uitbreiding te geven ten koste van de zee1 en om de stoffen af te zetten1 die aan de bergen ontrukt zijn door de bergstroomen en die tot poeder verbrijzeld zijn4 ,dit is reeds voldoende1 om den vorm der landen langzamerhand te wijzigen4 ,de monding van de ,po geeft hiervan een merkwaardig voorbeeld4 ,fig4 #ajb doet ons reeds bij den eersten oogopslag zien1 hoe de ,adriatische zee is afgenomen door de aanslibbing van de ,po4 ,de stad ,adria was ten tijde der ,etrusken1 voor drieduizend jaren1 aan den oever der zee gelegen4 ,zij is thans #bf kilometers van het meest nabijzijnde gedeelte der zee verwijderd2 de ,adige en de verschillende zeearmen van de ,po1 drijven den oever der zee langzaam terug2 de hoofdmonding van de ,po is thans #ce kilometers van den meridiaan over ,adria verwijderd4 ,de winst van het land op de zee bedraagt jaarlijks zeventig meters4 ,jaarlijks worden door de rivier #db #gfj #jjj cubieke meters slib aangebracht1 of #a1cf cub4 meter in de secunde4 ,de ,donau voert jaarlijks slechts #ce #ejj #jjj cubieke meters slib aan4 ,de dijken werden reeds in de ,x,i,i,ide eeuw aangelegd2 daardoor is het land beveiligd tegen de jaarlijksche overstroomingen1 maar de bedding der rivier rijst1 zoodat de oppervlakte van het water van de ,po iets hooger is dan de bodem der omliggende streken2 bij de hooge waterstanden van #ahgj en #ahgb stond het van twee tot vier meters boven den straatweg4 ,als een dijkbreuk plaats heeft na den regentijd1 dan veroorzaken de overstroomingen overal verwoesting en dood4 ,als de dijken niet verwoest worden1 worden de bewoonde streken eilanden3 uit onze kaart ziet men1 dat ,ravenna voor drieduizend jaren eene zeehaven was2 dit was zelfs nog het geval ten tijde van ,augustus1 die de haven uitbreidde2 thans ligt de stad op #g kilometers van de zee4 ,dezelfde verschijnselen neemt men waar1 als men de monding van den ,tiber beschouwt te ,ostia bij ,rome4 ,ostia beteekent monding4 ,die haven is aan de monding van den ,tiber gesticht door ,ancus ,marcius4 ,thans bevinden zich de puinhoopen van het oude ,ostia op #djjj meters van de monding4 ,de vloot van ,scipio ,africanus vertrok uit die haven naar ,spanje4 ,de bevolking1 die vroeger uit #hjjjj inwoners bestond1 is thans tot #ej gedaald1 en die #ej verlaten de plaats nog des zomers om de malaria4 ,het tegenwoordige dorp is in #hcj door ,gregorius ,,iv gesticht4 ,in #aeif werd aan den oever der zee de toren ,san ,michele gebouwd2 deze is thans #gjj meters van de zee gelegen4 ,reeds ten tijde der ,romeinsche keizers moest men de haven en het kanaal van ,fiumicino graven1 om de verzande monding der rivier te vervangen4 ,sedert #affb bedraagt de vooruitschuiving van de delta van den ,tiber gemiddeld #c1ij meters 's jaars4 ,fig4 #ajc geeft ons rekenschap van de verplaatsing der kust4 ,reeds de ouden kenden die veranderingen1 waarvan de aanslibbing van den ,nijl in ,egypte een zoo merkwaardig voorbeeld oplevert4 ,reeds voor #bdjj jaren schreef ,herodotus1 dat de ,egyptische priesters hun land beschouwden als een geschenk van den ,nijl4 ,volgens hem zoude de delta eerst van jeugdige dagteekening zijn4 ,homerus spreekt van ,thebe1 als ware dit de eenige stad in ,egypte1 en maakt volstrekt geene melding van ,memphis4 ,eertijds waren de takken van de rivier1 die zich bij ,canope en ,pelusium in zee werpen1 de voornaamste1 en de kust strekte zich bijna in eene rechte lijn tusschen die beide plaatsen uit1 zooals uit de kaarten van ,ptolemaeus blijkt4 ,thans zijn ,canope en ,pelusium nog slechts puinhoopen1 en zijn de hoofdmondingen der rivier tot elkander genaderd1 zoodat zij sedert tweeduizend jaren haar water afvoeren in de richting van ,rosette en ,damiette1 steden die nog geen duizend jaren geleden aan den oever der zee gesticht zijn en thans reeds acht kilometers daarvan verwijderd zijn4 ,de ,nijl zelf heeft aan de delta haren vorm gegeven2 de oppervlakte van de delta bedraagt thans #bbbgf vierkante kilometers4 ,men heeft berekend1 dat indien al het slib door de monden van den ,nijl aangebracht1 regelmatig over de kust verspreid werd1 deze jaarlijks vier meters zoude vooruitgaan2 maar die vooruitgang is zeer onregelmatig en de rivier geeft bijna al haar slib af aan de velden1 die aan de oevers liggen1 waardoor de grond opgehoogd wordt2 ook de landbouwers wijzigen merkbaar den arbeid der natuur door stoompompen en andere werktuigkundige toepassingen #aa4 ,in fig4 #ajd is op de kaart van de monden van den ,nijl de oude kustlijn geteekend1 zooals ,ptolemaeus1 die als ,egyptenaar het terrein kende1 die beschrijft4 ,de ,mississipi en de ,ganges zijn nog merkwaardiger4 ,de eerste heeft zijn slib tot op #dj kilometers in zee gevoerd2 de ,ganges en de ,brahmapoutra storten in de baai van ,bengalen jaarlijks #a milliard #acb millioen cubieke meters slib6 ,wij zouden nog veel meer voorbeelden kunnen noemen4 ,wij hebben echter alleen de meest sprekende typen gekozen4 ,het is natuurlijk1 dat die landaanwinning alleen plaats heeft1 als er geene andere factoren in het spel zijn2 een aantal monden vertoonen juist een tegenovergesteld verschijnsel door den vorm der rotsen1 door de zeestroomingen of de dalingen van den bodem2 het resultaat is echter steeds langzame vervorming4 ,slechts weinige plekken zijn in het geheel niet veranderd1 zelfs van de historische tijden gerekend4 ,door dien arbeid van het water worden de bergen lager en de bodem der zee hooger4 ,de ,rijn voert in zijn water #f_/ajjj deelen slib mede1 de ,garonne #aj_/ajjj1 de ,indus van #b_/ajjj tot #e_/ajjj4 ,het is natuurlijk1 dat dit maxima zijn1 die alleen bereikt worden bij sterken was4 ,er zijn dagen1 waarop de ,donau #abejjjj cubieke meters slib naar zee voert4 ,elise ,rclus berekent1 dat alle stroomen te zamen jaarlijks #aj cubieke kilometers slib in zee storten4 ,indien dit zich regelmatig verspreidde over den bodem der zee1 dan zoude dat bezinksel in #cda jaren #a centimeter dik zijn1 en dus in #cd millioen jaren #a kilometer4 ,al het water der rivieren en stroomen vormt slechts een klein deel van het water der oceanen4 ,nemen wij aan1 dat de gemiddelde diepte der oceanen vijf kilometers bedraagt1 dan zoude de hoeveelheid water1 die in zee stroomt1 eerst in #e #a_/b millioen jaren gelijk zijn aan al het water1 dat de zee bevat4 ,onverbiddelijk moet de gedaante der aarde veranderen4 ,indien geen enkele oorzaak rijzingen of dalingen van den bodem teweegbracht1 dan zoude alleen door de werking van het water de aarde eindelijk volkomen glad worden1 en bedekt met eene laag water van eenige honderden meters diepte4 ,maar ook de oppervlakte van den bodem wordt gewijzigd4 ,toch is van eeuw tot eeuw de invloed der aanslibbing alleen duidelijk merkbaar4 ,zoo zal mettertijd de ,middellandsche zee eene aaneenschakeling van meren worden1 en nog later een reusachtige stroom4 ,de zee van ,azof verandert langzamerhand door de nadering der oevers in eene rivier4 ,de golf van ,veneti zal mettertijd niets anders zijn dan het verlengde van de vallei van de ,po1 en de twee groote bekkens der ,middellandsche zee1 gescheiden door de onderzeesche zandbank1 die ,sicili met ,afrika verbindt1 zullen twee meren vormen1 die al nauwer en nauwer zullen worden en den grootsten stroom der wereld zullen voeden4 ,dan zullen de ,dnieper1 de ,donau en de ,po slechts bijrivieren van dien stroom zijn2 misschien zelfs dat de ,nijl1 die thans reeds zoo weinig beteekent aan zijne monding1 al zijn water door verdamping zal verliezen1 vrdat hij den breeden stroom bereikt4 ,een dergelijke toestand is werkelijk reeds op ,mars aanwezig1 welke planeet1 ouder dan de aarde1 geene wereldzee meer bevat1 maar alleen binnenzeen1 stroomen en kanalen4 ,niet alleen1 dat het water langzamerhand de gedaante der aarde wijzigt1 het speelt tevens eene belangrijke rol in de geologische samenstelling der verschillende deelen en in het bewaren van de overblijfselen van levende wezens4 ,in de ,gangesdelta en die van de ,brahmapoutra1 eene uitgestrektheid van #affdjj vierkante kilometers1 waarover de twee stroomen hun slib afzetten ter dikte van #fj tot #gj centimeters in de eeuw1 vindt men verschillende soorten van krokodillen4 ,die dieren komen in grooten getale in het brakke water voor over de geheele lijn der zandbanken1 waar de delta het snelst aangroeit4 ,men vindt ze bij honderden bij elkander in de kreken1 of zich koesterend in de zon op de ondiepten4 ,zij vallen menschen en vee aan1 werpen zich op de onvoorzichtigen1 die in de rivier baden en op de huisdieren of wilde dieren1 die daar komen drinken4 ,dikwijls kan men daar een drijvend lijk zien1 dat door eenen krokodil met zulk eene drift wordt aangegrepen1 dat het dier1 om zijne prooi beter te kunnen vasthouden1 half boven water uitsteekt4 ,de gewoonten en de verspreiding dier dieren stellen hen bloot1 om in de horizontale lagen van het fijne slib bedolven te worden1 dat jaarlijks in de ,golf van ,bengalen over honderden vierkante kilometers wordt afgezet4 ,de bewoners van het land1 die verdronken zijn in die stroomen1 worden de prooi van die gulzige dieren1 en ook de overblijfselen der dieren zelf worden in de nieuwe formaties begraven4 ,daarbij komt1 dat jaarlijks zoovele lijken van arme ,hindoe's in den ,ganges geworpen worden1 dat men steeds in het vloeibare slib eenige beenderen of eenige overblijfselen van hun geraamte vindt4 ,die bezinkingen worden gesteenten1 en de beenderen1 die zij bevatten1 versteenen evenzoo4 ,de aard1 de dichtheid1 de dikte1 de kleur1 de hardheid der lagen hangen af van den aard der voortgestuwde stoffen en de snelheid van het water4 ,de rangschikking in de bezinkselen hangt het meest af van de snelheid van het stroomende water2 indien dit toch eene bepaalde snelheid heeft1 kan het alleen deeltjes van bepaalde grootte en bepaald gewicht medevoeren4 ,hieruit volgt1 dat naarmate de kracht van den stroom toeneemt of afneemt1 de afgezette stoffen reeds gerangschikt zijn naar hare grootte1 haren vorm en haar soortelijk gewicht4 ,verschillende omstandigheden wijzigen den aard der afgezette stoffen4 ,zoo wordt den nen tijd van het jaar hout medegevoerd1 den anderen tijd slijk4 ,bereikt de stroom zijne grootste snelheid dan kan hij keisteenan verspreiden over eene oppervlakte1 waar bij laag water alleen een fijn bezinksel wordt afgezet4 ,maar wij mogen ons niet te ver laten medevoeren door die bijzonderheden1 daar het schade zoude doen aan ons overzicht van de verschillende oorzaken1 die den bodem hebben gewijzigd4 ,wij komen thans tot eene andere oorzaak van wijziging1 niet minder belangrijk dan de vorige1 de rijzingen en dalingen van den bodem4 ,nemen wij bijvoorbeeld de bekende baai van ,mont-,saint-,michel op de grenzen van ,bretagne en ,normandi4 ,ten tijde van de ,romeinsche verovering en in de eerste eeuwen na ,christus strekte zich een onmetelijk woud over die streken uit3 het was het bosch van ,scissey1 waarin verschillende kloosters gesticht werden4 ,mont-,saint-,michel1 toen ,mont-,tombe genoemd1 lag op #bj kilometers van de zee in het midden van het bosch4 ,thans ligt het in het midden van eene naakte kust1 die tweemalen daags bij vloed bedolven wordt onder de golven der zee1 die tot aan de dijken voortgaat1 tot op twee kilometers daarvan af en over eene breedte van #cj kilometers4 ,in die geheele streek vindt men aan weerszijden van het strand1 dat door den vloed bedekt wordt1 reeds op geringe diepte alle soorten van boomstammen4 ,een handschrift uit de #i;de of #aj;de eeuw verhaalt1 dat ,mont-,saint-,michel reeds lang het bosch verloren heeft1 waarmede het omringd was1 dat ,god die streek veranderd heeft om den dienst van den heiligen aartsengel voor te bereiden1 en dat de zee alles heeft weggevaagd1 om den pelgrims1 die van alle zijden komen toestroomen1 eenen goeden weg te verschaffen4 ,de eerste abdij1 aan den dienst van den heiligen ,michal gewijd1 was in #gji gesticht1 en reeds toen stroomde de zee om den berg2 de oude kronieken der abdij leggen immers den aartsengel de woorden in pelago 7in de zee7 in den mond4 ,in #ahbb1 na eenen storm1 die het strand had omgewoeld1 vond men op tien voet onder het zand eenen straatweg1 met platte steenen geplaveid1 de sporen dragende van eenen ouden ,romeinschen weg1 die door den moerassigen bodem van het oude bosch gelegd was4 ,wij mogen aannemen1 dat in het jaar #gji de hoogste vloed #ab meters boven de hoogte bij laagwater was4 ,thans bedraagt deze #ae1ej meter4 ,de zee heeft dus in hoogte #c1ej meters gewonnen1 dat wil zeggen1 de bodem is #c1ej meters gedaald1 of #cc centimeters in de eeuw4 ,volgens een verhaal uit de zesde eeuw kwamen in de baai op denzelfden dag 7#ae ,april #efe7 de twee bisschoppen1 ,sint-,patern en ,sint-,scubilio1 om4 ,den dag vr hunnen dood gingen zij elkander te gemoet4 ,het was de dag vr nieuwe maan en de vloed kwam te zes uren op4 ,zij waren door den vloed van elkander gescheiden door eene watervlakte van vier kilometers4 ,thans heeft de zeearm eene breedte van twaalf kilometers4 ,zoo kan men een aantal voorbeelden geven van daling van den bodem4 ,in de nabijheid van het vorige bosch was een ander bosch1 waarin ,dol gelegen is4 ,thans strekt zich om ,dol eene groote vlakte uit1 die langzamerhand daalt en alleen door dijken tegen de zee beveiligd kan worden4 ,in die moeras vindt men alle sporen der bedolven bosschen3 eiken1 kastanjes1 populieren enz4 ,in de twaalfde eeuw was de rivier de ,rance1 die van ,dinan naar ,st4 ,malo stroomt1 #gj meters breed 7bij laag water74 ,thans is de breedte 7eveneens bij laag water7 #aajj meters4 ,die geheele vallei is onder de golven neergedaald4 ,bij overlevering weet men1 dat het eiland ,jersey in de historische tijden met het vaste land verbonden was1 en dat ten tijde der eerste bisschoppen 7in het jaar #djj7 de bewoners van het eiland verplicht waren1 den bisschop eene plank te brengen1 om bij laag water eene rivier over te steken4 ,het onderzoek der zeekaarten bevestigt die overlevering4 ,men kan in de zee eene landengte terugvinden1 waardoor ,jersey een tijd lang hare laatste verbinding met het vaste land gehouden heeft4 ,in die richting kan men over eene lengte van #cb kilometers eene onafgebroken reeks van onderzeesche steenachtige hoogten vinden1 die ons die verbinding ten duidelijkste aanwijzen4 ,op ,jersey en ,guernsey bedekt thans eene watermassa van #ae meters den bodem1 waarop nog in #acdj bosschen en weilanden waren4 ,de zee bijt ook de klippen weg langs de kust van ,calvados4 ,bij ,caen heeft men op zes meters onder laag water overblijfselen van bootjes uit de ,x,vde eeuw gevonden4 ,bij ,cherbourg vindt men op den bodem der zee overblijfselen van een uitgestrekt bosch1 bestaande uit thans nog bestaande boomsoorten4 ,enkele boomstompen staan zelfs nog overeind4 ,in de baai van ,douarnenez 7,finistre7 bestond eertijds eene beroemde stad1 ,is4 ,die stad was nog bloeiend in de eerste eeuwen onzer jaartelling1 hoewel zij toen reeds door de zee bedreigd werd en door dijken werd beschermd4 ,hare verwoesting door de zee dagteekent1 volgens de overlevering1 van het jaar #ddd4 ,men ziet thans nog bij laag water oude muren1 die den naam dragen van ,mogher ,greghi1 muren der ,grieken4 ,de geschiedenis van de verwoesting dier stad verdient een oogenblik onze aandacht4 ,de overlevering verhaalt1 dat de stad ,is tegen den ,oceaan verdedigd werd door stevige dijken1 waarvan de sluizen nmaal in iedere maand onder toezicht van den koning geopend werden1 om het overtollige water af te voeren4 ,de stad was prachtig1 het paleis weelderig ingericht1 en het hof zedeloos4 ,de dochter des konings1 prinses ,dahut1 was schoon1 doch zeer behaagziek en onzedelijk1 zoodat zij zich1 niettegenstaande haar vader een ernstig vorst was1 aan de grootste bandeloosheid overgaf4 ,koning ,gradlon1 haar vader1 had beloofd1 een einde te zullen maken aan de losbandige handelingen zijner dochter1 maar hij liet zich steeds door zijne goedhartigheid medesleepen4 ,de jeugdige prinses smeedde een komplot1 om het koninklijke gezag te vermeesteren en de oude koning werd in zijn eigen paleis gevangen gehouden4 ,de prinses hield nu het toezicht over het openen der sluizen1 en vatte het dwaze plan op om ze bij springtij zelf te openen6444 ,het was avond2 de koning zag ,st4-,guenolus1 den apostel van ,bretagne komen1 die hem de onvoorzichtigheid zijner dochter mededeelde3 de zee drong in de stad door1 de storm stuwde het water voort1 en daar de geheele stad op het punt was te verdwijnen1 bleef hem niets over dan de vlucht4 ,toch wilde de koning zijne dochter nog redden3 hij liet haar halen1 plaatste haar vr zich op zijn paard en begaf zich1 gevolgd door eenige hovelingen1 naar de poorten der stad4 ,toen hij die poorten bereikt had1 hoorde hij een akelig gebulder2 omziende1 zag hij1 dat waar vroeger de stad ,is gestaan had1 zich eene onmetelijke baai uitstrekte1 waarin de sterren haar licht weerkaatsten4 ,en al meer en meer naderden hem de golven4 ,reeds wilden zij hem bereiken en omverwerpen1 daar hoorde hij eene stem3 ,gradlon1 indien gij niet wilt omkomen1 laat dan den demon los1 dien gij met u voert4 ,verschrikt voelde ,dahut1 hoe hare krachten haar verlieten1 een sluier bedekte hare oogen1 hare handen1 die stuipachtig de borst haars vaders omklemden1 verstijfden en vielen langs haar neer3 zij stortte in de golven4 ,en zie1 nauwelijks hadden de golven haar verzwolgen1 of het water bleef stil staan4 ,de koning kwam behouden te ,quimper en vestigde daar zijne residentie4 ,zeker is dit verhaal eene legende1 maar toch bevat het eenen grond van waarheid3 de overstrooming eener groote stad in de ,vde eeuw onzer jaartelling4 ,behalve ,is zijn ook door de zee verzwolgen3 de stad ,herbadilla 7bij ,nantes71 in #ehj1--,tolente1 bij ,brest2--,nazado1 bij ,erquy2--,gardoine1 in de vlakte van ,dol1 ten tijde van ,karel den ,groote4 ,van den mond der ,loire tot ,finistre vindt men geen enkel gedeelte1 waar niet overstroomde steden gevonden worden1 en geen strand1 waar men niet sporen vindt1 waaruit blijkt1 dat die plaatsen vroeger bewoond waren4 ,op de kust bij ,duinkerken1 daar waar thans het strand door de zee bedekt wordt1 waren eertijds bosschen4 ,het strand te ,etaples 7bij ,montreuil7 bevatte een zoo groot aantal in het zand bedolven boomen1 dat de staat het recht verpachtte1 om ze uit te graven4 ,belgi en ,nederland dalen langzaam2 de grond der steden1 in de nabijheid der kust gebouwd1 is beneden de oppervlakte der zee1 zelfs bij de laagste getijden2 op verscheidene plaatsen komt de zee bij hoog water boven de daken der huizen4 ,indien die streken toch bewoond zijn en tot het oude land behooren1 dan hebben zij dat te danken1 niet aan de natuur1 maar aan de door de menschen vervaardigde dijken1 en dat wel sedert de oudste tijden van de geschiedenis van ,nederland4 ,nog steeds worden die streken met bewonderenswaardige volharding tegen de zee beveiligd4 ,wij behoeven slechts eenige feiten mede te deelen1 om een denkbeeld te verkrijgen van den strijd1 dien de inwoners van ,nederland tegen het water hebben te leveren4 ,in de #ab;de en #ac;de eeuw verwoesting der kust3 #adj #jjj slachtoffers4 ,in #abhb1 vorming der ,zuiderzee1 door instrooming van het water in het meer ,flevo4 ,in #acba1 #ajj #jjj slachtoffers4 ,in #adba1 #gb dorpen verzwolgen aan den mond van de ,maas4 ,in #adbg1 #ee dorpen verwoest4 ,in #aegj1 doorbraak van de dijken aan den mond van de ,maas1 #aj #jjj slachtoffers4 ,in #aeca1 vergrooting van de ,haarlemmermeer4 ,in #agag1 nieuwe overstrooming1 #ab #jjj slachtoffers1 de grond is tien meters onder de vloedlijn gedaald4 ,in #agge overstrooming en tal van rampen1 enz4 ,de kronieken van ,nederland bevatten de treurigste verhalen van die vreeselijke werking der zee op eenen steeds dalenden bodem4 ,in de jaren #adba1 #adbg en #addf werden meer dan tweehonderd dorpen van ,friesland en ,zeeland verzwolgen4 ,langen tijd zag men de spitsen der torens boven het water uitsteken4 ,het eiland der ,batavieren1 reeds tijdens ,tacitus bewoond1 ligt thans onder de laagwaterlijn4 ,bij hevige westerstormen staan de golven op de ,hollandsche kust #e #a_/b meter boven de straten van ,amsterdam4 ,de ,zuiderzee1 die eene oppervlakte heeft van #aif #fgj hectaren en eene diepte heeft van #a tot #h meters1 is eerst in de dertiende eeuw ontstaan4 ,de tijd is waarschijnlijk niet meer ver af1 dat menschenhanden haar zullen droog maken en dienstbaar zullen maken aan den landbouw1 zooals dit ook geschied is met de ,haarlemmermeer1 die #ba kilometers lang en #aj kilometers breed was en #gbd millioen cubieke meters water bevatte4 ,ten tijde van ,tacitus was de ,zuiderzee vast land met enkele meren1 waarvan het grootste het meer ,flevo was4 ,toen stroomde de ,i,jsel daar doorheen1 en stortte zich deze1 zijnen loop vervolgende1 tusschen ,vlieland en ,terschelling in zee4 ,dezelfde verschijnselen als aan de ,nederlandsche kusten neemt men ook waar aan den mond der ,gironde4 ,men behoeft slechts de kaarten van het jaar #ageb met die van #ahdb te vergelijken1 om te zien1 dat de zee daar in dien tijd #abjj meters is vooruitgegaan4 ,in #aggd was de vloedlijn te ,soulac #iej meters van de kerk verwijderd1 in #ahfe nog slechts #efj meters4 ,de rots van ,cordouan maakte eertijds deel uit van het vaste land2 in het jaar #aejj was zij er bij laag water alleen door eene nauwe en doorwaadbare geul van gescheiden4 ,thans is zij zeven kilometers van de kust verwijderd en men kan alleen bij laag water den toren bereiken4 ,zelfs kan men wiskundig aantoonen1 hoeveel de jaarlijksche daling bedraagt4 ,immers door de daling van den bodem heeft men den vuurtoren moeten verhoogen1 opdat het licht over dezelfde uitgestrektheid zichtbaar zoude zijn als eene eeuw geleden4 ,de daling bedraagt drie meters in de eeuw4 ,hier heeft echter ook het inbijten van het zeewater zich met de daling van den bodem vereenigd4 ,het eiland ,aix1 tegenover ,rochefort1 is in het jaar #adjj van ,rochefort losgeraakt2 thans ligt het er verscheidene kilometers van verwijderd4 ,hetzelfde is het geval met ,arcachon1 en op de kust van ,landes tot aan ,spanje4 ,zeer merkbaar is die vooruitschuiving der zee te ,saint-,jean-de-,luz4 ,de stad strekte zich eertijds noordwaarts uit3 een klooster der ,benedictijnen1 dat daar vroeger stond1 is thans onder het water bedolven en verwoest1 met uitzondering van twee putten1 wier metselwerk weerstand heeft geboden aan het water1 en waaruit men nog zoet water putten kan4 ,jaarlijks gaat de zee twee meters vooruit4 ,in de ,middellandsche zee1 aan het uiteinde der ,adriatische zee1 is ,veneti een voorbeeld van de langzame daling van den bodem3 deze bedraagt #j1aee meter in de eeuw4 ,het plaveisel van het ,marco-plein1 dat reeds eenmaal is opgehoogd1 wordt van tijd tot tijd overstroomd door het water dat bij springvloed doorsijpelt4 ,het is dus zeker1 dat de bodem van ,nederland1 ,belgi1 ,normandi1 ,bretagne en een gedeelte van de ,fransche kust van den ,atlantischen ,oceaan daalt4 ,hoeveel bedraagt die daling8 ,sommigen schatten die op #b meters in de eeuw1 en beweren1 dat ,normandi en ,bretagne in tien eeuwen #bj meters zullen gedaald zijn1 dat alle havens aan het kanaal en aan den ,oceaan zullen verwoest worden1 en dat later ,parijs eene zeestad zal worden1 om nog later1 over een twintigtal eeuwen1 onder het water te verdwijnen2 anderen daarentegen zijn van meening1 dat dit nog wel zevenmaal langer zal duren4 ,het is echter slechts eene vraag van tijd4 ,het feit op zichzelf is niet betwistbaar4 ,over eenige eeuwen zal ,parijs zeehaven geworden zijn1 uitsluitend door de krachten der natuur1 later zal diezelfde streek langzaam onder de zee verdwijnen1 tenzij ten minste die daling ophoude en er eene rijzing op volgt1 wat mogelijk is1 maar volstrekt niet zeker4 ,de ,seine is te ,parijs slechts #bf meters boven den gemiddelden waterspiegel der zee gelegen4 ,in toekomstige eeuwen zullen het ,pantheon1 de sterrenwacht1 de ,triomfboog1 de toekomstige gebouwen van ,montmartre1 ,pre-,lachaise en ,mont-,valrien boven de zee uitsteken als de laatste getuigen van vervlogen eeuwen4 ,maar het is hoogstwaarschijnlijk1 dat die heerlijke stad niet zoolang leven zal1 en dat zij over vier- vijf- of zesduizend jaren reeds vergeten zal zijn1 als de brandpunten der beschaving zich naar gene zijde van den ,atlantischen ,oceaan zullen hebben verplaatst4 ,wat ,holland1 de baai ,st4-,michel1 ,veneti1 ,cordouan en andere betreft1 valt er aan het dalen van den bodem niet te twijfelen4 ,in andere gevallen komt nog bij die daling de verwering der kusten door de golven der zee4 ,somtijds ook1 zooals bij ,kaap la ,hve is de uitbreiding van de zee alleen het gevolg van het knagen aan de kusten1 zonder dat de bodem gedaald is4 ,overal waar de rotsen ondermijnd worden door het water1 wordt de kust weggebeten4 ,in ,engeland vindt men daarvan een aantal voorbeelden4 ,het eiland ,sheppey in ,kent1 verliest meer dan eene hectare in het jaar1 en als dit zoo voortgaat1 is de tijd niet ver meer verwijderd1 dat het geheele eiland verdwenen is4 ,verder oostwaarts ziet men de kerk van ,reculver1 die ten tijde van ,hendrik ,,viii op #afjj meters van de zee verwijderd was4 ,in #agha was er nog een aanzienlijke afstand tusschen den muur van het kerkhof en de klip2 in #ahjd werd een deel van het kerkhof bedolven2 in #ahcd vond ,lyell menschenbeenderen en een stuk van eene houten doodkist1 die uit de ingestorte glooiing uitstak1 thans blijft de kerk alleen staan door eenen kunstmatigen dijk van steenen en palen1 die haar beschermt 7fig4 #aaj en #aaa74 ,op de kust van ,suffolk is de stad ,dunwich1 eertijds de belangrijkste haven van die streek1 door het inwerken van het water op de rotsen1 waarop zij gebouwd was1 geheel verwoest4 ,de verwoesting begon in de #aa;de en is in de #ah;de eeuw voleindigd4 ,te ,harwich1 ,folkestone1 ,st4 ,leonard1 ,hastings1 ,new-,haven wordt de kust door de zee afgeknaagd1 die op verschillende punten meer dan honderd meters in de eeuw vooruitgaat4 ,men houdt met die afneming der ,engelsche kusten op sommige plaatsen zzeer rekening1 dat men ze bij koopactes schat op #a meter in het jaar4 ,ook in ,turkije1 b4v4 te ,gallipoli1 knaagt de zee aan de rotsen4 ,dikwijls kan de mensch die verwoesting der klippen in bedwang houden door de golven te beletten1 tot den voet der steilte door te dringen4 ,niet ver van ,dover verheft zich de beroemde klip1 die de ,engelschen aan ,shakespeare gewijd hebben ter herinnering aan de schoone beschrijving1 door hem daarvan in ,king ,lear gegeven4 ,om die historische plek1 de rotsen en de daarop gebouwde huizen1 den spoortrein1 te beschermen1 heeft men door mijngangen het geheele bovenste deel der rots1 wier voet verteerd was1 laten springen4 ,door middel van #i #jjj kilogram kruit heeft men n milliard kilogram verbrijzeld en doen nerstorten1 welke massa eene bank vormt van zeven tot acht hectaren1 die door hare glooiing in de eerste eeuwen de verwoesting der rots belet1 welke reeds gedurende achttien eeuwen over eene lengte van twee kilometers afgeknaagd was4 ,kan men reeds van geslacht tot geslacht en zelfs van jaar tot jaar dat knagen der zee volgen bij klippen op het vasteland gelegen1 des te sterker komt dit uit op eilanden4 ,enkele sterk glooiende eilanden1 die vroeger eene groote uitgestrektheid hadden1 zijn bijna geheel verdwenen4 ,zoo kan men in de ,noordzee het eiland ,helgoland noemen1 dat bestaat uit bonte zandsteen1 en dat over zijnen geheelen omtrek omgeven is door eene rotssteilte van #fj meters hoogte4 ,in de elfde eeuw strekte het zich uit over eene oppervlakte van #ijj vierkante kilometers1 was het zeer vruchtbaar1 en rijk aan graan1 vee en pluimgedierte4 ,thans is er nog slechts eene bank over van #b kilometers lengte en #fjj meters breedte1 en vindt men er onvruchtbare weilanden en enkele aardappelvelden4 ,zoo zouden wij nog een groot aantal voorbeelden kunnen noemen4 ,indien eenerzijds de zee aan het vasteland knaagt1 kunnen wij anderzijds voorbeelden genoeg vinden1 hoe het vasteland aanwint ten koste van de zee4 ,wij hebben reeds gesproken over de monden der rivieren en zullen thans enkele voorbeelden geven van de rijzing van den bodem4 ,in ,bretagne vormden het vlek ,batz tusschen de ,loire en de ,vilaine1 le ,croisic en ,pouliguen1 eertijds een eiland4 ,langzamerhand is de ruimte tusschen het eiland en het vasteland in eene moeras veranderd4 ,strabo verhaalt1 dat dit eiland bewoond werd door ,samnitische priesteressen1 die daar eenen wreeden en onzinnigen godsdienst uitoefenden4 ,de zoutmoerassen zijn door de zee verlaten4 ,te ,carnac wijkt de zee terug1 te ,hennebont eveneens2 te ,brouage1 niet ver van ,rochefort1 is de zee teruggeweken en heeft zij plaats gemaakt voor zoutpoelen4 ,de vrachtdieren worden thans vastgemaakt aan dezelfde ringen1 waaraan tijdens het beleg van ,la ,rochelle 7#afbg7 de schepen van ,richelieu bevestigd werden4 ,het stadje ,brouage1 dat thans om zijne ongezonde ligging verlaten is1 krijgt in zijne grachten alleen bij springvloed water4 ,in ,rochefort zijn de scheepshellingen1 die ten tijde van ,lodewijk ,,xiv vervaardigd zijn1 thans #a1be meter te hoog2 in de zoutpoelen daar ter plaatse bemerkt men1 dat van jaar tot jaar de bodem rijst1 en moet men1 om het water te doen binnenstroomen1 dat het zout moet leveren1 meer en meer tot de kust naderen1 en de oude verdampingsbekkens laten liggen1 die nu eene breede strook vormen achter de thans in gebruik zijnde bekkens4 ,ten zuiden van den mond der ,loire vindt men het eiland ,noirmontiers1 eertijds een op zich zelf staand eiland1 thans bij eb aan het land verbonden4 ,de gemeente ,bourgneuf heeft in honderd jaren #ejj hectaren aangewonnen4 ,de baai van ,aiguillon schijnt het overblijfsel te zijn van de oude golf van ,poitou1 die zich tot ,niort1 ,luon en ,couron uitstrekte2 aanslibbingen en misschien ook eene rijzing van de kust hebben in betrekkelijk korten tijd eene landaanwinst van #ejj #jjj hectaren geleverd3 men berekent1 dat de zee jaarlijks dertig hectaren afstaat2 blijft dit zoo voortduren1 dan is van de geheele golf van ,poitou over honderd jaren niets meer over4 ,op de kust der ,vende1 bij ,aiguillon1 bezaten de monniken van ,saint-,michel-en-l',herm een onmetelijk terrein met visscherijen en paardenstoeterijen1 die honderdduizenden guldens jaarlijks opbrachten2 daar zij wenschten de landaanwinningen voor zich te behouden en vreesden1 dat de koning hun die vermeerdering zoude betwisten1 luidden hunne eigendomstitels3 in het westen tot aan ,amerika4 ,men ziet1 dat zij de noodige voorzorgsmaatregelen genomen hadden4 ,hendrik ,,iv durfde des avonds bij stormweder niet over te steken naar het eiland ,noirmoutiers1 hoewel die overtocht thans bij elk mogelijk weder op paarden of ezels geschiedt4 ,bij al die oorzaken van verandering der kusten moeten wij nog de zandduinen voegen1 door den zeewind voortgestuwd4 ,op de kust van de ,landes in ,gascogne brengt de zee jaarlijks #f millioen cubieke meters zand aan6 ,dat zand1 door den wind voortgedreven1 vormt heuvels1 somtijds bergen4 ,er zijn er van #hj tot #ij meters hoogte4 ,in ,afrika1 op de lage zandoevers1 waar de ,oceaan aan de ,sahara grenst1 bereiken de duinen van kaap ,bojador en kaap ,verde dikwijls eene hoogte van #abj tot #ahj meters4 ,men heeft van eeuw tot eeuw dorpen zien bedelven onder het fijne stof4 ,in ,gascogne zijn de dorpen ,lislan en ,llos geheel verdwenen4 ,het dorpje ,mimizan is nog bijtijds gered door palen en beplantingen4 ,sommige duinen verplaatsen zich #bj tot #be meters jaarlijks4 ,de mensch houdt ze thans tegen door beplantingen1 die den wind geen vat geven4 ,indien de zeewind en de landwind gemiddeld met elkander evenwicht maken1 blijven de duinen op hunne plaats2 wat zij den nen dag winnen1 verliezen zij den volgenden dag4 ,maar indien de zeewind de overhand heeft1 breiden zij zich hoe langer zoo verder uit en vormen zij wandelende heuvels1 die onverbiddelijk in het land binnendringen4 ,zoo bedekken de duinen van ,santec in de nabijheid van ,saint-,pol-de ,leon 7,finistre7 eene streek1 die tot in #afaf bewoond en vruchtbaar was2 men kon nog in het begin dezer eeuw1 de klok van den toren en enkele schoorsteenen boven het zand zien uitsteken4 ,de duinen gingen jaarlijks #ecg meters vooruit6 ,men heeft dien voortgang tegengehouden door beplanting4 ,in ons land heeft men dezelfde verschijnselen waargenomen4 ,van #adba tot #afbe is het dorp ,petten eenmaal geheel vernield en heeft het tweemaal zveel verloren1 dat men de huizen landwaarts heeft moeten verplaatsen4 ,de ,hondsbossche zeedijk was in de zeventiende eeuw nog door duinen van #cej meters breedte beschermd2 sedert dien tijd is dat duin weggeslagen4 ,van #affj tot #ahci is de laagwaterlijn #fgj meters oostwaarts verplaatst4 ,de voet der duinen is langs de kust van ,noord-,holland van #ahdc tot #ahec gemiddeld #bj meters geweken4 ,op sommige plaatsen is door aanstuiving het weggeslagene weder teruggegeven4 ,van ,noordwijk-buiten en ,katwijk-buiten is herhaaldelijk een deel der huizen door stormvloeden weggeslagen4 ,het huis te ,britten1 waarvan in #afid nog de fundamenten gezien zijn1 lag een paar duizend meters van het tegenwoordige strand4 ,de kerk te ,scheveningen ligt op #ahjj meters van de plaats1 waar de vorige gestaan heeft4 ,op ,voorne en ,goeree hebben zich de duinen eveneens oostwaarts verplaatst1 z zelfs dat de zee gronden heeft vermeesterd1 die vroeger aan den binnenkant der duinen lagen4 ,men ziet1 dat een aantal oorzaken inwerken op den vorm der kusten4 ,somtijds worden de brokstukken der klippen als keisteenen en zand langs de kusten medegevoerd door de vloedgolven1 en worden daardoor banken gevormd4 ,dit is het geval op de kusten van het ,kanaal1 aan den mond van de ,somme1 op de kusten van ,vlaanderen1 ,holland en het oosten van ,engeland4 ,de zeestroomen1 de windrichting en de loop van het zand1 dat naar de monden der stroomen gevoerd wordt1 veranderen dus op ingewikkelde wijze de gedaante der kusten4 ,doch keeren wij tot de beweging van den bodem terug4 ,het duidelijkst blijkt de langzame doch zekere verandering van den bodem in ,zweden en het geheele ,scandinavische schiereiland1 dat aan de ne zijde rijst1 terwijl het aan de andere zijde daalt4 ,reeds in #agcj had de ,zweedsche sterrenkundige ,celsius 7bekend door den honderddeeligen thermometer7 uit de berichten van boeren en visschers afgeleid1 dat de ,bothnische golf van jaar tot jaar in diepte en uitgestrektheid afneemt2 oudere lieden wezen hem verschillende punten van de kust aan1 waar de zee in hunne jeugd nog kwam2 de namen der plaatsen1 de binnenwaartsche ligging van vroegere havens1 de overblijfselen van booten1 ver van de zee gevonden1 de volkszangen1 konden daaromtrent geenen twijfel overlaten4 ,was het hier de zee1 die gedaald1 of de grond1 die gerezen was8 ,toen ten tijde was men algemeen van gevoelen1 dat de bodem onveranderlijk was1 en zoowel ,celsius als de andere geleerden van zijnen tijd schreven de verandering toe aan eene vermindering van het water der ,baltische ,zee4 ,het volgende jaar1 in #agca1 trok hij met ,linnaeus eene merklijn aan den voet van eene rots op het eiland ,loeffgrund1 en dertien jaren later was het water #j1ah meter gezakt4 ,hij werd door de theologen van ,stockholm en ,upsala1 die beweerden dat de schepping onveranderlijk was1 van onrechtzinnigheid beschuldigd1 en zelfs werd het ,parlement geroepen1 om het vraagstuk door stemming te beslissen4 ,de vertegenwoordigers van het volk en den adel hadden zveel gezond verstand1 dat zij zich onbevoegd verklaarden2 maar de geestelijkheid en de burgerij verklaarden de nieuwe meening kettersch6 ,de geschiedenis der kerkelijke ijdelheid zal toch steeds merkwaardig blijven6 ,doch de uitspraak der ,zweedsche theologen belette de aarde niet te veranderen4 ,sedert ,celsius en ,linnaeus heeft men de waarnemingen voortgezet1 en heeft men duidelijk aangetoond1 dat werkelijk de bodem van ,zweden merkbaar in het noorden rijst en in het zuiden daalt4 ,de scheidingslijn loopt van de ,zweedsche kust naar die van ,sleeswijk-,holstein1 tot voorbij ,bornholm en ,laaland4 ,volgens de laatste opmetingen 7#ahhd7 is de noordelijke kust in #aec jaren #b1aj meters gestegen4 ,daarentegen daalt het zuidelijk uiteinde van het ,scandinavisch schiereiland en ook ,jutland langzaam4 ,oude bosschen aan de kust der zee zijn verzwolgen en dalen nog steeds4 ,enkele straten van ,trelleborg1 ,istad1 ,malm staan thans onder water3 de laatste stad is sedert #agca #a1ee meters gedaald4 ,tot op #bg meters hoogte vindt men zeeschelpen1 die overeenkomen met die1 welke thans in die zeen gevonden worden4 ,toen men de kanalen groef1 die bij ,stockholm het ,mlarmeer met de zee verbinden1 kwamen oude begraven schepen te voorschijn4 ,toen men eenen heuvel afgroef1 vond men eene houten woning1 op #ae meters diepte onder het zand1 de klei en de grint bedolven4 ,ook in ,devonshire en in ,cornwall 7,engeland7 vond men onder de zee begraven bosschen2 bij laag water vindt men een aantal zwart geworden stompen van boomen1 en pootaarde1 waarin hazelnoten1 takken1 bladeren en beenderen gevonden worden4 ,die stompen staan alle vertikaal3 de daling moet dus langzaam en zonder schokken hebben plaats gehad4 ,van ,kessing tot ,cromer 7,norfolk7 is een bosch van #fd kilometers lengte zichtbaar bij laag water2 dat bosch bestaat uit boomstammen1 die nog met de wortels aan den grond bevestigd zijn2 er zijn er onder1 die van #fj tot #ij centimeters middellijn hebben1 en de kleibedding1 waarin zij gevonden worden1 bevat eene groote hoeveelheid plantaardige stoffen4 ,zij komen te voorschijn1 zoo dikwijls de golven bij laag water het zand en de keisteenen hebben weggeruimd1 die ze bedekken4 ,ook te ,plumstead1 te ,dagenham1 en andere gedeelten van de ,theems1 tusschen ,woolwich en ,erith1 kan men bij laag water de overblijfselen vinden van een bosch1 waarover tegenwoordig de ,theems stroomt2 men heeft daar onder #f tot #h voet aangeslibden grond1 eenen bodem gevonden1 bestaande uit takken1 bladeren1 en sporen van boomen en beenderen van dieren uit het tegenwoordig tijdperk4 ,die daling is van jongen datum1 evenals alle vorige4 ,de stad ,londen is op een oud bosch gebouwd1 dat eertijds bewoond werd door dierenrassen1 waarvan men de overblijfselen heeft weergevonden4 ,die dalingen en rijzingen hebben niet alleen in het tegenwoordige tijdperk plaats gehad2 ook eertijds deed zich ditzelfde verschijnsel voor1 en daaruit kan de verscheidenheid in de hoogte van de aardschors verklaard worden4 ,groenland1 thans overdekt met ijs en bezaaid met puinhoopen1 was1 zooals de naam aanduidt2 eertijds een vruchtbaar land4 ,na de reizen1 in #ihc en #ihf door ,erik den ,roode gedaan1 werd het land langs de kusten gekoloniseerd4 ,thans bedekt het ijs meer dan de helft van de twee milliard vierkante kilometers zijner oppervlakte4 ,het is na de ijsperiode gerezen1 en die rijzing heeft banken van schelpen1 overeenkomende met die1 welke thans in de naburige zee gevonden worden1 tot #ej meters opgevoerd4 ,de expeditie van #ahgi tot #ahhc op last van de ,deensche regeering ondernomen1 heeft eene rune gevonden uit de middeleeuwen1 op eene klip gelegen1 die zzeer gedaald is1 dat de zee den voet aanraakt4 ,de westelijke kust daalt langzaam maar zeker4 ,niet ver van ,groenland vindt men op de oude zeekaarten op #eg ,n4,b4 en #cj ,w4,l4 het verdronken ,bussland1 waarvan men thans geen spoor meer terugvindt4 ,daar staat thans #gdh vademen water boven eenen onderzeeschen berg1 waaromheen aan weerszijden de diepte #abjj vademen bedraagt4 ,toch wezen nog in #aggg de zeekaarten daar eene klip aan4 ,nog verder teruggaande in de geschiedenis vindt men in #achj het verhaal van twee ,venetiaansche edelen1 ,nicola en ,antonio ,zeni1 die1 door eenen storm overvallen1 zijn opgenomen door eene ,christelijke bevolking1 die een groot eiland bewoonde1 waarop honderd steden en honderd dorpen gevonden werden4 ,was dat eiland ,bussland of een deel van ,groenland8 ,de geschiedenis zwijgt er over4 ,waarschijnlijk is daar een verdronken eiland4 ,wij mogen na het voorgaande als zeker aannemen1 dat de westkust van ,groenland1 het zuidelijk uiteinde van ,zweden1 ,pruisen1 ,hannover1 ,holland1 ,belgi1 ,vlaanderen1 ,picardi1 ,normandi1 een groot deel van ,bretagne1 7de ,vende1 ,poitou1 ,saintonge schijnen te rijzen71 de ,landes en ,gascogne tot aan ,spanje1 de kust der ,adriatische zee1 de ,nijldelta en de streek van het ,suezkanaal1 de monden van den ,indus en de ,gangesdelta1 dalen4 ,de oostkust van ,noord-,amerika tusschen ,florida en ,new-,foundland1 en ,brazili van den mond der ,amazonenrivier tot aan de ,pornahyba1 de ,amazonenvallei1 die over #ejj kilometers door den ,oceaan bedekt is en de ,andes1 waarop ,quito gebouwd is1 schijnen langzaam te dalen4 ,daarentegen rijzen ,spitsbergen1 de ,oostkust van ,siberi1 ,noorwegen en de ,scandinavische ,alpen1 ,schotland1 ,sardini1 ,tunis1 de beide oevers der ,roode zee en ,turkestan4 ,oudtijds was ,engeland met ,frankrijk verbonden4 ,aan weerszijden van het kanaal is de geologische gesteldheid van den bodem dezelfde2 men vindt er dezelfde formaties1 en de in ,frankrijk waargenomen rijzingen zetten zich in ,engeland1 aan de overzijde van het kanaal1 voort4 ,engeland heeft geene enkele plant1 geen enkel dier1 dat niet van het vasteland afkomstig is4 ,bij het nauw van ,calais heeft de vereeniging van de wateren van den ,atlantischen ,oceaan met die der ,noordzee plaats gehad3 de afstand van de ,engelsche en ,fransche kust is daar nog thans slechts #bb kilometers en de grootste diepte is daar #eg meters4 ,wanneer is het nauw van ,calais ontstaan8 ,dit is moeilijk uit te maken2 zeker is het1 dat het in het tegenwoordig tijdperk1 en misschien wel na het optreden van den mensch moet geschied zijn4 ,een sterke stormvloed kan voldoende geweest zijn1 om den doorgang te openen4 ,het nauw van ,calais wordt steeds dieper4 ,eene eerste kaart van den bodem van het kanaal van het jaar #agcg geeft #bi vademen voor de grootste diepte tusschen ,dover en ,calais2 zij wijst bovendien eene bank aan over de geheele breedte van het nauw1 waarboven slechts #ai vademen water stond4 ,in #agcg was dus de grootste diepte #dg meters4 ,de kaart1 in #ahgf vervaardigd1 naar aanleiding van het plan van den onderzeeschen tunnel tusschen ,frankrijk en ,engeland1 geeft voor dat maximum #eg meters4 ,het kanaal zou dus in #aci jaren #aj meters dieper geworden zijn4 ,wel kunnen wij op de peilingen van de vorige eeuw niet volkomen vertrouwen1 maar aan de daling van den bodem valt toch niet te twijfelen4 ,tusschen ,folkstone en kaap ,gris-,nez vindt men banken1 die slechts vijf of zes meters onder water liggen4 ,de landengte van ,dover-,calais is dus nog zichtbaar4 ,het nauw van ,calais wordt niet alleen dieper1 het wordt ook breeder4 ,de rotssteilte van kaap ,gris-,nez1 het uiteinde van ,frankrijk1 dat het dichtst bij ,engeland gelegen is1 wijkt jaarlijks #be centimeters terug4 ,ditzelfde is bij ,dover het geval4 ,ook ,ierland is in de tegenwoordige geologische periode van ,engeland gescheiden4 ,evenals ,engeland eertijds aan ,frankrijk verbonden was1 zoo was ook ,afrika aan ,europa verbonden4 ,de straat van ,gibraltar heeft niet altijd bestaan4 ,reeds de ouden hadden1 met het oog op den symmetrischen vorm van beide kusten1 daarvan een vermoeden3 volgens hen had ,hercules den doorgang tusschen den ,atlantischen ,oceaan en de ,middellandsche zee geopend4 ,sallustius beschouwt het zelfs als eene ongerijmdheid2 dat men ,europa en ,afrika verschillende namen heeft gegeven4 ,evenals het nauw van ,calais1 zoo wordt ook de straat van ,gibraltar wijder onder den invloed der verschijnselen in den dampkring1 de stormvloeden en de zeestroomingen4 ,uit een dierkundig oogpunt kan men het oorspronkelijke verband tusschen ,afrika en ,europa hieruit afleiden1 dat in het noorden van ,afrika geene enkele soort van levende weekdieren gevonden wordt1 die niet ook in het zuiden van ,spanje voorkomt4 ,de straat van ,gibraltar1 oudtijds bekend onder den naam van de ,zuilen van ,hercules om de reusachtige rotsen1 die beide kusten begrenzen1 wordt van eeuw tot eeuw wijder en dieper4 ,plinius1 ,pomponius ,mela1 ,avienus spreken van boomrijke eilanden1 die haar doorsneden2 er zou zelfs een tempel gestaan hebben ter eere van ,hercules4 ,volgens ,plinius was de kleinste breedte #aj of #aa kilometers1 de grootste breedte #ad #a_/b kilometer4 ,thans is de grootste breedte #af kilometers4 ,de zee heeft de stad ,belo verzwolgen1 op #ab kilometers ten oosten van ,tarifa1 en in de baai van ,gibraltar zelf1 een deel der stad ,carteya4 ,hoeveel landen zijn sedert het optreden der menschheid reeds verdwenen6 ,allen1 die de oude letteren liefhebben1 hebben in ,plato de schoone bladzijden gelezen1 gewijd aan de herinnering van ,atlantis1 dat geheimzinnige land1 dat eertijds bestond tusschen ,europa en ,amerika1 en waarop een vroeger menschengeslacht geleefd heeft4 ,zeker is het1 dat in de miocene periode de planten en dieren van ,europa en ,amerika dezelfde waren1 hoezeer zij ook thans mogen verschillen4 ,waarschijnlijk was dus in dien tijd het verdwenen vasteland1 dat zijnen naam gegeven heeft aan den ,atlantischen ,oceaan1 door eilanden aan ,europa zoowel als aan ,amerika verbonden4 ,de bewoners der ,canarische eilanden zijn zelfs wel eens beschouwd als de afstammelingen der oudste menschheid1 die ,atlantis bewoonde4 ,het eiland ,madagascar is ongetwijfeld een stuk van een vastland1 onder de golven gedaald4 ,hoewel niet zoo ver van ,afrika verwijderd1 heeft het toch geheel andere plant- en diersoorten2 er komen zelfs slangen en apen voor1 die nergens anders op de aarde gevonden worden4 ,hetzelfde is met het eiland ,ceylon het geval4 ,het behoorde ongetwijfeld met ,madagascar en de ,seychellen tot een oud vastland1 thans in den ,indischen ,oceaan ondergegaan4 ,de meeste ,antillen schijnen te behooren tot een vastland1 dat niet met ,noord ,amerika in betrekking stond4 ,iedereen weet1 dat ,nieuw-,zeeland eene geheel op zich zelf staande planten- en dierenwereld bezit4 ,noch de levende soorten1 noch de fossielen komen overeen met die van ,australi of ,zuid-,amerika4 ,naar de zoo merkwaardige versteeningen1 te ,pikermi gevonden3 hipparion's1 antilopen1 giraffen1 mastodonten1 rhinocerossen1 dinotheriums1 machaerodonten1 te oordeelen1 is ,griekenland het overblijfsel van een oud vastland1 dat uitgestrekte bosschen en overvloedige weilanden bezat1 en dat zich tot ,afrika uitstrekte over de streken1 thans aangewezen door de eilanden van den ,griekschen ,archipel en de ,zee van ,kandia4 ,alles verandert met grootere of kleinere snelheid4 ,wie kent niet bij name den prachtigen waterval van de ,niagara6 ,deze levert een prachtig voorbeeld van de langzame uitholling eener diepe vallei in het harde gesteente4 ,de rivier stroomt over eene hooge bergvlakte1 waarin het bekken van het ,eriemeer eene uitholling vormt4 ,het gedeelte1 waar de rivier uit het meer komt1 is meer dan #afjj meters breed en ligt meer dan #ajj meters boven het ,ontariomeer1 dat #dh kilometers daarvan verwijderd is4 ,als de ,niagara het ,eriemeer verlaat1 op de #be eerste kilometers van haren loop1 wordt zij begrensd door oevers1 die bijna even hoog liggen als het aangrenzend land1 ten westen opper-,canada en ten oosten de staat ,new-,york2 de oevers zijn daar nergens meer dan #i of #ab meters boven de oppervlakte van het land4 ,de rivier1 op sommige plaatsen #dhjj meters breed1 en op verschillende plaatsen doorsneden door lage1 en boomrijke eilanden1 vormt eenen helderen en rustigen stroom2 het verval bedraagt slechts #d1ej meters op eene uitgestrektheid van verscheidene kilometers2 de rivier gelijkt in dat gedeelte van haren loop op eenen arm van het ,eriemeer4 ,maar spoedig verandert zij van karakter1 en zoodra zij den waterval nadert1 loopt zij schuimend over eene bedding van steenachtige en oneffen kalksteen1 en doorloopt zij zoo eenen weg van omstreeks #afjj meters1 totdat zij eindelijk1 aan den waterval gekomen1 vertikaal neervalt van eene hoogte van #ej meters4 ,een eiland1 aan den rand van den val gelegen1 verdeelt de ,niagara in twee watervlakten2 de grootste is #ecj1 de kleinste #ahj meters breed4 ,nadat het water zich gestort heeft in een diep bekken1 stroomt het met groote snelheid in een nauw kanaal met groote helling over eene uitgestrektheid van elf kilometers4 ,die bergkloof1 die slechts van #bjj tot #djj meters breed is1 en van #fj tot #ij meters diep1 eindigt plotseling te ,queenstown in eene lange rij van rotssteilten tegenover den oever van het ,ontariomeer4 ,zoodra de ,niagara die engte voorbij is1 komt zij in eene vlakte1 die z weinig hooger ligt dan het ,ontariomeer1 dat de elf kilometers1 begrepen tusschen ,queenstown en de oevers van dat meer1 slechts een verval hebben van #ab centimeters4 ,een blik op dien waterval wijst reeds op eene voortdurende verwoesting2 het gedeelte van het bekken1 dat in de laatste #aej jaren ontstaan is1 en dat in diepte1 breedte en aard overeenkomt met het overige deel van de engte1 die zich beneden uitstrekt over eene lengte van elf kilometers1 doet ons besluiten1 dat de geheele bergkloof op dezelfde wijze gegraven is1 door teruggang van den waterval4 ,in het jaar #ahhe heeft ,wesson nagegaan1 hoeveel de waterval teruggaat1 nadat reeds ,bakewell in #ahbi en ,lyell in #ahda hetzelfde hadden gedaan4 ,fig4 #aad geeft de merklijnen van dien teruggang aan1 volgens de officieele kaart der ,vereenigde ,staten van ,amerika4 ,die teruggang is niet regelmatig2 maar van #ahdb tot #ahhc bedraagt hij #gg meters1 of gemiddeld #a1hh meter 's jaars4 ,naar dien maatstaf zoude de waterval eerst voor #fjjj jaren begonnen zijn terug te gaan1 te beginnen bij ,queenstown4 ,lyell had over eene kleinere uitgestrektheid voor dien teruggang #j1cj meters 's jaars gevonden1 hetgeen dus op eenen tijd van #cejjj jaren zoude wijzen4 ,eertijds stroomde de rivier in eene andere bedding1 waarvan men de sporen niet ver van de tegenwoordige bedding terugvindt4 ,deze veranderingen gaan ongemerkt voorbij voor den mensch1 waarnemer van nen dag1 omdat ons leven te kort is en onze tijd in beslag wordt genomen door andere1 minder belangrijke onderwerpen4 ,wij zagen zooeven1 dat alle bergen langzaam verweren onder den invloed van den dampkring4 ,dit blijkt duidelijk1 zoodra wij oude historische herinneringen raadplegen4 ,zoo vraagt hij1 die voor het eerst ,rome1 de stad der zeven heuvelen bezoekt1 waar de zeven heuvelen zijn4 ,zij zijn gedaald1 hunne overblijfselen hebben de valleien1 die er tusschen lagen 7vooral het ,forum7 gevuld1 en het zijn thans slechts nietige hoogten4 ,in praehistorische tijden was de ,seine eene veel breedere rivier dan thans4 ,te ,parijs was zij verscheidene kilometers breed en #cg meters hooger dan thans4 ,voortdurende verandering6 ,hier graaft het water den bodem uit1 daar verhoogt het den bodem weder1 door het slib af te zetten1 dat bij groote overstroomingen is aangevoerd1 of door eene bedding te vormen uit de bouwstoffen1 door den regen aan de bergen ontnomen4 ,in de schoone golf van ,napels1 op dien tooverachtigen oever1 waar de geschiedkundige herinneringen1 zich parend aan de schoonheden der natuur1 ons zooveel te denken geven1 vindt men te midden der puinhoopen van ,pozzuoli den ouden tempel van ,jupiter ,serapis1 een merkwaardig getuigenis van de veranderlijkheid van den bodem4 ,die tempel1 omstreeks #aje vr ,christus gebouwd1 aan de kust der zee1 maar ver boven den waterspiegel1 en door ,septimius ,severus met kostbaar marmer versierd tusschen de jaren #aid en #baa na ,christus1 later weder door ,severus ,alexander tusschen #bbb en #bce verfraaid1 werd door ,alarik in #daj en door ,genserik in #dde verwoest4 ,de bodem1 waarop die tempel gebouwd is1 is onder den waterspiegel gedaald4 ,de drie prachtige marmeren zuilen1 die er nog van over zijn1 elk bestaande uit n enkel blok van #ab1e meter hoogte1 zijn zver gedaald1 dat zij nog slechts #f1cj meter hoog zijn4 ,deze daling heeft plaats gehad in de middeleeuwen en is geindigd in de ,x,vde eeuw2 het bovengedeelte van de ondergedompelde zuilen is over eene hoogte van #b1gj meter door steenetende weekdieren1 die toen evenals thans in zee leefden1 aangetast1 zoodat zij bezaaid zijn met kleine gaten1 waarin men nog thans hunne schelpen vindt4 ,die gaatjes zijn z diep1 dat zij wijzen op een langdurig verblijf van die diertjes in de zuilen1 want naarmate de dieren ouder en grooter worden1 vergrooten zij hunne woning4 ,het ondergedeelte der zuilen is niet aangetast1 omdat dit in den bodem der zee was ingedrongen1 en tot eene hoogte van #c1fj meters bedekt was met modder en vulkanische slakken4 ,op het einde der #ae;de eeuw begon diezelfde bodem weder langzaam te rijzen4 ,in eene oorkonde van ,october #aejc staat geschreven1 dat ,ferdinand en ,isabella aan de hoogeschool te ,pozzuoli een gedeelte afstaan van de streek1 waar de zee van terugwijkt2 na dien tijd kan men in de oorkonden die langzame rijzing volgen4 ,in #agdi was de tempel geheel uit het water te voorschijn getreden1 en het omringende land drooggeworden4 ,in #ahjg zag de bouwkundige1 die belast was met de herstelling der puinhoopen1 nooit water op de straat1 behalve wanneer de zuidewind hevig waaide4 ,maar de grond begon toch weer te dalen4 ,van #ahbb tot #ahch bedroeg die daling #be millimeters in de vier jaren1 zoodat men in #ahch dagelijks visch ving op plaatsen1 waar in #ahjg bij stil weder nooit een druppel water stond4 ,in #aheg en #aheh vond ,lyell1 dat er #j1fj meter water op de straat stond4 ,nog steeds daalt de bodem4 ,die merkwaardige schommelingen in den bodem1 door den tempel van ,serapis zoo duidelijk voor den dag komend1 zijn in die geheele streek zichtbaar4 ,zoo zijn te ,pozzuoli zelf de tempel van ,neptunus en die der ,nymfen onder water2 hetzelfde is met twee ,romeinsche wegen het geval2 langs de kust vindt men overal schelpen1 en aan de andere zijde van ,napels1 te ,sorrente1 heeft men op eene zekere diepte onder zee stukken van ,romeinsche gebouwen gevonden4 ,op het eiland ,capri 7het beroemde ,capua der ouden7 is n der paleizen van ,tiberius door het water bedekt4 ,men mag met ,babbage en ,lyell aannemen1 dat de warmte op de ne of andere wijze de oorzaak is van de verschijnselen1 die de verandering in de hoogte van den tempel bepalen4 ,de warme bron van dien tempel1 de onmiddellijke nabijheid van den ,solfatare en de ,monte-,nuova1 de warme bronnen van ,nero1 op de tegenover gelegen kust van de golf van ,baja1 de kokende bronnen1 de oude vulkanen van ,ischia en de ,vesuvius1 ziedaar een aantal omstandigheden1 die dit vermoeden wettigen4 ,vergelijkt men toch de dagteekening der voornaamste schommelingen met de geschiedenis dezer landstreek1 dan is een zeker verband niet te miskennen tusschen iedere rijzing en eene plaatselijke ontwikkeling van vulkanische warmte1 terwijl iedere periode van daling samenvalt met eenen toestand van rust in den onderaardschen vuurhaard4 ,z lag bij voorbeeld1 vr onze jaartelling1 toen de talrijke vulkanen van ,ischia hunne uitbarstingen deden gevoelen1 en de ,phlegresche velden bekend waren wegens hun vulkanisch karakter1 de bodem1 waarop de tempel van ,serapis rust1 hoog boven het water4 ,toen werd de ,vesuvius als een uitgedoofde krater beschouwd2 maar toen in de eerste eeuw na ,christus die vulkaan weder tot uitbarsting kwam1 kon men geene enkele uitbarsting meer op het eiland ,ischia of in de golf van ,baja aanwijzen4 ,toen was de tempel aan het dalen4 ,in de vijf eeuwen1 die de groote uitbarsting van den ,vesuvius van #afca voorafgingen1 was de vulkaan zeer rustig1 maar toen had men uitbarstingen te ,solfatare in #aaih1 te ,ischia in #acjb1 terwijl de ,monte-,nuovo in #aech ontstond4 ,in die periode rees de bodem van den tempel weder4 ,eindelijk begon de ,vesuvius weer te werken1 zooals nog steeds het geval is1 en na dien tijd daalt de bodem van den tempel weer4 ,deze verschijnselen komen overeen met de onderstelling1 dat zoodra er zich bij toeneming der inwendige warmte lava vormt1 zonder dat deze eenen gemakkelijken uitweg vindt1 de omringende bodem rijst2 terwijl diezelfde bodem daalt1 zoodra de rotsen1 daaronder gelegen1 afkoelen en zich samentrekken1 en de lava langzaam vast wordt en in volume afneemt4 ,de ,monte-,nuovo1 die merkwaardige berg1 wiens hoogte #acb meters en wiens omtrek aan den voet #bdjj meters bedraagt1 en die in ne nacht ontstond op de plek van het oude ,lucrinische meer1 is uit een geologisch oogpunt zeer belangrijk4 ,gedurende #dib jaren was de ,vesuvius betrekkelijk rustig geweest 7terwijl de ,etna juist bijzonder krachtig werkzaam was7 en nog bijna honderd jaren daarna had er geene uitbarsting plaats4 ,den #bisten ,september #aech1 rees1 na twee dagen van aanhoudende aardbevingen1 de kust zveel1 dat de zee over eenen weg van tweehonderd schreden terugging4 ,in den namiddag zag men op de plaats1 waar thans de ,monte-,nuovo staat1 den grond eerst vier meters inzakken en daarna rijzen2 na eenige uren opende zich de grond en spuwde hij vuur1 asch en steenen uit4 ,des avonds braakte de grond1 evenals een vulkaan1 met gevaarlijk geraas1 groote steenblokken uit4 ,de geheele streek werd bedekt onder eenen regen van puimsteen en asch4 ,twee ooggetuigen1 die elkander niet kenden1 en wier handschriften eerst veel later zijn teruggevonden1 deelen mede1 dat de nieuwe vulkaan tot op #bdjj meters aardmassa's en steenen opwierp zoo groot als ossen4 ,den volgenden morgen zag men1 dat een hooge berg uit den grond was opgerezen4 ,de uitbarsting duurde onafgebroken twee dagen en twee nachten voort2 toen men na afloop der uitbarsting den nieuwen berg besteeg1 zag men op den top eenen krater van #djj meters omtrek2 de steenen1 die daarin neergevallen waren1 geleken op blazen1 die uit kokend water losraken4 ,den vierden dag begon de uitbarsting weer1 en den zevenden dag was zij z hevig1 dat verscheidene personen1 die op den berg waren1 door de steenen gedood werden of door den rook verstikten4 ,merkwaardig is het1 dat de krater inwendig tot aan den voet van den berg doorloopt3 het benedenvlak1 op #abf meters van den top1 ligt slechts op #e1gj meters van de oppervlakte der zee verwijderd4 ,het is een krater1 die overeenkomt met die op de maan4 ,die geheele streek is van vulkanischen aard4 ,daar was1 zooals men weet1 volgens ,virgilius de onderwereld gelegen 7,phlegresche velden74 ,men vindt daar het meer van ,averno1 de ,solfatare1 de ,sibyllijnsche grot1 enz4 ,ook vindt men daar de beroemde ,hondsgrot1 waarin een hond verstikt wordt door het onzichtbare koolzuur1 dat tot op n voet van den bodem stijgt1 terwijl de mensen gewone dampkringslucht ademt4 ,daar vindt men ook de zweetbaden van ,nero1 een gang in den berg1 waarvan de temperatuur #ee bedraagt3 een jongen gaat naakt met eenen leegen emmer en rauwe eieren in de gaanderij en komt na drie minuten terug1 met den emmer vol warm water1 de eieren gekookt1 en het lichaam zoo rood als een kreeft4 ,ook de ,solfatare is z hol1 dat de grond tot op eenen grooten afstand beeft1 als men er met den voet op trapt4 ,ten slotte wijzen wij nog op de verwoestingen1 door de vulkanen en de aardbevingen aangericht2 in het jaar #gi1 toen ,pompeji1 ,herculanum en ,stabia verwoest werden1 en op de verwoesting van ,ischia 7#ahhc74 ,bij al deze oorzaken van verwoesting moeten wij nog de stormen voegen4 ,onophoudelijk werken zij mede tot de vernieling der kusten4 ,duidelijk komt dit uit aan de kusten van den ,atlantischen ,oceaan4 ,bij donkeren hemel en hevigen wind1 ziet men het heir der schuimende golven uit de zee opkomen en de rotsen beuken4 ,zij storten vooruit1 botsen tegen elkander1 werpen zich met blinde woede op de klippen4 ,alles wat van de klip kan losgemaakt worden1 wordt weggespoeld1 vermorzeld en medegesleurd1 en een naakt geraamte met fantastische vormen blijft over4 ,de rotsen zelf worden tot keisteenen vermalen1 als zij het water niet doorlaten4 ,de brokstukken zelf worden door de golven gebruikt als geschut tegen de muren4 ,als de golven onmiddellijk tegen den voet der rotssteilte kunnen aanstroomen1 dan rammeien zij die rotsen1 zooals eertijds de stormrammen de oude vestingmuren rammeiden1 en brengen zij den berg zelf aan het wankelen4 ,de kracht der golven bij eenen storm is verbazend4 ,door de klippen en hindernissen geprikkeld1 stijgen zij dikwijls tot #bj1 #ej of #ajj meters tegen de rotsen op als schuimend stof1 dat in de lucht weer neervalt4 ,men heeft dikwijls drukkingen waargenomen van #cejjj kilogram op nen vierkanten meter4 ,ontzaglijke steenblokken1 als beschutting tegen de dijken geplaatst1 die duizenden kilogrammen wegen1 worden voortgerold en zelfs weggeslingerd ten speelbal van den woedenden storm2 te ,cherbourg is het zwaarste vestinggeschut verplaatst4 ,tot op #aejj meters afstand kan men met gevoelige werktuigen het beven van den grond aantoonen4 ,een ieder kent het spreekwoord3 ,gutta cavat lapidem1 non vi1 sed saepe cadendo1 de waterdruppel holt den steen uit1 niet met geweld1 maar door dikwijls te vallen4 ,het regenwater verandert den bodem1 graaft afgronden1 veroorzaakt ophoopingen van grond en aardschuivingen1 en dat alles door zijne weekmakende en oplossende werking4 ,te ,lons-le-,saulnier hebben aanhoudend1 o4a4 in #agjc1 #agab1 #agch1 #agib1 #ahad1 #ahcf en #ahdh aardstortingen plaats gehad4 ,het schijnt1 dat eene soort van onderaardsche rivier onder de stad doorloopt en langzamerhand de mergel ondermijnt4 ,in #agib verdween plotseling een molen1 huizen daalden in eenen afgrond neer en werden met #ae meters water bedekt4 ,toen men den afgrond wilde vullen1 teneinde de naburige straten te beveiligen1 wierp men er #aegaa karrevrachten puin in1 zonder hem te kunnen vullen4 ,een ander merkwaardig voorbeeld van de werking van het water is opgemerkt in ,georgia bij ,milledgevile4 ,toen ,lyell in #ahdf die streek bezocht1 merkte hij op1 dat het water in #bj jaren eene bergkloof had gegraven van #af meters diepte tegen #ed meters breedte en #cjj meters lengte1 en dat wel in een terrein1 dat eertijds boomrijk1 nooit eenige merkbare verandering had ondergaan4 ,toen de boomen geveld waren1 ontstonden er spleten van negen centimeters in de klei1 tengevolge van de zomerwarmte2 in den regentijd begon het water de spleet te verwijden4 ,z werd langzamerhand die breede bergkloof gevormd4 ,een nauwkeurig onderzoek1 in het jaar #ahhe in de ,vereenigde ,staten gedaan1 heeft aangetoond1 dat het regenwater jaarlijks #che kilogram per hectare aan de berghellingen ontneemt1 om het weg te voeren in de valleien1 rivieren en in de zee4 ,en wat te zeggen van de bergstortingen1 door het water veroorzaakt8 ,steile en vooroverhangende rotsen1 die boven de velden hingen1 raken plotseling los en glijden langs de hellingen af2 neerstortend doen zij stofwolken opstijgen1 die gelijken op de asch1 door vulkanen uitgeworpen2 de geheele vallei is in duisternis gehuld1 de grond dreunt onder het botsen en stooten der rotsblokken4 ,als de duisternis is opgetrokken1 dan ziet men puinhoopen en rotsblokken1 dr waar eertijds groene weiden en vruchtbare akkers gelegen waren2 de bergstroom is in eenen modderpoel veranderd1 en de muur van rotsen heeft zijnen ouden vorm verloren4 ,bekend is de bergstorting1 waarbij de oude ,romeinsche stad ,velleja in de #f;de eeuw verzwolgen werd2 het groot aantal beenderen1 munten en kostbaarheden1 die men in de puinhoopen gevonden heeft1 bewijzen1 dat de bevolking geenen tijd gehad heeft1 te vluchten4 ,zoo werd ook het kasteel ,tauretunum en het naburige dorp1 aan den zuidelijken oever van het meer van ,genve in #efc door eene neerstorting van rotsen verwoest2 de golven1 die ontstonden door het neerstorten der steenen in het meer1 verwoestten zelfs aan den anderen oever alle woningen2 alle steden der kust werden verwoest en eerst eene halve eeuw later opgebouwd3 zelfs ,genve werd gedeeltelijk door het water bedekt4 #ab ,vreeselijk waren de gevolgen van het neerstorten van een deel van den ,rossberg1 den #b;den ,september #ahjf4 ,die berg1 ten noorden van de ,rigi gelegen1 in het midden van het schiereiland1 begrensd door de meren van ,zug1 ,egeri en ,lowerz1 bestaat uit lagen van stevig samengepakte stoffen1 op eene kleibedding rustend1 die door het water ondermijnd wordt4 ,reeds op een onbekend tijdstip was het dorp ,rotten door de instorting van eenen bergwand verwoest2 maar in #ahjf was de vernieling nog veel ontzettender4 ,het had langen tijd geregend1 en de kleilagen waren langzamerhand in eene modderachtige massa veranderd2 eindelijk begonnen de bovenste rotsen1 nu zij haren steun misten1 langs de helling af te glijden4 ,plotseling stortte de geheele massa1 met hare bosschen1 weiden1 hutten en bewoners in de vlakte neer2 de tegen elkander botsende rotsen sloegen vlammen uit2 het water der diepe lagen1 plotseling in damp veranderd1 spoot uit den grond1 en ontzettende massa's steen en modder werden als uit den mond van eenen vulkaan uitgeworpen4 ,de prachtige buitenplaatsen van ,goldau en vier dorpen1 door omstreeks duizend menschen bewoond1 verdwenen onder de puinhoopen1 en de woedende golf1 door het storten van het puin in het meer van ,lowerz tot eene hoogte van twintig meters opgeheven1 vaagde alle woningen weg4 ,het gedeelte van den berg1 dat ingestort was1 was vier kilometers lang1 #cbj meters breed en #cb meters hoog1 d4 i4 #dj millioen cubieke meters4 ,minder hevig was de bergstorting1 die in het jaar #ahha de helft van het dorpje ,elm in ,zwitserland vernielde4 ,deze ramp was het gevolg van onvoorzichtigheid4 ,gedurende eeuwen waren leigroeven gegraven1 in eene vooruitstekende rots1 zonder dat men zich de moeite gaf de rots te schoren4 ,reeds vr de instorting verwachtte men het onheil3 er had zich in den grond boven de groeve eene spleet gevormd1 die jaarlijks breeder en dieper werd4 ,eindelijk brak de grond door3 tien millioen cubieke meters steen stortten zich uit over het dorp ,unterthal en stootten tegen eenen daar tegenover gelegen berg aan1 die de ontzettende massa steenen weer in de vlakte terugkaatste4 ,zoo zien wij1 hoe de verschijnselen in den dampkring1 het ijs en de bergstroomen de onvermoeibare werklieden zijn1 die een geheel net van gangen1 engten1 valleien in de bergen gevormd hebben4 ,die werklieden verlagen nog steeds de hooge toppen der bergen en voeren de bouwstoffen1 aan de hellingen ontnomen1 naar de vlakten en naar zee4 ,ook de temperatuur werkt op den bodem2 over dag zetten de stoffen uit onder den invloed der zonnewarmte1 des nachts krimpen zij in door de uitstraling1 zoodat de geheele massa rijst en daalt2 het bedrag dier verandering is dikwijls meetbaar4 ,de sterrenwachten te ,armagh1 in ,ierland1 te ,grenve1 te ,neuchatel staan1 blijkens de waarnemingen1 daar gedaan1 niet volkomen stil1 maar schommelen naar gelang van het jaargetijde2 die te ,neuchatel helt bovendien langzamerhand naar het westen over door eene verschuiving van den grond4 ,indien men bij sterrenwachten zoodanige schommelingen waarneemt1 dan is dit niet het gevolg van mindere stevigheid van den grond1 waarop die gebouwen geplaatst zijn1 maar eenvoudig van de nauwkeurigheid der waarnemingen1 die op zoodanige inrichtingen worden volbracht1 en die den sterrenkundige in staat stellen1 de geringste afwijkingen aan te toonen4 ,een ander voorbeeld van de rijzingen en dalingen van den grond1 wordt1 voor zoover de bodem der zee betreft1 door de koraaleilanden of atollen geleverd4 ,die ringvormige eilanden werden door koralen gebouwd1 die alleen op geringe diepte onder den waterspiegel kunnen tieren en evenmin kunnen leven boven den kam der golven4 ,de hoogte der koralen staat dus in nauw verband met die van den waterspiegel4 ,indien een koraaleiland aan het dalen is1 groeien de koralen evenals boomen aan1 zdanig dat zij steeds gelijk blijven met den waterspiegel4 ,fig4 #abj maakt dit duidelijk4 ,als het eiland daalt1 neemt de diepte van het water daarboven toe2 het is alsof de waterspiegel rees1 en het koraaleiland verkrijgt de hoogten ,a1 ,b1 ,c4 ,in den ,stillen ,oceaan en in de ,indische zee vindt men koraaleilanden1 die eene hoogte hebben van meer dan #ajjj meters4 ,merkwaardige scheppingen6 ,terwijl de golven met hun wit schuim de koraalriffen beuken1 zijn de atollen van binnen kalm als een meer4 ,door het doorschijnende water heen ziet men het prachtig gekleurde bosch op den bodem van het water bloeien1 bij duizenden en tienduizenden vermenigvuldigen de koraalbloemen hare schitterende sterren2 alles is licht en leven in die nieuwe tuinen der ,hesperiden2 zelfs het veelkleurige mos1 dat de tusschenruimten vult1 bestaat uit millioenen koraaldiertjes4 ,de kleine bouwlieden leven en werken zonder ophouden4 ,al rukt de storm de grootste steenblokken af1 de bevolking herstelt dag en nacht het verlies4 ,geen monster uit het dierenrijk1 geene inspanning door menschenhanden1 kan ooit iets wrochten1 dat wedijveren kan met de onmetelijke eilanden1 door de nietige koraaldiertjes op den bodem der zee opgericht4 ,als wij zeiden1 hoe de langzaam voortgaande werking van natuurverschijnselen de verandering van den aardbol verklaren kan1 dan wilden wij daarmede niet beweren1 dat alle veranderingen steeds langs rustigen en langzamen weg hebben plaats gehad4 ,van tijd tot tijd toch hebben in de natuur1 niet minder dan in de menschheid1 omwentelingen plaats4 ,overstroomingen1 vulkanische uitbarstingen1 aardbevingen1 cyclonen1 stormen1 grondverschuivingen1 het kruien van het ijs1 ziedaar een aantal verschijnselen1 die zich wel is waar beperken tot bepaalde streken1 maar die toch eenen grooten invloed hebben op de gedaante der aarde4 ,steden zijn verwoest door aardbevingen2 ,herculanum1 ,stabia en ,pompeji zijn onder de asch van den ,vesuvius bedolven2 ,lissabon is in #agee door eene schrikkelijke aardbeving geteisterd2 ,murcia is in #ahgi overstroomd2 ,ischia is in #ahhc door eene aardbeving verwoest 7#bddc dooden72 de uitbarstingen van den vulkaan ,krakatau heeft in #ahhc aan #djjjj menschen het leven gekost2 de aardbevingen van ,spanje 7#ahhd7 aan #bejj slachtoffers2 de aardbeving in ,centraal-,azi1 in de vallei van ,cashmir aan #bgjj4 ,de uitbarsting van den vulkaan ,krakatau is waarschijnlijk de grootste geologische omwenteling in de geschiedenis der menschheid4 ,die vulkaan1 in de ,sunda-straat1 heeft meer dan #ahjjj milliard kubieke meters puimsteen en water aan de ingewanden der aarde ontrukt1 waarvan twee derden neergevallen is binnen eenen kring van #ae kilometers straal1 en het overige derde zich tot zulk eene hoogte in den vorm van waterdamp1 fijn stof1 enz4 verspreid heeft1 dat nog een jaar later het avondrood daarvan het gevolg was4 ,het geraas der uitbarsting is tot op ontzettende afstanden gehoord2 de golvingen in de zee hebben zich tot op onze kusten voortgeplant2 de evenwichtstoestand in den dampkring is zzeer verstoord1 dat die storing zich over den omtrek der aarde in #ce uren heeft voortgeplant1 en zelfs tweemalen den omtrek der aarde heeft doorloopen4 ,de geheele ,sunda-straat is door die uitbarsting gewijzigd en nog thans 7#ahhe7 zet zich die wijziging voort door de zeestroomingen4 ,al willen wij niet beweren1 dat een ontzettende zondvloed de geheele aarde zoude hebben veranderd1 en al kan men een groot gedeelte van de verplaatsingen en bezinkingen verklaren door bergstroomen en aanslibbing1 zoo kan men toch de overleveringen over den zondvloed niet geheel verwerpen4 ,de oude overleveringen stemmen te zeer overeen1 dan dat men kan twijfelen aan eene overstrooming1 in vroegeren tijd in de nabijheid van den berg ,ararat1 in ,armeni plaats gegrepen4 ,ongetwijfeld hebben de eerste menschenstammen1 die daar begonnen te ontwaken in den dageraad der beschaving1 eene overstrooming beleefd1 veroorzaakt door de ,caspische1 de ,zwarte of de ,middellandsche zee1 of misschien door den ,euphraat4 ,zeker is het1 dat dergelijke omwentelingen invloed hebben gehad op den vorm der aarde4 ,bij al die veranderingen van den bodem moet nog die van het klimaat gevoegd worden1 die alle vorige in belangrijkheid overtreft door haren invloed op het planten- en dierenrijk4 ,de zeestroomingen1 die zich wijzigen met de verandering in hoogte der bekkens en oevers1 de doorgraving van landengten1 de verbreeding van zeestraten1 de verwoesting van kapen1 de rijzing van landen1 dat alles wijzigt reeds het klimaat der verschillende streken4 ,zonder den ,oceaan en den golfstroom1 die met zijn lauw water langs de kusten van ,frankrijk1 ,engeland1 ,nederland en ,zweden stroomt1 zouden onze streken veel kouder zijn dan thans het geval is1 en zouden wij hier het klimaat hebben van ,poltava of de ,donkozakken4 ,zoo ook hangt de hoeveelheid water1 die jaarlijks op ieder land valt1 van de verdamping der zee af1 van de windrichting1 de gedaante van den bodem2 en de invloed1 daardoor op het leven uitgeoefend1 hangt af van de geologische samenstelling van het land4 ,bovendien verandert langzaam van jaar tot jaar de schuinte der zonnestralen door de verandering van de helling der ecliptica4 ,zoo zouden wij nog kunnen spreken over mogelijke veranderingen in breedte1 of over veranderingen van den waterspiegel4444 ,maar het voorgaande is genoeg1 om onze lezers te overtuigen van den invloed van het klimaat op den toestand der aarde4 ,zoo hebben wij dan in dit hoofdstuk trachten duidelijk te maken1 dat het werk der schepping--dat is de voortdurende verandering van wezens en zaken--nog steeds voortduurt2 dat zij ons door het tegenwoordige over het verledene doet oordeelen1 dat zij in hetgeen thans geschiedt1 ons de verklaring schenkt van wat heeft plaats gegrepen sedert het ontstaan der aardsche nevelvlek1 sedert de vorming van het protoplasma1 sedert het ontstaan van de eerste plant en het eerste dier1 tot aan den tegenwoordigen toestand der natuur4 ,ook de toekomst is reeds als kiem in het heden aanwezig1 zooals het heden in kiem voorkwam in het verledene4 ,ons doel is bereikt1 zoo wij hebben aangetoond1 dat de wereld vr de schepping van den mensch is gewijzigd door dezelfde oorzaken1 die nog steeds onder onze oogen werken4 ,bij de levende wezens is die verandering eene veredeling1 eene opklimming tot meerdere volmaking4 ,de geschiedenis der wereld is de stamboom van haren vooruitgang4 ,,derde ,,hoofdstuk ,de ontwikkeling van het leven4 ,de devonische periode4--,de geboorte der visschen4 ,de talrijke bewijsstukken1 die wij in het vorige hoofdstuk gegeven hebben1 met het doel om den arbeid der natuur bij de voortdurende gedaantewisseling der aarde te begrijpen1 mogen ons niet uit het oog doen verliezen1 bij welk tijdperk wij geindigd zijn in onze beschrijving van de wereld vr den mensen4 ,het vorige overzicht heeft ons in staat gesteld1 ons rekenschap te geven van den weg1 door de natuur gevolgd bij de vorming en ontwikkeling der aarde4 ,in de werkplaats der natuur toegelaten1 ingewijd in hare geheimen1 kunnen wij den grootschen eenvoud van haren arbeid op prijs stellen1 en zien wij de langzame opklimming van het planten- en dierenrijk tot hooger ontwikkelde vormen4 ,reeds de ouden zeiden1 dat de aarde de dochter is van den ,oceaan1 en terecht4 ,wij zagen in de lauwe wateren der azosche periode het leven te voorschijn treden1 in den vorm van eenvoudige organismen1 klonters gelei1 protisten1 afgietseldiertjes1 diatomeen1 wieren1 bilobieten1 chondriten1 mosdieren1 plantdieren1 poliepen1 stekelhuidigen1 armpootigen1 trilobieten1 enz4 ,de eerste eilanden kwamen uit de zee naar boven1 en de weekdieren en zeeplanten begonnen zich te wagen op de eerste oevers1 nog laag en vochtig1 en trachtten zich in te passen in die gewijzigde levensvoorwaarden4 ,in de vochtige lucht1 onder eenen zwaren en lauwen dampkring1 verkrijgen de varens hunnen rijken bladerendos1 en reeds ziet men op den vasten grond ringwormen1 schaaldieren en spinachtige dieren1 krabben en schorpioenen4 ,maar in al die millioenen jaren der laurentische1 cambrische en silurische periode bestond er op de aarde geen enkel hooger bewerktuigd wezen4 ,het plantenrijk was alleen vertegenwoordigd door sporeplanten1 het dierenrijk door ongewervelde dieren4 ,onder al die planten geene enkele bloem1 geene enkele vrucht1 geen enkele werkelijke boom2 geene roos1 geene korenbloem1 geene klaproos of winde2 geen wilg1 geen eik1 geen berk of populier2 niets van datgene1 wat thans de schoonheid onzer landschappen uitmaakt4 ,niets dan mos1 soms zeer hoog1 maar veeleer geel dan groen4 ,en onder de dieren geen enkele van die1 welke thans de belangrijkste bevolking der aarde uitmaken1 geen viervoetig dier1 geen vogel1 geen kruipend dier1 zelfs geen visch4 ,vreemde wereld1 die reeds alles1 wat thans bestaat1 in kiem bevat6 ,reeds is het de ,aarde en dus met andere eigenschappen bedeeld dan de maan1 ,venus1 ,jupiter of ,saturnus4 ,de weg harer ontwikkeling is gebaand4 ,tot nu toe was de natuur doode stof4 ,bij de trilobieten begon zij het eerst te zien3 met deze opende zich het oog voor het licht1 en van stap tot stap ontwikkelde het zich om te worden het oog van den arend1 den hond1 den leeuw1 die aanschouwt1 het oog van den man1 die denkt of de blik van de vrouw1 die bemint4 ,tot nu toe waren ook alle levende wezens doof2 de gehoorzenuw vormt zich1 trilt voor het eerst1 geeft langzamerhand het aanzijn aan het oor2 het strottenhoofd en de tong zijn ontwikkeld genoeg1 zoodat tonen kunnen worden voortgebracht1 die eerst nog onduidelijk1 langzamerhand meer gearticuleerd worden2 het zal gesis worden bij de slang1 gebrul bij de verscheurende dieren1 gezang bij den nachtegaal1 en de spraak bij den mensch1 de spraak die door haren rijkdom en hare bekoring de menschheid op den weg der verstandsontwikkeling geleid heeft1 de geschreven taal heeft geschapen1 de geschiedenis heeft gesticht1 dat heerlijke erfgoed van vervlogen eeuwen1 en het menschelijke ras het karakter van zijnen adel en zijne grootheid heeft geschonken4 ,het oog en het oor1 zien1 hooren1 en spreken6 ,schitterende vooruitgang bij den tijd1 toen de natuur1 niettegenstaande de optrekkende duisternis en het geluid van wind en golven1 zoovele eeuwen blind en doof is gebleven6 ,dankbaarheid bezielt den natuuronderzoeker en den denker jegens de eerste oogen1 thans versteend1 die hier op aarde geopend zijn1 jegens de eerste wezens1 die gesidderd hebben bij het geluid van storm en donder1 en getracht hebben te schreeuwen2 want aan hen hebben wij onze heerlijke zintuigen te danken4 ,de devonische periode1 de dochter en erfgename der silurische periode1 wijst op eenen verbazenden vooruitgang in de organische wereld3 de eerste gewervelde dieren verschijnen in het water1 evenals hunne ongewervelde voorgangers3 het zijn visschen4 ,de visschen zijn de laagst ontwikkelde gewervelde dieren1 en hunne verschijning aan den ingang der devonische periode pleit voor de leer van de geleidelijke ontwikkeling der levende wezens4 ,hunne hersenen zijn klein en weinig ontwikkeld2 hun wervelkolom is nog rudimentair1 hun zenuwstelsel weinig gevormd2 de helft hunner macht zetelt in hunnen bek2 de kop is tamelijk ontwikkeld1 de reuk is zeer gevoelig1 het oog ziet goed1 het oor begint1 verscheidene visschen kunnen zelfs fijne geluiden onderscheiden2 de stem echter ontbreekt3 de natuur is niet langer doof1 doch nog steeds stom en alle levende wezens zijn stilzwijgend4 ,de geslachten zijn gescheiden1 maar bij die koudbloedige dieren brengt die scheiding nog niet de zoete wet der aanraking mede4 ,die aantrekkingskracht is weggelegd voor de kinderen der toekomst2 de zoete liefdelust kennen zij niet4 ,onbekend met de wellust1 is ook kinder- of ouderliefde hun vreemd4 ,welk een afstand tusschen visch en vogel6 ,hoeveel treden moet de natuur nog stijgen6 ,iedere visch staat op zich zelf4 ,eten en gegeten worden3 ziedaar zijne bestemming4 ,het wijfje strooit duizenden eieren1 waarvan het grootste gedeelte voor den arbeid des levens verloren gaat2 zij laat ze los als een overtollige last en bekommert zich niet om de toekomst2 zij worden haar even vreemd1 als waren zij uit den hemel gevallen4 ,te eeniger tijd zwemt het mannetje over die eieren heen en laat hij een bevruchtend vocht daarop vallen2 hij kent ze evenmin1 het zijn niet zijne kinderen1 maar die der natuur4 ,treurige liefde6 treurig leven6 ,en toch6 hoever zijn de visschen niet vooruit bij de weekdieren1 die met moeite voortkropen over den bodem van het water6 ,hoe vrij bewegen zij zich6 ,gelukkig1 zegt het spreekwoord1 als een visch in het water6 ,dat geluk bestaat in het gevoel van vrijheid4 ,de eerste visschen hadden echter niet den fraaien vorm1 die ons thans zoo bekoort4 ,ook zij zijn veel vooruitgegaan4 ,de oudste versteende visschen1 in de devonische formatie #ac gevonden1 zijn van beenschilden voorzien1 en heeten glansschubbigen 7ganoden72 hun beenderstelsel was onvolkomen en hun lichaam was door groote platen en beenige schubben beveiligd1 die eene schitterende kleurenpracht vertoonden4 ,zijn het wel visschen1 of zijn het niet familieleden van de schaaldieren8 ,langen tijd is over die vraag getwist1 totdat in het jaar #ahfc gebleken is1 dat zij schubben bezitten4 ,het is trouwens niet te verwonderen1 dat uitstekende natuuronderzoekers die laag ontwikkelde visschen tot de ongewervelde dieren brachten4 ,immers gewervelde dieren moeten wervels bezitten1 en de eerste fossiele visschen vertoonen evenmin sporen van wervels als de amphyoxus uit onze zeen4 ,bij de gewervelde dieren zijn de ledematen door beenderen aan de wervelkolom verbonden2 de eerste fossiele visschen vertoonen geen spoor van dergelijke beenderen of een inwendig been2 zij hebben alleen n of meer platen1 die een schild vormen4 ,zoo bevestigt zich ook hier weder de leer der langzame ontwikkeling der wezens4 ,wij zagen vroeger1 dat de amphyoxus1 koploos gewerveld dier1 den overgang vormt van de ongewervelden tot de gewervelden3 de paleontologie is weer in volmaakte overeenstemming met de physiologie3 de visschen1 de oorspronkelijke glansschubbigen1 behooren tot het type van den amphyoxus4 ,fig4 #abc-abd stellen twee visschen voor uit die periode2 zij verschillen zzeer van alle tegenwoordige soorten1 dat het moeilijk te beslissen valt1 of zij behooren tot de beenige of kraakbeenige visschen4 ,zij missen wervels en inwendige beenderen4 ,tevergeefs zoude men in hunnen kop de inrichting der tegenwoordige visschen zoeken3 men ziet een schild1 waarin men onmogelijk de verdeelingen van de beenderen van den schedel kan terugvinden2 zij gelijken in hunnen vorm op trilobieten4 ,zoo heeft de trilobiet1 de koning der zeen uit de azosche periode1 tot opvolger eenen op hem gelijkenden visch1 die met hem de heerschappij over de primaire wateren deelt4 ,de pterichthys 7fig4 #abd7 heeft eene wervelkolom1 die echter niet verhard is2 de buitenste helft van het lichaam is ingesloten in een schild1 en de pooten schijnen meer gevormd om te springen dan om te zwemmen2 de achterste helft draagt schubben en vinnen4 ,het is alsof het vreemde dier uit twee deelen bestond1 een voorste gedeelte1 waardoor het tot de ongewervelden zou behooren1 en een achterste gedeelte1 waardoor het gewerveld is4 ,men vindt ook in de devonische formaties eene meer ontwikkelde vischsoort1 den coccosteus4 ,het achterste gedeelte van het lichaam was bloot2 het voorste deel met een stevig schild bedekt4 ,gaudry meent1 dat die visch het achterste deel van het lichaam1 dat geene verdedigingsmiddelen bezat1 in den modder verborg1 en wijst op den nog thans bestaanden ,pimelodus gulio1 eene ,indische visch1 wier lichaam naakt is en wier kop eenen harden helm draagt2 die visch begraaft zich in den modder1 wacht totdat een visch over hem heen gaat1 en doodt hem dan door eenen stevigen stoot met zijnen helm4 ,onder de merkwaardigste visschen van die periode behoort ook de ,holoptychus ,andersonii 7fig4 #abg74 ,belangrijk is het1 de verandering van den staart der visschen te vergelijken met die van de wervelkolom4 ,in het eerste type 7,a7 is de staart enkelvoudig en neemt de wervelkolom geleidelijk af2 in het tweede type 7,b7 is de wervelkolom omgebogen en vergroot1 en is de staart eveneens onregelmatig2 in het derde type 7,c7 is de wervelkolom in twee takken gesplitst2 daaraan hebben de tegenwoordige visschen hunne vlugheid te danken4 ,hoewel sommige soorten van het eerste type in stand gebleven zijn tot op onzen tijd 7zooals de alen71 zoo heerschten zij toch oppermachtig in de primaire periode2 het tweede type heerschte in de tweede periode2 het derde type kenmerkt de latere tijdperken4 ,in het begin van dit werk vestigden wij er de aandacht op1 dat de embryologie 7de leer der ongeboren vrucht7 ons de verwantschap der wezens bewijst1 door ons de gelijkenis van de menschelijke vrucht met die der overige levende wezens voor oogen te stellen4 ,de jonge ,agassiz heeft aangetoond3 dat de visschen van de ongeboren vrucht tot den volwassen toestand dezelfde overgangsvormen doorloopen1 die zij doorloopen hebben van de primaire tijden tot op onzen tijd4 ,de devonische periode kenmerkt zich dus door eenen beslissenden stap in de ontwikkeling1 door het optreden der eerste gewervelden1 de visschen4 ,in de vorige hoofdstukken hebben wij de ongewervelden1 plantdieren1 poliepen1 stekelhuidigen1 armpootigen1 weekdieren1 schaaldieren enz4 zien optreden4 ,van nu af aan worden de wateren ook bevolkt door de visschen1 trapsgewijze voortgekomen uit de wormen4 ,weldra zullen wij getuige zijn van verdere ontwikkeling4 ,de visschen zullen het aanzijn schenken aan de tweeslachtige dieren1 deze aan de kruipende dieren1 de laatste aan de vogels1 en dat alles langzaam en geleidelijk4 ,tegelijkertijd1 dat de eerste visschen zich in de zee ontwikkelen1 heerschen de schaaldieren en vooral de trilobieten nog1 zooals zij dit reeds eeuwen lang in de silurische periode deden4 ,maar toch gevoelen zij reeds1 dat zij hunne plaats moeten afstaan aan hunne opvolgers4 ,noemen wij den phacops latifrons1 die ons doet denken aan de calymene 7blz4 #aed74 ,behalve de vroeger genoemde trilobieten vindt men in de devonische formatie den stylonurus 7puntstaart71 de slimonia 7naar den ,schotschen geoloog ,slimon71 den xiphosurus 7degenstaart71 de hemiaspis limulodes 7fig4 #acj74 ,enkele van die schaaldieren en gelede dieren bereikten verbazende afmetingen2 in de devonische terreinen van ,schotland heeft men eene soort pterigotus gevonden1 die #a1hj meter lang is en dus de grootste kreeften van onzen tijd overtreft4 ,opmerkelijk is het1 hoe de kopaanhangsels 7fig4 #aca71 ma41 #a m1 #b m1 mp de rol van pooten vervullen1 terwijl het getande grondvlak dier pooten de rol van kaken vervult6 ,behalve de oorspronkelijke visschen en de groote hoeveelheid schaaldieren waren de zeen bevolkt met veel meer koppootige weekdieren dan thans4 ,bij de typen uit de silurische