,,benedictus ,,de ,,spinoza ,,ethica ,,vertaald1 ,,ingeleid ,,en ,,toegelicht ,,door ,,jhr4 ,,dr4 ,,nico ,,van ,,suchtelen ,,met #b ,,portretten ,,ethica ,,wereldbibliotheek ,,onder ,,leiding ,,van ,l4 ,,simons4 ,,uitgegeven ,,door ,,de ,,maatschappij ,,voor ,,goede ,,en ,,goedkoope ,,lectuur4 ,,amsterdam ,,benedictus ,,de ,,spinoza ,,ethica ,,in ,,meetkundigen ,,trant ,,uiteengezet ,,vertaald1 ,,ingeleid ,,en ,,toegelicht ,,door ,jhr4 ,dr4 ,,nico ,,van ,,suchtelen ,,met #b ,,portretten ,,gedrukt ,,ter ,,drukkerij ,,de ,,degel1 ,,amsterdam ,illustratie3 ,,spinoza op #cc- of #cd jarigen leeftijd 7,schilder onbekend7 99 99 99 99 99 ,,voorwoord 99 99 99 99 99 ,baruch1 later genaamd ,benedictus de ,spinoza 7de ,espinoza7 werd den #bdsten ,november #afcb te ,amsterdam geboren4 ,zijn ouders behoorden beiden tot een naar ,holland uitgeweken geslacht van ,portugeesche ,joden4 ,van zijn zevende jaar af werd hij opgevoed op de ,talmoed-,thora-school1 waar hij onderwezen werd in de ,hebreeuwsche taal1 schriftgeleerdheid en filosofie1 alsook in het ,spaansch2 de laatste jaren onder leiding van den bekenden rabbijn ,morteira4 ,zijn buitengewone scherpzinnigheid trok reeds vroeg de aandacht zijner leermeesters en deed hen groote verwachtingen omtrent hem koesteren1 maar al spoedig bracht zij hem in botsing met het dogmatisch wetsgeloof4 ,het conflict werd steeds scherper1 en ofschoon men den jongen geleerde herhaaldelijk1 zoowel door bedreiging als door beloften 7een jaargeld van duizend gulden dat hem werd aangeboden op voorwaarde dat hij zich althans uiterlijk aan de kerk zou onderwerpen1 werd door hem van de hand gewezen7 voor het ,jodendom trachtte te behouden1 verwekten zijn kritiek en verzet tenslotte zulk een ergernis dat hij den #bgsten ,juli #afef plechtiglijk door den banvloek uit de ,joodsche gemeenschap werd gestooten4 ,een tijd lang was de uitgebannen ,jood nu huisgenoot en leerling van den katholieken medicus ,dr4 ,franciscus van den ,enden1 een hoogst bekwaam man doch berucht vrijgeest1 die een gunstig bekende en druk bezochte ,latijnsche school bestuurde4 ,spinoza1 die tot dusver slechts de ,joodsche wetenschappen beoefend had1 werd door hem in het ,latijn onderwezen en tevens grondig ingewijd in de filosofie van ,descartes en de verschillende natuurwetenschappen4 ,bij van den ,enden1 en ook onder de ,collegianten 7,doopsgezinden7 wier vergaderingen hij herhaaldelijk bezocht1 ontmoette hij zijn eerste vrienden en aanhangers2 voor welken kleinen kring hij tusschen #afeh en #affj de ,korte ,verhandeling van ,god1 de ,mensch en deszelfs welstand schreef1 een werk dat als het eerste ontwerp der ,ethica is te beschouwen4 ,het werd door de vrienden als handschrift voorgelezen en besproken 7evenals later de brieven van den wijsgeer onder hen circuleerden7 en verscheen eerst na zijn dood in druk4 ,in den laatsten tijd van zijn verblijf bij van den ,enden1 toen hij zijn leermeester bij diens onderwijs behulpzaam was1 schreef hij waarschijnlijk ook het onvoltooid gebleven ,tractatus de ,intellectus ,emendatione 7,verhandeling over de verbetering des ,verstands7 waarin de schoone inleiding over de redenen die hem noopten zijn leven aan de wijsbegeerte te gaan wijden,v#a4 ,het schijnt dat het gestook der teleurgestelde en verbitterde rabbijnen ,spinoza aanleiding gaf ,amsterdam te verlaten2 misschien ook dreef hem behoefte aan minder drukke omgeving3 in #affa althans vestigde hij zich in ,rijnsburg4 ,hier schreef en publiceerde hij 7#affc7 een ten behoeve van een leerling geschreven verhandeling over de beginselen der filosofie van ,descartes 7,principia philosophiae cartesianae7 met een aanhangsel ,cogitata metaphysica 7,metaphysische overdenkingen74 ,in #affc verhuisde hij naar ,voorburg1 vandaar trok hij in #affi naar ,den ,haag1 waar hij tot zijn dood1 den #basten ,februari #afgg bleef4 ,voetnoot #a3 ,de vertaling dier inleidende beschouwing doe ik aan de ,ethica voorafgaan4 ,ofschoon ,spinoza's leven niet z eenzaam en teruggetrokken was als men vroeger meende--hij onderhield omgang1 soms zeer drukken omgang1 met tal van personen1 waaronder verscheidene geleerde en aanzienlijke lieden1 die het gezelschap van den diepzinnigen1 maar bescheiden en beminnelijken denker gaarne zochten--bleef hij toch zeldzaam onafhankelijk van menschen en omstandigheden4 ,al was zijn leer volstrekt niet asketisch1 in de praktijk stelde hij zich met uiterst weinig tevreden4 ,zijn karig levensonderhoud verdiende hij met het slijpen van brilleglazen en lenzen1 in welk ambacht hij1 naar het oordeel van mannen als ,christiaan ,huygens1 een groote bedrevenheid bezat4 ,een jaargeld1 hem door een bewonderaar aangeboden1 weigerde hij en eerst toen het hem als legaat werd vermaakt1 aanvaardde hij er een klein gedeelte van4 ,ook een ,fransch jaargeld wilde hij niet aannemen4 ,het professoraat te ,heidelberg1 hem in #afgc door den keurvorst ,karl ,ludwig van de ,palts aangeboden1 sloeg hij af4 ,alle hebzucht1 ijdelheid en eerzucht waren hem vreemd4 ,maar ook alle valsche bescheidenheid4 ,als hij zijn vrienden verzocht toch vooral zijn leer niet aan de groote klok te hangen en er in #afge1 na een verwoede agitatie der geestelijkheid en der ,cartesianen1 van afzag de ,ethica nog tijdens zijn leven te publiceeren1 zoo was het geen bescheidenheid en nog minder vrees die hem daartoe bewogen4 ,door de publicatie in #afgj van zijn ,tractatus theologico-politicus 7,godgeleerd-staatkundig vertoog71 een werk waarvan ieder wist1 hoewel het anoniem verscheen1 dat hj de schrijver was en welks onvervaarde bijbelkritiek heel de godgeleerde wereld deed ontstellen en tegen hem in het harnas joeg1 had hij getoond waar het noodig was de benepen laatdunkendheid der theologanten van dien tijd te durven tarten en met fijnste ironie te kunnen hoonen4 ,maar liever dan strijd wilde hij rust4 ,hij was een dier zeer schaarschen onder de groote geesten1 die in kalme zelfbewustheid1 in het stil-trotsche besef van te arbeiden voor de eeuwigheid1 terwille van zijn werkkracht afstand kon doen van elk door nuttelooze ijdelheid ingeblazen getwist4 ,zijn hoog-voorname gezindheid schuwde al het heftige1 opzichtige en buitensporige4 ,en zoo ging zijn leven1 na dien eersten stormachtigen tijd zijner uitbanning 7die intusschen zijn eigen gemoedsrust minder verstoorde dan die zijner vijanden7 effen en kalm voorbij in rustigen arbeid4 ,en even rustig1 onverward en onvervaard wachtte hij den dood1 waarmede de tering hem jarenlang bedreigde4 ,dadelijk na zijn dood had zijn huisheer1 volgens ,spinoza's eigen opdracht1 den lessenaar die het handschrift der ,ethica en der overige onuitgegeven werken bevatte1 aan de vrienden in ,amsterdam gezonden en reeds in het einde van hetzelfde jaar verschenen zij in het licht4,v#b ,voetnoot #b3 ,de uitvoerigste levensbeschrijving van ,spinoza is te vinden in het voortreffelijke werk van ,k4,o4 ,meinsma3 ,spinoza en zijn ,kring4 ,de kern van ,spinoza's leer is in het kort aldus te formuleeren3 ,er is n iets dat op-zichzelf1 uit eigen kracht1 als zijns-zelfs-oorzaak bestaat4 ,dit is de ,substantie1 het zelfstandige1 ,god4 ,deze substantie is eeuwig1 en oneindig vele zijn haar attributen 7kenmerken71 ofschoon wij menschen daarvan slechts twee1 het ,denken en de ,uitgebreidheid 7,geest en ,materie7 kennen4 ,alle bijzondere dingen1 heel de verschijningswereld waarin wij leven1 zijn wijzigingen 7modi71 dat wil zeggen eindige1 tijdelijke en vergankelijke openbaringen van de eeuwige1 oneindige godheid1 waarin alles bestaat1 op- en ondergaat4 ,zoo is onze geest een straal van ,gods geest1 ons lichaam een deel van ,gods lichaam1 en uit het redelijk bewustzijn1 het klare en duidelijke begrip dezer eenheid1 ontbloeit de geestelijke liefde tot ,god1 die niets anders is dan de bewustwording van ,godzelf in onzen eigen geest2 en hierin ligt onze verlossing en gelukzaligheid4 ,dit is de leer van den klaren denker en vromen mysticus die als godslasteraar uit de ,joodsche kerkgemeenschap gebannen en door christelijke dominees als grouwelijck atheist werd aangeblaft4 ,of ,spinoza deze eenheid van ,god en ,wereld werkelijk overtuigend bewezen heeft en of zijn zedeleer van zachtzinnige kracht en kalme berusting1 van wl doen en blij zijn1 werkelijk alln uit zjn systeem kan voortvloeien8 ,spinoza zelf leefde in het ongeschokt vertrouwen dat hj in het bezit was der ware wijsbegeerte,v#c2 maar al konden wj in zijn werk misschien niet anders zien dan een eerlijke1 of zelfs de eerlijkste poging om de waarheid te benaderen1 dit behoeft toch onze bewondering en liefde niet te verkleinen4 ,bij ons nog z ontoereikend denken is voorloopig nog niet wt1 maar he men denkt hoofdzaak4 ,men moet het werk van een wijsgeer beschouwen en genieten als het werk van een groot schilder2 de leer bij den een is evenmin onverschillig als de voorstelling bij den ander2 maar zij is evenmin hoofdzaak4 ,de ontroering1 het wezenlijke waardoor wij ons n voelen met den wil1 de innerlijke bedoeling van den schepper1 ontspruit uit het he1 uit het meevoelen1 het meeleven met die bewogenheid die in de scheppingsdaad zelf zich openbaart4 ,de ware wijsheid die een wijsgeer ons meedeelt is niet de positieve formule1 het vaste systeem dat wij als een lesje kunnen napraten1 maar geheel zijn wijze van denken en zijn1 waarin zijn bijzondere virtuositeit van uiting ons dwingt onszelf te verplaatsen4 ,het kan zijn dat men deze wijze van denken en zijn volkomen begrijpt1 in zich opneemt1 en toch tot gedeeltelijk of geheel andere formeele gevolgtrekkingen komt als de wijsgeer zelf4 ,het verstandelijk1 kritisch oordeel over de waarde eener leer raakt daarom tot op zekere hoogte volstrekt niet aan de beteekenis van de in haar tot uiting gekomen wijsheid4 ,voetnoot #c3 ,brief aan ,albert ,burgh 7,,lxxvi73 ,ik onderstel niet dat ik de beste filosofie heb uitgevonden1 maar ik weet dat ik de ware begrijp4 ,ook bij ,spinoza is dit het geval4 ,ik wil in geenen deele de groote beteekenis van zijn leer als logisch systeem1 van haar scherp formuleerbare bewijzen of zelfs beweringen1 ontkennen4 ,maar het zijn niet deze dingen op zichzelf1 het is niet de verloochening van het dualisme1 de onttroning van ,god als schepper en willekeurig bestuurder eener buiten hem staande wereld2 niet de bevrijding uit de antropocentrische,v#d wereldbeschouwing en het anthropomorphe,v#e godsbegrip2 niet zijn nog voor de hedendaagsche denkbeelden voorbeeldige theorie omtrent het parallelisme van geest en materie2 niet die scherpe en objectieve behandeling der gemoedsaandoeningen1 welke door de moderne psychologie misschien wat is uitgebreid1 maar in den grond der zaak niet werd verbeterd2 het is niet deze positieve en radikale voortzetting en ontwikkeling van de denkbeelden van ,descartes1 de ,occasionalisten of wie ook2 al dit duidelijk formuleerbare en historisch waardeerbare is het niet wat ons het meest in ,spinoza's werk ontroert4 ,het is zeker geen gering intellektueel genot telkens in ,spinoza's geschriften bronnen te ontdekken van zoovele ons thans vertrouwde denkbeelden en theorien1 maar het is tenslotte niet drom dat wie ns zijn troost bij hem vond1 ook later1 en steeds met denzelfden eerbied en dezelfde liefde naar hem blijft luisteren4 ,neen1 het is het diep besef dat de moed1 de eerlijkheid en de kracht van zijn denken nog steeds ongevenaarde voorbeelden zijn en nog lang zullen blijven voor alle wijsgeerige gelukzoekers1 die niet tot het volle bewustzijn hunner eigen goddelijkheid konden stijgen2 het is de veilige zekerheid dat hij1 een mensch1 de rust en de kracht en de liefde kende en dat dus ook wij kunnen veroveren wat nu1 meer dan twee eeuwen na zijn dood1 zelfs voor een verlichter menschdom een nog te verheven leuze en daardoor veelal een ijdele frase is3 harmonie met het eeuwige en oneindige leven4 ,voetnoot #d3 ,waarbij de mensch 7anthropos7 als middelpunt1 als hoofdzaak1 beschouwd wordt4 ,voetnoot #e3 ,menschvormig4 ,omstreeks twintig jaar geleden1 toen ik studeerde voor het staatsexamen1 besloot ik ter oefening en afwisseling ook eens iets anders te lezen dan alleen klassieken4 ,mijn keus viel toen voor het ,grieksch op het ,nieuwe ,testament1 voor het ,latijn op ,spinoza's ,ethica1 twee werken1 mij voordien nagenoeg onbekend4 ,van beiden heb ik mr geleerd dan een beetje ,grieksch en ,latijn2 ik heb ze bewonderd als twee van de meest grootsche geestelijke scheppingen die de menschheid bezit4 ,maar ontroerde mij het eerste alleen als een schoon1 maar onmiskenbaar verzonnen verhaal met een onreele tendens3 de navolging van het onbereikbare2 het tweede stond vr mij als een geweldige wereld van werkelijkheden die voor alle zoekend verlangen overal stevig houvast scheen te bieden4 ,en in ,spinoza zag ik den mensch die werkelijk voorbeeldig1 wijl werkelijk navolgbaar1 was4 ,en terwijl ik thans1--nu niet in een tijd van igen ,sturm und ,drang1 maar te midden van het onbeschaafde strijdrumoer van heel een verdwaasde en verwilderde wereld1--mij voor deze vertaling opnieuw in het rustig voorname werk moest verdiepen1 kwam telkens de herinnering aan die eerste verrassing en blijden vrede weer in mij op4 ,met schroom was ik begonnen2 zou ik ook van dze wijsheid vervreemd blijken8 ,zoovele reele stand- en steunpunten en stevige houvasten waren niets dan verraderlijke klippen gebleken1 waarop het argeloos denken strandde4 ,maar ofschoon ik al die eens zorgvuldig nageplozen stellingen wel met gansch andere oogen herzag1 nog leeft onverzwakt diezelfde dankbare bewondering voor den geest1 die iederen zin van zijn werk vervult1 dien trotschen1 vrijen1 onverbiddelijk eerlijken wil tot begrijpen der dingen1 die het wezenlijke van ,spinoza's denken is en die zijn filosofie gemaakt heeft tot den hoeksteen der geheele moderne wijsbegeerte en zielkunde4 ,ik deel deze persoonlijke ervaring mede omdat zij de herinnering is van tallooze jonge geesten die zich eens ontworstelden aan de knechtschap van oude vooroordeelen1 omdat zij welhaast de herinnering zijn zal van heel de denkende menschheid4 ,zij is dezelfde ervaring die ,goethe opdeed1 toen hij eens na langen tusschentijd ,spinoza's werken weder ter hand nam3 ,dezelfde atmosfeer van vrede woei mij weer aan4 ,ik gaf mij geheel aan de lectuur over en dacht1 terwijl ik in mijn eigen binnenste keek1 nooit z duidelijk de wereld te hebben gezien4,v#f ,voetnoot #f3 ,wahrheit und ,dichtung aus meinem ,leben1 ,buch ,,xvi4 ,hen kai pan1 7n en al7 iets anders ken ik niet meer zeide ,lessing in een gesprek met ,jacobi 7#aghj7 ,er is geen andere filosofie dan die van ,spinoza4 ,en ,hegel3 ,het is deze morgenlandsche opvatting1 die door ,spinoza het eerst in het avondland werd uitgesproken4 ,het denken moet zich op het standpunt van het ,spinozisme geplaatst hebben1 dit is het wezenlijke begin van alle filosofeeren4 ,als men begint te filosofeeren1 moet men allereerst ,spinozist zijn4 ,de ziel moet zich baden in dezen aether der ne substantie1 waarin al wat men eens voor waar hield is ten onder gegaan4 ,het is deze negatie van alle bijzonderheid1 waartoe elk wijsgeer eens moet zijn gekomen2 het is de bevrijding van den geest en zijn absolute grondslag4,v#g ,voetnoot #g3 ,geschichte der ,philosophie4 ,werke ,band ,,xv4 ,ed4 #ahcf4 ,en ,schelling3 ,niemand mag hopen tot waarheid en volmaaktheid in de filosofie te zullen voortschrijden1 zoo hij niet althans ns in zijn leven zich in den afgrond van het ,spinozisme heeft laten verzinken4,v#h ,voetnoot #h3 ,werke4 ,erste ,abt4 ,band ,x4 ,ja1 de voorganger van alle groote denkers en dichters van den nieuwen tijd1 de verlosser voor tallooze geestelijk benauwden en gekerkerden was hij3 ,spinoza1 de blijde boodschapper der mondige menschheid4,v#i ,voetnoot #i3 ,van ,vloten4 ,men heeft het betreurd dat ,spinoza zijn leer uiteen zette volgens meetkundige methode1 dat hij zijn levenswerk dien overbodigen1 sommigen zeggen ongenietbaren vorm gaf4 ,het lijkt alles zeer scherpzinnig en het zal wel zeer verheven zijn1 zeggen deze lieden2 maar het klinkt zoo nuchter1 zoo koel1 zoo erg klaar bewust4 ,zijn systeem zegt ,windelband1 is misschien wel het meest indrukwekkende begrips-poem 7,begriffsdichtung7 dat ooit een menschelijk brein ontsprong2 het strikt logische van zijn denken en de klare zuiverheid van zijn overtuiging verzekeren hem de bewondering van het nageslacht4 ,maar steeds zal ook de onoplosbare tegenstrijdigheid tusschen den gloed zijner godsliefde en de snijdende kilheid zijner wereldbeschouwing de rust afbreuk doen waarin men den geweldigen samenhang zijner gedachten zou wenschen te genieten4,v#aj ,voetnoot #aj3 ,geschichte der neueren ,philosophie1 #a4 ,illustratie3 ,spinoza op #ci-;jarigen leeftijd ,naar een schilderij van ,hendrik van der ,spyck ,zelfs ,heinrich ,heine noemt de mathematische bewijsvoering een groot gebrek4 ,de wiskundige vorm geeft ,spinoza een stug uiterlijk4 ,maar ,heine1 de dichter1 die toch naar de meening der hierboven bedoelde spijtige bewonderaars een sterker afkeer behoorde te hebben van alle zoogenaamd koud en dor intellektualisme dan de geleerde filosofie-historicus1 ,heine vervolgde3 ,maar dit is als de ruwe schil der amandel1 de kern is des te verblijdender4 ,bij de lectuur van ,spinoza grijpt ons een gevoel aan als bij den aanblik der natuur in haar diepst-levende rust4 ,een woud van hemelhooge gedachten1 wier bloeiende toppen in wuivende beweging zijn terwijl de onwrikbare stammen wortelen in de eeuwige aarde4 ,er is in de geschriften van ,spinoza een zekere atmosfeer die onverklaarbaar is4 ,het is alsof de luwten der toekomst ons er uit tegenwaaien4,v#aa ,voetnoot #aa3 ,geschichte der ,religion und ,philosophie in ,deutschland4 ,inderdaad1 ,spinoza's gedachten zjn nuchter1 koel en klaar4 ,wat mogen wij anders verwachten van den man voor wien klaar en duidelijk begrijpen het hoogste was8 ,maar zij zijn nuchter1 koel en klaar als een ijle dageraad in vroege lente1 wanneer heel de natuur is als een stille glimlach van rustig-zekere verwachting1 zij zijn van een schoonheid even verheven1 een blijheid even zuiver en een innigheid even wonderbaar teer4 ,eer dan zich te bedroeven over zijn strengen betoogtrant1 moest men zich er over verheugen dat nochtans zulk een warme gloed van liefde heel zijn werk overstraalt4 ,spinoza's koel verstand heeft nooit zijn warm gemoed verlamd of onderdrukt1 maar het integendeel geleid uit de onzekere verwarring van zijn jeugdige hartstochten naar de veilige hoogheid eener dankbaar geerbiedigde redelijkheid4 ,zijn intellectualisme berust niet op gemis1 maar op loutering van gevoel2 nooit heeft zich een dwaas verlangend hart1 na zwaren strijd1 rustiger1 blijder en dankbaarder onderworpen aan de ,rede dan het zijne4 ,die onderwerping was in waarheid bevrijding4 ,en is men wel zoo zeker dat diezelfde gemoedswarmte ons koesteren zou als ,spinoza een nderen vorm gekozen had8 ,is het niet eigenlijk een pedanterie te beweren dat ,spinoza zijn gedachten op andere wijze beter had kunnen uiten8 ,maar ,spinoza ks immers dien vorm en hij was er de man niet naar om iets onbezonnen te doen1 zonder zich rekenschap te geven van zijn bedoeling er mede1 allerminst zooiets als het schrijven van zijn levenswerk4 ,en wie ,spinoza's leven en denkwijze1 en leven en denkwijze zijner omgeving eenigszins kent1 voelt ook al spoedig dat die veelgesmade wiskundige bewijstrant voor hm1 den opvolger van ,descartes1 den vriend van ,jan de ,wit1 ,christiaan ,huygens en van zooveel andere vermaarde wiskunstenaars1 de eenige doelmatige moest schijnen om in dien gistenden1 troebelen tijd zijn klare waarheden te betoogen4 ,men moge achteraf beweren1 en mijns inziens volkomen terecht1 dat de wiskundige bewijsvoering voor wijsgeerige stellingen1 welke toch ten slotte steeds slechts min of meer aannemelijke beweringen zijn1 alle bewijs kracht mist2 de eigenlijke beteekenis der methode is ook een geheel andere4 ,zij is een grootsche propagandistische betooging tegen de kinderachtige en nuttelooze dweperij van allerlei warhoofden1 die liever over ,god1 ,wereld en ,mensch grondeloos fantaseeren naar het hen wordt ingegeven door hun zoogenaamde gevoel 7waaronder zij dan al hun verwarde1 verdoezelde voorstellingen verstaan7 dan met hun verstand1 het hoogste vermogen dat ,god hen gaf1 er werkelijk over te dnken4 ,weest in uw denken over de hoogste levensvraagstukken zoo nuchter1 dat wil zeggen zoo onbevooroordeeld1 zoo koel1 dat wil zeggen zoo onbevreesd voor den uitslag1 zoo absoluut eerlijk1 als de wiskundige is bij het denken over cirkels en driehoeken4 ,eerst wanneer ge u tot die geestelijke hoogheid hebt opgewerkt1 wil ,spinoza zeggen1 is u de weg geopend tot klaar en duidelijk begrip1 tot liefde en tot zaligheid4 ,october #aiae4 ,n4 v4 ,,suchtelen4 ,,benedictus ,,de ,,spinoza ,,verhandeling ,,over ,,de ,,verbetering ,,des ,,verstands 7,inleidende beschouwing7 99 99 99 99 99 ,,verhandeling ,,over ,,de ,,verbetering ,,des ,,verstands 99 99 99 99 99 7,,inleidende ,,beschouwing7 ,nadat de ervaring mij geleerd had1 dat al wat zoo in het gewone leven voorkomt ijdel en nietig is1 en ik inzag dat alles waarvoor en wat ik vreesde niets goeds noch kwaads bevatte1 tenzij alleen voor zoover mijn gemoed er door bewogen werd1 besloot ik eindelijk te onderzoeken of er ook iets bestond dat een waarachtig goed was1 dat men deelachtig zou kunnen worden en waardoor alleen1 met verwerping van al het overige1 de ziel kon worden vervuld2 kortom1 of er iets bestond waardoor ik1 wanneer ik het gevonden en bereikt had1 een gestadige en hoogste blijheid eeuwiglijk zou genieten4 ,ik zeg dat ik hiertoe eindelijk besloot2 op het eerste gezicht immers scheen het ongeraden terwille van een vooralsnog onzekere zaak iets zekers te laten varen3 zag ik toch de gemakken welke door eer en rijkdom verkregen worden en dat ik genoodzaakt zou zijn van het streven daarnaar af te zien1 indien ik ernstig werk wilde maken van iets nieuws4 ,zoo misschien het hoogste geluk in hn lag1 dan zou ik dit--ik zag dat duidelijk in--moeten missen4 ,lag het evenwel net in hen1 zoo zou ik1 indien ik toch naar deze zaken streefde1 ook dn het hoogste geluk moeten ontberen4 ,ik overwoog daarom in mijn gemoed of het wellicht mogelijk zou zijn tot een nieuwe levensinrichting1 of althans tot de zekerheid daaromtrent te geraken1 zonder den gewonen gang en inrichting van mijn leven te wijzigen2 wat ik dikwijls te vergeefs beproefd heb4 ,want de dingen die zich het meest doen gelden in het leven1 en door de menschen1 gelijk men uit hun daden kan opmaken1 voor het hoogste goed worden gehouden1 kunnen tot drie worden terug gebracht1 te weten3 rijkdom1 eer en zingenot4 ,door deze drie wordt de geest dermate in beslag genomen1 dat hij nagenoeg niet meer aan eenig ander goed kan denken4 ,wat het zingenot betreft1 hierin blijft de ziel evenzeer bevangen als hadde zij in iets goeds bevrediging gevonden2 waardoor zij grootelijks belemmerd wordt aan iets anders te denken4 ,na het genot volgt echter de diepste droefenis1 welke1 ook al houdt zij den geest niet langer gevangen1 hem toch verwart en verlamt4 ,door eer en rijkdom na te jagen wordt de geest niet minder afgeleid1 vooral waar deze slechts om hun zelfs wil gezocht worden1 wijl dan voorondersteld wordt dat zijzelf hoogste goed zijn4 ,wel het meest echter wordt de geest uit zijn koers gebracht door de eerzucht2 immers eer wordt steeds als op zichzelf goed beschouwd1 als een einddoel1 waarnaar alles zich richten moet4 ,voorts bestaat er voor deze beiden niet1 gelijk voor het zingenot1 een naberouw1 doch hoe meer men van beiden bezit1 hoe meer de vreugde over hen toeneemt2 en bijgevolg worden wij ook telkens meer er toe geprikkeld beide nog te vermeerderen4 ,wordt echter onze verwachting in een of ander geval bedrogen1 zoo ontspringt hieruit alweer de diepste verslagenheid4 ,ten slotte is de eerzucht ook drdoor een groote belemmering1 wijl wij1 om in eere te komen1 noodzakelijk ons leven naar de begrippen der menschen moeten inrichten1 namelijk door te mijden of na te streven wat de menschen gemeenlijk mijden of nastreven4 ,toen ik dus zag hoe dit alles mij in den weg stond wanneer ik werk wilde maken van een nieuwe levenswijze2 ja1 dat het er zoozeer mede in strijd was dat ik f van het een f van het ander noodzakelijk afstand zou moeten doen1 voelde ik mij genoopt te onderzoeken wat voor mij het nuttigst zou zijn2 immers1 zooals ik reeds zeide1 het scheen of ik een zker goed voor een nzeker wilde loslaten4 ,nadat ik evenwel een poos hierover had gepeinsd1 meende ik allereerst dat ik1 wanneer ik dit alles los liet en mij tot het nieuwe doel aangordde1 een goed dat van nature onzeker is 7gelijk uit het hierboven gezegde duidelijk blijkt7 zou laten varen voor een weliswaar k onzeker1 doch niet van nature 7immers ik zocht juist een bestndig goed71 maar slechts wat zijn bereikbaarheid betrof4 ,bij voortgezette overweging echter kwam ik tot het inzicht dat ik1 indien ik slechts tot op den grond der zaak zou kunnen doordenken1 een zeker kwd voor een zeker goed vaarwel zei4 ,ik begreep namelijk dat ik in het hoogste gevaar verkeerde en dwong mijzelf met alle macht het geneesmiddel1 hoe onzeker ook1 te zoeken2 evenals een kranke1 aan een doodelijke ziekte lijdend1 den dood voorziende wanneer hij geen middel aanwendt1 wel genoodzaakt is dit1 hoewel het onzeker is1 met uiterste krachten aan te grijpen1 wijl immers heel zijn hoop er in gelegen is4 ,al die zaken echter1 welke de groote menigte najaagt1 zijn niet alleen geenerlei hulpmiddel tot handhaving van ons bestaan1 maar integendeel beletselen daartoe en herhaaldelijk zijn zij zelfs oorzaak van den ondergang diergenen die ze bezitten1 en steeds van den ondergang diergenen die door hen bezeten worden4 ,talrijk toch zijn de voorbeelden van hen die vervolging tot den dood toe moesten ondervinden terwille van hun rijkdommen1 en eveneens van hen die1 om schatten te verwerven1 zich aan zoovele gevaren blootstelden dat zij tenslotte hun dwaasheid met het leven boetten4 ,niet minder talrijk zijn de voorbeelden van hen die de diepste ellende moesten verduren om hun roem te verkrijgen of te handhaven4 ,talloos ten slotte zijn de voorbeelden diergenen die door al te groote genotzucht hun eigen dood hebben verhaast4 ,het kwam mij vervolgens voor dat deze euvelen hun oorsprong vonden in het feit dat heel ons geluk of ongeluk ligt uitsluitend in de geaardheid van het voorwerp dat wij in liefde aanhangen4 ,want om wat wij niet liefhebben zal nooit twist ontstaan2 het veroorzaakt geen droefheid zoo het te gronde gaat1 geen nijd zoo een ander het bezit1 geen vrees1 geen haat1 in n woord1 geenerlei gemoedsbeweging4 ,al deze aandoeningen komen slechts van pas bij de liefde tot dingen welke vergankelijk zijn1 zooals alles waarover wij zooeven spraken4 ,de liefde tot iets eeuwigs en oneindigs echter weidt de ziel in loutere blijheid en alle droefheid is haar vreemd1 wat ten zeerste begeerenswaard is en met alle kracht behoort te worden nagestreefd4 ,niet zonder reden evenwel bezigde ik de woorden3 indien ik slechts ernstig zou kunnen doordenken,v#ab want ofschoon ik dit in mijn geest zoo duidelijk had ingezien1 kon ik daarom toch nog niet alle hebzucht1 genotzucht en eerzucht afleggen4 ,voetnoot #ab3 ,in het ,latijn staat op de plaats zelf3 penitus1 grondig1 door en door1 ten einde toe2 wat met de bedoeling3 denken1 tot het einddoel bereikt is1 strookt4 ,in de aanhaling staat serio1 ernstig4 ,dit eene bemerkte ik1 dat mijn geest1 zoolang hij zich met deze overpeinzingen bezig hield1 zich van die verwerpelijke zaken afwendde en ernstig over zijn nieuwe levensdoel nadacht2 wat mij tot grooten troost strekte4 ,immers ik zag daaruit dat al dit kwade niet van dien aard was dat het voor geen geneesmiddelen wilde wijken4 ,en ofschoon in het begin deze oogenblikken zeldzaam waren en slechts uiterst kort duurden1 werden zij toch1 naarmate ik al meer en meer het ware goed leerde kennen1 talrijker en langduriger2 vooral nadat ik had ingezien dat de verwerving van geld1 of genot en roem1 slechts hinderlijk zijn zoolang zij om hunszelfs wil en niet als middel tot iets anders worden nagestreefd4 ,wanneer zij slechts als middel gezocht worden1 zal men ook maat in hen houden en zullen zij allerminst in den weg staan1 maar integendeel in hooge mate het doel1 terwille waarvan men ze zoekt1 bevorderen1 gelijk wij te zijner plaatse zullen aantoonen4 ,hier wil ik slechts nog in het kort zeggen wat ik onder een waarachtig goed versta en tevens wat het hoogste goed is4 ,om dit juist te kunnen begrijpen moet men in het oog houden dat de begrippen goed en kwaad niet anders dan in betrekkelijken zin kunnen worden gebezigd1 zoodat n en dezelfde zaak uit verschillende gezichtspunten beschouwd goed of kwaad kan zijn2 hetzelfde geldt voor de begrippen volmaakt of onvolmaakt4 ,immers niets kan op zichzelf1 in zijn eigen aard beschouwd1 volmaakt of onvolmaakt genoemd worden2 vooral sinds wij weten dat al wat geschiedt1 plaats grijpt volgens een eeuwige orde en vaste natuurwetten4 ,waar echter menschelijk vermogen die orde niet in gedachten omvatten kan en de mensch zich nochtans een voorstelling kan vormen van een menschelijken aard veel machtiger dan de eigene1 terwijl hij geenerlei beletsel ziet voor het verkrijgen van een dusdanigen aard1 wordt hij er toe gedreven naar middelen te zoeken welke hem tot zulk een volmaaktheid zouden kunnen leiden4 ,alles nu wat middel zijn kan tot bereiking van dit doel heet een waarachtig goed4 ,het hoogste goed echter is1 zoover te komen dat men1 zoo mogelijk1 met andere enkelingen samen zulk een aard verkrijgt4 ,hoedanig evenwel deze aard is1 zullen wij te zijner plaatse uiteen zetten1 waar dan blijken zal dat hij bestaat in het bewustzijn der eenheid van ,geest en ,natuur4 ,dit is dus het doel waarnaar ik streef1 namelijk zulk een aard te verkrijgen en tevens te maken dat nog velen met mij hem verkrijgen4 ,met andere woorden3 tot mijn eigen geluk behoort het mij moeite te geven dat zooveel mogelijk anderen tot hetzelfde inzicht komen als ikzelf1 dat hun verstand en begeerte geheel en al met mjn verstand en begeerte overeenstemmen4 ,hiertoe is het noodig zooveel van de ,natuur te begrijpen als volstaat om zulk een aard te verkrijgen en vervolgens om een zoodanige gemeenschap te vormen als wenschelijk is opdat zoovelen mogelijk zoo gemakkelijk en zoo zeker mogelijk hetzelfde bereiken4 ,voorts legge men zich toe op de ,zedeleer1 alsmede de ,opvoedkunde4 ,en1 wijl gezondheid geen gering hulpmiddel is om het genoemde doel te bereiken1 bestudeere men grondig de ,geneeskunde1 terwijl ook de ,mechanica in geenen deele verwaarloosd mag worden1 daar door kunstvaardigheid veel moeilijks licht gemaakt wordt en wij door haar veel tijd en moeite in het leven kunnen uitsparen4 ,maar vr alles is het noodig een middel te bedenken om het verstand te verbeteren en het1 voorzoover dit aanvankelijk gaat1 te zuiveren1 opdat het de dingen zonder dwaling en zoo goed mogelijk begrijpe4 ,een ieder kan hieruit reeds zien dat ik alle wetenschappen op n doeleinde wil richten1 te weten om1 zooals ik reeds zeide1 de hoogste menschelijke volmaaktheid te bereiken4 ,en zoo zal in de wetenschappen al wat ons niets naders brengt tot dit doel als nutteloos verworpen moeten worden2 of1 om het in n woord te zeggen2 al onze daden en gedachten behooren op dit doel gericht te zijn4 ,daar wij evenwel1 terwijl wij dit doel nastreven en trachten het verstand in het rechte spoor te brengen1 toch noodzakelijk moeten leven1 zijn wij genoodzaakt vr alles enkele levensregelen1 welke wij voorloopig voor goed houden1 aan te nemen1 en wel deze3 ,i4 ,spreek naar het bevattingsvermogen der menigte en doe verder al wat de bereiking van ons doel niet blijkbaar in den weg staat4 ,want het levert een niet gering voordeel op wanneer wij ons zooveel mogelijk bij haar bevattingsvermogen aanpassen4 ,waarbij nog komt dat men zich daardoor een welwillend gehoor voor de waarheid verschaft4 ,,ii4 ,maak van genietingen slechts gebruik voorzoover zij voor het behoud der gezondheid volstaan4 ,,iii4 ,tracht eindelijk slechts zooveel geld of andere zaken te verwerven als volstaan om het leven en de gezondheid te onderhouden en 's lands zeden1 voorzoover zij niet in strijd zijn met ons doel1 te gehoorzamen4 ,,ethica ,,in ,,meetkundigen ,,trant ,,uiteengezet ,,en ,,verdeeld ,,in ,,vijf ,,deelen ,,waarin ,,wordt ,,gehandeld3 ,i4 ,over ,god4 ,,ii4 ,over aard en oorsprong van den geest4 ,,iii4 ,over oorsprong en aard der aandoeningen4 ,,iv4 ,over de menschelijke knechtschap of de macht der aandoeningen4 ,v4 ,over de macht van het verstand of de menschelijke vrijheid4 99 99 99 99 99 ,tusschen 7 7 geplaatste woorden of zinnen zijn van ,spinoza1 verduidelijkingen tusschen van den vertaler4 ,de cijfers tusschen den tekst1,a#a etc4 verwijzen naar de aanteekeningen achterin in het werk4 99 99 99 99 99 99 99 99 99 99 ,i4 ,,over ,,god 99 99 99 99 99 ,,definities ,i4 ,onder zijns zelfs oorzaak versta ik datgene1 welks wezen,a#a het bestaan insluit1 ofwel datgene1 welks aard niet anders gedacht kan worden dan als bestaande4 ,,ii4 ,datgene noem ik eindig in zijn soort1 wat door iets anders van denzelfden aard kan worden beperkt4 ,zoo noemen wij bijvoorbeeld een lichaam eindig1 omdat wij ons steeds een grooter kunnen denken4 ,zoo wordt een gedachte door een andere beperkt4 ,doch een lichaam wordt niet beperkt door een gedachte1 noch een gedachte door een lichaam4 ,,iii4 ,onder substantie,a#b versta ik datgene1 wat op-zich-zelf bestaat en uit zichzelf moet worden begrepen2 dat wil zeggen datgene1 welks begrip niet het begrip van iets anders1 waaruit het zou moeten worden afgeleid1 vooronderstelt4 ,,iv4 ,onder attribuut,a#c versta ik datgene1 wat het verstand opvat als uitmakende het wezen eener substantie4 ,v4 ,onder bestaanswijzen,a#d versta ik de openbaringen,a#e eener substantie1 ofwel datgene wat in iets anders bestaat1 door bemiddeling waarvan het ook wordt begrepen4 ,,vi4 ,onder ,god versta ik het volstrekt oneindige wezen1 dat wil zeggen een substantie,a#f1 uit een oneindig aantal,a#g attributen bestaande1 van welke ieder voor zich een eeuwig en oneindig wezen uitdrukt4 ,toelichting3 ,ik zeg volstrekt,a#bb oneindig1 niet echter in zijn soort2 immers aan datgene wat slechts oneindig is in zijn soort kunnen wij nog oneindig veel attributen ontzeggen2 tot het wezen evenwel van wat volstrekt oneindig is behoort al wat wezen uitdrukt en dit sluit iedere ontkenning buiten4 ,,vii4 ,datgene zal vrij heeten1 wat alleen krachtens de noodwendigheid van zijn eigen aard bestaat en alleenlijk uit zichzelf tot werken wordt genoopt2 noodwendig echter1 of veeleer afhankelijk1 zal heeten wat door iets anders tot bestaan en tot een vaste en bepaalde wijze van werken wordt genoodzaakt4 ,,viii4 ,onder eeuwigheid versta ik het bestaan zelf1 voorzoover het wordt begrepen als noodwendiglijk volgende uit de definitie alleen reeds van iets eeuwigs4 ,toelichting3 ,immers een zoodanig bestaan wordt1 als zijnde een eeuwige waarheid1 opgevat als tot het wezen der zaak behoorend2 en derhalve kan het niet door duur of tijd worden verklaard1 ook al werd die duur verstaan als hebbende begin noch einde4 ,,grondwaarheden 7,,axioma',s7 ,i4 ,al wat is1 is in zichzelf of in iets anders4 ,,ii4 ,datgene1 wat niet door bemiddeling van iets anders kan worden begrepen1 moet uit zichzelf begrijpbaar zijn4 ,,iii4 ,uit een gegeven oorzaak volgt noodzakelijk een bepaalde uitwerking1 en omgekeerd3 wanneer geen bepaalde oorzaak gegeven is1 is het onmogelijk dat een uitwerking optreedt4 ,,iv4 ,de kennis eener uitwerking hangt af van de kennis der oorzaak en sluit deze in zich4 ,v4 ,dingen1 welke niets met elkaar gemeen hebben1 kunnen ook niet uit elkaar worden verklaard1 ofwel3 het begrip van het eene sluit het begrip van het andere niet in zich4 ,,vi4 ,een ware voorstelling moet met het door haar voorgestelde overeenkomen4 ,,vii4 ,van al wat als niet-bestaande gedacht kan worden1 sluit het wezen ook geen bestaan in zich4 ,,stellingen ,stelling ,i4 ,een substantie gaat van nature vr hare openbaringen4,a#h ,bewijs4 ,dit blijkt uit de ,definities ,,iii en ,v4 ,stelling ,,ii4 ,twee substanties1 met verschillende attributen1 hebben niets met elkaar gemeen4 ,bewijs4 ,dit blijkt eveneens uit ,definitie ,,iii4 ,elk van beide immers moet op-zichzelf bestaan en uit zichzelf worden begrepen1 ofwel3 het begrip van de eene sluit het begrip van de andere niet in zich4 ,stelling ,,iii4 ,van dingen die niets met elkaar gemeen hebben1 kan het eene niet de oorzaak zijn van het andere4 ,bewijs4 ,wanneer zij niets met elkaar gemeen hebben1 kunnen zij 7volgens ,ax4 ,v47 evenmin uit elkaar verklaard worden en kan dus 7volgens ,ax4 ,,iv47 het eene niet de oorzaak zijn van het andere4 ,hetgeen te bewijzen was4 ,stelling ,,iv4 ,twee of meer verschillende dingen zijn van elkaar onderscheiden f door een verschil in attributen van substanties f door een verschil in openbaringen dier substanties4 ,bewijs4 ,al wat is1 is in zichzelf of in iets anders 7,ax4 ,i472 dat wil zeggen 7vlg4 ,def4 ,,iii en ,v473 buiten ons verstand is er niets gegeven behalve substanties en hunne openbaringen4 ,derhalve is er ook buiten het verstand niets gegeven waardoor verschillende dingen onderling kunnen verschillen1 behalve substanties1 of1 wat hetzelfde is 7vlg4 ,def4 ,,iv71 behalve hunne attributen en hunne bestaanswijzen4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,v4 ,in de wereld der dingen,a#i kunnen niet twee of meer substanties van denzelfden aard of met eenzelfde attribuut bestaan4 ,bewijs4 ,indien er meerdere1 verschillende bestonden1 zouden zij van elkaar onderscheiden moeten zijn f door een verschil in attributen f door een verschil van bestaanswijzen 7vlg4 de voorgaande ,stelling74 ,indien zij zich slechts onderscheidden door een verschil in attributen1 ware hiermede reeds toegegeven dat er slechts n substantie met nzelfde attribuut bestaan kan4 ,maar indien zij zich onderscheidden door een verschil in bestaanswijzen1 zou gn substantie--aangezien toch 7vlg4 ,st4 ,i7 een substantie van nature gaat vr hare bestaanswijzen1--afgezien van hare bestaanswijzen en op zich zelf beschouwd1 dat wil zeggen 7vlg4 ,def4 ,,iii en ,ax4 ,,vi7 naar waarheid beschouwd1 gedacht kunnen worden als onderscheiden van een andere1 d4w4z4 7vlg4 de voorgaande ,st473 er zouden niet meerdere kunnen bestaan doch slechts n enkele4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,vi4 ,een substantie kan niet door een andere substantie worden voortgebracht4 ,bewijs4 ,in de wereld der dingen kunnen 7vlg4 de voorgaande ,st47 geen twee substanties bestaan met eenzelfde attribuut1 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,ii7 welke iets met elkaar gemeen hebben4 ,en derhalve kan 7vlg4 ,st4 ,,iii7 de eene niet de oorzaak zijn van de andere1 ofwel kan de eene niet door de andere worden voortgebracht4 ,h4t4b4w4 ,gevolg3 ,hieruit volgt dat een substantie niet door iets anders kan worden voortgebracht4 ,want in de wereld der dingen is niets gegeven als substanties en hunne bestaanswijzen1 gelijk blijkt uit ,ax4 ,i en ,def4 ,,iii en ,v4 ,door een substantie echter kan zij 7vlg4 de voorgaande ,st47 ook niet worden voortgebracht4 ,derhalve kan een substantie ook met geen mogelijkheid door iets anders worden voortgebracht4 ,h4t4b4w4 ,anders4 ,gemakkelijker nog valt dit te bewijzen uit de ongerijmdheid van het tegendeel4 ,want indien een substantie wl door iets anders kon worden voortgebracht1 zou haar begrip 7vlg4 ,ax4 ,,iv7 van het begrip harer oorzaak afhangen en zou zij derhalve 7vlg4 ,def4 ,,iii7 ook geen substantie zijn4 ,stelling ,,vii4 ,tot het wezen eener substantie behoort het bestaan4 ,bewijs4 ,een substantie kan niet door iets anders worden voortgebracht 7,gevolg van de voorgaande ,st47 zij moet dus haarszelfs-oorzaak zijn1 dat wil zeggen 7volgens ,def4 ,i73 haar wezen sluit met noodwendigheid het bestaan in zich1 ofwel het bestaan behoort tot haar wezen4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,viii4 ,elke substantie is noodwendig oneindig4 ,bewijs4 ,een substantie met een bepaald attribuut is nig 7vlg4 ,st4 ,v7 en het bestaan behoort tot haar wezen 7vlg4 ,st4 ,,vii74 ,het moet dus tot haar wezen behooren f eindig f oneindig te bestaan4 ,echter niet eindig4 ,want zij zou dan 7vlg4 ,def4 ,,ii7 beperkt worden door iets van denzelfden aard1 dat eveneens 7vlg4 ,st4 ,,vii7 met noodwendigheid zou moeten bestaan en derhalve zouden er tw substanties met nzelfde attribuut zijn1 hetgeen ongerijmd is 7vlg4 ,st4 ,v74 ,zij bestaat dus oneindig4 ,h4t4b4w4 ,opmerking ,i3 ,aangezien eindig zijn in zekeren zin eigenlijk een ontkenning is en oneindig zijn een volstrekte bevestiging van het bestaan van eenig wezen1 volgt ook alleen reeds uit ,stelling ,,vii dat elke substantie oneindig moet zijn4 ,opmerking ,,ii3 ,ik twijfel er niet aan of allen die verward1 over de dingen oordeelen1 noch gewend zijn tot hunne eerste oorzaken door te dringen1 zal het moeilijk vallen het bewijs van ,stelling ,,vii te begrijpen2 en wel omdat zij niet onderscheiden tusschen de bestaanswijzen van substanties en substanties zelf en al evenmin weten hoe de dingen worden voortgebracht4 ,vandaar dat zij ook aan substanties een begin toedichten1 gelijk zij dit bij de natuurlijke dingen zien4 ,immers wie de ware oorzaken der dingen niet kennen1 verwarren alles en stellen zich zonder eenig verzet des verstands vr1 dat boomen evenals menschen spreken of dat menschen evengoed uit steenen als uit zaad ontspruiten en verbeelden zich dat alle mogelijke vormen in alle mogelijke andere kunnen veranderen4 ,evenzoo kennen diegenen1 die de goddelijke natuur met de menschelijke verwarren1 lichtelijk aan ,god menschelijke gemoedsaandoeningen toe1 vooral zoolang zij nog niet weten hoe de aandoeningen in het gemoed ontstaan4 ,indien de menschen evenwel op het wezen der substantie wilden letten1 zouden zij allerminst aan de waarheid der zevende ,stelling twijfelen2 integendeel1 deze stelling zou voor allen een grondwaarheid zijn en tot de algemeen bekende zaken gerekend worden4 ,want onder substantie zouden zij dan verstaan datgene wat op zichzelf bestaat en uit zichzelf begrepen moet worden1 dat wil zeggen datgene1 welks begrip de kennis van iets anders niet van noode heeft4 ,onder wijzigingen evenwel datgene1 wat in iets anders is en welks begrip gevormd wordt uit het begrip van datgene waarin het is3 zoodat wij ware voorstellingen kunnen hebben van niet-bestaande wijzigingen1 aangezien1 ofschoon zij niet feitelijk buiten het verstand bestaan1 toch hun wezen aldus in iets anders is vervat1 dat zij daaruit begrepen kunnen worden4 ,de waarheid van substanties echter bestaat buiten het verstand niet anders dan in henzelf1 daar zij slechts uit zichzelf begrepen worden4 ,indien derhalve iemand zeide dat hij een heldere en duidelijke1 dat wil zeggen ware voorstelling eener substantie had1 maar nochtans twijfelde of een zoodanige substantie wel bestond1 zou dit voorzeker hetzelfde zijn alsof hij beweerde een ware voorstelling te hebben1 maar nochtans te twijfelen of zij niet valsch zou zijn 7hetgeen den genoegzaam oplettenden lezer duidelijk zal zijn74 ,evenzoo zou iemand die verkondigde dat een substantie geschapen was1 daarmee tevens beweren dat een valsche voorstelling waar geworden was1 dwazer dan hetwelk men zich niets kan denken2 zoodat men noodzakelijk moet erkennen dat het bestaan eener substantie1 evengoed als haar wezen1 een eeuwige waarheid is4 ,en hieruit kunnen wij op nog een andere wijze de gevolgtrekking maken dat er slechts ne enkele substantie van denzelfden aard bestaat1 hetgeen ik der moeite waard acht hier nader aan te toonen4 ,opdat ik dit evenwel naar behooren zal kunnen doen1 moet ik ten eerste opmerken dat de juiste definitie van een of andere zaak niets anders insluit of uitdrukt dan den aard dier te bepalen zaak4 ,waaruit volgt dit tweede3 te weten dat geen enkele definitie een bepaald aantal enkeldingen insluit of uitdrukt1 aangezien zij niets anders uitdrukt dan den rd der bepaalde zaak4 ,zoo drukt bijvoorbeeld de definitie van een driehoek niets anders uit dan eenvoudig den aard van den driehoek1 maar geenszins een zeker aantal driehoeken4 ,ten derde moet worden opgemerkt dat er noodzakelijk voor ieder bestaand ding een bepaalde oorzaak moet zijn waardr het bestaat4 ,eindelijk bedenke men ten vierde dat deze oorzaak waardoor iets bestaat f gelegen moet zijn in den aard en de definitie zelf der bestaande zaak 7voorzoover althans het bestaan tot dien aard behoort7 f buiten haar gegeven moet zijn4 ,dit vastgesteld hebbende1 maken wij de gevolgtrekking dat1 wanneer er in de natuur een bepaald aantal enkeldingen bestaat1 er ook noodwendig een oorzaak moet zijn waarom juist de enkeldingen bestaan en waarom niet meer of minder4 ,wanneer er bijvoorbeeld in de natuur twintig menschen bestaan 7waarbij ik duidelijkheidshalve aanneem dat zij gelijktijdig bestaan en dat er vr hen geen andere in de natuur bestonden71 zal het niet voldoende zijn 7als wij namelijk willen verklaren waarom er twintig menschen bestaan7 de oorzaak van de menschelijke natuur in het algemeen aan te wijzen1 maar zal het bovendien noodzakelijk zijn een oorzaak aan te wijzen waarom er niet meer1 noch minder1 dan twintig bestaan2 aangezien er 7vlg4 de derde opmerking7 voor elk afzonderlijk noodzakelijk een oorzaak moet zijn waardoor hij bestaat4 ,maar deze oorzaak kan 7volgens de tweede en derde opmerking7 niet gelegen zijn in den menschelijken aard zelf1 aangezien de juiste definitie van den mensch het getal twintig niet insluit2 en dus moet 7vlg4 de vierde opmerking7 de oorzaak waarom deze twintig menschen bestaan en bijgevolg waarom elk van hen bestaat1 noodzakelijk buiten elk van hen gelegen zijn4 ,men moet derhalve met volkomen zekerheid tot het besluit komen dat datgene1 van welks soort meerdere enkeldingen bestaan kunnen1 ook noodzakelijk een uitwendige oorzaak moet hebben voor dit bestaan4 ,waar nu reeds tot het wezen eener substantie 7gelijk in deze ,opmerking werd aangetoond7 het bestaan behoort1 moet ook hare definitie het noodwendig bestaan in zich sluiten en moet men dus bijgevolg uit hare definitie alleen reeds tot haar bestaan besluiten4 ,uit hare definitie kan evenwel niet 7gelijk wij in de tweede en derde opmerking aantoonden7 het bestaan van meerdere substanties volgen2 volgt derhalve noodzakelijk dat er slechts n substantie van denzelfden aard bestaat1 hetgeen wij ons voorstelden te bewijzen4 ,stelling ,,ix4 ,hoe meer werkelijkheid of zijn een of ander ding heeft1 des te meer attributen komen er aan toe4 ,bewijs4 ,dit blijkt uit ,def4 ,,iv4 ,stelling ,x4 ,elk attribuut eener zelfde substantie moet uit zichzelf begrepen kunnen worden4 ,bewijs4 ,een attribuut immers is datgene1 wat het verstand beschouwt als uitmakende het wezen eener substantie 7vlg4 ,def4 ,,iv72 dientengevolge moet het 7vlg4 ,def4 ,,iii7 uit zichzelf begrijpbaar zijn4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,hieruit blijkt dat1 ofschoon twee attributen inderdaad als verschillend worden begrepen1 dat wil zeggen zonder elkaars hulp1 wij toch niet de gevolgtrekking mogen maken dat zijzelf twee ,zijnden of twee verschillende substanties zouden zijn2 immers het behoort tot den aard eener substantie dat elk harer attributen uit zichzelf begrepen worde2 aangezien alle attributen welke zij bezit gelijktijdig en eeuwig in haar aanwezig waren en niet door elkaar kunnen zijn voortgebracht1 maar elk van hen de werkelijkheid of het zijn dier substantie uitdrukt4 ,het is er dus verre van vandaan dat het ongerijmd ware aan ne substantie meerdere attributen toe te kennen2 ja1 niets ter wereld is duidelijker dan dat elk ,zijnde onder,a#aj een of ander attribuut moeten worden begrepen en dat1 hoe meer werkelijkheid of zijn het heeft1 des te meer attributen1 welke zoowel noodwendigheid of eeuwigheid als oneindigheid uitdrukken1 het ook moet bezitten2 en bijgevolg is ook niets duidelijker1 dan dat het volstrekt oneindige ,wezen noodzakelijk moet worden omschreven 7gelijk wij reeds deden in ,def4 ,,vi7 als een ,zijnde dat bestaat uit een oneindig aantal attributen1 van welke ieder een bepaald en oneindig wezen uitdrukt4 ,indien nu echter iemand mocht vragen1 aan welke kenteekenen wij dan wel het verschil van substanties kunnen onderscheiden1 zoo leze hij de volgende stellingen1 welke aantoonen dat er in het ,heelal slechts ne enkele substantie bestaat1 welke substantie volstrekt oneindig is1 zoodat men naar zulk een kenteeken te vergeefs zou zoeken4 ,stelling ,,xi4 ,god1 of de substantie1 bestaande uit een oneindig aantal attributen1 van welke elk een eeuwig en oneindig wezen uitdrukt1 bestaat noodwendig4 ,bewijs4 ,wie dit ontkent1 stelle zich voor1 zoo hij kan1 dat ,god niet bestond4 ,in dit geval zou 7vlg4 ,ax4 ,,vii7 zijn wezen het bestaan niet in zich sluiten4 ,doch dit is 7vlg4 ,st4 ,,vii7 ongerijmd4 ,derhalve bestaat ,god noodwendig4 ,h4t4b4w4 ,anders4 ,van elk ding1 wat ook1 moet een oorzaak of reden kunnen worden aangewezen zoowel waarom het bestaat als waarom het niet bestaat4 ,bij voorbeeld1 indien er een driehoek bestaat1 moet er een reden of oorzaak zijn1 waarom hij bestaat2 indien hij echter niet bestaat1 moet er eveneens een reden of oorzaak zijn1 welke belet dat hij bestaat ofwel welke zijn bestaan opheft4 ,deze reden of oorzaak nu moet f in den aard van het ding gelegen zijn1 f daarbuiten4 ,de reden bijvoorbeeld waarom er geen vierkante cirkel bestaat1 wordt door den aard zelf van den cirkel aangewezen3 te weten omdat dit een tegenstrijdigheid in zich sluit4 ,waarom daarentegen de substantie wel bestaat1 volgt eveneens uit haren aard alleen reeds1 welke namelijk het bestaan in zich sluit 7zie ,st4 ,,vii74 ,doch de reden waarom een cirkel of driehoek bestaat of niet bestaat1 volgt niet uit hunnen aard1 maar uit de orde der geheele lichamelijke ,natuur2 uit deze immers moet het voortvloeien of een bepaalde driehoek noodwendig moet bestaan1 danwel of zijn bestaan op dit oogenblik onmogelijk is4 ,dit alles is uit zichzelf duidelijk4 ,hieruit volgt dat datgene noodzakelijk moet bestaan1 waarvan geen reden of oorzaak gegeven is1 welke dit bestaan zou beletten4 ,indien er dus geen enkele reden of oorzaak zijn kan welke belet dat ,god bestaat of welke zijn bestaan zou opheffen1 moet men onvermijdelijk tot het besluit komen dat hij met noodwendigheid bestaat4 ,want indien er wel zulk een reden of oorzaak was1 moest deze f in ,gods aard zelf gelegen zijn f buiten dezen1 dat wil zeggen in een andere substantie van anderen aard4 ,want als zij van denzelfden aard was1 ware hierdoor reeds toegegeven dat ,god bestond4 ,maar een substantie die van anderen aard ware1 zou 7vlg4 ,st4 ,,ii7 niets met ,god gemeen kunnen hebben en derhalve diens bestaan noch veroorzaken noch opheffen kunnen4 ,daar dus een reden of oorzaak1 welke het goddelijk bestaan kon opheffen1 niet biten den goddelijken aard gelegen kan zijn1 zou zij noodzakelijk 7ook indien ,god niet bestond7 in zijnen aard gegeven moeten zijn1 welke derhalve een tegenstrijdigheid in zich zou sluiten4 ,maar dit te beweren van het volstrekt oneindige en hoogst volmaakte wezen1 is ongerijmd2 derhalve is er noch n ,god noch buiten ,god eenige oorzaak of reden1 welke zijn bestaan zou kunnen opheffen1 zoodat ,god noodwendig bestaat4 ,h4t4b4w4 ,anders4 ,niet kunnen bestaan is een teeken van onmacht1 wel kunnen bestaan daarentegen is een teeken van macht 7gelijk vanzelf spreekt74 ,waar nu de dingen welke thans reeds met noodwendigheid bestaan1 niets anders dan eindige wezens zijn1 zouden dus eindige wezens machtiger zijn dan het volstrekt oneindige wezen3 en dit is 7gelijk vanzelf spreekt7 ongerijmd2 derhalve3 f er bestaat niets1 f er bestaat ook met noodwendigheid een volstrekt oneindig wezen4 ,maar wijzelf althans bestaan1 hetzij in onszelf1 hetzij in iets anders dat noodwendig bestaat 7zie ,ax4 ,i en ,st4 ,,vii74 ,derhalve bestaat het volstrekt oneindige wezen1 d4w4z4 ,god 7vlg4 ,def4 ,,vi7 ook noodwendig4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,in deze laatste bewijsvoering heb ik ,gods bestaan a posteriori,a#aa willen aantoonen1 opdat het bewijs gemakkelijker kon worden begrepen2 niet echter daarom wijl ,gods bestaan niet ook a priori,a#ab uit hetzelfde beginsel ware af te leiden4 ,want1 aangezien bestaan kunnen een teeken van macht is1 volgt hieruit dat hoemeer werkelijkheid aan een of andere zaak toekomt1 des te meer vermogen zij in zichzelf heeft om te kunnen bestaan4 ,derhalve moet ook het volstrekt oneindige wezen1 ofwel ,god1 in zichzelf een volstrekt oneindig vermogen hebben om te bestaan en moet hij dus ook onvermijdelijk bestaan4 ,misschien echter zullen velen niet licht de klaarblijkelijkheid van dit bewijs kunnen inzien1 omdat zij gewoon zijn slechts die dingen te beschouwen welke uit uiterlijke oorzaken voortvloeien2 van deze dingen nu zien zij diegene welke snel gevormd worden1 dat wil zeggen welke gemakkelijk ontstaan1 ook weer gemakkelijk te niet gaan2 terwijl zij daarentegen die dingen1 van welke zij zien dat er meer bij te pas komt1 moeilijker te maken oordeelen1 dat wil zeggen niet zoo gemakkelijk tot bestaan te brengen4 ,maar werkelijk1 om hen van deze vooroordeelen te bevrijden1 behoef ik hier niet aan te toonen in hoeverre het spreekwoord3 wat ras ontstaat1 ras vergaat waar is en evenmin of niet soms1 indien men de geheele ,natuur beschouwt1 alles even gemakkelijk of moeilijk ontstaat4 ,het is voldoende alleen dit op te merken1 dat ik hier niet spreek over dingen welke uit uitwendige oorzaken voortvloeien1 doch uitsluitend over substanties1 welke 7vlg4 ,st4 ,,vi7 door geen enkele uitwendige oorzaak kunnen worden voortgebracht4 ,dingen immers1 welke uit uitwendige oorzaken voortkomen1 hebben1 onverschillig of zij uit vele1 danwel uit weinige deelen bestaan1 al wat zij aan volmaaktheid of werkelijkheid bezitten1 te danken aan de werking dier uitwendige oorzaak1 zoodat hun bestaan alleen uit de volmaaktheid dier uitwendige oorzaak1 niet echter uit hunne eigene ontspringt4 ,daarentegen is de substantie1 wat zij van volmaaktheid bezit1 aan geen enkele uitwendige oorzaak verschuldigd1 zoodat ook haar bestaan uit eigen aard alleen moet volgen en dus niets anders is als haar wezen zelf4 ,volmaaktheid heft dus het bestaan van een ding niet op1 maar integendeel1 zij vooronderstelt het2 onvolmaaktheid daarentegen kan het opheffen2 en derhalve kunnen wij van het bestaan van gn ding zekerder zijn dan van het bestaan van het volstrekt oneindige of volmaakte wezen1 dat is ,god4 ,want aangezien diens wezen alle onvolmaaktheid uitsluit1 maar de volstrekte volmaaktheid insluit1 heft het daardoor alle aanleiding tot twijfel omtrent zijn bestaan op en geeft het hieromtrent de grootst mogelijke zekerheid2 hetgeen naar ik geloof1 voor elk die maar even oplet1 duidelijk zal zijn4 ,stelling ,,xii4 ,geen attribuut eener substantie kan naar waarheid zoodanig worden beschouwd1 dat de deelbaarheid dier substantie hieruit zou kunnen worden afgeleid4 ,bewijs4 ,immers de deelen in welke een aldus gedachte substantie verdeeld zou kunnen worden1 zullen f den aard dier substantie behouden f niet4 ,in het eerste geval zou 7vlg4 ,st4 ,,viii7 elk dier deelen oneindig moeten zijn en 7vlg4 ,st4 ,,vi7 zijns zelfs oorzaak1 terwijl zij 7vlg4 ,st4 ,v7 elk uit een ander attribuut zouden moeten bestaan2 derhalve zouden er uit n substantie meerdere gevormd kunnen worden1 hetgeen 7vlg4 ,st4 ,,vi7 ongerijmd is4 ,voeg hierbij dat deze deelen 7vlg4 ,st4 ,,ii7 niets gemeen zouden hebben met hun geheel en het geheel 7vlg4 ,def4 ,,iv en ,st4 ,x7 zonder zijn deelen zoowel zou kunnen bestaan als begrepen worden1 dan zal niemand kunnen twijfelen aan de ongerijmdheid hiervan4 ,stellen wij echter het tweede geval1 namelijk dat de deelen den aard dier substantie net behielden1 zoo zou de substantie1 wanneer zij in gelijke deelen verdeeld werd1 haren aard verliezen en ophouden te bestaan1 hetgeen 7vlg4 ,st4 ,,vii7 ongerijmd is4 ,stelling ,,xiii4 ,de volstrekt oneindige substantie is ondeelbaar4 ,bewijs4 ,immers indien zij deelbaar ware1 zouden de deelen waarin zij verdeeld kon worden f den aard der volstrekt oneindige substantie behouden f niet4 ,in het eerste geval zouden er dus meerdere substanties van denzelfden aard bestaan1 hetgeen 7vlg4 ,st4 ,v7 ongerijmd is4 ,indien het tweede ondersteld werd1 zou het mogelijk worden 7zie hierboven7 dat de volstrekt oneindige substantie ophield te bestaan1 hetgeen 7vlg4 ,st4 ,,xi7 eveneens ongerijmd is4 ,gevolg3 ,hieruit volgt dat geen enkele substantie en bijgevolg geen enkele lichamelijke substantie1 deelbaar is voorzoover zij een substantie is4 ,opmerking3 ,dat een substantie ondeelbaar is1 kan op nog eenvoudiger wijze worden ingezien alleen reeds hieruit1 dat de aard eener substantie niet anders dan als oneindig gedacht kan worden en dat men zich een deel eener substantie niet anders kan denken dan als een eindige substantie1 hetgeen 7vlg4 ,st4 ,,viii7 een klaarblijkelijke tegenstrijdigheid in zich sluit4 ,stelling ,,xiv4 ,buiten ,god kan geen andere substantie bestaan noch gedacht worden4 ,bewijs4 ,daar ,god 7vlg4 ,def4 ,,vi7 het volstrekt oneindige wezen is1 aan wien geen enkel attribuut dat het wezen eener substantie uitdrukt kan worden ontzegd1 en daar hij 7vlg4 ,st4 ,,xi7 noodwendig bestaat1 zou1 indien er eenige andere substantie buiten ,god bestond1 deze uit een of ander attribuut ,gods verklaard moeten worden1 zoodat er twee substanties met hetzelfde attribuut zouden bestaan1 hetgeen 7vlg4 ,st4 ,v7 ongerijmd is2 derhalve kan er geen enkele substantie buiten ,god bestaan1 bijgevolg evenmin gedacht worden4 ,want als zij denkbaar was1 moest zij noodzakelijk gedacht worden als bestaande en dit is 7volgens het eerste gedeelte van dit bewijs7 ongerijmd4 ,dus kan er buiten ,god geen andere substantie bestaan noch gedacht worden4 ,h4t4b4w4 ,gevolg ,i3 ,hieruit volgt eerstens ten duidelijkste dat ,god eenig is1 dat wil zeggen 7vlg4 ,def4 ,,vi7 dat er in de wereld der dingen niet anders dan n substantie bestaan kan en dat deze volstrekt oneindig is1 gelijk wij in de ,opmerking bij ,stelling ,x reeds aanduidden4 ,gevolg ,,ii3 ,ten tweede volgt er uit dat het ,uitgebreide en het ,denkende f attributen van ,god zijn1 f 7vlg4 ,ax4 ,i7 openbaringen van ,gods attributen4 ,stelling ,,xv4 ,al wat is1 is in ,god en niets is zonder ,god bestaanbaar noch denkbaar4 ,bewijs4 ,buiten ,god kan 7vlg4 ,st4 ,,xiv7 geen substantie bestaan noch gedacht worden2 d4w4z4 7vlg4 ,def4 ,,iii7 geen ding dat op zichzelf bestaat en uit zichzelf begrepen kan worden4 ,bestaanswijzen evenwel kunnen 7vlg4 ,def4 ,v7 zonder een substantie noch bestaan noch gedacht worden1 zoodat deze uitsluitend hieruit begrepen kunnen worden4 ,maar buiten substantie en bestaanswijzen is er niets 7vlg4 ,ax4 ,i74 ,derhalve is niets zonder ,god bestaanbaar noch denkbaar4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,er zijn lieden1 die zich verbeelden dat ,god1 evenals een mensch1 uit een lichaam en een ziel bestaat en onderhevig is aan hartstochten,a#ac2 hoeverre deze evenwel van de ware kennisse ,gods afdwalen blijkt voldoende uit het reeds betoogde4 ,doch hen ga ik voorbij3 immers allen die op eenigerlei wijze over het wezen der godheid hebben nagedacht1 ontkennen dat ,god lichamelijk is4 ,hetwelk zij zelfs zeer goed bewijzen hieruit1 dat wij onder een lichaam verstaan een of andere grootheid1 met lengte1 breedte en diepte en door een bepaalden vorm begrensd2 ongerijmder dan hetwelk niets van ,god1 te weten het volstrekt oneindige wezen1 gezegd zou kunnen worden4 ,maar niettemin laten zij anderzijds uit andere gronden1 waarop zij hetzelfde trachten te bewijzen1 ten duidelijkste blijken dat zij een lichamelijke of uitgebreide substantie geheel vreemd aan ,gods wezen achten1 maar deze als door hem geschapen beschouwen4 ,waarit evenwel het goddelijk vermogen haar zou hebben kunnen scheppen1 weten zij wederom niet te zeggen2 waaruit duidelijk blijkt dat zij datgene1 wat zijzelf beweren niet begrijpen4 ,ik heb tenminste1 naar mij dunkt1 duidelijk genoeg bewezen 7zie ,gevolg ,st4 ,,vi en ,opmerking ,,ii bij ,st4 ,,viii7 dat gn substantie door iets anders kan worden voortgebracht of geschapen4 ,wijders hebben wij in ,stelling ,,xiv aangetoond dat er buiten ,god geen substantie bestaanbaar noch denkbaar is en daaruit maakten wij de gevolgtrekking dat de ,uitgebreidheid n der oneindig vele attributen ,gods is4 ,nochtans zal ik1 tot vollediger verduidelijking1 de gronden mijner tegenstanders weerleggen4 ,zij komen alle hierop neer3 ,ten eerste3 dat de lichamelijke substantie1 voor zoover zij substantie is1 naar hunne meening uit deelen bestaat1 en daarom ontkennen zij dat deze oneindig zijn en dientengevolge tot ,gods wezen behooren kan4 ,en dit lichten zij toe met vele voorbeelden1 van welke ik er enkele zal aanhalen4 ,indien de lichamelijke substantie1 zoo zeggen zij1 oneindig is1 stelle men zich haar eens voor verdeeld in twee deelen2 elk dier deelen zal dan f eindig f oneindig zijn4 ,in het eene geval zou dus het oneindige uit twee deelen bestaan1 hetgeen ongerijmd is4 ,in het andere zou er iets oneindigs bestaan1 twee maal zoo groot als iets anders dat k oneindig was2 hetgeen eveneens ongerijmd is4 ,vervolgens3 indien men een oneindige grootheid,a#ad uitmeet in deelen van een voet1 zal zij uit een oneindig aantal van dergelijke deelen moeten bestaan2 hetzelfde zal echter ook het geval zijn indien men haar verdeelt in stukken van een duim2 derhalve zou het eene oneindige aantal twaalf maal zoo groot zijn als het andere oneindige aantal4 ,tenslotte3 ,indien men zich voorstelt dat uit een punt ,a van een of andere oneindige grootheid twee lijnen1 ,,ab en ,,ac1 waarbij ,b en ,c aanvankelijk op meetbaren afstand van elkaar liggen1 tot in het oneindige verlengd worden1 zoo is het zeker dat de afstand tusschen ,b en ,c steeds zal toenemen en eindelijk van bepaald onmeetbaar zal worden4 ,daar nu1 naar zij meenen1 deze ongerijmdheden het gevolg zijn van de onderstelling eener oneindige grootheid1 maken zij hieruit de gevolgtrekking dat de lichamelijke substantie eindig moet zijn en dientengevolge niet tot ,gods wezen kan behooren4 ,een tweede bewijsvoering gaat eveneens uit van ,gods opperste volmaaktheid4 ,immers ,god1 zoo zeggen zij1 het meest volmaakte wezen1 kan niet lijden3 evenwel kan de lichamelijke substantie1 daar zij deelbaar is1 wl lijden2 waaruit dus volgt dat zij niet tot ,gods wezen behoort4 ,deze zijn de bewijsvoeringen welke ik bij verschillende schrijvers vind en door welke zij trachten aan te toonen dat de lichamelijke substantie het goddelijk wezen onwaardig is en daartoe niet kan behooren4 ,maar inderdaad1 wie goed heeft opgelet1 zal inzien dat ik hierop eigenlijk reeds heb geantwoord2 aangezien deze bewijzen slechts hierop berusten dt zij vooronderstellen dat de lichamelijke substantie uit deelen bestaat1 waarvan ik de ongerijmdheid reeds heb aangetoond4 7,zie ,st4 ,,xii en ,gevolg ,st4 ,,xiii74 ,wie vervolgens de zaak behoorlijk overweegt1 zal bevinden dat al die ongerijmdheden 7indien zij overigens alle ongerijmd zijn1 waarover ik hier niet wil twisten71 waaruit zij bewijzen willen dat de uitgebreide substantie eindig is1 allerminst druit volgen dat men een oneindige grootheid onderstelt3 maar dat zij een meetbare en uit eindige deelen bestaande oneindige grootheid onderstellen4 ,daarom ook mogen zij uit de ongerijmdheden die hieruit volgen1 niets anders besluiten dan dat een oneindige grootheid niet meetbaar is en dat zij niet uit eindige deelen kan bestaan4 ,maar dit is hetzelfde als wat wij hierboven reeds hebben uiteen gezet 7zie ,st4 ,,xiii enz474 ,zoodat zij met het wapen dat zij op ons richten1 zichzelf treffen4 ,indien zij dus uit deze hunne ongerijmdheid nochtans willen afleiden dat de uitgebreide substantie eindig moet zijn1 gedragen zij zich waarlijk niet anders dan iemand die1 omdat hij zich verbeeldt dat een cirkel de eigenschappen van een vierkant heeft1 de gevolgtrekking maakt dat een cirkel geen middelpunt bezit1 vanwaar uit alle lijnen naar den omtrek getrokken even lang zijn4 ,want de lichamelijke substantie1 welke niet dan oneindig1 niet dan eenig en niet dan ondeelbaar gedacht kan worden 7,zie ,st4 ,,viii1 ,v en ,,xii71 stellen zij zich1 terwille van hun gevolgtrekkingen1 voor als eindig1 uit eindige deelen bestaande1 veelvoudig en deelbaar4 ,zoo zijn er anderen die1 nadat zij zich eenmaal hebben verbeeld dat een lijn is samengesteld uit punten1 tal van bewijzen weten aan te voeren om aan te toonen dat een lijn niet tot in het oneindige kan worden verdeeld4 ,maar inderdaad is het niet ongerijmder te vooronderstellen dat de lichamelijke substantie uit lichamen of deelen is samengesteld1 dan dat een lichaam uit vlakken1 een vlak uit lijnen en tenslotte een lijn uit punten is opgebouwd4 ,dit zullen allen die weten dat een heldere redeneering onbedriegelijk is1 moeten toegeven en allereerst zij die erkennen dat er geen ledig bestaat4 ,want indien de lichamelijke substantie aldus verdeeld kon worden en hare deelen in werkelijkheid van elkaar gescheiden waren1 waarom zou dan niet n deel vernietigd kunnen worden en de overige toch1 evenals daarvoor1 met elkaar verbonden blijven8 ,en waarom zouden zij zich alle zoodanig aan elkaar voegen dat er geen ledig ontstond8 ,het is duidelijk dat van dingen1 die werkelijk van elkaar afgescheiden zijn1 het eene zonder het andere kan bestaan en in zijn bestaan volharden4 ,waar nu evenwel in de ,natuur geen ledig bestaan kan 7waarover elders71 waar alle deelen zoodanig moeten samenwerken dat er geen ledig gevormd worde1 volgt hieruit ook dat deze deelen niet werkelijk kunnen worden gescheiden1 dat wil zeggen dat de lichamelijke substantie1 voorzoover zij substantie is1 niet verdeeld kan worden4 ,indien nu toch iemand vroeg1 waarom wij dan van nature zoo geneigd zijn een grootheid te verdeelen1 zoo zou ik hem antwoorden dat een grootheid door ons op twee wijzen wordt opgevat1 te weten abstract,a#ae en oppervlakkig1 zooals wij ons haar nl4 voorstellen,a#af1 f als een substantie1 hetgeen uitsluitend door de ,rede geschiedt4 ,indien wij dus letten op een grootheid zooals zij zich voordoet in onze voorstelling1 hetgeen dikwijls en het gemakkelijkst door ons gedaan wordt1 zal zij eindig1 deelbaar en uit deelen samengesteld bevonden worden2 indien wij haar echter beschouwen zooals zij in ons verstand is en haar opvatten als een substantie1 wat zeer moeilijk is1 dan zal zij--gelijk wij reeds voldoende aantoonden--oneindig1 eenig en ondeelbaar bevonden worden4 ,hetgeen allen die weten te onderscheiden tusschen voorstelling en verstand1 duidelijk genoeg zal zijn1 vooral indien men er ook op let dat de stof overal dezelfde is en dat er geen deelen in haar te onderscheiden vallen1 tenzij voorzoover wij ons de stof op verschillende wijzen gewijzigd denken1 en welk geval wij die deelen slechts als bestaansvormen onderscheiden maar niet wezenlijk4 ,zoo beschouwen wij bijvoorbeeld water1 voor zoover het water is1 als deelbaar en zijn deelen als van elkaar afzonderbaar2 niet echter voorzoover het lichamelijke substantie is1 als zoodanig immers kan het noch gescheiden1 noch verdeeld worden4 ,voorts kan water1 voorzoover het water is ontstaan en vergaan1 terwijl het als substantie noch ontstaat noch vergaat4 ,en hiermede geloof ik ook op het tweede bewijs geantwoord te hebben2 aangezien ook dit gegrond was op de onderstelling dat de stof1 als substantie1 deelbaar en uit deelen samengesteld zou zijn4 ,doch al ware dit alles ook niet zooals ik zeg1 dan begrijp ik nog niet waarom de lichamelijke substantie het goddelijk wezen onwaardig zou zijn3 aangezien er toch 7vlg4 ,st4 ,,xiv7 buiten ,god geen substantie bestaan kan aan welke hij onderworpen zou kunnen zijn4 ,alles1 zeg ik1 is in ,god en al wat geschiedt1 geschiedt uitsluitend krachtens de wetten van ,gods oneindige wezen en vloeit uit de noodwendigheid daarvan voort 7hetgeen ik straks zal aantoonen72 zoodat er geen enkele reden bestaat om te zeggen dat ,god aan iets anders onderworpen zou zijn of dat de uitgebreide substantie den goddelijken aard onwaardig ware1 zelfs al werd zij verondersteld deelbaar te zijn1 zoolang men haar slechts als eeuwig en oneindig beschouwt4 ,doch hierover voor het oogenblik genoeg4 ,stelling ,,xvi4 ,uit de noodwendigheid van den goddelijken aard moeten oneindig veel dingen op oneindig vele wijzen voortvloeien1 dat is al wat een oneindig verstand kan omvatten4 ,bewijs4 ,deze stelling moet een ieder duidelijk zijn zoo hij er slechts op let dat het verstand uit de gegeven definitie van eene of andere zaak verschillende eigenschappen afleidt welke ook in werkelijkheid uit haar 7dat wil zeggen uit het wezen zelf dier zaak7 met noodwendigheid voortvloeien en wel des te meer naarmate de definitie dier zaak meer werkelijkheid uitdrukt1 dat wil zeggen hoemeer werkelijkheid het wezen der omschreven zaak insluit4 ,daar nu de goddelijke aard een volstrekt oneindig aantal attributen heeft 7vlg4 ,def4 ,,vi71 van welke elk een in zijn soort oneindig wezen uitdrukt1 moeten ook uit ,gods noodwendigheid oneindig veel dingen op oneindig vele wijzen 7dat is al wat een oneindig verstand kan omvatten7 noodzakelijk voortvloeien4 ,h4t4b4w4 ,gevolg ,i3 ,hieruit volgt dat ,god van alle dingen welke een oneindig verstand kan omvatten1 de bewerkende oorzaak,a#ag is4 ,gevolg ,,ii3 ,er volgt ten tweede uit dat ,god oorzaak is uit-zich-zelf en niet slechts toevallig,a#ah4 ,gevolg ,,iii3 ,er volgt ten derde uit dat ,god de volstrekt eerste oorzaak is4 ,stelling ,,xvii4 ,god handelt uitsluitend krachtens de wetten van zijn eigen aard en door niets genoodzaakt4 ,bewijs4 ,dat uit de noodwendigheid van den goddelijken aard alleen1 of 7wat hetzelfde is7 uitsluitend uit de wetten van dien aard1 onvermijdelijk een oneindig aantal dingen volgt1 hebben wij zooeven in ,stelling ,,xvi aangetoond1 terwijl wij in ,stelling ,,xv bewezen dat niets zonder ,god bestaan noch gedacht worden kan1 maar dat alles in ,god is2 zoodat er niets buiten hem zijn kan waardoor hij tot handelen genoopt of gedwongen kon worden2 en zoo handelt dus ,god uitsluitend krachtens de wetten van zijn eigen aard en door niets genoodzaakt4 ,h4t4b4w4 ,gevolg ,i3 ,hieruit volgt ten eerste dat er geen enkele oorzaak1 behalve de volmaaktheid van zijn eigen aard1 zijn kan1 welke ,god van buiten af of van binnen uit tot handelen zou aandrijven4 ,gevolg ,,ii3 ,er volgt ten tweede uit dat alleen ,god een vrije oorzaak is4 ,god immers is het eenige dat krachtens de noodwendigheid van zijn eigen aard bestaat 7vlg4 ,st4 ,,xi en ,gevolg ,i van ,st4 ,,xiv7 en dat uitsluitend krachtens de noodwendigheid van zijnen aard handelt 7vlg4 voorgaande ,st47 en derhalve 7vlg4 ,def4 ,,vii7 is alleen hij een vrije oorzaak4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,sommigen meenen dat ,god een vrije oorzaak is1 omdat hij1 naar zij gelooven1 zou kunnen bewerken dat datgene1 hetwelk naar wij zeiden uit zijn aard volgt1 d4w4z4 datgene wat in zijn vermogen ligt1 niet geschiedde1 ofwel niet door hem werd voortgebracht4 ,doch dit is hetzelfde alsof zij zeiden dat ,god kan bewerken dat uit den aard eens driehoeks niet zou volgen dat de som zijner driehoeken gelijk is aan twee rechten of dat uit een gegeven oorzaak geen uitwerking zou voortvloeien2 hetgeen ongerijmd is4 ,verderop zal ik zonder behulp van deze stelling aanloonen1 dat noch verstand1 noch wil tot ,gods aard behooren4 ,ik weet wel dat er velen zijn die gelooven te kunnen bewijzen1 dat tot ,gods aard het hoogste verstand en een vrije wil behooren3 immers zij kennen niets volmaakters1 zoo zeggen zij bij zichzelf1 dat zij aan ,god zouden kunnen toeschrijven1 dan datgene wat in onszelf het meest volmaakte is4 ,maar niettegenstaande zij ,god opvatten als werkelijk het hoogste verstand1 gelooven zij toch niet dat hij al wat hij denkt1 inderdaad tot bestaan kan brengen1 want zij meenen op deze wijze ,gods macht te verkleinen4 ,indien hij alles1 zoo zeggen zij1 wat zijn verstand bevat1 ook werkelijk had geschapen1 zou er niets meer te scheppen zijn1 hetgeen zij in strijd achten met ,gods almacht2 en daarom nemen zij liever aan dat ,god ten opzichte van alle dingen onverschillig is en niets anders schept dan datgene wat hij in beperkte willekeur besluit te scheppen4 ,ik meen evenwel duidelijk genoeg te hebben aangetoond 7,zie ,st4 ,,xvi7 dat uit ,gods alvermogen of uit zijn oneindigen aard1 oneindig veel dingen op oneindig veel wijzen1 dat wil zeggen alles1 met noodwendigheid voortvloeien of steeds met dezelfde noodwendigheid volgen2 op dezelfde wijze als uit den aard van den driehoek van eeuwigheid tot eeuwigheid volgt dat de som zijner drie hoeken gelijk is aan twee rechten4 ,daarom is ,gods almacht ook werkzaam geweest van alle eeuwigheid af en zal zij tot in eeuwigheid even werkzaam blijven4 ,en op deze wijze wordt1 ten minste mijns inziens1 ,gods almacht veel volmaakter voorgesteld4 ,jazelfs schijnen mijn tegenstanders ,gods almacht 7om het maar eerlijk te zeggen7 te loochenen4 ,immers zij zijn gedwongen te erkennen dat ,god een oneindig aantal mogelijke schepselen denkt1 welke hij nochtans nooit zal kunnen scheppen4 ,want anders1 namelijk wanneer hij al wat hij dacht ook schiep1 zou hij1 volgens henzelf1 zijn eigen macht uitputten en zichzelf onvolmaakt maken4 ,om dus te bewijzen dat ,god volmaakt is1 komen zij er toe tegelijkertijd te betoogen dat hij niet alles kan uitvoeren waarover zijn vermogen zich uitstrekt2 ongerijmder1 of meer in strijd met ,gods almacht1 dan hetwelk mij niets te verzinnen lijkt4 ,om hier voorts nog iets te zeggen over het verstand en den wil1 welke wij gewoonlijk aan ,god toekennen3 indien verstand en wil tot ,gods eeuwige wezen behooren1 moet onder beide eigenschappen zeker heel iets anders worden verstaan dan de menschen gewoonlijk doen4 ,want een verstand en een wil welke ,gods wezen uitmaakten zouden hemelsbreed van ns verstand en nzen wil moeten verschillen2 ja1 zij zouden in geen enkel opzicht1 behalve in den naam1 er mede kunnen overeenkomen1 niet anders bijvoorbeeld dan het sterrebeeld de ,hond overeenkomt met het blaffende dier van dien naam4 ,wat ik aldus zal bewijzen3 ,indien het verstand tot den goddelijken aard behoort1 zal het niet van nature1 zooals ns verstand1 later dan 7gelijk de meesten meenen7 of gelijktijdig met de erdoor voorgestelde zaken bestaan1 aangezien ,god krachtens zijne oorzakelijkheid aan alle dingen voorafgaat 7vlg4 ,gevolg ,i van ,st4 ,,xvi74 ,maar integendeel zijn de waarheid en het werkelijke wezen,a#ai der dingen zoo als zij zijn1 omdat zij z in ,gods verstand objectief,a#bj bestonden4 ,daarom is ook integendeel ,gods verstand1 voorzoover het wordt opgevat als behoorende tot ,gods wezen1 de oorzaak der dingen1 zoowel van hun wezen als van hun bestaan2 hetgeen ook schijnt te zijn opgemerkt door hen die verzekerden dat ,gods verstand1 wil en macht n en hetzelfde zijn4 ,indien nu ,gods verstand de eenige oorzaak der dingen is en wel 7gelijk wij aantoonden7 zoowel van hun wezen