,libraries4 ,,de ,,harmonie ,,van ,,het ,,dierlijke ,,leven ,,de ,,openbaring ,,van ,,wetten4 99 99 99 99 99 ,,inwijdingsrede1 ,,bij ,,het ,,aanvaarden ,,van ,,het ,,hoogleeraarsambt ,,aan ,,de ,,utrechtsche ,,hoogeschool ,,door ,,dr4 ,f4,c4 ,,donders4 ,,uitgesproken #bh ,,januarij #ahdh4 ,,voorbericht4 ,wij lezen bij den voortreffelijken ,henle1 dat1 in de physiologie en vooral in de pathologie van het dierlijke leven1 de teleologische beschouwingswijze 7vragende naar het doel der verschijnselen7 zich nog bijna overal krachtig doet gelden--en wie geen vreemdeling is in deze wetenschappen1 staat gereed1 die uitspraak te beamen4 ,immers niet enkel worden de verschijnselen hier met het praedicaat van doelmatig bestempeld3 teleologische betoogen ook vindt men als bewijsgronden in het midden gebragt en erkend1 ja6 in plaats van de op te sporen oorzaak1 wordt het onderstelde doel tot verklaring der verschijnselen ingeroepen4 ,of ziet men niet1 zelfs door sommige ,coryphaen in de wetenschap1 eene teleologische levenskracht1 eene heelkracht der natuur1 aan duizenden1 van de meest verschillende oorsaken afhankelijke1 verschijnselen ten gronde gelegd8 ,reeds vroeger 7,gids #ahdf1 bl4 #hic e4v47 heb ik de teleologische beschouwingswijze--als ontbloot van absoluten grond1 en hierom willekeurig en onwetenschappelijk--met een enkel woord bestreden4 ,het onderwerp evenwel scheen mij gewigtig genoeg voor eene meer uitvoerige behandeling1 en1 om deszelfs algemeene strekking1 tevens bijzonder geschikt voor eene openlijke rede4 ,ik stelde mij hierom voor1 hetzelve1 bij gelegenheid der aanvaarding van het hoogleeraarsambt1 nader te behandelen1--en vooreerst te betoogen1 dat1 wanneer wij het doel in de verschijnselen der natuur ook geenszins loochenen1 eene leer van het doel nimmer wetenschap worden kan1 en derhalve op het natuurkundig gebied niet mag worden geduld2--ten anderen te doen zien1 dat--waar1 bij de prachtvolle en ingewikkelde harmonie van het dierlijke leven1 de1 als ware het1 aangeboren neiging van den mensch tot anthropomorphismus het doel als de oorzaak ons wil opdringen--het opsporen der wetten van wording1 naar de oorzakelijke methode1 niettemin mogelijk blijft2--en eindelijk had ik willen aantoonen1 hoe1 schier in elke wetenschap der natuur1 dwalingen en bekrompene beschouwingen uit de teleologische zienswijze zijn ontsproten1 die ook thans nog1 inzonderheid op het gebied der physiologie--bij name die van het ziekelijke leven1 de verdere ontwikkeling belemmeren1 en met het stellig karakter van wetenschap geenszins strooken4 ,voor dit laatste gedeelte echter1 waaruit het duidelijkst de noodzakelijkheid zou zijn voortgevloeid1 om de teleologie van het natuurkundig terrein te weren1 ontbrak mij ditmaal de tijd4 ,elders hoop ik dien later te vinden4 ,mogen ook zij1 wier meeningen en begrippen van de hier voorgedragene afwijken1 deze bladeren zonder vooroordeel ter hand nemen1 en verder ook niemand al te ligtvaardig het vonnis er over uitspreken6 ,,de ,,schrijver4 99 99 99 99 99 ,edelgrootachtbare heeren curatoren der ,utrechtsche ,hoogeschool6 ,weledelgestrenge heer secretaris van het collegie der curatoren6 ,hooggeleerde heeren1 waarde ambtgenooten6 en weledele zeer geleerde heeren lectoren6 ,die met het bestuur van dit gewest of deze stad of met de handhaving des regts zijt belast1 mannen reeds door stand en werkkring eerwaardig6 ,weleerwaarde heeren1 bedienaars van de ,godsdienst6 ,weledele zeer geleerde heeren doctoren der verschillende faculteiten6 ,aanzienlijke schaar van jongelingen1 die u aan de beoefening der wetenschappen toewijdt6 ,en voorts gij allen1 die ons met uwe tegenwoordigheid vereert1 zeer gewenschte toehoorders6 ,werwaarts wij in de natuur onze oogen rigten1 alom erkennen wij verband1 schier overal orde en harmonie4 ,elk punt op het uitgestrekte veld is een deel van het groote organismus1 een schakel der onafzienbare keten1 die noch begin noch einde kent1 en in wezen ondeelbaar is4 ,z innig is de band1 die al 't bestaande zamenvlecht6 ,bewegen wij ons in de onmetelijke ruimte1 waarin de verbeelding schier weigert onze woorden te volgen1 daar treedt ons1 tusschen duizenden van hemelbollen1 het zonnestelsel als een geheel van orde en majesteit te gemoet1 dat ons dwingt tot eerbiedige bewondering4 ,niet alleen zien wij de planeten door de zon1 als door een hoogere magt1 aan hare banen geketend2 maar tevens weten wij1 dat ook elke stoornis1 van den wederkeerigen invloed der planeten afhankelijk1 vereffend wordt1 vr zij de bestaande orde zou kunnen bedreigen4 ,de aarde1 met hare duizenden van voortbrengselen1 is volmaakt gevenredigd aan de schitterende vorstin van het stelsel4 ,haar afstand van de zon beantwoordt aan de vereischte warmte voor eene krachtige ontwikkeling van planten en dieren1 aan het vereischte licht1 om de ,natuur in haren vollen luister ten toon te spreiden1 zonder door te hellen gloed onze oogen te verblinden4 ,de dampkring1 die onze planeet omhult1 vindt tot bodem hier den vasten grond1 welks bergtoppen zich als ondiepten verheffen in die zee van lucht1 daar den wijden oceaan1 die de diepten der aardkorst vereffent2 en elk dier elementen brengt al de voorwaarden mede voor de ontwikkeling en het leven van het heir van voorwerpen1 die ze bewonen4 ,voortdurend stijgt het water van de oppervlakte der zee in den dampkring op1 en valt ginds1 als vruchtbare regen1 op den dorstenden grond4 ,dit water behoeven de planten4 ,maar zij putten ook uit denzelfden bodem de onbewerktuigde stoffen1 niet regtstreeks door den regen aangevoerd2--en van de hooge bergen stort zich het water1 rijk beladen met de bestanddeelen der verweerde rotsen1 naar beneden1 en drenkt hiermede het land1 waardoor het kronkelend naar den oceaan terugvloeit4 ,zoo is er zamenhang tusschen alle verschijnselen der natuur2 zoo wordt ten slotte alles dienstbaar aan de ontwikkeling van leven4 ,nergens evenwel is het verband treffender dan tusschen de beide rijken der levende natuur4 ,vereenigd door de dampkringslucht1 waaruit beide putten en die in beide haar voedsel vindt1 voorzien zij wederkeerig in elkanders behoeften4 ,de dieren ontwikkelen het koolstofzuur1 dat de planten als voedsel aan den dampkring ontleenen2 de planten staan in de zuurstof de levenslucht af voor het dier1--en z is voor beide de dampkring een eeuwige1 onuitputtelijke bron4 ,nimmer is hij in rust4 ,van de oppervlakte der aarde1 waar de lucht aan gestadige wisseling van bestanddeelen onderworpen is1 stijgt zij naar boven1 om op hetzelfde oogenblik te worden aangevuld2 en door onophoudelijke stroomen wordt hare zamenstelling alom gelijkmatig bewaard1 beantwoordt alom aan de voorwaarden tot leven en ontwikkeling van planten en dieren4 ,het is de taak van den natuuronderzoeker1 de betrekking tusschen al de verschijnselen der natuur op te sporen4 ,die taak is even schoon als verheffend4 ,in de harmonie1 die hem des te levendiger in de oogen schittert1 hoe ruimer en meer omvattend zijn blik wordt1 verschijnt hem de natuur als een volmaakt gevenredigd1 organisch geheel4 ,het genot1 uit hare aanschouwing geboren1 is een krachtige prikkel voor zijnen navorschenden geest4 ,steeds door harmonische indrukken opgewekt1 en in zijne werking geleid en bepaald1 wordt die geest zelf meer en meer aan harmonie deelachtig4 ,z ontwikkelt natuurbeschouwing bij hem een waar gevoel voor het schoone en goede4 ,z kan zij de grondslag worden eener verheven wijsgeerige moraal4 ,en toch--de kennis dier harmonie is niet het rustpunt van zijn streven4 ,hij wil indringen in hare oorzaken1 opklimmen tot haren grond4 ,hij voelt zich gedrongen1 te vragen naar de wetten1 die aan de ontwikkeling der harmonie ten gronde liggen1 en wil ze in die wetten erkennen als noodzakelijk4 ,de eeuwig onveranderlijke eigenschappen der grondstoffen en der grondkrachten op te sporen1 en aan te wijzen1 hoe elk natuurverschijnsel uit deze eigenschappen noodwendig voortvloeit1 zietdaar het ideaal van zijn streven1 het toppunt zijner kennis6 ,wij weten1 dat dit ideaal geenszins bereikt is2 maar wij weten evenzeer1 dat er belangrijke schreden op den weg tot verwezenlijking gedaan zijn4 ,de sterrekundige toont aan1 dat de wetten van traagheid en aantrekking1 die slechts de uitdrukking zijn van de onveranderlijke eigenschappen der stof1 de hemelbollen aan hunne banen kluisteren2 en uit de betrekking tusschen de loopbanen en de omloopstijden der onderscheidene planeten leert de wiskunde hem onfeilbaar besluiten1 dat elke stoornis zich noodwendig moet vereffenen1 dat de orde van het zonnestelsel tot in de verste tijden onomstootelijk verzekerd is4 ,de natuurkundige kent de oorzaken van het opstijgen der waterdampen1 van het condenseren dier dampen in den atmosfeer3 en in het neerstorten van den regen1 zoo wel als in de kracht1 waarmede het zeewaarts stroomende water zijne voren in de aarde groeft1 ziet hij het noodwendig uitvloeisel van dezelfde eigenschap der stof1 die de banen der hemelbollen bepaalt4 ,het verweren der rotsen1 het doordringen van hare bestanddeelen tot aan de wortels der planten1 dit alles is in vaste natuurwetten als noodwendig aangetoond4 ,de meteoroloog geeft rekenschap van het opstijgen der lucht1 en kent de oorzaken der stroomen1 die de zamenstelling des dampkrings alom gelijkmatig bewaren1--ja6 't geheele zoo wisselvallig spel der elementen is door hem teruggebragt tot ne hoogste oorzaak3 ongelijke verdeeling van warmte4 ,eindelijk de geoloog1 die de gesteldheid der aardkorst onderzoekt1 komt op onwankelbare gronden tot het besluit1 dat de aarde1 vr onafzienbare tijden1 als eene gloeijende zee door het wereldruim zweefde2 en1 steunende op wetten1 die weder niets anders zijn1 dan de eeuwige eigenschappen der stoffen en krachten1 erkent hij1 dat zij noodwendig al de gedaanteverwisselingen moest doorloopen1 waarvan de huidige toestand harer korst1 als een onfeilbaar geschiedboek1 getuigt4--,kortom6 de wetenschap leert1 dat de geheele stoffelijke wereld door den ijzeren schepter der