periode 7blz4 #aee7 moeten nog gevoegd worden de spiriferen1 haplocrinen en calceolae1 die aan die periode bepaald eigen zijn4 ,wij noemen ook nog de vinpootigen1 de nautiliden en de nog zeer verspreide zeelelin4 ,de dierenwereld uit het devonische tijdperk is dus slechts het vervolg van die uit het silurische tijdperk1 maar met eene duidelijke neiging tot volmaking4 ,sommige soorten gaan uit het ne naar het andere tijdperk over2 een groot aantal silurische soorten worden in het devonische tijdperk door nieuwe vormen vertegenwoordigd2 verscheidene sterven uit1 en die1 welke optreden1 zijn veel ingewikkelder van bouw4 ,fig4 #acg geeft een overzicht van den tijd1 waarop ieder der genoemde diersoorten voor het eerst voorkwam en het tijdperk1 waarop zij verdwenen4 ,wij zien1 dat de graptolithen in het cambrische tijdperk ontstonden en na het silurische weder uitgestorven waren1 en dat de trilobieten de permische periode niet hebben overleefd4 ,de insecten zijn in dienzelfden tijd verschenen1 maar zij hebben1 zooals men licht begrijpt1 geene versteeningen achtergelaten4 ,men heeft vleugels van netvleugeligen 7haften7 in de devonische formatie van ,canada gevonden4 n dier voorouders1 platephemera genaamd1 was met uitgestrekte vleugels meer dan #bj centimeter lang1 een andere scheen tusschen de haften en waterjuffers in te liggen1 en zoo vindt men nog enkele soorten meer4 ,merkwaardig is het1 dat het tegelijkertijd water- en luchtinsecten zijn4 ,uit het feit dat in de devonische periode netvleugelige insecten voorkomen1 volgt reeds1 dat zij minder volmaakte voorgangers moeten gehad hebben4 #ad ,de sierlijke waternymf is niet uit eene zonnestraal geboren2 zij heeft grovere voorouders gehad4 ,men kan er niet aan twijfelen1 of de verschillende soorten van insecten hebben zich uit elkander ontwikkeld4 ,niet alleen hunne overeenstemming1 maar ook het aantal reeds bekende soorten duidt dit aan4 #cgfjjj verschillende soorten zouden anders paarsgewijze moeten geschapen zijn4 ,zoo zijn dan de insecten verschenen1 waarschijnlijk afstammende van de ringwormen uit de azosche periode4 ,zij nemen eene snelle vlucht en zullen zich in de volgende periode krachtig ontwikkelen1 tegelijk met de plantenwereld4 ,reeds beginnen de planten zich buiten het water te gewennen in moerassen en op lage eilanden4 ,het vasteland neemt trouwens langzaam toe door langzame rijzing uit het water1 en wordt met planten bedekt4 ,het zijn nu niet alleen meer wieren of laag ontwikkelde planten1 maar reeds verschijnen de varens1 de wolfsklauwen1 de sigillaria's1 de paardestaarten4 ,nog altijd echter beperkt zich de plantenwereld tot de sporeplanten3 dezen zijn de alleenheerscheressen in de wateren en op de eilanden1 en geen profeet zoude nog kunnen voorspellen1 welke rijkdommen voor de toekomstige plantenwereld zijn weggelegd4 ,in de lagere devonische formatie1 boven de silurische formatie1 waarin wij de wieren1 bilobieten enz4 gevonden hebben1 vindt men den psylophiton1 in ,canada gevonden 7fig4 #aci74 ,het is eene soort van wolfsklauw4 ,al die oude planten zijn1 evenals de eerste dieren1 in noordelijke streken gevonden3 ,canada1 ,scandinavi1 ,rusland1 ,engeland4 ,wij zullen weldra zien1 dat er toen nog geene jaargetijden of klimaten waren1 en de temperatuur dezelfde was over de geheele aarde2 waarschijnlijk is dan ook in de kalme poolstreken het leven begonnen4 ,iedereen kent het schaafstroo1 eene plant in den vorm van harde1 bladerlooze biezen1 die men aan de oevers van eenzame beken vindt4 ,die plant is het type der paardestaarten1 zoo genoemd om den vorm der takken1 die op paardehaar gelijken4 ,de plant1 die thans slechts enkele decimeters hoog is1 was in de devonische periode zeven of acht meters hoog4 ,hoewel nog eene laag ontwikkelde sporeplant1 nog weinig van de oorspronkelijke wieren verwijderd 7doch reeds eene landplant7 nauwelijks samengestelder dan de korstmossen1 de bladmossen en levermossen1 begint toch met de paardestaart de ontwikkeling van het plantenrijk4 ,het tijdperk der sporeplanten opent de rij1 om later gevolgd te worden door de zaadplanten4 ,onder de devonische fossielen heeft men overblijfselen gevonden1 die behoord hebben tot paardestaarten van eene hoogte van #aj meters4 ,die eerste bosschen bevatten behalve de calamiten1 eene soort van reusachtig riet van meer dan eenen millimeter middellijn cordaten1 bornia's1 antholithen1 wolfsklauwen1 waaronder de lepidodendrons1 die in de volgende perioden #be tot #cj meters hoogte zullen bereiken4 ,thans zijn de wolfsklauwen planten met neerliggende1 kruipende stengels6 ,in die stille bosschen leefde geen enkele vogel1 kruipend of viervoetig dier4 ,de tegenwoordige boschbewoners3 herten1 reen1 wolven1 vossen of eekhorentjes2 leeuwen1 tijgers1 panthers of jakhalzen2 hagedissen of kikvorschen2 arenden1 gieren1 raven1 pauwen of patrijzen1 zangvogels1 nachtegalen of vinken1 bestaan nog niet4 ,als men iets hoort bewegen1 dan is het een schorpioen onder de steenen1 een kakkerlak tusschen de bladeren of een krekel1 die met de vleugels klapt4 ,enkele insecten1 enkele muggen gonzen reeds in de zware en zoele lucht4 ,maar het leven is nog bijna geheel beperkt tot de wateren4 ,het daglicht is nog niet sterk3 de zon schijnt nog niet krachtig1 zij is groot1 doch nevelachtig2 de hemelsblauwe1 heldere lucht bestaat nog niet2 dag en nacht verschillen nog weinig2 de aarde kent nog geene jaargetijden of klimaten4 ,eertijds1 in de azosche periode1 was er in het geheel geen verschil tusschen dag en nacht1 hoewel de planeet reeds om hare as wentelde1 omdat het zwakke licht door de zonnenevelvlek uitgestraald1 nog niet tot de oppervlakte der aarde doordrong1 en omdat de aarde zelf langen tijd lichtgevend geweest was1 en daarna door dampen omgeven was1 die het licht opslorpten4 ,doch nu1 in het devonische tijdperk1 en zelfs in het silurische1 is er verschil tusschen dag en nacht1 hoe weinig dan ook3 dit weten wij reeds daaruit1 dat de trilobieten1 de schaaldieren1 de weekdieren en de visschen oogen bezitten4 ,geen oog kan bestaan zonder licht3 de oorsprong van het oog zetelt in den lichtindruk4 ,wij mogen daaruit dus besluiten1 dat de nevelvlek toen reeds zeer was verdicht4 ,maar wij zullen dit belangrijke vraagstuk behandelen1 nu wij tot de steenkoolperiode genaderd zijn4 ,,vierde ,,hoofdstuk ,de steenkoolperiode4 ,ontwikkeling van het plantenrijk4--,eilanden en vastland4-- ,zeeklimaat4--,afwezigheid van jaargetijden4--,de zonnenevelvlek4 --,de dampkring1 de warmte en de vochtigheid4--,de planten en boomen4--,oude bosschen en dieren1 daarin levend4 ,geene enkele ster is in rust in het onmetelijke heelal2 geen enkel atoom zelfs van het hardste gesteente1 staat stil2 geene enkele molecule in het lichaam van plant of dier is onbewegelijk2 geen enkel bloedlichaampje in onze aderen1 dat niet voortdurend stroomt2 overal en in alles is de onzichtbare en onvermoeide kracht werkzaam2 werelden veranderen van gedaante2 zonnen worden ontstoken en uitgedoofd2 de aarde verandert van eeuw tot eeuw2 de wezens1 die haar bevolken1 wijzigen zich naar de levensvoorwaarden1 en de geschiedenis der aarde is het tafereel harer voortdurende wijziging4 ,wij zagen1 hoe de eilanden1 uit de wereldzee opgerezen1 de levensvoorwaarden van planten en dieren hebben gewijzigd1 en hoe zeeplanten in zoetwaterplanten veranderd zijn1 om zich later te gewennen aan den vochtigen dampkring boven ondiepten4 ,langs de kusten beginnen zij het eerst haar nieuw bestaan4 ,zij verkrijgen bladeren1 die haar in staat zullen stellen1 lucht te ademen1 in plaats van ondergedompeld of drijvend te blijven4 ,hare broeders1 de zee- of waterdieren beginnen ook op geringe diepte onder het water1 of zelfs buiten het water te leven4 ,reeds fladderen insecten aan de oppervlakte van het water2 kakkerlakken1 sprinkhanen1 krekels1 witte mieren1 kruipen1 springen of glijden voort onder de eerste bladeren4 ,de dampkring is zwoel1 bijna nog water4 ,de hitte is verstikkend4 ,het regent voortdurend4 ,uitstekende levensvoorwaarden voor het plantenrijk6 ,aan den oorsprong van het leven waren er planten noch dieren3 er was alleen protoplasma1 drijvend in het water1 amoeben en protisten1 de voorouders der dieren en der planten4 ,daarna heeft zich het leven vertakt in twee staken1 die langen tijd verbonden waren1 alsof zij de scheiding betreurden1 maar die eindelijk uitliepen in takken1 die thans ver van elkander verwijderd zijn1 want een groote afstand scheidt thans schijnbaar het rund van het gras1 dat het eet3 toch hebben zij oorspronkelijk denzelfden stamvader gehad1 en voor hem1 die de natuur ontleedt1 zijn zij lang niet zoo verscheiden als voor den herder1 die de kudde weidt4 ,in het begin der steenkoolperiode heeft het plantenrijk reuzenschreden gemaakt ten gevolge van de bijzonder gunstige omstandigheden1 waardoor zich deze belangrijke phase van de geschiedenis der aarde kenmerkt4 ,de inwendige warmte der aarde drong nog door de aardschors heen en onderhield eene hooge temperatuur in den dampkring4 ,wel schijnt het voor hem1 die eenen vulkaan bestijgt1 alsof eene geringe laag slakken en asch voldoende is1 om de warmte te onderscheppen1 en iedereen weet1 dat men1 door een weinigje asch in de holte der hand te nemen1 eene gloeiende kool kan vasthouden zonder zich te branden2 maar men vergete niet1 dat de temperatuur der lava nooit hooger is dan #ajjj1 terwijl die van den oorspronkelijken aardbol minstens negen- of tienmaal hooger was2 de mechanische warmteleer leert1 dat alleen reeds de verdichting van alle moleculen der aarde van haren neveltoestand tot hare tegenwoordige dichtheid eene hitte moet hebben veroorzaakt van #hihhj1 de warmte1 ontstaan door de scheikundige verbindingen niet medegerekend4 ,door de spleten1 door uitbarstingen1 en zelfs door de dunne aardschors heen1 die nog nauwelijks vast en die met water doortrokken was1 kwam die inwendige warmte in den dampkring1 die toen nog de warmtestralen niet doorliet4 ,het opslorpend vermogen van waterdamp is #afjjj maal grooter dan dat van droge lucht4 ,wij zagen zooeven1 dat de dampkring verzadigd was van waterdamp1 en dat de regen bijna voortdurend neerviel4 ,voegen wij nog hierbij1 dat er geen vastland was1 maar alleen eilanden en dus de geheele aarde onder den invloed van een zeeklimaat stond1 en het is duidelijk1 dat de temperatuur van de oppervlakte der aarde uitnemend geschikt was voor de ontwikkeling van den plantengroei1 en dat wel niet alleen in de tropen1 maar over de geheele aarde1 daar er nog geene jaargetijden bestonden4 ,onze lezers weten uit de ,wonderen des ,hemels #ae1 dat de aarde zich om de zon beweegt1 en dat hare as helt ten opzichte van het vlak der ecliptica4 ,gedurende de helft van het jaar is de ne pool naar de zon toegekeerd1 en de zes overige maanden de andere pool4 ,vandaar de lange winternachten en de lange zomerdagen1 de lage temperatuur aan de polen en de groote afwisseling in jaargetijden4 ,gedurende het primaire tijdperk verschilde de helling der as niet veel van de tegenwoordige helling4 ,had dus de zon toen evenals thans eenen overwegenden invloed op de warmte der aarde1 dan zouden reeds toen klimaten bestaan hebben3 de zonnestralen1 loodrecht vallende op de keerkringslanden1 zouden daar eene veel hoogere temperatuur hebben doen ontstaan dan aan de poolstreken1 waar zij veel schuiner vallen4 ,doch de plantengroei der steenkoolperiode wijst juist op het tegendeel4 ,dezelfde plantensoorten1 die aan de tropen voorkwamen1 werden ook in de poolstreken gevonden4 ,tot aan ,spitzbergen en zelfs tot op de hoogste breedte1 door menschen bereikt 7noordpoolexpeditie in #ahgh1 tot op eene breedte van #hb #dj'7 heeft men dezelfde kolenkalk gevonden1 en tot op #gf breedte dezelfde steenkoollagen als in ,frankrijk en de ,vereenigde ,staten1 in ,china1 ,zambeze 7,afrika7 en ,zuid-,amerika4 ,bovendien bestaat de geheele flora uit boomen met blijvende bladeren4 ,de stammen van de fossiele boomen uit dit tijdvak hebben nog niet de concentrische jaarringen1 ieder voorjaar gevormd1 waaruit men den ouderdom der boomen kan leeren kennen4 ,men kan hieruit met zekerheid afleiden1 dat er toen nog geene jaargetijden waren4 ,de zon voegde slechts weinig warmte toe aan die der aarde1 want de temperatuur1 waarbij de boomvarens1 de wolfsklauwen1 de cycaden groeien1 ligt tusschen #bj en #be graden1 en was niet hooger in ,afrika dan in ,spitzbergen4 ,de zon was toen reusachtig groot1 maar nog nevelachtig1 er straalde slechts een zwak licht uit4 ,de zon heeft zich eertijds uitgestrekt tot voorbij ,neptunus en is langzamerhand kleiner geworden1 zoodat zij thans slechts eene middellijn heeft van #achjjjj kilometers1 terwijl die van de loopbaan van ,mercurius #aab millioen1 van ,venus #bjh millioen1 van de aarde #bif millioen kilometers bedraagt4 ,toen de zon zich nog uitstrekte tot aan de baan van ,venus1 was de middellijn der zonneschijf1 van de aarde gezien1 #ij groot1 of #afi maal zoo groot als thans4 ,toch waren de warmte en het licht1 dat de aarde toen van de zon verkreeg1 uiterst gering in vergelijking met de warmte1 die de aarde zelf bezat4 ,toen de zon zich niet verder uitstrekte dan de loopbaan van ,mercurius1 was hare schijnbare middellijn1 van de aarde gezien1 nog #de4 ,van toen af aan begon eerst de helling van de as der aarde invloed uit te oefenen op de afwisseling der jaargetijden1 indien ten minste de warmte der aarde de warmte1 van de zon ontvangen1 niet overtrof4 ,voor acht of tien millioen jaren1 in het midden der primaire periode1 waren de voorwaarden voor de duurzaamheid van het wereldstelsel niet dezelfde als thans4 ,de zon was grooter1 haar zwaartepunt 7en ook dat van het zonnestelsel7 nam eene andere plaats in dan thans1 en misschien was ook het zonnestelsel door zijne beweging in de ruimte onderworpen aan den invloed van vaste sterren1 aan welke het thans niet meer gehoorzaamt4 ,het is niet uitgemaakt1 dat de helling der ecliptica dezelfde was als thans1 of dat de polen der aarde in al dien tijd zich niet over de oppervlakte der aarde verplaatst hebben1 of dat de verandering van de excentriciteit der aardbaan de berekende grenzen niet overschrijdt en dus grooteren invloed uitoefent op de jaargetijden1 dan men gewoonlijk meent4 ,het is zelfs waarschijnlijk1 dat de aarde in die vervlogen tijden onder geheel andere omstandigheden bestond dan thans het geval is4 ,zoowel de sterrenkunde1 als de aardkunde en de paleontologie leeren ons1 dat de jaargetijden eerst zeer laat in de ontwikkelingsperiode der aarde ontstaan zijn1 en dat in vroeger tijd het klimaat aan de polen hetzelfde was als aan den evenaar1 en niet alleen leeren ons die wetenschappen1 dt dit zoo geweest is1 maar ook leeren zij ons1 waarom dit het geval is geweest4 ,een zware1 zwoele1 regenachtige dampkring2 eene gelijkmatige1 hooge temperatuur2 ontzaglijke getijden2 uitbarstingen van het inwendige vuur2 talrijke onweders2 ijzingwekkende stormen2 ziedaar het beeld der aarde in dien tijd4 ,de getuigen van dien toestand moeten grove1 sterke wezens geweest zijn1 in wier schoot de veredeling van latere tijden ontworpen zal worden4 ,de planten1 weinig samengesteld1 zonder geur1 zonder bloemen1 verkrijgen in dien voedzamen dampkring reusachtige afmetingen4 ,de zon heeft nog geen glans2 de vogels zingen nog niet2 eene doodelijke stilte omringt de aarde2 alleen de insecten gonzen en vermenigvuldigen zich in de schaduw der onmetelijke bosschen1 die de planeet voor het eerst bekleeden met een niet te ontwarren groen tapijt1 van den evenaar tot aan de polen4 ,niemand kan nog gissen1 dat er in de toekomst ijswoestijnen of eeuwigdurende sneeuw zullen ontstaan1 die op de bergen en aan de poolstreken in de toekomst het leven zullen tegenhouden4 ,indien men zich in de verbeelding in die uitgestrekte eenzaamheid verplaatst1 dan wordt men tegenover die eentonigheid van vormen vreemd gestemd4 ,de geheele afwezigheid van bloemen en hoogere dieren wierp op de schepping eenen sluier van algemeene droefheid1 geen enkele vogel vervroolijkte de bosschen1 waarin ook nog geene zoogdieren ronddwaalden4 ,de zoele lucht was vervuld met verstikkende dampen1 die uit den grond opstegen1 en de stilte der natuur werd alleen verbroken door het geraas van den regen1 en het suizen van den wind tusschen de boomen4 ,de ,zweedsche natuuronderzoekers ,nordenskjld en ,malmgren hebben in den zomer van #ahfh op ,beren-,eiland 7#gd #cj' ,n4 ,b47 in de steenkool en de gesteenten aan de oppervlakte1 achttien soorten van planten gevonden1 waarvan vijftien overeenkomen met die der diepste lagen der steenkoolformatie4 ,die flora heeft groote overeenkomst met die der ,vogezen en het ,schwartzwald4 ,overvloedig komen de ,lepidodendrons 7schubboomen7 voor4 ,in de schaduw dier boomen leefden de varens met groote bladeren4 ,ook de flora der ,parryeilanden heeft hetzelfde karakter2 men heeft daar talrijke steenkoollagen gevonden1 en onder de planten1 die men daarin ontdekt heeft1 vindt men er1 die ook in de steenkool van ,silezi voorkomen4 ,de zeedierenwereld in de poolstreken heeft hetzelfde karakter4 ,men vindt talrijke weekdieren1 uit de zee afkomstig1 in de steenkoolformatie der poolstreken1 welke in dezelfde formatie in ,europa gevonden worden1 sommige zelfs komen in de tropen voor4 ,behalve die weekdieren vindt men in ,spitzbergen in de kalksteen ook koraaldieren4 ,alles wijst er op1 dat toen de warmte1 die op de aarde de overhand had1 niet van de zon afkomstig was4 ,de poolstreken hadden eene veel hoogere temperatuur dan thans2 zooals wij zagen1 mogen wij uit het voorkomen derzelfde soorten van #dj tot #gf graden ,n4 ,b4 afleiden1 dat er over de geheele aarde eene groote gelijkmatigheid in temperatuur bestond4 ,bovendien wijst het karakter der steenkoolflora op eenen moerassigen bodem en eenen dampkring1 met waterdamp bezwangerd2 tegenwoordig vindt men alleen in de vochtige streken der tropen plantenvormen1 daarmede overeenkomend4 ,in onzen tijd groeien de varens en de wolfsklauwen meestal onder de dichte schaduw der bosschen1 en hebben zij veel minder dan de zaadplanten behoefte aan de rechtstreeksche werking van de zonnestralen4 ,dit was ook het geval met hunne oorspronkelijke voorouders1 en daar zij de groote meerderheid uitmaken van de planten der steenkoolformatie1 zoo begrijpen wij1 dat zij hebben kunnen leven en bloeien onder eenen steeds bedekten hemel4 ,hetzelfde is het geval met de insecten dier periode1 want voor het meerendeel zijn het nachtdieren1 zooals de witte mieren en de kakkerlakken4 ,ook het feit1 dat men in de poolstreken koraaldieren gevonden heeft1 bewijst1 dat in die tijden de poolzee eene koralenzee was en dus nooit kouder kon geweest zijn dan #bj4 ,duizenden heldere beken1 gevoed door onophoudelijke regens1 stroomden van de naburige hellingen en de hooger gelegen vlakten4 ,aan de oevers groeiden de boomvarens1 de lepidodendrons1 de sigillaria's telkens in andere verhoudingen4 ,de calamiten steil en recht1 de varens onuitwarbaar dooreengevlochten1 zouden de verwondering van den aanschouwer hebben opgewekt2 de bevalligheid der boomvarens met hare reusachtige bladerenkroon1 de regelmatige schoonheid der lepidodendrons1 de lenigheid der asterophylliten1 de spelingen van het licht1 dat even doorgelaten wordt door het dichte lommer1 moeten eene verrassende uitwerking gehad hebben4 ,maar onder al die steile boomen1 volgens bijna wiskundige wetten ingedeeld1 was nog geene enkele bloem zichtbaar4 ,de voortplantingsorganen bestonden slechts uit de onmisbare gedeelten2 van glans ontbloot1 waren zij onder geene bedekking verborgen of waren zij omgeven door onbeduidende schubben4 ,eerst later1 toen de natuur rijker aan vormen werd1 bloosde zij over hare naaktheid2 eerst toen weefde zij zich bruidskleederen2 daartoe heeft zij de bladeren1 die bij de voortplantingsorganen lagen1 buigzaam gemaakt en in bloembladeren veranderd1 en hunnen vorm en kleur gewijzigd4 ,en zoo heeft zij de bloem geschapen1 zooals de beschaving de weelde heeft voortgebracht1 door haar buiten de grenzen van het volstrekt noodzakelijke te doen treden4 ,de dampkring was in de steenkoolperiode rijk aan koolzuur2 die groote hoeveelheid koolzuur werd op het eerste voor goed uit de zee verrezene vaste land aan die rijke plantenwereld afgestaan onder begunstiging van eene tropische temperatuur en een overvloedig1 hoewel verspreid licht4 ,in gewone omstandigheden1 zouden die planten bij hare ontleding aan den dampkring het koolzuur teruggegeven hebben1 dat zij daaraan ontnomen hadden4 ,maar de plantenoverblijfselen werden naar gelang van hunnen val onder het water en de modder bedolven1 en hunne langzame verandering1 afgesloten van de lucht1 liet in de koolaarde de koolstof bijna geheel bestaan4 ,tegelijkertijd zetten zich ontzettende massa's kalksteen af1 die eveneens eene groote hoeveelheid koolzuur bonden4 ,zoo werd in die periode langzamerhand de dampkring gezuiverd4 ,al zijn de natuurkundige voorwaarden der steenkoolperiode over de geheele aarde dezelfde geweest1 daaruit volgt nog niet1 dat men op alle breedten steenkolen verwachten kan4 ,op die plaatsen toch1 waar toen de zee stroomde1 konden alleen kalksteenen1 zooals koolzure kalk en andere gevormd worden4 ,hieruit volgt1 dat in de steenkoolperiode boven #gf ,n4 ,b4 zich eene onmetelijke zee uitstrekte4 ,eerst ten zuiden dier parallel1 op de eilanden ,melville1 ,bathurst en ,patrick vindt men steenkoolformaties4 ,zoo ook ontbreken zij in de tropen van het noordelijk halfrond1 die toen onder water lagen4 ,op het noordelijk halfrond vindt men dus de steenkoolformatie overal tusschen #dj en #gf4 ,op het zuidelijk halfrond vindt men haar alleen op #af breedte 7,zambeze7 en in ,australi1 tusschen #be en #ce4 ,het is dus waarschijnlijk1 dat toen1 evenals thans1 de zuidelijke landen zich minder ver uitstrekten en dichter bij den evenaar gelegen waren dan de noordelijke4 ,de steenkoolformatie is in sommige streken twaalfduizend meters dik2 daarin overheerschen met de steenkool1 zandsteen en zwarte leisteen1 waarin als afdruksels de overblijfselen der plantenwereld voorkomen2 in de kolenkalk vindt men alleen zeedieren4 ,men vindt dikwijls een honderdtal lagen steenkool regelmatig op elkander gestapeld2 de steenkoolformatie vertegenwoordigt dus een langdurig tijdperk1 waarin de plantenwereld aanzienlijke veranderingen heeft ondergaan4 ,wij moeten ons dus tot de planten dier formatie wenden1 om onderverdeelingen in die periode te kunnen vaststellen4 ,de ,europeesche kolenbeddingen leeren ons1 dat de steenkoolperiode in drie deelen kan verdeeld worden1 ieder met hare eigenaardige flora3 ,i4 ,in de eerste periode hebben de wolfsklauwen 7lepidodendrons7 en de varens met gevinde bladeren de overhand4 ,,ii4 ,in de tweede periode de sigillaria's en de calamiten te zamen met de groote boomvarens4 ,,iii4 ,in de derde periode vindt men voor het grootste gedeelte varens1 cordaten en ringvormige moerasplanten 7,annularia74 ,in die laatste periode komt de ,walchia te voorschijn1 die in de bosschen der ,permische periode de overhand heeft4 ,doch laat ons thans meer nauwkeurig de steenkolenmijnen onderzoeken4 ,de steenkolen zijn het product van eene opeenhooping van ontlede plantaardige stoffen4 ,men vindt daarin de overblijfselen1 de takken1 de bladeren1 de indrukken van de boomen dier oude bosschen4 ,scheikundig ontleed1 blijken zij te bestaan uit koolstof1 waterstof en zuurstof1 d4 i4 uit de samenstellende bestanddeelen der plantenweefsels4 ,gemiddeld bevatten de steenkolen #hc koolstof1 #f waterstof1 #e #a_/b zuurstof en sporen van stikstof en zwavel4 ,sommige stukken anthraciet bevatten #ie koolstof4 ,men kan letterlijk zeggen1 dat de warmte1 die de locomotieven verhit en die afkomstig is van de koolstof1 in de bosschen der primaire periode vastgelegd1 niets anders is dan de oorspronkelijke warmte der aarde en de zonnewarmte4 ,die oude warmte was opgehoopt in de steenkolen1 wij maken die thans weer vrij1 terwijl wij haar arbeidsvermogen in eenen anderen vorm gebruiken1 en wij geven aan de natuur de reserve terug1 die zij had achtergehouden4 ,zijn die bosschen der steenkoolperiode begraven op de plaats1 waar zij oorspronkelijk aanwezig waren8 ,zou de steenkool oorspronkelijk turf geweest zijn1 die gedrukt onder later ontstane bezinksels1 versteend is8 of bestaat de steenkool uit plantaardige overblijfselen1 door het water medegesleept en op den bodem der bekkens afgezet8 ,de tweede theorie is het eerst door de geologen verkondigd1 zij is daarna door de eerste verdrongen1 toen men bijna versteende1 rechtopstaande boomen ontdekt had1 doch in de laatste jaren weder in eere hersteld1 omdat zij het geheel der waargenomen feiten beter verklaart4 ,stroomen beladen met grint1 modder en plantaardige overblijfselen monden uit in het diepe en stille water van een meer1 waar de stoffen naar hare dichtheid gescheiden worden3 de keisteenen en het grint vallen in zeer schuine lagen bij de monding1 terwijl de modder verder doorstroomt1 zich onder eene veel kleinere helling laagsgewijze afzet en de plantenstoffen bijna horizontaal aan het uiteinde bezinken4 ,zoo wordt voortdurend het plantenslib onder nieuwe sedimentlagen bedolven1 en indien de toevoer van plantenoverblijfselen voortgaat1 zal de steenkoollaag zich meer of minder regelmatig op den bodem verlengen1 hoewel de verschillende deelen niet gelijktijdig ontstaan zijn4 ,zoo kan men in de steenkoollaag alle overgangen vinden van de ruwere steenkool 7d4 i4 de plantenstof zonder minerale bijmengselen7 tot aan eene modderlaag1 vermengd met enkele overblijfselen van planten4 ,hoevele jaren en eeuwen vertegenwoordigen die bezinkingen8 ,het is moeilijk te ramen4 ,volgens de berekeningen van ,elie de ,beaumont zoude al de steenkool1 die door onze tegenwoordige bosschen kan geleverd worden1 over de uitgestrektheid der thans ontgonnen mijnen slechts eene laag vormen van #af centimeters in #ajj jaren4 ,wij hebben hier dus te doen met de vrucht van honderdduizenden jaren1 die millioenen jaren achter ons liggen4 ,men denkt hier onwillekeurig aan de voorstelling der ,buddhisten4 ,om een denkbeeld te geven van den ouderdom der aarde en van haren duur1 vergelijken zij onze planeet met eenen diamantberg1 die iedere eeuw eens met een katoenen lapje wordt afgestoft4 ,wanneer zal die berg versleten zijn8 ,de spoorwegen hebben in de laatste vijftig jaren een ongekend licht laten vallen op de ontwikkelingsgeschiedenis der aarde1 door de tunnels1 die door de verschillende lagen van de oppervlakte der aarde geboord zijn4 ,maar van alle formaties is toch de steenkoolformatie het ijverigst bestudeerd1 om hare groote innerlijke waarde en hare beteekenis voor de industrie4 7,wij behoeven hier niet te spreken van de diamant- en metaalmijnen1 omdat zij tot de vulcanische formaties behooren1 tot eenen tijd1 die aan het leven is voorafgegaan74 ,men kent niet alleen de steenkoolmijnen1 die de oppervlakte van den bodem aanraken1 maar met de grootst mogelijke inspanning heeft men ook die lagen onderzocht1 die iets dieper liggen1 maar toch nog de ontginning waard zijn4 ,die ontginning heeft immers hare grenzen3 indien de diepte der steenkolenlaag zo groot is1 dat de exploitatiekosten den verkoopsprijs overtreffen1 dan houdt de ontginning op4 ,z b4v4 blijkt reeds uit de figuren op blz4 #agi en #ahd1 dat men1 zoo men doorgraaft tot aan de primaire formatie1 die onder ,parijs gelegen is1 wel steenkool kan vinden1 maar dat de exploitatiekosten eene ontginning onmogelijk maken4 ,de groote waarde van de steenkool1 die kostbaarder is1 naarmate zij minder onuitputtelijk is 7de vraag wordt thans ernstig behandeld1 voor hoevele eeuwen er nog steenkool beschikbaar is71 heeft er toe geleid1 om ook de steenkoollagen te leeren kennen1 die niet tot de oppervlakte der aarde naderen1 en door formaties van later dagteekening bedekt zijn4 ,zeer rijk aan steenkolenmijnen zijn ,belgi1 ,engeland1 ,westphalen1 de ,vereenigde ,staten1 ,rusland en ,china #af4 ,het steenkolengebied strekt zich uit over meer dan een derde deel van ,europeesch ,rusland4 ,de geologische samenstelling 7kolenkalk7 toont aan1 dat op het einde der steenkoolperiode zich eene zee over ,rusland uitstrekte toen westelijk ,europa1 reeds voor het grootste gedeelte boven water1 met meren en zoetwatermoerassen bedekt was1 die den voet der reuzenplanten besproeiden4 ,wanneer de steenkoollagen aan de oppervlakte van den bodem grenzen1 dan strekken zij zich daarom nog niet over eene groote oppervlakte uit1 maar dalen zij wel tot op zekere diepte naar beneden4 ,door vertikale putten en hellende mijngangen delven de mijnwerkers de kostbare brandstof ten koste van een leven van zelfverloochening4 ,hoogst zelden is een kloeke en zorgenvrije ouderdom de belooning van een werkzaam leven vol opofferingen4 ,indien de mijnwerker ongedeerd is gebleven na alle rampen1 die hem in zijn leven onder de aardoppervlakte bedreigen1 zooals mijngas1 instortingen1 overstroomingen enz41 dan zijn toch zijne longen doortrokken met steenkolenstof1 en werken zij niet meer normaal2 zijn bloed wordt slecht vernieuwd1 en het daglicht1 waarvan hij nog enkele jaren hoopte te genieten1 verlicht een zwak lichaam1 dat bijna zijn tweede vaderland betreurt4 ,indien wij ons toevertrouwen aan het stoomros1 dat de landen doorklieft en de afstanden vernietigt1 indien wij des avonds de schitterende verlichting bewonderen1 die met het daglicht wedijvert1 dan denken wij slechts hoogst zelden aan den dapperen mijnwerker1 die op zijn vreedzaam arbeidsveld de grondstof graaft ten koste van wat den mensch het liefste is4 ,de diepte der kolenmijnen bedraagt somtijds #ejj1 #fjj of #hjj meters1 en de mijngangen1 met het kompas gegraven1 strekken zich dikwijls tot #e of #f kilometers uit4 ,die steenkolenbekkens hebben in het algemeen den vorm van grootere of kleinere1 dikkere of dunnere1 diepere of minder diepe kommen1 maar de talrijke ontwrichtingen der lagen en de verscheidenheid der oorspronkelijke omstandigheden1 waaronder zich de steenkool gevormd heeft1 maken het moeilijk1 eenen regel daarvoor vast te stellen4 ,verscheidene geologen onderscheiden de kolenkalk van de daarboven gelegen steenkool1 die daarvan door eene laag zandsteen gescheiden is4 ,men kan echter moeilijk gissen1 hoeveel achtereenvolgende bezinkingen van zout- en zoetwater door de talrijke steenkolenbladen vertegenwoordigd worden4 ,in de laag1 die zich uitstrekt van ,valencienes tot ,luik1 heeft men op eene dikte van #cjj meters #aef op elkander liggende bladen geteld4 ,enkele bladen zijn slechts eenige decimeters dik1 andere1 zooals te ,commentry1 hebben eene dikte van #be meters4 ,in ,belgi hebben enkele lagen den vorm van eene ,z1 zoodat eene zelfde vertikale put1 dikwijls driemaal door een zelfde blad gaat4 ,dikwijls moet de mijnwerker zich in de lastigste bochten wringen1 om den steenkolenader te volgen4 ,de steenkool komt niet alleen voor in de formaties der primaire periode1 waarvan wij thans de geschiedenis bestudeeren4 ,de fossiele brandstof komt in alle formaties voor1 maar zij is hoe langer hoe minder zuiver en vast1 of neemt eene kleinere ruimte in1 naarmate men de geologische ladder opklimt of afdaalt1 van de eigenlijke steenkolenformatie afgerekend4 ,alleen in die formatie zelf waren de botanische en climatologische voorwaarden van dien aard1 dat zij eene zoo groote opeenhooping van planten toelieten1 als de vorming der steenkool noodzakelijk maakte4 ,wij moeten echter wel degelijk de oude en de jongere steenkool onderscheiden4 ,doch keeren wij thans terug tot de planten uit de periode1 waaraan wij de steenkool te danken hebben4 ,te midden van de prachtige varens met hare fijn uitgesneden bladeren vindt men ook de kleinste sporeplanten1 die zich onder het water verbergen of die door hare geringe afmetingen onzichtbaar zijn4 ,onder de sporeplanten vindt men de grootste en de kleinste planten4 ,men vindt er z kleine onder1 dat men meer dan honderd millioen bijeen moet brengen1 om het gewicht van n gram te bereiken6 ,en daarnaast de ,macrocystis1 die eene lengte van #ejj meters bereiken kan1 en wier stam toch dun en buigzaam is4 ,men vindt de sporeplanten overal3 in het water1 op de oppervlakte der aarde1 in den grond1 in de lucht1 in de levende lichamen1 in de lijken4 ,hare rol is uiterst belangrijk4 ,de wateren zijn vol wieren2 de stroomen1 de rivieren1 de vijvers1 de poelen voeden onmetelijke hoeveelheden dier planten2 de bodem der zeen is er mee bedekt2 zij geven het aanzijn aan bosschen1 die in verscheidenheid van vormen en schoonheid van kleur niet onderdoen voor de bosschen op het land4 ,als het bloote oog in die wateren niets nieuws meer waarneemt1 dan ontdekt men met een vergrootglas weer nieuwe landschappen2 spoedig is ook het vergrootglas niet meer voldoende1 en indien men dan den mikroskoop te hulp neemt1 dan bemerkt men1 dat men tevergeefs zijnen gezichtseinder uitbreidt door telkens sterker vergrootingen1 want steeds ontdekt men nieuwe plantensoorten1 en krijgt men de overtuiging1 dat de natuur ons het oneindige te peilen geeft4 ,al die sporeplanten1 groot en klein1 leven1 en dat leven is veel meer dan het onze de bron van het leven op aarde4 ,als men die planten aan den arbeid ziet1 dan begrijpt men1 welke belangrijke rol zij spelen onder de verschijnselen1 die op onze planeet plaats vinden3 terwijl zij1 om te leven1 het koolzuur onttrekken aan de wateren1 die verzadigd zijn van dubbel koolzure kalk1 bereiden zij de onoplosbare koolzure kalk1 die zich afscheidt1 en vervaardigen zij lagen van steen1 waarin zij hare overblijfselen achterlaten als getuigen van het deel1 dat zij aan den arbeid genomen hebben4 ,andere planten werken op het kiezelzuur2 zij houden dat vast1 bedienen zich er van1 om beschermende omhulsels te vervaardigen1 en zich met duizelingwekkende snelheid vermenigvuldigend1 vormen zij de gesteenten1 die zich snel verheffen2 de opvolgende geslachten legeren zich op de lijken van die1 welke vr hen geleefd hebben1 en die daar blijven liggen1 omgeven door kiezelrijke schelpen1 die hun tot lijkwade dienen4 ,somtijds doen die kleine sporeplanten1 medegevoerd door de stroomen1 hare dooden in z grooten getale stranden1 dat zij de mondingen van die stroomen verstoppen4 ,aan de monden van den ,oder en vele andere rivieren1 bestaat de modder voor een derde of de helft uit ontelbare soorten van planten4 ,in de haven van ,pillau wordt iedere eeuw eene massa van n millioen cubieke meters van die oneindige kleine wezens afgezet4 ,nauwelijks komen die gesteenten boven water1 of andere sporeplanten maken zich er van meester3 gewoonlijk zijn het korstmossen4 ,aan de rotsen vastgehecht1 ontleden zij zelfs de hardste gesteenten4 ,die merkwaardige planten1 die men overal vindt1 waar een terrein geschikt gemaakt kan worden voor de vestiging van hooger ontwikkelde planten1 hetzij wieren1 hetzij paddestoelen1 zijn voor verschillende soorten van arbeid geschikt2 men vindt ze dan ook op het kwarts1 op zandsteen1 leisteen1 het bazalt en het porphyr van uitgedoofde vulkanen1 en zelfs op de nauwelijks afgekoelde lava van nog steeds vuurspuwende bergen4 ,wij moeten echter opmerken1 dat de sporeplanten oorspronkelijk waterplanten waren en nog altijd min of meer het water zoeken2 nauwelijks wagen zich de hoogst ontwikkelde op droge plaatsen2 de korstmossen sterven wel niet in de brandende woestenijen1 maar leven daar slechts1 als zij eenig vocht vinden4 ,men gevoelt bij alle sporeplanten eene geheime verwantschap met de wieren1 waaruit zij ongetwijfeld zijn voortgekomen2 bijna alle moeten zij f in het water leven f hebben zij behoefte aan meer of minder vochtige lucht4 ,dringen wij iets dieper in den grond door1 dan blijkt het dat de verschijnselen1 die wij daar waarnemen1 het vervolg zijn van die1 welke plaats gegrepen hebben in de tijdperken1 die aan het onze zijn voorafgegaan4 ,dezelfde arbeid werd verricht1 en wel op dezelfde wijze1 het evenwicht werd tot stand gebracht door de vereenigde werking van voortbrengende en verterende elementen2 maar te oordeelen naar de getuigenissen dier eeuwen1 waren het alleen de sporeplanten1 die dien arbeid verrichtten1 terwijl de zaadplanten eerst veel later verschenen1 om eerst met de sporeplanten samen te werken1 ze later aan te vullen1 en eindelijk te trachten ze te vervangen in haren arbeid4 ,tijdens den langen duur der steenkoolperiode werd de levenskracht der planeet in de wateren hoofdzakelijk vertegenwoordigd door de visschen1 op het land door de planten4 ,nog bestaan wel niet de hoogere ontwikkelde soorten in het dieren- en plantenrijk1 maar reeds openbaart zich het streven der natuur door de opklimming van het delfstoffenrijk tot aan de visschen en insecten aan de ne zijde1 en de varens en sigillaria's aan de andere zijde4 ,dat streven zal blijven voortduren1 totdat de natuur het aanzijn zal geschonken hebben aan de gevoelige en de vleeschetende planten1 het kruidje-roer-mij-niet en de drosera1 en aan de vogels1 de zoogdieren en den mensch4 ,in de periode1 die wij thans bestudeeren1 hebben de planten de grootste vorderingen gemaakt1 en de natuur noodigt ons zelf uit1 om een oogenblik te vertoeven1 ten einde die merkwaardige plantenwereld1 die zoo dikwijls miskend is1 te bewonderen4 ,de planten zijn niet minder merkwaardig dan de dieren1 ook zij leven1 en het is alleen door eenen samenloop van omstandigheden1 dat niet het hoogst ontwikkelde ras een plantenras geworden is1 in plaats van het menschenras4 ,laten wij ons eerst nog even herinneren1 dat de planten in twee groote afdeelingen kunnen gesplitst worden3 de cryptogamen 7geheim bloeiende sporeplanten7 en de phanerogamen 7openlijk bloeiende zaadplanten74 ,de eerste zijn nederige1 weinig schitterende planten1 zonder bloemen2 de huwelijkssponde der plant1 de voortplantingsorganen1 zijn onzichtbaar1 mikroskopisch klein1 en z verborgen1 dat eertijds zelfs uitstekende plantkundigen aan het bestaan dier organen twijfelden1 en die planten agamen1 7zonder voortplanting7 wilden noemen4 ,tot die cryptogamen behooren de wieren1 de zwammen1 de schimmels1 de mossen1 de paardestaarten1 de varens4 ,in werkelijkheid is er bij deze planten evenmin als bij de zaadplanten1 generatio spontanea1 maar evenals bij de lagere dieren1 waarvan wij de ontwikkelingsgeschiedenis hebben medegedeeld1 is de wijze van voortplanting nog weifelend1 en heeft zij nog niet die volmaaktheid bereikt1 dat de geslachten volkomen gescheiden zijn1 en dat twee verschillende1 elkander aanvullende wezens tot elkander moeten naderen4 ,geen bloemen1 geen behaagzucht1 geen welriekende geuren1 geen wellust3 minnarijen van weekdieren1 schaaldieren1 visschen4 ,maar de natuur verheft zich tot een potischer ideaal4 ,uit de sporeplanten komen de zaadplanten voort1 evenals de gewervelde dieren uit de ongewervelde4 ,de zaadplanten zijn de hooger ontwikkelde1 met schitterenden bruidstooi1 en voortplantingsorganen1 die bij de meeste met het bloote oog zichtbaar zijn3 de mannelijke organen1 de meeldraden1 dragen de bevruchtende stof1 het stuifmeel2 het vrouwelijk orgaan1 de stamper1 bevat de te bevruchten eitjes1 die het aanzijn geven aan eene nieuwe plant4 ,de zaadplanten worden in twee afdeelingen verdeeld3 de gymnospermen 7naaktzadigen7 en de angiospermen 7bedektzadigen72 bij de eerste zijn de eitjes niet in eenen gesloten zak1 eierstok1 ingesloten2 en groeit het hout door jaarringen aan 7naaldboomen72 bij de tweede zijn de eitjes opgesloten in den eierstok2 de angiospermen worden weder in twee klassen verdeeld3 de monocotylidonen 7nzaadlobbigen71 waar het hout niet aangroeit door concentrische ringen 7palmen1 bananen1 suikerriet1 dekriet1 hyacinten enz47 en de dicotylidonen 7twee zaadlobbigen71 waar het hout door jaarringen aangroeit en de vaatbundels onbegrensd zijn 7eiken1 olmen1 enz474 ,doch wij mogen niet te veel in bijzonderheden afdalen3 wij schrijven geen handboek over plantkunde4 ,wel mogen wij het leven der planten leeren kennen1 door hare zeden en aandoeningen te bestudeeren4 ,fig4 #aej-aed stellen eenige bloemen voor4 ,in de bloemkroon ziet men in het midden een aan haar benedeneinde gezwollen draadje 7stijl71 dit is de stamper of het vrouwelijke orgaan2 de zwelling aan de benedenzijde is de eierstok1 die de eitjes bevat2 de top van den stamper is de stempel4 ,rondom dien stamper ziet men de meeldraden of mannelijke organen1 vijf of meer in getal 7hun aantal is veranderlijk71 en ook de stamper kan n- of veelvoudig zijn4 ,de meeldraden bestaan uit eenen helmdraad1 die eindigt in eenen ovalen geelgekleurden helmknop1 die een geel poeder1 het stuifmeel bevat1 dat voor de bevruchting dient4 ,men zal zich gemakkelijk van de bevruchting der bloemen rekenschap geven bij de beschouwing der fig4 #aed-aeg4 ,fig4 #aed stelt eene kalmia voor1 terwijl de meeldraden in rust zijn1 vr de bevruchting2 fig4 #aee diezelfde bloem op het oogenblik der bevruchting1 als de meeldraden zich geplaatst hebben op den stempel van den stamper2 fig4 #aef is eene loasa lateritia1 waar men alle meeldraden aangetrokken ziet door den stamper4 ,voor de bevruchting is het noodzakelijk1 dat het stuifmeel de eitjes aanrake4 ,de eitjes1 die niet door die bevruchtende stof worden aangeraakt1 blijven onvruchtbaar4 ,op het oogenblik der bevruchting opent zich de helmknop en werpt deze het stuifmeel op den stempel4 ,uit iederen stuifmeelkorrel gaat eene zeer fijne buis uit1 die in den stempel dringt1 den stamper in zijne geheele lengte doortrekt1 om de eitjes te zoeken1 die haar aantrekken1 en door haar bevrucht worden4 ,van dat oogenblik af begint de vrucht zich te ontwikkelen3 het bevruchte eitje wordt eene zaadkorrel en de eierstok eene vrucht4 ,de bloem1 met hare geuren en schoonheid1 verdwijnt2 het schoone wijkt voor het ware1 het aangename voor het nuttige4 ,het doel der natuur is volbracht4 ,bij de dieren zijn reeds sedert langen tijd de geslachten gescheiden1 en die scheiding is een zeer krachtige oorzaak van vooruitgang en ontwikkeling4 ,bij de planten is de scheiding der geslachten uitzondering4 ,daar de planten op hare plaats blijven1 zoo is scheiding der geslachten in haar nadeel1 zoodat deze waarschijnlijk wel nooit algemeen zal worden4 ,de nhuizige planten1 waar mannelijke en vrouwelijke bloemen op dezelfde plant voorkomen1 gaan het meest vooruit4 ,de vorm der bloem hangt samen met de betrekkelijke lengte van de meeldraden en van den stamper4 ,daar de bevruchting het best verzekerd wordt1 indien het stuifmeel boven het vrouwelijk orgaan gelegen is1 opdat het neervallend op den stempel kome1 zijn bij de recht opstaande bloemen de meeldraden langer dan de stamper en steken zij daar boven uit4 ,bij de fuchsia's1 waar de bloemen neerhangen1 is de stempel ver onder de meeldraden gelegen1 en als het stuifmeel uit de helmknoppen valt1 komt het dus weder op den stempel4 ,bij een groot aantal bloemen zetten zich de meeldraden bij de minste aanraking in beweging2 als men ze even aantikt1 of een insect er maar aan raakt1 vallen zij op den stempel neer4 ,de insecten spelen dan ook eene belangrijke rol bij het bevruchten der bloemen4 ,indien zij zich in de bloemkroon neerzetten1 brengen zij de zoo gevoelige meeldraden in beweging1 die instinctmatig in aanraking komen met den stempel4 ,de bijen1 de hommels1 de kapellen nemen het stuifmeel mede1 als zij honig gezocht hebben in de bloemkroon1 en als zij zich dan op andere bloemen nederzetten1 geven zij daar het stuifmeel af1 dat die bloemen veel sneller bevrucht1 dan zonder de tusschenkomst dier insecten het geval zoude geweest zijn4 ,bij de planten met gescheiden geslachten1 zooals de dadels1 de kastanjes1 en andere1 is de bevruchting zelfs zonder de hulp der insecten of van den wind onmogelijk4 ,men kent de geschiedenis van den vrouwelijken dadel1 te ,otranto geplant1 die onvruchtbaar bleef1 totdat een mannelijke dadel te ,brindisi z hoog boven de naburige boomen uitstak1 dat de wind het bevruchtende stuifmeel naar ,otranto kon overbrengen4 ,de vallisneria1 eene bekende waterplant1 behoort tot de merkwaardigste der planten met gescheiden geslachten4 ,de vrouwelijke bloemen worden door eenen langen steel gedragen1 die haar in staat stelt1 tot aan de oppervlakte van het water te komen en daar hare bekoorlijkheden ten toon te spreiden4 ,de mannelijke bloemen stijgen niet hoog genoeg1 om ze te bereiken4 ,maar somtijds ontsnappen zij plotseling uit de bloemscheede1 die ze omsloten hield1 en verheffen zij zich tot de huwelijkssponde4 ,dan verspreiden de helmknoppen hun stuifmeel en wordt dit door de vrouwelijke bloemen opgenomen4 ,daarna wikkelen zij haren steel spiraalvormig op1 zeggen het licht vaarwel en dalen zij af tot onder het water1 om er de vrucht van hare liefde te doen rijpen4 ,nog hooger in ontwikkeling zijn de planten met willekeurige of teweeggebrachte bewegingen1 die op hare wijze zenuwen en spieren bevatten en begaafd zijn met vermogens1 die hooger staan dan die van een groot aantal lagere dieren4 ,daartoe behooren het kruidje-roer-mij-niet1 de drosera1 de vliegenvanger1 de aldrovandia1 de pinguicula1 de utricularia1 enz4 ,de merkwaardigste en nauwkeurigst bestudeerde is de drosera1 merkwaardig type der vleeschetende planten4 ,wij zijn zzeer gewend aan het denkbeeld1 dat de planten door hare bladeren ademen1 en dat zij zich door hare wortels met de sappen der aarde voeden1 dat onze gewone begrippen omtrent de onschuld van het plantenrijk omver geworpen worden1 indien wij hooren spreken van eene plant1 die eet en haar voedsel verteert als een dier4 ,do drosera1 die de venen en de moerassen bewoont1 heeft bladeren1 die bedekt zijn met voelhorens1 en vloeistofdruppels afscheiden1 die in de zon schitteren4 ,indien een insect1 vlieg1 vlinder1 of waterjuffer zich op het blad plaatst1 dan dalen alle voelhorens 7dikwijls ten getale van #bfj7 op het insect af en nemen het gevangen4 ,al plaatst het zich op den rand van het blad1 dan wordt het reeds gegrepen en naar het midden gesleept4 ,het wordt met een slijmerig vocht besmeerd en sterft spoedig4 ,daarna eet de plant het in letterlijken zin op3 het slorpt het op en verteert het door middel van eene soort van maagsap4 ,de vleeschetende plant scheidt eene gistingsstof af1 met pepsine overeenkomend1 en die ook bij de spijsvertering dezelfde rol vervult4 ,men kan de plant rauw1 of gebraden vleesch1 stukken hard ei1 beenderen of graten geven1 zij geeft bijna niets terug6 ,de plant heeft eene ongeloofelijk krachtige spijsvertering4 ,wij hebben ruimte te kort1 om langer over die planten uitte weiden4 ,het zoude anders belangrijk zijn1 nog een oogenblik stil te staan bij de vliegenvangers1 die de onvoorzichtige vliegen1 die zich een oogenblik op de bladeren neerzetten1 meedoogenloos vermorzelen en verslinden1 of bij andere verwante soorten2 doch wij mogen niet langer vertoeven4 ,ons doel was alleen1 bij de beschrijving der steenkoolperiode1 de periode van het plantenrijk bij uitnemendheid1 dat plantenrijk te leeren begrijpen3 te leeren gevoelen1 dat ook dat rijk niet vreemd is aan het leven onzer planeet1 en dat het veel minder ver afligt van het dierenrijk1 dan men oppervlakkig meent4 ,indien wij ons bezig zullen houden met den oorsprong van den menschelijken geest1 dan zullen wij zien1 dat zelfs uit het oogpunt van de geestvermogens1 de plant niet zoo werkeloos is1 als men meent4 ,honger1 dorst1 ziekte1 gulzigheid1 wellust1 ja zelfs liefde1 zijn gewaarwordingen1 die den planten niet geheel en al vreemd zijn4 ,de hooger ontwikkelde planten zijn eerst zeer laat opgetreden1 evenals de hoogere dieren2 en er is geen reden te gelooven1 dat er in de toekomst niet nog veel hooger ontwikkelde planten zullen bestaan2 het plantenrijk immers gaat evenzeer vooruit als het dierenrijk en het menschdom4 ,de bedektzadige planten zijn van jongen datum3 de eenzaadlobbigen zijn begonnen in de triasperiode1 en de tweezaadlobbigen in de krijtperiode4 ,in de steenkoolperiode bestond het plantenrijk hoofdzakelijk uit sporeplanten3 de naaktzadigen treden juist op4 ,fig4 #aeg geeft een duidelijk overzicht van het plantenrijk in de verschillende perioden4 ,men ziet1 dat in de azosche periode alleen hoogsteenvoudige cryptogamen1 protophyten en wieren voorkwamen2 dat in de primaire periode1 het devonische tijdperk het aanzijn gaf aan de korstmossen1 de bladmossen1 de eerste varens1 de wolfsklauwen en de paardestaarten1 die zich vooral ontwikkelen in de steenkoolperiode2 dat in die laatste periode ook de naaktzadige cycaden ontstaan1 die aan de varens grenzen1 en in de permische periode de coniferen1 die in de secundaire periode de overhand hebben4 ,men ziet ook1 dat de bedektzadigen in de triasperiode begonnen zijn met de nzaadlobbigen1 terwijl de tweedzaadlobbigen eerst op het einde dier periode ontstaan zijn1 om voort te duren tot op onzen tijd4 ,onze lezers kennen thans de grondtrekken van het gebouw van het leven op aarde1 de grondwaarheden van de wereld vr de schepping van den mensch4 ,langzaam1 stap voor stap1 volmaakte zich het plantenrijk1 terwijl het zich aanpaste aan de levensvoorwaarden der planeet4 ,de steenkoolperiode was het tijdperk der sterkste uitbreiding van dat rijk4 ,bij dien vruchtbaren plantengroei kon men in de lauwe wateren1 in de nauwelijks verrezen eilanden1 in de vochtige wadden1 de meest verschillende soorten ontdekken van sporeplanten1 zooals paardestaarten en mossen4 ,zij vormden als het ware het weefsel der formaties1 waarop de reusachtige paardestaarten groeien moesten4 ,van de laagste vormen1 waar het protoplasma bloot ligt1 klimt men ongemerkt op tot de vormen1 die aan de zaadplanten grenzen4 ,die lagere planten1 die bladmossen1 die paardestaarten1 groeien1 en bereiken eindelijk eene hoogte van verscheidene meters4 ,men heeft in de steenkoolformatie zelfs calamiten en paardestaarten van tien tot twaalf meters gevonden4 ,doch dit was nog slechts het voorspel van de prachtige wouden1 waarin de schubboomen1 sigillaria's en boomvarens de overhand hebben4 ,de schubboomen behooren tot de familie der lycopodiacen1 die thans slechts vertegenwoordigd worden door onze gewone wolfsklauwen4 ,zij bereikten toen eene verbazende hoogte1 en hunne sierlijkheid wedijverde met hunne kracht4 ,reeds kon men in de stukken1 in de steenkool teruggevonden1 die kracht en die sierlijkheid vermoeden4 ,toen men ze later leerde kennen1 vond men1 dat die stukken behoorden tot reusachtige boomen1 van #cj tot #dj meters hoogte en #a #a_/b meter middellijn4 ,de schors dier boomen was bijzonder schoon1 gegraveerd met sierlijke ruiten4 ,men heeft zelfs den juisten vorm van hunnen inwendigen bouw teruggevonden3 in het midden was eene soort van merg1 evenals bij hunne tijdgenooten1 de calamodendrons 7fig4 #afe en #aff74 ,men ziet1 dat er toen geene jaarringen waren1 die ons in staat zouden stellen1 den leeftijd van den boom te leeren kennen1 en de jaren van ziekte en voorspoed4 ,bij de calamiten en schubboomen moeten wij nog als vertegenwoordigers der flora van dat tijdperk de varens voegen1 die onder die voorspoedige omstandigheden boomvarens worden4 ,in plaats van eene hoogte van enkele meters te bereiken1 zooals thans zelfs in de tropen het geval is1 werden zij #ab tot #ae meters hoog4 ,zij waren in de paleozosche periode1 gedurende het eerste levenstijdperk op aarde1 de heerschers en gebieders4 ,maar geene enkele plant van die oude tijden was zoo merkwaardig als de reusachtige boomen1 die thans uitgestorven zijn en bekend staan onder den naam van sigillaria's4 ,die boomen1 die dikwijls eene hoogte van #dj meters bereikten1 zijn de overgangsvormen tusschen de sporeplanten en de zaadplanten1 want het zijn bijna reeds naaktzadige planten4 ,zij gelijken op de cycaden en de coniferen4 ,zij hebben geene jaarringen1 en hare eitjes worden door geenen eierstok beschermd4 ,de naaktzadigen zijn onvolkomen1 of liever hoogsteenvoudige zaadplanten1 dichter staande bij de cryptogamen dan de bedektzadigen4 ,deze laatste zullen eerst veel later de overhand verkrijgen4 ,men ziet het1 de gang der natuur is steeds dezelfde3 van het eenvoudige naar het samengestelde1 van het onvolkomene naar het meer volmaakte1 van de armoede naar den rijkdom4 ,sedert de eerste ontdekking van stammen van sigillaria's was men verbaasd over de vreemdsoortige schikking van sommige ovale litteekens rondom die schoone cilindrische stammen2 aan de overeenstemming in vorm van die litteekens met stempels1 zijn die boomen hunnen naam van sigillaria's 7stempelboomen7 verschuldigd4 ,de boomen werden gesteund door krachtige wortels1 die zich dikwijls tot #ae en #bj meters van den voet van den boom onder den grond uitstrekten4 ,andere boomen dier familie zijn van boven tot beneden met zeshoekige schilden bedekt1 die tevens de sporen van bladeren dragen2 of wel die soorten van schubben zijn driemaal langer dan breed1 en dragen de knoopen der bladeren aan den bovensten hoek4 ,een andere merkwaardige vorm1 die der stigmaria's1 heeft aanleiding gegeven tot onjuiste opvattingen1 totdat men de oplossing van het raadsel gevonden heeft4 ,in de steenkolenformatie vond men verbazend groote min of meer gebogen1 maar nooit rechte stammen van eene vreemde soort2 die boomen kenmerkten zich door eene gegolfde schors1 door eene plotselinge vernauwing van den stam en door vlekken1 van de grootte eener erwt1 die in regelmatige spiralen om den stam liepen4 ,die vlekken waren kleine stempels1 afdruksels van bladeren1 die bij de sigillaria's1 7zooals bij onze palmen en boomvarens71 uit den stam zelf kwamen2 maar die bladeren schenen volstrekt niet tot dezelfde familie te behooren4 ,nauwkeuriger onderzoekingen deden stompen vinden1 die dergelijke houtachtige1 cilindrische bladeren droegen2 het waren veeleer bladstelen dan bladeren4 ,eindelijk vond men eenen prachtigen stam eener sigillaria1 die nog hare wortels behouden had1 en het bleek toen1 dat de stigmaria1 die men als een boom beschouwd had1 niets anders dan de wortel der sigillaria4 ,die soort is met de oorspronkelijke flora uitgestorven2 doch de sigillaria's gaan over in varens1 de schoonste boomen dier familie4 ,wat wij thans varens noemen1 is nog slechts een flauw spoor van die prachtige planten van eertijds4 ,zij gelijken op palmboomen1 doch de bladeren zijn enkel- of dubbel gevind2 bovendien ontstaan de jonge bladeren der varens gelijktijdig en zijn zij slakkenhuisvormig opgewonden1 terwijl de bladeren der palmboomen na elkander ontstaan en uit eenen rechten stam groeien1 die spits toeloopt4 ,de varens en de sigillaria's zijn planten1 die vocht1 schaduw en warmte noodig hebben1 want zij wijzen alle op een tropisch klimaat4 ,de fossiele boomen zijn van jongeren datum dan de steenkool4 ,hoewel echter de planten1 die in kiezel veranderd zijn1 niet tot de steenkoolformatie behooren1 zijn zij toch ongetwijfeld uit de periode der roode zandsteen1 die onmiddellijk daarop volgt4 ,misschien hebben zich die planten ontwikkeld tijdens de steenkoolformatie1 zonder verkoold te zijn1 en zijn zij op de oppervlakte gebleven1 die daarna met zand en klei bedekt is2 daarna kan zich het kiezel uit het mengsel hebben afgescheiden1 om zich in de houtvezels af te zetten1 of is deze molecule voor molecule in de plaats van de koolstof getreden4 ,men vindt somtijds geheele lagen versteend hout4 ,het stadhuis te ,nordhausen bevat eene zandsteenen trap1 waarvan ieder stuk onwederlegbaar aantoont1 dat het oorspronkelijk hout geweest is1 en dat de massa van jaar tot jaar is toegenomen met houtlagen1 bestaande uit vezels1 stammen en takken2 op andere plaatsen vindt men1 dat de houtmassa in prachtige agaatsteenen veranderd is1 die nu eens doorschijnend1 dan weder ondoorschijnend zijn en de meest verschillende kleuren vertoonen4 ,op van ,diemensland vindt men een bosch1 bestaande uit versteende boomen1 die in opaal veranderd zijn4 ,nergens vindt men waarschijnlijk schooner versteend hout1 en nergens is de oorspronkelijke bouw der weefsels beter bewaard gebleven4 ,terwijl het van buiten nog steeds eene gelijkslachtige en blinkende oppervlakte vertoont1 bestaat het van binnen uit concentrische lagen1 die wel vast aaneengesloten schijnen1 maar toch over hare geheele lengte gemakkelijk kunnen worden gespleten4 ,sir ,james ,ross deelt het volgende mede3 ,ten zuiden van de haven 7op het eiland ,kerguelen7 bevindt zich de merkwaardige rots1 door ,cook beschreven4 ,het is eene ontzaglijke bazaltmassa1 #ejj voet dik1 veel jonger dan het gesteente1 waarop zij rust1 en waaruit zij in half-vloeibaren toestand schijnt verrezen te zijn1 tot eene hoogte van #fjj voet boven de oppervlakte der zee4 ,tusschen die twee gesteenten van verschillenden ouderdom heeft men versteende boomen gevonden2 men heeft er nen van zeven voet uitgegraven en naar ,engeland gezonden4 ,de graad van versteening van dat hout wisselt af tusschen de zeer brandbare steenkool en de vuursteen1 hard genoeg om glas te snijden4 ,eene laag leisteen1 verscheidene voeten dik1 en op die boomen afgezet1 schijnt de verkoling te hebben belet1 toen de lava ging stroomen4 n der merkwaardigste geologische karaktertrekken van dat eiland is juist1 dat men er verscheidene lagen steenkool boven elkander vindt1 in dikte afwisselend tusschen enkele duimen en verscheidene voeten4 ,in de roode zandsteen en onder dat gesteente vindt men versteende boomen1 waarin eene kiezelmassa is doorgedrongen1 en die in chalcedoon veranderd zijn2 van die stammen1 dwars doorgesneden1 tot platen gezaagd en gepolijst1 worden luxeartikelen vervaardigd1 even schoon als agaat of kornalijn4 ,maar keeren wij tot het steenkooltijdperk terug4 ,met de sigillaria's openden de cardoten1 die eveneens uitgestorven zijn1 het tijdperk der naaktzadigen1 waarvan de naaldboomen en cycaden de thans nog levende vertegenwoordigers zijn2 ook zij waren boomen van veertig meters hoogte1 alleen aan de kruin vertakt1 en gedekt door groote bladeren1 een meter lang4 ,die lange bladeren komen in grooten getale voor in de geheele steenkoolformatie1 en vooral in de bovenste lagen4 ,de gekleurde plaat tegenover blz4 #bgd geeft den lezer een denkbeeld van den aard dier onmetelijke wouden1 die zoowel op den bodem van het water gevonden worden als op eenen grond1 die reeds zijn plantenkarakter verkregen heeft door de menigte planten1 in dien grond reeds sedert eeuwen opgehoopt4 ,dit is de flora1 die onze planeet versierde op het tijdstip1 waarop de rijke kolenmijnen gevormd werden1 die in onzen tijd door de menschelijke industrie ontgonnen werden2 men ziet1 hoe snelle en reusachtige vorderingen het plantenrijk heeft gemaakt4 ,doch alsof de natuur zich nu eens uitsluitend heeft willen toeleggen op de uitbreiding en ontwikkeling van het plantenrijk1 is het dierenrijk slechts weinig vooruitgegaan4 ,de vischsoorten1 die aan de devonische periode eigen zijn1 zetten zich ook in de steenkoolperiode voort1 en worden vertegenwoordigd door de glansschubbigen1 waarmede wij reeds kennis gemaakt hebben4 ,zij ontwikkelen zich in die periode sterk1 krijgen eene groote verscheidenheid in vormen en bereiken eene aanzienlijke grootte1 zooals b4v4 de megalichthys4 ,enkele soorten moeten tegelijk door kieuwen en door longen geademd hebben1 zoodat zij ook in droge modder konden leven4 ,de weekdieren nemen in die periode eene andere gedaante aan4 ,het meest komen voor de armpootigen1 bekend onder den naam van productidae1 groote gewelfde dieren4 ,de soorten der vroegere periodes nemen af met uitzondering der spiriferidae en enkele andere4 ,ook verminderen de koploozen1 doch de buikpootigen nemen weer toe4 ,de plantdieren veranderen weinig4 ,men vindt stekelhuidigen1 zee-egels1 zeesterren uit de silurische periode voortgekomen1 en zeelelin1 waarvan men in die periode meer dan vijfduizend soorten kent4 ,de schaaldieren ondergaan merkbare veranderingen2 de trilobieten verdwijnen bijna geheel2 de schorpioenen nemen toe4 ,reeds vroeger 7blz4 #afh7 hebben wij van eenen schorpioen gesproken1 in de silurische formatie gevonden4 ,fig4 #agh stelt zijnen opvolger voor in het steenkooltijdperk4 ,de in de lucht ademende dieren worden reeds talrijker4 ,evenals de spinachtige dieren1 zijn ook de oudste duizendpooten in de steenkoolformatie ontdekt4 ,maar het zijn de insecten1 die zich het snelst ontwikkelen4 ,tot voor korten tijd had men slechts een gering aantal fossiele insecten gevonden1 en dat wel alleen in de secundaire en tertiaire periode4 ,tot in #ahgh had men over de geheele aarde slechts #abj overblijfselen van fossiele insecten ontdekt2 na #ahgh heeft men alleen in ,frankrijk in de steenkolenmijnen van ,commentry #acjj exemplaren gevonden4 ,eenige soorten waren reeds in de devonische formatie gevonden1 en onlangs ook in de silurische4 ,hoewel men in het algemeen alleen de vleugelen vond1 7daar het lichaam van een insect moeilijk bewaard kan blijven7 zijn de insecten van ,commentry tamelijk volledig behouden gebleven4 ,alle insecten1 tot nu toe in de primaire formaties gevonden1 ,zijn rechtvleugeligen1 netvleugeligen of halfvleugeligen1 en dus minder ontwikkelde dieren dan de vliesvleugeligen en schubvleugeligen2 hun lichaam vertoont nog niet die zuivere scheiding van kop1 borststuk en achterlijf1 die men b4v4 bij de vliesvleugeligen bewondert4 ,een kakkerlak1 een krekel1 een sprinkhaan1 zijn niet zoo ontwikkeld als een vlinder met geschubde vleugels1 eene bij1 of eene mier4 ,het is natuurlijk1 dat de rechtvleugeligen vr de vliesvleugeligen zijn opgetreden4 ,in de bosschen der steenkoolperiode vond men de voorouders der kakkerlakken1 der krekels1 der sprinkhanen1 der witte mieren1 der waterjuffers4 ,men kent reeds sedert lang de kakkerlakken1 door ,oswald ,heer in de steenkool van ,zwitserland ontdekt4 ,onder die oude insecten vindt men er 7meganeura en titanophasma7 van #cc en #be centimeters3 geen enkel insect van onzen tijd bereikt meer die grootte4 ,wij noemen nog de protophasma ,damasii die prachtig bewaard is gebleven1 en waarin men 7fig4 #aha7 het oog1 de sprieten1 den fijnen bouw der vleugelen1 nog uitstekend kan terugvinden4 ,indien men aan die insecten denkt en ze in den geest doet herleven in de schitterende wouden dier periode1 terwijl men zich de gevoeligheid dier sprieten en dier oogen met duizenden facetten voor den geest roept1 dan bewondert men de grootheid van den arbeid1 door de natuur volbracht sedert den tijd1 toen alleen de raadselachtige organismen der oorspronkelijke zeen dreven in de wereldzee der cambrische periode4 ,de steenkoolperiode schijnt ook het tijdperk te zijn1 waarop de kruipende dieren het eerst optraden4 ,men heeft in de steenkoolformatie amphibin gevonden1 op salamanders en kikvorschen gelijkend1 waarvan enkele meer dan twee meters lang waren4 ,van dien tijd dagteekenen ook de labyrinthodonten1 7kikvorsch-hagedissen7 die den overgang vormen tusschen de amphibin en de kruipende dieren4 ,wij zullen ze leeren kennen in de permische periode1 waarin zij zich snel ontwikkeld hebben1 ten einde zich voor te bereiden voor de heerschappij1 die zij in de secundaire periode moesten voeren4 ,,vijfde ,,hoofdstuk ,einde van het ,primaire ,tijdperk4 ,de permische periode4--,amphibin en kruipende dieren4 ,uit het oogpunt van het leven beschouwd is de permische periode niet minder dan uit een natuurkundig oogpunt de voortzetting der steenkoolperiode4 ,toch is de steenkoolperiode zelf voorbij2 men vindt thans kalk- en zandsteenen1 zonder brandbare stoffen1 en die in meer of minder dikke lagen op de kolenlaag gelegen zijn4 ,wij zagen reeds vroeger1 dat de steenkolenformatie in ,rusland meer dan een derde van ,russisch-,europa uitmaakt4 ,hetzelfde is met de permische formatie het geval2 een groot gedeelte van ,midden-,rusland wordt door die formatie1 die naar de provincie ,perm genoemd wordt1 ingenomen4 ,men noemt die formatie ook wel rood-doodliggend1 om de weinige fossielen1 die zij bevat4 ,in ,frankrijk ligt die formatie op verscheidene plaatsen bloot4 ,op de centrale hoogvlakte1 die1 zooals wij zagen1 zoo rijk is aan steenkolenlagen1 bedekt de permische formatie dikwijls die lagen met eene laag van #ijj tot #ajjj meters1 bestaande uit zandsteen en leisteen4 ,in de ,vogezen neemt die formatie den bodem der valleien in1 die op den oostelijken rand dier bergstreek de secundaire bergketens snijden3 daar rust zij onmiddellijk op het gneiss1 dat den ondergrond van die valleien vormt1 en vermengt zij zich met het porfier1 dat daar is uitgeworpen in den tijd1 toen dat geheele oostelijke gedeelte der ,vogezen met permische wouden 7varens1 cordaten1 enz47 bedekt was4 ,het oudste gedeelte der permische formatie is eene strandvorming1 in ondiepe zee gevormd4 ,planten en dieren zijn nog dezelfde als in de vorige periode1 maar zij staan reeds op het punt1 om plaats te maken voor volkomener vormen4 ,de omgeving verandert4 ,toch zijn er nog geene jaargetijden op onze planeet1 en de zon is nog niet zeer lichtgevend4 ,de temperatuur is nog overal gelijkmatig en tropisch4 ,de bodem ondergaat dalingen1 die het gevolg zijn van inwendige afkoeling en samentrekking der aarde4 ,in het begin dier nieuwe periode voert eene algemeene daling van den bodem de zee weer terug over een groot gedeelte van ,europa1 vooral ,rusland1 ,centraal-,duitschland1 het zuid-westen van ,engeland1 den voet der ,vogezen enz4 ,groote opeenhoopingen verzamelen zich in de zeen3 zij vormen het jonge roode zandsteen4 ,daarboven zet zich in tijden van betrekkelijke kalmte de magnesiumkalk1 ook wel zechsteen genoemd1 af4 ,dit is in ,centraal- en ,west-,europa de gewone samenstelling der permische formatie1 die trouwens zeer veranderlijk is4 ,op verscheidene plaatsen brengen onderaardsche inspuitingen in de zeen delfstoffen1 die in het algemeen verderfelijk zijn voor het leven2 b4v4 het koper in ,thuringen en ,rusland1 het gips en het steenzout in ,rusland en ,amerika1 en het magnesium overal4 ,uit een mineralogisch standpunt gelijkt dan ook de permische formatie meer op het trias1 dat daarop volgt1 dan op de formaties1 die zijn voorafgegaan2 uit een organisch oogpunt is echter het omgekeerde het geval4 ,behalve in ,rusland en in de ,vereenigde ,staten1 waar nog steeds de stilte der vorige perioden voortduurt1 zijn de bewegingen van den bodem en de omwentelingen der lagen uiterst talrijk2 vandaar dan ook1 dat in de ,vereenigde ,staten de permische formatie #bej meters is1 terwijl deze in ,boheme #gjj meters en in ,saksen #abjj meters bedraagt4 ,de onderste lagen rusten nu eens op de steenkool1 dan weder op leisteen of graniet1 hetgeen wijst op den invloed der zee4 ,de permische periode teekent het einde van een groot geologisch tijdvak1 omdat daarin de meeste oude typen uitsterven1 hetzij omdat zij hun natuurlijk uiteinde bereikt hebben1 hetzij omdat de omgeving niet meer geschikt voor hen is4 ,slechts enkele typen blijven voortbestaan3 nog geene enkele der nieuwe vormen1 die het secundaire tijdperk teekenen1 komt ten tooneele4 ,het is dus natuurlijk1 dat het einde der permische periode tevens als het einde der paleozosche periode beschouwd wordt4 ,de dierenwereld uit die periode telt nauwelijks driehonderd bekende soorten4 ,alle dierengroepen geraken in verval1 ten minste in ,europa en in de ,vereenigde ,staten4 ,de poliepen1 de zeelelin en de stekelhuidigen tellen nog slechts enkele soorten4 ,bijna alle paleozosche armpootigen zijn verdwenen1 enkele komen nog voor het laatst voor4 ,die klasse zal zich niet meer uit haar verval opheffen en altijd overtroffen worden door de buikpootige en koplooze weekdieren4 ,de koppootigen zijn tot enkele soorten teruggebracht1 en de schaaldieren worden alleen nog slechts vertegenwoordigd door de laatste der trilobieten1 enkele limulen en enkele cypridinen4 ,de glansschubbige visschen behouden hunne stelling en zijn merkwaardig door het groote aantal soorten en individuen4 ,de ontwikkeling van het leven schrijdt regelmatig voorwaarts4 ,boven de drie afdeelingen3 plantdieren1 weekdieren en ringwormen1 alle ongewervelde dieren1 staan de gewervelde dieren4 ,gedurende de azosche en primaire periodes hebben wij na elkander de dieren der drie eerste afdeelingen zien verschijnen1 en wel z1 dat de meest volkomene ongewervelde dieren1 de spinachtigen1 de duizendpooten1 de insecten1 de gelede dieren in het algemeen1 het laatst verschenen zijn1 lang na de plantdieren en de weekdieren4 ,zoo zagen wij ook de gewervelde dieren met de laagst ontwikkelde1 de visschen1 beginnen4 ,die hooger ontwikkelde afdeeling bestaat uit de volgende klassen3 ,visschen4 ,amphibin4 ,kruipende dieren4 ,vogels4 ,zoogdieren4 ,wij hebben de eerste dier klassen zien optreden4 ,wij zullen thans de ontwikkeling der tweede klasse bijwonen4 ,de amphibin zijn noch visschen noch kruipende dieren4 ,hun zenuwstelsel is ontwikkelder dan dat der eerste klasse1 en minder ontwikkeld dan dat der tweede klasse4 ,men noemt ze amphibin 7tweeslachtig71 omdat zij zoowel in het water als visschen1 als in de lucht als kruipende dieren kunnen leven4 ,tot de amphibin behooren de kikvorsch en de pad1 7staartlooze dieren7 en de salamanders 7die den staart behouden74 ,tot de kruipende dieren behooren de slangen1 de hagedissen1 de krokodillen en de schildpadden4 ,de amphibin ademen de lucht in1 die in het water op gelost is1 en wel gedurende den eersten tijd van hun leven1 door kieuwen4 ,de kruipende dieren ademen steeds de gewone lucht in door longen4 ,de amphibin vertoonen bovendien voortdurend gedaantewisselingen2 op het oogenblik1 waarop zij het ei verlaten1 zijn zij nog niet tot volkomen ontwikkeling gekomen1 en hebben zij nog niet den bouw hunner ouders2 dit geschiedt eerst als zij volwassen worden4 ,in het begin van hun leven is hun bestaan aan dat der visschen gelijk1 en zijn het waterdieren4 ,nu eens ontbreken de ledematen geheel en al1 dan weer gelijkt het lichaam op eene schijf1 en is het afgeplat en van lange pooten voorzien4 ,bij sommige1 die op het land leven en geene ledematen bezitten1 gelijkt het lichaam op dat van eenen aardworm4 ,bij die1 welke zich steeds in het water ophouden1 is de staart zijdelings afgeplat1 en maakt deze het zwemmen mogelijk4 ,de pooten vertoonen alle trappen van ontwikkeling2 eerst niet in staat1 om het lichaam te dragen1 verkrijgen zij later klauwen4 ,somtijds bestaan alleen de voorpooten1 dan weer zijn alleen de achterpooten zichtbaar4 ,bij de staartloozen sterft de staart af en verdwijnt deze bij het volwassen dier geheel4 ,de uitwendige vorm der amphibin bewijst1 dat haar bouw geschikt is1 om zoowel in het water als in de lucht te leven1 maar dat zij langzamerhand naderen tot de landdieren1 geschikt om te kruipen en te springen4 ,hoewel het zenuwstelsel nog zeer eenvoudig is1 is het toch hooger ontwikkeld dan dat der visschen4 ,de hersenen zijn klein in vergelijking met de wervelkolom4 ,evenals de visschen leggen de amphibin eieren4 ,de levend barenden komen eerst later ten tooneele4 #ag ,evenals de kruipende dieren1 tieren de amphibin het best in een warm en vochtig klimaat2 zij komen vooral voor in de tropische landen der nieuwe wereld4 ,in die maagdelijke wouden vinden zij het geheele jaar de vochtigheid en de warmte1 die zij voor hare ontwikkeling noodig hebben4 ,in de onmetelijke bosschen van ,zuid-,amerika en ,zuidelijk-,azi vindt men een onnoemelijk aantal soorten2 het water in de holten der boomen1 op de bladeren1 in het mos1 op den grond1 werkt het uitkomen der eieren en de ontwikkeling der larven zeer in de hand4 ,die voorwaarden van bewoonbaarheid kenmerkten juist de permische periode3 zij pasten juist voor de amphibin1 en de varens en de sigillaria's van die periode4 ,evenals wij de devonische periode het tijdperk der visschen genoemd hebben1 omdat deze juist in dien tijd hun bestaan gevestigd hebben1 en evenals de steenkoolperiode de tijd van de heerschappij der planten kan genoemd worden1 zoo zouden wij de permische periode kunnen beschouwen als die van de ontwikkeling der amphibin4 ,wel is het waar1 dat de amphibin en de kruipende dieren reeds dagteekenen uit de steenkoolperiode1 misschien zelfs uit het devonische tijdperk1 doch eerst in het permische tijdperk ontwikkelen zich de amphibin1 terwijl de kruipende dieren eerst in het secundaire tijdperk1 en vooral in de ,juraperiode1 eene hoofdrol zullen spelen4 ,het werd eertijds als een axioma beschouwd1 dat er geene kruipende dieren bestaan hebben vr de permische periode1 en wel vr de magnesiumkalk1 doch in het jaar #ahdd werden in de steenkoolformatie kruipende dieren 7land- en waterdieren7 gevonden4 ,reeds in #ahfc heeft ,dawson verscheidene amphibin en kruipende dieren gevonden1 vooral eene soort1 die den naam van ,hylonomus gekregen heeft1 en die door de inrichting harer wervels in staat moet geweest zijn1 om buiten het water te klimmen en te springen4 ,huxley heeft in de steenkool van ,groot-,brittani verscheidene kruipende dieren gevonden1 waaronder den ,anthracosaurus1 twee meters lang4 ,king vond in de steenkool van ,pensylvani de indruksels van een ontzaglijk dier1 den ,batrachopus2 de indruksels der achterpooten waren bijna een voet lang1 en overtroffen dus in grootte die der doolhoftandigen uit de triasperiode4 ,die indruksels wijzen op een dier1 dat in de lucht ademde2 want naar de wijze hunner versteening moeten die indruksels gemaakt zijn door een viervoetig dier1 dat op de weeke klei aan den oever liep1 en moet die klei in de zon gedroogd en gespleten zijn4 ,daarna moet de klei bedekt zijn geworden met zand1 en dit zand in zandsteen veranderd zijn4 ,enkele voetstappen van kruipende dieren in ,pensylvani gevonden1 hebben doen vermoeden1 dat zij tot de devonische periode behoord hebben4 ,niet alleen dat de dieren de sporen van hunnen stap achterlaten aan eenen effenen1 slibbigen oever1 ook de regen1 in groote droppels neervallend1 boort in dat slib een aantal ronde holten4 ,onder den invloed der warmte worden al die sporen hard4 ,indien nu bij eenen volgenden vloed het zeewater weder nieuw fijn zand brengt op den uitgedroogden oever1 dan zal dat zand als het ware afgietsels vormen in die holten1 en weder drogende1 getuigenis afleggen van den doortocht van dieren en het neerstorten van den regen4 ,zoo kan men aantoonen1 dat in die periode de regen met stroomen moet zijn neergevallen4 ,de afdruksels der voetstappen behooren tot die van amphibin1 die op de zandvlakten van het land in de steenkoolperiode niet alleen de sporen van hunnen doortocht hebben achtergelaten1 maar ook deelen van hun geraamte1 vooral beenige platen1 gelijkende op die1 welke het schild der krokodillen vormen1 en ook kegelvormige tanden1 ingewikkeld van vorm1 waaraan die dieren den naam van labyrinthodonten 7doolhoftandigen7 verschuldigd zijn4 ,hunne verbazende grootte1 hunne wapenrusting van beenige platen1 hunne kaken met krachtige tanden1 hun gepantserde kop1 dat alles maakt die thans verdwenen amphibinfamilie tot de merkwaardigste verschijning der primaire dierenwereld4 ,de bonte zandsteengroeven bij ,lodve 7departement ,hrault71 bevatten talrijke afdruksels van de stappen der labyrinthodonten uit de triasperiode1 die z goed bewaard zijn1 dat men er al de bijzonderheden van de schubbige huid der dieren in kan terugvinden4 ,zij waren eenige meters lang en hadden korte1 doch krachtige ledematen1 terwijl de weinige evenredigheid tusschen de stevige achterpooten en de slankere vrpooten wijst op een springend dier4 ,het dier1 dat de genoemde stappen heeft afgedrukt1 had vier handen1 vandaar zijn naam chirotherium4 ,de voorste ledematen waren veel kleiner dan de achterste1 die ongeveer den vorm hadden van eene zware mannenhand1 met dat verschil1 dat de vingers korter en dikker waren2 de lengte der achterhanden bedroeg #bd centimeters1 d4i4 het dubbele der voorhanden4 ,het chirotherium was een reuzenlabyrinthodon4 ,fig4 #ahe doet ons1 zooals uit den stand der duimen blijkt1 niet de afdruksels der handen zien1 maar afdruksels1 die ontstaan zijn door het zand1 in de stappen afgezet4 ,het dier liep evenals het paard1 met de pooten zeer dicht bij het middenvlak van het lichaam4 ,de zoo verschillende grootte van de ledematen van die dieren heeft tot de meening geleid1 dat zij verwantschap moesten hebben met de kangoeroe's1 doch de laatste loopen niet1 zij gebruiken de achterpooten alleen om te springen1 en gebruiken hunne voorste ledematen alleen1 om hun voedsel te nemen2 alleen bij toeval plaatsen zij die op den grond4 ,die amphibin daarentegen hebben bepaald handvormige ledematen2 het chirotherium moet eene soort reuzensalamander geweest zijn4 ,reeds in de steenkoolformatie leefden de labyrinthodonten te zamen met andere amphibin1 die eenigszins op de tegenwoordige soorten gelijken1 en met de hagedissen4 ,in de permische formatie zijn de amphibin en kruipende dieren talrijker1 zoowel in ,europa als in ,amerika4 ,zoo heeft men in de permische formatie in ,texas en ,illinois #bh soorten van kruipende dieren en zeven soorten van labyrinthodonten gevonden4 ,bij de oudste labyrinthodonten is de schedel geheel geharnast3 de buitenste oppervlakte van den schedel is gewoonlijk bedekt met eene leerachtige huid1 die ons doet denken aan de tegenwoordige krokodillen4 ,de schedel is nu eens verlengd zooals bij den archegosaurus1 dan weder ineengedrongen zooals bij den mastodontosaurus4 ,bij den archegosaurus vindt men aan iedere hand vijf vingers1 terwijl de twee paar ledematen1 ongeveer even groot1 naar achteren gericht zijn en dienden om te zwemmen4 ,de beenderen waren zeer eenvoudig en konden nog zeer gemakkelijk vervormd worden1 zooals dan ook bij het versteenen dikwijls het geval geweest is4 ,wij zullen niet alle soorten der labyrinthodonten bespreken1 doch willen wijzen op hetgeen ons omtrent hunnen algemeenen bouw bekend is4 ,het lichaam moet zwaar en log geweest zijn4 ,evenals nu nog bij de staartloozen en de salamanders1 waren de achterste ledematen te zwak om het lichaam te dragen1 zoodat de buik over den grond sleepte4 ,zij brachten het grootste gedeelte van hun leven door in de moerassen1 vijvers en meren1 die in zoo grooten getale den grond doorsneden in de steenkoolperiode1 de permische en de triasperiode4 ,somtijds sleepten zij zich voort over het weeke klei vanden oever1 waarin dikwijls het spoor1 door hunnen staart achtergelaten1 is blijven bestaan4 ,zoo heeft men afdruksels van het chirotherium in ,meurthe en in ,hrault gevonden1 waarvan schoone proeven in het museum te ,parijs voorkomen4 ,sommige labyrinthodonten moeten verbazend groot geweest zijn4 ,in de triasformatie heeft men schedels van #a1cj meters gevonden1 waaruit men vermoeden kan1 dat die dieren meer dan zes meters lang moeten geweest zijn4 ,die uit de permische terreinen van ,ohio en ,illinois waren kleiner4 ,de vorm van den schedel en van de tanden1 als grijp- en kauworganen zoozeer overeenkomend met die der krokodillen1 wijst er op1 dat wij te doen hebben met verscheurende dieren4 ,de overeenkomst van de labyrinthodonten met de amphibin en de aanwezigheid van kieuwen bij de larve1 wijzen er op1 dat zij tijdens het eerste gedeelte van hun leven waterdieren waren2 waarschijnlijker echter is het1 dat zij in de rivieren1 dan in zee voorkwamen4 ,tot aan het jaar #ahfg had men in ,frankrijk geen enkele kruipend dier in de primaire formatie gevonden1 hoewel men reeds in #agaj in de permische formatie van ,thuringen eenen proterosaurus gevonden had4 ,thans kennen wij er reeds een aantal4 ,hieruit blijkt dus1 dat wij ons moeten hoeden1 om aan de natuur ledige vakken toe te schrijven1 die alleen het gevolg zijn van onze gebrekkige waarnemingen4 ,tot de amphibin behoort ook een salamander met korten staart1 de protriton petrole4 ,tot nu toe scheen het primaire tijdperk zich gekenmerkt te hebben door kruipende dieren1 die verschilden van onze amphibin4 ,de protriton echter en een versteend dier1 in ,duitschland gevonden1 de apateon1 benevens de raniceps1 in ,amerika ontdekt1 komen meer daarmede overeen4 ,de protriton wijkt in vele opzichten van den labyrinthodon af1 en komt meer overeen met onze tegenwoordige salamanders4 ,de kleine salamandervormige fossielen worden in dezelfde formaties gevonden als de labyrinthodonten4 ,het is waarschijnlijk1 dat onder de kleine salamandervormige fossielen verscheidene den toestand der labyrinthodonten in hunne eerste jaren voorstellen4 ,doch het is dikwijls moeilijk1 om het verschil1 dat veroorzaakt wordt door den leeftijd1 en het verschil in wezen te onderscheiden van dieren1 die misschien gedaanteverwisselingen ondergingen1 zooals de tegenwoordige amphibin4 ,de grootste soort van labyrinthodonten is bekend door zijne beenderen en ook door de afdruksels der pooten4 ,bij ,lodve zijn de voetsporen vergezeld van die van eenen slependen staart4 ,dat dier1 half salamander1 half krokodil1 was over het geheele lichaam bedekt met fijne hoornachtige schubben4 ,de ledematen waren kort maar krachtig2 de weinige harmonie tusschen voor- en achterpooten wijst op de eigenschappen van een springend dier1 maar logger dan de tegenwoordige amphibin4 ,men kan zich van die dieren1 de oudste der op het land levende gewervelden1 de volgende voorstelling maken4 ,zij waren traag1 gulzig1 zochten kleine prooi1 liepen over het vochtige zand1 beschermd door eene ondoordringbare wapenrusting2 zij waren de koningen der schepping op een tijdstip1 waarop een stevige bouw voldoende was voor de heerschappij2 zij hadden geenen enkelen vijand te vreezen1 daar verstand en vlugheid nog geene rol speelden1 en omdat het instinct zich nog slechts bepaalde tot het onderhouden en het voortplanten van de soort4 ,het leven van dergelijke wezens bestond nergens anders in1 dan in het volgen van het water bij zijn voorwaartstreden en achteruitwijken2 zij ademden en bewogen zich buiten het water1 doch zonder zich ver van hunne wieg te verwijderen4 ,naast de labyrinthodonten vindt men eene nog onvolkomener soort1 die nog dichter bij het uitgangspunt stond3 de ganocephalen 7pantserkoppen74 ,dit type wijst ons op den tijd1 toen de kruipende dieren1 misschien reeds geschikt voor ademing in de lucht1 nog altijd zwommen4 ,het zijn als het ware minder gevorderde labyrinthodonten4 ,zooals bijna altijd1 als men de oorspronkelijke typen eener reeks vr zich heeft1 zijn zij klein in vergelijking met de labyrinthodonten uit de triasperiode4 ,de grootste 7de archegosaurus7 is nog geen meter lang4 ,zijne ledematen waren zwak en beter geschikt om te zwemmen of te kruipen dan om te loopen2 toch hebben zij reeds pooten met afzonderlijke teenen4 ,hij is vleeschetend evenals de labyrinthodon1 en verhoudt zich tot dezen als de salamander tot den kikvorsch1 welke eerste op een zeker punt der gedaanteverwisseling blijft staan en zijn geheele leven meer of minder een jonge kikvorsch blijft4 ,zoo ziet men in den archegosaurus het type der gewervelde dieren in wording1 op het oogenblik1 waarop de verbeening van de wervelkolom voltooid wordt4 ,in de primaire periode waren de amphibin en kruipende dieren nog jong2 verscheidene typen waren nog weinig in hunne ontwikkeling gevorderd2 vandaar dat zelfs bij volwassen individuen enkele karaktertrekken het beeld vertoonen van de tegenwoordige kruipende dieren1 in jeugdigen of zelfs nog in ongeboren toestand4 ,fig4 #ahh stelt n der meest bekende ,europeesche labyrinthodonten voor1 den mastodontosaurus1 met korten1 platten1 breeden en parabolischen kop en goedgewapende kaken2 de bovenkaak droeg twee rijen tanden1 waarvan de buitenste alleen er honderd bevatte4 ,die soort kreeg hare grootste uitbreiding in de triasperiode en is daarna uitgestorven4 ,op de teekening is n der dieren voorgesteld1 op den rug gezien1 het andere1 half in water gedompeld1 doet ons de borstplaten zien4 ,links ziet men op dit landschap paardestaarten en calamiten1 rechts boomvarens1 tijdgenooten der labyrinthodonten1 van de steenkool- tot de triasperiode4 ,wij zullen de labyrinthodonten terugvinden in het begin der secundaire periode4 ,de planten der permisehe periode zijn1 evenals de dieren1 de ontwikkeling van die uit de steenkoolperiode1 7ontwikkeling in den zin van wijziging der soorten1 doch teruggang wat betreft de afmetingen74 ,de grootste sigillaria's met hare wortels1 de cordaten met groote bladeren blijven nog eeuwen lang bestaan2 maar weldra verdwijnen deze vormen1 om voor de coniferen plaats te maken4 ,die naaldboomen kondigen weder hunne opvolgers uit onzen tijd aan4 ,de vormen veranderen4 ,men raadt reeds de bladeren1 en bijna zelfs de bloemen en vruchten der toekomstige eeuwen4 ,maar hoever zijn wij nog af van de sierlijke planten van onzen tijd6 ,toch zijn de oorspronkelijke tijden voorbij4 ,de natuur wijdt de secundaire periode in3 de schepping treedt in eene nieuwe phase1 die het leven eene hoogere vlucht geeft en de schatten van onze moderne schepping gereedmaakt4 ,,vierde ,,boek4 ,het secundaire tijdperk4 ,,eerste ,,hoofdstuk4 ,de triasperiode4 ,de dampkring is gezuiverd4 ,de zon1 niet meer zoo ontzaglijk groot en nevelachtig als te voren1 begint aan eenen azuren hemel te schitteren4 ,de uitbarstingen van den inwendigen oven1 die gedurig het bezinken van de steenkool- en de permische formatie in den weg hadden gestaan1 worden zeldzamer en rustiger1 de spleten laten niet meer zoo gemakkelijk de inwendige warmte door en zijn gevuld met aderen1 die langzamerhand afkoelen4 ,de planten en dieren1 die uit het water de kusten en vlakten hadden opgezocht1 stijgen al hooger en hooger1 naarmate de oneffenheden van den bodem duidelijker te voorschijn komen ten gevolge van de voortdurende samentrekking van den steeds afkoelenden bol1 en van de verschuivingen en ontwrichtingen1 die daardoor veroorzaakt worden4 ,de planten1 niet meer uitsluitend gevoed door het water en den dampkring1 behouden hare reusachtige afmetingen uit de steenkoolperiode en beginnen zich al meer en meer te splitsen2 de cycaden en coniferen treden op4 ,nog zijn er geene boomen met afvallende bladeren1 daar er nog geene jaargetijden bestaan4 ,de kruipende dieren krijgen op het vasteland de overhand4 ,in de zee vermenigvuldigen zich de weekdieren1 vooral de koppootige uit het geslacht der ammonieten1 die reeds in grooten getale optreden in het begin der nieuwe periode1 om gedurende dat geheele tijdperk voort te duren4 ,ook de visschen ontwikkelen zich2 zij houden op kraakbeenig te zijn en worden beenig4 ,de arbeid der natuur breidt zich uit en vertakt zich4 ,nemen wij de secundaire periode in haar geheel1 dan is de vooruitgang bij de primaire periode onbetwistbaar4 ,dit wil echter niet zeggen1 dat die periode begonnen is met eene plotselinge schepping van bepaalde typen van dieren of planten1 of met eene omwenteling in de natuur1 evenmin als dit bij den overgang der azosche tot de primaire periode het geval is geweest4 ,de aandachtige lezer begrijpt1 dat er tusschen de ne periode en hare voorgangster of opvolgster geen sprong plaats heeft1 evenmin als dit het geval