als van hun bestaan1 moet het zelf noodzakelijk van deze dingen verschillen1 zoowel ten opzichte van zijn wezen als ten opzichte van zijn bestaan4 ,want het veroorzaakte verschilt van zijn oorzaak juist in datgene wat het van zijn oorzaak ontvangen heeft4 ,zoo is bijvoorbeeld een mensch de oorzaak van het bestaan1 niet echter van het wezen van een anderen mensch2 dit immers is een eeuwige waarheid3 en derhalve kunnen zij in hun wezen geheel overeenkomen1 terwijl zij in hun bestaan moeten verschillen2 vandaar dat wanneer het bestaan van den een te niet gaat1 niet tevens dat van den ander te niet zal gaan2 terwijl wanneer het wezen van den een vernietigd kon worden en valsch kon blijken1 ook tevens het wezen van den ander vernietigd zou zijn4 ,daarom moet een ding dat oorzaak is zoowel van het wezen als van het bestaan van een of andere uitwerking1 van een zoodanige uitwerking verschillen zoowel ten opzichte van zijn wezen als ten opzichte van zijn bestaan4 ,maar ,gods verstand is de oorzaak zoowel van het wezen als van het bestaan van ns verstand3 en dus verschilt ,gods verstand1 voor zoover het wordt opgevat als behoorende tot het goddelijk wezen1 van ns verstand zoowel ten opzichte van zijn wezen als ten opzichte van zijn bestaan en kan het in geen enkel opzicht1 behalve in naam er mede overeenkomen2 gelijk wij wilden aantoonen4 ,wat den wil aangaat kan men denzelfden bewijstrant volgen1 zooals een ieder gemakkelijk zal inzien4 ,stelling ,,xviii4 ,god is de inwonende1 niet echter een buitenstaande oorzaak aller dingen4 ,bewijs4 ,al wat is1 is in ,god en moet uit ,god begrepen worden 7vlg4 ,st4 ,,xv74 ,derhalve is ,god 7vlg4 ,gevolg ,i ,st4 ,,xvi7 de oorzaak van de dingen die in hem zijn4 ,dit wat het eerste aangaat4 ,verder kan er buiten ,god geen enkele substantie bestaan 7vlg4 ,st4 ,,xiv71 d4w4z4 7vlg4 ,def4 ,,iii7 iets dat buiten ,god op zichzelf zou bestaan4 ,dit wat het tweede betreft4 ,god is dus de inwonende1 niet echter een buitenstaande oorzaak aller dingen4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xix4 ,god1 of al ,gods attributen1 zijn eeuwig4 ,bewijs4 ,god immers is 7vlg4 ,def4 ,,vi7 een substantie1 welke 7vlg4 ,st4 ,,xi7 noodwendig bestaat1 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,vii7 tot wier aard het behoort te bestaan1 of 7wat hetzelfde is7 uit wier definitie haar bestaan zelf volgt1 en derhalve is ,god 7vlg4 ,def4 ,,viii7 eeuwig4 ,vervolgens moet onder ,gods attributen verstaan worden datgene wat 7vlg4 ,def4 ,,iv7 het wezen der goddelijke substantie uitdrukt1 d4w4z4 datgene wat tot de substantie behoort2 dit alles1 zeg ik1 behooren deze attributen in te sluiten4 ,maar tot den aard der substantie behoort 7gelijk ik reeds in ,st4 ,,vii heb aangetoond7 de eeuwigheid2 derhalve moet elk dier attributen eeuwigheid insluiten en dus zijn zij allen eeuwig4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,deze stelling is ook zeer duidelijk af te leiden volgens de wijze waarop ik 7,st4 ,,xi7 ,gods bestaan bewezen heb2 uit dit bewijs1 zeg ik1 is gebleken dat ,gods bestaan1 evenals zijn wezen een eeuwige waarheid is4 ,voorts heb ik 7,st4 ,,xix ,deel ,i der ,beginselen van ,cartesius7,a#ba nog op andere wijze ,gods eeuwigheid bewezen1 welk bewijs ik hier niet behoef te herhalen4 ,stelling ,,xx4 ,gods bestaan en ,gods wezen zijn n en hetzelfde4 ,bewijs4 ,god en al zijn attributen zijn eeuwig 7vlg4 de voorgaande ,st47 d4w4z4 7vlg4 ,def4 ,,viii7 elk zijner attributen drukt bestaan uit4 ,dezelfde attributen ,gods dus1 welke 7vlg4 ,def4 ,,iv7 ,gods eeuwig wezen openbaren1 ontvouwen tevens zijn eeuwig bestaan1 d4w4z43 datgene zelf dat het wezen ,gods uitmaakt1 maakt tevens zijn bestaan uit1 zoodat dus dit en zijn wezen n en hetzelfde zijn4 ,h4t4b4w4 ,gevolg ,i3 ,hieruit volgt ten eerste dat ,gods bestaan1 evenals zijn wezen1 een eeuwige waarheid is4 ,gevolg ,,ii3 ,ten tweede volgt er uit dat ,god of al ,gods attributen onveranderlijk zijn4 ,want als zij wat betreft hun bestaan verandering konden ondergaan1 zouden zij tevens 7vlg4 de voorgaande ,st47 ten opzichte van hun wezen veranderd worden1 d4w4z4 7gelijk vanzelf spreekt7 van waar valsch worden1 hetgeen ongerijmd is4 ,stelling ,,xxi4 ,al wat uit den aard op zichzelf,a#bb van een of ander attribuut ,gods voortvloeit1 moet altijd en oneindig hebben bestaan1 met andere woorden3 krachtens dit attribuut zelf is het eeuwig en oneindig4 ,bewijs4 ,neem eens aan1 indien ge dit kunt 7als ge dit namelijk ontkent7 dat er iets in een of ander attribuut ,gods uit den aard opzichzelf van ditzelfde attribuut kon voortvloeien dat eindig ware en een beperkt bestaan of duur had1 bijvoorbeeld de voorstelling van ,god in het ,denken,a#bc4 ,het ,denken nu bestaat1 aangezien het voorondersteld wordt een attribuut ,gods te zijn1 noodwendig 7vlg4 ,st4 ,,xi7 krachtens zijn oneindigen aard4 ,evenwel wordt het hier1 voor zoover het de voorstelling ,gods omvat1 als eindig gesteld4 ,maar als eindig kan het 7vlg4 ,def4 ,,ii7 niet worden begrepen tenzij het door het ,denken zelf beperkt worde4 ,niet echter door het ,denken zelf voorzoover dit de voorstelling ,gods vormt1 als zoodanig immers wordt het juist voorondersteld eindig te zijn2 derhalve door het ,denken voorzoover het niet de voorstelling ,gods vormt1 welk ,denken evenwel toch 7vlg4 ,st4 ,,xi7 met noodwendigheid moet bestaan2 er zou dus een ,denken bestaan dat de voorstelling ,gods niet insloot en derhalve zou uit zijnen aard1 voor zoover dit niets dan ,denken is1 niet noodzakelijk de voorstelling ,gods voortvloeien4 7,immers er werd n ,denken aangenomen dat de voorstelling ,gods wl en een ander dat haar net omvatte74 ,dit strijdt tegen het onderstelde4 ,zoodat1 wanneer de voorstelling ,gods in het ,denken1 of 7want tenslotte is het hetzelfde wat men neemt1 aangezien de bewijsvoering algemeen geldig is7 iets anders in eenig ander attribuut ,gods1 uit de noodwendigheid van den aard op-zich-zelf van dit attribuut voortvloeit1 dit gevolg ook noodzakelijk oneindig moet zijn4 ,dit wat het eerste punt betreft4 ,voorts kan datgene wat uit de noodwendigheid van den aard eens attribuuts aldus voortvloeit1 geen beperkten duur hebben4 ,indien ge dit ontkent1 stel dan een ding dat uit de noodwendigheid van eenig attribuut voortvloeit en bestaat in een of ander attribuut ,gods1 bijvoorbeeld de voorstelling ,gods in het ,denken en onderstel dat het ns net heeft bestaan of niet bestaan zal4 ,daar nu ondersteld wordt dat het ,denken een attribuut ,gods is1 moet het zoowel noodwendig als onveranderlijk bestaan 7vlg4 ,st4 ,,xi en ,gevolg ,,ii ,st4 ,,xx74 ,dus zal er buiten de grenzen van den duur der voorstelling ,gods 7immers er werd aangenomen dat deze eens niet bestond of niet zal bestaan7 een ,denken zonder voorstelling ,gods moeten bestaan4 ,dit echter is tegen het onderstelde2 immers er werd ondersteld dat uit het gegeven ,denken noodwendig de voorstelling ,gods voortvloeide4 ,derhalve kan de voorstelling ,gods in het ,denken1 of iets anders dat met noodwendigheid uit den aard op-zichzelf van een of ander attribuut ,gods voortvloeit1 geen beperkten duur hebben1 maar moet het1 krachtens dit attribuut zelf1 eeuwig zijn4 ,dit wat het tweede punt betreft4 ,men merke op dat ditzelfde geldt voor elk ander ding dat in een of ander attribuut ,gods uit den aard ,gods op-zichzelf met noodwendigheid voortvloeit4 ,stelling ,,xxii4 ,al wat voortvloeit uit eenig attribuut ,gods1 voorzoover het zich openbaart in een zoodanige bestaanswijze wijziging1 welke krachtens dit attribuut noodwendig en oneindig bestaat1 moet zelf eveneens noodwendig en oneindig bestaan4 ,bewijs4 ,het bewijs dezer stelling wordt op dezelfde wijze geleverd als dat der voorgaande4 ,stelling ,,xxiii4 ,elke bestaanswijze1 welke noodwendig en oneindig bestaat1 moet noodzakelijk voortvloeien f uit den aard op zichzelf van eenig attribuut ,gods f uit eenig attribuut1 zich openbarend in een vorm welke noodwendig en oneindig bestaat,a#bd4 ,bewijs4 ,een bestaanswijze immers bestaat in iets anders1 waaruit het begrepen kan worden 7vlg4 ,def4 ,v71 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,xv7 zij bestaat uitsluitend in ,god en kan uit ,god alleen begrepen worden4 ,indien men dus een bestaanswijze aanneemt welke noodwendig bestaat en oneindig is1 moet elk van deze beide eigenschappen noodzakelijk worden opgemaakt of begrepen,a#be uit een of ander attribuut ,gods voor zoover dit wordt opgevat als uitdrukkende de oneindigheid en noodwendigheid van zijn bestaan1 of wel 7wat vlg4 ,def4 ,,viii hetzelfde is7 de eeuwigheid2 d4w4z4 7vlg4 ,def4 ,,vi en ,st4 ,,xix7 voor zoover het als uitsluitend op zichzelf beschouwd wordt4 ,een bestaanswijze dus welke noodwendig en oneindig bestaat1 moet uit den aard op-zichzelf van eenig attribuut ,gods voortvloeien2 en dat wel f onmiddellijk 7waarover in ,st4 ,,xxi7 f door bemiddeling van een of anderen verschijningsvorm wijziging welke uit deszelfs aard op-zichzelf voortvloeit1 d4w4z4 7vlg4 de voorgaande ,st47 welke eveneens noodwendig en oneindig bestaat4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xxiv4 ,het wezen van de door ,god voortgebrachte dingen1 sluit geen bestaan in zich4 ,bewijs4 ,dit blijkt uit ,def4 ,i4 ,datgene immers1 welks aard 7namelijk op zichzelf beschouwd7 het bestaan in zich sluit1 is zijns zelfs oorzaak en bestaat alleen krachtens de noodwendigheid van zijnen aard zelf4 ,gevolg3 ,hieruit volgt dat ,god niet slechts de oorzaak ervan is1 dat de dingen beginnen te bestaan2 maar ook dat zij in hun bestaan volharden1 ofwel 7om een scholastieke uitdrukking te gebruiken7 dat ,god de oorzaak is van het ,zijn ,aanzijn der dingen4 ,want1 of de dingen bestaan danwel niet bestaan3 zoo dikwijls wij op hun wezen letten1 zien wij dat dit noch bestaan noch duur in zich sluit2 derhalve kan hun wezen ook noch van hun bestaan1 noch van hun duur de oorzaak zijn2 doch uitsluitend ,god1 daar slechts tot dens aard het bestaan behoort4 7,vlg4 ,gevolg ,i ,st4 ,,xiv74 ,stelling ,,xxv4 ,god is niet alleen de bewerkende oorzaak van het bestaan der dingen1 maar ook van hun wezen4 ,bewijs4 ,indien ge dit ontkent zou ,god dus niet de oorzaak zijn van het wezen der dingen2 derhalve zou 7vlg4 ,ax4 ,,iv7 het wezen der dingen zonder ,god begrepen kunnen worden2 hetgeen evenwel 7vlg4 ,st4 ,,xv7 ongerijmd is4 ,dus is ,god k de oorzaak van het wezen der dingen4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,de waarheid dezer stelling volgt nog duidelijker uit ,stelling ,,xvi4 ,uit deze immers volgt dat uit den gegeven goddelijken aard zoowel het wezen als het bestaan der dingen noodzakelijk moet worden afgeleid2 en1 om het in n woord te zeggen3 in dienzelfden zin waarin men zegt dat ,god zijns zelfs oorzaak is1 moet hij ook de oorzaak van alle dingen genoemd worden1 hetgeen nog duidelijker zal blijken uit het onderstaande gevolg4 ,gevolg3 ,de bijzondere dingen zijn niets anders dan openbaringen van ,gods attributen1 of wel bestaanswijzen in welke ,gods attributen op een vaste en bepaalde wijze worden uitgedrukt4 ,het bewijs blijkt uit ,stelling ,,xv en ,definitie ,v4 ,stelling ,,xxvi4 ,een ding dat tot een of andere werking genoopt is1 wordt hiertoe noodzakelijk door ,god gedreven2 evenzoo3 wat niet door ,god genoodzaakt wordt1 kan uit zichzelf niet werken4 ,bewijs4 ,datgene1 waarvan men kan zeggen dat het de dingen tot werken noopt1 moet noodzakelijk iets positiefs zijn 7gelijk vanzelf spreekt72 derhalve moet ,god zoowel van het wezen als van het bestaan hiervan de bewerkende oorzaak zijn 7vlg4 ,st4 ,,xxv en ,st4 ,,xvi74 ,dit wat het eerste betreft4 ,waaruit eveneens ten duidelijkste volgt1 wat in de tweede plaats gesteld werd4 ,want indien een ding1 dat niet door ,god gedreven werd1 zichzelf kon richten1 zou het eerste deel dezer stelling valsch zijn1 hetgeen1 gelijk wij aantoonden ongerijmd is4 ,stelling ,,xxvii4 ,een ding dat door ,god tot eenigerlei werking genoodzaakt is1 kan zichzelf niet aan die noodzaak onttrekken4 ,bewijs4 ,de waarheid dezer stelling blijkt uit het derde ,axioma4 ,stelling ,,xxviii4 ,elk bijzonder ding1 of elk ding dat eindig is en een beperkt afhankelijk bestaan heeft1 kan niet bestaan1 noch tot werking genoodzaakt worden1 tenzij het tot bestaan en werking genoodzaakt worde door een ander ding1 hetwelk eveneens eindig is en een afhankelijk bestaan heeft3 en deze oorzaak op haar beurt kan niet bestaan1 noch tot werking genoodzaakt worden tenzij zij wederom door een ander ding1 hetwelk eveneens eindig is en een afhankelijk bestaan heeft1 tot bestaan en werking worde genoodzaakt1 en zoo tot in het oneindige4 ,bewijs4 ,al wat tot bestaan en werking genoodzaakt is1 werd daartoe genoodzaakt door ,god 7vlg4 ,st4 ,,xxvi en ,gevolg ,st4 ,,xxiv74 ,maar datgene wat eindig is en een afhankelijk bestaan heeft1 kon niet uit den aard op-zichzelf van eenig attribuut ,gods voortvloeien2 immers al wat uit den absoluten aard van eenig attribuut ,gods voortvloeit1 is oneindig en eeuwig 7vlg4 ,st4 ,,xxi74 ,dus zal het moeten voortvloeien uit ,god1 of wel uit een zijner attributen1 voorzoover dit beschouwd wordt als zich openbarende in een of andere bestaanswijze2 immers buiten de substantie en hare bestaanswijzen is er niets 7vlg4 ,ax4 ,i en ,def4 ,,iii en ,v72 en de bestaanswijzen zijn 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,xxv7 niets anders dan openbaringen van ,gods attributen4 ,maar uit ,god1 of uit een of ander zijner attributen1 voorzoover het zich openbaart in een vorm welke eeuwig en oneindig is1 kan het ook niet voortvloeien 7vlg4 ,st4 ,,xxii74 ,het zal dus moeten voortvloeien1 of tot bestaan en werking genoodzaakt worden1 door ,god of een zijner attributen1 voorzoover dit zich openbaart in een vorm welke eindig is en een afhankelijk bestaan heeft4 ,dit wat eerste betreft4 ,voorts moet deze oorzaak of deze bestaanswijze op haar beurt 7om dezelfde reden als ik in het eerste gedeelte dezer stelling reeds uiteen zette7 eveneens bepaald worden door een andere1 welke eveneens eindig is en een afhankelijk bestaan heeft1 en deze laatste wederom 7om dezelfde reden7 door een andere en zoo 7om dezelfde reden7 voort tot in het oneindige4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,daar sommige dingen door ,god onmiddellijk moeten zijn voortgebracht1 en wel die dingen welke noodwendig uit zijn absoluten aard voortvloeien2 en door tusschenkomst van deze eerste dingen de andere1 welke nochtans zonder ,god noch bestaanbaar noch denkbaar zijn2 volgt hieruit ten eerste3 dat ,god de absoluut naaste oorzaak is der dingen welke onmiddellijk door hem zijn voortgebracht1 hoewel niet1 zooals men zegt1 der dingen in hun soort4 ,want de werkingen ,gods kunnen niet zonder hun oorzaak bestaan noch gedacht worden4 7,vlg4 ,st4 ,,xv en ,gevolg ,st4 ,,xxiv74 ,er volgt ten tweede uit dat ,god niet in eigenlijken zin de verwijderde oorzaak der bijzondere dingen genoemd kan worden1 tenzij wellicht om deze te onderscheiden van diegene welke hij onmiddellijk voortbracht1 of liever welke uit zijn absoluten aard voortvloeien4 ,want onder een verwijderde oorzaak verstaan wij een zoodanige1 welke met hare uitwerking op geenerlei wijze verbonden is4 ,maar al wat is1 is in ,god en hangt op zoodanige wijze van hem af dat het zonder hem noch bestaanbaar noch denkbaar is4 ,stelling ,,xxix4 ,in de wereld der dingen bestaat niets toevalligs1 maar alles wordt krachtens de noodwendigheid van den goddelijken aard genoodzaakt op bepaalde wijze te bestaan en te werken4 ,bewijs4 ,al wat is1 is in ,god 7vlg4 ,st4 ,,xv73 ,god echter kan niet iets toevalligs genoemd worden4 ,want hij bestaat 7vlg4 ,st4 ,,xi7 noodwendig1 niet echter toevallig4 ,de bestaanswijzen van den goddelijken aard zijn dus uit dezen eveneens noodwendig en niet slechts toevallig voortgekomen 7vlg4 ,st4 ,,xvi7 en dat wel voorzoover de goddelijke aard f op-zichzelf 7vlg4 ,st4 ,,xxi7 f als op een bepaalde wijze tot werken genoopt beschouwd wordt 7vlg4 ,st4 ,,xxvii74 ,voorts is ,god niet slechts de oorzaak dezer bestaanswijzen voorzoover zij gewoon maar bestaan 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,xxiv71 maar ook 7vlg4 ,st4 ,,xxvi7 voorzoover zij beschouwd worden als genoodzaakt iets te doen4 ,want indien zij 7vlg4 dezelfde ,st47 niet door ,god daartoe genoodzaakt werden1 is het onmogelijk1 en geenszins gebeurlijk1 dat zij zichzelf daartoe noodzaakten2 en omgekeerd 7vlg4 ,st4 ,,xxvii73 indien zij wl door ,god daartoe genoodzaakt werden1 is het onmogelijk1 en geenszins gebeurlijk1 dat zij zich aan die noodzaak onttrokken4 ,zoodat alles krachtens de noodwendigheid van den goddelijken aard genoodzaakt is niet slechts om te bestaan1 maar ook om op bepaalde wijze te bestaan en te werken en er dus niets toevalligs bestaat4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,alvorens ik verder ga1 wil ik hier uiteen zetten of liever in herinnering brengen wat wij moeten verstaan onder de ,naturende ,natuur en de ,genatuurde ,natuur,a#bf4 ,want uit het voorgaande is het dunkt mij toch zeker wel duidelijk geworden dat wij onder ,naturende ,natuur moeten verstaan datgene wat op zichzelf bestaat en uit zichzelf begrepen kan worden1 ofwel zoodanige attributen der substantie1 welke een eeuwig en oneindig wezen uitdrukken1 dat wil zeggen 7vlg4 ,gevolg ,i ,st4 ,,xiv en ,gevolg ,,ii v4 ,st4 ,,xvii7 ,god1 voorzoover hij als vrije oorzaak beschouwd wordt4 ,onder ,genatuurde ,natuur daarentegen versta ik al datgene wat uit de noodwendigheid van ,gods aard of van eenig attribuut ,gods voortvloeit1 dat wil zeggen alle bestaanswijzen der attributen ,gods voorzoover zij beschouwd worden als dingen die in ,god bestaan en zonder ,god noch bestaanbaar noch denkbaar zijn4 ,stelling ,,xxx4 ,het verstand1 hetzij eindig of oneindig in zijn werking1 kan slechts de attributen ,gods en de bestaanswijzen ,gods bevatten en niets anders4 ,bewijs4 ,een ware voorstelling moet overeenkomen met het door haar voorgestelde 7vlg4 ,ax4 ,,vi7 d4w4z4 7gelijk vanzelf spreekt7 datgene wat objectief,a#bj in het verstand aanwezig is moet ook noodzakelijk in de natuur bestaan4 ,in de natuur evenwel bestaat 7vlg4 ,gevolg ,i ,st4 ,,xiv7 niets dan n enkele substantie1 namelijk ,god1 noch 7vlg4 ,st4 ,,xv7 eenigerlei andere bestaanswijzen dan die welke in ,god zijn en welke 7vlg4 dezelfde ,st47 zonder ,god noch bestaanbaar noch denkbaar zijn2 derhalve kan het verstand1 hetzij eindig of oneindig in zijn werking1 slechts de attributen ,gods en de bestaanswijzen ,gods bevatten en niets anders4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xxxi4 ,een werkend verstand1 hetzij eindig of oneindig1 moet evenals wil1 begeerte1 liefde enz4 behooren tot de genatuurde natuur en niet tot de naturende4 ,bewijs4 ,onder verstand immers verstaan wij 7gelijk vanzelf spreekt7 niet het absolute ,denken1 maar slechts een bepaalden vorm van denken1 welke vorm verschilt van andere denkvormen als begeerte1 liefde enz4 en dus 7vlg4 ,def4 ,v7 uit het absolute ,denken begrepen moet worden2 immers het moet 7vlg4 ,st4 ,,xv en ,def4 ,,vi7 uit een attribuut ,gods dat het eeuwige en oneindige wezen des ,denkens uitdrukt1 aldus worden begrepen dat het zonder dit noch bestaanbaar noch denkbaar is2 en derhalve moet het 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xxix7 behooren tot de genatuurde natuur1 niet echter tot de naturende1 en evenzoo de overige vormen van denken4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,de reden waarom ik hier sprak van een werkend verstand1 is niet dat ik toegeef dat er eenig verstand-als-vermogen,a#bg zou bestaan2 maar1 wijl ik alle verwarring wensch te vermijden1 heb ik slechts willen spreken over een zaak welke ons zoo duidelijk mogelijk is1 nl4 over het begrijpen zelf1 klaarder dan hetwelk wij niets kennen4 ,immers al wat wij leeren kennen leidt wederom tot nog volmaakter kennis van het begrijpen4 ,stelling ,,xxxii4 ,men kan den wil geen vrije oorzaak heeten1 doch alleen een noodzakelijke4 ,bewijs4 ,de wil is een bepaalde vorm van denken1 evenals het verstand2 en derhalve 7vlg4 ,st4 ,,xxviii7 kan een of andere willing,a#db niet bestaan1 noch tot werking genoodzaakt worden1 tenzij door een andere oorzaak1 en deze op haar beurt weer door een andere1 en zoo voort tot in het oneindige4 ,want al werd ondersteld dat de wil oneindig was1 dan moest hij toch ook door ,god tot bestaan en werken genoodzaakt worden1 niet voorzoover ,god de absoluut oneindige substantie is1 maar voorzoover hij een attribuut heeft dat het oneindige en eeuwige wezen des ,denkens uitdrukt 7vlg4 ,st4 ,,xxiii74 ,op welke wijze hij dus ook wordt opgevat1 hetzij eindig of oneindig1 steeds eischt hij eene oorzaak waardoor hij tot bestaan en werken genoodzaakt wordt en derhalve kan hij 7vlg4 ,def4 ,,vii7 geen vrije oorzaak genoemd worden1 maar alleen een noodzakelijke of afhankelijke4 ,gevolg ,i3 ,hieruit volgt ten eerste1 dat ,god niet werkt krachtens vrijheid van wil4 ,gevolg ,,ii3 ,er volgt ten tweede uit1 dat wil en verstand in dezelfde verhouding staan tot ,gods aard als beweging en rust en volkomen als alle andere natuurlijke dingen1 welke 7vlg4 ,st4 ,,xxix7 door ,god op bepaalde wijze tot bestaan en werken genoodzaakt moeten worden4 ,want de wil heeft1 evengoed als alle andere dingen1 een oorzaak noodig door welke hij op bepaalde wijze tot bestaan en werken wordt genoodzaakt4 ,en ofschoon uit wil en verstand1 eenmaal gegeven1 oneindig veel voortvloeit1 kan men daarom toch evenmin zeggen dat ,god handelt uit vrijheid van wil1 als dat men wegens al wat uit beweging en rust voortkomt 7en dat is immers eveneens oneindig veel7 zou kunnen zeggen dat hij handelt uit vrijheid van beweging of rust4 ,derhalve behoort de wil niet r tot den aard ,gods dan de overige natuurlijke dingen1 maar staat hij tot dezen in dezelfde verhouding als beweging en rust en al het overige waarvan wij aantoonden dat het uit de noodwendigheid van den goddelijken aard voortvloeit en door dezen op bepaalde wijze tot bestaan en werken wordt genoodzaakt4 ,stelling ,,xxxiii4 ,de dingen hadden door ,god op geen andere wijze1 noch in andere orde1 voortgebracht kunnen worden1 dan zij inderdaad voortgebracht zijn4 ,bewijs4 ,alle dingen immers zijn 7vlg4 ,st4 ,,xvi7 met noodwendigheid uit den gegeven aard ,gods voortgevloeid en worden door de noodwendigheid van ,gods aard tot een bepaalde wijze van bestaan en werken genoodzaakt 7vlg4 ,st4 ,,xxix74 ,indien dus de dingen van anderen aard konden zijn1 of op andere wijze tot werking genoodzaakt konden worden1 zoodat de orde der natuur een andere ware1 dan zou ook ,gods aard een andere kunnen zijn dan hij is2 maar deze andere aard zou dan 7vlg4 ,st4 ,,xi7 eveneens moeten bestaan en bijgevolg zouden er twee of meer godheden kunnen bestaan1 hetgeen 7vlg4 ,gevolg ,i ,st4 ,,xiv7 ongerijmd is4 ,derhalve hadden de dingen door ,god op geen andere wijze1 noch in andere orde1 enz4 ,h4t4b4w4 ,opmerking ,i3 ,ofschoon ik hiermede meer dan zonneklaar heb aangetoond dat er volstrekt niets in de dingen is1 weswegen zij toevallig genoemd konden worden1 wil ik toch nog met enkele woorden verklaren wat wij onder het ,toeval hebben te verstaan2 eerst echter wat onder het ,noodwendige en ,onmogelijke4 ,een ding wordt noodwendig genoemd f ten opzichte van zijn wezen1 f ten opzichte van zijn oorzaak4 ,immers het bestaan van een of ander ding vloeit noodzakelijk voort f uit zijn wezen en definitie1 f uit een gegeven bewerkende oorzaak4 ,voorts kan een ding om deze zelfde redenen ook onmogelijk genoemd worden1 te weten f omdat zijn wezen of definitie een tegenstrijdigheid insluit1 f omdat er geen enkele uitwendige oorzaak bestaat welke genoodzaakt is zulk een ding voort te brengen4 ,een of ander ding nu wordt op geen anderen grond toevallig genoemd1 dan met het oog op de gebrekkigheid onzer kennis4 ,een ding immers waarvan wij niet weten of zijn wezen een tegenstrijdigheid insluit1 of waarvan wij zeker weten dat het gn tegenstrijdigheid insluit1 maar omtrent welks bestaan wij niettemin niets stelligs kunnen zeggen1 omdat de reeks zijner oorzaken ons verborgen is2 zulk een ding kan door ons nooit als noodwendig1 noch als onmogelijk worden beschouwd1 zoodat wij het f toevallig1 gebeurlijk f mogelijk noemen4 ,opmerking ,,ii3 ,uit het voorgaande volgt duidelijk dat de dingen door ,god in hoogste volmaaktheid zijn voortgebracht1 aangezien zij met noodwendigheid uit een gegeven allervolmaaktsten aard zijn voortgevloeid1 en hierdoor wordt ,god allerminst van eenigerlei onvolmaaktheid beticht2 immers zijn volmaaktheid zelf dwingt ons juist dit te erkennen4 ,ja1 uit het tegendeel hiervan zou juist volgen 7gelijk ik zooeven heb aangetoond7 dat ,god net allervolmaaktst was1 daar immers1 indien de dingen op andere wijze waren voortgebracht1 aan ,god een andere aard moest worden toegekend1 verschillend van dien1 welken wij op grond der beschouwing van het allervolmaaktste wezen gedwongen zijn hem toe te schrijven4 ,ik twijfel er wel niet aan of velen zullen deze uitspraak als ongerijmd verwerpen en haar niet in overweging willen nemen1 en dat om geen andere reden dan wijl zij gewoon zijn aan ,god een andere soort van vrijheid toe te kennen1 grootelijks verschillend van die welke door ons 7in ,def4 ,,vii7 werd omschreven1 namelijk een volslagen willekeur4 ,maar ik twijfel er evenmin aan of zij zullen1 indien zij de zaak slechts willen overdenken en de reeks van onze bewijsvoeringen behoorlijk overwegen1 nochtans deze vrijheid welke zij ,god toedichten1 niet slechts als kinderachtig1 maar zelfs als een groote belemmering voor de wetenschap gansch en al verwerpen4 ,het is niet noodig dat ik datgene1 wat ik in de ,opmerking bij ,stelling ,,xvii gezegd heb1 hier herhaal4 ,maar ik wil niettemin ten hunnen gevalle nog bewijzen dat1 al werd toegegeven dat wil tot ,gods wezen behoorde1 uit zijn volmaaktheid nochtans zou voortvloeien dat de dingen op geen enkele andere wijze1 noch in andere orde1 door ,god geschapen hadden kunnen worden1 hetgeen gemakkelijk zal zijn aan te toonen indien wij in de eerste plaats overwegen wat deze lieden zelf toegeven1 namelijk dat het alleen van ,gods besluit en wil afhangt dat eenig ding is wat het is4 ,immers anders zou ,god net de oorzaak van alle dingen zijn4 ,voorts dat al ,gods besluiten van eeuwigheid af door ,god zelf zijn bekrachtigd4 ,immers anders kon hij van onvolmaaktheid en onstandvastigheid beticht worden4 ,maar aangezien er in de eeuwigheid geen wanneer1 geen vroeger of later bestaat1 volgt hieruit1 d4w4z4 uit ,gods volmaaktheid zelf1 dat ,god nooit iets anders kan besluiten1 noch zulks ooit gekund heeft1 ofwel dat ,god niet bestond vr zijn besluiten1 noch zonder hen kan bestaan4 ,maar1 zoo zeggen zij1 al werd ondersteld dat ,god de wereld der dingen anders gemaakt had of dat hij van eeuwigheid af anders omtrent de ,natuur en hare orde besloten had1 dan nog zoude hieruit geenerlei onvolmaaktheid van ,god volgen4 ,indien zij dit evenwel zeggen1 geven zij tevens toe dat ,god zijn besluiten kan veranderen4 ,want indien ,god omtrent de ,natuur en hare orde anders besloten had dan hij besloot2 dat wil zeggen1 indien hij omtrent de ,natuur iets anders gewild en gedacht had1 zou hij noodzakelijk een ander verstand en een anderen wil gehad hebben dan hij heeft4 ,en indien men aan ,god een ander verstand en een anderen wil mag toeschrijven zonder eenige wijziging van zijn wezen en volmaaktheid1 wat reden zou er dan zijn1 waarom hij niet zijn besluiten omtrent de geschapen dingen zou kunnen wijzigen en nochtans even volmaakt blijven8 ,immers ten opzichte van ,gods wezen en volmaaktheid is het hetzelfde op welke wijze ook men zijn verstand en wil in hun verband met de geschapen dingen en hunne orde opvat4 ,wijders geven alle wijsgeeren die ik ken toe1 dat er in ,god geen verstand-als-vermogen bestaat1 doch alleen een werkend2 daar evenwel zijn verstand en wil niet van zijn wezen te onderscheiden zijn1 gelijk zij allen eveneens toegeven1 volgt hieruit ook dat1 indien ,god een ander werkend verstand en een anderen wil hadde gehad1 ook zijn wezen noodzakelijk een ander had moeten zijn2 en derhalve zou 7gelijk mijn gevolgtrekking van aanvang af luidde7 indien de dingen anders dan zij zijn door ,god waren voortgebracht1 ,gods verstand en wil1 d4w4z4 7gelijk wordt toegegeven7 zijn wezen1 een ander geweest moeten zijn1 hetgeen ongerijmd is4 ,waar nu de dingen op geen andere wijze1 noch in andere orde door ,god konden worden voortgebracht--en dat zulks waar is volgt uit ,gods hoogste volmaaktheid--is er waarlijk geene enkele reden welke ons kan doen gelooven dat ,god niet ook al wat in zijn verstand is met diezelfde volmaaktheid1 waarmede hij het denkt1 heeft willen scheppen4 ,nu kan men zeggen dat er in de dingen noch volmaaktheid noch onvolmaaktheid te vinden is1 doch dat datgene1 wat in hen is en waardoor zij volmaakt of onvolmaakt zijn en goed of slecht genoemd worden1 slechts van ,gods wil afhangt2 en dat dus ,god1 indien hij gewild had1 had kunnen bewerken dat datgene wat nu volmaaktheid heet1 in de hoogste mate onvolmaakt werd en omgekeerd4 ,maar wat anders zou dit zijn dan openlijk te beweren dat ,god1 die datgene wat hij wil1 noodzakelijk begrijpt1 door zijnen wil kon bewerken dat hij de dingen op andere wijze begreep dan hij ze begrijpt2 hetgeen1 7gelijk ik zooeven aangetoond heb7 hoogst ongerijmd is4 ,daarom kan ik hunne bewijsvoering tegen henzelve keeren en wel aldus3 ,alles hangt van ,gods macht af4 ,opdat dus de dingen anders zullen zijn1 moet noodzakelijk ook ,gods wil anders zijn4 ,gods wil evenwel kan niet anders zijn 7gelijk wij zoo even ten duidelijkste op grond van ,gods volmaaktheid hebben aangetoond74 ,derhalve kunnen de dingen evenmin anders zijn4 ,ik erken dat deze meening1 welke alles onderwerpt aan een onverschilligen wil ,gods en beweert dat alles van zijn welbehagen afhangt1 minder van de waarheid afwijkt dan de meening diergenen1 die beweren dat ,god alles doet uit het gezichtspunt van het ,goede4 ,want deze laatsten schijnen iets buiten ,god te onderstellen1 wat niet afhankelijk van ,god is1 waarop ,god bij zijn werken1 als op een voorbeeld1 acht geeft of waarnaar hij1 als naar een bepaald doel1 streeft4 ,hetgeen voorwaar niets anders is dan ,god aan het noodlot onderwerpen1 ongerijmder dan hetwelk wel niets van ,god beweerd kan worden1 van wien wij toch aantoonden dat hij zoowel van het wezen aller dingen als van hun bestaan de eerste en eenige vrije oorzaak is4 ,daarom is het ook niet noodig dat ik nog meer tijd verspil met het weerleggen van deze ongerijmdheid4 ,stelling ,,xxxiv4 ,gods macht is zijn wezen zelf4 ,bewijs4 ,uit de noodwendigheid van ,gods wezen alleen reeds volgt dat ,god zijns zelfs-oorzaak is 7vlg4 ,st4 ,,xi7 en tevens 7vlg4 ,st4 ,,xvi en ,gevolg7 de oorzaak van alle dingen4 ,derhalve is ,gods macht1 krachtens welke hij in alles bestaat en werkt1 zijn wezen zelf4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xxxv4 ,al wat wij als in ,gods macht liggend beschouwen1 moet noodzakelijk bestaan4 ,immers al wat in ,gods macht ligt1 moet zoodanig in zijn wezen vervat zijn 7vlg4 voorgaande ,st47 dat het er met noodwendigheid uit voortvloeit en derhalve moet het noodzakelijk bestaan4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xxxvi4 ,er bestaat niets uit welks aard niet een of andere werking voortvloeit4 ,bewijs4 ,al wat bestaat drukt ,gods aard of wezen op een vaste en bepaalde wijze uit 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,xxv72 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,xxxiv73 al wat bestaat openbaart ,gods macht1 welke de oorzaak is van alle dingen1 op vaste en bepaalde wijze1 en derhalve 7vlg4 ,st4 ,,xvi7 moet er ook een of andere werking uit voortvloeien4 ,h4t4b4w4 ,,aanhangsel ,hiermede heb ik ,gods aard en eigenschappen ontvouwd1 namelijk dat hij noodwendig bestaat2 dat hij eenig is2 dat hij uitsluitend krachtens de noodwendigheid van zijnen aard bestaat en handelt2 dat hij aller dingen vrije oorzaak is en op welke wijze2 dat alles in ,god is en zoodanig van hem afhangt1 dat het zonder hem noch bestaanbaar noch denkbaar is2 en ten slotte dat alles door ,god is voorbeschikt1 weliswaar niet uit vrijen wil of onbeperkte willekeur1 maar krachtens zijn volstrekten aard ofwel zijn oneindige macht4 ,wijders heb ik overal waar de gelegenheid zich daartoe aanbood1 mij beijverd alle vooroordeelen1 welke het juiste begrip mijner bewijsvoeringen zouden kunnen belemmeren1 uit den weg te ruimen2 maar wijl er nochtans niet weinig vooroordeelen overblijven1 welke eveneens1 en zelfs in de hoogste mate1 kon den en kunnen verhinderen dat men het verband der dingen aanvaardt z als ik het heb uiteengezet1 heb ik het der moeite waard geacht ook deze vooroordeelen hier voor de rede ter verantwoording te roepen4 ,en aangezien alle vooroordeelen1 welke ik mij voorstel hier aan te wijzen1 afhangen van dit ne3 dat men namelijk gemeenlijk onderstelt dat alle dingen in de ,natuur1 evenals de menschen zelf1 met een bedoeling handelen2 jazelfs met beslistheid beweert dat ,god zelf alles bestiert met het oog op n bepaald doel 7men zegt immers dat ,god alles terwille van den mensch geschapen heeft1 den mensch zelf echter opdat deze hem vereere71 zal ik dt vooroordeel het eerst beschouwen en daartoe in de eerste plaats naar de oorzaak zoeken waarom zoovelen er zich bij neerleggen en allen van nature zoozeer geneigd zijn het te aanvaarden4 ,vervolgens zal ik de onwaarheid ervan aantoonen en eindelijk op welke wijze hieruit zijn ontsproten de vooroordeelen omtrent goed en kwaad1 verdienste en zonde1 lof en blaam1 orde en verwarring1 schoonheid en leelijkheid wanstaltigheid en andere soortgelijke zaken4 ,wel is het hier de plaats niet dit alles af te leiden uit den aard van den menschelijken geest4 ,het zal hier voldoende zijn wanneer ik tot grondslag neem wat door iedereen erkend zal worden1 namelijk dat alle menschen onwetend omtrent de oorzaak der dingen worden geboren en dat allen neiging hebben hun eigen voordeel te zoeken en zich daarvan bewust zijn4 ,immers hieruit volgt ten eerste3 dat de menschen wanen vrij te zijn omdat zij zich wel bewust zijn van hun willingen en begeerten1 maar zelfs niet in den droom denken aan de oorzaken1 door welke zij tot begeeren en willen genoopt worden1 wijl zij deze oorzaken niet kennen4 ,ten tweede volgt er uit3 dat de menschen alles doen met een bedoeling1 namelijk terwille van het voordeel waarnaar zij streven2 met dit gevolg dat zij steeds slechts de doel-oorzaken der gebeurtenissen wenschen te kennen en gerustgesteld zijn wanneer zij deze vernomen hebben2 en wel omdat zij alsdan geen reden meer hebben om zich verder bezorgd te maken4 ,indien zij evenwel deze doel-oorzaken niet van een ander kunnen vernemen1 blijft hen niet anders over dan tot zichzelf in te keeren en na te denken over de doeleinden door welke zijzelf tot dergelijke dingen gedreven worden1 en zoodoende beoordeelen zij noodzakelijk eens anders karakter naar hun eigen karakter4 ,daar zij voorts in en buiten zichzelf tal van hulpmiddelen aantreffen welke niet weinig er toe bijdragen dat zij datgene1 wat nuttig voor hen is1 ook bereiken1--zooals bijvoorbeeld oogen om te zien1 tanden om te kauwen1 planten en dieren om zich mede te voeden1 een zon om licht te geven1 een zee om visschen voor hen te kweeken enz4--2 is het gevolg hiervan dat zij alle dingen in de ,natuur beschouwen als middel om te bereiken wat nuttig voor hen is4 ,en omdat zij wel weten dat deze hulpmiddelen door hen slechts gevonden1 niet echter gemaakt zijn1 hebben zij hierin reden gezien om te gelooven dat er iemand anders is die ze voor hun gebruik heeft ingericht4 ,want daar zij de dingen eenmaal als hulpmiddelen hadden opgevat1 konden zij niet gelooven dat deze zichzelf geschapen hadden1 maar moesten zij wel uit het feit dat ook zijzelf gewoon zijn sommige hulpmiddelen te bereiden1 de gevolgtrekking maken dat er een of meerdere bestierders der ,natuur zijn1 die1 begiftigd met menschelijke wils vrijheid in alles voor hen zorgen en alles te hunnen bate hebben ingericht4 ,aangezien zij echter nooit iets van het karakter dier wezens hoorden1 moesten zij dit wel naar het hunne beoordeelen en kwamen zij er zoodoende toe te beweren dat goden alles ten bate van den mensch hadden ingericht om de menschen aan zich te verbinden en zoo hoog mogelijk door hen te worden vereerd2 met het gevolg dat elk1 naar zijn eigen karakter1 een verschillende wijze heeft verzonnen om ,god te dienen1 opdat ,god hm boven de anderen zou beminnen en de geheele ,natuur moge inrichten ten gerieve van zijn begeerten en onverzadelijke hebzucht4 ,en aldus is dit vooroordeel tot bijgeloof geworden en heeft het diep wortel geschoten in de geesten2 zoodat het oorzaak ervan werd dat een ieder zich ten zeerste beijvert om de doeloorzaken van alle dingen te weten te komen en te verklaren4 ,maar terwijl zij trachten aan te toonen dat de ,natuur niets te vergeefs doet 7d4w4z4 niets dat den mensch niet van nut is7 hebben zij1 naar het mij wil toeschijnen1 niets anders aangetoond dan dat de ,natuur1 de goden en de menschen gelijkelijk van zinnen zijn4 ,gaat eens na1 zoo vraag ik u1 waarop dit ten laatste is uitgeloopen6 ,naast vele gemakken die de ,natuur aanbiedt1 moesten zij ook niet weinige ongemakken ontdekken1 te weten stormen1 aardbevingen1 ziekten enz4 en zij beweerden nu dat deze zaken plaats grepen omdat de goden vertoornd waren wegens beleedigingen1 hen door de menschen aangedaan1 of wegens verzuimen bij hunnen eeredienst begaan2 en ofschoon de ervaring dit dagelijks logenstrafte en hen in ontelbare voorbeelden voor oogen hield1 dat zoowel gemakken als ongemakken den goeden en den slechten zonder onderscheid gelijkelijk ten deel vallen1 hebben zij toch hun ingeroest vooroordeel geenszins laten varen2 immers het viel hun veel gemakkelijker deze ervaring te plaatsen bij de andere onbekende zaken1 waarvan zij het nut niet begrepen en zoodoende in hun bestaanden en ingeboren staat van onwetendheid te volharden1 dan heel hun geknutsel omver te werpen en iets nieuws te bedenken4 ,daarom stelden zij voor vast en zeker dat de beschikkingen der goden het menschelijk begrip verre te boven gaan2 hetgeen inderdaad een voldoende reden ervoor geweest zou zijn dat de waarheid het menschelijk geslacht voor eeuwig verborgen moest blijven1 indien niet de wiskunde1 welke niet over doeleinden1 maar slechts over wezen en eigenschappen van figuren handelt1 den menschen een anderen richtsnoer van waarheid had getoond4 ,en behalve de wiskunde zijn er ook nog andere oorzaken aan te wijzen 7welke het overbodig is hier op te sommen71 welke aanleiding gegeven hebben dat men deze zeer verbreide vooroordeelen eens terdege overwoog en tot het ware inzicht in de dingen kwam4 ,hiermede heb ik voldoende toegelicht wat ik in de eerste plaats beloofde4 ,het zal mij nu niet moeilijk vallen verder nog aan te toonen dat de ,natuur geen enkel vooropgezet doel heeft en dat alle doel-oorzaken niets anders zijn dan menschelijke verzinselen4 ,ik geloof toch dat het reeds voldoende gebleken is1 zoowel uit de gronden en oorzaken uit welke1 naar ik heb aangetoond1 dit vooroordeel ontsproten is1 als uit ,stelling ,,xvi en de ,gevolgen van ,stelling ,,xxxii1 en bovendien uit al die stellingen1 waarin ik heb bewezen dat alles in de ,natuur voortkomt uit een eeuwige noodwendigheid en in de hoogste volmaaktheid4 ,dit echter wil ik hieraan nog toevoegen3 namelijk dat deze leer der doeloorzaken de ,natuur geheel en al onderstboven keert4 ,want datgene wat inderdaad oorzaak is1 beschouwt men als uitwerking en omgekeerd4 ,wat voorts van nature voorafgaat1 plaatst zij achteraan4 ,en tenslotte maakt zij datgene1 wat het allerhoogste en allervolmaaktste is1 tot het meest onvolmaakte4 ,want 7de beide eerste beweringen laat ik terzijde1 omdat zij uit zichzelf duidelijk zijn71 zooals uit de stellingen ,,xxi1 ,,xxii en ,,xxiii bleek1 is die uitwerking het volmaaktst welke onmiddellijk door ,god wordt teweeggebracht1 en hoe meer bemiddelende oorzaken iets behoeft om te worden voortgebracht1 des te onvolmaakter is het4 ,maar indien de dingen1 welke onmiddellijk door ,god zijn geschapen1 gemaakt waren opdat ,god daardoor zijn doel zou kunnen bereiken1 dan zouden noodzakelijk de laatste1 terwille waarvan de eerste geschapen werden1 van allen de voortreffelijkste zijn4 ,maar bovendien heft deze leer ,gods volmaaktheid op4 ,want indien ,god terwille van een doel handelt1 moet hij noodzakelijk iets begeeren dat hem ontbreekt4 ,en hoewel godgeleerden en wijsgeeren onderscheiden tusschen doelstelling uit behoefte en de bedoeling zich met iets te vereenigen1 erkennen zij toch dat ,god alles terwille van zichzelf en niet terwille van de dingen welke hij scheppen wilde gedaan heeft2 aangezien zij vr de schepping niets buiten ,god weten aan te geven1 terwille waarvan ,god gehandeld zou kunnen hebben4 ,derhalve zijn zij noodzakelijk gedwongen te erkennen dat ,god al datgene1 terwille waarvan hij hulpmiddelen schiep1 ontbeerde en verlangde1 gelijk vanzelf spreekt4 ,er mag hier ook niet onopgemerkt blijven dat de aanhangers dezer leer1 die hun vernuft willen ten toon spreiden in het aanwijzen van de doeleinden der dingen1 een nieuwen vorm van bewijsvoering hebben toegepast om hun leer te bevestigen1 namelijk door een beroep te doen1 niet op het onmogelijke1 maar op de onwetendheid2 waaruit wel blijkt dat er voor deze leer geen enkel ander bewijsmiddel te vinden was4 ,indien bijvoorbeeld van een of andere hoogte een steen op iemands hoofd gevallen is en hem gedood heeft1 zullen zij op de volgende manier bewijzen dat die steen gevallen is om dien man te dooden4 ,ware hij niet gevallen 7zoo zeggen zij7 volgens ,gods wil en met die bedoeling1 hoe zouden dan wel zoovele omstandigheden 7dikwijls toch komen er vele tegelijk samen7 toevallig kunnen samenwerken8 ,ge zult misschien antwoorden1 dat dit ongeluk geschied is doordat het sterk woei en de weg van dien man langs die bepaalde plaats leidde4 ,zij zullen evenwel blijven aandringen wrom de wind juist op dat oogenblik woei en waarom de weg van dien man juist op dat oogenblik daarlangs leidde8 ,en wanneer ge dan wederom antwoordt1 dat de wind opstak omdat de zee den vorigen dag1 toen het weder nog kalm was1 begon te woelen2 en dat die man door een vriend was uitgenoodigd2 zoo zullen zij opnieuw aandringen1--aangezien er aan vragen geen eind komt--waarom dan de zee zoo woelig werd en waarom die man op dien tijd werd uitgenoodigd8 ,en zoo zullen zij niet ophouden steeds maar naar de oorzaken dier oorzaken te vragen1 totdat ge eindelijk maar hulp zoekt bij den wil ,gods1 dat wil zeggen de toevlucht der onwetendheid4 ,zoo verbazen zij zich ook geweldig bij de beschouwing van het kunstig samenstel des menschelijken lichaams en uit het feit dat zij de oorzaken van zoodanig een kunstwerk niet kennen1 maken zij de gevolgtrekking dat het niet volgens de wetten der werktuigkunde1 maar door een goddelijke of bovennatuurlijke kunstvaardigheid gemaakt is en zoodanig ingericht dat het eene deel het andere niet hindert4 ,en hierdoor komt het dat degene1 die de ware oorzaken der wonderen naspeurt en de natuurverschijnselen als een denkend wezen wil begrijpen inplaats van ze als een dwaas aan te gapen1 overal voor een ketter en een goddelooze wordt gehouden en uitgemaakt door hen die het grauw vereert als de tolken der ,natuur en der goden4 ,want zij weten wel dat1 wanneer de onwetendheid eenmaal is opgeheven1 ook de verbazing1 hun eenig middel om te overtuigen en hun eigen gezag te handhaven1 ophoudt4 ,doch ik stap hiervan af en ga over tot wat ik mij voorstelde in de derde plaats hier te behandelen4 ,nadat de menschen zich eenmaal hadden wijs gemaakt1 dat al wat geschiedt om hunnentwil geschiedt1 moesten zij wel in alle dingen datgene het belangrijkst vinden wat voor hen het nuttigst was en al datgene voor het voortreffelijkste houden1 waardoor zij het aangenaamst werden aangedaan4 ,vandaar dat zij ter verklaring van den aard der dingen al die begrippen moesten vormen1 als daar zijn het goede1 het kwade1 orde1 verwarring1 warmte1 koude1 schoonheid1 wanstaltigheid4 ,en wijl zij zichzelf voor vrij hielden1 ontsprongen hieruit wederom de begrippen lof1 blaam1 zonde en verdienste4 ,deze laatste evenwel zal ik later1 wanneer ik over den menschelijken aard spreek1 behandelen1 terwijl ik gene reeds hier kortelijks wil toelichten4 ,al datgene dan1 wat tot welzijn en godsdienst leidt1 hebben zij goed genoemd1 wat evenwel daaraan tegengesteld is slecht4 ,en aangezien zij1 die den aard der dingen niet begrijpen1 niets omtrent die dingen zelf zeggen1 doch zich ze slechts inbeelden en die inbeelding voor begrip houden1 gelooven zij1 onwetend omtrent de dingen en hun eigen aard1 vast en zeker dat er orde heerscht in de ,natuur4 ,want wanneer de dingen zoo zijn ingericht dat wij ze ons1 zoodra de zintuigen ze aan ons voorstellen1 gemakkelijk kunnen verbeelden,a#af en dat wij ze ons bijgevolg gemakkelijk kunnen herinneren1 dan noemen wij ze goed geordend2 in het tegenovergestelde geval echter slecht geordend of verward4 ,en aangezien datgene wat wij ons gemakkelijk voorstellen kunnen ons aangenamer is dan iets anders1 verkiezen de menschen orde boven verwarring 7alsof er eenige orde in de ,natuur bestond behalve dan met betrekking tot onze voorstelling7 en zeggen zij dat ,god alles in een bepaalde orde geschapen heeft1 waarmede zij1 zonder het zelf te weten1 aan ,god verbeelding toeschrijven2 tenware zij wellicht liever willen dat ,god1 uit voorzorg voor de menschelijke verbeelding1 alles zoodanig heeft ingericht dat zij het zich het gemakkelijkst zouden kunnen voorstellen2 want het zal voor hen wel geen bezwaar zijn dat er tallooze zaken zijn1 welke onze verbeelding verre te boven gaan1 en zeer vele welke haar wegens hare gebrekkigheid1 verbijsteren4 ,doch hierover genoeg4 ,de overige begrippen eindelijk zijn eveneens niet anders dan een soort van voorstelling waardoor de verbeelding op verschillende wijze wordt aangedaan1 en toch worden zij door de onwetenden als de voornaamste eigenschappen der dingen beschouwd1 omdat zij zooals wij reeds zeiden1 gelooven dat alle dingen om hunnentwil gemaakt zijn1 en zoo noemen zij den aard van een of ander ding goed of slecht1 gezond of rot en bedorven1 al naarmate zij er door worden aangedaan4 ,wanneer bijvoorbeeld de beweging1 welke de zenuwen ontvangen van de voorwerpen1 door onze oogen afgebeeld1 hun aangenaam aandoet1 noemen zij de voorwerpen door welke dit wordt teweeggebracht schoon1 diegene echter welke de tegenovergestelde beweging opwekken leelijk wanstaltig4 ,wat door middel van de neus het gevoel aandoet noemen zij welriekend of stinkend1 wat door middel van de tong1 zoet of bitter1 smakelijk of onsmakelijk enz4 ,wat wederom door den tastzin op hen inwerkt1 noemen zij hard of zacht1 ruw of glad enz4 ,van wat tenslotte de ooren aandoet zeggen zij dat het gedruisch1 klank of een welluidenden toon geeft1 welke laatste meening de menschen zoo zinneloos gemaakt heeft te gelooven dat ook ,god zelf zich over welluidendheid verheugt4 ,zelfs ontbreekt het niet aan wijsgeeren die zich in het hoofd gezet hebben dat de beweging der hemelen een harmonisch geluid voortbrengt4 ,hetgeen alles voldoende aantoont dat ieder naar gelang van de gesteldheid zijner hersenen over de dingen oordeelt of liever de aandoeningen zijner verbeelding voor de dingen zelf aanziet4 ,zoodat het niet te verwonderen valt 7om ook dit nog in het voorbijgaan op te merken7 dat er onder de menschen zooveel verschil van meening ontstaan is als wij waarnemen en hieruit tenslotte het scepticisme4 ,want ofschoon de menschelijke lichamen in vele opzichten overeenkomen1 verschillen zij toch ook in zeer vele andere en zoo schijnt den een goed wat den ander slecht lijkt2 is wat den een geordend voorkomt1 voor den ander verward2 is den een aangenaam wat den ander onaangenaam is2 en zoo in alle overige dingen1 welke ik hier voorbij ga1 zoowel omdat het hier de plaats niet is om daarover meer uitvoerig te spreken1 alswel omdat een ieder op dit punt voldoende ervaring heeft4 ,immers allen liggen de spreekwoorden in den mond3 ,zooveel hoofden zooveel zinnen1 ,elk heeft genoeg aan zijn eigen meening1 ,er is niet minder verschil van meening dan van smaak2 al welke spreekwoorden genoegzaam aantoonen dat de menschen naar gelang van de gesteldheid hunner hersenen over de dingen oordeelen en zich de dingen liever verbeelden dan ze te begrijpen4 ,want indien zij de dingen begrepen1 zouden zij allen hen1 getuige de wiskunde1 zooal niet aanlokken1 dan toch tenminste overtuigen,a#bh4 ,wij zien dus dat alle voorstellingen waarmede de ongeleerde massa de ,natuur pleegt te verklaren1 slechts vormen van verbeelding zijn1 welke niet den aard van eenig ding1 doch slechts den toestand der verbeelding doen kennen2 en aangezien deze vormen namen hebben als waren zij buiten de verbeelding bestaande wezens1 noem ik ze schepselen der verbeelding en niet der rede1 zoodat alle bewijzen1 welke op grond van dergelijke begrippen tegen ons worden aangevoerd1 gemakkelijk te ontwapenen zijn4 ,velen toch plegen te redeneeren als volgt3 ,indien alles uit de noodwendigheid van den allerhoogsten aard ,gods is voortgevloeid1 vanwaar dan zoovele onvolmaaktheden in de ,natuur8 ,vanwaar dit bederf1 tot rotting toe1 die wanstaltigheid welke afkeer wekt2 vanwaar verwarring1 kwaad1 zonde enz48 ,maar zooals ik zooeven reeds gezegd heb is dit gemakkelijk te weerleggen4 ,want de volmaaktheid der dingen moet uitsluitend naar hun eigen aard en vermogen beoordeeld worden en dus zijn de dingen niet meer of minder volmaakt omdat zij 's menschen zinnen streelen of beleedigen1 omdat zij bij den menschelijken aard passen of er mede in strijd zijn4 ,hun echter1 die vragen waarom ,god alle menschen niet zoo geschapen heeft dat zij uitsluitend beheerscht worden door het beleid der ,rede1 antwoord ik niets anders dan3 wijl het hem niet aan stof ontbrak om alles van den hoogsten tot den laagsten graad van volmaaktheid te scheppen2 of1 om nog duidelijker te spreken3 wijl de wetten van zijn eigen aard zoo ruim zijn1 dat zij bij machte zijn om alles wat door een oneindig verstand omvat kan worden1 voort te brengen1 gelijk ik in ,stelling ,,xvi heb bewezen4 ,dit zijn de vooroordeelen welke ik hier wilde behandelen4 ,indien er nog meer van dit slag mochten overschieten1 zullen deze gemakkelijk door een ieder bij eenig nadenken kunnen worden rechtgezet4 ,einde van het eerste deel4 99 99 99 99 99 ,,ii4 ,,over ,,aard ,,en ,,oorsprong ,,van ,,den ,,geest 99 99 99 99 99 ,ik ga er thans toe over uiteen te zetten wat uit het wezen van ,god of van het eeuwig en oneindig ,zijnde1 noodzakelijk moet voortvloeien4 ,weliswaar niet alles2--immers in ,stelling ,,xvi van het ,eerste ,deel hebben wij aangetoond dat er oneindig veel dingen op oneindig vele wijzen uit moeten voortvloeien--1 maar slechts datgene wat ons als een handleiding kan zijn tot de kennis van den menschelijken ,geest en diens hoogste gelukzaligheid4 ,,definities ,i4 ,onder lichaam voorwerp,a#bi versta ik een bestaanswijze1 welke ,gods wezen1 voor zoover hij als ,uitgebreidheid beschouwd wordt1 op zekere bepaalde wijze uitdrukt1 7zie ,gevolg ,st4 ,,xxv ,deel ,i74 ,,ii4 ,tot het wezen van een of andere zaak behoort datgene1 waarmede deze zaak staat of valt2 ofwel datgene1 zonder hetwelk die zaak1 en omgekeerd1 wat zonder die zaak1 noch bestaanbaar noch denkbaar is4 ,,iii4 ,onder voorstelling versta ik een waarneming conceptie van den ,geest1 welke de ,geest vormt doordat hij een denkend iets is4 ,toelichting3 ,ik zeg liever waarneming conceptie dan gewaarwording perceptie,a#cj1 omdat het woord gewaarwording schijnt aan te duiden dat de ,geest iets door een voorwerp ondergaat1 terwijl het woord waarneming een eigen handeling van den ,geest schijnt uit te drukken4 ,,iv4 ,onder adaequate,a#ca voorstelling versta ik een voorstelling1 welke1 voorzoover zij op zichzelf1 zonder betrekking tot haar voorwerp beschouwd wordt1 alle eigenschappen of innerlijke kenmerken eener ware voorstelling heeft4 ,toelichting3 ,ik zeg innerlijke om datgene uit te sluiten dat uiterlijk is1 namelijk de overeenstemming der voorstelling met het door haar voorgestelde4 ,v4 ,duur is onbegrensde voortzetting van bestaan4 ,toelichting3 ,ik zeg onbegrensde1 omdat die voortzetting geenszins door den aard van het bestaande ding zelf begrensd kan worden1 en evenmin door zijn bewerkende oorzaak1 welke immers zijn bestaan wel noodzakelijk stelt1 doch niet opheft4 ,,vi4 ,onder werkelijkheid en volmaaktheid,a#cb versta ik het zelfde4 ,,vii4 ,onder bijzondere dingen versta ik dingen welke eindig zijn en een beperkt bestaan hebben4 ,wanneer meerdere enkeldingen zoodanig samenwerken dat zij allen tezamen oorzaak zijn van een uitwerking1 zal ik ze allen in zooverre als n afzonderlijk ding beschouwen4 ,,grondwaarheden 7,,axioma',s7 ,i4 ,het wezen van den mensch sluit geen noodwendig bestaan in zich2 dat wil zeggen3 krachtens de orde der ,natuur kan het even goed gebeuren dat deze of gene mensch bestaat1 als dat hij niet bestaat4 ,,ii4 ,de mensch denkt4 ,,iii4 ,vormen wijzen1 soorten van denken1 zooals liefde1 begeerte1 of met welken anderen naam de zielsaandoeningen ook worden aangeduid1 kunnen niet bestaan tenzij in denzelfden enkeling een voorstelling bestaat van de zaak welke wordt bemind1 begeerd enz4 ,een voorstelling evenwel kan bestaan zonder dat zulk een andere vorm van denken gegeven is4 ,,iv4 ,wij worden gewaar dat een voorwerp op velerlei wijzen inwerking kan ondergaan,a#cc4 ,v4 ,wij kunnen geenerlei bijzondere dingen waarnemen noch gewaarworden1 dan lichamen voorwerpen en vormen van denken4 7,zie de noodzakelijke vereischten postulaten waarvan hier wordt uitgegaan1 achter ,stelling ,,xiii74 ,,stellingen ,stelling ,i4 ,het ,denken is een attribuut ,gods1 ofwel ,god is iets denkends4 ,bewijs4 ,bijzondere gedachten1 dat wil zeggen deze of gene gedachte1 zijn bestaanswijzen1 welke ,gods wezen op zekere bepaalde wijze uitdrukken 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,xxv ,deel ,i74 ,god moet dus wel 7vlg4 ,def4 ,v4 ,deel ,i7 een attribuut bezitten1 welks begrip in alle afzonderlijke gedachten ligt opgesloten en door bemiddeling waarvan zijzelf kunnen worden begrepen4 ,derhalve is het ,denken een van de oneindig vele attributen ,gods en openbaart het ,gods eeuwige en oneindige wezen 7zie ,def4 ,,vi ,deel ,i7 ofwel ,god is iets denkends4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,de waarheid dezer stelling blijkt ook hieruit1 dat wij ons inderdaad een denkend oneindig wezen kunnen voorstellen4 ,want hoemeer een denkend iets denken kan1 hoe meer werkelijkheid of volmaaktheid het naar ons begrip moet bezitten4 ,derhalve moet een wezen1 dat oneindig veel dingen op oneindig vele wijzen kan denken1 noodzakelijk ook in denkvermogen oneindig zijn4 ,waar wij dus1 ons uitsluitend bepalende tot het ,denken1 tot de opvatting van een oneindig wezen komen1 moet 7vlg4 ,def4 ,,iv en ,,vi ,deel ,i7 het ,denken een van de oneindig vele attributen ,gods zijn1 hetgeen wij wilden bewijzen4 ,stelling ,,ii4 ,de ,uitgebreidheid is een attribuut ,gods1 ofwel ,god is iets uitgebreids4 ,bewijs4 ,dit bewijs wordt op dezelfde wijze geleverd als het bewijs der voorgaande ,stelling4 ,stelling ,,iii4 ,er bestaat in ,god noodzakelijk een voorstelling1 zoowel van zijn eigen wezen1 als van alles wat met noodwendigheid uit dit wezen voortvloeit4 ,bewijs4 ,god immers kan 7vlg4 ,st4 ,i van dit ,deel7 oneindig vele dingen op oneindig vele wijzen denken1 ofwel 7wat vlg4 ,st4 ,,xvi ,deel ,i hetzelfde is7 hij kan een voorstelling vormen van zijn eigen wezen en van alles wat met noodwendigheid daaruit voortvloeit4 ,maar al datgene1 wat in ,gods vermogen ligt1 moet 7vlg4 ,st4 ,,xxxv ,deel ,i7 ook noodwendig bestaan1 en derhalve bestaat ook noodzakelijk de bedoelde voorstelling en dat wel 7vlg4 ,st4 ,,xv ,deel ,i7 uitsluitend in ,god4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,de groote massa verstaat onder ,gods macht ,gods vrijen wil en beschikking ten opzichte van al wat bestaat1 zoodat daarom ook gemeenlijk alles als toevallig beschouwd wordt4 ,immers ,god heeft1 zoo meent men1 de macht om alles te verwoesten en tot niets te doen verkeeren4 ,daarom ook wordt ,gods macht maar al te dikwijls bij de macht der koningen vergeleken4 ,in ,gevolg ,i en ,,ii van ,stelling ,,xxxii ,deel ,i evenwel1 hebben wij deze meening afgewezen en in ,stelling ,,xvi ,deel ,i hebben wij aangetoond dat ,god handelt met diezelfde noodwendigheid1 waarmede hij zichzelf begrijpt4 ,dat wil zeggen3 evenals uit de noodwendigheid van ,gods wezen volgt 7gelijk allen volmondig erkennen7 dat ,god zichzelf begrijpt1 volgt uit diezelfde noodwendigheid dat ,god oneindig vele dingen op oneindig vele wijze doet4 ,voorts hebben wij in ,stelling ,,xxxiv ,deel ,i aangetoond1 dat ,gods macht niets anders is dan ,gods werkdadig wezen1 en daarom is het ons even onmogelijk te denken dat ,god niet zou handelen als dat ,god niet zou bestaan4 ,indien ik hierop dieper wilde ingaan1 zou ik hier nader kunnen aantoonen dat die macht1 welke de groote massa aan ,god toedicht1 niet alleen een menschelijk karakter heeft 7hetgeen doet zien dat zij zich ,god voorstelt als een mensch of naar gelijkenis van den mensch7 maar zelfs onmacht medebrengt4 ,doch ik wil niet zooveel woorden aan eenzelfde zaak verliezen4 ,ik wil den lezer slechts nog eens bij herhaling verzoeken om wat hierover in het ,eerste ,deel1 van ,stelling ,,xvi af tot aan het einde1 gezegd is1 nog eens en nog eens te overwegen4 ,want niemand kan datgene1 wat ik zeggen wil1 juist begrijpen indien hij zich niet met de grootste zorg er voor hoedt ,gods macht met menschelijke macht of met het menschelijk gezag der koningen te verwarren4 ,stelling ,,iv4 ,gods voorstelling1 uit welke oneindig veel op oneindig vele wijzen voortvloeit1 kan slechts eenig zijn4 ,bewijs4 ,het oneindig verstand omvat 7vlg4 ,st4 ,,xxx ,deel ,i7 niets anders dan ,gods attributen en bestaanswijzen4 ,maar ,god is 7vlg4 ,gevolg ,i ,st4 ,,xiv ,deel ,i7 eenig4 ,derhalve kan ook ,gods voorstelling1 waaruit oneindig veel op oneindig vele wijzen voortvloeit1 niet anders dan eenig zijn4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,v4 ,het werkelijke zijn,a#ai der voorstellingen heeft ,god tot oorzaak alleen voorzoover hij als denkend iets beschouwd wordt1 en niet voorzoover hij zich in eenig ander attribuut openbaart4 ,dat wil dus zeggen3 de voorstellingen van ,gods attributen1 zoowel als die van de bijzondere dingen1 hebben niet het voorgestelde of de waargenomen dingen tot werkende oorzaak1 maar ,god zelf voorzoover hij een denkend iets is4 ,bewijs4 ,immers dit blijkt uit ,stelling ,,iii van dit ,deel4 ,daar toch kwamen wij tot de slotsom dat ,god een voorstelling van zijn eigen wezen en van alles wat daaruit met noodwendigheid voortvloeit kan vormen1 uitsluitend doordat hij een denkend iets is en niet omdat hijzelf het voorwerp zijner voorstelling is4 ,zoodat het werkelijke zijn der voorstellingen ,god tot oorzaak heeft voorzoover hij een denkend iets is4 ,doch ook op andere wijze kan dit worden aangetoond4 ,het werkelijke zijn der voorstellingen is een bestaanswijze van het ,denken 7gelijk vanzelf spreekt7 d4w4z4 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,xxv ,deel ,i7 een bestaanswijze1 welke ,gods wezen1 voor zoover hij een denkend iets is1 openbaart4 ,derhalve vooronderstelt het 7vlg4 ,st4 ,x ,deel ,i7 ook niet het begrip van eenig ander attribuut ,gods en bijgevolg is het ook 7vlg4 ,ax4 ,,iv ,deel ,i7 geen uitvloeisel van eenig ander attribuut dan uitsluitend van het ,denken4 ,derhalve heeft het werkelijke zijn der voorstellingen ,god tot oorzaak uitsluitend voor zoover hij als denkend iets beschouwd wordt enz4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,vi4 ,de bestaanswijzen van elk attribuut hebben ,god tot oorzaak alleen voorzoover hij beschouwd wordt als zich openbarende in dt attribuut welks bestaanswijzen zij zijn en niet voorzoover hij als zich openbarende in eenig ander attribuut beschouwd kan worden4 ,bewijs4 ,immers elk attribuut wordt 7vlg4 ,st4 ,x ,deel ,i7 op zichzelf en zonder behulp van een ander begrepen4 ,zoodat de bestaanswijzen van elk attribuut het begrip van hun eigen attribuut vooronderstellen1 niet echter dat van een ander4 ,derhalve hebben zij 7vlg4 ,ax4 #d ,deel ,i7 ,god tot oorzaak alleen voorzoover hij beschouwd wordt onder dt attribuut welks bestaanswijze zij zijn en niet voorzoover hij onder eenig ander attribuut beschouwd kan worden4 ,gevolg3 ,hieruit volgt dat het werkelijk bestaan van die dingen welke gn bestaanswijzen van het ,denken zijn1 niet voortvloeit uit den goddelijken aard omdat deze ze zich eerst zou hebben voorgesteld1 maar dat voorstelbare dingen volgen en worden afgeleid uit hun eigen attribuut op dezelfde wijze en met dezelfde noodwendigheid als naar wij aantoonden de voorstellingen volgden uit het attribuut van het ,denken4 ,stelling ,,vii4 ,de orde en het verband der voorstellingen zijn dezelfde als de orde en het verband der dingen4 ,bewijs4 ,dit blijkt uit ,ax4 ,,iv ,deel ,i4 ,want de voorstelling van elk veroorzaakt ding hangt af van de kennis der oorzaak waarvan het een uitvloeisel is4 ,gevolg3 ,hieruit volgt dat ,gods vermogen tot ,denken gelijk is aan zijn vermogen om feitelijk te handelen4 ,dat wil zeggen3 al wat formeel in werkelijkheid uit den oneindigen aard ,gods voortvloeit1 dit alles volgt in ,god ook objectief,a#bj uit ,gods voorstelling in dezelfde orde en in hetzelfde verband4 ,opmerking3 ,alvorens verder te gaan moeten wij ons hier in herinnering roepen wat wij hierboven aantoonden1 nl4 dat al wat door een oneindig verstand kan worden begrepen als uitmakende het wezen eener substantie1 slechts behoort tot n enkele substantie en dat bijgevolg de denkende substantie en de uitgebreide substantie n en dezelfde substantie zijn1 welke nu eens als zich openbarende in dit1 dan weder als zich openbarende in het andere attribuut beschouwd wordt4 ,zoo zijn ook een bestaanswijze der ,uitgebreidheid en de voorstelling dier bestaanswijze n en hetzelfde1 slechts op twee manieren uitgedrukt2 hetgeen reeds sommigen ,hebraen als in een nevel schijnt te hebben voorgezweefd1 waar zij namelijk beweren dat ,god1 ,gods verstand en de door hem begrepen dingen n en hetzelfde zijn4 ,een in werkelijkheid bestaande cirkel bijvoorbeeld en de voorstelling van dien bestaanden cirkel1 welke eveneens in ,god is1 zijn n en dezelfde zaak1 welke zich in twee verschillende attributen openbaart4 ,derhalve1 of wij de ,natuur onder het attribuut der ,uitgebreidheid1 onder dat van het ,denken1 dan wel onder eenig ander attribuut beschouwen1 steeds zullen wij n en dezelfde orde1 n en hetzelfde oorzakelijk verband vinden d4w4z4 dezelfde zaken op elkaar zien volgen4 ,om geen andere reden ook heb ik gezegd dat ,god de oorzaak is der voorstelling van bijvoorbeeld een cirkel1 alleen voorzoover hij een denkend iets is1 van den cirkel zelf echter voorzoover hij een uitgebreid iets is1 dan wijl het werkelijke zijn der voorstelling van den cirkel slechts met behulp van een andere denkwijziging als naaste oorzaak1 en deze wederom door behulp van een andere en zoo tot in het oneindige1 kan worden begrepen4 ,zoodat1 zoolang wij de dingen als denkwijzigingen beschouwen1 wij ook de orde der geheele ,natuur1 ofwel de aaneenschakeling der oorzaken1 alleen door het attribuut van het ,denken moeten verklaren2 terwijl voorzoover zij als bestaanswijzen der ,uitgebreidheid beschouwd worden1 ook de orde der geheele ,natuur uitsluitend met behulp van het attribuut der ,uitgebreidheid verklaard moet worden4 ,hetzelfde geldt van de overige attributen4 ,daarom is ,god van de dingen1 zooals zij op zichzelf zijn1 eigenlijk alleen de oorzaak voorzoover hij uit oneindig vele attributen bestaat4 ,voor het oogenblik kan ik dit echter niet duidelijker uiteen zetten4 ,stelling ,,viii4 ,de voorstellingen van afzonderlijke dingen of 7anders gezegd7 bestaanswijzen1 welke niet feitelijk bestaan1 moeten in de oneindige voorstelling ,gods evenzoo begrepen zijn als het werkelijke wezen dier afzonderlijke dingen of bestaanswijzen besloten ligt in ,gods attributen4 ,bewijs4 ,de waarheid dezer stelling blijkt uit de voorgaande1 maar zal nog beter begrepen kunnen worden uit de voorgaande ,opmerking4 ,gevolg3 ,hieruit volgt dat zoolang de afzonderlijke dingen niet bestaan dan voorzoover zij in ,gods attributen liggen besloten1 ook hun objectief bestaan1 of wel hun voorstelling,a#bj1 niet bestaat dan voorzoover de oneindige voorstelling ,gods bestaat2 terwijl waar afzonderlijke dingen bestaande genoemd worden niet alleen voorzoover zij in ,gods attributen liggen besloten1 maar ook voorzoover zij een duur hebben1 tevens hunne voorstellingen een bestaan1 krachtens hetwelk zij een duur hebben1 insluiten4 ,opmerking3 ,indien men nu een voorbeeld verlangde ter nadere verduidelijking hiervan1 zou ik er helaas geen weten te geven dat de kwestie waarover hier gesproken wordt1 en die geheel eenig in haar soort is1 op volkomen juiste wijze toelicht4 ,toch wil ik trachten haar1 zoo goed het gaat1 te verduidelijken4 ,het ligt in den aard van den cirkel dat de rechthoeken1 gevormd door de stukken van alle elkaar in hetzelfde punt snijdende koorden aan elkaar gelijk zijn1 zoodat een cirkel een oneindig aantal onderling gelijke rechthoeken bevat4 ,toch kan men van geen van hen zeggen dat hij bestaat1 tenzij alleen voorzoover die cirkel bestaat4 ,evenmin kan men zeggen dat de voorstelling van een dier rechthoeken bestaat1 tenzij voorzoover zij in de voorstelling van dien cirkel ligt opgesloten4 ,laten wij nu eens aannemen dat van dit oneindig aantal rechthoeken er twee1 ,,ab ,,bc en ,,db ,,be werkelijk bestaan4 ,dan zouden dus hun voorstellingen niet slechts bestaan voorzoover zij in de voorstelling van den cirkel liggen besloten1 maar ook voorzoover zij het bestaan dier rechthoeken insluiten3 zoodat zij zich daardoor van de voorstellingen der overige niet feitelijk bestaande rechthoeken onderscheidden4 ,illustratie3 ,cirkel met twee koorden4 ,stelling ,,ix4 ,de voorstelling van een bijzonder1 feitelijk bestaand ding1 heeft ,god tot oorzaak net voorzoover hij oneindig is1 maar voorzoover hij beschouwd wordt als hebbende een voorstelling van een ander feitelijk bestaand ding1 van hetwelk ,god eveneens oorzaak is voorzoover hij een voorstelling heeft van een derde ding1 en zoo tot in het oneindige4 ,bewijs4 ,de voorstelling van een bijzonder1 feitelijk bestaand ding is 7vlg4 ,gevolg en ,opmerking ,st4 ,,viii van dit ,deel7 een bijzondere1 van de overige onderscheiden bestaanswijze van het ,denken en heeft derhalve 7vlg4 ,st4 ,,vi v4d4 ,deel7 ,god tot oorzaak alleen voorzoover hij een denkend iets is4 ,niet echter 7vlg4 ,st4 ,,xxviii ,deel ,i7 voorzoover hij het absolute ,denken is1 maar voorzoover hij beschouwd wordt als zich openbarende in een bepaalde denkwijziging2 en van deze is ,god eveneens de oorzaak voorzoover hij zich in wederom een andere denkwijziging openbaart en zoo tot in het oneindige4 ,maar orde en verband der voorstellingen zijn 7vlg4 ,st4 ,,vii v4d4 ,deel7 dezelfde als de orde en het verband der oorzaken2 derhalve is de oorzaak van elke bijzondere voorstelling een andere voorstelling1 ofwel ,god voorzoover hij zich in een andere voorstelling openbaart1 en van deze wederom voorzoover hij zich in weer een andere openbaart en zoo tot in het oneindige4 ,h4t4b4w4 ,gevolg3 ,van al wat in het bijzondere voorwerp van een of andere voorstelling geschiedt1 draagt ,god kennis alln voorzoover hij de voorstelling van juist dit voorwerp heeft4 ,bewijs4 ,van al wat in het bijzondere voorwerp van een of andere voorstelling geschiedt1 bestaat 7vlg4 ,st4 ,,iii v4d4 ,deel7 eene voorstelling in ,god1 niet voorzoover hij oneindig is1 maar 7vlg4 voorgaande ,st47 voorzoover hij beschouwd wordt zich te openbaren in de voorstelling van een ander bijzonder ding4 ,maar 7vlg4 ,st4 ,,vii v4d4 ,deel73 orde en verband der voorstellingen zijn dezelfde als de orde en het verband der dingen2 er moet dus in ,god een kennis zijn van datgene wat in een of ander bijzonder voorwerp geschiedt1 alln voorzoover hij de voorstelling van juist dit voorwerp heeft4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,x4 ,het zijn eener substantie behoort niet tot het wezen van den ,mensch1 ofwel de substantie maakt niet den aard van den ,mensch uit4,a#cd ,bewijs4 ,het zijn eener substantie immers sluit een noodwendig bestaan in zich4 7,vlg4 ,st4 ,,vii ,deel ,i74 ,indien dus het zijn eener substantie tot het menschelijk wezen behoorde1 zou1 gegeven de substantie1 ook noodzakelijk de ,mensch moeten bestaan 7vlg4 ,def4 ,,ii van dit ,deel7 en zou derhalve de ,mensch noodwendig bestaan1 hetgeen 7vlg4 ,ax4 ,i van dit ,deel7 ongerijmd is4 ,derhalve enz4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,deze stelling kan ook worden afgeleid uit ,stelling ,v4 ,deel ,i1 waar bewezen wordt dat er geen substanties van denzelfden aard kunnen bestaan4 ,immers aangezien er vele menschen bestaan kunnen1 kan datgene wat het wezen van den mensch uitmaakt1 ook niet het zijn eener substantie zijn4 ,de juistheid dezer stelling blijkt bovendien nog uit de overige eigenschappen der substantie1 te weten dat zij van nature oneindig1 onveranderlijk ondeelbaar enz4 is1 gelijk een ieder gemakkelijk zal inzien4 ,gevolg3 ,hieruit volgt dat het wezen van den ,mensch gevormd wordt door bepaalde wijzigingen van ,gods attributen4 ,want het zijn der substantie behoort net tot het wezen van den ,mensch 7vlg4 voorgaande ,st474 ,hij is dus 7vlg4 ,st4 ,,xv ,deel ,i7 iets dat in ,god is en dat zonder ,god noch bestaanbaar noch denkbaar is1 ofwel 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,xxv ,deel ,i7 een openbaring of bestaanswijze welke den aard ,gods op zekere bepaalde wijze uitdrukt4 ,opmerking3 ,ieder zal toch zeker moeten toegeven dat zonder ,god nets bestaanbaar noch denkbaar is4 ,immers ieder erkent dat ,god de eenige oorzaak aller dingen is1 zoowel wat hun wezen als wat hun bestaan betreft1 d4w4z4 dat ,god niet alleen de oorzaak der dingen is voorzoover hun wording 7gelijk men zegt71 maar ook voorzoover hun werkelijk zijn,a#ce aangaat4 ,nochtans beweren de meesten dat tot het wezen van iets datgene behoort zonder hetwelk het noch bestaanbaar noch denkbaar is3 ofwel1 wat waarschijnlijk is3 zij zijn het niet met zichzelf eens4 ,de reden hiervan is1 naar ik geloof1 dat zij zich bij het filosofeeren niet houden aan de juiste volgorde4 ,immers zij hebben gemeend dat de goddelijke aard1 welken zij vr alles hadden moeten beschouwen1 omdat hij zoowel naar begrip als van nature vrgaat1 in de volgorde hunner gedachten het laatst1 de dingen daarentegen welke men zintuigelijk waarneembaar noemt1 het eerst van al kwamen4 ,zoodat zij1 wanneer zij de natuurverschijnselen beschouwden1 over niets minder dachten dan over den goddelijken aard en1 wanneer zij daarna hun geest er toe gingen zetten om over den goddelijken aard te peinzen1 over niets minder konden denken dan over de eerste onderstellingen waarop zij hun kennis der ,natuur hadden opgebouwd1 aangezien deze hen van geen nut konden zijn bij het begrijpen van den goddelijken aard4 ,het behoeft dus niet te verwonderen wanneer zij zichzelf telkens tegenspreken4 ,doch genoeg hierover4 ,het was hier toch slechts mijn bedoeling de reden aan te duiden waarom ik niet heb gezegd dat tot het wezen van iets datgene zou behooren zonder hetwelk het noch bestaanbaar noch denkbaar is1 te weten3 wijl de afzonderlijke dingen zonder ,god noch bestaanbaar noch denkbaar zijn1 terwijl nochtans ,god niet tot hun wezen behoort4 ,wel echter heb ik gezegd dat tot het wezen van een zaak noodzakelijk datgene behoort1 waarmede zij staat of valt1 ofwel datgene zonder hetwelk de zaak1 en omgekeerd1 hetwelk zonder die zaak noch bestaanbaar noch denkbaar is4 ,stelling ,,xi4 ,de eerste openbaring van het werkelijk bestaan van den menschelijken ,geest is niets anders dan de voorstelling van een werkelijk bestaand bijzonder iets4 ,bewijs4 ,het wezen van den mensch bestaat 7vlg4 ,gevolg der voorg4 ,st47 uit bepaalde openbaringen van ,gods attributen1 nl4 7vlg4 ,ax4 ,,ii van dit ,deel7 uit bestaanswijzen van het ,denken,a#cf1 van welke 7vlg4 ,ax4 ,,iii v4d4 ,d47 de voorstelling van nature de eerste is2 terwijl1 wanneer de voorstelling eenmaal gegeven is1 ook de overige denkvormen 7die namelijk waaraan de voorstelling van nature voorafgaat7 in hetzelfde individu aanwezig moeten zijn 7vlg4 hetzelfde ,ax47 ,vandaar dat de voorstelling de eerste openbaring is van den menschelijken ,geest4 ,niet echter de voorstelling van iets dat net bestaat4 ,immers dan zou 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,viii v4d4 ,d47 die voorstelling zelf niet een bestaande genoemd kunnen worden4 ,zij zal derhalve de voorstelling moeten zijn van een werkelijk bestaand iets4 ,doch alweer niet van iets oneindigs4 ,immers iets oneindigs moet 7vlg4 ,st4 ,,xxi en ,,xxii v4 ,d4 ,i7 steeds met noodwendigheid bestaan4 ,dit echter is bij den menschelijken geest 7vlg4 ,ax4 ,i v4d4 ,d47 ongerijmd4 ,derhalve is de eerste openbaring van het werkelijk bestaan van den menschelijken ,geest de voorstelling van een werkelijk bestaand1 bijzonder iets4 ,h4t4b4w4 ,gevolg3 ,hieruit volgt dat de menschelijke ,geest een deel is van het oneindige ,verstand ,gods1 en daarom zeggen wij1 wanneer wij beweren dat de menschelijke ,geest dit of dat begrijpt1 eigenlijk niets anders dan dat ,god1 niet voorzoover hij oneindig is1 maar voor zoover hij zich in den aard van den menschelijken ,geest openbaart1 ofwel voorzoover hij het wezen van den menschelijken ,geest uitmaakt1 deze of gene voorstelling heeft4 ,wanneer wij echter zeggen dat ,god deze of gene voorstelling heeft1 niet alleen voorzoover hij den aard van den menschelijken ,geest uitmaakt1 maar ook voorzoover hij tegelijk met den menschelijken ,geest de voorstelling van iets anders heeft1 dan zeggen wij dat de menschelijke ,geest die zaak tendeele of inadaequaat begrijpt4 ,opmerking3 ,hier zal de lezer zonder twijfel ophouden en zich velerlei te binnen brengen wat hem bedenkelijk voorkomt4 ,ik verzoek hem daarom om langzaam aan met mij voort te schrijden en geen oordeel hieromtrent uit te spreken alvorens hij alles ten einde toe gelezen heeft4 ,stelling ,,xii4 ,al wat in het voorwerp der voorstelling welke den menschelijken ,geest uitmaakt geschiedt1 moet door den menschelijken ,geest worden waargenomen1 ofwel van dit alles bestaat in den ,geest noodzakelijk een voorstelling4 ,met andere woorden3 wanneer het voorwerp der voorstelling welke den menschelijken ,geest uitmaakt1 het ,lichaam is1 zal er niets in dit ,lichaam kunnen gebeuren1 wat niet door den ,geest wordt waargenomen4 ,bewijs4 ,immers van al wat er in het voorwerp van een of andere voorstelling geschiedt1 bestaat 7vlg4 ,gevolg v4 ,st4 ,,ix v4d4 ,d47 kennis in ,god1 voorzoover hij beschouwd wordt zich te openbaren als voorstelling van juist dit voorwerp1 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,xi