noodwendigheid beheerscht wordt6 ,niet overal echter is deze waarheid even diep en krachtig doorgedrongen4 ,niet overal is de behoefte even levendig ontwaakt1 om tot den grond op te klimmen der erkende harmonie4 ,in de bewerktuigde wereld treedt zij1 bij eene onuitputtelijke verscheidenheid1 zoo rijk1 zoo ingewikkeld1 zoo schoon en boeijend op1 dat men wel niet zoo gemakkelijk van haar kon afscheid nemen4 ,de geest1 verrukt door schoonheid en genot1 duizelde bij het denkbeeld1 om tot de oorzaken op te klimmen1 waardoor zooveel harmonie tot stand kwam4 ,zoo gaf hier de volheid harer pracht voedsel aan eene beschouwingswijze1 die overal elders reeds lang voor eene juistere had moeten onderdoen4 ,buiten de levende natuur toch erkent men1 zoo als ik u aantoonde1 niets dan wetten1 niets dan noodzakelijkheid4 ,zoo legt de geoloog1 om1 bij de geschiedenis der ,aarde van de verschijnselen tot de werkende oorzaken op te klimmen1 de overtuiging ten gronde1 dat van al de opvolgende veranderingen der aarde de voorwaarden reeds aan de vroegste perioden van haar bestaan verbonden waren2--en hoe meer zijn onderzoek zich uitbreidt1 des te minder wordt die overtuiging beschaamd4 ,wil hij de verschillende lagen der vaste aardkorst1 de verdeeling van water en vast land over hare oppervlakte1 de afwisseling van bergen en dalen1 de rivieren en bronnen1 en zoo vele andere verschijnselen1 7voor zoo verre de levende natuur vreemd aan derzelver ontstaan is17 in hunne wording toelichten1 hij beroept zich slechts op wetten1 hem door de sterrekunde1 de natuur- en scheikunde aan de hand gedaan1 en ziet hieruit al die verschijnselen met noodzakelijkheid geboren worden4 ,planten en dieren daarentegen beschouwt men veelal niet als geworden1 maar als gevormd2 niet als eene ontwikkeling der natuur naar bepaalde wetten1 maar als de voortbrengselen eener nieuwe schepping2 niet als de verwerkelijking van hetgeen in de eigenschappen der grondstoffen en grondkrachten reeds besloten lag1 maar als naar een wel beraamd plan1 in harmonie met de overige natuur1 eerst later door eene hoogste ,wijsheid tot stand gebragt4 ,dit anthropomorphismus leidde tot eene vergelijking van planten en dieren met de kunstigste voortbrengselen van 's menschen hand3 de deelen heeft men hierom werktuigen1 de verschijnselen verrigtingen en het geheel een organismus genoemd4 ,men vroeg niet3 waardoor kwamen zij tot stand8 maar bepaalde zich bij elk werktuig tot de vraag3 waartoe dient het8 waartoe is het bestemd8 ,en even als in een werktuig1 door menschelijk vernuft tot stand gebragt1 waande men den grond1 de oorzaak van het bestaan1 te kennen1 waar men dacht1 de bestemming of het doel te hebben geraden4 ,zoo antwoordde men op de vraag3 waartoe8 en zag hierbij over het hoofd1 dat het waardoor8 onbeantwoord bleef4 ,gij ziet het3 men plaatste zich op een teleologisch standpunt4 ,ik laat aan de wijsbegeerte de beslissing over1 of men het regt heeft1 in de natuur van een doel te spreken3 maar ik wilde u hier reeds doen opmerken1 dat men in de wetenschap van het leven afgeweken is van den weg1 die in de overige natuur-wetenschappen zoo veel dieper in den oorzakelijken zamenhang der verschijnselen liet doordringen4 ,en toch schijnt die weg mij ook hier de nige1 die tot hoogere waarheid leidt4 ,indien de harmonie van het dierlijk organismus1 die aan het besluit tot een doel ten gronde ligt1 volgens bepaalde wetten tot stand komt1 dan is zij de openbaring dier wetten4 ,dan wil men die wetten vaststellen en op deze de noodzakelijkheid der harmonie gronden1 in plaats van zich met een nooit bewijsbaar doel als grond te vergenoegen4 ,eene poging hiertoe is het doel mijner rede4 ,ik zal trachten de noodwendigheid der harmonie van het dierlijk leven uit de wetten aan te toonen1 krachtens welke die harmonie tot stand komt4 99 99 99 99 99 ,wanneer ik de harmonie in de geheele bewerktuigde wereld even noodwendig acht1 als de orde in den sterrenhemel1 dan spreek ik hiermede geenszins het vonnis uit over den natuurvorscher1 die1 zonder naar den grond te vragen1 zich bloot de kennis dier harmonische betrekking ten doel stelt4 ,integendeel1--ik heb het reeds gezegd1--ik acht die kennis hoog4 ,zij ook alleen kan ons opvoeren tot de oorzaken1 die der harmonie ten gronde liggen4 ,maar wanneer men uit de harmonische betrekking besluit tot een doel1 en1 in den waan van hiermede den grond gevonden te hebben1 het doel tot verklaring der verschijnselen inroept1 of zelfs de mogelijkheid der verschijnselen aan het doel ten toets brengt1 dan meen ik die rigting ernstig te moeten wraken4 ,zij sluit het onderzoek uit naar den grond1 en wiegt het zoo noodige bewustzijn onzer onkunde met schijnkennis in slaap4 ,het teleologisch standpunt blijft daarenboven altijd een betrekkelijk4 ,men denke zich 't heelal door eene alwijze ,almagt met een bepaald doel tot stand gebragt3 wie is vermetel genoeg1 zich op het standpunt van ,god te plaatsen8 ,en welk standpunt zullen wij dn kiezen8--,het dier1 dat zijn' vijand ten prooi valt1 moge in diens oog aan zijne bestemming beantwoorden1 in zijn eigen oog valt het als slagtoffer van het noodlot4 ,maar gij wilt u plaatsen op het standpunt van mensch3--,welnu6 wanneer gij1 als mensch1 duizenden verschijnselen in de natuur doelmatig roemt1 wees dan consequent1 en noem ondoelmatig1 wat niet met uwe menschelijke inzigten strookt4 ,hebt gij u het regt aangematigd1 naar uwe inzigten over doelmatigheid te oordeelen1 dan hebt gij het regt verbeurd1 u op de ondoorgrondelijke wegen der ,voorzienigheid te beroepen1 waar gij het doel in uwe oogen miskend ziet4 ,en wie zal het wagen1 waar jeugdige en veel belovende kracht onder het geweld eener moorddadige ziekte bezwijkt1 waar door geweldige aardbevingen in eene enkele minuut duizenden van menschenlevens vernietigd worden1 waar in den mislukten oogst millioenen onzer natuurgenooten eene toekomst lezen van honger en ellende1--wie1 vraag ik1 zal het wagen1 bij dergelijke verschijnselen1 een doel te willen raden8--,gij vraagt hier naar den grond4 ,gij wilt de oorzaken dier verschijnselen kennen1 welke gij rampen noemt4 ,welnu6 verlaat dan ook het teleologische standpunt1 en tracht niet tot het doel1 maar tot den grond door te dringen1 waar gij in de verschijnselen orde erkent en harmonie3 want gene als deze zijn verschijnselen derzelfde natuur2 en die u welgevallig zijn1 zij berusten op geene andere wetten1 dan die gezondheid en leven u bedreigen4 99 99 99 99 99 ,wanneer ik eene poging waag1 om de wetten vast te stellen1 waarnaar de harmonie van het dierlijk organismus zich ontwikkelt en handhaaft1 dan verwacht gij geenszins in deze wetten verwezenlijkt te vinden1 wat ik u als het ideaal van ons streven voorstelde4 ,dit is nog slechts in eene enkele der natuur-wetenschappen bereikt3 in de sterrekunde1 die1--hoeveel haar descriptief gedeelte nog te wenschen overlate1--zoo wel van hare scherpte in waarneming als volmaaktheid in theorie de schitterendste bewijzen gaf4 ,maar toch ook deze wetenschap leerde de verschijnselen van haar gebied tot wetten terugbrengen1 vr zij den grond dier wetten in de eigenschappen der stof doorzag4 ,het wetboek was door ,kepler geschreven1 vr het genie van ,newton deszelfs geest verklaarde4 ,door ,kepler waren de banen en omloopstijden der planeten aan wetten gebonden1 vr ,newton de noodzakelijkheid dier wetten grondde in ne hoogste wet1 en hierme tevens den sleutel gaf van hetgeen de waarneming afwijkends van de wetten van ,kepler had aangetoond of verder zou aantoonen4 ,dit nu is de weg voor elke andere wetenschap der natuur4 ,door het opklimmen tot hoogere en hoogere wetten naderen wij den eindpaal1 waarnaar wij streven4 ,slechts trapsgewijze is hij te bereiken4 ,het is waar1 wanneer wij de wetten kunnen vaststellen1 naar welke de harmonie van het dierlijk leven zich ontwikkelt1 dan mag die harmonie nog geenszins verklaard heeten3 eene verklaring1 die iets anders zijn zou dan eene hoogste wet1 dat is eene standvastige eigenschap van stof of kracht1 kan noch mag ons geheel bevredigen4 ,maar wanneer men1 op grond hiervan1 met eenig regt zou kunnen beweren1 dat door het vaststellen van wetten eener lagere orde de zwarigheid slechts verplaatst en niet wordt opgeheven1 dan vergete men niet1 dat het eene verplaatsing is nader bij het doel1 en dat elke sport van den langen ladder even onvermijdelijk is4 99 99 99 99 99 ,vr wij de wetten toetsen1 die aan de harmonie van het dierlijk leven ten gronde liggen1 moeten wij een' blik werpen op die harmonie zelve4 ,reeds terstond springt ons in het oog1 dat zij eene tweeledige is4 ,zij openbaart zich eensdeels in de betrekking van het organismus tot de invloeden1 waaraan het is blootgesteld1 anderdeels in zijne betrekking tot de levensbehoeften1 naauw verbonden met die zijner zamenstellende deelen tot elkander4 ,in beide opzigten streeft zij onophoudelijk eene hoogere volmaking te gemoet4 ,beschouwen wij eerst de betrekking van het organismus tot sommige invloeden4 ,de geheele aarde1 hoe verschillend de temperatuur zij van hare oppervlakte1 is met dierlijke wezens bevolkt4 ,van de tropische gewesten af1 waar1 onder de brandende zon in het zenith1 de temperatuur der lucht zelfs de bloedwarmte kan overtreffen1 tot in de oorden van eeuwig sneeuw en ijs1 overal treedt dierlijk leven ons tegemoet4 ,maar onder elk klimaat1 onder elke temperatuur zijn het andere geslachten1 andere soorten2 en zoowel de rijke en prachtige ,fauna der keerkringsgewesten1 als de ijsbeer en het rendier van het ,noorden1 eischen voor gezondheid en leven juist die temperatuur1 waaraan zij zijn blootgesteld4 ,waar dan ook geene werktuigelijke hinderpalen aan eene onbeperkte verspreiding in den weg stonden1 was verschil in warmtegraad voldoende1 om een' onoverkomelijken grensmuur op te trekken4 ,duidelijk zien wij dit vooral in het lama1 dat op de verhevene weivlakten van ,chili en ,peru tot meer dan #djjj ellen boven de oppervlakte der zee leeft en zich tot ver in ,patagonie heeft verspreid1 maar