is tusschen den laatsten dag van het ne jaar en den eersten dag van het volgende jaar4 ,de dagen en jaren van de perioden van het leven op aarde volgen even geleidelijk op elkander als de gewone dagen en jaren2 de secundaire periode is de voortzetting der primaire4 ,ieder wezen streeft naar vooruitgang1 en dat streven is juist de bron zijner werkzaamheid4 ,de plant zoekt onbewust maar toch met nadruk het licht1 dat voor hare ontluiking het gunstigst is1 en de beste sappen voor hare voeding4 ,de visch zwemt naar het water1 dat voor hem het verkieslijkst is1 en begeeft zich naar den oorsprong der stroomen4 ,het insect kiest den besten honig of de rijpste druif4 ,de vogel kiest voor zijn nest het fijnste mos1 en de gemakkelijkste plaats4 ,de hond bespiedt den wil van zijnen meester en zoekt hem te behagen4 ,zoowel in het planten- als in het dierenrijk1 werken duizenden uit- en inwendige eigenschappen1 zooals de kleur--waardoor de insecten bepaalde bloemen verkiezen1 en die dus eene groote rol speelt bij de bevruchting1 evenals zij van invloed is op de paring der insecten1 vogels en zoogdieren--de reuk1 die evenzeer haren invloed doet gelden--de spier- en zenuwkracht1 de wijze van voeding en de daaruit voortvloeiende hoedanigheden1 mede tot den vooruitgang1 door dat streven naar het hoogere1 waarmede ieder wezen begaafd is4 ,neem dat streven weg1 en gij verbreekt de drijfveer der beweging1 en de geheele natuur1 van de plant tot aan den mensch1 valt weder tot het laagste peil terug4 ,zonder die gave verliest zelfs het leven zijne reden van bestaan1 en blijft de menschheid stilstaan4 ,vooruitgang is de algemeene drang der natuur4 ,ieder onzer1 in welken kring ook geboren1 streeft naar verbetering1 de ne in materieelen1 de andere in moreelen of intellectueelen zin2 de gierigaard verrijkt zich als moest hij nooit sterven2 de geleerde studeert onophoudelijk1 dorstend naar het onbekende en wanhopend over hetgeen hem nog te leeren overblijft2 de kunstenaar tracht meer en meer het ideaal der hoogste schoonheid te bereiken2 de denker ziet eene meer volkomen menschheid vr zich1 en zoo gaat de mensch door al zijne hartstochten1 verlangens en aspiraties1 in vreugde en in smart1 steeds vooruit1 en wel verre van voldaan te zijn met wat het leven ons schenken kan1 bepalen wij den kring onzer verlangens niet tot deze aarde alleen1 doch voelen wij ons geroepen1 die hooger op te voeren4 ,die goddelijke drang1 reeds eigen aan het atoom1 aan het laagste wezen1 de cel en het protoplasma1 dat deel van het goddelijke1 dat de zichtbare natuur1 het uitvloeisel der onzichtbare kracht in zich bevat2 die drang naar het oneindige1 is de oorzaak der voortdurende volmaking der wezens1 de geleidelijke verandering der soorten en van den regelmatigen vooruitgang van de eerste dagen van het organische leven tot op onzen tijd4 ,het tijdperk1 dat wij thans bespreken1 wordt in drie perioden onderverdeeld1 die door hare karakteristieke eigenschappen scherp onderscheiden kunnen worden3 de trias- de jura- en de krijtperiode4 ,de eerste periode heet trias1 omdat de formaties dier periode bij de eerste studie dier formaties zich in drie lagen vertoonden3 de bonte-zandsteen1 de schelpkalk en de keuper1 waarin de mergel voorkomt4 ,die drie lagen vindt men regelmatig op elkander in ,wurtemberg1 ,beieren1 ,lotharingen en elders2 doch die verdeeling1 die berust op het bestaan eener zeevorming tusschen twee zoetwatervormingen1 geldt o4 a4 niet voor ,engeland1 de ,alpenstreken1 het ,himalayagebergte en ,californi4 ,bovendien vindt men dikwijls de triasformatie nauw aan de permische formatie verbonden1 waardoor de geleidelijke ontwikkeling der organische wereld nog nader bevestigd wordt4 ,wel kunnen enkele lagen ontbreken1 maar de volgorde wordt nooit gewijzigd1 nooit ligt de bonte-zandsteen onder de schelpkalk1 evenals de juraformatie nooit boven de krijtformatie gelegen is4 ,de tweede periode van het secundaire tijdperk1 heet de ,juraperiode1 omdat het ,juragebergte1 dat eerst later is opgeheven1 grootendeels bestaat uit formaties1 die in deze periode bezonken zijn4 ,deze periode wordt weder onderverdeeld in de lias- en de olietperiode4 ,de derde periode heet de krijtperiode1 omdat de formaties1 toen door de zee afgezet1 bijna geheel uit krijt bestaan4 ,men verdeelt haar weder in drie afdeelingen3 de onderste1 de middelste en de bovenste krijtformatie4 ,de triasperiode1 die het secundaire tijdperk inleidt1 bevat1 zooals wij zagen1 drie verschillende formaties1 de bonte zandsteen1 de schelpkalk en de keuper4 ,de eerste wordt in groote hoeveelheden in de ,vogezen gevonden2 de tweede in ,beieren1 en de derde in de ,tyroler ,alpen4 ,men noemt daarom die drie formaties ook wel ,vogezische1 ,franconische en ,tyroler formatie4 ,onder welke omstandigheden zijn die formaties ontstaan8 ,in het begin der triasperiode zijn de binnenzeen1 waarin zich in het noorden van ,duitschland en ,engeland de zeebezinkingen der bovenste permische formatie hadden afgezet1 uitgedroogd2 men moet meer in het zuiden1 in de nabijheid der ,middellandsche zee zijn1 om eenen zeetoestand terug te vinden4 ,maar weldra ontstaan er in noordelijke richting golven1 en de zee strekt zich het verst uit in de ,frankonische periode1 toen ,lotharingen en de oostelijke rand der centrale bergvlakte door de zee werden bespoeld4 ,doch weldra trekt het zeewater zich naar het oosten en het zuiden terug en daardoor krijgen in de ,tyrolsche periode lagunen1 misschien zelfs poelen1 de overhand over geheel ,frankrijk1 geheel ,engeland1 en het grootste gedeelte van ,spanje4 ,men vindt de zee weder ten oosten van het laatste land1 in ,itali3 van ,sicili tot aan ,veneti1 bij ,salzburg en in de nabijheid der ,carpathen4 ,in n woord3 de ,middellandsche zee der permo-steenkool-periode is eenigszins noordwaarts verplaatst1 minder uitgestrekt naar het westen en verbonden met de lagere gedeelten van den ,ural en ,centraal-,azi4 ,over dat geheele grondgebied1 waar voor het eerst de ammonieten optraden op het einde der permische periode1 krijgt die uitgebreide familie der koppootigen eene verbazende uitbreiding1 en ditzelfde verschijnsel openbaart zich in westelijk-,amerika1 zoowel als in de poolstreken1 terwijl de trias in ,zuid-,afrika en in ,australi veel meer het voorkomen heeft van eene vastelandformatie4 ,de verschillende formaties der secundaire periode zijn zeer duidelijk van elkander onderscheiden1 zij zijn van geheel verschillende samenstelling en met duizenden eeuwen tusschenruimte ontstaan4 ,toch mogen wij ze in ne enkele periode samenvatten1 daar de planten en dieren dier geheele periode in karakter overeenstemmen4 ,in de bonte-zandsteen vindt men dezelfde soorten als in de schelpkalk en de keuper1 en zelfs wordt een groot aantal tot in de krijtformatie teruggevonden4 ,in die geheele periode is de oppervlakte der aarde wel niet volkomen veranderd1 maar toch vertoont zij een groot verschil in vergelijking met de vorige periode4 ,vooreerst vinden wij in grooten getale de planten1 die wij reeds leerden kennen1 doch bij de oude vormen dier planten komen weder nieuwe soorten voor4 ,er zijn weder varens1 grassen1 paardestaarten en wolfsklauwen1 doch de groote soorten der twee laatste familin verdwijnen en zij naderen meer tot de tegenwoordige planten4 ,de grassen komen in grooten getale voor1 doch niet meer in groote lagen verkoolde plantenstof1 zooals vroeger1 maar in den vorm van talrijke afdruksels in de zandsteen4 ,bijzonder eigen aan de secundaire periode zijn de ,cycaden1 eene plant1 waarvan in de steenkoolperiode slechts vier soorten1 en waarvan thans veertig soorten bekend zijn4 ,in de triasformatie vindt men van de cycaden twintig soorten1 in de ,juraformatie dertig en in de krijtformatie vijftien soorten1 d4 i4 dus in het geheel vijfenzestig1 of vijfentwintig meer dan wij er thans van vinden4 ,fig4 #aib geeft een denkbeeld van den algemeenen vorm dier familie4 ,die plantengroep1 die zeer dicht aan de palmen grenst en eenen tropischen oorsprong verraadt1 komt het eerst voor in de steenkoolformatie en doorloopt alle overige formaties behalve de schelpkalk4 ,men kan dus den vorm der cycaden volgen van de secundaire periode tot op onzen tijd3 zij komen in z groote menigte voor1 dat hare versteende vruchten1 bladeren en geraamte overal worden teruggevonden4 ,fig4 #aic stelt enkele versteende cycadenvruchten voor1 waarvan de voornaamste op eene kokosnoot gelijkt4 ,de cycaden bereikten eene hoogte van tien tot twaalf meters3 tegenwoordig zijn zij zelden hooger dan #a meter4 ,de boomachtige cycaden zijn thans vervangen door de schoonere palmen4 ,de lias- en ,juraformaties toonen ons duidelijk de verandering in den bodem aan4 ,wij vinden daarin reeds enkele bloeiende planten1 en wel vooreerst de coniferen1 wier bladeren naaldvormig zijn1 en wier kegelvormige vruchten aan de geheele familie haren naam gegeven hebben4 ,in den bergketen1 die zich uitstrekt tusschen ,adersdach en ,kudowa1 bij het dorp ,radowenz in ,bohme1 heeft men in #aheg een geheel bosch ontdekt1 waarin die versteende boomsoort de overhand heeft4 ,in de steenkoolformatie1 in de omstreken van ,pilsen 7,boheme71 heeft men stammen van acht meters lengte en n meter middellijn bloot gelegd1 die nu eens rechtop staan1 dan weder nederliggen1 en alle op dezelfde wijze versteend zijn2 men vermoedt1 dat zij veranderd zijn door het kiezelhoudend water4 ,de boomen van die familie wijzen op het bestaan van eenen drogen bodem en van een minder warm klimaat2 de aarde moet dus gedeeltelijk haar karakter van moerassen en eilanden verloren hebben2 op hare oppervlakte moet zij heuvelen en bergen hebben zien oprijzen3 het gelijktijdig voorkomen van de vruchten en stammen van coniferen met palmen1 die vocht en warmte noodig hebben1 terwijl de eerste de voorkeur geven aan eenen drogen bodem en eene lagere temperatuur1 leidt ons van de hoogten en heuvels naar de bergen1 waar men zelfs in de tropen de coniferen vindt4 ,wij mogen daaruit besluiten1 dat er bergketenen bestonden1 bedekt met dichte wouden van naaldboomen1 misschien wel bergvlakten1 ingesloten in het binnenland1 terwijl de cycaden1 de varens1 de wolfsklauwen1 met palmen en lelieachtige planten er tusschen1 de kusten dier uitgestrekte formaties omgaven4 ,het organische leven schijnt zich te hebben verzameld in de ravijnen dier boomrijke heuvels4 ,onder de verschillende soorten van naaldboomen vindt men in groote menigte de zoo schoone araucaria's4 ,fig4 #aid stelt eenen versteenden tak dier plant voor4 ,bij haar leven zijn de takken dier planten regelmatig om den stam gerold1 en daardoor vertoonen die planten eenen zoo sierlijken vorm4 ,tot de merkwaardige boomen van die wouden der secundaire periode behooren de voltzia en het pterophyllum1 alsmede de haidingera1 een naaldboom1 die zeer veel voorkomt in de schelpkalkperiode1 en die in bouw moet geleken hebben op onze cederen4 ,doch de rijkdom aan planten uit de steenkoolperiode heeft plaats gemaakt voor betrekkelijke armoede2 het zijn niet meer die diepe bosschen met reuzenboomen1 en ondoordringbare schaduw4 ,de planten zijn dun gezaaid1 het terrein is meer golvend1 en het licht speelt op een groen grastapijt4 ,het plantentype der steenkoolperiode is verdwenen1 maar de bedektzadigen1 d4i4 de planten1 die alleen reeds #i_/aj uitmaken van de tegenwoordige flora1 zijn nog niet gevormd1 behoudens enkele zeldzame nzaadlobbigen4 ,men vindt bijna alleen sporeplanten en naaktzadigen1 de eerste vertegenwoordigd door varens1 paardestaarten e4a41 de tweede door cycaden en naaldboomen4 ,over den geheelen archipel1 die toen bestond1 waar nu ,europa gelegen is1 merkt men op1 dat de plantengroei der kusten en lage streken van dien der heuvels en bergtoppen verschilt3 beneden1 de varens met breed ontwikkelde of fijn uitgesneden bladeren1 de paardestaarten en de oorspronkelijke naaldboomen2 boven1 op de drogere en hooger gelegen plaatsen1 de varens met schraal en hard loof1 cycaden en de reuzenconiferen1 die de voornaamste boomen waren der wouden op de bergen4 ,de zandsteen1 die thans op de toppen van de secundaire bergketenen der ,vogezen ligt tot eene dikte van vijftig tot zestig meters1 en die op eene vijfhonderd meters dikke laag fijne steentjes rust1 hetgeen te zamen de eerste verdieping der triasformatie uitmaakt1 is vol van landplanten1 die bewijzen1 dat de wouden van dat tijdperk nog bezet waren met boomvarens en met eene groote menigte cycaden en naaldboomen1 die veel overeenkomst hadden met onze cypressen4 ,de cypressen1 die niet onder den invloed der jaargetijden staan1 en die daarom de graven der afgestorvenen met haren blijvenden bladerendos beschutten1 de pijnboomen met hunne uitgebreide takken1 die sombere en eentonige boomen1 zijn de oudste van de thans bestaande planten1 want de varens en paardestaarten der primaire periode hebben thans nog slechts kruidachtige vertegenwoordigers4 ,wij zijn nog ver van de vruchtboomen verwijderd4 ,de derde1 en dus de jongste laag der triasreeks1 die der bonte mergels1 wordt somtijds de zoutlaag genoemd1 omdat men er veel gips en steenzout in vindt4 ,in ,lotharingen ,wurtemberg1 ,beieren en ,zwitserland vormen die steenzoutlagen op sommige punten rijke mijnen4 ,te ,dieuze 7,lotharingen7 telt men niet minder dan dertien op elkander liggende lagen tot eene dikte van vijftig meters4 ,die zoutlagen der triasformatie strekken zich uit tot het ,juragebergte waar zij de talrijke zoute bronnen dier streek voeden1 zooals b4v4 te ,lons-le-,saulnier4 ,in de beroemde zoutmijn te ,strassfurt is de zoutlaag1 vermengd met zwavelzure magnesia en keukenzout1 #aff meters dik4 ,die laag strekt zich uit tot onder ,berlijn1 waar eene zoutlaag van #aeej meters dikte op eene diepte van slechts #ij meters onder de oppervlakte gevonden wordt4 ,het bijna geheel ontbreken van versteeningen van zeeplanten en zeedieren in de klei1 die de triasformatie sluit1 de talrijkheid van landplanten en de overvloed van gips en zout1 wijzen er ons op1 dat ,centraal-,europa1 waar die mergel zeer verspreid is1 toen door ondiep water bedekt was1 welks zoutgehalte z aanzienlijk was1 dat het geene levende wezens bevatten kon4 ,de ,doode zee1 de groote zoutmeren van ,azi en ,afrika1 die gedeeltelijk door eene zoutkorst bedekt zijn1 geven ons een voorbeeld van den toestand van noordelijk ,europa in die dagen4 ,de ,oceaan had zich toen teruggetrokken naar het zuiden1 en bezette toen de ,alpenstreken4 ,een bewijs hiervoor is1 dat men1 indien men in ,frankrijk tot de centrale bergvlakte nadert1 vindt1 dat de schelpkalk1 eene zeevorming1 zich niet tot die streek uitstrekt1 en dat de mergel dadelijk op de bonte-zandsteen ligt4 ,men vindt de schelpkalk terug in de ,benedenalpen1 in ,hrault1 ,var en de omstreken van ,toulon2 men kan haar over de geheele ,alpenstreek volgen1 waar zij eene groote uitbreiding verkrijgt4 ,daar bestaat de triasformatie uitsluitend uit zeevormingen1 uit groote hoeveelheden dicht opngedrongen kalksteen1 die een groot aantal fossielen bevatten4 ,in die kalklagen vindt men een duidelijk beeld van de dierenwereld1 die in de triasperiode de zee bevolkte4 ,iedereen weet1 dat het zout n der belangrijkste mineralen is4 ,in den vorm van steenzout wordt het in grooten getale binnen in de formaties der secundaire periode gevonden4 ,in ,transsylvani vindt men zoutbergen1 die verscheidene mijlen lang zijn en die steile kanten hebben van honderden voeten hoogte1 welke bergen geheel uit steenzout bestaan4 ,in ,cardona1 aan de zuidzijde der ,pyrenen1 vindt men eene zoutmassa van bijna honderd meters hoogte boven den grond4 ,die massa is z verscheurd en gespleten door den regen1 dat men ze met hunne pyramiden1 horens1 holten en spitsen voor eenen ijsberg zoude aanzien2 de hoeveelheid zout is z overvloedig1 dat men de mijn voor onuitputtelijk houdt1 hoewel men haar reeds eeuwen lang ontgint 7er wordt reeds in het jaar #aajc melding van gemaakt74 ,de geheele zoutberg is eenige honderden meters hoog4 ,de zoutketenen ten zuiden en ten noorden van het ,himalayagebergte leveren nog veel grootere zoutmassa's op4 ,te ,kallabaugh is over eene groote uitgestrektheid de weg in zoutrotsen gehouwen van dertig meters hoogte4 ,doch die ontzaglijke massa's verzinken nog in het niet1 vergeleken bij de zoutbergen1 die het ,titicacameer omgeven in de ,peruaansche ,andes2 dat meer is #cej kilometers lang4 ,daar het zout gemakkelijk in water oplost1 zoo vindt men in de nabijheid der zoutbergen dikwijls zoutwatermeren4 ,ook het zeewater is zout1 niettegenstaande de rivieren steeds zoet water daarin leiden4 ,het zeewater komt voort uit de verbinding van natrium en chloor1 twee elementen1 die het oorspronkelijke water schijnt bevat te hebben4 ,overal waar het zeewater verdampt1 zet zich het zout af2 op vele kusten wordt het door verdamping ingezameld4 ,wij weten niet1 of alle zoutafzettingen op zoodanige wijze ontstaan zijn1 dan wel of sommige lagen in de aardschors zijn ontstaan door andere verschijnselen2 maar een groot aantal van die zoutmassa's1 zooals in ,zwitserland1 zijn door de verdamping der zee ontstaan4 ,de weekdieren1 in de kalkrotsen in de nabijheid dier zoutlagen gevonden1 bewijzen1 dat het zeevormingen zijn4 ,indien men eene zoutmijn binnentreedt1 geraakt men steeds onder den indruk van het vreemde voorkomen dier onderaardsche grotten4 ,hier en daar verbreeden zich de gaanderijen tot groote kamers of holen2 in het midden vindt men dikwijls eenen kleinen vijver2 de wanden en gewelven schitteren door duizenden zoutkristallen4 ,die zoutkamers zijn wel de merkwaardigste voortbrengselen dier formaties en maken eenen vreemden indruk1 als men ze bij fakkellicht bezoekt4 #ah ,de ,duitsche zoutlagen vertoonen eene treffende overeenkomst in vorm met die van ,noordelijk-,zwitserland2 men mag daaruit besluiten1 dat zij tegelijkertijd en op dezelfde wijze zijn afgezet4 ,het zout van ,wurtemberg1 dat in lagen van #aj tot #bj meters voorkomt1 is van denzelfden aard als het zeezout4 ,toch is de zee waarschijnlijk niet de eenige oorzaak van het ontstaan dier merkwaardige zoutrotsen4 ,te ,dieuze vindt men in het zout holten met bewegelijke luchtbellen2 het is vermengd met klei1 gips1 zwavelzure soda en zwavelzure magnesia2 maar het bevat geen chloor-magnesium1 en geene sporen van iodium of bromium4 ,het is dus niet waarschijnlijk1 dat dit zout ontstaan is door verdamping der zoutwatermoerassen2 wel waarschijnlijk is het1 dat dit zout langs vulcanischen weg is te voorschijn gekomen4 ,lagen mergel en klei met gips en anhydriet scheiden de zoutlagen van elkander4 ,het gips vormt talrijke1 doch kleinere hoopen dan het steenzout1 en ieder van die hoopen heeft den vorm van eenen grooten knobbel1 waaromheen de mergel gewelfd gerangschikt ligt4 ,die opzwelling kan verklaard worden door aan te nemen1 dat het gips ontstaan is door eene wijziging der kalk door de uitstroomingen van zwavel4 ,in den tijd1 toen het zout gevormd werd1 hadden er telkens bewegingen in de zee plaats1 en uit het feit1 dat men schelpkalklagen boven de zoutlagen vindt1 volgt1 dat de zee1 na het verdampen van het water en de vorming der zandbanken op de uitgedroogde plaatsen is teruggekeerd en er die kalk en klei heeft afgezet4 ,de dieren1 die in de schelpkalk voorkomen1 geven ons reeds enkele aanwijzingen omtrent het tijdstip van de vorming der zoutlagen4 ,zij leeren ons tevens de zeedieren van die verwijderde tijdstippen kennen4 ,in de ,zwitsersche salinen heeft ,oswald ,heer belangrijke voorbeelden van de fauna dier dagen gevonden1 o4a4 eene kreeft met eenen langen staart en een knobbelig schild1 zeesterren en zeelelin4 ,aan de oevers der ,reuss zijn de rotsen vol zeelelin4 ,die dieren leefden in kolonin1 zoo schrijft de geleerde ,zwitsersche natuuronderzoeker1 en een zoodanige bank1 bewoond door geheele familin zeelelin met hare dunne en lange voeten1 en die van boven open gaan als eene tulp1 terwijl uit de fijn gebeeldhouwde schaal de trilharen uittreden als eene garve losse draden1 moeten een prachtig schouwspel opgeleverd hebben4 ,terwijl die dieren leefden1 die geheel vreemd zijn aan onze tegenwoordige fauna1 verschenen ook talrijke weekdieren4 ,deze naderden veel meer tot de thans nog bestaande soorten en vele daaronder behoorden tot soorten1 die nog thans voorkomen4 ,tot die soorten behoort de lima lineata1 die men kan herkennen aan hare twee groote1 diep gegroefde kleppen in den vorm van horens1 en haren platten1 gladden kam4 ,de nkleppigen zijn niet zeldzaam1 en de meeste behooren tot soorten1 die nog thans bestaan3 daartoe behooren o4a4 de turbonilla1 en een schoone nautilus1 waarvan men dikwijls exemplaren gevonden heeft van eenen voet in middellijn4 ,de ceratites nodosus is de eerste vertegenwoordiger van de thans uitgestorven familie der ammonieten4 ,de ammonieten en de nautili behooren tot de groep der koppootigen1 die den eersten rang innemen in de orde der weekdieren en die zich onderscheiden door den bouw hunner schelpen4 ,de talrijke weekdieren dienden tot voedsel van de visschen en de amphibin1 waarvan de verschillende soorten de zee bevolkten4 ,in de keuperperiode komen de landdieren slechts in geringen getale voor4 ,heer heeft tevergeefs naar insecten gezocht in die formaties in ,zwitserland2 alleen in de leiachtige klei heeft hij twee soorten van schildvleugelen gevonden4 ,bij ,richen1 in de bonte zandsteen1 heeft men groote afdruksels van schubben van eenen reusachtigen labyrinthodon en het geraamte van eene kleine hagedis gevonden1 die veel overeenkomst had met de salamanders4 ,te ,rheinfelden heeft men eene soort van krokodil ontdekt1 den sclerosaurus armatus1 en schubben van den kop van den grooten mastodontosaurus4 ,ook heeft men een aantal hagedissen in het keuper van ,wurtemberg gevonden2 de meest voorkomende is de belodon ,plieningeri1 die veel geleek op de ,gavialiden van tropisch ,amerika2 hij heeft dezelfde kaken1 lang1 smal en met groote tanden gewapend4 ,gressly heeft te ,liestal groote en holle beenderen te voorschijn gebracht1 die ongetwijfeld behoord hebben tot eene soort van ontzaglijk groote teratosauren4 ,het is waarschijnlijk1 dat de triaszee het geheele deel van ,zwitserland bedekt heeft1 dat thans door de molasse wordt ingenomen2 toch vindt men hare bezinksels tot nu toe alleen bij den ,stockhorn4 ,men ontmoet kalkbanken en bonte-zandsteen aan de oevers van het meer van ,thun2 zij bevatten talrijke versteeningen en vormen de grens der triasformatie4 ,van meer gewicht zijn de bezinkingen der zee uit de triasformatie aan de zuidoostelijke grens van ,zwitserland en de gedeelten van ,savoye1 die daaraan grenzen4 ,een ader van gips en koolzure kalk strekt zich uit van ,bex naar ,morillon1 in ,savoye1 en naar ,villeneuve2 verder vindt men van ,meillerie af1 aan den oever van het meer van ,genve en boven ,thonon1 de rhetische lagen1 die in zuidelijke richting tot de ,arvo kunnen gevolgd worden2 men verkrijgt dus het bewijs der tegenwoordigheid van de triaszee in ,savoye door het bestaan van verschillende lagen1 die het land doorloopen4 ,wij moeten nog opmerken1 dat eene breede strook van triasgesteenten uitgaat van ,tyrol en den ,vorarlberg1 ,vadutz en ,triesen en uitkomt aan den ,rijn1 zonder ,zwitserland aan te raken2 zij strekt zich ten noorden en ten oosten uit over de grensgebergten der ,prttigau 7op drieduizend meters boven de oppervlakte der zee74 ,van daar strekken de triasgesteenten zich uit over ,davos tot aan ,oberhalbstein en ,engadin1 waar zij in ,ponte weder beginnen1 om zich voort te zetten tot ,sulsana en vandaar oostwaarts tot ,scarlthal en ,mnsterthal4 ,de kalkbergen1 die de rechtergrens der vallei van ,engadin innemen van ,ponte tot aan ,remus1 behooren evenzoo tot die formatie4 ,deze streek was dus niet onder de zee bedolven in de keuperperiode1 terwijl de zee het overige gedeelte der ,alpen1 waar de triasformatie gevonden wordt1 bedekt1 zooals blijkt uit de wieren en zeeschelpen1 daar gevonden4 ,die formatie behoort tot de schelpkalk of de keuper1 en het is mogelijk uit den aard en de organische samenstelling der gesteenten verscheidene verdiepingen der bezinksels te herkennen4 ,in die gesteenten heeft men de overblijfselen van #ee soorten zeedieren gevonden1 die geen twijfel overlaten aan hunnen oorsprong2 men vindt er niet alleen den encrinus liliiformis1 de zoo fijn gestreepte halobia lommelii en de halobia obliqua1 maar verschillende hemnitzia's1 de ammonites luganensis en scaphitiformis enz42 men vindt er nog andere weekdieren en schelpen1 die het trias kenmerken1 en die bewijzen1 dat de triasfauna in dezelfde vormen verspreid was in ,duitschland1 ,zwitserland en ,itali4 ,wij zagen vroeger1 dat het zout n der belangrijkste voortbrengselen is van de triasformatie2 doch ook het gips1 behoort tot diezelfde formatie4 ,men vindt het tusschen de schelpkalk en het keuper1 bij voorbeeld te ,habsburg1 ,mullingen1 ,niederweningen1 ,birmensdorf1 ,gebensdorf1 ,munsterthal enz4 ,het gips bevat hier en daar zwavelzure natron en magnesia2 die zouten1 in water opgelost1 leveren de purgeerende minerale wateren4 ,uit hunnen aard zijn die wateren een handelsartikel2 er zijn trouwens andere rijke minerale bronnen uit de triasformatie1 zooals het zoo hooggeschatte water uit ,baden1 dat uit eene groote diepte te voorschijn komend1 waarschijnlijk uit de keuperformatie voortkomt4 ,de zwavelhoudende wateren van ,schinznach en de jodiumhoudende wateren van ,wildegg vinden waarschijnlijk hunnen oorsprong in de gips der triasformatie4 ,behalve het zout en de gips en de minerale wateren bevat de triasformatie nog rijke hulpbronnen2 het levert ons talrijke bouwmaterialen1 en door hare ontleding geeft zij ons in den vorm van mergelaarde eene uitstekende meststof2 de keuperstreken onderscheiden zich door hare vette weiden1 vruchtbare akkers en rijke wijngaarden2 overal is de triasformatie eene bron van welvaart voor de bevolking4 ,alleen het dolomiet maakt eene uitzondering2 als de regens dat gesteente ontleed hebben1 blijft er niets over dan zand1 dat het water doorlaat en onvruchtbaar is4 ,waar de bodem dan ook alleen uit dolomiet bestaat1 zooals in de kalkbergen van ,vorarlberg in sommige vlakten van ,engadin1 is de plantengroei zeer arm2 de boomen en de struiken komen daar niet tot wasdom1 de weiden zijn daar slechts bedekt met enkele grasstoppels en de hooger gelegen streken zijn totaal kaal4 ,in ,zwitserland zijn enkele dolomietstreken 7zooals de ,moravallei1 die van ,st4 ,giacomo naar den ,munsterthalalp leidt71 waar de plantengroei geheel ontbreekt1 en waar alles van de diepte der vallei tot op de toppen der bergen het beeld vertoont van verlatenheid en dood4 ,als roode zandsteen en mergel vindt men het trias meer of minder doorloopend op den rand der centrale bergvlakte van ,frankrijk4 ,men vindt er sporen van bij ,alais1 tusschen het permo-steenkoolstelsel en de lias1 in de golf van ,aveyron bij ,rodez en ,espalion en tusschen ,st4 ,antoine en ,villefranche-d',aveyron4 ,om dan het trias weder terug te vinden1 moet men den noordelijken rand der bergvlakte volgen in ,berry1 waar de samenstelling dezelfde is als in ,nivre4 ,in ,provence vindt men eene triasstrook op roode zandsteen4 ,die strook strekt zich uit van ,toulon naar ,antibes1 en men vindt daarin de drie gewone afdeelingen van het ,lotharingsche trias terug4 ,in het dpartement du ,gard1 dragen dertig meters lei en metaalerts eene #ae meters dikke magnesiumlaag met ijzerpyriet1 zwavel en lood1 waarop #aae meters zandsteen en gekleurde mergel gelegen zijn met kalk vermengd4 ,bij ,lodve1 te ,fozires1 vindt men afdruksels van eenen labyrinthodon in de bonte zandsteen4 ,de bonte zandsteen komt evenzoo voor den dag in verschillende deelen der ,pyrenen1 vooral in het zuiden van ,bayonne4 ,aan het andere uiteinde van ,frankrijk schijnt de streek der ,ardennen in de triasperiode bestaan te hebben uit een heuvelachtig terrein1 waar door het wegvreten van de rotsen steenblokken1 keisteenen1 zand en klei naar de binnenmeren gevoerd werden4 ,slechts weinige overblijfselen van die afzetsels zijn tot ons gekomen2 zij onderscheiden zich alle door hunne roode kleur4 ,de geheele strook1 bestaande uit horizontale of weinig hellende lagen1 is #aej meters dik4 ,de triasformatie in de ,ardennen was dus geene zeevorming2 ditzelfde geldt voor het geheele noordelijke deel van ,frankrijk4 ,de vernieling van oudere formaties heeft daar het aanzijn geschonken aan kleine steentjes1 waarvan men in ,artois exemplaren terugvindt4 ,de ,jura- en krijtlagen van het bekken van ,parijs zijn oorzaak1 dat men ten zuidwesten der ,ardennen geene triasformatie ziet2 zij komt weer te voorschijn te ,cotentin1 waar zij bestaat uit grint1 zand1 zandsteen en roode mergel1 doch tot eene dikte van niet meer dan #fj meters4 ,het is de voortzetting van het trias van ,somerset- en ,devonshire1 en schijnt alleen in verband te staan met het bovenste gedeelte der keuperformatie4 ,men mag dus aannemen1 dat het geheele bekken van ,parijs 7waaraan ,engeland aansloot7 in de triasperiode uit eene streek bestond1 waarin groote meren waren1 en dat die streek eindigde in eene zee1 wier westelijke oever zich uitstrekte van ,luxemburg tot ,autun4 ,in de ,westalpen heeft de triasformatie een eigenaardig voorkomen1 dat zich zeer onderscheidt van het ,franconische of ,vogezische type4 ,om onze schets der triasformatie te voltooien1 voegen wij nog hierbij1 dat het trias zijne grootste uitbreiding vindt in het noordwesten van ,engeland 7#aejj meters74 ,daar vindt men ook de grootste ronde keisteenen1 waarbij het kwarts in menigte voorkomt4 ,in het noorden of noordwesten moet dus het vasteland gezocht worden1 dat de bouwstoffen geleverd heeft voor de triasformatie4 ,het ,engelsche trias rust nu eens op de permische laag1 dan weder op de steenkool- of zelfs de cambrische laag2 bovendien vindt men in de onderlagen dikwijls bonte-zandsteen4 ,in de middengraafschappen is de dikte van het stelsel #iej meters4 ,het is waarschijnlijk1 dat daar de ,franconische laag vertegenwoordigd is4 ,in de dolomietlagen1 die van zes tot vijftien meters dik zijn1 heeft men de beenderen der oude thecodontosauren1 der paleosauren cylindrodon en platyodon met tanden van den ceratodus ontdekt4 ,in ,wales heeft men in dezelfde lagen sporen van den brontozon ontdekt4 ,de keuperzandsteen bevat beenderen en afdruksels der voetstappen van de labyrinthodonten1 en een visch1 dysteronotus cyphus4 ,het steenzout komt er in voor in lensvormige roode massa's1 #fj meters diep4 ,op de zuidkust van ,devonshire1 te ,budleigh ,salterton1 bestaat het trias uit keien van silurische en devonische kwartsieten1 die afkomstig schijnen uit primaire gesteenten1 die thans bedekt zijn door de wateren van het ,kanaal4 ,ook in ,noord-,amerika komt het trias in drie verschillende streken voor den dag3 in het gebied der ,apalachen1 het ,rotsgebergte overeenkomend met ,noord-,europa1 en het gebied der stille ,zuidzee1 waarvan het karakter hetzelfde is als dat der ,alpen4 ,het trias der ,apalachen vormt nauwe strooken1 die zich vooral in ,connecticut verlengen en die over eene groote uitgestrektheid hetzelfde karakter dragen4 ,het bestaat uit bruinachtig rood zandsteen1 dat somtijds den bouw heeft van eene vlakte van graniet met schiefer1 en is minstens #ajjj meters diep1 terwijl het talrijke sporen draagt van het kabbelen der golven en van afdruksels van regendruppels4 ,in ,connecticut heeft men talrijke sporen van labyrinthodonten1 waarvan men meer dan #abjjj afdruksels vindt4 ,de ,amerikaansche geologen hebben in die laag eene kleine buidelrat1 het dromatherium silvestre1 gevonden1 den oudsten vertegenwoordiger dier klasse4 ,ten oosten van het ,rotsgebergte1 bestaat het trias uit rood-zandsteen1 bonte gypshoudende mergel en magnesia4 ,de dikte wisselt af tusschen #fjj en #ahjj meters4 ,wij zien dus1 dat de triasformatie eene voorname plaats inneemt in de sedimentformaties en eene belangrijke periode vertegenwoordigt in de geschiedenis van de wijziging der soorten4 ,met haar beginnen nieuwe vormen van het leven1 en de natuuronderzoeker kan hier evenals in de primaire periode waarnemen1 hoe de ontwikkeling van het leven steeds evenwijdig loopt met de paleontologische ontdekkingen in de verschillende formaties4 ,langzaam doch gestadig ontwikkelt zich het dierlijke leven in zijne hoogere vertakkingen4 ,een groot aantal soorten van ongewervelde dieren 7plantdieren1 weekdieren en ringwormen71 waarmede wij kennis gemaakt hebben1 zijn van het wereldtooneel verdwenen om voor nieuwe wezens plaats te maken4 ,bij de plantdieren merkt men op1 dat het beperkte aantal soorten van zeelelin als het ware wordt goedgemaakt door de buitengewone menigte individuen van den encrinus liliiformis1 wier kalkplaatjes dikke en uitgestrekte lagen vormen in de schelpkalk der triasformatie4 ,wij hebben die wezens reeds leeren kennen1 toen wij den oorsprong der soorten in de silurische periode bestudeerden 7blz4 #aeg74 ,thans is dat type in verval4 ,andere soorten zijn geheel verdwenen4 ,de beroemde trilobieten zijn voorgoed uitgestorven4 ,daarentegen verkrijgen de ammonieten1 gedurende de permische periode ontstaan1 eene verbazende uitbreiding4 ,de ammonieten waren koppootige weekdieren1 wier spiraalvormige schelpen de grootste verscheidenheid in grootte en in vorm aanboden4 ,zij hebben gedurende de geheele secundaire periode geheerscht1 en zijn daarna verdwenen4 ,in de triasperiode hadden de ammonites ,aon en de ceratites nodosus de overhand4 ,hunne voorouders waren de nautiliden1 die wij in de devonische periode hebben ontmoet of het ne of andere nog oudere weekdier1 waarvan dan de nautiliden en de ammonieten afstamden4 ,in de triasperiode geraken de nautiliden in verval3 men vindt alleen nog den orthoceras en de goniatiden4 ,men kent de ammonieten reeds langen tijd1 en reeds de oudheid had door de beschouwing dier versteende schelpen de oude gedaantewisselingen der aarde en der zeen geraden4 ,zij ontleenen hunnen naam aan de overeenkomst hunner kronkelingen met de ramshorens1 die men vindt op de symbolische voorstellingen van ,jupiter ,ammon4 ,vooral in de ,juraperiode nemen de ammonieten hunne grootste vlucht4 ,op het einde dier periode vindt men er1 die de grootte hebben van een wagenrad4 ,ook de armpootigen komen evenals de koppootigen in verschillende soorten voor4 ,behalve den spirifer der devonische periode 7blz4 #bfj7 en den productus der steenkoolperiode 7blz4 #cae7 vindt men nog terebratulae en rynchonellae1 die wij vooral in de ,juraperiode zullen leeren kennen4 ,al die schelpen vindt men thans in de tweede laag der triasformatie1 de schelpkalk1 eene zeevorming4 ,de koplooze zoowel als de buikpootige weekdieren zijn nog sterker vooruitgegaan2 van nu af aan hebben die twee klassen de overhand onder de weekdieren4 ,zij verdienen nog te meer onze aandacht1 omdat het voornamelijk de schelpen der verschillende soorten van weekdieren zijn1 die de formaties kenmerken1 daar die schelpen zeer talrijk en zeer verspreid zijn1 en gewoonlijk ongeschonden bewaard zijn gebleven1 terwijl de beenderen van groote dieren zeldzaam en meer of minder beschadigd zijn4 ,de familie der ostracen 7oesters7 treedt tegelijkertijd op met de pectinen1 de posidonia1 cardita1 lima enz4 ,de oesters1 voor het eerst optredend in de triasperiode1 zullen van geslacht tot geslacht blijven voortleven en zullen de tijdgenooten der menschheid worden4 ,zij zullen zelfs n zijner eerste voedingsmiddelen uitmaken aan den oever der zee4 ,bij de gelede dieren vindt men nu onder de schaaldieren de schaalkreeften of tienpootigen1 waartoe de macruren 7langstaarten7 behooren4 ,men heeft geheele goed bewaarde schilden van kreeften gevonden4 ,het grootste verschil tusschen die kreeften en die van onzen tijd is in hare kracht gelegen4 ,hare scharen1 van scherpe tanden voorzien1 waren hare natuurlijke verdedigingsmiddelen1 die zij noodig hadden tegen de vraatzuchtige monsters1 die de wateren onveilig maakten4 ,de visschen schijnen weinig vooruit gegaan te zijn4 ,zij behooren bijna uitsluitend tot de placoden en de glansschubbigen4 ,onder de visschen der triasperiode kunnen wij den ceratodus als type der periode beschouwen1 een vreemd type1 van kieuwen voorzien als de gewone visschen en van longen1 zooals de in de lucht ademende dieren1 en van platte1 aan de kanten diep ingesneden tanden4 ,het merkwaardigst is1 dat die visch nog in onzen tijd bestaat1 en onlangs is teruggevonden in de rivieren van ,australi1 waar hij eene lengte van #a1bj meters bereikt4 ,de hoogst ontwikkelde gewervelde dieren der triasformatie zijn de amphibin en de kruipende dieren4 ,men heeft nog geen flauw vermoeden van den hond1 den aap of den mensch4 ,de labyrinthodonten1 die wij tijdens de permische periode hebben leeren kennen1 blijven de heerschers der wereld3 het chirotherium1 de trematosaurus1 de mastodontosaurus enz41 vergezeld van de vischhagedissen3 den placodus1 den nothosaurus1 den simosaurus enz4 ,de dinosauren treden op4 ,die reusachtige kruipende dieren hadden zeer sterke achterste ledematen1 en hoewel zij aan hunne voorste ledematen handen hadden met vijf duidelijk te onderscheiden vingers1 hadden zij aan hunne ontzaglijke voeten slechts drie vingers 7de beide andere vingers blijven verborgen7 ,tot die groep van kruipende dieren der triasperiode1 die in vertikalen stand liepen1 behooren de megadactylus1 de clepsysaurus1 de bathygnathus enz4 en waarschijnlijk ook het brontozon1 waarvan wij zoo aanstonds 7blz4 #cei7 een afdruksel geven1 tegelijk met regendroppels1 die zeker juist gevallen zijn op het oogenblik1 dat het dier daar voorbijtrok1 en dus tegelijk versteend zijn4 ,dat afdruksel is gevonden in de zandsteen der bovenste triasformatie4 ,die schijnbaar niets bijzonders vertoonende steen is dus voor ons als het ware eene photografie van een tooneel uit een reeds lang vervlogen tijd4 ,het is1 als zag men het ontzaglijke kruipende dier reusachtige stappen doen1 en door den storm overvallen1 langs de oppervlakte van de kust voortrennen1 het afdruksel zijner stappen achterlatend op de zachte klei1 die het tot leering van de geologen der toekomst bewaart4 ,die pooten met drie teenen hadden oorspronkelijk doen denken aan reusachtige vogels1 en men was er zoo toe gekomen1 aan te nemen1 dat de vogels reeds in de triasperiode voorkwamen4 ,dit wordt dan ook in een aantal handboeken der geologie medegedeeld1 waarin die sporen dan ook afdruksels van de stappen van vogels genoemd worden4 ,maar men heeft in die lagen geenen enkelen versteenden vogel gevonden1 en bovendien kent men de tweepootige kruipende dieren1 welke die sporen van hunnen doortocht kunnen hebben nagelaten4 ,trouwens anders zoude uit de grootte dier afdruksels volgen1 dat de vogels reeds bij hun ontstaan eene verbazende grootte moeten gehad hebben4 ,de vogels treden eerst in de ,juraperiode op4 ,onder de kruipende dieren der triasformatie vindt men de theriodonten1 de voorloopers der vogelbekdieren4 ,de dinosaurirs en de vischhagedissen zullen als vorsten heerschen gedurende de ,juraperiode1 en wij zullen dan ook in het hoofdstuk over de ,juraperiode eene afzonderlijke studie aan die dieren wijden4 ,toch kunnen wij reeds nu tot leering onzer lezers diegenen onder deze bespreken1 welke tot de triasperiode behooren4 ,onder andere zal men in fig4 #bje de capitosauren vinden1 die in voorkomen en gang evenals de overige labyrinthodonten het midden hielden tusschen de krokodillen en de salamanders4 ,die diersoort kwam zeer veel voor van de permische tot aan de keuperperiode4 ,de belodon1 n der eerste krokodilachtige dieren1 onderscheidde zich door zijne zijdelingsche afplatting en de hoogte der bovenkaak1 waarvan het uiteinde haakvormig omgebogen was4 ,de tanden waren vertikaal en kegelvormig1 terwijl het lichaam voorzien was van een schild1 dat nog veel sterker was dan dat der krokodillen4 ,hij is alleen gevonden in de bovenste keuperformatie van ,wurtemberg4 ,de nothosauren1 de voorloopers der plesiosauren1 komen gedurende de geheele triasperiode voor4 ,de nothosaurus mirabilis wordt vooral in de schelpkalk gevonden4 ,het is waarschijnlijk1 dat hij1 hoewel een zeedier1 steeds de kusten naderde en de stroomen opzwom4 ,de dicynodonten hebben eenigszins overeenkomst met de schildpadden door den vorm van den kop1 met uitzondering van de snijtanden1 die aan die der zoogdieren herinneren4 ,in verschillende opzichten naderen zij evenveel tot de zoogdieren als tot de kruipende dieren4 ,de zanglodon1 tijdgenoot van den belodon en de labyrinthodonten der keuperperiode1 was een reusachtige vleeschetende dinosaurus en tamelijk rijzig van gestalte4 ,volgens ,kapff en anderen zou de kop1 onder den naam teratosaurus bekend en in dezelfde formaties gevonden1 tot eenen zanglodon behooren4 ,de dieren der triasperiode vertoonden voor het meerendeel vormen1 die geheel vreemd waren aan die van onze tegenwoordige wereld4 ,het waren in de eerste plaats tweevoetige dieren1 die in grootte en gedaante zeer veel verschilden van het type der tegenwoordige vogels1 doch die bijna alleen bekend zijn door de afdruksels hunner voetstappen1 die wel viermaal zoo groot zijn als die van den struisvogel4 ,het aantal en de schikking der vingers wijzen bij andere weder op z groote onregelmatigheden1 dat men waarlijk niet weet1 hoe ze te verklaren1 nu het geraamte niet tot ons is gekomen4 ,onder de kruipende dieren herinneren sommige aan de schildpadden1 andere aan hagedisssen of krokodillen1 of wel vertoonen zij evenals de dicynodonten1 wier kaken met omgebogen slagtanden voorzien waren1 de gemengde kenmerken van die verschillende groepen4 ,de dolichosauren1 die gedeeltelijk tot de hagedissen1 gedeeltelijk tot de slangen behoorden1 wijzen het tijdstip aan1 waarop de laatste zich van den gemeenschappelijken stam der hagedisachtigen hebben afgescheiden4 ,verder teruggaande1 zijn de hagedissen geene afzonderlijke orde en vindt men typen1 die de hagedissen met de leguanen1 en de monitors met de krokodillen verbinden4 ,ook de krokodillen wijzigen hun skelet1 om andere kenmerken aan te nemen1 die men thans alleen in de ongeboren vrucht terugvindt4 ,de labyrinthodonten naderen tot de kikvorschen en zelfs tot de visschen en behooren1 zooals wij zagen1 tot de oudste1 merkwaardigste en meest weifelende der oorspronkelijke dierenwereld4 ,de grootte van hun lichaam1 hunne bedekking van beenderige platen1 hun gepantserde kop maken het ons onmogelijk1 daarin kikvorschen te zien4 ,zij ademden op volwassen leeftijd door longen1 liepen op den grond1 en waren de opvolgers van andere kruipende dieren1 die meer in het water leefden4 ,waarschijnlijk vertegenwoordigen zij eenen bijzonderen toestand1 dien alle kruipende dieren doorloopen hebben vrdat zij landdieren werden4 ,wij moeten hier het volgende opmerken3 de permische periode heeft ons de geboorte der kruipende dieren doen bijwonen2 de triasperiode vertoont ons1 naast de ontwikkeling der hagedissen1 die van nu af als heerschers optreden1 de geboorte der zoogdieren1 die zich door de komst der buideldieren aankondigen4 ,de geboorte der zoogdieren6444 ,de eerste trede van de ladder1 die tot de menschheid voert4 ,de kruipende dieren1 de reuzenhagedissen der secundaire periode1 vertegenwoordigen de kracht4 ,met de zoogdieren begint de periode van het gevoel4 ,al die ontzaglijke hagedissen zijn gedoemd te sterven2 zij dragen de vlam van de verstandelijke ontwikkeling niet met zich2 geen dier soorten zal tijdgenoot worden van den mensch4 ,de nederige buideldieren1 die op dit oogenblik het daglicht aanschouwen onder de zon der triasperiode1 zijn de eerste dieren1 die de liefde kennen4 ,tot nu toe bestond de liefde nog niet op de aarde3 plantdieren1 weekdieren1 schaaldieren1 de oorspronkelijke insecten1 visschen1 kikvorschen1 kruipende dieren hebben niet bemind4 ,zij hebben alleen eieren kunnen leggen1 die zij zelfs niet eens zelf uitbroeden1 en waarvoor zij de zorg aan de natuur overlaten4 ,de eerste zoogdieren leggen bijna geene eieren meer4 ,wij zeggen bijna1 want de ornithorhynchus legt nog eieren4 ,doch geleidelijk brengen de dieren levende jongen voort in plaats van eieren te leggen4 ,nederig begin6 ,zoogdieren zonder melkklieren4 ,jongen1 die ter wereld komen als het ware als eieren zonder schaal en die eerst na hunne geboorte voldragen zijn6 ,de natuur wil ons ook hier weder de langzame ontwikkeling der schepping doen kennen4 ,het eerst zijn fossiele overblijfselen van zoogdieren uit de secundaire periode ontdekt in het jaar #ahah in de ,juraformatie van ,stonesfield bij ,oxford4 ,men vond daar eene kaak1 die door ,cuvier herkend werd als te behooren tot een klein zoogdier van de klasse der buideldieren2 die ontdekking verwekte de algemeene verbazing der geologen1 daar deze het onmogelijk geacht hadden1 dat er vr de tertiaire periode zoogdieren zouden bestaan hebben4 ,owen merkte op1 dat de soort1 waartoe die kaak behoord had1 groote verwantschap had met een ,australisch buideldier1 den myrmecobius4 ,in diezelfde formatie te ,stonesfield vindt men evenzoo eene kaak van eenen opossum1 en in #ahed werd daar nog eene andere ontdekt1 die tot eene geheel verschillende soort had behoord1 waaraan men den naam van stereognathus gaf4 ,in #ahdg vond men in de bovenste triaslaag van ,stuttgart den tand van een klein zoogdier1 microlestes genaamd4 ,sedert dien tijd heeft men zoowel daar1 als in het bovenste trias van ,somersetshire en in ,noord-,carolina eenige andere fossiele kaken gevonden1 die hadden toebehoord aan kleine buideldieren of aan lager staande insecteneters4 ,de kaak van een diomatherium silvestre 7een klein buideldier7 is door den ,amerikaanschen geoloog ,emons in de roode zandsteen van ,noord ,amerika gevonden4 ,onze lezers weten1 dat de buideldieren tot de meest onvolkomen en de oudste klasse der zoogdieren behooren1 en dat de laagste orde der zoogdieren1 de vogelbekdieren1 thans nog slechts vertegenwoordigd worden door twee soorten1 die in ,nieuw-,holland en ,van-,diemensland gevonden worden3 den ornithorhynchus en de echidna hystrix4 ,zij zijn de laatst overblijvenden van eene eertijds talrijke groep1 die tijdens de secundaire periode de eenige vertegenwoordigster was van de zoogdieren1 en waaruit door langzame ontwikkeling en splitsing alle latere zoogdieren zijn voortgekomen4 ,de buideldieren hebben hunnen naam te danken aan eenen buidel of zak1 dien het wijfje aan de onderzijde van den buik draagt1 en waarin de jongen nog langen tijd na hunne geboorte blijven4 ,in dien zak bevinden zich twee melkklieren1 waaraan zich de jonggeborenen vasthechten4 ,de jongen komen bij de buideldieren veel onvolkomener ter wereld1 dan dit gewoonlijk bij de zoogdieren het geval is4 ,zij zijn naakt1 blind en doof en blijven zlang in dien buidel1 totdat hunne ledematen en hunne zintuigen voldoende ontwikkeld zijn4 ,de buidel is dus als het ware eene tweede baarmoeder1 waarin de ontwikkeling voltooid wordt4 ,als de jongen eene zekere ontwikkeling verkregen hebben1 laten zij de melkklieren los zonder daarom nog den buidel te verlaten4 ,indien zij dien van tijd tot tijd verlaten1 keeren zij daarin weder spoedig terug1 en men mag zeggen1 dat zij in dien buidel hunne geheele kindsheid doorbrengen4 ,bij verscheidene dieren van die orde duurt de zwangerschap niet langer dan ne maand1 terwijl het jonge individu nog zeven tot acht maanden in den buidel blijft vertoeven4 ,bij de reuzenkangoeroe verloopen er zeven maanden van het oogenblik1 waarop het jong in den zak wordt neergelegd tot dat1 waarop het voor het eerst den kop te voorschijn brengt2 en eerst negen weken later komt het voor het eerst uit den zak4 ,de volgende negen weken leeft de jeugdige kangoeroe nu eens buiten1 dan weder in den buidel4 ,het jong komt den #cisten dag ter wereld4 ,de moeder neemt het in den bek1 opent den buidel met hare voorpooten en hecht het jong aan n der melkklieren vast4 ,twaalf uren na de geboorte is de jonge kangoeroe nog slechts #cb millimeters lang1 en kan het nog vergeleken worden met de ongeboren vrucht der overige dieren4 ,het is eene weeke1 doorschijnende1 op eenen worm gelijkende massa2 de oogen zijn dicht2 de neus en de ooren nauwelijks aangewezen1 de ledematen nog lang niet ontwikkeld4 ,het jong gelijkt nog in het minst niet op de moeder4 ,de voorste ledematen zijn een derde langer dan de achterste2 de staart is kort en tusschen de achterpooten omgebogen4 ,het hangt aan de melkklier als eene levenlooze massa1 en kan zelfs nog niet zuigen1 zoodat de melk op eene zeer eigenaardige wijze uit de klier in den bek gestort wordt2 eerst later begint het te zuigen4 ,z voedt het jong zich gedurende acht maanden met de moedermelk2 van tijd tot tijd vertoont het den kop1 maar het is nog niet in staat1 zich alleen te bewegen4 ,de natuuronderzoeker ,owen nam een jong van vier dagen van de moederborst af1 om te weten of een zoo onvolkomen wezen haar uit zich zelf kon terugvinden1 dan wel of de moeder het weer zelf zou aanleggen4 ,het resultaat der proefneming was het volgende3 ,na het wegnemen van het jong1 kwam een droppel wit vocht te voorschijn4 ,wel werd het jong onrustig1 maar het scheen geene pogingen te doen1 om zich weder aan de moeder vast te hechten1 en kon zich volstrekt niet bewegen4 ,men legde het toen in den zak neder en liet het weder aan de moeder over4 ,deze was toen erg rusteloos1 bukte zich1 krabde tegen de buitenzijde van den zak1 maakte dien met de pooten los1 stak er den kop in en bewoog dien in verschillende richtingen4 ,eindelijk stierf het jong1 zonder dat de moeder het weder had vastgehecht4 ,indien de jonge kangoeroe nmaal eene zekere grootte bereikt heeft1 groeit zij zeer snel4 ,zij steekt dan den kop uit en kijkt met hare oogen naar alle zijden rond1 beweegt hare kleine pooten en begint te eten4 ,de moeder verzorgt haar nog steeds zeer teeder1 zonder zich echter zoo bezorgd te maken als vroeger4 ,in den eersten tijd duldt zij niet1 dat men het ziet of betast4 ,zij jaagt zelfs den vader weg1 zoo deze zijne spruit wil zien4 ,zoodra het jong echter den kop maar ns naar buiten gebracht heeft1 is de moeder niet meer zoo bang om het te voorschijn te doen treden4 ,de jeugdige kangoeroe is trouwens zeer vreesachtig1 de minste aanleiding doet haar weder naar den buidel vluchten1 waarin zij alle mogelijke standen inneemt1 nu eens komt zij met den kop1 dan weder met de achterpooten of den staart naar buiten4 ,het is een merkwaardig schouwspel1 om te zien1 hoe de moeder1 als zij zich verplaatsen wil1 het jong dwingt om zich in de diepten van den buidel te begeven en het daarbij zwakke stooten toebrengt4 ,na verloop van eenigen tijd verlaat de jeugdige kangoeroe den buidel en springt zij om de moeder heen1 maar bij het minste gevaar vliegt zij weder hals over kop in den buidel2 in een oogenblik draait zij weder om1 en nu zij zeker is tegen elk gevaar beveiligd te zijn1 kijkt zij met eenen grappigen blik naar buiten4 ,onder de buideldieren vindt men evenals onder alle families van het dierenrijk de grootste verscheidenheid van vorm en verstand4 ,de opossum 7eene buidelrat7 b4v4 schijnt veel meer verstand te bezitten dan de kangoeroe4 ,audubon geeft van zijne levenswijze de volgende beschrijving3 ,let op1 hoe hij aan den voet van dien reusachtigen boom stil staat en ronddraait om den stam1 om onder de met sneeuw bedekte wortels eene opening te vinden1 waarin hij kan binnensluipen4 ,na eenige minuten komt hij weder te voorschijn1 een eekhorentje medeslepend1 dat reeds van het leven beroofd is3 hij houdt het in den bek1 terwijl hij langzaam den boom opklimt4 ,blijkbaar vindt hij de laagste takken niet naar zijne gading1 want hij klimt steeds hooger1 totdat hij eene plek gevonden heeft1 waar hij minder in het gezicht komt2 daar zet hij zich op zijn gemak neder1 rolt zijnen langen staart om de jeugdige takken en verscheurt met zijne scherpe tanden het arme eekhorentje1 dat hij met de klauwen zijner voorpooten vasthoudt4 ,de schoone lentedagen zijn aangebroken2 de boomen vormen krachtige knoppen2 maar de opossum is bijna naakt en schijnt door vasten uitgeput4 ,hij zoekt de kreken op en smult nu aan de jeugdige kikkers4 ,maar de brandnetel begint zijne teere en saprijke knoppen te ontwikkelen1 die hem een kostbaar voedsel opleveren4 ,het morgengeroep van den wilden kalkoen doet hem aangenaam aan1 want de sluwerd weet1 dat hij nu spoedig de stem van het wijfje zal hooren1 en dat hij haar naar haar nest kan volgen om hare eieren te rooven4 ,en terwijl hij door de bosschen zweeft1 nu eens op den grond1 dan weder op de boomen van tak tot tak springend1 hoort hij het gekraai van eenen haan2 en zijn hart klopt van genot1 als hij zich te binnenbrengt1 wat een heerlijk maal hij het vorige jaar gehad heeft op eene nabijzijnde boerderij4 ,zachtjes1 de oogen wijd geopend1 gaat hij vooruit en verbergt hij zich in het hoenderhok4 ,waarom1 eerzame landman1 hebt gij het vorige jaar zoovele kraaien en raven gedood8 ,koop u nu kruit en lood1 maak uw geweer schoon1 zet uwe vallen gereed en zorg1 dat uwe trage honden trouw waken1 want de opossum nadert1 de strooper is op weg4 ,hoort gij de kreten van uwe kippen8 ,ene der beste is door den sluwen dief medegenomen4 ,gij loert op vos en uil1 en waant u gelukkig1 zoo gij hunnen vijand en uwen vriend1 de arme raaf gedood hebt4 ,nog geen week geleden lagen onder deze groote kip een dozijn eieren2 zij zijn verdwenen1 de opossum heeft ze weggestolen4 ,het wijfje van den opossum is een voorbeeld van moederliefde4 ,sla uwen blik in dien zonderlingen buidel1 waar de jongen ieder aan eene melkklier bevestigd zijn4 ,de zorgzame moeder voedt ze niet alleen1 maar beveiligt ze ook tegen den vijand2 zij neemt ze met zich mede1 zooals de zeehond haar kroost medevoert1 of verbergt ze onder de bladeren van eenen tulpeboom4 ,na twee maanden beginnen zij voor zich zelf te kunnen zorgen1 met wijze lessen gaan zij de wereld in4 ,maar als de pachter den opossum op heeterdaad heeft betrapt1 terwijl hij nen zijner schoonste hoenders vermoordde1 en zich woedend op het arme dier werpt1 rolt het zich tot eenen bal samen4 ,naarmate de man woedender wordt1 blijft het dier rustiger liggen2 eindelijk blijft het onder den voet van den pachter liggen zonder eenig teeken van leven te geven1 met de tong uit den bek1 en de oogen gesloten1 totdat zijn beul hem laat liggen in het denkbeeld1 dat het dier dood is4 ,doch neen6 het is niet dood4 ,het hield zich slechts zoo2 nauwelijks heeft de vijand de hielen gekeerd1 of het dier richt zich weer op en vlucht in het bosch4 ,eene andere soort1 de ,philander ,aeneas 7,aeneasrat71 leeft alleen op de boomen en komt alleen op den grond voor de jacht4 ,hij kan door middel van zijnen langen staart gemakkelijk klimmen en zich daarmede overal aan vasthechten1 en zoodra hij gaat rusten1 begint hij met dien om eenen tak te rollen4 ,op den grond loopt hij langzaam en moeilijk2 toch kan hij kleine zoogdieren1 insecten1 schaaldieren1 vangen1 vooral kreeften1 waarop hij verzot is4 ,op de takken der boomen vervolgt hij de vogels en plundert hij de nesten2 ook voedt hij zich met vruchten4 ,somtijds bezoekt hij de hoenderhokken en doodt hij kippen en duiven4 ,de jongen worden1 als zij half volwassen zijn1 op den rug der moeder gedragen1 waartoe zij zich met hunnen staart aan dien der moeder vasthouden4 ,zelfs als zij bijna geheel volwassen zijn1 en dus de moedermelk niet meer behoeven1 blijven zij nog bij hunne moeder1 en vluchten zij op haren rug bij het minste gevaar4 ,daaraan zijn zij hunnen naam van ,philander ,aeneas verschuldigd #ai4 ,als de moeder verschrikt is1 laat zij een gesis hooren en verspreidt zij eenen hoogst onaangenamen reuk4 ,doch wij mogen niet langer bij die afstammelingen der eerste zoogdieren stilstaan4 ,het zij voldoende1 als wij hebben aangetoond1 hoe laag ontwikkeld zij zijn onder de levendbarende dieren1 en dat zij toch het rijk der hoogere dieren inwijden4 ,de verstandelijke en zinnelijke vermogens zijn ontstaan1 om niet meer te verdwijnen4 ,,tweede ,,hoofdstuk ,de ,juraperiode4 ,het ,rijk der ,reuzenhagedissen4 ,wij zijn thans genaderd tot de merkwaardigste van alle perioden1 die het optreden van den mensch op aarde zijn voorafgegaan4 ,eene onmetelijke zee strekt zich nog over het grootste gedeelte van ,europa en ,azi uit1 en over groote uitgestrektheden van ,afrika en de beide deelen van ,amerika1 die thans honderden en duizenden meters boven de oppervlakte van den ,oceaan gelegen zijn4 ,in die zeen leven reusachtige en vreemdsoortige dieren1 waarvan thans geen enkele afstammeling meer over is4 ,hoewel de planeet veel meer tot den tegenwoordigen toestand genaderd is dan in de primaire periode1 schijnt zij in menig opzicht meer van den tegenwoordigen toestand te verschillen1 omdat het leven op de planeet eene vertakking ondergaat1 die volstrekt niet doet vermoeden1 wat zij in de tertiaire en quaternaire periode worden zal4 ,een bewoner van ,mars of van de maan1 die onze aarde zoude bezocht hebben ten tijde van de kruipende dieren van het ,juratijdperk1 zou niet tot het vermoeden komen1 dat eens de dag zal aanbreken1 waarop de bodem der zee1 na gerezen te zijn1 de verblijfplaats zoude worden der groote steden1 zooals ,new-,york1 ,londen1 ,parijs of ,weenen4 ,in de zeen zwemt de logge ichthyosaurus met zijne ontzaglijke oogen en vreeselijke kaken2 de plesiosaurus met zijnen langen hals1 die met zijne lange pooten zwom1 in de diepte der zee onderdook en dadelijk weer op de oppervlakte verscheen2 de teleosaurus1 monsterkrokodil van tien meters lengte1 wiens gespleten muil1 die eene wijdte had van twee meters1 dieren kon verzwelgen zoo groot als ossen2 de hyleosaurus1 met zijn gepantserd schild1 die de oevers onveilig maakte2 terwijl op de eilanden1 die uit het water verrezen waren1 aan den voet der heuvels1 aan den oever der zeen1 in stroomen en meren1 in de met varens1 cycaden1 araucaria's en verschillende naaldboomen versierde bosschen1 de ontelbare soorten van dinosaurirs leefden1 die in de secundaire periode de zoogdieren der tertiaire periode voorafgingen3 atlantosauren1 reusachtige grasetende viervoetige dieren van #cj meters lengte2 brontosauren1 sauropoden van #ae tot #bj meters2 diclonin1 tweevoetige kruipende dieren van #ab tot #ae meters lengte2 stegosauren1 tweevoetige dieren van #aj meters2 iguanodons1 tweevoetige dieren met de klauwen van eenen vogel1 en de vleeschetende theropoden3 de megalosauren1 ceratosauren1 labrosauren1 amphisauriden1 compsognathen enz41 kruipende dieren van elke grootte en gedaante1 waarvan enkele half krokodil en half vogel waren1 en die van het land en de zee1 de oevers en de bosschen eene fantastische wereld moesten maken1 waarvan wij ons thans geen denkbeeld meer kunnen vormen4 ,en daarboven dan nog de ontzaglijke pterodactylen met vliezige vleugels1 die door de lucht sprongen en zich op de oevers neerwierpen te midden der woeste kreten dier geheele bevolking1 en de ontelbare tandvogels1 die met ontzaglijke snelheid de ruimte doorkliefden om zich op hunne prooi te werpen 444 en wij hebben een zwak beeld van het schouwspel1 dat onze planeet moet hebben aangeboden in die lang vervlogen eeuwen4 ,terecht wordt die periode het tijdperk der kruipende dieren genoemd4 ,en toch1 hoever zijn die wezens niet in vorm en gewoonten verwijderd van de kruipende dieren van onzen tijd6 ,die dieren kropen niet4 ,het waren geen slangen of adders2 het waren veeleer reusachtige hagedissen1 waarvan sommige op vier pooten1 andere bij voorkeur op hunne achterpooten liepen en den vertikalen stand aannamen1 en dat wel hagedissen van #aj1 #ae1 #bj1 #cj meters lengte6 ,die kruipende dieren met hunne ontzaglijke ledematen waren de voorouders van de krokodillen en de hagedissen der tertiaire periode4 ,de pooten zijn langzamerhand verdwenen4--,ook de vogels hadden de kruipende dieren tot voorouders4 ,die zoo rijke ,juraperiode heeft zich over een zeer groot tijdvak uitgestrekt4 ,onmiddellijk na de laatste triaslagen heeft zich eerst zandsteen afgezet1 daarna mergel met koolzure kalk vermengd4 ,men vindt daarin vele fossielen1 vooral schelpen1 ammonieten enz4 ,die eerste lagen heeten lias of zwarte ,jura4 ,daarboven hebben zich lagen van eenen anderen aard afgezet1 voornamelijk fijnkorrelig kalksteen1 dat doet denken aan eene verzameling visscheneieren4 ,daarom heet die kalksteen ook wel3 olithisch 7on1 ei en lithos1 steen74 ,de formatie der ,juraperiode kan dus in twee hoofdafdeelingen verdeeld worden1 de lias en de olithische formatie4 ,ieder dier hoofdverdeelingen kan weder onderverdeeld worden1 want er zijn een groot aantal lagen1 die uit een mineralogisch oogpunt en uit het oogpunt van fossielen onderling zeer verschillen4 ,de voornaamste zijn3 ,voornaamste verdeelingen der ,juraperiode4 ,i4 ,liasformatie4 ,zandsteen der ,infraliasformatie ,rhetische laag4 7,rhetische ,alpen7 ,zwarte ,jura4 ,onderste liasformatie ,sinemurische laag4 7,semur7 ,middelste liasformatie ,charmouthische laag4 7,charmouth7 ,bovenste liasformatie ,toarcische laag4 7,thouarsi7 ,,ii4 ,olithische formatie4 ,onderste olitihische formatie ,bathonische 7,bath7 en ,bajocische laag 7,bayeux7 ,bruine ,jura4 ,middelste olitihische formatie #a4 ,oxfordlaag #b4 ,corallische 7koralen71 sequanische 7,seine71 kimmeridische laag ,witte ,jura4 ,bovenste olitihische formatie ,portland en ,purbecklaag ,er zijn nog wel andere verdeelingen2 maar wij moeten alles vermijden1 wat de zaak ingewikkelder maakt4 ,alleen merken wij op1 dat de lagen hoe langer zoo helderder worden1 geleidelijk van donker naar wit overgaan1 naarmate wij de krijtformatie naderen1 die zooals wij zagen1 op de ,juraformatie ligt4 ,vandaar ook de namen3 zwarte1 bruine en witte ,jura4 ,de verschillende lagen verschillen naar gelang der plaatsen zeer in dikte4 ,zoo is b4v4 in het departement der ,haute-,marne1 dat in de krijtperiode uit het water is verrezen1 de infralias-zandsteenlaag zeer dun1 de onderste liaslaag #e meters dik1 de lias #ia meters1 en de bovenste lias #ec meters2 de onderste olitische formatie is op de bergvlakte van ,langres en in ,bourgogne #cj meters dik1 de oxfordlaag slechts #e of #f meters1 de mergel-olithische laag #gj meters2 de koraallaag1 7die dikwijls onder de sequanische laag vermengd is7 is daar uiterst dun1 de portlandlaag somtijds #hj tot #aej meters4 ,daarentegen vindt men de infraliaslaag in ,lotharingen #ab meters1 te ,kdange #bd meters1 in ,luxemburg #fj1 in ,scani #gjj meters dik2 de onderste lias is in ,yorkshire #afj meters dik2 de lias of zwarte ,jura van ,wurtemberg is #ajj meters dik1 de onderste olithische laag is in de omstreken van ,bath #fj meters dik1 het klei van ,kimmeridge in ,lincolnshire is in twee lagen #cej meters dik4 ,in het begin der ,juraperiode was een groot gedeelte van ,europa onder het water bedolven4 ,sedert de lang vervlogen tijden der ,silurische zee1 toen de granietmassa's van ,bretagne1 de ,vende en ,auvergne te voorschijn traden en eilanden bijna zonder plantengroei vormden1 is de zee verscheidene malen teruggegaan en weder teruggekeerd4 ,in de triasperiode strekte zich eene uitgestrekte1 in golven uitgesneden binnenzee uit over ,frankrijk1 ,engeland1 ,spanje en ,itali2 die zee strekte zich over ,lotharingen1 zelfs tot in ,duitschland uit4 ,in het begin der liasperiode was de zee oostwaarts teruggetrokken1 waarbij geheel ,frankrijk en een gedeelte van ,duitschland droog lag2 maar spoedig bedekt zij weder geheel ,frankrijk1 en laat zij alleen de eilanden der oude formatie droog1 zonder dat deze met elkander in verbinding staan1 zooals ,bretagne1 de centrale bergvlakte1 de ,vogezen en de oorspronkelijke ,alpen4 ,die veranderingen zijn het gevolg van de dalingen en rijzingen der aardschors1 die overeenkomen met die1 welke nog thans plaats grijpen1 en die wij vroeger bestudeerd hebben3 langzame1 geleidelijke bewegingen1 die herhaaldelijk onmerkbaar de gedaante der aarde gewijzigd hebben4 ,honderdduizenden jaren zijn in de archieven van de jeugd der aarde verborgen4 ,in die dagen strekte zich de zee uit over ,parijs1 ,tours1 ,poitiers1 ,bordeaux1 ,genve1 ,bern1 ,bazel1 ,nancy1 ,troyes enz4 ,zij bedekte het geheele gebied1 dat zich uitstrekte van ,londen tot ,parijs1 ,brussel1 ,bordeaux en ,marseille4 ,in het tweede gedeelte der ,juraperiode1 de olithische periode1 maakt de daling van den bodem plaats voor eene langzame en geleidelijke rijzing4 ,in het midden dier periode ziet men de onder de zee bedolven streken1 die de eilanden der oorspronkelijke formatie van elkander scheidden1 boven het water uitsteken en de centrale bergvlakte van ,frankrijk verbinden met de ,vende en ,bretagne en met de ,vogezen en ,belgi4 ,op het einde der ,juraperiode zijn al die streken1 die eertijds onder de wateren bedolven waren1 tot zekere hoogte opgeheven4 ,in ,engeland vormen de ,juraformaties eene breede strook1 die zich over het zuidelijke gedeelte van ,groot-,brittanni uitstrekt1 van het noordoosten naar het zuidwesten2 die strook is het verlengde van die1 welke rondom het bekken van ,parijs gelegen is4 ,de ,jurazee heeft zich dus over dat geheele gedeelte van ,engeland evenals over ,frankrijk uitgestrekt4 ,maar op het einde der ,juraperiode was dat gedeelte van ,engeland weder uit het water verrezen1 zooals de ,jura1 de bergvlakte van ,langres en de geheele gordel1 waarvan wij zooeven gesproken hebben4 ,zelfs waren ook de streken1 die thans onder de wateren van het ,kanaal bedolven zijn1 boven water1 en wel voornamelijk de streek tusschen ,portland en ,boulogne4 ,frankrijk was toen met ,engeland verbonden1 en daar waar thans de golven van het ,kanaal rollen1 strekte zich een vastland uit1 met meren bedekt1 die aan hunne oevers eenen rijken plantengroei bezaten1 waarbij cycaden1 varens1 naaldboomen de overhand hadden1 en die bewoond waren door groote1 grasetende1 kruipende dieren1 vooral iguanodons1 en door buideldieren4 ,op dat verdwenen land vormde zich de ,purbeckformatie1 waarvan het eiland ,purbeck1 op de ,engelsche kust1 tegenover ,cherbourg het type is1 zoowel uit een geologisch oogpunt als uit het oogpunt der fossielen4 ,terwijl dus het begin der ,juraperiode zich kenmerkte door eene daling van den bodem van een gedeelte van ,frankrijk en ,engeland1 had op het einde dier periode het omgekeerde plaats1 waardoor een deel van ,noordelijk ,europa uit de wateren verrees4 ,vr die rijzing1 tijdens het bestaan der ,jurazee1 vond men in ,frankrijk en ,engeland een groot aantal koralen4 ,de koraalriffen zijn nauw verbonden aan de olithische formaties4 ,het kalkrijke zand1 dat door den vloed op de kust der koraalriffen wordt geworpen1 wordt vast door het water1 dat er in doordringt2 nu eens kleven de korrels licht aan elkander en kan men er de kalk tusschen herkennen2 dan weder is het zand harde kalk geworden1 waarbij men echter nog steeds de kleine zandkorrels herkennen kan4 ,somtijds ook is het zand vermengd met keisteentjes1 die afkomstig zijn van het eiland1 dat het rif omlijst4 ,diezelfde formatie vindt men thans nog terug op ,ascension en op verscheidene punten der ,stille ,zuidzee4 ,de overblijfselen dier koraalriffen vindt men in de ,jura over eene dikte van #dj tot #fj meters 7in de omstreken van ,gray en ,besanon71 in ,yonne1 ,provence1 in de ,beneden-,alpen1 in de omstreken van ,grenoble1--waar zij worden vertegenwoordigd door groote massa's witte kalksteen1 met poliepen vermengd1 en hunnen gewonen nasleep van zee-egels en diceraten--in ,noorwegen en in ,engeland1 waar drie koraallagen duidelijk op de oxfordlaag gezien worden1 op de kust van ,weymouth4 ,uit het feit1 dat de koralen in de ,juraperiode in ,frankrijk en ,engeland voorkwamen1 volgt dat het aequatoriale klimaat zich tot voorbij #ee ,n4,b4 uitstrekte1 hetgeen niet mogelijk is1 als aan de noordpool ijs gevonden wordt4 ,ook de fossiele plantengroei leidt tot diezelfde gevolgtrekking1 daar tropische planten1 cycaden en varens toen tot in ,siberi op #ga ,n4,b4 voorkwamen4 ,in die periode waren dus de jaargetijden en het klimaat niet scherp onderscheiden4 ,hoe moeielijk het ook wezen moge1 om nauwkeurig de tijdstippen van het wijken en voorwaartsschrijden der zee vast te stellen1 zoo mogen wij toch besluiten1 dat ,europa in het begin der ,juraperiode een archipel was bestaande uit grootere of kleinere eilanden4 ,ten tijde van de lias was de centrale bergvlakte van ,frankrijk van de ,vende ten westen1 van de ,vogezen en een gedeelte der ,alpen in het oosten door de zee gescheiden4 ,op het einde der ,oxfordperiode breidden die eilanden zich uit en hechtten zij zich aan elkander1 aan de ne zijde door de landengte van ,poitiers1 aan de andere zijde door die van ,cte-d',or4 ,in de koraalperiode hebben de drie bekkens1 waarin ,frankrijk verdeeld is1 dat van ,parijs in het noorden1 dat van ,aquitani in het zuidwesten1 dat der ,rhne in het zuidoosten geen directe gemeenschap met elkander1 daar de zeestraten van ,poitiers en ,cte-d',or afgesloten zijn4 ,die rijzing1 die zoo duidelijk te voorschijn treedt in het westen en noorden van ,frankrijk1 wordt nog sterker op het einde der ,juraperiode4 ,frankrijk wordt met ,engeland verbonden1 en op de plaats1 waar thans het kanaal is1 vindt men een uitgestrekt vastland1 waarop de dier- en plantensoorten het karakter vertoonen van te leven in streken1 die niet hoog boven de oppervlakte der zee gelegen waren en die telkens door de zee overstroomd werden4 ,toch vindt men er een aantal zoetwaterplanten en -dieren2 de zoetwater- en zeeschelpen wisselen af over eene dikte van #abe meters3 de periode is dus van zeer langen duur geweest4 ,ook in de ,jura waren er zoet watermeren4 ,wij zagen zooeven1 dat de korallische laag in het zuiden van ,frankrijk1 ,provence1 ,beneden-,alpen1 ,dauphin vertegenwoordigd wordt door groote massa's witte kalk1 vol poliepen4 ,de kalk is daar onmiddellijk door krijt bedekt4 ,hieruit volgt1 dat die bodem na de koraalperiode1 in de eeuwen1 waarop zich de ,kimmeridge- en ,portlandformaties gevormd hebben1 buiten het water uitstak en tot aan de periode der krijtformatie boven water gebleven is4 ,op de ,juraperiode volgt de krijtperiode4 ,van het begin dier periode af verandert weder alles in de verdeeling van land en zee4 ,de rijzing van den bodem van ,frankrijk1 ,engeland en het noorden van ,europa1 die de hoofdtrek der olithische periode is geweest1 houdt op en maakt plaats voor eene beweging in tegengestelden zin4 ,een groot gedeelte van ,noordelijk ,europa daalt weder onder water en er zet zich niets af dan alleen daar waar de mikroskopische wezens van den ,oceaan hunne krachten beproeven4 ,wij beleven eenen tijd van kalmte1 waarin de oneindig kleine wezens op den bodem der zee werkten en het krijt vormden1 dat tot eene dikte van honderden meters bijna uitsluitend bestaat uit hunne overblijfselen4 ,in ,frankrijk bedekte eene uitgestrekte zee den voet der ,jura2 die zee was aan de ne zijde verbonden met de ,parijsche zee1 aan de andere zijde met eene zuidelijke zee1 die zich tot aan de tegenwoordige ,middellandsche zee uitstrekte4 ,het zuiden van ,frankrijk1 dat sedert de koraalperiode boven het water uitstak1 is weder gedaald en maakt weder deel uit van eene uitgestrekte watermassa1 die zich over het geheele zuiden van ,europa uitstrekt4 ,in dien tijd belette de centrale bergvlakte1 die geheel boven water uitstak1 en die aan de ne zijde met de ,vogezen1 aan de andere zijde met de ,vende verbonden was1 de gemeenschap tusschen die ,middellandsche en de ,parijsche zee1 die zich tot aan het zuiden van ,engeland uitstrekte4 ,het begin der krijtperiode kenmerkt zich dus door eene groote verandering in de kaart der aarde en door den terugkeer der zee naar streken1 die zij reeds lang had verlaten4 ,die inval der zee schijnt zijn maximum te hebben bereikt in de periode van het witte krijt4 ,wel doet ons het onderzoek van den bodem de plaatsen kennen1 waar het land de plaats van de zee heeft ingenomen1 nadat de bodem der zee gerezen was2 maar het is niet zoo eenvoudig1 de plaatsen te leeren kennen1 die in zee veranderd zijn1 daar men nog niet ver genoeg gevorderd is in het onderzoek van den bodem der zee4 ,wij kunnen dus den toestand van ,europa voor eene bepaalde geologische periode niet nauwkeurig bepalen4 ,al is het immers mogelijk1 in kaarten den toestand van ,europa te teekenen in de silurische en de ,juraperiode1 tijdens de krijtformatie of in het midden der tertiaire periode1 zoo zoude men tusschen die kaarten nog verscheidene andere moeten teekenen1 geheel met de overige verschillend1 en die met uitzondering der oorspronkelijke formaties1 die boven de zee zijn blijven uitsteken sedert het begin der silurische periode1 op een groot aantal plaatsen den gedurigen terugkeer en het verdwijnen der zee zouden moeten aanwijzen4 ,indien men toch b4v4 de opheffingen der voornaamste bergen beschouwt1 zooals de ,alpen1 de ,pyrenen enz41 dan ziet men1 dat daar verschillende rijzingen en dalingen hebben plaats gegrepen4 ,de oorspronkelijke gesteenten der ,alpen1 graniet1 gneiss en schiefer1 dragen geene azosche of primaire formaties boven zich3 zij waren dus tijdens de laurentische1 cambrische1 silurische1 devonische en steenkoolperiode reeds uit de zee opgerezen4 ,in de ,permische periode moeten zij gedaald zijn1 want zij dragen eene anthraciet-houdende laag op de kristallijnen lagen4 ,tijdens de afzetting der ,permische formatie vormden de ,alpen eene kuststreek1 die daalde om bezinksels van dolomiet1 gips en andere triasgesteenten op te nemen4 ,die daling was echter niet algemeen1 maar alleen aan enkele plaatsen eigen1 en in het begin der ,juraperiode neemt men een aantal schommelingen waar1 die eindigen in een volkomen inzinken onder de oppervlakte der zee4 ,vervolgens zetten zich op de verzwolgen ,alpen de olithische formaties af1 die volkomen zeevormingen waren1 en daarna de formaties der krijtperiode1 waarvan alleen de laatste eene neiging vertoonen om in den vorm van eilanden te verrijzen4 ,om die eilanden1 die langen tijd weinig ontwikkeld waren1 plaatsen zich de eocene zeeformaties1 uit het begin der tertiaire periode4 ,maar die ketenen blijven stijgen en vormen weldra te midden der eocene zee een vastland1 dat door zijne bewegelijkheid aan groote afbrokkelingen is blootgesteld en waarvan de overblijfselen zich ophoopen in de lagen der molasse1 die nu eens het karakter draagt eener landformatie1 dan weder van eene zeeformatie1 en daardoor de veranderlijkheid der kusten duidelijk aantoont4 ,nauwelijks is de molasse vast geworden1 of de vervorming bereikt haar toppunt en de miocene lagen worden sterk geschud zonder dat de pliocene periode1 in het begin waarvan die beweging geschiedt1 andere sporen achterlaat dan bezinkingen1 door de bergstroomen afgezet en kleine bekkens van bruinkool op korten afstand daarvan gelegen4 ,men ziet dus1 dat de opheffing der ,alpen een werk van langen adem is geweest1 en dat de verschillende ketenen1 waardoor die bergstreek in verschillende deelen verdeeld is1 niet uit denzelfden tijd dagteekenen4 ,de binnenste ketenen behooren tot de eocene of misschien wel tot de krijtperiode2 die welke daarop volgen1 tot de miocene1 en die aan den rand tot de pliocene periode4 ,men wane echter niet1 dat er nooit diepe golven ontstaan zijn1 waardoor de zee voortdrong tot de inwendige reeds gevormde ketenen4 ,men vindt daarvoor het bewijs in het voorkomen van muntschelpen of nummulieten in het inwendige der westelijke ,alpen4 ,de geschiedenis der ,oost-,alpen is niet volkomen dezelfde als die der ,zwitsersche ,alpen3 zij zijn eerst voor goed uit de zee verrezen ten tijde der bovenste krijtformatie1 en zij vormden reeds in de olithische periode eene keten van eilanden1 waarop de zee in de cenomanische periode langzamerhand inbreuk maakte4 ,de opheffing der eocene ketenen heeft daar waarschijnlijk eer plaats gegrepen dan in de centrale ,alpen4 ,de grenslijn der beide ketenen lag toen evenals thans in de ,rijnvallei4 ,van de silurische tot aan de steenkoolperiode1 is de streek1 gelegen ten oosten van den ,rijn1 gedeeltelijk onder water gebleven1 terwijl het westen een vastland vormde1 bestaande uit oorspronkelijke gesteenten1 en dat waarschijnlijk in verbinding stond met de ,vogezen1 de centrale bergvlakte en het ,schwarzwald4 ,daarna dalen de ,oostalpen1 en eene rijke triasfauna treedt daar op1 terwijl het grootste gedeelte der ,westalpen boven water blijft4 ,op het einde dier periode overstroomt de ,rhetische zee ,zwitserland1 dat hoe langer hoe meer daalt4 ,de voornaamste rijzingen der ,westalpen zijn het resultaat van eene rij van geleidelijke bewegingen of schokken1 die in de periode der molasse op elkander gevolgd zijn4 ,die bewegingen1 die op de ruggen der eerste ,alpenketenen de onderste en middelste lagen dier formatie hebben opgeheven1 wierpen langzamerhand de wateren1 waarin zich de bovenste lagen vormden1 buiten den gordel der bergen1 en gaven het aanzijn aan zoetwaterbekkens1 waarin zich de bruinkool afzette4 ,evenals de ,alpen1 zijn ook de ,pyrenen de vrucht van telkens hernieuwde beroeringen2 doch de keten is veel eenvoudiger van bouw dan die der ,alpen2 zij vertoont slechts ne enkele massa van oude formaties1 die de as der keten vormt1 en waarvan de beide hellingen zeer verschillend zijn samengesteld4 ,de helling aan de ,fransche zijde is veel steiler1 dan die aan de zijde van ,spanje2 de verplaatsingen zijn er talrijk en ingewikkeld4 ,aan de ,spaansche zijde wijken de bezonken lagen over het algemeen weinig van den horizontalen stand af4 ,de eerste opheffing schijnt te hebben plaats gegrepen vr de afzetting der steenkoollagen1 daarna komt eene doorloopende rij van lagen van de steenkoolafzettignen tot aan de onderste krijtlagen4 ,hierop schijnt eene nieuwe beweging gevolgd te zijn1 waardoor eene verbreking plaats had tusschen het verband der vorige rij en die der volgende lagen1 van het krijt tot de eoceenformatie4 ,op het einde der eocene periode heeft eene beweging plaats1 die veel sterker was dan alle vorige1 en die aan de ,pyrenen haren voornaamsten vorm geeft4 ,wij zagen1 dat de beslissende opheffing der ,alpen is voorafgegaan door de vorming van verbazende ophoopingen van molasse1 die het bewijs zijn van eenen bodem1 die door zijne bewegelijkheid gemakkelijk afgebeten werd2 zoo is ook de opheffing der ,pyrenen voorafgegaan door de bezinking van kleine steentjes4 ,de nummulietlagen zijn tot op verbazende hoogten gebracht in den keten der ,pyrenen1 waar zij eene hoogte van #cceb meters bereiken4 ,de voornaamste omwentelingen in de ,pyrenen hebben plaats gegrepen tijdens de vorming der eocene formaties4 ,de beslissende opheffing der ,pyrenen heeft dus plaats gegrepen in de eerste eeuwen der tertiaire periode1 tegen het einde der eoceenperiode2 hetzelfde is het geval geweest bij de ,apennijnen4 ,de beslissende opheffing der ,alpen daarentegen heeft plaats gegrepen in de laatste eeuwen der tertiaire periode1 tegen het einde der miocene periode4 ,deze feiten zijn tegenwoordig voldoende vastgesteld4 ,het kan oppervlakkig moeilijk schijnen aan te nemen1 dat men den betrekkelijken ouderdom der bergen kan lezen in de archieven der oorspronkelijke wereld1 toch zijn de geologen1 en met name ,leopold von ,buch1 lie de ,beaumont en ,constant ,prevost daarin door hunne uitstekende nasporingen geslaagd4 ,men zou bij het zien van eenen berg geneigd zijn te meenen1 dat zij uit den grond is verrezen door eenen verticalen naar boven gerichten druk1 op de wijze der vulkanen4 ,toch begrijpt men bij eenig nadenken1 als men nagaat1 dat de aarde bij hare afkoeling moet zijn samengetrokken1 dat dit niet kan geschied zijn zonder dat plooien1 of inwendige leegten of gewelven moeten zijn ontstaan1 of ontwrichtingen der schors moeten hebben plaats gegrepen1 die aan de bergen het aanzijn geschonken hebben4 ,indien men den bouw der bergen onderzoekt1 dan ziet men1 dat meesttijds in het midden van den berg het oorspronkelijke gesteente te voorschijn treedt uit de scheuren der bezonken lagen1 en zoo de toppen vormt4 ,daar iedere laag1 die bezonken is1 zich in het water moet hebben afgezet in meer of minder horizontale lagen1 zoo kunnen die lagen nooit eenen schuinen stand verkregen hebben dan door eene opheffing1 die na hare bezinking heeft plaats gegrepen4 ,de bergketen heeft dus haren vertikalen vorm verkregen nadat de verschillende lagen afgezet zijn1 die zij heeft opgetild1 doch vrdat de horizontale lagen zijn gevormd1 die men op de zijden van den berg vindt4 ,in een vorig hoofdstuk hebben wij gezien1 dat dit nog in onzen tijd op dezelfde wijze geschiedt4 ,de voornaamste oorzaak van de vorming der bergen is de langzame samentrekking der aarde4 ,die vorming der bergen is ook de oorzaak van die aardbevingen1 die niet door vulkanen ontstaan4 ,bijna overal is ten gevolge van den weeken toestand van de kern de bodem der planeet in langzame schommeling4 ,iedere eeuw wordt de oppervlakte van den bodem op enkele gedeelte opgeheven en op andere neergedrukt2 hetzelfde is met de bedding der zee het geval4 ,door die voortdurende veranderingen en door meteorologische oorzaken1 zooals regen1 wind1 eb en vloed enz4 heeft de aardschors telkens nieuwe vormen aangenomen van het oogenblik af1 dat hare oppervlakte bewoond is geworden door bewerktuigde wezens en de bedding van den ,oceaan is opgeheven tot de hoogte der hoogste bergen4 ,wel duizelen wij1 wanneer wij alle oneffenheden nagaan1 die sedert het begin van dat tijdstip in de aardschors zijn ontstaan2 doch als men daarbij rekening houdt met den verbazenden tijd1 waarin die oneffenheden zijn ontstaan1 dan behoeven wij geene plotselinge omwentelingen daarbij aan te nemen4 ,trouwens het resultaat dier veranderingen is eigenlijk nog onbeduidend1 daar de hoogste bergketenen bijna geene wijziging brengen in den regelmatigen vorm van den aardbol4 ,de ,gorisankar b4v41 die eene hoogte heeft van #hhdj meters boven de oppervlakte der zee1 moet op eene aardglobe van #a1dd meters middellijn worden voorgesteld door eene zandkorrel van #a m4m4 dikte4 ,men kan dus de oneffenheden op de oppervlakte der aarde als uiterst klein beschouwen1 en uit een geologisch oogpunt als van tijdelijken aard1 zooals b4v4 de vorm en de hoogte van den kegel van den ,vesuvius tusschen twee uitbarstingen4 ,hoe gering echter die oneffenheid is in vergelijking der geheele massa1 zoo hangt toch de toestand van den dampkring en het klimaat af van de plaats en de richting dier kleine oneffenheden4 ,men kan den ouderdom van eene omwenteling nagaan uit den ouderdom der formaties1 die daardoor gewijzigd worden4 ,indien twee lagen onmiddellijk op elkander rusten1 zdanig dat zij beide niet denzelfden hoek met den horizon maken1 dan is het duidelijk1 dat men daar te doen heeft met twee afzonderlijke opheffingen1 waarvan de ne heeft plaats gehad vr en de andere na de afzetting der jongste laag4 ,eene breuk is natuurlijk steeds jonger dan de formatie1 die gebroken is1 en daarin hebben wij dus reeds eene benaderde bepaling voor den tijd1 waarop de omwenteling moet hebben plaats gegrepen4 ,indien zich eene belangrijke keten van hoogten vormt1 dan verandert deze den toestand van het vasteland geheel en al2 sommige zeen worden ver weggeworpen en de kaart der streek wordt dus daardoor geheel gewijzigd4 ,men begrijpt uit het voorgaande1 hoe moeilijk de taak is1 om ons een denkbeeld te maken van den vorm der aarde op verschillende tijdstippen4 ,wij zullen echter hier niet verder uitweiden over de formaties der tertiaire periode1 hoeveel wij ook nog zouden kunnen mededeelen over de rijzingen en dalingen der ,pyrenen1 ,alpen en andere bergketenen1 of over de veranderingen in den vorm der zeen en landen4 ,wij zullen daarop in het gedeelte1 dat over de tertiaire formaties handelt1 nog terugkomen4 ,het was echter voor ons van belang1 om ons een juist denkbeeld te vormen van de geografische veranderingen1 die in den loop der tijden door die rijzingen en dalingen hebben plaats gegrepen4 ,wat onze aandacht het meest trekt in de beschouwing van die vervlogen perioden1 is het leven1 waardoor zij werden gekenmerkt2 geene enkele periode zoude toch kunnen wedijveren met die welke wij thans beschouwen1 wat betreft de vreemdsoortigheid der wezens uit dat tijdperk4 ,nieuwsgierig1 doch tevens met huivering1 aanschouwen wij de reusachtige kruipende dieren der ,juraperiode1 en voornamelijk de ichthyosauren 7vischhagedissen7 en de plesiosauren 7zeedraken71 die het kenmerk zijn van die dierenwereld4 ,de kruipende dieren vertegenwoordigen het verledene1 eeuwen lang hebben zij als heerschers over de aardoppervlakte geregeerd2 men ziet eene lange rij dieren verschijnen1 die behooren tot geheel verdwenen vormen1 in vergelijking waarmede de thans bestaande kruipende dieren nietige dwergen zijn4 ,enkele kruipende dieren der secundaire periode kunnen wij begroeten als de reusachtigste van alle bekende landdieren2 zij waren grooter dan olifanten en walvisschen2 men heeft dijbeenderen gevonden van meer dan twee meters1 hetgeen wijst op dieren van eene z verbazende kracht1 dat het onze verbeelding te boven gaat4 ,geheele groepen1 waarvan niets in de tegenwoordige natuur ons een denkbeeld kan geven1 hebben de oceanen1 het vaste land of de moerassen bewoond2 zij zijn onherroepelijk verdwenen zonder nakomelingen achter te laten2 enkele dier groepen staan z geheel op zich zelf1 dat zij meer verschillen van onze tegenwoordige dieren1 dan de slang van den krokodil verschilt2 reeds thans kent men honderden soorten van die dieren1 die zoo langen tijd op de oppervlakte der aarde de rol van onze zoogdieren hebben vervuld2 men vindt er vleeschetende1 grasetende1 insectenetende en vruchtenetende dieren onder2 zij zijn overal te vinden1 op het vaste land1 in het water en in de lucht4 ,indien het primaire tijdperk te recht den naam kon dragen van het tijdperk der visschen1 dan kan men van de secundaire periode zeggen1 dat zij de ontwikkeling der kruipende dieren tot hun maximum heeft bijgewoond4 ,de vreemde dieren1 die als het ware den overgang vormen tusschen de kruipende dieren en de kikvorschen1 sterven voor goed uit in de onderste lagen der ,juraformatie2 de ware kruipende dieren bereiken echter hunne hoogste ontwikkeling2 zij worden vertegenwoordigd door alle groote groepen1 die wij thans nog hebben1 met uitzondering van de slangen1 die eerst optreden als de eerste kruipende dieren hunne pooten verloren hebben4 ,bovendien vindt men dieren van een in onze fauna volkomen onbekend type1 die in de krijtperiode weder verdwenen zijn4 ,van de kruipende dieren der secundaire periode zijn de ichthyosauren 7van ichthus visch en sauros hagedis7 reeds het langst bekend2 want ,scheuchzer spreekt reeds in #agjh van wervels in het lias van ,altdorf gevonden4 ,de natuur van deze vreemdsoortige wezens is echter eerst in de eerste helft dezer eeuw bepaald4 ,de ichthyosauren hadden de wervels van eenen visch1 den kop van eene hagedis1 den muil van eenen bruinvisch1 de tanden van eenen krokodil1 het borstbeen van eenen ornithorynchus en de vinnen van eenen walvisch4 ,men kent een groot aantal verschillende soorten1 waarvan enkele van tien tot twaalf meters groot zijn4 ,men vindt ze in grooten getale in de ,juraformatie1 vooral in de onderste lagen4 ,hun kop was lang en puntig1 met ontzaglijke oogen voorzien1 hunne talrijke tanden waren groot1 kegelvormig en puntig2 men heeft kaken gevonden met #ahj tanden4 ,zij moeten eenige overeenkomst gehad hebben met onze tegenwoordige walvisschen4 ,zelfs onafhankelijk van de grootte van het monster1 moeten de oogen1 die de grootte hadden van een menschenhoofd1 het reeds een schrikwekkend aanzien gegeven hebben4 ,binnen de oogholte ziet men eenen cirkel1 bestaande uit #ac tot #ag beenige platen1 die waarschijnlijk tot steun dienden aan het wit van het oog2 het licht werd door de opening van den cirkel doorgelaten4 ,die platen1 die men ook vindt in de oogen van verscheidene vogels1 bij de schildpadden en de hagedissen1 dienen om het doorschijnende hoornvlies naar voren of naar achteren te duwen1 ten einde zijne kromming te vermeerderen of te verminderen1 en om daardoor het waarnemen van voorwerpen op groote en op kleine afstanden gemakkelijk te maken1 d4 i4 om het dier naar verkiezing bijziend of verziend te maken4 ,van de oogen af neemt de schedel reusachtige afmetingen aan1 het voorhoofd stijgt om van achteren weder af te platten3 de beenderen steken in het midden en de beide zijden tot aan het achterhoofd uit1 en laten holten open1 die de spieren hielden1 waarmede het dier de lange onderkaak moest bewegen4 ,de groote kop had eenen machtigen steun noodig2 die rol werd door den hals vervuld1 die kort en dik was en waarvan de wervels zich tot binnen in den kop uitstrekten1 terwijl de benedenkaak zich vrij vr en onder deze bewoog4 ,de wervelkolom wordt van den kop tot het midden van den rug dikker4 ,de wervels zijn bijna cirkelvormig1 plat en voorzien van uitsnijdingen voor de kraakbeenige banden1 waarmede zij onder elkander verbonden zijn4 ,bij de tegenwoordige dieren is het aantal der wervels zzeer bepaald1 dat het tot onderscheidingsmiddel der verschillende families dient2 bij de voorwereldlijke hagedissen daarentegen is dat aantal niet bepaald1 hetgeen wijst op eene onvolkomen ontwikkeling3 er had zich nog geen vast type gevormd2 de wervelkolom bestaat nu eens uit #aaj1 dan weder uit #abj1 ja zelfs uit #ade wervels1 waarvan #de dienen voor de inplanting der ribben4 ,de staart bevat van #hj tot #he wervels1 waarvan de eerste aan weerszijden verlengd zijn1 welke verlengstukken echter al kleiner en kleiner worden4 ,het achtereinde van den staart is rond4 ,de met zwemvliezen voorziene pooten herinneren aan de vinnen van den walvisch1 met dit verschil1 dat zij meer vingers bevatten2 maar deze bestaan1 evenals de hand van den mensen 7behalve de duim7 uit eene rij leden1 die door spieren en kraakbeenige bandspieren aan elkander verbonden zijn4 ,die pooten schijnen meer gevormd te zijn tot zwemmen dan tot loopen1 doch zij kunnen voor beide gediend hebben4 ,de vier ledematen van den ichthyosaurus waren gepantserd als een ijzeren handschoen1 terwijl het overige deel van het lichaam geene wapenrusting ter verdediging bezat4 ,het groote aantal en de dubbelholle oppervlakte der wervels doen ons besluiten1 dat het monster eene grootte vlugheid bezat1 waardoor het1 hoewel schijnbaar log1 gemakkelijk zijne prooi kon bereiken4 ,indien de lengte der vier ledematen gering schijnt1 dan wijst de bouw der staartwervels en eene vergelijking met die der visschen met lang lichaam er op1 dat de staart van den ichthyosaurus voorzien was van breede en krachtige vinnen1 die vertikaal stonden1 zooals bij al onze visschen1 en niet horizontaal zooals bij den walvisch2 men begrijpt1 dat hij bij eenen zoo gerekten lichaamsbouw met behulp van eenen zoodanigen roeiriem het water met snelheid kon doorklieven4 ,in het ,museum te ,parijs vindt men eenen ichthyosaurus1 waarin zich een kleine volkomen gevormde ichthyosaurus bevindt4 ,moeder en kind zijn volkomen goed bewaard gebleven4 ,dit is een onwederlegbaar bewijs voor de stelling1 dat die kruipende dieren levende jongen voortbrachten4 ,die ichthyosaurus is door den natuuronderzoeker ,chaining ,pearce gevonden1 in de liasformatie van ,somersetshire2 het fossiele skelet lag op den buik4 ,door de ne of andere overstrooming overvallen1 was het dier met zand bedekt en toen versteend met al wat het bevatte1 met uitzondering van de zachte gedeelten4 ,toen men de hard geworden klei voorzichtig weggenomen had1 had men de geheele buikzijde van het monster bloot gelegd2 deze was1 evenals het geheele geraamte1 volkomen bewaard gebleven4 ,doch hoe groot was de verbazing van den natuuronderzoeker1 toen hij in de holte van het bekken van den ichthyosaurus1 een ander dier van dezelfde soort1 doch in het klein1 ontdekte1 wiens skelet met den kop naar den staart van het moederdier gelegen was6 ,de ontdekking van eene versteende ongeboren vrucht in het versteende lichaam der moeder was z merkwaardig dat men er geen geloof aan wilde hechten1 vrdat men het feit nauwkeurig had onderzocht2 er viel echter aan de juistheid niet te twijfelen4 ,zooals wij zagen1 is het groote skelet van beneden naar boven losgemaakt1 waardoor reeds het denkbeeld is uitgesloten1 als zoude het kleine skelet door aanspoeling daarin gebracht zijn2 evenmin is het aan te nemen1 dat het groote skelet op het kleine gevallen is1 dat reeds in de modder begraven zoude geweest zijn1 en dit laatste den stand van eene ongeboren vrucht zoude hebben doen aannemen op het oogenblik der geboorte4 ,de meening1 als zoude het kleine dier door het groote verslonden zijn en zoo gekomen zijn voor de opening van het darmkanaal1 wordt reeds hierdoor wederlegd1 dat het jeugdige dier z teer is1 dat zijn geraamte in de maag van het groote monster zou moeten verbrijzeld zijn1 zelfs nog aannemende1 dat de tanden het ongedeerd gelaten hadden4 ,wij mogen hier opmerken1 dat het levendbaren den vischhagedissen eigen is2 de haaien baren eveneens levende jongen1 evenals verschillende soorten van slangen1 de salamanders en enkele andere kruipende dieren4 ,indien wij zoo de sporen van dit lang vervlogen leven terugvinden1 indien wij in het lichaam van den ichthyosaurus het voedsel terugvinden1 dat hij een oogenblik vr zijnen dood inzwelgde1 indien wij daarin nog de overblijfselen zien van visschen1 voor honderden millioenen jaren verslonden1 dan verdwijnt die onmetelijke tijdsruimte voor onzen geest1 en dan vinden wij ons als het ware in onmiddellijke aanraking met alle gebeurtenissen1 die toen ten tijde hebben plaats gevonden1 als waren zij eerst onlangs geschied4 #bj ,opmerkelijk is het1 dat men geene ichthyosauren gevonden heeft in de secundaire formaties van de ,vereenigde ,staten van ,amerika4 ,in #ahgi vond echter professor ,marsh een exemplaar van drie meters lengte1 afkomstig uit de ,juraformatie van het ,rotsgebergte1 maar zonder tanden4 ,de wervels1 de ribben en de overige deelen van het skelet konden nauwelijks onderscheiden worden van de overeen-komstige deelen van eenen ichthyosaurus1 en ook de schedel kwam in velerlei opzicht met dien van den laatsten overeen4 ,en toch waren er geene tanden aanwezig2 zelfs werden de tandholten gemist4 ,de geleerde paleontoloog stelt voor1 de nieuwe hagedis ,sauranodon of tandlooze hagedis te noemen4 ,hoewel men reeds1 zooals wij zagen1 sedert #agjh fossiele overblijfselen van ichthyosauren had onderzocht1 heeft men ze eerst sedert #ahad bestudeerd2 in dat jaar gaf ,sir ,everard ,home zijne eerste onderzoekingen in het licht over de beenderen1 die in het lias van ,dorset gevonden waren4 ,in #ahaf en #ahah werden nieuwe stukken op dezelfde plaats gevonden en in #ahai een geheel skelet4 ,in #ahbd gaf ,cuvier eene volledige verhandeling over dat merkwaardige wezen in het licht4 ,na dien tijd heeft men er verscheidene gevonden in verschillende lagen der lias- en ,juraformatie1 maar nooit meer na het midden der krijtperiode4 ,men onderscheidt vier soorten3 den ichthyosaurus communis1 den grootsten van alle 7#ab meters71 met gegroefde en kegelvormige tanden2 den ichthyosaurus platyodon1 bij welken de tanden ingedrukt zijn2 den ichthyosaurus tenuirostris1 met eenen langen1 dunnen muil2 en den ichthyosaurus intermedius1 die op de eerste soort gelijkt1 maar scherpere en dieper gegroefde tanden heeft4 ,nog vreemder en dikwijls nog reusachtiger dan de ichthyosauren1 waren de plesiosauren1 hunne tijdgenooten in de periode1 waarvan wij thans de geschiedenis schrijven4 ,hun vorm is bijzonder vreemd2 men stelle zich eenen walvisch voor1 wiens romp eindigt in eenen hals1 die op het lichaam van eene slang gelijkt1 en waarop een kop rust1 die merkwaardig klein is in vergelijking met de grootte van het dier2 ziedaar den plesiosaurus1 die in enkele opzichten gelijkt op eenen krokodil1 in andere opzichten op eene hagedis1 eene schildpad en eenen walvisch1 met bijzondere karaktertrekken1 hem alleen eigen4 ,enkele dikke en korte soorten gelijken weder op ichthyosauren4 ,de plesiosauren moeten een ontzaglijk groot lichaam gehad hebben3 hunne tanden zijn meer dan een meter lang1 en enkele dijbeenderen zijn grooter dan een mensch van middelmatige lengte6 ,niet minder geducht waren de cetiosauren2 hun dijbeen was meer dan #a #a_/b meter lang1 en de dieren moeten dus eene lengte gehad hebben van #ah meters4 ,onze tegenwoordige kruipende dieren zijn dwergen in vergelijking met de dieren dier oude tijden6 ,die koningen der ,jurazeen bewoonden de groote zeen1 hunne ledematen1 vier in getal1 en afgeplat als roeiriemen1 waren als het ware voor het zwemmen geschapen2 hun dikke ineengedrongen staart diende hun tot roer4 ,daar zij in de lucht ademden1 zwommen zij niet in de diepte1 maar aan de oppervlakte van het water1 evenals de zwaan en de watervogels4 ,terwijl zij hunnen langen en buigzamen hals naar achteren bogen1 schoten zij van tijd tot tijd met hunnen sterken en met scherpe tanden gewapenden bek vooruit1 om de visschen te grijpen4 ,waarschijnlijk brachten zij levende jongen ter wereld1 evenals de ichthyosauren2 zij leefden van de levende prooi1 die zij met hunne talrijke en scherpe tanden konden grijpen4 ,de eerste plesiosauren zijn ook in het lias van ,engeland gevonden4 ,in #ahba gaven ,conybeare en ,de la ,bche de eerste beschrijving van die dieren4 ,een volkomen skelet werd in #ahbd ontdekt4 ,zij leefden1 evenals de ichthyosauren1 in de lias- en ,juraperiode1 tot aan het midden der krijtperiode3 zij komen voor in de oude zeen van ,europa1 en in die van ,amerika1 ,nieuw-,zeeland en ,australi4 ,men kent reeds #gc verschillende soorten1 waarvan #bd in de krijtformatie4 ,de bovenste helft der ,juraformaties in ,frankrijk heeft #ad soorten geleverd1 die voor het meerendeel in de omstreken van ,havre en ,boulogne gevonden zijn4 ,in #ahci ontdekte de ,engelsche natuuronderzoeker ,richard ,owen een even groot kruipend dier als den plesiosaurus1 waaraan hij den naam van pliosaurus gaf1 en die van den vorigen daarin verschilt1 dat zijn hals minder gerekt en veel korter is1 evenals bij den ichthyosaurus4 ,toch behoort de pliosaurus tot het type der plesiosauren4 ,in dienzelfden tijd leerde de ,duitsche geleerde ,hermann ,meyer kruipende dieren kennen1 die afkomstig zijn uit de benedenste lagen der secundaire formatie en die in het trias gevonden zijn4 ,die dieren1 bekend onder de namen van nothosauren1 pistosauren1 simosauren1 hebben vele punten van overeenkomst met de plesiosauren4 ,men ziet hieruit1 zooals dit ook blijkt bij de verschillende hondenrassen van onzen tijd1 die onderling zzeer in vorm en grootte verschillen1 hoe moeilijk het is1 de grens te trekken tusschen soortverschillen en rasverschillen4 ,onze lezers zullen zich nog beter dan door de geteekende fossielen rekenschap kunnen geven van het voorkomen der ichthyosauren en plesiosauren1 indien zij fig4 #bab blz4 #cgj beschouwen1 en vooral bij het bestudeeren van de titelplaat van dit werk3 op die plaat zijn de plesiosaurus en de ichthyosaurus geplaatst1 vergezeld van niet minder vreemde wezens1 die wij thans zullen beschrijven4 ,de laatste ontdekkingen toch der paleontologie bewijzen1 dat de dieren1 waarvan wij gesproken hebben1 nog niet de vreemdsoortigste wezens zijn van die periode4 ,wij mogen beweren1 dat de vreemdste wezens1 die ooit op onze planeet bestaan hebben1 de dinosauren der ,juraperiode geweest zijn4 ,zooals hun naam aanwijst 7deinos1 verschrikkelijk71 waren het vreeselijke wezens1 die de zoogdieren voorafgingen1 op het land en in de zee leefden1 en eene uitbreiding verkregen1 die vergeleken kan worden met die der thans levende zoogdieren4 ,enkele waren vleeschetende1 andere grasetende dieren2 zij voedden zich met de planten1 die in de diepe wouden groeiden en elkander verscheurden4 ,van het trias af tot aan het einde der krijtperiode1 beheerschten zij de wereld1 en waren zij na elkander tijdgenooten van de ichthyosauren1 de plesiosauren1 de teleosauren1 de mosasauren enz4 ,de ontdekkingen van den laatsten tijd stellen ons thans in staat1 den weg te vinden in die fossiele overblijfselen1 de voornaamste soorten weder op te bouwen1 en in die vreemde bevolking der secundaire periode groepen vast te stellen4 ,het ligt voor de hand1 ze eerst in twee klassen te verdeelen3 de grasetende en de vleeschetende dieren4 ,in ieder dier klassen zullen wij de voornaamste soorten opgeven3 ,dinosauren4 ,grasetende ,dieren4 ,i4--,sauropoden 7,hagedispootigen74 ,voornaamste soorten3 ,atlantosaurus1 ,brontosaurus4--,diplodocus4--,morosauru s4--,cetiosaurus4 ,,ii4--,stegosauri 7,schildhagedissen74 ,voornaamste soorten3 ,stegosaurus communis1 ,diracodon1 ,omosaurus4--,scelidosaurus1 ,hylaeosaurus4 ,,iii4--,ornithopoden 7,vogelpootigen74 ,voornaamste soorten3 ,iguanodon1 ,camptonotus4--,hypsilophodon4--,hadrosa urus4 ,vleeschetende ,dieren4 ,,iv4--,theropoden 7,met pooten van vleeschetende dieren74 ,voornaamste soorten3 ,megalosaurus1 ,allosaurus4--,ceratosaurus4--,labrosaur us4--,zanelodon4-- ,amphisaurus4--,coelurus4--,compsognathe s4 ,wij zullen van ieder dier afdeelingen een kort denkbeeld geven3 ,in de eerste serie vinden wij vooreerst de atlantosauren en de brontosauren1 reuzen der secundaire fauna4 ,de eerste waren #cj1 de tweede #af meters lang4 ,het waren reusachtige grasetende1 viervoetige dieren1 de grootste viervoetige dieren1 die er ooit bestaan hebben4 ,fig4 #bbb geeft eene vergelijking tusschen den atlantosaurus en den olifant4 ,de brontosaurus was een zooltreder en had aan de vier pooten vijf teenen2 zijn kop was zeer klein1 en wel kleiner dan bij eenig bekend gewerveld dier2 zijn hals was lang en buigzaam1 zijn romp kort4 ,waarschijnlijk was het een tweeslachtig dier4 ,de ,amerikaansche paleontoloog ,marsh heeft zijn skelet weder opgebouwd 7fig4 #bbc74 ,naar alle waarschijnlijkheid was het een traag en dom dier1 dat #cjjjj kilogram woog4 ,het liep zooals de tegenwoordige beren loopen1 en de indruk zijner stappen was bijna een vierkante meter groot4 ,de diplodocus was #ad meters lang en geleek in ledematen en gang veel op den brontosaurus2 de kop was klein1 hij leefde in het water1 en de tandvorming was onvolkomen1 achter in de kaak ontbraken de tanden2 het was een grasetend dier4 ,de schedel was klein1 zooals bij alle dinosauren4 ,de cetiosaurus had dijbeenderen van #a1gj meters lengte2 de kop en de wervelkolom bedroegen te zamen #ab meters1 zoodat het dier #af tot #ag meters lang was6 ,hij kon op het vaste land leven1 en kon zich in de moerassen of aan de monding der groote rivieren terugtrekken2 gewoonlijk leefde hij te midden der varens1 der cycaden en de naaldboomen1 en bewoog hij zich in de bosschen1 die door insecten en kleine zoogdieren bevolkt waren4 ,hij behoorde tot de grasetende dieren4 ,onder de hagedispootigen vindt men de grootste der landdieren4 ,ook ,sauvage schat de lengte van sommige op vijf-en-dertig meters4 ,de stegosauren waren tweevoetige kruipende dieren1 die eene lengte konden bereiken van #aj meters2 de voorste ledematen zijn veel korter en minder stevig dan de achterste ledematen2 vijf vingers aan ieder dier ledematen1 kleine kop en kleine schedel2 een waterdier1 dat zich met planten voedde4 ,het lichaam was door eene wapenrusting beschermd1 die uit platen en dorens bestond1 waarvan enkele #fc centimeters groot waren4 ,onder de vogelpootigen zijn ongetwijfeld de iguanodons de merkwaardigste4 ,wij komen daarop zoo aanstonds terug4 ,maar eerst moeten wij ons algemeen overzicht der dinosauren voltooien4 ,de hypsilophodon had de grootte van eenen grooten hond4 ,het was een viervoetig dier1 een teentreder en met vier vingers aan vr- en achterpooten4 ,zijne tanden1 die over de geheele kaken verspreid waren1 toonen aan1 dat het een grasetend dier was4 ,het miste alle aanvals- of verdedigingswapenen4 ,de diclonius was omstreeks #ae meters lang2 een tweevoetig dier2 7de voorste ledematen waren veel korter dan de achterste1 zooals bij vele soorten uit dat tijdperk71 een teentreder2 vier vingers aan de handen en drie aan de pooten4 ,de kop was #a1ah meters lang4 ,het dier is van boven naar beneden sterk afgeplat en heeft van boven gezien veel overeenkomst in vorm met den ornithorhynchus4 ,de kaken eindigen in eenen gehoornden bek1 en bevatten #bjgb tanden4 ,het skelet is ongeveer #aa1ej meters lang4 ,met den ceratosaurus vangen wij onze bespreking der vleeschetende dinosauren aan4 ,dat dier was omstreeks zes meters lang4 ,het was tweevoetig1 evenals de stegosauren en de ornithopoden4 ,zijn kop is omstreeks #fj centimeters lang1 de kaken bevatten over hunne geheele uitgestrektheid sterke en snijdende tanden4 ,evenals de rhinoceros had hij eenen grooten horen op den neus4 ,de megalosaurus was een tweevoetig dier derzelfde afdeeling4 ,evenals de teratosaurus bewoonde hij de inhammen en moerassen en voedde hij zich met visschen4 ,de allosaurus1 eveneens een teentreder en tweevoetig1 had drie teenen en vier vingers4 ,de achterste ledematen1 waarop het gewicht van het geheele lichaam rust1 eindigen1 evenals bij de sauropoden1 de stegosauri en de ornithopoden1 in kleine hoeven4 ,de voorste ledematen1 die dienden1 om de prooi vast te houden1 zijn van scherpe klauwen voorzien4 ,de compsognathes was slechts n meter lang4 ,hij had aan de voorste en achterste ledematen slechts drie vingers2 zeer merkwaardig door zijne beteekenis tegenover de vogels4 ,de dinosauren toch zijn verwant met de hagedissen en de krokodillen1 en tevens met de vogels4 ,de compsognathes is de dinosaurus1 die de meeste overeenkomst heeft met de vogels4 ,evenals de morosaurus 7verwant met den brontosaurus7 was hij levend barend4 ,de compsognathes is in de lithographische steen van ,solenhofen1 in ,beieren1 gevonden1 en dus iets vr de ,juraperiode2 in die fijnkorrelige formatie1 gevormd in ondiep en rustig water1 zijn de dieren prachtig bewaard gebleven2 men vindt daarin visschen1 insecten en zelfs volkomen weeke dieren1 zooals zeesterren en medusen4 ,het ,solenhofensche dier is1 zoo zegt ,sauvage1 zeer klein1 en is belangrijk door de onevenredigheid tusschen de voorste en de achterste ledematen2 die laatste toch zijn lang1 de andere zeer kort1 de voorste wervels zijn van voren bol1 van achteren hol2 de lange hals eindigt in eenen kop1 die veel op dien der vogels gelijkt2 de tanden zijn talrijk1 de voor- en achterpooten hebben slechts drie vingers1 het grootste hielbeen is met het scheenbeen verbonden1 zooals men dat bij de vogels ziet4 ,de compsognathes is dus wel een kruipend dier1 maar grenst toch aan de vogels2 het is n van die dieren1 welke in de oudste tijden den overgang vormden tusschen de verschillende groepen1 en dus op hunnen gemeenschappelijken oorsprong wijzen4 ,wij zullen thans onze aandacht bepalen tot de iguanodons1 die aan de geologen eerst goed bekend zijn sedert de kostbare en belangrijke ontdekking1 onlangs in ,belgi gedaan4 ,men heeft daar een aantal van die dinosauren gevonden en opgegraven1 die uitstekend bewaard gebleven waren4 ,wij zullen de uitstekende beschrijving weergeven1 die de heer ,dollo1 de aan het ,museum te ,brussel verbonden natuuronderzoeker1 daarvan gegeven heeft4 ,de eerste ontdekking van overblijfselen van iguanodons1 dagteekent van het jaar #ahbb4 ,gideon ,mantell1 de ,engelsche natuuronderzoeker1 vond toen in de ,wealdformatie van ,tilgate ,forest 7,sussexshire7 de eerste tanden van het dier1 waaraan men eenige jaren later den naam van ,iguanodon gegeven heeft4 ,die tanden waren z merkwaardig1 dat zij reeds door hunne zonderlinge gedaante de aandacht van den oppervlakkigsten waarnemer zouden getrokken hebben4 ,zij konden onmogelijk verward worden met tanden van krokodillen1 megalosauren en plesiosauren1 de eenige van tanden voorziene kruipende dieren1 die men tot nu toe in die formatie gevonden had4 ,drie jaren later meende dezelfde natuuronderzoeker1 dat zij het best vergeleken konden worden met die van eenen leguaan 7,iguana1 kamhagedis71 en die overeenkomst trof hem zoozeer1 dat hij het dier den naam gaf van ,leguaantandige of ,iguanodon4 ,zoo was dus het geslacht ,iguanodon ontdekt uit de beschouwing van eenen tand4 ,eerst negen jaren later legde men de hand op eene verzameling beenderen1 die tegelijk met tanden van eenen iguanodon gevonden waren4 ,in #ahcd werden enkele fossiele stukken te voorschijn gebracht1 maar eerst in het jaar #ahfh gaf ,huxley eene tamelijk volledige beschrijving van het dier4 ,tot aan de ontdekking te ,bernissart1 had men nog geene geheele iguanodons opgegraven4 ,wel had men nauwkeurige gegevens omtrent de plaats van die hagedis op de ladder der wezens1 maar men wist nog niets met zekerheid omtrent zijne grootte1 de verhouding der verschillende deelen van het lichaam1 zijnen schedel1 zijne wervelkolom en zijne voorpooten4 ,den #g;den ,mei #ahgh deelde van ,beneden1 hoogleeraar te ,leuven1 aan de ,belgische academie mede1 dat men eene groote menigte beenderen van reusachtige kruipende dieren gevonden had op #cbb meters diepte1 te ,bernissart1 een dorpje tusschen ,bergen en ,doornik1 in de nabijheid der ,fransche grenzen4 ,de beroemde paleontoloog wees op den slechten toestand1 waarin zij bewaard waren gebleven1 en durfde dus alleen het vermoeden uitspreken1 dat zij tot het geslacht ,iguanodon behoorden4 ,onder die overblijfselen bevonden zich tevens andere1 vooral van schildpadden1 krokodillen1 visschen en een aantal planten4 ,het te voorschijn brengen van beenderen ging met talrijke moeilijkheden gepaard3 de uitvoering was kostbaar en vereischte veel zorg1 terwijl het resultaat onzeker bleef4 ,eerst zag men1 dat de voorloopige gang1 die men gegraven had1 door eenen iganuodon heenging1 van den kop tot het bekken1 zoodat alleen de achterste ledematen en de lange staart van het dier ongeschonden waren gebleven4 ,doch de uitgravingen1 die men ondernomen had om de fossielen te voorschijn te brengen1 brachten andere sporen aan het licht die gevolgd werden1 en weldra werd men overtuigd1 dat het dier1 dat door de gang doorboord was1 niet op zich zelf stond1 en dat geheele geraamten konden worden uitgegraven4 ,naarmate men met de opdelving vorderde1 ontmoette men nieuwe overblijfselen1 en in de uitgegraven aarde zelf vond men eene groote hoeveelheid kruipende dieren1 schildpadden1 visschen en planten4 ,na eenen zwaren arbeid van drie jaren en uitgravingen op eene diepte van #cbb tot #cef meters1 had men #bi iguanodons1 waarvan een groot gedeelte in hun hun geheel1 #e krokodillen1 #a salamander en duizenden visschen1 opgegraven #ba4 ,in vorm1 houding en gang gelijken zij op eene reusachtige kangoeroe4 ,hun kop is betrekkelijk klein en gelijkt op die der nhoevige dieren4 ,tegelijk met die iguanodons heeft men1 zooals wij zagen talrijke overblijfselen van land- en waterschildpadden ontdekt1 die dikwijls vier meters lang waren1 en honderden zoetwatervisschen4 ,het is dus zeker1 dat door de kloof te ,bernissart water gestroomd heeft1 maar daar het bezinksel afwisselt met zwarte klei1 zoo mag men besluiten1 dat het water periodiek hooger en lager stond4 ,bij laag water vormde de kloof een moeras3 de plantengroei en de fossiele dieren wijzen dit aan4 ,op den bodem vond men een modderachtig slijk1 waarin de overblijfselen van de varens1 die de vochtigheid zochten en aan den zoom der moeras groeiden1 bedolven waren4 ,de reusachtige iguanodons1 die het moeras wilden doortrekken1 moeten daarin geheel ingezakt zijn2 juist daardoor is hun geheele geraamte duizenden eeuwen bewaard gebleven en bezitten wij ze thans zoo volledig4 ,men heeft ze gevonden1 op de zijde liggend1 en min of meer vervormd door de drukking van de stoffen1 waaronder zij begraven zijn gebleven4 ,die waarneming staat niet geheel op zichzelf4 ,men heeft uit het pliocene slijk van ,dursart 7,gard7 olifanten opgedolven1 die op dezelfde wijze bedolven waren4 ,niettegenstaande het verbazende tijdsverloop tusschen beide formaties bestaat er eene duidelijk zichtbare betrekking tusschen beider graftomben3 kleur en vastheid komen overeen4 ,doch in ,dursart vindt men eikenbladeren1 terwijl het in ,belgi de varens zijn1 die behooren bij eene door het water overstroomde streek4 ,men kent tegenwoordig drie soorten van iguanodons3 den ,iguanodon ,prestwichi1 den ,iguanodon ,mantelli en den ,iguanodon ,bernissartensis4 ,i4 ,de ,iguanodon ,bernissartensis is #i1ej meters lang1 van den bek tot aan het uiteinde van den staart1 en zoo hij op zijne achterpooten stond1 hetgeen het geval was als hij liep1 was hij #d1cf meters hoog4 ,de kop is naar verhouding klein en in de breedte samengedrukt4 ,de neusgaten zijn wijd en van voren als het ware afgeschut4 ,de oogholten zijn middelmatig van grootte en in vertikale richting gerekt4 ,het uiteinde der beide kaken is tandeloos2 het dier had waarschijnlijk eenen gehoornden bek4 ,de #ib tanden van den bek wijzen op de leefwijze van plantenetende dieren4 ,evenals bij de tegenwoordige kruipende dieren1 werden de versleten tanden dadelijk door nieuwe vervangen4 ,de hals is tamelijk lang en bevat behalve den proatlas tien wervels1 van ribvormige zijstukken voorzien4 ,hij was uiterst bewegelijk4 ,de romp bestaat uit #bd wervels1 die door pezen stevig verbonden waren4 ,de staart is iets langer dan het overige deel van het lichaam2 deze bereikt eene lengte van vijf meters en bevat #ea wervels4 ,hij is evenals die van den krokodil zijdelings samengedrukt4 ,de voorste ledematen zijn korter dan de achterste4 ,zij zijn dik en krachtig1 en eindigen in eene hand met vijf vingers4 ,de eerste vinger of duim heeft in plaats van het voorste lid eene groote spoor1 die een vreeselijk wapen moet geweest zijn4 ,de tweede1 derde en vierde vinger hebben ieder drie leden1 waarvan het laatste eenen kleinen horen draagt4 ,de vijfde vinger stond waarschijnlijk evenals bij ons de duim tegenover de overige vingers1 zoodat het dier de takken der boomen naar zich toe kon trekken1 wier vruchten tot zijne voeding dienden4 ,de achterste ledematen zijn de grootste en gelijken op de pooten der vogels4 ,,ii4 ,de ,iguanodon ,mantelli onderscheidt zich van den ,iguanodon ,bernissartensis in de volgende opzichten3 #a4 ,hij is slechts #e tot #f meters1 in plaats van #aj meters lang4 #b4 ,hij heeft slechts #e wervels aan het heiligbeen1 in plaats van zes4 #c4 ,de neusgaten zijn wijder4 ,,iii4 ,de ,iguanodon ,prestwichi onderscheidt zich door vier wervels in het heiligbeen en door het samengestelde der tanden4 ,wij kunnen ons de iguanodons voorstellen als tweeslachtige dieren1 die zich met planten voedden4 ,zij beten die af met hunnen gehoornden bek1 en vermaalden ze in den achterbek door middel van de #ib tanden1 die telkens vernieuwd werden4 ,het waren waarschijnlijk waterdieren4 ,de omstandigheden1 waaronder de dinosauren gevonden zijn1 bewijzen1 dat die dieren moeten geleefd hebben te midden der moerassen en aan de oevers eener rivier4 ,nu wij mogen aannemen1 dat de iguanodons een groot gedeelte van hun leven in het water doorbrachten1 kunnen wij ons1 met behulp der waarnemingen op den krokodil en den amblyrhinchus 7groote zeehagedis op de ,galapagos-eilanden voorkomend7 twee wijzen van voortbewegen bij onzen dinosaurus voorstellen4 ,als hij langzaam zwom1 bediende hij zich van zijne vier ledematen en zijnen staart1 wilde hij daarentegen snel vooruitgaan1 om zijne vijanden te ontvluchten1 dan trok hij zijne voorste ledematen langs het lichaam in1 en gebruikte hij alleen den staart4 ,het is duidelijk1 dat hoe korter de voorpooten zijn1 zij des te gemakkelijker bij die beweging kunnen geborgen worden1 en dus minder weerstand bieden aan de verplaatsing van het dier in het water4 ,alle in het water levende zoogdieren strekken tot bewijs hiervan4 ,op het land liepen die dieren alleen met behulp hunner achterste ledematen4 ,met andere woorden3 zij waren tweevoetig1 zooals de mensch en een groot aantal vogels1 en sprongen niet1 zooals de kangoeroes4 ,zij steunden bovendien niet op den staart1 maar lieten dien eenvoudig slepen4 ,de iguanodons1 die plantetende dieren waren1 moesten ten prooi verstrekken aan de groote vleeschetende dieren van hunnen tijd4 ,daar zij nu in de moerassen verblijf hielden1 konden zij onder de varens1 die hen omgaven1 hunne vijanden moeilijk zien aankomen1 tenzij zij rechtop stonden4 ,in die houding konden zij bovendien hunnen aanvaller in hunne korte en sterke armen vatten en hem de groote met eenen snijdenden hoorn voorziene sporen hunner handen in het lichaam steken4 ,onze lezers zullen zich een denkbeeld kunnen vormen van den bouw dier vreemdsoortige wezens1 door de beschouwing van fig4 #bbd en zeker nog beter door de schoone teekening op blz4 #dji1 waarin de ontmoeting van eenen iguanodon en eenen megalosaurus in een woud der ,weald-,juraformatie geschetst wordt #bb4 ,onlangs 7#ahhe7 heeft de ,heer ,dollo een nieuw kruipend dier opgebouwd1 dat in het krijt van ,henegouwen gevonden is1 en dat hij daarom ,hainosaurus genoemd heeft1 7hagedis van de ,haine74 ,die naam is dus op dezelfde wijze gevormd als ,mosasaurus 7hagedis van de ,maas74 ,de lengte van den schedel bedraagt #a1ee meters en de geheele lengte van het dier moet #ac meters geweest zijn4 ,het is de grootste der bekende mosasauren #bc4 ,de kop van den mosasaurus1 die niet minder dan #a1cj meters lang is en dikwijls eene lengte van #b1ej meters bereikt1 gelijkt op dien der monitors4 ,de kaken zijn voorzien van scherpe tanden4 ,de hals bevatte waarschijnlijk hoogstens tien wervels en was even groot als die van de ichthyosauri4 ,de hand1 met vijf vingers1 eindigde in leden1 die geene klauwen bezaten en had den bouw der vinnen4 ,de langste vinger had zes leden2 de kortste vier4 ,marsh teekent aan den duim slechts drie leden4 ,de achterste ledematen komen in bouw met de voorste overeen1 doch zijn iets kleiner4 ,de huid was bedekt met platen van ongeveer twee centimeters3 die platen1 welke aan de binnenzijde glad waren1 lagen als dakpannen over elkander2 men kent nog niet de wijze1 waarop zij over het lichaam der dieren verspreid waren4 ,uit dit alles volgt1 dat de mosasauri kruipende dieren waren1 die uitwendig het voorkomen hadden van dolfijnen1 b4v4 groote bruinvisschen4 ,toch kon men ze gemakkelijk daarvan onderkennen3 hun lichaam immers is niet naakt1 zooals dat der dolfijnen1 maar bedekt met kleine beenige platen2 zij bezitten twee paar vinnen1 terwijl de dolfijnen slechts n paar bezitten2 hun staart was zijdelings ingedrukt en niet van boven naar beneden4 ,bovendien eindigen de neusgaten niet boven den kop1 en zijn zij niet tot spuitgaten vervormd4 ,in #ahhd heeft ,marsh een nieuw kruipend dier opgebouwd1 dat in de ,juraformatie gevonden was en dat hij den naam van macelognates gegeven heeft4 ,het is eene soort van kikvorsch1 met tanden achter in de kaken en eenen gehoornden bek4 ,bij al die verschillende dieren moeten nog de champsosauri gevoegd worden1 waarvan men den juisten vorm nog niet volkomen kent4 ,ook hebben wij tijdens de triasperiode de zonderlinge dicynodonten van ,zuid-,afrika leeren kennen 7fig4 #bjf blz #cef74 ,in de krijtperiode zullen wij nog andere terugvinden4 ,de natuuronderzoeker ,cotta noemde ze de hooge adel van het rijk van ,neptunus1 tot de tanden gewapend en bedekt met een ondoordringbaar pantser1 de vrijbuiters der oorspronkelijke zeen4 ,toch zijn die kruipende dieren nog niet de zonderlingste wezens uit dien vreemden tijd1 want wij hebben nog niet gesproken van de vliegende reptielen1 de pterodactyli1 en van de tandvogels1 de odontorithen4 ,al die wezens schijnen de gaping aan te vullen1 die in onzen tijd de meest volkomen kruipende dieren1 de krokodillen en de schildpadden1 van de lagere zoogdieren1 de buideldieren1 en de minst tot vliegen geschikte vogels1 zooals den struisvogel1 den emu en den casuaris scheidt4 ,zij staan zver van de kruipende dieren af1 dat men voor hen eene afzonderlijke onderafdeeling zoude moeten maken van denzelfden rang als die der tegenwoordige kruipende dieren2 de punten van verschil immers met onze kruipende dieren zijn veel grooter dan die tusschen de schildpadden en de slangen4 ,wij kennen van de dinosauren alleen het geraamte2 indien wij hunnen bouw nauwkeurig kenden1 en tevens hunnen bloedsomloop en hunne ontwikkeling1 dan zouden wij waarschijnlijk geen oogenblik aarzelen1 daarvan eene tusschenklasse te vormen tusschen de zoogdieren en vogels1 en de kruipende dieren in engeren zin4 ,men begint te vermoeden1 dat onder die dieren zeer verschillende typen voorkomen1 die evenveel van elkander verschillen als bij de zoogdieren de dikhuidigen1 de herkauwenden of de vleeschetende dieren4 ,de grootte en vorm van den schedel verschilt veel bij de verschillende typen4 ,de schedel1 die evenals die der krokodillen bij de dinosauren der triasperiode zeer gerekt is1 is bij de dieren van den lateren tijd veel ingekort4 ,bij enkele dieren1 zooals bij den hypsilophodon1 zijn de beenderen der oogholten met de voorhoofdsbeenderen in verband1 evenals bij de zoogdieren en vele vogels4 ,de hersenen komen overeen met die der kruipende dieren en zijn dikwijls bijzonder klein4 ,de tusschenkaaksbeenderen zijn gescheiden2 de beide helften van de onderkaak zijn alleen door kraakbeen vereenigd4 ,de samenstelling van den schedel gelijkt dus bij die hagedissen in enkele opzichten op die der krokodillen4 ,daar de leefwijze der verschillende dinosauren onderling zeer verschilde1 zoo moet er ook eene groote verscheidenheid bestaan hebben in den vorm der tanden4 ,de vleeschetende dieren1 zooals de megalosaurus1 hadden sterke en scherpe tanden1 die aan de randen gekerfd waren4 ,de grasetende dieren1 zooals de iguanodon1 de vectisaurus1 de laosaurus1 de hypsilophodon hadden kaken1 die van tanden voorzien waren1 welke uitstekend geschikt waren om te snijden en te vermalen2 die tanden sleten evenals die der tegenwoordige grasetende zoogdieren en werden dadelijk vernieuwd1 als zij versleten waren2 de onderkaak kon zich evenals bij de tegenwoordige herkauwende dieren horizontaal bewegen1 ten einde de tanden in staat te stellen1 het voedsel te vermalen2 die beweging bestaat niet bij de tegenwoordige kruipende dieren2 de grootte der gaten en kanalen1 waardoor de zenuwen heengingen1 toont aan1 dat die dieren weeke lippen hadden4 ,de hadrosauren1 grasetende dieren1 hadden verscheidene rijen van tanden1 die door het afslijten eene malende oppervlakte hadden in den vorm van een dambord4 ,bij de grasetende dieren1 die tot de groep der vogelpootigen gerangschikt zijn1 droeg de tusschenkaak geene tanden2 hetzelfde is het geval met het uiteinde van de benedenkaak1 die waarschijnlijk eindigde in eenen gehoornden bek1 waarmede het dier de knoppen en bladeren afsneed1 die het voor zijne voeding noodig had4 ,in die secundaire tijden1 waarin die vreemdsoortige en reusachtige dinosauren leefden1 vinden wij de kruipende dieren in hunne grootste ontwikkeling4 ,de zoogdieren zijn nog klein en worden alleen vertegenwoordigd door de laagste soorten2 de dinosauren schijnen op de oppervlakte der aarde de rol gespeeld te hebben1 thans weggelegd voor de groote vleeschetende en plantenetende zoogdieren2 maar terwijl de zoogdieren zich steeds verder ontwikkeld hebben1 zoodat zij reeds tegen het einde der tertiaire periode den bloei bereikt hebben1 dien wij thans nog bewonderen1 zijn de kruipende dieren steeds achteruitgegaan3 de hoogere dieren hebben de overwinning behaald op de minder ontwikkelde wezens4 ,op het einde der secundaire periode verdwenen de dinosauren voor goed1 zonder afstammelingen na te laten2 zij hebben zich niet kunnen voegen in de nieuwe levensvoorwaarden1 die hun werden opgelegd1 en zijn dus uitgestorven1 terwijl de zoogdieren daarentegen dagelijks meer naderden tot de hoogste ontwikkelde typen4 ,tijdens het laatste gedeelte der ,juraperiode was ,west-,europa doorsneden door moerassen1 lagunen en dikwijls overstroomde inhammen2 die bevoorrechte plaatsen hadden eenen rijkeren en meer afwisselenden plantengroei dan de bergstreken2 daar groeiden groote varens met lederachtig loof1 terwijl de helling en hoogten bedekt waren met planten1 die naderden tot de araucaria's en de cycaden1 en die het voedsel vormden der plantenetende dinosauren dier periode4 ,hetzelfde was het geval in het begin der krijtperiode1 toen de wealdformaties ontstonden4 ,wij zagen zooeven1 dat de dinosauren verdwenen zijn in het midden der krijtperiode2 de reden van die verdwijning lag in de ontzaglijke veranderingen1 die in dien tijd in de temperatuur plaats vonden4 ,tot nu toe wees de verspreiding der planten en dieren over de oppervlakte der aarde1 en tevens de aard der dieren en planten1 op eene hooge1 gelijkmatige temperatuur1 die niet zoo veel hooger was aan den aequator dan op onze breedte1 en die tot op #gf noorderbreedte tropisch was4 ,in n woord3 over de geheele aarde heerschte het klimaat der tegenwoordige verzengde luchtstreken4 ,gedurende al die eeuwen schijnt de temperatuur niet de minste schommeling te hebben ondergaan2 hoogstens heeft men uit het voorkomen der bezinkingen de periodes van betrekkelijke vochtigheid en droogte trachten af te leiden4 ,in het midden der krijtperiode wordt de toestand anders1 en kan men het begin eener verkoeling naar het noorden waarnemen4 ,wij leiden dit af uit de afwezigheid van riffen en de zeldzaamheid van koralen1 op de plaats waar thans ,europa ligt1 uit het zeldzaam voorkomen van rudistae boven #de ,noorderbreedte1 en uit de verschijning op die plaatsen van plantenfamilin1 die slechts bij uitzondering in de tropen gevonden worden4 ,die rijke ,juraperiode geeft ons een helder denkbeeld van de vruchtbaarheid der natuur1 want de aarde was toen zeer verschillend van die van onzen tijd4 ,het kan zijn nut hebben1 de wereld te beschouwen uit het oogpunt der organische natuur1 en hetgeen ons de aarde leert1 in verband te brengen met onze opvattingen van het heelal4 ,letten wij b4v4 op het landschap van araucaria's en cycaden1 waarin zich de reusachtige stegosaurus beweegt met zijn lichaam1 dat bedekt was met beenige en doornachtige platen1 en met zijne merkwaardig korte voorste ledematen1--den compsonotus1 een' anderen niet minder merkwaardigen dinosaurus1--en de vreemde vliegende reptielen1 de pterodactyli 7fig4 #bbg74 ,vormt dit landschap niet eene wereld1 die geheel van de onze verschilt8 ,zou men zich die kunnen voorstellen1 als men de versteeningen niet ontdekt had8 ,die bewoners der secundaire periode zijn allen op het laatst der krijtperiode verdwenen4 ,toen heerschte over de geheele aarde het klimaat der tegenwoordige tropen2 tot op de hoogste breedten heeft men dezelfde planten en dieren teruggevonden4 ,het is de periode der kruipende dieren1 en welke kruipende dieren6 ,de brontosaurus1 wij merkten het reeds op1 bereikte eene lengte van #af meters en moest meer dan #cjjjj kilogram wegen6 ,de atlantosaurus was nog grooter4 ,de ,europeesche cetiosaurus deed niet onder voor zijne ,amerikaansche mededingers3 men kan daarover gemakkelijk oordeelen1 indien men weet1 dat het dijbeen #a1gj meter lang1 en dat het gedeelte van den kop en de wervelkolom1 dat bekend is1 reeds #ab meters lang is1 hetgeen voor het geheele dier eene lengte van #af tot #ag meters geeft4 ,de iguanodons waren dikwijls tien meters lang2 de grootste heeft eenen kop van #a1bj meters en de voorpooten waren #b1ej meters lang4 ,zonder zelfs te spreken van de oude wereld der ichthyosauren1 der plesiosauren1 der labyrinthodonten1 der paleotheriums1 is de periode der dinosauren voldoende1 om getuigenis af te leggen van de verscheidenheid van de voortbrengselen der levenskracht1 zelfs op onze nietige planeet4 ,de natuur zelf beantwoordt hen1 die aan hare vruchtbaarheid twijfelen1 en wij behoeven aan hare wonderen niets toe te voegen4 ,noch de denkbeeldige dieren1 door de fabelleer van alle volkeren verzonnen1 noch de spooksels1 door de vrees geschapen in de sombere tijden1 toen de menschelijke gedachte scheen te sluimeren en te droomen1 zouden kunnen wedijveren met de fantastische voortbrengselen der aarde tijdens den oorsprong der viervoetige dieren en der zoogdieren4 ,het is1 alsof de natuur van alles in kolossale verhoudingen de proef genomen heeft1 vrdat zij kon besluiten tot de vormen1 die eens in de menschheid moesten eindigen4 ,terwijl de zeen doorploegd werden door reusachtige kruipende dieren1 ichthyosauren1 plesiosauren1 pliosauren1 nothosauren1 waarvan de tegenwoordige natuur ons geen flauw denkbeeld kan geven2 terwijl op het vasteland de dinosauren heerschten1 misschien wel de merkwaardigste dieren1 ons door de oudheid nagelaten1 waren de hemelen met niet minder vreemde wezens bevolkt1 met dieren1 die noch vogels1 noch kruipende dieren waren1 of liever met dieren1 die tegelijk vogels waren1 zonder veeren en met tanden gewapend1 tegelijk warmbloedige kruipende dieren1 die noch konden loopen1 noch konden zwemmen4 ,het zijn in den waren zin des woords de draken uit de fabelleer1 en de meest rijke verbeelding kan zich geene verzameling van z vreemde monsters denken1 of zij hebben tijdens de ,juraperiode geleefd4 ,niet alleen door hunne grootte onderscheidden zich de kruipende dieren in de oude tijden3 ook door de talrijke en zeldzame vormen1 die zij aannamen4 ,wij wijzen hier op de dieren1 die niet1 zooals de vliegende draken1 door middel hunner ribben vlogen1 of zooals de vogels1 door vleugels met aan de uiteinden vergroeide middelhandsbeenderen1 of zooals de vleermuizen door vleugels1 waarbij de duim alleen vrij is1 maar door middel van vleugels1 die gesteund werden door eenen zeer langen vinger1 terwijl de andere vingers hunne gewone lengte en hunne klauwen behouden hadden4 ,die vliegende reptielen 7vreemde tegenstelling7 hadden eenen langen hals1 en den bek van een vogel4 ,die vreemde dieren zijn de pterodactyli4 ,hunne korte en stevige kaken zijn aan de voorzijde voorzien van tanden1 terwijl de kaak zich tot eene soort bek verlengt1 die bij den ramphorynchus en den dimorphodon waarschijnlijk met eenen hoorn bekleed was en geene tanden bevatte4 ,die tanden doen door hunnen stand en de wijze hunner inplanting meer denken aan de merkwaardige van tanden voorziene vogels der krijtformatie van ,amerika1 zooals den hesperornis1 dan aan kruipende dieren4 #bd ,de pterodactyli waren dieren1 die zich met kracht en snel door de lucht konden voortbewegen3 hunne voorste ledematen zijn dan ook geheel daartoe ingericht4 ,bij de vogels1 de dieren der lucht bij uitnemendheid1 bestaan de vleugels uit onbuigzame pennen1 die met haar ne uiteinde bevestigd zijn aan eene platte en bijna onbeweeglijke stomp2 de twee beenderen van den middenarm kunnen niet om elkander draaien1 en de handwortel bestaat slechts uit twee kleine beentjes2 de hand bestaat uit eenen weinig ontwikkelden duim1 eenen pink en eenen middenvinger1 die uit twee leden bestaat4 ,het vliegorgaan der zich in de lucht bewegende zoogdieren1 zooals de vleermuizen1 is geheel anders samengesteld4 ,bij de laatste dient een zeer dun vlies1 tusschen de voorste en achterste ledematen en de huid1 voor het vliegen2 om dat vlies te dragen1 moeten de vingers bijzonder lang zijn4 ,evenals verscheidene andere dieren dier periode1 vertoont de pterodactylus een mengsel van zeer verschillende karaktertrekken4 ,de hals1 gevormd uit zeven wervels1 wijst op een zoogdier1 de vliezen1 die voor het vliegen dienen en zich uitstrekken tusschen de vr- en achterpooten1 behooren tot de vleermuizen1 terwijl men den pterodactylus naar den bouw van den voet onder de kruipende dieren moet rangschikken2 de zoogdieren toch hebben aan alle vingers hetzelfde aantal leden2 de kruipende dieren daarentegen1 en met name de hagedis1 hebben het kleinste aantal leden aan den vinger1 die de plaats van den duim inneemt1 en n lid meer aan iederen volgenden vinger1 tot aan den laatsten1 die n minder heeft dan de vorige4 ,de pterodactylus1 die dezelfde inrichting der vingers heeft1 wordt dus onder de hagedissen gerangschikt2 het was eene soort van vliegende hagedis van middelmatige grootte1 en1 te oordeelen naar het aantal insecten1 dat men dicht bij zijne overblijfselen vindt1 een insecteneter4 ,het hoofdvoedsel schijnt uit libellulae bestaan te hebben1 waarvan men eene zeer schoone soort bij hunne overblijfselen vindt4 ,men heeft opgemerkt1 dat de pterodactylus geene verdedigingswapenen of haren bezat2 in de afdruksels vindt men daarvan geen spoor4 ,blz4 #dbb geeft een denkbeeld van zijne grootte in vergelijking met die van de vleermuis4 ,in de lithographische steen van ,beieren1 waarin zoovele merkwaardige dieren gevonden zijn1 die uitstekend bewaard zijn gebleven1 heeft men in #ahgc eenen rhamphorynchus gevonden1 met volkomen gaven vleugel4 ,uit dat exemplaar blijkt1 dat de vleugel een vlies was1 dat op dat der vleermuizen geleek1 glad en netvormig4 ,het vlies was aan de binnenzijde aan den geheelen arm verbonden1 de vijfde vinger1 die lang uitgerekt was1 steunde het tot aan het uiteinde4 ,de staart was zeer lang en de staartwervels werden vastgehouden door beenige pezen2 de merkwaardige toestel1 die men aan het uiteinde van den staart van den rhamphorynchus waarneemt1 deed klaarblijkelijk dienst als roer4 ,de zooeven genoemde karaktertrekken zijn z bijzonder1 dat het niet te verwonderen is1 dat de pterodactyli1 ook wel pterosauri en ornithoscelidae genoemd1 nu eens als vogels1 dan weder als kruipende dieren beschouwd zijn1 of ook wel als dieren1 tusschen beide klassen instaande4 ,het onderzoek der fossielen heeft onze vroegere begrippen over de verschillende groepen van dieren in velerlei opzichten gewijzigd2 wij kennen thans vogels1 met tanden als bij de zoogdieren1 en zoogdieren met vogelbekken2 sommige wezens zijn z vreemdsoortig1 dat zij door de uitstekendste ontleedkundigen nu eens beschouwd zijn als gevleugelde reptielen1 dan weder als vogels1 die over een groot gedeelte van hun skelet op reptielen geleken4 ,de verdeeling in klassen1 orden en families1 zooals wij die aannemen1 bestaat in de natuur niet2 er zijn schakels1 die de ne soort met de andere vereenigen4 ,indien de dinosauri eenigszins den overgang vertegenwoordigen tusschen de kruipende dieren1 en de vogels en de zoogdieren1 dan verbinden de pterodactyli de kruipende dieren met de vogels1 doch liggen zij dichter bij de laatste dan bij de eerste4 ,evenals de dinosauri zijn de pterosauri tot nu toe alleen gevonden in de secundaire formaties van ,europa en ,noord-,amerika4 ,ook bij deze dieren vindt men verscheidene typen4 ,de pterodactyli der ,juraperiode van ,west-,europa hadden de grootte van musschen1 lijsters en duiven4 ,maar in de ,vereenigde ,staten heeft ,marsh in de krijtformatie van ,kansas beenderen gevonden van het geslacht pteranodon1 die behoord hebben tot dieren1 wier vleugeluitgebreidheid zes of zeven meters bedroeg6 ,deze monsters moeten in de krijtperiode te ,amerika tamelijk talrijk geweest zijn2 de ,amerikaansche natuuronderzoeker verzekert toch1 dat in ,yale-,college te ,new-,haven 7,connecticut7 beenderen van meer dan #fjj reuzenpteranodons gevonden worden4 ,die vreemde bevolking der secundaire periode is1 zooals wij zagen1 met de labyrinthodonten begonnen4 ,stellen wij ons behalve die vreemde vormen ook nog de woeste kreten van al die kruipende dieren voor3 het geloei en gehuil der dinosauri1 het gekwaak van den labyrinthodon1 dien reusachtigen kikvorsch1 aan den oever van de zilte meren6 ,al die dieren richten eene vreeselijke verwoesting aan onder de vreedzame menigte der weekdieren4 ,zij vermalen de parelmoerkleurige schelpen en voeden zich met visschen en kruipende dieren4 ,geen enkel wezen kan aan hunne verscheurende kaken weerstand bieden2 zij worden de heerschers der wereld4 ,wat eene vreemde en fantastische dierenwereld4 ,beeldhouwers en schilders hebben voorheen en thans de wereld verrijkt met wezens1 die nooit bestaan hebben4 ,gelooft men1 dat de sphynxen der ,egyptenaren1 op het zand neergehurkt1 de centauren1 de faunen1 de ,grieksche satyrs1 de ,hindoesche en ,perzische griffioenen1 de slangenengelen van ,raphal1 geene verwante vormen vinden onder de levende wezens1 die de aarde in die oude tijden bevolkt hebben8 ,de dinosauri1 de iguanodons1 de plesiosauren kunnen1 zoo zeggen wij met ,edgard ,quinet1 wel degelijk wedijveren met de draken met vlammenden muil van ,medea2 de vliegende slangen met de slangen van ,laocon2 de oudste herkauwende dieren en de groote tandelooze dieren1 de mylodon en het megatherium met de gekroonde stieren van ,babel1 de geheimzinnige dromatheriums en dinotheriums met de reusachtige sphynxen van ,thebe1 de ichthyosauren met de draken van ,hercules en de harpyen van ,homerus1 de hipparions met hunne gevingerde voeten met de paarden van ,neptunus of met het monster van ,rubens met de opgeheven manen4 ,men zou den stamvader der honden1 den amphicyon willen zien en hem hooren blaffen op den kruisweg van de schepping der tertiaire zoogdieren4 ,indien de ,grieksche en moderne kunstenaar onmogelijke vormen moest verzinnen1 dan had hij slechts te putten in de bewerktuigde wereld2 hij zou geheel gereedgemaakte vormen gevonden hebben in de werkplaats der natuur2 hij zou realist zijn1 niettegenstaande hij de grenzen der tegenwoordige wereld overschreed4 ,ieder wezen heeft zijn natuurlijk kader4 ,even moeilijk als het voor ons zoude zijn1 zich den kameel voor te stellen zonder hem in den geest met de woestijn te verbinden1 evenzoo moeilijk is het1 zich de krokodillen der ,juraperiode in eene andere omlijsting te denken dan die van dien tijd4 ,zij waagden zich op het strand1 doch vonden vr zich een laag1 moerassig1 smal eiland1 het ,liaseiland1 dat geene krachtige pogingen vereischte1 om er bezit van te nemen4 ,indien de hagedissen zich op den modder hadden gesleept en geene prooi ze aantrok1 gingen zij niet verder4 ,een korte1 vormlooze1 handvormige poot1 de achterarm tegen het lichaam gedrukt1 ziedaar alles wat noodig is om die bank te bezetten1 die beurtelings onder water1 beurtelings boven water1 een tweeslachtig verblijf aanbood aan tweeslachtige wezens4 ,en daar op dien verdroogden modder1 waarop alle schepselen zich langzaam bewogen1 geen gevaar te vermijden viel1 was er geen noodzakelijkheid of verlangen1 om te vluchten of zich te haasten4 ,zoo kan men zeggen1 dat de aarde haren stempel gedrukt heeft op de bewoners van dien tijd en het aanzijn gaf aan de kruipende dieren4 ,daar waar een vaste bodem ontbrak1 kon zich de wijze van voortbewegen der landdieren niet ontwikkelen4 ,de dieren behoefden noch te loopen1 noch te rennen1 noch te vliegen2 kruipen was voldoende4 ,met de hagedissen waagden zich ook de schildpadden op het land2 daar het hun alleen te doen was1 zich op den grond neer te zetten1 en die vaste grond slechts eene kleine uitgestrektheid had1 behoefden zij zich niet te haasten2 zij hadden slechts te kruipen1 om hun erfgoed te bemachtigen1 en verkregen alzoo den stempel der onbewegelijkheid4 ,als op die smalle landtong1 de poot zich niet kon ontwikkelen door beweging en snelheid1 hoe kon dan de vleugel zich ontwikkelen8 ,men kan zich alleen vleugels denken1 indien zich groote uitgestrektheden aan den horizon openen1 indien men die moet doorklieven1 om eene van verre zichtbare prooi te bereiken1 of om van klimaat te veranderen door verhuizing naar eene andere landstreek4 ,doch welk wezen had op dat woeste strand der ,juraperiode behoefte om eene vlucht te nemen1 teneinde een zoo klein gebied te doorloopen4 ,daarom ontbreken de vogels nog4 ,als het eerste spoor van eenen vleugel verschijnt1 is het de vleugel van een reptiel1 den pterodactylus1 met den getanden muil van eene hagedis1 en twee vliezige vleugels4 ,die vleugels zijn voor hem voldoende1 want hij behoeft geene wijde oceanen over te steken1 om vastelanden te bereiken1 die nog niet bestaan2 hij behoeft zich nog niet in n oogwenk van eene ongenaakbare rots in eene diepe vallei te werpen4 ,er zijn nog geene bergen of valleien1 het is slechts een effen1 smal1 ingekorven terrein1 waar al de voorwerpen in elkanders nabijheid zijn gelegen4 ,indien het kruipende dier1 in het moeras verborgen1 eenen zwerm libellulae in het voorbijvliegen kan grijpen of eenen grooten kever1 dan is dat voldoende voor zijne voeding4 ,de tijd voor het ware vliegen is nog niet gekomen2 de vleugel met zijne groote vleugelwijdte ontwikkelt zich eerst1 als het vasteland zich ontwikkeld heeft1 als de bergen zijn opgerezen1 de valleien uitgediept1 het klimaat gewijzigd is1 en de eilandgroepen te voorschijn zijn getreden1 die aan de vogels op hunne verre tochten tot rustplaats kunnen strekken4 ,wij zien dus1 dat de tijdperken niet voorbijgaan zonder een levend beeld van zich achter te laten4 ,zij drukken op onuitwischbare wijze hunnen stempel op de elkander opvolgende schepselen4 ,zij herleven daarin4 ,ieder oogenblik van de eeuwigheid heeft zich dus vastgezet in een type1 eene soort1 eene familie1 die daarvan de vertegenwoordiger is4 ,indien de woestijn verdween1 dan zoude deze nog in den kameel afgebeeld zijn4 ,uit dat oogpunt teekent de rij der georganiseerde wezens de rij der groote vervlogen tijdperken4 ,iedere plant1 ieder dier1 tot zijn type teruggebracht1 is als het ware een vast punt in de opvolging der gebeurtenissen1 die de geschiedenis der aarde vormen4 ,toch wane men niet1 dat die wonderlijke ,juraperiode1 de grootste en vruchtbaarste van de geheele geschiedenis der aarde1 alleen die ontzaglijke en fantastische dinosauri en gevleugelde reptielen heeft voortgebracht2 het was hare bestemming1 om nog eenen stap verder te gaan op de baan der schepping1 en om zich nog op andere wijze te openbaren dan door die geweldige krachtsuitingen2 zij heeft het voorrecht gehad1 den vogel het aanzijn te schenken1 nog wel niet de zwaluw of de nachtegaal1 maar den laagst ontwikkelden1 den oorspronkelijken vogel4 ,de ontdekking der eerste veeren van den fossielen vogel was hoogst belangrijk4 ,zij dateert van #ahfj en is gedaan in de bovenste ,juraformatie van ,beieren1 in de lithographische steen van ,solenhofen4 ,de geologen twijfelden aan de echtheid van de veer1 totdat men in het volgende jaar in dezelfde formatie en vlak bij de plaats1 waar de veer gevonden was1 een gedeelte ontdekte van het lichaam van den oorspronkelijken vogel1 die den naam kreeg van archeopteryx4 ,het duurde verscheidene jaren1 eer het mogelijk was1 nauwkeuriger kennis omtrent dien vogel op te doen4 ,in #ahfc gaf ,owen er voor het eerst eene beschrijving van4 ,in #ahgg werd een tweede exemplaar1 schooner en vollediger1 gevonden op #ad kilometers van de plek1 waar het eerste gevonden is4 ,het eerste exemplaar is aangekocht door het ,musem van ,londen1 het tweede door dat van ,berlijn4 ,het onderzoek van dat laatste exemplaar heeft geleerd1 dat de schedel reeds den eigenaardigen vorm van eenen vogelschedel heeft1 maar dat hij voorzien is van kaken met tanden in tandkassen4 ,de grootte van dien vogel komt overeen met die van eene duif4 ,de staart is hoogst merkwaardig4 ,hij is zeer lang en bestaat uit #bj wervels1 die ieder aan weerszijden eene veer dragen4 ,door die wervels is het meer de staart van een kruipend dier dan van eenen vogel4 ,de archeopteryx vult juist de leege ruimte aan tusschen de kruipende dieren en de vogels4 ,reeds lang wist men1 dat de vogels vervormde kruipende dieren zijn2 maar men kende nog geene fossielen uit dien overgangstijd4 ,de archeopteryx is dus in ieder opzicht eene der belangrijkste ontdekkingen der paleontologie4 ,en toch was de ontdekking van dat dier nog slechts een voorspel van de ontdekkingen1 onlangs in ,amerika gedaan naar aanleiding der eerste fossiele vogels2 die ontdekkingen waren z belangrijk en talrijk1 dat ,marsh aan de voornaamste ontdekkingen een folio boekdeel wijdt1 dat als het ware alleen nog maar eenen ontleedkundigen catalogus vormt van de onderzochte exemplaren4 ,uit dat prachtige werk1 de vrucht van doorwrochte studie1 zullen wij enkele exemplaren als typen kiezen1 indien wij in ons volgend hoofdstuk de krijtperiode behandelen1 waarin die dieren tot hunne grootste ontwikkeling gekomen zijn4 ,al die landvogels 7meer dan duizend in aantal7 zijn gevonden naast pterodactyli van #be voet vleugelwijdte1 mosasauri1 sauropoden en reusachtige stegosauri4 ,volgens ,marsh vindt men in de ,amerikaansche ,juraformaties kleine dinosauri1 wier beenderen1 van het skelet gescheiden1 als de schedel ontbreekt1 niet kunnen onderscheiden worden van die der vogels uit dezelfde lagen4 ,enkele van deze leefden op de boomen en onderscheidden zich van de vogels alleen door de afwezigheid van veeren4 ,hoe zijn die veeren ontstaan8 ,wij hebben eene aanwijzing daarvan in het vliegen van den galeopithecus1 de vliegende eekhorentjes1 de vliegende hagedissen en de vliegende kikvorschen4 ,bij de oorspronkelijke vogels1 die op de boomen leefden en die van tak op tak sprongen1 waren zelfs reeds rudimentaire veeren een voordeel1 want zij zouden eenen grooteren sprong naar beneden hebben mogelijk gemaakt of de kracht van den val hebben kunnen breken4 ,naarmate de veeren groeiden1 werd het lichaam warmer en het bloed werkzamer4 ,met het toenemen van het aantal veeren zoude het vermogen om te vliegen zijn toegenomen2 die verhoogde werkzaamheid zoude weer eenen vollediger bloedsomloop tengevolge hebben enz4 ,de ramphorynchus kan ons een zeer goed denkbeeld geven van die kleine vliegende dinosauri4 ,de leer van de ontwikkeling der ongeboren vrucht heeft reeds lang de overeenkomst aangetoond van de schubben en stekels der kruipende dieren1 en de wratvormige stompjes1 die bij de ongeboren vrucht der vogels1 de eerste sporen van het gevederte zijn4 ,het is dus geene wetenschappelijke ketterij1 aan te nemen1 dat er kruipende dieren geweest zijn1 met veeren bekleed2 dit is misschien het geval geweest met den compsognathes en den archeopteryx4 ,naar de onderzoekingen van ,carl ,vogt1 op het tweede exemplaar gedaan1 had de eerste vogel ongetwijfeld een naakt lichaam4 ,hij schrijft daaromtrent het volgende3 ,aan iedere hand heeft hij drie lange en slanke vingers1 met kromme1 scherpe klauwen4 ,de duim is de kortste2 de beide andere zijn bijna even lang2 toch heeft de tweede de overhand4 ,die twee vingers waren klaarblijkelijk met elkander verbonden door peesachtige vliezen4 ,de duim bestaat uit twee leden en een middelhandsbeen1 en de andere vingers uit drie leden en een middelhandsbeen4 ,de vleugels waren aan den voorarm en de hand bevestigd1 zonder dat men in het skelet eene bijzondere aanpassing voor dat doel vindt4 ,de duim was vrij1 evenals de twee andere vingers4 ,indien men in zijne gedachte alle veeren wegneemt1 dan heeft men eene drievingerige hand van een kruipend dier voor oogen1 zooals de compsognathes en vele andere dinosauri gehad hebben blijkens de sporen hunner voetstappen4 ,ik durf beweren1 dat geen enkele geleerde1 wien men het skelet van eenen archeopteryx zonder veeren liet zien1 zou kunnen vermoeden1 dat dit dier bij zijn leven vleugels bezeten heeft4 ,later zullen wij de ontwikkeling der vogels volgen1 indien wij de tertiaire periode bestudeeren4 ,de insecten1 wier verschijning wij reeds vr de dagen der steenkoolperiode begroet hebben 7blz4 #bfc7 nemen gedurende de ,juraperiode snel toe1 en ontwikkelen zich evenzeer tot volkomener soorten4 ,ook hier openbaart zich de groote wet van den vooruitgang1 zooals wij die leerden kennen in het geheele dierenrijk4 ,wij zagen1 dat de insecten der primaire periode behoorden tot de lagere soorten1 de rechtvleugeligen1 de netvleugeligen en de halfvleugeligen 7zooals kakkerlakken1 krekels1 sprinkhanen1 witte mieren1 waterjuffers71 en dat men in die oude formaties nog geene overblijfselen van insecten gevonden heeft1 die behoorden tot de hoogere orden der vliesvleugeligen1 tweevleugeligen of vlinders1 bijen1 mieren of kapellen4 ,in de oudste bezinksels der ,juraperiode1 in het trias1 heeft ,oswald ,heer1 alleen in ,zwitserland1 tweeduizend exemplaren gevonden1 aldus verdeeld over #adc soorten3 ,rechtvleugeligen #g soorten4 ,netvleugeligen #g soorten4 ,schildvleugeligen #aaf soorten4 ,vliesvleugeligen #a soorten4 ,halfvleugeligen #ab soorten4 ,men ziet1 dat de schildvleugeligen de groote meerderheid uitmaken4 ,die insecten leveren de helft der fossiele soorten1 en wijzen er op1 dat het vasteland met bosschen begroeid was4 ,fig4 #bcc en #bcd stellen vleugels van eenen fossielen kever en van eene fossiele waterjuffer voor1 gevonden in de olitische formatie van ,stonesfield1 bij ,oxford4 ,de rijkdom der insectenfauna bewijst1 dat het vasteland in dien tijd eene groote uitgestrektheid had en dat wij hier niet meer de kleine eilanden der liaszee voor oogen hebben4 ,het bestaan van waterjuffers en schildvleugelige insecten in zoo groote hoeveelheden wijst op rivieren of zoetwaterbekkens4 ,wij weten1 dat alle kleine eilanden van den ,atlantischen ,oceaan slechts aan zeer weinige waterdieren tot verblijfplaats strekken2 de ,canarische eilanden1 ,madera1 de ,azoren bezitten er slechts enkele4 ,de reden is eenvoudig3 de beken zijn te klein1 en op sommige tijden van het jaar bijna geheel uitgedroogd1 hetgeen een beletsel is voor het bestaan van zoetwaterdieren4 ,een eiland moet eene zekere uitgestrektheid hebben1 opdat de beken er niet uitdrogen4 ,al weten wij nu1 dat er in de ,juraperiode waarschijnlijk meer water viel dan thans1 en dat de regen zich over het geheele jaar regelmatiger verdeelde1 dan thans op de genoemde eilanden het geval is1 toch mogen wij uit het groote aantal zoetwaterinsecten opmaken1 dat de eilanden der ,juraperiode zeer groot waren4 ,tijdens de ,juraperiode huppelden in ,frankrijk en ,engeland kleine krekels in de struiken1 de waterjuffers schommelden door de lucht1 de kakkerlakken en witte mieren zochten hun voedsel in de bosschen1 en vroolijke zwermen van waterkevers verlustigden zich op de oppervlakte van het water4 ,ook vond men daar reeds de sprinkhanen met hunne onharmonische en knersende geluiden4 ,in overeenstemming met andere klassen van dieren moeten de oorspronkelijke insecten groote afmetingen gehad hebben en vormen1 die meer of minder van de tegenwoordige verschilden4 ,wij hebben reeds in de steenkoolperiode gesproken over de reusachtige grootte van den titanophasma4 ,doch in de ,juraperiode hadden de insecten reeds dezelfde afmetingen als in onzen tijd4 ,indien wij op het aantal families letten1 dan zien wij1 dat dit op een warm klimaat wijst2 wij herinneren o4a4 aan de witte mieren en de kakkerlakken2 de laatsten hebben veel meer overeenkomst met die der warme luchtstreken dan met de onze4 ,hetzelfde is met de planten het geval4 ,de cycaden en de groote boomvarens komen alleen in de verzengde luchtstreken voor4 ,de araucaria's strekken zich uit van de warme tot de gematigde luchtstreken en de thuya zelfs tot zeer noordelijke breedten1 en toch zijn dit de twee boomsoorten onder de naaldboomen1 die het meest naar het zuiden afdalen2 zij zijn dus niet in tegenspraak met de vroeger gegeven onderstelling1 hoewel wij uit hunne aanwezigheid niet mogen besluiten tot een warm klimaat4 ,niet alleen de lucht1 doch ook de zee had op onze breedte eene hoogere temperatuur dan thans2 de ammonieten1 nauw verwant met de nautili1 die thans nog in de ,indische zee leven1 leveren daarvoor het bewijs1 evenals de pentacriniden1 die alleen op de kusten der ,antillen voorkomen4 ,de insecten1 die reeds in grooten getale en in groote verscheidenheid voorkwamen in de ,juraperiode1 leggen dus evenals de overige planten en dieren getuigenis af omtrent de temperatuur in dien tijd4 ,doch zoo aanstonds zullen wij daarvoor een ander bewijs verkrijgen in de koralen der ,jurazeen4 ,vrdat wij echter van de insecten en vooral van de schildvleugeligen uit dien tijd afstappen1 moeten wij nog opmerken1 dat wij ook bij hen belangrijke feiten kunnen waarnemen ten gunste van de aanpassing der soorten naar de levensvoorwaarden4 ,zoo zijn de insecten1 die in het water leven1 slechts gering in aantal1 in vergelijking met die1 welke op het land voorkomen2 in de zee komen slechts zeer weinigen voor2 die gelede dieren zijn niet voor het zeeleven gebouwd1 en worden daarin dan ook vervangen door de schaaldieren4 ,toch zijn er enkele insecten1 die een groot gedeelte van hun leven onder de zee doorbrengen4 ,hooren wij1 wat ,audouin daaromtrent mededeelt3 ,op eene reis1 in #ahbb langs de kusten der ,vende1 bezocht ik een aantal eilanden van den ,oceaan1 ten einde schaaldieren en andere zeedieren te verzamelen4 ,eens was ik in den loop van ,september bezig met het doorzoeken van het eiland ,noirmoutiers1 en ik had gebruik gemaakt van de eb1 om tot op #bjj vademen in de zeebedding voort te gaan1 toen ik plotseling te midden dier diepte getroffen werd door een uiterst klein dier1 dat ik dadelijk als een insect herkende4 ,het liep snel over de oppervlakte der steenen1 over het zeewier1 over de sponzen en de overige voorwerpen1 zooeven door de zee verlaten1 en die nog vochtig waren door de laatste golf4 ,op het eerste gezicht vermoedde ik1 dat dit kleine insect1 dat ontegenzeggelijk tot de carabidae behoorde1 waarvan alle soorten vleeschetende landdieren zijn1 bij toeval daar aanwezig was1 en dat ik het misschien zelf had medegevoerd4 ,toch vond ik het dier merkwaardig genoeg1 om het mede te nemen4 ,doch spoedig zag ik een tweede en een derde exemplaar4 ,nog iets verder zag ik een vierde en zoo had ik binnen zes minuten een tiental bijeen444 ,den volgenden dag kwam ik terug1 toen het water begon te vallen1 met het doel om den teruggang van het water stap voor stap te volgen4 ,eerst was ik zeer verbaasd1 dat ik niettegenstaande mijn ijverig zoeken geen enkel van die insecten ontmoette op het terrein1 dat het eerst bloot lag4 ,eerst nadat het water een eind gezakt was1 begon ik ze op te merken4 ,ik zag er meer dan #ae1 maar in plaats van ze te vangen1 bestudeerde ik hunne bewegingen en besloot de plaats niet te verlaten1 vrdat zij die zelf verlaten hadden4 ,weldra had ik reden mij over mijn geduld te verheugen4 ,ik kon mij namelijk overtuigen1 dat zoodra de zee de plaats1 door n der insecten ingenomen1 blootlegde1 het insect daarvan gebruik maakte1 om dadelijk weg te loopen en vlug over den vochtigen grond voortliep2 doch zoodra de vloed opkwam en den grond bedekte1 zag ik telkens die kleine insecten in plaats van hun heil in de vlucht te zoeken1 zich snel verbergen onder eenen naburigen steen1 die dadelijk daarop onder water geraakte en door eene telkens aangroeiende watermassa werd bedekt4 ,het was dus buiten twijfel1 dat die kleine dieren den bodem der zee niet verlieten1 om de kust op te zoeken1 en dat zij gedurende den duur van den vloed1 d4i4 #f uren lang1 naar gelang van de plaatsen door #bj1 #cj of #dj voet water bedekt waren4 ,hieruit volgt1 dat de dieren slechts met groote tusschenpoozen1 en dan nog slechts kort1 vrij in de lucht kunnen ademen1 en dat zij veel langer onder water dan boven water zijn4 ,maar de natuur1 die naarmate de wezens aan grootere gevaren zijn blootgesteld1 betere voorzorgen neemt tot hun behoud1 heeft het kleine insect het middel gegeven1 zich met eene luchtbel te omgeven1 en gemaakt1 dat die luchtbel aan het dier niet gemakkelijk ontsnappen kan4 ,indien men met het bloote oog of liever met eene loupe de oppervlakte zijner vleugels beschouwt1 of zijnen kop1 zijn middenlijf1 zijne sprieten1 zijne pooten1 in n woord1 zijn geheele lichaam1 dan ziet men1 dat het bedekt is met haartjes1 waarvan enkele eene tamelijke lengte hebben4 ,indien men dan plotseling het insect van de lucht in het zeewater overbrengt1 dan bemerkt men1 dat ieder dier haren eene kleine laag elastische vloeistof bevat1 die eerst tot kleine ovaalvormige lichamen vereenigd1 weldra eenen kleinen bol vormt1 die zijn lichaam van alle zijden omgeeft1 en die nooit ontsnapt1 hoe het dier zich ook beweegt4 ,het insect neemt steeds eene kleine luchtlaag mede1 en indien het zich onder eenen steen verschuilt1 is het tijdelijk in dezelfde omstandigheden als de zich vrij in de lucht bewegende insecten4 ,het door ,audouin bestudeerde insect was de aepus marinus2 later heeft ,charles ,robin in #ahdh te ,dieppe eene tweede soort ontdekt en de waarnemingen van ,robin hebben die van ,audouin bevestigd2 die van ,coquerel1 te ,brest gedaan1 zijn echter nog vollediger2 hij is zelfs zoo gelukkig geweest1 de larve te ontdekken4 ,de aepus ,robini1 zoo zegt hij1 wordt alleen gevonden onder steenen1 die stevig aan den grond vastzitten1 op plaatsen die bedekt zijn met grof grint1 en steeds onder de laagwater-lijn4 ,als de zee zich terugtrekt1 en het zand nog vochtig is1 ziet men er geen' enkelen2 zij zijn dan in kleine gaten tamelijk diep verborgen4 ,zij komen eerst te voorschijn1 zoodra de grond minder vochtig wordt1 en men ziet ze met groote snelheid aanstormen1 als men den steen optilt1 die hun tot schuilplaats diende4 ,het leven dier merkwaardige insecten hangt dus geheel af van de getijden4 ,zij blijven onder het water in slaap1 zoolang het hoog water is1 en bewegen zich eerst1 als de zee teruggaat4 ,indien de ,oceaan ten gevolge eener storing in de natuurwetten minder regelmatig onze kusten blootlegde1 zou dat insect zeker moeten omkomen2 merkwaardig voorbeeld van de schoone harmonie1 die wij bij iederen stap op het gebied der natuur waarnemen4 ,vandaar1 dat het insect niet gevonden wordt op de kusten der ,middellandsche zee1 waar geene getijden bestaan4 ,dit voorbeeld1 ontleend aan de schildvleugelige insecten1 n der oudste onder de fossielen1 verschaft ons veel licht omtrent den oorsprong der soorten4 ,ieder dier verandert1 om zich aan te passen naar de gewijzigde levensvoorwaarden4 ,dit is evenzoo het geval geweest met de blind geworden insecten1 die in holen leven2 hunne haren zijn langer geworden1 daar de tastzin in de plaats van den gezichtszin is getreden4 ,doch keeren wij terug tot de ,juraperiode en voltooien wij hare beschrijving4 ,wij hebben de geheele bevolking dier periode besproken1 wij moeten nog alleen de weekdieren en de lagere dieren bespreken1 die nog steeds1 niettegenstaande den vooruitgang1 zijn blijven voortbestaan4 ,en waarom zouden zij ook niet zijn blijven voortbestaan8 ,immers die dieren1 wier levensvoorwaarden niet gewijzigd zijn1 b4v4 die1 welke op den bodem der zee leven1 veranderen niet4 ,de levenskracht der planeet is niet uitgeput1 het zoude dus mogelijk zijn1 dat nog steeds het protoplasma het aanzijn schenkt aan de organismen der azosche periode4 ,wij zagen in het begin van dit hoofdstuk1 dat de ,juraformatie over een groot gedeelte van ,frankrijk bloot ligt4 ,eene belangrijke strook strekt zich uit van het westen naar het oosten1 en wordt breeder naarmate men het ,juragebergte nadert2 zij loopt over ,la ,rochelle1 ,nevers1 ,dyon1 ,langres1 ,chaumont1 ,neufchteau1 ,nancy1 ,metz1 ,luxemburg1 en vertakt zich naar het zuidoosten over de ,jura en de ,alpen4 ,die bodem is z rijk aan fossielen1 dat de meeste kinderen zich daar reeds van hunne vroegste jeugd1 zonder het te weten1 met geologie en paleontologie bezighouden4 ,in groote menigte vindt men daar kegels 7fig4 #bce7 van alle grootten1 van n tot #bj centimeters4 ,die zwarte en puntige kegels worden door de landlieden dondersteenen genoemd4 ,men heeft ze vroeger dikwijls aangezien voor spelingen der natuur1 of steenachtige verhardingen1 voor druipsteenen1 vischtanden1 en somtijds heeft men ze ook duivelsklauwen genoemd4 ,men vindt ze in z grooten getale1 dat men slechts te bukken heeft om ze te vinden4 ,die puntige kegelvormige steenen is het eenige wat overgebleven is van een koppootig weekdier1 dat in de zeen dier periode zeer verspreid was1 het zijn kalkscheeden van belemnieten2 wij zullen ze zoo aanstonds meer in bijzonderheden bespreken4 ,in het ,museum te ,parijs vindt men eene plaat leisteen uit het lias van ,engeland1 waar men op eene oppervlakte van #be vierkante decimeters meer dan #ijj van die kalkscheeden telt4 ,met die kalkscheeden van belemnieten vindt men1 als de meest gewone fossielen1 de terebratulae en de rynchonellae4 ,die versteende schelpen1 die iets grooter zijn dan abrikozenpitten1 hebben somtijds sierlijke vormen4 ,de eerste zijn amandelvormig1 en hebben aan de rugklep zijdelingsche aanhangsels1 zoogenaamde ooren1 de laatste zijn gewoonlijk waaiersgewijs geplooid4 ,men vindt ze dikwijls in z groote hoeveelheden1 dat steenblokken van eenige kilogrammen geheel bestaan uit eene opeenhooping van die schelpen1 die men gemakkelijk van elkander kan losmaken4 ,de terebratulae en de rynchonellae waren armpootige weekdieren1 die ook in de ,jurazeen in grooten getale voorkwamen4 ,fig4 #bch stelt een stuk van een blok voor1 dat uitsluitend bestaat uit rynchonellae4 ,zeldzamer zijn in die formaties de versteende oesters1 toch vindt men ze nog in betrekkelijk groot aantal1 evenals de zeegels4 ,al die formaties behooren tot de oudste olithische1 de bathonische formatie4 ,op die heuvelhellingen1 waar de ,maas en de ,marne ontspringen1 vindt men ook mosselschelpen1 ammonieten en poliepen4 ,men vindt er ook versteend hout3 in de ,juraperiocle waren er dus ook bosschen4 ,wij spraken zooeven van de belemnieten en de scherpe steenen1 die zij achtergelaten hebben4 ,het waren koppootige weekdieren1 verwant aan de groote inktvisschen van onzen tijd4 ,iedereen kent de inktvisschen niet alleen omdat hij ze aan den oever der zee of in de aquaria gezien heeft1 maar ook om den inktzak1 eene klier in den vorm van een peervormig zakje1 waarin eene bruinzwarte vloeistof wordt afgescheiden1 en om het zeeschuim of sepiabeen4 ,die bruinzwarte vloeistof werd ook door de belemnieten afgescheiden1 en is zelfs in den zak van het dier teruggevonden als een fossiel poeder2 men heeft zelfs teekeningen kunnen vervaardigen met die sepia1 die reeds millioenen jaren oud is4 ,volgens de onderzoekingen van ,blainville en d',orbigny bereikten de belemnieten somtijds eene lengte van twee meters4 ,men kent #e hoofdsoorten4 ,het waren goede zwemmers1 die gewoonlijk achteruit zwommen1 in den horizontalen stand van fig4 #bda4 ,in de ,juraformaties bereiken de belemnieten hunne grootste lengte4 ,zij zijn reeds lang uitgestorven4 ,de koppootige weekdieren met vangarmen1 vooral de ammonieten1 ontwikkelen zich langzamerhand1 totdat zij in de krijtperiode hun maximum bereiken4 ,tot de merkwaardigste behooren de ammonites ,jason 7fig4 #bde74 ,tot de koplooze en buikpootige weekdieren van die periode behooren voornamelijk3 de trigonia clavellata en de pleurotomaria conodea 7fig4 #bdc74 ,de zeegels komen in grooten getale voor 7fig4 #bdb74 ,de zeelelin bereiken voor de tweede maal1 doch nu voor het laatst1 een maximum2 van nu af aan gaan zij achteruit4 ,in sommige streken en op sommige diepten vormden zij geheele onderzeesche velden4 ,de voornaamste soorten zijn de pentacrinus 7fig4 #bdd71 de apiocrinus1 de millericrinus en de isocrinus4 ,zij bezaten gewoonlijk eenen langen rechten steel en eenen kelk1 gevormd uit dikke stukken2 de armen waren vrij en dikwijls sterk vertakt4 ,al die weekdieren hebben sporen achtergelaten in de formaties1 die wij thans behandelen1 en door ze weder voor den geest te roepen1 kunnen wij ons rekenschap geven van de oorspronkelijke bevolking dier zeen4 ,nog meer echter wordt onze aandacht getrokken door de koraalriffen1 die de laatste eeuwen der ,juraperiode hebben gekenmerkt1 en die aan die geheele laag den naam van korallische laag gegeven hebben4 ,die laag is bijzonder sterk ontwikkeld aan de ,maas1 waar zij tot #aej meters dik is1 bij de ,jura1 in ,zwitserland1 ,provence1 ,dauphin1 ,bourgogne en in ,normandi bij ,trouville4 ,in al die streken vindt men in grooten getale den olithkalksteen1 die gewoonlijk met de koraalriffen gevonden wordt2 ook vindt men er dicht opeengedrongen1 fijnkorreligen kalksteen1 een zeker bewijs1 dat de bezinking heeft plaats gegrepen onder groote diepte1 buiten de beweging der golven4 ,de korallische formatie bestaat uit uitgebreide banken van massieven1 vasten kalksteen1 bestaande uit koralen1 waarvan enkele gebroken zijn1 andere de ligging behouden hebben1 die zij tijdens hunne ontwikkeling bezaten4 ,hoewel zij niet zoo groot waren als de koraalriffen der tropische zeen1 hadden toch de riffen der korallische formatie eene veel grootere uitgestrektheid1 omdat men ze op alle breedten ontmoet4 ,men vindt in fig4 #bdf de voornaamste soorten van koralen1 in die formaties gevonden4 ,wij moeten nog even spreken over de koraalbanken1 die in zoo grooten getale in de ,jurazee gevonden worden in de kantons ,bazel1 ,solothurn en ,bern4 ,die koraalbanken hebben in ,europa eene soortgelijke rol gespeeld als de tegenwoordige koraalriffen van den ,indischen ,oceaan en de stille ,zuidzee4 ,de juiste verspreiding en de vorm der koraalbanken in de ,jurazeen van ,europa is een nog onopgelost vraagstuk4 ,men kan de vraag stellen1 of zij door de wateren bedekt waren1 dan wel of zij boven het water uitstaken en eilanden vormden1 zooals men er een groot aantal in de ,zuidzee vindt2 beide gevallen kwamen voor4 ,in ,zwitserland1 in het kanton ,bazel1 is de koraallaag bedekt met eene wel is waar weinig belangrijke steenkoollaag1 maar die er toch op wijst1 dat daar een vastland aanwezig was2 in het westelijk gedeelte der ,jura waren de koraaleilanden bedekt met planten1 zooals men zien kan uit de aanwezigheid van schoone bladeren van cycaden4 ,in de omstreken van ,lyon was een koraaleiland met een bosch van cycaden1 want men vindt hier en daar in die streek groote en schoone bladeren van dien boom4 ,wij hebben in fig4 #bdg een zeelandschap geteekend1 dat een juist denkbeeld geeft van de koraaleilanden der ,juraperiode en van het voorkomen der oude atollen van ,frankrijk4 ,men vindt er schildpadden1 die uit de zee kwamen en zich naar den zandigen oever begaven1 om er hare eieren neer te leggen1 pterodactyli1 die naar de kust vlogen1 en in de nabijheid van de kust langhalzige plesiosauri1 die hun voedsel zochten4 ,in de diepten der zee kunnen wij een bosch van koralen onderscheiden1 en de dieren1 die daarbij gevonden werden4 ,wij moeten1 om onze beschrijving van de merkwaardigste van alle perioden vr de geboorte van den mensch1 volledig te doen zijn1 hier nog bijvoegen1 dat de plantenwereld gedurende de verschillende tijdperken der ,juraperiode van het laagste lias tot aan de bovenste olithlaag1 niet zulke scherp begrensde en karakteristieke vormen vertoont als het dierenrijk4 ,de oorspronkelijke soorten sterven langzaam uit1 om plaats te maken voor een rijkeren en meer gesplitsten plantengroei4 ,het is een overgangstijdperk4 ,de bedekt bloeienden hebben nog de overhand3 varens1 paardestaarten enz42 maar de naaktzadige zaadplanten 7cycaden1 naaldboomen7 beginnen reeds eene rol te spelen4 ,er zijn nog geene jaar getijden of klimaten3 dezelfde plantenfamilies worden gevonden van den evenaar tot aan ,siberi en ,spitzbergen4 ,zelfs in ,frankrijk1 aan de oevers der zee1 die de streken bedekte1 waar later ,parijs gesticht werd1 zou men toen landschappen hebben kunnen zien1 gelijkende op die van nevensgaande teekening3 op den voorgrond pandanen met luchtwortels1 cycaden met lagen stam1 en op den achtergrond de plesiosauren met hunne lange halzen1 in het water zwemmende4 ,de krijtperiode1 die op de ,juraperiode volgt1 voltooit de geschiedenis der secundaire periode4 ,,derde ,,hoofdstuk ,de krijtperiode ,indien gij1 waarde lezer1 met aandacht blz4 #agi van dit werk beschouwt1 en de doorsnede van den ,artesischen put van ,grenelle te ,parijs bestudeert1 dan hebt gij de beste voorbereiding voor de studie der laatste periode van het secundaire tijdperk1 de krijtperiode4 ,men ziet1 dat men van eene diepte van #da meters van de oppervlakte van den bodem te ,parijs tot op eene diepte van #ejf meters1 krijt1 nog eens krijt en niets dan krijt vindt4 ,al dat krijt heeft zich afgezet op den bodem der zee1 toen de zee die streken bedekte1 die thans door den mensch bewoond worden4 ,die dikke krijtlaag1 die onder ,parijs doorloopt1 is eene soort van onregelmatige kom1 waarvan de randen op zekeren afstand van de stad aan de oppervlakte komen3 het krijt ligt bloot over eene strook1 gaande van ,arras1 over ,st4 ,quentin1 ,rheims1 ,chlons-sur-,marne1 ,troyes1 ,sens1 ,auxerre1 ,bourges1 ,tours1 ,loudun1 le ,mans1 ,rouaan4 ,dat blootleggen van het krijt over eene groote uitgestrektheid1 heeft aan een deel van ,champagne hare bekende onvruchtbaarheid gegeven2 over duizenden hectaren heeft de bebouwbare grond geene meerdere dikte dan van #ae tot #bj centimeters1 er is dus geen belangrijke plantengroei mogelijk1 alleen de valleien blijven groen en eenigszins vruchtbaar2 als men in eenen luchtballon over die streken heentrekt1 schijnen de smalle weiden1 die aan de oevers der stroomen gelegen zijn1 rivieren1 die zich kronkelen over eenen gelen en dorren bodem4 ,die krijtformatie wordt ook in andere gedeelten van ,frankrijk teruggevonden1 zij komt door eene plaatselijke rijzing van den grond1 vlak bij ,parijs bloot1 bij de heuvels van ,meudon1 ,bellevue en ,bougival4 ,men vindt haar ook terug te ,mantes1 le ,mans1 ,gisors en bij ,rouaan2 langs de oevers der ,seine van ,vernon naar ,havre1 het bovenste gedeelte van de rotssteilte van kaap la ,hve1 vijftig meters dik4 ,men vindt daar de cenomanische formatie4 ,in ,engeland heeft men de turonische formatie1 doch beide behooren tot de krijtformatie4 ,het ,kanaal heeft zijne bedding gegraven door het krijt3 in een vorig hoofdstuk zagen wij1 dat het ,kanaal breeder wordt4 ,dezelfde krijtformatie1 vindt men tusschen ,saintes en ,cahors1 op de beide hellingen der ,pyrenen1 overal aan de ,spaansche zijde1 in de ,fransche ,alpen1 aan den rechter ,rijnoever1 in ,engeland1 ,duitschland1 een klein gedeelte van ,limburg1 ,algiers1 ,palestina1 ,noord-,amerika1 ,groenland1 in n woord bijna overal op de aardoppervlakte4 ,evenals de vorige formaties1 hebben ook de krijtformaties het aanzijn verkregen op den bodem van het water4 ,al de streken1 waar de krijtformatie bloot ligt1 waren onder de golven gelegen4 ,zoo strekte zich in de krijtperiode eene uitgestrekte zee uit over de geheele streek1 die wij zooeven genoemd hebben1 in de omstreken van ,parijs1 van ,bar-le-,duc ten oosten1 tot le ,mans ten westen1 en van ,bourges ten zuiden tot ,engeland en nog verder4 ,eene andere zee bedekte een deel der ,pyrenen1 de ,zee-alpen1 ,savoye en ,perigord4 ,de ,juraketen is vr de krijtperiode opgerezen4 ,het is nog niet zeker1 of enkele deelen van het ,kanaal1 van den ,atlantischen ,oceaan en van de ,middellandsche zee1 niet reeds toen boven water lagen en later weer zijn gedaald1 en of niet enkele golven of straten reeds bestaan hebben1 ten gevolge van plaatselijke dalingen4 ,zooals de naam reeds aanwijst1 bestaat de krijtformatie hoofdzakelijk uit krijt4 ,toch bevat zij1 vooral aan de onder- zijde1 dicht opeengedrongen kalksteen en klei2 maar de weinig samenhangende gesteenten1 zand of gemakkelijk te verbreken zandsteen en vooral krijt1 hebben in het bovenste gedeelte verreweg de overhand4 ,in het algemeen zijn de krijtgesteenten lichter van kleur en frisscher dan de ,juragesteenten1 de fossielen zijn niet zoo volkomen veranderd en schijnen ook jeugdiger dan in de laatstgenoemde formatie4 ,men vindt in het krijt zeer weinig ijzer1 gips1 dolomiet en steenzout1 daarentegen vindt men er klompen vuursteen in grooten getale4 ,de grootste dikte dier formatie bedraagt meer dan tweeduizend meters4 ,hoewel het bijna geheel eene zeeformatie is1 bevat zij toch op verschillende diepten zoetwater1 dat zich verder uitstrekt dan bij de ,juraformatie1 en dat somtijds bruinkool oplevert4 ,in ,engeland en op andere plaatsen begint de krijtformatie met klei en zand1 dat bezonken is in moerassen1 die overeenkomen met die1 waarin zich de ,purbecklaag vormde4 ,de schommelingen van den bodem hebben zich gedurende de geheele periode voortgezet1 zoodat de zee telkens stroomde over streken1 waar zich eene diepe laag bezinksel afzette1 en andere plaatsen droog bleven1 waar dus geheele lagen gemist worden4 ,toch is de richting der beweging in ,west-,europa in het algemeen eene rijzende2 de zeebekkens nemen nog wel ongeveer dezelfde ruimten in als in de ,juraperiode1 maar zij verminderen langzamerhand in oppervlakte4 ,hieruit volgt1 dat de dieren en bezinkingen meer en meer gaan verschillen1 zelfs op korte afstanden1 en vergeleken kunnen worden met die der silurische periode4 ,daarentegen overstroomt in ,noord-,amerika de zee de kust van den ,atlantischen ,oceaan1 en dringt zij tot ten westen van de ,mississippi door1 waar uitgestrekte bezinkingen getuigenis afleggen van hare tegenwoordigheid4 ,die formaties hebben gewoonlijk den vorm van hooge bergvlakten1 die meestal dorre en onvruchtbare vlakten of lage bergen met ronde hellingen vormen4 ,bijna overal vormen zij strooken1 die concentrisch zijn met de groote strooken ,juraformatie1 die wij beschreven hebben en steunen zij daarop1 bedolven onder de tertiaire formaties1 die ze in de vlakten bedekken4 ,op enkele punten liggen zij op de steenkoolformatie en zelfs wel eens op de oudere kristallijnen lagen1 waaruit volgt1 dat in dien tijd nog groote bewegingen in den bodem hebben plaats gegrepen4 ,de zeen1 waarin die lagen bezonken zijn1 bedekten nog een groot gedeelte van ,europa1 maar haar vorm was niet meer dezelfde als in de ,juraperiode4 ,de krijtperiode kenmerkt zich door eenen terugkeer der zee op plaatsen1 reeds lang te voren door haar verlaten4 ,zoo is het zuidelijke deel van ,frankrijk1 dat reeds sedert de korallische periode boven water gelegen was1 weder onder water geraakt en heeft het deel uitgemaakt van eene uitgestrekte zee1 die zich over het geheele zuidelijke deel van ,europa uitstrekte4 ,de centrale bergvlakte van ,frankrijk1 