v4d4 ,d47 voorzoover hij den ,geest van dit voorwerp uitmaakt4 ,van al wat in het voorwerp der voorstelling welke den menschelijken ,geest uitmaakt geschiedt1 bestaat dus ook kennis in ,god1 voorzoover hij het wezen van den menschelijken ,geest vormt2 m4a4w4 7vlg4 ,gevolg v4 ,st4 ,,xi v4d4 ,d47 deze kennis zal noodzakelijk in den ,geest aanwezig zijn1 ofwel de ,geest zal dit alles waarnemen4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,de waarheid dezer ,stelling blijkt ook en wordt nog duidelijker begrepen uit de ,opmerking bij ,st4 ,,vii v4d4 ,d41 waarheen ik verwijs4 ,stelling ,,xiii4 ,het voorwerp der voorstelling welke den menschelijken ,geest uitmaakt is het ,lichaam1 ofwel een zekere werkelijk bestaande vorm der ,uitgebreidheid1 en niets anders4 ,bewijs4 ,immers indien het ,lichaam niet het voorwerp van den menschelijken ,geest was1 zouden de voorstellingen der inwerkingen op het ,lichaam 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,ix v4d4 ,d47 niet in ,god bestaan voorzoover hij nzen ,geest1 maar voorzoover hij den geest van iets anders uitmaakte1 hetgeen 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,xi v4d4 ,d47 wil zeggen dat de voorstellingen der inwerkingen op het lichaam net in onzen ,geest zouden voorkomen4 ,wij hebben echter 7vlg4 ,axioma ,,iv v4d4 ,d47 wel degelijk voorstellingen van de inwerkingen op ons ,lichaam4 ,derhalve is ook het voorwerp der voorstelling welke den menschelijken ,geest uitmaakt het ,lichaam1 en dat wel 7vlg4 ,st4 ,,xi v4d4 ,d47 het werkelijk bestaande4 ,voorts zou er1 indien er behalve het ,lichaam nog een ander voorwerp van den ,geest bestond--aangezien er 7vlg4 ,st4 ,,xxxvi ,d4 ,i7 niets bestaat dat niet de een of andere uitwerking heeft--7vlg4 ,st4 ,,xi v4d4 ,d47 noodzakelijk een voorstelling van zulk een uitwerking in onzen ,geest aanwezig moeten zijn4 ,maar 7vlg4 ,ax4 ,v v4d4 ,d47 zulk een voorstelling bestaat er net4 ,derhalve is ook het voorwerp van onzen ,geest het bestaande ,lichaam en niets anders4 ,h4t4b4w4 ,gevolg3 ,hieruit volgt dat de mensch uit ,geest en ,lichaam bestaat en dat het menschelijk ,lichaam bestaat z als wij het waarnemen4 ,opmerking3 ,het is ons hierdoor niet alleen duidelijk geworden dat de menschelijke ,geest verbonden is met het ,lichaam1 maar ook wat wij onder dit verband van ,geest en ,lichaam hebben te verstaan4 ,geheel adaequaat ofwel duidelijk echter zal niemand dit kunnen begrijpen wanneer hij niet eerst den aard van ons ,lichaam adaequaat heeft leeren kennen4 ,want wat wij tot dusver hebben uiteengezet was van zeer algemeenen aard en betrof den mensch niet mr dan de overige enkeldingen1 die immers allen1 hoewel in verschillenden graad1 bezield zijn4 ,van ieder ding toch bestaat noodzakelijk bij ,god een voorstelling1 van welke ,god de oorzaak is op dezelfde wijze als hij oorzaak is van de voorstelling des menschelijken ,lichaams1 zoodat al wat wij gezegd hebben over de voorstelling van het menschelijk ,lichaam1 noodzakelijk eveneens moet gelden voor de voorstelling van elk ander ding4 ,wij kunnen echter geenszins ontkennen dat de voorstellingen1 evenals de voorwerpen zelf1 van elkaar verschillen en dat de eene voortreffelijker is en meer werkelijkheid heeft dan de andere1 naar gelang het voorwerp van de eene voortreffelijker is en meer werkelijkheid heeft dan het voorwerp der andere4 ,daarom is het1 ten einde vast te stellen in welk opzicht de menschelijke ,geest van andere voorstellingen verschilt en in welk opzicht hij ze overtreft1 noodig om1 zooals wij zeiden1 den aard van zijn voorwerp1 d4w4z4 van het menschelijk ,lichaam1 te leeren kennen4 ,dezen aard kan ik hier evenwel niet beschrijven en dit is ook niet noodig voor hetgeen ik wensch te bewijzen4 ,wel merk ik in het algemeen nog op dat1 naarmate eenig ,lichaam geschikter dan andere is om velerlei tegelijk te doen of te ondergaan1 ook zijn ,geest geschikter dan andere zijn zal om velerlei tegelijk in zich op te nemen2 en dat hoemeer de verrichtingen van eenig lichaam van dit lichaam alleen afhangen en hoe minder andere lichamen tot zijn verrichtingen medewerken1 hoe beter ook zijn geest in staat zal zijn helder te begrijpen4 ,hieraan kunnen wij de voortreffelijkheid van den eenen geest boven den andere onderkennen1 terwijl wij hierin tevens de reden mogen zien waarom wij van ons eigen ,lichaam slechts een uiterst verwarde kennis bezitten4 ,en nog meer dingen zal ik in de volgende stellingen hieruit afleiden4 ,ik heb het daarom der moeite waard geacht een en ander nog ietwat nauwkeuriger na te gaan en te bewijzen2 waartoe het noodig is enkele beschouwingen over den aard der lichamen,a#bi te laten voorafgaan4 ,grondwaarheid 7,axioma7 ,i4 ,alle lichamen bewegen zich of zijn in rust4 ,grondwaarheid 7,axioma7 ,,ii4 ,een lichaam beweegt zich nu eens langzamer dan weer sneller4 ,hulpstelling 7,lemma7 ,i4 ,de lichamen verschillen van elkaar ten opzichte van rust en beweging1 snelheid en traagheid2 niet echter in substantie4 ,bewijs4 ,het eerste deel dezer stelling acht ik vanzelf duidelijk4 ,en dat lichamen niet in substantie van elkaar verschillen1 blijkt zoowel uit ,st4 ,v als uit ,st4 ,,viii v4 ,d4 ,i4 ,nog duidelijker evenwel uit hetgeen in de ,opmerking bij ,st4 ,,xv4 ,d4 ,i betoogd werd4 ,hulpstelling 7,lemma7 ,,ii4 ,alle lichamen komen in sommige opzichten overeen4 ,bewijs4 ,immers hierin komen alle lichamen overeen1 dat zij het begrip van n en hetzelfde attribuut in zich sluiten 7vlg4 ,definitie ,i v4d4 ,d474 ,vervolgens daarin dat zij nu eens langzamer1 dan weer sneller bewegen en in het algemeen dat zij in beweging of rust kunnen zijn4 ,hulpstelling 7,lemma7 ,,iii4 ,een lichaam dat in beweging of rust is1 moet in beweging of tot rust gebracht zijn door een ander lichaam1 dat eveneens tot beweging of rust genoodzaakt werd door een ander1 en dit wederom door een ander1 en zoo tot in het oneindige4 ,bewijs4 ,de lichamen zijn 7vlg4 ,definitie ,i v4d4 ,d47 bijzondere dingen1 welke 7vlg4 ,hulpstelling ,i7 zich ten opzichte van hun beweging of rust van elkaar onderscheiden4 ,derhalve moet 7vlg4 ,st4 ,,xxviii ,d4 ,i7 elk van hen noodzakelijk in beweging of tot rust gebracht worden door een ander bijzonder ding1 en wel 7vlg4 ,st4 ,,vi v4d4 ,d47 door een ander lichaam1 dat 7vlg4 ,axioma ,i7 eveneens hetzij beweegt hetzij in rust is4 ,maar dit lichaam kan 7om dezelfde reden7 niet bewegen of in rust zijn1 wanneer het niet door een ander tot bewegen of rusten werd genoodzaakt1 en dit wederom 7om dezelfde reden7 door een ander1 en zoo tot in het oneindige4 ,h4t4b4w4 ,gevolg3 ,hieruit volgt dat een in beweging verkeerend lichaam zoolang bewegen blijft1 tot het door een ander lichaam tot rust wordt gebracht en dat een zich in rust bevindend lichaam zoolang in rust blijft tot het door een ander in beweging wordt gebracht4 ,hetgeen ook vanzelf spreekt4 ,immers indien ik onderstel dat bijvoorbeeld een lichaam ,a in rust is en ik houd daarbij geen rekening met andere1 in beweging verkeerende lichamen,a#cg1 dan zal ik van dit lichaam ,a niets anders kunnen zeggen dan dat het rust4 ,wanneer ik nu daarna zie dat dit lichaam ,a beweegt1 kan dit toch zeker niet het gevolg drvan zijn dat het in rust was2 daaruit toch zou nooit iets anders kunnen volgen dan dat ,a in rust bleef4 ,wordt daarentegen ondersteld dat ,a in beweging is1 dan zullen wij1 indien wij alleen het oog houden op ,a1 niets anders kunnen beweren dan dat ,a in beweging is4 ,en wanneer dan later het geval zich voordoet dat ,a in rust is1 dan zal dit alweer evenmin het gevolg kunnen zijn van de beweging die het eerst had2 uit die beweging toch zou niets anders kunnen volgen dan dat ,a in beweging bleef4 ,het moet dus bewerkt zijn door iets dat niet in ,a was1 door een uitwendige oorzaak dus1 waardoor ,a gedwongen werd tot rust te komen4 ,grondwaarheid 7,axioma7 ,i4 ,alle bestaanswijzen toestanden1 waarin eenig lichaam door een ander lichaam wordt gebracht1 zijn het gevolg zoowel van den aard van het gewijzigde als van het wijzigende lichaam1 zoodat n en hetzelfde lichaam op verschillende wijze kan worden bewogen al naar gelang van den verschillenden aard der er op in werkende lichamen1 en omgekeerd verschillende lichamen door n en hetzelfde lichaam op verschillende wijze in beweging worden gebracht4 ,grondwaarheid 7,axioma7 ,,ii4 ,wanneer een bewegend lichaam botst tegen een ander1 hetwelk in rust is en hetwelk het niet kan verplaatsen1 wordt het teruggekaatst en zet het zijn beweging voort1 waarbij de hoek1 welke de richting der teruggekaatste beweging maakt met het oppervlak van het rustend lichaam waartegen het stuit1 gelijk is aan den hoek welke de richting der invallende beweging maakt met ditzelfde vlak4 ,zooveel over de meest eenvoudige lichamen1 nl4 die1 welke zich uitsluitend ten opzichte van beweging en rust1 snelheid en traagheid van elkaar onderscheiden4 ,wij willen thans tot de samengestelde overgaan4 ,definitie4 ,wanneer een aantal lichamen van dezelfde of van verschillende grootte1 door andere zoodanig worden tezamen gehouden dat zij dicht aaneensluiten1 of wanneer zij met dezelfde of met verschillende snelheden zoodanig bewegen1 dat zij hunne bewegingen volgens een of andere bepaalde wijze aan elkaar meedeelen1 dan zullen wij deze lichamen onderling vereenigd noemen en zeggen dat zij allen tezamen n lichaam ofwel enkelding individu vormen1 dat door dit verband van andere lichamen onderscheiden is4 ,grondwaarheid 7,axioma7 ,,iii4 ,hoe grooter of hoe kleiner de oppervlakten zijn1 waarmede de deelen van een individu of samengesteld lichaam elkaar raken1 hoe moeilijker of hoe gemakkelijker kunnen zij er toe gedwongen worden van plaats te veranderen en hoe moeilijker of hoe gemakkelijker zal het bijgevolg vallen dit individu een andere gedaante te doen aannemen4 ,vandaar dat ik lichamen1 wier deelen elkaar over groote oppervlakten raken hard1 zulke1 wier deelen elkaar over kleine oppervlakten raken1 week en zulke tenslotte1 wier deelen onderling bewegelijk zijn1 vloeibaar noem4 ,hulpstelling 7,lemma7 ,,iv4 ,indien van een individu of lichaam dat uit meerdere lichamen is samengesteld1 zich sommige dier samenstellende lichamen afscheiden en tegelijkertijd even zooveel andere van denzelfden aard hun plaats innemen1 zal dit individu zijn aard als te voren behouden en geenerlei verandering van karakter,a#ch ondergaan4 ,bewijs4 ,de lichamen toch verschillen 7vlg4 ,hulpst4 ,i7 niet in substantie4 ,datgene echter wat het eigenaardige van een individu uitmaakt1 wordt 7vlg4 de voorgaande ,definitie7 bepaald door het verband der samenstellende lichamen4 ,dit verband echter blijft 7vlg4 het onderstelde7 behouden en derhalve behoudt ook het individu1 zoowel in substantie als in zijn wijze van bestaan1 zijn aard als tevoren4 ,h4t4b4w4 ,hulpstelling 7,lemma7 ,v4 ,indien de deelen welke een individu samenstellen1 grooter of kleiner worden1 op zulk een wijze evenwel dat allen ten opzichte van elkaar in dezelfde verhouding van rust en beweging blijven als te voren1 zal dit individu ook zijnen aard als tevoren behouden en geenerlei verandering van karakter ondergaan4 ,bewijs4 ,het bewijs hiervan wordt op dezelfde wijze geleverd als dat der voorgaande ,hulpstelling4 ,hulpstelling 7,lemma7 ,,vi4 ,indien zekere lichamen1 welke een individu vormen gedwongen worden om de bepaalde richting hunner beweging te veranderen1 evenwel zoodanig dat zij hun bewegingen kunnen voortzetten en onderling op dezelfde wijze als te voren aan elkaar kunnen meedeelen1 zal dit individu zijn aard behouden en geenerlei verandering van karakter ondergaan4 ,bewijs4 ,dit blijkt vanzelf4 ,immers er wordt ondersteld dat het alles behoudt waardoor volgens de ,definitie zijn karakter bepaald wordt4 ,hulpstelling 7,lemma7 ,,vii4 ,een aldus samengesteld individu behoudt bovendien zijn aard hetzij het in zijn geheel beweegt of in rust is1 hetzij het zich in deze of gene richting beweegt1 zoolang slechts ieder deel zijn beweging behoudt en haar1 zooals tevoren1 aan de andere deelen mededeelt4 ,bewijs4 ,dit blijkt uit de definitie van ,individu1 welke men vinden kan vr ,hulpstelling ,,iv4 ,opmerking3 ,hieruit zien wij dus hoe een samengesteld enkelding op velerlei wijzen inwerkingen kan ondergaan terwijl niettemin zijn aard behouden blijft4 ,tot dusver nu hebben wij ons slechts een enkelding voorgesteld uit niets anders bestaande dan uit lichamen welke uitsluitend ten opzichte van beweging of rust1 snelheid of traagheid verschillen1 dat wil dus zeggen uit de meest eenvoudige lichamen4 ,stellen wij ons nu echter een lichaam voor1 samengesteld uit meerdere individuen van verschillenden aard1 dan zullen wij bevinden dat dit op nog veel meer wijzen inwerkingen ondergaan kan1 terwijl niettemin zijn aard behouden blijft4 ,aangezien toch elk zijner deelen uit verscheidene lichamen is samengesteld1 zal 7vlg4 de voorgaande ,hulpst47 elk der deelen1 zonder eenige wijziging van zijn aard1 nu eens trager1 dan weer sneller bewegen en bijgevolg zijn bewegingen trager of sneller aan de andere meedeelen4 ,stellen wij ons bovendien nog een derde soort van enkeldingen voor1 uit enkeldingen van deze tweede soort samengesteld1 dan zullen wij bevinden dat deze op nog meer andere wijzen inwerkingen ondergaan kunnen1 zonder dat daarbij hun karakter verandert4 ,en wanneer wij aldus voortgaan tot in het oneindige1 zullen wij gemakkelijk inzien dat de geheele ,natuur n enkel individu is1 welks deelen1 d4w4z4 alle lichamen1 op oneindig vele wijzen wisselen1 zonder dat evenwel dit individu in zijn geheel ook maar in het minst verandert4 ,ik zou dit1 indien het mijn bedoeling was de lichamen grondig te behandelen1 uitvoeriger behooren uiteen te zetten en te bewijzen4 ,doch ik heb reeds gezegd dat ik iets anders beoog en dat ik dit slechts daarom te berde breng1 wijl ik datgene1 wat ik mij voornam te bewijzen1 er gemakkelijk uit kan afleiden4 ,,vereischten 7,postulaten7 ,i4 ,het menschelijk lichaam bestaat uit tal van enkeldingen 7van verschillenden aard71 elk waarvan op zijn beurt uiterst samengesteld is4 ,,ii4 ,van de enkeldingen1 uit welke het menschelijk ,lichaam is samengesteld1 zijn sommige vloeibaar1 andere week en weer andere tenslotte hard4 ,,iii4 ,de enkeldingen die het menschelijk ,lichaam samenstellen en bijgevolg het menschelijk ,lichaam zelf1 ondervinden op tal van wijzen inwerking van voorwerpen er buiten4 ,,iv4 ,het menschelijk ,lichaam heeft1 om te blijven bestaan1 tal van andere voorwerpen noodig1 waardoor het als het ware voortdurend herboren wordt4 ,v4 ,wanneer een vloeibaar deel van het menschelijk ,lichaam door een uitwendig voorwerp genoodzaakt wordt1 herhaaldelijk met een ander1 week gedeelte in aanraking te komen1 wijzigt het het oppervlak van dit laatste en drukt het er als het ware zekere sporen van het uitwendige1 er tegen aanbotsende voorwerp in af4 ,,vi4 ,het menschelijk ,lichaam kan uitwendige voorwerpen op tal van wijzen in beweging brengen en op tal van wijzen op hen inwerken4 ,stelling ,,xiv4 ,de menschelijke ,geest is in staat om zeer veel in zich op te nemen1 en hij is daartoe des te geschikter1 naarmate zijn ,lichaam op meer wijzen inwerkingen ondergaan kan4 ,bewijs4 ,het menschelijk ,lichaam toch ondergaat 7vlg4 ,postulaat ,,iii en ,,vi7 op tal van wijzen inwerkingen van uitwendige voorwerpen en is zelf genoodzaakt op tal van wijzen op uitwendige voorwerpen in te werken4 ,maar de menschelijke ,geest moet 7vlg4 ,st4 ,,xii v4d4 ,d47 al wat in het menschelijk ,lichaam plaats grijpt gewaarworden4 ,derhalve is de menschelijke ,geest in staat om zeer veel in zich op te nemen en is hij daartoe des te geschikter enz4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xv4 ,de voorstelling welke het werkelijke zijn van den menschelijken ,geest uitmaakt1 is niet eenvoudig1 maar uit tal van voorstellingen samengesteld4 ,bewijs4 ,de voorstelling welke het werkelijke zijn van den menschelijken ,geest uitmaakt is 7vlg4 ,st4 ,,xiii v4d4 ,d47 de voorstelling van het ,lichaam1 dat 7vlg4 ,postulaat ,i7 uit zeer vele uiterst samengestelde individuen gevormd wordt4 ,van elk dier individuen echter1 welke het ,lichaam samenstellen bestaat 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,viii v4d4 ,d47 noodzakelijk een voorstelling in ,god4 ,derhalve is 7vlg4 ,st4 ,,vii v4d4 ,d47 ook de voorstelling van het menschelijk ,lichaam uit deze zeer vele voorstellingen der samenstellende deelen samengesteld4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xvi4 ,de voorstelling van iedere wijze waarop het menschelijk ,lichaam inwerking van uitwendige voorwerpen ondergaat1 moet den aard van het menschelijk ,lichaam zelf en tevens den aard van het uitwendige voorwerp in zich sluiten4 ,bewijs4 ,alle wijzen immers waarop een of ander lichaam inwerkingen kan ondergaan1 vloeien voort uit den aard van dit lichaam zelf en tevens uit den aard van het inwerkende voorwerp 7vlg4 ,axioma ,i na ,hulpst4 ,,iii74 ,vandaar dat 7vlg4 ,axioma ,,iv ,d4 ,i7 hun voorstelling ook noodzakelijk den aard van beide lichamen moet insluiten4 ,derhalve moet de voorstelling van iedere wijze1 waarop het menschelijk ,lichaam inwerking van uitwendige voorwerpen ondergaat1 zoowel den aard van het menschelijk ,lichaam zelf als dien van het er op inwerkende uitwendige voorwerp in zich sluiten4 ,h4t4b4w4 ,gevolg ,i3 ,hieruit volgt ten eerste dat de menschelijke ,geest tegelijk met den aard van zijn eigen ,lichaam1 ook dien van zeer vele andere voorwerpen waarneemt4 ,gevolg ,,ii3 ,ten tweede volgt er uit dat de voorstellingen welke wij van uitwendige voorwerpen hebben1 meer den toestand van ons eigen ,lichaam dan den aard dien uitwendige voorwerpen weergeven1 hetgeen ik in het ,aanhangsel van ,deel ,i reeds met vele voorbeelden heb toegelicht4 ,stelling ,,xvii4 ,indien het menschelijk ,lichaam inwerking ondervindt op een wijze welke den aard van eenig uitwendig voorwerp in zich sluit1 beschouwt de menschelijke ,geest dtzelfde uitwendige voorwerp als werkelijk bestaande1 ofwel als aanwezig1 totdat het ,lichaam een indruk ontvangt welke het bestaan of de aanwezigheid van het bedoelde voorwerp uitsluit4 ,bewijs4 ,dit spreekt vanzelf4 ,immers zoolang het menschelijk ,lichaam een dergelijke inwerking ondergaat1 zal 7vlg4 ,st4 ,,xii v4d4 ,d47 de menschelijke ,geest dezen lichaamsindruk waarnemen1 d4w4z4 7vlg4 de voorgaande ,st473 zoolang zal hij een voorstelling hebben van een werkelijk bestaande inwerking welke den aard van het uitwendige voorwerp in zich sluit1 dat is dus een voorstelling1 welke het bestaan of de aanwezigheid van den aard van het uitwendige voorwerp niet uitsluit maar juist onderstelt4 ,derhalve zal de ,geest 7vlg4 ,gevolg ,i der voorgaande ,st47 dit uitwendige voorwerp als werkelijk bestaande of als aanwezig beschouwen1 totdat hij enz4 ,h4t4b4w4 ,gevolg3 ,de ,geest kan uitwendige voorwerpen1 waarvan het menschelijk ,lichaam eens de inwerking onderging1 ofschoon zij niet langer aanwezig zijn noch bestaan1 toch als aanwezig beschouwen4 ,bewijs4 ,wanneer uitwendige voorwerpen de vloeibare deelen van het menschelijk ,lichaam noodzaken herhaaldelijk met andere1 weeke1 in aanraking te komen1 veranderen zij 7vlg4 ,postulaat ,v7 het oppervlak daarvan4 ,het gevolg hiervan is 7zie4 ,axioma ,,ii na ,gevolg v4 ,hulpst4 ,,iii7 dat zij vandaar op een andere wijze worden teruggekaatst dan zij vroeger plachten en dat zij ook later1 wanneer zij uit eigen beweging tegen die nieuwe oppervlakken stooten1 op dezelfde wijze worden teruggekaatst als toen zij door die uitwendige voorwerpen tegen die oppervlakken werden aangedreven1 en dat zij bijgevolg op het menschelijk ,lichaam1 doordat zij aldus teruggekaatst hun beweging voortzetten1 op dezelfde wijze inwerken4 ,hierover zal nu de geest 7vlg4 ,st4 ,,xii v4d4 ,d47 wederom nadenken1 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,xvii v4d4 ,d473 de ,geest zal wederom het uitwendige voorwerp als aanwezig beschouwen en dat wel even dikwijls als de vloeibare deelen van het menschelijk ,lichaam uit eigen beweging tegen die oppervlakken aandringen4 ,vandaar dat de ,geest1 niettegenstaande de uitwendige voorwerpen1 waarvan het menschelijk ,lichaam eens de inwerking onderging1 niet langer bestaan1 ze toch even dikwijls als aanwezig beschouwt als deze werking des ,lichaams zich herhaalt4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,wij zien hieruit hoe het mogelijk is dat wij dingen die niet bestaan toch als aanwezig kunnen beschouwen1 gelijk dikwijls geschiedt4 ,het kan nu wel zijn dat dit ook nog andere oorzaken heeft1 maar het is mij genoeg er ne te hebben aangetoond1 waardoor ik deze zaak even goed kon verklaren als wanneer ik haar volledige,a#ci oorzaak had blootgelegd4 ,overigens geloof ik dat ik niet ver van de waarheid af ben1 aangezien alle postulaten die ik aannam haast niets bevatten wat niet krachtens ervaring vaststaat1 aan welke ervaring wij niet meer kunnen twijfelen sinds wij bewezen hebben dat het menschelijk ,lichaam z als wij er ons van bewust zijn1 werkelijk bestaat 7zie ,gevolg v4 ,st4 ,,xiii v4d4 ,d474 ,bovendien begrijpen wij thans duidelijk 7vlg4 ,gevolg d4 voorg4 ,st4 en ,gevolg ,,ii v4 ,st4 ,,xvi v4d4 ,d47 wat het verschil is tusschen de voorstelling van bijvoorbeeld ,petrus1 welke het wezen van ,petrus' eigen geest uitmaakt en tusschen de voorstelling van dienzelfden ,petrus welke bij een ander mensch1 zeg ,paulus1 bestaat4 ,de eerste toch openbaart onmiddellijk het wezen van het lichaam van ,petrus zelf en sluit slechts zoolang als ,petrus zelf bestaat1 het bestaan in zich2 terwijl de laatste meer den toestand van ,paulus' lichaam danwel ,petrus' aard doet kennen1 zoodat dan ook ,paulus' geest1 zoolang die toestand van zijn lichaam voortduurt1 ,petrus als aanwezig kan beschouwen1 ook al bestaat deze niet meer4 ,wij zullen voortaan1 om ons aan het spraakgebruik te houden1 die indrukken van het menschelijk ,lichaam1 welker voorstellingen ons uitwendige voorwerpen als aanwezig doen zien1 beelden,a#af der dingen noemen1 hoewel zij eigenlijk net de gedaante der dingen zelf weergeven4 ,en wanneer de ,geest de voorwerpen op deze wijze beschouwt zullen wij zeggen dat hij ze zich verbeeldt4 ,ik zou nu hier1 om alvast aan te duiden wat dwaling is1 willen doen opmerken dat de verbeeldingen van den ,geest op zichzelf beschouwd geenerlei dwaling bevatten1 ofwel dat de ,geest net dwaalt omdat hij zich iets verbeeldt1 doch alleen voorzoover hem daarbij de voorstelling ontbreekt welke het bestaan der dingen1 welke hij zich als aanwezig denkt1 uitsluit4 ,immers indien de geest1 terwijl hij zich nietbestaande dingen als aanwezig verbeeldt1 tegelijkertijd wist dat deze dingen niet werkelijk bestonden1 zoo zou hij zulk een verbeeldingskracht terecht als een deugd en niet als een gebrek beschouwen1 vooral indien deze verbeeldingskracht alleen van zijn eigen aard afhing1 d4w4z4 7vlg4 ,definitie ,,vii ,d4 ,i7 indien deze verbeeldingskracht van den ,geest een vrij vermogen was4 ,stelling ,,xviii4 ,indien het menschelijk ,lichaam eenmaal van twee of meer voorwerpen tegelijk inwerking onderging1 zal de ,geest1 wanneer hij zich later een dier voorwerpen verbeeldt1 zich ook terstond de andere herinneren4 ,bewijs4 ,de ,geest verbeeldt zich 7vlg4 ,gevolg d4 voorg4 ,st47 een of ander voorwerp doordat het menschelijk ,lichaam van de sporen van een uitwendig voorwerp dezelfde inwerking ondervindt als toen enkele zijner deelen met dit uitwendig voorwerp zelf in aanraking kwamen4 ,maar de toestand van het ,lichaam was toen 7vlg4 het onderstelde7 zoodanig dat de ,geest zich toen twee voorwerpen tegelijk verbeeldde voorstelde,a#af en daarom zal hij zich ook nu twee voorwerpen tegelijk verbeelden en zal de ,geest zich1 waar hij zich n van beide verbeeldt1 terstond ook het andere herinneren4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,wij begrijpen nu duidelijk wat ,herinnering is4 ,zij is namelijk niets anders dan een zekere aaneenschakeling van voorstellingen welke den aard van dingen die buiten het menschelijk ,lichaam bestaan in zich sluiten1 welke aaneenschakeling in den ,geest beantwoordt aan de orde en aaneenschakeling der inwerkingen op het menschelijk ,lichaam4 ,ik zeg ten eerste1 dat zij slechts een aaneenschakeling is van voorstellingen welke den aard van dingen die buiten het menschelijk ,lichaam bestaan in zich sluiten2 niet echter van voorstellingen welke den aard dier dingen verklarend doen kennen4 ,immers zij zijn in werkelijkheid 7vlg4 ,st4 ,,xvi v4d4 ,d47 slechts voorstellingen van inwerkingen op het menschelijk ,lichaam1 welke zoowel den aard van dit als dien der uitwendige voorwerpen in zich sluiten4 ,ik zeg ten tweede dat deze aaneenschakeling beantwoordt aan de orde en aaneenschakeling der inwerkingen op het menschelijk ,lichaam1 om haar te onderscheiden van die aaneenschakeling van voorstellingen welke beantwoordt aan de orde des verstands de regelen van het denken waardoor de ,geest de dingen in hun eerste oorzaken begrijpt en welke bij alle menschen dezelfde is4 ,voorts kunnen wij nu duidelijk begrijpen waardoor de ,geest van de gedachte aan een of andere zaak onmiddellijk op die eener andere zaak1 welke geenerlei gelijkenis met de eerste heeft1 kan overgaan4 ,zoo komt bijvoorbeeld een ,romein door de gedachte aan den klank pomus appel dadelijk op die van een vrucht1 welke geenerlei gelijkenis heeft met dien geartikuleerden klank en er niets anders mede gemeen heeft dan dat het lichaam van dien man herhaaldelijk van beide inwerking onderging4 ,d4w4z4 dat die man dikwijls het woord appel hoorde terwijl hij de vrucht zelf voor zich zag4 ,en zoo komt elk van de eene gedachte op de andere1 al naar gelang eens ieders gewoonte de beelden der dingen in zijn lichaam heeft gerangschikt4 ,stelling ,,xix4 ,de menschelijke ,geest kent het eigen menschelijk ,lichaam niet en weet niet anders van zijn bestaan1 dan alleen door de voorstellingen der inwerking welke het ,lichaam ondergaat4 ,bewijs4 ,de menschelijke ,geest immers is 7vlg4 ,st4 ,,xiii v4d4 ,d47 zelf een voorstelling of kennis van het menschelijk ,lichaam1 welke 7vlg4 ,st4 ,,ix v4d4 ,d47 in ,god bestaat1 schoon alleen voorzoover hij ,god beschouwd wordt als tevens vervuld van de voorstelling van andere bijzondere dingen4 ,ofwel1 aangezien 7vlg4 ,postulaat ,,iv7 het menschelijk ,lichaam tal van andere voorwerpen behoeft waaruit het voortdurend als het ware wordt herboren2 en aangezien de orde en aaneenschakeling der voorstellingen 7vlg4 ,st4 ,,vii v4d4 ,d47 dezelfde is als de orde en aaneenschakeling der oorzaken1 zal deze voorstelling in ,god bestaan voorzoover hij beschouwd wordt als vervuld van de voorstellingen van tal van bijzondere dingen4 ,god heeft dus een voorstelling van het menschelijk ,lichaam1 voorzoover hij vervuld is van tal van andere voorstellingen en niet voorzoover hij het wezen van den menschelijken ,geest uitmaakt4 ,d4w4z4 7vlg4 ,gevolg v4 ,st4 ,,xi v4d4 ,d47 de menschelijke ,geest kent het eigen menschelijk ,lichaam niet4 ,maar de voorstellingen der inwerkingen op het menschelijk ,lichaam bestaan wel in ,god voorzoover hij het wezen van den menschelijken ,geest uitmaakt1 ofwel de ,geest neemt deze inwerkingen waar 7vlg4 ,st4 ,,xii v4d4 ,d47 en bijgevolg 7vlg4 ,st4 ,,xvi v4d4 ,d47 neemt hij het menschelijk ,lichaam waar1 en dat wel 7vlg4 ,st4 ,,xvii v4d4 ,d47 z als het werkelijk bestaat en slechts in zoover dus neemt de menschelijke ,geest het eigen menschelijke ,lichaam waar4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xx4 ,ook van den menschelijken ,geest bestaat in ,god een voorstelling of wel kennis1 welke op dezelfde wijze uit ,god voortvloeit en met hem in verband staat als de voorstelling of kennis van het menschelijke ,lichaam4 ,bewijs4 ,het ,denken is 7vlg4 ,st4 ,i v4d4 ,d47 een attribuut ,gods en derhalve moet er 7vlg4 ,st4 ,,iii v4d4 ,d47 zoowel van dit attribuut als van al zijn openbaringen1 en bijgevolg ook 7vlg4 ,st4 ,,xi v4d4 ,d47 van den menschelijken ,geest1 noodzakelijk in ,god een voorstelling bestaan4 ,voorts volgt hieruit net dat deze voorstelling of kennis van den ,geest in ,god bestaat voorzoover hij oneindig is1 maar slechts voorzoover hij vervuld is van andere voorstellingen van bijzondere dingen 7vlg4 ,st4 ,,ix v4d4 ,d474 ,maar de orde en aaneenschakeling der voorstellingen zijn 7vlg4 ,st4 ,,vii v4d4 ,d47 dezelfde als de orde en aaneenschakeling der oorzaken4 ,derhalve vloeit deze voorstelling of kennis van den menschelijken ,geest in ,god op dezelfde wijze uit hem voort en staat zij op dezelfde wijze met hem in verband als de voorstelling of kennis van het menschelijk ,lichaam4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xxi4 ,deze voorstelling omtrent den ,geest in ,god is op dezelfde wijze met den ,geest vereenigd als de ,geest zelf vereenigd is met het ,lichaam4 ,bewijs4 ,dat de ,geest met het ,lichaam vereenigd is hebben wij bewezen uit het feit dat het ,lichaam het voorwerp is van den ,geest 7zie ,st4 ,,xii en ,,xiii v4d4 ,d474 ,om dezelfde reden moet derhalve de voorstelling omtrent den ,geest in ,god met hr voorwerp1 d4w4z4 met den ,geest zelf1 vereenigd zijn en wel op dezelfde wijze als de ,geest zelf vereenigd is met het ,lichaam4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,deze stelling zal men nog veel duidelijker begrijpen uit hetgeen in de ,opmerking bij ,stelling ,,vii van dit ,deel gezegd werd4 ,daar immers hebben wij aangetoond dat de voorstelling van het ,lichaam en het ,lichaam zelf1 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,xiii v4d4 ,d47 de ,geest en het ,lichaam1 n en hetzelfde enkelding zijn1 dat nu eens wordt beschouwd als openbaring van het attribuut des ,denkens1 dan weer als openbaring van dat der ,uitgebreidheid4 ,daarom is ook de voorstelling omtrent den ,geest in ,god en de ,geest zelf n en dezelfde zaak1 nu beschouwd onder hetzelfde attribuut1 namelijk het ,denken4 ,de voorstelling omtrent den ,geest en de ,geest zelf1 moeten dus1 beweer ik1 beide met dezelfde noodwendigheid en krachtens hetzelfde vermogen tot denken1 in ,god bestaan4 ,inderdaad toch is de voorstelling omtrent den ,geest1 d4w4z4 de voorstelling eener voorstelling1 niets anders dan een vorm van voorstelling1 voorzoover zij als openbaring van ,denken zonder eenige betrekking tot een voorwerp wordt opgevat4 ,zoodra iemand iets weet1 weet hij door dit feit zelf dt hij het weet en weet hij tevens dat hij weet dat hij het weet1 en zoo tot in het oneindige4 ,doch hierover later4 ,stelling ,,xxii4 ,de menschelijke ,geest neemt niet alleen de inwerkingen op het ,lichaam1 maar ook de voorstellingen dier inwerkingen waar4 ,bewijs4 ,de voorstellingen omtrent de voorstellingen der inwerkingen op het ,lichaam volgen in ,god op dezelfde wijze en staan tot hem in dezelfde betrekking als de voorstellingen zelf dier inwerkingen2 hetgeen op dezelfde wijze bewezen wordt als ,stelling ,,xx van dit ,deel4 ,maar de voorstellingen der inwerkingen op het ,lichaam bestaan in den menschelijken ,geest 7vlg4 ,st4 ,,xii v4d4 ,d47 d4w4z4 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,xi v4d4 ,d47 zij bestaan in ,god voorzoover hij het wezen van den menschelijken ,geest uitmaakt4 ,derhalve zullen de voorstellingen omtrent deze voorstelling in ,god bestaan voorzoover hij een voorstelling of kennis van den menschelijken ,geest heeft1 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,xxi v4d4 ,d47 in den menschelijken ,geest zelf1 welke dus niet alleen de inwerkingen op het ,lichaam1 maar ook de voorstellingen daarvan waarneemt4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xxiii4 ,de ,geest kent zichzelf niet dan voorzoover hij de voorstellingen der inwerkingen op het ,lichaam waarneemt4 ,bewijs4 ,de voorstelling of kennis omtrent den ,geest volgt in ,god 7vlg4 ,st4 ,,xx v4d4 ,d47 op dezelfde wijze en staat tot hem in dezelfde betrekking als de voorstelling of kennis omtrent het ,lichaam4 ,maar aangezien 7vlg4 ,st4 ,,xix v4d4 ,d47 de menschelijke ,geest het eigen menschelijk ,lichaam niet kent2 d4w4z4 aangezien 7vlg4 ,st4 ,,xi v4d4 ,d47 de kennis van het menschelijk ,lichaam ,god niet eigen is voorzoover hij het wezen van den menschelijken ,geest uitmaakt1 is ook de kennis omtrent den ,geest ,god niet eigen voorzoover hij het wezen van den menschelijken ,geest uitmaakt en kent derhalve 7vlg4 hetzelfde ,gevolg v4 ,st4 ,,xi v4d4 ,d47 de menschelijke ,geest ook in zoover zichzelf niet4 ,voorts sluiten 7vlg4 ,st4 ,,xvi v4d4 ,d47 de voorstellingen der inwerkingen welke het menschelijk ,lichaam ondergaat den aard van dit menschelijk ,lichaam zelf in zich2 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,xiii v4d4 ,d47 zij komen overeen met den aard van den ,geest2 weshalve de kennis dier voorstellingen noodzakelijk de kennis omtrent den ,geest in zich sluit4 ,doch 7vlg4 de voorg4 ,st47 de kennis omtrent deze voorstellingen bestaat in den ,geest zelf2 derhalve kent ook de menschelijke ,geest zichzelf slechts in zoover4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xxiv4 ,de menschelijke ,geest bezit geen adaequate kennis van de deelen welke het menschelijk ,lichaam samenstellen4 ,bewijs4 ,de deelen welke het menschelijk ,lichaam samenstellen behooren niet tot het wezen van het ,lichaam zelf1 dan alleen voorzoover zij hun bewegingen op een of ander bepaalde wijze aan elkaar meedeelen 7zie de ,definitie na ,gevolg v4 ,hulpst4 ,,iii7 en niet voorzoover zij beschouwd kunnen worden als enkeldingen zonder verband met het menschelijk ,lichaam4 ,immers de deelen van het menschelijk ,lichaam zijn 7vlg4 ,postulaat ,i7 zelf uiterst samengestelde enkeldingen1 wier eigen onderdeelen 7vlg4 ,hulpst4 ,,iv7 van het menschelijk ,lichaam kunnen worden afgescheiden1 met volkomen behoud van deszelfs aard en karakter,a#ch1 en welke hun bewegingen 7zie ,axioma ,i na ,hulpst4 ,,iii7 aan andere voorwerpen op weer andere wijze kunnen meedeelen4 ,derhalve zal er in ,god 7vlg4 ,st4 ,,iii v4d4 ,d47 van elk dier deelen een voorstelling of kennis bestaan1 en dat wel 7vlg4 ,st4 ,,ix v4d4 ,d47 voor zoover hij beschouwd wordt als hebbende een voorstelling van weer een ander bijzonder ding dat in de orde der ,natuur aan dit deel zelf voorafgaat 7vlg4 ,st4 ,,vii v4d4 ,d474 ,hetzelfde kan bovendien gezegd worden van elk onderdeel van dit enkelding dat deel uitmaakt van het menschelijk ,lichaam2 zoodat er van elk deel van het menschelijk ,lichaam kennis in ,god bestaat voorzoover hij tal van voorstellingen van dingen heeft en niet voorzoover hij slechts de voorstelling van het menschelijk ,lichaam als zoodanig heeft1 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,xiii v4d4 ,d47 die voorstelling1 welke het wezen van den menschelijken ,geest uitmaakt4 ,derhalve bezit de menschelijke ,geest geen adaequate kennis van de deelen welke het menschelijk ,lichaam samenstellen4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xxv4 ,de voorstelling van welke inwerking op het menschelijk ,lichaam ook1 sluit geen adaequate kennis van het inwerkende voorwerp in zich4 ,bewijs4 ,wij hebben aangetoond 7zie ,st4 ,,xvi v4d4 ,d47 dat de voorstelling eener inwerking op het menschelijk ,lichaam in zoover het wezen van het inwerkende voorwerp in zich sluit1 als dit uitwendig voorwerp op een bepaalde wijze op het menschelijk ,lichaam zelf inwerkt4 ,maar voorzoover dit uitwendig voorwerp een enkelding is dat overigens met het menschelijk ,lichaam in geenerlei verband staat1 bestaat de voorstelling of kennis daaromtrent in ,god 7vlg4 ,st4 ,,ix v4d4 ,d47 voorzoover ,god beschouwd wordt als hebbende een voorstelling van een ander ding1 dat 7vlg4 ,st4 ,,vii v4d4 ,d47 van nature aan dat uitwendige voorwerp voorafgaat4 ,zoodat er in ,god geen adaequate kennis bestaat van een uitwendig voorwerp voorzoover hij de voorstelling eener inwerking op het menschelijk ,lichaam heeft4 ,ofwel de voorstelling van een inwerking op het menschelijk ,lichaam sluit geen adaequate kennis van het inwerkende voorwerp in zich4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xxvi4 ,de menschelijke ,geest neemt geen uitwendig voorwerp als werkelijk bestaande waar1 dan alleen door bemiddeling van de voorstellingen der inwerkingen op het eigen ,lichaam4 ,bewijs4 ,wanneer het menschelijk ,lichaam op geenerlei wijze inwerking van eenig uitwendig voorwerp ondergaat1 zal ook 7vlg4 ,st4 ,,vii v4d4 ,d47 de voorstelling van het menschelijk ,lichaam1 d4w4 dus z4 7vlg4 ,st4 ,,xiii v4d4 ,d47 de menschelijke ,geest1 op geenerlei wijze door de voorstelling van het bestaan van dit uitwendig voorwerp worden aangedaan2 ofwel de menschelijke ,geest zal het bestaan van dit uitwendige voorwerp op geenerlei wijze waarnemen4 ,voor zoover echter het menschelijk ,lichaam wl op eenigerlei wijze inwerking van een uitwendig voorwerp ondergaat1 zal de ,geest 7vlg4 ,st4 ,,xvi en ,gevolg ,,ii v4d4 ,d47 dit uitwendig voorwerp waarnemen4 ,h4t4b4w4 ,gevolg3 ,voorzoover de menschelijke ,geest zich een uitwendig voorwerp verbeeldt voorstelt heeft hij daarvan geen adaequate kennis4 ,bewijs4 ,wanneer de menschelijke ,geest uitwendige voorwerpen beschouwt door bemiddeling van de voorstellingen der inwerkingen op zijn ,lichaam1 zeggen wij dat hij zich die voorwerpen verbeeldt voorstelt 7zie ,opmerking bij ,st4 ,,xvii v4d4 ,d474 ,maar de ,geest kan zich 7vlg4 de voorg4 ,st47 op geen andere wijze dingen als werkelijk bestaande voorstellen4 ,derhalve heeft 7vlg4 ,st4 ,,xxv v4d4 ,d47 de ,geest1 voorzoover hij zich uitwendige voorwerpen voorstelt1 daarvan geen adaequate kennis4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xxvii4 ,de voorstelling van welke inwerking op het menschelijk ,lichaam ook1 sluit geen adaequate kennis van het menschelijk ,lichaam zelf in zich4 ,bewijs4 ,elke voorstelling van een of andere inwerking op het menschelijk ,lichaam sluit in zoover het wezen van het menschelijk ,lichaam in zich als dit menschelijk ,lichaam zelf beschouwd wordt die bepaalde inwerking te ondergaan 7zie ,st4 ,,xvi v4d4 ,d474 ,maar voorzoover het menschelijk ,lichaam een enkelding is dat op vele andere wijzen inwerkingen ondergaan kan1 bestaat zijn voorstelling of kennis enz4 7zie ,bewijs v4 ,st4 ,,xxv v4d4 ,d474 ,stelling ,,xxviii4 ,de voorstellingen der inwerkingen op het menschelijk ,lichaam zijn1 voorzoover zij slechts bestaan in den menschelijken ,geest1 niet helder en duidelijk1 maar verward4 ,bewijs4 ,immers de voorstellingen der inwerkingen op het menschelijk ,lichaam sluiten 7vlg4 ,st4 ,,xvi v4d4 ,d47 zoowel den aard der uitwendige voorwerpen als dien van het menschelijk ,lichaam zelf in zich4 ,bovendien moeten zij niet alleen den aard van het menschelijk ,lichaam1 maar ook dien van al zijn onderdeelen in zich sluiten1 want die inwerkingen zijn 7vlg4 ,postulaat ,,iii7 wijzigingen1 waarvan de deelen van het menschelijk ,lichaam en bijgevolg het geheele ,lichaam1 invloed ondervinden4 ,maar 7vlg4 ,,xxiv en ,,xxv v4d4 ,d47 een adaequate kennis der uitwendige voorwerpen1 en evenmin der deelen welke het menschelijk ,lichaam samenstellen1 bestaat in ,god niet1 voorzoover hij beschouwd wordt zich als menschelijke ,geest1 doch voorzoover hij beschouwd wordt zich als die andere voorstellingen te openbaren4 ,derhalve zijn de voorstellingen dezer inwerkingen1 voorzoover zij slechts in den menschelijken ,geest bestaan1 te vergelijken bij gevolgtrekkingen zonder voorwaarden praemissen1 d4w4z4 7gelijk van zelf spreekt73 zij zijn verward4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,op dezelfde wijze kan worden bewezen dat de voorstelling welke het wezen van den menschelijken ,geest uitmaakt1 op zichzelf beschouwd1 evenmin helder en duidelijk is1 evenmin als de voorstelling omtrent den menschelijken ,geest en de voorstelling der voorstellingen der inwerkingen op het menschelijk ,lichaam1 voorzoover deze in den ,geest alleen bestaan4 ,hetgeen een ieder gemakkelijk zal inzien4 ,stelling ,,xxix4 ,de voorstelling eener voorstelling van welke inwerking op het menschelijk ,lichaam ook1 sluit geen adaequate kennis van den menschelijken ,geest in zich4 ,bewijs4 ,immers de voorstelling eener inwerking op het menschelijk ,lichaam sluit 7vlg4 ,st4 ,,xxvii v4d4 ,d47 geen adaequate kennis van dit ,lichaam zelf in zich1 ofwel drukt zijn wezen niet op adaequate wijze uit4 ,d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,xiii v4d4 ,d47 zij stemt niet adaequaat met den aard des ,geestes overeen4 ,derhalve drukt ook 7vlg4 ,axioma ,,vi ,d4 ,i7 de voorstelling dier voorstelling niet het wezen van den menschelijken ,geest uit1 ofwel sluit zij diens adaequate kennis niet in zich4 ,h4t4b4w4 ,gevolg3 ,hieruit volgt dat de menschelijke ,geest1 zoo dikwijls hij de dingen waarneemt1 gelijk zij zich in de algemeene orde der ,natuur voordoen1 noch van zichzelf1 noch van zijn ,lichaam1 noch van de uitwendige voorwerpen1 een adaequate kennis bezit1 doch slechts een verwarde en gebrekkige4 ,de ,geest toch kent zichzelf niet dan voorzoover hij voorstellingen omtrent de inwerkingen op het menschelijk ,lichaam waarneemt 7vlg4 ,st4 ,,xxiii v4d4 ,d474 ,zijn eigen ,lichaam echter kan hij 7vlg4 ,st4 ,,xix v4d4 ,d47 niet anders waarnemen dan door middel van diezelfde voorstellingen van inwerkingen1 waardoor hij ook 7en uitsluitend7 uitwendige voorwerpen waarneemt 7vlg4 ,st4 ,,xxvi v4d4 ,d474 ,derhalve bezit hij1 voorzoover hij deze voorstellingen heeft1 noch van zichzelf 7vlg4 ,st4 ,,xxix v4d4 ,d471 noch van zijn ,lichaam 7vlg4 ,st4 ,,xxvii v4d4 ,d471 noch van de uitwendige voorwerpen 7vlg4 ,st4 ,,xxv v4d4 ,d47 een adaequate kennis1 doch slechts 7vlg4 ,st4 ,,xxviii en ,opmerking v4d4 ,d47 een gebrekkige en verwarde4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,ik zeg opzettelijk dat de ,geest noch van zichzelf1 noch van zijn ,lichaam1 noch van de uitwendige voorwerpen een adaequate voorstelling heeft1 doch slechts een verwarde1 zoo dikwijls hij de dingen waarneemt gelijk ze zich in de algemeene orde der ,natuur voordoen1 d4w4z4 zoo dikwijls hij van buiten af1 krachtens den toevalligen samenloop der omstandigheden genoodzaakt wordt het een of ander waar te nemen2 en niet zoo dikwijls hij van binnen uit1 d4w4z4 door het feit dat hij meerdere dingen tegelijk beschouwt1 genoopt wordt hun overeenkomst1 verschillen en tegenstrijdigheden te begrijpen4 ,want zoo dikwijls hij op deze of eenige andere wijze innerlijk ertoe gedreven wordt1 beschouwt hij de dingen helder en duidelijk1 gelijk ik hieronder zal aantoonen4 ,stelling ,,xxx4 ,wij kunnen omtrent den duur van ons ,lichaam geen andere dan slechts uiterst inadaequate kennis bezitten4 ,bewijs4 ,de duur van ons ,lichaam hangt 7vlg4 ,axioma ,i v4d4 ,d47 niet af van zijn wezen en evenmin 7vlg4 ,st4 ,,xxi v4 ,d4 ,i7 van den absoluten aard ,gods4 ,maar het wordt 7vlg4 ,st4 ,,xxviii ,d4 ,i7 tot bestaan en werken genoodzaakt door oorzaken welke zelf ook door andere oorzaken tot een bepaalde wijze van bestaan en werken genoodzaakt worden en deze wederom door andere en zoo tot in het oneindige4 ,de duur van ons ,lichaam hangt dus af van de algemeene orde der ,natuur en den toestand der dingen4 ,omtrent dien toestand der dingen evenwel bestaat 7vlg4 ,gevolg v4 ,st4 ,,ix v4d4 ,d47 kennis in ,god voorzoover hij een voorstelling heeft van hen allen en niet voorzoover hij slechts de voorstelling heeft van het menschelijk ,lichaam alleen4 ,derhalve is de kennis van den duur van het menschelijk ,lichaam in ,god uiterst inadaequaat1 voorzoover hij slechts beschouwd wordt als uitmakende het wezen van den menschelijken ,geest1 d4w4z4 7vlg4 ,gevolg v4 ,st4 ,,xi v4d4 ,d473 deze kennis is in onzen ,geest uiterst inadaequaat4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xxxi4 ,wij kunnen omtrent den duur der bijzondere dingen welke buiten ons bestaan1 geen andere dan slechts uiterst inadaequate kennis bezitten4 ,bewijs4 ,immers elk bijzonder ding moet1 evenals het menschelijk ,lichaam 7vlg4 ,st4 ,,xxviii ,d4 ,i7 door een ander bijzonder ding genoodzaakt worden tot een bepaalde wijze van bestaan en werken1 en dit wederom door een ander ding en zoo tot in het oneindige4 ,aangezien wij echter uit deze algemeene eigenschap der bijzondere dingen in de voorgaande stelling hebben bewezen1 dat wij omtrent den duur van ons eigen ,lichaam slechts een zeer inadaequate kennis bezitten1 moeten wij dus wel tot dezelfde gevolgtrekking komen wat den duur der bijzondere dingen betreft1 nl4 dat wij hieromtrent geen andere dan slechts uiterst inadaequate kennis bezitten kunnen4 ,h4t4b4w4 ,gevolg3 ,hieruit volgt1 dat alle bijzondere zaken toevallig gebeurlijk en vergankelijk zijn4 ,immers wij kunnen 7vlg4 de voorg4 ,st47 geenerlei adaequate kennis omtrent hun duur bezitten en dat juist is het wat wij onder toevalligheid gebeurlijkheid en vergankelijkheid mogelijkheid van verval der dingen hebben te verstaan 7zie ,opmerking ,i bij ,st4 ,,xxxiii ,d4 ,i74 ,want behalve in dezen zin bestaat er nergens iets toevalligs4 ,stelling ,,xxxii4 ,alle voorstellingen zijn waar voorzoover zij tot ,god worden teruggebracht4 ,bewijs4 ,immers alle voorstellingen welke in ,god bestaan1 komen 7vlg4 ,gevolg v4 ,st4 ,,vii v4d4 ,d47 geheel en al overeen met het door hen voorgestelde en derhalve zijn zij 7vlg4 ,axioma ,,vi v4 ,d4 ,i7 ook allen waar4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xxxiii4 ,er is in voorstellingen niets positiefs1 waarom zij valsch genoemd konden worden4 ,bewijs4 ,wie dit ontkent1 stelle zich eens1 zoo dit mogelijk is1 een positieven denkvorm voor1 welke het wezen van dwaling of valschheid uitmaakt4 ,deze denkvorm kan 7vlg4 de voorg4 ,st47 niet bestaan in ,god2 buiten ,god evenwel is hij 7vlg4 ,st4 ,,xv ,d4 ,i7 evenmin bestaanbaar noch denkbaar4 ,derhalve kan er in voorstellingen niets positiefs voorkomen1 waarom zij valsch genoemd konden worden4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xxxiv4 ,elke voorstelling welke in ons absoluut,a#bb1 ofwel adaequaat en volmaakt is1 is waar4 ,bewijs4 ,wanneer wij zeggen dat er in ons een adaequate en volmaakte voorstelling bestaat1 zeggen wij 7vlg4 ,gevolg v4 ,st4 ,,xi v4d4 ,d47 niets anders dan dat er in ,god1 voorzoover hij het wezen van onzen ,geest uitmaakt1 een adaequate en volmaakte voorstelling bestaat4 ,bijgevolg zeggen wij dan 7vlg4 ,st4 ,,xxxii v4d4 ,d47 niets anders dan dat zulk een voorstelling waar is4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xxxv4 ,valschheid bestaat in een gemis aan kennis dat inadaequate1 ofwel gebrekkige en verwarde voorstellingen kenmerkt4 ,bewijs4 ,er is 7vlg4 ,st4 ,,xxxiii v4d4 ,d47 in voorstellingen niets positiefs dat het wezen der valschheid in zich sluit4 ,maar toch kan valschheid niet bestaan in een volstrekte ontstentenis4 7,immers1 zooals men zegt3 de ,geest1 niet het ,lichaam dwaalt en bedriegt zich74 ,evenmin in een volstrekte onwetendheid3 immers niet-weten en dwalen zijn verschillende zaken4 ,derhalve bestaat zij in dit gemis aan kennis dat een inadaequate kennis der dingen1 ofwel inadaequate en verwarde voorstellingen kenmerkt4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,in de ,opmerking bij ,stelling ,,xvii van dit ,deel heb ik uiteengezet1 hoe dwaling in gemis aan kennis bestaat2 tot meerdere verduidelijking hiervan zal ik evenwel thans een voorbeeld geven4 ,de menschen dan bedriegen zich indien zij wanen vrij te zijn4 ,deze meening berust alleen hierop dat zij zich wel bewust zijn van hun handelingen1 doch onwetend omtrent de oorzaken door welke deze bepaald worden4 ,hun voorstelling van vrijheid is dus deze3 dat zij geen oorzaak voor hun handelingen kennen4 ,immers wanneer zij zeggen dat de menschelijke handelingen van den wil afhangen1 spreken zij woorden waarbij zij geenerlei voorstelling hebben4 ,niemand toch weet wat die wil is en op welke wijze hij het ,lichaam in beweging zou brengen1 terwijl wie anders denken en zetels en woonplaatsen voor de ziel verzinnen1 slechts spot of afschuw plegen te verwekken4 ,zoo verbeelden wij ons1 wanneer wij naar de zon kijken1 dat zij omstreeks #bjj voet van ons verwijderd is4 ,deze dwaling nu bestaat niet uitsluitend in deze verbeelding1 maar in het feit dat1 terwijl wij ons dit verbeelden1 haar ware afstand en de oorzaak dier verbeelding ons onbekend zijn4 ,want al erkennen wij later dat zij meer dan #fjj aardmiddellijnen van ons verwijderd is1 wij blijven ons niettemin steeds verbeelden,a#af dat zij dichtbij is4 ,immers wij stellen ons de zon niet zoo dichtbij voor omdat wij haar waren afstand niet kennen1 maar omdat haar inwerking op ons ,lichaam het wezen der zon slechts in zich sluit voorzoover dit ,lichaam zelf die inwerking ondergaat4 ,stelling ,,xxvi4 ,inadaequate en verwarde voorstellingen volgen elkaar met dezelfde noodzakelijkheid als adaequate1 ofwel heldere en duidelijke voorstellingen4 ,bewijs4 ,alle voorstellingen zijn 7vlg4 ,st4 ,,xv ,d4 ,i7 in ,god1 en voorzoover zij als goddelijk worden beschouwd zijn zij ook 7vlg4 ,st4 ,,xxxii v4d4 ,d47 waar en 7vlg4 ,gevolg v4 ,st4 ,,vii v4d4 ,d47 adaequaat4 ,er bestaan daarom ook geen inadaequate of verwarde voorstellingen dan alleen voorzoover zij op den bijzonderen geest van dezen of genen betrekking hebben 7zie hierover ,st4 ,,xxiv en ,,xxviii v4d4 ,d474 ,derhalve volgen ook alle1 zoowel adaequate als inadaequate voorstellingen 7vlg4 ,gevolg v4 ,st4 ,,vi v4d4 ,d47 op elkaar met dezelfde noodzakelijkheid4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xxxvii4 ,datgene wat aan alles gemeen is 7zie hierover boven1 ,hulpst4 ,,ii7 en wat evenzeer in een deel als in het geheel voorkomt1 maakt van geen enkel bijzonder ding het wezen uit4 ,bewijs4 ,wie dit ontkent stelle zich1 zoo dit mogelijk is1 voor1 dat zooiets wl het wezen van eenig bijzonder ding kon uitmaken1 bijvoorbeeld het wezen van ,b4 ,dan zou het dus 7vlg4 ,definitie ,,ii v4d4 ,d47 zonder ,b noch bestaanbaar noch denkbaar zijn4 ,maar dit is in strijd met het onderstelde4 ,derhalve kan het niet tot het wezen van ,b behooren1 noch tot het wezen van eenig ander bijzonder ding4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xxxviii4 ,datgene wat aan alles gemeen is en wat evenzeer in een deel als in het geheel voorkomt1 kan niet anders dan adaequaat worden gekend4 ,bewijs4 ,laat ,a iets zijn dat aan alle voorwerpen gemeen is en evenzeer in een deel van een of ander voorwerp voorkomt als in het geheel4 ,ik beweer dan dat ,a niet anders dan adaequaat kan worden gekend4 ,de voorstelling ervan toch zal 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,vii v4d4 ,d47 in ,god noodzakelijk adaequaat zijn1 zoowel voorzoover hij een voorstelling van het menschelijk ,lichaam1 alsook voorzoover hij voorstellingen van de inwerkingen daarop heeft1 welke inwerkingen 7vlg4 ,st4 ,,xvi1 ,,xxv en ,,xxvii v4d4 ,d47 gedeeltelijk zoowel van den aard van het menschelijk ,lichaam als van dien der uitwendige voorwerpen afhangen4 ,d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,xii en ,,xiii v4d4 ,d47 deze voorstelling zal in ,god noodzakelijk adaequaat zijn1 voorzoover hij den menschelijken ,geest uitmaakt1 ofwel voorzoover hij voorstellingen heeft welke in den menschelijken ,geest voorkomen4 ,de ,geest neemt dus 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,xi v4d4 ,d47 ,a noodzakelijk adaequaat waar en datwel zoowel voorzoover hij zichzelf1 als voorzoover hij zijn eigen ,lichaam1 of welk ander uitwendig voorwerp ook1 waarneemt1 en op geen andere wijze kan ,a gedacht worden4 ,h4t4b4w4 ,gevolg3 ,hieruit volgt dat er enkele voorstellingen of begrippen bestaan1 welke aan alle menschen gemeen zijn4 ,immers alle voorwerpen komen 7vlg4 ,hulpst4 ,,ii7 in sommige punten overeen1 welke dan door iedereen adaequaat1 ofwel helder en duidelijk1 kunnen worden gekend4 ,stelling ,,xxxix4 ,ook van datgene wat eigen en gemeen is aan het menschelijk ,lichaam en aan zekere uitwendige voorwerpen1 die op het menschelijk ,lichaam plegen in te werken1 en wat evenzeer in hun deelen als in het geheel voorkomt1 zal de voorstelling in den ,geest adaequaat zijn4 ,bewijs4 ,laat ,a datgene zijn wat aan het menschelijk ,lichaam en aan zekere uitwendige voorwerpen eigen en gemeen is2 wat evenzeer in het menschelijk ,lichaam als in die uitwendige voorwerpen en vervolgens evenzeer in elk deel dier uitwendige voorwerpen als in het geheel voorkomt4 ,er zal dan van ,a 7vlg4 ,gevolg v4 ,st4 ,,vii v4d4 ,d47 in ,god een adaequate voorstelling bestaan1 zoowel voorzoover hij de voorstelling van het menschelijk ,lichaam1 als voorzoover hij voorstellingen heeft van die onderstelde uitwendige voorwerpen4 ,gesteld nu dat zulk een uitwendig voorwerp op het menschelijk ,lichaam inwerkt met datgene wat het er mede gemeen heeft1 dat is dus met ,a1 dan zal de voorstelling dier inwerking 7vlg4 ,st4 ,,xvi v4d4 ,d47 de eigenschap ,a in zich sluiten4 ,de voorstelling dier inwerking zal dus 7vlg4 hetzelfde ,gevolg ,st4 ,,vii v4d4 ,d47 voorzoover zij de eigenschap ,a in zich sluit1 in ,god adaequaat zijn1 voorzoover ,god beschouwd wordt als hebbende de voorstelling van het menschelijk ,lichaam1 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,xiii v4d4 ,d47 voorzoover hij het wezen van den menschelijken ,geest uitmaakt4 ,derhalve is 7vlg4 ,gevolg v4 ,st4 ,,xi v4d4 ,d47 deze voorstelling in den menschelijken ,geest ook adaequaat4 ,h4t4b4w4 ,gevolg3 ,hieruit volgt dat de ,geest des te beter in staat is om vele dingen adaequaat waar te nemen1 naarmate zijn ,lichaam meer met andere voorwerpen gemeen heeft4 ,stelling ,,xl4 ,alle voorstellingen welke in den ,geest volgen uit voorstellingen welke in dien ,geest adaequaat zijn1 zijn eveneens adaequaat4 ,bewijs4 ,dit is duidelijk4 ,immers wanneer wij zeggen dat in den menschelijken ,geest een voorstelling volgt uit voorstellingen welke in dien geest adaequaat zijn1 zeggen wij 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,xi v4d4 ,d47 niets anders dan dat er in het goddelijk verstand zelf een voorstelling bestaat van welke ,god oorzaak is1 niet voorzoover hij oneindig is1 noch voorzoover hij voorstellingen heeft van meerdere bijzondere dingen1 maar uitsluitend voorzoover hij het wezen van den menschelijken ,geest uitmaakt4 ,opmerking ,i3 ,hiermede heb ik den oorsprong dier begrippen welke men algemeen erkende begrippen noemt en welke de grondslagen vormen van ons redeneeren1 verklaard4 ,nochtans zijn er voor sommigen dier grondwaarheden of begrippen nog wel andere oorzaken en misschien ware het van pas deze hier volgens onze methode uiteen te zetten4 ,daarbij toch zou het blijken welke begrippen nuttiger zijn dan andere en welke daarentegen nauwelijks eenige waarde hebben2 vervolgens welke begrippen algemeen erkend worden1 welke helder en duidelijk zijn slechts voor hen die niet aan vooroordeelen lijden1 en tenslotte welke op verkeerden grondslag berusten4 ,bovendien zou het blijken hoe die begrippen1 welke men begrippen van den tweeden rang noemt1 en bijgevolg ook de grondwaarheden welke op hen berusten1 ontstaan zijn1 en nog meer wat ik hieromtrent wel eens heb overwogen4 ,maar aangezien ik deze zaken voor een andere verhandeling bestemd heb en ik ook vrees door al te groote uitvoerigheid vervelend te zullen worden1 wil ik ze thans liever overslaan4 ,om echter niets ervan weg te laten wat men noodzakelijk moet weten1 zal ik nog in het kort de oorzaken er aan toevoegen waaruit de zoogenaamde transcendentale,a#dj begrippen1 zooals ,zijn1 ,ding1 ,iets1 ontstaan zijn4 ,deze uitdrukkingen zijn namelijk het gevolg daarvan dat het menschelijk ,lichaam1 omdat het begrensd is1 slechts in staat is om een bepaald aantal denkbeelden 7wat een denkbeeld is heb ik uiteen gezet in de ,opmerking bij ,st4 ,,xvii v4d4 ,d47 gelijktijdig in zich te vormen2 wordt dit aantal overschreden dan beginnen de denkbeelden verward te worden4 ,en wordt het aantal denkbeelden dat het ,lichaam in staat is gelijktijdig te vormen1 en z dat het ze duidelijk onderscheidt1 verre overschreden1 dan verwarren zij zich onderling geheel en al4 ,waar dit zoo is1 blijkt uit het ,gevolg van ,st4 ,,xvii en uit ,st4 ,,xviii van dit ,deel1 dat de menschelijke ,geest zich zooveel voorwerpen gelijktijdig duidelijk kan voorstellen als er in zijn ,lichaam gelijktijdig beelden kunnen worden gevormd4 ,wanneer echter de beelden in het menschelijk ,lichaam geheel en al verward raken1 zal ook de ,geest zich die voorwerpen verward en zonder duidelijk onderscheid voorstellen en ze als het ware onder n kenmerk begrip samenvatten1 zooals bijv4 onder het ,zijn1 ,ding enz4 ,men kan dit ook afleiden uit het feit dat beelden voorstellingen niet steeds even krachtig zijn en uit meer soortgelijke oorzaken1 welke ik hier echter niet behoef uiteen te zetten omdat wij voor het doel dat wij beoogen er slechts ne behoeven te overwegen4 ,alle toch komen hierop neer dat deze uitdrukkingen voorstellingen aanduiden welke in de hoogste mate verward zijn4 ,een dergelijken oorsprong hebben die begrippen1 welke men algemeene universeele begrippen noemt1 zooals ,mensch1 ,paard1 ,hond enz4 ,in het menschelijk ,lichaam worden namelijk zooveel beelden van bijvoorbeeld menschen gelijktijdig gevormd1 dat zij het voorstellingsvermogen wel niet geheel en al1 maar toch in zooverre te boven gaan1 dat de ,geest zich hun kleine verschillen 7zooals bijvoorbeeld elks kleur1 grootte enz47 en hun bepaald aantal niet kan verbeelden1 maar zich slechts datgene duidelijk voorstelt1 waarin allen1 voorzoover zij op het ,lichaam inwerken1 overeenkomen4 ,want van dit overeenkomende gemeenschappelijke kreeg de ,geest door elk beeld afzonderlijk reeds den sterksten indruk4 ,dit gemeenschappelijke nu drukt men uit door het begrip ,mensch1 en deze benaming geeft men aan het oneindig aantal individuen1 omdat men zich1 zooals wij reeds zeiden1 hun bepaald aantal niet kan voorstellen4 ,hierbij moet evenwel worden opgemerkt dat deze begrippen niet door allen op dezelfde wijze worden gevormd1 maar dat zij voor elk verschillen naar gelang van datgene wat het meest op zijn ,lichaam heeft ingewerkt en wat de ,geest zich daarom het gemakkelijkst voorstelt of herinnert4 ,zoo zullen bijvoorbeeld lieden1 die herhaaldelijk met bewondering de menschelijke gestalte hebben gade geslagen1 onder het begrip mensch verstaan3 een dier van opgerichte houding4 ,zij daarentegen1 die gewoon waren op iets anders te letten1 zullen weer een ander algemeen beeld van den mensch vormen en bijvoorbeeld zeggen3 de mensch is een dier dat kan lachen1 of een tweevoetig dier zonder veeren1 of een redelijk dier4 ,en zoo zal elkeen zich omtrent alle overige dingen algemeene beelden vormen naar gelang van den toestand van zijn eigen ,lichaam4 ,het is daarom ook niet te verwonderen dat er onder de wijsgeeren die de natuurlijke dingen uitsluitend door hun beelden hun zintuigelijke voorstellingen wilden verklaren1 zooveel verschillen van meening gerezen zijn4 ,opmerking ,,ii3 ,uit al het hierboven gezegde blijkt duidelijk1 dat wij velerlei waarnemen en dat wij algemeen begrippen vormen3 #a4 uit bijzondere dingen welke door de zintuigen gebrekkig1 verward en ongeordend aan het verstand worden voorgesteld4 7,zie ,gevolg v4 ,st4 ,,xxix v4d4 ,d474 ,ik ben daarom gewoon dergelijke waarnemingen te noemen3 kennis1 berustend op vage ervaring4 #b4 uit teekens2 bijvoorbeeld doordat wij ons bij het hooren of lezen van sommige woorden de dingen herinneren en ons voorstellingen van hen vormen1 gelijkende op die waarin de dingen zelf verbeeld werden1 7zie de ,opmerking bij ,st4 ,,xviii v4d4 ,d474 ,in het vervolg zal ik deze beide wijzen om de dingen te beschouwen noemen3 kennis van de eerste soort1 meening ofwel verbeelding4 #c4 ten slotte uit het feit dat wij algemeen erkende begrippen en juiste voorstellingen van de eigenschappen der dingen bezitten 7zie ,gevolg ,st4 ,,xxxviii1 ,gevolg ,st4 ,,xxxix en ,st4 ,,xl v4d4 ,d474 ,hier zal ik spreken van ,rede en ,kennis van de tweede soort4 ,behalve deze twee soorten van kennis bestaat er1 gelijk ik in het volgende zal aantoonen1 nog een derde1 welke ik het intutieve weten,a#da zal noemen4 ,deze soort van kennis leidt uit de adaequate voorstelling van het werkelijk wezen van een of ander attribuut ,gods de adaequate kennis van het wezen der dingen af4 ,ik zal dit alles door een voorbeeld verduidelijken4 ,laten er bijvoorbeeld drie getallen gegeven zijn1 waarbij een vierde gezocht moet worden1 dat zich verhoudt tot het derde als het tweede tot het eerste4 ,kooplieden zullen niet aarzelen het tweede met het derde te vermenigvuldigen en het product door het eerste te deelen1 hetzij omdat zij datgene wat zij van hun meester zonder eenig bewijs geleerd hebben nog niet vergaten1 hetzij omdat zij het zelf bij de eenvoudigste getallen hebben ondervonden1 hetzij op grond van het bewijs aan ,stelling ,,xix ,boek ,,vii van ,euclides1 d4w4z4 op grond van de algemeene eigenschap der evenredigen4 ,bij de meest eenvoudige getallen evenwel is niets van dit alles noodig4 ,wanneer bijvoorbeeld de getallen #a1 #b en #c gegeven zijn1 is er niemand die niet ziet dat de vierde evenredige het getal #f is4 ,en dat wel veel helderder1 aangezien wij uit de verhouding zelf waarin1 naar wij op den eersten blik zien--het eerste tot het tweede staat1 onmiddellijk het vierde afleiden4 ,stelling ,,xli4 ,de kennis van de eerste soort is de eenige oorzaak van valschheid1 die van de tweede en derde soort is echter noodzakelijk waar4 ,bewijs4 ,in de voorgaande ,opmerking zeiden wij dat al die voorstellingen welke inadaequaat en verward zijn1 tot de kennis van de eerste soort behooren4 ,derhalve is 7vlg4 ,st4 ,,xxxv v4d4 ,d47 deze kennis de eenige oorzaak van valschheid4 ,voorts zeiden wij dat adaequate voorstellingen tot de kennis van de tweede en derde soort behooren1 en derhalve is deze 7vlg4 ,st4 ,,xxxiv v4d4 ,d47 ook noodzakelijk waar4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xlii4 ,niet de kennis van de eerste1 maar die van de tweede en derde soort leeren ons waarheid van valschheid onderscheiden4 ,bewijs4 ,deze ,stelling is vanzelf duidelijk4 ,immers wie tusschen waarheid en valschheid weet te onderscheiden1 moet een adaequate voorstelling hebben omtrent wat waar of valsch is1 d4w4z4 7vlg4 ,opmerking ,,ii ,st4 ,,xl v4d4 ,d47 hij moet waarheid en valschheid kennen met de kennis van de tweede of derde soort4 ,stelling ,,xliii4 ,wie een ware voorstelling heeft1 wt tevens dat hij een ware voorstelling heeft en kan aan de waarheid ervan niet meer twijfelen4 ,bewijs4 ,een ware voorstelling in ons is 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,xi v4d4 ,d47 een zoodanige1 welke in ,god adaequaat is voorzoover hij zich openbaart in den aard van den menschelijken ,geest4 ,nemen wij nu eens aan dat er in ,god1 voorzoover hij zich openbaart in den menschelijken ,geest1 een adaequate voorstelling ,a bestaat4 ,van deze voorstelling moet er in ,god noodzakelijk weer een voorstelling bestaan welke tot ,god in dezelfde betrekking staat als voorstelling ,a 7vlg4 ,st4 ,,xx v4d4 ,d4 welker bewijs algemeen is74 ,maar voorstelling ,a heeft1 volgens het onderstelde1 betrekking op ,god voorzoover hij zich openbaart in den menschelijken ,geest2 derhalve moet ook de voorstelling van voorstelling ,a tot ,god in dezelfde betrekking staan2 d4w4z4 7vlg4 hetzelfde ,gevolg ,st4 ,,xi v4d4 ,d473 deze adaequate voorstelling van voorstelling ,a zal aanwezig zijn in dienzelfden ,geest die de adaequate voorstelling ,a heeft4 ,derhalve zal degeen die een adaequate voorstelling heeft1 of die 7vlg4 ,st4 ,,xxxiv v4d4 ,d47 een zaak naar waarheid erkent1 tevens een adaequate voorstelling hebben zijner kennis1 ofwel een ware kennis2 d4w4z4 7gelijk vanzelf spreekt73 hij moet tevens zeker ervan zijn4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,in de ,opmerking bij ,stelling ,,xxi van dit ,deel heb ik uiteen gezet wat onder de voorstelling eener voorstelling moet worden verstaan4 ,ik merk echter op dat de voorgaande ,stelling ook uit zichzelf duidelijk is4 ,immers iedereen die een ware voorstelling heeft1 weet dat een ware voorstelling de grootst mogelijke zekerheid in zich sluit1 aangezien een ware voorstelling hebben niets anders beteekent dan een zaak volmaakt of zoo goed mogelijk kennen4 ,hieraan zal toch zeker niemand kunnen twijfelen1 tenzij hij meent dat een voorstelling een stom ding is,a#af1 zooals bijvoorbeeld een schilderij op een paneel en niet een vorm van denken1 namelijk het begrijpen zelf4 ,ik vraag u3 wie kan weten dat hij een of andere zaak begrijpt1 als hij niet eerst die zaak begrepen heeft8 ,d4w4z43 wie kan wten dat hij zeker is omtrent een of andere zaak als hij niet eerst omtrent die zaak zeker is8 ,en dan3 welk helderder en zekerder kenteeken der waarheid zou er kunnen zijn dan een ware voorstelling8 ,voorwaar1 evenals het licht zichzelf en de duisternis openbaart1 zoo ook is de waarheid de toets van zichzelf en van het valsche4 ,en hiermede meen ik tevens de volgende vragen te hebben beantwoord4 ,in de eerste plaats deze3 ,als een ware voorstelling van een valsche wordt onderscheiden uitsluitend voorzoover de ware in overeenstemming met het door haar voorgestelde genoemd mag worden1 zou dus de ware voorstelling geenerlei werkelijkheid of volmaaktheid op de valsche vr hebben 7aangezien zij alleen in naam van elkaar verschillen7 en bijgevolg zou een mensch die ware voorstellingen heeft ook niets vr hebben bij hem die slechts valsche heeft4 ,voorts3 hoe komt het dat menschen valsche voorstellingen hebben8 ,en ten slotte3 hoe kan iemand met zekerheid weten dat hij voorstellingen heeft welke met het door hen voorgestelde overeenkomen8 ,ik herhaal dat ik meen reeds het antwoord op deze vragen gegeven te hebben4 ,wat toch het onderscheid tusschen een ware en een valsche voorstelling betreft3 uit ,stelling ,,xxxv van dit ,deel blijkt dat de eerste zich verhoudt tot de tweede als iets bestaands tot iets niet-bestaands4 ,de oorzaken der valschheid echter heb ik van ,stelling ,,xix af tot ,stelling ,,xxxv met de ,opmerking daarbij ten duidelijkste blootgelegd4 ,waaruit tevens blijkt welk onderscheid er is tusschen een mensch die ware en een die uitsluitend valsche voorstellingen heeft4 ,wat eindelijk het laatste punt betreft3 namelijk hoe iemand kan weten dat hij een voorstelling heeft welke aan het door haar voorgestelde beantwoordt3 ik heb zooeven meer dan voldoende aangetoond dat dit alleen een gevolg hiervan is dt hij een voorstelling heeft welke met het door haar voorgestelde overeenkomt1 ofwel doordat de waarheid toets is van zichzelf4 ,voeg hierbij nog dat onze ,geest1 voorzoover hij de dingen naar waarheid waarneemt een deel is van het oneindige verstand ,gods 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,xi v4d4 ,d47 dan zal men moeten inzien dat de heldere en duidelijke voorstellingen van den ,geest noodzakelijk even waar zijn als de voorstellingen ,gods4 ,stelling ,,xliv4 ,het ligt niet in den aard der ,rede de dingen als toevallig1 wel echter ze als noodzakelijk te beschouwen4 ,bewijs4 ,het behoort tot den aard der ,rede de dingen naar waarheid waar te nemen 7vlg4 ,st4 ,,xli v4d4 ,d471 namelijk 7vlg4 ,axioma ,,vi ,d4 ,i7 zooals zij op zichzelf zijn1 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,xxix ,d4 ,i7 niet als toevallig1 maar als noodwendig4 ,h4t4b4w4 ,gevolg ,i3 ,hieruit volgt dat het uitsluitend van de verbeelding voorstelling afhangt dat wij dingen1 zoowel ten opzichte van het verleden als van de toekomst1 als toevallig beschouwen4 ,opmerking3 ,op welke wijze nu dit geschiedt1 zal ik met enkele woorden verklaren4 ,wij hebben hierboven 7,st4 ,,xvii met ,gevolg v4d4 ,d47 aangetoond dat de ,geest zich de dingen1 ook al bestaan zij niet1 toch steeds als aanwezig voorstelt1 zoolang er zich geen oorzaken voordoen welke hunne aanwezigheid buiten sluiten4 ,voorts hebben wij 7,st4 ,,xviii v4d4 ,d47 aangetoond1 dat indien het menschelijk ,lichaam ns gelijktijdig van twee uitwendige voorwerpen inwerking onderging1 de ,geest1 wanneer hij zich later n dier voorwerpen voorstelt1 zich terzelfder tijd ook het andere herinnert1 d4w4z4 dat hij beide voorwerpen als aanwezig beschouwt1 tenzij er zich oorzaken voordoen welke hunne aanwezigheid buiten sluiten4 ,bovendien twijfelt niemand er aan dat wij ons ook den tijd voorstellen kunnen1 en wel doordat wij ons voorstellen dat sommige voorwerpen langzamer of sneller of even snel bewegen als andere4 ,onderstellen wij nu eens een knaap1 die gisteren des morgens ,petrus1 des middags ,paulus en des avonds ,simeon1 ieder voor het eerst1 gezien heeft en die nu hedenmorgen wederom ,petrus zag4 ,uit ,stelling ,,xviii van dit ,deel is het duidelijk dat hij1 zoodra hij het morgenlicht waarneemt1 zich zal voorstellen dat de zon hetzelfde gedeelte van den hemel zal doorloopen als den vorigen dag1 m4a4w4 dat hij zich den geheelen dag zal voorstellen en tevens met den morgen ,petrus1 met den middag ,paulus en met den avond ,simeon4 ,d4w4z4 dat hij zich het bestaan van ,paulus en ,simeon zal verbeelden in betrekking tot den toekomstigen tijd4 ,omgekeerd zal hij1 wanneer hij des avonds ,simeon ziet1 zich ,paulus en ,petrus voorstellen in het verleden1 doordat hij zich hen voorstelt gelijktijdig met een reeds vervlogen tijd4 ,en dit des te regelmatiger naarmate hij hen vaker in deze zelfde volgorde heeft gezien4 ,gebeurt het nu echter eens dat hij op een avond ,jacobus ziet inplaats van ,simeon1 dan zal hij zich den volgenden morgen1 bij het denken aan den avond1 nu eens ,simeon1 dan weer ,jacobus voorstellen1 niet echter beiden tegelijk4 ,immers er werd ondersteld dat hij des avonds slechts een van beiden1 niet echter beiden tegelijk gezien had4 ,zijn verbeelding zal dus weifelen en zich met den komenden avond nu dezen dan weer genen voorstellen2 d4w4z4 hij zal de komst van geen van beiden als zker1 doch van elk van hen als toevallig mogelijk beschouwen4 ,en deze onzekerheid der verbeelding zal dezelfde zijn als het de voorstelling van dingen betreft welke wij op dezelfde wijze in betrekking tot het verleden of het heden beschouwen4 ,bijgevolg zullen wij ons de dingen1 zoowel tenopzichte van het heden1 als tenopzichte van het verleden of van de toekomst1 als toevallig kunnen voorstellen4 ,gevolg ,,ii3 ,het ligt in den aard der ,rede1 de dingen in een of ander opzicht te beschouwen uit het gezichtspunt der eeuwigheid4 ,bewijs4 ,immers het ligt 7vlg4 voorgaande ,st47 in den aard der ,rede1 de dingen als noodwendig en niet als toevallig te beschouwen4 ,deze noodwendigheid der dingen echter vat zij 7vlg4 ,st4 ,,xli v4d4 ,d47 naar waarheid op1 d4w4z4 7vlg4 ,axioma ,,vi v4 ,d4 ,i7 zooals zij werkelijk is4 ,maar deze noodwendigheid der dingen is 7vlg4 ,st4 ,,xvi ,d4 ,i47 de noodwendigheid zelve van ,gods eeuwigen aard4 ,derhalve ligt het in den aard der ,rede de dingen in dit opzicht te beschouwen uit het gezichtspunt der eeuwigheid4 ,daarbij komt dat de grondslagen der ,rede 7vlg4 ,st4 ,,xxxviii v4d4 ,d47 begrippen zijn1 welke uitdrukken wat aan alle dingen gemeen is1 en welke 7vlg4 ,st4 ,,xxxvii v4d4 ,d47 niet het wezen van eenig bijzonder ding verklaren2 zoodat ook deze begrippen zonder eenig verband met den tijd1 dus uit het gezichtspunt der eeuwigheid moeten worden opgevat4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xlv4 ,elke voorstelling van elk voorwerp of bijzonder1 werkelijk bestaand ding1 sluit ,gods eeuwige en oneindige wezen noodzakelijk in zich4 ,bewijs4 ,de voorstelling van een bijzonder1 werkelijk bestaand ding1 sluit 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,viii v4d4 ,d47 zoowel het wezen als het bestaan van dit ding noodzakelijk in zich4 ,maar de bijzondere dingen zijn 7vlg4 ,st4 ,,xv ,d4 ,i7 zonder ,god niet denkbaar2 en aangezien zij 7vlg4 ,st4 ,,vi v4d4 ,d47 ,god tot oorzaak hebben voorzoover hij gedacht wordt zich te openbaren in dt attribuut waarvan die dingen zelf bestaanswijzen zijn1 moeten 7vlg4 ,axioma ,,iv ,d4 ,i7 hun voorstellingen ook noodzakelijk het begrip van hun attribuut1 d4w4z4 7vlg4 ,definitie ,,vi ,d4 ,i7 ,gods eeuwige en oneindige wezen in zich sluiten4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,ik versta hier onder bestaan niet den duur1 d4w4z4 niet het bestaan in afgetrokken zin1 als een soort van hoegrootheid opgevat4 ,maar ik spreek van den eigenlijken aard des bestaans1 welke aan de bijzondere dingen drom wordt toegekend wijl uit de eeuwige noodwendigheid van ,gods aard oneindig veel dingen op oneindig veel wijzen voortvloeien 7zie ,st4 ,,xvi ,d4 ,i74 ,ik spreek1 zeg ik1 van het bestaan der bijzondere dingen voorzoover zij in ,god zijn4 ,want ofschoon elk van hen door een ander bijzonder ding tot een bepaalde wijze van bestaan genoodzaakt wordt1 vloeit toch de kracht waardoor elk in zijn bestaan volhardt1 uit de eeuwige noodwendigheid van ,gods aard voort4 ,men zie hierover het ,gevolg van ,stelling ,,xxiv ,deel ,i4 ,stelling ,,xlvi4 ,de kennis van het eeuwige en oneindige wezen ,gods1 welke in iedere voorstelling ligt opgesloten1 is adaequaat en volmaakt4 ,bewijs4 ,het bewijs der voorgaande stelling is algemeen4 ,of een ding als deel dan wel als geheel beschouwd wordt1 zijn voorstelling1 hetzij van dit deel of van dit geheel1 sluit 7vlg4 voorgaande ,st47 ,gods eeuwige en oneindige wezen in zich4 ,vandaar dat al wat ons kennis van het eeuwige en oneindige wezen ,gods verschaft1 aan alle dingen gemeen en gelijkelijk in een deel als in het geheel aanwezig is4 ,derhalve moet 7vlg4 ,st4 ,,xxxviii v4d4 ,d47 deze kennis adaequaat zijn4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xlvii4 ,de menschelijke ,geest bezit adaequate kennis omtrent het eeuwige en oneindige wezen ,gods4 ,bewijs4 ,de menschelijke ,geest heeft 7vlg4 ,st4 ,,xxii v4d4 ,d47 voorstellingen1 waardoor hij 7vlg4 ,st4 ,,xxiii v4d4 ,d47 zoowel zichzelf1 als 7vlg4 ,st4 ,,xix v4d4 ,d47 zijn eigen ,lichaam1 en 7vlg4 ,gevolg ,i ,st4 ,,xvi en ,st4 ,,xvii v4d4 ,d47 de uitwendige voorwerpen als werkelijk bestaande waarneemt4 ,derhalve heeft hij 7vlg4 ,st4 ,,xlv en ,,xlvi v4d4 ,d47 adaequate kennis van het eeuwige en oneindige wezen ,gods4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,wij zien hieruit dat ,gods oneindige wezen en zijn eeuwigheid aan ieder bekend zijn4 ,daar nu alles in ,god is en uit ,god moet worden begrepen1 volgt daaruit dat wij uit deze kennis velerlei kunnen afleiden dat wij adaequaat kennen1 en dat wij zoodoende die derde soort van kennis kunnen vormen waarover ik in ,opmerking ,,ii van ,stelling ,,xl van dit ,deel heb gesproken1 en over welker voortreffelijkheid en nut ik in het ,vijfde ,deel gelegenheid zal vinden te handelen4 ,dat de menschen evenwel niet een even heldere kennis hebben van ,god als van algemeen erkende begrippen1 is een gevolg daarvan dat men zich ,god niet als beeld kan voorstellen gelijk voorwerpen1 maar dat men toch het woord ,god verbindt aan verbeeldingen omtrent dingen welke men gewoon is te zien2 hetgeen voor menschen1 wijl zij voortdurend inwerkingen van uitwendige voorwerpen ondergaan1 wel nauwelijks te vermijden is4 ,inderdaad1 de meeste dwalingen komen slechts daarop neer dat wij de dingen niet bij den juisten naam noemen4 ,immers wanneer iemand zegt dat de lijnen1 uit het middelpunt van een cirkel naar den omtrek getrokken1 ongelijk van lengte zijn1 dan verstaat hij1 althans op dit oogenblik1 stellig iets anders