noch in ,brazili noch in ,mexico wordt aangetroffen4 ,de voor zijne organisatie te hooge temperatuur der lagere streken1 die het had moeten doortrekken1 om deze landen te bereiken1 trad als beletsel op4 ,evenzoo staat de koude der toppen van de ,cordilleras als scheidsmuur daar tusschen vele soorten van dieren1 inzonderheid van insekten4--,waar daarentegen werktuigelijke hinderpalen de verspreiding langs de isothermen beperkten1 heeft de mensch1 door zijne tusschenkomst1 slechts die hinderpalen te overwinnen1 om een nieuw gebied van verspreiding te openen4 ,dit bewijzen ons de paarden en runderen1 die1 door de ,spanjaarden naar ,amerika overgebragt1 zich aldaar in het ontelbare vermenigvuldigd hebben4 ,maar1 wildet gij de noordelijke dieren naar het zuiden1 de zuidelijke naar het noorden overplanten1 gij zoudt uwe poging verijdeld zien4 ,het rendier1 volkomen gehard tegen de lange en strenge winters van ,lapland1 brengt te ,petersburg den zomer reeds kwijnende door1 en bezwijkt spoedig onder den invloed der warmte van een meer gematigd klimaat4 ,en in hetzelfde oord sterft de aap aan longtering1 en kan de slang alleen door koestering en verwarming het ellendig plantenleven rekken1 waartoe zij door de koude onzer gewesten gedoemd is4 ,de mensch althans1 meent gij1 maakt eene uitzondering4 ,hij1 als wereldburger1 bewoont met enkele hem gevolgde huisdieren schier de geheele oppervlakte der aarde1 en leeft bij de grootste verscheidenheid van temperatuur4--,ik zou u kunnen wijzen op het tal van middelen1 waardoor zijn vindingrijk vernuft aan felle koude en brandende hitte leerde afbreuk doen2 maar liever vraag ik u1 of niet evenzeer de ,neger als de ,laplander het best beantwoordt aan den invloed der temperatuur van het oord zijner bewoning4 ,het is u niet onbekend1 hoe vaak verhuizing naar een vreemd klimaat leven en gezondheid kost4 ,waar is het1--en die regel is algemeen1--dat1 onder de verschillende hemelstreken1 de organisatie van menschen en dieren harmonisch beantwoordt aan de heerschende temperatuur4 ,vanwaar die harmonie8 ,mogen wij ze1 op het natuurkundig standpunt1 voor verklaard houden1 met in haar een wijs doel te erkennen van den ,schepper1 die hier deze1 daar gene dieren in het aanzijn riep8--,gewis niet6 ,even harmonisch is het verband tusschen de gevoeligheid van het oog en de sterkte van het licht4 ,reeds merkte ik op1 hoe het zonlicht de luisterrijke pracht der natuur voor ons oog toegankelijk maakt1 zonder het door zijnen glans te verblinden4 ,maar ziet de nachtelijke dieren6 ,zij bezitten eene gevoeligheid van oog1 die hen wel is waar het daglicht moet doen schuwen1 maar die juist hen in staat stelt1 hunne prooi te zien en met zekerheid te bemagtigen1 waar voor ons enkel duisternis heerscht4 ,heerlijke doelmatigheid6 moge de teleoloog hierbij in bewondering uitroepen3 hij wane niet1 met dien uitroep tot de oorzaak van het verband te zijn opgeklommen4 ,de dampkring1 eene noodwendige voorwaarde van het dierlijk leven1 oefent eenen tweeledigen invloed op het organismus3 eenen werktuigelijken door zijne drukking1 eenen scheikundigen door zijne zamenstelling4 ,in beide opzigten is de organisatie van het dier hieraan harmonisch gevenredigd4 ,in de ijlere lucht1 die de hoogste bergtoppen omringt1 wordt vaak de moedige reiziger door de lastigste verschijnselen gekweld4 ,zijne aderen zwellen op2 het bloed dringt hem uit lippen1 mond en neus1 zelfs uit het bindvlies zijner oogen4 ,bij versnelden pols en ademhaling voegt zich duizeligheid1 onmagt of slaapzucht2 en hij wordt door eene loomheid overvallen1 die1 op haar hoogste punt gekomen1 volgens getuigenis van de ,saussure1 hem eene enkele schrede weigeren zou1 om het dringendst gevaar te ontvlieden4 ,zoo zinkt hij moedeloos1 afgemat1 neder2--en trots boven zijn hoofd verheffen zich de arend en de condor1 en zweven in statige vlugt door den nog dunneren dampkring4 ,niet minder beantwoordt het organismus aan de zamenstelling der lucht1 waaraan het is blootgesteld4 ,plaats een dier1 dat den frisschen dampkring met ons deelt1 in een mengsel1 hiervan merkelijk in zamenstelling onderscheiden1 gij zult het onfeilbaar zien bezwijken4 ,maar evenzeer zoudt gij het leven vernietigen van den worm1 die in de vochten van het darmkanaal voedsel vindt en lucht om te leven1 zoo gij hem overbragt in den vrijen dampkring2 de scheikundige invloed van dezen is vijandig aan zijne organisatie4 ,merkwaardig ook vooral is de harmonische betrekking tusschen het organismus van elk dier1 en het voedsel tot zijne instandhouding4 ,overal is het dier juist door datgene als omringd1 wat voor zijne voeding het geschiktste is4 ,terwijl de natuur duizenderlei schadelijke stoffen oplevert1 die1 in het organismus gevoerd1 gezondheid en leven bedreigen1 is er onder de talrijke bestanddeelen onzer natuurlijke voedsels geen enkel1 welks invloed zich verderfelijk toont4 ,wederkeerig zegt men1 dat sommige dieren zich ongestraft voeden met stoffen1 die voor anderen doodelijk zijn2 en het is eene erkende waarheid1 dat plantetende dieren1 die zoo ligtelijk giftplanten in hun voedsel zullen gemengd vinden1 hiervan zonder eenige nadeelige uitwerking hoeveelheden verdragen1 waartegen het leven van vleeschetende dieren niet bestand is4 ,maar deze1 zegt de teleoloog1 zijn door hunne levenswijze tegen het opnemen van plantaardige vergiften genoegzaam gewaarborgd2 en zij hadden dus geene behoefte aan diezelfde ongevoeligheid4 ,wacht ,u1 hierin eene verklaring te zien6 ,nog een derde punt in de verhouding van het dierlijk organismus tot de voedsels verdient allezins onze aandacht4 ,het is niemand onbekend1 dat van de dieren zich eenigen met plantaardige1 anderen met dierlijke zelfstandigheden voeden1 terwijl eindelijk een niet gering aantal zich van gemengd voedsel bedient4 ,met dit verschil nu van voedsel1 waartoe het dier door zijne levenswijze en geheele organisatie als gedwongen is1 verkeert het darmkanaal in de heerlijkste overeenstemming4 ,dierlijke stoffen behoeven1 na opgelost te zijn1 naauwelijks verandering te ondergaan1 om als geschikte bestanddeelen in het bloed te worden opgenomen2 de meeste plantaardige daarentegen eischen eene langere inwerking van het spijsverteringsvocht2--van dierlijke stoffen is eene betrekkelijk geringe hoeveelheid tot herstelling van het verlorene benoodigd2 van plantaardige zelfstandigheden worden hiertoe integendeel grootere massas gevorderd3 en juist hieraan gevenredigd bezitten de vleeschetende dieren een korter en eenvoudiger1 de plantetende een langer en meer zamengesteld spijsverteringskanaal1 terwijl de mensen en de overige dieren1 die zich van gemengd voedsel bedienen1 in dit opzigt het midden houden4 ,treffende harmonie1 inderdaad64444 ,is het rekenschap geven van dit verband1 wanneer wij zeggen3 deze dieren verkregen een korter1 gene een langer darmkanaal1 opdat elk zou beantwoorden aan den aard van zijn voedsel8--,geenszins6 ,ik zou de voorbeelden van harmonie tusschen het dierlijk organismus en de invloeden1 waaraan het voortdurend is blootgesteld1 tot in het ontelbare kunnen vermenigvuldigen2 maar reeds hoor ik u veeleer vragen naar den grond dier harmonie4 ,immers ik heb ze genoemd wettig en noodwendig4 ,gij hebt dus regt1 meer te eischen1 dan op het menschelijk standpunt hierin een wijs en verstandig doel te zien aangetoond4 ,gij wilt weten1 hoe zij tot stand kwam1 hoe zij zich handhaaft4 ,eene enkele wet geeft er u rekenschap van3 ,elk dierlijk wezen wordt door de invloeden1 waaraan het duurzaam is blootgesteld1 in zijne organisatie zoodanig gewijzigd1 dat het aan die invloeden harmonisch beantwoordt4 99 99 99 99 99 ,die wet klinkt u bekend2--zij is zulks in waarheid4 ,duizenden malen hebt gij het woord gewoonte uitgesproken1 maar veelligt zijn' diepen zin niet altijd wel doorgrond4 ,gij hebt haar genoemd eene tweede natuur4 ,ik noem haar de natuur zelve4 ,wanneer wij erkennen als wet1--dat is3 als eeuwige waarheid1 voor het verledene als voor het heden en de toekomst1--dat de aard en zamenstelling van elk bewerktuigd wezen gewijzigd wordt door de invloeden1 waaraan het blootstaat1 dan moeten wij met noodzakelijkheid besluiten1 dat1 bij de allengsche ontwikkeling van dierlijke wezens op de oppervlakte onzer planeet1 de gesteldheid der onderscheiden kiemen door de invloeden1 dat is door de omstandigheden1 is bepaald geworden1 en dat trapswijze verandering dier omstandigheden tot gedurige wijzigingen1 welligt tot splitsing in thans onderscheiden soorten heeft aanleiding gegeven1 z evenwel1 dat1 in elke periode1 de organisatie der dierlijke wezens aan de invloeden van buiten harmonisch gevenredigd bleef4 ,maar toetsen wij de vastgestelde wet aan de verschijnselen2 en laat ons zien1 of zij werkelijk rekenschap geeft van de harmonie1 door deze zoo luide en krachtig verkondigd4 ,in de eerste plaats wees ik u op de betrekking tusschen het dierlijk organismus en de uitwendige temperatuur4 ,niets gemakkelijker dan te bewijzen1 dat deze betrekking noodwendig voortvloeit uit genoemde wet4 ,vooreerst is het in de hoogste mate waarschijnlijk1 dat alle menschenrassen uit n en denzelfden stam zijn ontsproten en zich1 uit eene bepaalde streek1 over het grootste gedeelte der aarde verspreid hebben4 ,en thans zien wij de organisatie van elke verscheidenheid harmonisch beantwoorden aan het klimaat1 waaronder zij leeft4 ,hoe ware dit mogelijk1 wanneer die organisatie niet allengs ware gewijzigd geworden1 naar gelang ze aan eene andere temperatuur werd blootgesteld8--,of mogt gij twijfelen aan den oorsprong van alle menschenrassen uit denzelfden stam1 dan heb ik u slechts het zoogenoemde acclimateren te herinneren4 ,wat is dit anders1 dan eene wijziging van het organismus onder den invloed eener vreemde luchtstreek1 eene wijziging in dien zin1 dat het beantwoordt aan de heerschende temperatuur en de overige invloeden1 aan dit klimaat verbonden8--,ik zou u voorts kunnen wijzen op de uitersten van temperatuur1 waaraan zoo velen zich door den aard van hun beroep leerden