die geheel boven water uitstak1 en aan de ne zijde verbonden was met de ,vogezen1 aan de andere zijde met de ,vende1 maakte elke verbinding onmogelijk tusschen die ,zuidzee en die welke zich tot ver in het noorden over het bekken van ,parijs en het zuiden van ,engeland uitstrekte4 ,vandaar verklaart zich het groote onderscheid tusschen de krijtformaties van het noorden en het zuiden van ,frankrijk4 ,de krijtperiode wordt1 evenals de ,juraperiode1 in twee goed te onderscheiden deelen verdeeld4 ,evenals wij in de ,juraformatie de lias van de olithlaag onderscheidden1 zoo moeten wij ook in de krijtformatie de onderkrijtformatie van de eigenlijke krijtformatie onderscheiden4 ,de eerste1 die onmiddellijk op de ,juralaag volgt1 bevat geen krijt1 maar kalksteen1 zonder klei1 die veel overeenkomt met de ,juraformatie4 ,ieder dier afdeelingen1 de onder- en bovenkrijtlaag1 kan weder in verschillende lagen verdeeld worden3 ,voornaamste verdeeling der krijtformatie4 ,i4 ,onderlaag4 ,neocomische formatie #be4 ,urgonische formatie #bf4 ,gault1 zand en klei #bg4 ,aptische formatie #bh4 ,albische formatie #bi4 ,,ii4 ,bovenlaag4 ,cenomanische formatie #cj4 ,turonische formatie #ca4 ,senonische #cb en campanische formatie #cc4 ,deensche en ,garumnische formatie #cd4 ,de onderkrijtformatie is wat hare algemeene eigenschappen betreft1 nauw verbonden met de voorafgaande formatie4 ,de flora1 waar de cycaden en de naaldboomen de overhand hebben1 en waar de bedektzadige tweezaadlobbige planten nog onbekend zijn1 is de flora der ,juraperiode4 ,indien pijnboomen1 denneboomen en cederen daar op een verband wijzen met de boomtypen der tropen1 dan vindt men toch dat verband evenzeer bij de polen1 zooals in ,groenland1 als in centraal-,europa1 weder een bewijs1 dat de klimaten nog weinig verschilden4 ,toch is het opmerkelijk1 dat de poliepen die zich in de olithische periode tot in ,yorkshire 7tot meer dan #ej ,n4,b47 uitstrekken1 merkbaar naar het zuiden teruggeweken zijn1 want de caprotinae1 die voor de onderste krijtlaag dezelfde rol vervullen als de diceraten in de ,juraperiode1 worden alleen in de strook bij de ,middellandsche zee gevonden4 ,het is dus niet onmogelijk1 dat de tropische toestanden1 die noodig zijn voor de koraalvorming1 niet meer bestonden in het noordelijk gedeelte van ons halfrond4 ,hot vasteland werd toen waarschijnlijk geregeerd door de groote tweevoetige dinosauri1 doch reeds met gemengde karaktertrekken1 die ze tegelijk doen behooren tot de zoogdieren1 de vogels en de kruipende dieren4 ,wat de zeedieren betreft1 kan men zeggen1 dat zij de typen der olithische periode voortzetten2 alleen komen in de krijtperiode betrekkelijk veel koppootige weekdieren met weinig gewonden schaal voor4 ,wij zeiden zooeven1 dat de krijtformatie begint met kalksteen1 zand en klei1 zoodat er nog eenige overeenkomst is met de ,juraformatie2 eerst in de hoogere lagen vindt men inderdaad krijt4 ,het ,gault is te herkennen aan zijne donkere kleur1 zoodat men het reeds van verre ziet1 daar de donkere strooken sterk afsteken bij de lichte kleur der omringende gesteenten4 ,het is eene somtijds groene1 somtijds zwarte zandsteen1 die eene groote menigte groene korrels bevat1 die het den naam van groenzand gegeven hebben4 ,die korrels bestaan uit een silicaat van ijzeroxyd2 die oxydatie is juist de oorzaak van de donkere kleur4 ,het ,gault bevat op sommige plaatsen talrijke klompen1 die waarschijnlijk phosphorzure kalk bevatten4 ,het komt zeer veel voorin de ,alpenstreken van ,oost-,zwitserland1 vooral bij het ,vierwaldstttermeer1 bij ,pragel en in ,unterwald2 in de ,berner en ,lucerneralpen komt het echter niet voor2 in groote hoeveelheden vindt men het in het ,rhnedal en in ,savoye4 ,verder van de ,rhne af1 is het licht-groengrijs2 dit is ook in de ,jura het geval1 waar het door blauwe klei bedekt is4 ,het feit1 dat men die korrels overal in de krijtformatie terugvindt1 en vooral in het ,engelsche ,gault1 moet het gevolg zijn van eene algemeene oorzaak1 die bij hare verschijning en verdwijning gewerkt heeft4 ,tijdens de krijtperiode moet er tweemaal eene hoeveelheid ijzer uit het inwendige der aarde te voorschijn gekomen zijn1 en zich over geheel ,europa hebben verspreid2 wij zijn thans echter nog niet in staat1 eene deugdelijke verklaring van dat verschijnsel te geven4 ,de dikte der krijtlaag in het bekken van ,parijs is ontzaglijk groot2 in de rotssteilten van het ,kanaal is zij dikker dan #ajj meters2 naarmate men het midden van het bekken nadert1 neemt die dikte toe2 te ,parijs hebben de boringen voor de ,artesische putten krijt doen vinden op eene diepte van #dfj meters2 men kan het in twee hoofdafdeelingen verdeelen2 de eerste bestaat uit krijt met licht gekleurde vuursteenen1 de tweede uit wit krijt met gordels van vuursteenen1 en op verschillende diepten bevatten zij spatangiden 7tot de zeegels behoorend71 en vooral micrasters 7eveneens zeegels71 ,dat krijt met micrasters is het hoofdbestanddeel der rotsen van ,dieppe4 ,al die krijtlagen vormen in het bekken van ,parijs1 om de tertiaire lagen1 die in het middelpunt gelegen zijn1 eene uitgestrekte1 golvende1 hoefijzervormige vlakte1 waarvan de beide beenen op de ,normandische kust uitkomen1 het ne tusschen ,dieppe en ,trport1 het andere tusschen ,boulogne en ,calais4 ,die twee krijtstrooken zetten zich door het ,kanaal voort1 en komen weer op de ,engelsche kust voor den dag1 waar zij de witte krijtrotsen vormen1 aan weerszijden van ,dover4 ,engeland draagt daarom den naam van ,albion4 ,het krijt wordt daar ook gevonden rondom de tertiaire lagen1 waarop ,londen gelegen is1 en vormt daar eene heuvelenrij1 die den naam van ,downs draagt4 ,al die streken1 ,orleans1 ,parijs1 ,dieppe1 ,londen1 waren dus in dien tijd onder water bedolven4 ,in de omstreken van ,parijs1 te ,meudon1 vindt men1 boven het witte krijt1 eene gele kalksteen1 bestaande uit kleine1 ronde korrels en overblijfselen van fossielen1 bekend onder den naam van pisolithische steen2 die steen1 die het bovenste bezinksel is der krijtperiode1 bevat een mengsel van stoffen uit de krijtformatie en de tertiaire formatie4 ,men vindt daar onder andere1 ananchiten #ce1 cerithiden#a1 die vergeleken kunnen worden met het cerithium#a gigantum1 dat in de ,parijsche tertiaire formatie in groote hoeveelheden voorkomt4 ,men vindt diezelfde formatie in losse brokken tegen het krijt aan op verschillende punten van de omstreken van ,parijs4 ,zij heeft duidelijk het karakter eener kustformatie1 en wijst door hare verdeeling op eene belangrijke verandering1 die heeft plaats gehad in den toestand van het ,parijsche bekken1 dat eerst door de zee bedekt was4 ,die zee1 van het noorden komende1 is geleidelijk teruggeweken1 zoodat al die krijtmassa's1 die wij besproken hebben1 bij het terugwijken de ne op de andere is afgezet4 ,na het afzetten der pisolithische kalksteen1 die slechts over eene kleine uitgestrektheid beperkt is1 was het geheele noordelijke deel van ,frankrijk boven water gekomen4 ,hoe zijn die dikke krijtlagen gevormd1 die dikwijls #ejj1 #ajjj en #bjjj meters dik zijn8 ,het antwoord is1 door bezinking op den bodem van het water1 evenals de vorige formaties1 maar toch op eene andere wijze4 ,krijt is koolzure kalk4 ,die koolzure kalk was in meer of minder verzadigde oplossing in de wateren der oorspronkelijke zeen aanwezig1 daar onnoemelijke hoeveelheden schaaldieren er zich van bediend hebben1 om hunne kalkschelpen te vervaardigen4 ,in die vloeibare middenstof krioelden poliepen1 foraminiferen en rudistae en vormden deze eene tallooze bevolking4 ,wat werden de lichamen dier dieren1 groot en klein1 maar gewoonlijk mikroskopisch klein1 na hunnen dood8 ,de organische stof verdween door rotting op den bodem van het water2 er bleef niets anders over1 dan de onverdelgbare anorganische stof1 de koolzure kalk1 die de schaal vormde4 ,die kalkmassa hoopte zich tot dikke lagen in het bekken der zee op2 zij verbond zich tot ne enkele massa en vormde zoo eene doorloopende bedding op den bodem der zee4 ,die telkens op elkander afgezette lagen1 die in den loop der eeuwen al dikker en dikker werden1 vormden langzamerhand onze krijtformatie4 ,indien men een stukje krijt onder den mikroskoop beschouwt1 dan ziet men daarin niet meer een vormeloos en grof poeder1 maar alle korrels nemen eene regelmatige gedaante aan4 ,fig4 #bea-bec bestaan uit stukjes schelp1 mikroskopische ammonieten en een geheel heir foraminiferen4 ,die geheele wereld der oude wateren komt onder den mikroskoop te voorschijn2 eene geheele krijtrots is niets anders dan eene eeuwendurende opeenhooping van die zeedieren uit eene andere periode der aarde6 ,de schelpen der foraminiferen vormen alleen reeds geheele ketenen van hooge rotsen en uitgestrekte banken van bouwmateriaal4 ,de foraminiferen zijn zeeschelpen1 waarvan de grootste hoogstens twee millimeters groot zijn1 en waarvan men meer dan #hjj verschillende soorten heeft leeren kennen6 ,hoevelen van die kleine wezens waren er niet noodig1 opdat hunne opeengestapelde overblijfselen zoo uitgestrekte krijtbanken konden vormen6 ,de grofkalk uit de omstreken van ,parijs is op sommige plaatsen z vol van die overblijfselen1 dat een cubieke centimeter uit de groeven van ,gentilly er minstens #bjjjj bevat2 dit geeft dus #bj milliard op #a cub4 meter4 ,indien wij een huis voorbijgaan1 dat afgebroken wordt1 of een huis in aanbouw1 en wij omgeven zijn door een stofwolk1 die ons in de keel dringt1 dan verzwelgen wij dikwijls zonder het te weten honderden van die kleine wezens4 ,men geeft aan die mikroskopische fossielen ook wel den naam van miliolae2 hun volume overtreft zelden dat ,van eene gierstkorrel4 ,de ,egyptische pyramiden zijn eveneens gebouwd uit dezelfde steensoort en rusten op eene basis van nummulietenkalk4 ,wij zagen reeds vroeger1 dat de ouden de brokstukken1 die aan den voet neervielen1 voor versteende linzen aanzagen4 ,de naam van nummulieten is afgeleid uit hunne overeenkomst met kleine muntstukjes4 ,de foraminiferen hebben dus een gedeelte van den grond afgescheiden1 waarop wij loopen1 van de huizen1 die ons beschutten1 en van de gebouwen1 die wij aan de nakomelingschap nalaten4 ,ieder diertje heeft zijn korreltje geleverd1 ieder type heeft een onmerkbaar laagje afgezet4 ,de soorten1 die nog thans leven1 maken rustig1 op den bodem van den ,oceaan1 het bouwmateriaal gereed1 dat voor toekomstige geslachten dienst moet doen4 ,ehrenberg1 die duizenden monsters slijk onderzocht heeft1 in alle zeen opgezameld1 heeft onder andere ook de modder bestudeerd1 die op eene diepte van #cjj tot #ejj meters is opgevischt bij gelegenheid van de peilingen ten behoeve van eenen transatlantischen kabel4 ,dikwijls vond de ,berlijnsche natuuronderzoeker in de schelpen1 die bij de peilingen opgehaald werden1 overblijfselen van het zachte deel van het dier4 ,hij leidt daaruit af1 dat die dieren ook werkelijk op die groote diepte leven1 en dat hunne verbazend snelle vermenigvuldiging het middel is1 waardoor geleidelijk de onderzeesche valleien effen gemaakt worden4 ,de grootste van alle foraminiferen1 de nummulitidae1 hebben eene belangrijke rol gespeeld in verschillende geologische periodes4 ,men vindt ze in ontzaglijke hoeveelheden in de secundaire en tertiaire formaties1 en zij kwamen in z grooten getale voor in de zeen1 die eenige onzer vaste landen bedekten1 dat hunne kalkschilden alleen reeds hooge bergen vormen4 ,over eene groote uitgestrektheid vormen die schelpen de geheele ,arabische keten1 die langs den oever van den ,nijl loopt2 zij zijn daar zeer talrijk en dicht opeengehoopt4 ,in verscheidene gedeelten van ,opper-,egypte bestaat de bodem van de woestijn uit eene dikke laag nummulieten1 waarin de voeten van reizigers en kameelen een eind inzakken4 ,de bodem van de stad ,richmond en de omringende streken in den staat ,virginia1 bestaat uit eene laag fossiele diatomen van bijna tien meters dikte1 behoorende tot soorten1 die nog thans in de ,i,jszee leven4 ,daarentegen heeft men in de zoetwatermeren van ,west-,afrika1 zoodanige levende organismen ontdekt1 van eene soort1 die in fossielen toestand in ,zweden en ,noorwegen onder den naam van mineraal meel bekend is4 ,het oude hertogdom ,luneburg wordt gewoonlijk beschouwd als eene zandvlakte2 doch dit is slechts voor enkele aan de oppervlakte gelegen gedeelten het geval2 de formaties1 op eenige diepte gelegen1 bestaan over honderden vierkante mijlen uit eene laag diatomen1 die #aj tot #bj meters dik is4 ,de laag diatomen van ,brandenburg1 waarop de stad ,berlijn gebouwd is1 is nog dikker2 zij is op enkele plaatsen #dj tot #ej meters dik2 maar zij is niet zoo zuiver als die van ,luneburg2 men vindt daarin vele andere organismen en ook anorganische stoffen4 ,de tripelaarde1 ook bekend onder den naam van mineraal meel1 die vooral in de omstreken van ,bilin in ,boheme gevonden wordt1 is niets anders dan eene verzameling kiezelrijke schelpen van mikroskopische wezens4 ,alexander von ,humboldt verhaalt zelfs1 dat enkele volksstammen der ,antillen daarvan eene lekkernij bereiden1 die bestaat uit kleine rolletjes van een deeg1 uit die infusiediertjes samengesteld en boven het vuur gedroogd1 om er eene soort van koek van te maken4 ,die mikroskopische wezens zijn over de geheele aarde verspreid1 van de polen tot den evenaar4 ,al de organische wezens van onzen tijd verschillen naar de klimaten2 de diatomen daarentegen schijnen noch den invloed der warmte1 noch dien der koude te ondervinden3 de soorten in ,china en ,japan gevonden1 zijn volkomen dezelfde als die1 welke in de ,baltische zee leven4 ,nieuw-,holland1 waarvan de organische voortbrengselen zzeer onderscheiden zijn van die van de oude wereld1 bezit soorten1 die zoowel verspreid zijn in de verzengde streken van ,afrika en ,azi1 als in de koude streken van ,europa en ,amerika2 de soorten1 die men ontdekt heeft in de warme bronnen van ,carlsbad1 vindt men ook in de nabijheid der polen2 die1 welke op de oppervlakte der zee leven1 zijn eveneens1 door middel van het dieplood1 op eene diepte van #fjj meters gevonden1 waar zij onder eene drukking van #fj atmosferen stonden4 ,wij zagen vroeger1 dat de oudste lagen der aardschors1 die1 welke dadelijk na de afkoeling der oppervlakte door de nog kokende zee zijn afgezet1 reeds diatomen bevatten1 die overeenkomen met de nog thans levende soorten4 ,de ontzaglijkste dieren der voorwereld1 de atlantosauri1 de brontosauri1 de monsterachtige krokodillen en vliegende hagedissen1 de mammouths1 zij allen zijn thans verdwenen1 zonder eenig ander spoor na te laten dan hunne fossiele overblijfselen4 ,de mikroskopisch kleine diatomen daarentegen hebben alle omwentelingen der aarde1 alle gevechten der ontketende elementen overleefd3 hare afstammelingen bevolken nog dezelfde zeen1 die de beenderen der reusachtige dieren verzwolgen hebben1 waarvan geen enkele is overgebleven1 om zijn geslacht voort te planten4 ,terwijl eenerzijds de bijzondere kleinheid der diatomen haar weerstandsvermogen verklaart1 zoo kunnen wij anderzijds uit haar ongeloofelijk sterk voortplantingsvermogen hare beteekenis begrijpen voor de huishouding der natuur4 ,die wezens planten zich door deeling voort4 ,uit n dier lichaampjes vormen zich plotseling twee1 waarvan elk grooter wordt1 op hunne beurt splitsen deze zich weder1 en zoo voort1 zoodat men heeft kunnen waarnemen1 dat ne enkele diatome in #dh uren een millioen dier wezens kan voortbrengen1 en in #d dagen #aej milliard4 ,doch zij leven niet lang2 hunne overblijfselen blijven echter bestaan4 ,niet altijd echter heeft de voortplanting zoo snel plaats2 toch kan men haar somtijds met het oog volgen4 ,de modder1 die zich in de haven van ,pilau 7bij ,koningsbergen7 afzet1 bestaat voor de helft uit mikroskopische organismen2 daardoor moet de haven voortdurend onderhouden worden1 daar de nieuwe bezinkingen jaarlijks #adjjj cubieke voeten bedragen4 ,als men daarin niet voorzag1 zou de haven spoedig niet meer bevaarbaar zijn1 daar men binnen eene eeuw daarin eene laag diatomen van #a #a_/b millioen cubieke meters vinden zou4 ,in het zeezand vindt men dikwijls kleine schelpen2 reeds in de eerste jaren der vorige eeuw1 gaven zich twee ,italiaansche geleerden1 ,bianchi en ,beccaria1 de moeite1 om het aantal schelpen te tellen1 die in een ons zand der ,adriatische zee1 in de nabijheid van ,bologna1 gevonden werden2 zij vonden daarin #aabj4 ,beccaria toonde aan1 dat geheele heuvels vastland1 ten zuiden van ,bologna1 uitsluitend uit die schelpen gevormd zijn4 ,maar in dien tijd1 toen men gewoon was alle dergelijke verschijnselen op rekening van den zondvloed te stellen1 begreep men de beteekenis van dat feit volstrekt niet4 ,in den loop dezer eeuw1 lang vr de peilingen1 voor het leggen van den transatlantischen kabel gedaan1 had men gevonden1 dat een groot gedeelte van den bodem van den ,atlantischen ,oceaan uit een bezinksel bestond1 dat thans bekend staat onder den naam van modder van globigerinen4 ,het bestaat uit schelpen van kleine foraminiferen1 die voornamelijk behooren tot het geslacht ,globigerina2 in drogen toestand geleek die modder veel op fijn zand2 de kleine schelpen1 die gemakkelijk van elkander genomen konden worden1 maakten het duidelijk1 dat het bezinksel grootendeels daaruit was samengesteld4 ,indien men1 door middel eener daarvoor speciaal uitgedachte methode1 monsters haalde uit een dieper gelegen deel van den bodem1 vond men gebroken schelpen der globigerinen1 die vast aan elkander gehecht waren1 zoodat zij een gelijkmatig slib vormden1 waarin men nog een groot aantal ongebroken schelpen en goed herkenbare stukken kon onderscheiden4 ,de geheele massa bestond bijna uitsluitend uit koolzure kalk1 en het eenige gesteente1 dat daaruit zou kunnen voortkomen1 zou kalksteen kunnen zijn4 ,uit deze waarnemingen heeft men de gevolgtrekking afgeleid1 dat zich over eene groote uitgestrektheid van het noordelijke gedeelte van den ,atlantischen ,oceaan en op verscheidene andere gedeelten van de aardoppervlakte1 kalksteenen van die soort moeten hebben afgezet4 ,andere waarnemingen hebben aangetoond1 dat het bijna dezelfde stof was1 waaruit het krijt bestond1 en het is ontwijfelbaar zeker1 dat het bezinksel1 dat nog steeds afgezet wordt1 volkomen hetzelfde is als krijt4 ,die kleine wezens hebben eene veel krachtiger werking uitgeoefend dan de ontzaglijkste plutonische en vulkanische krachten4 ,de laatste hebben niets anders kunnen uitrichten1 dan hetgeen reeds bestond van het middelpunt naar de oppervlakte te brengen1 of wel het te vernietigen of omver te werpen4 ,de poliepen daarentegen bouwden1 schiepen en vervormden langzaam doch onophoudelijk1 in den loop van millioenen jaren1 de gedaante der planeet4 ,von ,schleiden zegt daaromtrent volkomen juist3 ,de wijzigingen der aardoppervlakte zijn gedeeltelijk het werk van dieren en planten1 waarvan men ten onrechte meent1 dat de bestemming alleen is1 door de aarde gedragen en gevoed te worden2 en het zijn niet de ontzaglijke gevaarten1 zooals de walvisschen en olifanten1 of de hooge eiken en boababs1 maar de poliepen zoo groot als een speldenknop1 de polythalamen1 met het bloote oog onzichtbaar1 de kleinste mikroskopische planten1 in de moerassen verborgen1 die den grootsten invloed hebben uitgeoefend op den bouw der aarde4 ,met bewondering beschouwen wij eene lange rij bergen1 met bosschen van eiken en beuken bedekt1 en wij gaan met minachting het groenachtige schuim van eenen stilstaanden waterpoel voorbij2 en toch beweegt zich in dat geminachte schuim eene wereld van kleine wezens1 die de bergen bouwen4 ,zoo is het ook in de zee1 waar eene onuitputtelijke voortbrengende kracht zonder tusschenpoozen de rotsen bedekt met wezens1 die zelf weer nieuwe rotsen bouwen1 en die wezens zijn z klein1 dat zij zich aan het menschelijke oog onttrekken4 ,het krijt is dus een voortbrengsel van het organische leven4 ,het bestaat uit vormlooze kalkdeeltjes1 waarmede een groot aantal mikroskopische schilden van foraminiferen verbonden zijn1 die vooral tot het geslacht globigerina behooren4 ,doch er is eene groote verscheidenheid in de samenstelling van het krijt2 nu eens is het verbonden met klei en wordt het dan mergel1 dan weer is het met groene ijzerhoudende korrels verbonden 7groenzand74 ,als het hard en vast is1 noemt men het wit krijt1 als het geel en zandig is1 noemt men het tufkrijt4 ,in het krijt komen nog enkele vreemde stoffen voor1 waaronder het kiezel en het zwavelijzer4 ,het kiezel komt veel voor in het witte krijt1 dat het bovenste gedeelte van de krijtformatie uitmaakt4 ,men vindt het daar als knobbelige klompen1 in gordels1 die op n of twee meters in de krijtmassa van elkander verwijderd zijn4 ,dat kiezel is afkomstig van de ontleding van organische kiezelhoudende lichamen1 zooals de sponzen4 ,ook de kleur verschilt3 de ne krijtsoort is grijs1 de andere lichter1 enkele zijn zelfs geheel zwart4 ,het zwavelijzer komt dikwijls voor in den vorm van staafjes of bolletjes van vezelachtigen bouw1 goudgeel 7geel pyriet7 of zilverwit 7wit pyriet74 ,al behoeft men niet aan te nemen1 dat het krijt op groote diepte gevormd is1 toch is het zeker1 dat de bezinking aan geene beroeringen was blootgesteld1 en dat de naburige oevers er niets bij aangebracht hebben4 ,die bezinking heeft overigens uiterst langzaam plaats gegrepen2 het is immers niet zeldzaam1 zeegels te vinden1 op wier schaal zich crania's 7tot de armpootigen behoorend7 hebben ontwikkeld om op hunne beurt na den dood van de zeegels te dienen tot aanhechtingsvlak van serpuleae 7kalkkokerwormen74 ,verschillende geslachten van zeedieren zijn dus op hetzelfde punt op elkander gevolgd1 vrdat zich op den bodem eene eenigszins dikke krijtlaag had afgezet4 ,de dierenwereld uit de krijtformatie is de voortzetting van de ,jurafauna1 met eene neiging tot ontwikkeling1 die eerst in de tertiaire periode tot haar recht komt4 ,men kent reeds #fjjj soorten1 die kenmerkend zijn voor die periode4 ,de secundaire typen hebben de overhand1 maar op het einde treden reeds de tertiaire typen op4 ,wij zien hier weder diezelfde wet van geleidelijken overgang1 die wij gedurende onze geheele studie hebben leeren kennen4 ,onder de lagere klassen der dierenwereld hebben wij reeds de aandacht gevestigd op de groote en merkwaardige ontwikkeling der foraminiferen1 die op die der poliepen en sponzen der korallische formatie volgde4 ,de koralen bouwen in onze streken geene riffen meer1 en op het einde der krijtperiode verlaten zij de noordelijke zeen geheel en al1 hetgeen wijst op eene verlaging van temperatuur4 ,de zeesterren handhaven zich langer2 de zeegels gaan vooruit 7wij wijzen onder de karakteristieke schelpen dier formatie op den micraster cor-anguinum 7fig4 #bee71 dien men in het bekken van ,parijs in grooten getale vindt74 ,de bryozon 7mosdieren7 nemen1 vooral in de hoogere lagen1 in aantal toe4 ,de armpootige weekdieren brengen nieuwe soorten voort1 vooral de terebratulinae1 waarvan verschillende soorten nog in onze diepe zeen voorkomen 7fig4 #bef-beh74 ,enkele lagen zijn rijk aan oesters4 ,de koplooze en buikpootige weekdieren ontwikkelen zich eveneens1 en geven het aanzijn aan de merkwaardige familie der rudistae1 die alleen voorkomen in de krijtformatie4 ,de rudistae zijn vreemdsoortige weekdieren1 die het geduld en het verstand der natuuronderzoekers niet minder op de proef gesteld hebben dan de belemnieten4 ,hunne massieve en onregelmatige schelp gelijkt op eenen uitgerekten horen2 het geheel is bezaaid met buisvormige openingen ,de voornaamste geslachten der rudistae zijn de hippuriten1 de spheruliten1 de radioliten1 de caprinen en de caprotinen 7fig4 #bei-bfj74 ,zij leefden dikwijls in kolonin1 die uitgestrekte banken vormden1 waar individuen van alle tijden zich aan elkander vasthechtten4 ,zij komen in grooten getale voor in het krijt in het zuidwesten van ,frankrijk en worden uiterst zelden boven #de ,n4,b4 gevonden1 een nieuw bewijs voor de waarschijnlijke verlaging der temperatuur4 ,men vindt nog thans prachtige typen dier oude riffen1 zooals zij zich gevormd hebben onder den invloed der onderzeesche stroomen1 die groote hoeveelheden van die wezens op bepaalde punten ophoopten4 ,merkwaardig is die verzameling van nog loodrecht staande rudistae1 die men op zichzelf of in groepen tegen de helling van sommige bergen in ,provence vindt4 ,het is1 alsof de zee nog eerst onlangs teruggetrokken is1 en z de onderzeesche dierenwereld1 zooals zij toen leefde1 ongedeerd voor onze oogen toovert4 ,men vindt daar ontzaglijke groepen hippuriten1 omgeven door poliepen1 zeegels1 weekdieren1 die in die dierlijke kolonin vereenigd leefden1 overeenkomende met die1 welke op de koraalriffen der ,antillen en ,oceani leven4 ,die verzameling kan alleen dan voor ons behouden gebleven zijn1 indien zij plotseling bedekt is geworden met bezinksels1 die thans1 nu zij onder den invloed van den dampkring vernietigd worden1 die wereld der oude tijden weder voor ons blootleggen4 ,de ammonieten bereiken thans hunne hoogste ontwikkeling en vertoonen eenen overvloed der meest verschillende typen4 ,het geslacht ammonites heeft evenals in de ,juraperiode de overhand2 het zoude ons te ver voeren1 indien wij zelfs de voornaamste vormen wilden beschrijven2 wij noemen dus alleen den ammonites inflatus 7fig4 #bfa7 en den ammonites radiatus 7fig4 #bfb71 die tot de merkwaardigste kunnen gerekend worden4 ,zij verdwijnen van nu af aan voor goed4 ,de belemnieten worden nog vertegenwoordigd door de geslachten actinocomax 7fig4 #bfc7 en belemnitella mucronatus 7fig4 #bfd74 ,boven de krijtformatie vindt men geene ammonieten of belemnieten meer1 zoodat men uit de aanwezigheid dier fossielen reeds met zekerheid kan besluiten1 dat eene formatie niet ouder is dan het trias of jonger dan het krijt4 ,terecht1 ziet men1 beschouwen de geologen de schelpen als de herinneringsmedailles van de groote tijdperken in de ontwikkelingsgeschiedenis der aarde4 ,hij1 die eene belemniet zou vinden in de steenkoolformatie1 zoude eene ontdekking doen1 even vreemd1 als wanneer men in een handschrift van ,cicero een ,fransch woord vond4 ,het is een onmogelijk anachronisme4 ,evenals in de ,juraperiode vormen de weekdieren ook nog in de krijtperiode het belangrijkste deel van de bevolking der zeen4 ,de koppootigen wedijveren in aantal met die der ,juraperiode2 indien de ammonieten niet in z grooten getale voorkomen1 zijn daarentegen de nautili veel talrijker geworden2 met de turruliten1 baculiten1 ptychoceraten en hamiten verschijnen geheel nieuwe soorten4 ,de talrijke vormen van die groep met rechte1 gebogen of aan het uiteinde omgekrulde schelpen zijn het kenmerk der krijtperiode4 ,reeds tijdens de ,juraperiode vindt men hieronder eene groote verscheidenheid van vormen2 die verscheidenheid blijft nog tijdens de krijtperiode voortduren1 en zelfs komen er nog nieuwe typen bij4 ,de ammonieten zijn niet alleen spiraalsgewijze in n vlak gewonden1 zooals in de ,juraperiode2 zij krijgen in de krijtperiode ook nog de gedaante van horens1 staven en van schelpen met wenteltrapvormige of slakkenhuisvormige windingen4 ,vrdat die weekdieren dus van het tooneel verdwenen1 hadden zij nog eene groote verscheidenheid van vormen4 ,onder de hooger ontwikkelde dieren kan men de langzame verandering der visschen en der kruipende dieren waarnemen4 ,de glansschubbige visschen geraken in verval en hebben plaats gemaakt voor de beenige visschen4 ,de kruipende dieren1 die de ,juraperiode gekenmerkt hebben1 sterven langzamerhand uit4 ,in de tweede helft der krijtperiode vindt men geene ichthyosauren1 plesiosauren of pterodactyli meer4 ,de dinosauri worden nog vertegenwoordigd door de iguanodons1 de megalosauri1 de hyleosauri1 de pelorosauri en vooral door de reusachtige mosasauri4 ,de krokodillen1 de afstammelingen der hagedissen uit de ,juraperiode1 verschijnen thans1 om tot op onze dagen te duren4 ,de visschen en de amphibin schijnen niet talrijk geweest te zijn1 hoewel men hier en daar enkele overblijfselen vindt4 ,onder de eerste zijn de haaien merkwaardig2 men heeft daarvan zes soorten in ,zwitserland ontdekt2 zij behooren tot geslachten1 waarvan enkele nog thans voorkomen1 zooals de oxyrhina en de odontaspis2 andere behooren tot de geslachten otodus en corax1 die alleen in het krijt en in de tertiaire zee voorkomen4 ,wij vinden de glansschubbigen evenals in de ,juraperiode vertegenwoordigd door het geslacht pycnodus met vijf soorten2 ook vindt men de geslachten sphaenodus en gyrodus4 ,pictet heeft vier soorten van visschen beschreven1 die op haringen gelijken1 en die hij gevonden heeft in de neocomische lagen2 zij zijn verwant aan de geslachten elops en megalops der tropen4 ,de visschen der krijtperiode wijken af van die der ,juraperiode en naderen tot de tegenwoordige fauna4 ,de kruipende dieren uit de zee voleindigen hunne regeering4 ,indien een waarnemer en denker uit dien tijd de streken had kunnen aanschouwen1 waar thans ,parijs schittert1 en had kunnen doordringen in de diepte der zee1 waarin zich de krijtbanken afgezet hebben1 die wij in de doorsnede der artesische put van ,grenelle hebben leeren kennen1 dan had die voorlooper der toekomstige menschheid in die wateren de oude visschen dier periode kunnen zien1 de macropoma1 den gyrodus1 den belenostomus1 den lepidotus1 tegelijk met de koppootige weekdieren1 de hippuriten1 de zeegels1 de sponzen1 die een leven leiden1 dat niets doet vermoeden van de toekomstige bestemming der aarde1 en die beheerscht worden door de reusachtige kruipende dieren aan de oppervlakte1 zooals den beroemden mosasaurus1 die reeds vroeger beschreven is en die tot in de laatste tijden der krijtperiode blijft heerschen4 ,fig4 #bfh geeft daarvan een denkbeeld4 ,de vogels nemen langzamerhand bezit van de lucht4 ,op den archeopteryx der ,juraperiode volgen de tandvogels1 waarmede wij reeds kennis gemaakt hebben1 de ichthyornis1 de hesperornis enz4 ,de oudste en best gekende van die oorspronkelijke vogels is de hesperornis regalis4 ,hij schijnt in het midden der krijtperiode tamelijk veel te zijn voorgekomen4 ,het was een watervogel4 ,hij bewoonde de oevers der zee1 die zich toen over ,noord-,amerika uitstrekte2 hij was zeer groot en moet geleken hebben op eenen grooten pinguin4 ,zijne vleugels beperkten zich tot n enkel naaldvormig been1 dat het sleutelbeen voorstelt2 zijn plat borstbeen zonder kam geleek op dat der struisvogels1 en zijn schouderblad herinnert aan de dinosauri4 ,de achterste ledematen1 met hunne met zwemvliezen voorziene pooten1 waren bijzonder sterk1 en hij had eenen stevigen staart1 die1 met zijne twaalf zijdelings uitgestrekte wervels1 een krachtig bewegingstoestel moet gevormd hebben4 ,de bek was puntig als die van den duikelaar of de ooievaar4 ,de bovenkaak bevatte veertien tanden1 zonder tanden op de voorkaak1 de benedenkaak daarentegen had tanden over den geheelen rand1 aan iederen kant #cc1 en de twee helften1 door een kraakbeenig gewricht vereenigd1 konden zich uitzetten1 waardoor het dier in staat was groote lichamen te verzwelgen1 zooals dit ook bij de slangen het geval is4 ,in hoofdzaak kwam het dier met de kruipende dieren overeen3 de tanden zijn met stevige wortels in eene gemeenschappelijke groeve ingeplant2 zij zijn met een glad glazuursel bedekt1 en zijn kegelvormig met een punt naar achteren1 zoodat zij evenals de kruipende dieren geschikt zijn1 om het voedsel te grijpen1 niet om het te kauwen4 ,ook de schedel had wegens zijne geringe afmetingen groote overeenkomst met dien der kruipende dieren4 ,wij moeten nog den ichthyornis noemen1 die nauw verwant was met den hesperornis regalis4 ,de kenmerken1 waarin hij van den laatste verschilt1 doen hem juist tot onze tegenwoordige vogels naderen4 ,hij behoort door zijnen kleinen schedel en door zijne dubbel-holle wervels tot de kruipende dieren1 maar overigens heeft hij alle eigenschappen van eenen vogel4 ,in het bijzonder heeft hij goed ontwikkelde vleugels4 ,hij is niet grooter dan eene duif of eene raaf1 en hij komt overeen met onze zeezwaluwen4 ,de vergelijking van die oorspronkelijke vogels zou ons tot de meening doen overhellen1 dat zij niet van nen tak der kruipende dieren1 maar van verschillende afstammen4 ,onze geest is door zijn vermogen1 om de nauwe grenzen van ons tegenwoordig leven te overschrijden1 in staat om die lange krijtperiode te omvatten1 die misschien millioen jaren geduurd heeft4 ,indien wij in onze gedachte verwijlen bij de neocomische periode en de kusten onzer zeen doorloopen1 dan ontmoeten wij op verscheidene plaatsen eene groote menigte dieren1 door den oceaan op onze oevers geworpen4 ,verschillende soorten zullen zich aan onzen blik vertoonen2 overal zullen wij de vreemde gedaanten der belemnieten ontmoeten1 en ammonieten en verschillende soorten van koppootige weekdieren4 ,indien wij onze gedachten bepalen tot een later tijdstip1 het urgonische1 van het vorige misschien door een tijdvak van honderdduizend jaren gescheiden1 en weder dezelfde plaatsen bezoeken1 dan bemerken wij tot onze verbazing1 dat wij de koppootige weekdieren niet meer terugzien1 die in de neocomische periode n der sieraden van de dierenwereld uitmaakten1 en de oevers der zee door hunne schitterende parelmoeren schelpen opluisterden2 al die zoo sierlijk in kamers verdeelde woningen zijn verdwenen1 behoudens enkele weinige sporen4 ,toch vinden wij nog hier en daar langs de kusten enkele koraalbanken4 ,indien wij honderdduizend jaren later1 in de gaultperiode1 dezelfde kusten bezoeken1 dan vinden wij daar groote hoeveelheden zeegels en n- en tweekleppige weekdieren2 wij zien weder geheel andere koppootige weekdieren dan tijdens de neocomische periode1 en geheel nieuwe geslachten en soorten1 zooals de turruliten en de helioceraten4 ,zoo heeft die dierenwereld den stempel behouden van ieder der formaties uit de krijtperiode4 ,indien wij gedurende die periode honderd maal met tusschenpoozen van tienduizend jaren de oevers dier zeen hadden bezocht1 dan zouden wij misschien de achtereenvolgende wijzigingen der dierenwereld hebben kunnen volgen1 en zouden wij het bewijs hebben kunnen leveren1 dat die verschillende vormen op velerlei wijzen met elkander verbonden waren2 dan zouden wij de ontelbare wezens1 die men1 sedert zoovele eeuwen bedolven1 heeft teruggevonden1 levend hebben kunnen aanschouwen4 ,bij de zoogdieren vindt men in die periode geen vooruitgang2 de minst ontwikkelde zijn soorten1 die zooals wij zagen1 reeds in de liasperiode zijn opgetreden4 ,wat ons het meest treft in de duizenden en tienduizenden eeuwen der ,jura- en krijtperiode1 is zeker wel het feit1 dat onmetelijke tijdstippen op elkander volgen1 zonder dat de natuur hoogere wezens schept dan kruipende dieren4 ,wel neemt het aantal hagedisachtige dieren toe2 wel worden de dieren zelf grooter1 doch het blijft steeds hetzelfde type4 ,toch bestond het type der zoogdieren en der vogels reeds1 geschetst als het was in de triasperiode2 doch zij komen daar uiterst zeldzaam voor4 ,indien zij zich niet hebben kunnen ontwikkelen1 en de wereld niet hebben kunnen veroveren1 dan was daarvan niet de oorzaak1 dat de tijd voor hunne geleidelijke ontwikkeling te kort was1 maar dat de gedaante der aarde in die eeuwenlange periode niet veranderde4 ,het vaste land bleef ongeschikt voor de bewoning4 ,tevergeefs volgden de eeuwen op elkander3 zij konden aan de levende wezens niet het karakter van vastelandsdieren geven1 daar de aarde nog geen vastelandsvorm bezat4 ,de kleine insectenetende knaagdieren bleven op de eilanden der ,juraperiode1 wat hunne stamgenooten nog zijn op de eilanden der ,zuidzee4 ,hoogstens bereikten zij den trap1 waarop thans de kangoeroe's van ,nieuw-,zeeland staan4 ,de verbrokkeling van het vasteland leverde eenen onoverkomelijken slagboom op tegen de ontwikkeling der vastelandszoogdieren1 want deze kunnen alleen dan zich tot groote soorten verheffen1 als zij een groot veld vr zich hebben4 ,als nomadische wezens moeten zij ruimte hebben1 om te trekken1 als grasetende dieren hebben zij behoefte aan steeds nieuwe weiden4 ,men kan zich de groote vleeschetende dieren niet denken zonder kudden van grasetende dieren1 en de laatste zijn niet denkbaar zonder uitgestrekte grasrijke vlakten4 ,ieder levend wezen moet de afspiegeling zijn van eenen bepaalden vorm zijner omgeving4 ,de kameel is niet te scheiden van de woestijn1 het paard van de steppen1 de gems van de steile bergen1 de olifant en de rhinoceros van de ontzaglijke bosschen1 de giraffe van de oasen1 het rund van de maagdelijke vlakten1 de hippopotamus van de zoetwaterstroomen4 ,ieder dier zoogdieren komt overeen met eene bepaalde gedaante der aarde1 en te zamen onderstellen zij eene z groote uitgestrektheid1 als alleen het vasteland aanbiedt4 ,indien men zich het vasteland ingekrompen denkt tot de grootte van een eiland1 zelfs al stelt men zich een groot aantal van die eilanden voor1 dan nog kan men zich binnen die enge grenzen het optreden der groote zoogdieren niet denken1 daar dit volstrekt niet in overeenstemming zoude zijn met hunne omgeving4 ,zoolang de aarde nog den eilandvorm behouden hoeft1 om den vastelandvorm aan te nemen1 zoolang kan de dierenwereld zich niet van het kruipende dier tot het zoogdier1 en nog veel minder tot den mensch ontwikkelen4 ,indien gij op een eiland de fossiele overblijfselen vindt van een groot zoogdier1 wees dan overtuigd1 dat het er niet tehuis behoort en dat het er van buiten is ingebracht1 f dat het eiland van een vastland is losgeraakt4 ,reeds het feit alleen1 dat men fossiele beenderen van olifanten en rhinocerossen te ,palermo gevonden heeft1 bewijst1 dat ,sicili eertijds met het vasteland verbonden was4 ,men behoeft daartoe niet eens de onderzeesche bezinkingen te onderzoeken4 ,de groote zoogdieren en de eilanden sluiten elkander uit4 ,wij behoeven er ons dus niet over te verwonderen1 dat de zeen der ,jura- en der krijtperiode1 geen nieuwe typen van levende wezens hebben kunnen voortbrengen4 ,op de oppervlakte van al die op elkander gelijkende eilanden1 die het n na het andere uit het water verrezen1 moesten de kruipende dieren standhouden1 die zich wel langzamerhand vervormden1 maar toch niet konden treden uit het kader1 waarin zij ingesloten waren4 ,het einde der secundaire periode duidt dus het verdwijnen der oude wereld aan1 en het optreden eener nieuwe wereld4 ,de fossielen worden zeldzaam2 versteende zoogdieren komen bijna niet voor4 ,het is de schemering1 die den dageraad voorafgaat4 ,hetzelfde is het geval met de planten4 ,het aantal bekende plantensoorten is in de krijtperiode niet meer dan #cjj4 ,nog altijd hebben varens en naaldboomen de overhand4 ,doch spoedig zullen zij plaats maken voor nieuwe soorten4 ,het karakter der planten uit de krijtperiode bestaat in het optreden der tweezaadbollige1 bedektzadige planten4 ,van dien tijd af vindt men in de ,europeesche flora twee verschillende typen1 het ne bestemd om te verdwijnen of naar het zuiden te worden teruggedrongen1 het andere om de grondslag te worden van den plantengroei in midden-,europa4 ,zoo komen de populieren1 de beuken1 het klimop1 de kastanjes en de platanen voor naast de palmen en de laurierboomen4 ,de naaldboomen uit de ,juraperiode waren voor het meerendeel hooge boomen4 ,enkele geleken op de araucaria's of behoorden inderdaad tot die afdeeling1 andere hadden het voorkomen van onze cipressen doch met sterkere en zwaardere takken2 andere eindelijk hadden slechts onbuigzame takken en naakte of weinig vertakte stammen4 ,de bladeren dier laatste beperkten zich tot met knobbels bedekte1 dicht bij elkander gelegen schubben4 ,ten tijde der wealdperiode1 het begin der krijtformatie of als men liever wil1 het einde der olithische formatie1 ziet men op een aantal plaatsen het land uit de zee te voorschijn treden2 in ,engeland1 in het noorden van ,duitschland1 in de ,jura en elders beginnen de rivieren en meren zich meer en meer uit te breiden4 ,het zijn de eerste aanwijzingen van de omwenteling1 die in de plantenwereld wordt voorbereid4 ,de ontwikkeling in de organische wereld1 waaraan de tweezaadbollige planten haar ontstaan en hare uitbreiding te danken hadden1 heeft plaats gegrepen gedurende de krijtperiode4 ,overal kregen toen de tweezaadlobbige planten of loofboomen de overhand2 overal hebben de cycaden en naaldboomen1 die tot nu toe de onbetwiste heerschappij hadden over het plantenrijk1 de neiging af te nemen en te wijken4 ,de tweezaadlobbige planten komen in grooten getale voor in het cenomanische ,duitschland1 in ,moravi1 ,saksen1 ,boheme1 ,silezi tusschen #di en #ej ,n4,b4 ,te midden dier streek1 die toen in de nabijheid van de golven eener noordelijke zee gelegen was1 vertoonen de loofboomen een merkwaardig mengsel van uitgestorven1 van uitheemsch en tropisch geworden1 en van ,europeesch gebleven soorten of ten minste van soorten1 die nog in het noorden buiten ,europa voorkomen4 ,de credneria is een voorbeeld der eerste soort2 de hymenea1 die tot de peulvruchten behoort1 is een voorbeeld der tweede soort4 ,die typen1 die van toen af aan in hoofdtrekken gegrondvest waren1 zijn na dien tijd bijna niet meer veranderd4 ,de plataan1 de beuk1 de eik1 de kastanje zijn zoowel in ,amerika als in ,europa in de krijtformatie gevonden4 ,het zijn de voorloopers der tegenwoordige plantenwereld4 ,de eerste palmboomen vindt men in ,europa in de tweede helft der krijtperiode2 het spreekt vanzelf1 dat wij hierbij geen rekening houden met de verkeerde opvattingen omtrent de aanwezigheid dier planten in de steenkoolperiode4 ,nrdenskjld heeft eene cenomanische laag van landplanten ontdekt op ,groenland4 ,men vindt daar eene bamboessoort1 eene cycadea1 tropische varens1 gleichenia's en bedektzadige planten1 waaronder vooral eene populiersoort van de familie populus euphratica1 en daarbij vijgeboomen1 magnolia's1 enz4 ,dit merkwaardig geheel wordt voltooid door pijnboomen1 sequoia's1 enz42 palmen komen er niet voor2 deze worden op dat tijdstip wel gevonden in ,silezi en ,provence4 ,hieruit schijnt te mogen worden afgeleid1 dat zich toen de klimaten in de poolstreken begonnen te scheiden4 ,saporta zegt3 ,het gelijktijdig voorkomen der twee typen1 die elkander in onzen tijd schijnen uit te sluiten1 had toen zijnen grond4 ,niettegenstaande de warmte1 die zeker getemperd werd door de vochtigheid en die waarschijnlijk tamelijk gelijkmatig was1 konden zij in de beste harmonie te zamen leven4 ,de grootte der planten uit die periode wijst op eenen tijd1 die zeer geschikt was voor de ontwikkeling der plantenwereld1 en daardoor hebben zich de verschillende typen der tweezaadlobbige planten zoo snel kunnen ontwikkelen4 ,de meeste tweezaadlobbige planten zijn van dien tijd afkomstig1 en hadden van toen af aan het karakter1 dat haar nog steeds onderscheidt4 ,de tweede helft der krijtperiode kan beschouwd worden als het uitgangspunt van den plantengroei1 die ons klimaat eigen is1 evenals de steenkoolperiode het uitgangspunt der geheele plantenwereld is4 ,van de cenomanische periode af begint eene ontwikkeling1 waaruit nieuwe soorten in toenemende mate ontstaan4 ,het ,europeesch klimaat is verscheidene malen gewijzigd1 en daaruit kan verklaard worden1 hoe in den loop der tertiaire periode beurtelings soorten met weinig en taai loof1 beurtelings soorten met eenen rijken bladerentooi gevonden worden4 ,hetzelfde heeft nog onder onze eigen oogen plaats2 de afwijkingen in de boomen op de ne plaats of de andere zijn het beeld van de afwijkingen1 die het gevolg waren van het verschil in tijd op dezelfde plaats4 ,dezelfde verschijnselen1 die wij thans opmerken1 indien wij verschillende streken der aarde vergelijken1 hebben zich eertijds na elkander voorgedaan in den loop der tijden4 ,de wijze van werken der natuur is eigenlijk volkomen dezelfde gebleven4 ,steeds heeft zij de organismen gewijzigd naar hare omgeving1 en onder den invloed dier omgeving is de kracht geboren1 die de veranderingen schept1 waaraan ieder levend wezen onderworpen is4 ,die kracht treedt des te sterker op1 daar zij steeds voortwerkt en haren invloed uitoefent op organismen1 aan den grond vastgehecht1 zooals de planten1 die daaraan onderworpen zijn1 zonder zich door de vlucht daaraan te kunnen onttrekken4 ,fig4 #bgc stelt een landschap voor uit de krijtperiode1 en wel tijdens de cenomanische formatie4 ,men ziet1 dat de wereld zich in de richting van onzen tijd ontwikkelt4 ,het zijn niet meer de paardestaarten en de calamiten der devonische periode1 of de varens der steenkoolperiode 7blz4 #bhd71 de sigillaria's1 de lepidodendrons 7blz4 #bih7 of de haidingera's en de voltzia's der triasperiode4 7blz4 #ccj en #ced74 ,wij naderen meer en meer tot het tegenwoordige type4 ,maar toch zijn het nog niet onze tropische landschappen1 noch onze bosschen met eiken1 beuken of olmen1 of onze bosschages met linden1 populieren of wilgen4 ,toch zijn de nieuwere soorten reeds geboren4 ,de sequoia's1 de pijnboomen1 de bamboe's1 de vijgeboomen1 de magnolia's1 de palmboomen1 de platanen1 de populieren1 de eiken1 de linden1 de kastanjes1 de beuken1 de wilgen1 het klimop bestaan reeds4 ,de woonplaats van den mensen wordt reeds gereedgemaakt4 ,men ziet1 hoe de plantenwereld zich evenals de dierenwereld regelmatig ontwikkeld heeft1 en dat juist tijdens de krijtperiode de tweezaadlobbige planten zijn overgegaan in de hoogst ontwikkelde organismen van het plantenrijk4 ,van dien tijd af hebben wij afwisseling van jaargetijden1 boomen met in den winter afvallende en in de lente zich weder vernieuwende bladeren4 ,de bewoners der oude bosschen zijn verdwenen4 ,de wonderlijke iguanodons1 de vreemdsoortige reptielen met hunne fantastische vlucht1 de reuzenhagedissen1 die geheel vormlooze1 ruwe1 weinig sierlijke wereld is thans onder de fossielenrijke lagen begraven4 ,boven hunne grafsteden kweelen de vogels1 fladderen de insecten1 vliegen de vlinders en in die liefelijke omgeving beschijnen de zonnestralen de eerste bloemen4 ,het ruwe gekrijsch van de monsterachtige dieren wordt al zeldzamer en zeldzamer gehoord en wordt overstemd door duizenden welluidende stemmen1 die zich doen hooren onder den adem der hartstochten4 ,op de afzondering der eerste wezens is het leven in kudden gevolgd4 ,bij de buideldieren heeft zich het gevoel van moederliefde ontwikkeld4 ,verstandige zorg voor hun kroost is de levensvoorwaarde der vogels geworden4 ,de planten zoowel als de dieren zijn schooner geworden2 spoedig zullen zij1 naast schitterende bloemen1 saprijke vruchten opleveren4 ,de warmte is meer gematigd1 de lucht is zuiverder1 de hemel helderder4 ,de aarde wordt volmaakter4 ,de menschheid ontwaakt weldra--binnen enkele duizenden eeuwen--met hare hoogere neigingen1 maar ook met hare dierlijke hartstochten1 die aan haren oorsprong herinneren1 met hare nagels1 tanden1 wapenen1 haar oorlogsbudget en hare staande legers4 ,,vijfde ,,boek4 ,het tertiaire tijdperk4 ,,eerste ,,hoofdstuk4 ,de ,eocene ,periode4 ,de jaren zijn op de jaren1 de eeuwen op de eeuwen gevolgd2 duizenden1 tienduizenden eeuwen zijn over de aarde heengegleden sedert den oorsprong van het geschapene4 ,op de kosmische periode van de schepping der planeet1 toen het leven nog ontbrak1 is de azosche periode gevolgd1 de tijd der laagst ontwikkelde organismen1 der koplooze dieren zonder zintuigen1 der planten zonder bladeren en vruchten1 eene gevoellooze1 stomme en blinde wereld4 ,langen tijd daarna verschenen de iets meer ontwikkelde wezens der primaire periode1 uit de eerste voortgekomen3 de weekdieren1 de schaaldieren1 de visschen1 nog doof en stom1 doch niet meer blind4 ,wij hebben daarna de geboorte der kruipende dieren en der boomen met blijvende bladeren gadegeslagen1 die het type waren der drie groote perioden van het secundaire tijdperk2 en reeds begroetten wij op het einde van dat tijdperk de verschijning der vogel-reptielen1 en die der oorspronkelijke zoogdieren1 de buideldieren4 ,zoo heeft ons de geschiedenis der schepping langzaam1 doch geleidelijk naar het voorportaal der tertiaire tijden gevoerd1 waarin wij thans binnentreden1 en die zich kenmerken door de grootste schrede op de baan van den vooruitgang1 de verschijning der menschheid4 ,het tertiaire tijdperk kan met n woord worden omschreven3 het is het tijdperk1 waarin de voorwaarden voor het leven1 dat tot nu toe eenvormig was1 zich zdanig gesplitst hebben1 dat zij de verscheidenheid hebben voortgebracht1 die het tegenwoordige tijdperk kenmerkt4 ,op het einde der krijtperiode begon ,europa1 dat zich slechts tot een klein centraal vastland beperkte en dat weinig verheffing had1 uit de zee op te rijzen4 ,met talrijke lotwisselingen zal die beweging steeds duidelijker op den voorgrond treden en zullen hooge bergketenen verrijzen4 ,terwijl in de nabijheid der ,middellandsche zee1 de lagen in het algemeen het karakter eener zeeformatie behouden1 zal in de noordelijke streken de zee al meer en meer teruggedrongen worden tot hare tegenwoordige grenzen4 ,de warme luchtstreek zal1 na gedurende langen tijd haar gebied te hebben verdedigd1 geheel naar het zuiden terugwijken2 spoedig zal het verschil in breedte tusschen ,provence en ,engeland voldoende zijn1 om eene geheel andere flora te voorschijn te roepen1 in afwachting dat de afkoeling aan de pool alle planten terugdringt1 die geene lange winters kunnen verdragen4 ,het toenemen van het vasteland en de groote verscheidenheid in de omstandigheden1 die zich van nu af aan openbaart1 brengt eene gewichtige verandering teweeg in de planten- en dierenwereld4 ,men ziet eene ingewikkelde verdeeling der organen1 die evenzeer de hoogere ontwikkeling van het lichaam kenmerkt1 als de verdeeling van den arbeid het kenmerk is van den vooruitgang in de beschaving4 ,de zoogdieren1 die langen tijd niet tot hoogere ontwikkeling konden komen1 ontwikkelen zich van nu af aan bijzonder krachtig en nemen bezit van de aarde1 terwijl de plantenwereld1 vr den beslissenden inval der koude van de poolstreken1 eenen tot nu toe ongekenden luister verkrijgen4 ,de heerschappij der naaktzadige planten is geindigd1 de palmen en de boomen met afvallende bladeren verkrijgen de overhand en zullen in het midden der tertiaire periode hunnen hoogsten bloei bereiken4 ,in de zeen spelen de koppootige weekdieren nog slechts eene zeer ondergeschikte rol1 de armpootigen zijn slecht vertegenwoordigd en de ammonieten hebben hun laatste woord gesproken4 ,daarentegen komen de plaatkieuwige dieren in grooten getale voor1 en met deze de buikpootige weekdieren1 wier ontwikkeling samenhangt met het karakter van de meeste formaties1 die in dien tijd boven water gestegen zijn4 ,in de eigenlijk gezegde zeestreken bloeien de foraminiferen1 ten minste in het begin der periode2 zij bouwen de kalklagen1 die den tertiairen vorm der binnenzeen bepalen1 zooals de banken1 door de rudisten gebouwd1 den secundairen vorm bepaalden4 ,de verschillende diersoorten bepalen zich meer en meer tot bepaalde streken onder den invloed van uitwendige omstandigheden1 die al meer en meer verschillend waren4 ,tegelijkertijd ontwaakt weder de vulkanische kracht1 die eeuwenlang in rust was gebleven1 en deze geeft over de geheele aarde het aanzijn aan grootsche natuurverschijnselen1 waarvan onze vulkanische verschijnselen slechts eene zwakke echo zijn4 ,de oude scheuren in de aardschors openen zich weder2 nieuwe kloven ontstaan1 op wier wanden de uit het inwendige der aarde afkomstige stoffen worden afgezet1 en wel voornamelijk het goud en het zilver4 ,het is1 alsof de aarde aanstalten maakt1 om hem waardiglijk te ontvangen1 die als heer der aarde moet heerschen4 ,het is de periode der vulkanische verschijnselen2 voor het eerst zijn de gesteenten met bellen en blazen voorzien1 en zijn zij vergezeld van asch en slakken1 getuigen van eene krachtige gasontwikkeling4 ,op het einde der periode komen de kraters te voorschijn4 ,in ,frankrijk opent zich de centrale bergvlakte en verschaft zij eenen doorgang aan het bazalt en het trachyt4 ,daaruit bestaan nog thans in ,auvergne de bergen1 zooals de ,puy-de-,dme en de ,mont-,dor1 die eene hoogte hebben van #aejj tot #ahjj meters4 ,hetzelfde is over de geheele aarde het geval4 ,in ,europa zijn het de centrale vlakten van ,duitschland1 ,hongarije en ,zevenbergen1 waar de uitbarstingen het sterkst geweest zijn4 ,de schommelingen van den bodem1 die onophoudelijk plaats grepen1 nog meer dan in de onmiddellijk voorafgaande periode1 openbaren zich door tallooze afwisselingen van zout- en zoetwater tijdens de geheele tertiaire periode4 ,in het begin van het tijdperk had het vasteland ongeveer den ouden vorm behouden1 en herkent men nog de drie ,fransche bekkens1 wier landengten iets in breedte zijn toegenomen2 doch spoedig is het vasteland voor goed uit de zee verrezen en verkrijgt het zijnen tegenwoordigen vorm4 ,in dat tijdperk hebben de ,alpen1 de ,himalaya en de ,cordillera's hunne reusachtige hoogte verkregen4 ,de tertiaire gesteenten zijn zeer verschillend4 ,zij bestaan uit meer of minder zuiver zand1 somtijds z saamgepakt1 dat het zandsteen van verschillende vastheid vormt2 verder bestaan zij uit mergel1 klei en kalksteen4 ,gips1 steenzout1 ijzerhoudende mineralen1 zwavel1 kiezelhoudende klompen1 bruinkool1 komen in grooten getale voor4 ,verscheidene steensoorten zijn rechtstreeks uit de diepten der aarde afkomstig1 waarvan zij in meer of minder beperkte bekkens uitgeworpen zijn3 dit is het geval met het zand1 de klei en de ijzersteenen der ,berner ,jura4 ,terwijl de tertiaire lagen over het algemeen horizontaal zijn en in haar geheel zijn gebleven1 vindt men ze alleen verbroken en opgeheven in de bergen4 ,de dikte der tertiaire formatie bedraagt somtijds meer dan #cjjj meters1 doch misschien komt zij nergens volledig voor4 ,in het tijdperk1 toen zich die tertiaire formatie vormde1 welke aan ,frankrijk1 dat toen nog met ,engeland verbonden was1 ongeveer zijnen tegenwoordigen vorm gaf1 krijgt de planten- en dierenwereld hare laatste ontwikkeling4 ,geheel vrij geworden van de oude vormen1 die aan de vorige tijdperken eigen waren1 gelijken de planten en dieren zzeer op die van onzen tijd1 dat men terecht heeft kunnen zeggen1 dat wij nog altijd in de tertiaire periode leven4 ,wij zijn er trouwens beter mede bekend dan met die der vorige tijdperken en zij bevatten een groot aantal typen1 die niet zijn bewaard gebleven in de oudere formaties1 waarin zij waarschijnlijk reeds bestonden4 ,de kruipende en tweeslachtige dieren naderen tot die van onzen tijd1 vooral de kikvorschen en de salamanders2 schildpadden1 krokodillen1 hagedissen en slangen treden het laatst op1 als gewijzigde afstammelingen der oude hagedissen4 ,de vogels hebben talrijke overblijfselen achtergelaten4 ,de zoogdieren drukken echter op de dierenwereld der tertiaire periode hunnen eigenaardigen stempel4 ,al de orden der zoogdieren komen er in voor4 ,eerst de dikhuidigen1 die tot uitgestorven geslachten behoorden1 en enkele verscheurende dieren1 enkele vleugelhandigen en knaagdieren2 vervolgens verschijnen de snuitdieren1 vinpootige dieren 7zeehonden enz471 meerdere knaagdieren1 insecteneters1 vierhandigen en zeer waarschijnlijk de tweehandigen4 ,de tertiaire periode is dus de periode1 waarin voor goed het vasteland ontstond2 wij moeten hier echter nog bijvoegen1 dat de verschillende lagen dier formatie een z groot tijdsverloop voorstellen1 dat men mag aannemen1 dat de verdeeling van land en zee daarom nog niet over de geheele aarde standvastig is gebleven4 ,de bodem is overal in het begin van het tijdperk onderworpen aan onophoudelijke schommelingen1 die eerst de golven in lagunen veranderd hebben en ze daarna hebben drooggelegd4 ,het water van den dampkring1 dat zich ophoopte in de bekkens1 heeft meren gevormd1 waaromheen zich een rijke plantengroei ontwikkeld heeft1 die verwant was aan dien onzer tegenwoordige bosschen4 ,die toestand heeft voortgeduurd1 totdat eene beweging in tegengestelden zin het zeewater weer terugvoerde naar de plaatsen1 die het eertijds bespoelde4 ,die afwisselende rijzingen en dalingen hebben het vasteland langzamerhand zijnen tegenwoordigen vorm gegeven4 ,het tertiaire tijdperk kan in drie perioden verdeeld worden1 die ieder gekenmerkt worden door bepaalde geologische eigenschappen en eene afzonderlijke fauna1 waarbij zich al meer en meer de tegenwoordige soorten van dieren vertoonen3 #a;e ,de laagste tertiaire formatie3 ,eocene formatie 7de dageraad der tegenwoordige geslachten72 #b;e de middelste tertiaire formatie3 ,miocene formatie 7minder geslachten van den tegenwoordigen tijd72 #c;e bovenste tertiaire formatie3 ,pliocene formatie 7meer geslachten van den tegenwoordigen tijd74 ,die drie hoofdverdeelingen1 door ,lyell voorgesteld en reeds sedert langen tijd ingevoerd1 worden1 naarmate de geologische wetenschap zich ontwikkeld heeft1 meer en meer onderverdeeld4 ,enkele geologen zelfs stellen eene andere verdeeling voor3 zij noemen de eerste tertiaire lagen paleoceen1 de daaropvolgende oligoceen 7gedeeltelijk eoceen1 en gedeeltelijk mioceen7 en1 wat er nog van de miocene en pliocene formatie overblijft1 om de tertiaire formatie te voltooien1 neogeen4 ,wij zullen niet te ver afwijken van beide verdeelingen1 en wij zullen termen behouden1 die het meest gebruikt worden1 door ons aan de verdeelingen van ,lyell te houden en de eerste periode in twee afdeelingen te verdeelen1 de paleocene en de oligocene4 ,het tertiaire tijdperk kan dus als volgt geschetst worden3 ,het tertiaire tijdperk4 ,eocene periode4 #a4 ,paleoceen ,suessonische formatie #cf4 ,parijsche formatie #cg4 #b4 ,oligoceen ,tongersche formatie #ch4 ,aquitanische formatie #ci4 ,miocene ,periode4 ,onderste ,mioceen ,langhische formatie #dj4 ,middelste ,mioceen ,helvetische1 molasse formatie #da4 ,bovenste ,mioceen ,tortonische formatie #db4 ,pliocene ,periode4 ,onderste ,plioceen ,messinische formatie #dc4 ,middelste ,plioceen ,plaisantische formatie #dd4 ,astische formatie #de4 ,bovenste ,plioceen ,arnusische formatie #df4 ,al de formaties zijn genoemd naar de landen1 waar zij het best bestudeerd zijn4 ,toch begrijpt men1 dat dit nog slechts voorloopige namen zijn4 ,waarom toch den naam eener ,russische1 ,engelsche1 ,zwitsersche of ,fransche provincie gegeven aan eene formatie1 die over de geheele aarde verspreid is8 ,eene eerst onlangs geboren wetenschap gaat steeds aan een zoodanig euvel mank2 maar reeds nu ontstaat er verwarring tusschen namen1 die geenen anderen oorsprong hebben dan het toeval4 ,wij zullen thans een oogenblik trachten te herleven te midden dier vervlogen tijdstippen en de volgorde van hare historische ontwikkeling nagaan4 ,laat ons eerst de eocene periode bespreken4 ,de natuur doet ons grootsche veranderingen in den toestand der aarde bijwonen4 ,telkens bedekt de zee streken1 die thans voor goed tot het gebied der menschen schijnen te behooren1 en een tijd later komt het land weer bloot2 nu eens overstroomt zij uitgestrekte gedeelten1 dan weder trekt zij zich terug om later weder te verschijnen4 ,in de eocene periode kan men zeggen1 dat ,europa zijnen tegenwoordigen vorm en zijne bergketenen verkregen heeft4 ,reeds in het einde der krijtperiode was eene rijzende beweging gevolgd op de groote daling tijdens de krijtformatie4 ,de eocene formaties wijzen reeds van het begin af op den strijd van den oceaan en het vasteland1 vooral in de noordelijke streken1 waar de zoetwaterformaties de overhand hebben1 die zich meer en meer in zuidelijke richting zullen uitbreiden1 totdat de ,pyrenen opgeheven zullen worden4 ,doch die strijd heeft niet plaats in het bekken der ,middellandsche zee1 waar de zeevormingen iets behouden hebben van het eigenaardige karakter1 dat die streek tijdens de vorige perioden onderscheidde2 men ziet daar namelijk overgroote uitgestrektheden kalksteenen1 aan wier bouw de kleine weekdieren een belangrijk aandeel genomen hebben4 ,doch die rol is niet langer toebedeeld aan de diceraten of de rudisten1 doch aan eenvoudige protozon en vooral aan de nummulieten1 die zelfs aan de eocene formatie der ,middellandsche zee den naam hebben gegeven van nummulitische formatie4 ,in dien tijd strekte zich eene vier- of vijfmaal grootere ,middellandsche zee dan de onze1 de nummulitische zee1 dwars over ,europa uit1 van ,nizza tot de ,krim1 in de richting van den ,alpenketen4 ,op de plaats1 waar thans de ,alpen gelegen zijn1 had men toen slechts kleine eilanden4 ,vandaar dat men de bezinksels dier zee op de toppen der ,alpen terugvindt4 ,europa had toen een ,afrikaansch klimaat4 ,onder den invloed eener warme zee1 die in het zuiden aan de keerkringen grensde1 had men droge en brandend heete jaargetijden1 afwisselend met gematigde en regenachtige tijden2 de gemiddelde jaartemperatuur bedroeg op #de ,n4 ,b4 #be4 ,het is die periode van het tertiaire tijdperk1 waarin ,europa de hoogste temperatuur had4 ,in ,frankrijk kwamen palmboomen in overvloed voor1 kokosboomen en dergelijke tieren welig in ,engeland1 waar de boomen met afwisselende bladeren nog alleen op de hoogten gevonden worden1 waarvan zij eerst op het einde der eocene periode zullen afdalen4 ,zoolang die periode duurt1 blijven de streken in de nabijheid van de pool eenen plantengroei vertoonen1 die overeenkomt met eene temperatuur1 gemiddeld #bj hooger dan die1 welke men in onzen tijd in diezelfde streken heeft4 ,ook de werking in het inwendige der aarde begint zich in dien tijd te openbaren1 en uit zich vooral door de opheffing der ,pyrenen en ,apennijnen1 terwijl meer in het noorden zwavel- en ijzerverbindingen tot de oppervlakte der aarde dringen4 ,de laagste tertiaire formatie is sterk ontwikkeld in de omstreken van ,parijs2 zij zet zich oostwaarts in ,belgi voort en noordwestwaarts in ,engeland4 ,parijs1 ,londen en ,brussel zijn op die formatie gebouwd4 ,het ,kanaal bestond toen niet2 ,bretagne1 met ,cornwallis verbonden1 sloot aan die zijde de ,engelsch-,parijsche golf af1 die zich ver oostwaarts uitstrekte1 over de ,ardennen heenliep en zich over ,belgi verspreidde4 ,in het bekken van ,parijs bestaat de eocene formatie afwisselend uit zee- en zoetwaterformaties1 die aldus gerangschikt zijn3 ,eocene ,formatie4 ,bovenste ,mergel1 gips 7zoetwatervorming74 ,mergel1 gips en harde tufsteen 7zoetwatervorming74 ,mergel1 gips 7zeevorming74 ,middelste ,grofkalk 7zoetwatervorming74 ,zandsteen 7zeevorming74 ,grofkalk 7zeevorming74 ,onderste ,,ii ,zand 7,soissons7 7zeevorming74 ,klei en bruinkool 7zoetwatervorming74 ,zand 7,bracheux7 7zeevorming74 ,i ,kalksteen 7zoetwatervorming74 ,kalksteen 7zeevorming74 ,wij zullen die verschillende formaties in bijzonderheden bespreken1 die in de omstreken van ,parijs zeer gemakkelijk kunnen worden waargenomen4 ,wij beginnen bij de oudste lagen4 ,ondereoceen3 ,i4 ,zee- en zoetwatervorming4 ,de onderste lagen der eocene formatie worden in de onmiddellijke omstreken van ,parijs1 vooral te ,meudon1 waar zij de pisolithische kalksteen bedekken1 die het einde is der krijtformatie1 vertegenwoordigd door witte mergel1 die beneden kalksteen met zeefossielen bevat1 en van boven eene witte verharding1 die zoetwater- en landweekdieren bevat4 ,het bekken van ,parijs moet dus eertijds bedekt zijn geweest met zeewater en later gedeeltelijk boven water zijn gekomen en met zoetwater bedekt4 ,die zeevorming1 die aantoont1 dat in de eerste eeuwen der eocene periode1 de zee eenen nieuwen inval gedaan heeft1 wordt meer naar het zuiden aangewezen door eenen band van ronde strandkeien1 die thans door kiezel aan elkander verbonden zijn en nog steeds de grens aanwijzen van den inval der zee4 ,ten oosten1 in ,belgi1 geven die zeebezinkingen het aanzijn aan eene zandige kalksteen1 die vele schelpen bevat1 en eene schoone zeefauna leert kennen4 ,daarboven vindt men evenals te ,meudon zoetwatergesteenten1 met niet tot de zee behoorende schelpen gevuld4 ,bij ,reims vindt men diezelfde kalksteen1 bij ,rilly is zij verscheidenene meters dik en zeer rijk aan fossielen4 ,verder1 bij ,szanne1 vindt men eene laag harde tufsteen1 rustende tegen eene krijtrots1 die op die plaats de grens aanwijst van dat oude meer4 ,in dat water leefden talrijke weekdieren1 met insecten1 die versteend zijn en z goed bewaard zijn gebleven1 dat men alle bijzonderheden van hunnen bouw kent4 ,,ii4 ,zand van ,soissons4 ,daarna heeft de zee de geheele ,engelsch-,parijsche golf weder bedekt1 zij heeft daar glaukoniet-zand met zeeschelpen afgezet1 die talrijk zijn in de omstreken van ,bracheux1 waar zij gekenmerkt worden door de aanwezigheid van eene groote oestersoort1 die geheele banken vormt4 ,klei en bruinkool4 ,de golf1 waar dit zand zich afzette1 was dus zeer uitgestrekt4 ,eene rijzing van het ,engelsch-,parijsche bekken1 die daarop gevolgd is1 vooral in het oosten1 heeft in het midden van het bekken1 in de onmiddellijke omgeving van ,parijs1 een meer doen ontstaan1 waarin zich kleilagen hebben afgezet1 die te ,vaurigard en ,issy voor baksteenen1 en te ,montereau1 waar de klei zuiverder is1 voor porselein en aardewerk gebruikt worden4 ,die klei1 welke bruinkool bevat1 strekt zich veel verder uit dan de lagere kleilagen4 ,hetzelfde is het geval in ,engeland1 waar het zand en het met bruinkool vermengde krijt bedekt is met een bruin1 taai klei1 ,london clay1 dat te ,londen eene dikte heeft van #aej meters4 ,het ,london clay heeft nog deze merkwaardigheid1 dat het zeeschelpen bevat1 die tot soorten behooren1 die alleen in de warme zeen leven2 met die fossielen vindt men daar een groot aantal schildpadden1 meer dan zestig soorten visschen1 talrijke beenderen van zoogdieren1 en groote1 samengedrukte hoekige vruchten1 tamelijk gelijkend op kokosnoten1 die op de oppervlakte van het water moeten gedreven hebben1 vrdat zij in de modder bedolven zijn1 waarin wij ze thans uitstekend bewaard terugvinden4 ,men heeft die tropische vruchten teruggevonden in de mergel en het zand van het ,trocadero1 toen men de grondwerken verrichtte voor het gebouw van de ,parijsche tentoonstelling van #ahfg2 ,parijs was in die periode een inham in de nabijheid der zee4 ,bovenste zand van ,soissons4 ,toen die klei zich afzette in het zuiden van ,engeland en in ,belgi1 lag het bekken van ,parijs nog onder water3 het fijne en gele zand1 dat bij ,soissons de klei met bruinkool bedekt1 en dat wijst op eenen terugkeer van de zee op die plaatsen1 bevat eene groote hoeveelheid nummulieten4 ,dat zand is zeer ontwikkeld ten noordoosten van ,parijs1 vooral in de ,aisne-vallei1 waar het #ej meters dik is4 ,in ,belgi is het boven de klei van ,vlaanderen nog veel sterker ontwikkeld4 ,de nummulietenzee is dus van het oosten gekomen2 zij is over ,vlaanderen tot het bekken van ,parijs doorgedrongen1 door eene straat1 die overeenkomt met de tegenwoordige vallei der ,oise1 en zij strekte zich niet verder uit dan de onmiddellijke omgeving van ,parijs4 ,het glaukonietzand te ,vaurigard en ,vauves1 dat daar de keien bedekt1 behoort tot de grofkalklaag en wijst het begin aan der middelste eocene periode4 ,middelste ,eocene ,formatie4 ,onderste grofkalk4 ,het grofkalk bevat eene verzameling van fossielenhoudende kalksteenen1 die uitstekende bouwsteenen opleveren2 de vlakte der laag bedraagt van #cj tot #ce meters2 beneden vindt men grof zand met kleine zwarte vuursteenen en groene korrels glaukoniet1 die dikwijls aan elkander verbonden zijn door kalksteen2 het bevat tanden van zeehonden1 kleine poliepen en eene groote nummulietsoort1 die in het grofkalk zeer veel voorkomt4 ,dat glaukonietzand wijst op het begin der zeevorming1 die zich zal uitstrekken over het zuidoosten van ,ile-de ,france4 ,daarboven vindt men eene grove kalksteen1 met vele schelpen1 en een ontzaglijk aantal nummulieten2 daarin komen groote tweekleppige weekdieren1 zeegels en eene cerithidensoort voor1 die voor die laag kenschetsend is4 ,van ,st4-,quentin tot ,rijssel vindt men aan de oppervlakte van den bodem kiezelhoudende blokken verspreid1 waarin de nummulites laevigata voorkomt1 somtijds omsloten door bont-roode klei4 ,dit zijn de laatste overblijfselen van eene laag1 die ons aantoont1 dat de lagere grofkalkzee zich in die richting tot zver uitstrekte en in ,belgi werd voortgezet in eene straat1 die langs de ,sommevallei het departement du ,nord in zijne geheele uitgestrektheid doorsneed4 ,bovenste grofkalk4 ,het bovenste grofkalk verliest weder het karakter eener zeevorming1 aan de vorige lagen eigen1 en wijst op eene kustformatie4 ,het bevat aan de benedenoppervlakte een zoetwatervlak besloten tusschen twee zeebanken1 die ieder gekenmerkt zijn door den overvloed van cerithiden1 die daar voorkomen met buikpootige brakwater-weekdieren4 ,de zoetwater-kalksteen bevat limnaeiden en paludiniden 7tot de buikpootige weekdieren behoorend71 daartusschen ligt dikwijls klei met bruinkool1 die eenen tropischen plantengroei bevat1 o4a4 palmboomen4 ,men vindt daar ook den lophiodon4 ,daar de grofkalkzee zich meer en meer naar het noorden terugtrekt1 eindigt die rij in dunne lagen dicht opeengepakte of kiezelhoudende kalksteen1 afwisselend met gebladerde1 dikwijls magnesiumhoudende mergel1 waarin men hoogst zelden fossielen aantreft4 ,zandsteen4 ,na die afwisseling van zoetwater- en zeevorming1 die het einde aanwijst der grofkalk1 heeft de terugkeer van de zee in het bekken van ,parijs weer het aanzijn geschonken aan een zandbezinksel1 welks fauna weinig met die der grofkalk verschilt4 ,met een aantal soorten aan de beide lagen eigen1 vindt men nog eene geheel aan de laatste laag eigen soort van nummuliet4 ,bovenste grofkalk van ,st4-,ouen4 ,na die bezinking sluit zich de golf van het bekken van ,parijs geheel af bij hare monding1 en verandert zij dus in een zoetwatermeer1 waarin zich nu kalksteen en mergel afzet1 met vuursteenlagen daartusschen1 wier dikte een twintigtal meters kan bereiken4 ,die kalksteen strekt zich ten noorden van ,parijs uit en bevat limneden met enkele schelpen1 niet tot zeedieren behoorend4 ,op het einde der eocene periode hebben dus de zoetwatervormingen in het bekken van ,parijs de overhand4 ,bovenste ,eocene ,formatie4 ,gipshoudende mergel4 ,de bovenste eocene laag bestaat uit eene lange reeks lagen gebladerde mergel1 met lagen gips er tusschen in2 die bezinksels1 die eene dikte van #fj meters kunnen bereiken1 zijn nog grootendeels eene zoetwaterformatie4 ,van onderen heeft men eene dunne laag gipshoudende mergel op de kalksteen van ,st4-,ouen4 ,daarboven liggen de eigenlijke gipshoudende mergellagen1 waar het gips uit drie lensvormige lagen bestaat4 ,de eerste twee zijn gemiddeld #d of #e meters dik2 de laatste is de dikste en strekt zich het verst uit2 te ,montmartre is zij #bj meters dik4 ,de gips heeft daar de gedaante van suiker en is in prisma's verdeeld1 gelijkende op die van het bazalt4 ,dat geheel bovenste gedeelte1 eene zoetwatervorming1 eindigt van onder in blauwachtig1 van boven in zeer wit mergel4 ,in de bovenste massa vindt men de dikhuidige dieren1 paleotheriums1 anoplotheriums1 enz41 waarmede wij weldra kennis zullen maken1 en die beschouwd kunnen worden als de wezens1 die het kenmerk zijn der bovenste eocene formatie4 ,dit is de opvolging der versteende lagen tijdens de eocene periode4 ,merkwaardig is het1 dat die gesteenten eene belangrijke rol gespeeld hebben bij den bouw van steden en woningen4 ,indien er geene bouwsteenen waren1 hoe zouden dan dorpen1 steden1 huizen en monumenten gebouwd kunnen worden8 ,de menschheid is niet alleen afhankelijk van het dieren- en plantenrijk1 maar is ook de slaaf van het delfstoffenrijk1 dat zich afspiegelt in hare wijze van werken en hare geschiedenis4 ,die afwisselingen van zee1 vastland en meren hebben alleen in die ne periode honderdduizenden jaren geduurd6 ,om zich een denkbeeld te vormen van de buitengewone veranderlijkheid in de eocene periode1 zij het voldoende op te merken1 dat het oudste gedeelte der tertiaire formatie in het bekken van ,parijs vertegenwoordigd wordt door een twintigtal verschillende lagen1 die ieder eene bijzondere mineralogische karaktertrek of enkele eigenaardige fossielen bezitten1 en waarvan sommige zeevormingen1 andere zoetwatervormingen zijn2 daarentegen bestaat zij in de ,pyrenen1 in ,zuid-,europa1 tot zelfs in ,china1 bijna uitsluitend uit eene bank vast opeengedrongen kalksteen1 die geheel eene zeeformatie is1 en het voorkomen heeft van eene ,juraformatie1 waarin het wemelt van foraminiferen1 zoodat zelfs de steen nummulietenkalk genoemd wordt4 ,in al de bekkens ontdekt men tusschen de verschillende lagen fossielen1 en wel gewoonlijk des te talrijker1 naarmate men in eene hoogere laag komt4 ,iedere afdeeling der tertiaire periode onderscheidt zich dan ook duidelijker van de krijtperiode dan van volgende perioden3 een groot aantal soorten der miocene periode komen ook in de pliocene formatie voor1 en de tegenwoordige zeen1 b4v4 de ,middellandsche zee1 bevatten nog een z groot aantal pliocene weekdieren1 dat de grens niet gemakkelijk te trekken is tusschen de tertiaire bezinkingen en die van onzen tijd4 ,voegen wij nog hierbij1 dat men in den laatsten tijd een groot aantal tertiaire soorten ontdekt heeft1 die men meende1 dat uitgestorven waren1 en die toch in de diepten der zee in grooten getale voorkomen4 ,de poolstreken1 thans ijskoud en verlaten1 waren toen1 evenals in de secundaire tijden1 bedekt met plantenrijke bosschen2 doch er is reeds eene neiging tot afkoeling4 ,het zijn geen tropische planten meer1 maar platanen1 linden1 kastanjes1 beuken1 pijnboomen1 berken1 noteboomen4 ,die boomen zullen later eerst in onze streken gevonden worden1 wanneer de temperatuur voldoende gedaald zal zijn4 ,maar in dien tijd waren ,frankrijk1 ,duitschland1 ,belgi1 ,engeland nog met palmboomen bedekt1 omdat daar nog een tropisch klimaat heerschte4 ,langzaam en geleidelijk1 doch steeds vooruitgaande1 heeft zich van eeuw tot eeuw het leven ontwikkeld en gesplitst4 ,de ongewervelde dieren der azosche periode hebben het aanzijn geschonken aan de gewervelde dieren4 ,op de weekdieren zijn de visschen gevolgd1 op de visschen de kruipende dieren van het water1 daarop de tweeslachtige dieren1 en uit de kruipende dieren zijn de vogels voortgekomen4 ,met de vogelbekdieren en de buideldieren1 uit de tweeslachtige dieren voortgekomen1 is de heerschappij der zoogdieren begonnen1 die tijdens het tertiaire tijdperk de wereld zijn gaan beheerschen4 ,wij zullen thans de ontwikkeling dier klasse van hoogere dieren volgen1 waaruit de dikhuidige1 de herkauwende1 de verscheurende dieren1 de knaagdieren1 de halfapen1 de apen en de mensch zijn voortgekomen4 ,wij geven hier 7blz4 #dii7 eene schets van het chronologisch verband tusschen de ontwikkeling van het dierenrijk en de opvolging der geologische tijdperken4 ,en blik is voldoende1 om die grootsche geschiedenis te kunnen opbouwen4 ,de tegenwoordige orden der visschen bestonden reeds tijdens de krijtperiode1 en waarschijnlijk reeds vroeger2 zij begonnen zich te vormen in de devonische en de steenkoolperiode4 ,de tegenwoordige orden der kruipende dieren bestonden reeds vr de eocene periode2 hunne vorming is begonnen in de permische periode4 ,de tegenwoordige orden der zoogdieren zijn eerst volledig tot ontwikkeling gekomen in de miocene periode2 in het eocene tijdperk begonnen zij zich eerst te splitsen en verschilden zij nog slechts zeer weinig van elkander4 ,in de eocene formatie der ,vereenigde ,staten zijn de kruipende dieren talrijk1 hoewel zij vervallen zijn van den rang1 dien zij in de secundaire periode innamen4 ,men vindt geene landdinosauri meer1 en er vliegen geene pterosauri meer in de lucht3 deze zijn met de ,jurazeen en krijtzeen1 waarin zij leefden1 verdwenen4 ,voortaan nemen de krokodillen1 schildpadden en hagedissen hunne plaats in1 en de slangen treden voor het eerst op het vasteland van ,amerika op4 ,de krokodillen behooren reeds tot de tegenwoordige typen1 reeds een twaalftal soorten kunnen onderscheiden worden4 ,van de schildpadden zijn reeds #dc soorten bekend4 ,men kent nog slechts zes eocene soorten van slangen4 ,in de bezinksels der eocene zeen heeft men verschillende roggen gevonden1 en daaronder den sidderrog of electrischen rog1 dien men kan herkennen aan zijne om het geheele lichaam gelegen vinnen4 ,men heeft sidderroggen gevonden in de omstreken van ,verona1 op den berg ,bolca1 die beroemd is door zijn groot aantal fossielen2 zij zijn veel grooter dan die1 welke thans de ,middellandsche zee bewonen4 ,die fossiele wezens hebben thans hunne vertegenwoordigers bijna uitsluitend in de zuidelijke zeen2 de ostracion quadricornis b4v4 is merkwaardig door de vreemde ligging zijner oogen1 die op horens bevestigd zijn 7fig4 #bgg74 ,ook te ,aix 7,provence7 heeft men eene groote hoeveelheid fossiele visschen4 ,men vindt daar vooral eene soort van karper 7lebias cephalotes71 die zich van de overige karpers onderscheidt door zijnen van tanden voorzienen bek4 ,die soort bestaat nog heden ten dage in het zoetwater van ,provence4 ,fig4 #bgf is gemaakt naar eene teekening van ,agassiz4 ,tot de merkwaardigste visschen van dat tijdperk behoort de platax altissimus 7fig4 #bgh74 ,de vogels1 die wij voor het eerst in de gedaante van den archeopteryx hebben zien verschijnen1 scheiden zich thans voor goed van de kruipende dieren4 ,fig4 #bgi stelt een merkwaardig afdruksel voor1 in de benedenlagen van den heuvel van ,montmartre gevonden4 ,het zijn de overblijfselen van een gevleugeld wezen1 dat het voorkomen en den bouw heeft van onze tegenwoordige vogels1 en dat men den naam gegeven heeft van den vogel van ,montmartre4 ,die vogel was niet bijzonder groot4 ,de gastornis parisiensis echter1 in #ahee door ,gaston ,plant in de eocene lagen van ,mendon gevonden1 moet1 zooals uit de gevonden tibia blijkt1 eene zeer groote vleugelwijdte gehad hebben4 ,wij zullen zien1 dat de vogels eerst in de miocene periode tot hunne volle ontwikkeling komen4 ,zooals wij reeds hebben opgemerkt1 zijn het de zoogdieren1 die kenschetsend zijn voor het tertiaire tijdperk4 ,wij hebben vroeger reeds gesproken over hun eerste optreden in den vorm van buideldieren4 ,die lagere zoogdieren zijn in ,europa de voorgangers der placentaire zoogdieren geweest2 na daar in de secundaire periode te hebben geleefd1 zijn zij in de eocene periode zeldzaam geworden en in het midden der miocene periode verdwenen4 ,waarschijnlijk zijn verscheidene van deze in placentaire zoogdieren veranderd4 ,diegene1 welke geen verandering hebben ondergaan of niet verhuisd zijn1 waren in den strijd om het bestaan in ongunstige omstandigheden4 ,hoe groot ook hun moed en hunne kinderliefde zijn1 toch zijn hunne jongen1 zwakke en ontijdig ter wereld gekomen wezens1 meer blootgesteld aan de aanvallen der roofdieren dan de placentaire zoogdieren en vooral de knaagdieren en dikhuidigen1 die reeds zeer ontwikkeld ter wereld komen4 ,bovendien kunnen de buideldieren met hunne jongen in hunnen buidel of op hunnen rug geene rivieren oversteken zonder gevaar te loopen ze in het water te zien stikken2 de placentaire zoogdieren1 wier jongen genoeg ontwikkeld ter wereld komen om te kunnen loopen en zwemmen1 ondervinden diezelfde bezwaren niet4 ,daar de grasetende dieren van veld tot veld moeten gaan om de planten te plukken1 die in ieder jaargetijde bloeien1 moeten zij meer last gehad hebben van zeearmen en stroomen dan de vleeschetende buideldieren2 misschien is dit n der redenen1 waarom zij vroeger uit onze streken verdwenen zijn1 want opmerkelijk is het1 dat men in onze tertiaire formaties geen enkel grasetend buideldier gevonden heeft1 en wel overblijfselen van vleeschetende buideldieren4 ,in de eerste helft van het tertiaire tijdperk waren er in ,parijs1 ,auvergne1 ,vaucluse1 ,zwitserland dieren1 die zeer veel geleken op de tegenwoordige buidelratten4 ,men kan er niet aan twijfelen1 dat zij eenen soortgelijken bouw gehad hebben2 ,cuvier toch heeft bij n van deze de buidelbeenderen teruggevonden1 die dienen tot steun van den buidel1 waarin de jongen geplaatst zijn4 ,deze ontdekking behoort tot die1 welke het meest den grooten natuuronderzoeker belang inboezemden2 vrdat hij het bekken gezien had1 was hij overtuigd1 dat het dier buidelbeenderen bezat1 omdat de studie der tanden en van het geraamte hem reeds tot de verwantschap van die dieren met de buidelratten had doen besluiten4 ,cuvier was van meening1 dat er een nauw verband bestaat tusschen de verschillende organen2 hij meende1 dat de aanwezigheid van het ne orgaan de aanwezigheid van een ander orgaan medebrengt2 toen hij dus in het gips van ,montmartre een dier zag1 dat tanden had als eene buidelrat1 beweerde hij reeds vooruit1 dat het ook buidelbeenderen moest hebben als eene buidelrat4 ,toen hij dus het dier ging uitgraven1 en het bekken ging blootleggen1 riep hij eenige vrienden te zamen1 om hen getuige te doen zijn van de ontdekking der buidelbeenderen1 en werkelijk werd zijne voorspelling bewaarheid4 ,toch had het kunnen zijn1 dat ,cuvier niet zoo gelukkig geweest ware2 men moet immers de wet van het onderling verband der verschillende organen niet te streng toepassen4 ,cuvier toch1 die aan de onveranderlijkheid der soorten geloofde1 meende1 dat een hond altijd een hond1 eene buidelrat altijd eene buidelrat is4 ,toch behoeft dit niet steeds het geval te zijn2 een dier kan tegelijkertijd de karaktertrekken van twee verschillende soorten of van twee verschillende klassen gehad hebben4 ,het is zelfs mogelijk1 dat het een schakel geweest is tusschen de twee voornaamste afdeelingen van de klasse der zoogdieren4 ,wij hebben hiervan het bewijs gehad bij de vogel-reptielen en de dinosauri4 ,de eocene periode kenmerkt zich door eenen merkwaardigen rijkdom en eene groote verscheidenheid van soorten van dikhuidigen1 die onder de viervoetige dieren van onzen tijd niet meer gevonden worden2 zij kwamen overeen met de tapirs1 de rhinocerossen en de kameelen4 ,het zijn de paleotheriums1 lophiodons1 anoplotheriums1 anthracotheriums1 cheropotami1 adapis1 alle door ,cuvier ontdekt4 ,wij zullen ze in breede trekken beschrijven4 ,de paleotheriums geleken op de tapirs door hunnen algemeenen bouw1 den vorm van hunnen kop en de kortheid der neusbeenderen1 waaruit blijkt1 dat zij evenals de tapirs eenen kleinen snuit hadden1 ook hadden zij zes snijtanden en twee hoektanden in iedere kaak2 maar door hunne kiezen1 waarvan de bovenste plat en van verhevene halvemaansvormige plooien voorzien waren1 en door hunne pooten1 die alle vier drie toonen bevatten 7bij de tapirs hebben de voorpooten vier toonen7 gelijken zij op den rhinoceros #dg4 ,het is ne der meest verspreide soorten uit die formatie4 ,reeds ,cuvier schrijft1 dat de gipsgroeven in de omstreken van ,parijs er van wemelen3 men vindt daar beenderen van zeven verschillende soorten4 ,de eerste 7paleotherium magnum71 is zoo groot als een paard2 drie andere zijn van de grootte van een varken1 maar ne daarvan met lange1 smalle pooten1 ne met breedere pooten1 ne met nog breedere en nog kortere pooten2 de vijfde soort1 van de grootte van een schaap1 heeft nog kortere en breedere pooten2 de zesde soort heeft de grootte van een lammetje1 en heeft slanke pooten1 waarvan de uiterste toonen korter zijn dan de overige2 de zevende soort is zoo groot als eene haas4 ,men heeft ook in andere streken van ,frankrijk paleotheriums gevonden3 te ,puy-en-,velay1 in de gipshoudende mergel2 in de omstreken van ,orleans1 in de mergellagen1 en bij ,issel in eene laag molasse4 ,maar vooral in de molasse van ,dordogne komt het paleotherium even talrijk voor als in de gipsgroeven van ,parijs4 ,de lophiodons zijn nog nader verwant met de tapirs dan de paleotheriums1 daar ook hunne benedenkiezen dwarse verhevenheden bezitten4 ,in enkele opzichten wijken zij er echter weder van af4 ,cuvier heeft in ,frankrijk #ab soorten ontdekt1 alle begraven in mergel1 uit zoetwater gevormd1 en met limneden gevuld4 ,de grootste soort bevindt zich nabij ,orleans1 in dezelfde groeve als de paleotheriums2 zij gelijkt op den rhinoceros4 ,op dezelfde plaats is eene tweede1 kleinere soort2 eene derde soort vindt men te ,montpellier1 eene vierde bij ,laon1 twee bij ,bichsweiller in den ,elzas1 vijf in ,berry bij ,argenton4 ,de verschillende soorten verschillen onderling in grootte2 de kleinste waren nauwelijks zoo groot als een lammetje2 ook vindt men kleine verschillen in den vorm der tanden1 die wij hier niet zullen bespreken4 ,in de bovenste lagen van de ,parijsche grofkalk heeft men een groot aantal fossiele beenderen van lophiodons gevonden4 ,de anoplotheriums1 die men in de gipsgroeven buiten ,parijs gevonden heeft1 hebben sommige karaktertrekken1 die men bij geen enkel ander dier terugvindt2 pooten met twee toonen1 waarvan de middelhandsbeenderen niet met elkander vereenigd zijn zooals bij de herkauwende dieren1 en tanden1 die tegen elkander aanliggen1 zooals dit thans alleen bij den mensch het geval is4 ,er bestaan drie soorten van anoplotheriums2 de anoplotheriums in den eigenlijken zin1 de xiphodons en de dichobuni1 die in den vorm der tanden van elkander verschilden4 ,het meest verspreide anoplotherium was een dier van de hoogte van een wild zwijn1 doch veel langer en voorzien van eenen langen en dikken staart1 zoodat het ongeveer de afmetingen had van eenen grooten otter4 ,waarschijnlijk kon het goed zwemmen3 men vindt op den bodem der zee zijne beenderen ingesloten in het gips1 dat zich daar afzette4 ,de xiphodon was slank en licht als eene schoone gazelle4 ,de dichobunus had de grootte van eene haas4 ,hij onderscheidt zich van de anoplotheriums en de xiphodons door twee kleine en dunne teenen aan iederen voet1 naast de twee groote teenen4 ,de anthracotheriums liggen tusschen de paleotheriums1 de anoplotheriums en de varkens in4 ,twee van die soorten zijn in het bruinkool van ,cadibona bij ,savona gelegen4 ,de eerste geleek in grootte op den rhinoceros1 de tweede was veel kleiner4 ,men vindt ze ook in den ,elzas4 ,hunne kiezen gelijken op die der anoplotheriums2 doch zij hebben scherpe hoektanden4 ,de cheropotamus komt in de gipsgroeven bij ,parijs voor1 naast de paleotheriums en de anoplotheriums1 maar hij is veel zeldzamer4 ,zijne achterste kiezen zijn van boven vierkant1 van onderen rechthoekig en hebben vier kegelvormige verhevenheden1 omgeven door kleinere bulten4 ,zijne hoektanden zijn klein4 ,hij was zoo groot als een varken4 ,de adapis had de grootte van een konijn2 zij komt ook in de gipsgroeven van ,parijs voor1 en was nauw verwant aan het anoplotherium4 ,wij kennen dus bijna #dj uitgestorven dikhuidige dieren4 ,dit groote aantal dikhuidigen is des te merkwaardiger1 daar wij in de formatie1 die wij thans behandelen1 bijna geene herkauwende dieren vinden1 terwijl deze thans in zoovele soorten voorkomen bij de herten en gazellen en zulke groote afmetingen kunnen aannemen1 zooals bij het rund1 de giraffe of den kameel4 ,doch die dikhuidigen waren niet