onder een cirkel dan de wiskundigen4 ,zoo hebben zij1 die zich bij het rekenen vergissen1 andere getallen in den geest dan op het papier4 ,voor zoover men dus hun geest beschouwt1 dwalen zij inderdaad niet2 nochtans schijnen zij te dwalen1 omdat wij meenen dat zij in hun geest dezelfde getallen hebben als op het papier4 ,ware dit niet zoo dan zouden wij ook volstrekt niet meenen dat zij zich vergissen2 evenmin als ik meende dat de man dwaalde1 dien ik onlangs hoorde uitroepen dat zijn erf op zijns buurmans kip gevlogen was1 aangezien ik duidelijk genoeg begreep wat hij bedoelde4 ,hieruit ontspringen ook de meeste meeningsverschillen1 namelijk doordat de menschen f hun eigen gedachten niet juist uitdrukken f de bedoelingen van anderen verkeerd uitleggen4 ,want terwijl zij elkaar grootelijks tegenspreken1 denken zij in werkelijkheid f beiden hetzelfde f elk over iets anders1 zoodat de dwalingen en ongerijmdheden welke zij bij elkaar veronderstellen1 in het geheel niet bestaan4 ,stelling ,,xlviii4 ,er bestaat in den ,geest geen onvoorwaardelijke,a#bb of vrije wil2 doch de ,geest wordt genoopt dit of dat te willen door een oorzaak welke eveneens door een andere oorzaak bepaald is1 en deze wederom door een andere1 en zoo tot in het oneindige4 ,bewijs4 ,de ,geest is 7vlg4 ,st4 ,,xi v4d4 ,d47 een zekere bepaalde bestaanswijze van het ,denken en kan dus 7vlg4 ,gevolg ,,ii ,st4 ,,xvii ,d4 ,i7 niet de vrije oorzaak zijner handelingen zijn ofwel een absoluut vermogen tot willen of niet-willen bezitten4 ,om dit of dat te willen moet hij dus 7vlg4 ,,xxviii ,d4 ,i7 genoopt worden door een oorzaak1 welke zelf eveneens door een andere oorzaak bepaald wordt1 deze wederom door een andere en zoo tot in het oneindige4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,op dezelfde wijze wordt bewezen dat er in den ,geest geen absoluut vermogen bestaat om te begrijpen1 te begeeren1 lief te hebben enz4 waaruit volgt dat deze en soortgelijke vermogens f geheel en al inbeeldingen zijn f wel metaphysische of algemeene wezens begrippen welke wij uit bijzondere verschijnselen plegen te vormen4 ,verstand en wil verhouden zich dus tot deze of gene willing,a#db op dezelfde wijze als de steenheid tot dezen of genen steen1 of als de mensch tot ,petrus en ,paulus4 ,de reden overigens1 waarom de menschen wanen dat zij vrij zijn1 hebben wij reeds in het ,aanhangsel van ,deel ,i uiteen gezet4 ,voor ik evenwel verder ga is het hier de plaats op te merken1 dat ik onder ,wil versta het vermogen om te bevestigen of te ontkennen1 niet echter de begeerte4 ,het vermogen1 zeg ik1 waardoor de ,geest bevestigt of ontkent wat waar of valsch is1 doch niet de begeerte1 waardoor de ,geest naar de dingen streeft of zich ervan afwendt4 ,maar nu wij hebben aangetoond dat deze vermogens algemeene begrippen zijn1 welke zich niet onderscheiden van de bijzondere voorstellingen waaruit wij ze vormen1 hebben wij thans te onderzoeken of die willingen zelf wel iets anders zijn dan voorstellingen der dingen zelf4 ,er zal dus1 zeg ik1 moeten worden onderzocht of er in den ,geest nog een andere bevestiging of ontkenning bestaat dan die welke een voorstelling1 voorzoover zij alleen voorstelling is1 reeds in zich sluit4 ,men zie hierover de volgende ,stelling1 evenals ,definitie ,,iii van dit ,deel1 opdat men hier niet denke aan afbeeldingen4 ,immers onder voorstellingen versta ik niet beelden zooals zij op den achtergrond van het oog1 of zoo men wil1 midden in de hersenen gevormd worden1 maar begrippen van het ,denken4 ,stelling ,,xlix4 ,er bestaat in den ,geest geenerlei willing1 of bevestiging en ontkenning1 buiten die welke in de voorstelling1 voorzoover zij voorstelling is1 ligt opgesloten4 ,bewijs4 ,er bestaat 7vlg4 voorgaande ,st47 in den ,geest geen op zichzelf staand vermogen tot willen of niet-willen1 maar slechts bijzondere willingen1 namelijk deze of gene bevestiging of deze of gene ontkenning4 ,nemen wij nu eens een bijzondere willing1 bijvoorbeeld die wijze van ,denken waarbij de ,geest bevestigt dat de drie hoeken van een driehoek gelijk zijn aan twee rechten4 ,deze bevestiging sluit het begrip of de voorstelling van den driehoek in zich1 d4w4z4 zonder de voorstelling van den driehoek is zij niet denkbaar4 ,bovendien is deze bevestiging 7vlg4 ,axioma ,,iii v4d4 ,d47 zonder de voorstelling van den driehoek ook niet bestaanbaar4 ,genoemde bevestiging is dus zonder de voorstelling van den driehoek noch bestaanbaar noch denkbaar4 ,voorts moet de voorstelling van den driehoek deze zelfde bevestiging in zich sluiten1 namelijk dat zijn drie hoeken gelijk zijn aan twee rechten4 ,zoodat ook omgekeerd de voorstelling van den driehoek zonder deze bevestiging noch bestaanbaar noch denkbaar is4 ,derhalve behoort deze bevestiging 7vlg4 ,definitie ,,ii v4d4 ,d47 tot het wezen der voorstelling van den driehoek1 ja1 is zij niets anders dan deze voorstelling zelf4 ,en wat wij van dze willing gezegd hebben geldt 7aangezien wij haar willekeurig kozen7 ook voor iedere andere willing1 namelijk dat zij niets anders is dan de voorstelling zelf4 ,h4t4b4w4 ,gevolg3 ,wil en ,verstand zijn n en hetzelfde4 ,bewijs4 ,wil en ,verstand zijn 7vlg4 ,st4 ,,xlviii en ,opmerking v4d4 ,d47 niets anders dan bijzondere willingen en voorstellingen4 ,maar bijzondere willingen en voorstellingen zijn 7vlg4 de voorgaande ,st47 n en hetzelfde4 ,derhalve zijn ook ,wil en ,verstand n en hetzelfde4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,hiermede hebben wij opgeheven wat gemeenlijk voor oorzaak der dwaling wordt gehouden4 ,vroeger toch hebben wij aangetoond dat valschheid uitsluitend bestaat in een gemis dat gebrekkige en verwarde voorstellingen kenmerkt4 ,waarom dan ook een valsche voorstelling1 voorzoover zij valsch is1 geen zekerheid in zich sluit4 ,wanneer wij daarom zeggen dat iemand zich bij een onwaarheid neerlegt en niet aan de waarheid ervan twijfelt1 zoo zeggen wij daarmede niet dat hij zker is1 maar alleen dat hij niet twijfelt of dat hij zich bij onwaarheid neerlegt1 omdat er geen oorzaken gegeven zijn welke zijn voorstellingsvermogen aan het wankelen konden brengen4 7,zie hierover de ,opmerking bij ,st4 ,,xliv v4d4 ,d474 ,hoezeer wij dan ook aan valsche voorstellingen mogen vasthouden1 toch zullen wij nooit kunnen zeggen dat wij er zeker van zijn1 want onder zekerheid verstaan wij iets positiefs 7zie ,st4 ,,xliii en ,opmerking v4d4 ,d471 niet echter afwezigheid van twijfel4 ,onder gemis van zekerheid echter verstaan wij valschheid4 ,tot nadere verklaring der voorgaande stelling evenwel rest ons nog een en ander in herinnering te brengen4 ,voorts zal ik moeten antwoorden op de tegenwerpingen welke men tegen deze onze leer zou kunnen inbrengen en tenslotte acht ik het1 om alle bezwaren uit den weg te ruimen1 der moeite waard sommige voordeelen dezer leer in het licht te stellen4 ,sommige1 zeg ik1 want de belangrijkste zullen beter worden begrepen uit hetgeen wij in het ,vijfde ,deel zullen behandelen4 ,ik begin dus met het eerste en verzoek den lezer nauwlettend te onderscheiden tusschen voorstelling of begrip van den ,geest en beelden der dingen welke wij ons verbeelden,a#af4 ,voorts is het noodig dat men onderscheide tusschen voorstellingen en de woorden1 waardoor wij de dingen aanduiden4 ,want aangezien deze drie1 namelijk verbeeldingen1 woorden en voorstellingen door velen f geheel en al met elkaar verward f niet nauwlettend genoeg1 f eindelijk niet voorzichtig genoeg worden onderscheiden1 zijn zij volkomen onkundig omtrent deze leer van den ,wil1 welke nochtans zoo hoog noodig is1 zoowel voor bespiegeling als voor een wijze inrichting des levens4 ,immers diegenen die meenen dat de voorstellingen beelden zijn1 welke door de aanraking met voorwerpen in ons gevormd worden1 maken zich wijs dat zoodanige voorstellingen van dingen1 waarvan zij zich geen gelijkend beeld kunnen vormen1 geen werkelijke voorstellingen zijn1 maar slechts verzinsels1 welke wij krachtens het vrije oordeel van den wil verzinnen4 ,zij beschouwen dus de voorstellingen als stomme schilderijen op een paneel en1 geheel vervuld met dit vooroordeel1 zien zij niet in dat een voorstelling1 voorzoover zij voorstelling is1 een bevestiging of ontkenning in zich sluit4 ,diegenen verder1 die woorden met een voorstelling verwarren of met de bevestiging zelf welke in die voorstelling besloten ligt1 meenen dat zij iets kunnen willen tegen wat zij gevoelen waarnemen in2 wanneer zij namelijk iets met woorden bevestigen of ontkennen tegen hun gevoelen waarneming in4 ,wie echter op den aard van het denken let1 welke het begrip der ,uitgebreidheid in het minst niet in zich sluit1 zal deze vooroordeelen gemakkelijk kunnen uitroeien en duidelijk inzien dat een voorstelling 7welke immers een openbaring van het ,denken is7 noch in een beeld van een of ander ding1 noch in een woord kan bestaan4 ,het wezen toch van beelden of woorden bestaat alleen uit lichamelijke bewegingen1 welke het begrip van het ,denken in het geheel niet in zich sluiten4 ,deze enkele opmerkingen mogen hieromtrent volstaan1 zoodat ik tot de bovenbedoelde tegenwerpingen overga4 ,de eerste hiervan is dat men als vaststaand aanneemt dat de ,wil zich verder uitstrekt dan het ,verstand en dus daarvan onderscheiden is4 ,de reden echter waarom men meent dat de ,wil zich verder uitstrekt dan het ,verstand is deze dat de ervaring den menschen1 naar zij zeggen1 heeft geleerd dat zij niet een grooter vermogen tot bevestigen of ontkennen dan zij reeds bezitten noodig hebben1 om te kunnen oordeelen over het oneindig aantal dingen welke wij niet waarnemen1 maar wl een grooter vermogen tot begrijpen4 ,de ,wil onderscheidt zich dus van het ,verstand daarin dat het laatste eindig1 de eerste oneindig is4 ,ten tweede kan ons worden tegengeworpen dat de ervaring niets duidelijker schijnt te leeren dan dat wij ons oordeel kunnen opschorten1 d4w4z4 dat wij de dingen welke wij waarnemen niet behoeven te beamen4 ,hetgeen bevestigd wordt door het feit dat men van niemand zegt dat hij dwaalt voorzoover hij iets waarneemt1 doch alleen voorzoover hij bevestigt of ontkent4 ,zoo beweert iemand1 die zich een gevleugeld paard verbeeldt1 daardoor nog niet dat er een gevleugeld paard bestaat2 d4w4z4 hij dwaalt niet1 tenzij hij tevens aanneemt dat er gevleugelde paarden zijn4 ,niets schijnt dus de ervaring duidelijker te leeren1 dan dat de ,wil1 of het vermogen om te beamen1 vrij is en verschilt van het vermogen om te begrijpen4 ,ten derde kan men tegen ons inbrengen dat de eene bevestiging niet mr werkelijkheid schijnt te bevatten dan de andere1 d4w4z4 dat wij geen grooter vermogen oordeelskracht schijnen noodig te hebben om te beamen dat waar is wat waar is1 dan om te beamen dat waar is wat valsch is4 ,maar wij nemen waar dat de eene voorstelling meer werkelijkheid of volmaaktheid heeft dan de andere2 immers zooveel voortreffelijker een voorwerp is boven andere1 zooveel volmaakter zal ook zjn voorstelling zijn dan die van die andere en ook daardoor schijnt het dat er werkelijk verschil tusschen ,wil en ,verstand bestaat4 ,ten vierde kan men tegenwerpen3 indien de mensch niet krachtens zijn wilsvrijheid handelt1 wat zal er dan gebeuren wanneer iemand in evenwicht verkeerd1 gelijk de ezel van ,buridan8,a#dc ,zal hij van honger en dorst omkomen8 ,als ik dit beaam1 zal het schijnen of ik eer een ezel of een standbeeld1 dan een mensch op het oog heb4 ,ontken ik het echter1 dan geef ik tevens toe dat hij dus zichzelf bepaalt en bijgevolg het vermogen bezit om te gaan waarheen en te doen wat hij maar wil4 ,wellicht kan behalve dit alles nog meer worden aangevoerd1 maar aangezien ik niet gehouden ben dingen op te nemen die ieder wel kan droomen,a#dd1 zal ik mij alleen de moeite geven op de bovenstaande bezwaren te antwoorden1 en dat wel zoo kort mogelijk4 ,wat nu het eerste betreft2 zoo moet ik toegeven dat de ,wil zich inderdaad verder uitstrekt dan het ,verstand1 indien men onder ,verstand niets anders verstaat dan heldere en duidelijke voorstellingen2 maar ik ontken dat de ,wil zich verder zou uitstrekken dan de waarneming perceptie,a#bd1 of het vermogen om de dingen op te vatten concipeeren en evenmin zie ik in waarom het vermogen om te willen eerder onbegrensd zou zijn dan het vermogen om waar te nemen4 ,immers evenals wij met hetzelfde wilsvermogen oneindig veel dingen kunnen beamen 7hoewel slechts na elkaar1 want oneindig veel dingen tegelijk beamen kunnen wij niet71 evenzoo kunnen wij oneindig vele voorwerpen 7mits na elkaar7 met hetzelfde waarnemingsvermogen waarnemen of in ons opnemen4 ,zegt men nu dat er oneindig veel dingen zijn welke wij niet kunnen waarnemen1 dan antwoord ik dat men die dingen dan ook door geen enkele soort van ,denken en bijgevolg ook niet met het wilsvermogen kan benaderen4 ,nu zegt men wel dat ,god1 indien hij wilde bewerken dat wij ook de dingen waarnamen1 ons slechts een grooter waarnemingsvermogen zou behoeven te schenken1 doch niet een grooter wilsvermogen dan hij ons reeds gaf4 ,maar dit is hetzelfde alsof men zeide dat ,god1 indien hij wilde bewerken dat wij oneindig vele andere wezens begrepen1 ons1 om die oneindig vele wezens te kunnen omvatten1 slechts een grooter ,verstand behoefde te geven1 doch niet een wijder voorstelling van het ,zijnde dan hij reeds gaf4 ,wij hebben immers aangetoond dat de ,wil een algemeen begrip is1 ofwel een voorstelling welke alle afzonderlijke willingen1 d4w4z4 datgene wat aan hen allen gemeen is1 omvat4 ,en aangezien men nu meent dat dit aan alle willingen gemeenschappelijke1 of wel deze algemeene voorstelling1 een vermogen is1 valt het allerminst te verwonderen wanneer men beweert dat dit vermogen zich tot in het oneindige buiten de grenzen van het ,verstand uitstrekt4 ,het algemeene toch is zoowel op n ding1 als op meerdere en zelfs oneindig veel enkeldingen toepasselijk4 ,op de tweede tegenwerping antwoord ik door te ontkennen dat wij het vrije vermogen hebben om ons oordeel op te schorten4 ,immers wanneer wij beweren dat iemand zijn oordeel opschort1 zeggen wij niets anders dan dat hij inziet dat hij de zaak nog niet adaequaat heeft waargenomen begrepen4 ,de opschorting van zijn oordeel was dus in werkelijkheid een waarneming en geen vrij wilsbesluit4 ,laten wij ons1 om dit duidelijk te doen begrijpen1 eens een knaap voorstellen1 die zich een paard verbeeldt en daarbij niets anders waarneemt4 ,aangezien deze verbeelding van een paard 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,xvii v4d4 ,d47 het bestaan in zich sluit en die knaap niets waarneemt dat het bestaan van dit paard opheft1 zal hij noodzakelijk dit paard als aanwezig beschouwen en aan het bestaan ervan niet kunnen twijfelen1 ofschoon hij er ook niet zeker van is4 ,wij ervaren dit dagelijks in den droom2 ik geloof niet dat er n mensch is die meent dat hij1 terwijl hij droomt1 het willekeurig in zijn macht heeft om zijn oordeel omtrent de dingen welke hij droomt1 op te schorten en te bewerken dat hij datgene wat hij droomt te zien net droomt4 ,nochtans komt het voor dat wij ook in den droom ons oordeel opschorten1 wanneer wij namelijk droomen dt wij droomen,a#de4 ,voorts geef ik toe dat niemand zich vergist voorzoover hij iets waarneemt1 d4w4z4 ik geef toe dat de verbeeldingen van den ,geest op zichzelf beschouwd geenerlei dwaling in zich sluiten 7zie de ,opmerking bij ,st4 ,,xvii v4d4 ,d472 maar ik ontken dat de mensch1 voorzoover hij waarneemt1 niets zou beamen4 ,wat toch is het waarnemen van een gevleugeld paard anders dan beamen dat dit paard vleugels heeft8 ,immers indien de ,geest behalve het gevleugelde paard niets anders waarnam1 zou hij het als aanwezig beschouwen en geen enkele reden hebben om aan zijn bestaan te twijfelen1 nog zelfs in staat zijn om iets anders te denken1 voordat die verbeelding van het gevleugelde paard verbonden werd aan een voorstelling welke het bestaan van dit paard ophief1 of voordat hij waarnam dat de voorstelling welke hij van het gevleugelde paard had1 inadaequaat was4 ,eerst dan zal hij f het bestaan van dit paard noodzakelijk ontkennen1 f er noodzakelijk aan twijfelen4 ,ik meen hiermede tevens op de derde tegenwerping te hebben geantwoord3 door nl4 te erkennen dat de ,wil iets algemeens is1 dat aan alle voorstellingen toekomt1 dat slechts aanduidt wat aan alle voorstellingen gemeen is1 nl4 de bevestiging2 welker adaequate wezen derhalve1 aldus afgetrokken beschouwd1 in elke voorstelling aanwezig moet zijn en alleen in dit opzicht in allen hetzelfde is2 niet echter voorzoover zij wordt opgevat als uitmakende het wezen van de voorstelling zelf1 want in dit opzicht verschillen de afzonderlijke bevestigingen evenveel van elkaar als de voorstellingen4 ,zoo verschilt bijv4 de bevestiging welke in de voorstelling van een cirkel ligt besloten evenzeer van die welke in de voorstelling van een driehoek besloten ligt als de voorstelling des cirkels van de voorstelling des driehoeks4 ,voorts ontken ik ten eenenmale dat wij eenzelfde denkkracht zouden behoeven om te beamen dat wat waar is waar is1 als om te beamen dat waar is wat valsch is4 ,want deze twee bevestigingen staan1 voorzoover den ,geest betreft1 tot elkaar als een bestaand iets tot een niet-bestaand4 ,immers in de voorstellingen is niets positiefs dat het wezen der valschheid uitmaakt 7zie ,st4 ,,xxxv en ,opmerking v4d4 ,d4 en ,opmerking v4 ,st4 ,,xlvii v4d4 ,d474 ,waarom hier dan ook in de eerste plaats valt op te merken hoe licht wij bedrogen uitkomen wanneer wij algemeene begrippen met bijzondere1 of abstracte1 slechts gedachte dingen met werkelijke verwarren4 ,wat eindelijk de vierde tegenwerping aangaat3 ik geef volkomen toe dat een mensch die in een dergelijk evenwicht geplaatst is 7die namelijk niets anders gevoelt dan dorst en honger en niets anders waarneemt dan een bepaalde spijs en drank welke evenver van hem verwijderd zijn71 van honger en dorst moet omkomen4 ,en vraagt men mij of zulk een mensch niet veeleer voor een ezel dan voor een mensch gehouden moet worden1 dan antwoord ik dat ik dit niet weet1 zooals ik k niet weet hoe hoog ik iemand moet stellen die zich ophangt of hoe hoog ik kinderen1 idioten1 krankzinnigen enz4 moet aanslaan4 ,er rest thans nog aan te duiden1 hoezeer de kennis van deze leer van nut is voor het praktisch leven1 hetgeen gemakkelijk uit het volgende blijkt3 ,ten eerste leert zij ons namelijk dat wij alleen krachtens ,gods besluit handelen en deel hebben aan den goddelijken aard en dat wel des te meer1 hoe volmaakter daden wij verrichten en hoe meer en meer wij ,god begrijpen4 ,deze leer heeft dus1 behalve dat zij onze ziel volkomen rustig maakt1 nog dit voordeel dat zij ons leert waarin ons hoogste geluk of onze zaligheid bestaat1 namelijk uitsluitend in de kennis van ,god1 welke ons alleen tot die handelingen drijft welke liefde en vroomheid,a#df van ons verlangen4 ,hieruit zien wij duidelijk hoezeer diegenen van de waarachtige waardeering der deugd afdwalen1 die verwachten voor hun deugdzaamheid en goede daden1 als voor de diepste onderdanigheid1 door ,god met de hoogste belooningen te zullen worden onderscheiden1 alsof de deugdzaamheid en het dienen van ,god niet reeds zelf het geluk en de hoogste vrijheid waren4 ,ten tweede leert zij ons op welke wijze wij ons hebben te gedragen ten opzichte van de dingen der fortuin1 ofwel van de dingen welke niet in onze macht staan1 d4w4z4 welke niet uit onzen eigen aard voortvloeien4 ,te weten1 dat wij in gelijkmoedigheid beide kansen van het lot moeten afwachten en dragen1 en wel omdat alles uit ,gods eeuwig raadsbesluit voortvloeit met dezelfde noodwendigheid als uit het wezen van den driehoek volgt dat zijn drie hoeken gelijk zijn aan twee rechten4 ,ten derde is deze leer van belang voor het maatschappelijk leven1 voorzoover zij leert niemand te haten1 te verachten1 te bespotten1 te toornen of te benijden4 ,voorts voorzoover zij leert dat elk met het zijne tevreden zij en zijnen naaste tot steun2 niet uit vrouwelijke weekhartigheid1 partijdigheid of bijgeloof1 maar uitsluitend op gezag der ,rede1 naar gelang namelijk tijd en omstandigheden eischen1 gelijk ik in het ,vierde,a#dg ,deel zal aantoonen4 ,ten vierde eindelijk is deze leer van niet geringe beteekenis voor de gemeenschap1 voorzoover zij namelijk leert op welke wijze de burgers geleid en geregeerd moeten worden1 te weten niet als slaven1 maar z dat zij vrijwillig doen wat het beste voor hen is4 ,en hiermede heb ik dan afgedaan wat ik mij voorstelde in deze ,opmerking te behandelen en maak ik tevens een einde aan dit ,tweede ,deel1 waarin ik vermeen den aard en de eigenschappen van den menschelijken ,geest breedvoerig genoeg1 en voorzoover de moeilijkheid van het onderwerp gedoogde1 ook duidelijk genoeg te hebben uiteengezet en dingen te hebben gezegd waaruit vele treffelijke1 hoogst nuttige en voor onze kennis noodzakelijke gevolgtrekkingen zijn af te leiden1 gelijk voor een deel uit het volgende nog zal blijken4 ,einde van het ,tweede ,deel4 99 99 99 99 99 ,,iii4 ,,over ,,oorsprong ,,en ,,aard ,,der ,,aandoeningen 99 99 99 99 99 ,de meesten die over de aandoeningen en de levenswijze der menschen geschreven hebben1 schijnen niet over natuurlijke dingen1 welke de gewone wetten der ,natuur volgen1 doch over dingen1 welke buiten de ,natuur staan te handelen4 ,ja1 zij schijnen den mensch in de ,natuur te beschouwen als een zelfstandigen staat binnen een anderen staat4 ,immers zij nemen aan dat de mensch de orde der ,natuur eer verstoort dan volgt1 dat hij volstrekte macht heeft over zijn handelingen en dat hij door niets anders dan door zichzelf wordt bepaald4 ,voorts schrijven zij de oorzaak der menschelijke moedeloosheid en onstandvastigheid niet toe aan de gewone macht der ,natuur1 maar aan ik weet niet welk gebrek in den menschelijken aard1 dat zij daarom bejammeren1 bespotten1 minachten1 of1 wat het meest voorkomt1 verdoemen4 ,wie het welsprekendst en het scherpst de machteloosheid van den menschelijken ,geest weet te hekelen1 wordt voor een soort van godheid gehouden4 ,nu heeft het wel niet ontbroken aan zeer voortreffelijke mannen 7aan wier arbeid en ijver wij erkennen veel verschuldigd te zijn71 die vele uitmuntende dingen geschreven hebben over de juiste manier van leven en die den stervelingen vele wijze raadgevingen hebben voorgehouden1 maar niemand heeft nog1 voorzoover ik weet1 den aard en de macht der aandoeningen en wat de ,geest vermag tot hun tempering1 onderzocht en vastgesteld4 ,ik weet wel dat de zoo beroemde ,cartesius ,descartes1 al meende hij dan ook dat de ,geest een volstrekte macht over zijn handelingen bezit1 toch getracht heeft de menschelijke aandoeningen uit hun eerste oorzaken te verklaren en tevens den weg aan te wijzen waarop de ,geest een volstrekte heerschappij over die aandoeningen zou kunnen verkrijgen2 maar volgens mjn gevoelen althans1 heeft hij hiermede niets anders bewezen dan de scherpte van zijn eigen groot vernuft1 gelijk ik te zijner plaatse zal aantoonen4 ,voor het oogenblik toch wil ik terugkeeren tot hen die de aandoeningen en handelingen der menschen liever verfoeien en bespotten dan begrijpen4 ,het zal dezen lieden zonder twijfel verwonderlijk toeschijnen dat ik het onderneem de gebreken en dwaasheden der menschen volgens meetkundige methode te behandelen en dat ik in strenge redeneering dingen wil bewijzen1 welke1 naar zij luide beweren1 met de ,rede in strijd1 ongerijmd en afschuwelijk zijn4 ,doch de reden1 welke ik hiervoor heb is deze3 ,niets geschiedt er in de ,natuur dat aan een gebrek van haarzelf zou kunnen worden toegeschreven4 ,de ,natuur toch is steeds dezelfde en overal ook zijn haar kracht en macht dezelfde1 d4w4z4 de wetten en regelen der ,natuur1 volgens welke alles geschiedt en van den eenen vorm in den andere overgaat1 zijn altijd en overal dezelfde4 ,derhalve moet ook de aard van alle dingen1 welke ook1 uit nzelfde beginsel worden verklaard1 namelijk uit de algemeen geldige wetten en regelen der ,natuur4 ,aandoeningen als haat1 toorn1 nijd enz4 moeten dus1 op zichzelf beschouwd1 uit dezelfde noodwendigheid en dezelfde macht der ,natuur voortvloeien1 als de overige bijzondere dingen2 zij moeten dus bepaalde oorzaken hebben waaruit zij verklaard kunnen worden en bepaalde eigenschappen1 welke evenzeer onze kennisneming waard zijn als de eigenschappen van welk ander ding ook1 welks beschouwing ons op zichzelf reeds genot schenkt4 ,ik zal dus over den aard en de werking der aandoeningen en de heerschappij van den ,geest over hen volgens dezelfde methode spreken als ik dit in de voorafgaande ,deelen deed over ,god en den ,geest1 en de menschelijke handelingen en begeerten op dezelfde wijze beschouwen alsof er sprake was van lijnen1 vlakken of lichamen4 ,,definities ,i4 ,ik noem een oorzaak adaequaat,a#ca1 wanneer hare uitwerking helder en duidelijk uit haarzelf kan worden verklaard2 inadaequaat of gedeeltelijk daarentegen noem ik een oorzaak1 welker uitwerking niet uitsluitend uit haarzelf verklaard kan worden4 ,,ii4 ,ik zeg dat wij handelen1 wanneer er iets in of buiten ons gebeurt1 waarvan wijzelf de adaequate oorzaak zijn1 d4w4z4 7vlg4 de voorgaande ,definitie7 wanneer er iets in of buiten ons uit onzen aard voortvloeit1 dat uitsluitend uit dien aard helder en duidelijk kan worden verklaard4 ,daarentegen zeg ik dat wij lijden1 wanneer er iets in ons gebeurt of wanneer er iets uit onzen aard voortvloeit1 waarvan wijzelf slechts voor een deel oorzaak zijn4 ,,iii4 ,onder ,aandoeningen,a#cc versta ik de inwerkingen op het ,lichaam1 waardoor zijn vermogen tot handelen wordt vermeerderd of verminderd1 bevorderd of belemmerd4 ,tevens versta ik daaronder de voorstellingen dier inwerkingen4 ,wanneer wij dus zelf van een of andere aandoening de adaequate oorzaak kunnen zijn1 noem ik die aandoening een handeling1 in het andere geval een lijding4 ,,vereischten 7,postulaten7 ,i4 ,het menschelijk ,lichaam kan op tal van wijzen inwerkingen ondergaan1 waardoor zijn vermogen tot handelen wordt vermeerderd of verminderd1 en evenzeer op tal van wijzen welke zijn vermogen tot handelen noch grooter noch kleiner maken4 7,dit postulaat of axioma steunt op postulaat ,i en de ,hulpstellingen ,v en ,,vii2 zie achter ,st4 ,,xiii ,d4 ,,ii74 ,stelling ,i4 ,bij sommige dingen handelt onze ,geest1 andere echter ondergaat hij3 voorzoover hij namelijk adaequate voorstellingen heeft1 handelt hij noodzakelijk1 voorzoover hij daarentegen inadaequate voorstellingen heeft1 lijdt hij noodzakelijk4 ,bewijs4 ,de voorstellingen van iederen menschelijken ,geest zijn 7vlg4 ,opmerking ,,ii ,st4 ,,xl ,d4 ,,ii7 voor een deel adaequaat1 voor een deel gebrekkig en verward4 ,voorstellingen echter welke adaequaat zijn in een of anderen geest1 zijn k adaequaat in ,god1 voorzoover hij het wezen van dien geest uitmaakt 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,xi ,d4 ,,ii74 ,voorstellingen verder1 welke inadaequaat zijn in den ,geest1 zijn 7vlg4 datzelfde ,gevolg7 tch adaequaat in ,god1 niet voorzoover hij slechts het wezen van juist dien bepaalden geest uitmaakt1 maar voorzoover hij tevens de geesten van andere dingen omvat4 ,voorts moet 7vlg4 ,st4 ,,xxxvi ,d4 ,i71 uit een of andere gegeven voorstelling noodzakelijk een uitwerking voortvloeien1 van welke uitwerking ,god de adaequate oorzaak is 7zie ,definitie ,i v4d4 ,d47 niet voorzoover hij oneindig is1 maar voorzoover hij wordt beschouwd als zich openbarende in die gegeven voorstelling4 7,zie ,st4 ,,ix ,d4 ,,ii74 ,van deze uitwerking evenwel1 welker oorzaak ,god is1 voorzoover hij zich openbaart in een voorstelling welke adaequaat is in een of anderen ,geest1 is diezelfde geest ook de adaequate oorzaak 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,xi ,d4 ,,ii74 ,derhalve 7vlg4 ,definitie ,,ii v4d4 ,d47 handelt onze ,geest noodzakelijk voorzoover hij adaequate voorstellingen heeft4 ,dit wat het eerste betreft4 ,voorts is van al wat noodzakelijk voortvloeit uit een voorstelling welke adaequaat is in ,god--niet voorzoover hij slechts den ,geest van een enkel mensch uitmaakt1 maar voorzoover hij tegelijk met dien eenen geest ook de geesten van anderen omvat--1 de ,geest van dien nen mensch 7vlg4 hetzelfde ,gevolg ,st4 ,,xi ,d4 ,,ii7 niet de adaequate1 maar de gedeeltelijke oorzaak4 ,derhalve lijdt 7vlg4 ,definitie ,,ii v4d4 ,d47 de ,geest noodzakelijk in eenig opzicht voorzoover hij inadaequate voorstellingen heeft4 ,dit wat het tweede aangaat4 ,derhalve3 ,bij sommige dingen handelt onze ,geest1 enz4 ,h4t4b4w4 ,gevolg3 ,hieruit volgt dat de ,geest aan des te meer lijdingen onderworpen is1 naarmate hij meer inadaequate voorstellingen heeft1 en omgekeerd dat hij des te meer handelt1 naarmate hij meer adaequate voorstellingen heeft4 ,stelling ,,ii4 ,het ,lichaam kan den ,geest niet tot denken noodzaken1 noch de ,geest het ,lichaam tot bewegen of tot rust of tot iets anders 7indien er nog iets anders is74 ,bewijs4 ,alle bestaanswijzen van het ,denken hebben 7vlg4 ,st4 ,,vi ,d4 ,,ii7 ,god tot oorzaak voorzoover hij een denkend iets is en niet voorzoover hij zich in eenig ander attribuut openbaart4 ,datgene dus wat den ,geest tot denken dringt is een bestaanswijze van het ,denken en niet van de ,uitgebreidheid1 d4w4z4 7vlg4 ,definitie ,i ,d4 ,,ii7 niet het ,lichaam4 ,dit wat het eerste betreft4 ,verder moeten beweging en rust van een lichaam hun oorsprong vinden in een ander lichaam dat eveneens door weer een ander tot beweging of rust genoodzaakt werd1 en zonder uitzondering heeft 7vlg4 dezelfde ,st4 ,,vi ,d4 ,,ii7 al wat in een lichaam geschiedt1 noodzakelijk zijn oorsprong moeten vinden in ,god1 voorzoover hij beschouwd wordt als zich openbarende in een of anderen vorm der ,uitgebreidheid en niet van het ,denken4 ,dat wil dus zeggen dat het niet uit den ,geest1 die 7vlg4 ,st4 ,,xi ,d4 ,,ii7 een bestaansvorm van het ,denken is1 kan voortkomen4 ,dit wat het tweede aangaat4 ,derhalve kan het ,lichaam den ,geest enz4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,dit is nog duidelijker te begrijpen uit wat in de ,opmerking bij ,stelling ,,vii van ,deel ,,ii gezegd werd1 dat namelijk ,geest en ,lichaam n en dezelfde zaak zijn welke nu eens als openbaring van het attribuut des ,denkens1 dan weer als openbaring van dat der ,uitgebreidheid beschouwd wordt4 ,vandaar dat de orde of aaneenschakeling der dingen dezelfde is1 onverschillig of de ,natuur onder het eene dan wel of zij onder het andere attribuut beschouwd wordt en vandaar dat bijgevolg de reeks van handelingen of lijdingen van ons ,lichaam van nature gelijktijdig verloopt met de reeks van handelingen of lijdingen van den ,geest4 ,hetgeen ook reeds blijkt uit de bewijsvoering van ,stelling ,,xii ,deel ,,ii4 ,toch geloof ik1 niettegenstaande dat dit zoo is en er geen enkele reden overblijft om er aan te twijfelen1 de menschen bezwaarlijk er toe te zullen kunnen brengen dit met een rustig gemoed te overwegen1 wanneer ik het niet ook uit de ervaring bewijs2 z vast toch zijn zij er van overtuigd dat het menschelijk ,lichaam alleen op bevel van den ,geest nu eens beweegt1 dan weer rust en tal van dingen doet welke uitsluitend van den wil en het vooraf bedenken van den ,geest afhangen4 ,niemand immers heeft tot dusver uitgemaakt wat het ,lichaam wel vermag1 d4w4z4 tot dusver heeft de ervaring nog niemand geleerd1 wat het ,lichaam uitsluitend krachtens de wetten der ,natuur1 voorzoover deze alleen als lichamelijk beschouwd wordt1 zou kunnen verrichten en wat het net zou kunnen doen indien het niet door den ,geest er toe genoodzaakt werd4 ,niemand immers heeft tot dusver de inrichting van ons ,lichaam z nauwkeurig leeren kennen dat hij alle verrichtingen ervan zou kunnen verklaren2 om nog ervan te zwijgen dat bij redelooze dieren tal van dingen zijn waar te nemen1 welke de menschelijke scherpzinnigheid verre overtreffen en dat slaapwandelaars in hun slaap tal van dingen doen1 welke zij wakend niet zouden durven2 waaruit voldoende blijkt dat het menschelijk ,lichaam krachtens de wetten van zijn aard alleen reeds veel vermag waarover de ,geest zelf zich verbaast4 ,voorts weet niemand te zeggen op welke wijze en door welke middelen de ,geest het ,lichaam in beweging zou brengen1 noch welke soorten van beweging hij aan het ,lichaam zou kunnen meedeelen of met welke snelheid hij het zou kunnen voortbewegen4 ,waaruit volgt dat diegenen1 die beweren dat deze of gene handeling des ,lichaams voortspruit uit den ,geest1 die heerschappij over het ,lichaam zou hebben1 niet weten wat zij zeggen en niets anders doen dan met schoonschijnende woorden toegeven dat zij de ware oorzaak dier handeling niet kennen1 zonder zich daarover te verwonderen4 ,maar1 zullen zij zeggen1 hetzij wij weten of niet-weten door welke middelen de ,geest het ,lichaam in beweging brengt2 wij ervaren in elk geval dat het ,lichaam werkeloos zou zijn wanneer de menschelijke ,geest niet tot denken in staat was4 ,voorts dat de ervaring leert dat de ,geest het in zijn macht heeft zoowel te spreken als te zwijgen1 en zoo nog veel meer1 dat daarom1 naar men waant1 van de willekeur des ,geestes afhangt4 ,wat echter het eerste betreft1 zoo zou ik hen willen vragen of dan de ervaring niet eveneens leert dat omgekeerd1 wanneer het ,lichaam werkeloos is1 de ,geest ongeschikt is om te denken8 ,immers wanneer het ,lichaam rust in den slaap1 is met het ,lichaam tevens ook de ,geest bedwelmd en bezit hij niet meer de macht om1 zooals wanneer hij waakt1 te denken4 ,ik geloof verder dat zeker wel ieder de ervaring heeft opgedaan dat de ,geest niet altijd even geschikt is om te denken over hetzelfde onderwerp1 maar dat naar mate het ,lichaam geschikter is om door het beeld van 't een of ander voorwerp te worden geprikkeld1 ook de ,geest beter in staat is om dit voorwerp te beschouwen4 ,nu zegt men wel dat het toch niet mogelijk is het ontstaan van gebouwen1 schilderijen en dergelijke dingen1 welke slechts door menschelijke kunstvaardigheid worden gemaakt1 alleen uit de wetten der ,natuur1 voorzoover zij als slechts lichamelijk beschouwd wordt1 af te leiden2 daar toch immers het menschelijk ,lichaam niet in staat zou zijn een tempel te bouwen1 wanneer het daarbij niet door den ,geest werd gedreven en geleid4 ,maar ik heb toch reeds aangetoond dat wie aldus spreken niet weten wat het ,lichaam vermag en wat uitsluitend uit de beschouwing van zijn aard kan worden afgeleid1 en dat zij zelf hebben ondervonden dat tal van dingen uitsluitend volgens de wetten der ,natuur gebeuren1 terwijl zij toch waanden dat die nooit gebeuren konden tenzij krachtens de leiding van den ,geest1 zooals bijvoorbeeld de handelingen van slaapwandelaars in hun slaap1 waarover zijzelf bij hun ontwaken zich verbazen,a#dh4 ,ik wijs hier bovendien nog op de inrichting van het menschelijk ,lichaam zelf1 welke in kunstvaardigheid verre alles overtreft wat door menschelijke kunst gemaakt werd2 om nog ervan te zwijgen dat1 gelijk ik hierboven reeds aantoonde1 uit de ,natuur1 onder welk attribuut ook beschouwd1 oneindig veel moet voortvloeien4 ,wat voorts het tweede punt betreft3 zeer zeker zou de menschheid veel gelukkiger zijn als zwijgen of spreken in 's menschen macht lagen4 ,maar de ervaring leert duidelijk genoeg dat de mensch niets minder in zijn macht heeft dan zijn tong en niets hem moeilijker valt dan zijn lusten te matigen4 ,daarom gelooven dan ook de meesten dat wij slechts datgene wat wij lichtelijk begeeren uit vrijen wil doen1 omdat de begeerte tot die zaken gemakkelijk door de herinnering aan iets anders1 dat wij ons vaak te binnen brengen1 kan worden bedwongen2 dat wij daarentegen allerminst vrij handelen wanneer wij iets met grooten hartstocht begeeren1 welke niet door de herinnering aan iets anders kan worden verdreven4 ,waarlijk1 als zij niet ervaren hadden1 dat wij tal van dingen doen welke ons later berouwen en dat wij dikwijls--wanneer wij namelijk door tegenstrijdige aandoeningen worden aangegrepen--het betere zien1 maar het slechtere volgen,a#di zou niets hen verhinderen om aan te nemen dat wij alles uit vrijen wil doen4 ,zoo gelooft een kind dat het uit vrijen wil naar melk verlangt1 een vertoornde knaap dat hij uit vrijen wil zoekt wraak te nemen en een bloodaard dat hij uit vrijen wil vlucht4 ,zoo waant de dronkaard dat hij krachtens vrij besluit van zijn ,geest al die dingen gezegd heeft welke hij later1 ontnuchterd1 liever zou hebben verzwegen1 en evenzoo gelooven krankzinnigen1 babbelaarsters1 kinderen en meer lieden van dit slag1 dat zij krachtens vrij besluit van den geest spreken1 ofschoon zij alleen maar den aandrang tot spreken dien zij gevoelen1 niet kunnen onderdrukken4 ,de ervaring zelf leert dus niet minder duidelijk dan de ,rede dat de menschen slechts daarom alleen zich vrij wanen1 wijl zij zich bewust zijn van hun handelingen1 doch de oorzaken waardoor die bepaald worden niet kennen2 en voorts ook dat de besluiten van den ,geest niets anders zijn dan de begeerten zelf1 welke derhalve verschillen al naar gelang de ontvankelijkheid van het ,lichaam verschilt4 ,want ieder zoekt alles naar eigen zin in te richten en wie bovendien nog door tegenstrijdige aandoeningen bestormd worden1 weten in het geheel niet wat zij willen1 terwijl zij die op een gegeven oogenblik aan geen enkele aandoening onderworpen zijn1 door een zachten drang her- of derwaarts gedreven worden4 ,al welke dingen1 dunkt mij1 klaar bewijzen1 dat zoowel een besluit van den ,geest1 als de begeerte en de ontvankelijkheid van het ,lichaam1 van nature gelijktijdig zijn1 of liever dat zij n en dezelfde zaak zijn welke wij1 wanneer zij onder het attribuut des ,denkens beschouwd en daaruit verklaard wordt1 besluit noemen1 maar welke wij1 wanneer zij wordt beschouwd onder het attribuut der ,uitgebreidheid en wordt afgeleid uit de wetten van beweging en rust noodwendige bepaaldheid gedetermineerdheid heeten2 hetgeen nog duidelijker zal blijken uit wat straks volgen zal4 ,want er is nog iets anders dat ik hier het allereerst wilde doen opmerken2 namelijk dat wij niets krachtens besluit van onzen ,geest kunnen doen1 zonder het ons eerst te herinneren4 ,zoo kunnen wij bijvoorbeeld geen woord spreken als wij het ons niet eerst herinneren4 ,voorts ligt het niet in de vrije macht van den ,geest zich eenig ding te herinneren ofwel het te vergeten4 ,zoodat men aanneemt dat het slechts in de macht van den ,geest ligt naar willekeur te zwijgen of te spreken over iets dat hij zich herinnert4 ,maar als wij droomen dat wij spreken1 gelooven wij krachtens vrij besluit van den ,geest te spreken1 terwijl wij in werkelijkheid net spreken1 of1 ls wij spreken1 dit slechts door onwillekeurige bewegingen van het ,lichaam geschiedt4 ,verder droomen wij dat wij iets voor de menschen verbergen1 en wel krachtens hetzelfde besluit van den ,geest waardoor wij in wakenden toestand1 datgene wat wij weten te verzwijgen4 ,tenslotte droomen wij dat wij1 krachtens besluit van onzen ,geest1 dingen doen welke wij wakend niet zouden durven4 ,ik zou daarom wel gaarne willen weten of er soms in den ,geest twee soorten van besluiten bestaan3 gefantaseerde en vrije8 ,wil men echter de dwaasheid niet zoover drijven dan zal men noodzakelijk moeten toegeven dat dit besluit van den ,geest dat men voor vrij houdt1 zich niet onderscheidt van de verbeelding of herinnering en niets anders is dan die beaming welke in elke voorstelling als zoodanig ligt opgesloten4 7,zie ,st4 ,,xlix ,d4 ,,ii74 ,derhalve ontspringen deze besluiten van den ,geest even noodzakelijk in den ,geest als de voorstellingen van de werkelijk bestaande dingen4 ,zij dus1 die wanen dat zij krachtens vrij besluit van den ,geest spreken1 zwijgen of wat dan ook doen1 droomen met open oogen4 ,stelling ,,iii4 ,de handelingen van den ,geest ontspringen uitsluitend uit adaequate voorstellingen2 de lijdingen daarentegen hangen uitsluitend van inadaequate voorstellingen af4 ,bewijs4 ,wat in de eerste plaats het wezen van den ,geest uitmaakt1 is 7vlg4 ,st4 ,,xi en ,,xiii ,d4 ,,ii7 niets anders dan de voorstelling van het werkelijk bestaande ,lichaam1 welke voorstelling 7vlg4 ,st4 ,,xv ,d4 ,,ii7 uit vele andere is samengesteld1 waarvan sommige 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,xxxviii ,d4 ,,ii7 adaequaat1 andere daarentegen 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,xxix ,d4 ,,ii7 inadaequaat zijn4 ,al wat dus uit den aard van den ,geest voortvloeit en waarvan de ,geest de naaste oorzaak is1 waaruit het ook moet worden verklaard1 moet dus noodzakelijk voortvloeien uit een adaequate of uit een inadaequate voorstelling4 ,maar voorzoover de ,geest inadaequate voorstellingen heeft1 lijdt hij noodzakelijk 7vlg4 ,st4 ,i v4d4 ,d474 ,derhalve moeten de handelingen van den ,geest uitsluitend uit adaequate voorstellingen voortvloeien en lijdt de ,geest slechts daarom1 wijl hij inadaequate voorstellingen heeft4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,wij zien dus dat lijdingen slechts in betrekking staan tot den ,geest voorzoover er iets in hem is waarin ontkenning ligt opgesloten1 ofwel voorzoover hij beschouwd wordt als een deel der ,natuur dat op zichzelf en zonder behulp van iets anders niet klaar en duidelijk kan worden begrepen4 ,evenzoo zou ik kunnen aantoonen dat lijdingen op dezelfde wijze als tot den ,geest in betrekking staan tot de andere bijzondere dingen en niet anders kunnen worden opgevat4 ,doch het was alleen mijn voornemen over den menschelijken ,geest te spreken4 ,stelling ,,iv4 ,geen ding kan vernietigd worden1 tenzij door een uitwendige oorzaak4 ,bewijs4 ,deze stelling is vanzelf duidelijk4 ,immers de definitie van elk ding be-aamt het wezen ervan1 doch ontkent het niet4 ,ofwel zij stelt het wezen van het ding1 doch heft het niet op4 ,zoolang wij dus letten uitsluitend op een ding zelf en niet op uitwendige oorzaken1 zullen wij er niets in kunnen vinden1 dat het zou kunnen vernietigen4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,v4 ,voorzoover dingen elkaar kunnen vernietigen1 zijn zij tegenstrijdig van aard1 d4w4z4 kunnen zij niet in nzelfde zaak bestaan4 ,bewijs4 ,immers indien zij elkaar dulden of tegelijk in dezelfde zaak bestaan konden1 zou er in deze zaak iets zijn dat haar kon vernietigen1 hetgeen 7vlg4 de voorgaande ,st47 ongerijmd is4 ,derhalve enz4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,vi4 ,elk ding tracht1 voorzoover het op zichzelf bestaat1 in zijn bestaan te volharden4 ,de bijzondere dingen immers zijn 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,xxv ,d4 ,i7 bestaanswijzen1 welke ,gods attributen op een zekere bepaalde wijze openbaren1 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,xxxiv ,d4 ,i7 dingen welke ,gods macht1 krachtens welke ,god bestaat en handelt1 op zekere bepaalde wijze uitdrukken4 ,voorts heeft 7vlg4 ,st4 ,,iv v4d4 ,d47 geen enkel ding iets in zich waardoor het vernietigd zou kunnen worden of dat zijn bestaan zou kunnen opheffen1 maar verzet het zich 7vlg4 de voorgaande ,st47 juist tegen al wat dit zou kunnen doen4 ,derhalve tracht het zooveel het vermag en voorzoover het op zichzelf bestaat1 in zijn bestaan te volharden4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,vii4 ,het streven waarmede elk ding in zijn bestaan tracht te volharden is niets anders dan het werkelijke wezen van dit ding zelf4 ,bewijs4 ,uit het gegeven wezen van elk ding volgen 7vlg4 ,st4 ,,xxxvi ,d4 ,i7 noodzakelijk meer dingen2 ook vermogen de dingen 7vlg4 ,st4 ,,xxix ,d4 ,i7 niet anders dan wat noodzakelijk uit hun vastbepaalden aard voortvloeit4 ,zoodat het vermogen of het streven van ieder ding1 waardoor het1 hetzij alleen of met andere dingen1 iets doet of poogt te doen1 d4w4z4 het vermogen of het streven waarmede het in zijn bestaan tracht te volharden1 niets anders is dan het gegeven of werkelijke wezen van dit ding zelf4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,viii4 ,het streven waarmede elk ding in zijn bestaan tracht te volharden1 sluit geen bepaalden1 doch een onbepaalden tijd in zich4 ,bewijs4 ,immers indien het een beperkten tijd in zich sloot1 welke den duur van het ding bepaalde1 zou alleen reeds uit dezelfde macht waardoor het ding bestaat1 volgen dat het na dien beperkten tijd niet langer bestaan kon1 maar te niet moest gaan4 ,dit echter is 7vlg4 ,st4 ,,iv v4d4 ,d47 ongerijmd4 ,derhalve sluit het streven waardoor een ding bestaat1 geen bepaalden tijd in zich1 maar integendeel3 aangezien 7vlg4 dezelfde ,st4 ,,iv v4d4 ,d47 een ding krachtens dezelfde macht1 waardoor het bestaat1 steeds voortgaat te bestaan1 indien het niet door een uitwendige oorzaak vernietigd wordt1 sluit dit streven ook een onbepaalden tijd in zich4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,ix4 ,de ,geest tracht zoowel voorzoover hij heldere en duidelijke1 als voorzoover hij verwarde voorstellingen heeft1 voor onbepaalden duur in zijn bestaan te volharden en is zich van dit zijn streven bewust4 ,bewijs4 ,het wezen van den ,geest bestaat 7gelijk wij in ,st4 ,,iii v4d4 ,d4 bewezen hebben7 uit adaequate en inadaequate voorstellingen1 en dus tracht hij 7vlg4 ,st4 ,,vii v4d4 ,d47 zoowel voorzoover hij deze als voorzoover hij gene heeft1 in zijn bestaan te volharden1 en dat wel 7vlg4 ,st4 ,,viii v4d4 ,d47 voor onbepaalden duur4 ,daar evenwel de ,geest 7vlg4 ,st4 ,,xxiii ,d4 ,,ii7 door de voorstellingen van de inwerkingen op het ,lichaam zich noodzakelijk van zichzelf bewust is1 is hij zich 7vlg4 ,st4 ,,vii v4d4 ,d47 ook bewust van dit zijn streven4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,wanneer dit streven uitsluitend op den ,geest betrekking heeft1 wordt het ,wil genoemd2 heeft het echter betrekking op ,geest en ,lichaam beide1 zoo noemt men het ,drang,a#ej welke dus niets anders is dan het wezen zelf van den mensch1 uit welks aard al wat tot zijn eigen behoud strekt1 noodzakelijk voortvloeit1 zoodat dus de mensch genoodzaakt is dit alles ook te doen4 ,verder bestaat er tusschen drang en begeerte geen ander verschil dan dat men meestal van begeerte spreekt voorzoover de menschen zich van hun drang bewust zijn1 zoodat daarom ,begeerte kan worden omschreven als ,drang verbonden met het bewustzijn daarvan4 ,uit dit alles blijkt dus wel duidelijk dat wij niets nastreven1 willen1 verlangen noch begeeren wijl wij oordeelen dat het goed is1 maar integendeel1 dat wij iets goed noemen wijl wij er naar streven1 het willen1 verlangen en begeeren4 ,stelling ,x4 ,een voorstelling welke het bestaan van ons ,lichaam uitsluit1 kan niet in onzen ,geest bestaan1 doch is daarmede in strijd4 ,bewijs4 ,al wat ons ,lichaam in staat is te vernietigen1 kan er 7vlg4 ,st4 ,v v4d4 ,d47 niet in bestaan en dus kan ook de voorstelling ervan 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,ix ,d4 ,,ii7 niet in ,god bestaan voorzoover hij de voorstelling van ons ,lichaam heeft2 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,xi en ,,xiii ,d4 ,,ii73 de voorstelling ervan kan niet bestaan in onzen ,geest4 ,integendeel1 aangezien 7vlg4 ,st4 ,,xi en ,,xiii ,d4 ,,ii7 datgene wat in de eerste plaats het wezen van den ,geest uitmaakt de voorstelling is van het werkelijk bestaande ,lichaam1 is ook het eerste en voornaamste streven van onzen ,geest 7vlg4 ,st4 ,,vii v4d4 ,d47 het bestaan van ons ,lichaam te bevestigen4 ,derhalve is een voorstelling1 welke het bestaan van ons ,lichaam ontkent1 in strijd met onzen ,geest enz4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xi4 ,de voorstelling van al wat het vermogen tot handelen,a#ea van ons ,lichaam vermeerdert of vermindert1 bevordert of belemmert1 moet ook het vermogen tot denken van onzen ,geest vermeerderen of verminderen1 bevorderen of belemmeren4 ,bewijs4 ,deze stelling wordt duidelijk uit ,stelling ,,vii ,deel ,,ii en eveneens uit ,stelling ,,xiv ,deel ,,ii4 ,opmerking3 ,wij hebben dus gezien dat de ,geest vele veranderingen kan ondergaan en daarbij nu eens in een toestand van grootere1 dan weer in een van geringere volmaaktheid overgaat1 al wel welke lijdingen ons de aandoeningen van ,blijheid en ,droefheid verklaren4 ,onder ,blijheid zal ik daarom in het vervolg verstaan een lijding1 waardoor de ,geest tot grootere volmaaktheid overgaat2 onder ,droefheid daarentegen een lijding1 waardoor hij tot geringere volmaaktheid overgaat4 ,voorts noem ik de aandoening van blijheid als zij tegelijkertijd op ,geest en ,lichaam betrekking heeft prikkeling kitteling of opgewektheid1 die van droefheid daartegen pijn of gedruktheid loomheid,a#eb4 ,hierbij moet evenwel worden opgemerkt dat men bij den mensch spreekt van prikkeling of pijn wanneer n zijner deelen mr dan de overige wordt aangedaan1 van opgewektheid of gedruktheid daarentegen wanneer alle deelen gelijkelijk aangedaan zijn4 ,wat voorts ,begeerte is heb ik reeds in de ,opmerking bij ,stelling ,,ix van dit ,deel uiteen gezet en behalve deze drie erken ik geen enkele andere oorspronkelijke 7primaire7 aandoeningen2 dat de overige uit deze drie voortkomen zal ik in het volgende aantoonen4 ,doch eer ik verder ga wil ik hier eerst ,stelling ,x van dit ,deel nog iets breeder toelichten1 opdat men duidelijker begrijpe hoe een voorstelling met een andere voorstelling in strijd kan zijn4 ,in de ,opmerking bij ,stelling ,,xvii ,deel ,,ii hebben wij aangetoond dat de voorstelling welke het wezen van den ,geest uitmaakt1 het bestaan van het ,lichaam zoolang in zich sluit als het ,lichaam zelf bestaat4 ,verder volgt uit datgene wat wij in het ,gevolg van ,stelling ,,viii ,deel ,,ii en in de ,opmerking daarbij aantoonden1 dat het tegenwoordig bestaan van den ,geest alleen daarvan afhangt dat de ,geest het werkelijk bestaan des ,lichaams in zich sluit4 ,waaruit volgt dat het tegenwoordig bestaan van den ,geest en zijn vermogen tot verbeelden voorstellen wordt opgeheven zoodra de ,geest ophoudt het tegenwoordig bestaan des ,lichaams te bevestigen4 ,de oorzaak echter1 waardoor de ,geest zou ophouden dit tegenwoordig bestaan des ,lichaams te bevestigen kan 7vlg4 ,st4 ,,iv v4d4 ,d47 niet in den ,geest zelf gelegen zijn en evenmin in het feit dat het ,lichaam ophoudt te bestaan4 ,immers de oorzaak waardoor de ,geest het bestaan van het ,lichaam bevestigt is 7vlg4 ,st4 ,,vi ,d4 ,,ii7 niet het feit dat het ,lichaam begon te bestaan1 zoodat hij om dezelfde reden ook niet ophoudt het bestaan des ,lichaams te bevestigen doordat het ,lichaam ophoudt te bestaan4 ,maar het is 7vlg4 ,st4 ,,xvii of ,st4 ,,viii ,d4 ,,ii7 een gevolg van een andere voorstelling1 welke het tegenwoordig bestaan van ons ,lichaam en bijgevolg van den ,geest1 uitsluit en welke dus in strijd is met de voorstelling welke het wezen van den ,geest uitmaakt4 ,stelling ,,xii4 ,de ,geest tracht zich zooveel mogelijk voor te stellen wat het vermogen tot handelen des ,lichaams vermeerdert of bevordert4 ,bewijs4 ,zoolang het menschelijk ,lichaam een inwerking ondergaat welke den aard van eenig uitwendig voorwerp in zich sluit1 zoolang zal 7vlg4 ,st4 ,,xvii ,d4 ,,ii7 de menschelijke ,geest ditzelfde voorwerp als aanwezig beschouwen1 en bijgevolg 7vlg4 ,st4 ,,vii ,d4 ,,ii73 zoolang de menschelijke ,geest eenig uitwendig voorwerp als aanwezig beschouwt1 d4w4z4 7vlg4 dezelfde ,st4 ,,xvii en ,opmerking7 zoolang hij het zich voorstelt1 zoolang ook ondergaat het menschelijk ,lichaam een inwerking welke den aard van juist dit uitwendige voorwerp in zich sluit4 ,derhalve3 zoolang de ,geest zich datgene voorstelt wat het vermogen tot handelen van ons ,lichaam vermeerdert of bevordert1 zoolang ondergaat het ,lichaam inwerkingen welke zijn vermogen tot handelen vermeerderen of bevorderen 7zie ,postulaat ,i v4d4 ,d47 en bijgevolg zal dan ook zlang 7vlg4 ,st4 ,,xi v4d4 ,d47 het vermogen tot denken van den ,geest worden vermeerderd of bevorderd4 ,daarom tracht de ,geest zich 7vlg4 ,st4 ,,vi of ,,ix v4d4 ,d47 zooveel mogelijk dergelijke dingen voor te stellen4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xiii4 ,wanneer de ,geest zich dingen voorstelt1 welke het vermogen tot handelen des ,lichaams verminderen of belemmeren1 tracht hij zooveel mogelijk zich andere dingen te herinneren welke het bestaan van deze eerste uitsluiten4 ,bewijs4 ,zoolang de ,geest zich iets dergelijks voorstelt worden de vermogens1 zoowel van den ,geest als van het ,lichaam verminderd of belemmerd 7gelijk wij in de voorgaande stelling hebben aangetoond74 ,niettemin zal hij zich 7vlg4 ,st4 ,,xvii ,d4 ,,ii7 zooiets zoolang voorstellen tot hij zich iets anders voorstelt dat het tegenwoordig bestaan van het eerste uitsluit1 d4w4z4 7gelijk wij daareven aantoonden73 de vermogens van ,geest en ,lichaam worden zlang verminderd of belemmerd totdat de ,geest zich iets anders voorstelt dat het bestaan ervan dier belemmering uitsluit1 zoodat 7vlg4 ,st4 ,,ix v4d4 ,d47 de ,geest zooveel mogelijk zal trachten zich dit andere voor te stellen of te herinneren4 ,h4t4b4w4 ,gevolg3 ,hieruit volgt dat de ,geest afkeerig is zich dingen voor te stellen welke zijn eigen vermogen kracht of dat van het ,lichaam verminderen of belemmeren4 ,opmerking3 ,wij kunnen thans helder inzien wat ,liefde is en wat ,haat4 ,liefde namelijk is niets anders dan ,blijheid1 vergezeld door de voorstelling eener uitwendige oorzaak1 terwijl ,haat niets anders is dan ,droefheid vergezeld door de voorstelling eener uitwendige oorzaak4 ,verder begrijpen wij dat wie liefheeft noodzakelijk er naar streeft datgene wat hij liefheeft te bezitten en te behouden1 terwijl daarentegen wie haat datgene wat hij haat tracht te verwijderen en te vernietigen4 ,doch over dit alles later breedvoeriger4 ,stelling ,,xiv4 ,indien de ,geest ns twee aandoeningen tegelijk heeft ondervonden1 zal hij later1 wanneer hij opnieuw ne daarvan ondergaat1 tevens de tweede gevoelen4 ,bewijs4 ,indien het menschelijk ,lichaam ns tegelijkertijd inwerking van twee voorwerpen ondervond1 zal de ,geest1 wanneer hij zich later n dier beiden voorstelt1 zich 7vlg4 ,st4 ,,xviii ,d4 ,,ii7 terzelfdertijd het andere herinneren4 ,de verbeeldingen van den ,geest echter geven 7vlg4 ,gevolg ,,ii ,st4 ,,xvi ,d4 ,,ii7 meer de inwerkingen op ons ,lichaam dan den aard der uitwendige voorwerpen weer4 ,derhalve3 indien het ,lichaam1 en bijgevolg ook de ,geest 7zie ,definitie ,,iii v4d4 ,d47 ns twee inwerkingen tegelijk onderging1 zal de ,geest later1 wanneer hij opnieuw een dier aandoeningen ondergaat1 ook de tweede weer gevoelen4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xv4 ,elk willekeurig ding kan bij gelegenheid oorzaak van ,blijheid1 ,droefheid of ,begeerte zijn4 ,bewijs4 ,stel dat de ,geest twee inwerkingen tegelijkertijd ondergaat1 waarvan de eene zijn vermogen tot handelen noch vermeerdert noch vermindert en de tweede dit wl vermeerdert of vermindert 7zie ,postulaat ,i v4d4 ,d474 ,uit de vorige ,stelling blijkt1 dat wanneer de ,geest later wederom die eerste inwerking door haar eigen oorzaak 7welke volgens het onderstelde op zichzelf zijn vermogen tot denken noch vermeerdert noch vermindert7 ondergaat1 dadelijk ook de tweede1 welke zijn vermogen tot denken wl vermeerdert of vermindert1 zal ondergaan1 d4w4z4 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xi v4d4 ,d47 ,blijheid of ,droefheid zal gevoelen4 ,derhalve zal deze eerste inwerking niet uit zichzelf1 maar door toevallige omstandigheden oorzaak van ,blijheid of ,droefheid zijn4 ,en op dezelfde wijze kan gemakkelijk worden aangetoond dat zij ook bij gelegenheid oorzaak kan zijn van ,begeerte4 ,h4t4b4w4 ,gevolg3 ,alleen reeds op grond daarvan dat wij een of andere zaak beschouwd hebben met een aandoening van ,blijheid of ,droefheid1 ofschoon zij zelf niet de bewerkende oorzaak daarvan was1 kunnen wij die zaak liefhebben of haten4 ,bewijs4 ,want alleen daardoor komt het dat 7vlg4 ,st4 ,,xiv v4d4 ,d47 de ,geest1 zich die zaak later voorstellende1 wederom een aandoening van ,blijheid of ,droefheid ondergaat1 d4w4z4 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xi v4d4 ,d47 dat de levenskracht van ,geest en ,lichaam wordt vermeerderd of verminderd enz4 ,en bijgevolg 7vlg4 ,st4 ,,xii v4d4 ,d47 dat hij verlangt zich die zaak voor te stellen ofwel 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,xiii v4d4 ,d47 daarvan afkeerig is1 d4w4z4 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xiii v4d4 ,d47 dat hij die zaak liefheeft of haat4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,hierdoor kunnen wij begrijpen hoe het komt dat wij sommige zaken liefhebben of haten zonder eenige ons bekende reden1 maar alleen uit 7zooals men dat noemt7 sympathie of antipathie4 ,en dit geldt ook voor die voorwerpen welke ,blijheid of ,droefheid in ons teweeg brengen1 alleen omdat zij eenigerlei gelijkenis vertoonen met voorwerpen welke die aandoeningen in ons plegen op te wekken1 gelijk ik in de volgende stelling zal aantoonen4 ,weliswaar weet ik dat de schrijvers die de woorden sympathie en antipathie het eerst hebben ingevoerd1 daarmede zekere verborgen eigenschappen der dingen hebben willen aanduiden1 maar ik meen niettemin dat het ons vrijstaat er ook bekende en voor de hand liggende eigenschappen onder te verstaan4 ,stelling ,,xvi4 ,alleen om het feit dat wij ons voorstellen dat een of ander ding in eenig opzicht gelijkt op een voorwerp dat in den ,geest ,blijheid of ,droefheid pleegt teweeg te brengen1 zullen wij dit ding liefhebben of haten1 hoewel datgene1 waarin het op dit voorwerp gelijkt1 niet de bewerkende directe oorzaak dier aandoeningen is4 ,bewijs4 ,datgene1 wat op het voorwerp gelijkt1 werd 7volgens het onderstelde7 in dit voorwerp zelf door ons met een aandoening van ,blijheid of ,droefheid beschouwd4 ,daarom zal ook 7vlg4 ,st4 ,,xiv v4d4 ,d47 telkens wanneer het beeld daarvan op den ,geest inwerkt1 deze dadelijk de eerste of de tweede aandoening ondergaan1 en bijgevolg zal 7vlg4 ,st4 ,,xv v4d4 ,d47 het ding waarin wij hetzelfde waarnemen1 door deze toevallige omstandigheid oorzaak van ,blijheid of ,droefheid zijn4 ,derhalve zullen wij 7vlg4 voorgaande ,gevolg7 dit ding liefhebben of haten1 hoewel datgene waarin het op het voorwerp gelijkt1 niet de bewerkende directe oorzaak dier aandoeningen is4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xvii4 ,wanneer wij ons voorstellen dat een zaak1 welke ,droefheid in ons pleegt teweeg te brengen1 in eenig opzicht gelijkt op iets anders dat ons evengroote ,blijheid pleegt te schenken1 zullen wij deze zaak tegelijkertijd haten en liefhebben4 ,bewijs4 ,immers deze zaak is 7vlg4 het onderstelde7 op zichzelf oorzaak van ,droefheid en dus zullen wij haar 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xiii v4d4 ,d47 haten1 voorzoover wij ons haar voorstellen onder invloed van deze aandoening4 ,maar voorzoover wij ons voorstellen dat zij bovendien nog in eenig opzicht gelijkt op iets anders dat ons evengroote ,blijheid pleegt te schenken1 zullen wij haar 7vlg4 voorgaande ,st47 met een evengroot verlangen naar ,blijheid liefhebben2 zoodat wij die zaak tegelijkertijd zullen haten en liefhebben4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,deze geestesgesteldheid1 welke dus uit twee tegenovergestelde aandoeningen ontspringt1 noemt men weifelmoedigheid1 tweestrijd1 welke dus onder de zielsaandoeningen hetzelfde is als twijfel bij het voorstellen 7zie ,opmerking ,st4 ,,xliv ,d4 ,,ii74 ,weifeling en twijfel verschillen dan ook alleen maar naar den graad4 ,ik doe echter opmerken dat ik in de vorige ,stelling deze weifeling des gemoeds heb afgeleid uit oorzaken1 waarvan de eene op zichzelf oorzaak is van de eerste aandoening1 de andere door toevallige omstandigheden van de tweede4 ,ik deed dit wijl ik ze aldus gemakkelijker uit het voorgaande kon afleiden1 doch niet wijl ik zou willen loochenen dat zulk een zielestrijd meestal ontspringt uit n voorwerp dat van bide aandoeningen de bewerkende oorzaak is4 ,het ,lichaam toch is 7vlg4 ,postulaat ,i ,d4 ,,ii7 uit tal van enkeldingen van verschillenden aard samengesteld en kan dus 7vlg4 ,axioma ,i achter ,hulpst4 ,,iii1 zie achter ,st4 ,,xiii ,d4 ,,ii7 van n en hetzelfde voorwerp op de meest verschillende wijzen inwerking ondervinden4 ,omgekeerd1 wijl n en hetzelfde ding op tal van verschillende wijzen inwerking ondergaan kan1 zal het ook op tal van verschillende wijzen op nzelfde deel van het ,lichaam kunnen inwerken4 ,waaruit wij gemakkelijk kunnen begrijpen dat n en hetzelfde voorwerp oorzaak van vele en tegenstrijdige aandoeningen kan zijn4 ,stelling ,,xviii4 ,de mensch ondergaat bij het beeld voorstelling van een verleden of toekomstige zaak dezelfde aandoening van ,blijheid of ,droefheid als bij het beeld voorstelling eener aanwezige4 ,bewijs4 ,zoolang het beeld van eenig ding op den mensch inwerkt1 zal hij 7vlg4 ,st4 ,,xvii en ,gevolg ,d4 ,,ii7 dit ding als aanwezig beschouwen1 ook al bestaat het niet en het zich noch als verleden noch als toekomstig denken1 tenzij zijn beeld verbonden is met de voorstelling van den verleden of toekomstigen tijd 7zie ,opmerking ,st4 ,,xliv ,d4 ,,ii74 ,vandaar dat het beeld van een ding1 op zichzelf beschouwd1 hetzelfde is1 onverschillig of het met de toekomst1 het verleden1 danwel met het heden in verband gebracht wordt4 ,d4w4z4 7vlg4 ,gevolg ,,ii ,st4 ,,xvi ,d4 ,,ii73 de toestand of aandoening van ons ,lichaam1 is dezelfde1 onverschillig of het beeld er een is van een verleden1 van een toekomstig1 danwel van een tegenwoordig ding4 ,en derhalve is ook de aandoening van ,blijheid of ,droefheid dezelfde1 onverschillig of het beeld er een is van een verleden1 van een toekomstig1 danwel van een tegenwoordig ding4 ,h4t4b4w4 ,opmerking ,i3 ,ik noem een ding in zoover verleden of toekomstig als het op ons heeft ingewerkt of zal inwerken1 bijvoorbeeld voorzoover wij het gezien hebben of zullen zien1 voorzoover het ons verkwikt heeft of zal verkwikken1 geschaad heeft of zal schaden enz4 ,immers in zoover als wij het ons aldus voorstellen1 beamen wij zijn bestaan2 d4w4z4 ons ,lichaam ondervindt geenerlei inwerking welke het bestaan van het ding uitsluit en zal derhalve 7vlg4 ,st4 ,,xvii ,d4 ,,ii7 van het beeld ervan dezelfde inwerking ondergaan alsof het ding zelf aanwezig ware4 ,wijl echter inderdaad lieden met veel ervaring meestal weifelen1 zoolang zij iets als toekomstig of verleden beschouwen en omtrent den afloop ervan meestal twijfelen4 7,zie ,opmerking ,st4 ,,xliv ,d4 ,,ii7 is het gevolg daarvan dat aandoeningen welke uit dergelijke voorstellingen der dingen ontstaan1 niet zeer standvastig zijn1 maar dat zij meestal door beelden van andere dingen worden verward1 totdat men omtrent dien afloop zekerder is4 ,opmerking ,,ii3 ,na het zooeven gezegde kunnen wij begrijpen wat ,hoop1 ,vrees1 ,gerustheid1 ,wanhoop1 ,verheuging en ,spijt ,hartzeer,a#ec is4 ,hoop namelijk is niets anders dan onbestendige ,blijheid1 opgewekt door het beeld van een toekomstige of verleden zaak1 omtrent welker verloop wij twijfelen4 ,vrees daarentegen is een onbestendige ,droefheid1 eveneens door het beeld eener twijfelachtige zaak opgewekt4 ,indien verder de twijfel in deze aandoeningen wordt opgeheven1 worden ,hoop tot ,gerustheid1 ,vrees tot ,wanhoop2 tot een ,blijheid of ,droefheid namelijk1 te weeg gebracht door het beeld der zaak welke wij vreesden of hoopten4 ,verheuging vervolgens is ,blijheid1 opgewekt door het beeld eener verleden zaak1 omtrent welker afloop wij twijfelden4 ,spijt eindelijk is een ,droefheid1 tegenovergesteld aan ,verheuging4 ,stelling ,,xix4 ,wie zich voorstelt dat iets wat hij liefheeft1 te niet gaat1 zal zich bedroeven2 daarentegen zal hij zich verheugen bij de gedachte dat het behouden blijft4 ,bewijs4 ,de ,geest tracht zich 7vlg4 ,st4 ,,xii v4d4 ,d47 zooveel mogelijk datgene voor te stellen wat het vermogen tot handelen des ,lichaams vermeerdert of bevordert1 d4w4z4 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xiii v4d4 ,d47 dingen welke hij liefheeft4 ,de verbeeldingskracht evenwel wordt 7vlg4 ,st4 ,,xvii ,d4 ,,ii7 geholpen door wat het bestaan van iets onderstelt1 belemmerd daarentegen door wat het bestaan van iets uitsluit4 ,derhalve helpen beelden van dingen1 welke het bestaan der geliefde zaak onderstellen1 den ,geest bij zijn streven om zich die geliefde zaak voor te stellen2 d4w4z4 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xi v4d4 ,d47 zij brengen ,blijheid in den ,geest te weeg4 ,en omgekeerd3 beelden van dingen welke het bestaan der geliefde zaak uitsluiten belemmeren den ,geest bij dit streven2 d4w4z4 7vlg4 dezelfde ,opmerking7 zij brengen ,droefheid in hem te weeg4 ,wie zich dus voorstelt dat iets wat hij lief heeft1 te niet gaat1 zal zich bedroeven enz4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xx4 ,wie zich voorstelt dat iets wat hij haat te niet gaat1 zal zich verblijden4 ,bewijs4 ,de ,geest tracht zich 7vlg4 ,st4 ,,xiii v4d4 ,d47 datgene voor te stellen wat het bestaan van zaken1 waardoor het vermogen tot handelen des ,lichaams verminderd of belemmerd wordt1 uitsluit2 d4w4z4 7vlg4 ,opmerking bij dezelfde ,st47 hij tracht zich datgene voor te stellen wat het bestaan van zaken welke hij haat uitsluit4 ,derhalve steunt het beeld eener zaak1 welke het bestaan van wat de ,geest haat uitsluit1 dit streven van den ,geest2 d4w4z4 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xi v4d4 ,d47 het verwekt ,blijheid in hem4 ,wie zich dus voorstelt dat iets wat hij haat te niet gaat1 zal zich verblijden4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xxi4 ,wie zich voorstelt dat wat hij liefheeft ,blijheid of ,droefheid ondervindt1 zal zelf ,blijheid of ,droefheid gevoelen en elk dezer aandoeningen zal sterker of zwakker zijn in den liefhebbende naarmate zij sterker of zwakker is in het geliefde ding wezen ,a#ed4 ,bewijs4 ,de beelden van dingen1 welke het bestaan eener geliefde zaak onderstellen1 steunen 7gelijk wij in ,st4 ,,xix v4d4 ,d4 hebben bewezen7 het streven van den ,geest om zich die geliefde zaak voor te stellen4 ,maar ,blijheid onderstelt het bestaan van iets dat blijde is en dat wel te meer naarmate de aandoening van ,blijheid sterker is4 ,immers zij is 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xi v4d4 ,d47 een overgang tot grooter volmaaktheid4 ,derhalve steunt de gedachte aan de ,blijheid van het geliefde wezen het streven van den ,geest des liefhebbenden zelf2 d4w4z4 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xi v4d4 ,d47 zij wekt in den liefhebbende ,blijheid op en wel des te meer hoe sterker deze aandoening in het geliefde wezen was4 ,dit wat het eerste betreft4 ,voorzoover voorts eenig wezen ,droefheid gevoelt1 gaat het te niet wordt er iets van zijn bestaanskracht vernietigd en wel des te meer 7vlg4 dezelfde ,opmerking bij ,st4 ,,xi v4d4 ,d47 hoe heviger die ,droefheid is4 ,derhalve zal 7vlg4 ,st4 ,,xix v4d4 ,d47 wie zich voorstelt dat wat hij liefheeft ,droefheid ondervindt1 zelf ook ,droefheid gevoelen en dat wel des te meer1 hoe sterker deze aandoening was in het geliefde wezen4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xxii4 ,indien wij ons voorstellen dat iemand in een wezen dat wij liefhebben ,blijheid te weeg brengt1 zal hij ook ons ,blijheid schenken4 ,stellen wij ons daarentegen voor dat hij dit wezen ,droefheid brengt1 zoo zullen ook wij ,haat jegens hem gevoelen4 ,bewijs4 ,wie in een wezen dat wij liefhebben ,blijheid of ,droefheid te weeg brengt1 schenkt ook onszelf ,blijheid of ,droefheid1 wanneer wij ons wel te verstaan 7vlg4 voorgaande ,st47 het geliefde wezen als door ,blijheid of ,droefheid aangedaan voorstellen4 ,er wordt evenwel ondersteld dat deze ,blijheid of ,droefheid vergezeld gaat van de voorstelling eener uitwendige oorzaak4 ,derhalve zullen wij 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xiii v4d4 ,d47 indien wij ons voorstellen dat iemand in een wezen dat wij liefhebben ,blijheid of ,droefheid te weeg brengt1 ,liefde of ,haat jegens hem gevoelen4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,stelling ,,xxi verklaart ons wat ,medelijden is2 wij kunnen het omschrijven als ,droefheid om eens anders leed4 ,welken naam ik nu evenwel moet geven aan die ,blijheid1 welke uit eens anders welzijn voortkomt1 weet ik niet4 ,voorts zullen wij ,liefde jegens hem die een ander wl-deed1 ,ingenomenheid en daarentegen ,haat jegens hem die een ander kwaad deed ,verontwaardiging noemen4 ,tenslotte doe ik opmerken dat wij niet slechts medelijden hebben met wezens die wij hebben liefgehad 7gelijk wij in ,st4 ,,xxi aantoonden7 maar ook met wezens1 voor welke wij voordien niets bepaalds gevoelden1 mits wij slechts oordeelen 7gelijk ik hierna zal aantoonen7 dat zij op ons gelijken4 ,derhalve zullen wij ingenomen zijn met wie onzen gelijke weldeed1 daarentegen ons verontwaardigen over wie onzen gelijke schade berokkende4 ,stelling ,,xxiii4 ,wie zich voorstelt dat een wezen dat hij haat1 door ,droefheid wordt aangedaan1 zal zich verheugen2 bedroeven zal hij zich echter indien hij zich voorstelt dat het door ,blijheid wordt aangedaan2 en elk dezer aandoeningen zal sterker of zwakker zijn naarmate de haar tegengestelde sterker of zwakker is in het wezen dat hij haat4 ,bewijs4 ,voorzoover het gehate wezen door ,droefheid wordt aangedaan1 voorzver gaat het te niet wordt zijn levenskracht verminderd en wel des te meer 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xi v4d4 ,d47 hoe heviger die ,droefheid is4 ,wie zich dus voorstelt dat een wezen dat hij haat ,droefheid ondervindt1 zal zich 7vlg4 ,st4 ,,xx v4d4 ,d47 verheugen1 en wel des te meer1 hoe heviger hij zich die ,droefheid van het gehate wezen voorstelt4 ,dit wat het eerste betreft4 ,voorts onderstelt ,blijheid 7vlg4 dezelfde ,opmerking ,st4 ,,xi v4d4 ,d47 het bestaan van een wezen dat blijde is en dit wel te meer hoe sterker die ,blijheid gedacht wordt4 ,indien dus iemand zich een ander1 dien hij haat1 voorstelt als door ,blijheid aangedaan1 zal deze voorstelling 7vlg4 ,st4 ,,xiii v4d4 ,d47 zijn streven belemmeren2 d4w4z4 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xi v4d4 ,d473 hij die haat zal ,droefheid gevoelen indien enz4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,deze ,blijheid kan bezwaarlijk duurzaam zijn of zonder tweestrijd in ons gemoed bestaan4 ,want 7gelijk ik straks in ,st4 ,,xxvii v4d4 ,d4 zal aantoonen7 voorzoover men zich zijns gelijke voorstelt als door ,droefheid aangedaan1 voorzver moet men zich ook zelf bedroeven1 en omgekeerd1 indien men zich voorstelt dat hij door ,blijheid wordt aangedaan4 ,hier echter hebben wij alleen het oog op den haat4 ,stelling ,,xxiv4 ,indien wij ons voorstellen dat iemand in een wezen dat wij haten ,blijheid te weeg brengt1 zullen wij ook jegens hem ,haat gevoelen4 ,stellen wij ons daarentegen voor dat hij in datzelfde wezen ,droefheid te weeg brengt1 zoo zullen wij ,liefde jegens hem gevoelen4 ,bewijs4 ,deze stelling wordt op dezelfde wijze bewezen als ,stelling ,,xxii van dit ,deel2 zie dus deze4 ,opmerking3 ,deze en soortgelijke aandoeningen van ,haat behooren onder het begrip ,nijd1 welke dus niets anders is dan ,haat zelf1 voorzoover hij den mensch brengt in zoodanigen toestand dat hij zich verheugt over het ongeluk van een ander ,leedvermaak en omgekeerd zich bedroeft over zijn geluk4 ,afgunst4 ,stelling ,,xxv4 ,al wat naar onze voorstelling onszelf of een geliefd wezen ,blijheid brengt1 trachten wij van onszelf of van het geliefde wezen te bevestigen1 en omgekeerd trachten wij al wat naar onze voorstelling onszelf of het geliefde wezen bedroeft1 te ontkennen4 ,bewijs4 ,datgene1 waarvan wij ons voorstellen dat het in het geliefde wezen ,blijheid of ,droefheid te weeg brengt1 schenkt 7vlg4 ,st4 ,,xxi v4d4 ,d47 ook onszelf ,blijheid of ,droefheid4 ,maar de ,geest tracht 7vlg4 ,st4 ,,xii v4d4 ,d47 zich zooveel mogelijk datgene wat ons ,blijheid schenkt voor te stellen1 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,xvii en ,gevolg ,d4 ,,ii7 als aanwezig te beschouwen4 ,en omgekeerd tracht hij 7vlg4 ,st4 ,,xiii v4d4 ,d47 het bestaan van wat ons droef maakt uit te sluiten4 ,derhalve trachten wij al wat naar onze voorstelling onszelf of een geliefd wezen blij maakt1 van onszelf of van het geliefde wezen te bevestigen1 en omgekeerd4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xxvi4 ,van een wezen dat wij haten trachten wij alles te bevestigen wat het naar onze voorstelling bedroeft en omgekeerd trachten wij er van te ontkennen al wat het naar onze voorstelling verblijdt4 ,bewijs4 ,deze stelling volgt uit ,stelling ,,xxiii1 gelijk de voorgaande uit ,stelling ,,xxi van dit ,deel4 ,opmerking3 ,wij zien hieruit1 dat het licht kan gebeuren dat de mensch over zichzelf of een geliefd wezen beter dan gerechtvaardigd1 en omgekeerd dat hij over een gehaat wezen slechter dan billijk is oordeelt1 welke verbeelding1 indien zij dien mensch zelf betreft die beter over zichzelf oordeelt dan gerechtvaardigd is1 ,hoogmoed verwaandheid genoemd wordt en een vorm is van waanzin1 aangezien zulk een persoon met open oogen droomt dat hij allerlei dingen kan welke hij alleen in zijn verbeelding bereikt2 welke hij dus als werkelijkheden beschouwt en waarop hij zich verheft1 zoolang hij niet bij machte is zich iets voor te stellen dat hun bestaan uitsluit en zijn eigen vermogen tot handelen beperkt4 ,hoogmoed verwaandheid is dus een aandoening van ,blijheid1 ontstaan doordat iemand beter van zichzelf denkt dan gerechtvaardigd is4 ,verder wordt de ,blijheid1 ontstaan doordat iemand beter van een ander denkt dan gerechtvaardigd is1 ,overschatting genoemd1 en ,geringschatting tenslotte die1 welke ontstaat doordat men van een ander slechter denkt dan billijk is4 ,stelling ,,xxvii4 ,door het feit dat wij ons voorstellen dat een wezen1 hetwelk ons gelijkt en waarvoor wij niets bepaalds gevoelen1 een of andere aandoening ondergaat1 wordt ook in onszelf een dergelijke aandoening opgewekt4 ,bewijs4 ,de beelden der dingen zijn 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xvii ,d4 ,,ii7 inwerkingen op het menschelijk ,lichaam1 welker voorstellingen ons de uitwendige voorwerpen als aanwezig voorstellen2 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,xvi ,d4 ,,ii7 welker voorstellingen den aard van ons ,lichaam en tegelijk den aanwezigen aard van het uitwendig voorwerp in zich sluiten4 ,indien dus de aard van een uitwendig voorwerp gelijkt op den aard van ons ,lichaam1 zal de voorstelling van dit uitwendig voorwerp dat wij ons verbeelden1 een inwerking op ons ,lichaam in zich sluiten1 welke gelijkt op den toestand van het uitwendig voorwerp4 ,bijgevolg zal1 indien wij ons voorstellen dat een wezen dat ons gelijkt een of andere aandoening ondergaat1 deze voorstelling een toestand van ons ,lichaam weergeven welke op deze aandoening gelijkt aan deze aandoening beantwoordt4 ,derhalve3 door het feit dat wij ons voorstellen dat een wezen hetwelk ons gelijkt een of andere aandoening ondergaat1 wordt ook in onszelf een dergelijke aandoening opgewekt4 ,wanneer wij echter een wezen dat ons gelijkt haten1 zullen wij een tegenovergestelde aandoening dan dit wezen ondergaan en niet een dergelijke4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,deze nabootsing van aandoeningen heet1 voorzoover zij onder ,droefheid thuis behooren1 ,medelijden 7waarover men zie ,opmerking ,st4 ,,xxii v4d4 ,d472 behooren zij