gewennen2 maar gij behoeft slechts uw eigene ondervinding te raadplegen4 ,als na dagen van strenge vorst de thermometer ook slechts weinige graden boven het vriespunt rijst1 spreken wij reeds van eene zoele lucht2 en in het najaar1 bij eene veel hoogere temperatuur1 rillen wij niet zelden van koude4 ,eenige dagen1 in eene warme kamer doorgebragt1 zijn voldoende1 om ons voor de frissche buitenlucht gevoeliger te maken2 en wie1 van zijne jeugd aan1 tegen koude gehard is1 stelt zich veilig bloot aan het guurste jaargetijde4 ,zoo krachtig doet zich hier de invloed der gewoonte gevoelen4 ,en wanneer wij nu overwegen1 dat de kiem van elke diersoort onder eene bepaalde temperatuur gelegd werd1 dat zich elke soort onder eene bepaalde temperatuur hooger en hooger ontwikkelde1 dat daarenboven elke wijziging in die temperatuur en in hare afwisselingen als onmerkbaar plaats greep1 dan zien wij in1 dat de harmonie tusschen het dierlijk organismus en de temperatuur1 waaraan het is blootgesteld1 noodzakelijk tot stand kwam1 dat zij aan de wet van gewoonte gebonden is4 ,even wettig is die harmonie ten opzigte van het licht4 ,snel en gemakkelijk gewent zich het oog aan zeer verschillende graden2 telkens wordt deszelfs gevoeligheid hiernaar gewijzigd4 ,komen wij uit het heldere daglicht in een vertrek1 waar slechts weinige stralen toegang vinden1 dan onderscheiden wij aanvankelijk niets2 het is alsof wij door eene volslagen duisternis omgeven zijn4 ,maar weldra ontdekt gij enkele voorwerpen2 zij worden duidelijker en duidelijker1 en eindelijk zijt gij in staat1 daar1 waar het u volstrekt duister scheen1 al het omringende te herkennen en u vrij en ongedwongen te bewegen4 ,doch wildet gij u nu weder eensklaps in het volle daglicht verplaatsen1 het zou u door zijn' hellen glans verblinden4 ,eene pijnlijke lichtschuwheid sluit nu krampachtig uwe oogen2 en eerst na eenigen tijd keert het vermogen terug1 om bij dit licht duidelijk te zien en te onderscheiden4--,de snelheid van dit accommodatie-vermogen van het oog voor verschillende lichtsterkte staat in een naauw verband met de snelle en belangrijke afwisselingen dier sterkte1 waaraan wij van nature blootstaan4 ,zijn wij langen tijd aan deze afwisselingen onttrokken1 dan verliest het oog1 alweder krachtens de wet van gewoonte1 het gezegde vermogen4 ,dit is gebleken bij gevangenen1 die1 jarenlang van het daglicht beroofd1 in eene bijna volslagen duisternis leerden zien en onderscheiden2 doch wier optische gevoeligheid hierbij zoodanig was toegenomen1 dat zij niet dan met de uiterste omzigtigheid allengs aan een sterkeren lichtprikkel mogten worden blootgesteld4 ,gij ziet3 zij waren nachtdieren geworden4 ,en is het dus niet wettig1 dat zoodanige dieren1 die1 zoolang het zonlicht de aarde beschijnt1 in diepen slaap gedompeld liggen1--is het niet wettig1 vraag ik1 dat deze dieren dagblind zijn1 en dat de gevoeligheid van hun netvlies aan het duistere van den nacht beantwoordt8 ,mij dunkt1 gij ziet de noodwendigheid in van het harmonisch verband1 dat ik u hier deed opmerken4 ,volmaakt hetzelfde is van toepassing op den tweeledigen invloed des dampkrings4 ,reeds komen de lastige verschijnselen1 die uit de ijlere lucht1 hoog boven het oppervlak der zee1 voortvloeijen1 bij geoefende bergbeklimmers eerst op eene meer aanzienlijke hoogte voor1 of wel deze blijven hiervan bijna geheel verschoond4 ,maar duidelijker blijkt1 hoe zeer ook in dit opzigt de wet van gewoonte hare regten doet gelden1 wanneer wij ons herinneren1 dat op onderscheidene hooge punten der aarde bloeijende volkstammen gevestigd zijn1 waar de reiziger uit lagere streken niet altijd tegen den schadelijken invloed der ijlere lucht beveiligd is4 ,bijaldien nu de waarneming leert1 dat de organisatie van den mensch zich zoo wel aan eene hoogere1--getuige de mijnwerker1--als aan eene lagere drukking kan gewennen1 dan maakt gij zelf het besluit1 dat de organisatie der dieren1 zoo wel in de diepte der zee als in de hoogere streken van den dampkring1 noodwendig moet beantwoorden aan de drukking1 waaronder zij leven4 ,staat niet de wijde1 ruime borst van den bewoner der ,andes in innig verband met de dunnere lucht1 die hij ademt1 en heeft zijne borst zich niet juist onder dien invloed zoo krachtig ontwikkeld8 ,ook aan een merkelijk verschil in zamenstelling der dampkringslucht kan het dierlijk organismus zich gewennen4 ,sanctorius verhaalt1 dat een gevangene1 die #bj achtereenvolgende jaren in den onzuiveren dampkring eens kerkers had doorgebragt1 de frissche buitenlucht niet meer kon inademen1 en dat zijne gezondheid eerst terugkeerde1 toen hij weder in denzelfden kerker geplaatst werd4 ,en hoe zeer wijkt ook niet de zamenstelling der lucht1 die de mijnwerker ademt1 van die des dampkrings af1 waarin wij leven6 ,leblanc vond in de lucht der mijnen van ,poullaouen en ,huelgoat tot #c p,ct4 ja zelfs #d p,ct4 koolstofzuur1 eene hoeveelheid1 die het koolzuur-gehalte der door ons uitgeademde lucht nabijkomt2 en1 wanneer wij zien1 dat in andere mijnen het licht zelfs in sommige gevallen wordt uitgedoofd1 dan mogen wij besluiten1 dat in de hier aanwezige lucht1 die de mijnwerker voor eene korte poos ongestraft kan inademen1 het koolzuur-gehalte nog aanmerkelijk hooger stijgt4 ,wij naderen tot de voedsels4 ,harmonisch1 zagen wij1 beantwoorden de voortbrengselen van elk land aan de behoeften zijner dieren4 ,zullen wij dit verband voor verklaard houden1 met hierin de wijze voorzorg der ,voorzienigheid te bewonderen8 ,of zullen wij erkennen1 dat dierlijk leven onbestaanbaar ware1 en1 bestond het1 onvermijdelijk ten eenemale moest worden uitgeroeid1 waar die voortbrengselen ontbraken8 ,mij dunkt1 het laatste eischt ons natuurkundig standpunt4--,dat voorts het gewone voedsel van elk dier aan zijne organisatie beantwoordt1 en geene aan het organismus vijandige stoffen bevat1 is onbetwistbaar een noodwendig uitvloeisel der wet van gewoonte4 ,de wilde van ,australi leeft van ongekookten visch1 de ,laplander van het vleesch zijner rendieren1 de ,tartaar van de melk zijner paarden1 de arme ,ier van aardappelen1 zoo ze in overvloed groeijen2 zij kunnen hierbij allen betrekkelijk gezond zijn1 maar zouden zeker niet straffeloos onderling van voedsel kunnen verwisselen4 ,zoo vinden ook wij vooral in onze granen de bestanddeelen vertegenwoordigd van ons ligchaam2 want--onder den voortdurenden invloed dier granen is ons ligchaam geworden1 wat het is4 ,zonder die granen1 waren wij niet1 wie wij zijn4 ,wij beantwoorden aan die granen1 omdat wij mede zijn uit die granen4 ,en zeer opmerkelijk inderdaad is het1 dat de voornaamste onzer graansoorten zich hoogst waarschijnlijk met en deels door den mensch over de aardoppervlakte hebben verspreid1 uit de streken1 het eerst door menschen bewoond4 ,doch vanwaar die mindere gevoeligheid der plantetende dieren voor verdoovende vergiften8--,het is bekend1 dat het dierlijk organismus zich aan groote hoeveelheden van verdoovende stoffen gewennen kan4 ,zelfs in ,engeland treft men1 naar de getuigenis van ,christison niet zoo geheel zeldzaam opiophagen aan1 die1 zonder blijkbaar nadeelig gevolg1 jaren achtereen verscheidene oncen laudanum daags gebruiken2 eene gift van #a_/d once zou1 gewis1 bij elk onzer in den doodslaap eindigen4 ,en kan ik u niet bijna allen als getuigen oproepen1 dat ook de tabak door gewoonte zijne vergiftige eigenschappen verliest8--,neemt gij nu in aanmerking1 dat de plantetende dieren zeer ligt eene zekere hoeveelheid narcotische deelen in hun gewone voedsel aantreffen1 terwijl de vleeschetende hieraan nimmer zijn blootgesteld1 dan hebt gij den sleutel der harmonie1 die zich ook hier niet verloochenen kon4 ,gewis trok ook het merkwaardig verband tusschen de lengte van het darmkanaal en den aard van 't gebruikte voedsel in hooge mate uwe aandacht4 ,de oplossing is niet moeijelijk4 ,de aard van het voedsel bepaalt1 namelijk1 de lengte van het darmkanaal4 ,de kat is1 zooals gij weet1 een vleeschetend dier4 ,de mensch gewende de huiskat aan gemengd voedsel4 ,en vergelijk nu het darmkanaal van deze met dat der wilde kat1 gij zult het aanmerkelijk langer vinden1 niettegenstaande beider oorsprong dezelfde is4 ,dit eene voorbeeld zij voldoende tot bewijs1 dat de aard van het voedsel de lengte van het darmkanaal bepaalt1 en dat1 gevolgelijk1 bij elk dier eene juiste verhouding van beide noodwendig is4 99 99 99 99 99 ,zietdaar in enkele voorbeelden ,u den grond aangetoond der harmonie tusschen het dierlijk organismus en de invloeden van buiten4 ,geeft de wet van gewoonte rekenschap van dien band8 ,ik durf de beslissing veilig aan u overlaten4--,uit de ontelbare voorbeelden koos ik slechts enkelen4 ,ik hadde u kunnen wijzen op het verdikken der opperheid door wrijving en drukking1 op het gewennen aan eene drooge en vochtige lucht1 aan stoffen van verschillenden reuk of smaak1 aan allerlei geluiden1 op den invloed1 dien verandering van klimaat op den broeitijd uitoefent enz41 en hierdoor rekenschap kunnen geven van de harmonische betrekking tot de buitenwereld1 die het dierenrijk ook in deze opzigten vertoont4 ,doch ik achtte het aangehaalde toereikend voor mijn doel4 ,gij stemt met mij in1 dat de gezegde harmonie eene noodwendige1 eene wettige is4 ,gij ziet haar onverbiddelijk tot stand gebragt1 onder den invloed der werkende oorzaken4 ,en waar het rijk van deze gevestigd is1 daar althans is der teleologie de schepter ontwrongen4 99 99 99 99 99 ,maar1 mogt ik vragen1 heeft dit harmonisch verband zijn toppunt van volmaaktheid bereikt8 ,ik aarzel niet1 hierop een ontkennend antwoord te geven4 ,de harmonie is niet4 ,zij ontwikkelt zich2 zij wordt4 ,zij streeft voortdurend naar eene volmaaktheid1 die zij nimmer bereikt4 ,dit gebiedt reeds de wet1 die aan hare ontwikkeling ten gronde ligt1 en de ervaring bekrachtigt het met haar zegel4 ,overweegt het zelven4 ,wanneer de invloeden1 die onze organisatie wijzigen1 niet volmaakt bestendig zijn1--en zij zijn het nimmer1--dan kan ook onze organisatie niet in