de eenige bewoners van de landen1 waar zij leefden4 ,in de gipsgroeven immers vinden wij daarbij verscheurende dieren1 knaagdieren1 verscheidene soorten van vogels1 krokodillen en schildpadden2 die twee laatste dieren vindt men ook met de dikhuidigen in de molasse en de mergel van het midden en het zuiden van ,frankrijk4 ,ook is eene vleermuis merkwaardig1 te ,montmartre ontdekt4 ,te ,montmartre zijn ook de beenderen van eenen vos gevonden1 die van onzen vos afwijkt en evenzoo verschilt van den jakhals1 den isatis en den ,amerikaanschen vos2 evenzoo eene soort wilde kat en twee of drie verscheurende dieren1 die nog niet goed bekend zijn4 ,de krokodillen uit dat tijdperk gelijken op onze gewone krokodillen door den vorm van hunnen kop1 terwijl men in de banken der ,juraperiode alleen soorten vindt1 die aan de gavialen verwant zijn4 ,de schildpadden van dien tijd zijn alle zoetwaterdieren2 sommige behooren tot de emydiden2 en er zijn te ,montmartre en vooral in de molasse van ,dordogne1 grootere dan die1 welke men levend kent2 andere zijn trionychidae of schildpadden met weeke lippen4 ,die soort1 die men gemakkelijk kan herkennen aan den vorm van hare schildbeenderen1 en die thans alleen voorkomt in de rivieren der warme landen1 zooals de ,nijl1 de ,ganges1 de ,orinoco1 kwam in grooten getale voor in de streken1 door de paleotheriums bewoond4 ,men vindt eene ontzaglijke hoeveelheid overblijfselen te ,montmartre en in de molasse van ,dordogne en andere bezinkingen uit dien tijd in het zuiden van ,frankrijk4 ,de zoetwatermeren1 in wier omtrek al deze dieren leefden1 en die hunne beenderen opnamen1 bevatten behalve schildpadden en krokodillen1 enkele visschen en schelpen4 ,al de dieren1 die men daar gevonden heeft1 zijn even vreemd aan ons klimaat en even onbekend in de wateren van onzen tijd1 als de paleotheriums en de overige viervoetige dieren van dien tijd4 ,zelfs de visschen behooren gedeeltelijk tot onbekende soorten4 ,het is dus niet twijfelachtig1 dat die eerste groote bevolking van zoogdieren gedeeltelijk vernietigd is2 overal dan ook1 waar men hunne overblijfselen vindt1 zijn daarboven groote bezinkingen van eene zeevorming1 zoodat later de zee weder gestroomd heeft over de landen1 waar die dieren woonden en ze gedurende langen tijd bedekt heeft gehouden4 ,nog niet lang geleden1 in #ahhd1 heeft ,lemoine in de lagere eocene formatie in de omstreken van ,parijs een zoogdier gevonden1 dat hij den naam gegeven heeft van pleuraspidotherium4 ,dat dier was verwant aan de buideldieren en het paleotherium4 ,onlangs bij den bouw van den nieuwen spoorweg van ,st4-,cloud naar ,marly-le-,roy heeft men over eene groote uitgestrektheid het zand van ,fontainebleau blootgelegd met de schelphoudende mergel4 ,men heeft daarin1 onder talrijke fossiele overblijfselen1 veertien verbazend zware en groote ribben gevonden4 ,zij zijn #dc centimeters lang en even dik als breed4 ,gaudry meent1 dat zij behoord moeten hebben tot het grootste zeezoogdier1 dat tot nu toe in de omstreken van ,parijs ontdekt is4 ,het moet geleken hebben op onze tegenwoordige zeekoe1 een groot grasetend walvischachtig zoogdier4 ,de vinnen bestaan uit vijf vingers1 die werkelijke handen vormen4 ,de wijfjes hebben twee groote melkklieren4 ,men kent geen enkel ander dier met zoo zware en groote ribben4 ,doch de grootste schatten voor de paleontologie zijn in den laatsten tijd in ,amerika ontdekt4 ,sedert den bouw van den spoorweg1 die ,amerika doorsnijdt van den ,atlantischen tot den ,stillen ,oceaan1 zijn streken onderzocht1 die tot dien tijd voor de beschaving en de wetenschap gesloten waren4 ,men heeft daar eene menigte fossiele dieren gevonden1 waarvan verscheidene zeer veel verschillen van die van ,europa4 ,dat gedeelte van ,wyoming1 begrepen tusschen het ,rotsgebergte en den ,wahsatchketen1 is n der streken1 die den paleontologen de meeste verrassingen aanbieden4 ,in de eocene periode was de zee1 die tijdens de krijtperiode die streken bedekt had1 door groote zoetwatermeren vervangen1 aan wier oevers een rijke plantengroei ontstond1 en waar de reusachtige dikhuidigen zich ontwikkelden1 wien men den naam van dinoceratiden gegeven heeft4 ,marsh heeft een groot werk geschreven over die vreemde schepselen2 het is nog rijker in belangrijke gegevens dan dat1 waarvan wij vroeger gesproken hebben naar aanleiding van de tandvogels4 ,de schedel der dinoceratiden #dh verklaart ons1 waarom men hun dien naam gegeven heeft4 ,nog nooit had men koppen gezien met zveel horens3 de neusbeenderen dragen twee kleine beenige uitsteeksels2 de vrkaken leveren boven de hoektanden twee stevige uitsteeksels2 een derde nog grooter en merkwaardiger paar wordt door de zijbeenderen gevormd2 men heeft getracht van dit vreemde dier eene voorstelling te maken1 die in fig4 #bhc is weergegeven4 ,ook de hersenen zijn bijzonder vreemd en veel kleiner dan bij eenig ander zoogdier1 zoodat zij op die van kruipende dieren gelijken4 ,de geringe afmeting der hersenen is een karaktertrek1 eigen aan verscheidene zoogdieren der tertiaire formatie2 dat gedeelte van het lichaam is eerst tot meerdere ontwikkeling gekomen bij de dieren van het middelste tertiaire tijdperk en vooral bij die der tegenwoordige periode4 ,daar er in het algemeen verband bestaat tusschen de ontwikkeling der hersenen en het verstand1 mag men aannemen1 dat de oudere zoogdieren minder verstand hadden dan die van onzen tijd4 ,het fossiele dier1 dat door zijne ledematen en zijne tandvorming het meest tot de dinoceratiden nadert1 is de coryphodon2 maar toch is het nog ver van de dinoceratiden verwijderd4 ,niettegenstaande hunne verbazende grootte en bepaalde punten van overeenkomst in hunne ledematen1 kunnen de bekende groote dieren der ,western-,territories toch niet in verband gebracht worden met de snuitdieren1 want zij hadden noch eenen snuit1 noch bovensnijtanden1 en hoewel hunne pooten eenige overeenkomst hebben met die der olifanten1 verschillen zij daarvan weder in vele andere opzichten4 ,de dinoceratiden zijn inderdaad wezens1 die verdwenen zijn zonder nakomelingschap achter te laten1 nadat zij aan de eocene wereld een vreemdsoortig voorkomen gegeven hadden4 ,het is inderdaad vreemd1 dat men reeds in het begin der tertiaire periode zulke groote zoogdieren vindt3 de onderzoekingen toch1 in den laatsten tijd in ,amerika gedaan1 en die welke in ,europa volbracht zijn1 hadden slechts nietige zoogdieren der secundaire periode aan het licht gebracht4 ,van #ahgj tot #ahhc heeft ,marsh de overblijfselen van meer dan #bjj exemplaren van dinoceratiden verzameld1 zonder nog te spreken van de tallooze fossielen1 tot andere groepen behoorende4 ,men kent reeds #cj verschillende soorten4 ,de studie van dat prachtige materiaal is de grondslag van zijne schoone verhandeling4 ,zooals wij zagen behooren de hersenen tot de merkwaardigste organen der dinoceratiden3 zij zijn kleiner dan van eenig ander bekend zoogdier1 zelfs niet grooter dan de geheele wervelkolom4 ,de ontwikkeling der hersenen heeft in de tertiaire periode volgens ,marsh naar de volgende wetten plaats gegrepen3 #a4 ,alle zoogdieren der tertiaire periode hadden kleine hersenen4 #b4 ,in de tertiaire periode zijn de hersenen geleidelijk toegenomen4 #c4 ,die toeneming had vooral plaats in de halfronden4 #d4 ,bij enkele groepen worden de hersenwindingen samengestelder4 ,de halswervels der dinoceratiden gelijken op die der snuitdieren1 maar zij zijn langer4 ,de geheele hals was een derde langer dan die van den olifant4 ,een snuit was dus onnoodig1 omdat het dier met den kop den grond kon bereiken4 ,de beenderen der ledematen zijn over het algemeen zeer sterk1 zooals trouwens het geheele geraamte1 met uitzondering van een deel van den schedel4 ,de voorste ledematen hebben veel overeenkomst met die der snuitdieren4 ,de voorpooten zijn zwaarder dan de achterpooten4 ,indien men den dinoceras vergelijkt met enkele der grootste veelhoevige dieren van onzen tijd1 dan blijkt het1 dat hij eenige punten van overeenkomst heeft met den rhinoceros en eveneens met den olifant4 ,wat zijne grootte betreft1 staat hij tusschen beide in4 ,in andere opzichten herinnert hij ons aan den hippopotamus4 ,de merkwaardig kleine hersenen en de logheid der ledematen wijzen op een dier1 dat zich langzaam beweegt1 dat zich niet onttrekken kan aan veranderingen in het klimaat1 en dat dus veroordeeld is te verdwijnen ten gevolge van de wijzigingen1 die er op het einde der eocene periode in het klimaat hebben plaats gegrepen4 ,de zoogdieren der tertiaire periode zijn voor ons in bijzonder gunstige omstandigheden1 om de ontwikkelingsleer te bestudeeren4 ,die wezens1 wier huid meestal fijn1 en f naakt f alleen met haren bedekt was1 hebben eerst hunne volle ontwikkeling bereikt1 toen de ontzaglijke kruipende dieren der secundaire periode waren uitgestorven1 wier lederachtige en dikwijls gepantserde huid groote voordeelen opleverde in den strijd om het bestaan4 ,tijdens het grootste gedeelte der tertiaire periode verschilden de zoogdieren zeer veel van de tegenwoordige zoogdieren2 zij waren nog in volle ontwikkeling4 ,staan wij een oogenblik stil bij de dikhuidigen1 die de gipsgroeven in de omstreken van ,parijs tot graftombe hadden4 ,montmartre en ,pantin waren hun laatste toevluchtsoord4 ,ieder blok1 dat uit die groeven komt1 bevat een of ander stuk van een been dier zoogdieren1 en hoeveel millioenen van die beenderen zijn verwoest geworden1 vrdat men aan de studie der paleontologie zijne aandacht wijdde4 ,de dikhuidigen kunnen in twee hoofdgroepen verdeeld worden3 die met een oneven aantal teenen1 zooals de rhinoceros en de tapir1 en die met een even aantal teenen1 zooals het zwijn en het nijlpaard4 ,in onzen tijd zijn de verschillende soorten van dikhuidigen voor het meerendeel scherp van elkander gescheiden1 en in dit opzicht vertoonen zij een groot verschil met de herkauwende dieren1 waarvan sommige z op elkander gelijken1 dat men onmogelijk de grenslijn tusschen de verschillende soorten trekken kan4 ,de tegenwoordige dikhuidigen zouden er toe bijdragen om de meening van ons af te werpen1 dat de verschillende soorten van elkander zijn afgestamd2 doch indien wij tot de geologische perioden doordringen1 dan zien wij de ledige ruimten zich aanvullen3 ,de verschillende soorten1 zegt ,gaudry1 liggen z dicht bij elkander1 dat men moeilijk het denkbeeld van zich kan afzetten1 dat die gelijkenis op eene gemeenschappelijke afstamming wijst4 ,als voorbeeld der tegenwoordige dikhuidigen1 die van tertiaire soorten schijnen te zijn afgeleid1 kan men den rhinoceros noemen4 ,die welke in ,afrika te huis behooren1 verschillen in vele opzichten van die1 welke in ,azi leven2 er is dus geen grond1 om te meenen1 dat de ne soort in rechte lijn van de andere afstamt4 ,het is veeleer natuurlijk te meenen1 dat zij beide afstammen van hunne tertiaire voorgangers2 want zij hebben daarmede bijzonder veel overeenkomst3 de tegenwoordige ,aziatische rhinoceros herinnert aan den rhinoceros ,schleiermacheri van ,pikermi1 ,eppelsheim en ,sansan2 de tweehoornige ,afrikaansche rhinoceros heeft eene treffende overeenkomst met den rhinoceros pachygnathus van ,pikermi4 ,de rhinocerossen zijn nog niet zeer oud2 zij zijn in de tertiaire periode voorafgegaan door de acerotheriums1 de paleotheriums1 de paloplotheriums4 ,de romp en de ledematen van die verschillende dieren hebben merkwaardig veel overkomst met elkander4 ,hunne verdeeling in soorten berust op het onderzoek van den schedel en hunne tandvorming2 zij verschillen niet zveel1 of men kan nog begrijpen1 dat zij gemeenschappelijke stamouders bezaten4 ,opdat onze lezers zelf over die verwantschap kunnen oordeelen1 geven wij in fig4 #bhd en #bhe de fossiele geraamten weer1 wier vergelijking ons als het ware eene openbaring is van hunne afstamming4 ,het eerste is van het paleotherium magnum der bovenste eocene formatie2 het tweede is van den rhinoceros pachygnathus uit de bovenste miocene formatie4 ,zoo wordt door de meest verschillende feiten de leer van de verandering der soorten bevestigd4 ,het valt niet te ontkennen1 dat de plotselinge verschijning der groote zoogdieren1 paleotheriums1 anoplotheriums1 in de tertiaire formatie1 de geologen evenzeer moest verwonderen als de verschijning van de pyramiden van ,egypte1 de groote tempels van ,palmyra1 ,paestum en andere de verbazing opwekken van den ontwikkelden reiziger4 ,zij1 die voor het eerst die tempels en pyramiden zagen1 schreven den bouw toe aan denkbeeldige wezens1 demonen1 feen1 goede geesten1 die in de plaats treden van de verdwenen macht der oude beschaving4 ,vandaar het groote aantal legenden1 overleveringen en volksgedichten1 die aan ieder dier runen verbonden zijn4 ,tevergeefs hebben de nieuwe ontdekkingen de verschillende ontwikkelingsphasen der menschheid leeren kennen1 tevergeefs hebben zij doen zien1 hoeveel tusschenschakels er waren tusschen het steenen en het ijzeren tijdperk1 hoeveel voorloopige toestanden er noodig waren voor ieder standpunt der menschheid2 hoe lang de arische volksstammen de ontwikkeling van het sanskrit zijn voorafgegaan2 hoe zich achter iedere oudheid eene nog oudere oudheid openbaart1 achter ieder geslacht een nog ouder geslacht1 en hoeveel honderden eeuwen reeds verloopen waren1 vrdat de eerstgeborenen van den eersten dag der menschenwereld het daglicht zagen4 ,tevergeefs1 want de gewoonte wint het van hetgeen wij aanschouwen4 ,wij moeten ons dus niet er over verwonderen1 dat bij de eerste openbaring van de beenderen in de tertiaire formatie verspreid1 eene dergelijke stomme verbazing den geest bevangen hield4 ,de menschelijke geest kon het raadsel niet ontwarren4 ,hoe zouden de geleerdste1 de verstandigste1 de meest logische denkers een ander antwoord kunnen gegeven hebben1 dan3 ,het gaat de menschelijke bevatting te boven4 ,laat ons het onmogelijke niet beproeven4 ,de organismen1 wier overblijfselen wij zooeven ontdekt hebben1 waren reeds van het begin af wat zij later waren4 ,zij zijn geheel afgewerkt uit de hand van den ,schepper gekomen4 ,meer te willen weten1 is de grenzen van ons kenvermogen overschrijden4 ,pas op1 dat het u niet duizelt3 houd stil4 ,tracht ,god niet van aangezicht tot aangezicht te zien4 ,ziedaar1 met andere woorden1 het antwoord van ,cuvier1 die voor den geest die nieuwe afgronden geopend had4 ,maar de menschelijke weetgierigheid1 tegelijkertijd aangetrokken en afgestooten1 kon geen vrede hebben met eene zoo groote angstvalligheid4 ,de onmogelijkheid der oude verklaring sprong in het oog4 ,hoe kan de eik plotseling haren vollen wasdom bereikt hebben1 hoe kan de leeuw uit het niet ontstaan zijn1 zonder eerst welp geweest te zijn8 ,en de mensch1 dien men zich dertig jaren oud1 en dus volwassen moest voorstellen1 zonder moeder1 zonder kindsheid1 dadelijk met zijne volle kracht en volle oefening6 ,en die oefening is noodig voor de minste beweging1 voor de nietigste handeling1 voor het eenvoudigste gebruik der zintuigen4 ,wat zou die man van dertig jaren uitrichten1 die plotseling verschenen was1 en niet had leeren zien1 betasten en hooren4 ,wat zou hij hebben aan zijne machtige armen1 als hij niet kon grijpen1 aan zijne oogen1 als hij niet had leeren zien en had leeren afstanden beoordeelen2 aan zijne voeten1 als hij niet had leeren loopen4 ,zijne kracht zelf zoude zich tegen hem keeren4 ,de oplossing kwam1 zooals wij zagen1 van verschillende punten te gelijk4 ,eerst ziet men hier en daar losse draden1 die tot geleiddraden konden dienen4 ,de wezens1 die in de verschillende tijdperken op elkander gevolgd zijn1 hebben dikwijls naast groote verschilpunten1 trekken van overeenkomst behouden4 ,daar wij de laatst opgetreden wezens der schepping zijn1 hebben wij de geboorte der wezens niet bijgewoond4 ,wij zijn gelijk aan de wezens van n dag1 die sterven op den dag1 waarop zij geboren zijn1 wij hebben den tijd niet gehad om de gedaanteverwisselingen der organische wereld te leeren kennen4 ,en toch1 indien wij de overblijfselen bestudeeren1 die in de lagen der aarde verborgen zijn1 dan kunnen wij uit de overeenstemming tusschen de dieren van onzen tijd en hunne voorgangers een besluit trekken omtrent hunne verwantschap4 ,wij vinden b4v4 in fossielen toestand hyena's1 katten1 olifanten1 rhinocerossen1 tapirs1 zwijnen1 herten1 gazellen1 dolfijnen enz41 die nauwelijks van de tegenwoordige soorten kunnen onderscheiden worden2 men mag dus besluiten1 dat zij de voorouders dier dieren geweest zijn1 daar het verschil niet grooter is dan dat van rassen1 die eenen gemeenschappelijken oorsprong hebben2 in de geologische tijden1 zoowel als in de tegenwoordige tijden1 hebben zich de soorten tot rassen onderverdeeld1 en het is onmogelijk te zeggen1 waar de soort begint1 waar het ras ophoudt4 ,doch het zijn niet alleen de soorten van eenzelfde geslacht1 die de sporen van verwantschap dragen4 ,als ik zie1 zegt ,gaudry1 dat het paard op het hipparion gevolgd is1 de olifant op den mastodon1 de rhinoceros op het paleotherium1 de tapir op den lophiodon1 de otter op den lutrictis1 de hyena op het ictitherium1 de hond op den amphicyon1 de semnopithecus op den mesopithecus enz41 dan geloof ik1 dat die geslachten door nauwe banden verbonden zijn1 want hunne punten van overeenkomst hebben verreweg de overhand boven hunne punten van verschil4 ,indien ik geloof aan de verwantschap van dieren1 tot verschillende geslachten behoorende1 dan geloof ik ook aan de verwantschap van dieren uit verschillende orden2 ik zie immers herkauwende en eenhoevige dieren in de plaats treden van dikhuidige dieren1 die z dicht daartoe naderen1 dat niemand de grens kan aanwijzen tusschen de dikhuidige1 de nhoevige en de herkauwende dieren4 ,het komt mij dus voor1 dat de paleontologen gerechtigd zijn tot de meening1 dat zij talrijke punten van verwantschap ontdekt hebben tusschen de tegenwoordige dieren en de zoogdieren1 die hun in de geologische tijden zijn voorafgegaan4 ,naarmate ik mijne waarnemingen verder heb uitgebreid1 zegt de uitnemende natuuronderzoeker verder1 ben ik bevestigd in de meening1 dat de wezens niet afzonderlijk op aarde verschenen zijn1 zonder eenig verband2 ik geloof1 dat in de schijnbare verscheidenheid der natuur een plan bestaat1 waarin de oneindige ,schepper den stempel zijner nheid gedrukt heeft4 ,vandaar1 dat het denkbeeld1 om iets van dat plan te ontdekken1 mijne schreden op het gebied der paleontologie gericht heeft4 ,die natuurwet wordt meer en meer bevestigd1 naarmate wij in onze kennis van de geschiedenis der aarde vooruitgaan4 ,naarmate zich de omgeving wijzigt1 wijzigen zich tegelijkertijd de levende soorten4 ,de nieuwe dieren der eocene periode kruipen niet meer1 zij loopen en springen en blijven niet in de modder van een moeras stil zitten4 ,zij zijn meesters der aarde en kennen haar1 want zij dwalen ver weg1 tot kudden vereenigd4 ,sommigen klauteren in de boomen en knagen van de vruchten1 die de tertiaire flora voor hen heeft doen rijpen2 anderen springen van rots op rots tot den top der juist boven water verrezen bergen2 bijna allen hebben de schubbige wapenrusting der kruipende dieren afgelegd4 ,het zijn dikhuidige zoogdieren1 wier huid met haren bedekt is4 ,geen enkele hinderpaal houdt hen tegen2 als eene streek uitgeput is1 gaan zij verder4 ,het zijn het anoplotherium1 de xiphodon1 het paleotherium4 ,er zijn er reeds1 die in de aarde wroeten met hunnen grooten snuit2 anderen ontwortelen de heesters met hunne lange ivoren tanden4 ,de meesten1 zooals het anoplotherium1 zijn geheel zonder wapenen4 ,zonder verdedigingsmiddelen zijn zij verschenen op de aarde1 waar de oude kruipende bevolking niets tegen hen vermocht4 ,hunne kracht zetelt in de vier dunne pooten1 die hen in n oogenblik ver weg kunnen dragen4 ,elke nieuwe vorm der aarde spiegelt zich af in de zeden1 de gewoonten1 het instinct en de gedaante der wezens3 allen worden meer of minder gewijzigd door die nieuwe verdeeling van land en water1 door de opheffing der bergen en de afkoeling op de hoogten2 iedere nieuwe vorm der aarde wordt afgedrukt in den vorm van ieder wezen4 ,wij zullen daarvoor een nieuw bewijs leveren4 ,de ,jurastreek en een groot gedeelte van de omgeving der centrale bergvlakte van ,frankrijk zijn op verscheidene plaatsen bedekt door eene bijzondere formatie1 die wegens den overvloed van korrelig ijzererts den naam gekregen heeft van siderolithische formatie4 ,die formatie dagteekent van de tweede helft der eocene periode4 ,de lagen phosphorzure kalk1 die men in zoo groote menigte te ,quercy vindt1 hebben in menig opzicht groote overeenkomst met de siderolithische formatie1 en schijnen even als deze grootendeels tot de laatste helft der eocene periode te behooren4 ,die lagen bevatten een groot aantal fossielen1 vooral van zoogdieren4 ,die phosphorlagen dan hebben een hoogst merkwaardig geslacht leeren kennen als tusschenvorm tusschen de buideldieren en de placentaire zoogdieren1 het is een verscheurend dier1 door ,filhol cynohyaenodon1 door ,gaudry proviverra genoemd4 ,de schedelholte toont aan1 dat de hersenhalfronden voorzien waren van een aantal in de lengte gerangschikte windingen misschien vier in getal1 en dat de twee middelste een begin van kronkelingen vertoonden2 het achterhoofd was geheel bloot en zeer stevig4 ,de naam yan thylacomorphus1 waaronder die schedel is ingeschreven1 toont aan1 dat hij1 volgens den geleerden directeur van het ,musem1 verwantschap had met de buideldieren4 ,ook heeft men in de lagere tertiaire formatie een verscheurend dier gevonden1 dat tot een geheel ander type behoort1 dan alle voorgaande3 zijne tanden zijn niet scherp en wijzen op de voeding der beren1 die tot de allesetende 7omnivore7 dieren behooren2 dat dier is de arctocyon uit de zandsteenformatie van la ,fre2 het is het oudste van alle tot nu toe bekende zoogdieren in de tertiaire formatie4 ,bekwame paleontologen hebben gemeend1 dat het dier tot de placentaire zoogdieren behoorde2 het is echter voornamelijk uit den vorm van den schedel gebleken1 dat het meer tot de buideldieren naderde4 ,wij mogen ons dus afvragen1 of de placentaire zoogdieren niet afstammen van de buideldieren4 ,indien wij weten1 dat de pterodon1 de hyaenodon1 de paleonictis1 de proviverra1 de arctocyon geleefd hebben in het tijdperk1 waarop de buideldieren op het punt waren uit ,europa te verdwijnen1 om plaats te maken voor de placentaire zoogdieren1 en wij zien1 dat die verscheurende dieren tegelijkertijd karaktertrekken gemeen hebben met de buideldieren en de placentaire zoogdieren1 dan mogen wij aannemen1 dat zij inderdaad de afstammelingen zijn van de buideldieren der secundaire periode4 ,men vindt zelfs herinneringen aan den bouw der buideldieren bij dieren1 die het voorkomen hebben van ware placentaire dieren2 zoo heeft de amphicyon1 die tot de familie der honden behoort1 hetzelfde aantal bovenachterkiezen als de buideldieren en zijn schouderblad gelijkt meer op dat van die dieren dan op dat der honden4 ,de cynodon is verwant aan den hond en de civetkat4 ,het ligt dus voor de hand1 te besluiten1 dat de tegenwoordige wezens van die der oude tijden afstammen4 ,de geschiedenis van een bepaald tijdperk hangt samen met die van het voorafgaande tijdperk4 ,de eocene periode heeft de geboorte bijgewoond van de halfapen1 wezens1 die vroeger door de natuuronderzoekers onder de apen gerangschikt werden1 maar die dien naam niet verdienen en veeleer tusschen de handvleugeligen 7vleermuizen7 en de apen inliggen4 ,men zal zich rekenschap geven van de punten van verschil tusschen de halfapen en de apen1 als men bedenkt1 dat tot de eerste behooren de maki1 de lori1 de galago1 de tarsius 7spookaap71 de galeopithecus1 7kataap7 terwijl tot de tweede behooren de sajou1 de baviaan1 de makaki1 de groene meerkat1 de hulman1 de gibbon1 de orang-oetan1 de chimpansee en de gorilla4 ,het onderscheid is bijzonder groot1 de vierhandigen omvatten dus twee duidelijk van elkander te onderscheiden groepen3 de halfapen en de apen4 ,rttmeyer is de eerste1 die eenen fossielen halfaap gevonden heeft4 ,de geleerde ,bazelsche hoogleeraar vond onder de eocene fossielen1 in de siderolithische formatie van ,egerkingen bij ,solothurn een stuk van eene kaak1 die slechts drie kiezen bevatte2 daarin wist hij eenen halfaap te herkennen1 dien hij den naam gaf van coenopithecus4 ,in #ahgc vond ,delfortrie in de phosphor-lagen eenen bijna volledigen kop van eenen oorspronkelijken halfaap1 dien hij den naam gaf van palaeolemur4 ,na dien tijd vond ,filhol in diezelfde formatie den kop van eene tweede soort van datzelfde geslacht1 die zich door zijne grootere afmetingen en vooral door zijnen gerekten vorm onderscheidde4 ,dezelfde natuuronderzoeker heeft nog eenen kleinen halfaap1 door hem necrolemur genaamd1 leeren kennen4 ,gaudry leidt uit het onderzoek der halfapen1 die in de phosphorzure kalk gevonden zijn1 af1 dat zij eenen gemeenschappelijken oorsprong met de eocene dikhuidige dieren kunnen gehad hebben4 ,de waarschijnlijkheid van die meening neemt toe1 nu ,milne-,edwards en ,grandidier in hun werk over de zoogdieren van ,madagascar bewezen hebben1 hoe groote overeenkomst er bestaat tusschen de halfapen en de veelhoevige dieren4 ,om aan te toonen1 dat verscheidene der halfapen karaktertrekken gehad hebben tusschen de tegenwoordige halfapen en de eocene dikhuidigen1 behoeven wij slechts de omstandigheden hunner ontdekking te vermelden4 ,toen ,delfortrie den schedel van den door hem ontdekten halfaap bestudeerd had1 zond hij dien naar ,gaudry met verscheidene andere fragmenten1 die in de phosphorzure kalk gevonden waren4 ,onder die monsters was ook eene kaak1 die hem herinnerde aan een stuk uit de gipsgroeven van ,parijs1 waarvan de indeeling hem veel moeite gekost had1 en dat geleek op eene kaak door ,gervais onder den naam van aphelotherium beschreven1 maar waarvan het moeilijk was te zeggen1 tot welke groep zij moest worden gerekend4 ,de vergelijking van zoodanige kaken met de stukken1 door ,delfortrie ontdekt en met die van de levende halfapen1 overtuigde hem1 dat de monsters van den geleerden natuuronderzoeker en de kaken van het aphelotherium tot dezelfde halfapen behoorden4 ,tevens herinnerde hij zich1 dat in de bovenste eocene formatie een fossiel voorkwam1 waarvan de rangschikking even lastig was als van het aphelotherium3 de adapis parisiensis1 en kwam hij tot de gevolgtrekking1 dat ook deze tot diezelfde soort van halfapen behoort4 ,is dit het geval1 dan is het bewezen1 dat de halfapen voorheen niet zoover van de dikhuidigen verwijderd waren als thans3 ,cuvier toch rangschikt den adapis onder de dikhuidigen4 ,gervais heeft voorloopig het aphelotherium naast de dikhuidigen gerangschikt4 ,dat er eertijds trekken van overeenkomst bestaan hebben tusschen de halfapen en de dikhuidigen1 mag dus worden aangenomen1 niettegenstaande het ontdekte materiaal nog niet bijzonder rijk is4 ,gaudry is na het onderzoek der gevonden kaken van meening1 dat ook de apen van de dikhuidigen kunnen afstammen4 ,zooals men ziet1 zijn de halfapen naar de ontwikkeling van het organische leven sedert het begin der aarde1 juist op hunnen tijd gekomen1 en wel in de eocene periode2 wij zullen de ware apen in de volgende periode zien verschijnen4 ,fig4 #bhf geeft ons eene teekening van eenen halfaap1 den galeopithecus1 7kataap71 die nauw verwant is met de vleugelhandigen4 ,het merkwaardigste van dit halfslachtige wezen is het vleugelvormig vlies1 dat als valscherm dienst doet en dat het dier in staat stelt1 niet om te vliegen als de vleermuis 7evenzoo een nauw verwant zoogdier71 maar om zich in de lucht in evenwicht te houden4 ,misschien is het jammer1 dat de mensch niet van den galeopithecus afstamt4 ,door de ontwikkeling der organen en der levensverrichtingen zou hij dan ongetwijfeld hebben kunnen vliegen4 ,het einde der eocene periode1 ook wel bekend onder den naam van oligocene periode1 heeft eerst de voornaamste opheffing der ,pyrenen en later die van de voornaamste ,alpen medegemaakt4 ,de gedaante der aarde wijzigt zich dus in die periode zeer4 ,reeds vroeger merkten wij op1 dat de zee1 uit het noorden komende1 zich over een deel van ,frankrijk1 en over de ,rijnvallei tot aan ,bazel heeft uitgebreid1 en dat in de zuidelijke streken daarentegen de zee in zuidelijke richting terugweek4 ,onder den invloed dier noordelijke zee wordt het klimaat van ,europa meer effen en gematigd4 ,daarna wijkt de zee naar het noorden terug en wordt bijna geheel ,europa vastland4 ,het is het tijdperk der groote meren1 zoowel in ,frankrijk als in ,zwitserland1 verscheidene deelen van ,duitschland1 ,oostenrijk1 ,itali en ,griekenland4 ,tegelijkertijd vindt men in ,noord-,duitschland de veenachtige lagunen1 waarin de bruinkool gevormd wordt4 ,de uitbreiding der meren en de overvloed der zoetwaterbezinkingen1 zoowel als de rijkdom der plantenwereld1 wijzen op de toenemende vochtigheid van den bodem1 gevoegd bij eene gematigde en gelijkmatige temperatuur4 ,de boomen met afvallende bladeren nemen in die tweede phase eene groote vlucht1 zonder dat echter de palmen ontbreken1 die nog welig tieren voorbij #ej ,n4,b41 dus nog in het noorden van ,frankrijk1 noch de kamferboomen1 wier noordelijke grens voorbij #ee ligt4 ,de periode eindigt met eene uitdroging der groote meren en het ontstaan van groote stroomen1 waarop de molasse zee volgt4 ,waarschijnlijk behoort de bruinkool met fossiele planten1 in ,groenland op #gj ,n4-,b41 en in ,noord-,canada1 ,i,jsland en ,spitzbergen ontdekt1 tot de eocene formatie4 ,die lagen bevatten #i soorten van groote varens1 #ca soorten van naaldboomen1 #aa soorten van nzaadlobbigen en #ic tweezaadlobbige planten1 waaronder noteboomen1 platanen1 beuken1 eiken1 ahornen1 populieren enz4 ,daar de afkoeling der aarde aan de polen begonnen is1 zoo is het waarschijnlijk1 dat die flora1 niettegenstaande het voorkomen van miocene soorten1 die trouwens niet meer dan een vierde deel van het geheel vormen1 ouder is dan de ,europeesche miocene flora1 dat is1 ouder dan de periode1 waarin de planten1 die de miocene periode kenmerken1 zich zuidwaarts verplaatsten4 ,het noordelijkste punt1 waar die flora is waargenomen1 is ,grinnelland1 op de #hbste paralel gelegen4 ,daar groeiden de zilverspar en de cipres naast den populier en den berk1 aan de oevers der meren1 die met nenufars bedekt waren2 het klimaat was dus op korten afstand van de pool hetzelfde als thans in de ,vogezen4 ,maar de magnolia's ontbraken er1 terwijl deze wel in ,groenland1 op #gj breedte gevonden werden4 ,de gemiddelde jaartemperatuur van noordelijk ,groenland was toen #ab en dus dezelfde als thans die van ,californi1 terwijl op ,spitzbergen 7#hj ,n4,b47 de gemiddelde jaartemperatuur #h of #i bedroeg4 ,de flora van ,groenland had eene merkwaardige overeenkomst met die van de ,parijsche lagere eocene formatie4 ,de flora der poolstreken is de onze voorafgegaan en heeft zich verplaatst naar ,europa en ,amerika1 terwijl de palmboomen1 die voor het eerst in ,europa gekomen zijn in de krijtperiode1 nooit binnen den poolcirkel zijn binnengedrongen4 ,hoewel wij thans het nieuwere tijdvak van de geschiedenis der aarde zijn binnengetreden1 en de tertiaire periode nog zeer jong is met betrekking tot het secundaire tijdperk1 zoo zijn de veranderingen van de gedaante der aarde1 die na dien tijd hebben plaats gegrepen1 verre van onbeteekenend4 ,de zee is na het begin der eocene periode naar ,parijs1 ,londen1 ,brussel1 ,weenen1 ,berlijn1 enz4 teruggekeerd4 ,een zeearm strekte zich tevens uit van ,bordeaux1 over ,montpellier1 ,lyon1 ,genve tot in ,oostenrijk4 ,vroeger1 in ons hoofdstuk over de tegenwoordige veranderingen van den bodem1 hebben wij gezien1 dat die schommelingen der aardoppervlakte nog in onzen tijd voortduren1 en dat de zee weer aanwint in het westen en noorden van ,frankrijk1 in ,belgi1 ,holland1 in het zuiden van ,zweden enz4 terwijl zij terugwijkt in het noorden van het ,scandinavische schiereiland1 aan de mondingen van de ,po1 den ,nijl1 de ,rhne enz4 ,zoo verandert onze planeet van eeuw tot eeuw1 evenals alle wezens1 die haar bewonen4 ,om het beeld der periode te voltooien1 voegen wij hier nogmaals bij1 hoewel wij het reeds vroeger hebben opgemerkt1 dat de ,pyrenen in het laatste gedeelte der eocene periode hunne voornaamste rijzing hebben verkregen1 waarbij de nummulieten-lagen tot eene hoogte van #cceb meters gestegen zijn4 ,de ,apenijnen dagteekenen uit datzelfde tijdperk1 dat is dus uit de oligocene periode1 het einde van het eocene tijdperk4 ,de ,alpen daarentegen hebben hunne grootste hoogte eerst verkregen in de miocene periode1 die wij in het volgende hoofdstuk tot het onderwerp onzer studie zullen maken4 ,,tweede ,,hoofdstuk4 ,de ,miocene ,periode4 ,de miocene periode1 het middelste tijdperk der tertiaire periode1 volgt op de tijden1 waarvan wij zooeven de geschiedenis geschetst hebben1 en ziet de organische en anorganische wereld voortschrijden naar den toestand1 waarin zij thans verkeert4 ,in die nieuwe periode heeft de aarde ongeveer den vorm verkregen1 dien zij thans nog heeft1 en de ,alpen1 zich verheffende tot de hoogte van de eeuwigdurende sneeuw1 zooals dit met de ,pyrenen reeds in de vorige periode het geval geweest is1 geven aan west-,europa haren beslissenden vertikalen vorm1 terwijl in het midden van ,frankrijk de bazaltuitbarstingen de vulkanen doen ontstaan1 die hunne vlammen zullen spuwen over een deel van het land4 ,in die periode worden ook de hoogere zoogdieren1 de apen1 geboren4 ,gewichtige vooruitgang6 ,de vulkanische uitbarstingen hebben in ,cantal op de oorspronkelijke granietmassa's1 die reeds eene hoogte hadden van #hjj tot #ijj meters1 bergen doen ontstaan1 die nog thans1 niettegenstaande de verwering1 waardoor zij afgenomen zijn1 eene hoogte bereiken van #ahjj tot #aijj meters4 ,de dinotheriums en hipparions zijn getuigen geweest van die uitbarstingen en hebben hunne sporen achtergelaten in het grint1 dat die bazaltmassa's bedekt4 ,de uitbarstingen van het miocene bazalt zijn1 na eenen tijd van rust1 gevolgd door de uitstrooming eener taaie massa1 die thans als bouwsteen gebruikt wordt4 ,daarna is een krater ontstaan tusschen de meren van ,murat en ,aurillac4 ,eene ontzaglijke bres is gevormd1 waaruit stroomen porfierhoudend bazalt stroomden1 die de bosschen verbrandden1 welke tegen de hellingen van den berg gelegen waren4 ,daarna opende zich een krater en wierp een' aschregen tot op #bj tot #cj kilometers1 die de planten in de nabijheid bedelvend1 het aanzijn gaf aan de aschsteenen van ,cantal4 ,die vulkanische uitbarstingen hebben geduurd tot aan de pliocene periode1 waarin zich de vulkanen van ,mont-,dore en ,puys geopend hebben4 ,voor de eerste maal schijnt de aarde werkelijk uit het water verrezen te zijn4 ,het zijn niet meer die losse strooken1 die hier en daar uit de uitgebreide zee uitstaken2 het zijn nu groote uitgestrektheden1 die eenen breeden grondslag vormen voor de ontwikkeling van het leven op aarde4 ,wel zijn de ,alpen nog slechts heuvels1 doch reeds zijn elf zuilen uit het water verrezen1 die als het ware de wervelkolom vormen van west-,europa1 want die ,alpeneilanden zijn met elkander verbonden en wijzen den vorm aan van de lagere landen4 ,tusschen het ,juragebergte1 dat reeds tot de helft zijner hoogte gekomen is1 en de in wording zijnde ,alpen1 blijft nog de zee in eene nauwe golf bestaan2 zij beukt beide oevers met hare golven1 en hoopt aan de voeten dier bergen nieuwe schelpen op2 maar zij kan de twee forsche lijnen der ,alpen en der ,jura niet meer uitwisschen4 ,de ,middellandsche zee1 nog langen tijd onzeker van haar gebied1 gaat vooruit en wijkt weer terug door de ,rhnevallei1 ,zwitserland en ,beieren4 ,de ,indische zee staat met de ,middellandsche zee in verband1 daar een deel van ,egypte nog onder water gelegen is4 ,maar er zijn uitgestrekte streken1 die de zeen niet meer kunnen veroveren2 zij moeten zich aan hare tegenwoordige bedding gewennen4 ,griekenland1 dat nog niet van ,klein-,azi gescheiden is1 begint te ontstaan4 ,eene lange1 ingekerfde strook1 het ruggemerg van ,itali1 is nog z onvolledig1 dat ,rome en ,florence nog ontbreken4 ,afrika is met ,europa vereenigd door eene landengte tusschen ,tunis en ,genua en bij ,gibraltar4 ,ten noorden strekt zich het vasteland uit van het ,ural-gebergte tot ,engeland1 en verlengt het zich door vastland en eilanden 7,atlantis87 tot aan de kusten van ,noord- en ,zuid-,amerika4 ,tijdens de miocene periode hebben belangrijke veranderingen plaats gehad in den vorm van ,europa4 ,reeds in het begin der miocene periode verliezen de meren1 die op het einde der eocene periode bestonden1 hun water door eene opheffing van den bodem4 ,daarna bedekt weder de molasse- of ,helvetische zee een groot gedeelte van west-,europa4 ,de zee dringt in ,frankrijk door1 door de ,loire-vallei1 tot aan ,blois1 en n harer armen dringt door tot aan het ,kanaal door ,ille-et-,vilaine1 waardoor het noord-westelijk deel van ,frankrijk een eiland wordt4 ,de zee verspreidt zich in de ,rhnevallei1 bedekt een deel van ,zwitserland en ,oostenrijk1 stroomt langs den tegenwoordigen voet der ,alpen1 en verspreidt zich over oostelijk ,klein-,azi tot aan den ,euphraat4 ,door die zee wordt ,europa verdeeld in eene soort ,indischen archipel1 waar de omstandigheden uiterst gunstig zijn voor de ontwikkeling der plantenwereld1 die in haar geheel nooit zoo rijk geweest is als in dien tijd4 ,de winter is nog bijzonder zacht1 zoodat nooit de plantengroei geheel gestaakt wordt1 en op het einde der periode bloeit de kamferboom reeds in de maand ,maart aan de oevers van het meer van ,constanz1 zooals nu nog te ,madera4 ,om den plantengroei van de miocene periode terug te vinden1 zoude men thans tot #be of #cj naar het zuiden moeten afdalen4 ,indien er reeds een duidelijk onderscheid was tusschen den plantengroei der poolstreken en van midden-,europa1 deed toch het ijs zijnen invloed nog niet gevoelen en was ,i,jsland met prachtige bosschen bedekt4 ,in dienzelfden tijd had men herhaaldelijk vulkanische uitbarstingen in ,auvergne1 de ,rijnvallei1 ,hongarije1 de westelijke helling van het ,rotsgebergte en andere gedeelten der aarde4--,de vulkanen van ,itali1 de ,vesuvius1 de phlegresche velden1 de ,etna1 zijn uit de quaternaire periode4--,overal was de aardschors in beweging en de ketenen der ,alpen1 ,cordillera's en der ,himalaya staken hunne kruinen uit tot hoog in de wolken4 ,wij hebben zooeven gezien1 dat ,europa gedurende de eocene periode reeds een vastland was van groote uitgestrektheid1 doorsneden door een aantal zeearmen4 ,eene dergelijke verdeeling was er ook tijdens de molassische periode4 ,een verbazend groot eiland1 dat het geheele tegenwoordige alpengebied bevatte1 was in grootte toegenomen4 ,ten westen strekte dat eiland zich uit tot aan het westen van ,frankrijk1 en was het door ,piemont in verbinding met het ,italiaansche schiereiland4 ,ten oosten bevatte het al het land1 dat zich tot ongeveer #ce oosterlengte uitstrekte1 en ten zuiden verlengde het zich over ,dalmati tot in ,griekenland4 ,ten noorden was het begrensd door de zee1 die daar eene groote baai vormde1 de vlakten van ,hongarije bedekte en in eenen betrekkelijk nauwen arm geheel ,europa doorsneed4 ,in het oosten was de ,hongaarsche zee in gemeenschap met den ,grooten ,oceaan2 deze strekte zich uit over ,zuid-,rusland2 de ,zwarte ,zee1 de ,caspische ,zee en de zee van ,aral zijn daarvan slechts kleine overblijfselen4 ,die ,oceaan bedekte waarschijnlijk het oosten van den ,ural en breidde zich uit over de uitgestrekte vlakten van ,siberi1 zoodat ,europa en ,azi van elkander gescheiden waren1 omdat die zee in gemeenschap stond met de ,poolzee4 ,bovendien strekte zich de miocene zee uit over ,armeni en het oosten van ,klein-,azi1 en was zij in verband met de ,middellandsche zee1 zooals blijkt uit de talrijke versteeningen1 die aan al die landen gemeen zijn4 ,daarentegen was de straat der ,dardanellen afgesloten en bestond de ,aegesche zee niet4 ,griekenland vormde een vastland1 dat zich verlengde tot aan ,klein-,azi3 de eilanden van den ,aegeschen archipel zijn de bergen van een land1 dat later gezonken is4 ,richten wij onze blikken naar het zuiden1 dan zien wij1 dat de ,middellandsche zee met den ,indischen ,oceaan vereenigd was en ,egypte bedekte2 zij strekte zich uit over ,mesopotami1 waar zij waarschijnlijk in gemeenschap stond met den ,oceaan van ,rusland4 ,de molassezee bedekte de ,alpen zelf niet1 zooals dit met de nummulietenzee het geval geweest is1 maar hare golven stroomden rondom die streek1 die al duidelijker en duidelijker haren tegenwoordigen vorm vertoonde4 ,daar de planten- en dierenwereld van ,marokko en ,algeri in grondtrekken eene groote overeenkomst vertoont met die der ,europeesche kusten1 zoo heeft men reeds langen tijd gemeend1 dat die landen eertijds verbonden waren door landengten1 zooals die welke bij ,gibraltar bestonden1 waarschijnlijk tusschen ,corsika en ,sardini4 ,die meening is later nog waarschijnlijker geworden door de overblijfselen van beenderen1 die men onlangs in ,sicili ontdekt heeft1 en die ons leeren1 dat de ,afrikaansche olifant1 de hippopotamus en de gevlekte hyena in ,sicili leefden1 en dat dus eertijds dat land in verbinding moet gestaan hebben met ,afrika4 ,de ,baltische zee was waarschijnlijk droog en verbonden met het oorspronkelijke ,scandinavi2 die zee is het vaderland van het barnsteen1 dat niets anders is dan het product der naaldboomen uit de tertiaire periode4 ,denemarken1 ,nederland en het noorden van ,belgi lagen onder water en de zee strekte zich tot ,keulen uit1 doch de geologische formatie der kusten van ,bretagne en ,engeland en de aard van den bodem maken het waarschijnlijk1 dat ,frankrijk en ,engeland met elkander in gemeenschap stonden4 ,het is ook waarschijnlijk1 dat de ,britsche eilanden1 zooals wij reeds vroeger mededeelden1 een klein gedeelte uitmaakten van een groot vastland1 dat zich over den ,atlantischen ,oceaan tot aan ,amerika uitstrekte4 ,de rijzing van de ,alpen1 die heeft plaats gehad na de molassezee1 heeft aan ,europa haren tegenwoordigen vorm gegeven4 ,eenige honderden meters verschil 7dikwijls zelfs eenige tientallen7 zijn voldoende1 om de zee op de plaats te brengen van het land1 en omgekeerd4 ,de formaties1 die wij geleidelijk hebben zien ontstaan1 hebben herhaaldelijk rijzingen en dalingen ondergaan1 waardoor zij beurtelings boven en onder water gekomen zijn4 ,de opheffing der ,alpen is dan ook de oorzaak van het verschil in den vorm van ,europa in de miocene periode en thans4 ,naarmate de ,alpen gerezen zijn1 hebben zij de zee teruggedreven naar hare tegenwoordige grenzen4 ,in het westen is het vasteland1 dat waarschijnlijk een deel van den ,atlantischen ,oceaan innam1 onder de golven van den ,oceaan gedaald1 en is het ,kanaal ontstaan1 dat de verbinding vormt tusschen de ,noordzee en den ,atlantischen ,oceaan4 ,wij zeiden reeds vroeger1 dat de miocene formatie in drie lagen kan worden verdeeld3 de onderste of langhische is eene zoetwatervorming en is ontstaan vr den inval der molassezee4 ,de middelste of ,helvetische laag omvat de zeevorming van het schelpzand van ,touraine en de ,zwitsersche molasse4 ,in de bovenste of ,tortonische laag vindt men de lagen1 die gelijktijdig ontstaan zijn met de klei van ,tortone in ,itali1 en vooral het meerendeel der bezinkingen van het bekken van ,weenen4 ,in het begin der miocene periode is ,parijs door eene groote zee bedekt1 die uit het noord-oosten afkomstig was2 het zand1 daaruit afgezet1 is de zandsteen van ,fontainebleau geworden2 die zee1 die om ,normandi stroomde1 komt niet verder dan het zuiden van ,engeland2 in het noordoosten bedekt zij nog een groot gedeelte van ,belgi1 doch weldra trekt zich die zee weder terug en ontstaat daar een groot1 zich ver naar het zuiden uitstrekkend meer1 waarin zich de kalksteen van ,beauce afzet4 ,het is merkwaardig1 om den zandsteen van ,fontainebleau op den top dier heuvels te beschouwen4 ,men zou meenen1 dat de zee eerst sedert gisteren is teruggetrokken4 ,de zandsteen ligt tusschen twee zoetwatervormingen1 de kalksteen van ,beauce er boven1 die van ,brie er onder4 ,daarna heeft het zoetwater in de middelste miocene periode het zand van ,orleans afgezet1 waarin onder het tegenwoordige bosch van ,orleans de dinotheriums en mastodonten bewaard zijn gebleven4 ,later is de zee teruggekeerd naar het westen van ,parijs1 en heeft zij het aanzijn gegeven aan het schelpzand van ,touraine1 ,anjou1 ,bretagne1 ,cotentin en ,bordeaux4 ,dat schelpzand is eene zeevorming1 bestaande uit gebroken schelpen1 poliepen1 mosdieren1 vermengd met meer of minder grof kiezelhoudend zand4 ,dezelfde bezinksels heeft de zee toen achtergelaten in de golf van ,aquitani1 bij ,bordeaux en in de ,rhnevallei4 ,in ,provence en ,dauphin heeft zij kalksteen afgezet4 ,in dienzelfden tijd heeft de zee bijna geheel ,zwitserland overstroomd1 boven de ,alpen1 die nog niet geheel opgeheven waren4 ,de naam van molasse is gegeven aan de formaties1 voornamelijk zandsteen1 die op den bodem der ,helvetische zee gevormd zijn4 ,men kan bijna zeggen1 dat de naam middelste miocene formatie dezelfde beteekenis heeft als molasse4 ,de bezinksels uit dien tijd zijn zeer aanzienlijk en verheffen zich thans aan den ,alpenrand tot tamelijk hooge bergen1 zooals de ,speer 7#bjjj meters7 en de ,rigi 7#ahjj meters74 ,in het noorden is de molasse-formatie niet zoo hoog2 men kan daaruit besluiten1 dat het water in die richting afstroomde1 en stroomen en beken vormde4 ,de voornaamste gesteenten1 die zich in die periode afzetten1 zijn zandsteen1 mergel1 kalksteen1 en nagelfluh4 7,nagelfluh bestaat uit ronde keisteenen van alle grootten1 met elkander verbonden door zandhoudend mergel of zandsteen74 ,terwijl de kalksteen eene belangrijke rol speelt in de ,jura- en krijtformaties1 is hare beteekenis in de molasseformatie zeer onbeduidend4 ,de omstandigheden1 waaronder die geweldige kalkmassa's gevormd zijn1 zijn in die nieuwe periode geheel gewijzigd2 wij vinden die duizenden kleine werklieden in de zee niet meer terug1 die zonder oponthoud arbeidden aan den opbouw der aardschors4 ,men vindt zeer dikwijls bruinkool in de molasse-formatie4 ,het terugwijken der molassezee heeft zich in het zuidoosten van ,frankrijk gekenmerkt door de grootste geologische gebeurtenis1 waarvan die streek ooit het tooneel is geweest3 de beslissende vorming der ,alpen dagteekent van dat tijdperk4 ,die hooge bergen hebben hunnen tegenwoordigen vorm gekregen ten gevolge van bewegingen1 die hebben plaats gegrepen na de bezinking der molasse4 ,gedurende de bovenste miocene periode rijst noordelijk-,europa langzaam4 ,door eene bepaalde streek te bestudeeren1 die bijzonder rijk is aan plantaardige fossielen en aan dieren1 aan die periode eigen1 namelijk het gebied van ,oeningen in ,zwitserland bij het meer van ,constanz1 heeft ,oswald ,heer reeds langen tijd geleden het geheele leven dier oude eeuwen op uitstekende wijze weder opgeroepen4 ,hij heeft voornamelijk sequoia's1 cipressen1 grassen 7o4a4 rijst en gierst71 riet1 het grootste gedeelte van onze struiken1 acht verschillende soorten van populieren1 eene soort van abeel1 haagbeuken1 noteboomen1 eiken1 olmen1 #ag soorten van vijgeboomen1 #be soorten van laurierboomen1 kamferboomen1 esschen1 lianen1 ranonkels1 meelbloemen1 wijnstokken1 magnolia's1 mirthen1 linden1 acacia's1 mimosen1 ahornen1 hazelaars1 hulsten1 kerseboomen1 pruimeboomen en amandelboomen teruggevonden4 ,pere- of appelboomen uit dien tijd zijn tot nog toe niet bekend4 ,als karakteristieke planten hebben wij op blz4 #ece het merkwaardige landschap van ,lausanne uit de miocene periode weergegeven1 dat de bekende ,zwitsersche natuuronderzoeker vervaardigd heeft4 ,men ziet daar bij elkander3 palmboomen1 acacia's1 eiken1 haagbeuken1 noteboomen1 pijnboomen en hulsten4 ,rhinocerossen1 tapirs en krokodillen worden gelokt door het frissche water4 ,het klimaat der ,zwitsersche valleien en van centraal-,frankrijk was toen dat van ,louisiana of van ,noord-,afrika 7#bj tot #ba gemiddeld7 in de oudste miocene periode1 en dat van ,madera1 ,malaga1 ,sicili 7#ah tot #ai7 in de jongste miocene periode4 ,het gezamenlijk voorkomen van tropische planten en die van de gematigde streken wijst op zachte winters en niet te warme zomers3 een zeeklimaat4 ,de gevonden planten bewijzen1 dat de temperatuur in het noorden in dien tijd afnemende was4 ,op ,spitzbergen is zij reeds tot #h gedaald1 en hetzelfde is ook het geval op ,groenland1 waar men magnolia's1 sequoia's1 populieren1 kastanjes1 eiken en zelfs den wijnstok gevonden heeft4 ,thans is de gemiddelde jaartemperatuur dier streken #g tot #h onder nul4 ,de boomen1 die in de gematigde luchtstreken voorkomen1 dennen1 eiken1 populieren enz41 dalen in die periode van het noorden naar zuidelijker gelegen streken af1 en beginnen met over te komen1 op de bergen1 waar de temperatuur lager is4 ,de palmen worden alleen gevonden in de vlakte en de valleien4 ,verschillen in klimaat en afwisseling van jaargetijden worden merkbaar4 ,de gevonden insecten leggen dezelfde getuigenis af4 ,in de vroegere tijden1 even als thans1 maken de insecten het grootste deel uit van het dierenrijk4 ,niettegenstaande hunne kleinheid en de zwakheid van hunnen bouw1 is er een z groot aantal soorten tot ons gekomen1 dat er geen twijfel daaromtrent kan bestaan4 ,oswald ,heer heeft #hgf fossiele soorten uit die periode verzameld4 ,die insecten worden aldus verdeeld3 #edc schildvleugeligen1 #bj rechtvleugeligen1 #bi netvleugeligen1 #ha vliesvleugeligen1 #c schubvleugeligen1 #fd tweevleugeligen en #acf halfvleugeligen4 ,het talrijkst zijn dus de schildvleugeligen2 daarop volgen de halfvleugeligen1 de vliesvleugeligen1 de tweevleugeligen en de netvleugeligen4 ,de schubvleugeligen zijn het slechtst vertegenwoordigd4 ,onder de vliesvleugeligen komen1 evenals thans ook het geval is1 het meest mieren1 onder de tweevleugeligen1 muggen voor4 ,fig4 #bij doet ons eene merkwaardige verzameling van die insecten uit de miocene periode zien4 ,men merkt voornamelijk de schildvleugeligen op1 waaronder verscheidene vormen van lievenheersbeestjes en een groot aantal insecten2 die men nog thans op velden en weiden vindt4 ,men ziet beneden verscheidene soorten van vliesvleugeligen1 die in het water van het meer van ,oeningen gevallen zijn en op den bodem van het meer versteend zijn2 men vindt daaronder bijen1 hommels1 wespen en mieren4 ,vlinders komen zeldzamer voor2 toch vindt men er enkele onder4 ,het zijn de laatstgevormde insecten en de meest volkomene4 ,de insecten verhalen de korte geschiedenis van het leven op aarde2 hunne gedaanteverwisselingen herinneren aan de opvolging der eeuwen2 de vlinder is de tijdgenoot der bloemen1 terwijl de rups door hare wapenen en haar geheel voorkomen aan de primaire en secundaire periode herinnert2 de gedaanteverwisseling1 die thans in enkele maanden plaats heeft1 vertegenwoordigt eene periode van millioenen jaren4 ,de oorspronkelijke soorten zijn bijna onveranderd gebleven4 ,de krekel en de kakkerlak der steenkoolperiode hebben de veranderingen der aarde overleefd en hebben daarbij hunne gewoonten en levenswijze behouden2 wij vinden ze thans verscholen bij de bakkersovens of bij de fornuizen der oude keukens1 zich warmend evenals ten tijde der steenkoolperiode en het tegenwoordige meel verslindend1 zooals eertijds het meel der cycaden en der paardestaarten4 ,zij zoeken de warmte op en vermijden het licht1 zeker niet wetend1 dat de wereld veel veranderd is sedert den tijd dat zij in de oorspronkelijke bosschen huisden4 ,in het gegons der insecten herkennen wij de echo der vervlogen eeuwen4 ,er waren toen nog geen vogels en nog geen gezang2 de vleugels der krekels en der sprinkhanen1 het gegons der insecten in de bosschen en de velden na eenen warmen zomerdag1 doen in de zoele lucht onduidelijke klanken hooren1 die ons verhalen van die oorspronkelijke tijden4 ,de avondschemering herinnert hun de periode van schemering1 waarin zij het aanzijn ontvangen hebben4 ,wij hebben onze kennis der fossiele insecten te danken aan de onderzoekingen van ,brongniart1 ,grand',eury1 ,fayol en ,oswald ,heer4 ,vrdat wij afscheid nemen van de fossielen van ,oeningen1 moeten wij nog mededeelen1 hoe die uit een geologisch oogpunt zoo merkwaardige plaats1 die zoo rijk was aan alle soorten van fossielen1 insecten1 visschen1 kruipende dieren enz4 reeds in de vorige eeuw de natuuronderzoekers had verbaasd door eene vreemde ontdekking4 ,men vond daar in #agbe die beroemde versteening1 die de geleerde wereld eene halve eeuw lang in beroering bracht1 en waarin de natuuronderzoeker ,scheuchzer eenen fossielen mensch meende te herkennen1 dien hij den naam gaf van homo diluvii testis1 mensch1 getuige van den zondvloed4 ,inderdaad was het niets anders dan het geraamte van eenen slecht bewaard gebleven kikvorsch of liever van eenen salamander1 #a1bf meters lang4 ,het hoofd1 de wervelkolom1 de armen1 de beenen1 waren in de oogen van de natuuronderzoekers uit die dagen1 deelen van een menschelijk geraamte4 ,langen tijd bracht die praeadamiet de wereld in beweging1 doch1 hoewel men tot bewijs van de juistheid der ontdekking zich beriep op de ontdekking van werkelijk versteende geraamten van menschen aan de kusten van ,guadeloupe1 leerde men door de vorderingen1 in de vergelijkende ontleedkunde gemaakt1 eindelijk den waren aard der versteening kennen4 ,men zag1 dat de te ,oeningen gevonden brokstukken behoord hadden aan eenen reuzensalamander1 en men werd hierin bevestigd door het vinden van volledige geraamten dier voorwereldlijke dieren aan de oevers van den ,rijn en in ,japan4 ,bovendien bleek het1 dat de fossiele menschen van ,guadeloupe niets anders waren dan lijken1 die door het water1 dat door de dunne laag aarde van een door ,europeanen na de ontdekking van ,amerika aangelegd kerkhof1 met eene soort kalkhoudende tufaarde omgeven waren4 ,scheuchzer had over dien praeadamiet eene uitgebreide verhandeling geschreven4 ,die verhandeling bevatte eene houtsnede van den mensch1 getuige van den zondvloed4 ,hij kwam in een ander werk1 ,physica sacra op dit onderwerp terug4 ,hij schrijft3 zeker is het1 dat die steen bijna de helft van het geraamte van eenen mensch bevat2 dat de beenderstof zelfs1 en wat nog meer zegt1 het vleesch en nog zachtere deelen dan het vleesch1 in den steen aanwezig zijn2 in n woord1 dat het n der zeldzaamste overblijfselen is1 die wij nog hebben van het vervloekte ras1 dat onder het water bedolven werd4 ,de figuur vertoont ons den omtrek van het voorhoofdsbeen en de oogholten1 die enkele groote zenuwen doorlaten4 ,men vindt er overblijfselen van de hersenen1 van het hoofdwigbeen1 van de kaken1 en sporen van den lever4 ,hoe het mogelijk is1 dat genoemde natuuronderzoeker in dit geraamte een mensch heeft kunnen zien1 blijft een raadsel 7zie fig4 #bia74 ,cuvier zeide reeds3 ,neem een geraamte van eenen salamander en leg het1 zonder u te laten in de war brengen door het verschil in grootte1 naast de versteening1 hetgeen gemakkelijk is1 indien men eene teekening van eenen salamander op de natuurlijke grootte vergelijkt met de teekening der versteening op #a_/f der ware grootte1 en alles wordt u duidelijk4 ,indien men over de versteening mocht beschikken1 dan zou men zeker in de wervels1 in de kaken1 in de sporen van zeer kleine tanden en zelfs in het doolhof van het oor nog een aantal nieuwe bewijzen daarvan vinden4 ,de groote natuuronderzoeker had de voldoening1 zelf het onderzoek te mogen doen1 waarvan hij in het bovenstaande sprak4 ,toen hij te ,haarlem was1 vroeg hij den bestuurder van het ,musem1 om den steen te mogen uithollen1 die den zoogenaamden fossielen mensch bevatte4 ,de bewerking had plaats in tegenwoordigheid van den bestuurder en eenen anderen natuuronderzoeker4 ,eene teekening van het geraamte van eenen salamander was door ,cuvier naast het fossiele voorwerp geplaatst4 ,hij had de voldoening1 dat naarmate het geraamte meer werd blootgelegd1 de juistheid zijner onderstelling meer en meer werd bevestigd4 ,zoo geraakte de salamander van ,oeningen1 die een oogenblik veranderd was in een fossiel mensch1 weder in vergetelheid1 zooals dit het geval geweest is met een aantal dergelijke ontdekkingen1 hetzelfde onderwerp betreffende4 ,de werkelijke overblijfselen van eenen fossielen mensch zijn eerst in onze eeuw gevonden1 zooals wij later zullen zien4 ,in diezelfde miocene periode heeft de vogel1 niet meer de reptiele1 maar de werkelijke vogel1 voor goed bezit genomen van den dampkring4 ,het is nu niet meer de archeopteryx alleen1 die in de cycadenbosschen fladderde1 zonder zich van de moerassen te verwijderen of de toppen van bergen op te zoeken1 die nog niet bestonden4 ,er ontstaan uitgestrekte vastelanden1 met elkander door landengten verbonden4 ,wie anders dan de vogel zal ze het eerst bezoeken8 ,hij bezit doordringende oogen1 om verre streken te ontdekken1 en die verre streken nemen meer en meer toe en de aarde breidt zich uit en het vasteland ontwikkelt zich1 naarmate hij vooruitgaat4 ,hij moet dus1 in de plaats van den strammen vleugel van eenen archeopteryx1 eenen onvermoeibaren vleugel verkrijgen4 ,zoo is het vliegvermogen het uitvloeisel van den nieuwen vorm der aarde4 ,in de ,juraperiode was de vogel een gevangene4 ,hij kon zijne krachten en zijn instinct niet ontwikkelen1 en daarom was zijn vleugel niets anders dan een arm1 waarmede hij zich meer ophield1 dan dat hij de lucht er mede doorkliefde4 ,de tertiaire wereld ontrolt zich voor hem1 en zie1 nu vervolgt hij den steeds wijkenden gezichtseinder2 zijn instinct is hem geopenbaard1 hij vertrouwt zich aan de uitgestrekte ruimte toe4 ,een nieuw type ontstaat tegelijk met een nieuw heelal4 ,hoever zijn wij reeds verwijderd van het silurische weekdier of het kruipende dier uit de ,juraperiode6 ,de vogel6 de levende pozie6 de vrije vlucht1 de vleugel1 de vrijheid boven den beganen grond1 het gezang1 het nest1 de liefde1 het ei6 alles tegelijk4 ,de levende natuur was stom gebleven tot aan het einde der primaire tijden4 ,bij het geraas van de golven1 van den wind in de bladeren1 den bliksem en het onweder1 de orkanen en de stormen1 waren de weekdieren1 de visschen1 de schaaldieren stom gebleven4 ,de insecten begonnen te gonzen1 de krekels klepten met hunne vleugels1 de kikvorschen kwaakten1 de eerste zoogdieren brulden1 de reuzenhagedissen loeiden of schreeuwden4 ,maar nog geen enkel wezen had gezongen4 ,doch daar verschijnt de vogel1 de blauwe hemel1 de bloem4 ,de aarde volmaakt zich4 ,spoedig kan de menschheid geboren worden4 ,liefelijke vogel1 zinnebeeld van den vooruitgang1 welkom op aarde6 ,beter dan alle vorige wezens openbaart gij ons de algemeene wet der schepping2 van u leeren wij meer dan van de geheele geschiedenis der menschheid4 ,gij leert ons1 dat in de goddelijke natuur alles streeft naar het schoone1 naar harmonie1 naar licht4 ,rustelooze bouw van het nest1 duistere en heerlijke gewaarwordingen van den broeienden vogel1 geboorte en opvoeding der jongen3 is dat niet een beeld van de ontwikkeling der menschheid8 ,in de miocene periode zijn de vogels zeer talrijk4 ,in de fossiele formaties van het departement l',allier heeft ,milne-,edwards meer dan #gj verschillende soorten van vogels gevonden1 tot zeer verschillende groepen behoorend1 zooals pelikanen1 kraanvogels1 marabu's1 lepelaars1 ibissen1 zwaluwen1 papegaaien1 enz42 die vogels wijzen op een warmer klimaat dan het onze3 het midden van ,frankrijk moest dus hetzelfde klimaat hebben als thans centraal-,afrika4 ,de vooruitgang openbaart zich in alle afdeelingen van het dierenrijk4 ,wij hebben reeds in het vorige hoofdstuk gezien1 dat de dikhuidigen1 lophiodons1 paleotheriums1 anoplotheriums1 naar alle waarschijnlijkheid zijn voortgekomen uit de buideldieren1 en wel in het begin der eocene periode4 ,zoo hebben de dikhuidigen waarschijnlijk weder het aanzien geschonken aan de herkauwende en de verscheurende dieren4 ,de paleontologie wijst ons1 zooals wij zagen1 op fossiele soorten1 die de voorouders kunnen zijn van sommige tegenwoordige verscheurende dieren2 ook begint zij ons schakels te vertoonen1 die soorten vereenigen1 welke thans van elkander gescheiden liggen4 ,niet alle dieren1 die men onder den naam van verscheurende dieren bijeenvoegt1 hebben dezelfde voedingswijze3 de leeuw eet versch vleesch1 de hyena lijken1 terwijl enkele beren evenzoo omnivoor zijn als de zwijnen4 ,hiermede hangen belangrijke verschillen in den vorm der tanden samen2 naarmate de voeding van het dier meer tot die der verscheurende dieren behoort1 zijn zijne tanden scherper en de hoektanden grooter2 indien zijne levenswijze met die der omnivoren overeenkomt1 dan krijgen de knobbelkiezen de overhand4 ,zoo komen ook de ledematen der verschillende dieren overeen met hunne levenswijze2 de beer1 die weinig loopt en in de boomen klimt1 kan niet dezelfde ledematen hebben als de hond2 de klauwen1 waarmede de hond zijne prooi verscheurt1 kunnen niet gevormd zijn als die van de hyena4 ,de roofdieren worden dan ook in zes families verdeeld3 ,beerachtige roofdieren1 ,marterachtige roofdieren1 ,hondachtige roofdieren1 ,hyena's1 ,civetkatten1 ,katachtige roofdieren4 ,tusschen de verschillende families bestaan talrijke punten van overeenkomst4 ,niettegenstaande het groote verschil tusschen den hond en den beer kent men fossiele roofdieren1 die weer het denkbeeld van verwantschap tusschen die dieren opwekken4 ,zoo b4v4 de amphicyon3 dat viervoetige dier1 dat n der meest eigenaardige fossielen is van het midden der tertiaire periode1 behoort zeker1 zooals de naam aanwijst1 tot de honden2 dit is zelfs z waar1 dat de paleontologen dikwijls moeite hebben1 om de overblijfselen van den amphicyon te onderscheiden van die der honden4 ,toch was de amphicyon een zoolganger en misschien een klimmend dier1 evenals de beren1 terwijl de honden teengangers zijn en niet klimmen4 ,er is eene fossiele soort1 waarbij de verwantschap met de beren nog duidelijker uitkomt dan bij den amphicyon2 wij bedoelen den hyaenarctos #di1 die in de middelste miocene formatie gevonden is4 ,de hyena's verschillen tegenwoordig veel van de civetkatten1 doch dit is niet altijd het geval geweest2 door het onderzoek der tanden leert ons de paleontologie den overgang kennen tusschen de hyena's en de civetkatten4 ,de roofdieren der tegenwoordige tijden zijn door talrijke schakels aan die van vroeger verbonden2 maar evenals vele grasetende dieren uitgestorven zijn en niet tot ons zijn gekomen1 evenzoo is het ook zeker1 dat enkele roofdieren alleen geleefd hebben in de geologische tijden en gestorven zijn1 zonder kroost achter te laten4 ,gaudry geeft als voorbeeld den machoerodus #ej4 ,zooals de naam reeds aanduidt1 bezat dat dier lange scheurkiezen1 zoo scherp als het lemmet van een mes1 waarmede het repen kon trekken uit de dikke huid der dikhuidige dieren2 geen enkel dier van onzen tijd schijnt van dit roofdier af te stammen4 ,wij hebben reeds opgemerkt1 dat de zoogdieren in diezelfde miocene periode hunne grootste ontwikkeling schijnen verkregen te hebben4 ,sedert de langhische periode ziet men bij de placentaire landdieren de laatste karaktertrekken verdwijnen1 die hen nog met de buideldieren verbonden4 ,de snuitdieren verschijnen naast den mastodon en het dinotherium1 die wij beide kunnen beschouwen als de voorboden der olifanten1 waarmede zij trouwens talrijke aanrakingspunten vertoonen4 ,het dinotherium is het grootste van alle ooit bestaan hebbende landzoogdieren4 ,langen tijd bezat men van dat dier slechts onvolledige overblijfselen1 daardoor kwam ,cuvier er ten onrechte toe1 om het onder de tapirs te rangschikken4 ,de ontdekking van eene bijna volledige benedenkaak1 gewapend met eenen naar beneden gerichten slagtand1 bewees1 dat dit geheimzinnige wezen het type was eener nieuwe en tevens hoogst merkwaardige soort4 ,doch daar men dieren der oude wereld kende1 wier boven- en benedenkaak beide van slagtanden voorzien waren1 meende men een' tijd lang1 dat ditzelfde ook bij het dinotherium wel het geval kon wezen4 ,doch in #ahcf werd bij ,eppelsheim 7,hessen-,darmstadt7 een bijna volledige schedel gevonden met enkel slagtanden op de benedenkaak4 ,naar de gevonden ledematen te oordeelen1 moet het dier groote gelijkenis gehad hebben met den mastodon4 ,de mastodon is het eerst in de vorige eeuw in ,amerika ontdekt1 en ,buffon gaf het dier den naam van olifant van den ,ohio4 ,cuvier noemde hem mastodon4 ,de mastodon der miocene periode had vier slagtanden1 waarvan de kortste aan de benedenkaak geplaatst waren4 ,ten allen tijde heeft men beenderen van fossiele olifanten en mastodonten gevonden2 die beenderen hebben aanleiding gegeven tot de dwaze verhalen omtrent de opgraving van geraamten van oude reuzen2 want in eenen tijd1 toen de ontleedkunde nog zoo laag stond1 kon de zucht tot het wonderbaarlijke te meer van dergelijke gebeurtenissen partij trekken1 om denkbeelden te doen ingang vinden1 die op de verbeelding werkten1 waar de olifant een dier is1 wiens geraamte 7met uitzondering van de grootte7 tamelijk veel overeenkomst heeft met dat van den mensch4 ,men zou een geheel boek kunnen vullen met verhalen omtrent fossiele beenderen van groote viervoetige dieren1 die bedrog of onkunde hebben doen doorgaan voor overblijfselen van menschelijke reuzen4 ,het bekendste van die verhalen is dat omtrent het geraamte1 dat men onder ,lodewijk ,,xiii vond1 en dat men vertoonde als dat van ,teutobochus1 koning der ,cimbren1 die tegen ,marius gestreden had4 ,den #aa;den ,januari #afac vond men in eene zandgroeve bij het kasteel van ,chaumont in ,dauphin tusschen de steden ,montricaux en ,st4 ,etienne1 beenderen1 waarvan enkele door de werklieden gebroken waren2 een heelkundige uit ,beaurepaire1 ,mazurier genaamd1 wien men de ontdekking mededeelde1 maakte zich van de beenderen meester en besloot er zijn voordeel mede te doen2 hij beweerde1 dat hij ze in een graf van #cj voet lengte gevonden had1 waarop geschreven stond ,teutobochus ,rex2 hij deelde verder mede1 dat hij tevens een vijftigtal penningen ontdekt had met de beeltenis van ,marius4 ,al die verhalen maakte hij publiek in eene brochure1 die er op ingericht was1 de nieuwsgierigheid van het publiek te prikkelen1 en hij liet zoowel in ,parijs als op andere plaatsen de beenderen van den reus voor geld zien4 ,gassendi toonde aan1 dat de zoogenaamde penningen nagemaakt waren2 de beenderen1 die thans in het ,musem te ,parijs geplaatst zijn1 zijn1 zooals de vorm der tanden reeds op het eerste gezicht doet zien1 beenderen van eenen mastodon en niet van eenen olifant1 zooals men gemeend had1 zoolang men geenen anderen gids bij het onderzoek had dan eene soort inventaris van de stukken1 aan het publiek vertoond1 en enkele niet zeer heldere opgaven in de geschriften der geneesheeren1 die deelnamen aan den strijd vr of tegen de leugenachtige beweringen van ,mazurier4 ,dergelijke dwaasheden waren in de achttiende eeuw reeds niet meer mogelijk2 als men olifantsbeenderen vond1 begreep men1 dat het olifantsbeenderen en geene menschenbeenderen waren2 maar toch geloofde men nog1 dat zij ten tijde der ,romeinen onder den grond begraven waren4 ,de mastodon1 wiens verschijning uit de miocene periode dagteekent1 is de voorbode en waarschijnlijk de stamvader van den olifant4 ,gaudry heeft op eene heldere wijze aangetoond1 hoe de tanden van den oudsten mastodon zich geleidelijk gewijzigd hebben tot die van onzen tegenwoordigen olifant4 ,daaromtrent is geen twijfel meer mogelijk4 ,men ziet de soort zich langzamerhand vervormen van een volkomen omnivoor 7allesetend7 type tot een even volkomen grasetend type4 ,uit het oogpunt van het verstand is er niet minder vooruitgang dan uit het oogpunt van den bouw2 onze lezers weten immers1 dat de olifant n der verstandigste en goedmoedigste dieren is4 ,zooals wij zagen1 zijn in de miocene periode alle orden der zoogdieren vertegenwoordigd3 dikhuidigen1 verscheurende dieren1 vleugelhandigen1 knaagdieren1 snuitdieren1 herkauwende dieren1 insectenetende1 walvischachtige en vierhandige dieren4 ,de merkwaardigste zijn1 zooals wij zagen1 de dinotheriums en de mastodonten4 ,zij waren vergezeld van een groot aantal andere bewoners der wouden1 velden en oevers1 zooals het antracotherium1 een dikhuidig dier met snijtanden en scherpe kiezen gewapend1 die ter verdediging konden dienen4 ,de tapirs en de rhinocerossen verschijnen met de eerste voorouders der herkauwende dieren4 ,alleen in ,griekenland1 dat toen deel van een uitgebreid vastland uitmaakte1 heeft ,gaudry #ea verschillende soorten te voorschijn gebracht1 waaronder wij1 behalve de apen1 waarover wij zoo aanstonds zullen spreken1 hipparions1 antilopen1 gazellen1 giraffen1 wilde zwijnen1 wilde katten1 civetkatten1 enz4 kunnen noemen4 ,een tandeloos dier met kromme klauwen heeft den naam van ankilotherium gekregen4 ,een ander dier1 dat half beer1 half hond schijnt te zijn1 en ook eigenschappen met de kat gemeen heeft1 heeft den naam van simocyon gekregen4 ,eene soort van giraffe met niet bijzonder langen hals is helladotherium genoemd4 ,twee herkauwende dieren1 gelijkende op onze geiten1 heeten paleoceras en tragoceras4 ,bij al die dieren der miocene periode moeten wij nog voegen de bevers1 de marmotten en een groot aantal steltvogels4 ,wij hebben reeds vroeger 7in het vorige hoofdstuk7 de onderzoekingen medegedeeld van ,gaudry over de afstamming der apen uit de dikhuidigen en het optreden der halfapen in die periode4 ,wat ook die oorsprong zij1 de voornaamste typen van apen komen in de miocene periode voor3 in de formaties van dien tijd vindt men de gewone en de anthropomorphe apen4 ,de eerste fossiele aap1 dien men heeft gevonden1 is de semnopithecus subhimalayanus1 door ,baker en ,durand in #ahcf in de bovenste miocene formatie der ,himalaya gevonden2 hij had de grootte van eenen oerang-oetan4 ,spoedig daarna hebben ,falconner en ,gautley uit dezelfde lagen eene kleinere soort van semnopithecus opgedolven4 ,gervais heeft te ,montpellier enkele stukken gevonden1 die hij eveneens toeschreef aan eenen semnopithecus4 ,eene kaak van eenen makako is uit de pliocene terreinen van ,val-d',arno opgedolven4 ,in de bruinkool van ,elgg1 in ,zwitserland1 heeft men eene goed bewaard gebleven kaak van eenen aap gevonden1 waarin de tanden nog aanwezig waren2 het was een aap1 die tot de familie der catarrhinae1 smalneuzen1 behoorde4 ,die kaak heeft bijzonder veel overeenkomst met eene andere apenkaak bij ,auch ontdekt door ,lartet1 en behoort tot dezelfde soort4 ,gervais is van oordeel1 dat het eene uitgestorven soort is1 de pliopithecus1 terwijl ,rtmeyer meent1 dat het een ,indiaansche gibbon is2 in ieder geval heeft hij de grootste overeenkomst met die langarmige1 staartlooze apen4 ,volgens ,rtmeyer is die oorspronkelijke gibbon n der voorouders van den siamang van ,sumatra4 ,gaudry heeft te ,pikermi de overblijfselen bijeengezameld van #be exemplaren van het geslacht mesopithecus2 daaruit kan men zich een denkbeeld vormen van zijn voorkomen en zijne levenswijze 7fig4 #bic en #bid74 ,zijn gezichtshoek van #eg wijst op eenen aap1 die tamelijk ontwikkeld was2 zijne tanden toonen aan1 dat hij zich niet uitsluitend met vruchten1 maar ook met boomknoppen voedde4 ,uit de gelijkheid van zijne vr- en achterpooten kan men afleiden1 dat hij veeleer liep dan klom2 hij leefde in kleine troepen vereenigd4 ,de kennis van de verschillende deelen van het geraamte van den mesopithecus leert ons1 dat die aap den overgang vormt tusschen twee thans nog levende soorten1 de semnopitheken en de gibbons2 daarom heeft men ze ook mesopitheken genoemd #ea4 ,de ontdekking der anthropomorphe fossiele apen is men verschuldigd aan ,gaudry4 ,in #ahce heeft hij bij ,auch den pliopithecus gevonden1 die nauw aan den gibbon verwant is4 ,later heeft hij den dryopithecus beschreven2 men kent daarvan echter alleen de benedenkaak en het sleutelbeen4 ,de dryopithecus1 zegt de uitnemende geleerde1 was een zeer ontwikkelde aap4 ,hij kwam in verschillende bijzonderheden met den mensen overeen4 ,hij moet ongeveer even groot geweest zijn als de mensen2 zijne snijtanden waren klein2 zijne achterkiezen hadden knobbels1 die minder rond waren dan die van de ,europeesche rassen1 maar die geleken op de knobbels van de kiezen der ,australirs4 ,naast die punten van overeenkomst is er een punt van verschil1 dat ons treft1 zoodra wij de kaak van een mensch met die van eenen dryopithecus vergelijkt3 in de kaak van den mensch is de eerste achterkies sterker dan bij den dryopithecus1 de hoektand en de voorkiezen zijn echter zwakker2 dat verschil is van groot gewicht1 want de verkorting der voortanden staat in verband met het weinig vooruitsteken van het gelaat1 en is dus een bewijs voor de voortreffelijkheid van den mensch2 de mensch kenmerkt zich vooral door eene buitengewone ontwikkeling van de beenderen1 die de hersens1 den zetel der gedachten1 omgeven1 en eene z sterke vermindering der aangezichtsbeenderen1 dat zij niet meer eenen snuit1 maar den gevel van het hoofd vormen4 ,zoo wordt van stap tot stap de heerschappij van den mensch voorbereid4 ,,derde ,,hoofdstuk ,de ,pliocene ,periode4 ,de derde en laatste periode van het tertiaire tijdperk heeft1 zooals wij zagen1 den naam van pliocene periode gekregen4 ,hoewel nauw genoeg verwant aan de tegenwoordige periode1 om de opvatting van enkele schrijvers te verklaren1 die haar tot onze periode rekenen1 zoo heeft zij toch een eigenaardig karakter1 dat tamelijk veel verschilt van dat van onzen tijd4 ,wel verschilden de vormen der zeen en der landen weinig van die van thans1 maar de bezinkingen van dien tijd hellen thans op enkele plaatsen en zijn hoog opgeheven1 terwijl de dierenwereld1 wier overblijfselen in die lagen bewaard zijn gebleven1 en die bestond vr de afkoeling der noordelijke streken1 meer het einde van een ouder tijdperk1 dan het begin van een nieuw tijdperk aanwijst4 ,in het begin der pliocene periode heeft de gedaante der streken aan de ,middellandsche zee eene tijdelijke1 doch tevens belangrijke verandering ondergaan4 ,de eerste lagen dier periode immers wijzen meer op brakwater dan op zeewater4 ,de ,middellandsche zee stroomde toen niet verder oostwaarts dan de meridiaan over ,sardini1 en het geheele oostelijke gedeelte dier zee had plaats gemaakt voor een aantal binnenzeen1 aan wier oevers zich groote kudden grasetende dieren bewogen4 ,maar weldra keert de zee daar weder terug en stroomt zij door de ,rhnevallei en de ,povallei4 ,in ,frankrijk is de pliocene zee voortgegaan tot aan de poorten van ,lyon1 in ,itali tot aan de ,apennijnen2 ,rome1 de heuvels van het ,vaticaan en van de ,monte-,mario waren toen onder water4 ,men vindt tot onder het ,vaticaan1 de pliocene schelpen1 die dagteekenen van duizenden eeuwen herwaarts4 ,in diezelfde periode openbaren zich nog altijd de vulkanische verschijnselen1 die de miocene periode kenmerkten4 ,een betrekkelijk zacht klimaat is oorzaak1 dat ,europa eenen plantengroei vertoont1 waar de typen der dichte bosschen van het noorden verbonden zijn met die der ,canarische eilanden en den ,caucasus4 ,doch de temperatuur daalt al meer en meer1 terwijl tegelijkertijd de zee zich terugtrekt2 de plantenwereld wordt al armer en armer1 om niet meer aan te winnen2 de gevoeligste soorten verhuizen naar het zuiden1 en de palmen worden alleen aangetroffen op plaatsen meer dan #aj ten zuiden van die1 waarin zij tijdens de miocene periode voorkwamen4 ,op het einde der periode vindt men alleen die planten1 die tegenwoordig nog gevonden worden op plaatsen1 eenige graden dichter bij den evenaar gelegen4 ,zij leveren echter nog voldoende voedsel op voor de plantenetende dieren van die periode4 ,terwijl de miocene periode de bloeitijd was van de plantenwereld in ,europa1 begint in de pliocene periode haar verval3 de warmte vermindert en de plantengroei verarmt voor altoos4 ,onmerkbaar trekt de zee zich terug van de opgeheven ,alpen1 van ,zwitserland en van geheel ,frankrijk4 ,in de ,rhnevallei trekt zij eerst terug naar ,valence1 daarna naar ,montlimart en naar ,orange2 evenals de monding der ,rhne vormen die der ,po en van den ,donau golven4 ,de landen nemen langzamerhand hunne tegenwoordige gedaante aan1 en de rivieren hunne tegenwoordige richting4 ,gedurende het eerste gedeelte der pliocene periode hebben onder de landdieren de plantenetende dieren zonder twijfel de overhand4 ,de miocene zeen zijn opgedroogd1 of liever zij zijn veranderd in groote zoutwatermeren1 waaromheen zich eene welige grasflora ontwikkelt4 ,op die weiden loopen ontelbare kudden antilopen1 herten1 helladotheriums1 giraffen1 palaeotragi1 palaeorea's1 waarvan men de fossielen gevonden heeft in ,griekenland1 ,zwitserland en ,frankrijk4 ,daarbij komen nog het hipparion1 de mastodon en de mesopitheke aap4 ,in het algemeen nadert de natuur in die periode tot die van den tegenwoordigen tijd4 ,wij zien in ,frankrijk de palmen verdwijnen en alleen de planten der gematigde luchtstreken overblijven1 en dat niet alleen de boomen1 maar ook de heesters en bloemen4 ,nadat ,europa nog eenigen tijd de sequoia's en de bamboe's behouden heeft1 komen daarna alleen soorten voor1 die verwant zijn aan die1 welke daar thans gevonden worden1 maar die bestemd zijn1 om in de volgende eeuwen naar het zuiden terug te wijken4 ,de pliocene flora getuigt reeds van een kouder klimaat4 ,de klimatologische verschillen tusschen het noorden en het zuiden van ,europa beginnen scherper uit te komen2 zoo vond men nog in de omstreken van ,marseille eenen palmboom 7,chamaerops humilis7 naast eenen eik 7,quercus lusitanica71 dien men nu nog slechts vindt in het zuiden van ,spanje1 terwijl de ahorn1 de populier1 de noteboom en de lork de overhand hadden in het midden van ,frankrijk1 en eenige typen vertoonden1 die thans gevonden worden in ,algiers1 in ,portugal of in ,japan4 ,verscheidene plantensoorten van de ,europeesche pliocene periode komen thans voor in de groote wouden van ,amerika4 ,bij het dierenrijk neemt men eene groote ontwikkeling van de zoogdieren waar2 nieuwe mastodonten vervangen de oude1 om spoedig voor altoos te verdwijnen4 ,de mastodon1 dien wij naar aanleiding van de vorige periode bestudeerd hebben1 leefde nog in de pliocene periode4 ,fig4 #cja stelt een fossiel geraamte voor van de soort1 die in dien tijd leefde3 den mastodon van ,turijn1 die alleen de groote slagtanden op de bovenkaak had4 ,de mastodon1 die in de miocene periode leefde1 had1 zooals wij vroeger zagen1 vier slagtanden4 ,de dinotheriums zijn uitgestorven2 de olifanten zullen zich in nieuwe soorten voortplanten 7mammouth of elephas primigenius71 die den duur van het geslacht tot op onzen tijd zullen waarborgen2 de nijlpaarden en de rhinocerossen nemen toe1 evenals de tapirs en de kameelen4 ,men ziet ontzaglijke runderen optreden1 die in de wouden in kudden leven2 herten met een groot gewei2 beren1 hipparions en paarden 7kleiner dan die van den tegenwoordigen tijd74 ,ook worden nieuwe apensoorten geboren2 doch de apen verlaten weldra ,europa1 dat te koud voor hen geworden is1 om in ,afrika te gaan leven4 ,op het nieuwe vasteland vindt men onder de merkwaardigste zoogdieren dier periode het megatherium1 te ,buenos-,ayres ontdekt1 tot de orde der tandeloozen behoorende2 dat dier was dom en traag in zijne bewegingen1 plantenetend en was #b #a_/b meter hoog2 zijn geraamte is bewaard gebleven in het ,musem te ,madrid4 ,wij kunnen hier nog bijvoegen zijnen tijdgenoot1 den mylodon1 die zich hoofdzakelijk voedde met bladeren en knoppen van boomen4 ,deze was iets kleiner dan het megatherium en had eveneens aan iederen poot groote nagels4--,doch keeren wij tot de bewoners van ,europa terug4 ,de groote snuitdieren hebben de overhand1 vooral de elephas meridionalis1 die zelfs tot in ,engeland gevonden wordt2 op het einde der pliocene periode verdwijnen de mastodonten uit ,europa1 om in ,amerika nog een tijdlang hun leven voort te zetten4 ,de rhinocerossen en de nijlpaarden hebben hunnen grootsten bloei bereikt1 het hert en het rund treden op3 al die plantenetende dieren leveren het bewijs voor den grooten overvloed aan plantaardig voedsel4 ,in de afdeeling voor paleontologie van het ,musem te ,parijs kan men het versteende geraamte zien van den elephas meridionalis1 in #ahgb te ,durfort 7,gard7 ontdekt2 het dier is #d1aj meters hoog1 en de grootste breedte van den schedel bedraagt #a1fe meters4 ,in de pliocene periode wordt ook het grootste van alle herten geboren2 zijne beenderen zijn in ,indi gevonden1 in de streken1 waar de ,god ,siva wordt aangebeden1 vandaar de naam sivatherium4 ,het sivatherium had de grootte van eenen olifant1 en was het grootste hert1 dat ooit bestaan heeft4 ,het geleek op onzen tegenwoordigen eland1 maar was grooter en zwaarder4 ,zijn kop had vier horens1 twee boven op het voorhoofd1 en twee grootere boven de oogen1 iets wat bij geen enkel ander dier voorkomt4 ,die vier horens1 die wijd uit elkander stonden1 gaven aan het hert een bijzonder vreemd voorkomen4 ,de geologische geschiedenis der herkauwende dieren wijkt zeer af van die der dikhuidigen4 ,de laatste hebben in ,europa geleefd in de eerste helft der tertiaire periode1 en men vindt daar nog slechts weinige van over4 ,de herkauwende dieren daarentegen hebben geheerscht in de tweede helft der tertiaire periode1 en nog thans is die orde in vollen bloei4 ,de oudste herkauwende dieren1 die in ,europa gevonden zijn1 zijn de xiphodon1 de dichodon en de amphimeryx2 de laatste zijn nog slechts onvolledig bekend2 de xiphodon kan met evenveel recht onder de dikhuidigen als onder de herkauwende dieren gerangschikt worden4 ,in ,amerika schijnen de herkauwende dieren zich vroeger te hebben ontwikkeld dan in ,europa2 op het einde der eocene1 of liever in het begin der miocene periode hadden de meeste herkauwende dieren nog enkele karaktertrekken van de dikhuidigen bewaard4 ,indien wij zien1 dat de herkauwende dieren zich tijdens de tertiaire periode ontwikkeld hebben1 naarmate de dikhuidigen afnamen1 dan ligt de meening voor de hand1 dat zij veranderde dikhuidigen kunnen geweest zijn4 ,dit is trouwens ook de gevolgtrekking1 waartoe ,gaudry gekomen is door de vergelijking der tanden1 het is echter moeilijk te beslissen1 welke dikhuidigen als de stamvaders der herkauwende dieren moeten beschouwd worden4 ,de langzame uitbreiding der plantenetende dieren1 hetzij zoolgangers1 hetzij herkauwende dieren1 is een opmerkelijk feit1 en getuigt voor de geleidelijke ontwikkeling der soorten4 ,daar de plantenetende dieren groote kudden vormen1 zoo wijst hun komst op de toenemende vruchtbaarheid der natuur4 ,niet alleen door hun aantal1 maar ook door de vlugheid hunner bewegingen geven zij leven aan de velden4 ,de plantenetende dieren wijzen ook op eenen vooruitgang uit een esthetisch oogpunt2 de zoolgangers immers wedijveren in schoonheid met de herkauwende dieren2 verscheidene van deze1 de zebra1 de daw1 de conagga1 hebben een prachtig kleed2 enkele hebben eenen bijzonder edelen gang1 alle zijn slank en hebben edele vormen4 ,in dien tijd leefde ook het hipparion1 waarschijnlijk de stamvader van het paard1 dat van het hipparion hierin verschilt1 dat de emailplooien der kiezen anders gevormd waren1 terwijl het hipparion niet aan iederen poot nen hoef had1 maar er drie bezat1 waarvan twee onontwikkeld waren4 ,de verandering der vijf toonen in nen enkelen was nog niet volkomen4 ,indien men zijn geraamte beschouwt 7fig4 #cjc71 dan vermoedt men reeds in het hipparion den edelen gang van het paard4 ,indien wij nu eene korte schets willen geven van de geheele tertiaire periode1 naar hetgeen de geologie en de paleontologie ons geleerd hebben1 dan moeten wij ons het vasteland als zeer uitgestrekt voorstellen1 en reeds door hooge1 doch nog ver uit elkander gelegen bergen opgehoogd4 ,in ,europa geleek het vasteland op de vlakke of golvende streken van het binnenland van ,afrika2 het was bezaaid met meren en moerassen1 en droeg eenen weelderigen plantengroei4 ,ontelbare kudden plantenetende dieren doorkruisten die half onder water gelegen grasvlakten2 die kudden waren even talrijk en boden meer verscheidenheid aan dan de troepen olifanten1 zebra's en antilopen van centraal-,afrika ,de rhinocerossen1 de tapirs1 verscheidene wilde zwijnen1 antilopen1 architheriums1 op paarden gelijkend1 weidden in dezelfde streken als de paleotheriums1 de anthracotheriums1 de helladotheriums1 de sivatheriums1 de mastodonten1 dieren1 niet minder merkwaardig door de vreemdheid hunner vormen1 dan door die hunner namen4 ,talrijke roofdieren brachten hierin de noodige afwisseling4 ,loopvogels1 op den struisvogel gelijkend1 doorliepen de vlakten1 groote hagedissen1 verschillende slangen bewogen zich tusschen de boomen in bosschen1 die bewoond werden door eene bevolking van verschillende apen1 de voorboden van den mensch4 ,insecten en vogels van alle mogelijke soorten doorkliefden de lucht4 ,de meren en moerassen1 de woonplaatsen der krokodillen1 verschaften ook het noodige voedsel aan visschen1 die overeenkwamen met die van onze rivieren4 ,langs de oevers der zeen bewogen zich zeekalven en zeekoeien2 en de oceanen1 bevolkt door dolfijnen1 walvisschen en potvisschen1 werden door ontzaglijke haaien geplunderd4 ,zoo gaat de natuur langzaam voort1 en nadert zij tot den tegenwoordigen toestand4 ,misschien leefde toen1 zooals wij weldra zullen zien1 de mensch reeds in wilden toestand1 maar hij kende den weg naar ,europa nog niet en leefde te midden der bosschen van zuid-,azi1 onbewust van zijne bestemming en zijn eigen bestaan4 ,hij is op zijnen tijd geboren1 na de anthropode apen1 den chimpansee1 den orang-oetan en den gorilla4 ,op het einde der periode is de temperatuur ongeveer dezelfde als thans2 de mastodonten1 de tapirs1 de apen worden niet meer in ,europa1 maar in ,afrika en in het zuiden van ,azi gevonden4 ,de opgedolven fossielen leeren ons1 dat er eene voortdurende harmonie geweest is bij de gedaanteverwisseling der organische wereld4 ,welke fossielen wij ook bestudeeren1 steeds openbaart zich aan ons de schoonheid der natuur4 ,die schoonheid der natuur1 die in alle tijdperken te voorschijn treedt1 is het geheim van de geestdrift1 die alle natuuronderzoekers bezielt1 wier leven gewijd is aan paleontologische onderzoekingen1 en wier geest in die onderzoekingen eene altijd nieuwe bekoring vindt4 ,toen ,cuvier de viervoetige dieren uit de gipsgroeve van ,parijs wer in het leven kon terugroepen1 moet hij een ongekend genot gesmaakt hebben2 daar waar thans de stad der steden zich uitstrekt1 dacht hij zich de meren1 waarin de anoplotheriums baadden2 op de oevers dier meren1 met palmboomen omzoomd1 zag hij paleotheriums van alle soorten1 naast choeropotami en dichobuni2 de sierlijke