evenwel tot de ,begeerte1 zoo noemt men haar wedijver1 welke dus niets anders is dan een ,begeerte tot een of ander ding1 welke in ons ontstaat door ons voor te stellen dat anderen1 die ons gelijken1 dezelfde begeerte hebben4 ,gevolg ,i3 ,wanneer wij ons voorstellen dat iemand1 die geenerlei aandoening in ons te weeg brengen1 een ons gelijkend wezen verblijdt1 zullen wij ,liefde jegens hem gevoelen4 ,stellen wij ons daarentegen voor dat hij dit wezen bedroeft1 zoo zullen wij hem haten4 ,bewijs4 ,dit wordt op dezelfde wijze uit de voorgaande stelling bewezen als ,stelling ,,xxii van dit ,deel uit ,stelling ,,xxi4 ,gevolg ,,ii3 ,een wezen waarvoor wij medelijden gevoelen1 kunnen wij niet haten op grond daarvan dat zijn ongeluk ons bedroeft4 ,bewijs4 ,immers indien wij het om die reden konden haten1 zouden wij ons 7vlg4 ,st4 ,,xxiii v4d4 ,d47 over zijn droefheid verblijden1 hetgeen in strijd is met het onderstelde4 ,gevolg ,,iii3 ,een wezen waarvoor wij medelijden gevoelen1 trachten wij zooveel mogelijk van zijn ongeluk te bevrijden4 ,bewijs4 ,datgene wat het wezen waarvoor wij medelijden gevoelen bedroeft1 brengt ook in ons 7vlg4 de voorgaande ,st47 een dergelijke ,droefheid teweeg en wij zullen dus 7vlg4 ,st4 ,,xiii v4d4 ,d47 alles trachten te verzinnen wat het bestaan dier aanleiding tot ,droefheid opheft ofwel wat haar vernietigt2 d4w4z4 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,ix v4d4 ,d47 wij zullen verlangen of er toe gedreven worden haar te vernietigen4 ,derhalve zullen wij een wezen waarvoor wij medelijden gevoelen van zijn ongeluk trachten te bevrijden4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,deze wil of dit verlangen om wl te doen1 welke daaruit voortspruit dat wij voor het wezen waaraan wij een weldaad willen bewijzen1 medelijden gevoelen1 wordt ,welwillendheid genoemd1 welke dus niets anders is dan ,begeerte1 ontstaan uit medelijden4 ,zie overigens over ,liefde en ,haat jegens dengene die een wezen dat wij als ons gelijkend beschouwen goed of kwaad deed1 de ,opmerking bij ,stelling ,,xxii van dit ,deel4 ,stelling ,,xxviii4 ,al wat naar onze voorstelling tot ,blijheid leidt trachten wij tot stand te brengen2 wat daarentegen naar onze voorstelling daarmede in strijd is1 ofwel wat tot ,droefheid leidt1 trachten wij uit den weg te ruimen of te vernietigen4 ,bewijs4 ,wat naar onze voorstelling tot ,blijheid leidt1 trachten wij ons 7vlg4 ,st4 ,,xii v4d4 ,d47 zooveel mogelijk voor te stellen2 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,xvii ,d4 ,,ii7 wij zullen trachten het zooveel mogelijk als aanwezig ofwel werkelijk bestaande te beschouwen4 ,maar het streven of denkvermogen van den ,geest is van nature gelijk aan en gelijktijdig met het streven of het vermogen tot handelen van het ,lichaam 7gelijk duidelijk volgt uit ,gevolg ,st4 ,,vii en ,gevolg ,st4 ,,xi ,d4 ,,ii74 ,derhalve streven wij onvoorwaardelijk naar zijn bestaan1 of 7wat vlg4 ,opmerking ,st4 ,,ix v4d4 ,d4 hetzelfde is7 wij verlangen er naar en stellen het ons ten doel4 ,dit wat het eerste betreft4 ,voorts zullen wij ons 7vlg4 ,st4 ,,xx v4d4 ,d47 verblijden wanneer wij ons voorstellen dat iets1 dat naar onze meening oorzaak van ,droefheid is1 d4w4z4 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xiii v4d4 ,d47 iets dat wij hatende niet gaat4 ,derhalve zullen wij 7vlg4 het eerste gedeelte van dit bewijs7 dit trachten te vernietigen of 7vlg4 ,st4 ,,xiii v4d4 ,d47 van ons te verwijderen1 opdat wij het niet langer als aanwezig beschouwen4 ,dit wat het tweede betreft4 ,derhalve zullen wij al wat naar onze voorstelling tot ,blijheid leidt enz4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xxix4 ,evenzoo zullen wij trachten alles te doen wat naar onze voorstelling de menschen,v#ac met vreugde zien en omgekeerd zullen wij afkeerig zijn datgene te doen waarvan naar onze voorstelling de menschen afkeerig zijn4 ,voetnoot #ac3 ,hier en in het vervolg bedoel ik menschen die overigens geenerlei aandoening in ons opwekken4 ,bewijs4 ,op grond daarvan dat wij ons voorstellen dat menschen iets liefhebben of haten zullen 7vlg4 ,st4 ,,xxvii v4d4 ,d47 ook wij het liefhebben of haten2 d4w4z4 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xiii v4d4 ,d47 door dit feit zelf zullen wij ons over de aanwezigheid ervan verblijden of bedroeven4 ,derhalve zullen wij 7vlg4 voorgaande ,st47 trachten alles te doen wat naar onze voorstelling de menschen met vreugde zien enz4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,dit streven om iets te doen1 of ook wel iets te laten alleen om den menschen te behagen1 wordt ,eerzucht genoemd1 vooral wanneer wij zoo hevig de menigte zoeken te behagen dat wij iets doen of laten tot ons eigen of anderer nadeel1 anders pleegt men het ,menschenmin ,vriendelijkheid te noemen4 ,voorts noem ik de ,blijheid over een handeling waardoor een ander ons heeft willen verheugen ,goedkeuring1 de ,droefheid daarentegen waarmede wij ons van eens anders handelingen afwenden1 ,afkeuring4 ,stelling ,,xxx4 ,wanneer iemand iets gedaan heeft dat naar zijn voorstelling anderen verblijdt1 zal hij ,blijheid1 vergezeld van de gedachte aan zichzelf als oorzaak daarvan gevoelen2 ofwel hij zal zichzelf met ,blijheid beschouwen4 ,wanneer hij daarentegen iets gedaan heeft dat naar zijn voorstelling anderen bedroeft1 zal hij zichzelf met ,droefheid beschouwen4 ,bewijs4 ,wie zich voorstelt dat hij anderen verblijdt of bedroeft1 zal 7vlg4 ,st4 ,,xxvii v4d4 ,d47 reeds drdoor zelf ,blijheid of ,droefheid gevoelen4 ,aangezien evenwel de mensch 7vlg4 ,st4 ,,xix en ,,xxiii ,d4 ,,ii7 zich van zichzelf bewust is door de aandoeningen waardoor hij tot handelen wordt genoopt1 zal iemand die iets gedaan heeft wat naar zijn meening anderen verblijdt1 zelf ,blijheid gevoelen1 met het bewustzijn dat hijzelf daarvan de oorzaak is1 ofwel hij zal zichzelf met ,blijheid beschouwen1 en omgekeerd4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,aangezien 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xiii v4d4 ,d47 ,liefde is3 ,blijheid1 vergezeld door de voorstelling eener uitwendige oorzaak1 en ,haat ,droefheid1 eveneens vergezeld door de voorstelling eener uitwendige oorzaak1 zijn dus deze ,blijheid en ,droefheid eigenlijk soorten van ,liefde en ,haat4 ,maar wijl ,liefde en ,haat betrekking hebben op uitwendige voorwerpen1 zullen wij de thans bedoelde aandoeningen met andere namen aanduiden1 en wel zullen wij dze ,blijheid1 vergezeld door de voorstelling eener uitwendige,a#ee oorzaak ,zelfverheerlijking en de aan haar tegenovergestelde ,droefheid ,schaamte noemen4 ,wel te verstaan3 wanneer namelijk die ,blijheid of ,droefheid daaruit voortkomt dat iemand in de meening verkeert geprezen of berispt te worden2 anders zal ik die ,blijheid1 vergezeld door de gedachte aan een uitwendige oorzaak ,tevredenheid met zichzelf en de tegenovergestelde ,droefheid ,berouw noemen4 ,wijl het vervolgens 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,xvii ,d4 ,,ii7 kan voorkomen dat de ,blijheid welke iemand meent anderen te schenken1 slechts denkbeeldig is en 7vlg4 ,st4 ,,xxv v4d4 ,d47 ieder van zichzelf tracht te denken wat hem naar zijn meening zal verblijden1 is het dus licht mogelijk dat een roemzuchtige trotsch verwaand wordt en zich inbeeldt iedereen welgevallig te zijn1 terwijl hij in werkelijkheid iedereen tot last is4 ,stelling ,,xxxi4 ,indien wij ons voorstellen dat iemand liefheeft of begeert1 of haat wat wijzelf liefhebben1 begeeren of haten1 zullen wij drdoor reeds deze zaak des te standvastiger liefhebben enz4 ,indien wij ons echter voorstellen dat hij afkeerig is van wat wij liefhebben1 of omgekeerd liefheeft wat wij haten zal ons gemoed in tweestrijd geraken4 ,bewijs4 ,alleen reeds door het feit dat wij ons voorstellen dat iemand iets liefheeft1 zullen wijzelf 7vlg4 ,st4 ,,xxvii v4d4 ,d47 deze zaak ook liefhebben4 ,wij onderstellen evenwel dat wij die zaak reeds zonder dat liefhebben4 ,bij deze ,liefde komt dus een nieuwe reden1 waardoor zij wordt aangewakkerd en derhalve zullen wij wat wij reeds liefhebben1 om deze reden des te standvastiger liefhebben4 ,voorts wenden wij ons 7vlg4 dezelfde ,st47 af van datgene waarvan wij ons voorstellen1 dat iemand anders afkeerig is4 ,veronderstellen wij echter dat wij deze zelfde zaak terzelfder tijd liefhebben1 dan zullen wij haar dus terzelfder tijd liefhebben en er een afkeer van hebben1 ofwel 7zie ,opmerking ,st4 ,,xvii v4d4 ,d47 ons gemoed zal in tweestrijd geraken4 ,h4t4b4w4 ,gevolg3 ,hieruit1 alsmede uit ,stelling ,,xxviii van dit ,deel1 volgt dat ieder zooveel mogelijk er naar streeft dat ieder ander zal liefhebben wat hijzelf liefheeft en zal haten wat hijzelf haat4 ,vandaar het woord des dichters3 ,allen gevoelen we eenzelfde hoop en vrees zoo wij minnen2 ,hij heeft een hart van staal1 die mint wat een ander haat4 7,ovidius1 ,amor4 ,,ii4 #ai7 ,opmerking3 ,dit streven om te bewerken dat ieder instemme1 wanneer men zelf lief heeft of haat1 is welbeschouwd eerzucht 7zie ,opmerking ,st4 ,,xxix v4d4 ,d47 ,wij zien dus dat ieder van nature er naar streeft1 dat anderen naar zijn zin leven1 met het gevolg dat1 waar allen dit gelijkelijk beoogen1 zij elkaar gelijkelijk tot last zijn en waar allen door iedereen geprezen en bemind willen worden1 allen elkaar haten4 ,stelling ,,xxxii4 ,indien wij ons voorstellen dat iemand zich verheugt over een zaak1 welke slechts n mensch bezitten kan1 zullen wij trachten te bewerken dat hij deze zaak niet in zijn bezit krijgt4 ,bewijs4 ,om het feit alleen dat wij ons voorstellen dat iemand zich over iets verheugt1 zullen wij 7vlg4 ,st4 ,,xxvii en ,gevolg ,i v4d4 ,d47 die zaak liefhebben en begeeren en ons er over verheugen4 ,maar wij stellen ons 7vlg4 het onderstelde7 juist voor dat het feit1 dat deze persoon zich in het bezit dier zaak zou verheugen1 deze ,blijheid in den weg staat4 ,derhalve zullen wij 7vlg4 ,st4 ,,xxviii v4d4 ,d47 er naar streven dat hij haar niet bemachtigt4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,wij zien dus hoe het met den menschelijken aard meestal zoo gesteld is1 dat men medelijden heeft met hen wien het slecht gaat en benijdt wien het goed gaat1 en wel dit laatste 7vlg4 voorgaande ,st47 met een des te grooteren haat1 naarmate men de zaak1 welke men zich in het bezit van een ander voorstelt1 meer liefheeft4 ,wij zien voorts hoe uit dezelfde eigenschap van den menschelijken aard1 waaruit volgt dat de menschen medelijdend zijn1 ook volgt dat zij afgunstig en eerzuchtig zijn4 ,en indien wij tenslotte de ervaring zelve willen raadplegen1 zullen wij bevinden dat ook zij dit alles leert2 in het bijzonder wanneer wij letten op de eerste jaren van ons leven4 ,wij zien toch immers dat kinderen1 omdat hun lichaam als het ware in voortdurend wankelbaar evenwicht is1 plegen te lachen of te schreien alln reeds1 doordat zij anderen zien lachen of schreien2 dat zij bovendien alles wat zij anderen zien doen1 dadelijk begeeren na te bootsen2 dat zij tenslotte alles voor zichzelf begeeren waarover anderen zich naar hun voorstelling verheugen4 ,geen wonder1 daar toch de beelden der dingen1 zooals wij reeds zeiden1 inwerkingen zijn op het menschelijk ,lichaam zelf1 ofwel wijzen waarop het menschelijk ,lichaam inwerking ondergaat van uitwendige voorwerpen en genoodzaakt wordt zus of zoo te handelen4 ,stelling ,,xxxiii4 ,wanneer wij een ons gelijkend wezen liefhebben1 trachten wij zooveel mogelijk te bewerken dat het ons wederkeerig liefheeft4 ,bewijs4 ,een ding dat wij liefhebben1 trachten wij ons 7vlg4 ,st4 ,,xii v4d4 ,d47 zooveel mogelijk boven andere dingen voor te stellen4 ,als dus dit ding een ons gelijkend wezen is1 zullen wij 7vlg4 ,st4 ,,xxix v4d4 ,d47 het boven alle andere trachten te verblijden1 ofwel wij zullen zooveel mogelijk trachten te bewerken1 dat dit geliefde wezen bewogen worde door een ,blijheid1 vergezeld door de gedachte aan onszelf2 d4w4z4 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xiii v4d4 ,d47 dat het ons wederkeerig liefheeft4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xxxiv4 ,hoe grooter wij ons de genegenheid voorstellen welke een geliefd wezen voor ons gevoelt1 hoe meer wij ons daarop zullen verheffen4 ,bewijs4 ,wij trachten 7vlg4 voorgaande ,st47 zooveel mogelijk te bewerken dat een geliefde wezen ons wedermint1 d4w4z4 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xiii v4d4 ,d47 dat het geliefde wezen een ,blijheid ondervinde1 vergezeld door de gedachte aan ons zelf4 ,hoe grooter dus de ,blijheid is1 welke naar onze voorstelling het geliefde wezen door ons toedoen ondervindt1 hoe meer dit streven wordt bevorderd2 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,xi en ,opmerking v4d4 ,d47 hoe grooter ,blijheid ook wij gevoelen4 ,wanneer wij ons evenwel verblijden1 omdat wij een ander1 ons gelijkend wezen1 ,blijheid schonken1 dan zullen wij 7vlg4 ,st4 ,,xxx v4d4 ,d47 ook onszelf met ,blijheid beschouwen4 ,derhalve3 hoe grooter wij ons de genegenheid voorstellen1 welke een geliefd wezen voor ons gevoelt1 met hoe grooter ,blijheid wij onszelf zullen beschouwen1 ofwel 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xxx v4d4 ,d47 hoemeer wij ons daarop zullen verheffen4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xxxv4 ,wie zich voorstelt dat een geliefd wezen met een nauwen of nog nauweren band van vriendschap zich aan een ander bindt1 dan waarmede het aan ons-zelf verbonden was1 zal jegens dit geliefde wezen haat gevoelen en dien ander benijden4 ,bewijs4 ,hoe grooter iemand zich de liefde voorstelt1 welke een geliefd wezen voor hem gevoelt1 hoe meer hij 7vlg4 voorg4 ,st47 zich daarop zal verheffen2 d4w4z4 7vlg4 ,opm4 ,st4 ,,xxx v4d4 ,d47 hoe meer hij zich zal verblijden en dus 7vlg4 ,st4 ,,xxviii v4d4 ,d47 zooveel mogelijk zal trachten zich voor te stellen dat het geliefde wezen ten nauwste met hem verbonden is2 welk streven of welke begeerte 7vlg4 ,st4 ,,xxxi v4d4 ,d47 nog wordt aangewakkerd door de voorstelling1 dat ook een ander ditzelfde voor zich begeert4 ,er wordt hier echter verondersteld dat dit streven of deze begeerte belemmerd wordt door het beeld van het geliefde wezen zelf1 vergezeld door het beeld van dien ander1 aan wien het zich verbonden heeft4 ,derhalve zal hij 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xi v4d4 ,d47 dan ook een ,droefheid gevoelen1 vergezeld door de voorstelling van het geliefde wezen als oorzaak daarvan en tevens door het beeld van dien ander2 d4w4z4 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xiii v4d4 ,d47 hij zal haat gevoelen jegens het geliefde wezen en tegelijkertijd 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,xv v4d4 ,d47 jegens dien ander1 dien hij 7vlg4 ,st4 ,,xxiii v4d4 ,d47 drom1 wijl hij zich in het bezit van het geliefde wezen verblijdt1 zal benijden4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,deze ,haat1 jegens het geliefde wezen1 verbonden met ,nijd1 wordt ,i,jverzucht jaloerschheid geheeten1 welke dus niets anders is dan een tweestrijd des gemoeds1 uit gelijktijdige ,liefde en ,haat ontsprongen1 vergezeld door de gedachte aan een ander1 dien men benijdt4 ,bovendien zal deze haat jegens het geliefde wezen sterker zijn naarmate van de ,blijheid1 welke de jaloersche door de wederliefde van het geliefde wezen placht te ondervinden en eveneens naarmate van de gevoelens1 welke hij koesterde jegens hem1 aan wien zich naar zijn voorstelling het geliefde wezen verbonden heeft4 ,immers als hij hem haatte1 zal hij 7vlg4 ,st4 ,,xxiv v4d4 ,d47 ook hierdoor reeds het geliefde wezen haten1 aangezien hij zich dan moet voorstellen dat het ,blijheid schenkt aan wien hijzelf haat1 en ook 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,xv v4d4 ,d47 wijl hij gedwongen is het beeld van het geliefde wezen te verbinden met dat van hem1 dien hij haat4 ,welk geval zich het meest voordoet bij de ,liefde voor een vrouw4 ,want wie zich voorstelt1 dat de vrouw1 die hij liefheeft1 zich aan een ander overgeeft1 wordt niet alleen bedroefd door het feit dat zijn eigen lust belemmerd wordt1 maar heeft ook een afkeer van haar1 omdat hij gedwongen is het beeld van het geliefde wezen in verband te brengen met de schaamdeelen en zaadafscheidingen van een ander4 ,waarbij eindelijk nog komt1 dat de jaloersche door de geliefde niet langer met hetzelfde gelaat dat zij hem vroeger te vertoonen placht1 wordt ontvangen1 hetgeen voor den minnaar een nieuwe reden tot droefheid is1 gelijk ik straks zal aantoonen4 ,stelling ,,xxxvi4 ,wie zich iets herinnert1 waarin hij zich eens verlustigd heeft1 begeert het weder te bezitten onder dezelfde omstandigheden als toen hij zich voor het eerst er in verheugde4 ,bewijs4 ,al wat iemand gelijktijdig met een zaak1 welke hem verlustigde1 gezien heeft1 zal 7vlg4 ,st4 ,,xv v4d4 ,d47 door deze toevallige omstandigheid oorzaak van ,blijheid zijn4 ,derhalve zal hij 7vlg4 ,st4 ,,xxvii v4d4 ,d47 tegelijk met de zaak welke hem verheugde1 ook dit alles begeeren te bezitten1 ofwel hij zal deze zaak begeeren te bezitten onder al dezelfde omstandigheden als toen hij zich voor het eerst er in verheugde4 ,h4t4b4w4 ,gevolg3 ,wanneer dus n dier omstandigheden blijkt te ontbreken1 zal de minnaar zich bedroeven4 ,bewijs4 ,immers1 voorzoover hij tot de ontdekking komt dat n dier omstandigheden ontbreekt1 stelt hij zich iets voor dat het bestaan dier zaak uitsluit4 ,daar hij evenwel 7vlg4 voorgaande ,st47 die zaak of die omstandigheid uit ,liefde begeert1 zal hij derhalve 7vlg4 ,st4 ,,xix v4d4 ,d47 voorzoover hij zich voorstelt dat die laatste ontbreekt1 zich bedroeven4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,deze ,droefheid1 voorzoover zij de afwezigheid van wat wij liefhebben betreft1 wordt ,verlangen genoemd4 ,stelling ,,xxxvii4 ,de ,begeerte1 welke uit ,droefheid of ,blijheid1 ,haat of ,liefde ontspringt1 is des te grooter1 naarmate die aandoeningen heviger zijn4 ,bewijs4 ,droefheid vermindert 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xi v4d4 ,d47 of belemmert 's menschen vermogen tot handelen1 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,vii v4d4 ,d47 zijn streven om in zijn bestaan te volharden wordt er door verzwakt of belemmerd4 ,zij is derhalve 7vlg4 ,st4 ,v v4d4 ,d47 met dit streven in strijd en een bedroefd mensch doet wat hij maar kan om zijn droefheid van zich af te zetten4 ,maar hoe grooter die ,droefheid is1 met hoe grooter gedeelte van 's menschen vermogen tot handelen zij noodzakelijk 7vlg4 de ,definitie van ,droefheid7 in strijd moet zijn4 ,derhalve3 hoe grooter de ,droefheid is1 met hoe grooter kracht zal de mensch pogen haar van zich af te zetten1 d4w4z4 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,ix v4d4 ,d47 met hoe heviger begeerte of drang zal hij trachten haar van zich af te zetten4 ,waar voorts ,blijheid 7vlg4 zelfde ,opmerking ,st4 ,,xi v4d4 ,d47 's menschen vermogen tot handelen vermeerdert of bevordert1 kan gemakkelijk langs denzelfden weg bewezen worden1 dat de mensch1 die een aandoening van ,blijheid ondervindt1 niets liever wenscht dan deze te behouden1 en dat wel met des te sterker ,begeerte1 naarmate die ,blijheid grooter is4 ,en waar tenslotte ,haat en ,liefde zelf aandoeningen van ,droefheid en ,blijheid zijn1 volgt hieruit op dezelfde wijze dat het streven of de drang1 ofwel de ,begeerte1 welke uit ,haat of ,liefde ontspringt1 grooter zal zijn naar gelang van dien ,haat of van die ,liefde4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xxxviii4 ,wanneer iemand een geliefd wezen is gaan haten1 z dat zijn ,liefde geheel verdwenen is1 zal hij het1 bij overigens gelijke oorzaak1 een grooter ,haat toedragen1 dan wanneer hij het nooit had liefgehad en een des te grooteren1 naarmate zijn ,liefde vroeger grooter was4 ,bewijs4 ,immers1 wanneer iemand een wezen dat hij liefheeft1 gaat haten1 zullen er meer begeerten in hem onderdrukt worden dan wanneer hij het niet had lief gehad4 ,liefde toch is 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xiii v4d4 ,d47 een ,blijheid1 welke de mensch 7vlg4 ,st4 ,,xxviii v4d4 ,d47 zooveel mogelijk tracht te behouden en dat wel 7vlg4 dezelfde ,opmerking7 door het geliefde wezen als aanwezig te beschouwen en het 7vlg4 ,st4 ,,xxi v4d4 ,d47 zooveel mogelijk ,blijheid te bereiden2 welk streven 7vlg4 voorgaande ,st47 des te heviger is1 naarmate die ,liefde grooter is2 evenals het streven om te bewerken dat het geliefde wezen wederliefde bewijze 7zie ,st4 ,,xxxiii v4d4 ,d474 ,dit streven nu wordt 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,xiii en vlg4 ,st4 ,,xxiii v4d4 ,d47 door ,haat jegens het geliefde wezen belemmerd2 derhalve zal de minnaar 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xi v4d4 ,d47 ook om deze reden bedroefd worden1 en dat wel des te meer1 naarmate zijn ,liefde grooter was2 d4w4z4 behalve de ,droefheid welke oorzaak was van den ,haat1 ontspringt er nog een nieuwe uit het feit1 dat hij dit wezen heeft lief gehad en bijgevolg zal hij het geliefde wezen dan ook met nog grootere ,droefheid beschouwen1 d4w4z4 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xiii v4d4 ,d47 hij zal het een grooter ,haat toedragen dan wanneer hij het nooit had lief gehad en wel een des te grooteren1 naarmate zijn ,liefde grooter was4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xxxix4 ,wie iemand haat zal hem trachten kwaad te doen1 tenzij hij vreest dat daaruit voor hemzelf een grooter kwaad kan ontspruiten4 ,omgekeerd3 wie iemand lief heeft zal hem1 volgens dezelfde wet1 trachten wel te doen4 ,bewijs4 ,iemand haten is 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xiii v4d4 ,d47 iemand beschouwen als oorzaak van ,droefheid4 ,derhalve zal 7vlg4 ,st4 ,,xxviii v4d4 ,d47 hij die iemand haat1 trachten hem te verwijderen of te vernietigen4 ,maar indien hij vreest dat hieruit voor hemzelf iets droevigere1 of 7wat hetzelfde is7 een grooter euvel1 kan voortkomen 7dat hij gelooft te kunnen vermijden door hem1 dien hij haat1 het kwaad dat hij van zins was1 net toe te brengen7 zal hij 7vlg4 dezelfde ,st4 ,,xxviii7 wenschen zich van dit kwaad te onthouden1 en dat wel 7vlg4 ,st4 ,,xxxvii v4d4 ,d47 met een sterker aandrang dan welke hem tot kwaad doen dreef1 zoodat de eerste overhand zal hebben1 gelijk wij wilden aantoonen4 ,het bewijs van het tweede gedeelte wordt op dezelfde wijze geleverd4 ,derhalve3 wie iemand haat enz4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,onder goed versta ik hier iedere soort van ,blijheid en voorts al wat daartoe leidt1 in het bijzonder al wat een verlangen1 welk dan ook1 bevredigt4 ,onder kwaad versta ik daarentegen elke soort van ,droefheid en in het bijzonder al wat een verlangen verijdelt4 ,hierboven immers 7in de ,opmerking bij ,st4 ,,ix v4d4 ,d47 hebben wij aangetoond dat wij niets begeeren1 wijl wij oordeelen dat het goed is1 maar dat wij integendeel datgene goed noemen wat wij begeeren en bijgevolg alles waarvan wij afkeerig zijn1 kwaad heeten2 zoodat een ieder naar gelang van zijn eigen aandoeningen oordeelt of schat wat goed1 wat kwaad1 wat beter1 wat slechter1 en tenslotte wat het best of het slechtst is4 ,zoo houdt de vrek een overvloed van geld voor het beste1 gebrek er aan daarentegen voor het slechtste4 ,de eergierige wederom begeert niets zoozeer als roem en siddert voor niets zoozeer als voor schande4 ,den nijdigaard is niets aangenamer dan eens anders ongeluk en niets onaangenamer dan een vreemd geluk4 ,en zoo noemt een ieder op grond van eigen aandoening1 de dingen goed of kwaad1 nuttig of onnut4 ,overigens wordt die aandoening1 welke in den mensch bewerkt dat hij niet wil wat hij wil1 of wil wat hij niet wil1 ,angst genoemd2 welke dus niets anders is dan ,vrees1 voorzoover de mensch daardoor gedreven wordt een kwaad dat hij ziet aankomen1 door een geringer kwaad te vermijden4 7,zie ,st4 ,,xxviii v4d4 ,d474 ,indien nu het kwaad dat men vreest beschaming is1 wordt deze angst ,schroom genoemd4 ,tenslotte3 indien de ,begeerte om een toekomstig kwaad te vermijden belemmerd wordt door de ,angst voor een ander kwaad1 zoodat men niet weet wat men liever wil1 dan wordt die vrees ,verbijstering genoemd1 vooral wanneer beide euvelen1 welke men vreest1 zeer groot zijn4 ,stelling ,,xl4 ,wie zich voorstelt dat hij door een ander gehaat wordt1 terwijl hij meent dat hij hem geenerlei reden tot ,haat gegeven heeft1 zal dien ander wederkeerig haten4 ,bewijs4 ,wie zich voorstelt dat een ander ,haat koestert1 zal 7vlg4 ,st4 ,,xxvii v4d4 ,d47 reeds door dit feit alleen zelf ,haat gevoelen1 d4w4z4 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xiii v4d4 ,d47 ,droefheid1 vergezeld door de voorstelling eener uitwendige oorzaak4 ,maar hij stelt zich 7vlg4 het onderstelde7 geen andere oorzaak dier ,droefheid voor als dengene1 die hem haat4 ,derhalve zal hij1 doordat hij zich voorstelt door een ander gehaat te worden1 een ,droefheid gevoelen1 vergezeld door de voorstelling van dengeen die hem haat1 ofwel 7vlg4 dezelfde ,opmerking7 hij zal dien ander haten4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,stelt hij zich daarentegen voor dat hij een billijke reden tot ,haat gegeven heeft1 dan zal hij 7vlg4 ,st4 ,,xxx en ,opmerking v4d4 ,d47 zich schamen4 ,doch dit komt zelden voor 7vlg4 ,st4 ,,xxv v4d4 ,d474 ,bovendien kan deze wederkeerige ,haat ook ontstaan door het feit dat 7vlg4 ,st4 ,,xxxix v4d4 ,d47 ,haat gevolgd wordt door de ,begeerte om het gehate wezen kwaad te doen4 ,wie zich dus voorstelt dat hij door een ander gehaat wordt1 zal zich dien ander voorstellen als oorzaak van een of ander kwaad1 of wel van ,droefheid1 en derhalve ook zelf ,droefheid gevoelen1 ofwel ,vrees1 vergezeld door de voorstelling van dengene1 die hem haat1 als oorzaak d4w4z43 hij zal hem wederkeerig1 gelijk in bovenstaand geval1 haten4 ,gevolg ,i3 ,wie zich voorstelt dat iemand1 dien hij liefheeft1 hem haat1 zal door ,haat en ,liefde gelijktijdig aangegrepen worden4 ,want voorzoover hij zich voorstelt dat die ander hem haat1 zal hij 7vlg4 voorgaande ,st47 gedreven worden hem wederkeerig te haten4 ,maar niettemin heeft hij hem lief 7vlg4 het onderstelde74 ,derhalve zal hij door ,haat en ,liefde gelijktijdig worden aangegrepen4 ,gevolg ,,ii3 ,indien iemand zich voorstelt1 dat hem door een ander1 voor wien hij voordien niets bepaalds gevoelde1 uit ,haat eenig kwaad is toegevoegd1 zal hij dadelijk trachten hem hetzelfde kwaad terug te doen4 ,bewijs4 ,wie zich voorstelt dat een ander ,haat jegens hem koestert1 zal 7vlg4 voorgaande ,st47 dien ander wederkeerig haten1 alles trachten te verzinnen wat hem zou kunnen bedroeven 7vlg4 ,st4 ,,xxvi v4d4 ,d47 en 7vlg4 ,st4 ,,xxxix v4d4 ,d47 zijn best doen hem dit alles toe te voegen4 ,maar het eerste van dien aard dat hij zich kan voorstellen is 7vlg4 het onderstelde7 het kwaad dat hemzelf is aangedaan en derhalve zal hij dadelijk trachten hetzelfde terug te doen4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,het streven om hem1 dien wij haten1 kwaad te doen1 wordt ,toorn genoemd2 het streven echter om kwaad dat ons is aangedaan terug te doen1 heet ,wraakzucht4 ,stelling ,,xli4 ,wanneer iemand zich voorstelt dat een ander hem liefheeft1 terwijl hij meent daartoe geenerlei aanleiding te hebben gegeven 7hetgeen vlg4 ,gevolg ,st4 ,,xv en vlg4 ,st4 ,,xvi v4d4 ,d4 kan voorkomen7 zal hij dien ander wederkeerig liefhebben4 ,bewijs4 ,deze stelling wordt langs denzelfden weg bewezen als de vorige4 ,men zie ook de ,opmerking daarbij4 ,opmerking3 ,gelooft men echter wl een gegronde aanleiding tot ,liefde gegeven te hebben1 zoo zal men 7vlg4 ,st4 ,,xxx en ,opm4 v4d4 ,d47 zich daarop verheffen1 hetgeen 7vlg4 ,st4 ,,xxv v4d4 ,d47 dan ook herhaaldelijk voorkomt1 terwijl het tegenovergestelde1 gelijk wij reeds zeiden1 plaats grijpt wanneer iemand zich voorstelt dat hij door een ander wordt gehaat 7zie ,opmerking voorgaande ,st474 ,deze wederkeerige ,liefde nu1 en bijgevolg 7vlg4 ,st4 ,,xxxix v4d4 ,d47 het streven om dengene die ons liefheeft en 7vlg4 zelfde ,st4 ,,xxxix7 ons tracht wel te doen1 op onze beurt weldaden te bewijzen1 wordt ,dank of ,dankbaarheid genoemd4 ,en zoo blijkt het dat de menschen veeleer bereid zijn om wraak te nemen1 dan om een weldaad te vergelden4 ,gevolg3 ,wie zich voorstelt dat hij bemind wordt door iemand dien hij haat1 zal door ,haat en ,liefde gelijktijdig bewogen worden4 ,hetgeen langs denzelfden weg als ,gevolg ,i der voorgaande ,stelling wordt bewezen4 ,opmerking3 ,indien de ,haat overweegt1 zal men dengene door wien men bemind wordt1 trachten kwaad te doen1 welke aandoening dan ,wreedheid,a#ef genoemd wordt1 vooral wanneer het blijkt dat hij1 die liefheeft1 geenerlei geldige aanleiding tot ,haat gegeven heeft4 ,stelling ,,xlii4 ,wie een ander1 hetzij uit ,liefde1 hetzij door hoop op ,zelfverheerlijking bewogen1 een weldaad heeft bewezen1 zal zich bedroeven wanneer hij ziet dat deze weldaad met ondankbaar gemoed wordt aanvaard4 ,bewijs4 ,wie een hem gelijkend wezen liefheeft1 tracht 7vlg4 ,st4 ,,xxxiii v4d4 ,d47 zooveel mogelijk te bewerken dat hij wederkeerig er door bemind wordt4 ,wie dus uit ,liefde een ander een weldaad bewijst1 doet dit uit zucht om wederbemind te worden2 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,xxxiv v4d4 ,d47 uit hoop op ,zelfverheerlijking ofwel 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xxx v4d4 ,d47 ,blijheid1 en hij zal zich derhalve 7vlg4 ,st4 ,,xii v4d4 ,d47 deze aanleiding tot ,zelfverheerlijking zooveel mogelijk trachten voor te stellen ofwel als werkelijk bestaande te beschouwen4 ,hij stelt zich echter 7vlg4 het onderstelde7 iets anders voor1 dat het bestaan van die aanleiding tot ,blijheid juist uitsluit4 ,derhalve zal hij 7vlg4 ,st4 ,,xix v4d4 ,d47 zich daarover bedroeven4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xliii4 ,haat wordt door wederkeerigen ,haat versterkt1 kan daarentegen door ,liefde worden vernietigd4 ,bewijs4 ,wanneer iemand zich voorstelt dat hij dien hij haat1 wederkeerig haat jegens hemzelf koestert1 ontspringt hieruit 7vlg4 ,st4 ,,xl v4d4 ,d47 een nieuwe ,haat1 terwijl 7vlg4 het onderstelde7 de oude blijft bestaan4 ,stelt hij zich daarentegen voor dat die ander ,liefde voor hem gevoelt1 zoo zal hij 7vlg4 ,st4 ,,xxx v4d4 ,d47 in zooverre zichzelf met ,blijheid beschouwen en 7vlg4 ,st4 ,,xxix v4d4 ,d47 in zooverre dien ander trachten te behagen2 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,xli v4d4 ,d47 trachten hem net te haten en op geenerlei wijze te bedroeven1 welk streven 7vlg4 ,st4 ,,xxxvii v4d4 ,d47 krachtiger of zwakker zal zijn naar gelang van de aandoening1 waaruit het ontsprong4 ,derhalve3 wanneer deze aandoening krachtiger is dan die1 welke uit den ,haat voortkwam en krachtens welke hij 7vlg4 ,st4 ,,xxvi v4d4 ,d47 het wezen dat hij haat tracht te bedroeven1 zal zij overwegen en zal zij den ,haat uit het gemoed verdrijven4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xliv4 ,haat1 welke door ,liefde geheel wordt overwonnen1 gaat in ,liefde over en deze ,liefde zal grooter zijn dan wanneer geen ,haat haar ware vooraf gegaan4 ,bewijs4 ,het bewijs wordt op dezelfde wijze gevoerd als dat van ,stelling ,,xxxviii van dit ,deel4 ,immers wie een wezen1 dat hij haat of dat hij met ,droefheid placht te beschouwen1 lief krijgt1 verblijdt zich reeds door het feit zelf dat hij liefheeft1 en bij deze ,blijheid1 welke in die ,liefde ligt opgesloten 7zie de ,definitie in ,opmerking ,st4 ,,xiii v4d4 ,d47 voegt zich nog die andere1 welke geboren wordt uit het feit dat het streven om de ,droefheid1 welke in den ,haat ligt opgesloten 7gelijk wij in ,st4 ,,xxxvii v4d4 ,d4 hebben aangetoond7 te verwijderen1 daardoor op zijn beurt gesteund wordt2 waarbij hij zich tevens dengene dien hij haat als oorzaak dier ,blijheid voorstelt4 ,opmerking3 ,ofschoon dit werkelijk aldus is1 zal toch niemand trachten eenig wezen te haten of te bedroeven alleen om later deze grootere ,blijheid te genieten4 ,d4w4z4 niemand zal uit hoop op schadevergoeding wenschen zich schade te zien toegebracht1 noch verlangen ziek te worden uit hoop te genezen4 ,immers een ieder zal steeds er naar streven zijn bestaan te handhaven en ,droefheid zooveel mogelijk uit den weg te ruimen4 ,indien het daarentegen denkbaar ware dat een mensch kon begeeren een ander te haten om hem later des te meer te kunnen liefhebben1 dan zou hij steeds moeten blijven verlangen hem te haten4 ,want hoe grooter die ,haat was1 hoe grooter de er op volgende ,liefde zou zijn en dus zou hij steeds moeten verlangen dat zijn ,haat grooter en grooter werd4 ,om dezelfde reden zou de mensch er dan naar moeten streven steeds zieker te worden om later des te grooter ,blijheid wegens het herstel zijner gezondheid te genieten2 hij zou dus bij voortduring moeten trachten ziek te zijn1 hetgeen 7vlg4 ,st4 ,,vi v4d4 ,d47 ongerijmd is4 ,stelling ,,xlv4 ,indien iemand zich voorstelt dat een ander1 hem gelijkend wezen1 een eveneens hem gelijkend wezen1 haat1 terwijl hijzelf het lief heeft1 zal hij dien ander haten4 ,bewijs4 ,immers het geliefde wezen zal 7vlg4 ,st4 ,,xl v4d4 ,d47 dengene dien het haat1 wederkeerig haten en derhalve zal de minnende1 die zich voorstelt dat een ander het geliefde wezen haat1 door dit feit zelf zich tevens voorstellen dat het geliefde wezen ,haat gevoelt1 d4w4z4 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xiii v4d4 ,d47 ,droefheid4 ,bijgevolg zal hij zich 7vlg4 ,st4 ,,xxi v4d4 ,d47 bedroeven en zich daarbij dengene die het geliefde wezen haat1 als oorzaak dier ,droefheid voorstellen1 d4w4z4 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xiii v4d4 ,d47 hij zal hem haten4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xlvi4 ,indien iemand door een ander1 behoorende tot een van de zijne verschillende klasse of natie1 verblijd of bedroefd werd1 terwijl hij zich dien ander in hoedanigheid van lid dier klasse of natie als oorzaak zijner aandoening voorstelde1 zoo zal hij niet slechts hem1 maar alle leden dier klasse of natie liefhebben of haten4 ,bewijs4 ,het bewijs hiervan blijkt uit ,stelling ,,xvi van dit ,deel4 ,stelling ,,xlvii4 ,de ,blijheid welke voortspruit uit de voorstelling1 dat iets dat wij haten vernietigd of door eenig kwaad getroffen wordt1 is niet zonder eenige ,droefheid4 ,bewijs4 ,dit blijkt uit ,stelling ,,xxvii van dit ,deel4 ,immers voorzoover wij ons voorstellen dat een wezen1 hetwelk ons gelijkt1 wordt bedroefd1 in zoover worden ook wij bedroefd4 ,opmerking3 ,deze stelling kan ook worden bewezen uit het ,gevolg van ,stelling ,,xvii ,deel ,,ii4 ,zoo dikwijls wij ons namelijk een zaak herinneren1 ook al bestaat zij niet in werkelijkheid1 beschouwen wij haar toch als aanwezig en ondergaat ons ,lichaam daarbij dezelfde inwerking als vroeger2 zoodat1 voorzoover de herinnering aan deze zaak van kracht is1 de mensch genoopt wordt haar met ,droefheid te beschouwen2 welke neiging weliswaar1 zoolang het beeld dier zaak ons bijblijft1 door de herinnering aan dingen welke haar bestaan uitsluiten wordt getemperd1 doch niet opgeheven4 ,daarom verblijdt men zich slechts in zoover als deze neiging wordt getemperd en vandaar ook dat de ,blijheid1 welke uit het ongeluk van een wezen dat wij haten voortspruit1 zich herhaalt zoo dikwijls wij ons die zaak herinneren4 ,immers1 zooals wij reeds zeiden1 telkens wanneer het beeld dier zaak wordt opgewekt1 wordt men1 aangezien dit beeld het bestaan dier zaak in zich sluit1 genoopt die zaak met dezelfde ,droefheid te beschouwen1 waarmede men haar placht te beschouwen toen zij zelf bestond4 ,omdat men evenwel aan het beeld dier zaak andere voorstellingen heeft verbonden welke haar bestaan uitsluiten1 wordt deze neiging tot ,droefheid onmiddellijk getemperd en verblijdt men zich opnieuw en dit zoo dikwijls als deze herhaling plaats grijpt4 ,dit nu is eveneens de reden waarom men zich verblijdt zoo dikwijls men zich een kwaad uit het verleden herinnert en waarom men er genoegen in schept gevaren1 waaraan men ontkomen is1 te verhalen4 ,want als men zich een of ander gevaar voorstelt1 beschouwt men het als toekomstig en wordt men genoopt het te vreezen1 welke neiging echter getemperd wordt door de voorstelling der verlossing1 welke men aan de voorstelling van het gevaar verbond1 toen men ervan bevrijd werd en weder veilig was1 zoodat men zich opnieuw verheugt4 ,stelling ,,xlviii4 ,liefde of ,haat1 jegens ,petrus bijvoorbeeld1 gaan te niet als de ,droefheid welke1 deze en de ,blijheid welke gene in zich sluiten1 worden verbonden met de voorstelling van een andere oorzaak en beide verminderen juist in zooverre als wij ons voorstellen dat ,petrus niet alln hun oorzaak was4 ,bewijs4 ,dit blijkt alleen reeds uit de ,definities van ,liefde en ,haat1 welke men vindt in de ,opmerking bij ,stelling ,,xiii van dit ,deel4 ,immers alleen daarom worden die ,blijheid ,liefde en die ,droefheid ,haat jegens ,petrus genoemd1 wijl ,petrus wordt beschouwd als oorzaak van deze of van gene aandoening4 ,wanneer dit dus in het geheel niet meer of slechts ten deele geschiedt1 zullen ook die gevoelens jegens ,petrus geheel of ten deele verdwijnen4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xlix4 ,de ,liefde of de ,haat jegens een wezen dat wij ons als vrij voorstellen moeten beide1 bij overigens gelijke aanleiding1 sterker zijn dan jegens een afhankelijk4 ,bewijs4 ,iets dat wij ons als vrij voorstellen moet 7vlg4 ,definitie ,,vii ,d4 ,i7 op zichzelf en afgescheiden van andere dingen beschouwd worden4 ,indien wij het ons dus voorstellen als oorzaak van ,blijheid of ,droefheid1 zullen wij het 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xiii v4d4 ,d47 daardoor alleen reeds liefhebben of haten en dat wel 7vlg4 voorgaande ,st47 met den hoogsten graad van ,liefde of ,haat welke uit de gegeven aandoening kan voortspruiten4 ,indien wij ons evenwel de zaak welke oorzaak van een dier aandoeningen is1 als afhankelijk voorstellen1 zullen wij ons 7vlg4 dezelfde ,definitie ,,vii ,d4 ,i7 haar niet alln1 maar in verband met andere dingen als oorzaak dier aandoening denken1 zoodat 7vlg4 voorgaande ,st47 de ,liefde en de ,haat jegens haar geringer zullen zijn4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,hieruit volgt dat de menschen1 omdat zij zich voor vrij houden1 grooter ,liefde of ,haat gevoelen jegens elkaar dan jegens andere dingen4 ,daarbij komt nog het nabootsen der aandoeningen 7zie ,st4 ,,xxvii1 ,,xxxiv1 ,,xl en ,,xliii v4d4 ,d474 ,stelling ,l4 ,ieder ding1 wat ook1 kan bij gelegenheid oorzaak van ,hoop of ,vrees zijn4 ,bewijs4 ,deze stelling wordt langs denzelfden weg bewezen als ,stelling ,,xv van dit ,deel4 ,men zie tegelijk met deze de ,opmerking bij ,stelling ,,xviii van dit ,deel4 ,opmerking3 ,dingen welke door toevallige omstandigheden oorzaak van ,hoop of ,vrees zijn1 noemt men goede of kwade voorteekenen4 ,voorzoover nu deze voorteekenen oorzaak zijn van ,hoop of ,vrees1 zijn zij 7vlg4 ,definitie v4 ,hoop en ,vrees1 zie ,opmerking ,,ii ,st4 ,,xviii v4d4 ,d47 oorzaak van ,blijheid of ,droefheid en zullen wij ze bijgevolg 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,xv v4d4 ,d47 in zooverre ook liefhebben of haten en 7vlg4 ,st4 ,,xxviii v4d4 ,d47 trachten ze1 hetzij als middelen ter bereiking van wat wij hopen aan te wenden1 hetzij ze als beletselen daartoe of als oorzaken van ,vrees1 uit den weg te ruimen4 ,bovendien volgt uit ,stelling ,,xxv van dit ,deel dat het van nature z met ons gesteld is dat wij datgene wat wij hopen gemakkelijk1 wat wij vreezen daarentegen liever niet gelooven en aan het eerste meer1 aan het tweede minder beteekenis hechten dan gerechtvaardigd is4 ,hieruit is al het bijgeloof ontsproten1 waardoor de menschen allerwegen worden verontrust4 ,overigens acht ik het niet der moeite waard hier alle schakeeringen van weifelmoedigheid te beschrijven welke uit ,hoop of ,vrees ontspringen2 aangezien uit de ,definitie dier aandoeningen alleen reeds volgt dat er geen ,hoop bestaat zonder ,vrees1 noch ,vrees zonder ,hoop 7gelijk wij te zijnerplaatse nog breedvoeriger zullen uiteenzetten71 en aangezien wij bovendien een zaak1 voorzoover wij haar hopen of vreezen1 ook liefhebben of haten4 ,daarom zal een ieder gemakkelijk al wat wij over ,liefde en ,haat gezegd hebben op ,hoop en ,vrees kunnen toepassen4 ,stelling ,,li4 ,verschillende menschen kunnen van n en hetzelfde voorwerp op verschillende wijze inwerking ondergaan en n en dezelfde mensch kan van n en hetzelfde voorwerp op verschillende tijdstippen verschillenden invloed ondervinden4 ,bewijs4 ,het menschelijk ,lichaam ondergaat 7vlg4 ,postulaat ,,iii ,d4 ,,ii7 op tal van wijzen inwerking van uitwendige voorwerpen4 ,op hetzelfde tijdstip kunnen dus twee menschen op verschillende wijze inwerking ondergaan en kunnen zij dus ook 7vlg4 ,axioma ,i achter ,hulpstelling ,,iii1 zie achter ,st4 ,,xiii ,d4 ,,ii7 verschillende inwerking ondergaan van n en hetzelfde voorwerp4 ,voorts kan 7vlg4 hetzelfde ,postulaat7 het menschelijk ,lichaam nu eens op deze1 dan weer op gene wijze inwerking ondergaan en bijgevolg kan het 7vlg4 hetzelfde ,axioma7 van n en hetzelfde voorwerp op verschillende tijdstippen verschillende inwerking ondergaan4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,wij zien dus hoe het kan gebeuren dat de een lief heeft wat de ander haat1 de een vreest wat de ander niet vreest en hoe nzelfde mensch lief heeft wat hij vroeger haatte1 durft waarvoor hij vroeger bang was enz4 ,wijl voorts een ieder naar gelang van zijn eigen aandoeningen oordeelt wat goed of kwaad en wat beter of slechter is 7zie ,opmerking ,st4 ,,xxxix v4d4 ,d47 volgt hieruit dat de menschen zoowel in hun oordeel als in hun aandoeningen kunnen verschillen,v#ad en vandaar dat menschen wanneer we ze met elkaar vergelijken1 alleen naar het verschil hunner aandoeningen door ons worden onderscheiden en dat wij den een onverschrokken1 den ander vreesachtig1 een derde weer anders noemen4 ,zoo zal ik bijvoorbeeld iemand die een kwaad dat ik pleeg te vreezen geringschat1 onverschrokken noemen1 en wanneer ik bovendien zie dat zijn begeerte om dingen welke hij haat kwaad te doen en dingen1 welke hij lief heeft wl te doen1 niet wordt getemperd door vrees voor een kwaad waardoor k mij pleeg te laten weerhouden1 zal ik dien man vermetel noemen4 ,voorts zal1 wie een kwaad vreest1 dat ikzelf pleeg te minachten1 mij vreesachtig schijnen1 en als ik bovendien zie1 dat zijn begeerte wordt bedwongen door de vrees voor een kwaad dat mijzelf niet kan weerhouden1 zal ik zeggen dat hij lafhartig is2 en op dergelijke wijze zal iedereen oordeelen4 ,bij 's menschen dusdanigen aard en onstandvastigheid van oordeel1 en gegeven het feit dat de mensch dikwijls uitsluitend op grond van zijn aandoeningen over de dingen oordeelt en dat de dingen welke1 naar hij gelooft1 tot zijn ,blijheid of ,droefheid bijdragen en welke hij daarom 7vlg4 ,st4 ,,xxviii v4d4 ,d47 tracht te bevorderen of te verwijderen1 dikwijls alleen maar denkbeeldig zijn 7om nog te zwijgen van het overige wat wij in ,deel ,,ii omtrent de onzekerheid der dingen gezegd hebben7 kunnen wij gemakkelijk inzien dat de mensch dikwijls zelf mede-oorzaak is dat hij zich bedroeft of verblijdt1 ofwel dat hij zoowel ,droefheid als ,blijheid kan gevoelen1 vergezeld door de gedachte aan zichzelf als oorzaak daarvan4 ,en zoo kunnen wij ook gemakkelijk begrijpen wat ,berouw en wat ,tevredenheid met zichzelf 7,zelfvoldaanheid7 is4 ,berouw namelijk is ,droefheid1 ,zelfvoldaanheid is ,blijheid1 vergezeld door de gedachte aan zichzelf als oorzaak1 en deze aandoeningen zijn allerhevigst1 wijl de menschen wanen dat zij vrij zijn4 7,zie ,st4 ,,xlix v4d4 ,d47 ,voetnoot #ad3 ,n4,b4 ,dat dit mogelijk is1 niettegenstaande de menschelijke ,geest een deel is van het goddelijk ,verstand1 hebben wij aangetoond in de opmerking bij ,stelling ,,xiii ,deel ,,ii zie ook ,gevolg ,stelling ,,xi ,d4 ,,ii4 ,stelling ,,lii4 ,een voorwerp dat wij reeds vroeger gelijktijdig met andere gezien hebben of dat naar onze voorstelling uitsluitend eigenschappen bezit welke het gemeen heeft met vele andere voorwerpen1 zullen wij niet zoolang onze aandacht schenken als een waarvan wij ons voorstellen dat het iets bijzonders heeft4 ,bewijs4 ,zoodra wij ons dit voorwerp1 dat wij met andere tezamen gezien hebben1 voorstellen1 herinneren wij ons 7vlg4 ,st4 ,,xviii ,d4 ,,ii1 zie ook de ,opmerking daarbij7 ook de andere voorwerpen en zoo worden wij van de beschouwing van het eene onmiddellijk tot beschouwing van een ander gebracht4 ,hetzelfde is het geval bij een voorwerp1 dat naar onze voorstelling uitsluitend eigenschappen bezit welke aan vele andere gemeen zijn4 ,immers juist daardoor nemen wij aan dat wij er niets in beschouwen dat wij niet vroeger samen met andere dingen zagen4 ,wanneer wij evenwel aannemen dat wij ons voorstellen dat een of ander ding iets bijzonders heeft1 dat wij vroeger nooit hebben gezien1 dan zeggen wij niets anders dan dat de ,geest1 terwijl hij dit voorwerp beschouwt1 niets anders bevat tot welks beschouwing hij door de beschouwing van dit voorwerp gebracht kon worden1 zoodat hij wel genoodzaakt is uitsluitend dit voorwerp zelf te beschouwen4 ,derhalve3 ,een voorwerp dat enz4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,deze aandoening van den ,geest1 dat wil zeggen deze voorstelling van een bijzonder ding1 voorzoover het den ,geest uitsluitend in beslag neemt1 noemt men ,verbazing,a#eg welke1 als zij wordt te weeg gebracht door een voorwerp dat wij vreezen1 ,ontzetting wordt geheeten1 aangezien de verbazing over eenig kwaad den mensch zoozeer in de beschouwing ervan bevangen houdt1 dat hij niet bij machte is over iets anders te denken1 waardoor hij dit kwaad zou kunnen vermijden4 ,maar als datgene waarover wij ons verbazen eens anders verstand1 vlijt of iets van dien aard is1 omdat wij overwegen dat hij daarin verre boven ons uitsteekt1 zoo heet deze verbazing ,vereering ,bewondering2 daarentegen ,afschuw wanneer wij ons verbazen over iemands toorn1 nijd enz4 ,als wij ons verder verbazen over het verstand1 den vlijt enz4 van iemand dien wij lief hebben1 zal 7vlg4 ,st4 ,,xii v4d4 ,d47 daardoor die ,liefde te grooter zijn en deze ,liefde1 gepaard aan ,bewondering of ,vereering1 noemen wij ,toewijding4 ,en op deze wijze kunnen wij ons ook ,haat1 ,hoop1 ,gerustheid en andere aandoeningen voorstellen als verbonden met ,verbazing1 waardoor wij dan veel meer aandoeningen zullen kunnen afleiden dan gemeenlijk met de geijkte woorden worden aangeduid4 ,waaruit blijkt dat de namen der aandoeningen meer hun bestaan danken aan het algemeen spraak gebruik dan aan een nauwkeurige kennis dier aandoeningen zelf4 ,tegenover ,bewondering staat ,verachting1 welker oorzaak echter meestal is dat wij1 wanneer wij zien dat iemand een zekere zaak bewondert1 lief heeft1 vreest enz41 of dat wij1 wanneer 7vlg4 ,st4 ,,xv en ,gevolg en vlg4 ,st4 ,,xxvii v4d4 ,d47 iets op het eerste gezicht schijnt te lijken op dingen welke wij bewonderen1 liefhebben1 vreezen enz41 zelf gedreven worden die zaak eveneens te bewonderen1 lief te hebben1 te vreezen enz4 ,maar wanneer wij1 tengevolge van de aanwezigheid dier zaak of van een nauwlettender beschouwing1 gedwongen zijn haar alles te ontzeggen wat oorzaak van ,bewondering1 ,liefde1 ,vrees enz4 zou kunnen zijn1 blijft de ,geest1 juist door de aanwezigheid dier zaak1 meer geneigd om te denken aan datgene wat dit voorwerp net1 dan aan datgene wat het wl eigen is1 terwijl hij toch anders bij aanwezigheid van een voorwerp voornamelijk pleegt te denken aan wat er wl toe behoort4 ,evenals nu voorts ,toewijding uit ,bewondering voor een zaak die wij liefhebben voortspruit1 ontstaat ,bespotting uit ,verachting van een zaak1 welke wij haten of vreezen en ,ergernis uit ,verachting van dwaasheid1 evenals ,vereering uit ,bewondering voor verstand4 ,tenslotte kunnen wij ons ,liefde1 ,hoop1 ,zelfverheerlijking en andere aandoeningen verbonden denken met ,verachting en op deze wijze nog weer andere aandoeningen afleiden1 welke wij nochtans niet door afzonderlijke woorden van elkaar plegen te onderscheiden4 ,stelling ,,liii4 ,wanneer de ,geest zichzelf en zijn macht tot handelen beschouwt1 verblijdt hij zich en dat des te meer1 naarmate hij zich die macht tot handelen duidelijker voorstelt4 ,bewijs4 ,de mensch kent zichzelf niet1 dan alleen 7vlg4 ,st4 ,,xix en ,,xxiii ,d4 ,,ii7 door de inwerkingen op zijn ,lichaam en de voorstellingen daarvan4 ,wanneer het geval dus wil dat de ,geest zichzelf en zijn macht tot handelen kan beschouwen1 wordt hiermede tevens ondersteld dat hij tot grootere volmaaktheid overgaat1 d4w4z4 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xi v4d4 ,d47 dat hij verblijd wordt en wel des te meer naarmate hij zich zichzelf en zijn macht tot handelen duidelijker kan voorstellen4 ,h4t4b4w4 ,gevolg3 ,deze ,blijheid wordt steeds meer aangewakkerd1 hoe meer men zich voorstelt door anderen geprezen te worden4 ,immers hoe meer men zich voorstelt door anderen geprezen te worden1 hoe grooter ,blijheid men zich voorstelt zelf dien anderen te bereiden en dat wel 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xxix v4d4 ,d47 vergezeld door de gedachte aan zichzelf4 ,derhalve zal men 7vlg4 ,st4 ,,xxvii v4d4 ,d47 ook zelf grooter ,blijheid1 vergezeld door de gedachte aan zichzelf1 gevoelen4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,liv4 ,de ,geest tracht zich slechts zulke dingen voor te stellen1 die zijn macht tot handelen onderstellen4 ,bewijs4 ,het streven of vermogen van den ,geest is 7vlg4 ,st4 ,,vii v4d4 ,d47 het wezen van den ,geest zelf4 ,het wezen van den ,geest echter bevestigt 7gelijk vanzelf spreekt7 alleen datgene wat de ,geest is en vermag1 doch niet datgene wat hij niet is en niet vermag4 ,derhalve streeft hij er naar zich slechts datgene voor te stellen wat zijn macht tot handelen bevestigt of onderstelt4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,lv4 ,wanneer de ,geest zich zijn eigen machteloosheid voorstelt1 wordt hij daardoor bedroefd4 ,bewijs4 ,het wezen van den ,geest bevestigt slechts datgene wat de ,geest is en vermag1 ofwel het ligt in den aard van den ,geest 7vlg4 voorgaande ,st47 zich slechts zulke dingen voor te stellen1 welke zijn macht tot handelen onderstellen4 ,wanneer wij dus zeggen dat de ,geest1 terwijl hij zichzelf beschouwt1 zich zijn eigen machteloosheid voorstelt1 zeggen wij niets anders dan dat1 terwijl de ,geest poogt zich iets voor te stellen wat zijn macht tot handelen onderstelt1 juist diezelfde poging wordt belemmerd2 m4a4w4 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xi v4d4 ,d47 dat hij zich bedroeft4 ,h4t4b4w4 ,gevolg3 ,deze ,droefheid wordt steeds heviger1 indien men zich voorstelt dat men door anderen wordt gelaakt2 hetgeen langs denzelfden weg bewezen wordt als het ,gevolg van ,stelling ,,liii van dit ,deel4 ,opmerking3 ,deze ,droefheid1 vergezeld door de voorstelling onzer machteloosheid1 wordt ,neerslachtigheid geheeten2 de ,blijheid daarentegen1 welke uit de beschouwing van onszelf ontspruit heet ,eigenliefde of ,tevredenheid met zich zelf ,zelfvoldaanheid4 ,en aangezien deze laatste zich even dikwijls herhaalt als men zijn deugden of zijn vermogen tot handelen beschouwt1 is het gevolg hiervan dat elkeen brandt van begeerte om van zijn eigen daden te verhalen en zoowel zijn ,lichaamskracht als zijn geestelijk kunnen ten toon te spreiden1 en dat de menschen elkaar om deze reden dan ook tot last zijn4 ,waaruit wederom volgt dat de menschen elkaar van nature benijden 7zie ,opmerking ,st4 ,,xxiv en ,opmerking ,st4 ,,xxxii v4d4 ,d471 ofwel dat zij zich verheugen over de machteloosheid en daarentegen bedroeven over de flinkheid van huns gelijken4 ,immers zoo dikwijls zich iemand zijn eigen handelingen voorstelt1 zoo dikwijls zal hij zich 7vlg4 ,st4 ,,liii v4d4 ,d47 verblijden1 en dat wel te meer naarmate hij zich die handelingen duidelijker en als uitdrukking van hooger volmaaktheid voorstelt2 d4w4z4 7vlg4 wat in ,opmerking ,i ,st4 ,,xl ,d4 ,,ii betoogd werd7 hoe meer hij ze kan beschouwen als bijzondere daden1 van andere wl onderscheiden4 ,vandaar dat ieder zich bij de beschouwing van zichzelf dn het meest zal verblijden wanneer hij iets in zichzelf ziet wat hij aan anderen ontzegt4 ,doch wanneer hij datgene wat hij van zichzelf bevestigt1 tot de algemeene voorstelling mensch of dier kan terug brengen1 zal hij zich niet in zulk een mate verblijden2 en bedroeven zal hij zich daarentegen1 als hij zich voorstelt dat zijn daden bij die van anderen vergeleken1 onbelangrijker zijn2 welke ,droefheid hij dan 7vlg4 ,st4 ,,xxviii v4d4 ,d47 zal trachten van zich af te zetten1 en dat wel door de daden van zijnsgelijken verkeerd uit te leggen en zijn eigene zooveel mogelijk op te sieren4 ,het blijkt dus wel dat de menschen van nature tot ,haat en ,nijd overhellen1 waartoe hun opvoeding nog het hare bijdraagt4 ,de ouders immers plegen hun kinderen uitsluitend met den prikkel van eerzucht en naijver tot deugd aan te sporen4 ,doch misschien zal men hier tegenwerpen dat wij toch niet zelden de deugden van menschen bewonderen en henzelf vereeren4 ,om deze bedenking uit den weg te ruimen zal ik het onderstaande ,gevolg hier aan toe voegen4 ,gevolg3 ,niemand benijdt een ander om diens voortreffelijkheid1 dan alleen zijns gelijke4 ,bewijs4 ,nijd is ,haat 7zie ,opmerking ,st4 ,,xxiv v4d4 ,d471 of 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xiii v4d4 ,d47 ,droefheid1 d4w4z4 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xi v4d4 ,d47 een aandoening waardoor 's menschen vermogen of streven om te handelen wordt belemmerd4 ,maar de mensch streeft 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,ix v4d4 ,d47 noch begeert iets anders te doen dan wat uit zijn gegeven aard kan voortvloeien en daarom zal hij niet begeeren dat hem eenig vermogen tot handelen of 7wat hetzelfde is7 eenige deugd1 worde toegeschreven1 welke tot eens anders aard behoort1 doch hemzelf vreemd is4 ,derhalve kan ook zijn eigen begeerte niet belemmerd worden door1 d4w4z4 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xi v4d4 ,d47 kan hij zich niet bedroeven over het feit dat hij een of andere deugd bij een ander1 die niet zijns gelijke is1 waarneemt1 en bijgevolg zal hij dien ander ook niet kunnen benijden4 ,wel echter zijns gelijke1 van wien ondersteld wordt dat hij denzelfden aard heeft4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,wanneer wij dus hierboven in de ,opmerking bij ,stelling ,,lii van dit ,deel zeiden1 dat wij iemand vereeren omdat wij zijn verstand1 moed enz4 bewonderen1 dan komt dit 7gelijk uit de stelling zelf blijkt7 doordat wij ons deze deugden als hm in het bijzonder eigen en niet als aan onzen aard gemeen voorstellen2 zoodat wij ze hem evenmin benijden als een boom zijn hoogte1 een leeuw zijn kracht enz4 ,stelling ,,lvi4 ,er zijn evenveel schakeeringen van ,blijheid1 ,droefheid en ,begeerte1 en bijgevolg van alle aandoeningen1 welke uit deze zijn samengesteld1 zooals ,weifelmoedigheid1 of welke uit hen worden afgeleid1 zooals ,liefde1 ,haat1 ,hoop1 ,vrees enz4 als er soorten van voorwerpen bestaan welke op ons inwerken4 ,bewijs4 ,blijheid en ,droefheid1 en bijgevolg de aandoeningen welke daaruit zijn samengesteld of afgeleid1 zijn 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xi v4d4 ,d47 ,lijdingen2 wij lijden echter 7vlg4 ,st4 ,i v4d4 ,d47 noodzakelijk voorzoover wij inadaequate voorstellingen hebben2 en wel 7vlg4 ,st4 ,,iii v4d4 ,d47 uitsluitend voorzoover wij die hebben lijden wij2 d4w4z4 7zie ,opmerking ,i ,st4 ,,xl ,d4 ,,ii7 uitsluitend in zooverre lijden wij noodzakelijk1 als wij ons iets verbeelden voorstellen1 ofwel 7zie ,st4 ,,xvii en ,opmerking ,d4 ,,ii7 voorzoover wij een inwerking ondergaan welke den aard van ons eigen ,lichaam en dien van een uitwendig voorwerp in zich sluit4 ,de aard van iedere lijding moet dus noodzakelijk aldus worden verklaard dat ook de aard van het voorwerp dat op ons inwerkt1 er in wordt uitgedrukt4 ,zoo zal de ,blijheid welke uit bijvoorbeeld een voorwerp ,a ontspruit1 den aard van ditzelfde voorwerp ,a en de ,blijheid welke door een voorwerp ,b wordt te weeg gebracht1 den aard van ditzelfde voorwerp ,b in zich sluiten en dien ten gevolge zijn deze beide aandoeningen van ,blijheid verschillend van aard1 aangezien zij uit oorzaken van verschillenden aard voortspruiten4 ,evenzoo is de aandoening van ,droefheid door het eene voorwerp opgewekt1 van anderen aard dan de ,droefheid door een andere oorzaak te weeg gebracht2 hetgeen eveneens geldt voor ,liefde1 ,haat1 ,hoop1 ,vrees1 ,weifelmoedigheid enz4 ,en vandaar dat er noodzakelijk evenveel schakeeringen van ,blijheid1 ,droefheid1 ,liefde1 ,haat enz4 bestaan1 als soorten van voorwerpen welke op ons inwerken4 ,nu is echter de ,begeerte het wezen of de aard zelf van ieder mensch1 voorzoover men hem beschouwd als krachtens een of andere gegeven gesteldheid er toe gedreven om iets te doen 7zie ,opmerking ,st4 ,,ix v4d4 ,d47 ,derhalve3 al naar gelang in iemand door uitwendige oorzaken deze of gene soort van ,blijheid of ,droefheid1 ,liefde1 ,haat1 enz4 wordt opgewekt1 d4w4z4 al naar gelang iemands aard in dezen of genen toestand wordt gebracht1 zal ook zijn begeerte zus of zoo zijn2 waarbij de aard der eene ,begeerte evenzeer van dien der andere moet verschillen als de aandoeningen1 waaruit elk van hen ontsproot1 van elkaar verschillen4 ,er bestaan dus evenzoovele soorten van ,begeerte als er soorten van ,blijheid1 ,droefheid1 ,liefde enz4 zijn en bijgevolg 7vlg4 hetgeen reeds werd bewezen7 als er soorten van voorwerpen zijn welke op ons inwerken4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,onder de soorten van aandoeningen1 welke 7vlg4 voorgaande ,st47 zeer talrijk moeten zijn1 zijn de voornaamsten3 ,gulzigheid1 ,drankzucht1 ,wellustigheid1 ,hebzucht en ,eerzucht2 al welke hartstochten niets anders zijn dan schakeeringen van ,liefde of ,begeerte1 welke den aard dezer aandoeningen openbaren naar gelang der voorwerpen waarop zij betrekking hebben4 ,immers onder ,gulzigheid1 ,drankzucht1 ,wellustigheid1 ,hebzucht en ,eerzucht verstaan wij niets anders dan een onmatige liefde of begeerte tot zwelgen1 drinken1 bijslaap1 rijkdommen en roem4 ,overigens hebben deze aandoeningen voorzoover we ze alleen ten opzichte van het voorwerp waarop zij betrekking hebben1 van andere onderscheiden1 geen tegengestelden4 ,want de ,matigheid1 welke wij aan ,gulzigheid1 de ,nuchterheid welke wij aan ,drankzucht en tenslotte de ,kuischheid welke wij aan ,wellustigheid tegenover te stellen plegen1 zijn geen gemoedsaandoeningen of lijdingen1 maar duiden de zielskracht aan1 welke deze aandoeningen matigt4 ,de overige soorten van gemoedsaandoeningen kan ik hier verder niet behandelen 7aangezien er evenzoovele bestaan als soorten van voorwerpen7 en het zou bovendien1 al kon ik het1 ook niet noodig zijn4 ,voor datgene toch wat wij ons ten doel stellen3 namelijk de kracht der aandoeningen en de macht1 welke de ,geest over hen heeft te bepalen1 is het voor ons voldoende om een algemeene definitie1 op iedere aandoening toepasselijk1 te bezitten4 ,het is voor ons voldoende1 zeg ik1 de algemeene eigenschappen der aandoeningen en van den ,geest te begrijpen en te kunnen vaststellen hoedanig en hoe groot de macht van den ,geest in het temperen en bedwingen der aandoeningen is4 ,ofschoon dus het verschil tusschen deze of gene aandoening van ,liefde1 ,haat of ,begeerte groot is1 gelijk bijvoorbeeld tusschen iemands liefde jegens zijn kinderen en zijn liefde jegens zijn echtgenoote1 hebben wij nochtans niet van noode deze verschillen te kennen en aard en oorsprong der aandoeningen nog dieper na te speuren4 ,stelling ,,lvii4 ,elke aandoening van elken enkeling verschilt evenveel van de soortgelijke aandoening van een ander1 als het wezen van den een verschilt van het wezen van den ander4 ,bewijs4 ,deze stelling blijkt uit ,axioma ,i 7zie achter ,hulpst4 ,,iii1 ,opmerking ,st4 ,,xiii ,d4 ,,ii74 ,wij zullen haar echter niettemin nog bewijzen uit de definities der drie oorspronkelijke aandoeningen4 ,alle aandoeningen zijn terug te brengen tot ,begeerte1 ,blijheid of ,droefheid1 gelijk blijkt uit de definities1 welke wij van deze gegeven hebben4 ,maar ,begeerte is ieders aard of wezen zelf 7zie haar definitie in ,opmerking ,st4 ,,ix v4d4 ,d474 ,derhalve verschilt de ,begeerte van elken enkeling evenveel van de ,begeerte van een ander als de aard of het wezen van den een verschilt van het wezen van den ander4 ,voorts zijn ,blijheid en ,droefheid lijdingen1 waardoor ieders vermogen of streven om in zijn bestaan te volharden wordt vermeerderd of verminderd1 bevorderd of belemmerd 7vlg4 ,st4 ,,xi en ,opmerking v4d4 ,d474 ,onder dit streven om in zijn bestaan te volharden1 voorzoover het op ,geest en ,lichaam beide betrekking heeft1 verstaan wij echter ,drang en ,begeerte 7zie ,opmerking ,st4 ,,ix v4d4 ,d474 ,derhalve zijn ,blijheid en ,droefheid1 ,drang of ,begeerte zelf1 voorzoover deze door uitwendige oorzaken worden vermeerderd of verminderd1 bevorderd of belemmerd2 d4w4z4 7vlg4 dezelfde ,opmerking7 zij zijn de aard zelf van ieder wezen1 en daarom verschilt ook een ieders ,blijheid of ,droefheid evenveel van de ,blijheid of ,droefheid van een ander1 als de aard of het wezen van den een verschilt van het wezen van een ander1 en bijgevolg verschilt elke aandoening van elken enkeling evenveel van de soortgelijke aandoening van een ander als enz4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,hieruit volgt dat de aandoeningen der dieren1 welke redeloos genoemd worden 7want dat de dieren gevoel hebben kunnen wij1 nu wij den oorsprong van den ,geest kennen1 onmogelijk langer betwijfelen71 evenveel van de aandoeningen der menschen verschillen als hun aard van den menschelijken aard verschilt4 ,weliswaar worden paard en mensch beide door teeldrift gedreven1 gene echter krachtens den lust welke het paard1 deze krachtens die welke den mensch eigen is4 ,evenzoo moeten ook de wellust en begeerten van insekten1 visschen en vogels voor elk van hen weer anders zijn4 ,hoewel dus elk individu1 tevreden met den aard dien het bezit1 leeft en zich daarin verheugt1 zijn toch dit leven1 waarmede elk tevreden is en die vreugde niets anders1 dan de voorstelling of de ziel van ditzelfde individu1 en derhalve moet de vreugde van het eene natuurlijkerwijs evenzooveel van de vreugde van het andere verschillen als het wezen van het eene verschilt van het wezen van het andere4 ,tenslotte volgt uit de voorgaande stelling dat er eveneens geen gering verschil bestaat tusschen de vreugde waardoor bv4 de dronkaard geleid wordt en die welke den wijsgeer bezielt1 wat ik hier in het voorbijgaan wilde opmerken4 ,dit over de aandoeningen1 welke betrekking hebben op den mensch voorzoover hij lijdt4 ,er rest mij nu nog enkele woorden toe te voegen over die1 welke betrekking op hem hebben voorzoover hij handelt4 ,stelling ,,lviii4 ,behalve de ,blijheid en ,begeerte1 welke lijdingen zijn1 bestaan er nog andere aandoeningen van ,blijheid en ,begeerte welke betrekking op ons hebben voorzoover wij handelen4 ,bewijs4 ,wanneer de ,geest zich van zichzelf en zijn macht tot handelen bewust is1 verblijdt hij zich 7vlg4 ,st4 ,,liii v4d4 ,d474 ,de ,geest beschouwt 7vlg4 ,st4 ,,xliii ,d4 ,,ii7 echter zichzelf noodzakelijk wanneer hij een ware of adaequate voorstelling heeft4 ,maar de ,geest heeft 7vlg4 ,opmerking ,,ii ,st4 ,,xl ,d4 ,,ii7 inderdaad enkele adaequate voorstellingen4 ,derhalve zal hij zich ook in zooverre verblijden als hij zulke adaequate voorstellingen heeft2 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,i v4d4 ,d47 voorzoover hij handelt4 ,verder streeft de ,geest 7vlg4 ,st4 ,,ix v4d4 ,d471 zoowel voorzoover hij verwarde als voorzoover hij heldere en duidelijke voorstellingen heeft1 er naar in zijn bestaan te volharden4 ,onder dit streven echter verstaan wij 7vlg4 de ,opmerking daarbij7 ,de ,begeerte4 ,derhalve heeft dus de ,begeerte ook betrekking op ons voorzoover wij begrijpen1 of 7vlg4 ,st4 ,i v4d4 ,d47 voorzoover wij handelen4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,lix4 ,onder de aandoeningen1 welke betrekking hebben op den ,geest voorzoover hij handelt1 behooren slechts zulke1 welke tot ,blijheid of ,begeerte teruggebracht kunnen worden4 ,bewijs4 ,alle aandoeningen kunnen teruggebracht worden tot ,begeerte1 ,blijheid of ,droefheid1 gelijk uit de definities welke wij daarvan gaven blijkt4 ,onder ,droefheid evenwel verstaan wij 7vlg4 ,st4 ,,xi en ,opmerking v4d4 ,d47 dat het vermogen van den ,geest tot denken wordt verminderd of belemmerd4 ,derhalve bedroeft zich de ,geest in zoover als zijn vermogen tot begrijpen1 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,i v4d4 ,d47 tot handelen1 wordt verminderd of belemmerd4 ,wij kunnen daarom geen enkele aandoening van ,droefheid met den ,geest in verband brengen voorzoover hij handelt1 doch uitsluitend aandoeningen van ,blijheid en ,begeerte1 welke 7vlg4 voorgaande ,st47 ook in dit opzicht op den ,geest betrekking hebben4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,alle handelingen welke voortvloeien uit aandoeningen welke betrekking hebben op den ,geest voorzoover hij begrijpt1 rangschik ik onder het begrip ,flinkheid kloekheid1 waarin ik dan onderscheid ,geestkracht en ,edelmoedigheid4 ,onder ,geestkracht versta ik namelijk die ,begeerte1 krachtens welke ieder1 alleen op voorschrift der ,rede1 er naar streeft in zijn bestaan te volharden4 ,onder ,edelmoedigheid echter versta ik die ,begeerte krachtens welke ieder1 alleen op voorschrift der ,rede1 er naar streeft anderen te helpen en door vriendschap aan zich te verbinden4 ,die handelingen dus1 welke alleen het nut van den handelende beoogen1 rangschik ik onder ,geestkracht en die welke tevens anderen tot nut strekken1 onder ,edelmoedigheid1 ,matigheid1 ,nuchterheid1 ,tegenwoordigheid van ,geest in gevaren1 enz41 zijn soorten van ,geestkracht4 ,gematigdheid ,minzaamheid1 ,goedertierenheid enz4 daarentegen zijn soorten van ,edelmoedigheid4 ,en hiermede meen ik de voornaamste aandoeningen en gemoedsbewegingen welke uit de verbinding der drie oorspronkelijke aandoeningen1 namelijk ,begeerte1 ,blijheid en ,droefheid1 ontspruiten1 toegelicht en in hun eerste oorzaken blootgelegd te hebben4 ,er blijkt uit dit alles1 dat wij op tal van wijzen door uitwendige oorzaken worden bewogen en dat wij als de golven der zee1 door tegengestelde winden voortgezweept1 ronddobberen1 onwetend omtrent den afloop en van ons noodlot4 ,toch zeide ik dat ik alleen nog maar de voornaamste aandoeningen beschreven heb en geenszins alle welke bestaanbaar zijn4 ,immers voortgaande op denzelfden weg als hierboven1 kunnen wij gemakkelijk aantoonen1 dat ,liefde ook verbonden kan zijn met ,berouw1 ,verontwaardiging1 ,schaamte enz4 ,ik meen dan ook dat het1 na hetgeen tot nu werd gezegd1 voor ieder wel duidelijk zal vaststaan1 dat de aandoeningen op zvele wijzen met elkaar kunnen worden verbonden en dat er dientengevolge een z groote verscheidenheid ontstaat1 dat hun aantal niet te bepalen is4 ,voor mijn bedoeling evenwel volstaat het dat ik slechts de voornaamsten heb opgenoemd1 want de behandeling der overigen1 welke ik wegliet1 zou meer tot bevrediging van weetgierigheid strekken dan werkelijk van nut zijn,a#eh4 ,nochtans wil ik omtrent de ,liefde nog doen opmerken1 dat het zeer dikwijls voorkomt dat ons ,lichaam1 terwijl wij een zaak welke wij begeerden genieten1 door dit genot in een nieuwen toestand geraakt1 waardoor het voor iets anders ontvankelijk wordt en de beelden van andere dingen er in worden opgewekt1 terwijl terzelfdertijd de ,geest zich die andere dingen gaat voorstellen en begeeren4 ,zoo begeeren wij bijvoorbeeld1 wanneer wij ons iets voorstellen1 dat ons door zijn smaak pleegt te verheugen1 dit voorwerp ook te genieten1 d4w4z4 op te eten4 ,maar terwijl wij nu daarvan genieten1 wordt de maag verzadigd en verkrijgt het ,lichaam een andere gesteldheid4 ,indien nu1 terwijl het ,lichaam reeds in anderen toestand is1 de voorstelling dier bepaalde spijs1 doordat zijzelf aanwezig is1 wordt verlevendigd en bijgevolg ook het streven of de begeerte om haar op te eten1 zal die nieuwe gesteldheid des ,lichaams zich tegen die begeerte of dit streven verzetten en bijgevolg zal de aanwezigheid van de spijs1 welke wij eerst begeerden1 ons thans onaangenaam zijn4 ,dit is het wat wij ,tegenzin en ,walging noemen4 ,verder heb ik die uitwendige werkingen des ,lichaams1 welke bij de aandoeningen worden opgemerkt1 zooals beven1 verbleeken1 snikken1 lachen enz4 verwaarloosd1 omdat zij uitsluitend op het ,lichaam betrekking hebben1 zonder in eenig verband te staan met den ,geest4 ,tenslotte wil ik nog een en ander doen opmerken naar aanleiding van de definities der aandoeningen1 zoodat ik ze hier naar volgorde herhalen en wat bij elk van hen valt op te merken1 er tusschen voegen zal4 ,,definities ,,der ,,aandoeningen ,i4 ,begeerte is 's menschen wezen zelf1 opgevat als krachtens een of andere zijner aandoeningen genoopt om iets te doen4 ,toelichting3 ,wij hebben hierboven1 in de ,opmerking bij ,stelling ,,ix van dit ,deel1 gezegd dat ,begeerte ,drang is1 gepaard met het bewustzijn daarvan1 dat evenwel die ,drang 's menschen wezen zelf is1 voorzoover hij daardoor wordt gedreven om datgene te doen1 wat tot zijn eigen behoud strekt4 ,doch in diezelfde ,opmerking heb ik tevens er op gewezen dat ik tusschen dien menschelijken ,drang en de ,begeerte eigenlijk geen onderscheid erken4 ,immers of de mensch zich van zijn ,drang bewust is of niet1 de ,drang blijft nochtans dezelfde en ik heb daarom1 om mij niet schijnbaar aan tautologie schuldig te maken1 de ,begeerte liever niet uit den ,drang willen afleiden1 maar veeleer mijn best gedaan haar aldus te omschrijven dat al die strevingen van den menschelijken aard1 welke wij met de woorden drang1 wil1 begeerte of aandrift,a#ei aanduiden1 er onder begrepen zijn4 ,ik had dus ook kunnen zeggen3 ,begeerte is 's menschen wezen zelf1 opgevat als genoopt om iets te doen2 doch uit deze definitie zou 7vlg4 ,st4 ,,xxiii ,d4 ,,ii7 niet volgen dat de ,geest zich van zijn ,begeerte of ,drang bewust kan zijn4 ,om dus ook een oorzaak voor deze bewustwording in te sluiten1 was het 7vlg4 dezelfde ,st47 noodig er aan toe te voegen3 opgevat als krachtens een of andere zijner aandoeningen genoopt enz4 ,want onder een aandoening van 's menschen wezen verstaan wij iedere gesteldheid van dit wezen1 welke ook1 hetzij zij aangeboren is dan wel verworven,a#fj1 en hetzij men haar beschouwe als openbaring van alleen het ,denken1 dan wel van alleen de ,uitgebreidheid1 of wel eindelijk van beide tegelijk4 ,ik versta hier dus onder het woord ,begeerte elk streven1 elke aandrift1 elken drang en elke willing van den mensch1 welke naar gelang van 's menschen eigen wisselende gesteldheid1 telkens verschillen en niet zelden zoozeer met elkaar in strijd zijn1 dat de mensch op alle manieren her en derwaarts wordt geslingerd en niet weet waarheen hij zich zal wenden4 ,,ii4 ,blijheid is 's menschen overgang van geringer tot grooter volmaaktheid4 ,,iii4 ,droefheid is 's menschen overgang van grooter tot geringer volmaaktheid4 ,toelichting3 ,ik zeg overgang4 ,want ,blijheid is niet volmaaktheid zelf4 ,immers indien de mensch met die volmaaktheid1 waartoe hij kan overgaan1 geboren werd1 zou hij haar bezitten zonder eenige aandoening van ,blijheid1 hetgeen nog duidelijker blijkt bij de ,droefheid1 welke het tegenovergestelde van deze aandoening is4 ,want dat ,droefheid bestaat in overgang tot geringer volmaaktheid1 doch niet in die geringe volmaaktheid zelf1 kan niemand ontkennen1 aangezien geen mensch zich bedroeven kan1 voorzoover hij ook maar eenige volmaaktheid deelachtig is4 ,evenmin kunnen wij zeggen dat ,droefheid bestaat in gemis van grooter volmaaktheid2 want een gemis is niets1 terwijl een aandoening van ,droefheid een zielsproces is en dus niets anders zijn kan dan het proces van overgang tot geringer volmaaktheid1 d4w4z4 7zie ,opmerking ,st4 ,,xi v4d4 ,d47 een proces waardoor 's menschen vermogen tot handelen wordt verminderd of belemmerd4 ,voor het overige laat ik de definities van ,opgewektheid1 ,prikkeling1 ,gedruktheid en ,pijn hier weg1 wijl zij voornamelijk betrekking hebben op het ,lichaam en niets anders zijn dan schakeeringen van ,blijheid of ,droefheid4 ,,iv4 ,verbazing is een zoodanig zich voorstellen eener zaak1 dat de ,geest er door geboeid blijft1 wijl deze bijzondere voorstelling geen verband houdt met andere gelijktijdige voorstellingen4 7,zie ,st4 ,,lii en ,opmerking v4d4 ,d47 ,toelichting3 ,in de ,opmerking bij ,stelling ,,xviii ,deel ,,ii hebben wij aangetoond welke de oorzaak ervan is1 dat de ,geest van de beschouwing van het eene ding dadelijk op de gedachte aan een ander komt2 te weten wijl de beelden dier dingen aaneengeschakeld en aldus gerangschikt zijn1 dat zij op elkaar volgen4 ,wat ondenkbaar is1 wanneer de voorstelling eener zaak geheel nieuw is en de ,geest dus bij de beschouwing ervan wordt vastgehouden1 totdat hij door andere oorzaken wordt gedwongen aan iets anders te denken4 ,op zichzelf beschouwd is dus de voorstelling van een nieuw ding van denzelfden aard als andere en om deze reden reken ik dan ook de ,verbazing niet tot de oorspronkelijke aandoeningen en zie ik ook geen reden waarom ik dit doen zou1 aangezien deze in beslagneming van den ,geest uit geen enkele positieve oorzaak1 welke den ,geest van andere dingen zou aftrekken1 voortspruit1 doch alleen uit het feit dat een oorzaak1 waardoor de ,geest van de beschouwing van het eene ding tot het denken aan iets anders gedwongen kon worden1 ontbreekt4 ,ik erken dus slechts 7gelijk in ,opmerking ,st4 ,,xi v4d4 ,d4 reeds werd gezegd7 drie oorspronkelijke of primaire aandoeningen1 namelijk ,blijheid1 ,droefheid en ,begeerte en ik heb ook om geen andere reden over de ,verbazing gesproken1 dan wijl het gewoonte is geworden sommige aandoeningen1 welke uit die drie oorspronkelijke zijn afgeleid1 met een anderen naam aan te duiden wanneer zij betrekking hebben op voorwerpen waarover wij ons verbazen4 ,welke reden mij uit dezelfde overweging er toe leidt hier ook nog de definitie van ,verachting aan toe te voegen4 ,v4 ,verachting is de voorstelling eener zaak1 welke den ,geest zoo weinig raakt1 dat de ,geest door haar aanwezigheid er mr toe gedreven wordt zich voor te stellen wat die zaak net1 dan wat zij wl bezit4 7,zie ,opmerking ,st4 ,,lii v4d4 ,d47 ,de definities van ,vereering en ,ergernis laat ik hier achterwege1 wijl1 voorzoover ik weet1 geen andere aandoeningen aan hen hun naam ontleenen4 ,,vi4 ,liefde is ,blijheid1 vergezeld door de voorstelling eener uitwendige oorzaak4 ,toelichting3 ,deze definitie drukt met voldoende duidelijkheid het wezen der ,liefde uit4 ,die van andere schrijvers daarentegen1 die zeggen dat ,liefde is3 de wil van dengene die liefheeft om zich met het geliefde wezen te vereenigen1 drukt niet het wezen1 maar een eigenschap der ,liefde uit4 ,wijl nu het wezen der ,liefde door deze schrijvers niet voldoende werd doorzien1 konden zij ook van die eigenschap geen helder begrip hebben en vandaar dat dan ook ieder hun definitie uiterst duister vindt4 ,men