volmaakte overeenstemming wezen met deze invloeden4 ,zij blijft1 in zekeren zin1 bij deze ten achter4 ,immers niet op het oogenblik der inwerking kan zich de organisatie wijzigen3 zij behoeft hiertoe tijd2 en inmiddels is reeds wer een nieuwe prikkel daar1 die zijnen wijzigenden invloed doet gelden4 ,vanhier eene ingewikkelde reeks van invloeden en werkingen1 die men te vergeefs1 in al hare bijzonderheden1 zou trachten te ontleden4 ,elke nieuwe invloed heeft te strijden met de organisatie1 dat is met het produkt der voorafgegane invloeden4 ,is derzelver afwisseling niet te groot1 dan valt die kamp niet zwaar4 ,daarenboven heeft de vatbaarheid voor accommodatie zich des te meer ontwikkeld1 naarmate het organismus aan meer verscheidenheid van invloed was blootgesteld4 ,maar is de prikkel meer vreemd en ongewoon1 dan grijpt hij dieper in1 en brengt verschijnselen voort1 die wij stoornisssen noemen1 omdat zij niet strooken met onze begrippen van harmonie4 ,deze stoornissen nu kunnen van dien aard zijn1 dat de physische voorwaarden van het harmonisch verband tusschen de verschillende ligchaamsdeelen worden opgeheven4 ,thans is het leven niet langer bestaanbaar1 en allengs treedt een andere toestand1 die van ontbinding in4 ,grenzen dan ook tusschen leven en dood bestaan slechts voor den oppervlakkigen beschouwer4 ,het eindigen van het leven aan den laatsten ademtogt te verbinden1 verraadt gebrek aan inzigt in hetgeen aan het leven ten gronde ligt4 ,de bewegingen tot ademhaling nemen een einde2 en eenige uren later is van ontbinding nog geen spoor te zien1 maar de toestand van elk ligchaamsdeel is toch een geheel andere geworden4 ,nu eerst heeft de spier haar zamentrekkend vermogen geheel verloren2 nu eerst is alle werkdadigheid van het zenuwstelsel vernietigd4 ,door duizenden van overgangen maakt de stofwisseling in de weefsels1 die aan 't gezonde leven ten gronde ligt1 plaats voor die wisseling1 welke wij ontbinding noemen2 en al deze verschijnselen1 leven1 stoornis1 ontbinding1 zijn even noodwendig en volgen elkander wettig op4 ,zoo geeft dezelfde wet1 waarop de harmonische betrekking tusschen het dierlijk organismus en de uitwendige invloeden berust1 tevens rekenschap van de onvolmaaktheden1 die haar aankleven4 ,wil daarentegen de teleoloog deze onvolmaaktheden in zijne beschouwingswijze opnemen1 dan velt hij zijn eigen vonnis4 ,of zou hij1 op het natuurkundig standpunt1 de stoornissen onzer bewerktuiging als de tuchtroede willen beschouwen eens goeden ,vaders1 tot onze zedelijke verbetering8 99 99 99 99 99 ,maar nog van eene andere zijde van het dierlijk organismus schittert ons de prachtigste harmonie in het oog4 ,ik bedoel3 in de betrekking tot zijne levensbehoeften en in die zijner zamenstellende deelen tot elkander4 ,de tijd gedoogt niet1 u ook deze even uitvoerig te schilderen3 trouwens1 zij staat levendig genoeg u voor den geest4 ,de teleogie1 die hier vooral de bouwstoffen vergaderde voor haren tempel1 is nimmer in gebreke gebleven1 ze u op zegevierenden toon voor oogen te stellen4 ,wie bewonderde niet vaak1 met hooge ingenomenheid1 de treffende evenredigheid tusschen de eigenschappen en vermogens van elk dier en deszelfs levenswijze en levensbehoeften8 ,de kracht1 de vlugheid en juistheid van elk zijner bewegingen1 de scherpte en het doordringend vermogen zijner zintuigen1 ja de oneindige verscheidenheid van neigingen en vermogens1 die men met den naam van instinct pleegt te bestempelen1 alles beantwoordt harmonisch aan de behoeften van elk dier1 en verzekert de instandhouding van het individu en de voortplanting der soort6 ,altijd en overal ligt aan de verrigting de bouw ten gronde4 ,ook deze1 bij gevolg1 moet aan de behoeften beantwoorden1 waar de verrigtingen hieraan harmonisch gevenredigd zijn3 en zoo worden wij als van zelve gewezen op de harmonische betrekking tusschen de zamenstellende deelen van hetzelfde organismus4 ,in dit opzigt zou elk dier1 welke plaats het in de rij der wezens moge innemen1 ons breede stof ter beschouwing opleveren4 ,springt niet overal de volmaaktste evenredigheid ons in het oog tusschen de passieve en actieve organen van beweging8 ,bezit het hoofdorgaan des bloedsomloops niet altijd de vereischte kracht1 om het levensvocht door het geheele ligchaam rond te voeren8 ,zijn niet juist menigvuldige verbindingen en vlechten tusschen de bloedvaatstammen daar voorhanden1 waar het ligtst hinderpalen dreigend zich konden opdoen8 ,wat meer is1--terwijl de zintuigen en de geheele oppervlakte van het ligchaam als wakkere wachters voor de indrukken der buitenwereld openstaan1 en deze aan het bewustzijn mededeelen1 staat1 in al de organen van het voedingsleven1 het gevoel op z lagen trap1 dat wij noch van de zamentrekkingen van het hart1 noch van de bewegingen van maag en darmkanaal1 noch van den prikkel en de wrijving der vochten1 waaraan beide zijn blootgesteld1 eenige de minste kennis krijgen4 ,ziet gij niet1--roept de teleoloog u toe1--waartoe dit dient8 ,z alleen was de werking van uwen geest vrij en onbelemmerd2 z alleen werd hij nimmer afgetrokken in de waarneming der buitenwereld2 z alleen kon hij zich ongestoord verheffen tot in hoogere sferen4--,gij erkent die harmonie2 gij ziet er1 op het menschelijk standpunt1 zelfs het doelmatige van in4 ,maar gij verlangt meer4 ,gij wilt van deze en van zoo vele andere verschijnselen den grond kennen4 ,gij wilt zien aangetoond1 dat zij aan wetten gebonden1 dat zij noodwendig zijn4 ,gij wilt weten1 waardoor zij tot stand kwamen1 en hoe zij zich handhaven4 ,ik wijs ,u op de wet van oefening3 ,elk orgaan1 elk ligchaamsdeel wordt onder den duurzamen invloed van den wil of van andere omstandigheden zoodanig gewijzigd1 dat het beantwoordt aan hetgeen de wil of de omstandigheden van hetzelve eischen4 ,toetsen wij deze wet aan de verschijnselen1 dan zal tevens blijken1 dat zij rekenschap geeft van die harmonische betrekking1 waarop wij een' vlugtigen blik wierpen4 ,de schoonste overeenstemming bemerkten wij tusschen de levensbehoeften van elk dier en de kracht1 de vlugheid en juistheid zijner bewegingen4 ,maar komt u hierbij niet onmiddellijk voor den geest1 dat1 door oefening1 onze krachten1 tegelijk met de spier zelve1 ontwikkeld worden8 ,hebt gij den geoefende niet vaak bewegingen1 voor ons volstrekt onuitvoerbaar1 met eene vlugheid en juistheid zien volbrengen1 die aan het ongeloofelijke grensden8 ,ik zag een meisje1 bij 't welk het gemis der bovenste ledematen aangeboren was1 met hare voeten1 oorspronkelijk als de onze gevormd1 allerlei handwerk verrigten4 't ,was alsof de voeten in handen herschapen waren4 ,z vermogend is de invloed der oefening6 ,en bedenkt men nu1 dat bij elk dier de oefening steeds bepaald wordt door de levenswijze en levensbehoeften1 dan heeft men slechts dieper in het verledene terug te zien1--en men is overtuigd1 dat1 op grond der wet van oefening1 kracht1 vlugheid en juistheid van beweging zich harmonisch gevenredigd aan de levenswijze en levensbehoeften van elk dier moesten ontwikkelen4 ,nergens evenwel vinden wij het vermogen der oefening sterker uitgedrukt dan in de zintuigen4 ,bij den blindgeborene zijn gehoor1 gevoel en reuk tot eene scherpte en fijnheid van onderscheiding ontwikkeld1 dat zij voor een groot deel in het verlies van het edelste der zintuigen voorzien4 ,in eene stip aan den horizon1 die het ongeoefend oog ontgaat1 erkent de zeeman een schip in volle zeilen2 en wie zich daarentegen bij voortduring met het onderzoek der kleinste voorwerpen bezig houdt1 en hierbij verzuimt met zijnen blik nu en dan dieper in de ruimte door te dringen1 wapent allengs zijn oog met een natuurlijk vergrootglas4 ,door oefening wijzigen zich alzoo de grenzen van het accommodatie-vermogen1 en zij moeten dus bij elk dier wel beantwoorden aan de behoeften3 want door deze werd de oefening bepaald4 ,weder derhalve gaf de wet van oefening u den sleutel tot de harmonie6 ,maar ook in het zoogenaamd instinct zie ik slechts het noodwendig gevolg der omstandigheden4 ,de vermogens en eigenschappen1 die men hiertoe pleegt te brengen1 ontwikkelen zich door oefening2--zij worden verdoofd1 zoodra de omstandigheden aan die oefening paal en perk stellen4 ,men zegge derhalve niet3 aan deze diersoort werd dit of dat instinct gegeven1 omdat hare levenswijze dit vorderde1--bij gene ontbreekt het1 omdat zij hieraan geene behoefte had2 maar men erkenne1 dat het zich bij deze diersoort noodwendig moest ontwikkelen1 doordat de omstandigheden deszelfs oefening medebragten1 en dat het bij gene wettig onbestaanbaar is1 wijl tot deszelfs oefening de levenswijze nimmer aanleiding gaf4 ,wij hebben nog het harmonisch verband tusschen de verschillende deelen van hetzelfde organismus onderscheiden2 maar ook dit berust op dezelfde wet1 de wet van oefening4 ,oefening is dan evenwel in een' ruimeren zin genomen1 namelijk3 als de verhoogde verrigting en voeding van een bepaald ligchaamsdeel1 niet slechts voor zoo ver die onder den invloed van den wil plaats grijpen1 maar door eenen gewijzigden toestand1 van welk orgaan ook1 te weeg gebragt4 ,door oefening nu in dien zin komt de harmonie tot stand tusschen de passieve en actieve organen van beweging2--immers de bewegelijkheid van elk gewricht wordt geoefend en dus bepaald door de spierwerking4 ,op denzelfden grond moet de omvang en kracht der zamentrekkingen van het hart aan den werstand in het bloedvaatstelsel beantwoorden2 want die werstand juist is het1 die de kracht van het hart bepaalt4 ,wilt gij hiervan het bewijs8 ,waar de werstand ziekelijk verhoogd wordt1 ontstaat overvoeding van het hart2 en kondet gij van het thans onstuimig kloppende hart de spierwanden in een oogenblik tijds tot de normale dikte terugbrengen1 gij zoudt den lijder onfeilbaar op staanden voet zien bezwijken4 ,blijkt hieruit1 dat verhoogde werstand de werking van het hart opwekt1 dan immers moet1 krachtens de wet van de oefening1 de ontwikkeling en de kracht van het hart bij elk dier noodwendig aan den werstand beantwoorden4 ,moeijelijker schijnt het1 het noodzakelijk bestaan te betoogen der menigvuldige verbindingen en vlechten bloedvaatstammen1 juist op zulke plaatsen1 waar zonder deze het ligtst belemmering zich zou opdoen4 ,en toch is dit harmonisch verband in zijne wording hoogst eenvoudig4 ,de belemmeringen1 namelijk1 tot welker overwinning de verbindingen en vlechten1 naar de teleologische beschouwingswijze1 doelmatig bestemd zijn1 zijn zelven de oorzaak van het ontstaan dier vlechten en verbindingen4 ,wij zien ze hierdoor1 onder zekere omstandigheden1 als onder onze oogen gevormd worden4 ,wordt een hoofdstam gedrukt1 onderbonden of door ziekelijke gesteldheid verstopt1 dan worden de naauwelijks zigtbare takjes1 waardoor zoo wel de slagaderlijke als aderlijke stammen van eenig deel steeds onderling gemeenschap oefenen1 tot grootere stammen uitgezet1 die nu1 bij wijze van vlecht1 eenen collateralen bloedsomloop voortbrengen4 ,vandaar dan ook in het aderlijk stelsel1 waar belemmeringen menigvuldiger zijn1 een grooter aantal dier verbindingen en vlechten dan in het slagaderlijke4 ,maar zullen wij immer den grond kunnen peilen van die mindere gevoeligheid der voedingsorganen1 waardoor aan onze hoogere vermogens eene zooveel vrijere ontwikkeling verzekerd wordt8--,reeds deed ik u opmerken1 hoe de gevoeligheid van elk zintuig door oefening verhoogd wordt1 hoe gebrek aan oefening deszelfs werking vernietigt4 ,het afgeweken oog van den scheelziende ontwaart niet langer den prikkel van het invallend licht3 en al onze zintuigen zijn voor de indrukken der buitenwereld als gesloten1 wanneer wij aan de fantazij onzer verbeelding den vrijen teugel laten1 of ons geheel verdiepen in een vraagstuk1 dat al onze inspanning vordert4 ,worden hierdoor de zintuigen als verlamd1 hoeveel meer moet1 bij het ontwikkelen der psychische vermogens en der zintuigen zelve1 uit gebrek aan oefening1 het gevoel zijn verdoofd geworden in die deelen1 welke ons geene indrukken van de buitenwereld overbragten1 die onze belangstelling konden opwekken4 ,zeer opmerkelijk gewis is het1 dat1 naarmate de hoogere vermogens in een dier ontwikkeld zijn1 het zenuwstelsel1 dat het voedingsleven beheerscht1 als een meer zelfstandig1 afgescheiden gedeelte optreedt4 ,maar1 wat meer is1 het bewustzijn herneemt1 ook in de organen der voedingsverrigtingen1 voor een deel zijne regten1 zoodra het geoefend wordt4 ,schier elk orgaan1 dat wij ons1 wanneer ook zonder eenigen grond1 als ziekelijk voorstellen1 wordt gevoelig1 doordat wij onze gedachten nu op dit deel als concentreren1 en zoo gevoel en bewustzijn oefenen1 zoo verre zij tot dit deel betrekking hebben4 ,vooral is dit duidelijk ten opzigte van het hart4 ,het klopt onophoudelijk in onze borst2 doch in den normalen toestand worden wij niets hiervan gewaar1 tenzij wij1 in den valschen waan van aan een hartsgebrek te lijden1 den hartslag altijd en altijd naauwlettend gadeslaan4 ,dat eeuwige kloppen wordt dan op het laatst ondragelijk1 al is de slag niet sterker dan bij een' gezond mensch4 ,wie immer zich inbeeldde1 door hartziekte te zijn aangetast1--en hun getal is niet zoo gering1--heeft hieronder bitter geleden4--,maar genoeg1 om u te doen zien1 dat de hoogere ontwikkeling der geestvermogens1 zoowel als de zintuigelijke indrukken1 aan de oefening van het gevoel in de organen van het voedingsleven in den weg staan1 en dat1 bij gevolg1 de geringe gevoeligheid van deze eene noodwendige is4 ,zoo geeft de wet van oefening1 straks uitgesproken1 evenzeer rekenschap van de harmonische betrekking der dierlijke wezens tot hunne levensbehoeften1 als van den band1 die de verschillende ligchaamsdeelen tot n organismus zamenvlecht4 99 99 99 99 99 ,gewis ontging het uwe aandacht niet1 mijne ,geerde ,hoorders6 dat er een naauw verband bestaat tusschen de beide wetten1 die der harmonie ten gronde liggen3 de wetten1 die ik kortheidshalve die van gewoonte en oefening noemde4 ,waar de eerste haren invloed doet gelden1 wordt zij onderschraagd door de laatste4 ,krachtens de wet van gewoonte1 wordt elk orgaan door den invloed1 waaraan het regtstreeks is blootgesteld1 primitief gewijzigd4 ,dit orgaan staat nu evenwel niet gesoleerd2 het hangt innig zamen met de overige deelen van het organismus4 ,wat is dus het noodzakelijk gevolg van die primitieve wijziging8 ,wijziging van al de overige ligchaamsdeelen1--welker werking namelijk f opgewekt f onderdrukt wordt1--en alzoo1 krachtens de wet van oefening1 eene hieraan gevenredigde ontwikkeling van elk dier deelen4 ,door deze harmonische zamenwerking der wetten van gewoonte en oefening beantwoorden nu alle ligchaamsdeelen1 ook die1 welke nimmer aan eene onmiddellijke inwerking blootstaan1 aan de invloeden der buitenwereld1 en wordt tevens de harmonie tusschen de verschillende organen bij voortduring gehandhaafd4 ,doch niet van alle oefening zijn uitwendige invloeden het onmiddellijk uitgangspunt4 ,in den wil vinden wij eene tweede1 magtige drijfver van oefening1 die haren onmiddellijken invloed op het zenuwstelsel en den toestel voor willekeurige beweging doet gelden1 en van hier op het geheele organismus terugwerkt4 ,deze oefening moet alzoo onderscheiden worden van die1 welke zich onmiddellijk sluit aan de uitwendige invloeden4 ,is evenwel de geheele organisatie van het dier onder bepaalde invloeden noodwendig tot stand gekomen1 en wordt deszelfs wil1 bij elke omstandigheid1 door de organisatie volstrekt bepaald1 dan is de wil1 die als drijfver van oefening optreedt1 zelve het noodwendig uitvloeisel van verwijderde invloeden2 en wij zouden1 in hetgeen hij op de oefening vermag1 slechts het middellijk gevolg dier verwijderde invloeden moeten zien4 ,doch het is mijn voornemen niet1 thans dieper in den grond en in het verband dier wetten door te dringen4 ,genoeg1 dat wij deze wetten onmiskenbaar in de verschijnselen afgedrukt1 en ons zoo geregtigd zagen tot het besluit3 dat de harmonie1 die ons de dierenwereld predikt1 aan wetten gebonden--noodwendig is4 99 99 99 99 99 ,en toch--het zal uwe aandacht niet ontgaan zijn--op zich zelven waren de genoemde wetten hier nog ontoereikend4 ,schier bij elk voorbeeld moesten wij stilzwijgend eene derde wet vooronderstellen1--eene wet1 zonder welke de harmonie nimmer eene hoogere volmaking konde te gemoet streven1 zonder welke wij den klimmenden strijd zouden aanschouwen tusschen het dierlijk organismus en de buitenwereld1 ja6 zonder welke misschien alle dierlijk leven vroeger of later voor het geweld van buiten zou moeten zwichten4 ,reeds spreekt gij ze met mij uit4 ,het is de wet van erfelijkheid3 ,de toestand van het voorgeslacht plant zich telkens op het nageslacht over2 de toestand der ouders wordt telkens aangeboren in de kinderen4 ,zietdaar de wet1 die in het geslacht bestendigt1 wat gewoonte en oefening gewrocht hebben4 ,zietdaar den grondslag der klimmende volmaking in de ,schepping4 ,zal ik u ook deze wet in de verschijnselen aantoonen8 ,weder kan ik mij op uw eigene ervaring beroepen4 ,hoe dikwijls zaagt gij den ligchaamsbouw1 de gelaatstrekken1 de kleur1 den gang1 de stem1 ja zelfs het gemoed1 de hoogere vermogens en allerlei eigenaardigheden der ouders in de kinderen werspiegeld6 ,de ,romeinen hadden reeds hunne naseones en labeones2 en ook thans is de dikke lip eene erfelijke eigenschap in het ,oostenrijksche ,huis4 ,doch ik kan u op een ruimer gebied wijzen4 ,immers de ontelbare verscheidenheden der verschillende diersoorten staan allen als getuigen daar van de wet van erfelijkheid4 ,de variteiten van elke soort1 zijn1 zelfs veelal in de historische tijden1 door verscheidenheid van invloeden en levenswijze tot stand gebragt2 en wij zien ze thans met gelijke juistheid voortgeplant1 als den oorspronkelijken typus4 ,bij vermenging van verschillende rassen zien wij daarentegen vormen geboren worden1 die aan de beide ouders herinneren1 zoodat ook hierin de wet van erfelijkheid zich ten duidelijkste openbaart4 ,reeds sedert lang heeft ook de veeteelt van de toepassing dier wet de gelukkigste partij getrokken4 ,men verlangt runderen1 door vorm en neiging tot vetontwikkeling bijzonder voordeelig als slagtvee1 sterke ossen1 geschikt voor den landbouw1 en koeijen1 die ruime hoeveelheden goede melk leveren4 ,de eigenschappen1 tot deze verschillende doeleinden vereischt1 schijnen elkander evenwel grootendeels uit te sluiten1 en zijn dus niet allen1 in hoogen graad ontwikkeld1 in hetzelfde ras te verkrijgen4 ,maar reeds sedert lang is het gelukt1 kunstmatig rassen te vormen1 die aan de eene of andere der gezegde doeleinden bij uitnemendheid beantwoorden4 ,en welken weg sloeg men hiertoe in8 ,telkens bestemde men tot voortplanting die dieren1 waarin de verlangde eigenschappen1 onder omstandigheden van welken aard dan ook1 bijzonder ontwikkeld waren1 en deze zag men nu op de volgende geslachten sterker en sterker overgeplant4 ,eene eervolle plaats in de geschiedenis der veeteelt komt ,bakewell toe2 omdat hij van de reeds lang bekende wet van erfelijkheid 7het like begets like1 zoo als hij gewoon was te zeggen7 het eerst eene consequente toepassing maakte4 ,z legde hij den grond tot een eigen ras van runderen1 bijzonder voordeelig en geschikt voor slagtvee1 't welk men een' tijd lang op hoogen prijs stelde1 en slechts daarom niet als een zuiver1 onvermengd ras bewaard heeft1 wijl ,bakewell zijn doel te goed1 en hierdoor te zeer ten nadeele der in andere opzigten wenschelijke eigenschappen1 bereikt had4 ,z ook stelde hij zich in het bezit van een eigen ras van schapen 7,dishley ,breed1 ,new ,leicester ,breed71 welks wol in sommige opzigten voor die van andere moge onderdoen1 doch hetwelk de bijzondere eigenschap bezit1 van op veel jeugdigeren leeftijd en veel gemakkelijker dan andere rassen te kunnen worden vetgemest1 en hierom ook thans nog tot de meest geachte en algemeen verspreide rassen in ,groot-,brittanie geteld wordt4 ,uit een en ander is voldoende gebleken1 dat de door verschil van invloeden en levenswijze ontstane wijzigingen zich op het nageslacht overplanten1 