xiphodon en de amphimeryx liepen door de vlakten2 verschillende kleinere dieren gaven daarbij afwisseling aan de landschappen3 het waren eekhorentjes1 buidelratten1 vleermuizen en verschillende soorten van apen1 voornamelijk de anthropode apen4 ,ik heb steeds1 zoo zegt ,gaudry1 de maanden1 die ik in de bergkloof van ,pikermi heb doorgebracht1 de viervoetige dieren opdelvend1 die eertijds de velden van ,griekenland bevolkten1 tot de gelukkigste van mijn leven gerekend4 ,die dieren moeten inderdaad een heerlijk schouwspel opgeleverd hebben2 hier deden apen hunne kromme sprongen1 daar dwaalde het reusachtige ankylotherium1 met zijne kromme klauwen4 ,de vlakten waren bezaaid met kudden hipparions en herkauwende dieren2 de horens dier dieren hadden de meest verschillende vormen2 eenige waren liervormig1 andere deden denken aan de horens onzer gazellen1 nog andere aan die der geiten4 ,hoezeer verschilden wel die dieren1 wier gang zoo sierlijk was1 van de logge rhinocerossen en de wilde zwijnen6 ,wat ontzaglijke gestalten en welke verscheidenheid op het schouwtooneel der wereld6 ,de gedachte aan die reuzendieren van ,pikermi heeft mijnen geest dikwijls met ontzag vervuld2 ik kan aan hen niet denken zonder mij te verheffen tot den oneindigen ,bouwmeester1 wiens werk zij zijn1 en zonder hem te danken voor het voorrecht1 dat hij ons dat groote schouwspel heeft doen bijwonen1 dat alleen voor ,hem scheen bestemd te zijn tot aan den dag1 waarop de sluier is weggetrokken1 waaronder de paleontologie verborgen was4 ,de heerlijkste dichtwerken zijn verborgen in onze aardschors4 ,hoevele menschen1 die dorsten naar het schoone1 zouden het heerlijkste genot smaken1 als zij de geheimzinnige bron van het leven wilden opzoeken6 ,hoevelen gaan voort langs wegen1 waar zij smakelooze en dikwijls wrange vruchten plukken1 en die gelukkig zouden zijn1 indien zij de wonderen der natuur hielpen doorgronden6 ,tot die menschen zeg ik3 'helpt ons1 onze wetenschap is rijk genoeg1 om niet alleen de ziel van den wijsgeer1 maar ook die van den kunstenaar te bekoren4' ,schoone gedachten1 den edelen denker en natuurvorscher waardig1 die ze heeft geuit4 ,de studie der natuur zal steeds de diepste en bekoorlijkste aller studin zijn2 hare harmonie1 hare beelden zullen onzen geest steeds bekoren4 ,is het voor ons geen genot1 die zoo lang vervlogen eeuwen weder te doen herleven1 en daardoor de schepping der wereld bij te wonen1 eene schepping1 die onafgebroken voortduurt1 van den dag1 dat de aarde als nevelvlek van de zon werd losgerukt1 tot op onzen dag4 ,dank zij de inspanning der paleontologen1 hebben wij die versteende wezens uit den doode kunnen doen herleven en hen weder kunnen plaatsen op hunne oude plaats2 wij hebben gezien1 hoe de zee telkens de plaats van het land innam1 en hoe telkens de gedaante der aarde met die van al hare bewoners veranderde2 wij hebben zelfs de schepping kunnen volgen1 zonder dat de schakels ontbraken1 die de anorganische wereld aan de organische verbindt1 en konden opklimmen tot den oorsprong van het leven4 ,zoo hebben wij reeds thans1 welke vorderingen ook later de wetenschappen mogen maken1 en hoe onvolledig onze kennis nog moge wezen1 een helder denkbeeld verkregen van den gang der natuur en van het werk der schepping4 ,met het einde van het tertiaire tijdperk hebben wij alle phasen van de natuurlijke geschiedenis der aarde doorloopen4 ,de schepping is voleindigd1 daar de mensch reeds in wording is in de anthropode apen1 en daar de drang naar volmaking1 einddoel van het bestaan van ieder wezen1 die anthropode apen zal verheffen tot den rang van wilde menschen4 ,dit vraagpunt zullen wij met zorg bestudeeren in het volgende boek1 en het zal daar volkomen op zijne plaats zijn1 daar de menschheid hare dierlijkheid heeft afgelegd bij den dageraad der quaternaire periode4 ,thans1 op het einde der tertiaire periode1 verdient zij haren naam nog niet4 ,in de bosschen leven families van groote apen1 semnopitheken1 orang-oetans1 gorilla's1 chimpansee's4 ,de olifant1 het nijlpaard1 de rhinoceros1 het hert1 het paard1 de wilde kat1 de wilde hond1 de wolf1 de beer1 de hyena1 de tijger1 de leeuw1 in n woord de tegenwoordige geslachten1 tijdgenooten van de menschheid1 bestaan reeds in de natuur1 te midden van eenen plantengroei1 die overeenkomt met dien welke thans de aarde bedekt4 ,valleien1 hemelhooge bergen1 met sneeuw bedekt1 schaduwrijke dalen1 bronnen en beken1 watervallen en stroomen1 maagdelijke wouden1 weiden1 rijk aan grassen1 onvruchtbare woestijnen1 klimaten en jaargetijden1 grazende kudden1 vogels in de wouden zingende1 liefelijke landouwen1 zonnestralen en schaduw1 regen en zon1 bloemen der velden1 wilde vruchten1 alles is gevormd en gereed om den mensch te ontvangen4 ,de oude wereld is dood4 ,de nieuwe wereld is geboren4 ,,zesde ,,boek4 ,het quaternaire tijdperk4 ,,eerste ,,hoofdstuk4 ,het vierde tijdperk van het leven op aarde en de eerste dagen van het tegenwoordige tijdperk4 ,met het vierde tijdperk van de geschiedenis der aarde treden wij de moderne tijden in1 den tegenwoordigen toestand der schepping op onze planeet4 ,toch is het begin dier periode reeds meer dan honderdduizend jaren van ons verwijderd1 en hebben er in den toestand der aarde1 in de verdeeling van land en zee1 in de klimaten1 in de openbaringen van het leven1 sedert de eerste eeuwen van dat tijdperk gewichtige gebeurtenissen plaats gegrepen4 ,de geheele geschiedenis der menschheid is slechts het laatste hoofdstuk van de geschiedenis der aarde1 wel is waar het kortste1 doch tevens het gewichtigste en het roemrijkste4--,de ontwikkelde menschheid dagteekent eerst van gisteren4 ,het begin der quaternaire periode heeft zich gekenmerkt door eene gewichtige gebeurtenis1 de tijdelijke verandering van het klimaat2 in de geheele gematigde luchtstreek heeft eene verdichting van het water van den dampkring plaats gegrepen1 die het aanzijn heeft geschonken aan onmetelijke gletschers1 aan ontzaglijke regens en aan belangrijke afschuringen en aanslibbingen4 ,als gevolg dier verandering hebben groote vlakten sneeuw en ijs de bergen en de noordelijk gelegen landen bedekt1 waardoor eene sterke afkoeling over de geheele aarde is veroorzaakt4 ,eerst later is de temperatuur weder gestegen4 ,terwijl dus in onzen tijd de invloed van gletschers1 rivieren en dampkring op de aardoppervlakte onbeteekenend is1 was die invloed in het begin van het tegenwoordige tijdperk voldoende1 om somtijds zeer dikke lagen af te zetten op groote uitgestrektheden4 ,de quaternaire periode is begonnen met eene algemeene afkoeling1 die haar den naam verschaft heeft van de ijsperiode4 ,op het ,scandinavische schiereiland openbaart zich de verlaging in temperatuur door het voorkomen der rotsen1 die gegroefd en dikwijls door de oude gletschers tot aan de oppervlakte der zee afgeslepen zijn2 ook openbaart zij zich door de erratische blokken 7zwerfblokken7 van klei1 zand en grint vergezeld1 die verspreid liggen over den geheelen noordelijken omtrek van het schiereiland1 uitgaande van een punt der ,scandinavische ,alpen1 dat in de nabijheid van ,stockholm gelegen is1 en in midden-,europa begrensd door eene lijn1 loopende over ,vikaltko1 ,coula1 ,krakau1 ,breslau1 ,leipzig1 ,hannover1 ,arnhem en het noorden van ,engeland4 ,al de stoffen1 die zoo verspreid liggen1 zijn de plaats van de ,oost- en ,noordzee overgetrokken en zijn van de ,scandinavische ,alpen afkomstig2 zij hebben den naam gekregen van drift4 ,datzelfde drift vindt men ook in de nieuwe ,wereld2 doch de werking van het ijs strekt zich daar veel zuidelijker uit1 en wordt waargenomen tot op den #cisten breedtegraad in ,pennsylvani1 ,ohio1 ,indiana1 ,illinois en ,iowa2 hieruit volgt1 dat de isothermen #eb reeds dezelfde bochten hadden als thans4 ,de ijsstrooken bevatten overblijfselen van weekdieren1 die men thans nog alleen terugvindt in de poolstreken4 ,eerst onlangs 7#aa ,januari #ahhf7 is in de ,fransche ,academie mededeeling gedaan van het feit1 dat men zelfs in dat gedeelte van ,afrika1 dat onmiddellijk aan den evenaar grenst1 7#e noorderbreedte71 de sporen der ijsformatie heeft teruggevonden4 ,de bewijzen van die merkwaardige ijsperiode zijn overal terug te vinden4 ,wij zullen ons een oogenblik bezighouden met ,itali1 ,frankrijk en de ,alpenstreken4 ,de oude gletschers hebben1 evenals de tegenwoordige1 duidelijke sporen van hunnen loop achtergelaten2 een enkele blik op den langen ,alpenketen en de valleien1 aan den voet der ,alpen gelegen1 is voldoende1 om ons de ontwikkeling dier ijszeen en de doorloopen baan te doen zien1 die voor enkele meer dan #djj kilometers bedroeg4 ,men moet zich de toppen onzer bergen veel hooger voorstellen dan thans het geval is4 ,eene der laatste rijzingen van den bodem1 op het einde der tertiaire periode1 had de belangrijkste verhooging van onze bergenrijen voleindigd4 ,berekent men het volume der gesteenten1 door de wateren de ijsstroomingen aan die toppen ontnomen1 om op eenen afstand diepe valleien te vullen1 dan blijkt het dat die bergen verscheidene honderden meters hooger moeten geweest zijn1 dan thans het geval is4 ,dat ijs is neergedaald van den ,mont-,blanc1 den ,mont-,rosa1 den ,splugen1 den ,st4-,gothard1 den ,mont-,viso1 den ,mont-,cenis1 in n woord1 van den geheelen ,alpenketen1 en heeft de vlakten en valleien vermeesterd4 ,de aard van den bodem kon hinderpalen in den weg leggen aan den loop van eenen ijsberg en zelfs dien loop wijzigen2 in dat geval ziet men1 dat de tegenstand biedende grond somtijds diep uitgegraven is1 maar vooral gepolijst en gladgeschuurd door de wrijving van die rotsblokken1 die het ijs in zijnen loop medevoert4 ,doch indien de grond alleen bestond uit oude aanslibbingen1 dan hebben de ijsgolven zich gemakkelijk eenen weg kunnen banen en hebben zij verbazende afstanden afgelegd4 ,die ijsstroomen hebben evenals waterstroomen aan hunne randen en aan hun uiteinde hoopen modder afgezet1 die heuvels of moraines vormen1 en zij hebben op hunnen weg de dikwijls ontzaglijke zwerfblokken neergelegd1 wier aanwezigheid tot de vreemdste verhalen aanleiding heeft gegeven4 ,de oude geologen noemen al die van andere plaatsen afkomstige stoffen diluvium1 een naam1 die het gevolg is van de vroegere opvatting van eenen algemeenen zondvloed1 waaraan die verplaatsing te danken zoude zijn4 #ec ,door nauwkeurige waarnemingen dier moraine-afzetsels1 die zich duidelijk onderscheiden van de andere aanslibbingen door het volkomen gemis aan laagsgewijze schikking en door de hoekige steenen1 die het bevat1 kan men met zekerheid de uitgestrektheid der oude ijsbekkens leeren kennen4 ,door de groeven1 die zij gesneden hebben in de onderliggende gesteenten1 hebben zij de richting aangewezen1 die zij bij hunne beweging gevolgd hebben4 ,wij kennen thans de oude gletschers van de beide hellingen der ,alpen en kunnen hunnen loop volgen4 ,zonder nog te spreken van de gletschers van de ,reuss1 de ,linth en zoovele andere in het midden van ,zwitserland1 kunnen wij den ontzaglijken ,rhnegletscher noemen1 die zich van le ,valais tot aan de heuvelen van ,lyon uitstrekte4 ,deze omgaf de geheele noord-westelijke en noord-oostelijke helling der ,alpen4 ,hij strekte zich tevens uit aan de ne zijde tot voorbij ,lyon1 en door eenen anderen1 noordelijken tak tot aan de ,vogezen4 ,zijne ijsmassa breidde zich1 na de valleien tusschen de ,alpen en de ,jura gevuld te hebben1 waaiervormig uit1 en zijne uiterste moraine strekte zich in eenen halven cirkel over ,bourg en de ,lyonsche heuvels tot aan de omstreken van ,vienne uit4 ,aan de ,italiaansche zijde waren de oude gletschers zeer talrijk2 geen enkele echter bereikte de reusachtige afmetingen van den ,rhnegletscher1 daar het ijs nooit de oevers van de ,po overschreden heeft4 ,men heeft daar de gletschers van de ,stura1 de ,maira1 de ,vraita1 de ,po1 de ,pellice enz4 ,de ,tessinogletscher met zijnen kronkelenden loop strekte zich uit van den ,st4-,gothard tot voorbij het ,maggioremeer2 die van de ,adda verlengde zich tot ,monza1 en aan de uiterste oostzijde van de ,italiaansche ,alpenketen had men de gletschers der ,etsch1 der ,brenta en der ,piave1 waarvan de eerste alleen alle gletschers van ,tyrol in zich vereenigde1 en zich uitstrekte van den ,brenner tot ten zuiden van het ,garda-meer4 ,kan men zich iets indrukwekkenders voorstellen dan die zich bewegende ijsmassa1 die langs de helling dier reusachtige bergen afdaalde1 langzamerhand de valleien en vlakten bereikte1 en door geen enkelen hinderpaal werd tegengehouden1 de onder gelegen gesteenten omkrullend en aangroeiend1 en op haren weg moraineheuvels achterlatend1 die op onmetelijke dijken geleken8 ,welk eene kracht moest die ijsstroom hebben1 om graniet- en andere blokken aan de bergen1 waarvan zij gekomen waren1 ontrukt1 te kunnen voortsleuren tot op ontzaglijke afstanden6 ,het gebeurt niet zelden1 dat men op groote afstanden van de toppen der ,alpen steenen vindt1 die honderden cubieke meters groot zijn1 en liggen op eenen geheel anderen bodem1 zooals de ,mule du ,diable1 een zwerfblok van #fbd cubieke meters1 te ,artas gelegen1 tusschen ,bourgoin en ,lyon1 en andere4 ,evenals het schip1 door de golven gedragen1 de zee doorploegt1 zoo bereikten de zwerfblokken1 door de ijsgolven gedragen1 de vlakten1 de valleien en de toppen der heuvels4 ,welke andere kracht zou trouwens in staat geweest zijn1 eene zoo groote verplaatsing te veroorzaken8 ,alle andere verklaringen1 die men heeft te hulp geroepen1 zijn voor nauwkeuriger waarneming gevallen1 en wel in de eerste plaats die1 waarbij de verplaatsing dier door het ijs medegevoerde stoffen werd toegeschreven aan zondvloeden4 ,hoe zoude het immers mogelijk zijn1 dat zelfs de grootste watermassa1 met de grootste snelheid bedeeld1 zulke blokken langs de hooge bergen kon medevoeren1 ze kon voortdrijven over onmetelijke ruimten1 en ze kon opheffen op bergvlakten en op de toppen van heuvels1 waar men ze thans nog dikwijls tot pyramiden op elkander gestapeld vindt8 ,de woede der heftigste zee zou dit niet kunnen bereiken4 ,doch terwijl geleerden van alle richtingen lansen braken over de juistheid hunner meer of minder vreemde theorin1 gaven eenvoudige herders den sleutel van het raadsel4 ,de eenvoudige gemzenjager ,perraudin immers wees het eerst aan1 dat de gletschers oudtijds veel grooter moeten geweest zijn1 en dat zij van de toppen en hellingen der bergen moeten zijn afgedaald1 granietgesteenten medesleurend1 die zij daaraan ontrukt hadden4 ,later gaven eenvoudige houthakkers diezelfde verklaring als de natuurlijkste zaak der wereld4 ,die openbaring diende later tot gids aan allen1 die deze belangrijke vraag wilden ontwikkelen en doorgronden4 ,toen het klimaat droger geworden was en de verdamping niet zoo sterk1 werden de gletschers al minder en minder gevoed2 daardoor verminderde langzamerhand hun volume en bereikte het de afmetingen1 die zij thans hebben4 ,die langzame en telkens weer gestaakte teruggang heeft aanleiding gegeven tot de vorming van secundaire moraines1 evenwijdig aan de uiterste1 welke de verschillende standplaatsen dier ijszeen aanwijzen bij haren teruggaanden loop4 ,mogen nog enkele bijzonderheden onzeker gebleven zijn1 onmogelijk kan men het feit in twijfel trekken1 dat er in het begin der quaternaire periode1 vooral in midden-,europa1 eene groote uitbreiding van het ijs heeft plaats gevonden4 ,de paleontologie leert ons den mensch kennen1 levende aan de randen dier ijsmassa's1 en op het rendier1 de antilope1 het paard en den mammouth jagend4 ,overal vindt men aan de grens der glaciaire streken sporen van zijn verblijf en talrijke overblijfselen van zijne have1 die hoe nietig ook1 voldeed aan de voornaamste behoeften van het leven4 ,bovendien heeft de paleontologie geleerd1 dat in dien tijd naast die gletschers planten en dieren gevonden werden1 die getuigden van een betrekkelijk gematigd klimaat4 ,de groote uitbreiding der quaternaire gletschers was aan alle streken der aarde gemeen1 en nog in onzen tijd worden er groote en talrijke gletschers gevormd1 die zich in dezelfde omstandigheden als vroeger voortbewegen over alle groote bergketenen1 en dat wel niet alleen in ,europa1 maar op de geheele aarde1 vooral in den ,caucasus1 op het ,himalayagebergte1 op de ,andes van ,patagoni1 waar de ijsstroom zich tot aan de zee uitstrekt1 en in ,nieuw-,zeeland1 waar ijsblokken1 die losraken1 van den gletscher nederstorten in eene omgeving1 waar de boomvarens weelderig tieren4 ,al die streken liggen zelfs binnen #dj van den evenaar af4 ,er is dus geene buitengewoon lage temperatuur noodig1 om eenen gletscher voort te brengen en te voeden1 en de aanwezigheid van dien gletscher maakt het organische leven in de nabijheid niet onmogelijk4 ,daar nog steeds gletschers op de toppen der bergen gevonden worden1 zou eene geringe daling in temperatuur voldoende kunnen zijn1 om die gletschers hunne vroegere afmetingen terug te geven4 ,toch is het niet waarschijnlijk1 dat wij daarvan ooit getuigen zullen zijn1 als wij letten op de uiterst geringe snelheid van eenen gletscher in verband met den korten duur van het menschelijke leven4 ,die korte duur van het leven is n der oorzaken1 waarom wij dikwijls de grootste natuurverschijnselen niet kunnen bevatten4 ,men neemt aan1 dat er na eene eerste periode van koude1 waardoor het gladschuren der gesteenten van de noordelijke grens van het vasteland veroorzaakt is1 eene verhooging in temperatuur heeft plaats gegrepen1 die aangewezen wordt door eenen eersten teruggang der gletschers1 door de verspreiding der zwerfblokken van de ,jura en door het diluvium der ,rhnevallei4 ,daarna veroorzaakte eene herhaling van de koude weder het terugkeeren der gletschers4 ,aan die tweede glaciaire periode wordt het slib van de ,rijnvallei en van het noorden van ,frankrijk toegeschreven4 ,daarna wordt de temperatuur langzamerhand hooger1 en zoodra zij niet meer verschilt van die van onzen tijd1 maakt de quaternaire periode plaats voor onzen tijd4 ,wij kunnen ons dus die oude quaternaire periode voorstellen als een tijdperk van groote storingen in het klimaat4 ,regens1 buitengewoon hevig en langdurig1 overstroomden het vasteland4 ,zij bedekten den geheelen bodem met uitgestrekte watervlakken1 die langs de hellingen naar lager gelegen streken liepen1 langzamerhand de valleien uitgravend en daarbij het diluvium medesleurend1 dat afkomstig was van de bergruggen4 ,dat water viel in de nabijheid der polen en op de hooge bergtoppen weder neder in den vorm van sneeuw4 ,als gevolg van den waterdamp1 de wolken en de verlaging der temperatuur1 vermeesterden die gletschers weldra de bergen1 en breidden zij zich rondom de polen langzamerhand uit4 ,bij het losbreken van het ijs voerden vlotten van drijvend ijs de zwerfblokken ver weg2 dikwijls is het echter moeilijk die zwerfblokken te onderscheiden van die1 welke de gletschers verlaten hebben4 ,de bedding der stroomen wordt al meer en meer uitgegraven4 ,de dieren1 die gevlucht zijn naar hooge bergvlakten en in holen1 planten zich toch geregeld voort4 ,velen zijn het slachtoffer van de woede der elementen2 toch volgen de soorten op elkander evenals in de vorige perioden4 ,de zeedieren1 ongevoelig voor alle beroeringen der aarde1 zetten hun rustig bestaan voort op den bodem der wateren4 ,na een groot aantal afwisselingen van koude en warmte1 van regens en losbreking van het ijs1 wordt het klimaat eindelijk standvastig en begint onze tegenwoordige periode4 ,doch de zooeven besproken verschijnselen zijn niet de eenige1 die het quaternaire tijdperk hebben gekenmerkt4 ,bij de genoemde beroeringen kwamen nog heftige bewegingen van den bodem4 ,in die periode toch zijn verbazend hooge bergen zooals de ,cordillera's verrezen1 en het is duidelijk1 dat eene zoodanige rijzing1 hoe langzaam zij ook moge hebben plaats gegrepen1 niet heeft kunnen geschieden zonder geweldige storingen over groote oppervlakten teweeg te brengen4 ,in dienzelfden tijd nemen de ,oostzee en de ,middellandsche zee haren tegenwoordigen vorm aan1 ontstaat het ,kanaal1 en scheiden zich de ,britsche eilanden van het vasteland af4 ,indien het bestaan van ne of zelfs twee ijsperioden onwederlegbaar bewezen is door de zwerfblokken1 die door de gletschers zijn medegevoerd1 door de strepen en groeven1 die zichtbaar zijn langs den geheelen weg1 door die ijsmassa's gevolgd1 en door de rhinocerossen1 mammouths en andere dieren1 die in het ijs begraven zijn1 zoo is de oorzaak van die afkoeling nog niet met voldoende zekerheid bekend4 ,verscheidene oorzaken zijn mogelijk4 ,ten eerste kan de zon1 die ons licht en warmte geeft1 evenals zoovele andere zonnen uit het heelal1 veranderingen in helderheid ondergaan en haar uitstralend vermogen verminderen4 ,de sterrenkunde heeft ons het bestaan van een groot aantal veranderlijke zonnen doen kennen onder de millioenen sterren1 die over het oneindige uitspansel bezaaid zijn2 zelfs worden enkele sterren na bepaalde perioden geheel onzichtbaar door de tijdelijke uitdooving van haar licht4 ,ook onze zon1 die niets anders is dan eene ster1 kan eene veranderlijke ster zijn1 en bedekt worden met groote vlekken1 een deel van haar licht en hare stralende warmte verliezen en jaren- en eeuwenlang de aarde en de planeten1 die tot haar stelsel behooren1 in de ruimte doen voortrollen met onvoldoende warmte4 ,het gevolg van die afkoeling moet zijn1 koude1 winter en sneeuw4 ,een zoodanige winter zoude eeuwenlang kunnen duren4 ,nadat dan de zon weder haren ouden glans hernomen heeft1 zal de lente weder terugkeeren met het smelten der sneeuw1 den regen1 de waterstroomen en den nieuwen plantengroei4 ,men kan hiertegen aanmerken1 dat er geen enkel bewijs voor is1 dat onze zon1 niettegenstaande hare bekende periodieke vlekken1 z veranderlijk is1 en dat de glaciaire periode het leven op aarde niet heeft uitgedoofd4 ,toch is die verklaring mogelijk1 immers een verschil van eenige graden in de ontvangen warmte is voldoende1 om de uitbreiding der gletschers te verklaren1 zooals die blijkt uit de ligging der zwerf blokken4 ,een tweede verklaring berust op de verandering van de excentriciteit der aardbaan4 ,onze lezers #ed weten1 dat de ellips1 die de aarde jaarlijks om de zon beschrijft1 beurtelings meer of minder excentrisch wordt1 dat zij nu eens1 zooals dit over #bcihj jaren het geval zal zijn1 nauwelijks van eenen cirkel verschilt1 dan weder1 zooals voor #hejjj jaren zeer langwerpig is4 ,de excentriciteit verschilt van #j1jjcc als minimum tot #j1jgdg als maximum2 in het tweede geval is zij dus #bb maal sterker dan in het eerste geval4 ,thans is de excentriciteit #j1jafh2 de afstand van het middelpunt der ellips tot aan het brandpunt is dus #j1jafh maal de halve groote as der ellips1 of #j1jafh #adh #jjj #jjj kilometers #bdhfdjj kilometers4 ,de aarde is dus den #asten ,januari #digbhjj kilometers dichter bij de zon dan den #asten ,juli1 en het zuidelijk halfrond1 dat dan naar de zon is toegekeerd1 heeft dus eenen warmeren zomer dan wij1 die naar de zon toegekeerd zijn1 op het tijdstip1 waarop wij zoover mogelijk van de zon verwijderd zijn4 ,doch daar staat tegenover1 dat het zomerhalf jaar in het zuidelijk halfrond acht dagen korter duurt dan in het winterhalfjaar1 daar de aarde #agi dagen noodig heeft om van het nachteveningspunt van ,september tot dat van ,maart te komen1 en #ahf dagen1 om van het nachtseveningspunt van ,maart tot dat van ,september te komen4 ,dat verschil van #ahg uren ten voordeele van ons halfrond weegt op tegen het verschil in afstand van de zon1 en dat wel te meer1 daar ten gevolge van den grooteren tijd1 dien de noordpool naar de zon gekeerd is1 het aantal uren van den dag in het noordelijk halfrond het aantal uren van den nacht overtreft4 ,het is echter niet zeker1 of daardoor de koude1 veroorzaakt door den grooteren afstand van de zon in den zomer1 volkomen opgeheven wordt4 ,bij de grootste excentriciteit der baan is het middelpunt der aardbaan #adh #jjj #jjj #j1jgdg of #aajeefjj kilometers van de zon verwijderd4 ,dan is de aarde in het perihelium meer dan #bb millioen kilometers dichter bij de zon gelegen dan in het aphelium4 ,de verhouding der warmte in die beide punten der baan is dan als #bf tot #ai4 ,dan zal ook de aarde1 die zich in het perihelium het snelst beweegt1 de helft1 waarin het perihelium gelegen is1 in #afd dagen1 en de andere helft in #bja dagen doorloopen4 ,het halfrond der aarde1 dat naar de zon gekeerd is1 als de aarde in het perihelium geplaatst is1 heeft de warmste en kortste zomers1 doch tevens de langste en koudste winters4 ,indien bij de grootste excentriciteit de winters zeer lang en koud zijn1 dan is het mogelijk1 dat de korte duur der warme zomers oorzaak is1 dat niet al de sneeuw en al het ijs smelt 7zooals thans b4v4 in ,siberi71 en dat in den zomer alleen eene zeer krachtige verdamping plaats heeft1 die de hoeveelheid waterdamp1 den regen1 den mist en de sneeuw doet toenemen4 ,zonder waterdamp is trouwens geen sneeuw mogelijk4 ,ons halfrond zoude dus uitnemend geschikt zijn voor eene ijsperiode1 zoo dikwijls de winter valt in het aphelium bij eene groote excentriciteit der aardbaan4 ,die excentriciteit is bijzonder groot geweest van het jaar #bajjjj tot aan het jaar #ajjjjj vr onze jaartelling4 ,indien wij nu weten1 dat alle #bfjjj jaren zich het verschijnsel herhaalt1 dat op ons halfrond de winters in het perihelium vallen1 dan is het mogelijk1 dat er in dien tijd der groote excentriciteit vijf ijsperioden geweest zijn voor ieder halfrond1 wier sterkte afhing van verschillende omstandigheden1 zooals de rijzing van het land1 de richting der stroomingen en andere4 ,die tweede verklaring der ijsperiode is waarschijnlijker dan de eerste1 doch het is ook mogelijk1 dat die verandering in de excentriciteit wel heeft medegewerkt tot de verschijnselen der ijsperiode1 maar dat zij niet de eenige oorzaak was4 ,het is immers zeker1 dat voor een duizendtal eeuwen eene verandering in den vorm en het klimaat der aarde heeft plaats gegrepen4 ,de eerste en grootste helft toch der quaternaire periode kenmerkt zich op ons halfrond in de bergstreken door de groote uitbreiding der gletschers1 op het overige gedeelte door de groote afbijting der kusten en de daarmede samenhangende aanslibbingen4 ,die twee verschijnselen zijn niets anders dan verschillende uitingen eener zelfde oorzaak1 de tijdelijke toeneming van de hoeveelheid condenseerend water4 ,uit het feit1 dat in onze streken de nietige waterstroomen hebben plaats gemaakt voor krachtige stroomen met beddingen1 verscheidene kilometers breed2 dat op alle hellingen eene z sterke strooming plaats had1 dat daaruit het lss #ee kon gevormd worden2 dat holen en grotten bekleed zijn met een dicht kleed van druipsteen3 uit dit alles blijkt1 dat er toen veel meer regen viel dan thans1 en dat wel in de geheele streek1 die zich uitstrekt van de ,sahara tot aan het midden van ,engeland1 en van ,louisiana tot aan de groote ,amerikaansche meren4 ,deze derde onderstelling wordt bevestigd door het onderzoek der quaternaire dierenwereld3 de tallooze beenderen van dikhuidigen1 in het diluvium van het noordelijk halfrond gevonden1 wijzen er op1 dat de plantenetende dieren een overvloedig voedsel moesten vinden1 en dat dus het klimaat zacht en vochtig moest zijn4 ,men weet trouwens1 dat in de vorige perioden groote zoetwatermeren de valleien innamen van de voornaamste stroomen in ,europa en van de westelijke helling van het ,rotsgebergte in ,amerika4 ,het bestaan dier watervlakten brengt eenen bijzonder vochtigen dampkring mede1 zoodat de toestand in de quaternaire periode daarvan de voortzetting is4 ,maar wat als regen neervalt in lager gelegen streken1 neemt in de bergstreken den vorm van sneeuw aan4 ,de vochtigheid in den dampkring moet dus tot noodzakelijk gevolg gehad hebben de vorming van sneeuwvelden1 en dus ook van groote gletschers4 ,die vorming1 die vroeger onmogelijk was1 7behalve misschien sedert de eocene periode in de ,pyrenen71 bij gebrek aan uitgebreide condensatoren1 is na het einde der pliocene periode kunnen ontstaan1 dat wil zeggen op het oogenblik1 waarop de ,alpen en zoovele andere ketenen hunnen tegenwoordigen vorm verkregen hebben4 ,niet de koude alleen heeft dus de gletschers kunnen voortbrengen2 deze is op zich zelf onvoldoende1 om de gletschers te voeden1 zooals blijkt uit het feit1 dat de bergvlakten van ,tibet1 die #ejjj tot #fjjj meters hoog zijn1 geene gletschers bezitten4 ,daartoe is noodig eene groote vochtigheid van den dampkring en het bestaan van bergen als condensatoren1 die niet alleen van groote beteekenis zijn om hunne massa maar ook om hunne hoogte2 die condensatoren waren in het begin van zooveel grooter beteekenis1 daar zij nog niet door afbijting zooveel verloren hadden en zij waarschijnlijk eenige honderden meters hooger waren door eene tijdelijke rijzing der streek4 ,men ziet dus1 dat de groote waterstroomen in de vlakten en de groote gletschers in de bergstreken twee nauw samenhangende verschijnselen geweest zijn1 en dat men meermalen niet zonder grond de uitdrukking glaciaire periode heeft willen vervangen door die van regenperiode4 ,het valt niet te ontkennen1 dat de afkoeling aan de polen1 die zich reeds had doen gevoelen in het midden der tertiaire periode1 niet geheel vreemd is geweest aan de hierboven beschreven verschijnselen2 toch zoude deze op zichzelf daartoe niet voldoende geweest zijn1 en de studie der quaternaire formatie in de gematigde luchtstreken1 op die plaatsen die niet aan den onmiddellijken invloed der gletschers onderworpen waren1 bewijst1 dat de overgang van den elephas meridionalis tot den elephas antiquus1 en van dezen tot den elephas primigenius1 geleidelijk geschied is1 zonder dat er in dien tusschentijd een plotselinge inval van koude had plaats gegrepen4 ,uitgaande van het bovenstaande1 kunnen wij ons weder verplaatsen in den tijd1 toen de groote bergen hunne tegenwoordige hoogte verkregen hadden1 dat is dus in het begin der pliocene periode4 ,reeds sedert langen tijd was het boven water komen van ,europa in voorbereiding2 in ,frankrijk en ,engeland waren alleen zoetwatermeren4 ,de bergstreken waren in de pliocene periode het tooneel eener krachtige werkzaamheid1 waarvan de gesteldheid van het ,rhnebekken en de oude aanslibbingen van ,zwitserland kunnen getuigen4 ,wij mogen aannemen1 dat op het einde der pliocene periode de voornaamste valleien reeds gevormd waren en haren bodem reeds bedekt hadden met grint en aangespoelde stoffen1 terwijl zich op de bergvlakten het oudste klei uitspreidde4 ,de bekkens1 die de sneeuw moesten opnemen1 en de kanalen1 waarlangs de gletschers moesten glijden1 waren reeds in het begin der quaternaire periode gevormd1 en voor de opneming van groote hoeveelheden ijs was alleen noodig dat in west-,europa luchtstroomen kwamen1 die meer waterdamp bevatten1 dan in de vorige perioden4 ,de studie van de ligging der oude ijsformaties levert een krachtig bewijs ten voordeele der meening1 dat zij ontstaan zijn uit eene toeneming der vochtigheid4 ,in ,engeland1 zoowel als in ,scandinavi en ,amerika1 waren de streken1 waar thans nog de grootste hoeveelheid water valt1 in de quaternaire periode het middelpunt der grootste gletscher-formaties4 ,daarentegen is dat gedeelte van ,amerika1 dat in ,wisconsin gelegen was en bekend was onder den naam van driftless area1 wegens de afwezigheid van zwerfblokken1 juist de streek1 waar thans nog de minste regen valt4 ,in n woord1 de vochtigheid en de hoogte zijn de twee groote factoren geweest voor de vorming van het ijs2 en het feit1 dat over een groot gedeelte der ,amerikaansche ,cordillera's1 de streken1 van waar de gletschers thans verdwenen zijn1 eene lagere gemiddelde temperatuur hebben1 dan die waar het ijs bewaard is gebleven1 bewijst1 dat de algemeene temperatuur slechts in de tweede plaats in aanmerking komt4 ,de ijsmassa's verminderen dus sterker onder den invloed eener droge lucht1 dan dat zij toenemen onder den invloed der koude4 ,op het einde der pliocene periode en gedurende de quaternaire periode viel in de ,sahara1 in ,arabi en ,perzi1 landstreken1 die thans door de droogte geteisterd worden1 eene ontzettende hoeveelheid regen1 waarvan bijzonder sterke aanslibbingen het gevolg waren4 ,dat regengebied strekte zich zelfs nog verder oostwaarts uit1 over de tegenwoordige woestijnen van ,mongoli1 en in sommige bekkens1 zooals in dat der ,gele rivier1 ontstond daardoor eene ontzaglijke ophooping van lss4 ,zeker is het1 dat het regengebied zich in noordelijke richting verplaatst heeft1 en die verplaatsing doet zich nog thans gevoelen1 want de noordkust van ,afrika en de kusten van ,klein-,azi zijn lang niet meer in die gunstige omstandigheden1 waardoor in den tijd der ,romeinsche overheersching die streken zoo vruchtbaar waren4 ,daarentegen is het klimaat van ,frankrijk en ,duitschland lang niet zoo gestreng als dit volgens de oude geschiedschrijvers het geval is geweest4 ,de winden1 die droogte of vochtigheid veroorzaken1 hangen boven alles af van de verdeeling van land en zee1 en veranderingen in den invloed van den wind moeten dus afhankelijk geweest zijn van veranderingen in de gesteldheid der aarde4 ,de verdwijning van ,atlantis heeft eene ontzaglijke wijziging in de stroomingen veroorzaakt4 ,die periode is ook die geweest1 waarin de vulkanen van ,frankrijk1 ,spanje en de ,rijnoevers hunne werking deden gevoelen4 ,bij al die veranderingen in de gesteldheid der aarde moet ook de hoogte van den bodem gewijzigd zijn2 wij hebben trouwens reeds vroeger gezien1 dat deze zelfs thans nog niet standvastig is4 ,eenige honderden meters meer in de hoogte van noordelijk ,europa kunnen voldoende geweest zijn1 om de temperatuur zveel te doen dalen1 als voor de uitbreiding der gletschers noodig was4 ,zoo kan men dan de bekende ijsperiode verklaren1 die eindigde in de periode van het diluvium1 waarin zich in de valleien die stoffen hebben afgezet1 die thans met den naam van diluvium bestempeld worden4 ,al de bezinkingen na de tertiaire periode1 die de oppervlakte der aardschors vormen1 onderscheiden zich daarin van de vorige1 dat zij niet meer het kenmerk dragen van rustig bezonken te zijn op den bodem van groote watermassa's1 maar veeleer van te zijn ontstaan door eene snelle1 min of meer heftige verplaatsing van stoffen door middel van stroomend water4 ,die formatie bestaat gewoonlijk van onderen uit lagen of onregelmatige hoopen ronde strandkeien1 vermengd met zand en grint1 gelegen op eenen sterk gegroefden bodem4 ,hooger op vermindert het grint in volume en gaat het over in grof zand1 dat naar boven al fijner en fijner wordt4 ,dat zand is dan vermengd met kleine beddingen van keisteenen1 en met aarde en geel slijk1 dat dikwijls zeer dik is en de geheele laag bedekt4 ,men kan daarin al de karaktertrekken van het alluvium herkennen1 dat is van bezinking in stroomend water4 ,men vindt het in de vlakten1 op de bergvlakten1 op de hellingen der heuvels2 het vult ook de valleien1 doch zoodanig1 dat zijne massa1 in stede van door het tegenwoordige water toe te nemen1 dagelijks vermindert1 daar het door de tegenwoordige rivieren wordt uitgegraven1 die daar hare bedding leggen1 en het alluvium wijzigen1 door nieuwe formaties1 die zeer van de vorige verschillen1 daarop af te zetten4 ,die rangschikking is overal dezelfde4 ,toch is er eenig verschil in de samenstelling der lagen1 welk verschil afhangt van de geologische gesteldheid van de streken1 die de bouwstoffen er voor geleverd hebben4 ,zoo vindt men b4 v4 in het oude alluvium der ,seine-vallei talrijke blokken graniet en porfier door de ,yonne toegevoerd1 terwijl men in de ,marne-vallei kalkhoudende keien en vuursteenen vindt1 uit de krijtvlakten van ,champagne en het ,juraplateau van ,langres afkomstig4 ,het grint en het zand bevatten in groote hoeveelheden voor het meerendeel gebroken beenderen1 die afkomstig zijn van thans uitgestorven geslachten1 of wel van geslachten1 die thans leven op plaatsen1 ver verwijderd van die1 waar de beenderen gevonden zijn4 ,zoo vindt men daarin over geheel ,europa overblijfselen van reusachtige olifanten 7elephas primigenius71 groote rhinocerossen1 die twee horens op den neus droegen 7rhinoceros tichorinus7 met een aantal beenderen van paarden en groote herkauwende dieren 7herten1 damherten1 elanden1 ossen enz474 ,tanden en stukken van geraamten van tijgers en hyena's en van eene groote soort beren1 die zoo groot waren als ossen1 bewijzen eveneens1 dat onder de quaternaire dieren vele roofdieren gevonden worden4 ,in de groote stroomen van dat tijdperk leefden in ,europa ook groote nijlpaarden4 ,al die geslachten zijn thans uitgestorven2 onder die uitgeweken geslachten komen het rendier en de veelvraat voor1 die thans naar de poolstreken zijn teruggeweken4 ,de mammouth was over het geheele noordelijke halfrond verspreid1 en dat wel niet alleen in ,azi1 waar men de eerste overblijfselen van dat dier gevonden heeft4 ,sedert den tijd van ,otto van ,guericke1 den uitvinder der luchtpomp1 die in #affc getuige was van de ontdekking van fossiele beenderen1 7slagtanden1 toen voor horens aangezien71 sedert ,leibnitz1 die uit die overblijfselen een vreemd1 fantastisch wezen opbouwde1 dat eenen horen droeg op het midden van het voorhoofd en een dozijn kiezen van een voet lengte2 sedert de talrijke vondsten in ,duitschland1 ,rusland en ,siberi in de vorige eeuw1 hebben de mammouths opgehouden fabelachtige dieren te zijn1 vooral ook nadat in onze eeuw nieuwe en talrijke ontdekkingen tot eene meer wetenschappelijke opvatting medewerkten4 ,men weet1 dat men dikwijls aan de oevers der ,lena en in het ijs van ,siberi niet alleen fossiel ivoor vindt 7reeds sedert onheugelijke tijden in den handel gebruikt7 maar ook geheele lijken met vleesch1 huid en haar4 ,het musem te ,petersburg bezit n der schoonste exemplaren1 een geheel geraamte1 in #ahjd te midden van het ijs der ,lena gevonden4 ,het dier is zes meters hoog1 terwijl de omgekrulde slagtanden meer dan vier meters lang zijn4 ,de mammouth was veel grooter dan de olifant4 ,nog onlangs heeft het ijs eenen mammouth geleverd1 die bijna even groot is als die van het musem te ,petersburg4 ,onder de rhinocerossen komt de rhinoceros tichorinus voor1 zoo genoemd1 omdat de beide neusgaten door een beenig tusschenschot gescheiden waren4 ,die rhinoceros speelde in dien tijd eenen gewichtigen rol en bijna overal vindt men zijne beenderen terug4 ,aan de horens van dat dier zijn een aantal sprookjes verbonden1 onder andere meende men in de middeleeuwen den beroemden vogel ,rock in den schoot der aarde te vinden4 ,ook de drakenkoppen der oude tijden ontleenen daaraan hunnen oorsprong4 ,de anatomische kennis van dat fossiele dier dagteekent eerst van het jaar #aggb1 toen de natuuronderzoeker ,pallas aan de oevers van eenen bijstroom der ,lena een bijna volkomen lijk van het dier kon bestudeeren1 dat juist uit het ijs was losgemaakt4 ,het lichaam van den rhinoceros tichorinus was met haren bedekt1 en de huid was niet zoo ruw als die onzer ,afrikaansche rhinocerossen4 n der schoonste voorwereldlijke dieren moet wel het reuzenhert geweest zijn1 waarvan de overblijfselen veelvuldig voorkomen in de omstreken van ,dublin1 vermengd met schelpen1 en gelegen zoowel op eene hoogte van #gj meters boven de oppervlakte der zee als in het tufkrijt1 dat zich onder de onmetelijke venen bevindt1 en in het veen zelf1 dat even hoog ligt als de oppervlakte der zee4 ,bij ,curragh vindt men geraamten van reuzenherten in eene beperkte ruimte opeengestapeld1 alsof geheele kudden op die plek begraven lagen4 ,opmerkelijk is het1 dat al die exemplaren denzelfden stand hebben1 den kop omhoog1 den hals gestrekt1 het gewei naar achteren1 alsof zij1 in het moeras ingezakt1 zoolang mogelijk lucht trachtten te scheppen4 ,het geslacht olifant schijnt zich aldus ontwikkeld te hebben3 ,dinotherium ,mioceen4 ,mastodon ,mioceen4 ,elephas meridionalis ,plioceen4 ,elephas antiquus ,quaternair4 ,elephas primigenius 7,mammouth7 ,quaternair4 ,tegenwoordige olifanten4 ,in het begin der quaternaire periode is de elephas meridionalis verdwenen1 om plaats te maken voor zijnen opvolger1 den elephas antiquus4 ,kudden van die dieren wandelden rustig in de onmetelijke wouden1 waar thans ,parijs schittert4 #ef ,de elephas antiquus kenmerkt de eerste periode van het quaternaire tijdvak1 de elephas primigenius de tweede1 koudere periode1 de rhinoceros tichorinus de derde1 en het rendier de vierde periode4 ,dit geldt ten minste voor ,europa4 ,in ,amerika is dit echter eenigszins anders4 ,een groot aantal der tegenwoordige landdieren bestond reeds in het begin der periode waarin zich vele nieuwe typen vormden4 ,er is dus een onmerkbare overgang van de quaternaire dierenwereld tot die van onzen tijd2 de twee tijdperken zijn dan ook veeleer gescheiden door het eindigen der natuurkundige en klimatologische verschijnselen der glaciaire en diluvium-periode en door het intreden van de tegenwoordige kalmte dan door een verschil in de planten- en dierenwereld4 ,dit is zelfs z waar1 dat terwijl vele tegenwoordige dieren opklimmen tot de quaternaire en zelfs tot de tertiaire periode1 verscheidene quaternaire soorten eerst in den tegenwoordigen tijd zijn uitgestorven4 ,de mammouth heeft zeer lang voortgeleefd1 de urus leefde in de #ad;de eeuw nog in ,nederland in het wild1 de bison of aueros is zelfs nog niet geheel verdwenen in ,lithauen en den ,caucasus4 ,in ,europa waren de quaternaire zoogdieren1 beren1 leeuwen1 hyena's1 rhinocerossen1 olifanten1 herten1 runderen1 bijna alle reusachtig groot2 buitendien had men insecteneters1 knaagdieren1 verscheurende dieren1 herkauwende dieren1 paarden1 wilde zwijnen enz41 waarvan de meeste soorten nog bestaan4 ,de holenbeer was zoo groot als het paard1 de mammouth was veel grooter dan zijne tegenwoordige stamgenooten en had ontzaglijke spiraalsgewijze gebogen slagtanden2 het hert der venen was minstens zoo groot als onze ossen1 en sommige ossen hadden ontzaglijke afmetingen4 ,dat dieren der gematigde en koude luchtstreken op dezelfde plaatsen gevonden werden als dieren1 die wij gewoon zijn te beschouwen als bewoners der warme landen1 behoeft ons niet meer te verwonderen1 nu wij weten1 dat de mammouth en de rhinoceros met door een tusschenschot gescheiden neusgaten bedekt waren met een dik kleed van wol en haren1 zooals blijkt uit de in het ijs van ,siberi gevonden exemplaren4 ,het is dus niet vreemd1 dat men de overblijfselen van holenberen en hyena's1 rhinocerossen1 den mammouth1 den struisvogel1 het paard1 het rendier1 den veelvraat1 en den muskusos der poolstreken bij elkander vindt4 ,de glaciaire periode heeft lang geduurd2 van daar dat de landdieren1 om de gestrengheid van het klimaat te kunnen doorstaan1 langzamerhand bedekt zijn met eenen dikken pels4 ,in ,amerika is het diluvium zeer uitgestrekt en daarbij rijk aan beenderen2 doch de dierenwereld wijst groote verschilpunten aan met die van ,europa4 ,zoo vindt men in het slijk en het tufkrijt der onmetelijke vlakten van la ,plata1 in zuid-,amerika1 ,pampa's genoemd1 een groot aantal zoogdieren1 waarvan de geraamten in hun geheel voorkomen1 en waaronder men vooral reusachtige tandelooze dieren opmerkt1 zooals het megatherium en den mylodon1 waarmede wij tijdens de pliocene periode kennis hebben gemaakt1 en die in ,europa voorkomen1 en den vreemdsoortigen megalonyx1 die meer eigen is aan het ,amerikaansche vasteland 7fig4 #caa74 ,men vindt er ook reusachtige pantserdieren1 waarvan de glyptodon het merkwaardigst was1 naast paarden1 tapirs1 bevers enz41 terwijl de meest voorkomende en merkwaardigste dieren der ,europeesche quaternaire dierenwereld1 de mammouth1 de rhinoceros1 het nijlpaard1 de holenbeer geheel ontbreken4 ,de glyptodon 7fig4 #cab7 was een reusachtig pantserdier1 dat meer dan drie meters lang was1 het was omgeven en beschermd door een dik pantser1 bestaande uit beenige1 stevig verbonden stukken4 ,in ,australi waren de quaternaire zoogdieren uitsluitend buideldieren2 dit is nog thans het geval1 doch de tegenwoordige vertegenwoordigers dier orde zijn dwergen in vergelijking van die van vroeger4 ,in ,nieuw-,zeeland waren de zoogdieren evenals thans uiterst zeldzaam2 men vindt daar reuzenvogels1 die vier meters hoog waren en wier eieren1 van #cb tot #cd centimeters lang1 eenen inhoud hadden van negen liters4 ,al deze feiten bewijzen ons1 dat in de quaternaire periode de dierenwereld in verschillende streken reeds evenveel uiteenliep1 als thans het geval is4 ,in het volgende hoofdstuk zullen wij ons bezighouden met het tijdstip van het verschijnen van den mensch2 reeds nu kunnen wij echter mededeelen1 dat men in het diluvium en in de holen uit het begin der quaternaire periode niet alleen geslepen vuursteenen1 bewerkte beenderen1 schetsen van dieren en een aantal sporen van de primitieve industrie der oudste tijden1 maar ook fossiele overblijfselen van den mensch gevonden heeft4 ,de eerste menschen zijn dus getuige geweest van de hier beschreven verschijnselen2 zij hebben de overstroomingen der diluviaansche periode bijgewoond1 hebben de ontzaglijke uitbreiding der gletschers kunnen zien1 hebben bergketenen zien verrijzen1 en de geboorte van een groot aantal diersoorten kunnen waarnemen4 ,doch zij waren nog geene waarnemers4 ,hunne aandacht was alleen gewijd aan de gevaren1 waaraan zij waren blootgesteld1 en de dieren1 die hun leven in gevaar brachten4 ,in de eerste verhalen spelen monsters en reuzen de hoofdrol1 en de overleveringen van alle volkeren vermelden overstroomingen en zondvloeden1 die door de legende geheel veranderd en onkenbaar gemaakt zijn4 ,het is hier de plaats niet1 de nog zoo duistere geschiedenis van de eerste tijden der menschheid te ontwarren2 alleen vermelden wij1 dat men overal de sporen van verschillende menschenrassen gevonden heeft2 dat de oudste schijnen overeen te komen met de laagste volksstammen van zuid-,afrika en ,australi1 en dat verscheidene stammen menscheneters waren4 ,slechts langzaam1 en na verloop van eeuwen1 is de menschheid van den toestand van wilden tot dien van barbaren en daarna in dien van beschaafde wezens overgegaan4 ,het gebruik van steenen werktuigen is dat der metalen voorafgegaan2 in die steenperiode kan men1 overeenkomstig den graad van volkomenheid der gebruikte vuursteenen werktuigen1 twee voorname perioden onderscheiden2 de paleolithische periode1 waarin de werktuigen alleen geslepen zijn1 de neolithische periode1 waarin die werktuigen fijner bewerkt en meestal gepolijst zijn4 ,het is zeker1 dat de mensch reeds langen tijd op aarde bestaat4 ,de geschreven oorkonden brengen ons slechts #ejjj tot #fjjj jaren terug1 de oudste overblijfselen van gebouwen zijn misschien twintig eeuwen ouder1 doch veel verder dan die korte historische periode1 die nauwelijks den duur van #aej menschengeslachten overschrijdt1 strekt zich de periode der overlevering uit4 ,in dien tijd verbond de menschheid1 tot zelfbewustzijn komend1 de eeuwen aan elkander door legenden1 gezangen1 symbolen1 en de herinnering van gewichtige gebeurtenissen4 ,volksverhuizingen1 rassenoorlogen1 vernietigingen en samensmeltingen van volksstammen1 de veroveringen van den arbeid1 werden in den godsdienst opgenomen1 en werden onder meer of minder gewijzigden vorm van geslacht tot geslacht overgeleverd als het erfdeel der volkeren4 ,nog vroeger1 in het onbekende verleden der tijden1 leefden onze voorouders evenals de dieren in de bosschen en holen4 ,de overlevering zwijgt1 evenals de geschiedenis1 van die periode van de menschheid2 doch de aardformaties1 in onzen tijd door de geologen geraadpleegd1 beginnen ons het bestaan en de zeden van die eertijds onbekende voorouders te openbaren4 ,in de laatste tijden zijn zvele overblijfselen van menschen1 zvele vruchten van menschelijke industrie ontdekt1 dat er geen twijfel meer kan bestaan aan den ouderdom der menschheid4 ,niet alleen bewoonden onze voorouders de bosschen tegelijk met de bisons1 maar zij leefden reeds vr dien tijd in de ijsperiode1 toen ,frankrijk en ,duitschland het voorkomen hadden van het tegenwoordige ,scandinavi1 en de rendieren1 thans verbannen naar de poolstreken1 de gletschers der ,alpen en ,pyrenen doorliepen4 ,nog vroeger reeds1 in een' tijd1 toen het ,europeesche klimaat1 dat later zoozeer zou afkoelen1 veel warmer was dan thans1 had de mensch uit de holen thans uitgestorven soorten van rhinocerossen en olifanten tot tijdgenooten1 en reeds oefenden zich kunstenaars1 nederige voorgangers van ,phidias en ,raphal1 om op hunne gereedschappen beeldjes van vrouwen en beelden van mammouthen en herten te snijden1 die in de klei der holen bewaard zijn gebleven4 ,en nog vr dien tijd vindt men den mensch1 om de heerschappij kampend tegen zijnen ontzagwekkenden vijand den holenbeer1 waarvan eveneens teekeningen op steen bewaard zijn gebleven2 en nog verder terug zelfs1 in de onmetelijke duisternis der eeuwen1 leeren ons andere overblijfselen1 die van den elephas antiquus en den elephas meridionalis1 dat onze voorouders geboren waren in eene periode1 waarvan men vroeger meende1 dat zij door eene reeks van plotselinge omwentelingen van de onze gescheiden was4 ,zoo hebben wij dan de laatste der geologische perioden geschetst4 ,bij het optreden van den mensch is het doel van dezen arbeid bereikt1 en valt het buiten onze taak1 om ons in bijzonderheden bezig te houden met de eerste tijden der menschheid4 ,ons doel was alleen1 aan te toonen1 hoe de levende natuur door de ontwikkeling der soorten geleidelijk is overgegaan van het protaplasma tot den mensch1 op eene planeet die langzamerhand bewoonbaar is geworden1 nadat zij nevelvlek en zon geweest is4 ,toch achten wij het1 vrdat wij onze taak als geheel voleindigd beschouwen1 noodig1 te trachten uit al het voorgaande de groote onbekende op te lossen1 de ,schepping van den mensch4 ,onze lezers zijn thans volkomen voorbereid1 om zich aan die oplossing te wagen4 ,de vrucht is rijp2 men behoeft slechts de hand uit te strekken om haar te plukken4 ,en deze vrucht is inderdaad de vrucht van den boom der kennis1 en het is niet verboden haar aan te raken4 ,,tweede ,,hoofdstuk ,de ,schepping van den ,mensch4 ,men zoude kunnen meenen1 dat het juister geweest ware1 tot titel van dit werk te kiezen3 ,de wereld vr het optreden van den mensch dan de wereld vr de schepping van den mensch4 ,doch bij de tegenwoordige opvatting der wetenschap zijn beide uitdrukkingen volkomen aan elkander gelijk4 ,de studie der natuur heeft ons in den loop van dit werk geleerd1 dat de beteekenis vroeger aan het woord schepping gehecht1 niet de juiste is1 en dat men nergens eene eigenlijk gezegde schepping waarneemt4 ,nog nooit heeft men iets uit niets zien voortkomen4 ,niet alleen dat geen enkel levend wezen1 hoe laag ontwikkeld ook1 geen stroohalm of mos uit niets ontstaat1 maar zelfs niet de nietigste stof1 de minste molecule1 of de minste hoeveelheid warmte1 licht en electriciteit1 geene enkele kracht en geen enkel atoom ontstaat uit niets4 ,voor hem1 die vrij en zonder vooringenomenheid het schitterend schouwspel van het levende heelal bestudeert1 is dat heelal in al zijne onderdeelen eene geleidelijke ontwikkeling van zaken en wezens4 ,wij moeten dus onder het woord schepping verstaan natuurlijke ontwikkeling4 ,in dien zin opgevat kunnen wij onzen titel behouden4 ,de mensch is niet plotseling verschenen1 maar geleidelijk geschapen door de krachten der natuur4 ,wij willen daarmede volstrekt niet zeggen1 dat de studie der natuur ons er toe leiden moet het bestaan eener grondoorzaak te ontkennen1 die blijvend inwerkt in de ontwikkeling van het heelal1 eene onzichtbare kracht1 die de ontwikkeling van wezens en zaken bestuurt met eene bedoeling1 die ons tot nu toe onbekend is4 ,het is van belang1 dat wij de grenzen der wetenschap nauwkeurig kennen4 ,dwaasheid zou het zijn te beweren1 dat men niets weet2 men weet veel1 en ieder rechtgeaard mensch moet doordrongen zijn van dankbaarheid jegens de onderzoekers van alle eeuwen1 die hun geheele leven gewijd hebben aan den arbeid1 en wier onderzoekingen der menschheid de schatten van den geest en de materieele rijkdommen geschonken hebben4 ,doch indien men veel weet1 men weet niet alles1 en de proefondervindelijke wetenschappen hebben hare grenzen1 zij kan de belangrijke vraag omtrent het bestaan der ,godheid en de onsterfelijkheid der ziel niet oplossen1 en zeker niet in ontkennenden zin4 ,het is de plicht van iederen denker1 die de waarheid liefheeft1 vrijmoedig te zeggen wat hij weet4 ,de philosophische stelsels1 die uit naam der wetenschap het bestaan der menschelijke ziel ontkennen1 zien slechts ne zijde van de schepping en dat wel niet de schoonste zijde4 ,het is zeer zeker moeilijk1 zich los te maken van iedere keten en vrij te denken1 doch dit is dan ook 's menschen grootste verdienste en de beste oefening van onzen geest4 ,de schepping van den mensch begint niet met den titel van dit hoofdstuk2 zij klimt door haren oorsprong tot de eerste bladzijden van dit boek op4 ,onmerkbaar1 geleidelijk1 hebben zich de wezens ontwikkeld tot die hoogte1 waarop thans de menschheid staat4 ,het is even onmogelijk te zeggen1 wanneer de mensch begonnen is1 als wanneer de roos begonnen is4 ,aanschouw die prachtige roos uit onze tuinen1 met hare menigvuldige bloembladeren1 adem haren heerlijken geur in1 bewonder hare zoo zachte kleurschakeeringen en zoek naar haren oorsprong4 ,gij zult opklimmen tot de wilde roos en tot den hagedoorn1 maar het is de roos niet meer4 ,zoek naar den oorsprong van de zoo schoone en saprijke perzik2 zoek naar den oorsprong van de lelie of de orchidee2 en tot den oorsprong opklimmend1 verliest gij ongemerkt het voorwerp van uw onderzoek uit het oog4 ,van de tegenwoordige aarde1 bedekt met de voortbrengselen der strijdende menschheid1 bezaaid met velden1 weiden1 steden1 dorpen1 wegen1 spoorwegen1 klimt gij ongemerkt op tot de aarde der iguanodons1 dinosauren1 labyrinthodonten1 tot het primaire tijdperk1 tot de nevelvlek4 ,alles is overgang1 verandering1 ontwikkeling4 ,het verschil tusschen middernacht en middag is groot1 en toch is het onmogelijk te zeggen1 op welk oogenblik de dag begint4 ,zoo is het ook met den mensch4 ,indien wij de menschheid in haren tegenwoordigen toestand beschouwen1 dan zijn wij geneigd te gelooven1 dat zij altijd geweest is1 zooals wij haar thans zien4 ,toch zien wij zelf hare ontwikkeling vr ons en kunnen wij ons rekenschap geven van de snelheid1 waarmede alles verandert4 ,wij kunnen ons reeds moeilijk den tijd voorstellen1 toen er geen spoortreinen of telegrafen waren1 en toch is dit nog zoo kort geleden4 ,onze voorvaders zouden hunne oogen niet gelooven1 als zij eenen trein zagen1 die in #fj uren van ,parijs naar ,konstantinopel vloog en hoorden1 dat dit wonder alleen gewrocht wordt door den damp van eenige liters kokend water4 ,wij zien steden1 gezellige huizen1 door glas afgesloten1 komediegebouwen1 academies en kerken2 wij zien kleeren en meubelen2 wij hooren muziek1 wij lezen dagbladen en boeken1 en zijn geneigd te meenen1 dat dit alles altijd bestaan heeft4 ,doch inderdaad heeft zich dat alles geleidelijk ontwikkeld4 ,de mensch heeft zich zelf vroeger gemaakt tot datgene wat hij thans is1 en maakt zich zelf thans tot datgene wat hij morgen zal zijn4 ,lichaam1 geest1 zeden1 denkbeelden1 taal1 alles verandert1 en dat wel snel genoeg4 ,de taal1 die wij thans spreken1 is eene geheel andere dan die van voor duizend jaren4 ,onze voorouders uit dien tijd zouden ons niet meer verstaan4 ,geleidelijk heeft de mensch zijne taal1 zijne denkbeelden1 zijne geestesgaven verworven2 geleidelijk is de menschheid geworden wat zij thans is4 ,wij moeten echter zeggen3 de beschaafde menschheid2 op onze planeet1 vooral in centraal-,afrika1 in het zuiden van ,amerika en op de eilanden van de ,stille ,zuidzee vindt men nog groepen van wezens1 die wel menschen genoemd worden1 maar die daarmede niets anders dan den vorm gemeen hebben4 ,en wat voor vorm6 ,de wilde volksstammen1 die ongeschikt zijn tot het bevatten der eenvoudigste denkbeelden1 die minder ontwikkeld zijn dan verscheidene van onze huisdieren1 die onvatbaar zijn voor elke opvoeding1 die geene geschiedkundige herinneringen hebben1 die niet verder kunnen tellen dan de vijf vingers der hand1 die voor hun eigen kroost geen dieper gevoel hebben dan sommige soorten van apen1 vogels of kangoeroe's1 die laag ontwikkelde wezens kunnen nog niet worden ingeschreven in de rijen der menschheid1 wier verstandelijke ontwikkeling wij zoo even prezen4 ,de verwantschap van den mensch met de wezens1 die hem zijn voorafgegaan1 wordt door een aantal onwederlegbare feiten bewezen4 ,die feiten kunnen in verschillende klassen worden gerangschikt en zijn voornamelijk de volgende3 #a4 ,de vergelijkende ontleedkunde toont de overeenkomst in bouw aan van het lichaam van den mensch en de hoogste diersoorten1 van het geraamte tot de organen en de geringste bijzonderheden van het lichaam2 #b4 de physiologie leert1 dat het meest kenmerkende orgaan van den mensch1 de hersenen1 zich geleidelijk bij de dieren ontwikkeld heeft om langzaam en zonder plotselingen overgang te eindigen in de hersenen van den mensch2 #c4 de waarneming van het verstand der dieren bewijst1 dat zij in minderen graad alle verstandelijke vermogens van den mensch bezitten1 gewoonlijk in rudimentairen toestand1 doch somtijds ook op merkwaardige wijze ontwikkeld2 #d de physische en geestelijke verwantschap van den mensch met de hoogere dieren heeft duidelijke sporen nagelaten in de afgestorven 7geatrophieerde7 organen van den mensch1 die het erfdeel zijn der oorspronkelijke voorouders1 en in de gevallen van terugslag 7atavisme7 of terugkeer tot den oorsprong2 #e4 de embryologie 7leer der ongeboren vrucht7 toont aan1 dat zelfs nu nog ieder menschelijk wezen in den moederschoot1 alle vroegere dierlijke phasen doorloopt1 en dat ieder van ons1 vrdat hij mensch werd1 ei1 kruipend dier en zoogdier geweest is2 #f4 de geologie en de paleontologie leveren van het voorgaande de proef op de som1 daar de wezens1 wier versteening wij terugvinden1 eene geleidelijke ontwikkeling vertoonen1 van de plant- en weekdieren tot aan den mensch4 ,van al deze feiten1 die te zamen de bouwstof leveren voor de oplossing van het groote vraagstuk1 heeft de zesde reeks het onderwerp van dit werk uitgemaakt1 en onze lezers hebben het belang en de waarde dier feiten zelf kunnen beoordeelen4 ,de vijf andere hebben wij in grove trekken geschetst1 in het gedeelte1 dat handelde over den oorsprong en de ontwikkeling van het leven2 wij moeten echter thans nog eens de voornaamste van die bewijsgronden voor oogen nemen en trachten te ontdekken1 uit welke diersoort de menschheid is ontstaan1 en wanneer die belangrijke wijziging heeft plaats gegrepen4 ,wij zeiden dan in de eerste plaats1 dat de vergelijkende ontleedkunde aantoont1 dat er eene groote overeenkomst is in den bouw van den mensch en de hoogere dieren4 ,dit weet tegenwoordig iedereen4 ,er is niemand meer1 of hij heeft honderden malen opgemerkt1 zonder dat hij daarom een groot waarnemer behoeft te zijn1 hoe groote overeenstemming er is tusschen de ligging der voornaamste organen bij ossen1 kalveren1 schapen1 paarden enz4 en die van den mensch4 ,gaan wij in ons onderzoek iets verder1 en bestudeeren wij de hersenen1 het hart1 de longen1 de ledematen1 het hoofd1 de tanden1 oogen1 ooren1 handen enz4 dan ziet men zeer spoedig1 dat ons lichaam in alle bijzonderheden gebouwd is naar hetzelfde type als dat der hoogere zoogdieren4 ,indien men nog verder gaat1 en onderzoekt1 welke der hoogere zoogdieren in anatomischen bouw en physiologische eigenschappen de grootste gelijkenis vertoonen met ons lichaam1 dan bemerkt men reeds spoedig1 dat het de apen zijn4 ,dit is een feit1 dat door geene vooroordeelen is weg te redeneeren4 ,wil dat nu zeggen1 dat die gelijkenis voldoende is1 om daaruit af te leiden1 dat wij van de apen afstammen8 ,in geenen deele4 ,bovendien zou men dan nog moeten onderzoeken1 van welken aap de mensch zou zijn afgestamd4 ,wij moeten niet te snel vooruit willen1 doch evenmin mogen wij de oogen sluiten4 ,ons lichaam is evenzoo gebouwd als dat der hoogere dieren4 ,indien de mensch de vrucht ware van eene afzonderlijke schepping1 dan zou die overeenkomst met andere levende soorten geen reden van bestaan hebben4 ,zij zou zelfs bijzonder vreemd1 onverklaarbaar en vernederend zijn4 ,doch indien wij de hoogste tak zijn van den boom des levens1 dan kan alles langs natuurlijken weg verklaard worden4 ,indien wij het geraamte der apen1 die in hunnen bouw het meest met den mensch overeenkomen1 met het geraamte van den mensch vergelijken1 dan valt het niet te ontkennen1 dat er eene treffende overeenstemming bestaat4 ,de geheele bouw1 de ribben1 de beenen1 de armen1 de wervelkolom1 de kop maken den indruk van eene groote gelijkenis4 ,toch openbaren zich verschilpunten in de bijzonderheden4 ,de schedel der apen is dierlijk1 de armen zijn zeer lang1 en vooral geeft de rechte stand den mensch iets edels1 waarop de andere dieren geen aanspraak kunnen maken4 ,doch gevoelt men niet de trapsgewijze opklimming van het dierlijke geraamte tot dat van den mensch8 ,indien men het geraamte van een viervoetig dier1 hond1 paard of leeuw 7fig4 #cjc7 vergelijkt met dat van den oerang-oetan1 dan gevoelt men1 dat er een grootere afstand is tusschen het paard of den leeuw en den aap1 dan tusschen den aap en den mensch4 ,toch kan de leeuw beschouwd worden als een der hoogste dieren2 zijn blik1 zijne fierheid1 zijn voorkomen hebben reeds iets menschelijks 7fig4 #cae74 ,indien wij na de beschouwing van het geraamte iets verder gaan en den geheelen lichaamsbouw bestudeeren2 en vooral als wij de verstandsontwikkeling1 de levenswijze en de zeden der apen bestudeeren1 dan komt de gelijkenis met de menschheid1 en vooral met de lagere rassen1 meer en meer aan het licht4 ,wel is waar gelijken zij op ons van onze meest ongunstige zijde beschouwd2 maar zij zijn sluw en verstandig4 ,laat ons hooren1 wat n der uitstekendste waarnemers1 ,brehm1 die niet veel van de apen schijnt te houden1 daaromtrent zegt4 ,hij die met aandacht de volgende beschrijving1 van de natuur afgezien1 leest1 zal den indruk verkrijgen1 dat er alleen een verschil in graad1 en niet in wezen bestaat tusschen den aap en den onbeschaafden mensch4 ,men kan niet ontkennen1 zoo schrijft genoemde natuuronderzoeker1 dat zij ondeugend1 kwaadaardig1 valsch1 driftig1 haatdragend1 in ieder opzicht wellustig1 twistziek1 vechtlustig1 heerschzuchtig1 prikkelbaar en gemelijk zijn1 in n woord1 dat zij de verachtelijkste hartstochten bezitten2 zij stellen er een boosaardig genot in1 om alle soorten van gemeene streken uittehalen2 maar toch moeten wij erkennen1 dat zij dikwijls voorzichtig en vroolijk1 zacht en goedaardig zijn en vriendschap en vertrouwen betoonen2 zij zijn van eene gezellige natuur1 moedig1 aan hunne medeapen gehecht1 en verdedigen ze moedig1 zelfs tegen vijanden1 die hen in kracht overtreffen4 ,zij openbaren eene zekere grootheid in hunne liefde voor hun kroost1 in hun medelijden voor de zwakkeren1 niet alleen van hun eigen ras of familie1 maar ook voor de kleinen van andere soorten of klassen4 ,het gezellige leven van die dieren is voor den waarnemer vol bekoorlijkheid4 ,weinige soorten van apen leven eenzaam2 de meeste vereenigen zich tot troepen4 ,ieder dier troepen kiest eene vaste1 min of meer uitgestrekte woonplaats1 altijd in de streken1 die in ieder opzicht het gunstigst gelegen zijn1 doch vooral wat de voeding betreft4 ,is er gebrek aan voedsel1 dan trekt de troep verder4 ,de bosschen1 gelegen in de nabijheid van de plaatsen1 door den mensch bewoond1 waarin mas verbouwd wordt1 of suikerriet1 bananen1 vruchtboomen1 meloenen gevonden worden1 zijn voor hen een waar paradijs4 ,ook versmaden zij de dorpen niet1 waar het bijgeloof verbiedt1 die brutale dieven te straffen4 ,als de troep tot overeenstemming gekomen is over de plaats1 waar zij zich zal vestigen1 dan begint het apenleven1 met zijne genoegens en twisten1 zijne veldslagen1 zijne behoeften en ellenden4 ,het krachtigste mannetje wordt de aanvoerder en gids1 doch niet bij stemming wordt hij die eer deelachtig1 maar door te vechten tegen andere mannetjes1 zijne mededingers4 ,bij de apen beslissen evenzeer als bij de menschen1 de langste tanden en de krachtigste armen over de overwinning4 ,wie zich niet goedschiks onderwerpt1 wordt door geweld er toe gedwongen4 ,de macht is bij den sterkste2 de wijste is hij1 die de langste tanden heeft4 ,de gids eischt blinde gehoorzaamheid en kan daarop ook in alle omstandigheden rekenen2 immers de sterkste apen zijn gewoonlijk de oudste1 en de jongeren hebben eerbied voor hunne meerdere ervaring4 ,als een ijverzuchtig sultan1 matigt hij zich het uitsluitend recht aan over alle wijfjes en verwijdert hij die1 welke zich te buiten gaan2 men kan dus zeggen1 dat hij de vader van den troep is4 ,als de troep te talrijk wordt1 scheidt zich een deel af onder aanvoering van een ander mannetje1 dat sterk genoeg is geworden1 om met den aanvoerder te strijden1 en een nieuwe strijd begint om de leiding der nieuwe vereeniging4 ,overal1 waar meerderen naar n doel streven1 is er strijd4 ,bij de apen heeft men dagelijks gevechten en twisten2 een oogenblik waarnemens is voldoende1 om te zien1 dat er dikwijls zonder bekende oorzaak tweedracht heerscht4 ,de gids oefent zijn gezag met veel waardigheid uit4 ,door de achting1 die hij heeft weten in te boezemen1 en die zijne eigenliefde verheft1 heeft hij een zeker zelfvertrouwen1 dat bij zijne onderdanen gemist wordt2 deze maken hem altijd het hof4 ,men kan zien1 dat de wijfjes zich beijveren1 van hem de grootste gunsten te verwerven1 die een aap schenken kan2 zij doen haar best1 om zijne haren te bevrijden van de lastige parasieten1 die daarin huizen1 en met koddige majesteit laat hij die bewerking toe4 ,daarentegen waakt hij trouw voor het heil der gemeenschap4 ,hij is de voorzichtigste van allen2 zijne oogen dwalen steeds overal rond2 hij wantrouwt een ieder en alles1 en ontdekt daardoor bijna steeds tijdig genoeg het gevaar1 dat zijne kolonie bedreigt4 ,de taal der apen schijnt zeer rijk te zijn1 ten minste iedere soort drukt hare verschillende indrukken door verschillende klanken uit2 de waarnemer leert spoedig de beteekenis der geluiden begrijpen1 die een gids voortbrengt1 bij het leiden zijner kudde1 of den kreet van angst1 die tot de vlucht aanmaant4 ,die kreet1 moeilijk te beschrijven en nog moeilijker na te bootsen1 bestaat uit eene reeks korte1 afgebroken1 bevende en onharmonische tonen1 wier beteekenis nog duidelijker wordt1 als men de samentrekkingen van het gelaat beschouwt4 ,zoodra het geluid gehoord wordt1 neemt de geheele troep de vlucht4 ,de moeders roepen hare jongen naar zich toe1 die zich aan haar vasthechten2 met haren zoeten last beladen begeven zij zich naar den meest nabijzijnden boom of naar de naburige rots4 ,de oude aap gaat voorop en wijst den weg1 die door de geheele troep met vertrouwen gevolgd wordt1 en wanneer het stilstaan en de kalmte van den gids aantoonen1 dat het gevaar geweken is1 dan vereenigt zich de troep weder1 maakt zij weder rechtsomkeert1 en voltooit zij den roof1 waarbij zij is betrapt geworden4 ,niet alle apen echter vluchten voor den vijand2 de sterksten verdedigen zich tegen de gevaarlijkste roofdieren en zelfs tegen den mensch1 die voor hen nog gevaarlijker is2 zij leveren dan veldslagen1 waarvan de uitslag dikwijls onzeker is4 ,de groote apen1 b4v4 de bavianen1 hebben in hunne tanden z krachtige wapenen1 dat zij gerust den strijd kunnen wagen tegen den alleen verschijnenden vijand1 terwijl de kleine apen zich te zamen verdedigen en elkander met lofwaardige trouw helpen4 ,de wijfjes vechten alleen1 als zij gedwongen zijn haar leven of haar kroost te verdedigen2 in dat geval zijn zij even dapper als de mannetjes4 ,de meeste apen strijden met hunne handen en tanden1 zij verscheuren en bijten2 enkele schrijvers beweren1 dat zij zich somtijds van gebroken takken1 als van stokken1 bedienen4 ,zeker is het1 dat zij van boven uit hunne schuilplaats steenen1 vruchten en stukken hout op hunne vijanden werpen4 ,geen inlander meet zich met eenen baviaan en zeker niet zonder vuurwapenen4 ,de orang-oetans en de gorilla's zijn z sterk en gevaarlijk1 dat als een jager met n van deze vecht1 hij zijn geweer nooit voor den aanval1 doch alleen ter verdediging gebruiken kan4 ,de vreeselijke woede der apen1 die hunne krachten vertiendubbelt1 is zeer gevaarlijk1 en hunne groote behendigheid belet dikwijls den jager ze te dooden4 ,in den natuurstaat vormt iedere soort eene troep op zich zelf1 toch helpen elkander wel eens soorten1 die veel met elkander overeenkomen1 en vereenigen zij zich met elkander4 ,in gevangenschap leven alle soorten vriendschappelijk bijeen1 en men neemt dan dezelfde wetten omtrent het opperbewind waar als bij eene vrije kolonie4 ,de sterkste oefent altijd de macht over al de anderen uit4 ,de groote soorten houden zich met de kleinere bezig en de mannetjes wedijveren met de wijfjes1 om ze te verzorgen4 ,de wijfjes der groote soorten werven wel eens jonge kinderen of kleine zoogdieren aan1 die zij op de armen kunnen dragen4 ,zoo kwaadaardig als een aap is jegens alle dieren1 zoo lief en zacht is hij jegens kinderen of andere jonge wezens2 de moederliefde der apen is dan ook spreekwoordelijk4 ,natuurlijk openbaart zich die liefde het sterkst jegens hunne eigen kinderen4 ,de jonggeborene is niet mooi2 doch dat leelijke kleine wezen maakt de vreugde van de moeder uit1 die het liefkoost en koestert1 z zelfs dat het belachelijk schijnt4 ,korten tijd na de geboorte1 gaat de jonge aap met zijne twee vrhanden aan den hals der moeder hangen1 terwijl zijne achterhanden het lichaam der moeder omvatten2 z neemt hij de houding in1 die voor de voedster het minst lastig en voor hem het gemakkelijkst is om te zuigen4 ,is hij grooter geworden1 dan springt hij bij het minste alarm op de schouders of den rug zijner ouders4 ,de jeugdige aap is in het eerst ongevoelig voor al de liefkoozingen zijner moeder1 die toch even lief voor hem blijft en zich steeds met hem bezighoudt4 ,nu eens likt zij1 dan weder luist zij hem2 zij drukt hem tegen haar hart of neemt hem tusschen hare twee handen1 om hem beter te kunnen beschouwen1 en plaatst hem dan weder tegen hare borst1 of wiegt hem in hare armen1 als wilde zij hem in slaap wiegen4 ,na korten tijd wordt de jonge aap iets onafhankelijker4 ,de moeder laat hem dan vrij in zijne bewegingen1 en laat hem stoeien met de andere apen van zijne soort1 maar geen oogenblik verliest zij hem uit het oog2 zij volgt al zijne schreden1 houdt het toezicht over zijne handelingen en staat hem alleen datgene toe1 wat hem niet kan schaden4 ,bij het minste gevaar vliegt zij naar hem toe1 eenen bijzonderen kreet doende hooren1 die beteekent1 dat hij in hare armen moet vluchten4 ,als hij ongehoorzaam is1 wat zeer zelden voortkomt1 daar de jonge apen in het algemeen zeer onderdanig zijn1 straft zij hem1 door hem te knijpen of te schudden1 of somtijds wel door hem een paar oorvegen toe te dienen4 ,in de gevangenschap deelt de moeder al wat zij eet trouw met haar kind2 zij neemt deel in alles1 wat hem overkomt en geeft hem treffende bewijzen van liefde4 ,de dood van haar kind sleept den hare met zich mede2 zij sterft van verdriet4 ,als de moeder sterft1 neemt een andere aap van de troep1 een mannetje of wijfje1 den wees tot zich en bewijst hem bijna evenveel liefde als aan zijn eigen kroost4 ,enkele reizigers hebben eene schets gegeven van de vreeselijke gevechten tusschen negers en gorilla's2 zij die uitgaan om ivoor te zoeken1 zijn uiterst bevreesd voor den gorilla en vooral voor de wijze waarop hij de lieden aanvalt4 ,de inboorlingen beweren1 dat als de jagers rustig door het bosch trekken1 een gorilla1 op een der onderste takken gezeten1 een van hen bij den nek pakt1 hem naar zich toe trekt en hem medesleurt naar den top van den boom1 waar hij hem verworgt1 zonder dat hij eenig geluid kan geven1 en hem daarna op den grond laat vallen4 ,dikwijls komen de negers vreeselijk verminkt uit den strijd1 dien zij tegen die vreeselijke dieren hebben moeten voeren4 ,indien de gorilla door zijne familie omringd is1 dan valt hij aan zonder getergd te zijn1 en de strijd tusschen mensch en dier eindigt gewoonlijk met den dood van n van beide2 meestal delft de mensch het onderspit4 ,het is veel moeilijker nen jongen gorilla dan tien chimpansees te bemachtigen4 ,de wijfjes vluchten met hare jongen op de boomen1 zoodra de jagers naderen1 terwijl de mannetjes zich dadelijk tot den strijd toerusten4 ,hunne groote groene oogen schitteren1 hunne haren staan op1 zij knarsen met de tanden1 uiten eenen scherpen kreet1 gelijkend op kahi6 kahi6 en storten woedend op den vijand4 ,als men den gorilla niet treft1 kan men zijn geweer zelfs niet als knots gebruiken1 de razende aap breekt het gemakkelijk met de handen stuk4 ,ook met zijne tanden verscheurt hij den jager4 ,het behoeft dus geene verwondering te baren1 dat de neger1 die eenen gorilla gedood heeft1 als een held onder zijne stamgenooten beschouwd wordt1 en dat de inboorlingen weigeren den ,europeeschen reizigers eenen levenden gorilla te leveren tegen zijn gewicht aan goud4 ,de inboorlingen meenen1 dat die groote apen wezenlijke menschen zijn1 en dat zij zich maar zoo woest en zoo dom houden1 omdat zij de slavernij vreezen en niet willen werken4 ,voor den ,afrikaan is slaaf te zijn het ergste wat er is4 ,ook beweren zij1 dat de ziel hunner koningen na hunnen dood in de gorilla's verhuist en dat deze hen dus alleen uit gewoonte haten en plagen4 ,ook ,du ,chaillu heeft hoogst belangrijke mededeelingen gedaan over den gorilla4 ,wat hij er van verhaalt1 komt in hoofdtrekken met het voorgaande overeen4 ,wij zullen uit zijne schets datgene mededeelen1 wat voor ons doel het belangrijkst is4 ,het is de ontmoeting met eenen gorilla1 van wiens dood hij getuige was1 en is uitnemend geschikt1 om ons een denkbeeld te geven van den indruk1 dien dat vreeselijke dier moet maken4 ,terwijl wij in doodelijke stilte door het bosch kropen1 weerklonk het bosch plotseling van het ijselijke geschreeuw van den gorilla4 ,de struiken weken uiteen en wij stonden tegenover eenen grooten mannelijken gorilla4 ,op zijne vier handen was hij door het struikgewas gekropen1 maar toen hij ons zag1 ging hij recht overeind staan en keek hij ons ferm in het gezicht4 ,hij bleef op vijftien pas afstand van ons staan4 ,ik zal de verschijning nooit vergeten4 ,hij was ongeveer zes voet lang2 hij had eene breede borst en zijne armen hadden eene ongeloofelijke spierontwikkeling4 ,zijne groote1 grijze1 diepliggende oogen schitterden met eenen woesten glans1 en zijn gelaat had eene duivelachtige uitdrukking4 ,zoo verscheen de koning der ,afrikaansche wouden vr ons4 ,hij verschrikte niet voor ons gezicht4 ,hij bleef op dezelfde plaats staan en sloeg zich op de borst met zijne lange vuisten1 die haar deden weerklinken als eene groote trom4 ,z dagen zij hunne vijanden uit4 ,tegelijkertijd stiet hij snel achter elkander een woedend gebrul uit4 ,het gebrul van eenen gorilla is het vreemdste en verschrikkelijkste geluid1 dat men in die bosschen kan hooren4 ,het begint met eene soort van kort afgebroken geblaf1 als dat van eenen woedenden hond1 en verandert daarna in een dof gebrom1 dat z volkomen gelijkt op het rollen vanden donder in de verte1 dat ik dikwijls meende1 dat het donderde1 als ik het dier hoorde zonder het te zien4 ,dat geluid klinkt z diep1 dat men zou meenen1 dat het uit de holten van borst en buik1 en niet uit den mond en de keel afkomstig was4 ,terwijl wij onbewegelijk bleven staan1 schitterden zijne oogen met eene schitterende vlam4 ,de korte haren boven op zijnen kop rezen te berge en begonnen zich snel te bewegen1 terwijl hij zijne krachtige hoektanden liet zien en zijn donderend gebrul deed hooren4 ,hij deed mij toen denken aan die fantastische scheppingen1 half mensch1 half dier1 waarmede de verbeelding onzer oude schilders de onderwereld heeft bevolkt4 ,hij deed enkele stappen voorwaarts en bleef toen weder staan1 om weder zijn vreeselijk gebrul te doen hooren2 weer trad hij naar voren en bleef hij op tien pas van ons afstaan3 wij vuurden af en doodden hem4 ,het gereutel1 dat hij deed hooren1 geleek zoowel op dat van een mensch als op dat van een dier4 ,hij viel met het gezicht op den grond4 ,het lichaam bewoog zich eenige minuten stuiptrekkend1 terwijl de ledematen heen en weer schudden1 daarna werd alles onbewegelijk2 de dood had zijne taak volbracht4 ,ik had toen al den tijd om het lijk te bezichtigen en kon mij toen overtuigen1 dat de spieren van borst en armen eene ontzaglijke kracht verrieden4 ,het is eene vaste wet bij alle jagers1 die hun vak verstaan1 dat men zijn schot moet sparen tot op het laatste oogenblik4 ,hetzij dat het woedende dier het afschieten van het geweer voor eene bedreiging aanziet1 hetzij om eene onbekende andere reden1 zoodra de jager schiet en mist1 werpt zich de gorilla op hem1 en niemand kan dien vreeselijken aanval weerstaan4 ,een enkele stomp met zijne met nagels gewapende achterhand1 scheurt reeds den buik open1 verbrijzelt de borst of verplettert het hoofd4 ,men heeft negers gezien1 die door schrik tot wanhoop gebracht1 den gorilla wilden slaan met hun ontladen geweer2 maar zij hadden zelfs den tijd niet1 om eenen niets vermogenden slag toe te brengen1 de arm van hunnen vijand viel met zijn volle gewicht op hen neer1 en verbrijzelde tegelijkertijd het geweer en het lichaam van den ongelukkige4 ,ik geloof niet1 dat er n dier is1 wiens aanval voor den mensch zoo noodlottig is1 daar hij zich recht overeind tegenover zijnen vijand plaatst1 met zijne armen als aanvalswapenen evenals een bokser1 met dit onderscheid1 dat zijne armen veel langer en veel sterker zijn dan die van den sterksten bokser der wereld4 ,het wijfje valt den jager nooit aan2 toch hebben negers mij verhaald1 dat eene moeder1 die haar jong bij zich heeft1 somtijds vecht om het te verdedigen4 ,het is een aardig schouwspel1 om de moeder te zien1 vergezeld van haar jong1 dat naast haar speelt4 ,ik heb dikwijls in de wouden er op geloerd1 daar ik verlangend was1 exemplaren voor mijne verzameling te hebben maar op het laatste oogenblik had ik den moed niet te schieten4 ,mijne negers waren in soortgelijke gevallen niet zoo zwak3 zij doodden hunne prooi zonder tijdverlies4 ,als de moeder de vervolging van den jager tracht te ontvluchten1 omvat het jong haren hals met zijne voorhanden1 terwijl het de korte achterhanden om haar lichaam slaat4 ,du ,chaillu heeft niet alleen studies gemaakt op den in vrijheid levenden gorilla1 maar ook op jonge gorilla's1 die hij trachtte op te voeden4 ,eenige jagers1 die in de bosschen gejaagd hadden1 zoo schrijft hij1 brachten eenen levenden gorilla bij mij4 ,ik kan de gewaarwordingen niet beschrijven1 die ik gevoelde1 bij het gezicht van dat kleine dier1 dat zich verdedigde1 terwijl men het met geweld in het dorp voortsleurde4 ,dat enkele oogenblik beloonde mij voor al de vermoeienissen1 die ik in ,afrika had doorgestaan ,het was een klein dier van twee of drie jaren1 #b #a_/b voet lang1 en even woest en ongehoorzaam als een volwassen gorilla4 ,mijne jagers hadden het op de volgende wijze gevangen4 ,zij waren met hun vijven op weg naar een dorp aan de kust en trokken stil het bosch door1 toen zij een geschreeuw hoorden1 dat zij dadelijk herkenden als dat van eenen jongen gorilla1 die om zijne moeder riep4 ,overigens was alles in het bosch rustig2 het was bijna middag2 zij besloten zich te begeven naar de zijde1 van waar het geschreeuw kwam1 dat zich ten tweeden male deed hooren4 ,het geweer in de hand slopen zij zoo zacht mogelijk het struikgewas binnen1 waar de kleine gorilla moest wezen2 uit enkele aanwijzingen bleek het1 dat de moeder niet ver af was2 het was zelfs niet onmogelijk1 dat het mannetje1 de gevaarlijkste van alle1 zich eveneens in de nabijheid bevond4 ,toch aarzelden de flinke mannen niet1 om alles te wagen1 en zoo het mogelijk was eenen levenden gorilla te vangen1 wetende welk een genoegen zij mij daarmede deden4 ,zij zagen de struiken bewegen2 zij drongen iets meer naar voren1 stil als de dood1 en hunnen adem inhoudend4 ,weldra zagen zij een jongen gorilla zitten1 die enkele zaadkorrels opat1 die nauwelijks uit den grond waren opgeschoten2 op enkele schreden daarvan af zat ook de moeder te eten4 ,zij besloten los te branden2 het was hoog tijd1 want op het oogenblik1 dat zij hunne geweren ophieven1 zag de moeder hen2 zij hadden nog juist den tijd1 om vuur te geven4 ,gelukkig wondden zij haar doodelijk4 ,zij viel neder4 ,de kleine gorilla vloog1 toen zij het schot hoorde1 naar hare moeder1 en verborg zich aan hare borst4 ,de jagers vlogen met eenen triomfkreet naar het lijk toe2 maar door die kreten opgeschrikt1 vlood het jonge dier naar eenen boom en klauterde het vlug in den top1 waar het bleef zitten4 ,onze jagers waren zeer verlegen1 hoe het te bereiken2 zij hadden geen lust1 zich bloot te stellen aan zijne beten1 en aan den anderen kant wilden zij niet op het dier schieten4 ,eindelijk besloten zij den boom te vellen en een schort over den kop van het dier te werpen2 toch werd n der mannen zwaar aan de hand gewond1 en een ander werd aan de dij getroffen4 ,men bouwde eene kleine hut van sterk bamboes1 met stevige spijlen1 die ver genoeg uit elkander stonden1 om den gorilla te kunnen waarnemen1 en om hem in de gelegenheid te stellen zelf ook naar buiten te zien4 ,hij werd met geweld daarin geworpen en voor het eerst kon ik rustig het schouwspel waarnemen4 ,het was een jong1 mannelijk dier1 dat zeker nog geen drie jaren oud was1 en was bijzonder sterk voor zijnen leeftijd4 ,zijn gezicht en zijne handen waren zwart1 zijne oogen lagen niet zoo diep als bij volwassen gorilla's4 ,de haren van zijn hoofd begonnen bij zijne wenkbrauwen en stonden op de kruin van zijn hoofd rechtop2 daar waren zij roodachtig bruin van kleur1 aan beide zijden van het gelaat liepen zij weder af tot aan de benedenkaak1 waar zij als het ware bakkebaarden vormden4 ,toen ik den kleinen aap stevig in zijne kooi opgesloten zag1 naderde ik de kooi1 om hem eenige woorden van bemoediging toe te spreken4 ,hij week naar het verste uiteinde terug1 maar zoodra ik vooruitkwam1 begon hij te brullen en wierp hij zich tegen mij aan1 zoodat hij1 niettegenstaande ik zoo ver mogelijk achteruit ging1 mijn' broek greep en die met een van zijne pooten verscheurde2 daarna keerde hij snel naar zijnen hoek terug4 ,die aanval maakte mij voorzichtiger2 toch wanhoopte ik er niet aan1 dat ik hem eindelijk temmen zoude4 ,maar hij stierf spoedig4 ,de negers beschouwen zich als de neven der orang-oetans4 ,zij zien in den chimpansee een bijzonder menschenras1 dat om zijn slecht gedrag buiten de menschelijke maatschappij geworpen is1 en dat om zijne volharding in het kwaad langzamerhand tot z laag is afgedaald1 als het nu gekomen is4 ,toch eten zij de apen op1 die zij gedood hebben4 ,kapitein ,grandpret verhaalt de geschiedenis van eene vrouwelijke chimpansee1 die de merkwaardigste bewijzen gaf van een ontwikkeld verstand3 ,het dier bevond zich op een schip1 waarmede het naar ,amerika moest vervoerd worden4 ,men had het geleerd1 den oven te stoken1 en het kweet zich van die taak tot tevredenheid van allen2 het zorgde er goed voor1 dat de gloeiende kolen niet op den grond vielen1 en wist zeer goed te zien1 of de oven den vereischten warmtegraad verkregen had4 ,dan begaf het zich naar den bakker1 en waarschuwde hem door duidelijk te begrijpen teekenen2 deze vertrouwde dan ook ten volle op de hulp van het dier en lette nooit op het vuur4 ,het kon alle plichten van eenen matroos vervullen met evenveel behendigheid als verstand1 kon den ankerketting ophijschen en de zeilen inhalen en werkte z goed dat de matrozen het dier als hunnen makker beschouwden4 ,ongelukkig stierf het prachtige dier vr de landing1 door de wreedheid van den loods4 ,deze had het mishandeld1 zonder te letten op de smeekingen van het dier1 dat de handen vouwde als een smeekeling1 om het hart van den vervolger tot zachtheid te stemmen4 ,doch de loods volhardde in zijne wreedheid4 ,het arme dier verdroeg geduldig alle mishandelingen1 maar van dat oogenblik af weigerde het alle voedsel1 en stierf het vijf dagen later van honger en smart4 ,de geheele bemanning weende1 alsof een matroos gestorven ware4 ,brosse had twee chimpansees naar ,europa medegebracht1 een mannetje en een wijfje1 die aan tafel aanzaten als menschen1 van alles aten en zich van mes1 lepel en vork bedienden4 ,zij dronken al onze dranken2 zij hielden vooral van wijn en brandewijn4 ,als zij iets noodig hadden1 riepen zij de kajuitsjongens1 als hun iets geweigerd werd1 werden zij boos1 grepen zij hen bij den arm1 beten hen en wierpen hen op den grond4 ,toen het mannetje eens ziek was1 werd hij door den scheepsdokter adergelaten2 later stak hij1 zoo dikwijls hij zich ongesteld gevoelde1 den arm uit naar den dokter4 ,de chimpansee1 die door ,buffon werd grootgebracht1 liep bijna altijd rechtop1 zelfs als hij zware voorwerpen droeg4 ,hij had een ernstig en droevig voorkomen1 al zijne bewegingen waren verstandig en bedaard4 ,hij had geen enkel van de walgelijke gebreken der bavianen1 maar was niet zoo aardig als gewoonlijk de groene meerkatten zijn4 ,een woord of een teeken van zijnen meester was voldoende1 om hem te doen gehoorzamen4 ,hij bood den arm aan hen1 die ,buffon kwamen bezoeken en wandelde met hen2 hij plaatste zich aan tafel1 kende het gebruik van een servet1 veegde zich iederen keer1 dat hij gedronken had1 den mond af1 schonk zich zelf wijn in en klonk met zijne buren4 ,hij haalde een kopje en schoteltje voor zich1 deed er suiker in1 schonk thee daarin en liet het koud worden vrdat hij er van dronk4 ,nooit deed hij iemand kwaad2 integendeel3 hij naderde de bezoekers zeer beleefd1 en werd gaarne geliefkoosd4 ,al de vrienden van ,buffon hielden veel van zijnen bediende en brachten hem beschuitjes en vruchten4 ,ongelukkig stierf hij binnen het jaar aan de tering4 ,doctor ,traill had eenen chimpansee naar ,engeland overgebracht1 die niet rechtop liep en altijd op de handen steunde4 ,hij was beschroomd tegenover vreemden1 doch niet tegenover die personen1 die hij dikwijls zag4 ,als hij het koud had1 bedekte hij zich met een kleed4 ,eens hield men hem eenen spiegel voor1 die dadelijk zijne aandacht trok2 op zijne gewone groote bewegelijkheid volgde de volmaaktste kalmte4 ,met nieuwsgierigheid beschouwde hij het wonderlijke werktuig en bleef hij stom van verbazing4 ,hij keek nu eens naar zijnen vriend1 dan weer naar den spiegel1 draaide dien rond1 