moet nu wl in het oog houden1 dat wanneer ik zeg dat het een eigenschap is van dengene die liefheeft1 dat hij den wil heeft om zich met het geliefde wezen te vereenigen1 ik hier onder wil niet versta toestemming of overweging of vrij besluit 7want in ,st4 ,,xlviii ,d4 ,,ii hebben wij aangetoond dat deze zaken slechts inbeeldingen zijn7 en evenmin de begeerte om zich met het geliefde wezen te vereenigen1 wanneer dit niet aanwezig is1 of om in zijn tegenwoordigheid te kunnen blijven wanneer het wel aanwezig is4 ,liefde toch is ook zonder een dezer begeerten denkbaar4 ,maar onder dien wil versta ik de ,bevrediging ,rust die dengene1 die liefheeft1 vervult tengevolge van de aanwezigheid van het geliefde wezen1 waardoor de ,blijheid van den eerste wordt versterkt of althans aangewakkerd4 ,,vii4 ,haat is ,droefheid1 vergezeld door de voorstelling eener uitwendige oorzaak4 ,toelichting3 ,wat hierover zou zijn op te merken is gemakkelijk af te leiden uit hetgeen in de ,toelichting der voorgaande ,definitie is gezegd4 7,zie bovendien ,opmerking ,st4 ,,xiii v4d4 ,d47 ,,viii4 ,neiging is ,blijheid1 vergezeld door de voorstelling van iets dat door toevallige omstandigheden oorzaak van ,blijheid is4 ,,ix4 ,afkeer is ,droefheid1 vergezeld door de voorstelling van iets dat door toevallige omstandigheden oorzaak van ,droefheid is4 7,zie hierover ,opmerking ,st4 ,,xv v4d4 ,d47 ,x4 ,toewijding is ,liefde jegens dengene1 dien wij bewonderen4 ,toelichting3 ,dat bewondering haar oorsprong vindt in de nieuwheid eener zaak hebben wij in ,stelling ,,lii van dit ,deel aangetoond4 ,wanneer het dus voorkomt dat wij ons iets dat wij bewonderen herhaaldelijk voorstellen1 houden wij op het te bewonderen2 en wij zien daardoor dan ook dat de aandoening van ,toewijding gemakkelijk tot gewone ,liefde ontaardt4 ,,xi4 ,bespotting is ,blijheid1 voortgesproten uit het feit dat wij ons voorstellen dat iets1 hetwelk wij verachten1 aanwezig is in een zaak1 welke wij haten4 ,toelichting3 ,voorzoover wij een zaak1 welke wij haten1 ook verachten1 ontkennen wij haar bestaan ontzeggen wij er iets aan 7zie ,opmerking ,st4 ,,lii v4d4 ,d47 en inzoover zullen wij ons dus 7vlg4 ,st4 ,,xx v4d4 ,d47 verblijden4 ,maar aangezien wij onderstellen1 dat iemand datgene wat hij bespot1 toch ook haat1 volgt hieruit1 dat deze ,blijheid niet duurzaam is4 7,zie ,opmerking ,st4 ,,xlvii v4d4 ,d47 ,,xii4 ,hoop is een onstandvastige ,blijheid1 ontsproten uit de voorstelling van iets toekomstigs of verledens1 omtrent welks verloop wij in eenig opzicht twijfelen4 ,,xiii4 ,vrees is een onstandvastige ,droefheid1 ontsproten uit de voorstelling van iets toekomstigs of verledens1 omtrent welks verloop wij in eenig opzicht twijfelen4 7,zie hierover ,opmerking ,,ii ,st4 ,,xviii v4d4 ,d47 ,toelichting3 ,uit deze definitie volgt dat er geen ,hoop bestaat zonder ,vrees1 noch ,vrees zonder ,hoop4 ,immers1 wie in ,hoop zweeft en twijfelt omtrent den afloop eener zaak1 wordt verondersteld zich iets voor te stellen dat het bestaan dier toekomstige zaak uitsluit en dus zich in zoover ook te bedroeven 7vlg4 ,st4 ,,xix v4d4 ,d471 en bijgevolg1 zoolang hij hoopt1 tevens te vreezen dat de zaak misloopt4 ,wie daarentegen in ,vrees verkeert1 d4w4z4 wie twijfelt omtrent den afloop van iets dat hij haat1 stelt zich eveneens iets voor dat het bestaan ervan uitsluit2 hij verblijdt zich dus 7vlg4 ,st4 ,,xx v4d4 ,d47 en heeft bijgevolg inzoover ,hoop dat het niet zal gebeuren4 ,,xiv4 ,gerustheid is ,blijheid1 ontsproten uit de voorstelling van iets toekomstigs of verledens1 waaromtrent alle reden tot twijfel is opgeheven4 ,,xv4 ,wanhoop is ,droefheid1 ontsproten uit de voorstelling van iets toekomstigs of verledens1 waaromtrent alle reden tot twijfel is opgeheven4 ,toelichting3 ,uit ,hoop ontspringt dus ,gerustheid1 uit ,vrees ,wanhoop1 wanneer de reden om over den afloop van iets te twijfelen wordt opgeheven4 ,wat het gevolg daarvan is1 dat men zich f een verleden of toekomstig iets als aanwezig voorstelt en dus als tegenwoordig beschouwt1 f zich iets anders voorstelt dat het bestaan uitsluit van al datgene wat ons in twijfel deed verkeeren4 ,want al kunnen wij 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,xxxi ,d4 ,,ii7 nooit zker zijn omtrent den afloop van bijzondere zaken1 zoo kan het toch niettemin voorkomen dat wij omtrent hun afloop niet twijfelen4 ,wij hebben immers aangetoond 7zie ,opmerking ,st4 ,,xlix ,d4 ,,ii7 dat het nog iets anders is aan iets niet te twijfelen1 of zekerheid omtrent iets te bezitten4 ,en zoo kan het dus gebeuren dat wij tengevolge van de voorstelling eener verleden of toekomstige zaak dezelfde aandoening van ,blijheid of ,droefheid ondervinden als door de voorstelling van iets dat werkelijk aanwezig is1 gelijk wij in ,stelling ,,xviii van dit ,deel hebben bewezen4 7,men zie deze ,stelling met de ,opmerking daarbij74 ,,xvi4 ,verheuging is ,blijheid1 vergezeld door de voorstelling van iets verledens dat buiten verwachting goed afliep uitviel4 ,,xvii4 ,spijt ,hartzeer is ,droefheid1 vergezeld door de voorstelling van iets verledens dat buiten verwachting slecht afliep uitviel4 ,,xviii4 ,medelijden is ,droefheid1 vergezeld door de voorstelling van een kwaad dat aan een ander1 dien wij als onzen gelijke beschouwen1 is overkomen 7zie ,opmerking ,st4 ,,xxii en ,opmerking ,st4 ,,xxvii v4d4 ,d47 ,toelichting3 ,tusschen ,medelijden en ,barmhartigheid schijnt geen verschil te bestaan1 tenzij misschien dit1 dat ,medelijden slaat op een bijzondere aandoening1 barmhartigheid daarentegen op haar gewoonte,a#fa4 ,,xix4 ,ingenomenheid is ,liefde jegens iemand die een ander heeft welgedaan4 ,,xx4 ,verontwaardiging is ,haat jegens iemand die een ander heeft kwaad gedaan4 ,toelichting3 ,ik weet dat deze woorden in het dagelijksch gebruik iets anders beteekenen4 ,maar het is niet mijn voornemen de beteekenis van woorden1 doch den aard der dingen te verklaren en deze dingen dan aan te duiden met woorden1 waarvan de beteekenis welke zij gewoonlijk hebben1 met de beteekenis welke ik hen wensch te geven1 niet geheel en al onvereenigbaar is4 ,het moge volstaan dit hier eens en vooral te hebben doen opmerken4 ,zie overigens over den oorsprong dier aandoeningen ,gevolg ,i ,stelling ,,xxvii en de ,opmerking bij ,stelling ,,xxii van dit ,deel4 ,,xxi4 ,overschatting is uit ,liefde beter van iemand denken dan gerechtvaardigd is4 ,,xxii4 ,geringschatting is uit ,haat slechter van iemand denken dan billijk is4 ,toelichting3 ,overschatting is dus een gevolg of eigenschap van ,liefde1 evenals ,geringschatting van ,haat4 ,men kan daarom ,overschatting ook omschrijven als3 ,liefde1 voorzoover zij den mensch er toe brengt beter van het geliefde wezen te denken dan gerechtvaardigd is en daarentegen ,geringschatting als ,haat1 voorzoover hij den mensch er toe brengt slechter over het gehate wezen te oordeelen dan billijk is 7zie hierover ,opmerking ,st4 ,,xxvi v4d4 ,d474 ,,xxiii4 ,nijd ,afgunst1 ,leedvermaak is ,haat voorzoover hij den mensch er toe brengt zich over eens anders geluk te bedroeven en omgekeerd zich over diens ongeluk te verblijden4 ,toelichting3 ,gewoonlijk wordt tegenover ,nijd ,barmhartigheid gesteld1 welke dus1 tegen de gewone beteekenis van het woord1 als volgt kan worden omschreven3 ,,xxiv4 ,barmhartigheid is ,liefde1 voorzoover zij den mensch er toe brengt1 zich over eens anders geluk te verblijden en omgekeerd zich over diens ongeluk te bedroeven4 ,toelichting3 ,zie overigens omtrent den ,nijd de ,opmerking bij ,stelling ,,xxiv en de ,opmerking bij ,stelling ,,xxxii van dit ,deel4 ,deze nu zijn de aandoeningen van ,blijheid of ,droefheid welke vergezeld gaan van voorstellingen eener uitwendige oorzaak1 hetzij onmiddellijk of door toevallige omstandigheden4 ,ik zal nu tot de andere aandoeningen overgaan1 welke vergezeld gaan van de voorstelling eener inwendige oorzaak4 ,,xxv4 ,zelfvoldaanheid ,tevredenheid met zichzelf is ,blijheid1 ontstaan door de beschouwing van zichzelf en de eigen macht tot handelen4 ,,xxvi4 ,neerslachtigheid is ,droefheid1 ontstaan door de beschouwing van eigen machteloosheid of zwakheid4 ,toelichting3 ,zelfvoldaanheid staat tegenover ,neerslachtigheid1 voorzoover wij er onder verstaan de ,blijheid1 ontstaan door de beschouwing van onze eigen macht tot handelen2 voorzoover wij er evenwel ook onder verstaan ,blijheid1 vergezeld door de voorstelling van een of andere daad1 welke wij krachtens vrij besluit des ,geestes meenen verricht te hebben1 staat zij tegenover ,berouw1 dat door ons als volgt wordt omschreven3 ,,xxvii4 ,berouw is ,droefheid1 vergezeld door de voorstelling van een of andere daad1 welke wij krachtens vrij besluit des ,geestes meenen verricht te hebben4 ,toelichting3 ,de oorzaken dezer aandoeningen hebben wij aangewezen in de ,opmerking bij ,stelling ,,li van dit ,deel en de ,stellingen ,,liii1 ,,liv en ,,lv met de daarbij behoorende ,opmerking4 ,over het vrije besluit des ,geestes zie evenwel de ,opmerking bij ,stelling ,,xxxv van ,deel ,,ii4 ,doch hier valt bovendien nog op te merken dat het niet te verwonderen is wanneer algemeen op alle handelingen1 welke men volgens gewoonte verkeerd noemt1 ,droefheid volgt en op alle die behoorlijk heeten ,blijheid4 ,immers na het hier boven gezegde kunnen wij gemakkelijk inzien dat dit voornamelijk afhangt van de opvoeding4 ,de ouders hebben toch1 door gene daden af te keuren en hun kinderen er herhaaldelijk over te berispen1 deze daarentegen aan te raden en te prijzen1 gemaakt dat met gene aandoeningen van ,droefheid1 met deze echter van ,blijheid verbonden worden4 ,hetgeen ook door de ervaring zelf wordt bevestigd4 ,immers gewoonte en godsdienst zijn niet voor iedereen dezelfde4 ,integendeel1 wat den een heilig is1 is voor den ander profaan2 wat de een eerbaar vindt1 is bij den ander schandelijk4 ,naar de wijze dus waarop ieder is opgevoed zal hij een daad berouwen of zich er op beroemen4 ,,xxviii4 ,hoogmoed ,verwaandheid is uit ,liefde beter van zichzelf denken dan gerechtvaardigd is4 ,toelichting3 ,hoogmoed verschilt dus van overschatting daarin1 dat deze op een uitwendig voorwerp betrekking heeft1 gene echter op den mensch zelf die beter van zichzelf denkt dan gerechtvaardigd is4 ,overigens1 evenals overschatting een gevolg of eigenschap der ,liefde is1 is ,hoogmoed een gevolg of eigenschap van ,eigenliefde1 zoodat zij dus ook omschreven kan worden als ,liefde tot zichzelf of ,zelfvoldaanheid1 voorzoover zij den mensch er toe brengt dat hij beter over zichzelf denkt dan gerechtvaardigd is4 7,zie ,opmerking ,st4 ,,xxvi v4d4 ,d474 ,van deze aandoening bestaat geen tegengestelde4 ,immers niemand denkt uit ,haat jegens zichzelf slechter van zich dan billijk is4 ,jazelfs denkt niemand slechter van zichzelf dan billijk is1 wanneer hij zich voorstelt dat hij dit of dat niet kan4 ,want als iemand zich voorstelt dat hij iets niet kan1 stelt hij zich daarbij noodzakelijk die zaak voor en wordt hij door die voorstelling in een zoodanigen toestand gebracht dat hij ook inderdaad niet kan wat hij zich voorstelde niet te kunnen4 ,zoolang hij zich immers voorstelt dat hij dit of dat niet kan1 zoolang ook wordt hij niet tot handelen gedreven en bijgevolg is het hem ook zoolang onmogelijk iets te doen4 ,indien wij evenwel letten op datgene wat uitsluitend van meenen inbeelding afhangt1 kunnen wij tch zeer goed begrijpen hoe het mogelijk is dat iemand slechter van zichzelf denkt dan billijk is4 ,zoo kan het immers voorkomen dat iemand1 terwijl hij in ,droefheid zijn eigen zwakheid beschouwt1 zich inbeeldt dat hij door iedereen veracht wordt1 terwijl integendeel anderen aan niets minder denken dan hem te verachten4 ,bovendien kan iemand slechter van zichzelf denken dan billijk is1 wanneer hij op een gegeven oogenblik iets van zichzelf ontkent in verband met de toekomst1 waaromtrent hij in het onzekere is2 zooals bijvoorbeeld wanneer hij verklaart1 dat hij niets zeker zal kunnen begrijpen1 of dat hij niets dan verkeerde of schandelijke dingen kan begeeren of doen1 enz4 ,verder kunnen wij nog zeggen dat iemand slechter van zichzelf denkt dan billijk is1 wanneer wij zien dat hij uit al te groote vrees voor schande niet durft1 wat zijns gelijken wel durven4 ,deze aandoening kunnen wij dus tegenover den ,hoogmoed stellen4 ,ik zal haar ,zelfverachting ,kleinmoedigheid noemen1 want evenals uit ,zelfvoldaanheid de ,hoogmoed1 zoo ontspruit uit ,ootmoed de ,zelfverachting1 welke daarom als volgt door ons kan worden omschreven3 ,,xxix4 ,zelfverachting ,kleinmoedigheid is uit ,droefheid slechter van zichzelf denken dan billijk is4 ,toelichting3 ,toch plegen wij dikwijls ,deemoed tegenover ,hoogmoed te stellen4 ,wij letten daarbij dan echter meer op beider uitwerking dan op beider karakter4 ,wij zijn namelijk gewoon iemand hoogmoedig te noemen die al te zeer pocht 7zie ,opmerking ,st4 ,,xxx v4d4 ,d471 die van zichzelf niets dan deugden en van anderen niets dan fouten weet te vertellen2 die boven allen den voorrang wil hebben en die tenslotte optreedt met een waardigheid en praalvertoon1 welke slechts toekomen aan wie verre boven hem geplaatst zijn4 ,daarentegen noemen wij deemoedig1 wie dikwijls bloost1 zijn feilen erkent en van anderer deugden verhaalt1 elkeen uit den weg gaat1 met gebogen hoofd voortschrijdt en het versmaadt zich op te sieren4 ,overigens zijn deze aandoeningen1 ik bedoel ,deemoed en ,zelfverachting allerzeldzaamst4 ,want de menschelijke aard op zichzelf beschouwd1 verzet zich zooveel mogelijk tegen haar 7zie ,st4 ,,xiii en ,st4 ,,liv v4d4 ,d474 ,vandaar dat zij1 die zichzelf voor uiterst deemoedig en nederig houden1 in werkelijkheid meestal in de hoogste mate eerzuchtig en afgunstig zijn4 ,,xxx4 ,zelfverheerlijking is ,blijheid1 vergezeld door de voorstelling van een of andere door onszelf verrichte daad1 waarvan wij meenen dat zij door anderen geprezen wordt4 ,,xxxi4 ,schaamte is ,droefheid1 vergezeld door de voorstelling van een of andere door onszelf verrichte daad1 waarvan wij meenen dat zij door anderen gelaakt wordt4 ,toelichting3 ,zie hieromtrent de ,opmerking bij ,stelling ,,xxx van dit ,deel4 ,er moet hier evenwel gewezen worden op het onderscheid dat er bestaat tusschen ,schaamte en ,schroom4 ,schaamte toch is ,droefheid1 welke volgt op het feit waarover men zich schaamt4 ,schroom evenwel is ,vrees of ,angst voor ,schaamte1 waardoor iemand ervan wordt terug gehouden iets schandelijks te begaan4 ,men pleegt tegenover ,schroom ,onbeschaamdheid te stellen1 maar deze is in werkelijkheid geen aandoening1 gelijk ik te zijner plaatse zal aantoonen4 ,doch de namen der aandoeningen berusten 7gelijk ik reeds heb opgemerkt7 meer op het spraak gebruik dan op hun aard4 ,en hiermede heb ik de aandoeningen van ,blijheid en ,droefheid1 welke ik mij had voorgenomen toe te lichten1 afgehandeld4 ,ik ga dus over tot die1 welke ik terugbreng tot ,begeerte4 ,,xxxii4 ,verlangen is ,begeerte of ,drang om iets te bemachtigen te bereiken1 welke ,begeerte door de herinnering aan de zaak wordt aangewakkerd en terzelfdertijd door de herinnering aan andere dingen1 welke het bestaan der begeerde zaak uitsluiten1 wordt belemmerd4 ,toelichting3 ,wanneer wij ons een zeker iets herinneren1 zijn wij1 gelijk wij reeds herhaaldelijk opmerkten1 door dit feit zelf genoopt om die zaak met dezelfde aandoening te beschouwen alsof zij werkelijk aanwezig ware4 ,deze geneigdheid of dit streven echter wordt1 als wij in wakenden toestand verkeeren1 meestal belemmerd door voorstellingen van dingen1 welke het bestaan van datgene wat wij ons herinneren uitsluiten4 ,wanneer wij ons dus iets herinneren1 dat een of andere soort van ,blijheid in ons opwekte1 zullen wij vanzelf er naar streven om deze zaak met dezelfde aandoening van ,blijheid1 als aanwezig te beschouwen2 welk streven dan weer onmiddellijk belemmerd wordt door de herinnering aan dingen1 welke haar bestaan uitsluiten4 ,vandaar dat ,verlangen inderdaad ,droefheid is1 tegenovergesteld aan die ,blijheid welke het gevolg is van de afwezigheid van iets dat wij haten4 ,men zie hierover de ,opmerking bij ,stelling ,,xlvii van dit ,deel4 ,omdat evenwel het woord ,verlangen in betrekking schijnt te staan met ,begeerte1 reken ik deze aandoening tot de aandoeningen van ,begeerte4 ,,xxxiii4 ,wedijver is een ,begeerte tot iets1 welke in ons ontstaat doordat wij ons voorstellen dat anderen dezelfde ,begeerte hebben4 ,toelichting3 ,van iemand die vlucht omdat hij anderen ziet vluchten1 of die vreest omdat hij anderen ziet vreezen2 ja1 ook van iemand die1 omdat hij ziet dat een ander zijn hand brandde1 zijn eigen hand terugtrekt1 en een gebaar maakt alsof hijzelf zich gebrand had1 zeggen wij dat hij eens anders aandoening nabootst1 doch niet dat hij met dien ander wedijvert4 ,niet wijl wij voor wedijver en nabootsing verschillende oorzaken zouden weten aan te geven1 maar wijl het nu eenmaal gebruik geworden is1 dat wij slechts van wedijver spreken bij hem die iets nabootst wat wij eervol1 nuttig of aangenaam achten4 ,zie overigens over den oorsprong van den wedijver ,stelling ,,xxvii van dit ,deel met de ,opmerking daarbij4 ,omtrent de reden waarom deze aandoening meestal verbonden is met afgunst1 zie ,stelling ,,xxxii van dit ,deel en de ,opmerking daarbij4 ,,xxxiv4 ,dank of ,dankbaarheid is ,begeerte1 of een streven der ,liefde om wl te doen wie ons uit gelijke ,liefde een weldaad heeft bewezen4 7,zie ,st4 ,,xxxix en ,opmerking ,st4 ,,xli v4d4 ,d47 ,,xxxv4 ,welwillendheid is ,begeerte om iemand met wien wij medelijden hebben wl te doen 7zie ,opmerking ,st4 ,,xxvii v4d4 ,d47 ,,xxxvi4 ,toorn is ,begeerte1 waardoor wij uit ,haat er toe worden gedreven hem1 dien wij haten1 kwaad te berokkenen 7zie ,st4 ,,xxxix v4d4 ,d47 ,,xxxvii4 ,wraakzucht is ,begeerte1 waardoor wij uit wederkeerigen ,haat ertoe worden gedreven1 hem1 die ons op grond van dezelfde aandoening benadeelde1 kwaad te doen4 7,zie ,gevolg ,,ii ,st4 ,,xl v4d4 ,d4 en ,opmerking74 ,,xxxviii4 ,wreedheid of ,gruwzaamheid is ,begeerte1 waardoor wij worden gedreven iemand1 dien wij liefhebben of met wien wij medelijden gevoelen kwaad te doen4 ,toelichting3 ,tegenover ,wreedheid staat ,zachtmoedigheid ,goedertierenheid1 welke geen lijding is1 maar de zielskracht door welke de mensch toorn en wraakzucht tempert4 ,,xxxix4 ,angst is de ,begeerte om een grooter kwaad dat wij vreezen1 door een kleiner kwaad te vermijden4 7,zie ,opmerking ,st4 ,,xxxix v4d4 ,d47 ,,xl4 ,vermetelheid is de ,begeerte1 waardoor iemand wordt gedreven iets te doen met een gevaar voor zichzelf1 dat zijns gelijken te loopen vreezen4 ,,xli4 ,lafhartigheid wordt toegeschreven aan hem1 wiens ,begeerte wordt in bedwang gehouden door angst voor een gevaar dat zijns gelijken aandurven4 ,toelichting3 ,lafhartigheid is dus niets anders dan vrees voor een kwaad dat de meeste menschen niet plegen te vreezen1 zoodat ik haar niet tot de ,begeerten reken4 ,toch heb ik haar hier moeten toelichten1 wijl zij1 voorzoover de ,begeerte betreft1 inderdaad tegenover de aandoening der ,vermetelheid geplaatst wordt4 ,,xlii4 ,verbijstering wordt toegeschreven aan hem1 wiens begeerte om een kwaad te ontwijken1 belemmerd wordt door ,verbazing over het kwaad dat hij vreest4 ,toelichting3 ,verbijstering is dus een soort van lafhartigheid4 ,wijl echter verbijstering uit een dubbele vrees ontspringt1 kan zij gemakkelijker worden gedefinieerd als zijnde die vrees1 welke den mensch z verstomd doet staan of in weifeling houdt1 dat hij een of ander kwaad niet kan afwenden4 ,ik zeg verstomd doet staan1 voorzoover wij aannemen dat zijn begeerte om het kwaad af te wenden1 wordt belemmerd door verbazing4 ,maar in weifeling houdt zeg ik voorzoover wij aannemen dat de begeerte wordt belemmerd door vrees voor een ander kwaad1 dat hem evenzeer kwelt1 zoodat hij niet weet welk van de twee hij zal afwenden4 7,zie hierover ,opmerking ,st4 ,,xxxix en ,opmerking ,st4 ,,lii v4d4 ,d4 en overigens over ,lafhartigheid en ,vermetelheid ,opmerking ,st4 ,,li v4d4 ,d47 ,,xliii4 ,menschenmin ,vriendelijkheid of ,gematigdheid ,minzaamheid,a#fb is de ,begeerte om te doen wat den menschen behaagt en te laten wat hen mishaagt4 ,,xliv4 ,eerzucht is onmatige ,begeerte naar roem4 ,toelichting3 ,eerzucht is een ,begeerte1 door welke 7vlg4 ,st4 ,,xxvii en ,,xxxi v4d4 ,d47 alle aandoeningen worden aangewakkerd en versterkt en daarom is deze aandoening bijna niet te overwinnen4 ,want zoolang als de mensch door welke begeerte ook bevangen is1 is hij noodzakelijk tevens bevangen door deze4 ,de allerbesten zeide ,cicero,v#ae1 worden in hooge mate door ,eerzucht geleid4 ,zelfs wijsgeeren1 die schrijven over de verachtelijkheid van den roem1 zetten hun naam op hun boeken1 enz4 ,voetnoot #ae3 ,pro archia ,,xi4 ,,xlv4 ,gulzigheid is onmatige ,begeerte of ook wel ,liefde tot gastmalen4 ,,xlvi4 ,drankzucht is onmatige ,begeerte en ,liefde tot drinken4 ,,xlvii4 ,hebzucht is onmatige ,begeerte en ,liefde tot rijkdommen4 ,,xlviii4 ,wellustigheid eindelijk is ,begeerte en ,liefde tot lichamelijke vermenging4 ,toelichting3 ,deze begeerte tot vermenging pleegt men steeds wellustigheid te noemen1 onverschillig of zij gematigd is of niet4 ,voorts merk ik op dat deze vijf aandoeningen 7gelijk ik reeds in ,opmerking ,st4 ,,lvi v4d4 ,d4 in herinnering bracht7 geen tegengestelden hebben4 ,want ,gematigdheid is een soort van eerzucht 7zie ,opmerking ,st4 ,,xxix v4d4 ,d47 en dat ,matigheid1 ,nuchterheid en ,kuischheid zielskrachten aanduiden1 maar geen lijdingen1 heb ik ook reeds opgemerkt4 ,en ofschoon het zeer goed kan voorkomen dat een hebzuchtig1 eerzuchtig of vreesachtig man zich onthoudt van overmatig gebruik van spijs en drank en overmatig geslachtsverkeer1 zoo zijn toch ,hebzucht1 ,eerzucht en ,vreesachtigheid geenszins tegenstellingen van ,gulzigheid1 ,drankzucht of ,wellustigheid4 ,immers een gierigaard is er meestal op belust zich met spijs en drank van anderen vol te stoppen4 ,en de eerzuchtige zal1 zoo hij slechts mag verwachten dat het geheim blijft1 nergens maat in houden en indien hij onder dronkaards en wellustelingen verkeert1 juist wijl hij eerzuchtig is1 nog meer tot die ondeugden geneigd zijn4 ,de vreesachtige tenslotte doet dingen1 welke hij niet doen wil4 ,want al werpt hij1 om den dood te ontkomen1 zijn rijkdommen in zee1 hij blijft niettemin een vrek1 en wanneer een wellusteling zich bedroeft omdat hij zijn lust niet kan bevredigen1 houdt hij daarom nog niet op een wellusteling te zijn4 ,in het algemeen hebben deze aandoeningen niet zoozeer betrekking op de handelingen van eten1 drinken enz41 als wel op den lust en de neiging daartoe zelf4 ,niets kan dus tegenover deze aandoeningen worden gesteld1 behalve ,edelmoedigheid en ,zielskracht2 waarover in het volgende4 ,de definitie der ,jaloerschheid en der overige ,gemoedsweifelingen ga ik stilzwijgend voorbij1 zoowel omdat zij ontstaan door samenstelling der reeds omschreven aandoeningen1 alsook omdat de meesten geen naam dragen1 hetgeen wel bewijst dat het voor het dagelijksch leven voldoende is ze slechts als soort te kennen4 ,overigens blijkt uit de definities der aandoeningen1 welke wij hebben toegelicht1 dat zij allen ontstaan uit ,begeerte1 ,blijheid en ,droefheid1 of liever1 dat zij niets anders zijn dan deze drie1 welke ieder verschillende namen plegen te dragen naar gelang van de verschillende uitwendige zaken1 waarop zij betrekking hebben en de benamingen daarvan4 ,bepalen wij nu eens onze aandacht tot deze drie oorspronkelijke aandoeningen en tot wat wij hierboven gezegd hebben over den aard van den ,geest1 zoo zullen wij de aandoeningen1 voorzoover zij alleen betrekking hebben op den ,geest1 aldus kunnen omschrijven4 ,,algemeene ,,definitie ,,der ,,aandoeningen ,die aandoening1 welke men ,gemoeds-aandoening,a#fc lijding noemt1 is een verwarde voorstelling1 waarin de ,geest tot erkenning komt van een grootere of geringere bestaanskracht van zijn ,lichaam of van een van deszelfs deelen1 dan dit te voren bezat en door welke de ,geest genoopt wordt aan een bepaald iets eerder te denken dan aan iets anders4 ,toelichting3 ,ik zeg ten eerste dat een aandoening of lijding des gemoeds een verwarde voorstelling is4 ,immers wij hebben 7zie ,st4 ,,iii v4d4 ,d47 aangetoond dat de ,geest slechts in zoover lijdt als hij inadaequate of verwarde voorstellingen heeft4 ,ik zeg vervolgens waarin de ,geest tot erkenning komt van een grootere of geringere bestaanskracht van zijn ,lichaam of van een van deszelfs deelen1 dan dit te voren bezat4 ,immers alle voorstellingen welke wij van voorwerpen hebben1 geven 7vlg4 ,gevolg ,,ii ,st4 ,,xvi ,d4 ,,ii7 meer den werkelijken toestand van ons ,lichaam dan den aard van het uitwendige voorwerp weer4 ,en die voorstelling1 welke het wezen van een aandoening uitmaakt moet dien toestand van het ,lichaam of van een van deszelfs deelen weergeven of uitdrukken1 waarin dit ,lichaam zelf of waarin een van deszelfs deelen verkeert1 doordat zijn vermogen om te handelen of te bestaan wordt vermeerderd of verminderd1 bevorderd of belemmerd4 ,doch men merke op dat ik1 wanneer ik zeg3 een grootere of geringere bestaanskracht1 dan het te voren bezat1 hiermede niet bedoel dat de ,geest den tegenwoordigen toestand des ,lichaams met een verleden toestand vergelijkt1 doch dat de voorstelling1 welke het wezen der aandoening uitmaakt1 iets omtrent het ,lichaam erkent bevestigt dat meer of minder werkelijkheid in zich sluit dan een vroegere voorstelling4 ,en aangezien 7vlg4 ,st4 ,,xi en ,,xiii ,d4 ,,ii7 het wezen van den ,geest drin bestaat1 dat hij het werkelijk bestaan van het eigen ,lichaam bevestigt en wij onder volmaaktheid het wezen zelf van iets verstaan1 volgt hieruit dus dat de ,geest tot grootere of geringere volmaaktheid overgaat1 wanneer hij iets omtrent zijn ,lichaam of een van deszelfs deelen bevestigt1 dat meer of minder werkelijkheid in zich sluit dan tevoren4 ,toen ik dus hierboven zeide1 dat de denkkracht van den ,geest vermeerderde of verminderde1 heb ik niets anders te kennen willen geven1 dan dat de ,geest een voorstelling van zijn ,lichaam of van een van deszelfs deelen vormde1 welke meer of minder werkelijkheid uitdrukte1 dan wat hij tevoren omtrent zijn ,lichaam had bevestigd4 ,immers de voortreffelijkheid onzer voorstellingen en onze werkelijke denkkracht worden beoordeeld naar de voortreffelijkheid van hun voorwerp4 ,ik heb tenslotte nog toegevoegd3 door welker aanwezigheid de ,geest genoopt wordt aan een bepaald iets eerder te denken dan aan iets anders om1 behalve den aard van ,blijheid en ,droefheid1 welke in het eerste gedeelte der definitie liggen besloten1 ook nog den aard der ,begeerte uit te drukken4 ,einde van het ,derde ,deel4 99 99 99 99 99 ,,iv4 ,,over ,,de ,,menschelijke ,,knechtschap ,,of ,,de ,,macht ,,der ,,aandoeningen 99 99 99 99 99 ,,voorrede ,de menschelijke machteloosheid in het matigen en bedwingen der aandoeningen1 noem ik knechtschap2 immers de mensch die aan zijn aandoeningen onderworpen is1 leeft niet naar eigen wil1 doch naar dien der fortuin1 in wier macht hij zoozeer is1 dat hij dikwijls gedwongen wordt om1 schoon hij het betere ziet1 het slechtere te volgen,a#di4 ,de oorzaak hiervan1 en wat er goeds of kwaads in de aandoeningen ligt1 stel ik mij voor in dit ,deel uiteen te zetten4 ,maar alvorens hiermede te beginnen wensch ik nog een en ander over volmaaktheid en onvolmaaktheid1 goed en kwaad1 te doen voorafgaan4 ,wie zich had voorgenomen iets te doen en dit ook werkelijk gedaan heeft1 zal zeggen dat zijn taak volbracht voltooid1 volmaakt is4 ,en niet alleen hijzelf1 maar ook ieder die den ,geest van den maker van dit werk1 en tevens het gestelde doel1 goed kende of meende te kennen4 ,zoo zal men bijvoorbeeld1 wanneer men een of ander werk 7waarvan ik aanneem dat het nog niet voltooid is7 ziet1 en weet dat het de bedoeling van den maker ervan was een huis te bouwen1 dit huis onvoltooid noemen2 voltooid daarentegen zoodra men ziet dat het werk is doorgezet tot aan het doel dat zijn maker zich bij zijn arbeid had gesteld4 ,indien men evenwel een of ander werk aanschouwt1 welks gelijke men nog nooit gezien heeft en daarbij evenmin den geest van den vervaardiger kent1 zal men natuurlijk niet kunnen weten of dit werk voltooid volmaakt of onvoltooid onvolmaakt is4 ,dit schijnt de oorspronkelijke beteekenis dier woorden te zijn geweest4 ,doch sinds de mensch begon met algemeen begrippen te vormen en voorbeelden te bedenken van huizen1 gebouwen1 torens enz41 en aan het eene voorbeeld de voorkeur te geven boven het andere1 moest ieder wel dtgene volmaakt gaan noemen1 wat overeen kwam met de algemeene voorstelling1 welke hj zich omtrent die zaak gevormd had1 en omgekeerd onvolmaakt1 wat minder aan het door hemzelf aangenomen voorbeeld beantwoordde1 ook al was het volgens de bedoeling van den vervaardiger geheel en al voltooid4 ,geen andere reden ook schijnt er te zijn1 waarom men natuurlijke voortbrengselen--ik bedoel dingen1 welke niet door menschenhand vervaardigd zijn1 volmaakt of onvolmaakt noemt4 ,men pleegt immers evengoed van natuurlijke als van kunstmatige dingen algemeene voorstellingen te vormen1 welke men als het ware als voorbeelden dier dingen beschouwt en waarvan men zich inbeeldt dat ook de ,natuur 7welke naar men meent niets zonder een of andere bedoeling doet7 ze als zoodanig beschouwt en aan zichzelf voorhoudt4 ,wanneer men dus iets in de ,natuur waarneemt dat met de aangenomen voorstelling1 welke men omtrent zaken van dien aard heeft1 minder goed overeenstemt1 meent men dat de ,natuur zelf gefaald en gezondigd heeft en die bedoelde zaak onvolmaakt heeft gelaten4 ,wij zien dus dat men zich meer op grond van vooroordeel1 dan op grond van waarachtige kennis heeft aangewend1 natuurvoortbrengselen volmaakt of onvolmaakt te noemen4 ,immers in het ,aanhangsel van het ,eerste ,deel hebben wij aangetoond dat de ,natuur geenszins met bedoeling handelt2 dit eeuwige en oneindige ,wezen toch1 dat wij ,god of ,natuur noemen1 handelt slechts met diezelfde noodwendigheid1 krachtens welke het bestaat4 ,want wij hebben aangetoond dat het handelt krachtens diezelfde wezens-noodwendigheid waardoor het ook beslaat 7,zie ,st4 ,,xvi ,d4 ,i74 ,de reden of oorzaak dus waardoor ,god1 ofwel de ,natuur1 handelt en waardoor hij bestaat1 zijn n en dezelfde4 ,evenmin als ,hij dus terwille van eenig doel bestaat1 evenmin handelt hij terwille van eenig doel2 doch evenmin als zijn bestaan1 heeft zijn handelen begin of einde4 ,wat men evenwel een doeloorzaak noemt1 is niets anders dan menschelijke ,begeerte1 voorzoover deze beschouwd wordt als begin of eerste oorzaak van eenig ding4 ,wanneer wij bijvoorbeeld zeggen dat bewoning de doeloorzaak is van een of ander huis1 verstaan wij hieronder toch zeker niets anders dan dat iemand1 wijl hij zich de gemakken van het huiselijk leven voorstelde1 het verlangen gevoelde om een huis te bouwen4 ,zoodat bewoning1 opgevat als doeloorzaak1 niets anders is als deze bijzondere ,begeerte zelf1 welke inderdaad de bewerkende oorzaak is1 maar alleen als rste oorzaak wordt beschouwd1 wijl de menschen gemeenlijk de oorzaken hunner begeerten niet kennen4 ,immers de menschen zijn1 gelijk ik reeds herhaaldelijk betoogd heb1 zich wel bewust van hun daden en begeerten1 maar niet van de oorzaken1 waardoor zij gedreven worden iets te begeeren4 ,de gewone bewering overigens1 dat de ,natuur kan falen of zondigen en onvolmaakte dingen voortbrengt1 reken ik tot die verzinsels welke ik in het ,aanhangsel van het ,eerste ,deel heb behandeld4 ,volmaaktheid en ,onvolmaaktheid zijn dus in werkelijkheid slechts vormen van ,denken1 ,begrippen namelijk welke wij plegen te verzinnen1 doordat wij enkeldingen van dezelfde soort of hetzelfde geslacht onderling vergelijken2 en het is daarom dat ik hierboven 7,definitie ,,vi ,d4 ,,ii7 gezegd heb dat ik onder werkelijkheid en volmaaktheid hetzelfde versta4 ,immers1 wij zijn gewoon alle enkeldingen in de ,natuur onder n soort kategorie1 welke wij als de meest algemeene beschouwen1 samen te vatten1 namelijk onder het begrip zijn1 dat toepasselijk is op alle enkeldingen in de ,natuur zonder uitzondering4 ,voorzoover wij dus de enkeldingen in de ,natuur onder dit ne begrip samenvatten en met elkaar vergelijken en daarbij bevinden dat het eene mr zijn of werkelijkheid heeft dan het andere1 zeggen wij ook dat het eene volmaakter is dan het andere4 ,voorzoover wij daarentegen dingen aan hen toeschrijven1 welke een ontkenning in zich sluiten1 zooals begrensdheid1 eindigheid1 onvermogen enz41 noemen wij ze onvolmaakt1 wijl zij onzen ,geest niet op dezelfde wijze aandoen als die1 welke wij volmaakt noemen1 doch geenszins wijl hun iets1 dat hun toekomt1 zou ontbreken1 of wijl de ,natuur zou hebben gezondigd4 ,niets toch komt van nature aan iets toe dan datgene wat uit den noodwendigen aard der bewerkende oorzaak voortvloeit en datgene1 wat uit dien noodwendigen aard der bewerkende oorzaak voortvloeit1 geschiedt ook met noodwendigheid4 ,wat goed en kwaad betreft1 ook deze woorden duiden niets positief aan in de dingen op zichzelf beschouwd1 ook zij zijn niets anders dan vormen van ,denken1 of begrippen1 welke wij vormen1 doordat wij dingen onderling vergelijken4 ,want n en dezelfde zaak kan op hetzelfde tijdstip goed en kwaad1 of ook wel onverschillig zijn4 ,zoo is bijvoorbeeld muziek goed voor den weemoedige1 slecht voor den treurende1 doch voor den doove goed noch kwaad4 ,evenwel moeten wij1 niettegenstaande dit zoo is1 deze woorden toch blijven gebruiken4 ,want aangezien wij ons toch een voorstelling wenschen te vormen van den mensch1 welke wij als een voorbeeld ideaal van den geheelen menschelijken aard kunnen beschouwen1 zal het voor ons van nut zijn om die woorden in den door mij omschreven zin te behouden4 ,onder goed zal ik dus in het vervolg verstaan datgene1 waarvan wij zeker weten dat het een middel is om meer en meer dit ideaal van den menschelijken aard1 dat wij ons voor oogen stellen1 te benaderen4 ,onder kwaad daarentegen dat1 waarvan wij zeker weten dat het ons belemmert aan dit ideaal te beantwoorden4 ,voorts zullen wij de menschen volmaakter of onvolmaakter noemen naar gelang zij meer of minder tot dit ideaal naderen4 ,want ik moet in de eerste plaats doen opmerken dat ik1 wanneer ik zeg dat iemand van geringer tot grooter volmaaktheid overgaat en omgekeerd1 hiermede niet bedoel dat hij van wezen of bestaansvorm zou veranderen 7een paard bijvoorbeeld zou als zoodanig te gronde gaan1 wanneer het in een mensch of insekt veranderd werd71 maar dat zijn vermogen tot handelen1 voorzoover dit uit zijn eigen aard kan worden verklaard1 naar onze voorstelling toeneemt of afneemt4 ,onder volmaaktheid in het algemeen tenslotte versta ik1 gelijk ik reeds zeide1 de werkelijkheid1 d4w4z4 het wezen van ieder ding1 voorzoover het op bepaalde wijze bestaat en werkt1 ongeacht zijn duur4 ,want geen enkel bijzonder ding kan volmaakter genoemd worden1 alleen wijl het iets langer in zijn bestaan heeft volhard4 ,de duur der dingen toch kan niet uit hun wezen worden afgeleid1 aangezien het wezen der dingen geen bepaalden en vastgestelden tijd van bestaan in zich sluit1 maar elk ding1 onverschillig of het meer of minder volmaakt is1 door dezelfde kracht waardoor het begon te bestaan1 in dit bestaan zal blijven volharden2 zoodat alle dingen in dit opzicht gelijk zijn4 ,,definities ,i4 ,onder goed versta ik datgene1 waarvan wij zeker weten dat het nuttig voor ons is4 ,,ii4 ,onder kwaad slecht1 verkeerd daarentegen datgene1 waarvan wij zeker weten dat het ons belemmert iets goeds te bereiken verkrijgen4 7,zie hierover de voorgaande ,voorrede1 aan het slot47 ,,iii4 ,bijzondere dingen noem ik toevallig gebeurlijk voorzoover wij1 uitsluitend lettende op hun wezen1 niets vinden dat hun bestaan noodzakelijk stelt1 noch het noodzakelijk uitsluit4 ,,iv4 ,diezelfde bijzondere dingen noem ik mogelijk1 voorzoover wij1 lettende op de oorzaken1 welke hen te weeg moeten brengen1 niet weten of deze inderdaad gedwongen zijn ze voort te brengen4 7,in ,opmerking ,i ,stelling ,,xxxiii ,deel ,i heb ik tusschen mogelijk en toevallig geenerlei onderscheid gemaakt1 wijl het daar niet noodig was deze begrippen nauwkeurig te onderscheiden47,a#fd ,v4 ,onder tegenstrijdige aandoeningen zal ik in het vervolg zulke verstaan1 welke den mensch naar verschillende kanten heentrekken1 ook al zijn ze van dezelfde soort1 zooals weeldezucht en gierigheid1 welke beide soorten van ,liefde zijn4 ,zij zijn niet van nature1 maar door toevallige omstandigheden tegenstrijdig4 ,,vi4 ,wat ik onder een aandoening in verband met een toekomstige1 tegenwoordige of verleden zaak versta1 heb ik uiteen gezet in de ,opmerkingen ,i en ,,ii bij ,stelling ,,xviii ,deel ,,iii4 ,zie aldaar4 7,het is hier de plaats om te doen opmerken1 dat wij ons ook afstanden1 zoowel van ruimte als van tijd1 slechts tot aan een bepaalde grens duidelijk kunnen voorstellen4 ,dat wil zeggen3 evenals wij ons alle voorwerpen1 welke meer dan tweehonderd voet van ons verwijderd zijn1 of wier afstand van de plaats waar wij ons bevinden1 den afstand1 waarop wij duidelijk kunnen waarnemen1 overschrijdt1 als even ver van ons af en volkomen in hetzelfde vlak gelegen plegen voor te stellen2 evenzoo stellen wij ons voor1 dat zaken wier tijdstippen van bestaan ons door een langer tijdsverloop van het heden gescheiden lijken dan wij gewoonlijk duidelijk onderscheiden1 allen evenlang geleden zijn en brengen wij ze allen als het ware tot n tijdstip terug47 ,,vii4 ,onder het doel1 terwille waarvan de bedoeling waarmee wij iets doen1 versta ik den drang4 ,,viii4 ,onder deugd kracht en vermogen macht versta ik hetzelfde4 ,d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,viii ,d4 ,,iii7 ,deugd kracht is1 voorzoover zij betrekking heeft op den mensch1 's menschen wezen of aard zelf1 voorzoover dit het vermogen de macht bezit dingen tot stand te brengen1 welke uit de wetten van dien aard alleen reeds verklaarbaar zijn4 ,,grondwaarheid 7,axioma7 ,in de wereld der dingen bestaat er geen enkel bijzonder ding1 dat niet door een ander1 dat machtiger en sterker is1 kan worden overtroffen4 ,wat er ook bestaat1 altijd is er iets machtigers denkbaar1 waardoor het kan worden vernietigd4 ,,stellingen ,stelling ,i4 ,niets van wat er positiefs in een valsche voorstelling ligt1 wordt opgeheven door de aanwezigheid der waarheid als zoodanig4 ,bewijs4 ,valschheid bestaat 7vlg4 ,st4 ,,xxxv ,d4 ,,ii7 alleen in het ontbreken van kennis1 dat inadaequaten voorstellingen aankleeft2 er is in deze voorstellingen 7vlg4 ,st4 ,,xxxiii ,d4 ,,ii7 ook niets positiefs1 waarom zij valsch genoemd kunnen worden4 ,integendeel1 voorzoover ze tot ,god worden teruggebracht1 zijn zij waar 7vlg4 ,st4 ,,xxxii ,d4 ,,ii74 ,indien dus datgene wat er positiefs ligt in een valsche voorstelling werd opgeheven door de aanwezigheid der waarheid als zoodanig1 zou een ware voorstelling door zichzelf worden opgeheven1 hetgeen 7vlg4 ,st4 ,,iv ,d4 ,,iii7 ongerijmd is4 ,derhalve3 niets van wat1 enz4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,deze stelling is nog helderder te begrijpen uit ,gevolg ,,ii van ,stelling ,,xvi ,deel ,,ii4 ,een inbeelding,a#fe toch is een voorstelling welke meer den oogenblikkelijken toestand van het menschelijk ,lichaam1 dat den aard van een uitwendig voorwerp weergeeft en dat nog wel niet duidelijk1 doch verward4 ,vandaar dat men zegt dat de ,geest dwaalt4 ,wanneer wij bijvoorbeeld naar de zon kijken1 beelden wij ons in dat zij omstreeks tweehonderd voet van ons af staat en wij blijven net zoo lang in deze dwaling1 als wij onwetend zijn omtrent haar waren afstand4 ,kennen wij echter dien afstand1 dan wordt daardoor weliswaar de dwaling opgeheven1 doch niet die inbeelding1 d4w4z4 die voorstelling van de zon1 welke haren aard slechts in zoover uitdrukt als het ,lichaam er de inwerking van ondervindt2 en wij zullen derhalve1 ook al kennen wij haar waren afstand1 haar niettemin als dichtbij zien4 ,want gelijk wij reeds in de ,opmerking bij ,stelling ,,xxxv ,deel ,,ii zeiden3 niet drom stellen wij ons de zon zoo dichtbij voor1 wijl wij haar waren afstand niet kennen1 doch wijl de ,geest de grootte van de zon waarneemt op grond van de inwerking1 welke het ,lichaam door haar ondergaat4 ,zoo stellen wij ons voor dat de zon in het water is1 wanneer haar stralen1 invallend op een watervlak1 naar onze oogen worden teruggekaatst1 ofschoon wij haar juiste plaats kennen4 ,en zoo is het met alle andere inbeeldingen1 welke den ,geest misleiden1 hetzij dat zij een natuurlijken toestand des ,lichaams weergeven1 hetzij dat zij vermeerdering of vermindering van zijn vermogen tot handelen aanduiden2 tegenstrijdig aan de waarheid zijn zij niet en evenmin verdwijnen zij bij haar aanwezigheid4 ,wel komt het voor dat1 wanneer wij ten onrechte eenig kwaad vreezen1 onze vrees verdwijnt bij het hooren van de ware tijding1 maar omgekeerd komt het evenzeer voor1 dat wanneer wij een kwaad vreezen dat zker komen moet1 deze vrees verdwijnt bij het hooren van een valsche tijding4 ,derhalve verdwijnen inbeeldingen niet door de aanwezigheid der waarheid als zoodanig1 doch wijl er zich andere voorstellingen voordoen1 welke sterker zijn en het oogenblikkelijke bestaan dier dingen1 welke wij ons hadden ingebeeld1 uitsluiten1 gelijk wij in ,stelling ,,xvii ,deel ,,ii aantoonden4 ,stelling ,,ii4 ,wij lijden voorzoover wij een deel der ,natuur zijn1 dat op zichzelf en zonder verband met andere dingen1 niet denkbaar is4 ,bewijs4 ,wij zeggen dn dat wij lijden1 wanneer er iets met ons geschiedt1 waarvan wij slechts tendeele zelf oorzaak zijn 7vlg4 ,definitie ,,ii ,d4 ,,iii71 d4w4z4 7vlg4 ,definitie ,i ,d4 ,,iii7 iets dat niet uit de wetten van onzen aard alleen kan worden afgeleid4 ,derhalve lijden wij voorzoover wij een deel der ,natuur zijn1 dat op zichzelf en zonder verband met andere dingen1 niet denkbaar is4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,iii4 ,de kracht1 waarmede de mensch in zijn bestaan volhardt1 is beperkt en wordt door de macht van uitwendige oorzaken oneindig overtroffen4 ,bewijs4 ,dit blijkt uit het ,axioma van dit ,deel4 ,immers gegeven een mensch1 zoo is er iets anders1 zeg ,a1 dat machtiger is2 en gegeven ,a1 zoo is er weer iets anders1 zeg ,b1 machtiger dan ,a1 en zoo tot in het oneindige4 ,dus is de macht van den mensch door de macht van iets anders beperkt en wordt zij door die van uitwendige oorzaken oneindig overtroffen4 ,stelling ,,iv4 ,het is onmogelijk dat de mensch niet een deel der ,natuur zou zijn en dat hij niet ook andere wijzigingen zou ondergaan dan zoodanige1 welke uit zijn eigen aard alleen te verklaren zijn en waarvan hij de adaequate oorzaak is4 ,bewijs4 ,de macht waardoor de bijzondere dingen1 en bijgevolg ook de menschen1 hun bestaan handhaven is 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,xxiv ,d4 ,i7 de macht van ,god of van de ,natuur zelf1 niet voorzoover deze oneindige is1 maar 7vlg4 ,st4 ,,vii ,d4 ,,iii7 voorzoover zij zich in het werkelijk feitelijk bestaand wezen van den mensch openbaart4 ,de menschelijke macht1 voorzoover zij zich in zijn eigen werkelijk wezen openbaart1 is dus een deel van de oneindige macht van ,god of van de ,natuur1 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,xxxiv ,d4 ,i7 van hun wezen4 ,dit wat het eerste betreft4 ,indien het voorts wl mogelijk ware1 dat de mensch geen veranderingen kon ondergaan dan uitsluitend zoodanige welke uit zijn eigen aard alleen te verklaren waren1 zou hieruit 7vlg4 ,st4 ,,iv en ,,vi ,d4 ,,iii7 volgen1 dat hij niet kon te gronde gaan1 maar noodzakelijk voortdurend moest blijven bestaan2 en wel zou dit een gevolg moeten zijn van een oorzaak1 wier macht f eindig f oneindig was1 namelijk f van de menschelijke macht zelf1 welke dan in staat zou moeten zijn alle veranderingen van zich af te houden1 welke uit uitwendige oorzaken zouden kunnen voortvloeien1 f van de oneindige macht der ,natuur1 waardoor dan alle bijzondere dingen z zouden moeten zijn ingericht1 dat de mensch geen veranderingen kon ondergaan dan slechts zoodanige1 welke tot zijn behoud strekken4 ,maar het eerste is ongerijmd 7vlg4 de voorgaande ,stelling1 welker bewijs algemeen geldig is en voor alle bijzondere dingen kan worden aangewend74 ,derhalve3 indien het mogelijk ware1 dat de mensch geen veranderingen kon ondergaan dan alleen zoodanige1 welke uit den aard van den mensch zelf te verklaren zijn en dat hij bijgevolg 7gelijk wij reeds aantoonden7 noodzakelijk voortdurend zou blijven bestaan1 dan zou dit een gevolg moeten zijn van ,gods oneindige macht en bijgevolg zou 7vlg4 ,st4 ,,xvi ,d4 ,i7 uit de noodwendigheid van den goddelijken aard1 beschouwd als zich openbarende in de voorstelling van een of anderen mensch1 de geheele orde der ,natuur1 zooals die zich openbaart in de attributen van ,denken en ,uitgebreidheid1 moeten worden afgeleid2 waaruit dus volgen zou 7vlg4 ,st4 ,,xxi ,d4 ,i7 dat de mensch oneindig was1 hetgeen 7vlg4 het eerste deel van dit bewijs7 ongerijmd is4 ,derhalve is het onmogelijk dat de mensch niet ook andere wijzigingen zou kunnen ondergaan dan alleen zoodanige1 waarvan hijzelf de adaequate oorzaak is4 ,h4t4b4w4 ,gevolg3 ,hieruit volgt dat de mensch noodzakelijk aan lijdingen onderworpen is2 de algemeene orde der ,natuur volgt en gehoorzaamt en1 voorzoover de aard der dingen dit eischt1 zich daarbij aanpast4 ,stelling ,v4 ,de kracht en toeneming van een of andere lijding en haar vermogen om zich te handhaven1 worden niet bepaald door de macht1 waardoor wijzelf in ons bestaan trachten te volharden1 doch door de macht van een uitwendige oorzaak in verhouding tot onze eigene4,a#ff ,bewijs4 ,het wezen eener lijding kan 7vlg4 ,definitie ,i en ,,ii ,d4 ,,iii7 niet uit ons wezen alln verklaard worden1 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,vii ,d4 ,,iii7 de kracht eener lijding kan niet bepaald worden door het vermogen1 waardoor wij in ons bestaan trachten te volharden1 maar moet 7gelijk in ,st4 ,,xvi ,d4 ,,ii werd aangetoond7 noodzakelijk bepaald worden door de macht eener uitwendige oorzaak in verhouding tot onze eigene4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,vi4 ,de kracht van een of andere lijding of aandoening kan alle andere handelingen levensuitingen en vermogens des menschen zoozeer overtreffen1 dat deze aandoening hem voortdurend beheerscht4 ,bewijs4 ,de kracht en toeneming van iedere lijding en haar vermogen om zich te handhaven1 worden 7vlg4 voorgaande ,st47 bepaald door de macht eener uitwendige oorzaak in verhouding tot onze eigene4 ,zij kan dus 7vlg4 ,st4 ,,iii v4d4 ,d47 de macht des menschen overtreffen enz4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,vii4 ,een aandoening kan alleen worden bedwongen of opgeheven door een andere1 tegengesteld aan en sterker dan die welke bedwongen moet worden4 ,bewijs4 ,een aandoening1 voorzoover zij den ,geest betreft1 is 7vlg4 de ,algemeene ,definitie der ,aandoeningen1 te vinden aan het einde van het ,derde ,deel7 een voorstelling1 waarin de ,geest tot bewustzijn van een grootere of geringere bestaanskracht zijns ,lichaams komt4 ,wanneer dus de ,geest door een of andere aandoening wordt bewogen1 ondergaat tevens het ,lichaam een inwerking1 waardoor zijn vermogen tot handelen toeneemt of afneemt4 ,deze lichaamsaandoening nu ontvangt 7vlg4 ,st4 ,v v4d4 ,d47 haar vermogen1 om in haar bestaan te volharden1 van haar oorzaak1 welk vermogen dus 7vlg4 ,st4 ,,vi ,d4 ,,ii7 alleen kan worden bedwongen of opgeheven door een lichamelijke oorzaak1 welke 7vlg4 ,st4 ,v ,d4 ,,iii7 op een tegenovergestelde wijze op het ,lichaam inwerkt en 7vlg4 ,axioma v4d4 ,d47 sterker is1 zoodat 7vlg4 ,st4 ,,xii ,d4 ,,ii7 de ,geest de voorstelling krijgt eener aandoening1 sterker dan en tegengesteld aan de eerste2 d4w4z4 7vlg4 ,alg4 ,def4 der ,aand47 zoodat de ,geest een aandoening ondergaat1 sterker dan en tegengesteld aan de eerste1 welke dan het bestaan dezer eerste uitsluit of opheft4 ,derhalve kan een aandoening alleen worden opgeheven of bedwongen door een tegengestelde en sterkere4 ,h4t4b4w4 ,gevolg3 ,een aandoening1 voorzoover zij den ,geest betreft1 kan alleen worden bedwongen of opgeheven door de voorstelling van een inwerking op het ,lichaam1 tegengesteld aan en sterker dan de aandoening welke wij ondergaan4 ,immers de aandoening welke wij ondergaan kan 7vlg4 voorgaande ,st47 alleen worden bedwongen of opgeheven door een andere1 tegengesteld en sterker1 d4w4z4 7vlg4 ,alg4 ,def4 der ,aand47 alleen door de voorstelling eener lichaamsaandoening1 welke sterker is dan en tegengesteld aan de aandoening welke wij ondergaan4 ,stelling ,,viii4 ,de kennis van goed en kwaad is niets anders dan een aandoening van ,blijheid of ,droefheid voorzoover wij ons daarvan bewust zijn4 ,wij noemen 7vlg4 ,definities ,i en ,,ii v4d4 ,d47 datgene goed of kwaad1 wat ons bij het handhaven van ons bestaan van nut is of in den weg staat1 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,vii ,d4 ,,iii7 wat ons vermogen tot handelen vermeerdert of vermindert1 bevordert of belemmert4 ,voorzoover wij dus 7vlg4 de ,definities van ,blijheid en ,droefheid1 zie ,opmerking ,st4 ,,xi ,d4 ,,iii7 waarnemen dat een of andere zaak ons ,blijheid of ,droefheid schenkt1 noemen wij haar goed of kwaad1 zoodat de kennis van goed of kwaad dus niets anders is dan die voorstelling van ,blijheid of ,droefheid1 welke 7vlg4 ,st4 ,,xxii ,d4 ,,ii7 noodzakelijk op de aandoening van ,blijheid of ,droefheid volgt4 ,doch deze voorstelling is 7vlg4 ,st4 ,,xxi ,d4 ,,ii7 op dezelfde wijze vereenigd met die aandoening als de ,geest met het ,lichaam1 d4w4z4 7gelijk in de ,opmerking bij diezelfde stelling werd aangetoond71 deze voorstelling is van die aandoening zelf1 of 7vlg4 ,alg4 ,def4 der ,aand47 van de voorstelling dier inwerking op het ,lichaam1 inderdaad niet anders onderscheiden dan alleen in onze opvatting4 ,derhalve is deze kennis van goed en kwaad niets anders dan de aandoening zelf1 voorzoover wij er ons van bewust zijn4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,ix4 ,een aandoening1 waarvan wij ons verbeelden dat haar oorzaak op het oogenblik aanwezig is1 is sterker1 dan wanneer wij ons deze oorzaak niet aanwezig denken4 ,bewijs4 ,een verbeelding is een voorstelling waarin de ,geest iets als aanwezig beschouwt 7zie haar ,definitie in de ,opmerking bij ,st4 ,,xvii ,d4 ,,ii7 welke echter 7vlg4 ,gevolg ,,ii ,st4 ,,xvi ,d4 ,,ii7 meer de gesteldheid van het menschelijk ,lichaam dan den aard van eenig uitwendig voorwerp aanduidt4 ,een aandoening is dus 7vlg4 ,alg4 ,def4 der ,aand47 een ,verbeelding voorzoover zij een toestand des ,lichaams aanduidt4 ,maar een ,verbeelding is te sterker 7vlg4 ,st4 ,,xvii ,d4 ,,ii7 zoolang wij ons niets voorstellen dat het aanwezige bestaan der uitwendige oorzaak uitsluit4 ,derhalve is ook een aandoening waarvan wij ons verbeelden dat daar oorzaak op het oogenblik aanwezig is1 heviger of sterker dan wanneer wij ons deze oorzaak niet aanwezig denken4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,toen ik hierboven1 in ,stelling ,,xviii ,deel ,,iii1 zeide dat wij door de voorstelling van een toekomstige of verleden zaak dezelfde aandoening ondergingen als wanneer die zaak1 welke wij ons verbeelden1 aanwezig ware1 heb ik daarbij uitdrukkelijk opgemerkt1 dat dit slechts waar was voorzoover wij alleen op de voorstelling van juist deze zaak letten4 ,immers deze blijft denzelfden aard behouden1 onverschillig of wij ons haar als aanwezig verbeeld hebben of niet4 ,ik heb echter niet ontkend1 dat zij zwakker wordt1 wanneer wij ook andere zaken als aanwezig beschouwen1 welke het oogenblikkelijk bestaan dier toekomstige of verleden zaak uitsluiten4 ,ik heb toen nagelaten dit op te merken1 omdat ik mij had voorgenomen eerst in dit ,deel over de kracht der aandoeningen te spreken4 ,gevolg3 ,de voorstelling van een toekomstige of verleden zaak1 welke wij1 met uitsluiting van den tegenwoordigen tijd1 alleen in betrekking tot den toekomstigen of verleden tijd beschouwen1 is1 onder overigens gelijke omstandigheden1 zwakker dan de voorstelling eener aanwezige zaak1 en bijgevolg zijn ook onze gevoelens jegens,a#fg een toekomstige of verleden zaak1 onder overigens gelijke omstandigheden1 zwakker dan die jegens een tegenwoordige4 ,stelling ,x4 ,door iets toekomstigs1 dat wij spoedig verwachten1 worden wij sterker aangedaan1 dan wanneer wij ons voorstellen dat het in een verder van het heden gelegen tijd zal bestaan of plaats grijpen1 en evenzoo doet de herinnering aan iets kort geledens ons sterker aan1 dan wanneer wij ons voorstellen dat het lang geleden bestond of gebeurde4 ,bewijs4 ,immers als wij ons voorstellen dat iets spoedig zal geschieden1 of kort geleden geschied is1 stellen wij ons daarmede vanzelf iets voor1 dat het oogenblikkelijk gebeuren ervan in mindere mate uitsluit1 dan wanneer wij ons voorstellen dat het in een verder van het heden gelegen tijd zal plaats grijpen1 of dat het lang geleden plaats greep 7gelijk vanzelf spreekt74 ,derhalve zullen wij 7vlg4 voorgaande ,st47 er ook sterker door worden aangedaan4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,uit hetgeen wij bij ,definitie ,,vi van dit ,deel hebben opgemerkt1 volgt dat wij door voorwerpen of gebeurtenissen1 welke een langer tijdsverloop van het heden verwijderd zijn dan wij met ons voorstellingsvermogen kunnen omvatten1 even zwak worden aangedaan1 ook al weten wij dat zij onderling door een grooten tusschenstrijd zijn gescheiden4 ,stelling ,,xi4 ,de aandoening1 teweeg gebracht door iets dat wij als noodwendig voorstellen1 is1 onder overigens gelijke omstandigheden1 krachtiger dan die1 veroorzaakt door iets mogelijks1 toevalligs of niet-noodwendigs4 ,bewijs4 ,voorzoover wij ons iets als noodwendig voorstellen1 bevestigen wij het bestaan ervan2 daarentegen ontkennen wij dat bestaan1 voorzoover wij het ons als niet-noodwendig denken 7vlg4 ,opmerking ,i ,st4 ,,xxxiii ,d4 ,i74 ,derhalve is 7vlg4 ,st4 ,,ix v4d4 ,d47 de aandoening1 opgewekt door iets noodwendigs1 onder overigens gelijke omstandigheden1 sterker dan die1 teweeg gebracht door iets niet-noodwendigs4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xii4 ,de aandoening1 opgewekt door iets1 waarvan wij weten dat het op het oogenblik niet bestaat1 maar dat wij voor mogelijk1 houden1 is1 onder overigens gelijke omstandigheden sterker dan die1 teweeg gebracht door iets wat wij ons als toevallig gebeurlijk denken4 ,bewijs4 ,voorzoover wij ons iets als toevallig gebeurlijk voorstellen worden wij 7vlg4 ,definitie ,,iii7 door geenerlei voorstelling van iets anders aangedaan1 welke het bestaan ervan zou onderstellen eischen4 ,integendeel1 wij stellen ons dan 7vlg4 het onderstelde7 juist dingen voor1 welke het oogenblikkelijk bestaan ervan uitsluiten4 ,voorzoover wij ons echter iets als in de toekomst mogelijk denken1 stellen wij ons dingen voor1 welke het bestaan ervan onderstellen 7vlg4 ,definities ,,iv v4d4 ,d471 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,xviii ,d4 ,,iii7 dingen1 welke ,hoop of ,vrees aanwakkeren4 ,derhalve is de aandoening door iets mogelijks te weeg gebracht1 heviger4 ,h4t4b4w4 ,gevolg3 ,de aandoening1 opgewekt door iets1 waarvan wij weten dat het op het oogenblik niet bestaat en dat wij ons als gebeurlijk voorstellen1 is veel zwakker dan wanneer wij ons deze zaak aanwezig denken4 ,bewijs4 ,de aandoening1 opgewekt door iets dat wij ons als op het oogenblik bestaande voorstellen1 is sterker dan wanneer wij het ons als toekomstig denken 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,ix v4d4 ,d47 en nog veel heviger is zij1 als wij ons dien toekomstigen tijd zeer ver van het heden verwijderd denken1 7vlg4 ,st4 ,x v4d4 ,d474 ,derhalve is de aandoening1 opgewekt door iets dat wij ons ver van het heden verwijderd denken1 veel zwakker1 dan wanneer wij ons het in het heden voorstellen1 doch 7vlg4 voorgaande ,st47 niettemin toch sterker1 dan wanneer wij het ons als toevallig denken4 ,derhalve zal de aandoening1 opgewekt door iets dat wij voor gebeurlijk houden zwakker zijn dan die1 teweeg gebracht door iets dat wij ons als in het heden aanwezig voorstellen4 ,stelling ,,xiii4 ,de aandoening1 opgewekt door iets gebeurlijks1 waarvan wij weten dat het op het oogenblik niet bestaat1 is1 onder overigens gelijke omstandigheden1 zwakker dan die1 teweeg gebracht door iets verledens4 ,bewijs4 ,voorzoover wij ons iets als gebeurlijk voorstellen1 wordt er geenerlei voorstelling van iets anders in ons opgewekt1 welke het bestaan dier zaak onderstelt 7vlg4 ,definitie ,,iii v4d4 ,d474 ,integendeel1 wij stellen ons dan 7vlg4 het onderstelde7 juist dingen voor1 welke haar oogenblikkelijk bestaan uitsluiten4 ,voorzoover wij ons haar echter in verband met den verleden tijd voorstellen1 worden wij verondersteld aan iets te denken1 dat haar in het geheugen terug roept1 ofwel dat het beeld dier zaak opwekt 7zie ,st4 ,,xviii ,d4 ,,ii7 en dat daardoor bewerkt1 dat wij haar beschouwen als ware zij tegenwoordig 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,xvii ,d4 ,,ii74 ,derhalve zal 7vlg4 ,st4 ,,ix v4d4 ,d47 de aandoening1 opgewekt door iets gebeurlijks1 waarvan wij weten dat het op het oogenblik niet bestaat1 onder gelijke omstandigheden1 zwakker zijn dan die1 teweeg gebracht door iets verledens4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xiv4 ,de ware kennis van goed en kwaad kan1 beschouwd als waarheid1 geen enkele aandoening temperen1 doch zij kan dit alleen1 voorzoover zijzelf als aandoening beschouwd wordt4 ,bewijs4 ,een aandoening is een voorstelling1 waarin de ,geest een grootere of geringere bestaanskracht zijns ,lichaams1 dan dit1 tevoren bezat1 bevestigt 7vlg4 ,alg4 ,def4 der ,aand47 en heeft dus 7vlg4 ,st4 ,i v4d4 ,d47 niets positiefs in zich1 dat door de tegenwoordigheid van iets waars zou kunnen worden opgeheven4 ,bijgevolg kan de ware kennis van goed en kwaad1 beschouwd als waarheid1 geen enkele aandoening temperen4 ,alleen voorzoover deze kennis zelf aandoening is 7zie ,st4 ,,viii v4d4 ,d47 kan zij1 indien zij sterker is dan deze 7vlg4 ,st4 ,,vii v4d4 ,d47 een aandoening temperen4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xv4 ,de ,begeerte1 welke uit ware kennis van goed en kwaad voortspruit1 kan door vele andere begeerten1 welke ontspruiten uit aandoeningen1 waardoor wij worden aangegrepen1 gedoofd of getemperd worden4 ,bewijs4 ,uit de ware kennis van goed en kwaad1 voorzoover deze 7vlg4 ,st4 ,,viii v4d4 ,d47 aandoening is1 ontspringt noodzakelijk ,begeerte 7vlg4 ,def4 ,i der ,aand471 welke te sterker is naarmate de aandoening1 uit welke zij voortkomt1 sterker is 7vlg4 ,st4 ,,xxxvii ,d4 ,,iii74 ,maar aangezien deze ,begeerte 7vlg4 het onderstelde7 ontspringt uit het feit1 dat wij iets waars begrijpen1 komt zij dus uit onszelf voort voorzoover wij handelen 7vlg4 ,st4 ,i of ,,iii ,d4 ,,iii72 moet zij derhalve alleen uit ons eigen wezen worden verklaard 7vlg4 ,def4 ,,ii ,d4 ,,iii7 en zullen bijgevolg 7vlg4 ,st4 ,,vii ,d4 ,,iii7 ook haar kracht en toeneming alleen door menschelijk vermogen bepaald worden4 ,voorts zijn de ,begeerten1 welke ontspringen uit de overige aandoeningen1 waardoor wij aangegrepen worden1 eveneens sterker naarmate deze aandoeningen heviger zijn1 zoodat hun kracht en toeneming 7vlg4 ,st4 ,v v4d4 ,d47 bepaald worden door de macht van uitwendige oorzaken1 welke macht1 wanneer zij bij de onze wordt vergeleken1 deze 7vlg4 ,st4 ,,iii v4d4 ,d47 onbepaald overtreft4 ,zoodoende kunnen begeerten1 uit dergelijke aandoeningen ontsproten1 heviger zijn dan die1 welke uit de ware kennis van goed en kwaad ontspringt en daardoor in staat zijn 7vlg4 ,st4 ,,vii v4d4 ,d47 deze te temperen of te verdooven4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xvi4 ,een begeerte1 welke ontspruit uit kennis van goed en kwaad1 voorzoover deze kennis de toekomst betreft1 kan nog gemakkelijker dan de begeerte1 bedoeld in ,st4 ,,xv getemperd of gedoofd worden door de ,begeerte naar dingen1 welke aangenaam zijn voor het oogenblik4 ,bewijs4 ,de aandoening1 teweeg gebracht door iets dat wij ons als toekomstig denken1 is flauwer dan die1 veroorzaakt door iets aanwezigs 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,ix v4d4 ,d474 ,de ,begeerte evenwel1 welke uit ware kennis van goed en kwaad ontspruit1 kan1 niettegenstaande deze kennis zaken betreft1 welke voor het oogenblik goed zijn1 toch gedoofd of getemperd worden door een of andere toevallig opkomende,a#fh ,begeerte 7vlg4 voorgaande ,st4 welker bewijs algemeen geldig is74 ,derhalve zal de ,begeerte1 welke ontspringt uit diezelfde kennis1 voorzoover zij de toekomst betreft1 nog gemakkelijker getemperd of gedoofd kunnen worden4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xvii4 ,de ,begeerte1 welke ontspruit uit ware kennis van goed en kwaad1 voorzoover deze betrekking heeft op gebeurlijke zaken1 kan nog veel gemakkelijker getemperd worden door begeerte naar dingen die aanwezig zijn4 ,bewijs4 ,deze ,stelling wordt op dezelfde wijze als de voorgaande ,stelling bewezen uit het ,gevolg van ,stelling ,,xii van dit ,deel4 ,opmerking3 ,ik meen hiermede de oorzaak te hebben aangewezen1 waarom de menschen meer door meeningen dan door de waarachtige ,rede worden gedreven1 alsmede1 waarom de ware kennis van goed en kwaad gemoedsbewegingen opwekt en dikwijls voor allerlei lusten moet wijken1 vanwaar dan ook het woord des dichters3 ,wel zie ik het betere en prijs het2 toch jaag ik het slechtere na4,a#di ,hetgeen eveneens den ,prediker voor den ,geest gestaan schijnt te hebben toen hij zeide3 ,en die wetenschap vermeerdert1 vermeerdert smart ,i vers #ah4 ,ik zeg dit echter geenszins met de bedoeling hieruit de gevolgtrekking te maken1 dat het beter is onwetend te blijven dan te weten1 of dat er geen verschil is tusschen een dwaas en een verstandig man1 bij het temperen hunner aandoeningen1 maar wijl het noodig is1 dat wij zoowel de macht als de machteloosheid van onzen aard leeren kennen1 opdat wij zullen kunnen vaststellen1 wat de ,rede ten aanzien van het temperen der aandoeningen vermag en wat zij niet vermag4 ,in dit ,deel nu heb ik gezegd alleen over de menschelijke machteloosheid te zullen handelen2 over de macht der ,rede ten aanzien van de gemoedsaandoeningen heb ik mij voorgenomen afzonderlijk te spreken4 ,stelling ,,xviii4 ,de ,begeerte1 welke uit ,blijheid voortspruit is1 onder overigens gelijke omstandigheden1 sterker dan de ,begeerte welke uit ,droefheid voortspruit4 ,bewijs4 ,begeerte is 's menschen wezen zelf 7vlg4 ,definitie ,i der ,aand47 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,vii ,d4 ,,iii7 het streven1 waardoor de mensch in zijn bestaan tracht te volharden4 ,vandaar dat ,begeerte1 welke uit ,blijheid ontspruit 7vlg4 de ,definitie van ,blijheid1 zie ,opmerking ,st4 ,,xi ,d4 ,,iii71 door die aandoening van ,blijheid zelf wordt aangewakkerd of versterkt1 terwijl daarentegen die1 welke uit ,droefheid voortkomt 7vlg4 dezelfde ,opmerking7 door die aandoening van ,droefheid zelf wordt verzwakt of belemmerd4 ,derhalve moet de kracht der ,begeerte1 welke uit ,blijheid ontspruit1 zoowel door de menschelijke kracht als door die van een uitwendige oorzaak2 de kracht der begeerte daarentegen1 welke uit ,droefheid voortkomt1 door de menschelijke kracht alln bepaald worden2 zoodat deze ook sterker zal zijn dan gene4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,hiermede heb ik in het kort de oorzaken der menschelijke machteloosheid en onstandvastigheid en waarom de menschen niet de voorschriften der ,rede dienen1 uiteen gezet4 ,er rest mij thans nog te doen zien1 wt de ,rede ons dan voorschrijft1 welke aandoeningen met de menschelijke ,rede overeenstemmen en welke daarentegen daarmede in strijd zijn4 ,doch alvorens te beginnen dit alles uitvoerig volgens onze meetkundige methode uiteen te zetten1 wil ik eerst deze voorschriften der ,rede reeds n aanduiden1 opdat men datgene wat ik bedoel gemakkelijker zal kunnen begrijpen4 ,daar de ,rede niets eischt dat tegen de ,natuur is1 verlangt zij dus zelf1 dat een ieder zichzelf liefheeft en zijn eigen belang1 d4w4z4 datgene wat inderdaad nuttig voor hem is1 zoekt2 alles wat den mensch werkelijk tot grooter volmaaktheid leidt nastreeft1 en in het algemeen1 dat een ieder zijn bestaan1 zooveel hij kan1 tracht in stand te houden4 ,wat1 dunkt mij1 even noodzakelijk waar is1 alsdat een geheel grooter is dan zijn deelen 7zie ,st4 ,,iv ,d4 ,,iii74 ,aangezien voorts ,deugd 7vlg4 ,definitie ,,viii v4d4 ,d47 niets anders is dan handelen krachtens de wetten van zijn eigen aard1 en iemand niet anders dan krachtens de wetten van zijn eigen aard zijn bestaan kan handhaven 7vlg4 ,st4 ,,vii ,d4 ,,iii71 volgt hieruit ten eerste1 dat de grondslag der ,deugd dit streven om zijn bestaan te handhaven zelf is en dat het geluk daarin bestaat1 dat de mensch zijn bestaan vermag te handhaven4 ,ten tweede volgt er uit1 dat ,deugd om haar zelfswil moet worden nagestreefd en dat er niets voortreffelijkers1 of voor ons nuttigers bestaat1 terwille waarvan zij zou kunnen nagestreefd worden4 ,eindelijk volgt er ten derde uit1 dat zij1 die zichzelf van het leven berooven1 zwakzinnigen zijn1 die zich geheel en al laten overmeesteren door uitwendige omstandigheden1 welke met hunnen aard in strijd zijn4 ,verder volgt uit ,postulaat ,,iv ,deel ,,ii1 dat wij nooit kunnen bereiken1 dat wij niets buiten ons zelf zouden behoeven om ons wezen in stand te houden en dat wij zoo zouden kunnen leven1 dat wij geenerlei omgang aanraking met de dingen buiten ons hadden2 terwijl wat onzen ,geest betreft1 ons verstand zeer zeker onvolmaakter zou zijn1 indien de ,geest alleen ware en niets anders buiten zichzelf kon begrijpen4 ,er bestaan dus tal van dingen buiten ons1 welke nuttig voor ons zijn en welke daarom moeten worden nagestreefd4 ,en onder deze dingen kan men zich niets voortreffelijkers denken dan zulke1 welke met onzen eigen aard volkomen overeenstemmen4 ,immers1 wanneer bijvoorbeeld twee enkeldingen van geheel denzelfden aard zich met elkaar verbinden1 vormen zij tezamen n enkelding1 dat tweemaal machtiger is dan elk alleen was4 ,voor den mensch is er daarom niets nuttigers dan de mensch4 ,niets1 zeg ik1 kunnen de menschen1 om hun wezen in stand te houden1 mr wenschen1 dan dat zij allen zoozeer overeenstemmen1 dat hun aller ,geesten en ,lichamen als het ware n enkelen ,geest en n enkel ,lichaam vormen2 dat allen zooveel mogelijk gezamenlijk hun wezen trachten in stand te houden en dat allen gezamenlijk streven naar wat voor allen nuttig is4 ,waaruit volgt dat menschen1 die door de ,rede beheerscht worden1 d4w4z4 menschen die onder leiding der ,rede hun belang nastreven1 niets voor zichzelf begeeren wat zij niet ook voor de overige menschen verlangen1 en dus dat zij rechtvaardig1 trouw en eerlijk zijn4 ,deze zijn dan die voorschriften der ,rede welke ik hier kortelijks wenschte aan te duiden1 alvorens ze op breedvoeriger wijze te gaan uiteen zetten4 ,ik deed dit om1 zoo mogelijk1 mij te verzekeren van de aandacht diergenen1 die meenen dat dit beginsel3 dat namelijk een ieder zijn eigen belang behoort na te streven1 de grondslag is der goddeloosheid en geenszins van ,deugd en ,vroomheid4 ,nadat ik dus in het kort er op heb gewezen1 dat de zaak juist omgekeerd is1 ga ik voort haar op denzelfden weg1 dien wij tot dusver volgden1 te bewijzen4 ,stelling ,,xix4 ,ieder begeert of verfoeit krachtens de wetten van zijn aard noodzakelijk datgene1 wat hij voor goed of kwaad houdt4 ,bewijs4 ,de kennis van goed en kwaad is 7vlg4 ,st4 ,,viii v4d4 ,d47 een aandoening van ,blijheid of ,droefheid1 voorzoover wij ons daarvan bewust zijn2 vandaar dat ieder noodzakelijk begeert wat hij voor goed en daarentegen verfoeit wat hij voor kwaad houdt4 ,doch deze begeerte is niets anders dan 's menschen wezen of aard zelf 7vlg4 ,definitie der ,begeerte1 zie ,opmerking ,st4 ,,ix ,d4 ,,iii en ,definitie ,i der ,aand474 ,derhalve begeert of verfoeit een ieder alleen reeds krachtens de wetten van zijn aard noodzakelijk enz4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xx4 ,hoe meer iemand zijn belang nastreeft1 d4w4z4 zijn wezen poogt en vermag in stand te houden1 hoe deugdzamer hij is1 en omgekeerd1 naarmate iemand zijn belang1 d4w4z4 de instandhouding van zijn wezen1 verwaarloost1 is hij machteloozer4 ,bewijs4 ,deugd is de menschelijke macht zelf1 waardoor alleen 's menschen wezen wordt bepaald 7vlg4 ,definitie ,,viii v4d4 ,d47 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,vii ,d4 ,,iii7 welke alleen door dit streven1 waarmede de mensch in zijn bestaan tracht te volharden1 bepaald wordt4 ,hoe meer dus iemand poogt en vermag zijn wezen in stand te houden1 hoe deugdzamer hij is en bijgevolg 7vlg4 ,st4 ,,iv en ,,vi ,d4 ,,iii73 naarmate iemand de instandhouding van zijn wezen verwaarloost is hij machteloozer4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,niemand zal dus1 tenzij door uitwendige en met zijn aard strijdige oorzaken gedwongen1 verwaarloozen zijn belang na te streven of zijn wezen in stand te houden4 ,niemand1 zeg ik1 zal krachtens de noodwendigheid van zijn eigen aard voedsel versmaden of zichzelf dooden2 wat hij echter door uitwendige oorzaken gedwongen1 op velerlei wijzen doen kan4 ,zoo kan iemand zichzelf dooden1 gedwongen door een ander1 die zijn rechterhand1 waarmede hij toevallig een zwaard gegrepen had1 omdraait en hem zoodoende noodzaakt het op zijn eigen hart te richten2 of doordat hij1 gelijk ,seneca1 op bevel van een tyran gedwongen wordt zichzelf de slagaderen te openen en daarmede wenscht een grooter kwaad door een kleiner te vermijden2 of tenslotte1 doordat verborgen uitwendige oorzaken zoodanig op zijn verbeelding en lichaam inwerken1 dat dit laatste een anderen aard1 tegengesteld aan zijn vroegeren1 verkrijgt1 welks voorstelling in den ,geest niet kan bestaan 7vlg4 ,st4 ,x ,d4 ,,iii74 ,dat echter de mensch krachtens de noodwendigheid van zijn eigen aard er naar zou streven net te bestaan of een anderen bestaans vorm aan te nemen1 is even onmogelijk als dat uit niets iets ontstaat1 gelijk een ieder bij eenig nadenken zal inzien4 ,stelling ,,xxi4 ,niemand kan begeeren gelukkig te zijn1 goed te handelen en goed te leven1 zonder tevens te begeeren te zijn1 te handelen en te leven1 d4w4z4 te bestaan4 ,bewijs4 ,het bewijs dezer stelling1 of liever de zaak zelf1 is vanzelfsprekend en blijkt ook uit de ,definitie der ,begeerte4 ,immers de ,begeerte om gelukkig of goed te leven1 te handelen enz41 is 7vlg4 ,definitie ,i der ,aand47 's menschen wezen zelf1 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,vii ,d4 ,,iii7 het streven1 krachtens hetwelk ieder zijn bestaan tracht te handhaven4 ,derhalve kan niemand begeeren enz4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xxii4 ,er is geen ,deugd denkbaar1 welke hierbij 7namelijk aan het streven om zichzelf te handhaven7 zou vrgaan,a#fi4 ,bewijs4 ,het streven om zichzelf te handhaven is het wezen zelf van ieder ding 7vlg4 ,st4 ,,vii ,d4 ,,iii74 ,indien er dus een of andere ,deugd denkbaar ware1 welke vrging bij deze1 d4w4z4 bij dit streven zoodat dit uit die andere deugd zou moeten worden afgeleid1 ware derhalve 7vlg4 ,definitie ,,viii v4d4 ,d47 het wezen van iets als voorafgaande aan zichzelf gedacht1 wat 7gelijk vanzelf spreekt7 ongerijmd is4 ,derhalve is er geen ,deugd enz4 ,h4t4b4w4 ,gevolg3 ,het streven om zichzelf te handhaven is de eerste en eenigste grondslag der ,deugd4 ,immers er is 7vlg4 voorgaande ,st47 niets denkbaar1 dat aan dit beginsel kan vooraf gaan en zonder ditzelfde beginsel is 7vlg4 ,st4 ,,xxi v4d4 ,d47 evenmin eenige andere ,deugd denkbaar4 ,stelling ,,xxiii4 ,voorzoover de mensch tot eenige daad gedreven wordt1 doordat hij inadaequate voorstellingen heeft1 lijdt hij 7vlg4 ,st4 ,i ,d4 ,,iii7 d4w4z4 7vlg4 ,definities ,i en ,,ii ,d4 ,,iii71 doet hij iets dat niet uit zijn wezen alleen kan worden afgeleid1 d4w4z4 7vlg4 ,definitie ,,viii v4d4 ,d471 iets dat niet uitsluitend uit zijn eigen ,deugd kracht1 wezen voortvloeit4 ,voorzoover hij echter tot eenige daad gedreven wordt1 doordat hij iets werkelijk begrijpt1 handelt hij 7vlg4 dezelfde ,st4 ,i ,d4 ,,iii71 d4w4z4 7vlg4 ,def4 ,,ii ,d4 ,,iii71 doet hij iets dat wl uit zijn eigen wezen kan worden verklaard1 of dat 7vlg4 ,definitie ,,viii v4d4 ,d47 adaequaat uit zijn eigen ,deugd voortvloeit4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xxiv4 ,geheel krachtens eigen ,deugd handelen1 is voor ons niets anders dan onder leiding der ,rede handelen1 leven1 ons bestaan handhaven 7deze drie uitdrukkingen beteekenen hetzelfde71 met de bedoeling ons eigen belang te bevorderen4 ,bewijs4 ,geheel krachtens eigen ,deugd handelen is 7vlg4 ,definitie ,,viii v4d4 ,d47 niets anders dan handelen krachtens de wetten van onzen eigen aard4 ,wij handelen echter alleen voorzoover wij iets begrijpen 7vlg4 ,st4 ,,iii ,d4 ,,iii74 ,derhalve is krachtens eigen ,deugd handelen1 voor ons niets anders dan onder leiding der ,rede handelen1 leven1 ons bestaan handhaven1 en dat wel 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,xxii v4d4 ,d47 met de bedoeling ons eigen belang te bevorderen4 ,stelling ,,xxv4 ,niemand tracht zijn wezen in stand te houden terwille van iets anders4 ,bewijs4 ,het streven1 waarmede elk ding in zijn bestaan tracht te volharden1 wordt alleen door het wezen der zaak zelf bepaald 7vlg4 ,st4 ,,vii ,d4 ,,iii7 en wanneer dit slechts gegeven is1 volgt 7vlg4 ,st4 ,,vi ,d4 ,,iii7 reeds noodzakelijk hieruit1 en geenszins uit het wezen van iets anders1 dat elkeen tracht zijn bestaan te handhaven4 ,bovendien blijkt deze stelling uit het ,gevolg van ,stelling ,,xxii van dit ,deel4 ,immers1 indien de mensch1 terwille van iets anders1 zijn bestaan trachtte te handhaven1 zou deze andere zaak het eerste fundamenteele beginsel der ,deugd zijn 7gelijk vanzelf spreekt71 hetgeen 7vlg4 voornoemd ,gevolg7 ongerijmd is4 ,derhalve tracht niemand zijn wezen enz4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xxvi4 ,datgene1 waarnaar wij krachtens de ,rede streven1 is niets anders dan begrip2 voorzoover de ,geest zich van de ,rede bedient1 houdt hij alleen dat voor nuttig1 wat tot begrip leidt4 ,bewijs4 ,het streven om zichzelf te handhaven is 7vlg4 ,st4 ,,vii ,d4 ,,iii7 niets anders dan het wezen van elk ding1 aan hetwelk men1 voorzoover het als zoodanig bestaat1 ook de kracht moet toekennen om in zijn bestaan te volharden 7vlg4 ,st4 ,,vi ,d4 ,,iii7 en datgene te doen wat uit zijn gegeven aard noodzakelijk voortvloeit 7zie ,definitie van den ,drang in ,opmerking ,st4 ,,ix ,d4 ,,iii74 ,doch het wezen der ,rede is niets anders dan onze ,geest zelf1 voorzoover hij helder en duidelijk begrijpt 7zie haar ,definitie in ,opmerking ,,ii ,st4 ,,xl ,d4 ,,ii74 ,derhalve is 7vlg4 ,st4 ,,xl ,d4 ,,ii7 datgene1 naar hetwelk wij krachtens de ,rede streven1 niets anders dan begrip4 ,waar voorts dit streven van den ,geest1 waardoor hij1 voorzoover hij redeneert redelijk denkt1 tracht zijn wezen te handhaven1 niets anders is dan begrijpen 7vlg4 het eerste gedeelte van dit bewijs71 is ook dit streven naar begrip 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,xxii v4d4 ,d47 de eerste en eenige grondslag der ,deugd4 ,wij zullen dan ook 7vlg4 ,st4 ,,xxv v4d4 ,d47 niet terwille van een of ander doel er naar streven de dingen te begrijpen4 ,integendeel1 voorzoover hij redelijk denkt1 kan de ,geest niets voor goed houden dan alleen wat tot begrip leidt 7vlg4 ,definitie ,i v4d4 ,d474 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xxvii4 ,van niets weten wij met zekerheid dat het goed of kwaad is1 dan van datgene wat inderdaad tot begrip leidt1 of wat ons begrip kan belemmeren4 ,bewijs4 ,voorzoover hij redelijk denkt1 verlangt de ,geest niets anders dan begrijpen en houdt hij niets anders voor nuttig dan datgene1 wat tot begrip leidt 7vlg4 voorgaande ,st474 ,maar de ,geest heeft 7vlg4 ,st4 ,,xli en ,,xliii ,d4 ,,ii2 zie ook de ,opmerking daarbij7 geenerlei zekerheid omtrent de dingen1 dan voorzoover hij adaequate voorstellingen heeft1 ofwel 7wat vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xl ,d4 ,,ii hetzelfde is7 voorzoover hij redelijk denkt4 ,derhalve weten wij van niets met zekerheid dat het goed is1 dan van datgene1 wat inderdaad tot begrip leidt1 en omgekeerd dat het kwaad is1 dan van datgene wat ons begrip kan belemmeren4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xxviii4 ,het hoogste goed voor den ,geest is de kennis van ,god en de hoogste ,deugd des ,geestes is ,god kennen4 ,bewijs4 ,het hoogste wat de ,geest begrijpen kan is ,god1 d4w4z4 7vlg4 ,definitie ,,vi ,d4 ,i7 het volstrekt oneindige wezen1 zonder hetwelk 7vlg4 ,st4 ,,xv ,d4 ,i7 niets bestaanbaar1 noch denkbaar is4 ,derhalve is 7vlg4 ,st4 ,,xxvi en ,,xxvii v4d4 ,d47 het hoogste belang1 ofwel 7vlg4 ,definitie ,i v4d4 ,d47 het hoogste goed voor den ,geest1 de kennis van ,god4 ,verder handelt de ,geest alleen 7vlg4 ,st4 ,i en ,,iii ,d4 ,,iii7 voorzoover hij begrijpt en alleen inzoover ook kan men 7vlg4 ,st4 ,,xxiii v4d4 ,d47 onvoorwaardelijk van hem zeggen1 dat hij krachtens eigen ,deugd handelt4 ,begrijpen is dus de uitsluitende ,deugd des ,geestes4 ,het hoogste evenwel wat de ,geest begrijpen kan is ,god 7gelijk wij reeds hebben aangetoond74 ,derhalve is het de hoogste ,deugd des ,geestes ,gods te begrijpen of te kennen4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xxix4 ,een of ander bijzonder ding1 welks aard geheel verschillend is van de onze1 kan ons vermogen tot handelen noch bevorderen noch belemmeren4 ,trouwens in het algemeen kan niets goed of kwaad voor ons zijn als het niet iets met ons gemeen heeft4 ,bewijs4 ,van elk bijzonder ding en bijgevolg 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,x ,d4 ,,ii7 ook van den mensch1 wordt het vermogen1 waardoor het bestaat en werkt uitsluitend bepaald door een ander bijzonder ding 7vlg4 ,st4 ,,xxviii ,d4 ,i7 welks aard 7vlg4 ,st4 ,,vi ,d4 ,,ii7 uit hetzelfde attribuut moet kunnen worden afgeleid als de menschelijke aard4 ,ons eigen vermogen tot handelen1 hoe ook opgevat1 kan dus alleen bepaald1 en bijgevolg bevorderd of belemmerd worden1 door de macht van eenig ander bijzonder ding1 dat iets met ons gemeen heeft1 doch niet door de macht van iets1 welks aard geheel van de onze verschilt4 ,aangezien wij nu 7vlg4 ,st4 ,,viii v4d4 ,d47 datgene goed of kwaad noemen1 wat oorzaak is van ,blijheid of ,droefheid1 d4w4z4 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xi ,d4 ,,iii7 wat ons vermogen tot handelen vermeerdert of vermindert1 bevordert of belemmert1 kan dus een ding1 welks aard geheel en al van de onze verschilt1 voor ons ook niet goed of kwaad zijn4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xxx4 ,geen ding kan1 door wat het met onzen aard gemeen heeft1 slecht voor ons zijn4 ,voorzoover iets slecht voor ons is1 is het met onzen aard in strijd4 ,bewijs4 ,slecht noemen wij datgene1 wat oorzaak is van ,droefheid 7vlg4 ,st4 ,,viii v4d4 ,d471 d4w4z4 7vlg4 de ,definitie daarvan1 welke men vindt in ,opmerking ,st4 ,,xi ,d4 ,,iii71 wat ons vermogen tot handelen vermindert of belemmert4 ,indien dus eenig ding1 door wat het met ons gemeen heeft1 slecht voor ons was1 zou het dus juist datgene1 wat het met ons gemeen had1 kunnen verminderen of belemmeren1 hetgeen 7vlg4 ,st4 ,,iv ,d4 ,,iii7 ongerijmd is4 ,geen ding kan dus door datgene1 wat het met ons gemeen heeft1 slecht voor ons zijn2 maar omgekeerd1 voorzoover iets slecht is1 d4w4z4 7gelijk reeds werd aangetoond7 voorzoover het ons vermogen tot handelen kan verminderen of belemmeren1 is het 7vlg4 ,st4 ,v ,d4 ,,iii7 met onzen aard in strijd4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xxxi4 ,voorzoover eenig ding met onzen aard overeenkomt1 is het noodzakelijk goed4 ,bewijs4 ,immers voorzoover eenig ding met onzen aard overeenkomt kan het 7vlg4 voorgaande ,st47 niet slecht zijn4 ,het zal dus noodzakelijk f goed f onverschillig zijn4 ,gesteld dit laatste ware het geval1 namelijk dat het noch goed noch kwaad was1 dan zou er dus 7vlg4 ,definitie ,i v4d4 ,d47 niets uit zijn aard voortvloeien1 dat tot instandhouding van nzen aard strekte4 ,dit echter is 7vlg4 ,st4 ,,vi ,d4 ,,iii7 ongerijmd2 het moet dus1 voorzoover het met onzen aard overeenkomt1 noodzakelijk goed zijn4 ,h4t4b4w4 ,gevolg3 ,hieruit volgt dat hoe meer eenig ding met onzen aard overeenkomt1 hoe nuttiger of hoe beter het voor ons is1 en omgekeerd1 hoe nuttiger iets voor ons is1 hoe meer het met onzen aard overeenkomt4 ,immers voorzoover het niet met onzen aard overeenkomt zal het noodzakelijk ervan verschillen of er mede in strijd zijn4 ,indien het ervan verschilt1 zal het 7vlg4 ,st4 ,,xxix v4d4 ,d47 noch goed noch kwaad kunnen zijn2 is het er echter mede in strijd1 dan zal het dus ook in strijd zijn met datgene wat met onzen aard overeenkomt1 d4w4z4 7vlg4 voorgaande ,st47 in strijd met wat goed is1 en dus zelf slecht4 ,niets kan dus goed zijn1 dan alleen voorzoover het met onzen aard overeenkomt1 en derhalve1 hoe meer eenig ding met onzen aard overeenkomt1 hoe nuttiger het is1 en omgekeerd4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xxxii4 ,voorzoover de menschen aan lijdingen onderworpen zijn kan men niet van hen zeggen dat zij van nature overeenkomen4 ,bewijs4 ,wat men van nature overeenkomend noemt1 beschouwt men als overeenkomend in vermogen 7vlg4 ,st4 ,,vii ,d4 ,,iii71 niet echter in onvermogen of iets negatiefs1 en bijgevolg 7zie ,opmerking ,st4 ,,iii ,d4 ,,iii7 ook niet in lijding2 zoodat men van de menschen1 voorzoover zij aan lijdingen onderworpen zijn1 ook niet zeggen kan1 dat zij van nature overeenkomen4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,dit is ook vanzelf duidelijk4 ,immers wie zegt1 dat wit en zwart alleen drin overeenkomen1 dat geen van beide rood zijn1 bevestigt hiermede volkomen dat wit en zwart in geen enkel opzicht overeenkomen4 ,en evenzoo1 wie beweert1 dat een steen en een mensch alleen drin overeenkomen1 dat zij beide begrensd en machteloos zijn1 of dat zij niet krachtens de noodwendigheid van hun eigen aard bestaan1 of eindelijk dat hun vermogen door dat van uitwendige oorzaken verre wordt overtroffen1 die erkent hiermede volkomen1 dat een steen en een mensch in geen enkel opzicht overeenkomen4 ,immers zaken1 welke alleen in iets negatiefs of in datgene wat hen net eigen is1 overeenkomen1 komen in werkelijkheid in geen enkel opzicht overeen4 ,stelling ,,xxxiii4 ,de menschen kunnen van nature verschillen voorzoover zij door aandoeningen1 welke lijdingen zijn1 getroffen worden2 in zoover is zelfs n en dezelfde mensch veranderlijk en onstandvastig4 ,bewijs4 ,de aard of het wezen der aandoeningen kan niet uit ons wezen of onzen aard alleen worden verklaard 7vlg4 ,definities ,i en ,,ii ,d4 ,,iii7 doch moet worden bepaald door de macht1 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,vii ,d4 ,,iii7 door den aard der uitwendige dingen1 in verhouding tot de onze4 ,vandaar dat er van elke aandoening evenveel soorten zijn als er soorten van voorwerpen1 welke op ons inwerken1 bestaan 7zie ,st4 ,,lvi ,d4 ,,iii7 en dat de menschen van n en hetzelfde voorwerp verschillende inwerkingen ondergaan 7zie ,st4 ,,li ,d4 ,,iii7 en inzoover van nature verschillen1 terwijl tenslotte 7vlg4 dezelfde ,st4 ,,li ,d4 ,,iii7 n en dezelfde mensch door hetzelfde voorwerp op verschillende wijze wordt aangedaan en dus in zoover veranderlijk is enz4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xxxiv4 ,voorzoover de menschen door aandoeningen1 welke lijdingen zijn1 getroffen worden1 kunnen zij tegenover elkaar staan4 ,bewijs4 ,een zeker mensch1 bijvoorbeeld ,petrus1 kan oorzaak zijn dat ,paulus zich bedroeft1 doordat hij iets heeft1 dat gelijkt op iets wat ,petrus haat 7vlg4 ,st4 ,,xvi ,d4 ,,iii7 of omdat ,petrus alleen in het bezit is van iets1 dat ook ,paulus liefheeft 7zie ,st4 ,,xxxii en ,opmerking ,d4 ,,iii71 of om andere redenen 7waarvan men de voornaamste kan vinden in de ,opmerking bij ,st4 ,,lv ,d4 ,,iii74 ,het kan dus voorkomen 7vlg4 ,definitie ,,vii der ,aand47 dat ,paulus om n dezer redenen haat koestert jegens ,petrus en bijgevolg kan het ook licht gebeuren 7vlg4 ,st4 ,,xl en ,opmerking ,d4 ,,iii71 dat omgekeerd ,petrus haat gevoelt jegens ,paulus1 en dat zij daarom 7vlg4 ,st4 ,,xxxix ,d4 ,,iii7 zullen trachten elkaar kwaad te berokkenen1 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,xxx v4d4 ,d47 dat zij tegenover elkaar staan4 ,nu is echter een aandoening van ,droefheid steeds een lijding 7vlg4 ,st4 ,,lix ,d4 ,,iii72 derhalve kunnen menschen1 voorzoover zij getroffen worden door aandoeningen welke lijdingen zijn1 tegenover elkaar staan4 ,opmerking3 ,ik heb gezegd1 dat ,paulus haat koestert jegens ,petrus1 omdat hij zich voorstelde1 dat deze iets bezit wat ,paulus zelf eveneens liefheeft4 ,op het eerste gezicht schijnt hieruit te volgen1 dat deze beiden1 omdat zij hetzelfde lief hebben en bijgevolg1 omdat zij van nature overeenkomen1 elkaar kwaad berokkenen en dat dientengevolge als dit waar is1 de ,stellingen ,,xxx en ,,xxxi van dit ,deel valsch zouden zijn4 ,maar wanneer wij deze zaak nauwkeuriger overwegen1 zullen wij bevinden dat dit alles in volkomen overeenstemming is4 ,want deze beiden zijn elkaar niet tot last voorzoover zij van nature overeenkomen1 d4w4z4 voorzoover zij beiden hetzelfde liefhebben1 maar juist voorzoover zij van elkaar verschillen4 ,immers voorzoover beiden hetzelfde liefhebben1 wordt hierdoor beider liefde aangewakkerd 7vlg4 ,st4 ,,xxxi ,d4 ,,iii7 d4w4z4 7vlg4 ,definitie ,,vi der ,aand47 beider ,blijheid versterkt1 zoodat het er verre vandaan is1 dat zij elkaar tot last zouden zijn voorzoover zij hetzelfde liefhebben en van nature overeenkomen4 ,de reden hiervan is integendeel1 gelijk ik reeds zeide1 geen andere dan dat zij1 naar werd ondersteld1 juist van nature verschillen4 ,wij nemen toch immers aan1 dat ,petrus een voorstelling heeft van een geliefd voorwerp1 dat reeds in zijn bezit is1 ,paulus daarentegen van een dat hij mist4 ,vandaar dat dze ,droefheid1 gene daarentegen ,blijheid gevoelt en dat zij in zoover tegenover elkaar staan4 ,op deze wijze nu kunnen wij gemakkelijk aantoonen1 dat ook de overige aanleidingen tot haat alleen daarvan afhangen1 dat menschen van nature verschillen en niet van datgene waarin zij overeenkomen4 ,stelling ,,xxxv4 ,alleen voorzoover de menschen leven volgens leiding der ,rede1 komen zij steeds en noodzakelijk van nature overeen4 ,bewijs4 ,voorzoover de menschen door aandoeningen welke lijdingen zijn getroffen worden1 kunnen zij van nature verschillen 7vlg4 ,st4 ,,xxxiii v4d4 ,d47 en tegenover elkaar staan 7vlg4 voorgaande ,st474 ,maar men kan alleen zeggen1 dat de menschen handelen voorzoover zij leven volgens leiding der ,rede 7vlg4 ,st4 ,,iii ,d4 ,,iii72 en daarom moet al wat voortvloeit uit den menschelijken aard1 voorzoover deze door de ,rede bepaald wordt1 7vlg4 ,definitie ,,ii ,d4 ,,iii7 uitsluitend uit dien menschelijken aard als naaste oorzaak worden verklaard4 ,aangezien evenwel ieder krachtens de wetten van zijn eigen aard tracht te verkrijgen1 wat hij voor goed en te verwijderen wat hij voor kwaad houdt 7vlg4 ,st4 ,,xix v4d4 ,d47 en bovendien dat1 wat wij op gezag der ,rede voor goed of kwaad houden1 ook noodzakelijk goed of kwaad s 7vlg4 ,st4 ,,xli ,d4 ,,ii7 doen dus de menschen1 voorzoover zij onder leiding der ,rede leven1 noodzakelijk alleen zulke dingen1 welke voor den menschelijken aard1 en bijgevolg voor ieder mensch1 noodzakelijk goed zijn1 d4w4z4 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,xxxi v4d4 ,d47 welke met den aard van ieder mensch overeenkomen2 zoodat de menschen1 voorzoover zij volgens leiding der ,rede leven1 steeds noodzakelijk met elkaar in overeenstemming zijn4 ,h4t4b4w4 ,gevolg ,i3 ,er bestaat in de wereld der dingen geen enkel bijzonder ding1 dat voor den mensch nuttiger is dan een mensch1 die volgens leiding der ,rede leeft4 ,want datgene is 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,xxxi v4d4 ,d47 het allernuttigste voor den mensch1 wat het meest met zijn aard overeenkomt1 d4w4z4 7gelijk vanzelf spreekt7 de mensch4 ,maar de mensch handelt geheel en al krachtens de wetten van zijn aard1 wanneer hij volgens leiding der ,rede leeft 7vlg4 ,definitie ,,ii ,d4 ,,iii71 en slechts inzoover is hij steeds en noodzakelijk met den aard van andere menschen in overeenstemming 7vlg4 voorgaande ,st474 ,derhalve bestaat er voor den mensch onder alle bijzondere dingen niets nuttigers dan de mensch enz4 ,h4t4b4w4 ,gevolg ,,ii3 ,wanneer ieder mensch het meest zijn eigen belang zoekt1 zijn de menschen het nuttigst voor elkaar4 ,want hoemeer ieder zijn eigen belang zoekt en zichzelf tracht te handhaven1 hoe deugdzamer is hij 7vlg4 ,st4 ,,xx v4d4 ,d471 of wat hetzelfde is 7vlg4 ,definitie ,,viii v4d4 ,d471 hoe grooter is zijn vermogen om krachtens de wetten van zijn aard te handelen1 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,iii ,d4 ,,iii7 om te leven volgens leiding der ,rede4 ,maar de menschen stemmen dn het meest van nature overeen1 wanneer zij volgens leiding der ,rede leven 7vlg4 voorgaande ,st474 ,derhalve zullen 7vlg4 voorgaand ,gevolg7 de menschen dn het nuttigst voor elkaar zijn1 wanneer elk het allermeest zijn eigen belang zoekt4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,wat wij hier aantoonden bevestigt ook de ervaring zelf dagelijks met zoovele en zoo glasheldere voorbeelden1 dat het haast elkeen in den mond ligt dat3 de mensch des menschen god is4 ,nochtans komt het zelden voor dat de menschen volgens leiding der ,rede leven1 maar meestal is het z met hen gesteld1 dat zij elkaar benijden en onderling hinderen4 ,niettemin kunnen zij een eenzaam leven niet goed verdragen1 zoodat den meesten de definitie1 volgens welke de mensch een sociaal dier is1 ten zeerste toelacht2 en inderdaad is het een feit1 dat uit het gemeenschapsleven der menschen veel meer vrdeelen dan nadeelen voortvloeien4 ,mogen dus de hekelaars1 zooveel het hen behaagt1 het menschelijk doen en laten bespotten1 mogen de godgeleerden het verfoeien en mogen de zwartgalligen1 zooveel zij kunnen1 onbeschaafdheid en het boersche leven loven1 de menschen verachten en de beesten bewonderen2 zij zullen nochtans de ervaring opdoen1 dat de menschen door onderlinge hulp zich het gemakkelijkst al wat zij noodig hebben kunnen verschaffen en niet dan met vereende krachten de gevaren1 welke overal dreigen1 kunnen ontwijken2 om nog ervan te zwijgen dat het veel voortreffelijker en onzen weetlust veel waardiger is1 onze aandacht te wijden aan het leven der menschen dan aan dat der dieren4 ,doch hierover elders uitvoeriger4 ,stelling ,,xxxvi4 ,het hoogste ,goed voor hen die de ,deugd volgen1 is allen gemeen en allen kunnen er zich gelijkelijk in verheugen4 ,bewijs4 ,uit ,deugd handelen is volgens leiding der ,rede handelen 7vlg4 ,st4 ,,xxiv v4d4 ,d47 en het eenige1 waarnaar wij op bevel der ,rede streven1 is begrijpen 7vlg4 ,st4 ,,xxvi v4d4 ,d474 ,derhalve is 7vlg4 ,st4 ,,xxviii v4d4 ,d47 het hoogste ,goed voor hen die de ,deugd volgen3 ,god te kennen1 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,xlvii en ,opmerking ,d4 ,,ii7 een goed dat allen menschen gemeen is en dat alle menschen1 voorzoover zij van denzelfden aard zjn1 gelijkelijk kunnen bezitten4 ,opmerking3 ,indien nu echter de een of ander vraagt1 of misschien het hoogste ,goed voor hen1 die de ,deugd volgen1 ook net aan allen gemeen zou kunnen zijn1 en of dan niet daaruit1 evenals hierboven 7zie ,st4 ,,xxxiv v4d4 ,d47 zou volgen dat menschen1 die volgens leiding der ,rede leven1 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,xxxv v4d4 ,d47 menschen voorzoover zij van nature overeenkomen1 toch tegenover elkaar konden staan1 dan zou ik diegenen ten antwoord geven1 dat het niet toevallig is1 maar uit den aard der ,rede zelf voortvloeit1 dat het hoogste ,goed des menschen allen gemeen is2 wijl het toch immers uit het menschelijke wezen zelf1 voorzoover dit door de ,rede bepaald is1 wordt afgeleid en wijl de mensch noch bestaanbaar noch denkbaar zou zijn als hij niet het vermogen bezat zich in dat hoogste ,goed te verheugen4 ,immers het behoort 7vlg4 ,st4 ,,xlvii ,d4 ,,ii7 tot het wezen van den menschelijken ,geest een adaequate kennis te hebben van het eeuwige en oneindige wezen ,gods4 ,stelling ,,xxxvii4 ,het ,goed1 dat elk die de ,deugd volgt1 voor zichzelf begeert1 zal hij ook den overigen menschen toewenschen en dat temeer1 naarmate hij grooter kennis van ,god heeft4 ,bewijs4 ,voorzoover zij volgens leiding der ,rede leven1 zijn menschen den mensch het nuttigst 7vlg4 ,gevolg ,i ,st4 ,,xxxv v4d4 ,d47 en wij zullen derhalve 7vlg4 ,st4 ,,xix v4d4 ,d47 krachtens dit leiding der ,rede noodzakelijk trachten te bewerken dat ook andere menschen volgens leiding der ,rede leven4 ,het ,goed evenwel1 dat elk1 die volgens de voorschriften der ,rede leeft1 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,xxiv v4d4 ,d47 die de ,deugd volgt1 voor zichzelf begeert1 is begrijpen 7vlg4 ,st4 ,,xxvi v4d4 ,d474 ,derhalve wenscht ieder die de ,deugd volgt1 het ,goed dat hij voor zichzelf begeert1 ook anderen toe4 ,voorts is de ,begeerte1 voorzoover zij op den ,geest betrekking heeft1 het wezen van den ,geest zelf 7vlg4 ,definitie ,i der ,aand474 ,het wezen van den ,geest echter bestaat in kennis 7vlg4 ,st4 ,,xi ,d4 ,,ii71 welke de kennis van ,god in zich sluit 7vlg4 ,st4 ,,xlvii ,d4 ,,ii7 en zonder welke hij 7vlg4 ,st4 ,,xv ,d4 ,i7 noch bestaanbaar noch denkbaar is4 ,derhalve3 hoe grooter kennis van ,god het wezen des ,geestes in zich sluit1 hoe sterker ook de ,begeerte zal zijn1 waarmede hij1 die de ,deugd volgt1 het ,goed dat hij voor zichzelf verlangt1 anderen toewenscht4 ,h4t4b4w4 ,anders4 ,het ,goed1 dat een mensch voor zichzelf begeert en liefheeft1 zal hij te standvastiger liefhebben1 wanneer hij ziet dat anderen het eveneens liefhebben 7vlg4 ,st4 ,,xxxi ,d4 ,,iii74 ,hij zal er dus 7vlg4 ,gevolg zelfde ,st47 naar streven1 dat anderen het ook liefhebben1 en wijl dit ,goed 7vlg4 voorgaande ,st47 allen gemeen is en allen er zich in kunnen verheugen1 zal hij dus 7om dezelfde reden7 er naar streven1 dat allen er zich inderdaad in verheugen1 en dat wel te meer 7vlg4 ,st4 ,,xxxvii ,d4 ,,iii71 naarmate hijzelf meer van dit ,goed geniet4 ,h4t4b4w4 ,opmerking ,i3 ,wie alleen op grond van een gemoedsaandoening bv4 eigenzinnigheid1 ijdelheid er naar streeft dat anderen liefhebben wat hijzelf liefheeft en dat anderen naar zjn zin leven1 handelt alleen uit aandrift en maakt zich daardoor gehaat1 vooral bij hen die behagen scheppen in andere dingen en die zich dientengevolge beijveren en met denzelfden hartstocht er naar streven1 dat anderen juist naar hn zin leven zullen4 ,aangezien voorts het hoogste goed waarnaar de menschen uit gemoedsaandrang streven1 dikwijls van dien aard is dat slechts n mensch het bezitten kan1 is hiervan het gevolg dat lieden1 die op deze wijze iets liefhebben1 het niet met zichzelf eens zijn en1 terwijl zij blijde den lof zingen van hetgeen zij liefhebben1 nochtans vreezen dat men hen zal gelooven4 ,wie er evenwel naar streeft anderen door de ,rede te leiden1 handelt niet uit hartstocht1 doch humaan en welwillend en is het volkomen met zichzelf eens4 ,al wat wij wenschen en doen en waarvan wij zelf oorzaak zijn voorzoover wij een voorstelling van ,god hebben1 of voorzoover wij ,god kennen1 reken ik tot den godsdienst4 ,de ,begeerte om wel te doen daarentegen1 welke ontspringt uit het feit dat wij volgens de ,rede leven1 noem ik ,rechtschapenheid vroomheid4 ,de ,begeerte welke den mensch1 die volgens leiding der ,rede leeft1 er toe drijft zich anderen tot vriend te maken1 noem ik vervolgens ,eerbaarheid en eerbaar datgene wat lieden die volgens leiding der ,rede leven prijzen1 schandelijk daarentegen1 wat van het opvatten van vriendschap afschrikt4 ,wat1 behalve deze zaken1 de grondslagen van den staat zijn1 heb ik reeds aangetoond4 ,wat verder het verschil is tusschen waarachtige ,deugd en machteloosheid1 is gemakkelijk uit het hierboven gezegde op te maken4 ,de ware ,deugd is namelijk niets anders dan leven alleen volgens leiding der ,rede1 en machteloosheid bestaat dus alleen hierin dat de mensch zich door dingen buiten hem laat leiden en door hen genoopt wordt tot handelingen1 welke door de algemeene uitwendige omstandigheden1 niet echter door zijn eigen aard op zichzelf beschouwd1 geischt worden4 ,dit nu is het wat ik in de ,opmerking bij ,stelling ,,xviii van dit ,deel beloofde te behandelen4 ,er blijkt ook uit dat bijvoorbeeld het verbod om dieren te slachten meer op ijdel bijgeloof en vrouwelijke weekhartigheid1 dan op gezond verstand berust4 ,het beginsel1 dat wij ons eigen belang moeten zoeken1 leert ons weliswaar in vriendschap te leven met menschen1 niet echter met dieren of dingen welker aard van den menschelijken aard verschilt4 ,integendeel1 hetzelfde recht dat zij tegenover ons hebben1 bezitten wij tegenover hen4 ,jazelfs1 waar elks recht door elks ,deugd of ,macht bepaald wordt1 hebben de menschen veel meer recht tegenover de dieren1 dan deze tegenover de menschen4 ,ik ontken hiermede volstrekt niet dat de dieren gevoel hebben1 maar wel ontken ik1 dat het ons daarom niet zou vrij staan met ons belang te rade te gaan en hen naar willekeur te gebruiken en te behandelen zooals het ons het best past1 aangezien zij toch van nature niet met ons overeenkomen1 doch hun aandoeningen van nature verschillen van de menschelijke 7zie ,opmerking ,st4 ,,lvii ,d4 ,,iii74 ,er rest mij thans nog uiteen te zetten wat recht1 wat onrecht1 wat zonde en tenslotte wat verdienste is4 ,zie hierover echter de volgende ,opmerking4 ,opmerking ,,ii3 ,in het ,aanhangsel van het ,eerste ,deel beloofde ik uiteen te zullen zetten wat lof en blaam1 verdienste en zonde1 recht en onrecht zijn4 ,wat nu lof en blaam betreft3 deze heb ik reeds in de ,opmerking bij ,stelling ,,xxix ,deel ,,iii behandeld2 voor de overige begrippen is het hier de plaats om ze te bespreken4 ,vooraf echter moet ik enkele opmerkingen maken omtrent den natuurlijken en den maatschappelijken staat des menschen4 ,ieder mensch bestaat krachtens hoogste1 natuurlijk recht en bij gevolg doet elkeen krachtens dit hoogste natuurlijke recht datgene1 wat noodwendig uit zijn aard voortvloeit1 zoodat ook elkeen krachtens hoogste natuurlijk recht uitmaakt wat voor hem goed of kwaad is1 volgens eigen inzicht zijn eigen belang behartigt 7zie ,st4 ,,xix en ,,xx v4d4 ,d471 zichzelf wreekt 7zie ,gevolg ,,ii ,st4 ,,xl ,d4 ,,iii71 dat wat hij liefheeft tracht in stand te houden en wat hij haat tracht te vernietigen1 7zie ,st4 ,,xxviii ,d4 ,,iii74 ,indien nu slechts de menschen volgens leiding der ,rede leefden1 zou elkeen 7vlg4 ,gevolg ,i ,st4 ,,xxxv v4d4 ,d47 dit zijn hoogste recht uitoefenen zonder eenig nadeel voor een ander4 ,maar aangezien de menschen aan aandoeningen onderworpen zijn 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,iv v4d4 ,d47 welke 7vlg4 ,st4 ,,vi v4d4 ,d471 de menschelijke kracht of ,deugd verre te boven gaan1 worden zij naar verschillende kanten getrokken 7vlg4 ,st4 ,,xxxiii v4d4 ,d47 en komen zij met elkaar in strijd 7vlg4 ,st4 ,,xxxiv v4d4 ,d471 terwijl zij toch elkaars wederzijdsche hulp behoeven 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xxxv v4d4 ,d474 ,opdat dus de menschen eendrachtig kunnen leven en elkander tot steun zijn1 is het noodzakelijk dat zij van hun natuurlijk recht afstand doen en elkaar wederkeerig de zekerheid verschaffen1 dat zij niets zullen doen wat tot eens anders nadeel kan strekken4 ,hoe dit nu mogelijk is1 namelijk dat menschen die 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,iv v4d4 ,d47 noodzakelijk aan aandoeningen onderhevig1 en 7vlg4 ,st4 ,,xxxiii v4d4 ,d47 onstandvastig en veranderlijk zijn1 elkaar toch die zekerheid kunnen geven en op elkaar kunnen vertrouwen1 blijkt uit ,stelling ,,vii van dit ,deel en ,stelling ,,xxxix van ,deel ,,iii4 ,hier toch werd betoogd dat geen enkele aandoening kan worden bedwongen dan alleen door een sterkere en tegenovergestelde en dat ieder van kwaad doen afziet uit vrees voor een grooter kwaad4 ,op deze wet nu kan een gemeenschap worden gegrondvest1 indien zij slechts het recht om zichzelf te wreken en over goed en kwaad te oordeelen1 dat ieder individu afzonderlijk bezat1 zichzelf voorbehoudt en dus het recht heeft een gemeenschappelijke levenswijze voor te schrijven en wetten uit te vaardigen1 welke zij niet door de ,rede1 welke de hartstochten niet kan bedwingen 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xvii v4d4 ,d471 doch door bedreigingen handhaaft4 ,zulk een gemeenschap nu1 op wet en de macht om zich te handhaven gegrond1 noemt men een ,staat1 en hen die door haar recht worden beschermd staatsburgers1 waaruit wij gemakkelijk kunnen inzien dat er in den natuurtoestand niets is dat naar aller oordeel goed of kwaad is1 aangezien een ieder die in den natuurtoestand verkeert1 alleen met zijn eigen belang te rade gaat en naar eigen inzicht en voorzoover het ten opzichte van zijn eigen belang zin heeft1 uitmaakt wat goed of kwaad is en door geen enkele wet gehouden is iemand anders dan zichzelf alleen te gehoorzamen4 ,in den natuurtoestand is dus ook geen zonde denkbaar1 wel echter in den burgerlijken staat1 waar door gemeenschappelijk besluit wordt vastgesteld wat goed en kwaad is en ieder gehouden is den staat te gehoorzamen4 ,zonde is dus niets anders dan ongehoorzaamheid1 welke alleen door het recht van den staat wordt gestraft2 gehoorzaamheid daarentegen strekt den burger tot verdienste1 wijl hij daardoor waardig wordt geacht de voordeelen van den staat te genieten4 ,voorts is in den natuurtoestand niemand met algemeene toestemming ,heer van iets1 evenmin als er in de ,natuur iets bestaat1 waarvan men zou kunnen zeggen1 dat het dezen en niet genen mensch toebehoort2 maar alles is er van allen1 zoodat er in den natuurtoestand ook geen verlangen denkbaar is om ieder het zijne te geven of om een ander te ontrooven wat hem toebehoort4 ,hetgeen zeggen wil dat er in den natuurtoestand niets gebeurt1 dat recht of onrecht genoemd kan worden1 wel echter in den burgerlijken staat1 waar met algemeene toestemming wordt uitgemaakt wat van deze en wat van gene is4 ,waaruit blijkt1 dat recht en onrecht1 zonde en verdienste1 begrippen van buiten af zijn1 doch geen eigenschappen welke het wezen van den ,geest uitdrukken4 ,doch hierover genoeg4 ,stelling ,,xxxviii4 ,datgene1 wat het menschelijk ,lichaam geschikt maakt om zooveel mogelijk indrukken te ontvangen1 of wat het geschikt maakt om op uitwendige voorwerpen op velerlei wijzen in te werken1 is nuttig voor den mensch1 en wel des te nuttiger1 naarmate het ,lichaam er geschikter door wordt om velerlei indrukken te ontvangen en op andere voorwerpen in te werken4 ,daarentegen is schadelijk al wat het ,lichaam hiertoe minder geschikt maakt4 ,bewijs4 ,hoe geschikter het ,lichaam daartoe gemaakt wordt1 hoe beter de ,geest in staat is de dingen in zich op te nemen 7vlg4 ,st4 ,,xiv ,d4 ,,ii74 ,derhalve is datgene wat het ,lichaam in dit opzicht ontvankelijk en geschikt maakt noodzakelijk goed of nuttig 7vlg4 ,st4 ,,xxvi en ,,xxvii v4d4 ,d47 en des te nuttiger1 naarmate het het ,lichaam daartoe geschikter kan maken4 ,omgekeerd is 7vlg4 het omgekeerde van dezelfde ,st4 ,,xiv ,d4 ,,ii en vlg4 ,st4 ,,xxvi en ,,xxvii v4d4 ,d47 schadelijk wat het ,lichaam daartoe minder geschikt maakt4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xxxix4 ,al wat maakt dat de verhoudingen van beweging en rust1 waarin de deelen van het menschelijk ,lichaam ten opzichte van elkaar verkeeren1 bewaard blijven1 is goed2 slecht daarentegen is al wat maakt dat de deelen van het menschelijk ,lichaam onderling in een andere verhouding van beweging en rust komen te staan4 ,bewijs4 ,het menschelijk ,lichaam heeft 7vlg4 ,postulaat ,,iv ,d4 ,,ii7 om zich in stand te houden tal van andere voorwerpen noodig4 ,datgene evenwel wat het karakter,a#ch van het menschelijk ,lichaam uitmaakt1 bestaat hierin dat zijn deelen hun beweging op een zekere bepaalde wijze aan elkaar meedeelen 7vlg4 ,definitie vr ,hulpst4 ,,iv1 te vinden achter ,st4 ,,xiii ,d4 ,,ii74 ,al wat dus bewerkt dat de verhoudingen van beweging en rust1 waarin de deelen van het menschelijk ,lichaam zich ten opzichte van elkaar bevinden1 bewaard blijven1 houdt tevens het karakter van het menschelijk ,lichaam in stand1 bewerkt bijgevolg 7vlg4 ,postulaten ,,iii en ,,vi ,d4 ,,ii7 dat het velerlei indrukken ondergaat en zelf op uitwendige voorwerpen op velerlei wijze kan inwerken1 en is dus goed 7vlg4 voorgaande ,st474 ,al wat verder bewerkt1 dat de deelen van het menschelijk ,lichaam in een andere verhouding van rust en beweging komen1 maakt 7vlg4 dezelfde ,definitie in ,d4 ,,ii71 dat het menschelijk ,lichaam een ander karakter aanneemt1 d4w4z4 7gelijk van zelf spreekt en ook aan het eind der ,voorrede van dit ,deel in herinnering werd gebracht71 dat het menschelijk ,lichaam te niet gaat en bijgevolg geheel en al ongeschikt wordt gemaakt om velerlei indrukken te ontvangen4 ,dit alles zal dus slecht zijn 7vlg4 voorgaande ,st47 ,opmerking3 ,in hoever dit den ,geest tot nadeel of tot voordeel strekken kan1 zal in het ,vijfde ,deel worden uiteengezet4 ,hier wil ik slechts doen opmerken1 dat ik onder sterven van het ,lichaam versta3 dat zijn deelen aldus worden gewijzigd1 dat zij onderling een andere verhouding van beweging en rust verkrijgen4 ,ik waag nochtans niet te ontkennen1 dat het menschelijk ,lichaam1 zelfs bij behoud van den bloedsomloop en andere eigenaardigheden1 waarom men het ,lichaam als levend beschouwt1 toch niettemin een anderen aard1 geheel en al verschillend van zijn vroegeren kan aannemen4 ,geen enkele reden noopt mij te beweren1 dat het ,lichaam alleen dn sterft wanneer het in een lijk verandert2 ja1 de ervaring zelf schijnt anders te leeren4 ,somwijlen toch komt het voor1 dat iemand zoodanige veranderingen ondergaat1 dat ik niet gaarne zou willen volhouden1 dat hij dezelfde mensch was als voorheen4 ,zoo hoorde ik vertellen van een ,spaanschen dichter1 die door een ziekte was aangetast en die1 ofschoon hij daarvan herstelde1 toch zoozeer de herinnering aan zijn vroeger leven had verloren1 dat hij niet wilde gelooven1 dat zijn eigen verhalen en treurspelen door hemzelf geschreven waren1 en dien men inderdaad voor een volwassen kind had kunnen houden1 als hij slechts ook nog zijn moedertaal vergeten had4 ,en zoo men dit al ongelooflijk mocht vinden1 wat moeten wij dan wel zeggen van kinderen1 wier aard een mensch van gevorderden leeftijd zoozeer van de zijne verschillend waant1 dat men hem nooit aan het verstand zou kunnen brengen dat hij er zelf een geweest is1 als hij niet door het voorbeeld van anderen wel op dit vermoeden moest komen4 ,om evenwel aan bijgeloovige lieden geen stof te geven tot nieuwe vragen1 wil ik hier liever afbreken4 ,stelling ,,xl4 ,wat het gemeenschapsleven der menschen bevordert1 of bewerkt dat de menschen eendrachtig samenleven1 is nuttig2 slecht daarentegen is wat tweedracht in den staat teweeg brengt4 ,bewijs4 ,immers datgene1 wat bewerkt dat de menschen eendrachtig samenleven1 bewerkt tevens dat zij volgens leiding der ,rede leven 7vlg4 ,st4 ,,xxxv v4d4 ,d47 en is dus goed 7vlg4 ,st4 ,,xxvi en ,,xxvii v4d4 ,d471 terwijl daarentegen 7om dezelfde reden7 slecht is wat tweedracht verwekt4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xli4 ,blijheid op zichzelf is niet slecht1 doch goed2 ,droefheid daarentegen is reeds op zichzelf slecht4 ,bewijs4 ,blijheid is 7vlg4 ,st4 ,,xi en ,opmerking ,d4 ,,iii7 een aandoening1 door welke het vermogen tot handelen van het ,lichaam wordt vermeerderd of bevorderd2 ,droefheid daarentegen is een aandoening1 door welke het vermogen tot handelen van het ,lichaam wordt verminderd of belemmerd4 ,derhalve is 7vlg4 ,st4 ,,xxxviii v4d4 ,d47 ,blijheid reeds op zichzelf goed enz4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xlii4 ,opgewektheid kan nooit bovenmatig zijn1 maar is steeds goed4 ,neerslachtigheid daarentegen is steeds slecht4 ,bewijs4 ,opgewektheid 7zie haar ,definitie in de ,opmerking bij ,st4 ,,xi ,d4 ,,iii7 is ,blijheid1 welke1 voorzoover zij het ,lichaam betreft1 daarin bestaat dat alle deelen des ,lichaams gelijkelijk zijn aangedaan2 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,xi ,d4 ,,iii7 dat het vermogen tot handelen des ,lichaams wordt vermeerderd of bevorderd op zulk een wijze1 dat al zijn deelen in dezelfde onderlinge verhoudingen van beweging en rust blijven4 ,derhalve is 7vlg4 ,st4 ,,xxxix v4d4 ,d47 ,opgewektheid steeds goed en kan zij nooit bovenmatig zijn4 ,neerslachtigheid echter 7zie ook hr ,definitie in dezelfde ,opm4 bij ,st4 ,,xi ,d4 ,,iii7 is ,droefheid1 welke1 voorzoover zij het ,lichaam betreft1 daarin bestaat1 dat het vermogen tot handelen des ,lichaams onvoorwaardelijk afneemt of belemmerd wordt2 zij is dus 7vlg4 ,st4 ,,xxxviii v4d4 ,d47 steeds slecht4 ,stelling ,,xliii4 ,prikkeling kan bovenmatig en daardoor slecht zijn4 ,pijn evenwel kan in zoover goed zijn als de blijheidsaandoening van prikkeling slecht is4 ,bewijs4 ,prikkeling is ,blijheid1 welke1 voorzoover zij op het ,lichaam betrekking heeft1 hierin bestaat dat n of enkele zijner deelen meer dan de andere wordt aangedaan 7zie haar ,definitie in ,opmerking ,st4 ,,xi ,d4 ,,iii74 ,de kracht dezer aandoening kan nu z groot zijn dat zij de overige handelingen van het ,lichaam overheerscht 7vlg4 ,st4 ,,vi v4d4 ,d47 het hardnekkig vasthoudt en het daardoor belet velerlei andere indrukken te ontvangen4 ,zij kan dus 7vlg4 ,st4 ,,xxxviii v4d4 ,d47 slecht zijn4 ,pijn echter1 welke daarentegen ,droefheid is1 kan op zichzelf beschouwd nooit goed zijn 7vlg4 ,st4 ,,xli v4d4 ,d474 ,omdat evenwel haar hevigheid en toeneming bepaald worden door de macht van een uitwendige oorzaak in verhouding tot onze eigen macht 7vlg4 ,st4 ,v v4d4 ,d471 kunnen wij ons deze aandoening in oneindig vele graden en soorten van hevigheid denken 7vlg4 ,st4 ,,iii v4d4 ,d474 ,wij kunnen ons dus ook een pijn denken1 welke in staat is de prikkeling te temperen en te verhinderen dat zij bovenmatig verprikkeling wordt1 welke dus 7vlg4 het eerste gedeelte van dit bewijs7 helpt beletten dat het ,lichaam minder geschikt wordt voor het ontvangen van indrukken en welke derhalve ook in zoover goed zal zijn4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xliv4 ,liefde en ,begeerte kunnen bovenmatig zijn4 ,bewijs4 ,liefde is 7vlg4 ,definitie ,,vi der ,aand47 ,blijheid1 vergezeld door de voorstelling eener uitwendige oorzaak4 ,prikkeling1 vergezeld door de voorstelling eener uitwendige oorzaak1 is dus ,liefde 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xi ,d4 ,,iii71 zoodat 7vlg4 voorgaande ,st47 ook ,liefde bovenmatig kan zijn4 ,verder is ,begeerte des te sterker1 naarmate de aandoening waaruit zij voortspruit heviger is 7vlg4 ,st4 ,,xxxvii ,d4 ,,iii74 ,zoodat1 evenals een aandoening 7vlg4 ,st4 ,,vi v4d4 ,d47 de overige levensuitingen des menschen overheerschen kan1 evenzoo de ,begeerte1 welke uit zulk een aandoening ontspringt1 alle overige begeerten kan overheerschen en dus even bovenmatig kan zijn als overprikkeling 7gelijk wij in de voorgaande ,stelling aantoonen74 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,die opgewektheid welke ik goed genoemd heb1 valt gemakkelijker te begrijpen dan in werkelijkheid waar te nemen4 ,de aandoeningen toch1 door welke wij dagelijks getroffen worden1 betreffen meestal een of ander deel des ,lichaams1 dat mr inwerking ondervindt dan de overige deelen4 ,vandaar dat aandoeningen zeer dikwijls bovenmatig zijn en den ,geest zoozeer in de beschouwing van een enkele zaak bevangen houden1 dat hij over niets anders denken kan4 ,ofschoon nu de menschen aan tal van aandoeningen onderhevig zijn en men zelden lieden aantreft die voortdurend door nzelfden hartstocht gekweld worden1 ontbreekt het toch geenszins aan zulken dien nzelfde hartstocht hardnekkig aankleeft4 ,somwijlen immers zien wij1 dat menschen zoozeer van n enkel ding vervuld zijn1 dat zij1 ook al is het afwezig1 steeds wanen het bij zich te hebben4 ,wanneer dit het geval is bij iemand die niet slaapt1 dan zeggen wij dat hij malende of krankzinnig is4 ,als even gek beschouwt men diegenen1 die van liefde branden en nacht en dag alleen van hun geliefde of hun boel droomen en daardoor onzen lachlust plegen op te wekken4 ,den vrek daarentegen1 die aan niets anders dan aan winst en geld1 en den eerzuchtige1 die aan niets anders dan roem denkt1 beschouwt men niet als krankzinnig1 omdat zij meestal hinderlijk zijn en daardoor onzen haat opwekken4 ,in werkelijkheid echter zijn ,gierigheid1 ,eerzucht1 ,wellustigheid enz4 wel degelijk vormen van waanzin ofschoon zij niet tot de ziekten gerekend worden4 ,stelling ,,xlv4 ,haat kan nooit goed zijn4 ,bewijs4 ,een mensch dien wij haten trachten wij te vernietigen 7volgens ,stelling ,,xxxix ,deel ,,iii7 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,xxxvii v4d4 ,d47 wij streven dan naar iets dat slecht is4 ,derhalve enz4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,ik doe opmerken dat ik hier en in het vervolg onder ,haat alleen versta haat jegens menschen4 ,gevolg ,i3 ,nijd1 ,spotzucht1 ,minachting1 ,toorn1 ,wraakzucht en de overige aandoeningen1 welke als soorten van ,haat te beschouwen zijn of uit ,haat ontspringen1 zijn slecht2 hetgeen eveneens blijkt uit ,stelling ,,xxxix van ,deel ,,iii en uit ,stelling ,,xxxvii van dit ,deel4 ,gevolg ,,ii3 ,al wat wij begeeren omdat wij ,haat koesteren1 is schandelijk en geldt in den ,staat voor onrechtmatig4 ,hetgeen eveneens blijkt uit ,stelling ,,xxxix van ,deel ,,iii en uit de ,definities van wat schandelijk en onrechtmatig is 7zie ,opmerking ,st4 ,,xxxvii v4d4 ,d474 ,opmerking3 ,tusschen ,spotzucht 7welke ik in ,gevolg ,i slecht genoemd heb7 en ,lachlust maak ik groot onderscheid4 ,immers lachen1 evenals schertsen1 is zuiver ,blijheid en is dus 7vlg4 ,st4 ,,xli v4d4 ,d471 indien het slechts niet overdreven wordt1 uiteraard goed4 ,waarlijk1 alleen een norsch en triestig bijgeloof verzet zich tegen ,blijheid4 ,waarom toch zou het gepaster zijn honger en dorst te stillen dan neerslachtigheid te verdrijven8 ,dit is mjn opvatting hieromtrent en dienovereenkomstig heb ik mij ook voorgenomen te leven,a#gj4 ,geen godheid1 of wat ander wezen ook1 kan zoo grimmig zijn zich in mijn machteloosheid en ongemak te verheugen1 of ons tranen1 snikken1 angst en dergelijke teekenen van zielszwakheid als een deugd aan te rekenen4 ,integendeel1 hoe dieper ,blijheid wij gevoelen1 tot hoe grooter volmaaktheid gaan wij over1 d4w4z4 hoemeer zullen wij deel krijgen aan den goddelijken aard4 ,het voegt dus een wijs man de dingen te gebruiken en er zooveel mogelijk van te genieten1 7niet tot overzadiging toe1 want dat is geen genieten meer74 ,het voegt1 zeg ik1 een wijs man1 zich matiglijk met aangename spijs en drank te verkwikken en te laven1 evenals met geuren en lieflijkheid van groenend kruid1 met fraaie kleedij1 muziek1 kampspelen1 tooneelvoorstellingen en dergelijke zaken1 waarvan een ieder gebruik kan maken zonder een ander te schaden4 ,het menschelijk ,lichaam toch is uit tal van deelen van verschillenden aard samengesteld1 welke voortdurend nieuw en verschillend voedsel behoeven1 zoo het ,lichaam in zijn geheel tot al wat uit zijn aard kan voortvloeien even geschikt wil blijven1 en bijgevolg zoo de ,geest even geschikt wil blijven om vele zaken tegelijk te begrijpen4 ,deze levensregel komt zoowel met onze eigen beginselen als met de algemeene gewoonte uitnemend overeen4 ,zoo ne1 dan is dus deze levenswijze de beste en boven alle andere aan te bevelen4 ,het is echter niet noodig dit nog duidelijker en breedvoeriger te behandelen4 ,stelling ,,xlvi4 ,wie leeft volgens leiding der ,rede1 streeft er zooveel mogelijk naar ,haat1 ,toorn1 ,minachting enz4 welke anderen jegens hem koesteren1 met ,liefde1 ofwel met ,edelmoedigheid te vergelden4 ,bewijs4 ,alle aandoeningen van ,haat zijn slecht 7vlg4 ,gevolg ,i der voorgaande ,st47 en dus zal elk1 die volgens leiding der ,rede leeft 7vlg4 ,st4 ,,xix v4d4 ,d471 zooveel mogelijk trachten te bewerken1 dat hij niet door aandoeningen van ,haat wordt overmand1 en bijgevolg 7vlg4 ,st4 ,,xxxvii v4d4 ,d47 ook pogen te voorkomen1 dat anderen dergelijke aandoeningen ondervinden4 ,haat wordt echter door wederkeerigen ,haat versterkt1 terwijl 7vlg4 ,st4 ,,xliii ,d4 ,,iii7 hij door ,liefde gedoofd kan worden1 zoo zelfs dat ,haat in ,liefde kan overgaan 7vlg4 ,st4 ,,xliv ,d4 ,,iii74 ,derhalve zal1 wie volgens leiding der ,rede leeft1 er naar streven den ,haat enz4 van anderen door ,liefde weder goed te maken1 d4w4z4 door ,edelmoedigheid 7zie de ,definitie hiervan in ,opmerking ,st4 ,,lix ,d4 ,,iii74 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,wie onrecht met wederkeerigen ,haat wil vergelden1 leeft inderdaad ellendig4 ,wie daarentegen zich beijvert ,haat door ,liefde te overwinnen1 waarlijk1 die strijdt blijde en vol vertrouwen1 weerstaat even gemakkelijk n mensch als velen en heeft de hulp der fortuin allerminst van noode4 ,diegenen die hij overwint1 verblijden zich over hun nederlaag1 en wel geenszins uit zwakheid1 maar in verhoogde kracht4 ,hetgeen alles uit de ,definities van ,liefde en ,verstand alleen reeds z helder volgt1 dat het niet noodig is het nog eens in afzonderlijke voorbeelden aan te toonen4 ,stelling ,,xlvii4 ,aandoeningen van ,hoop en ,vrees kunnen op zichzelf beschouwd niet goed zijn4 ,bewijs4 ,aandoeningen van ,hoop en ,vrees bestaan niet zonder ,droefheid4 ,immers ,vrees is 7vlg4 ,definitie ,,xiii der ,aand47 ,droefheid1 en ,hoop 7zie ,toelichtingen bij de ,definities ,,xii en ,,xiii der ,aandoeningen7 is niet bestaanbaar zonder ,vrees4 ,vandaar dat 7vlg4 ,st4 ,,xli v4d4 ,d47 deze aandoeningen op zichzelf beschouwd niet goed kunnen zijn1 doch alleen voorzoover zij een bovenmatige ,blijheid kunnen temperen4 7,vlg4 ,st4 ,,xliii v4d4 ,d474 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,hierbij komt dat deze aandoeningen gebrek aan kennis en een geestelijke machteloosheid aanduiden1 en om deze reden zijn ook ,gerustheid1 ,wanhoop1 ,verheuging en ,spijt ,hartzeer teekenen van zielszwakheid4 ,want ofschoon ,gerustheid en ,verheuging,a#ga aandoeningen van ,blijheid zijn1 onderstellen zij toch steeds voorafgegane ,droefheid1 nl4 ,hoop en ,vrees4 ,hoemeer wij er daarom naar streven1 volgens leiding der ,rede te leven1 hoe minder wij op verwachtingen zullen bouwen en hoe meer wij ook zullen trachten ons van ,vrees te bevrijden1 het geluk zooveel mogelijk te beheerschen en onze handelingen te richten naar den veiligen raad der ,rede4 ,stelling ,,xlviii4 ,de aandoeningen van ,overschatting en ,geringschatting zijn steeds slecht4 ,bewijs4 ,deze aandoeningen toch zijn 7vlg4 ,definities ,,xxi en ,,xxii der ,aand47 in strijd met de ,rede4 ,zij zijn daarom 7vlg4 ,st4 ,,xxvi en ,,xxvii v4d4 ,d47 slecht4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xlix4 ,overschatting maakt den mensch1 die overschat wordt1 licht trotsch4 ,bewijs4 ,indien wij zien dat iemand uit ,liefde beter van ons denkt dan gerechtvaardigd is1 zullen wij ons licht daarop verheffen 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xli ,d4 ,,iii7 ofwel 7vlg4 ,definitie ,,xxx der ,aand47 ,blijheid daarover gevoelen4 ,ook gelooven wijzelf licht al het goede dat wij van ons hooren vertellen 7vlg4 ,st4 ,,xxv ,d4 ,,iii74 ,wij zullen dus uit eigenliefde beter van onszelf denken dan gerechtvaardigd is1 d4w4z4 7vlg4 ,definitie ,,xxviii der ,aand47 licht trotsch worden4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,l4 ,medelijden is in den mensch1 die volgens leiding der ,rede leeft1 op zichzelf beschouwd slecht en nutteloos4 ,bewijs4 ,immers ,medelijden is ,droefheid 7vlg4 ,definitie ,,xviii der ,aand47 en dus 7vlg4 ,st4 ,,xli v4d4 ,d47 op zichzelf slecht4 ,het goede evenwel dat er uit voortvloeit1 namelijk dat wij den persoon1 met wien wij medelijden hebben1 uit zijn ellende trachten te verlossen 7vlg4 ,gevolg ,,iii ,st4 ,,xxvii ,d4 ,,iii71 begeeren wij ook reeds op gezag der ,rede te volbrengen 7vlg4 ,st4 ,,xxxvii v4d4 ,d471 gelijk wij niets1 waarvan wij met zekerheid weten dat het goed is1 kunnen doen dan alleen op voorschrift der ,rede 7vlg4 ,st4 ,,xxvii v4d4 ,d474 ,derhalve is ,medelijden in den mensch1 die volgens leiding der ,rede leeft1 op zichzelf beschouwd slecht en nutteloos4 ,h4t4b4w4 ,gevolg3 ,hieruit volgt1 dat wie volgens voorschrift der ,rede leeft1 zooveel mogelijk er naar zal streven niet door ,medelijden te worden aangegrepen4 ,opmerking3 ,wie terdeeg beseft1 dat alles uit de noodwendigheid van den goddelijken aard voortvloeit en plaats grijpt volgens de eeuwige wetten en regelen der ,natuur1 zal zeker niets vinden wat ,haat1 ,spijt of ,minachting verdient1 noch met wien dan ook ,medelijden hebben1 maar1 zoover zijn menschelijke kracht reikt1 trachten1 zooals men zegt3 wel te doen en blij te zijn,a#gb4 ,daarbij komt1 dat wie licht door ,medelijden aangegrepen en door eens anders ellende tot tranen bewogen wordt1 dikwijls iets zal doen wat hem later zelf berouwt2 zoowel wijl wij onder invloed eener aandoening niets kunnen doen met de zekerheid dat het goed is1 als ook wijl wij gemakkelijk door valsche tranen bedrogen worden4 ,ik spreek hier evenwel uitdrukkelijk van menschen1 die volgens leiding der ,rede leven4 ,want wie noch door de ,rede1 noch door ,medelijden er toe bewogen wordt om anderen te helpen1 wordt terecht onmenschelijk genoemd1 aangezien hij 7vlg4 ,st4 ,,xxvii ,d4 ,,iii7 niet op een mensch blijkt te gelijken4 ,stelling ,,li4 ,ingenomenheid is niet in strijd met de ,rede2 kan daarmede zelfs in overeenstemming zijn en er uit voortkomen4 ,bewijs4 ,ingenomenheid toch is ,liefde jegens iemand die een ander een weldaad bewees 7vlg4 ,definitie ,,xix der ,aand47 en kan dus betrekking hebben op den ,geest1 voorzoover deze beschouwd wordt als handelend 7vlg4 ,st4 ,,lix ,d4 ,,iii7 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,iii ,d4 ,,iii7 voorzoover hij begrijpt4 ,derhalve is zij in overeenstemming met de ,rede enz4 ,h4t4b4w4 ,anders4 ,wie volgens leiding der ,rede leeft1 wenscht het goede1 waarnaar hij streeft1 ook anderen toe 7vlg4 ,st4 ,,xxxvii v4d4 ,d471 zoodat zijn eigen verlangen om wel te doen1 versterkt wordt doordat hij een ander ziet weldoen4 ,hij zal zich dus 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xi ,d4 ,,iii7 verblijden1 en dat wel 7vlg4 het onderstelde7 daarbij denkend aan dengene1 die dien ander weldeed2 derhalve zal hij 7vlg4 ,definitie ,,xix der ,aand47 met hem zijn ingenomen4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,verontwaardiging1 gelijk wij haar omschreven hebben 7zie ,definitie ,,xx der ,aand47 is noodzakelijk slecht 7vlg4 ,st4 ,,xlv v4d4 ,d474 ,hierbij zij echter opgemerkt1 dat wanneer de hoogste overheid een burger1 die een ander onrecht aandeed1 straft met de bedoeling om de orde te handhaven1 zij volgens mij geenszins over dien burger verontwaardigd is1 aangezien zij niet1 door ,haat gedreven1 dien burger straft om hem in het verderf te storten1 maar uit plichtsbesef4 ,stelling ,,lii4 ,tevredenheid met zichzelf zelfvoldoening kan haar oorsprong vinden in de ,rede en de hoogst bestaanbare zelfvoldoening is alleen zulk eene1 welke uit de ,rede voortvloeit4 ,bewijs4 ,zelfvoldoening is ,blijheid1 ontstaan doordat men zichzelf en zijn eigen macht tot handelen beschouwt 7vlg4 ,definitie ,,xxv der ,aand47 's ,menschen vermogen tot handelen ofwel deugd echter is de ,rede zelf 7vlg4 ,st4 ,,iii ,d4 ,,iii71 waarvan hij zich helder en duidelijk bewust is 7vlg4 ,st4 ,,xl en ,,xliii ,d4 ,,ii74 ,derhalve vindt zelfvoldoening haar oorsprong in de ,rede4 ,verder begrijpt de mensch1 wanneer hij zichzelf beschouwt1 alleen datgene helder en duidelijk1 ofwel adaequaat1 wat uit zijn macht tot handelen voortspruit 7vlg4 ,definitie ,,ii ,d4 ,,iii7 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,iii ,d4 ,,iii7 wat uit zijn vermogen om te begrijpen volgt4 ,derhalve ontspringt de hoogst bestaanbare zelfvoldoening alleen uit deze beschouwing4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,inderdaad is zelfvoldoening het hoogste waarop wij kunnen hopen4 ,immers1 7gelijk wij in ,st4 ,,xxv v4d4 ,d4 aantoonden7 niemand tracht zijn wezen te handhaven terwille van eenig ander buiten hemzelf liggend doel4 ,aangezien nu deze zelfvoldoening door lof steeds meer bevorderd en versterkt wordt 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,liii ,d4 ,,iii7 en daarentegen door blaam steeds meer verzwakt 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,lv ,d4 ,,iii7 oefent roem zulk een aantrekking op ons uit1 terwijl wij een leven in schande haast niet kunnen verdragen4 ,stelling ,,liii4 ,neerslachtigheid ,kleinmoedigheid1 ,nederigheid is geen deugd1 ofwel1 zij ontspringt niet uit de ,rede4 ,bewijs4 ,neerslachtigheid is ,droefheid1 welke daaruit voortkomt dat men zijn eigen machteloosheid beschouwt 7vlg4 ,definitie ,,xxvi der ,aand474 ,voorzoover men echter zichzelf in waarachtige redelijkheid kent1 begrijpt men1 naar verondersteld wordt1 zijn eigen wezen1 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,vii ,d4 ,,iii7 zijn eigen macht4 ,zoodat indien iemand1 wanneer hij zichzelf beschouwt1 zich in een of ander opzicht machteloos gevoelt1 dit niet een gevolg daarvan is1 dat hij zichzelf begrijpt1 maar 7gelijk wij in ,st4 ,,lv ,d4 ,,iii aantoonden7 daarvan1 dat zijn vermogen tot handelen belemmerd wordt4 ,nemen wij daarentegen aan dat iemand tot het inzicht zijner machteloosheid komt doordat hij zich iets machtigers voorstelt en dat hij door middel van deze kennis de grenzen van zijn eigen vermogen tot handelen bepaalt1 dan onderstellen wij hiermede niets anders1 dan dat die persoon zichzelf duidelijk begrijpt 7vlg4 ,st4 ,,xxvi v4d4 ,d47 hetgeen zijn vermogen tot handelen juist zal bevorderen4 ,zoodat ,neerslachtigheid1 ofwel die ,droefheid welke daaruit voortkomt dat iemand zijn eigen machteloosheid beschouwt1 geen uitvloeisel is van waarachtig nadenken of van de ,rede en dus geen deugd1 maar een lijding4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,liv4 ,berouw is geen deugd1 ofwel het komt niet voort uit de ,rede4 ,integendeel1 wie een daad berouwt is dubbel ongelukkig of machteloos4 ,bewijs4 ,het eerste gedeelte dezer stelling wordt evenals de voorgaande stelling bewezen4 ,het tweede gedeelte echter blijkt alleen reeds uit de ,definitie dezer aandoening 7zie ,definitie ,,xxvii der ,aand474 ,eerst immers laat men zich door zijn lage begeerte1 en daarna bovendien nog door ,droefheid overmeesteren4 ,opmerking3 ,aangezien de menschen zelden naar de voorschriften der ,rede leven1 stichten evenwel deze beide aandoeningen1 ,nederigheid en ,berouw1 en daarnaast ook ,hoop en ,vrees1 meer nut dan schade2 zoodat het1 wanneer er dan toch gezondigd moet worden1 maar het best is in dt opzicht te zondigen4 ,immers indien de menschen1 reeds zwak van ziel1 ook nog allen even trotsch waren1 zich nergens voor schaamden en niets vreesden1 hoe zou men hen dan nog in den band kunnen houden en beteugelen8,a#gc ,de menigte is vreeselijk wanneer zij niet zelf vreest1 zoodat het niet valt te verwonderen dat de ,profeten1 die niet het heil van enkelen1 maar van het algemeen beoogden1 zoo sterk ,nederigheid1 ,berouw en ,onderdanigheid hebben aangeprezen4 ,inderdaad1 wie aan deze aandoeningen onderworpen zijn1 kunnen er tenslotte veel gemakkelijker dan anderen toe gebracht worden volgens leiding der ,rede te leven1 d4w4z4 vrij te zijn en een gelukkig leven te genieten4 ,stelling ,,lv4 ,zeer groote hoogmoed of diepe zelfverachting duiden op groot gemis aan zelfkennis4 ,bewijs4 ,dit blijkt uit de ,definities ,,xxviii en ,,xxix der ,aandoeningen4 ,stelling ,,lvi4 ,zeer groote hoogmoed of diepe zelfverachting duiden op zeer groote zwakheid van ziel4 ,bewijs4 ,het eerste beginsel der deugd is het eigen wezen in stand te houden 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,xxii v4d4 ,d47 en datwel onder leiding der ,rede 7vlg4 ,st4 ,,xxiv v4d4 ,d474 ,wie dus zichzelf niet kent1 kent den grondslag aller deugden en bijgevolg die deugden zelf evenmin4 ,verder is handelen uit deugd niets anders dan handelen volgens leiding der ,rede 7vlg4 ,st4 ,,xxiv v4d4 ,d474 ,wie echter volgens leiding der ,rede handelt1 moet 7vlg4 ,st4 ,,xliii ,d4 ,,ii7 noodzakelijk weten dt hij volgens leiding der ,rede handelt4 ,wie dus zichzelf1 en bijgevolg 7gelijk wij reeds aantoonden7 alle deugden1 grootendeels niet kent1 handelt allerminst uit deugd1 d4w4z4 7gelijk uit ,definitie ,,viii v4d4 ,d4 blijkt7 is uiterst zwak van ziel4 ,derhalve duiden 7vlg4 voorgaande ,st47 zeer groote hoogmoed of zelfverachting op zeer groote zwakheid van ziel4 ,h4t4b4w4 ,gevolg3 ,hieruit volgt ten duidelijkste1 dat zoowel hoogmoedige als kleinmoedige menschen het meest aan hun aandoeningen onderworpen zijn4 ,opmerking3 ,nochtans is zelfverachting gemakkelijker te verbeteren,a#gd dan hoogmoed1 aangezien deze een aandoening van ,blijheid1 gene echter van ,droefheid is en deze dus 7vlg4 ,st4 ,,xviii v4d4 ,d47 sterker is4 ,stelling ,,lvii4 ,de hoogmoedige houdt van het gezelschap van parasieten en vleiers1 dat van edele menschen daarentegen haat hij4 ,bewijs4 ,hoogmoed is ,blijheid1 welke ontstaat doordat men beter van zichzelf denkt dan gerechtvaardigd is 7vlg4 ,definities ,,xxviii en ,,vi der ,aand471 welken dunk de hoogmoedige zooveel mogelijk zal trachten te versterken1 7zie ,opmerking ,st4 ,,xiii ,d4 ,,iii74 ,derhalve zal hij dan ook houden van het gezelschap van parasieten en vleiers 7wier definities ik heb weg gelaten1 wijl zij maar al te bekend zijn7 en dat van edele lieden1 die van hem denken naar hij verdient1 ontvluchten4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,het zou mij te ver voeren hier alle kwade gevolgen van den ,hoogmoed op te sommen1 aangezien hoogmoedigen aan alle aandoeningen onderhevig zijn1 schoon aan geene minder dan die van ,liefde en ,barmhartigheid4 ,nochtans mag hier niet verzwegen worden1 dat men ook diengene hoogmoedig noemt1 die van anderen slechter denkt dan billijk is1 zoodat in dezen zin ,hoogmoed kan worden omschreven als ,blijheid1 ontsproten uit den waan dat men boven andere menschen verheven is4 ,zelfverachting is dan1 als tegenstelling van dezen ,hoogmoed1 te omschrijven als ,droefheid1 ontsproten uit den waan dat men lager staat dan anderen4 ,bij deze opvatting is het gemakkelijk in te zien dat de hoogmoedige noodzakelijkheid afgunstig moet zijn 7zie ,opmerking ,st4 ,,lv ,d4 ,,iii71 hen die het meest om hun deugden geprezen worden het meest moet haten1 terwijl die ,haat niet licht door hun ,liefde of weldaden kan worden overwonnen 7zie ,opmerking ,st4 ,,xli ,d4 ,,iii72 dat hij zich daarentegen alleen verheugt in het gezelschap van hen1 die zijn machtelooze ziel in het gevlei komen en die hem van dwaas waanzinnig maken4 ,ofschoon zelfverachting het tegendeel is van ,hoogmoed1 is niettemin wie zichzelf veracht ten nauwste verwant aan den ,hoogmoedige4 ,immers1 aangezien zijn ,droefheid daaruit voortkomt1 dat hij zijn eigen machteloosheid erkent door vergelijking met de macht of de deugd van anderen1 zal zijn ,droefheid verlicht worden1 d4w4z4 zal hij zich verblijden1 wanneer zijn verbeelding zich bezig houdt met de beschouwing van anderer fouten4 ,vandaar het gezegde3 het is een troost voor ongelukkigen dat zij lotgenooten hebben gehad4 ,daarentegen zal hij zich te meer bedroeven1 naarmate hij meent dieper onder anderen te staan2 en vandaar dat niemand mr tot afgunst neigt1 dan wie zichzelf veracht2 dat hij scherp op de daden van anderen let1 meer om ze te bevitten dan om ze te verbeteren1 en dat hij bovenal de nederigheid prijst en zich op haar verheft1 dit laatste op zulk een wijze evenwel1 dat hij toch naar den schijn nederig blijft4 ,dit alles volgt uit deze aandoening even noodzakelijk als uit den aard eens driehoeks volgt1 dat de som zijner drie hoeken gelijk is aan twee rechten2 en ik heb dan ook vroeger reeds gezegd dat ik deze en dergelijke aandoeningen alleen maar slecht noem voorzoover ik op 's menschen belang let4 ,de wetten der ,natuur echter gelden voor de geheele orde der ,natuur1 waarvan de mensch een deel is1 hetgeen ik in het voorbijgaan nog even wilde opmerken1 opdat niemand meene dat ik hier slechts de menschelijke gebreken en dwaasheden heb willen behandelen1 inplaats van aard en eigenschappen der dingen uiteen te zetten4 ,want1 gelijk ik in de ,voorrede van het ,derde ,deel gezegd heb3 ik beschouw de menschelijke aandoeningen en hun eigenschappen geheel en al als de overige dingen in de ,natuur4 ,en inderdaad wijzen de menschelijke aandoeningen niet minder dan tal van andere dingen1 welke wij bewonderen en in welker beschouwing wij ons verheugen1 op de macht en kunstvaardigheid1 zoo niet van den mensch zelf1 dan toch van de ,natuur4 ,ik ga thans echter voort met op te teekenen wat er in de aandoeningen voor den mensch nuttig is1 of wat hem schade kan berokkenen4 ,stelling ,,lviii4 ,zelfverheerlijking glorie is niet in strijd met de ,rede1 maar kan uit haar ontspruiten4 ,bewijs4 ,dit blijkt uit ,definitie ,,xxx der ,aandoeningen en uit de ,definitie van ,eerbaarheid1 zie ,opmerking ,i bij ,stelling ,,xxxvii van dit ,deel4 ,opmerking3 ,wat men ijdelen roem noemt is een soort van zelfvoldoening1 welke alleen gevoed wordt door de meening der groote massa4 ,houdt deze geen stand1 zoo ontvalt ons deze zelfvoldoening1 d4w4z4 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,lii v4d4 ,d471 datgene wat ieder als het hoogste goed liefheeft2 en vandaar1 dat wie zich verheft op de publieke meening1 dagelijks in angst en zorg worstelt en zoekt en in de weer is om zijn roem op te houden4 ,immers het publiek is veranderlijk en onstandvastig1 zoodat roem1 welke niet wordt levendig gehouden1 spoedig vergeten raakt4 ,ja1 waar allen evenzeer den bijval der menigte zoeken te verwerven1 verduistert de een licht den roem van den ander1 zoodat1 aangezien men strijdt om wat men voor het hoogste goed houdt1 er een geweldige begeerte ontstaat om elkaar wederzijds op alle manieren te kleineeren1 en degeen1 die tenslotte als overwinnaar te voorschijn komt1 zich er meer op verheft1 dat hij een ander geschaad1 dan dat hij zichzelf gebaat heeft4 ,deze zelfverheerlijking of bevrediging in zichzelf is dus wel inderdaad ijdel1 wijl zij feitelijk gn bevrediging is4 ,wat omtrent de ,schaamte te zeggen valt1 is gemakkelijk op te maken uit hetgeen wij over ,medelijden en ,berouw hebben opgemerkt4 ,ik voeg er hier slechts aan toe1 dat evenals ,medelijden1 zoo ook ,schaamte1 al is zij geen deugd1 toch goed kan zijn1 voorzoover zij er op wijst1 dat in dengeen die zich schaamt1 de begeerte aanwezig is om eerbaar te leven1 gelijk ook pijn in zoover goed genoemd werd als zij een teeken is1 dat het gekwetste lichaamsdeel nog niet verrot is4 ,daarom is iemand1 die zich over een of andere daad schaamt1 niettegenstaande hij werkelijk bedroefd is1 toch volmaakter dan de onbeschaamde1 die niet het verlangen koestert om eerzaam te leven4 ,dit nu is wat ik mij had voorgenomen over de aandoeningen van ,blijheid en ,droefheid te zeggen4 ,wat de ,begeerten betreft1 deze zijn natuurlijk goed of slecht voorzoover zij uit goede of slechte aandoeningen ontspringen4 ,maar zeker zijn zij allen blind1 voorzoover zij in ons ontstaan uit aandoeningen1 welke lijdingen zijn 7gelijk gemakkelijk valt op te maken uit wat wij in de ,opmerking bij ,stelling ,,xliv van dit ,deel gezegd hebben7 en zij zouden nergens toe dienen indien de menschen er slechts wat gemakkelijker toe gebracht konden worden naar de voorschriften der ,rede te leven1 zooals ik thans in het kort zal aantoonen4 ,stelling ,,lix4 ,tot alle daden1 waartoe wij door een aandoening1 welke lijding is1 gedreven worden1 kunnen wij ook zonder deze door de ,rede genoopt worden4 ,bewijs4 ,krachtens de ,rede handelen is niets anders 7vlg4 ,st4 ,,iii en ,definitie ,,ii ,d4 ,,iii71 dan doen wat uit de noodwendigheid van onzen aard1 op zichzelf alleen beschouwd1 voortvloeit4 ,droefheid nu is in zoover slecht1 als zij dit vermogen tot handelen vermindert of belemmert 7vlg4 ,st4 ,,xli v4d4 ,d47 en wij kunnen daarom door deze aandoening tot geen enkele handeling gedreven worden1 welke wij niet ook zouden kunnen volbrengen als wij door de ,rede geleid werden4 ,bovendien is ,blijheid slechts in zoover slecht1 als zij ons minder geschikt maakt om te handelen 7vlg4 ,st4 ,,xli en ,,xliii v4d4 ,d471 zoodat wij inzoover ook door haar tot geen enkele handeling gedreven kunnen worden1 welke wij niet ook zouden kunnen volbrengen als wij door de ,rede geleid werden4 ,en tenslotte3 voorzoover ,blijheid goed is1 is zij met de ,rede in overeenstemming 7zij bestaat immers juist daarin1 dat 's menschen vermogen tot handelen wordt vermeerderd of bevorderd7 en is zij ook geen lijding1 dan alleen voorzoover 's menschen vermogen tot handelen niet zzeer toeneemt1 dat hij zichzelf en zijn handelingen adaequaat kan begrijpen 7vlg4 ,st4 ,,iii en ,opmerking ,d4 ,,iii74 ,zoodat de mensch1 wanneer hij door ,blijheid tot zulk een volmaaktheid gevoerd werd1 dat hij zichzelf en zijn handelingen adaequaat begreep1 zeker geschikt zou zijn1 ja nog geschikter1 tot diezelfde handelingen waartoe hij ook reeds door aandoeningen1 welke lijdingen zijn1 wordt gedreven4 ,maar alle aandoeningen zijn terug te brengen tot ,blijheid1 ,droefheid en ,begeerte 7zie de ,toelichting bij ,definitie ,,iv der ,aand47 en ,begeerte is 7vlg4 ,definitie ,i der ,aand47 niets anders dan streven naar handelen zelf4 ,derhalve kunnen wij tot alle handelingen waartoe wij door een aandoening1 welke lijding is1 gedreven worden1 ook zonder deze alln door de ,rede genoopt worden4 ,h4t4b4w4 ,anders4 ,een handeling wordt in zoover slecht genoemd1 als zij druit voortkomt dat wij ,haat koesteren1 of eenige andere slechte aandoening ondergaan 7zie ,gevolg ,i ,st4 ,,xlv v4d4 ,d474 ,doch op zichzelf beschouwd is geen enkele handeling goed of slecht 7gelijk wij in de ,voorrede tot dit ,deel hebben aangetoond71 maar nzelfde handeling is n eens goed1 dn weer slecht4 ,derhalve kunnen wij tot een handeling1 welke op het oogenblik slecht is1 ofwel1 welke uit een of andere slechte aandoening voortkomt1 k door de ,rede genoopt worden4 7,vlg4 ,st4 ,,xix v4d4 ,d474 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,duidelijker nog zal dit blijken uit een voorbeeld4 ,de handeling van slaan is1 physiek beschouwd en wanneer wij alleen drop letten dat iemand zijn arm opheft1 de vuist balt en den geheelen arm met kracht omlaag doet komen1 een deugd uiting van kracht welke uit de inrichting van het menschelijk ,lichaam verklaard kan worden4 ,indien dus iemand1 door ,toorn of ,haat bewogen1 gedrongen wordt de vuist te ballen en den arm te bewegen1 dan geschiedt dit1 7gelijk wij in het ,tweede ,deel aantoonden71 wijl n en dezelfde handeling verbonden kan worden met verschillende voorstellingen1 zoodat wij zoowel door voorstellingen van dingen1 welke wij verward1 als door voorstellingen van dingen welke wij helder en duidelijk begrijpen1 tot nzelfde handeling gedreven kunnen worden4 ,het blijkt dus dat elke ,begeerte1 ontspringend uit een aandoening2 welke lijding is1 van geenerlei nut zou zijn als de menschen door de ,rede geleid werden4 ,laat ons thans onderzoeken waarom de ,begeerte1 voortkomend uit een aandoening1 welke lijding is1 door ons blind genoemd wordt4 ,stelling ,,lx4 ,de ,begeerte1 ontspringend uit ,blijheid of ,droefheid1 welke betrekking hebben op een of ander deel en niet op alle deelen des ,lichaams1 houdt geen rekening met het belang van den mensch in zijn geheel4 ,bewijs4 ,gesteld bijvoorbeeld1 dat een deel ,a des ,lichaams door toedoen van een of andere uitwendige oorzaak dermate versterkt wordt1 dat het krachtiger is dan de andere deelen 7vlg4 ,st4 ,,vi v4d4 ,d474 ,dit deel zal dan allerminst er naar streven zijn eigen kracht te verliezen om de overige deelen des ,lichaams hun funktie beter te laten verrichten2 immers daartoe zou het de kracht of het vermogen moeten bezitten om zijn eigen kracht te verliezen1 hetgeen 7vlg4 ,st4 ,,vi ,d4 ,,iii7 ongerijmd is4 ,dit deel en 7vlg4 ,st4 ,,vii en ,,xii ,d4 ,,iii7 bijgevolg ook de ,geest1 zal er dus naar streven dien toestand te handhaven1 en derhalve zal de ,begeerte1 welke uit een zoodanige aandoening van ,blijheid ontspruit1 geen rekening houden met het geheel4 ,wordt daarentegen aangenomen dat dit deel ,a belemmerd wordt1 zoodat de andere deelen krachtiger zijn1 dan kan op dezelfde wijze worden bewezen dat de ,begeerte1 welke uit deze ,droefheid voortkomt1 evenmin rekening houdt met het geheel4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,waar nu ,blijheid meestal 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xliv v4d4 ,d47 slechts betrekking heeft op n deel des ,lichaams1 begeeren wij dus meestal ons wezen in stand te houden zonder daarbij rekening te houden met onze gezondheid in het algemeen4 ,waar nog bijkomt dat de ,begeerten1 welke ons het meest vervullen 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,ix v4d4 ,d47 slechts rekening houden met het oogenblik1 doch niet met de toekomst4 ,stelling ,,lxi4 ,begeerte1 welke uit de ,rede voortvloeit1 kan niet bovenmatig zijn4 ,bewijs4 ,begeerte is 7vlg4 ,definitie ,i der ,aand471 op zichzelf beschouwd1 's menschen wezen zelf1 voorzoover dit wordt opgevat als op eenigerlei wijze genoodzaakt om iets te doen4 ,derhalve is een ,begeerte1 welke uit de ,rede voortkomt1 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,iii ,d4 ,,iii7 welke in ons ontstaat voorzoover wij handelen1 's menschen wezen of aard zelf1 opgevat als zijnde genoodzaakt datgene te doen1 wat uit 's menschen wezen alln reeds adaequaat kan worden verklaard 7vlg4 ,definitie ,,ii ,d4 ,,iii74 ,indien dus deze ,begeerte bovenmatig kon zijn1 zou dus de menschelijke aard1 op zichzelf beschouwd1 zichzelf te buiten kunnen gaan1 ofwel mr vermogen dan hij inderdaad vermag1 hetgeen klaarblijkelijk met elkaar in tegenspraak is4 ,derhalve kan zulk een ,begeerte ook niet bovenmatig zijn4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,lxii4 ,voorzoover de ,geest de dingen opvat volgens het voorschrift der ,rede1 wordt hij gelijkelijk er door aangedaan1 onverschillig of zijn voorstelling een toekomstige1 een verleden of een tegenwoordige zaak betreft4 ,bewijs4 ,wat ook de ,geest onder leiding der ,rede beschouwt1 beschouwt hij onder nzelfde gezichtspunt van eeuwigheid of noodwendigheid 7vlg4 ,gevolg ,,ii ,st4 ,,xliv ,d4 ,,ii71 terwijl hij daarbij dezelfde zekerheid gevoelt 7vlg4 ,st4 ,,xliii en ,opmerking ,d4 ,,ii74 ,zoodat de ,geest1 onverschillig of zijn voorstelling een toekomstige1 verleden of tegenwoordige zaak betreft1 haar toch met dezelfde noodwendigheid begrijpt en daarbij dezelfde zekerheid gevoelt4 ,en deze voorstelling zal1 onverschillig of zij een toekomstige1 verleden of tegenwoordige zaak betreft1 niettemin altijd even waar zijn 7vlg4 ,st4 ,,xli ,d4 ,,ii71 d4w4z4 7vlg4 ,definitie ,,iv ,d4 ,,ii7 altijd dezelfde kenmerken van een adaequate voorstelling hebben4 ,derhalve zal de ,geest1 voorzoover hij de dingen opvat volgens voorschrift der ,rede1 gelijkelijk er door worden aangedaan1 onverschillig of zijn voorstelling een toekomstige1 een verleden1 of een tegenwoordige zaak betreft4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,indien wij van den duur der dingen een adaequate kennis konden hebben en door de ,rede den tijd van hun bestaan konden bepalen1 zouden wij toekomst en heden met dezelfde aandoening beschouwen en zou de ,geest het goede1 dat hij als toekomstig opvat1 evenals iets tegenwoordigs begeeren4 ,bijgevolg zou hij ook noodzakelijk een geringer tegenwoordig goed terwille van een grooter toekomstig opofferen en iets wat op het oogenblik goed is1 doch oorzaak van een of ander toekomstig kwaad allerminst begeeren2 gelijk wij dadelijk zullen aantoonen4 ,wij kunnen evenwel omtrent den duur der dingen 7vlg4 ,st4 ,,xxxi ,d4 ,,ii7 slechts een uitermate inadaequate kennis hebben en bepalen 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,xliv ,d4 ,,ii7 den tijd van hun bestaan uitsluitend door de verbeelding1 welke geenszins gelijkelijk door de voorstelling van een tegenwoordige en van een toekomstige zaak wordt aangedaan4 ,vandaar dat de ware kennis van goed en kwaad1 welke wij hebben1 slechts afgetrokken1 of algemeen is en dat het oordeel1 dat wij ons vormen1 omtrent orde en oorzakelijk verband der dingen1 ten einde te kunnen uitmaken wat op een gegeven oogenblik goed of kwaad voor ons is1 meer op verbeelding dan op werkelijkheid berust4 ,het is daarom dan ook geen wonder dat de ,begeerte1 welke uit de kennis van goed en kwaad voortspruit voorzoover deze op de toekomst slaat1 zeer licht door de ,begeerte naar dingen1 welke op het oogenblik aangenaam zijn1 kan worden overwonnen4 7,men zie hierover ,st4 ,,xvi v4d4 ,d47 ,stelling ,,lxiii4 ,wie door ,vrees geleid wordt en het goede doet om kwaad te vermijden1 wordt net geleid door de ,rede4 ,bewijs4 ,alle aandoeningen1 welke betrekking hebben op den ,geest voorzoover hij handelt1 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,iii ,d4 ,,iii7 op de ,rede1 zijn nooit anders dan aandoeningen van ,blijheid of ,begeerte 7vlg4 ,st4 ,,lix ,d4 ,,iii7 en dus kan 7vlg4 ,definitie ,,xiii der ,aand47 wie door ,vrees geleid wordt en het goede doet uit angst voor het kwade1 niet door de ,rede geleid worden4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,de bijgeloovigen1 die beter de kunst verstaan ondeugden te laken dan tot deugd op te wekken en die zich beijveren1 niet den mensch door de ,rede te leiden1 maar hem door vrees zoozeer in bedwang te houden1 dat zij liever het kwaad ontvluchten1 inplaats van de deugd lief te hebben1 beoogen niets anders dan anderen even rampzalig te maken als zijzelf zijn4 ,geen wonder daarom dat zij den menschen meestal tot last zijn en door hen gehaat worden4 ,gevolg3 ,krachtens de ,begeerte1 welke uit de ,rede voortkomt1 volgen wij het goede rechtstreeks1 terwijl wij het kwade daardoor vanzelf indirekt vermijden4 ,bewijs4 ,immers de ,begeerte1 welke uit de ,rede voortspruit1 kan het gevolg zijn van een zuivere aandoening van ,blijheid1 welke geen lijding is 7vlg4 ,st4 ,,lix ,d4 ,,iii71 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,lxi v4d4 ,d47 van die ,blijheid1 welke nooit bovenmatig zijn kan2 niet echter van ,droefheid4 ,vandaar dat deze ,begeerte 7vlg4 ,st4 ,,viii v4d4 ,d47 uit de kennis van het goede1 niet echter uit die van het kwade ontspringt4 ,derhalve streven wij1 wanneer wij geleid worden door de ,rede1 rechtstreeks naar het goede en ontvluchten wij slechts inzoover het kwade4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,dit ,gevolg kan door het voorbeeld van den zieken en den gezonden mensch worden verduidelijkt4 ,de zieke toch eet1 uit vrees voor den dood1 dingen waarvan hij een afschuw heeft2 de gezonde daarentegen verheugt zich over zijn spijzen en geniet zoodoende meer van het leven1 dan wanneer hij den dood vreesde en dien rechtstreeks zocht te ontkomen4 ,zoo wordt ook de rechter1 die niet uit ,haat1 ,toorn enz41 doch alleen uit ,liefde voor het algemeen welzijn een schuldige ter dood veroordeelt1 uitsluitend door de ,rede geleid4 ,stelling ,,lxiv4 ,de kennis van het kwade is inadaequate kennis4 ,bewijs4 ,kennis van het kwade is 7vlg4 ,st4 ,,viii v4d4 ,d47 ,droefheid zelf1 voorzoover wij ons daarvan bewust zijn4 ,droefheid echter is overgang tot geringere volmaaktheid 7vlg4 ,definitie ,,iii der ,aand471 welke derhalve niet uit het eigenlijke wezen des menschen kan worden verklaard 7vlg4 ,st4 ,,vi en ,,vii ,d4 ,,iii74 ,zij is dus een lijding 7vlg4 ,definitie ,,ii ,d4 ,,iii71 welke 7vlg4 ,st4 ,,iii ,d4 ,,iii7 afhankelijk is van inadaequate voorstellingen1 en bijgevolg is ook 7vlg4 ,st4 ,,xxix ,d4 ,,ii7 de kennis daarvan1 namelijk van dit kwade1 inadaequaat4 ,h4t4b4w4 ,gevolg3 ,hieruit volgt dat de ,geest1 wanneer hij slechts adaequate voorstellingen had1 geen begrip zou hebben van het kwade4 ,stelling ,,lxv4 ,wanneer wij geleid worden door de ,rede1 zullen wij van twee goede zaken de beste en van twee slechte de minst slechte kiezen4 ,bewijs4 ,het goed1 dat ons belet van een grooter goed te genieten1 is eigenlijk een kwaad2 goed en kwaad immers noemen wij de dingen 7gelijk wij in de ,voorrede van dit ,deel hebben betoogd71 voorzoover wij ze met elkaar vergelijken4 ,een geringer kwaad daarentegen is 7om dezelfde reden7 eigenlijk goed1 zoodat wij 7vlg4 ,gevolg voorgaande ,st471 wanneer wij geleid worden door de ,rede1 alleen een grooter goed en een kleiner kwaad zullen begeeren of kiezen4 ,h4t4b4w4 ,gevolg3 ,wanneer wij geleid worden door de ,rede zullen wij terwille van een grooter goed een geringer kwaad verkiezen en een geringer goed1 dat oorzaak is van een grooter kwaad1 verwaarloozen4 ,immers het kwaad dat hier geringer genoemd wordt1 is eigenlijk een goed1 het goed daarentegen een kwaad4 ,zoodat 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,lxiii v4d4 ,d47 wij het eerste zullen begeeren en het tweede opofferen4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,lxvi4 ,wanneer wij geleid worden door de ,rede1 zullen wij een1 grooter toekomstig goed boven een kleiner tegenwoordig1 en een kleiner tegenwoordig kwaad boven een grooter toekomstig verkiezen4 ,bewijs4 ,indien de ,geest een adaequate kennis van het toekomstige kon hebben1 zou hij 7vlg4 ,st4 ,,lxii v4d4 ,d47 naar aanleiding van iets toekomstigs dezelfde aandoening ondervinden als naar aanleiding van iets tegenwoordigs4 ,zoodat1 wanneer wij slechts op de ,rede letten1 gelijk wij in deze stelling1 naar werd aangenomen1 doen1 de zaak hetzelfde blijft of wij een grooter goed of kwaad als toekomstig1 danwel als tegenwoordig onderstellen4 ,derhalve zullen wij 7vlg4 ,st4 ,,lxv v4d4 ,d47 een grooter toekomstig goed boven een kleiner tegenwoordig verkiezen enz4 ,h4t4b4w4 ,gevolg3 ,een kleiner tegenwoordig kwaad1 hetwelk oorzaak is van een grooter toekomstig goed1 zullen wij1 wanneer wij geleid worden door de ,rede1 aanvaarden1 en een kleiner tegenwoordig goed1 hetwelk oorzaak is van een grooter toekomstig kwaad1 opofferen4 ,dit gevolg staat met de voorgaande stelling