en weldra eene zoo groote mate van bestendigheid verkrijgen1 dat wij hierin eene typische verscheidenheid erkennen4 ,wanneer wij nu zien1 dat de kenmerken van dergelijke verscheidenheden des te dieper wortel schieten en zich des te krachtiger handhaven1 naarmate invloeden en levenswijze over een grooter aantal generatin onveranderd bleven1 dan is er niets gewaagds in het besluit1 dat aan eene vroeger meer duurzame gelijkheid van omstandigheden1 over ontelbare generatin1 de grootere vastheid van typus1 die wij thans aan elke soort toekennen1 is toe te schrijven4 ,en zeker bestond die meerdere bestendigheid van omstandigheden1 zoolang de verspreiding van elke thans erkende soort meer beperkt bleef1 en door tusschenkomst van den mensch minder inbreuk was gemaakt op de oorspronkelijke levenswijze4 ,vragen wij nu1 in welke diersoorten1 op grond der ontwikkelde wetten1 de meeste en belangrijkste verscheidenheden mogen verwacht worden1 dan kan het antwoord niet twijfelachtig zijn3 vooreerst in den mensch1 die1 bij zijne verspreiding over de geheele oppervlakte der aarde en bij het groote verschil in levenswijze en beschaving1 wel het meest aan wijziging in organisatie moest blootstaan3 maar daarenboven in alle diersoorten1 die1 door den mensch aan den natuurstaat onttrokken1 aan vreemde invloeden1 aan eene vreemde levenswijze werden blootgesteld4 ,en zoo is het ook4 ,behoef ik meer te doen1 dan u op de ontelbare zoo zeer onderscheidene rassen van honden en paarden te wijzen1 om u hiervan te overtuigen8 ,hebben wij uit het bovenstaande reeds gezien1 dat elke door het individu verkregene eigenschap zich op het nageslacht overgeplant1 dan behoeft dit welligt niet meer in het bijzonder aangewezen te worden ten opzichte der voorbeelden1 die wij tot staving der wetten van gewoonte en oefening hebben aangevoerd4 ,het zij mij evenwel vergund1 nog op enkele van deze uwe aandacht te vestigen4 ,wanneer ,parry ons verhaalt1 dat hij1 op zijne reis naar den ,noord-pool1 in eene temperatuur1 waarbij het kwikzilver bevriest1 een' zuigeling in de open lucht aan de borst zijner moeder zag1 kan het dan nog aan twijfel onderhevig zijn1 dat het vermogen1 om aan koude te werstaan1 eene aangeboren eigenschap is van den bewoner van het ,noorden8 ,wanneer wij zien1 dat het darmkanaal der jonggeboren huiskat eene betrekkelijk grootere lengte heeft1 dan dat van jonge vleeschetende dieren1 zijn wij dan niet overtuigd1 dat de geschiktheid der organisatie voor het gebruik van gemengd voedsel hier wordt aangeboren8--,en wat leert ons de geschiedenis van het tabaksgebruik8 ,thans moge het dengene1 die zich aan dit vergift gewennen wil1 hoogstens nog eenige benaauwde uren of dagen kosten3--toen in werwil der bedreigde straffen en den heftigen tegenstand1 zelfs door ,pausen en ,keizers geboden1 het gebruik van den tabak zich eerst door ,europa begon te verspreiden1 waren de verschijnselen bij de eerste proeven oneindig heviger1 en schijnt zelfs menig onvoorzigtige rooker zijn' zonderlingen lust met den dood bekocht te hebben4 ,onze ouders rookten1 onze voorouders rookten1--en thans is1 gij ziet het1 de gewoonte tot rooken ons reeds ten halve aangeboren4 ,om u vervolgens te doen opmerken1 hoe de door invloeden en oefening verkregene ontwikkeling van het been- en spierstelsel1 hoe de kracht en snelheid van zamentrekking in het nageslacht worden voortgeplant1 breng ik u slechts de zoo verschillende rassen van paarden voor den geest4 ,en van de door erfelijkheid medegedeelde scherpte der verschillende zintuigen leveren onderscheidene volkeren1--van een aangeboren verschil in accommodatie-vermogen van het oog talrijke familin1 bijzonder in de steden1 het overtuigendst bewijs4 ,zoo zou ik van elke harmonische eigenschap1 die wij1 krachtens de wetten van gewoonte en oefening1 zagen tot stand komen1 de voortplanting op het nageslacht door voorbeelden kunnen staven1 en hierdoor de noodzakelijkheid der harmonie van het dierlijk leven op nog breeder' grondslagen vestigen4 ,ik wil mij echter1 kortheidshalve1 bepalen tot de instinctmatige vermogens4 ,bij de wet van oefening heb ik mij omtrent dezen opzettelijk van voorbeelden onthouden1 naardien het mij gemakkelijker scheen1 u de kracht der oefening1 door verscheidene geslachten voortgeplant--en als ware het vermenigvuldigd--aanschouwelijk te maken1 dan in het leven van een enkel individu4 ,en hierom mogt ik deze hier niet met stilzwijgen voorbijgaan4 ,weder de hond levert ons het sprekendst bewijs van den invloed der oefening ook op de instinctmatige vermogens4 ,het lijdt geen' twijfel1 of bij de oorspronkelijke soort1 waarvan al onze honden afstammen1 bestond n en hetzelfde instinct4 ,en thans1 welk een verscheidenheid6 ,schier elk ras heeft ook ten dezen opzigte zijne eigendommelijkheden4 ,behoef ik u te wijzen op de instinctmatige vermogens van den herders- of jagershond1 van den bloeddog of van den ,new-foundlander8--,van waar nu die verscheidenheid8 ,het antwoord is niet moeijelijk4 ,de mensch heeft door kunstmatige oefening het een of ander instinct bij den hond meer en meer ontwikkeld1 en door de wet van erfelijkheid werd dit instinct bestendigd4 ,overwin bij een' hond den tegenzin1 om te water te gaan1 gij zult hiermede bij de jongen reeds veel minder te kampen hebben4 ,wilt gij andere voorbeelden8 ,frederic ,cuvier verhaalt1 dat in zoodanige streken1 waar den vossen dikwijls hinderlagen worden gelegd1 de jongen1 reeds de eerste maal1 dat zij het nest verlaten1 eene omzigtigheid aan den dag leggen1 die men in andere streken bij hen te vergeefs zoeken zou4--,voorts weten wij1 dat elk dier instinctmatig vlugt voor zijn' vijand4 ,men spreekt van doelmatigheid in die poging tot zelfbehoud4 ,maar het dier1 welks voorgeslachten niet vervolgd werden1 de vogels op een onbewoond eiland1 vlugten niet2 zij zijn zoo argeloos1 dat zij zich met de hand laten vangen4 ,na weinige generatien echter is hun het instinct om te vlugten reeds aangeboren4 ,alzoo3 de vervolging door den vijand heeft het instinct om te vlugten1 volgens de wet van oefening1 ontwikkeld2 en naar de wet van erfelijkheid plantte het zich voort4 ,gij ziet3 het aanwezen van dit instinct1 als dat van elk ander1 is het noodwendig gevolg der omstandigheden1 die deszelfs oefening uitlokten1 en waaraan het dus nu harmonisch moet beantwoorden4 ,hoe een instinct ook eindelijk kan worden tot zwijgen gebragt1 wanneer op deszelfs oefening inbreuk wordt gedaan1 leert ons reeds het temmen der dieren4 ,nimmer zullen de jongen van een getemd dier de wreedheid en wildheid aan den dag leggen1 die zijnen voorouders eigen waren4 ,maar nog opmerkelijker is de gedeeltelijke verdooving van een der natuurlijkste instincten bij onze inlandsche runderen4 ,overal1 waar het de gewoonte is1 het kalf bij de koe te laten zuigen1 bestaat hiertoe bij beide de grootste behoefte4 ,zij schreeuwen zich half dood1 zoo als ,sturm zich uitdrukt1 wanneer men ze van elkander scheidt4 ,de koe1 die dagenlang zoo onrustig zich gedraagt1 dat een vreemde niet zonder gevaar ze zou naderen1 spant al hare krachten in1 om los te breken2 en het kalf zoekt1 verscheidene weken1 bijna onophoudelijk naar de uijer1 alles aanvattende1 om er aan te zuigen4 ,bij onze inlandsche koeijen daarentegen1 welker kalveren doorgaans onmiddellijk na het werpen verwijderd worden1 is de moederliefde1 als ware het1 uitgedoofd4 ,wordt het kalf maar terstond op eenigen afstand gebragt1 dan gedraagt zich de moeder volmaakt rustig1 en laat de melk veel gemakkelijker kunstmatig verwijderen1 terwijl ook bij het kalf de pogingen tot zuigen zich in veel geringere mate opdoen4 99 99 99 99 99 ,zietdaar1 mijne ,geerde ,hoorders6 de drie wetten ontwikkeld1 die aan de harmonie van het dierlijke organismus ten gronde liggen4 ,naar de wetten van gewoonte en oefening zaagt gij de harmonie in het individu tot stand gebragt2 naar de wet van erfelijkheid zaagt ge in het nageslacht bestendigd1 wat door gewoonte en oefening in het individu gewrocht was4 ,die harmonie erkent gij dus als noodwendig3 want zij is aan wetten gebonden1 en elke natuurwet eischt volstrekte en onbegrensde gehoorzaamheid4 ,wie het doel durft uitgeven voor den grond der harmonie1 hij wordt afgewezen voor de regtbank der wetenschap2 want in de onvergankelijke bladeren van het wetboek der natuur1 waarop hare uitspraken gegrond zijn1 staat met onuitwischbare letteren geschreven3 gewoonte1 oefening1 erfelijkheid4 ,het is evenwel niet genoeg1 de noodwendigheid der harmonie uit deze wetten te herleiden2 ons streven moet het zijn1 die wetten zelve dieper te doorgronden4 ,reeds gaat er naar die zijde eenig licht op in de wetenschap over de oorzaken der verschijnselen1 welke wij tot de wetten van gewoonte en oefening terugbragten3 en zoo1 opklimmende van oorzaak tot oorzaak1 zonder ooit in droomerijen omtrent het doel ons te verliezen1 naderen wij1 langzaam wel is waar1 maar met vasten tred1 het ideale standpunt1 van waar men alle verschijnselen der natuur met noodzakelijkheid uit de eigenschappen der grondstoffen en grondkrachten konde zien voortvloeijen4 ,wie dus een doel huldigt in de harmonie der stoffelijke wereld1 hij plaatse het in de eigenschappen der grondstoffen en grondkrachten4 ,hier verstomt de wetenschap der ,natuur2 hier staan hare grenzen4 ,zij verloochent haar karakter1 wanneer zij ook den grond dier eigenschappen kennen wil4 ,zij overschrijdt hare regten1 wanneer zij den staf durft breken1 over wie hier grond en doel vereenzelvigen4 ,en1 wanneer eens door eene alwijze ,almagt die stoffen en krachten met een bepaald doel werden in het aanzijn geroepen1 en in hare eigenschappen de voorwaarden voor de geheele toekomst werden weggelegd1 dan stroomt ook geen druppel bloeds zonder doel door onze aderen1--maar het is een doel1 dat buiten de wetenschap ligt der ,natuur4 99 99 99 99 99 ,van mijne taak heb ik het deel volbragt1 door de wet mij opgelegd4 ,een ander deel1 waartoe hoogachting en dankbaarheid mij nopen1 blijft te vervullen over4--,het eerst rigt