beschouwde zijn beeld en trachtte zich1 door den spiegel aan te raken1 te verzekeren1 of hij werkelijk een wezen van vleesch en been voor oogen had als hij zelf1 dan wel of hij slechts iets denkbeeldigs zag2 in n woord1 hij deed volkomen hetzelfde1 wat de wilde volkeren doen1 als men hun voor het eerst eenen spiegel voorhoudt4 ,het is jammer1 dat de tering de chimpansees en de gorilla's zoo snel doodt1 als men ze uit hun geboorteland verwijdert4 ,korten tijd na hunne komst in ,europa beginnen zij te hoesten en worden zij treurig4 ,naarmate de ziekte vorderingen maakt1 neemt hunne kalmte en hunne zachtheid toe2 spoedig is het treurig ze aan te zien4 ,zij buigen het hoofd naar voren1 evenals menschen1 wier longen zijn aangetast1 hoesten van tijd tot tijd en plaatsen hunne handen op de zieke borst2 hunne donkerbruine oogen nemen eene z hevige uitdrukking van smart aan1 dat men ze niet kan aanzien zonder bewogen te worden4 ,gewoonlijk bezwijken zij aan die vreeselijke ziekte binnen het jaar1 zelden in het tweede jaar2 ons koud klimaat kan aan die gelukkige kinderen van het zuiden hun schoon vaderland niet teruggeven4 ,dikwijls heeft men getracht jonge gorilla's in den ,parijschen ,jardin des ,plantes in het leven te houden2 de waarnemingen bevestigen alles1 wat wij zooeven mededeelden1 en ongelukkig ook de onmogelijkheid om ze in ons klimaat in het leven te houden4 ,fig4 #cba stelt den laatsten gorilla voor1 dien men daar gehad heeft4 ,heeft men in de uitdrukking van dat gelaat niet de uitdrukking van den balling1 die zijn vaderland betreurt8 ,de hand van den gorilla gelijkt evenals de kop op die van den mensch4 ,nog een enkel woord over eene andere soort1 den orang-oetan4 ,deze is zacht en zeer vreedzaam4 ,hij is niet beschroomd en vlucht niet voor den mensch1 dien hij integendeel met veel kalmte aanziet4 ,onder de talrijke waarnemingen1 die wij omtrent de zeden van dien aap 7in gevangenschap7 bezitten1 melden wij die1 welke ,f4 ,cuvier gedaan heeft op een jong wijfje1 dat eene maand lang in #ahjh op het kasteel van ,malmaison leefde4 ,dat dier gebruikte zijne handen zooals wij gewoonlijk de onze gebruiken4 ,meestal bracht hij zijn voedsel met zijne vingers naar den mond2 doch dikwijls pakte hij het ook met zijne lange lippen1 en dronk slurpend1 zooals alle dieren doen1 die hunne lippen kunnen verlengen4 ,hij rook aan al het voedsel1 dat men hem aanbood en dat hij niet kende2 en hij raadpleegde zijn reukorgaan met bijzondere zorg4 ,hij at met evenveel voorliefde vruchten1 groenten1 eieren1 vleesch en melk1 en hield bijzonder veel van brood1 koffie en sinaasappelen2 eens zelfs dronk hij eenen geheelen inktkoker leeg zonder dat het hem iets hinderde4 ,hij had niet de minste orde in den tijd zijner maaltijden en kon1 evenals de kinderen1 op ieder uur eten4 ,wij zagen zooeven1 dat hij zijn voedsel nam met zijne handen of met zijne lippen2 hij was niet zeer handig in het gebruik van vork en mes2 in dat opzicht stond hij gelijk met de wilden1 die men met die werktuigen wilde laten eten1 maar hij maakte door zijne slimheid goed1 wat hij aan handigheid miste2 als het voedsel1 dat op zijn bord lag1 niet gemakkelijk op zijnen lepel kon geplaatst worden1 gaf hij dien aan zijnen buurman1 om dien te vullen4 ,hij dronk zeer handig uit een glas1 dat hij tusschen zijne beide handen hield4 ,toen hij eens bij het neerzetten van zijn glas bemerkte1 dat het om zou slaan1 hield hij zijne hand aan den kant1 waarnaar het glas overhelde1 om het te steunen4 ,bijna alle dieren beschutten zich tegen de koude1 en het is waarschijnlijk1 dat de orang-oetans in hetzelfde geval verkeeren1 vooral in den regentijd4 ,ik weet niet1 hoe die dieren zich in den natuurstaat tegen het ruwe weer beschermen4 ,doch ons dier was er aan gewoon geraakt1 zich in zijne dekkleedjes te hullen1 en had daaraan voortdurend behoefte4 ,op schip nam hij al wat hij machtig kon worden1 om zich daarmede te dekken4 ,wanneer dan ook een matroos een stuk kleeren zocht1 was hij bijna altijd zeker1 het terug te vinden in het bed van den orang-oetan4 ,op die gewoonte van het dier1 om zich goed te dekken1 bouwden wij een plan1 om zijn verstand op de proef te stellen4 ,dagelijks werd zijn dekkleed uitgespreid op een grasperk vr de eetzaal1 en na den maaltijd1 dien hij gewoonlijk aan tafel nam1 ging hij recht op dat kleedingstuk aan en sloeg het om zijne schouders1 waarna hij in de armen van eenen jongen bediende naar bed gedragen werd4 ,eens hadden wij zijn dekkleed weggenomen1 en het op den rand van een venster gehangen1 om het te drogen4 ,de orang-oetan ging eerst naar de gewone plaats1 om het te halen1 maar toen hij1 aan de deur gekomen1 zag dat het niet op de gewone plaats lag1 zocht hij het met de oogen en ontdekte hij het aan het venster2 hij ging toen eenvoudig daarheen en kwam er toen op de gewone wijze mede terug4 ,uit al deze verhalen1 die wij nog met een z groot aantal zouden kunnen vermeerderen1 dat wij er boekdeelen mede zonden kunnen vullen1 blijkt duidelijk1 hoe groot de overeenkomst is tusschen de hoogst ontwikkelde apenrassen en de laagstontwikkelde menschenrassen4 ,de overeenstemming in physische eigenschappen blijkt zonneklaar uit de overeenkomst van het geraamte1 en uit de resultaten der vergelijkende ontleedkunde4 ,de punten van overeenkomst op intellectueel gebied zijn in ons oog niet minder belangrijk4 ,de menschelijke geest heeft zich evenals het lichaam geleidelijk ontwikkeld4 ,die ontwikkeling van den mensch heeft gelijken tred gehouden met de ontwikkeling der hersenen4 ,dit is een hoogst belangrijk feit4 ,de hagedissen1 de dinosauren1 de viervoetige dieren en de zoogdieren der secundaire periode hebben allen een bijzonder klein hersenvolume4 ,dat orgaan van het verstand groeit in de tertiaire periode aan1 om langzamerhand te naderen tot de hersenen der hooger ontwikkelde apen4 ,die wet is algemeen1 hoewel er enkele uitzonderingen zijn bij sommige soorten van vogels1 bij de muizen enz41 maar de toename is merkwaardig1 als men op de geheele dierenwereld let4 ,wij willen niet zeggen1 dat het verstand altijd evenredig is met het volume en het gewicht der hersenen2 wij zullen zoo aanstonds zien1 dat dit nog meer afhangt van het aantal en de diepte der hersenwindingen2 doch daar de hersenen het orgaan der gedachte zijn1 zoo begrijpt men1 dat de ontwikkeling van het verstand samengegaan is met de aangroeiing der hersenen4 ,het gewicht der hersenen bedraagt gemiddeld bij den ,europeeschen man #adhe gram1 bij de vrouw #abfb gram4 ,daar het volume en het gewicht der hersenen samenhangt met de grootte van het geheele lichaam1 zoo moet men nooit uitsluitend op het gewicht der hersenen letten1 maar tevens het oog vestigen op het lichaam1 waartoe zij behoord hebben4 ,het verschil in gewicht tusschen de hersenen van den man en de vrouw ligt voornamelijk in het verschil in gewicht van beider lichamen4 ,de ,europeesche man weegt gemiddeld #gj kilogram1 de ,europeesche vrouw #fe kilogram2 de gemiddelde lengte van den man is #a1fe meter1 die van de vrouw #a1ec meter2 de verhouding tusschen beider lengten is als #ajj 3 #ic en de verhouding van het gewicht hunner hersenen als #ajj 3 #he4 ,dus is ook naar verhouding het gewicht der hersenen bij de vrouw iets minder dan bij den man4 ,de hersenen nemen toe met den arbeid en de inspanning1 waarvan zij de zetel zijn4 ,het gewicht kan voor eenen volwassen ,europeaan afwisselen tusschen #ajjj en #bjjj gram4 ,men heeft zelfs gewichten gevonden boven en beneden die grenzen1 doch dan alleen bij ziektegevallen4 ,bij den ,europeaan is het gewicht dus ongeveer #a_/dj van het lichaam4 ,het gewicht vermindert naarmate men met minder ontwikkelde volksstammen te doen heeft1 zooals de volgende tabel aanwijst3 ,grammen4 ,verhouding tot het lichaamsgewicht4 ,gemiddeld gewicht bij den ,europeaan #adje #a_/dj ,gemiddeld gewicht bij den ,mesties #accd #a_/eb ,gemiddeld gewicht bij den neger #acjj #a_/ee ,gemiddeld gewicht bij den ,australir #ajjj #a_/gj ,bij den gorilla zijn die getallen #dge #a_/adc ,de verhouding van het gewicht der hersenen en het gewicht van het lichaam is bij de3 ,honden #a_/bdb ,olifanten #a_/cjj ,paarden #a_/fcc ,ossen #a_/gjj ,doch1 zooals wij zooeven reeds opmerkten1 zijn die verhoudingen niet voldoende1 om de mate van verstand te schatten3 daartoe moeten wij ook het oog houden op den aard der windingen4 ,letten wij b4v4 op de hersenen van den ,europeaan1 dan zien wij1 dat zij zich reeds op het eerste gezicht onderscheiden door het groote aantal windingen4 ,zonder in anatomische bijzonderheden te treden1 is het voldoende op te merken1 dat de hersenen1 die arbeiden1 sterker sprekende windingen hebben dan de hersenen1 die weinig te verrichten hebben4 ,grove en weinig samengestelde windingen zijn het bewijs van weinig verstand1 bij welk menschenras dan ook2 kleine en veelvuldig geplooide windingen zijn een bewijs van groote geestesgaven4 ,de kleinere zoogdieren hebben betrekkelijk meer hersenen2 de muis b4v4 heeft betrekkelijk meer hersenen dan de mensch2 maar hare hersenen zijn dan ook volkomen glad en hebben geene windingen4 ,indien men de hersenen van die dieren1 die anatomisch en physiologisch het meest met den mensch overeenkomen1 vergelijkt met die van den mensch1 dan blijkt het1 dat het aantal windingen toeneemt1 van de laagste apensoorten tot aan den mensch4 ,de ouistiti1 de laagst ontwikkelde aap1 heeft volkomen gladde hersenen2 de makako heeft enkele windingen2 het aantal windingen neemt van soort tot soort toe1 en plotseling1 bijna zonder eenigen overgang1 vindt men bij de anthropode apen1 de chimpansee's en de orang-oetans zonder uitzondering de voornaamste windingen terug1 die bij de hersenen van den mensch voorkomen4 ,het verschil tusschen de hersenen van den ouistiti en den chimpansee is verbazend groot2 het verschil tusschen de hersenen van den chimpansee en die van den mensch is daarentegen zeer gering4 ,dit zijn feiten4 ,hij die dit niet wil inzien1 is willens en wetens blind4 ,de vergelijking der verschillende menschenrassen en apen geeft dezelfde resultaten1 indien wij den schedelinhoud en den gezichtshoek onderzoeken3 ,schedelinhoud4 cub4 centimeters4 ,europeanen #aefh ,chineezen #aeah ,nieuw-,caledonirs #adfj ,afrikaansche negers #adcj ,australirs #acdg ,nubirs #acbi ,gorilla's #eca ,orang-oetans #dci ,chimpansees #dba ,leeuwen #cba ,newfoundlanders #aje ,men heeft opgemerkt1 dat de schedels uit de #ab;de eeuw1 op de oude kerkhoven van ,parijs gevonden1 iets kleiner zijn dan die der tegenwoordige ,parijzenaars4 ,de verhouding is van #aejd 3 #aeeh centimeters4 ,de gezichtshoek is grooter1 naarmate het voorhoofd breeder1 en het ras verstandiger is4 ,men vindt voor3 ,gemiddeld4 ,de blanke rassen #hb tot #gg ,de gele rassen #gf tot #fi ,de zwarte rassen #fi tot #fj ,bij de ,bosjesmannen is de gezichtshoek #fj4 ,de lagere menschenrassen vormen uit een physisch en verstandelijk oogpunt den overgang tusschen de anthropode apen en de ,europeesche rassen4 ,er zijn voorbeelden genoeg van z weinig ontwikkelde menschenrassen1 dat men ze bijna tot de apen zoude rangschikken4 ,die rassen1 die veel dichter bij den natuurstaat geplaatst zijn dan wij1 verdienen daardoor de belangstelling van den anthropoloog en den taalkenner1 die bij hen dikwijls de oplossing vinden van vraagstukken1 die anders onoplosbaar zijn4 ,bijzonder laag staan de inboorlingen van ,australi4 ,zij zijn op moreel gebied volkomen stomp en daarbij diep onwetend4 ,een bijzonder ontwikkeld instinct1 om hun voedsel te bemachtigen1 dat moeilijk te verkrijgen is1 schijnt in de plaats getreden te zijn van de meeste moreele eigenschappen van den mensch4 ,als de ,engelsche politie niet streng er tegen waakte1 zouden zij dagelijks in de steden der kolonie de wetten der openbare zedelijkheid trotseeren1 gelijk de apen in een beestenspel4 ,zij kunnen niet verder dan tot vier tellen1 sommige volksstammen zelfs maar tot drie4 ,het vermogen om te redeneeren is bij hen hoogst onvolkomen ontwikkeld4 ,de argumenten1 door de kolonisten gebezigd1 om hen te overreden of te overtuigen1 zijn dikwijls van dezelfde soort als die welke men bij kinderen of halve idioten bezigt4 ,quoy en ,gaymard deelen in de volgende termen hun onderhoud met die ellendige volksstammen mede3 ,onze tegenwoordigheid wekte hunne vreugde op2 zij trachtten ons hunne indrukken mede te deelen met eene woordenrijkheid1 waarop wij niet konden antwoorden1 daar wij hunne taal niet verstonden4 ,zoodra zij ons zagen1 kwamen zij naar ons toe1 onder veel gebaren en eenen ontzaglijken woordenvloed2 zij uitten luide kreten1 en als wij hen op denzelfden toon beantwoordden1 was hunne vreugde verbazend groot4 ,dadelijk vroegen zij om spijs1 door zich op den buik te slaan4 ,het tafereel1 door die reizigers geschetst1 is hoogst bedroevend4 ,het eenige wat men van hen zeggen kan1 is dat zij niet volslagen idioot zijn4 ,niet alleen de ,australische inboorlingen verkeeren in dat geval2 ,bory de ,saint-,vincent heeft ons een bijna even droevig beeld geschetst van de bewoners van zuid-,afrika4 ,de ,pesjereezen in ,patagoni zijn even laag ontwikkeld als deze4 ,aan het andere uiteinde der wereld1 op de ijsvlakte bij de noordpool1 vinden wij hetzelfde terug4 ,john ,ross bevond zich1 toen hij in het ijs verdwaald was geraakt1 in tegenwoordigheid van een volk1 dat nooit eenen ,europeaan gezien had4 ,de ,engelsche zeevaarder1 innig godsdienstig van aard1 was in de gunstigste omstandigheden1 om de eenige wezens1 die hij kon liefhebben1 met zachtheid te beoordeelen1 en toch 444444 als oplettend en eerlijk waarnemer1 moest hij er eindelijk aan wanhopen1 om in hun gemoed de bezielende vonk te ontdekken1 die hij daarin wenschte te vinden4 ,de ,eskimo1 zegt hij1 is een roofdier1 zonder eenig ander genot1 dan het eten2 hij mist elk zedelijkheidsbeginsel1 en verslindt al wat hij bemachtigen kan evenals de gier en de tijger24444 hij eet slechts om te slapen1 en slaapt alleen1 om weder zoo spoedig mogelijk te kunnen eten4 ,wij zullen nog lager afdalen1 en menschen bespreken1 die z laag stonden1 dat zij1 die ze gezien hebben1 verklaarden1 dat1 indien zij ze ontmoet hadden in een bosch1 zij niet zouden kunnen zeggen1 of zij apen of menschen vr zich hadden4 ,en merkwaardig is het1 dat men die niet vindt in arme of aan het uiteinde der wereld gelegen landen1 maar op het ,aziatische vasteland1 ten zuiden van den ,himalayaketen1 in het midden van ,hindostan1 en wel in de streken1 die de bakermat geweest zijn van enkele soorten van groote apen1 op een tijdstip toen de eilanden van den ,indischen archipel met het vasteland van ,azi verbonden waren4 ,piddington1 die in het midden van ,hindostan gevestigd was1 verhaalt1 dat hij jaarlijks met eene troep inlandsche arbeiders1 die op de plantage kwamen werken1 eenen man en eene vrouw van een bijzonder vreemd voorkomen zag medekomen1 die door de inlanders aap-menschen genoemd werden4 ,zij hadden eene taal op zich zelf4 ,voor zoover men uit teekenen kon begrijpen1 leefden zij in de bosschen en in de bergstreken en hadden zij slechts enkele dorpen4 ,het is waarschijnlijk1 dat beiden om eenen moord of iets dergelijks gevlucht waren4 ,zeker is het1 dat zij door de inlanders in het bosch gevonden waren1 toen zij uitgeput en uitgehongerd waren4 ,in eenen zekeren nacht waren zij plotseling verdwenen1 juist toen ,piddington ze naar ,calcutta wilde zenden4 ,hij beschrijft den man aldus3 ,hij was klein1 had eenen platten neus1 half-cirkelvormige rimpels liepen om de mondhoeken en over de wangen2 zijne armen waren bovenmatig lang1 en zijne dofzwarte huid was met roode haren bedekt4 ,als hij in eenen donkeren hoek gedoken of op eenen boom zat1 zou men hem voor eenen grooten orang-oetan hebben aangezien4 ,piddington had veel gereisd1 had zoowel de ,bosjesmannen1 als de ,hottentotten1 de ,papoea's1 de ,alfoeren1 de inboorlingen van nieuw-,holland1 nieuw-,zeeland en de ,sand-wichseilanden gezien1 zoodat hij een waarnemer was1 bijzonder rijk aan ondervinding4 ,whitebourne schreef reeds in #afab1 dat de ,eskimo's geen begrip hadden van de ,godheid en eene volkomen regeeringlooze troep vormden4 ,wij kunnen daarbij voegen de getuigenis van ,john ,ross1 die langen tijd in hun midden woonde3 ,begrepen zij iets1 zoo vraagt hij1 van alles wat ik hen trachtte te leeren1 door de eenvoudigste zaken op de eenvoudigste wijze uit te leggen8 ,ik kan het niet zeggen4 ,zou het mij beter gelukt zijn1 indien ik hunne taal had verstaan8 ,ik heb reden om het te betwijfelen4 ,ik zou niet durven ontkennen1 dat zij een spoor eener moreele wet in hun hart dragen2 talrijke trekken in hun gedrag wijzen dit uit2 maar ik heb het nooit verder kunnen brengen dan tot enkele aanwijzingen4 ,ik heb nooit het minste spoor van het bestaan van eenen godsdienst bij hen kunnen ontdekken4 ,ik heb mijne pogingen in die richting eindelijk moeten opgeven4 ,die getuigenis is des te belangrijker1 omdat wij in ieder woord het verdriet hooren spreken van iemand1 die1 hoe gaarne hij het ook gewild had1 in het hart van andere menschen de echo niet gehoord heeft van de gevoelens1 die hem het dierbaarst waren4 ,een groot aantal van de lagere volkeren loopen totaal naakt4 ,de beroemde ,afrikareiziger ,doctor ,schweinfurth verhaalt1 dat bij de ,dinka's zelfs de minste bedekking als het sterke geslacht onwaardig beschouwd wordt4 ,de ,nubirs1 die eenen dunnen gordel dragen1 worden voor vrouwen uitgescholden door de ,dinka's1 bij wie de vrouwen een schort van huiden dragen4 ,bij andere volksstammen in ,afrika loopen mannen en vrouwen naakt4 ,hun huid is chocolade-kleurig4 ,sommigen slijpen hunne snijtanden scherp1 om beter hunne vijanden te kunnen bijten1 terwijl anderen ze uittrekken naar de mode van hun land4 ,de ,bongo's dragen eenen gordel1 hunne vrouwen willen echter geen enkel stukje leer of katoen dragen1 maar dragen alleen een dun takje met bladeren of eenig gras te zamen gebonden4 ,beiden dragen aan armen en beenen1 en dikwijls aan den hals1 zware ijzeren of koperen ringen1 en de vrouwen doorboren dadelijk na haar huwelijk hare benedenlip1 waarin zij hoe langer hoe dikkere pinnen steken1 dikwijls van #b tot #c centimeters middellijn4 ,het begrip onsterfelijkheid is hun volkomen onbekend4 ,elke godsdienst is hun vreemd4 ,behalve het woord loma1 dat zoowel geluk als ongeluk beteekent1 hebben zij in hunne taal geen enkel woord1 dat overeenkomt met het woord ,godheid4 ,zij noemen den ,god der ,turken1 waarvan zij wel eens hebben hooren spreken1 loma-gobo1 doch zij hechten aan dat woord meer de beteekenis van toeval4 ,de meest gewone uitdrukkingen1 door ons gebezigd voor afgetrokken begrippen1 missen zij2 zij hebben geene uitdrukking voor geest1 ziel1 onsterfelijkheid1 oneindigheid1 tijd1 hoop1 gedachte1 gevoel1 kleur1 reuk1 enz4 ,ditzelfde verschijnsel vindt men bij al die lagere rassen4 ,hunne taal is als het ware niets dan klanknabootsing4 ,zij zelf hebben namen van dieren en planten4 ,bij enkele volksstammen bestaat de onderdanigste groet hierin1 dat men elkander in het gezicht spuwt4 ,de ,niam-,niams dragen gewoonlijk eenen gordel1 die z om het lichaam gebonden wordt1 dat hij in eenen staart eindigt4 ,zij zijn nog steeds menscheneters2 aan den ingang hunner hutten vindt men staken en boomen1 die dienen1 om hunne jacht- en oorlogstrofen te vertoonen4 ,daaronder vond ,schweinfurth koppen van antilopen1 wilde zwijnen1 kleine apen1 bavianen1 chimpansee's1 en ook schedels van menschen4 ,in de nabijheid der hutten vond hij onder de keukens overblijfselen van menschenbeenderen1 die de sporen droegen van de bijl of het mes2 en aan de naburige boomen hingen rottende handen en voeten1 die eenen walgelijken reuk verspreidden4 ,het gedeelte van centraal-,afrika1 dat door die wilden bewoond wordt1 schijnt ook het vaderland der chimpansee's te zijn4 ,schweinfurth vond ten minste in de hutten een verbazend aantal schedels van chimpansee's1 en de ,niam-,niams jagen in de wouden voortdurend op die dieren4 ,de inboorlingen beweren1 evenals die van west-,afrika1 dat die apen met menschelijke gedaante de vrouwen en jonge negerinnen wegrooven1 en dat het zeer moeilijk is1 ze terug te krijgen4 ,die holbewoners verdedigen zich met woede3 in hunnen hoek gedoken1 ontrukken zij de wapenen aan hunne aanvallers1 en maken zij er gebruik van tegen den vijand4 ,de ,momboettoe's1 naburen der ,niam-,niams1 zijn nog veel meer menscheneters dan deze4 ,bij hen is het volstrekt niet uit noodzakelijkheid1 want zij hebben een groot aantal dieren ter hunner beschikking1 maar alleen voor de lekkernij4 ,zij zijn omgeven door zwarte volksstammen1 die in ontwikkeling nog lager staan dan zij1 en zij maken daarop evenzeer jacht als op apen1 evenals wij op wild jacht maken4 ,de lichamen van hen1 die sneuvelen1 worden dadelijk in stukken gehakt1 het vleesch wordt in lange repen gesneden1 op de plaats zelf geroosterd en als eene lekkernij medegenomen4 ,de gevangenen worden bewaard1 als schapen opgesloten en n voor n1 naarmate van de behoefte1 gewurgd4 ,de kinderen worden als lekkernij voor de hoofden bewaard4 ,dagelijks kreeg koning ,mounza tijdens het verblijf van ,schweinfurth een kind op schotel4 ,in de keuken gebruikt men menschenvet1 zooals wij boter gebruiken4 ,wij zouden over dit onderwerp nog veel meer in bijzonderheden kunnen uitweiden4 ,doch het voorgaande is voldoende1 om duidelijk te maken1 dat die laagste volkstammen1 die zinnelijke1 grove1 onwetende wezens1 ongeschikt voor iedere afgetrokken redeneering1 dichter staan bij de chimpansee's1 de orang-oetans en de gorilla's1 dan bij de menschenrassen1 waartoe ,newton1 ,leibnitz1 ,kepler1 ,archimedes1 ,huygens1 ,phidias1 ,dante1 ,shakespeare1 ,leonard da ,vinci1 ,pascal1 ,mozart en zoovele andere reuzengeesten behoord hebben4 ,wij moeten hierbij tevens opmerken1 dat het hoe langer hoe moeilijker wordt1 volkomen natuurlijke oorspronkelijke rassen te vinden1 daar de zendelingen en de reizigers de denkbeelden1 die het gevolg zijn onzer hoogere beschaving1 bijna overal hebben overgeplant4 ,wel zoude men in menig opzicht de voortreffelijkheid van onze verstandelijke en zedelijke ontwikkeling in twijfel kunnen trekken4 ,aan de edelste godsdiensten kan men de grootste laagheden verwijten3 aan de christenen1 de vervolgingen der inquisitie en de godsdienstoorlogen2 aan de muzelmannen de bloedbaden1 die zij bij hunne veroveringen hebben aangericht2 aan de verstandigste regeeringen van ,europa1 den gewapenden vrede1 het geld1 dat aan de staande legers opgeofferd wordt1 de diplomatie1 die het recht van den sterkste met een masker van recht bedekken moet4 ,ja zeker1 een bewoner van ,sirius1 of van eene werkelijk verstandelijk ontwikkelde wereld zou geen onderscheid zien tusschen de ,europeanen1 de ,amerikanen1 de ,aziaten eenerzijds1 en de ,australische en ,afrikaansche volksstammen1 waarover wij zooeven gesproken hebben1 aan de andere zijde1 en misschien zouden zij over alle tegenwoordige aardbewoners medelijdend de schouders ophalen4 ,maar alles is betrekkelijk4 ,het is niet te loochenen1 dat wij minder onvolmaakt zijn dan die wilde stammen1 en dat ons verstand veel hooger ontwikkeld is4 ,het doel dezer studie is geweest1 het verband aan te wijzen tusschen de menschheid en de dierenwereld1 waarvan zij zich met moeite en uiterst langzaam heeft losgemaakt4 ,men heeft wel eens beweerd1 dat daar de menschheid bezit heeft genomen van de aarde en de overhand heeft verkregen boven het dierenrijk door de oefening zijner hoogere vermogens1 het te vreezen staat1 dat de dag zal aanbreken1 waarop een nieuw ras te voorschijn komt1 dat zooveel boven het onze staat1 als wij boven de overige zoogdieren1 en dat ons zal ten onder brengen1 zooals wij de lagere rassen hebben vermeesterd4 ,toch is dit denkbeeld1 dat in verschillende werken in verschillende talen is uitgewerkt1 eene dwaling4 ,wel zal de menschheid der toekomst eene andere zijn dan de onze2 maar zij zal geleidelijk gevormd zijn en de ontwikkeling zijn van de onze4 ,wij zelf zijn het1 die verstandiger en beter zullen worden1 die de lichamelijke en geestelijke onderdrukking van den mensch zullen opheffen1 en die het rijk van licht en vrijheid zullen stichten4 ,wij kunnen het niet genoeg herhalen1 de mensch neemt door zijne rede de eerste plaats in de rij der wezens in2 terecht heerscht hij dus over alles wat op de aarde leeft4 ,maar wij moeten ook erkennen1 dat de mensch in wezen niet verschilt van zijne naaste buren1 de anthropode apen4 ,anatomisch zijn het dezelfde organen1 op dezelfde wijze gebouwd en gelegen1 en alleen door verschillen van minderen rang van elkander afwijkend2 de voeten1 de handen1 de wervelkolom1 de borstkas1 het bekken1 de zintuigen1 alles is op dezelfde wijze gebouwd2 de hersenen zijn in bouw en in windingen eveneens dezelfde2 de storingen komen zelfs overeen4 ,de eenige physische verschillen zijn gelegen in den inhoud der hersenen1 die bij den mensch driemaal grooter is1 en hare windingen1 waardoor bij den mensch de rede1 de schoonste parel aan zijne kroon1 zooveel meer ontwikkeld is4 ,ook uit een moreel oogpunt hebben wij den langzamen overgang van de dieren tot aan den mensch leeren kennen4 ,de vraag is thans1 welke van de vier soorten van anthropode apen het dichtst bij den mensch staat4 ,de gibbon komt niet in aanmerking4 ,wel staat hij hoog door zijne hersenwindingen en zijn ruggemerg1 maar door de nauwheid van zijn bekken en de schikking zijner spieren is hij het verst van den mensch verwijderd4 ,ook de orang-oetan heeft eenige anatomische karaktertrekken1 waardoor hij tamelijk ver van den mensch verwijderd is1 zooals de gebrekkige handen en voeten en de afmetingen van het geraamte2 doch zijne hersenwindingen1 zijn gezichtshoek1 zijne ribben1 tanden en zijn verstand wijzen op eene hooge ontwikkeling4 ,de chimpansee heeft in zijn voordeel het aantal hersenwindingen1 de afmetingen van het geraamte en de vorm van den schedel4 ,de gorilla eindelijk heeft een groot hersenvolume en komt ook door zijne spieren1 zijne handen en voeten1 zijn bekken en andere bijzonderheden met den mensch overeen2 hij heeft echter #ac paar ribben1 eene gebrekkige wervelkolom en lange hoektanden4 ,ieder der drie groote anthropode apen komt dus in enkele eigenschappen met den mensch overeen1 geen enkele echter vereenigt al die eigenschappen in zich4 ,zoo kan men van de laagste menschenrassen niet beweren1 7zelfs niet van de ,bosjesmannen7 dat zij van eenen anthropoden aap afstammen2 zij naderen daartoe alleen door enkele eigenschappen4 ,de mensch1 mogen wij dus aannemen1 stamt niet af van ne der tegenwoordig bestaande anthropode apensoorten1 hij is als het ware de neef van den anthropoden aap2 de gemeenschappelijke stamvader behoort tot een ander tijdperk #eg4 ,de ,amerikaansche apen verschillen van die van ,afrika1 ,azi en ,europa hierin1 dat zij eenen platten neus hebben1 zoodat de neusgaten zijdelings geplaatst zijn2 zij heeten daarom ook ,platyrrhinae 7platneuzen74 ,de apen der oude wereld daarentegen 7orang-oetans1 gorilla's1 chimpansee's71 hebben een smal tusschenschot in den neus en de neusgaten naar beneden gericht1 en heeten daarom ,catarrhinae4 ,de laatste hebben bovendien hetzelfde aantal tanden als de mensen2 aan iedere kaak heeft men vier snijtanden1 #b hoektanden en tien kiezen1 in het geheel dus #cb tanden1 terwijl de ,amerikaansche apen er #cf hebben1 en wel vier kiezen meer4 ,hieruit volgt1 dat er oudtijds in de afstamming der apen eene scheiding heeft plaats gehad1 en dat de mensch afstamt van de apen der oude wereld4 ,maar geen der tegenwoordige apen kan als onze stamvader beschouwd worden4 ,reeds lang zijn de aapachtige voorouders van den mensch verdwenen4 ,misschien is de dryopithecus1 waarvan ,gaudry beweert1 dat hij in staat was1 vuursteenen te slijpen1 nauw aan dien voorvader verwant1 wiens heerschappij dagteekent van voor meer dan honderdduizend jaren4 ,de mensch is dus het laatste voortbrengsel van het leven op aarde1 de top van den stamboom van het dierenrijk1 de jongste en volmaaktste der zoogdieren1 in n woord1 een verbeterde en gewijzigde aap4 ,dit denkbeeld hindert en ergert hen1 die er genoegen in scheppen1 de bakermat der menschheid met eenen stralenkrans te omgeven2 indien wij dan ook onzen roem stellen in onzen stamboom en niet in onze eigen daden1 dan is dat denkbeeld inderdaad vernederend4 ,maar wat is die slag1 dien onze eigenliefde hierdoor ondergaat1 in vergelijking met dien1 welke ons reeds door de sterrenkunde is toegebracht8 ,toen men meende1 dat de aarde het middelpunt der schepping was1 en dat het heelal ten behoeve der aarde geschapen was1 en de aarde ten behoeve van den mensch1 had onze hoogmoed de ruimste voldoening4 ,die leer verviel op den dag1 waarop bewezen werd1 dat onze planeet slechts een nederige wachter is van de zon1 die zelf slechts n der vele lichtpunten van het heelal is3 op dien dag reeds en niet eerst nu werd de mensch tot nederigheid gedwongen4 ,niet voor hem kwam de zon iederen morgen op1 niet voor hem ontstak het hemelgewelf iederen avond zijne ontelbare lichten2 niet uitsluitend voor hem1 evenmin als voor de bewoners eener andere wereld van de oneindige ruimte1 was de wereld geschapen4 ,evenals de boer1 die zich in den droom als den oppermachtigen heerscher der aarde zag1 ontwaakte de mensch in eene eenvoudige hut4 ,niet zonder leedwezen zag hij zich zoo vernederd2 langen tijd hinderde hem de herinnering aan zijnen vervlogen droom1 maar hij moest zich onderwerpen en zich gewennen aan de werkelijkheid1 en ook thans troost hij zich met het denkbeeld1 dat hij1 al is hij niet meer de koning der schepping1 toch nog altijd de koning der aarde is4 ,op die onbetwiste heerschappij mag hij met recht trotsch zijn4 ,doch wordt deze bedreigd of verminderd door de kennis van de geleidelijke verandering der soorten8 ,zal zij minder beteekenis hebben1 indien hij die aan zich zelf verschuldigd is1 dan wanneer hij die van zijne eerste voorouders verkregen heeft8 ,wel verre van den oorsprong van ons ras te vernederen1 veredelt ons de nieuwere leer1 daar zij den mensch leert1 dat hij zelf zijne hooge waarde verkregen heeft door eigen inspanning en door oefening zijner vermogens4 ,doch zijn dergelijke beschouwingen niet misplaatst in een wetenschappelijk of populair werk8 ,wij wenschen hierover onze meening in het kort mede te deelen4 ,iedere wetenschap1 en dus ook de sterrenkunde1 de geologie1 de paleontologie1 heeft groote waarde op zich zelf4 ,maar het doel van het weten is om den geest te verlichten4 ,een sterrenkundige1 een geoloog1 een natuuronderzoeker1 die al de geheimen zijner geliefkoosde wetenschap heeft leeren ontsluieren1 kan daarom toch wel1 niettegenstaande zijne groote geleerdheid1 een onontwikkeld verstand hebben1 en niet hebben leeren denken4 ,de grootste gave echter van den menschelijken geest is het vermogen om te denken1 te oordeelen1 te generaliseeren1 in n woord zijne wetenschap dienstbaar te maken aan zijn oordeel4 ,de wetenschap1 die den geest niet verlicht1 die den mensch niet tot gids verstrekt1 die hem niet losmaakt van de dwalingen van de onkunde en het vooroordeel1 sticht minder nut en is minder eerbiedwaardig dan die1 welke geheel voldoet aan hare roeping1 om ook te vormen voor het leven4 ,vandaar dan ook1 dat wij in dit hoofdstuk ons niet ontzien hebben1 onze meening te zeggen omtrent de gevolgtrekking1 die men ten opzichte der afstamming van den mensch trekken kan uit de studie der paleontologie4 ,wij vonden daartoe te meer vrijheid1 daar ieder lezer zich de in de vijf eerste boeken medegedeelde feiten kan eigen maken1 zonder dat hij zich verplicht behoeft te gevoelen ons te volgen in de besluiten1 die wij meenden1 dat daaruit logisch konden getrokken worden4 ,de godsdienst op zich zelf is onafhankelijk van eenig godsdienstig dogma1 of van eenige meening op godsdienstig gebied2 die meeningen worden voornamelijk door het gemoed1 en niet door het verstand beheerscht4 ,wij kunnen dus ieder onderdeel der menschelijke wetenschap bestudeeren1 zonder dat dit invloed heeft op onze godsdienstige overtuiging4 ,het hoogste doel der wetenschap blijft steeds ons te verheffen tot een hooger ideaal1 ons los te maken van het lage materialisme1 door ons het wezen der krachten te doen begrijpen1 die het heelal besturen en naar een ons onbekend doel voeren4 ,de ware geleerde is de vijand van onverdraagzaamheid en dweepzucht1 de verdediger van de vrijheid van geweten1 de apostel van licht en vooruitgang4 ,doch daartoe moet hij den moed hebben1 rond voor zijn gevoelen uit te komen en het belang der waarheid boven elk eigenbelang te stellen4 ,zijne taak is het te handelen naar het woord van ,juvenalis3 ,vitam impendere vero1 d4i4 zijn leven aan de waarheid te wijden4 ,doch keeren wij tot den oorspronkelijken mensch terug4 ,de natuur roept ons1 zoo zagen wij1 met duizend tongen toe1 dat de mensch van den aap #eh afstamt1 de aap van het buideldier1 het buideldier van de tweeslachtige dieren1 de tweeslachtige dieren van de visschen1 de visschen van de ongewervelde dieren1 de ongewervelde dieren van het protoplasma1 het protoplasma van de onbewerktuigde stof4 ,wij hebben dien boom des levens zien ontstaan en gedurende de verschillende tijdperken zien groeien1 van de azosche periode tot op onzen tijd4 ,wel bestaan er nog vele leemten in eene wetenschap1 die uit zoovele nog zoo nieuwe wetenschappen is samengesteld2 maar toch zijn wij reeds in staat1 de hoofdlijnen van het beeld der schepping te schetsen4 ,op de hoogte1 waarop wij thans staan1 kunnen wij de vraag stellen1 van welken tijd het optreden van den mensch op de aarde dagteekent4 ,die vraag is ingewikkelder1 dan men op het eerste gezicht zoude meenen4 ,indien wij door het woord mensch verstaan het wezen1 dat thans de heerscher is der aarde1 in het bezit van rede en verstand1 dan kunnen wij antwoorden1 dat de menschheid nog slechts enkele duizenden jaren bestaat1 van het begin der geschiedenis af1 die zelf nog geene tienduizend jaren oud is1 zelfs niet die van ,egypte1 het oudste land1 waarvan wij geloofwaardige historische oorkonden bezitten4 ,zoolang de menschheid de geschreven taal niet had1 heeft zij historisch niet bestaan4 ,de lagere volksstammen1 die nog heden ten dage zonder schrijftaal1 en zelfs bijna zonder spreektaal zijn1 maken geen deel uit van de denkende en handelende menschheid4 ,de schrijftaal is de grootste vooruitgang1 dien de oorspronkelijke menschheid heeft ondergaan1 en deze heeft den mensch eerst zijne verstandelijke ontwikkeling gegeven4 ,de eerste schrijftaal was uiterst weinig ontwikkeld en de spreektaal vr dien tijd nog veel minder4 ,wij hebben tegenwoordig bewijzen1 dat de oorspronkelijke mensch tienduizenden van jaren ouder is dan de oudste oorkonden der menschheid2 men heeft immers reeds een groot aantal typen van den fossielen mensch gevonden4 ,doch nog niet sedert lang4 ,eerst in #ahbc vertoonde ,amy ,bou aan ,cuvier menschenbeenderen1 door hem in de omstreken van ,lahr1 in ,baden1 in het ,rijnlss gevonden4 ,cuvier1 die zooals wij vroeger zagen1 eene vooropgestelde meening had over den aard der schepping en de onveranderlijkheid der soorten1 wilde die niet als fossiel erkennen4 ,doch dit nam niet weg1 dat men in #ahbh en in #ahbi in ,frankrijk1 in #ahcc in ,belgi1 in #ahci weder in ,frankrijk1 in #ahdd in ,brazili enz4 fossiele overblijfselen van menschen ontdekte4 ,doch de officieele wetenschap maakte reeds apriori uit1 dat de overblijfselen van den mensch of de door den mensch vervaardigde voorwerpen1 in die quaternaire formaties gevonden1 daarheen gebracht waren door het water of door inzakking4 ,in #ahdg werd het vraagstuk een heel eind verder gebracht door de uitstekende onderzoekingen van ,boucher de ,perthes1 die in grintgroeven bij ,abbeville eene groote menigte door menschen bewerkte vuursteenen vond4 ,doch eerst in #ahfa werd het vraagstuk met volkomen zekerheid opgelost door de wegruiming van het puin van de grot van ,aurignac1 door ,lartet4 ,daar was verdere twijfel onmogelijk4 ,die grot was op het oogenblik der ontdekking gesloten door eenen van eenen grooten afstand aangebrachten steen4 ,lartet vond in die grot de beenderen van acht diersoorten1 tot de quaternaire periode behoorende4 ,eenige van die dieren waren daar opgegeten2 hunne gedeeltelijk verkoolde beenderen droegen nog de sporen van het vuur1 waarvan men nog de kolen en de asch terugvond2 de beenderen van eenen jongen rhinoceros tichorinus vertoonden inkervingen1 gemaakt met vuursteenen werktuigen1 en waren afgekloven door hyena's1 waarvan men de sporen terugvond4 ,de ligging van de grot maakte het onmogelijk1 dat er door het diluvium iets daarheen gevoerd was4 ,hieruit volgt dus1 dat de oorspronkelijke mensch geleefd moet hebben tegelijk met de quaternaire dierenwereld1 en dat hij zelfs rhinocerossen als voedsel gebruikte1 en door de hyena uit dat tijdperk gevolgd werd1 die zich aan de overblijfselen van den maaltijd te goed deed4 ,het gelijktijdig bestaan van den mensch en die fossiele dieren was daardoor bewezen4 ,het volgende jaar werden die feiten door eene belangrijke ontdekking bevestigd4 ,den #bhsten ,maart #ahfb had ,boucher de ,perthes het geluk1 dat hij zelf1 in het grijze diluvium van de ,somme-vallei eene menschelijke kaak opgroef1 die wel niet volkomen was1 maar toch ontegenzeggelijk toebehoorde aan den quaternairen mensen4 ,doch nog belangrijker feiten kwamen aan het licht4 ,in #ahfh werd in de ,acadmie des ,sciences eene kaak van eenen rhinoceros uit de miocene periode vertoond1 waarop1 zooals men zeide1 eene door den mensch gedane inkerving zichtbaar was4 ,zoo ook heeft men in de miocene formatie van ,maine-et-,loire eene rib van een halotherium gevonden evenzeer met insnijdingen door menschenhanden verricht4 ,hetzelfde is het geval met beenderen te ,pikermi gevonden4 ,men zou kunnen beweren1 dat die inkervingen verricht zijn door roofdieren of zelfs eenvoudig door wrijving zijn ontstaan2 de abb ,bourgeois echter1 een bekwaam onderzoeker1 in #ahgh gestorven1 heeft in de miocene formatie van ,loir-et-,cher vuursteenen gevonden1 die zouden moeten geslepen zijn door een wezen1 dat in verstand hooger ontwikkeld was dan de tegenwoordige dieren4 ,volgens die laatste getuigenissen1 die nog met een aantal andere zouden kunnen worden vermeerderd1 zoude men dus zelfs mogen besluiten tot het bestaan van den tertiairen1 miocenen mensch4 ,toch meenen wij1 dat de bewijzen voor die stelling nog niet voldoende zijn4 ,quatrefages en ,hamy meenen1 dat de gevonden vuursteenen door menschen geslepen zijn4 ,gaudry en anderen zijn van oordeel1 dat het niet onmogelijk is1 dat dit door apen zoude geschied zijn4 ,is dat waar1 dan moet de dryopitheke of een andere anthropomorphe aap de voorganger van den mensch geweest zijn4 ,doch wij moeten hier bijvoegen1 dat er zelfs deskundigen zijn1 die beweren1 dat de vuursteenen in het geheel niet geslepen zijn4 ,anderen zelfs hebben niet zonder grond het vermoeden geuit1 dat de formatie1 waarin die vuursteenen gevonden zijn1 tot de eocene formatie behoort4 ,is dit het geval1 dan is het zeker1 dat zij niet geslepen zijn1 immers in die periode vond men zelfs nog geene ware herkauwende dieren1 geene nhoevige dieren1 snuitdieren of apen4 ,de vuursteenen te ,otta1 bij ,lissabon1 en die te ,aurillac gevonden1 maken evenmin het vraagstuk uit3 zij zijn ongetwijfeld uit de miocene periode afkomstig1 doch het is lang niet zeker of zij geslepen zijn4 ,bovendien is het bijna onmogelijk1 dat de mensch reeds in die periode zou bestaan hebben4 ,op welk standpunt men zich ook plaatse1 de mensch kan alleen optreden aan de spits der organische wereld1 nadat het planten- en dierenrijk tot volle ontwikkeling is gekomen4 ,in de miocene periode was die ontwikkeling nog lang niet volledig genoeg1 om de verschijning van den mensch in dien tijd niet als een anachronisme te beschouwen2 dit is op zichzelf voldoende1 om de meening te verwerpen1 als zoude de mensch in de miocene periode verschenen zijn4 ,dat de mensch reeds bestaan heeft in het begin der quaternaire periode1 en zelfs op het einde der tertiaire periode1 is echter niet twijfelachtig4 ,de verandering van den aap1 waaraan wij ons bestaan te danken hebben1 dagteekent hoogstwaarschijnlijk van de pliocene periode4 ,het zou ons te ver voeren1 indien wij alle ontdekkingen vermeldden1 zoowel van fossiele overblijfselen van menschen als van geslepen vuursteenen of van voorwerpen1 door den oorspronkelijken mensch vervaardigd4 ,in het musem te ,brussel zijn niet minder dan #hjjjj door menschenhanden geslepen vuursteenen en #djjjj beenderen van dieren voorhanden1 die gelijktijdig met den oorspronkelijken mensch geleefd hebben4 ,men heeft reeds de opvolging dier verdwenen menschenrassen kunnen bepalen2 enkele waren tijdgenooten van den holenbeer1 andere van den mammouth1 nog andere van het rendier1 weer andere van den aueros4 ,de merkwaardige fossiele mensch1 in #ahgb te ,mentone gevonden1 schijnt uit den tijd van het rendier te dagteekenen4 ,nog in het jaar #ahhd zijn op diezelfde plaats belangrijke opgravingen gedaan4 ,toch is dit alles nog niet voldoende1 om ons een zuiver beeld te vormen van den oorspronkelijken mensch4 ,trouwens ,quatrefages merkt zeer terecht op1 dat het oorspronkelijke type van den mensch verdwenen is4 ,dit moet reeds het geval zijn door verhuizing en wijzigingen der omgeving4 ,de mensch heeft den geheelen afstand tusschen de tertiaire en de quaternaire periode doorloopen2 misschien bestaat zelfs de plaats niet meer1 waar hij is opgetreden2 zeker is het1 dat de levensvoorwaarden daar geheel anders moeten zijn dan bij zijn eerste optreden4 ,toen alles rondom hem veranderde1 kon hij alleen niet dezelfde gebleven zijn4 ,wij kennen den oorspronkelijken mensch niet2 als wij hem ontmoetten1 zouden wij hem zelfs niet herkennen4 ,het eenige wat wij kunnen zeggen1 is dat hij waarschijnlijk de kleur had van de gele rassen1 en dat zijn haar waarschijnlijk rossig was4 ,zijne taal was waarschijnlijk nlettergrepig en klanknabootsend4 ,vrdat zij den ploeg1 de spade1 den molen1 den oven1 de kuip1 het vat1 de kom1 den lepel1 de vork1 het mes hadden uitgevonden1 leefden die wezens1 die langzamerhand menschen geworden zijn1 maar die toen slechts redelooze dieren waren1 in bosschen en holen1 en moesten zij zelf hun voedsel zoeken1 evenals hunne tijdgenooten1 de apen1 wolven1 tijgers1 wilde paarden1 olifanten1 beren1 hyena's1 jakhalzen1 bevers enz4 ,komt hun reeds de naam van mensch toe8 ,naar ons oordeel niet4 ,dat zij zich met de voeten1 de handen en het hoofd verdedigen als zij aangevallen zijn1 bewijst niets1 immers dat doen ook de apen4 ,dat zij eene vrucht nemen en die naar het hoofd van hunnen tegenstander werpen1 bewijst evenmin iets1 dat doet de aap eveneens4 ,ook de aap grijpt eenen tak1 dien hij doorbreekt en waarmede hij bij den aanval om zich heen slaat4 ,bijna alle dieren zorgen voor hun kroost4 ,de eerste handeling1 waaruit hunne hoogere ontwikkeling bleek1 moet met hunne levenswijze hebben samengehangen4 ,een scherpe1 puntige steen1 kon beter dienst doen1 om een dierenhuid te snijden1 dan de nagels4 ,de meest ontwikkelde wezens van hunnen tijd moeten opgemerkt hebben1 dat scherpe en puntige steenen beter geschikt waren1 om iets te kloven1 dan ronde steenen1 en zij zullen daarmede hun voordeel gedaan hebben4 ,daarna zullen wezens1 even wild1 maar iets verstandiger dan de vorige1 hebben opgemerkt1 dat een steen kon verbrijzeld worden1 door hem tegen eenen anderen steen te stooten1 en dat de stukken scherp of puntig waren4 ,zoo is de periode der gehouwen steenen begonnen1 waarvan men heden overal de sporen vindt4 ,de ontdekking van het vuur door de wrijving van droog hout1 was op zich zelf reeds een belangrijke vooruitgang4 ,evenals het lichaam van den mensch langzamerhand volmaakter is geworden1 zoo is het ook met den geest het geval geweest4 ,is het menschelijke lichaam de vrucht van de opklimming der natuur langs alle trappen van het dierenrijk1 de menschelijke geest is de bloem1 uit die ontwikkeling voortgekomen4 ,de hoogere dieren hebben eene verstandelijke ontwikkeling1 die waardig is met die van den mensch vergeleken te worden1 zij hebben geheugen1 eenen wil1 verbeelding1 overleg en andere verstandelijke vermogens4 ,het is slechts eene vraag van meer of minder4 ,de geheele natuur is naar eenzelfde plan gebouwd en is de uitdrukking eener zelfde idee4 ,er zijn boeken volgeschreven over het verstand der dieren1 en wij mogen daarover hier niet verder uitweiden4 ,het kwam er alleen op aan1 onze lezers te doen begrijpen1 dat ook de dieren met verstand begaafd zijn1 en dat de menschelijke ziel evenmin als het lichaam iets anders is als die der overige dieren2 ook zij heeft zich geleidelijk in den loop der eeuwen ontwikkeld4 ,nog andere niet minder merkwaardige bewijzen zouden bij de vorige gevoegd kunnen worden1 om de reeds volle maat der bewijzen tot den rand toe te vullen4 ,doch het is onmogelijk te onderstellen1 dat de onpartijdige lezer niet reeds lang door het voorgaande overtuigd is geworden4 ,wij kunnen echter niet nalaten1 al was het slechts om de merkwaardigheid1 even te wijzen op de somtijds zoo bijzondere gelijkenis tusschen sommige menschenkoppen en enkele typen van dieren4 ,is het niet als het ware de echo van vroegere tijden1 als eene soort van terugslag naar vroegere vormen8 ,de gelijkenis van den mensch met de apen1 vooral onder de lagere menschenrassen1 valt te zeer in het oog1 dan dat wij daarbij zouden stilstaan4 ,doch ook bij ons blanke ras1 dat zoo beschaafd is1 vindt men niet zelden in het gelaat en zelfs in het karakter van enkele personen ontegenzeggelijk gelijkenis met sommige dieren1 zooals den leeuw1 de kat1 den vogel1 den bunzing1 de slang en zelfs den visch4 ,voor de merkwaardigheid geven wij op blzz4 #feb en #fec enkele teekeningen weer1 die de bekende schilder ,charles ,lebrun ten tijde van ,lodewijk ,,xiv vervaardigd heeft1 waarin hij duidelijk de gelijkenis van enkele menschenkoppen met dieren doet uitkomen4 ,en letten wij op de karaktertrekken van den mensch1 reinheid van gemoed--slimheid--onverstand--drift--sla afschheid--kwaadaardigheid-- zelfopoffering--gierigheid--wellust enz4 enz41 zooals zij door het gelaat worden uitgedrukt1 men behoeft ze niet in de werken van ,lavater te bestudeeren1 om ze dagelijks om zich heen te zien4 ,de mensch heeft slechts langzamerhand en ongemerkt zijne oorspronkelijke ruwheid afgelegd4 ,de grootste schrede op den weg van verstandelijken en zedelijken vooruitgang kon eerst worden gedaan1 nadat de strijd om het bestaan en de zorg voor hunne dagelijksche behoeften niet meer hunnen geheelen tijd in beslag nam4 ,ten gevolge van gelukkige omstandigheden1 van een zachter klimaat1 te midden der nieuwe vruchten van eene vruchtbaarder aarde in eene periode van voorspoed en rust1 is de stof eindelijk voor den geest geweken4 ,de mensch1 die voor het eerst den kop van eenen mammouth of een hert geteekend heeft op eenen gepolijsten horen1 de mensch1 die het eerst eenen ruiker van wilde bloemen voor zijne beminde heeft bijeengebracht1 die voor het eerst een lied gezongen heeft of het eerst de snaren tokkelde1 de eerste kunstenaar1 de eerste denker voelde op dat oogenblik noch honger1 noch koude4 ,de denkende menschheid kon alleen ontwaken onder de zachte temperatuur van eene vruchtbare streek1 die evenzeer afgelegen was van het poolijs als van de verscheurende dieren der tropen4 ,alleen de z bevoorrechte mensch kon het tijdperk van den vooruitgang openen4 ,de overige menschen1 die niet zoozeer begunstigd waren wat hunne woonplaats betrof1 en die onophoudelijk moesten strijden om te leven en zich te verdedigen1 konden slechts weinig vooruitgaan4 ,doch eerst onder het tooverachtige licht eener getemperde zon1 te midden der bosschen1 waarin de vogels hun lied kweelden1 en bij de welriekende bloemen1 waarop de insecten fladderden1 kon het gevoel zijne plaats veroveren en de ruwe stof overmeesteren4 ,misschien wel is het niet aan den man1 maar aan de vrouw toe te schrijven1 dat de mensch zich heeft afgescheiden van de apen1 dat zijne schoonheid is toegenomen1 dat zijn smaak zich heeft ontwikkeld1 dat hij den drang naar verbetering gevoelde4 ,de man1 door zijne kracht de meerdere1 en1 die voor het welzijn der zijnen moet zorgen1 de beschermer en verdediger1 moet daaraan al zijne krachten wijden4 ,van den morgen tot den avond1 dag en nacht1 moet hij waken en zorgen voor plantaardig of dierlijk voedsel2 hij is het1 die den tocht leidt1 als het geldt vruchten te plukken1 of die de prooi bespringt2 als het noodig is1 dieren te bemachtigen4 ,bij de apen1 evenals bij alle hoogere dieren1 behoeft de vrouw zich hiermede niet bezig te houden4 ,haar eenige taak is1 den man en de kinderen te verzorgen4 ,zij heeft dus al den tijd1 om na te denken4 ,zij blijft te huis1 en hoe weinig ontwikkeld hare hersenen ook zijn1 zij zijn werkzaam4 ,waaraan denkt zij8 ,haar gevoel is ontwikkelder dan dat van den man4 ,zij is moeder4 ,reeds van hunne geboorte af doen de jongen haar lijden4 ,zij voedt ze met hare melk4 ,zij bemint ze4 ,dat is hare roeping4 ,in die richting hebben zich steeds hare hersenen ontwikkeld4 ,zij is voor het gevoel geschapen1 het gevoel doet haar leven4 ,dat is hare voornaamste eigenschap4 ,bemint de moeder hare kinderen1 zij verlangt ook liefde van hen1 zij beschermt ze teeder1 en bij het minste gevaar vluchten zij in hare armen4 ,van haar ontvangen zij de eerste lessen1 en aan haar geven zij hunne eerste kussen4 ,indien de vrouw haren man bemint1 zij verlangt ook wederliefde1 want het komt haar onmogelijk voor te beminnen1 zonder bemind te worden4 ,wij vroegen zooeven1 waaraan zij denkt4 ,het antwoord is3 te behagen en te bekoren4 ,de man daarentegen kan aan een aantal andere zaken denken2 hij kan eerzuchtig zijn1 rijkdommen najagen1 zich in den oorlog of op de jacht begeven1 zich aan spel of wijn overgeven1 zich bezighouden met ernstige studies enz4 ,zijne hersenen zijn eveneens in eene bepaalde richting ontwikkeld4 ,evenals in den tijd zijner aapachtige voorouders is het zijn eerste plicht1 te zorgen voor de behoeften van zijn gezin1 en hij gevoelt1 zoo dikwijls hij daarin te kort schiet1 dat hij de wetten der natuur overtreedt4 ,ook hij heeft behoefte aan liefde4 ,maar zijn geheele leven is niet uitsluitend daaraan gewijd4 ,geschapen om te beminnen en om bemind te worden1 moet de vrouw behagen1 schoon zijn en bekoren4 ,dit is van oudsher hare roeping geweest en haar voortdurend streven4 ,zoodra hare hersenen voldoende ontwikkeld waren1 om dat denkbeeld te bevatten1 hebben zich hare hersencellen in die richting ontwikkeld4 ,van nu af aan begint hare heerschappij2 want inderdaad heerscht zij over den man1 en sedert minstens honderdduizend jaren arbeidt zij in die richting4 ,de man heeft zijne krachten verdeeld2 hij heeft de wetenschappen1 de staatkunde en de krijgskunde1 de wetten1 de scholen1 de kunsten1 de industrie uitgevonden2 de vrouw heeft slechts nen1 alles overheerschenden hartstocht2 bemind te worden en door de liefde te heerschen4 ,dit is haar gelukt4 ,de man is aan hare voeten4 ,de vrouw heeft den gang der natuur veranderd2 immers bij de dieren is de man het schoonst1 het meest getooid1 en diegene1 die door zijne uiterlijke gaven het meest schittert4 ,vergelijk den haan met de hen1 den pauw of den fazant1 de mannelijke vogels1 insecten1 viervoetige dieren1 zoogdieren1 met hunne wijfjes1 vergelijk den leeuw met de leeuwin1 den tijger met de tijgerin1 overal is de man schooner dan de vrouw4 ,dit was evenzoo het geval tijdens den oorsprong der menschheid 7bij de wilden zijn de mannen met de meeste zorg getatouerd1 zij hebben de meeste sieraden in de ooren1 den neus1 de armen1 de enkels47 ,de oogen der vrouw zijn zachter en bekoorlijker geworden1 hare armen hebben bevalliger ronding gekregen1 hare huid is zachter1 haar gelaat edeler1 haar hoofdhaar zachter en langer1 hare handen en voeten kleiner geworden1 haar lichaam heeft sierlijker vormen aangenomen4 ,de man1 bekoord door die nieuwe schoonheden1 heeft steeds de schoonste en verleidelijkste vrouwen gekozen1 van deze zijn een grooter aantal moeder geworden dan van de minder door de natuur begunstigde vrouwen1 zoodat langzamerhand het vrouwelijk schoon is toegenomen4 ,bij den mensch is het de man1 die kiest1 en daarin is de voornaamste oorzaak gelegen van den vooruitgang in de schoonheid der vrouw1 en als gevolg daarvan in de schoonheid van het menschdom4 ,bij de dieren zijn het de mannen1 die zich beijveren1 om de vrouwen te bekoren1 daar zijn het de krachtigste en de schoonste mannelijke wezens1 die de soort instandhouden4 ,bij de apen en bij de wilde volksstammen is hetzelfde het geval4 ,bij den hooger ontwikkelden mensch is het de vrouw1 die steeds voor hare schoonheid gezorgd heeft4 ,die taak der vrouw brengt als gevolg eenen alles overheerschenden hartstocht mede1 den minnenijd4 ,de begeerte1 de behoefte1 om te heerschen en te schitteren is een factor1 die gunstig werkt op den vooruitgang en de veredeling der soort4 ,de vrouw wil schoon zijn1 wil eenen schoonen echtgenoot bezitten1 wil schoone kinderen hebben4 ,zij moge zich daarvan al of niet rekenschap geven1 dit is hare geheime begeerte4 ,indien zij fortuin wenscht1 of verlangt dat haar echtgenoot eenen hoogen rang in de maatschappij inneemt1 dan is het voornamelijk om te schitteren4 ,de man is op zijne beurt gedwongen haar in hare sierlijkheid te volgen1 de scherpe hoeken af te ronden1 voor zijn uiterlijk zorg te dragen1 zijnen geest te beschaven1 en te zorgen1 dat hij zonder het hooge standpunt te verlaten1 dat hij door zijne kracht en het gebruik zijner rede inneemt1 het uiterlijk schoon niet te veel uit het oog verliest4 ,vandaar verzachting der zeden1 de verbetering van de taal1 het ontstaan der schoone kunsten4 ,zonder den invloed der vrouw zouden muziek1 schilderkunst1 beeldhouwkunst en bouwkunde1 en bovenal de dichtkunst1 in n woord alle menschelijke werken1 die op gevoel en smaak berusten1 niet tot ontwikkeling gekomen zijn4 ,een voortdurende wedijver heeft den man voorwaarts gedreven1 en zijne geestesgaven zijn daardoor op heerlijke wijze en vooral harmonisch ontwikkeld4 ,bij die uitwendige gaven1 die de vrouw langzamerhand verworven heeft1 hebben zich tevens uit het gevoel van liefde een aantal inwendige gaven ontwikkeld4 ,de vrouw is teeder geworden1 vol toewijding voor alles wat lijdt1 en hare behoefte om lief te hebben stelt haar in staat zich geheel te wijden aan het welzijn der menschheid4 ,zij dorst naar het hoogere1 en indien zij niet in de liefde of in het moederschap voldoening vindt voor hare aspiraties1 dan weet zij zich die voldoening op andere wijze te verschaffen4 ,wij moeten dus erkennen1 dat de vrouw eene groote rol gespeeld heeft bij de moreele en lichamelijke ontwikkeling van den mensch4 ,indien wij geene apen meer zijn1 dan hebben wij dat grootendeels aan de vrouw te danken4 ,de scheiding der geslachten heeft dus eenen gelukkigen invloed uitgeoefend op den vooruitgang4 ,indien de voortplanting der wezens had blijven plaats vinden door knopvorming of deeling1 zooals dat millioenen jaren het geval geweest is bij de lagere wezens1 dan zouden er geene geslachten op de aarde zijn en zouden de wezens geheel verschillend zijn1 van wat zij thans zijn4 ,zij zouden zeker niet zoo vooruitgegaan zijn als thans het geval is4 ,er zou geen liefde geweest zijn1 en de liefde heeft immers alles verfraaid1 verheven1 veredeld4 ,terwijl de kunstzin der vrouw werkzaam was ten voordeele der schoonheid1 der sierlijkheid1 van den goeden smaak1 de opvoeding der kinderen1 en den moreelen vooruitgang in het gezin1 maakte de man zijne gaven dienstbaar aan de maatschappij2 hij verbeterde de werktuigen1 die noodig waren voor het levensonderhoud2 hij vond de steenen werktuigen uit1 die eerst grof gehouwen waren1 zooals hamers1 bijlen1 messen1 lans- of pijlspitsen1 schrappers1 om de gevilde huiden te bewerken1 naalden van beenderen of horen1 daarna werden die werktuigen verbeterd in het tijdperk van den gepolijsten steen1 men had het middel gevonden1 om vuur te maken door droog hout te wrijven in een gat in een' steen geboord2 later maakte men bronzen en ijzeren werktuigen4 ,de eerste werktuigen waren echter1 zooals men bij een aantal van die gevonden voorwerpen zien kan1 bijzonder ruw4 ,doch geleidelijk ontwikkelde zich in de menschelijke hersenen het vermogen om uitvindingen te doen4 ,toen men enkele nuttige planten had zien ontkiemen1 vond men den ploeg1 het zaaien en het maaien uit2 doch langen tijd moest men zich tevreden stellen met wat men vond1 vrdat men voor de toekomst kon zorgen4 ,een boomstronk was langen tijd de eerste tafel1 en eeuwen lang dronk men het water uit de hand1 vrdat men houten of aarden drinknappen en lepels had uitgevonden4 ,langen tijd bestonden de woningen eenvoudig uit doode bladeren1 boomtakken en holen4 ,de vischvangst begon met het vangen van schelpen1 vooral van oesters1 waarvan men de schelpen terugvindt in de oorspronkelijke verblijven van den mensch4 ,de eerste schepen waren holle boomstammen4 ,enkele dieren1 de olifant1 het rendier1 het paard1 het rund1 waren getemd en voor huiselijk gebruik dienstig gemaakt4 ,bij al die werkzaamheden1 die tot doel hadden het materieele leven minder moeilijk te maken1 ziet men nog slechts weinig afgetrokken begrippen4 ,het denkvermogen ontwikkelt zich uiterst langzaam4 ,men telt misschien reeds op de vingers tot vijf of tot tien1 maar verder brengt men het nog niet4 ,de mensch is nog wild en barbaarsch1 men doodt elkander om iedere kleinigheid 7de wapenen zijn onder de oorspronkelijke gereedschappen reeds zeer verschillend74 ,men spreekt nog alleen met tuschenwerpsels en nlettergrepige woorden4 ,men vindt de sporen daarvan nog terug in de talen1 door de oudste rassen gesproken4 ,daarop zijn de talen met uitgangen1 en daarna die met buigingsvormen ontstaan4 ,de taal is wel de grootste schrede van de anthropomorphe apen tot den mensch2 maar men vergete niet1 dat de taal niet zoozeer in de stem gelegen is1 als wel in het vermogen zijne denkbeelden uit te drukken4 ,de meeste dieren hebben dat vermogen2 de honden kunnen zich aan ons verstaanbaar maken2 de taal der mieren door middel van hare voelers1 schijnt tamelijk rijk te zijn4 ,later heeft zich de taal ontwikkeld en verrijkt naast de ontwikkeling der denkbeelden1 en is zij ook zelf aan die ontwikkeling dienstbaar geworden4 ,de geschreven taal is veel jonger4 ,zij is evenals de geschiedenis hoogstens zes- of zevenduizend jaren oud4 ,zoo was de praehistorische mensch4 ,verdient hij reeds den naam van mensch8 ,ongetwijfeld1 en aan hem zijn wij verplicht1 wat wij geworden zijn4 ,doch hoever staat hij nog af van het wezen1 dat voor ons het type der menschheid is1 den denkenden mensch6 ,hoever staat hij nog af van de ,egyptenaren der eerste dynastin1 van ,mozes en de profeten1 van de ,grieken uit den tijd van ,homerus1 ,herodes1 ,thales en ,archimedes6 ,de historische mensch is niet ouder dan vijftig eeuwen--,hoang-,ti in ,china1 ,abraham in ,mesopotami1 de ,hindoe's van de ,zend-,avesta--misschien #fj of #fe eeuwen1 het tijdperk der ,egyptenaren van de vijfde dynastie4 ,wat waren wij ,europeanen1 toen die oude beschaving reeds in de ,nijlvallei bloeide1 toen een godsdienstig en denkend menschenras reeds eene geschreven taal en geschiedenis bezaten6 ,onze voorouders leefden nog in de steenperiode1 en leefden in de bosschen1 aan de oevers der groote stroomen1 te zamen met den holenbeer1 den rhinoceros1 den olifant1 het nijlpaard1 zonder zich nog bezig te houden met de groote raadsels van het leven of de nietige vraagstukken der diplomatie4 ,men kan den tijd van het verschijnen van den mensch niet nauwkeurig bepalen1 daar dat verschijnen niet plotseling heeft plaats gegrepen en de mensch eerst trapsgewijze ontstaan is4 ,evenmin kan men nauwkeurig de plaats bepalen1 waar hij voor het eerst is opgetreden4 ,toch heeft men reden te onderstellen1 dat de oorspronkelijke mensch1 die reeds een spoor van eene taal bezat1 die reeds in groepen vereenigd leefde1 en die reeds steenen gereedschappen kon vervaardigen1 en op horen teekenen kon1 meer dan honderdduizend jaren oud is1 en in ,azi1 in de nabijheid der ,perzische golf leefde1 van waar hij zich over de aarde verspreid heeft4 ,de geestelijke karaktertrek1 die den mensch kenmerkt1 is zijn vermogen om afgetrokken begrippen te vormen4 ,neem dat vermogen weg1 en de mensch valt weder in den dierlijken toestand terug4 ,doch dat vermogen is nog betrekkelijk jong1 en wij kunnen de verschillende phrasen van de ontwikkeling van dat vermogen volgen4 ,de wiskunde wordt b4v4 terecht beschouwd als de schoonste openbaring van den menschelijken geest1 vooral in hare toepassing op de diepzinnigste vraagstukken der sterrenkunde2 het is niet moeilijk hare ontwikkeling na te gaan4 ,men is begonnen met het gewone tellen tot tien1 op de vingers der hand3 dit is de oorsprong van het tientallig stelsel4 ,voor lengtematen heeft men den voet1 den elleboog1 de schrede genomen1 voor dieptemetingen den vadem2 al die afmetingen zijn aan het menschelijke lichaam ontleend4 ,in het wigvormig schrift der ,chalden worden de getallen eenvoudig voorgesteld door gaten4 ,bij de ,grieken zijn de cijfers niets anders dan de letters van het alphabet met een accent er boven3 a' #a1 b' #b1 enz4 tot #bj2 grootere getallen worden voorgesteld door verbindingen van letters4 ,de meetkunde is begonnen met landmeetkunde en bouwkunde4 ,de eigenlijke wiskunde dagteekent waarschijnlijk eerst van ,thales en ,pythogoras1 in de zesde eeuw vr ,christus1 als uitbreiding der rekenkunde en meetkunde van de ,egyptenaren4 ,de meetkunde1 als wetenschap1 als verzameling van onwederlegbare stellingen1 dagteekent eerst van ,euclides en ,archimedes2 de kennis der kegelsneden dagteekent eerst van ,apollonius1 de algebra is begonnen met ,diophantes1 de sterrenkunde met ,hipparchus en ,ptolemaeus1 de kennis van den bouw van het zonnestelsel met ,copernicus1 de kennis van de beweging der hemellichamen met ,kepler1 en van de wetten dier beweging met ,newton2 de natuurkundige sterrenkunde is door ,galile gegrondvest door de uitvinding van den verrekijker1 de toepassing van de algebra op de meetkunde door ,descartes1 de logarithmen door ,neper1 de differentiaal-rekening door ,leibnitz1 de integraal-rekening door ,euler en ,bernouilli2 de toepassing dier wetenschappen op de sterrenkunde is de vrucht van de studie van ,lambert1 d',alembert1 ,lagrange1 ,laplace1 ,gauss en anderen4 ,dat alles dagteekent eerst van gisteren4 ,zoo ziet men1 hoe men stap voor stap de ontwikkeling van den menschelijken geest volgen kan4 ,wat wij zooeven gezegd hebben van de wis- en sterrenkunde1 geldt evenzeer voor de natuurkunde1 de scheikunde1 in n woord1 voor alle kunsten en wetenschappen1 voor alle werken des geestes4 ,wel is niet altijd de vooruitgang even duidelijk1 wel is1 zooals b4v4 bij de beeldhouwkunst en de schilderkunst1 somtijds in tweeduizend jaren geene ontwikkeling te bespeuren2 doch men vergete niet1 dat tweeduizend jaren slechts een dag zijn in de geschiedenis der aarde4 ,voor hem1 die tot den oorsprong weet op te klimmen1 en die zich niet door vooroordeelen laat leiden1 is het duidelijk1 hoe alles1 wat thans den mensen zijne groote waarde geeft1 geleidelijk in den loop der eeuwen door voortdurende inspanning verworven is4 ,zelfs in de nieuwste wetenschappen1 in de nieuwste ontdekkingen1 in de scherpzinnigste toepassingen1 schept de grootste reuzengeest niets nieuws3 hij maakt gebruik van de gegevens1 hem door de wetenschap verschaft1 om haar een stap verder te brengen4 ,dat is steeds de gang der ontwikkeling geweest4 ,wel is de tegenwoordige menschheid nog niet volmaakt4 ,nog is de eeuw der rede niet aangebroken4 ,zoolang nog de kracht het recht beheerscht2 zoolang nog staande legers noodig schijnen te zijn2 zoolang er nog armoede en onwetendheid1 diefstal en moord bestaat1 zlang kunnen wij ons nog niet beroemen op den naam van een verstandig ras4 ,doch de geleidelijke vooruitgang in het verleden is een waarborg voor de toekomst2 de wereld gaat vooruit4 ,kunsten en wetenschappen1 goede smaak1 letterkunde en zedelijkheid1 alles verheft zich4 ,het gevoel voor het goede en ware ontwikkelt zich2 deugd en kennis veredelen en reinigen den mensen4 ,met vertrouwen mogen wij de toekomst tegemoet gaan4 ,want de menschheid1 bevrijd uit de knellende banden van haren dierlijken oorsprong1 beheerscht de wereld in haar streven naar voortdurende ontwikkeling4 ,zoo zal dan een volgend menschengeslacht1 steunende op de onderzoekingen van voorgaande eeuwen1 weer nieuwe feiten verzamelen1 nieuwe ontdekkingen doen1 nieuwe gezichtspunten openen2 totdat na verloop van honderden en honderden eeuwen een hooger ontwikkeld1 een beter en reiner menschengeslacht onze plaats zal innemen4 ,want vooruitgang is de wet der natuur2 dit geheele werk legt daarvan de getuigenis af2 het zoeken naar de ,waarheid is het streven van den menschelijken geest4 ,al het andere is slechts ijdelheid4 ,de bestemming van ieder onzer is het1 om ons meer en meer te ontwikkelen4 ,wel is de toekomst voor ons verborgen1 doch uit de studie van het verledene kunnen wij de richting leeren kennen1 waarin zich de menschheid beweegt4 ,en die studie werkt juist daarom zoo veredelend op ons gemoed1 omdat zij ons aanspoort1 om te leven in de goddelijke wereld des geestes en omdat op hare banier in vlammend schrift geschreven staat3 ,waarheid1 ,licht1 ,hoop4 ,,aanteekeningen #a ,de ,wonderen des ,hemels4 ,flammarion's ,astronomie populaire1 voor ,nederland bewerkt4 ,zutphen1 ,w4,j4 ,thieme en ,cie4 #b ,het ,rijk der ,sterren1 ,flammarion's ,etoiles et ,curiosits du ,ciel1 voor ,nederland bewerkt4 ,zutphen1 ,w4,j4 ,thieme en ,cie4 #c ,de in fig4 #cd en #ce geteekende wezens zijn die1 welke in de lucht het meest verspreid zijn4 ,op bewoonde plaatsen is hun aantal zeer groot1 terwijl het op de bergen en in volle zee uiterst gering is1 zooals de volgende tabel leert3 ,aantal bacterin1 geteld in eenen cubieken meter lucht4 ,op de bergen #a tot #aj ,boven op het ,pantheon te ,parijs #bjj ,park van ,montsouris #ejj ,lucht in de rue ,rivoli te ,parijs #c #dhj ,lucht in de nieuwe huizen te ,parijs #d #ejj ,lucht in het laboratorium te ,montsouris #g #dbj ,lucht in de oude huizen te ,parijs #cf #jjj ,lucht in het nieuwe hospitaal te ,parijs #dj #jjj ,lucht in het hospitaal la ,piti te ,parijs #gi #jjj #d ,bij de hydra's vindt men reeds eene sterke ontwikkeling der levenskracht4 ,zij zijn zeer gulzig en gevaarlijk voor hare even groote naburen4 ,de mond aan het vooreinde is omzet met een krans van bewegelijke1 lange vangarmen2 aan de oppervlakte en in de nabijheid daarvan vindt men een aantal netelorganen4 ,de draad1 in die netelorganen besloten1 eindigt in een peervormig blaasje1 waarachter drie of vier weerhaakjes staan2 de polyp kan naar willekeur die weerhaakjes uitslaan en intrekken4 ,als een infusiediertje in de nabijheid der hydra komt1 grijpen de vangarmen het aan1 haken de weerhaakjes daarin vast en wordt het in den mond van het monster gesleept4 ,geen enkel dier op het land1 zelfs niet de ontzaglijkste verscheurende dieren1 bezit zulke gevaarlijke wapenen als die bijna onmerkbare polyp1 wier gulzigheid en verterend vermogen zonder wederga zijn4 ,door middel van den mikroskoop heeft men waargenomen1 dat die diertjes1 na hunne prooi te hebben verslonden1 eenige minuten later de overblijfselen weder uitwerpen1 die dan hunne voedende eigenschappen verloren hebben2 somtijds verslinden zij lichamen1 grooter dan zij zelf zijn2 men ziet dan de mondopening1 en de holte1 die het lichaam vormt1 zich uitzetten tot driemaal het gewone volume2 indien het verslonden dier een omhulsel bevat1 dan wordt dit in de maag van de polyp door het maagsap week gemaakt en zoo voor de voeding geschikt4 ,opmerkelijk is het1 dat dit verterend vermogen alleen werkt op vreemde lichamen en niet op polypen4 ,trembley had dit reeds in het midden der vorige eeuw opgemerkt4 ,eene polyp had tegelijk met hare prooi nen harer eigen vangarmen ingeslikt3 na verloop van eenige oogenblikken kwam de vangarm ongedeerd uit de mondopening1 terwijl de prooi in het lichaam van de polyp werd opgelost4 ,harting vertelt1 dat twee polypen elkander eene prooi betwistten2 geene van beide wilde de prooi loslaten2 de sterkste slikte toen de zwakste op met de prooi1 waaraan zij zich had vastgeklemd4 ,eenigen tijd later wierp de overwinnaar de overblijfselen van zijnen maaltijd uit1 en tegelijkertijd kwam de andere polyp ongedeerd te voorschijn1 die weer na korten tijd jacht ging maken op andere dieren1 als ware er niets geschied4 #e ,zij heeft reeds eenen aanvang genomen bij de planten4 ,de plant is lang zoo werkeloos niet als men zich dit gewoonlijk voorstelt2 zij ademt1 eet1 drinkt en slaapt4 ,zij ademt evenals wij de dampkringslucht in1 maar juist in omgekeerde volgorde2 zij ademt koolzuur in1 dat voor ons doodende gas1 en herstelt zoo het evenwicht in de samenstelling van den dampkring4 ,zij eet en drinkt2 haar voedsel is koolstof1 ammoniak1 zwavel1 phosphorus4 ,de krachtige bouw harer wortels en bladeren stelt haar in staat1 haar voedsel te nemen en zelfs te halen uit de lucht en den bodem1 zoover hare armen zich kunnen uitstrekken4--,zij slaapt3 de meeste planten volgen gehoorzaam de natuur en slapen van het ondergaan tot aan het opkomen van de zon1 andere echter waken tot laat in den nacht1 staan niet vr 's middags op1 en ontwaken zelfs in het geheel niet bij regenachtig weder4 ,een geheime band verbindt de plant aan het licht2 het uur van haar ontwaken en ontluiken wijzigt zich naar de families2 er zijn er1 die daarin de jaargetijden en de afwisselingen in temperatuur volgen2 andere echter onderwerpen zich als gehoorzame dochters aan den schijnbaren loop der zon4 ,hieruit heeft ,linnaeus zijn bekend uurwerk van ,flora vervaardigd4 ,de plant heeft het vermogen1 het voedsel te kiezen1 dat haar past4 ,tot voorbeeld diene het volgende3 ,op de puinhoopen van ,new-,abbey in het ,graafschap ,galloway groeide op eenen ouden muur een ahornboom4 ,daar leed de arme ahorn1 eenige voeten boven den vruchtbaren bodem1 honger1 eene ware tantalusbeproeving1 nu de vruchtbare aarde zoo dicht in zijne nabijheid lag4 ,wie kan ons de stuiptrekkingen schetsen van het arme wezen1 strijdende tegen den dood1 de kwellingen1 die het niet kon uiten1 zijn versmachten en lijden8 ,wie kan zeggen1 wat er in het organisme van den armen lijder omging2 welke vermogens werden geprikkeld en geoefend1 welke gaven zich gingen openbaren84444 ,zeker is het1 dat de ahorn1 de onbewegelijke1 de geketende1 nu hij de aarde niet tot zich kon trekken1 zich naar die aarde voortbewoog4 ,liep hij8 ,neen1 hij rekte zich uit en strekte wanhopig zijne armen uit4 ,een voor dat doel gevormde wortel werd op verkenning uitgezonden1 naar den grond gericht1 en4444 bereikte dien4 ,met hoeveel vreugde drong hij daarin door6 ,de boom was gered4 ,door dien nieuwen wortel gevoed1 verplaatste hij zich1 liet hij de wortels1 die doelloos waren1 afsterven1 en verliet hij de steenen van den ouden muur1 om voort te leven op het reddende orgaan1 dat weldra in eenen stam veranderde4 ,is de overeenstemming van dien drang met den menschelijken wil niet treffend8 ,licht6 licht6 riep ,goethe uit1 toen hij den laatsten adem uitblies4 ,die kreet1 die uiting van eene heerlijke symboliek1 die dorst naar licht1 het is de voortdurende smeekbede van de plant1 van den groengebladerden tak1 van de welriekende bloem4 ,men heeft waargenomen1 hoe eene heldhaftige jasmijn telkens eene plank1 van gaten voorzien1 doortrok1 om het licht te zoeken1 zoo dikwijls men haar1 door de plank om te keeren1 van het licht afwendde4 ,en dan het kruidje-roer-mij-niet1 dat bij de minste aanraking in doodslaap geraakt6 ,in de tropen vindt men soms velden vol van die planten1 welke reeds bij de stappen van een paard in de verte samentrekken1 als werden zij verschrikt4 ,verdoovende middelen verminderen hare gevoeligheid4 ,met opium besproeid slapen zij in4 ,eene electrische ontlading kan ze dooden4 ,een waarnemer deelt mede1 hoe zij in een rijtuig geplaatst1 zich onder den invloed der schokken eerst verschrikt samentrokken1 en na er aan gewoon geraakt te zijn1 weer rustig werden4 ,zoo dikwijls het rijtuig stil hield1 schenen zij zich weer opnieuw te verbazen en te schrikken1 en trokken zij weer samen4 ,wij zouden te ver afdwalen1 indien wij de aandacht onzer lezers vestigden op de vleeschetende planten4 ,genoeg zij het1 er op gewezen te hebben1 hoe ook de plantenwereld hare stem doet hooren in het harmonische koor der natuur4 #f ,door bezinking ontstane lagen 7,neptunische formatie74 #g ,ik heb gezien1 dat datgene wat eertijds vastland geweest was1 nu zee is2 ik heb gezien1 dat land uit de zee is ontstaan4 ,en ver van de zee liggen zeeschelpen1 en een oud anker is gevonden op den top van eenen berg4 7,ovid4 ,metam4 ,,xv1 #bfb-bfe74 #h ,wij herhalen nog eens1 dat deze getallen geene absolute waarde hebben en alleen dienen als verhoudingsgetallen4 #i ,edgard ,quinet3 ,la ,cration4 #aj ,op bepaalde plaatsen is de verdamping veel sterker dan het algemeen gemiddelde bedraagt4 ,zoo regent het bijna nooit boven de ,roode zee en in hare nabijheid1 en de verdamping heeft daar z snel plaats1 dat daar eene laag van #g meters dikte jaarlijks als damp wordt weggevoerd4 ,de ,roode zee zoude dus reeds lang uitgedroogd en vervangen zijn door eene zoutvallei1 indien zij niet gevoed werd door de ,indische zee en de ,middellandsche zee4 ,de waterspiegel der ,roode zee is dezelfde als die van den gemiddelden waterspiegel van den ,oceaan1 omdat zij daarmede in gemeenschap staat4 ,ditzelfde geldt voor de ,middellandsche zee1 niettegenstaande hare verdamping #a_/c meer bedraagt dan hetgeen haar wordt toegevoegd4 ,daar de ,caspische zee afgesloten is1 heeft zij eenen anderen waterspiegel verkregen en is zij #ajj meters gedaald2 de doode zee is #djj meters gedaald2 de waterspiegel dier zeen wordt bepaald door de verhouding tusschen de hoeveelheid verdampend water en de hoeveelheid regen4 #aa ,de arbeid der rivieren bij de aanslibbing vermindert van jaar tot jaar door het gebruik1 dat de landbouwers van het water maken4 ,de ,po wordt gebruikt voor de besproeiing van honderdduizenden bunders3 dagelijks worden daaraan #ee millioen cubieke meters water onttrokken voor den landbouw in ,lombardije en ,veneti4 ,zoo geeft de ,ganges #f_/g van zijn water af ten behoeve van #c millioen menschen2 in de delta van den ,nijl dienen steeds #ej #jjj putten ter besproeiing ten koste der rivier en der kanalen4 ,een groot gedeelte van het water is reeds gedronken en afgeleid vrdat het de zee bereikt4 #ab ,welke verwoestingen eene zoodanige golf1 veroorzaakt door het storten van groote massa's steen in het water1 kan veroorzaken1 heeft men in #ahhc te ,krakatau ondervonden4 ,men leze over die ontzettende ramp het voortreffelijke werk van den ,heer ,r4,d4,m4 ,verbeek3 ,krakatau4 #ac ,de devonische formatie ligt bloot in ,engeland 7,devonshire1 ,shropshire1 ,herefordshire enz471 in ,frankrijk 7,ardennen1 ,orne1 ,cotentin1 ,sarthe1 ,mayenne1 ,ile-et-,vilaine1 ,vogezen1 ,languedoc1 ,pyrenen71 in ,duitschland 7,rijnoevers1 ,nassau1 ,westphalen7 in ,spanje 7,asturi7 enz4 #ad ,eerst onlangs heeft men in de middelste silurische formatie in ,calvados den vleugel van een insect gevonden4 ,het was eene soort van kakkerlak4 #ae ,de ,wonderen des ,hemels1 naar ,camille ,flammarion4 ,zutphen1 ,w4,j4 ,thieme en ,cie4 #af ,de oppervlakte der steenkolenmijnen1 die in exploitatie zijn1 bedraagt ongeveer #ejj #jjj vierkante kilometers4 ,de hoeveelheid steenkool1 die gemiddeld jaarlijks uit alle mijnen der aarde opgedolven wordt1 bedraagt #bjj milliard kilogram4 ,engeland levert daarvan de helft1 ,frankrijk het tiende deel4 ,engeland bezit #cej #jjj mijnwerkers1 ,frankrijk #ajj #jjj1 ,duitschland eveneens1 ,belgi #ej #jjj4 ,het onderaardsche leger1 dat over de geheele aarde strijdt voor de werken des vredes1 voor de industrie en de ontwikkeling der menschheid1 telt ongeveer n millioen man4 #ag ,enkele amphibin zijn levend barend1 en brengen jongen voort zonder kieuwen2 vr de geboorte echter hebben zij nog kieuwen4 #ah ,onder de merkwaardigste zoutmijnen der wereld behooren die van ,wieliezka1 bij ,krakau1 in ,polen1 aan den voet der ,karpathen4 ,zij zijn #cjjj meters lang en #abjj meters breed en liggen #djj meters onder de oppervlakte van den grond4 ,men heeft daarin eene verzameling van groote onderaardsche gewelven1 eene ontzaglijk groote stad met straten1 pleinen en hutten voor de mijnwerkers en hun gezin2 honderden zijn daarin geboren en eindigen daarin ook hun leven4 ,er zijn kleine kapellen voor de godsdienstoefeningen1 en enkele gaanderijen zijn hooger en breeder dan kerken4 ,men heeft daarin een groot aantal lichten ontstoken1 wier vlam overal op de zoutmuren weerkaatsend1 deze nu eens schitterend wit doet schijnen1 dan weder in schitterende kleurenpracht4 ,men vindt er een meer1 dat men in eene roeiboot bezoekt4 ,de hoeveelheid zout1 die men uit die mijnen geput heeft sedert hare ontdekking in het midden der dertiende eeuw1 bedraagt meer dan #fjj millioen centenaars4 ,de zoutmijnen van ,zwitserland leveren jaarlijks niet minder dan #eijjjj centenaars4 #ai ,men herinnert zich1 hoe ,aeneas zijnen vader ,anchises op den rug wegdroeg4 #bj ,merkwaardig is het1 hoever wij het in de kennis van die oude soorten gebracht hebben4 ,wij weten b4 v4 welke dieren de ichthyosauren verslonden2 men weet1 hoe hun darmkanaal gevormd was4 ,die kennis zijn wij te danken aan de ontdekking van de koprolithen 7dreksteenen71 die tegelijk met de skeletten dier dieren versteend zijn4 ,het onderzoek dier dreksteenen van den ichthyosaurus heeft ons duidelijk schubben van visschen1 tanden1 enz4 doen kennen4 #ba ,was de ontdekking dezer wezens moeilijk1 hunne uitgraving was het nog meer1 en slechts onder de grootste voorzorgen kon men die tot een goed einde brengen4 ,de beenderen toch hadden weinig vastheid en vielen tot stof1 zoodra men ze vrijmaakte4 ,om aan dit groote bezwaar te gemoet te komen1 nam men zijne toevlucht tot eene handelwijze1 die herinnert aan die1 welke de tuinlieden toepassen1 om graszoden over te planten4 ,evenmin als zij de grashalmen n voor n uittrekken1 om ze z over te brengen1 maar de aarde1 die de graszoden draagt1 bij platen losmaken1 zoo deed men ook met de beenderen der iguanodons4 ,men hakte de klei1 die de beenderen bevatte1 in blokken1 en men besloot deze in dien toestand naar de oppervlakte te brengen4 ,doch die blokken1 waarvan enkele #a1ej meters lang en breed1 en #fj centimeters hoog waren1 liepen door hunne groote afmetingen gevaar van in stukken te vallen4 ,dit moest tot elken prijs vermeden worden4 ,daarom omgaf men ze met een hard omhulsel1 door ze in gips te dompelen4 ,zoo werd het blok aan vier zijden bepleisterd1 waarna men het naar de oppervlakte bracht4 ,daarna omgaf men het door ijzeren hoepels en bekleedde ook de beide vrije uiteinden met gips4 ,vervolgens kreeg het blok een volgnummer1 en alle blokken1 die tot eenzelfde dier behoorden1 werden met eene zelfde letter gemerkt3 zoo vermeed men het gevaar1 dat de kop van het ne dier op den romp van het andere geplaatst werd4 ,bovendien werd nog eene teekening gemaakt van de ligging der verschillende blokken van ieder exemplaar1 ten einde ze later nauwkeurig in den stand te plaatsen1 dien zij innamen1 toen zij nog deel uitmaakten van de kleilaag4 ,het totale gewicht der blokken bedroeg met hun omhulsel #aaj #jjj kilogram2 zij werden per spoor naar ,brussel vervoerd1 waar zij ongedeerd in het ,museum van natuurlijke historie aankwamen4 #bb ,die teekening herstelt de beide kruipende dieren in de omgeving van hunnen tijd4 ,de megalosaurus1 een vleeschetend dier1 heeft eene aanvallende houding2 de iguanodon1 een plantenetend dier1 gaat verdedigender wijze te werk1 op het punt van gebruik te maken van de vreeselijke spoor aan zijn' duim4 ,men vindt op den achtergrond verschillende soorten van varens1 cycaden en naaldboomen4 ,er waren toen reeds pijnboomen4 #bc ,de eerste mosasauri zijn reeds in #agff bij ,maastricht gevonden door eenen officier ,drouin1 die de beenderen opkocht1 welke door de werklieden in de steengroeven ontdekt waren4 ,hoffman1 een officier van gezondheid1 zette de onderzoekingen van ,drouin voort en verzamelde eene groote menigte bouwstoffen1 die bij den dood van den bezitter in #aghb in handen van ,petrus ,camper overgingen4 ,toen in #agic het ,fransche leger ,maastricht binnengetrokken was1 zond de generaal ,kleber naar den ,jardin des ,plantes te ,parijs den fossielen kop van den mosasaurus1 die toen in handen was van het kerkbestuur4 ,faujas de ,saint-,fons bestudeerde dien en meende in het ,maastrichtsche dier1 zooals het toen genoemd werd1 eenen grooten krokodil te herkennen4 ,de kop is twee meters lang4 ,cuvier beschreef den schedel en de wervelkolom1 en beoordeelde het zologische karakter van het dier juister1 hoewel hij den juisten aard der ledematen nog niet voldoende kon vaststellen4 ,toch herkende hij reeds1 dat het eene soort van vinnen waren1 die hij vergeleek met die der dolfijnen en der plesiosauren4 ,in #ahda vond ,r4 ,owen naast den bekenden mosasaurus eene nieuwe familie1 den leiodon1 die aan zijne tanden herkend kon worden4 ,door die ontdekking nam wel het aantal vormen toe1 doch de kennis van de beenderen der soort ging er niet door vooruit4 ,iets later 7#ahde7 vond ,goldfuss weder eene nieuwe soort1 den ,amerikaanschen mosasaurus1 waarvan het geraamte thans te ,rome bewaard wordt4 ,daardoor was onze kennis der mosasauri werkelijk vooruitgegaan4 ,nadat een tijdlang geene nieuwe ontdekkingen plaats hadden1 werd de kennis dier wezens onverwacht vermeerderd door de onverwachte opgravingen aan de overzijde van den ,atlantischen ,oceaan4 ,professor ,cope beschreef in zijn groot werk over de gewervelde dieren uit de krijtperiode drie nieuwe soorten 7,platecarpus1 ,clidastes en ,sironectes71 die te zamen #ba families vertegenwoordigden4 ,professor ,marsh eindelijk1 die #adjj exemplaren van mosasauri bezit1 ontstak in #ahgb licht over den bouw der schouderbladeren1 het bekken en de ledematen4 ,acht jaren later 7#ahhj7 beschreef hij het borstbeen4 ,ook ontdekte hij den aard der huidbekleedsels4 ,aan de vijf nieuwe families door hem bepaald1 voegde ,dollo nog twee toe4 #bd ,in de groene zandsteen van ,cambridge1 behoorende tot het bovenste gedeelte der oudste krijtformatie1 heeft men den vorm der schedelholte van eenen pterodactylus gevonden4 ,de hersenen geleken op die van eenen uil2 ook het achterhoofd en de gezichtszenuw gelijken meer op die van eenen vogel dan op die van een kruipend dier4 #be ,naar ,neuchtel 7,neocomium74 #bf ,naar ,orgon 7,frankrijk74 #bg ,de bodem van den ,artesischen put te ,grenelle bestaat uit ,gault4 #bh ,naar ,apt 7,frankrijk74 #bi ,naar het departement ,aube4 #cj ,naar de stad le ,mans4 #ca ,naar ,touraine 7,tufkrijt1 ook bij ,maastricht voorkomend74 #cb ,naar ,sens 7,wit krijt74 #cc ,champagnekrijt4 #cd ,in ,haute-,garonne voorkomend4 #ce ,soorten van zeegels4 #cf ,naar het zand van ,soissons4 #cg ,parijsch grofkalk4 #ch ,klei en zand van ,tongeren in ,limburg4 #ci ,kalksteen van ,aquitani4 #dj ,naar de ,italiaansche heuvels 7langhue74 #da ,zwitsersche molasse4 7,eibergen en ,winterswijk74 #db ,klei uit ,tortone4 7,itali74 #dc ,overeenkomende met de formatie der ,caspische zee4 #dd ,subapennijnsche zeevorming3 ,plaisance1 enz4 #de ,uitdroging van het ,rhnebekken4 #df ,strook van den elephas meridionalis van de ,arnovallei4 #dg ,later1 7fig4 #bhd7 geven wij het geraamte van het paleotherium1 en op de volgende bladzijde 7fig4 #bhj7 het geheele dier4 ,het is niet1 zooals men vroeger meende1 log en lomp1 maar het heeft eene sierlijke gestalte1 en de hals was misschien even lang als die van het paard en van denzelfden vorm als bij de lama4 #dh deinos1 verschrikkelijk2 keras1 horen4 #di huaina1 hyena2 arktos1 beer4 #ej machaira1 mes2 odous1 tand4 #ea mesos1 midden2 pithikos1 aap4 #eb ,lijnen van dezelfde gemiddelde temperatuur4 #ec ,in ,nederland vindt men vier soorten van diluvium1 en wel #a4 ,het ,rijndiluvium1 afkomstig van de gebergten langs den ,rijn2 dit bestaat grootendeels uit zand en grint 7heuvels van ,arnhem1 ,nijmegen en ,kleef74 #b4 ,het ,maasdiluvium1 uit de ,ardennen aangevoerd4 #c4 ,het ,scandinavisch diluvium1 granietblokken1 door ijsbergen uit ,zweden en ,noorwegen aangevoerd 7,hunnebedden74 #d4 ,het gemengde diluvium 7in de ,veluwe en ,gooiland74 ,men zie hierover in bijzonderheden ,w4,c4,h4 ,staring1 de ,bodem van ,nederland4 #ed ,zie de ,wonderen des ,hemels1 naar ,camille ,flammarion1 blz4 #fe4 #ee ,het lss is eene fijn verdeelde1 tot stof te wrijven klei1 in ons land vooral voorkomend in ,limburg4 #ef ,in ,november #ahhe heeft men eenen bijna volledigen slagtand van eenen elephas antiquus gevonden in de omstreken van ,parijs1 op #de meters diepte in eene gipsgroeve4 ,die slechts weinig gekromde slagtand was #a1ej meter lang4 ,dat dier had daar misschien wel honderdduizend jaren in het gips gelegen4 ,hoewel zelf tot gips overgegaan1 kon men er nog op het eerste gezicht de concentrische lagen van het ivoor in herkennen4 #eg ,wij zagen vroeger1 dat de embryologie leert1 dat de mensch en de zoogdieren in den moederschoot alle phasen doorloopen1 die bij de ontwikkeling der soorten doorloopen zijn1 en dat ieder onzer eenige dagen kruipend dier1 viervoetig dier enz4 geweest is4 ,wij zagen tevens1 dat de afgestorven organen nog in ons lichaam voorkomen1 als getuigen uit het verledene4 ,langen tijd heeft men er over getwist1 of de menschelijke vrucht eenigen tijd eenen staart bezit1 met wervels als die der apen en viervoetige dieren4 ,die vraag is onlangs voor goed opgelost4 ,in de zitting der ,acadmie des ,sciences van #h ,juni #ahhe heeft de ,heer ,fol bewezen1 dat de menschelijke vrucht van #e #a_/b millimeter1 d4i4 van #be dagen1 #cb wervels bezit2 die van #i tot #aj millimeters1 d4i4 van #ce tot #dj dagen1 #ch wervels4 ,het menschelijke geraamte heeft er slechts #bd4 ,die staartaanhangsels blijven slechts kort4 ,bij vruchten van #ab millimeters1 d4i4 van zes weken1 vergroeien de #chste1 #cgste en #cfste te zamen1 terwijl de #ceste niet meer scherp gescheiden is4 ,eene vrucht van #ai millimeters heeft nog slechts #cd wervels4 ,hieruit volgt1 dat de normale vrucht in de #e;de en #f;de week harer ontwikkeling eenen staart heeft van kegelvormige gedaante1 uit wervels bestaande en van het lichaam gescheiden4 #eh ,wij herhalen nogmaals3 van eenen aap1 die de gemeenschappelijke stamvader van den mensch en de tegenwoordige apen geweest is4