ik mij tot ,u1 ,edel ,groot ,achtbare ,heeren ,curatoren6 die met onvermoeiden ijver de belangen behartigt der ,hoogeschool1 aan uwe hooge zorgen toevertrouwd4 ,steeds uw blikken gerigt op den vooruitgang der ,wetenschappen en op den toestand der ,hoogeschool1 is het uw heilig streven1 dezen aan de eischen van gene te doen beantwoorden4 ,het kon uw naauwlettend oog niet ontgaan1--en gij hoordet het telkens door zaakkundige mannen rondom u uitspreken1--dat de geneeskundige wetenschappen1 terwijl zij meer het karakter en den geest der natuurkundige aannamen1 zich op ruimer en ruimer gebied vestigden4 ,dit eischte in uw oog dan ook ruimere voorziening in het onderwijs2 en de betrekking1 waarin ik thans sta tot de ,hoogeschool1 strekt ten bewijze1 dat gij niet geaarzeld hebt1 tot stand te brengen1 wat uwe overtuiging u als wenschelijk had voorgespiegeld4 ,mij hebt ,gij geroepen1--en onze geerbiedigde ,koning heeft uwe keuze bekrachtigd1--niet zoo zeer om eene taak op mij te nemen1 die vroeger op andere schouders rustte1 dan om naast den werkkring van ijverige ,ambtgenooten mij1 als leeraar1 een' weg te banen op het uitgebreid gebied der geneeskundige wetenschappen4--,gij zult geene klagte van mij vernemen1 ,edel ,groot ,achtbare ,heeren6 dat mijn werkkring hier te beperkt is3 integendeel1 ik spreek het opentlijk uit1 dat men nog aan meer dan n' nieuw ,ambtgenoot eene even uitgebreide taak zou kunnen aanwijzen1 die ook thans nog onvervuld moet blijven4 ,maar1 vergeeft het mij1 zoo ik u toch op eene schaduwzijde wijzen moet3 ik bedoel het verbroken evenwicht tusschen de eischen der vorderende wetenschap1 die gij door uwe voorziening in het onderwijs bewezen hebt volkomen te begrijpen1 en de nog onveranderde wettelijke vereischten1 voor wie den graad van ,doctor in die wetenschap verlangt4 ,in ,nederland worden thans nog geneeskundige studien volbragt1 zonder dat de grondslagen der physiologie van den gezonden en van den zieken mensch1 de weefselleer en de ziektekundige ontleedkunde1 tot de verpligte lessen behooren4 ,in ,nederland worden thans nog wettig ,doctoren gecreerd in de genees-1 heel- en verloskunde1 zonder dat bewijzen van bekwaamheid in de genoemde wetenschappen worden gevorderd4--,ik koester met vertrouwende gerustheid den wensch1 dat uw veelvermogende invloed niet zal in gebreke blijven1 tot herstelling van het hier verbroken evenwigt bij te dragen4 ,maar reeds week ik te ver af van de gevoelens1 die mij bezielden1 toen ik mij tot u wendde4 ,indien ik plegtig verklaar1 dat aan de loopbaan1 die gij voor mij geopend hebt1 het geluk mijns levens innig verbonden is1 dat de later van u ontvangene blijken van welwillende belangstelling eenen diepen indruk hebben gemaakt op mijn gemoed1 en dat mijn hart warm en erkentelijk is1 dan hebt gij den maatstaf der dankbaarheid1 die mij jegens u bezielen moet4 ,maar uw in mij gesteld vertrouwen droeg niet slechts bij tot mijn geluk3 het was mij daarenboven in de hoogste mate vereerend4 ,het zou overbodig zijn1 en gewis mij weinig passen1 over uwe groote verdiensten voor deze ,hoogeschool uit te weiden3 alleen op de getuigenis van hen1 die het langen tijd van nabij gezien en ondervonden hebben1 kondt gij eenigen prijs stellen1--en dt ontbrak u nimmer4 ,maar ik voel mij toch gedrongen u te zeggen1 dat uw vertrouwen mij in te hoogere mate vereert1 naargelang uwe waarachtig belangstellende zorgen voor de ,hoogeschool in zoovele anderen uwer bemoeijingen duidelijker zijn afgedrukt2 ja6 dat ik er trotsch op ben1 door u tot eene betrekking te zijn voorgedragen1 waarvan het volle gewigt mij levendig voor den geest staat4 ,ik heb mij als levensdoel gesteld1 aan uw vereerend vertrouwen naar mijne krachten waardiglijk te beantwoorden4 ,geene poging hiertoe zal onbeproefd blijven2 maar dikwijls1 ik gevoel het1 zal ik uwe welwillende ondersteuning hiertoe moeten inroepen4 ,reeds hebt gij mij geleerd1 dit met vertrouwen te doen1--en door uwe handelingen mij den wensch in den mond gelegd1 dat gij nog eene lange reeks van jaren1 altijd even ijverig bijgestaan door uwen hooggeschatten1 wakkeren ,secretaris1 aan het welzijn der ,hooggeschool uwe goede zorgen moogt toewijden4 99 99 99 99 99 ,ook tot u1 ,weledele ,hooggeleerde ,heeren1 waarde ,ambtgenooten1 en ,zeer ,geleerde ,heeren ,lectoren6 rigt ik mij met volle vertrouwen4 ,doorloop ik uwe rijen1 dan ontdek ik mannen1 die1 grijs geworden in wetenschap en letterroem1 mij hooge achting1 diep ontzag inboezemen2 maar ik zie ook onder u geerde ,leermeesters1 die mij altijd met heusche welwillendheid den weg tot wetenschap hebben aangewezen1--vrienden1 die mij met hunnen omgang vereerden1 vr ik hen als ,ambtgenooten mogt begroeten2 en in u allen herken ik ambtgenooten1 die mij welwillend zijt te gemoet getreden1 toen een koninklijk besluit mij aan uwe zijde plaatste4 ,ik wierp met u een' blik op de prachtvolle harmonie van het dierlijk leven1--en al die pracht zagen wij aan ijzeren boeijen geketend4 ,maar een hooger beginsel ademt de harmonie1 waarmede gij eenparig streeft naar hetzelfde verheven doel3 want1 in dit streven kent gij geene wetten1 ziet gij geene noodzakelijkheid4 ,gij gevoelt3 het geschiedt met bewustzijn1 het berust op vrije wilsbepaling4--,thans ben ik geroepen1 om mij met u tot ontwikkeling der hoogere vermogens van den mensch te vereenigen4 ,die taak rust zwaar mij op de schouders4 ,mijne beste pogingen1 om hierin harmonisch met u zamen te stemmen1 zou ik gewis dikwijls zien verijdeld1 wanneer gij niet steeds gereed stondet1 mij welwillend de hand tot ondersteuning toe te reiken4 ,dit zij hierom de bede1 tot u allen gerigt--de bede1 waarmede ik mij dringend1 maar ook vol vertrouwen1 wende tot de leermeesters mijner academiejaren1 die ook later nimmer ophielden1 mij voor te lichten op het pad der wetenschap4 99 99 99 99 99 ,maar ik zie onder u nog een' vriend1 een' leermeester van latere jaren1 wiens naam luide weergalmt in de tempelen der wetenschap1 wiens geest kracht heeft en moed1 wiens hart gloeit voor wat goed en edel is4 ,ik weet het1 ,mulder6 gij zijt afkeerig van openlijk huldebetoon4 ,wierook-walmen stijgen niet tot u op4 ,maar mag het hulde heeten1 wanneer ik zeg1 dat gij nimmer hebt opgehouden1 mijn' blik in de natuur en in de menschenwereld te verruimen1 dat gij altijd en overal mijne belangen met vurigen ijver hebt behartigd1 dat1 wanneer ik1 door leed of angst geprangd1 naar een' vriend omzag1 gij aan mijne zijde stondt6444 ,neen6 hulde mag het niet heeten1 waar1 voor sprekende feiten1 zwakke woorden in de plaats treden4--,ik gevoel het1 ,mulder6 ik heb noch den geest krachtig1 noch het hart warm genoeg1 om beide bij u te bevredigen2 maar rein zijn toch de vriendschap en dankbaarheid1 die mij bezielen--en gij zult ook de kleine bron niet versmaden1 wanneer ze u frisch en helder water biedt4 99 99 99 99 99 ,hartelijk verheugt het mij1 ook u hier te zien1 ,wel ,edelgestrenge1 ,zeer ,geleerde ,heeren6 die ik1 nog kort geleden1 de eer had1 mijne ,ambtgenooten te noemen4 ,ik wist het1 dat gij een levendig deel naamt in de mij te beurt gevallen onderscheiding2 en uwe tegenwoordigheid op deze plaats is mij hiervan een nieuw bewijs4 ,de vijf volle jaren waarin wij onze krachten tot n doel zamenspanden1 waren de gewigtigsten mijns levens4 ,aan deze1 en voor een groot deel aan ,u1 ben ik mijne wetenschappelijke vorming inzonderheid verschuldigd4 ,ik herdenk het met zoo veel voldoening1 hoe ik dagelijks door uwen ijver werd aangewakkerd1 hoe ik dagelijks mij kon spiegelen aan naauwgezette pligtsbetrachting1 hoe gij mij dagelijks deedt ondervinden1 dat ik met vrienden leefde4 ,hebt dank voor uwe hartelijke gezindheid mijwaarts1 die zich nimmer verloochende2 en1 mogen wij niet langer door ambtsbetrekking vereenigd zijn1--de heilige band1 die tot de minste sporen van misverstand en tweedragt steeds uit ons midden weerde1 blijve ook thans hechter dan immer gesloten6 99 99 99 99 99 ,ten slotte wend ik mij tot u1 ,aanzienlijke ,schaar van ,jongelingen6 want aan u is mijn volgend leven toegewijd4 ,ik ben geroepen1 om u voor te gaan op den weg tot wetenschap2 en zucht tot kennis brandt in u allen4 ,ziet6 zoo is reeds eene harmonische betrekking tusschen ons geboren4--,zoekt gij bij mij de veelomvattende kennis en grondige geleerdheid1 die wij vereeren en hoogschatten alleen in mannen1 wier leven onafgebroken aan ijverige studie gewijd was1 ik moet u teleurstellen maar verlangt gij bereidvaardigheid in het ondersteunen uwer pogingen1 ijver en lust om u nuttig te zijn1 ik bied ze u van ganscher harte aan4 ,en wij kunnen immers gezamenlijk het veld onzer kennis uitbreiden4 ,gij toch1 die u toewijdt aan de beoefening der natuurkundige wetenschappen1 waaronder ik ook de geneeskundige begrepen acht1 gij weet het1 hoe men tot waarachtige kennis kan opklimmen4 ,de kennis1 die gij verlangt1 ligt in de voorwerpen en verschijnselen der natuur opgesloten3 zintuigelijke waarneming van deze is de nige wijze1 waarop zij te verkrijgen is4 ,van de stelling uitgaande1 dat niets wat waarneembaar is1 wordt gekend1 vr het is waargenomen1 moet het steeds mijn streven zijn1 u de voorwerpen en verschijnselen der ,natuur waarneembaar voor te stellen4 ,en z immers is ons de gelegenheid gegeven1 gezamenlijk kennis op te doen4 ,ik wil niet tot u spreken als een boek1 en daarom behoef ik ook niet de geleerdheid van een boek2 maar ik zal trachten1 uwe zintuigen te scherpen1 en ze met uwen geest in nader verband te brengen4 ,gij moet leeren zien1 hooren1 ruiken1 proeven en tasten2 en gij moet het bewustzijn hebben1 dat gij met deze vermogens tot ware kennis kunt geraken4 ,daarin bestaat het groote geheim1 om zelfstandig te worden4 ,hebt gij de indrukken zelf uit de natuur opgezameld1 gij zult ze gemakkelijk leeren ordenen4 ,die kennis is dan uw eigendom1 dien niemand u kan betwisten2 en op dien grond zijt gij nu zelfstandig4 ,geene andere lauweren verlang ik in mijnen werkkring1 dan iets te mogen bijdragen1 om u tot die zelfstandigheid te vormen4