in hetzelfde verband als ,gevolg ,st4 ,,lxv met genoemde stelling zelf4 ,opmerking3 ,indien wij dit alles nu vergelijken met wat wij in dit ,deel tot aan ,stelling ,,xviii betoogd hebben aangaande de macht der aandoeningen1 zullen wij gemakkelijk inzien welk onderscheid er is tusschen den mensch1 die alleen door zijn aandoeningen of meeningen1 en hem die door de ,rede geleid wordt4 ,gene immers doet willens of onwillens dingen1 waarvan hij ten eenen male niets begrijpt1 deze daarentegen gehoorzaamt niemand dan zichzelf en doet slechts datgene waarvan hij weet dat het in het leven van het grootste belang is en wat hij daarom ook het meest begeert4 ,daarom noem ik gene een slaaf1 deze evenwel een vrij mensch1 over wiens karakter en levenswijze ik thans nog kortelijks een en ander wil opmerken4 ,stelling ,,lxvii4 ,de vrije mensch denkt aan niets minder dan aan den dood2 zijn wijsheid bestaat niet in bepeinzing van den dood1 maar van het leven4 ,bewijs4 ,de vrije mensch1 d4w4z4 de mensch1 die leeft alleen volgens voorschrift der ,rede1 wordt niet geleid door ,vrees voor den dood 7vlg4 ,st4 ,,lxiii v4d4 ,d47 doch begeert het goede rechtstreeks 7vlg4 ,gevolg derzelfde ,st47 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,xxiv v4d4 ,d47 hij begeert te handelen1 te leven1 zijn wezen te handhaven1 met de bedoeling zijn eigen belang te dienen4 ,derhalve denkt hij aan niets minder dan aan den dood1 maar bestaat zijn wijsheid in bepeinzing des levens4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,lxviii4 ,indien de menschen vrij geboren werden1 zouden zij zich geenerlei voorstellingen van goed of kwaad maken zoolang ze vrij bleven4 ,bewijs4 ,hem heb ik vrij genoemd1 die alleen door de ,rede geleid wordt4 ,wie dus vrij geboren wordt en vrij blijft1 heeft niets dan adaequate voorstellingen1 heeft dus ook geenerlei begrip van het kwade 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,lxiv v4d4 ,d47 en bijgevolg 7want goed en kwaad zijn bij elkaar behoorende begrippen7 ook niet van het goede4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,dat het onderstelde dezer stelling valsch is en alleen denkbaar voorzoover wij alleen op den menschelijken aard letten1 of liever op ,god1 niet voorzoover hij oneindig1 maar slechts voorzoover hij oorzaak van het bestaan des menschen is1 blijkt uit ,stelling ,,iv van dit ,deel4 ,dit1 en nog andere zaken1 welke wij betoogd hebben1 schijnt ook door ,moses te zijn aangeduid in het bekende verhaal van den eersten mensch4 ,hierin toch is van geen andere macht ,gods sprake1 dan van die1 welke den mensch schiep1 d4w4z4 van een macht1 welke alleen met het belang van den mensch rekening houdt4 ,daarom wordt dan ook verhaald1 dat ,god den vrijen mensch verbood van den boom der kennisse van goed en kwaad te eten en dat de mensch1 zoodra hij er toch van gegeten had1 mr den dood vreesde dan begeerde te leven4 ,voordat de man1 nadat hij de vrouw gevonden had1 die geheel en al met zijn aard overeen kwam1 begreep dat er niets in de ,natuur bestond1 dat hem van grooter nut kon zijn dan deze1 maar dat hij1 wanende dat hij gelijksoortig was met de dieren1 aanstonds hun aandoeningen begon na te bootsen 7zie ,st4 ,,xxvii ,d4 ,,iii7 en daarmede zijn vrijheid verloor1 welke de ,aartsvaders later herwonnen1 geleid door den ,geest van ,christus1 d4w4z4 door de voorstelling ,gods1 waarvan alleen het afhangt dat de mensch vrij zij en dat hij het goede1 hetwelk hij voor zichzelf begeert1 ook aan de overige menschen toewenscht1 gelijk wij hierboven 7vlg4 ,st4 ,,xxxvii v4d4 ,d47 hebben aangetoond4 ,stelling ,,lxix4 ,de deugd van den vrijen mensch blijkt evenzeer uit het vermijden als in het overwinnen van gevaren4 ,bewijs4 ,een aandoening kan alleen worden getemperd of opgeheven door een tegengestelde aandoening1 welke sterker is 7vlg4 ,st4 ,,vii v4d4 ,d474 ,blinde ,doldriestheid en ,vrees echter zijn aandoeningen welke men zich even sterk kan denken 7vlg4 ,st4 ,v en ,,iii v4d4 ,d474 ,derhalve zal er een even groote zielskracht of kloekheid 7welker ,definitie men nasla in ,opmerking ,st4 ,,lix ,d4 ,,iii7 vereischt worden om ,vermetelheid als om ,vrees te temperen1 d4w4z4 7vlg4 ,definities ,,xl en ,,xli der ,aand47 de vrije mensch zal krachtens dezelfde zielskracht gevaren ontwijken als waarmede hij ze tracht te overwinnen4 ,h4t4b4w4 ,gevolg3 ,vluchten te juister tijd moet den vrijen mensch als een even groot bewijs van moed worden aangerekend als strijden1 ofwel de vrije mensch kiest met even grooten moed of tegenwoordigheid van geest den strijd als de vlucht4 ,opmerking3 ,wat moed is1 of wat ik daaronder versta1 heb ik in de ,opmerking bij ,stelling ,,lix van ,deel ,,iii uiteen gezet4 ,onder gevaar echter versta ik al wat oorzaak van eenig kwaad kan zijn1 zooals ,droefheid1 ,haat1 ,tweedracht enz4 ,stelling ,,lxx4 ,de vrije mensch1 die temidden van onwetenden,a#ge leeft1 zal zooveel mogelijk hun weldaden trachten af te wijzen4 ,bewijs4 ,ieder beoordeelt krachtens zijn eigen aard wat goed is 7zie ,opmerking ,st4 ,,xxxix ,d4 ,,iii74 ,de onwetende dus1 die een ander een weldaad bewezen heeft1 zal deze naar zijn eigen inzicht beoordeelen en zich bedroeven als hij ziet dat degeen1 wien hij die weldaad bewees1 haar minder waardeert 7vlg4 ,st4 ,,xlii ,d4 ,,iii74 ,de vrije mensch evenwel tracht de andere menschen door vriendschap aan zich te verbinden 7vlg4 ,st4 ,,xxxvii v4d4 ,d472 hij wenscht geenszins door even groote weldaden den menschen hun genegenheid te vergelden1 maar zich en anderen door het vrije oordeel der ,rede te laten leiden1 en begeert slechts dat te doen wat hijzelf als het belangrijkste erkent4 ,derhalve zal de vrije mensch1 opdat hij zich niet bij de onwetenden gehaat make en niet hn begeerte1 doch uitsluitend de ,rede gehoorzame1 hun weldaden zooveel mogelijk trachten af te wijzen4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,ik zeg zooveel mogelijk4 ,want al zijn de menschen onwetend1 zij zijn nochtans menschen1 die in gevallen van nood menschelijke hulp1 waar geen andere bovengaat1 kunnen bieden4 ,en zoodoende komt het dikwijls voor1 dat het noodzakelijk is weldaden van hen aan te nemen1 en bijgevolg dat wij hen daartegenover de dankbaarheid1 welke bij hun gezindheid past1 hebben te betoonen4 ,daarbij komt nog dat men ook bij het afwijzen van weldaden voorzichtig moet zijn1 opdat men niet den schijn op zich lade zijn weldoeners te minachten1 of uit gierigheid bang te zijn om een vergoeding te moeten geven en hen zoodoende beleedigt1 terwijl men juist hun ,haat wil voorkomen4 ,daarom moet men bij het afwijzen van weldaden te rade gaan met wat nuttig en eerzaam is4 ,stelling ,,lxxi4 ,alleen vrije menschen kunnen elkaar waarachtig dankbaar zijn4 ,bewijs4 ,alleen vrije menschen zijn voor elkander van waarachtig nut2 zijn door de nauwste vriendschap met elkaar verbonden 7vlg4 ,st4 ,,xxxv en ,gevolg ,i v4d4 ,d47 en trachten1 door gelijke ,liefde gedreven1 elkaar wel te doen 7vlg4 ,st4 ,,xxxvii v4d4 ,d474 ,derhalve kunnen 7vlg4 ,definitie ,,xxxiv der ,aand47 ook alleen vrije menschen elkaar waarachtig dankbaar zijn4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,de dankbaarheid welke lieden1 die door blinde ,begeerte geleid worden1 voor elkaar gevoelen1 is meestal eer een soort van handel of lokaas1 dan eigenlijke dankbaarheid4 ,voorts is ondankbaarheid geen aandoening4 ,niettemin is ondankbaarheid iets schandelijks1 wijl zij meestal een aanwijzing is dat iemand met een groote mate van ,haat1 ,toorn1 ,trots of ,gierigheid behept is4 ,want wie te dom is om te weten hoe hij geschenken moet beantwoorden1 is niet ondankbaar4 ,nog minder wie door de geschenken eener boeleerster niet er toe gebracht wordt om haar lusten te dienen1 of door die van een dief om zijn diefstal geheim te houden en dergelijke4 ,immers hij1 die zich door geenerlei geschenken laat verleiden zichzelf of het algemeen in het verderf te storten1 toont daardoor juist een standvastige ziel te bezitten4 ,stelling ,,lxxii4 ,de vrije mensch handelt nooit te kwader1 doch steeds te goeder trouw4 ,bewijs4 ,indien de vrije mensch1 voorzoover hij vrij is1 iets te kwader trouw deed1 zou hij dit doen op voorschrift der ,rede 7immers alleen inzoover noemen wij hem vrij74 ,derhalve zou te kwader trouw handelen een deugd zijn 7vlg4 ,st4 ,,xxiv v4d4 ,d47 en zou het bijgevolg 7vlg4 dezelfde ,st47 een ieder1 teneinde zijn wezen te handhaven1 zeer geraden zijn te kwader trouw te handelen1 d4w4z4 7gelijk vanzelf spreekt71 het zou den menschen geraden zijn slechts in woorden het met elkaar eens te zijn1 in daden echter tegenover elkaar te staan2 hetgeen 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,xxxi v4d4 ,d47 ongerijmd is4 ,derhalve handelt de vrije mensch enz4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,indien men mij nu vraagt of niet1 wanneer iemand zich door trouweloosheid uit een dreigend doodsgevaar kon redden1 het beginsel van het streven naar zelfbehoud van hem zou eischen inderdaad trouweloos te zijn1 zoo antwoord ik op dezelfde wijze als hierboven dat indien de ,rede dit eischte zij het dus van alle menschen zou eischen2 dat dus de ,rede van alle menschen zou eischen alleen te kwader trouw af te spreken om samen te werken en algemeen geldige rechten te erkennen1 d4w4z4 in werkelijkheid gn algemeen geldige rechten te erkennen2 hetgeen ongerijmd is4 ,stelling ,,lxxiii4 ,de mensch1 die door de ,rede geleid wordt1 is in den ,staat1 waar hij volgens algemeen besluit leeft1 vrijer dan in de eenzaamheid1 waar hij alleen zichzelf gehoorzaamt4 ,bewijs4 ,de mensch die door de ,rede geleid wordt1 wordt niet door ,vrees tot gehoorzaamheid gedwongen 7vlg4 ,st4 ,,lxiii v4d4 ,d472 doch hij verlangt 7vlg4 ,st4 ,,xxxvii v4d4 ,d47 rekening te houden met het algemeene leven en belang en bijgevolg 7gelijk wij in ,opmerking ,,ii ,st4 ,,xxxvii v4d4 ,d4 aantoonden7 volgens besluit van den gemeenschappelijken ,staat te leven1 alleen voorzoover hij volgens voorschrift der ,rede zijn wezen tracht te handhaven1 d4w4z4 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,lxvi v4d4 ,d47 voorzoover hij vrij wenscht te leven4 ,derhalve begeert de mensch die door de ,rede geleid wordt1 juist om vrijer te leven1 zich te houden aan het gemeenschappelijke recht van den ,staat4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,deze en dergelijke dingen1 welke wij over 's menschen waarachtige vrijheid hebben betoogd1 hebben betrekking op de ,kloekheid1 d4w4z4 7vlg4 ,opmerking ,st4 ,,lix ,d4 ,,iii7 op ,geestkracht en ,edelmoedigheid4 ,ik acht het evenwel niet der moeite waard alle kenmerken der ,kloekheid afzonderlijk te behandelen en nog minder er op te wijzen dat een kloek mensch niemand haat1 niemand toornt1 benijdt of geringschat1 zich over niemand verontwaardigt en allerminst zichzelf verheft4 ,immers dit1 en al wat het waarachtig leven en den godsdienst betreft1 kan gemakkelijk uit de ,stellingen ,,xxxvii en ,,xlvi van dit ,deel worden afgeleid1 waar immers betoogd werd dat ,haat door ,tegenliefde moet worden overwonnen en dat ieder1 die door de ,rede geleid wordt1 een goed dat hij voor zichzelf begeert ook anderen toewenscht4 ,hierbij komt nog wat wij in de ,opmerking bij ,stelling ,l van dit ,deel en op andere plaatsen hebben opgemerkt3 dat namelijk een kloek mensch in de allereerste plaats bedenkt dat alles voortvloeit uit de noodwendigheid van den goddelijken aard en dat dus al wat hij voor hinderlijk en slecht houdt en wat hem goddeloos1 afschuwelijk1 onrechtvaardig en schandelijk dunkt1 dit alles slechts is wijl hijzelf de dingen wanordelijk1 gebrekkig en verward waarneemt4 ,om deze reden zal hij dan ook in de eerste plaats er naar streven de dingen waar te nemen zooals zij op zichzelf zijn en alle belemmeringen tot een waarachtige kennis1 zooals ,haat1 ,toorn1 ,nijd1 ,spot1 ,hoogmoed en al dergelijke aandoeningen1 welke wij in het voorgaande hebben opgenoemd1 uit den weg te ruimen4 ,hij zal er daarom zooveel mogelijk naar streven om1 gelijk wij zeiden3 wel te doen en blij te zijn4 ,tot hoever nu de gemeenschappelijke kracht bij dit streven reikt en wat zij vermag1 zal ik in het volgend ,deel aantoonen4 ,,aanhangsel ,wat ik in dit ,deel over de juiste levenswijze heb gezegd1 is niet z gerangschikt dat men het met n blik kan overzien1 doch werd door mij op verschillende plaatsen betoogd al naar gelang ik een en ander het gemakkelijkst uit iets anders kon afleiden4 ,ik stel mij daarom voor dit alles thans samen te vatten en het belangrijkste in korte ,hoofdstukken te herhalen4 ,hoofdstuk ,i4 ,heel ons streven of al onze ,begeerten volgen uit de noodwendigheid van onzen aard en wel z1 dat zij f uit dezen aard zelf als naaste oorzaak verklaard kunnen worden1 f voorzoover wij een deel der ,natuur zijn1 dat op zichzelf en zonder behulp van andere enkeldingen niet adaequaat begrepen kan worden4 ,hoofdstuk ,,ii4 ,de ,begeerten1 welke zoodanig uit onzen aard voortvloeien1 dat zij alleen reeds uit dezen zelf verklaard kunnen worden1 zijn die1 welke betrekking hebben op den ,geest voorzoover deze wordt opgevat als bestaande uit adaequate voorstellingen4 ,de overige ,begeerten daarentegen hebben slechts betrekking op den ,geest voorzoover deze de dingen inadaequaat begrijpt1 en hun kracht en groei worden niet bepaald door de menschelijke macht alleen1 maar ook door de macht van dingen buiten ons4 ,daarom worden de eersten terecht handelingen1 de laatsten lijdingen genoemd2 gene toch wijzen op onze eigen kracht1 deze daarentegen op onze machteloosheid en gebrekkige kennis4 ,hoofdstuk ,,iii4 ,onze handelingen1 d4w4z4 die ,begeerten1 welke door 's menschen macht of ,rede bepaald worden1 zijn altijd goed2 de overige ,begeerten kunnen zoowel goed als kwaad zijn4 ,hoofdstuk ,,iv4 ,in het leven is het dus in de eerste plaats van belang het verstand of de ,rede zooveel mogelijk te volmaken en in dit ne bestaat 's menschen hoogste geluk of zaligheid4 ,immers zaligheid is niets anders dan die zielsrust zelve1 welke uit de intutieve kennis van ,god voortspruit1 terwijl het verstand volmaken niets anders zeggen wil dan ,god1 ,gods attributen en de handelingen welke met noodwendigheid uit zijn wezen volgen1 begrijpen4 ,zoodat het einddoel van den mensch1 die door de ,rede geleid wordt1 d4w4z4 zijn hoogste ,begeerte1 naar welke hij alle overige tracht te richten1 dt is3 zichzelf en alle dingen1 welke onder zijn bevattingsvermogen kunnen vallen1 adaequaat te begrijpen4 ,hoofdstuk ,v4 ,geen leven dus is redelijk zonder begrip1 en de dingen zijn alleen goed voorzoover zij den mensch helpen een geestesleven te leiden1 dat op begrijpen berust4 ,daarentegen noemen wij al datgene kwaad wat den mensch belet zijn ,rede te volmaken en een redelijk leven te kunnen leiden4 ,hoofdstuk ,,vi4 ,wijl evenwel alles1 waarvan de mensch op zichzelf bewerkende oorzaak is1 noodzakelijk goed is1 kan den mensch alleen door uitwendige oorzaken iets kwaads overkomen1 d4w4z4 voorzoover hij een deel is der geheele ,natuur1 wier wetten de menschelijke aard gedwongen is te gehoorzamen en bij welke hij zich op bijkans oneindig vele wijze moet aanpassen4 ,hoofdstuk ,,vii4 ,het is niet denkbaar dat de mensch gn deel der ,natuur zou zijn en haar algemeene orde net zou volgen4 ,indien hij evenwel verkeert onder individuen1 die met zijn eigen menschelijken aard overeenstemmen1 zal zijn vermogen tot handelen daardoor vanzelf worden gesteund en versterkt4 ,bevindt hij zich daarentegen onder wezens1 die met zijn eigen aard zeer weinig overeenstemmen1 dan zal hij zich1 niet zonder zelf groote veranderingen te ondergaan1 bij hen kunnen aanpassen4 ,hoofdstuk ,,viii4 ,het staat ons vrij alles wat wij in de wereld der dingen voor slecht houden of waarvan wij meenen dat het ons zou kunnen belemmeren in ons bestaan en een redelijk leven te leiden1 uit den weg te ruimen langs den weg die ons het veiligst lijkt2 alles daarentegen wat wij goed of nuttig achten voor ons zelfbehoud en het leiden van een redelijk leven1 mogen wij voor onszelf en op alle mogelijke wijzen gebruiken1 en onvoorwaardelijk mag ieder krachtens volste natuurlijk recht alles doen wat hij in zijn eigen belang acht4 ,hoofdstuk ,,ix4 ,niets kan beter met den aard van eenig ding overeenkomen dan de overige enkeldingen derzelfde soort en derhalve bestaat er 7vlg4 ,hoofdstuk ,,vii7 voor den mensch niets dienstigers voor zijn zelfbehoud en het leiden van een redelijk leven1 dan de mensch die door de ,rede geleid wordt4 ,wijl wij voorts onder de bijzondere dingen niets voortreffelijkers kennen dan een mensch1 die door de ,rede geleid wordt kan niemand door ets beter toonen waartoe zijn kunde en vernuft in staat zijn1 dan door de menschen z op te voeden1 dat zij tenslotte leven volgens gezag van hun eigen ,rede4 ,hoofdstuk ,x4 ,voorzoover de menschen ,afgunst of eenige andere aandoening van ,haat jegens elkaar koesteren1 zijn zij elkaars tegenstanders en als zoodanig des te meer te vreezen wijl hun macht grooter is dan die van andere enkeldingen in de ,natuur4 ,hoofdstuk ,,xi4 ,toch worden harten niet door wapenen1 maar door ,liefde en ,edelmoedigheid verwonnen4 ,hoofdstuk ,,xii4 ,het is voor de menschen van het hoogste belang met elkaar om te gaan1 zich zoodanig bij elkaar aan te sluiten1 dat zij meer en meer tezamen n eenheid vormen en in het algemeen alles te doen wat strekt tot versterking van vriendschap4 ,hoofdstuk ,,xiii4 ,hiertoe zijn evenwel kunde en waakzaamheid noodig4 ,de menschen immers zijn1 hoewel zeer verschillend 7zeldzaam toch zijn diegenen1 die volgens de voorschriften der ,rede leven71 toch meestal naijverig en meer tot wraak dan tot barmhartigheid geneigd4 ,het vereischt daarom een bijzondere zielskracht om ieder te nemen zooals hij is en zichzelf ervan te onthouden anderer aandoeningen na te bootsen4 ,daarentegen zijn zij1 die beter verstaan de menschen te hekelen1 liever hun ondeugden te laken dan hen deugden te leeren1 en de gemoederen te verslappen inplaats van ze te versterken1 zichzelf en anderen tot last4 ,vandaar dat velen uit al te groote onverdraagzaamheid en uit valsche godsdienstijver liever verkozen te leven onder dieren dan onder menschen1 evenals knapen of jongelingen1 die de berispingen hunner ouders niet met gelijkmoedigheid verdragen kunnen1 hun toevlucht zoeken in den krijgsdienst en de ongemakken van den oorlog en een tyranniek gezag verkiezen boven huiselijke gemakken en vaderlijke vermaningen en zich alle mogelijke lasten opleggen1 alleen om zich op hun ouders te wreken4 ,hoofdstuk ,,xiv4 ,ofschoon dus de menschen meestal alles naar hun eigen zin trachten in te richten1 spruiten niettemin uit hun gemeenschappelijk verband veel meer voordeelen dan nadeelen voort4 ,daarom is het 't best hun ongerechtigheden met gelijkmoedigheid te verduren en zich met ijver toe te leggen op al wat eendracht en het sluiten van vriendschap bevordert4 ,hoofdstuk ,,xv4 ,eendracht is een uitvloeisel van al wat recht1 billijk en eerzaam is4 ,want behalve onrecht en onbillijkheid1 kunnen de menschen ook niet goed velen wat voor schandelijk gehouden wordt1 zooals bijvoorbeeld het minachten van de eenmaal aangenomen zeden van den staat4 ,om tot ,liefde te stemmen evenwel wordt in de eerste plaats vereischt al wat tot godsdienst en vroomheid behoort4 7,men zie hierover de ,opmerkingen ,i en ,,ii bij ,stelling ,,xxxvii en de ,opmerkingen bij de ,stellingen ,,xlvi en ,,lxxiii van dit ,deel74 ,hoofdstuk ,,xvi4 ,bovendien pleegt eendracht ook dikwijls uit ,vrees voort te komen2 dan echter is zij onbetrouwbaar4 ,men bedenke daarbij dat ,vrees uit ,kleinmoedigheid ontspringt en daarom met het gebruik der ,rede niets te maken heeft1 evenmin als ,medelijden1 ofschoon dit den schijn heeft van ,vroomheid4 ,hoofdstuk ,,xvii4 ,bovendien kan men de menschen ook door ,mildheid voor zich winnen1 vooral hen1 die niets bezitten waarmede zij zich datgene1 wat voor hun levensonderhoud benoodigd is1 zouden kunnen verschaffen4 ,het gaat evenwel de draagkracht en het belang van een partikulier verre te boven om iederen behoeftige te helpen1 de rijkdom van een partikulier is daartoe op verre na niet toereikend4 ,ook is de geestesaanleg van n enkel mensch te beperkt1 dan dat hij met iedereen vriendschap zou kunnen sluiten4 ,vandaar dat de armenzorg rust op de geheele maatschappij en uitsluitend een zaak is van algemeen belang4 ,hoofdstuk ,,xviii4 ,bij het aanvaarden van weldaden en het betoonen van onze dankbaarheid moet onze zorg een geheel andere zijn4 7,men zie hieromtrent de ,opmerkingen bij de ,stellingen ,,lxx en ,,lxxi van dit ,deel74 ,hoofdstuk ,,xix4 ,de zinnelijke ,liefde verder1 d4w4z4 de teeldrift1 welke op lichamelijke schoonheid berust en in het algemeen elke ,liefde1 welke een andere oorzaak heeft dan vrijheid van ziel1 slaat licht om in haat2 tenzij ze1 wat nog erger is1 een soort van waanzin is1 in welk geval zij eer tweedracht dan eendracht te weeg brengt,a#gf4 7,zie ,gevolg ,st4 ,,xxxi ,d4 ,,iii74 ,hoofdstuk ,,xx4 ,wat het huwelijk betreft3 dit is zonder twijfel in overeenstemming met de ,rede1 wanneer de ,begeerte tot lichamelijke vermenging niet slechts door schoone vormen1 maar ook door het liefdevol verlangen om kinderen voort te brengen en verstandig op te voeden1 wordt opgewekt1 en wanneer bovendien beider ,liefde1 van man en vrouw1 niet alleen lichamelijke schoonheid1 maar bovenal vrijheid van ziel tot oorzaak heeft4 ,hoofdstuk ,,xxi4 ,ook ,vleierij schept eendracht2 doch slechts door verfoeielijke dienstbaarheid of trouweloosheid4 ,niemand toch wordt eerder door vleierij ingenomen dan de hoogmoedige1 die de eerste wil zijn1 maar het nochtans niet is4 ,hoofdstuk ,,xxii4 ,in ,zelfverachting steekt een soort van valsche vroomheid en godsdienstigheid4 ,en niettegenstaande ,zelfverachting het tegendeel is van ,hoogmoed1 is wie zichzelf veracht toch zeer nauw verwant aan den hoogmoedige4 7,zie ,opmerking ,st4 ,,lvii v4d4 ,d474 ,hoofdstuk ,,xxiii4 ,schaamte bevordert eendracht slechts in zulke gevallen welke niet verborgen kunnen worden4 ,wijl voorts ,schaamte een soort van ,droefheid is1 heeft zij met de ,rede niets te maken4 ,hoofdstuk ,,xxiv4 ,de overige aandoeningen van ,droefheid1 welke wij jegens menschen gevoelen1 zijn rechtstreeks in strijd met ,rechtvaardigheid1 ,billijkheid1 ,eerzaamheid1 ,vroomheid en ,godsdienstigheid1 en ofschoon ,verontwaardiging het masker van ,billijkheid schijnt te dragen1 zou men toch zonder wet leven waar het een ieder vrij stond over de daden van anderen te oordeelen en zijn eigen of eens anders recht te handhaven4 ,hoofdstuk ,,xxv4 ,gematigdheid ,minzaamheid1 d4w4z4 die ,begeerte om den menschen te behagen1 welke op de ,rede berust1 behoort tot de ,rechtschapenheid ,vroomheid 7gelijk wij in ,opmerking ,i ,st4 ,,xxxvii v4d4 ,d4 hebben gezegd74 ,ontspringt zij echter uit een aandoening dan is zij ,eerzucht1 ofwel die ,begeerte waardoor onder het mom van ,vroomheid meestal tweedracht en opstand verwekt worden4 ,immers wie anderen met raad en daad wil helpen1 opdat zij met hem het hoogste goed deelachtig worden1 zal zich in de eerste plaats beijveren hun ,liefde te winnen1 niet echter hen in bewondering te brengen1 opdat zijn leer naar hem genoemd worde1 en evenmin zal hij ook maar de minste aanleiding tot afgunst geven4 ,voorts zal hij in het dagelijksch gesprek zich er voor hoeden op de fouten der menschen te wijzen en over de menschelijke machteloosheid zal hij niet dan spaarzaam spreken4 ,daarentegen zal hij breedvoerig uitweiden over de menschelijke deugd of macht en hoe deze tot volmaking gebracht kan worden1 opdat de menschen er zoodoende naar gaan streven naar het voorschrift der ,rede te leven1 niet uit ,vrees of ,afkeer voor straf of van het kwaad maar alleen door ,blijheid bewogen4 ,hoofdstuk ,,xxvi4 ,buiten den mensch kennen wij geen enkel wezen in de ,natuur1 in welks ,geest wij ons kunnen verheugen1 waarmede wij banden van vriendschap kunnen sluiten of anderen omgang aanknoopen4 ,derhalve eischt ons belang ook niet om wt ook in de wereld der dingen1 behalve den mensch1 te ontzien2 integendeel leert dit belang ons om de dingen1 al naar hun verschillend nut1 te bewaren1 te vernietigen1 of op welke wijze dan ook voor ons gebruik geschikt te maken4 ,hoofdstuk ,,xxvii4 ,het nut dat wij trekken van de dingen buiten ons1 ligt--behalve dat wij door ze waar te nemen en van vorm te doen veranderen ervaring en kennis opdoen--voornamelijk in de instandhouding van ons ,lichaam4 ,uit dit oogpunt zijn in de eerste plaats die dingen nuttig1 welke het ,lichaam zoodanig voeden en onderhouden kunnen dat al zijn deelen hun taak naar behooren kunnen vervullen4 ,immers hoe geschikter het ,lichaam is om velerlei indrukken te ontvangen en op velerlei wijzen op uitwendige voorwerpen in te werpen1 hoe geschikter ook de ,geest is tot denken 7zie ,st4 ,,xxxviii en ,,xxxix v4d4 ,d474 ,van dergelijke zaken schijnen echter slechts zeer weinige in de ,natuur voor te komen1 zoodat het1 om ons ,lichaam naar behooren te voeden noodig is tal van voedingsmiddelen van verschillenden aard te gebruiken4 ,immers het menschelijk ,lichaam is samengesteld uit zeer veel deelen van verschillenden aard1 welke voortdurend voedsel behoeven1 en dat wel verschillend1 opdat het geheele ,lichaam even geschikt blijve tot al wat uit zijn aard kan voortvloeien en bijgevolg ook de ,geest even vatbaar om veel in zich op te nemen4 ,hoofdstuk ,,xxviii4 ,om zich dit alles te verschaffen zouden de krachten van elk op zichzelf bezwaarlijk toereikend zijn1 indien de menschen zich niet tot gezamenlijken arbeid verbonden4 ,nu is het geld het ruilmiddel,a#gg voor alle dingen geworden1 hetgeen tengevolge had dat de voorstelling ervan den ,geest der menigte in hooge mate pleegt bezig te houden2 immers men kan zich nauwelijks een of andere soort van genot voorstellen1 zonder daarbij te denken aan het geld als zijn oorzaak4 ,hoofdstuk ,,xxix4 ,dit is evenwel slechts een ondeugd bij diegenen1 die niet uit behoefte of voor hun noodzakelijk levensonderhoud geld trachten te verdienen1 doch die zich op de kunst van winstmaken toeleggen en zich daarop nog hoogelijk laten voorstaan4 ,weliswaar zorgen zij uit gewoonte voor hun ,lichaam1 doch kariglijk1 omdat zij evenveel van hun bezit wanen te verliezen als zij aan de instandhouding des ,lichaams besteden4 ,wie daarentegen het juiste gebruik van het geld kennen en de mate van hun bezit alleen regelen naar hun behoefte1 leven tevreden met weinig4 ,hoofdstuk ,,xxx4 ,daar nu alle zaken goed zijn welke de deelen van het ,lichaam helpen bij het vervullen van hun taak en de ,blijheid hierin bestaat dat 's menschen macht1 zoowel naar den ,geest als naar het ,lichaam1 wordt bevorderd of vermeerderd1 is dus alles wat ,blijheid schenkt goed4 ,aangezien echter aan den anderen kant de dingen niet op ons inwerken met de bedoeling om ons blijde te maken en hun werking zich niet richt naar ons belang1 en aangezien tenslotte ,blijheid meestal slechts op n deel van het ,lichaam in het bijzonder betrekking heeft1 kunnen aandoeningen van ,blijheid 7als ,rede en ,waakzaamheid althans niet bij de hand zijn7 en bijgevolg ook de ,begeerten1 welke uit hen voortspruiten1 bovenmatig worden4 ,waarbij nog komt dat wij onder invloed eener aandoening datgene voor het belangrijkst houden1 wat voor het oogenblik aangenaam is1 en toekomstige zaken niet met dezelfde aandoening kunnen waardeeren4 7,zie de ,opmerkingen bij ,st4 ,,xliv en ,,lx v4d4 ,d47 ,hoofdstuk ,,xxxi4 ,het bijgeloof schijnt daarentegen te leeren dat goed is wat droevig en slecht wat blijde maakt4 ,doch1 zooals wij reeds zeiden 7zie ,opmerking ,st4 ,,xlv v4d4 ,d473 niemand1 tenzij een afgunstig wezen1 zal zich in mijn machteloosheid en ongemak verheugen4 ,want hoe grooter ,blijheid wij gevoelen1 tot hoe grooter volmaking gaan wij over en bijgevolg hoe meer wij aan den goddelijken aard deelnemen1 en nooit kan ,blijheid slecht zijn wanneer zij rekening houdt met ons waarachtig belang4 ,wie daarentegen door ,vrees geleid wordt en het goede doet om kwaad te vermijden1 wordt geenszins door de ,rede geleid4 ,hoofdstuk ,,xxxii4 ,doch de menschelijke macht is uitermate beperkt en wordt door de macht der uitwendige dingen oneindig overtroffen4 ,derhalve bezitten wij ook niet een volstrekte macht om de dingen buiten ons voor ons gebruik geschikt te maken4 ,niettemin zullen wij alles wat ons1 in strijd met wat ons belang eischt1 te beurt valt1 met gelijkmoedigheid dragen indien wij ons slechts ervan bewust zijn dat wij onzen plicht gedaan hebben2 dat de macht welke wij bezitten zich niet zoover uitstrekte dat wij dien tegenslag hadden kunnen vermijden1 en dat wij een deel zijn der geheele ,natuur1 wier orde wij moeten volgen4 ,indien wij dit helder en duidelijk inzien1 zal dit deel van onszelf dat ons ,verstand genoemd wordt1 d4w4z4 ons beste deel1 volkomen hierin berusten en in deze berusting trachten te verblijven4 ,want voorzoover wij begrijpen1 kunnen wij niets begeeren dan wat noodwendig is en in volstrekt niets anders berusten dan in wat waar is4 ,derhalve is1 voorzoover wij dit goed begrijpen1 ons beste deel in overeenstemming met de orde der geheele ,natuur4 ,einde van het ,vierde ,deel4 99 99 99 99 99 ,v4 ,,over ,,de ,,macht ,,van ,,het ,,verstand ,,of ,,de ,,menschelijke ,,vrijheid 99 99 99 99 99 ,,voorrede ,ik ga dan eindelijk over tot een ander gedeelte der zedeleer1 en wel dat handelt over de wijze of den weg welke tot vrijheid leidt4 ,in dit ,deel zal ik dus spreken over de macht der ,rede1 aantoonen wat de ,rede tegenover de aandoeningen vermag en verder waarin de ,vrijheid of ,gelukzaligheid des ,geestes bestaat2 waaruit wij dan zullen zien hoeveel machtiger de wijze is dan de onwetende4 ,op welke wijze echter of langs welken weg het verstand behoort te worden volmaakt en ook welke zorg aan het ,lichaam moet worden besteed opdat het zijn taak naar behooren kan vervullen1 is hier niet op zijn plaats1 het laatste immers behoort tot de geneeskunde1 het eerste tot de logica4 ,hier zal ik dus1 zooals ik gezegd heb1 alleen over de macht van den ,geest of van de ,rede handelen en vr alles doen zien hoe groote en hoedanige heerschappij deze heeft over de aandoeningen wat betreft hun bedwinging of matiging4 ,want dat wij geen volstrekte heerschappij over hen hebben1 werd reeds hierboven door ons aangetoond4 ,weliswaar hebben de ,stocijnen gemeend dat zij geheel en al van onzen eigen wil afhingen en dat wij er volstrekte heerschappij over konden voeren4 ,maar toch zijn zij1 wel niet op grond hunner beginselen1 maar door een onafwijsbare ervaring1 gedwongen geworden toe te geven1 dat er geen geringe oefening en inspanning voor vereischt wordt om ze te bedwingen of te matigen4 ,hetgeen men1 als ik mij wel herinner1 heeft trachten te verduidelijken door een proef met twee honden1 een huishond en een jachthond1 welke men z wist af te richten1 dat tenslotte de huishond kon jagen1 terwijl de jachthond had afgeleerd hazen te vervolgen4 ,ook ,cartesius ,descartes huldigt deze opvatting in niet geringe mate4 ,hij toch beweerde dat de ,ziel of de ,geest voornamelijk zetelt in een zeker gedeelte der hersenen1 de zoogenaamde glandula pinealis pijnappelklier1 door welker toedoen de ,geest alle bewegingen welke in het ,lichaam worden opgewekt1 alsmede de uitwendige voorwerpen1 waarneemt2 terwijl de ,geest haar alleen reeds door te willen1 op verschillende wijzen in beweging kan brengen4 ,hij beweert dat deze klier zoodanig midden in de hersenen is opgehangen dat zij door de minste beweging der dierlijke geesten,a#gh zelf in beweging komt4 ,verder zegt hij dat deze klier op even zooveel verschillende wijzen in de hersenen slingert als de dierlijke geesten tegen haar aan kunnen botsen en dat zij bovendien evenveel verschillende indrukken ontvangt als er uitwendige voorwerpen zijn welke die dierlijke geesten tegen haar aan drijven4 ,vandaar dat1 wanneer later de klier door den wil der ziel die haar her en der beweegt1 op de een of andere wijze in slingering wordt gebracht op dezelfde wijze als eens vroeger door de geesten1 toen deze op een of andere wijze werden voortgedreven1 de klier dan zelf de levensgeesten weer op dezelfde wijze zal voortdrijven en richten als zij vroeger bij diezelfde slingering der klier werden afgestooten4 ,voorts beweert hij nog dat elke willing van den ,geest van nature gebonden is aan een bepaalde beweging der klier4 ,wanneer bijvoorbeeld iemand een verwijderd voorwerp bekijken wil1 brengt deze willing teweeg dat zijn pupil zich verwijdt4 ,wanneer hij echter alleen maar zou denken aan het verwijden van zijn pupil zou het hem niets baten den wil daartoe te hebben1 aangezien de ,natuur de beweging der klier1 welke dient om de geesten naar de gezichtszenuw te drijven op een wijze1 welke het verwijden of vernauwen der pupil bewerkt1 niet heeft verbonden met den wil om deze te verwijden of te vernauwen1 maar uitsluitend met den wil om naar een verwijderd of dichtbij zijnd voorwerp te kijken4 ,tenslotte zegt hij dat1 ofschoon elke beweging dier klier door de ,natuur van het begin van ons leven af verbonden schijnt te zijn met n bepaalde gedachte1 wij toch ook nog door het gebruik andere gedachten er aan kunnen vastknoopen1 hetgeen hij tracht te bewijzen in ,art4 ,l ,deel ,i ,de ,pass4 ,animae ,over de ,gemoedsaandoeningen4 ,hieruit maakt hij dan de gevolgtrekking dat er gn ziel zoo zwak is of zij kan1 mits goed geleid1 een volstrekte macht over de hartstochten verkrijgen4 ,deze toch zijn volgens zijn definitie3 gewaarwordingen1 gevoelens of aandoeningen der ziel1 welke bijzonderlijk tot haarzelf behooren en welke 7let wel67 ontstaan1 in stand blijven en versterkt worden door een of andere beweging der geesten 7zie art4 ,,xxvii ,d4 ,i ,pass4 ,an47 ,aangezien wij nu aan ieder willing een of andere beweging der klier en bijgevolg van de geesten kunnen verbinden en de bepaling van onzen wil alleen van onze eigen macht afhangt1 zouden wij dus een volstrekte heerschappij over onze hartstochten kunnen verkrijgen1 indien wij slechts onzen wil lieten bepalen door die bepaalde en vaste beginselen naar welke wij onze levensdaden wenschten te richten en daardoor bewegingen van aandoeningen1 welke wij hebben wilden1 met deze beginselen verbonden4 ,dit is de meening van dezen zeer beroemden man 7voorzoover ik die uit zijn eigen woorden kan opmaken71 en ik zou nauwelijks kunnen gelooven dat een dergelijk man haar heeft uitgesproken1 ware zij minder scherpzinnig geweest4 ,waarlijk1 niet genoeg kan ik mij er over verbazen dat een wijsgeer1 die zich zoo vastelijk had voorgenomen alleen uit vanzelf sprekende beginselen iets af te leiden en alleen te bevestigen wat hij helder en duidelijk had begrepen2 die nog wel den scholastieken zoo herhaaldelijk verweet dat zij duistere zaken uit geheimzinnige eigenschappen wilden verklaren1 zelf een onderstelling aanneemt1 duisterder dan de meest geheimzinnige eigenschap4 ,wat1 zoo vraag ik1 verstaat hij onder de eenheid van ,geest en ,lichaam8 ,welke heldere en duidelijke voorstelling heeft hij1 zoo vraag ik1 van een gedachte1 welke ten nauwste verbonden zou zijn met een klein deeltje van een of andere kwantitatieve massa stof4 ,wel gaarne zou ik willen dat hij ons die eenheid eens uit haar naaste oorzaak verklaarde4 ,maar integendeel zijn de voorstellingen1 welke hij zich vormde van ,geest en ,lichaam zoozeer van elkaar verschillend1 dat hij noch van die eenheid1 noch van den ,geest zelf ook maar n enkele oorzaak heeft kunnen aanwijzen1 maar het noodig vond zijn toevlucht te nemen tot de oorzaak van het gansche heelal1 d4w4z4 tot ,god4 ,voorts zou ik gaarne willen weten hoeveel graden van beweging de ,geest aan die pijnappelklier kan meedeelen en met hoe groote kracht hij haar slingerende houdt4 ,want ik weet niet of die klier langzamer of sneller door den ,geest wordt rondgedreven dan door de levensgeesten1 en of de bewegingen der aandoeningen welke wij zoodoende vast aan bepaalde beginselen verbonden1 niet misschien door lichamelijke oorzaken weer van hen kunnen losraken2 waaruit dan bijvoorbeeld zou volgen dat1 ofschoon de ,geest zich vastelijk had voorgenomen een zeker gevaar tegemoet te gaan en met dit besluit de bewegingen der stoutmoedigheid had verbonden1 de klier1 op het gezicht van het gevaar niettemin aldus kon gaan slingeren1 dat de ,geest aan niets anders dan aan de vlucht kon denken4 ,werkelijk1 er bestaat geen oorzakelijk verband tusschen wil en beweging1 daarom is er ook geen vergelijking mogelijk tusschen de macht of de kracht van ,geest en ,lichaam1 en bijgevolg kan de kracht van het laatste ook niet door de kracht van den eerste in bepaalde richting geleid worden4 ,daarbij komt dat men deze klier geenszins z midden in de hersenen gelegen vindt1 dat zij zoo gemakkelijk op zoovele wijzen rondgedreven zou kunnen worden en dat ook niet alle zenuwen zich tot in de hersenholte uitstrekken4 ,eindelijk ga ik alles wat hij over den wil en diens vrijheid beweert voorbij1 aangezien ik al herhaaldelijk genoeg heb aangetoond dat dit alles onjuist is4 ,wijl dus de macht des ,geestes1 gelijk ik hierboven heb aangetoond1 alleen door het verstand bepaald wordt1 zullen wij ook de geneesmiddelen tegen onze aandoeningen--van welke ik geloof dat alle menschen ze weliswaar bij ervaring kennen1 doch alleen maar niet scherp waarnemen en duidelijk onderscheiden--uitsluitend uit de kennis van den ,geest moeten afleiden1 en uit deze kennis ook tevens al wat strekt tot zijn gelukzaligheid4 ,,grondwaarheden 7,axioma's7 ,i4 ,wanneer in nzelfde voorwerp twee tegenstrijdige bewegingen worden opgewekt1 moet noodzakelijk f in beide1 f in een daarvan een verandering plaats grijpen1 totdat zij ophouden tegenstrijdig te zijn4 ,,ii4 ,de kracht eener uitwerking wordt bepaald door de kracht harer oorzaak1 voorzoover haar wezen door het wezen dier oorzaak verklaard of bepaald wordt4 7,dit ,axioma blijkt uit ,stelling ,,vii ,deel ,,iii74 ,,stellingen ,stelling ,i4 ,op dezelfde wijze als in den ,geest de gedachten en voorstellingen der dingen gerangschikt en aaneengeschakeld zijn1 volgen op elkaar en schakelen zich aaneen de gewaarwordingen des ,lichaams1 of de beelden indrukken der dingen op het ,lichaam4 ,bewijs4 ,de orde en het verband der voorstellingen zijn 7vlg4 ,st4 ,,vii ,d4 ,,ii7 dezelfde als orde en verband der dingen en omgekeerd zijn de orde en het verband der dingen 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,vi en ,st4 ,,vii ,d4 ,,ii7 dezelfde als orde en verband der voorstellingen4 ,derhalve3 evenals orde en verband der voorstellingen in den ,geest 7vlg4 ,st4 ,,xviii ,d4 ,,ii7 de orde en het verband der dingen volgen1 evenzoo is er ook omgekeerd 7vlg4 ,st4 ,,ii ,d4 ,,iii7 een orde en verband van lichaamsindrukken1 geheel beantwoordende aan de wijze waarop de gedachten en voorstellingen der dingen gerangschikt en aaneengeschakeld zijn in den ,geest4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,ii4 ,indien wij een gemoedsbeweging of aandoening scheiden van de gedachte aan een uitwendige oorzaak en met andere gedachten verbinden1 gaan ,liefde of ,haat jegens die uitwendige oorzaak1 evenals alle zielsberoeringen1 welke uit deze aandoeningen ontsprongen1 te niet4 ,bewijs4 ,datgene immers wat het wezen van ,liefde of ,haat uitmaakte1 is ,blijheid of ,droefheid1 vergezeld door de voorstelling eener uitwendige oorzaak1 7vlg4 ,definities ,,vi en ,,vii der ,aand474 ,wanneer dus deze is opgeheven1 is tevens het wezen van de ,liefde of van den ,haat opgeheven4 ,derhalve gaan deze aandoeningen en die welke er uit voortvloeien1 te niet4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,iii4 ,een aandoening1 welke lijding is1 houdt op een lijding te zijn1 zoodra wij er ons een heldere en duidelijke voorstelling van vormen4 ,bewijs4 ,een aandoening welke lijding is1 is een verwarde voorstelling 7vlg4 ,alg4 ,definitie der ,aand474 ,indien wij dus van dezelfde aandoening een heldere en duidelijke voorstelling vormen1 zal deze voorstelling zich niet anders dan in redelijk opzicht,a#gi van die aandoening zelf1 voorzoover zij alleen betrekking heeft op den ,geest1 onderscheiden 7vlg4 ,st4 ,,xxi en ,opmerking ,d4 ,,ii74 ,derhalve zal 7vlg4 ,st4 ,,iii ,d4 ,,iii7 deze aandoening ophouden een lijding te zijn4 ,h4t4b4w4 ,gevolg3 ,wij hebben een aandoening dus des te meer in onze macht1 en de ,geest heeft des te minder door haar te lijden1 naar mate wij haar beter kennen4 ,stelling ,,iv4 ,het ,lichaam ontvangt geen indruk van welke wij ons niet een of andere heldere en duidelijke voorstelling kunnen maken4 ,bewijs4 ,wat aan allen gemeen is1 kan niet anders dan adaequaat worden begrepen 7vlg4 ,st4 ,,xxxviii ,d4 ,,ii74 ,derhalve 7vlg4 ,st4 ,,xii en ,hulpstelling ,,ii1 te vinden achter ,opmerking ,st4 ,,xiii ,d4 ,,ii7 ontvangt het ,lichaam geen indruk van welke wij ons niet een of andere heldere en duidelijke voorstelling kunnen maken4 ,h4t4b4w4 ,gevolg3 ,hieruit volgt dat er ook geen aandoening bestaat1 van welke wij ons niet een of andere heldere en duidelijke voorstelling kunnen vormen4 ,immers een aandoening is de voorstelling van een lichaamsindruk 7vlg4 ,alg4 ,definitie der ,aand471 welke voorstelling dus 7vlg4 voorgaande ,st47 een of ander helder en duidelijk begrip moet insluiten4 ,opmerking3 ,aangezien er 7vlg4 ,st4 ,,xxxvi ,d4 ,i7 niets bestaat waaruit niet een of andere uitwerking voortvloeit en wij al wat volgt uit een voorstelling1 welke voor ons adaequaat is1 helder en duidelijk begrijpen 7vlg4 ,st4 ,,xl ,d4 ,,ii71 volgt hieruit1 dat ieder de macht heeft zichzelf en zijn aandoeningen1 zoo niet geheel en al1 dan toch ten deele1 helder en duidelijk te begrijpen1 en bijgevolg er voor te zorgen dat hij er minder van te lijden heeft4 ,wij behooren ons dus vooral drop toe te leggen1 om elke aandoening zooveel mogelijk helder en duidelijk te leeren kennen1 ten einde zoodoende den ,geest1 van die aandoening zelf uitgaande1 te doen denken aan dingen1 welke hij helder en duidelijk begrijpt en waarin hij volkomen berust2 daardoor de aandoening te scheiden van haar uitwendige oorzaak en met ware gedachten te verbinden4 ,het gevolg zal dan zijn dat niet alleen ,liefde en ,haat te niet gaan 7vlg4 ,st4 ,,ii v4d4 ,d47 maar ook dat de ,drang of de ,begeerten1 welke uit zulk een aandoening plachten voort te komen1 niet bovenmatig kunnen worden4 7,vlg4 ,st4 ,,lxi ,d4 ,,iv74 ,men vergete namelijk vooral niet dat het nzelfde ,drang is waardoor de mensch nu eens handelt1 dan weer lijdt4 ,zoo hebben wij bijvoorbeeld doen zien dat het met den menschelijken aard aldus gesteld is1 dat ieder verlangt dat de overige menschen naar zjn zin zullen leven 7zie ,opmerking ,st4 ,,xxxi ,d4 ,,iii74 ,deze ,drang nu is bij den mensch1 die niet door de ,rede geleid wordt1 een lijding1 welke ,eerzucht genoemd wordt en welke niet veel van ,hoogmoed verschilt4 ,daarentegen is hij bij den mensch1 die naar de voorschriften der ,rede leeft1 een handeling of deugd1 welke ,rechtschapenheid ,vroomheid heet 7zie ,opmerking ,i ,st4 ,,xxxvii ,d4 ,,iv en het tweede bewijs dierzelfde ,st474 ,evenzoo zijn alle andere verlangens of ,begeerten slechts in zooverre lijdingen als zij door inadaequate voorstellingen worden opgewekt of daaruit voortkomen4 ,alle ,begeerten toch1 waardoor wij tot een of andere handeling gedreven worden1 kunnen zoowel uit adaequate als uit inadaequate voorstellingen ontspringen4 7,zie ,st4 ,,lix ,d4 ,,iv74 ,er is dus 7om tot mijn uitgangspunt terug te keeren7 geen voortreffelijker heelmiddel1 en dat tevens in onze macht staat1 tegen de aandoeningen te bedenken dan hun juiste kennis2 aangezien de ,geest geen enkel ander vermogen bezit dan om te denken en adaequate voorstellingen te vormen1 gelijk wij hierboven hebben aangetoond 7vlg4 ,st4 ,,iii ,d4 ,,iii74 ,stelling ,v4 ,een aandoening1 opgewekt door iets dat wij ons zonder meer,a#hj1 en noch als noodwendig1 noch als mogelijk1 noch als toevallig voorstellen1 is onder overigens gelijke omstandigheden1 sterker dan alle andere4 ,bewijs4 ,de aandoening1 opgewekt door iets dat wij voor vrij houden is sterker dan die1 teweeg gebracht door iets noodwendigs 7vlg4 ,st4 ,,lix ,d4 ,,iii7 en bijgevolg veel sterker dan die1 veroorzaakt door iets dat wij als mogelijk of als toevallig beschouwen 7vlg4 ,st4 ,,xi ,d4 ,,iv74 ,maar zich iets als vrij voorstellen kan niets anders beteekenen dan dat wij het ons zonder meer voorstellen1 zonder al de oorzaken1 waardoor het tot zijn werking gedreven wordt1 te kennen 7vlg4 hetgeen wij in ,opmerking ,st4 ,,xxxv ,d4 ,,ii hebben aangetoond74 ,derhalve zal de aandoening1 opgewekt door iets dat wij ons zonder meer voorstellen1 onder overigens gelijke omstandigheden1 sterker zijn dan die1 teweeggebracht door iets noodwendigs1 mogelijks of toevalligs1 en bijgevolg sterker dan alle andere4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,vi4 ,naarmate de ,geest alle dingen als noodwendig begrijpt1 heeft hij meer macht over zijn aandoeningen1 ofwel heeft hij minder van hen te lijden4 ,bewijs4 ,de ,geest begrijpt kan inzien dat alle dingen noodwendig zijn 7vlg4 ,st4 ,,xxix ,d4 ,i7 en dat zij door een oneindig verband van oorzaken tot bestaan en werking genoopt worden 7vlg4 ,st4 ,,xxviii ,d4 ,i74 ,derhalve bewerkt hij 7vlg4 voorgaande ,st47 voorzoover hij dit begrijpt1 dat hij van de aandoeningen1 welke uit die dingen voortspruiten1 minder te lijden heeft en dat hij 7vlg4 ,st4 ,,xlviii ,d4 ,,iii7 in geringere mate door hen wordt aangedaan4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,hoe meer deze kennis1 namelijk dat de dingen noodwendig zijn1 die bijzondere dingen betreft1 welke wij ons het duidelijkst en levendigst voorstellen1 hoe grooter ook de macht van den ,geest over de aandoeningen zal zijn1 hetgeen ook de ervaring zelve bewijst4 ,wij zien immers hoe ,droefheid over een goed dat verloren ging1 verzacht wordt1 zoodra degeen die het verloor1 bedenkt dat hij het op geen enkele wijze had kunnen behouden4 ,zoo zien wij ook dat niemand kinderen beklaagt omdat zij niet kunnen spreken1 loopen of logisch redeneeren1 of ook omdat zij zooveel jaren als onbewust van zichzelf leven4 ,indien echter de meeste menschen volwassen ter wereld kwamen en slechts een enkele als kind1 dan zou ieder zulk een kind beklagen1 wijl men dan het kind-zijn niet als een natuurlijk1 noodwendig iets zou beschouwen1 maar als een fout of zonde van de ,natuur4 ,en zoo zouden wij nog tal van dergelijke voorbeelden kunnen geven4 ,stelling ,,vii4 ,aandoeningen1 welke uit de ,rede ontspruiten of door haar worden opgewekt1 zijn1 indien men ook rekening houdt met den tijd op den duur machtiger dan aandoeningen welke op bijzondere dingen betrekking hebben welke wij als afwezig beschouwen4 ,bewijs4 ,wij beschouwen iets niet als afwezig op grond van de aandoening waarmede wij het ons voorstellen1 maar doordat ons ,lichaam een anderen indruk ondergaat1 welke het oogenblikkelijk bestaan ervan uitsluit 7vlg4 ,st4 ,,xvii ,d4 ,,ii74 ,daarom is een aandoening1 welke betrekking heeft op een zaak welke wij als afwezig beschouwen1 ook niet van dien aard dat zij 's menschen overige handelingen en vermogens zou kunnen beheerschen 7zie hierover ,st4 ,,vi ,d4 ,,iv71 doch integendeel van zulk een aard dat zij door andere aandoeningen1 welke het bestaan van die uitwendige oorzaak buitensluiten1 op een of andere wijze kan worden belemmerd 7vlg4 ,st4 ,,ix ,d4 ,,iv74 ,een aandoening evenwel welke uit de ,rede voortspruit1 heeft noodzakelijk betrekking op algemeene eigenschappen van dingen 7zie4 de ,definitie der ,rede in ,opmerking ,,ii ,st4 ,,xl ,d4 ,,ii71 welke eigenschappen wij steeds als aanwezig beschouwen 7wijl er immers niets zijn kan dat hun oogenblikkelijk bestaan uitsluit7 en welke wij ons steeds op dezelfde wijze voorstellen 7,st4 ,,xxxviii ,d4 ,,ii74 ,vandaar dat zulk een aandoening ook steeds dezelfde blijft1 en bijgevolg zullen 7vlg4 ,axioma ,i v4d4 ,d47 alle aandoeningen1 welke met haar in strijd zijn en door hun uitwendige oorzaken niet worden ondersteund1 zich meer en meer bij haar moeten aanpassen1 totdat zij tenslotte niet meer met haar in strijd zijn4 ,in zoover is dus de aandoening1 welke uit de ,rede voortspruit machtiger4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,viii4 ,een aandoening is des te sterker naarmate zij door mr gelijktijdig samenwerkende oorzaken wordt opgewekt4 ,bewijs4 ,vele oorzaken tegelijk vermogen meer dan indien het er minder waren 7vlg4 ,st4 ,,vii ,d4 ,,iii74 ,derhalve zal 7vlg4 ,st4 ,v ,d4 ,,iv7 een aandoening des te sterker zijn1 naarmate zij door mr gelijktijdige oorzaken wordt opgewekt4 ,h4t4b4w4 ,deze stelling blijkt ook uit ,axioma ,,ii van dit ,deel4 ,stelling ,,ix4 ,een aandoening welke door vele en verschillende oorzaken wordt teweeg gebracht1 die de ,geest tegelijk met die aandoening beschouwt1 is minder schadelijk en doet ons minder lijden 7en elk dier oorzaken maakt minder indruk op ons71 dan een andere even sterke aandoening1 welke slechts n of weinige oorzaken heeft4 ,bewijs4 ,een aandoening is alleen in zoover slecht of gevaarlijk als de ,geest er door belemmerd wordt te denken 7vlg4 ,st4 ,,xxvi en ,,xxvii ,d4 ,,iv74 ,derhalve is een aandoening1 waardoor de ,geest genoopt wordt aan vele dingen te gelijk te denken1 minder schadelijk dan een even sterke andere1 welke den ,geest zoozeer in de beschouwing van n of enkele voorwerpen gevangen houdt1 dat hij aan andere niet meer denken kan4 ,dit wat het eerste betreft4 ,wijl voorts het wezen van den ,geest1 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,vii ,d4 ,,iii7 zijn vermogen1 uitsluitend in denken bestaat 7vlg4 ,st4 ,,xi ,d4 ,,ii71 lijdt de ,geest minder door een aandoening1 welke hem noopt aan vele dingen te denken1 dan door een even groote1 welke zijn aandacht voor n of enkele voorwerpen in beslag neemt4 ,dit wat het tweede punt aangaat4 ,tenslotte is zulk een aandoening 7vlg4 ,st4 ,,xlviii ,d4 ,,iii7 voorzoover zij door vele uitwendige oorzaken wordt teweeg gebracht1 ten opzichte van elk dier oorzaken ook zwakker4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,x4 ,zoolang wij niet door aandoeningen1 welke strijdig zijn met onzen aard1 worden aangegrepen1 hebben wij de macht om de indrukken van ons ,lichaam te rangschikken en aaneen te schakelen volgens orde des begrips,a#ha4 ,bewijs4 ,aandoeningen welke in strijd zijn met onzen aard1 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,xxx ,d4 ,,iv71 welke slecht zijn1 zijn slecht inzver als zij den ,geest belemmeren in het begrijpen 7vlg4 ,st4 ,,xxvii ,d4 ,,iv74 ,zoolang wij dus niet worden aangegrepen door aandoeningen welke met onzen aard in strijd zijn1 wordt het vermogen van den ,geest1 waarmede hij de dingen tracht te begrijpen 7vlg4 ,st4 ,,xxvi ,d4 ,,iv7 niet belemmerd en bezit de ,geest dus de macht om heldere en duidelijke voorstellingen te vormen en zaken uit elkaar af te leiden1 7zie ,opmerking ,,ii ,st4 ,,xl en ,opmerking ,st4 ,,xlvii ,d4 ,,ii74 ,bijgevolg 7vlg4 ,st4 ,i v4d4 ,d47 hebben wij ook zoolang de macht om de indrukken des ,lichaams te rangschikken en aaneen te schakelen volgens orde des begrips4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,door dit vermogen om de indrukken des ,lichaams juist te rangschikken en aaneen te schakelen1 kunnen wij er voor zorgen dat wij niet licht door slechte aandoeningen worden aangegrepen4 ,immers 7vlg4 ,st4 ,,vii v4d4 ,d47 er is meer kracht toe noodig om aandoeningen1 welke volgens orde des begrips gerangschikt en verbonden zijn1 dan om onzekere en vage te bedwingen4 ,het beste dus wat wij kunnen doen1 zoolang wij nog geen volmaakte kennis onzer aandoeningen bezitten1 is een juiste levenswijze of vaste levensbeginselen aan te nemen1 deze ons in het geheugen te prenten en voortdurend toe te passen in al die bijzondere gevallen welke in het leven veelvuldig voorkomen1 opdat zoodoende ons voorstellingsvermogen diep van hen doordrongen worde en zij ons voortdurend ten dienste staan4 ,zoo hebben wij bijvoorbeeld als levensregel aangenomen 7zie ,st4 ,,xlvi en ,opmerking ,d4 ,,iv7 dat ,haat door ,liefde of ,edelmoedigheid moet worden overwonnen1 niet echter met wederkeerigen ,haat vergolden4 ,om evenwel dit voorschrift der ,rede steeds voor toepassing gereed te hebben1 moet men de dagelijks voorkomende kwade bejegeningen kennen en dikwijls overpeinzen1 ook hoe men ze het best door ,edelmoedigheid afweert4 ,zoo immers brengen wij de voorstelling van zulk een kwade bejegening met die van dien levensregel in verband en zal deze laatste 7vlg4 ,st4 ,,xviii ,d4 ,,ii7 steeds bij de hand zijn wanneer die bejegening ons eens werkelijk te beurt valt4 ,indien wij nu tevens doordrongen zijn van ons waarachtig belang en van het goede dat uit wederzijdsche vriendschap en maatschappelijken omgang voortspruit1 en bovendien overwegen dat van een juiste levenswijze de hoogste zielsrust het gevolg is 7vlg4 ,st4 ,,lii ,d4 ,,iv7 en dat de menschen1 evenals alle dingen1 krachtens de noodwendigheid van hunnen aard handelen2 dan zullen die ,boosheid en die ,haat1 welke door kwade bejegening plegen te worden opgewekt1 slechts een gering gedeelte onzer aandacht in beslag nemen en gemakkelijk overwonnen worden4 ,en indien al de ,toorn1 welke het gevolg is van zeer groot onrecht1 niet zoo licht overwonnen wordt1 zoo zal men hem toch1 hoewel niet zonder tweestrijd1 in veel korter tijd te boven komen1 dan wanneer men dit alles niet van te voren aldus overwogen had1 gelijk blijkt uit de stellingen ,,vi1 ,,vii en ,,viii van dit ,deel4 ,evenzoo behoort men na te denken over de geestkracht welke noodig is om ,vrees van zich af te zetten4 ,men stelle zich namelijk de gewone gevaren1 waaraan men in het leven bloot staat1 beurtelings en herhaaldelijk voor oogen en overwege hoe men ze door tegenwoordigheid van geest en kloekmoedigheid het beste kan vermijden of te boven komen4 ,men bedenke ook dat wij bij het ordenen van onze gedachten en voorstellingen steeds moeten letten 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,lxiii ,d4 ,,iv en ,st4 ,,lix ,d4 ,,iii7 op wat er goeds in ieder ding steekt1 opdat wij steeds door een aandoening van ,blijheid tot handelen worden gedreven4 ,zoo moet iemand1 die bemerkt dat hij l te zeer streeft naar roem1 over het juiste gebruik daarvan nadenken3 met welke bedoeling hij er naar streeft en met welke middelen hij hem bereiken zal2 niet echter over het misbruik ervan en over de ijdelheid en onstandvastigheid des menschen en dergelijke zaken1 waarmede alleen lieden die zielsziek zijn zich bezighouden4 ,immers juist eerzuchtigen kwellen zich het meest met dergelijke gedachten1 wanneer zij er aan wanhopen den roem dien zij begeeren1 te bereiken2 terwijl zij1 ofschoon zij gal spuwen1 nochtans voor wijzen willen doorgaan4 ,het is dan ook wel zeker dat zij die het hardst schreeuwen over het misbruik van den roem en over de ijdelheid der wereld1 juist het meest begeerig ernaar zijn4 ,en dit is niet slechts een kenmerk van eerzuchtigen1 maar van allen wien de fortuin niet gunstig is en die zwak van ziel zijn4 ,want ook een arme vrek laat niet af te smalen over het misbruik van geld en rijkdom1 terwijl hij daarmede alleen maar bereikt dat hij zichzelf kwelt en aan anderen laat merken1 dat niet alleen zijn eigen armoede1 maar ook anderer rijkdom hem met ergernis vervult4 ,evenzoo denken lieden1 die door hun geliefde werden afgewezen1 over niets anders dan over de onstandvastigheid en trouweloosheid der vrouwen en al hun overige afgezaagde gebreken1 terwijl zij dit alles dadelijk vergeten zijn zoodra hun lief hen weer goed ontvangt4 ,wie zich dus alleen uit ,liefde tot ,vrijheid beijvert zijn aandoeningen en lusten te matigen1 zal dus zooveel mogelijk er naar streven de deugden en hun oorzaken te leeren kennen en zijn ziel te vervullen met die vreugde1 welke uit hun waarachtige kennis voortspruit4 ,allerminst echter zal hij zich bezig houden met de gebreken der menschen1 hen beschimpen en zichzelf paaien met een valschen schijn van vrijheid4 ,wie dit alles naarstig in het oog houdt 7en dit is immers zoo moeilijk niet7 en toepast1 zal zonder twijfel binnen korten tijd in staat zijn in de meeste gevallen zijn daden naar de bevelen der ,rede te richten4 ,stelling ,,xi4 ,naarmate een beeld indruk op meer zaken betrekking heeft1 zal het herhaaldelijker vrkomen of zich doen gelden en neemt het den ,geest meer in beslag4 ,bewijs4 ,immers naarmate een beeld of aandoening op meer zaken betrekking heeft1 zijn er ook meer oorzaken waardoor het kan worden opgewekt of aangewakkerd1 al welke oorzaken de ,geest 7vlg4 het onderstelde7 juist tengevolge van die aandoening1 tegelijk beschouwt4 ,derhalve zal die aandoening even dikwijls als elk dier oorzaken voorkomen of zich doen gelden en den ,geest 7vlg4 ,st4 ,,viii v4d4 ,d47 meer in beslag nemen4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xii4 ,de beelden der dingen worden lichter verbonden met beelden1 betrekking hebbend op dingen1 welke wij helder en duidelijk begrijpen1 dan met andere4 ,bewijs4 ,dingen1 welke wij helder en duidelijk begrijpen1 zijn f algemeene eigenschappen1 f wat daaruit kan worden afgeleid 7zie de ,definitie der ,rede in ,opmerking ,,ii ,st4 ,,xl ,d4 ,,ii71 en hun voorstelling zal dus dikwijls in ons worden opgewekt 7vlg4 voorgaande ,st474 ,het kan derhalve lichter voorkomen dat wij andere zaken gelijktijdig met hen dan met weer andere beschouwen1 en bijgevolg 7vlg4 ,st4 ,,xviii ,d4 ,,ii7 zullen wij ze ook lichter met hen in verband brengen4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xiii4 ,naarmate een beeld met meer andere verbonden is1 zal het meer in ons opkomen4 ,bewijs4 ,immers naarmate een beeld met meer andere verbonden is1 zullen er 7vlg4 ,st4 ,,xviii ,d4 ,,ii7 ook meer oorzaken zijn waardoor het kan worden opgewekt4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xiv4 ,de ,geest heeft het in zijn macht alle lichaamsindrukken of alle beelden der dingen1 tot de voorstelling ,gods terug te brengen4 ,bewijs4 ,er is geen lichaamsindruk waarvan de ,geest niet een of andere heldere en duidelijke voorstelling kan vormen 7vlg4 ,st4 ,,iv v4d4 ,d474 ,derhalve heeft hij het in zijn macht 7vlg4 ,st4 ,,xv ,d4 ,i7 om ze allen tot de voorstelling ,gods terug te brengen4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xv4 ,wie zichzelf en zijn aandoeningen helder en duidelijk begrijpt1 heeft ,god lief en wel des te meer naarmate hij zichzelf en zijn aandoeningen beter begrijpt4 ,bewijs4 ,wie zichzelf en zijn aandoeningen helder en duidelijk begrijpt1 verheugt zich 7vlg4 ,st4 ,,liii ,d4 ,,iii7 en dat wel met de begeleidende gedachte aan ,god 7vlg4 voorgaande ,st474 ,derhalve heeft hij 7vlg4 ,definitie ,,vi der ,aand47 ,god lief en dat wel 7om dezelfde reden7 des te meer1 naarmate hij zichzelf en zijn aandoeningen beter begrijpt4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xvi4 ,deze ,liefde jegens ,god behoort den ,geest het allermeest te vervullen4 ,bewijs4 ,immers deze ,liefde staat in verband met alle lichaamsindrukken 7vlg4 ,st4 ,,xiv v4d4 ,d47 door al welke zij wordt bevorderd 7vlg4 ,st4 ,,xv v4d4 ,d474 ,derhalve moet zij 7vlg4 ,st4 ,,xi v4d4 ,d47 den ,geest het allermeest vervullen4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xvii4 ,god kent geen lijdingen en ondergaat ook geenerlei aandoening van ,blijheid en ,droefheid4 ,bewijs4 ,alle voorstellingen zijn 7vlg4 ,st4 ,,xxxii ,d4 ,,ii7 waar1 voorzoover zij tot ,god worden teruggebracht1 d4w4z4 7vlg4 ,definitie ,,iv ,d4 ,,ii7 adaequaat4 ,derhalve 7vlg4 ,alg4 ,definitie der ,aand47 kent ,god geen lijding4 ,voorts kan ,god 7vlg4 ,gevolg ,,ii ,st4 ,,xx ,d4 ,i7 noch tot grooter1 noch tot geringer volmaaktheid overgaan en kan hij dus 7vlg4 ,definities ,,ii en ,,iii der ,aand47 geenerlei aandoening van ,blijheid of ,droefheid ondergaan4 ,h4t4b4w4 ,gevolg3 ,in eigenlijken zin kan ,god niemand liefhebben of haten4 ,immers ,god ondergaat 7vlg4 voorgaande ,st47 geenerlei aandoening van ,blijheid of ,droefheid en bijgevolg 7vlg4 ,definities ,,vi en ,,vii der ,aand47 heeft hij ook niemand lief of haat hij niemand4 ,stelling ,,xviii4 ,niemand kan ,god haten4 ,bewijs4 ,de voorstelling van ,god1 welke in ons is1 is adaequaat en volkomen 7vlg4 ,st4 ,,xlvi en ,,xlvii ,d4 ,,ii74 ,voorzoover wij dus ,god beschouwen1 handelen wij 7vlg4 ,st4 ,,iii ,d4 ,,iii74 ,bijgevolg 7vlg4 ,st4 ,,lix ,d4 ,,iii7 kan er geen ,droefheid bestaan1 die vergezeld gaat van de voorstelling ,gods1 d4w4z4 7vlg4 ,definitie ,,vii der ,aand47 niemand kan ,god haten4 ,h4t4b4w4 ,gevolg3 ,de ,liefde jegens ,god kan niet in ,haat verkeeren4 ,opmerking3 ,men zou kunnen tegenwerpen1 dat wij1 aangezien wij ,god als aller dingen oorzaak erkennen1 hem daardoor tevens als oorzaak der ,droefheid beschouwen4 ,hierop antwoord ik evenwel dat ,droefheid1 voorzoover wij haar oorzaken begrijpen 7vlg4 ,st4 ,,iii v4d4 ,d47 ophoudt lijding te zijn1 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,lix ,d4 ,,iii7 ophoudt ,droefheid te zijn1 en dat wij ons derhalve verheugen voorzoover wij inzien dat ,god oorzaak van ,droefheid is4 ,stelling ,,xix4 ,wie ,god liefheeft kan er niet naar streven dat ,god hem wedermint4 ,bewijs4 ,indien iemand hiernaar streefde zou hij dus wenschen 7vlg4 ,st4 ,,xvii v4d4 ,d47 dat ,god1 dien hij liefheeft1 niet ,god ware4 ,bijgevolg zou hij 7vlg4 ,st4 ,,xix ,d4 ,,iii7 verlangen zich te bedroeven1 hetgeen 7vlg4 ,st4 ,,xxviii ,d4 ,,iii7 ongerijmd is4 ,derhalve3 wie ,god liefheeft enz4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xx4 ,deze liefde jegens ,god kan noch door ,nijd1 noch door ,i,jverzucht worden ontwijd1 maar zij wordt juist des te sterker1 hoe mr menschen wij ons door nzelfden band van ,liefde met ,god verbonden denken4 ,bewijs4 ,deze ,liefde tot ,god is het hoogste goed1 hetwelk wij1 levend naar de voorschriften der ,rede1 kunnen erlangen 7vlg4 ,st4 ,,xxviii ,d4 ,,iv74 ,het is 7vlg4 ,st4 ,,xxxvi ,d4 ,,iv7 aan alle menschen gemeen en wij wenschen 7vlg4 ,st4 ,,xxxvii ,d4 ,,iv7 dat elkeen er zich in verheuge4 ,derhalve kan zij 7vlg4 ,definitie ,,xxiii der ,aand47 niet door ,nijd worden bezoedeld1 noch door ,i,jverzucht 7vlg4 ,st4 ,,xviii v4d4 ,d4 en de ,definitie der ,i,jverzucht1 zie ,opmerking ,st4 ,,xxxv ,d4 ,,iii71 maar zal zij integendeel 7vlg4 ,st4 ,,xxxi ,d4 ,,iii7 des te meer moeten toenemen1 naarmate wij ons voorstellen dat mr menschen zich in haar verblijden4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,op deze zelfde wijze kunnen wij aantoonen dat er geen aandoening bestaat1 welke in directen strijd is met deze ,liefde en door welke die ,liefde kon worden teniet gedaan4 ,wij kunnen dus de gevolgtrekking maken dat deze ,liefde tot ,god de meest standvastige van alle aandoeningen is en voorzoover zij betrekking heeft tot het ,lichaam1 niet anders dan met dit ,lichaam zelf teniet kan gaan4 ,hoedanig zij is voorzoover zij betrekking heeft op den ,geest1 zullen wij later zien4 ,hiermede heb ik alle middelen ter verdediging tegen de aandoeningen of al wat de ,geest op zichzelf beschouwd voorzoover van hemzelf afhangt tegen de aandoeningen vermag1 samengevat4 ,het blijkt hieruit dat de macht van den ,geest over de aandoeningen bestaat3 ,i4 in de kennis zelf der aandoeningen 7zie ,opmerking ,st4 ,,iv v4d4 ,d472 ,,ii4 daarin dat hij de aandoening scheidt van de gedachte aan een uitwendige oorzaak1 welke wij ons slechts verward voorstellen 7zie ,st4 ,,ii en dezelfde ,opmerking ,st4 ,,iv v4d4 ,d472 ,,iii4 in den tijdsduur1 tengevolge waarvan aandoeningen1 betrekking hebbende op zaken welke wij begrijpen1 andere1 welke betrekking hebben op zaken waarvan wij slechts verwarde en verminkte voorstellingen hebben1 overwinnen4 7vlg4 ,st4 ,,vii v4d4 ,d472 ,,iv4 in het groote aantal van oorzaken1 waardoor aandoeningen1 welke betrekking hebben op algemeene eigenschappen of op ,god1 sterker worden dan andere 7zie ,st4 ,,ix en ,,xi v4d4 ,d472 ,v4 tenslotte in de orde waarin de ,geest zijn aandoeningen kan schikken en onderling in verband brengen 7zie ,opmerking ,st4 ,x en bovendien ,st4 ,,xii1 ,,xiii en ,,xiv v4d4 ,d474 ,om nu evenwel deze macht van den ,geest over de ,aandoeningen te beter te doen begrijpen1 moet in de eerste plaats worden opgemerkt1 dat aandoeningen door ons sterk genoemd worden1 wanneer wij een aandoening bij den eenen mensch vergelijken met die bij andere en daarbij zien dat de een daardoor heviger wordt aangegrepen1 of wanneer wij de aandoeningen bij n en denzelfden mensch met elkaar vergelijken en daarbij bevinden dat hij door de eene meer dan door andere getroffen of bewogen wordt4 ,immers 7vlg4 ,st4 ,v ,d4 ,,iv7 de kracht van elke aandoening wordt bepaald door de macht eener uitwendige oorzaak in verhouding met de onze4 ,de macht des ,geestes nu hangt alleen af van kennis1 terwijl zijn machteloosheid of lijding alleen beoordeeld wordt naar zijn gebrek aan kennis1 d4w4z4 naar datgene1 waarom voorstellingen inadaequaat genoemd worden4 ,waaruit volgt dat de ,geest in de hoogste mate lijdt1 die grootendeels vervuld is van inadaequate voorstellingen1 zoodat hij zich meer laat kennen aan wat hij lijdt dan aan hoe hij handelt2 terwijl daarentegen die ,geest het sterkst handelt1 die grootendeels adaequate voorstellingen heeft1 zoodat men hem1 ofschoon hij misschien evenveel inadaequate voorstellingen bevat als de eerste1 toch beter kent aan zulke1 welke tot de menschelijke deugden bijdragen1 dan aan zulke1 welke een aanklacht zijn tegen de menschelijke machteloosheid4 ,voorts valt op te merken dat zielsziekten en ongelukkigheid voornamelijk voortspruiten uit te groote ,liefde jegens een zaak welke aan vele wisselingen onderhevig is en welke wij nooit geheel in onze macht kunnen krijgen4 ,want niemand maakt zich bezorgd of angstig over eenige zaak die hij niet liefheeft1 en evenmin ontstaan onrecht1 achterdocht1 vijandschap enz4 uit iets anders dan uit ,liefde tot dingen1 welke men niet volkomen in zijn macht kan krijgen4 ,na dit alles kunnen wij dus gemakkelijk inzien wat heldere en duidelijke kennis1 en vooral die derde soort van kennis 7zie ,opmerking ,st4 ,,xlvii ,d4 ,,ii71 welker grondslag de kennis van ,god zelve is1 tegen de aandoeningen vermag3 indien zij ze al niet1 voorzoover zij lijding zijn1 geheel en al opheft 7zie ,st4 ,,iii en ,opmerking ,st4 ,,iv v4d4 ,d471 zoo bewerkt zij toch dat zij een zoo klein mogelijk deel van den ,geest innemen 7zie ,st4 ,,xiv v4d4 ,d474 ,verder baart zij ,liefde jegens het onveranderlijke en eeuwige 7zie ,st4 ,,xv v4d4 ,d471 dat wij inderdaad deelachtig kunnen worden 7zie ,st4 ,,xlv ,d4 ,,ii71 welke ,liefde dus ook nooit door de gebreken1 welke der gewone ,liefde eigen zijn1 bezoedeld kan worden1 doch steeds sterker en sterker worden kan 7vlg4 ,st4 ,,xv v4d4 ,d471 het voornaamste deel van den ,geest kan vervullen 7vlg4 ,st4 ,,xvi v4d4 ,d47 en alzijdig op hem kan inwerken4 ,en hiermede heb ik alles wat op dit tegenwoordig leven betrekking heeft afgedaan4 ,immers dat ik1 zooals ik in het begin dezer ,opmerking beloofde1 in deze weinige woorden alle verweermiddelen tegen de aandoeningen heb samengevat1 zal ieder1 die gelet heeft op wat ik zeide en tevens op de ,definities welke ik gaf van den ,geest en zijn ,aandoeningen1 als mede ten slotte op de ,stellingen ,i en ,,iii van ,deel ,,iii1 gemakkelijk kunnen inzien4 ,het is dus thans tijd om over te gaan tot datgene wat betrekking heeft op den duur des ,geestes zonder verband met het ,lichaam4 ,stelling ,,xxi4 ,de ,geest kan zich niets voorstellen1 noch zich verleden zaken herinneren1 dan alleen zoolang het ,lichaam bestaat4 ,bewijs4 ,de ,geest is alleen de uitdrukking van het werkelijk bestaan zijns ,lichaams en vat de indrukken van het ,lichaam alleen als werkelijk op zoolang het ,lichaam bestaat 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,viii ,d4 ,,ii74 ,bijgevolg 7vlg4 ,st4 ,,xxvi ,d4 ,,ii7 vat hij geen enkel voorwerp als werkelijk bestaande op1 dan alleen zoolang als zijn eigen ,lichaam bestaat4 ,derhalve kan hij zich ook niets verbeelden voorstellen 7zie de ,definitie van ,verbeelding in ,opmerking ,st4 ,,xvii ,d4 ,,ii7 noch zich verleden zaken herinneren1 dan alleen zoolang als zijn ,lichaam bestaat 7zie de ,definitie der ,herinnering in ,opmerking ,st4 ,,xviii ,d4 ,,ii74 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xxii4 ,niettemin bestaat er in ,god noodzakelijk een voorstelling1 welke het wezen der verschillende menschelijke ,lichamen onder het gezichtspunt der eeuwigheid uitdrukt4 ,bewijs4 ,god is niet alleen de oorzaak van het bestaan der verschillende menschelijke lichamen1 doch ook van hun wezen 7vlg4 ,st4 ,,xxv ,d4 ,i71 hetwelk daarom noodzakelijk uit ,gods wezen verklaard moet kunnen worden 7vlg4 ,axioma ,,iv ,d4 ,i7 en dat wel met een zekere eeuwige noodwendigheid 7vlg4 ,st4 ,,xvi ,d4 ,i71 zoodat dit begrip noodzakelijk in ,god bestaan moet 7vlg4 ,st4 ,,iii ,d4 ,,ii74 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xxiii4 ,de menschelijke ,geest kan niet tegelijk met het ,lichaam geheel en al teniet gaan1 doch er blijft iets over dat eeuwig is4 ,bewijs4 ,in ,god bestaat noodzakelijk een begrip of voorstelling welke het wezen van het menschelijk ,lichaam uitdrukt 7vlg4 voorgaande ,st47 en welke daarom noodzakelijk iets is dat ook tot het wezen van den ,geest behoort 7vlg4 ,st4 ,,xiii ,d4 ,,ii74 ,wij hebben echter den menschelijken ,geest geenerlei duur1 welke door tijd bepaald zou kunnen worden1 toegekend dan alleen voorzoover hij het werkelijk bestaan des ,lichaams1 dat door duur verklaard en door tijd bepaald kan worden1 uitdrukt2 d4w4z4 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,viii ,d4 ,,ii7 wij kennen hemzelf geen duur toe1 dan alleen zoolang het ,lichaam bestaat4 ,daar evenwel datgene1 wat met die zekere eeuwige noodzakelijkheid uit ,gods wezen zelf verklaard wordt 7vlg4 voorgaande ,st47 desalniettemin toch ets zijn moet1 zal ook noodzakelijk dit iets1 dat tot 's menschen ,geest behoort1 eeuwig zijn4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,zooals wij zeiden1 is deze voorstelling1 welke het wezen des ,lichaams uitdrukt onder het gezichtspunt der eeuwigheid1 een zekere denkwijziging1 welke tot het wezen des ,geestes behoort en noodzakelijk eeuwig is4 ,toch is het niet mogelijk dat wij ons herinneren vr het ,lichaam te hebben bestaan1 aangezien er hiervan van dit vorig bestaan geenerlei sporen kunnen bestaan en eeuwigheid noch door tijd kan worden bepaald1 noch eenig verband met den tijd hebben kan4 ,niettemin beseffen en ervaren wij dat wij eeuwig zijn4 ,immers de dingen welke de ,geest verstandelijk begrijpt1 zijn even goed ervaring als die welke hij zich herinnert in beelden kan voorstellen4 ,bewijzen de redeneeringen toch zijn de oogen des ,geestes1 waarmede hij zulke dingen ziet en waarneemt4 ,ofschoon wij ons dus niet herinneren dat wij vr ons ,lichaam bestonden1 beseffen wij toch dat onze ,geest1 voorzoover hij het wezen des ,lichaams als iets eeuwigs in zich sluit1 ook zelf eeuwig is en dat dt bestaan niet door tijd bepaald of door duur verklaard kan worden4 ,men kan dus slechts in zoover zeggen dat onze ,geest een duur heeft en dat zijn bestaan tot een bepaalden tijd beperkt is1 als hij het werkelijk bestaan des ,lichaams in zich sluit4 ,en ook in zoover slechts heeft hij het vermogen om het bestaan der dingen door tijd te bepalen en onder het gezichtspunt van duur op te vatten,a#hb4 ,stelling ,,xxiv4 ,hoe beter wij de bijzondere dingen begrijpen1 hoe beter begrijpen wij ,god4 ,bewijs4 ,dit blijkt uit het ,gevolg van ,stelling ,,xxv ,deel ,i4 ,stelling ,,xxv4 ,het hoogste streven en de hoogste deugd des ,geestes is de dingen te begrijpen met de derde soort van kennis4 ,bewijs4 ,de derde soort van kennis gaat uit van de adaequate voorstelling van eenig attribuut ,gods en komt zoo tot een adaequate kennis van het wezen der dingen 7zie haar ,definitie in ,opmerking ,,ii ,st4 ,,xl ,d4 ,,ii74 ,hoe meer wij de dingen op deze wijze begrijpen1 hoe meer wij 7vlg4 voorgaande ,st47 ,god begrijpen4 ,derhalve is het 7vlg4 ,st4 ,,xxviii ,d4 ,,iv7 de hoogste deugd des ,geestes1 d4w4z4 7vlg4 ,definitie ,,viii ,d4 ,,iv7 zijn hoogste vermogen of aard1 ofwel 7vlg4 ,st4 ,,vii ,d4 ,,iii7 zijn hoogste streven1 de dingen te begrijpen met deze derde soort van kennis4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xxvi4 ,hoe geschikter de ,geest is om de dingen met de derde soort van kennis te begrijpen1 hoe meer hij begeert dit ook te doen4 ,bewijs4 ,dit is duidelijk4 ,immers als wij ons voorstellen dat de ,geest geschikt is om dingen met deze derde soort van kennis te begrijpen1 denken wij hem ons ook van nature genoodzaakt om dit te doen1 en bijgevolg 7vlg4 ,definitie ,i der ,aand473 hoe meer de ,geest daartoe geschikt is1 hoemeer hij dit ook zal begeeren4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xxvii4 ,uit deze derde soort van kennis ontspruit de hoogst mogelijke zielsrust4 ,bewijs4 ,de hoogste deugd des ,geestes is ,god te kennen 7vlg4 ,st4 ,,xxviii ,d4 ,,iv71 ofwel de dingen met de derde soort van kennis te begrijpen 7vlg4 ,st4 ,,xxv v4d4 ,d471 welke deugd grooter is1 naarmate de ,geest mr dingen op deze wijze begrijpt 7vlg4 ,st4 ,,xxiv v4d4 ,d474 ,derhalve bereikt hij1 die de dingen met deze soort van kennis kent1 de hoogste menschelijke volmaaktheid4 ,bijgevolg zal hij 7vlg4 ,definitie ,,ii der ,aand47 de hoogste ,blijheid gevoelen en dat wel 7vlg4 ,st4 ,,xliii ,d4 ,,ii7 vergezeld door de gedachte aan zichzelf en aan zijn deugd4 ,derhalve ontspruit uit deze derde soort van kennis 7vlg4 ,definitie ,,xxv der ,aand47 ook de grootst mogelijke zielsrust4 ,stelling ,,xxviii4 ,het streven of de begeerte om de dingen met de derde soort van kennis te kennen1 kan niet uit de eerste1 maar wel uit de tweede soort van kennis voortkomen4 ,bewijs4 ,deze stelling spreekt vanzelf4 ,immers wat wij helder en duidelijk begrijpen1 dat begrijpen wij f uit zichzelf1 f door iets anders dat uit zichzelf begrijpelijk is4 ,d4w4z43 voorstellingen welke in ons helder en duidelijk zijn1 of welke tot de derde soort van kennis behooren 7zie ,opmerking ,,ii ,st4 ,,xl ,d4 ,,ii71 kunnen niet voortvloeien uit gebrekkige en verwarde voorstellingen1 welke 7vlg4 dezelfde ,opmerking7 tot de eerste soort van kennis behooren1 doch alleen uit adaequate1 of 7vlg4 dezelfde ,opmerking7 uit de tweede of derde soort van kennis4 ,derhalve kan 7vlg4 ,definitie ,i der ,aand47 de ,begeerte om de dingen met de derde soort van kennis te kennen1 niet voortkomen uit de eerste1 doch wel uit de tweede4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xxix4 ,al wat de ,geest begrijpt onder het gezichtspunt der eeuwigheid1 begrijpt hij niet wijl hij een voorstelling heeft van het tegenwoordige1 werkelijke bestaan des ,lichaams1 maar wijl hij het wezen des ,lichaams opvat onder het gezichtspunt der eeuwigheid4 ,bewijs4 ,voorzoover de ,geest zich bewust is van het tegenwoordige bestaan zijns ,lichaams1 heeft hij begrip van een duur1 welke door tijd bepaald kan worden1 en slechts in zoover ook heeft hij het vermogen om zich de dingen in tijdsverband voor te stellen 7vlg4 ,st4 ,,xxi v4d4 ,d4 en ,st4 ,,xxvi ,d4 ,,ii74 ,eeuwigheid evenwel kan niet door duur worden verklaard 7vlg4 ,definitie ,,viii ,d4 ,i en de ,toelichting daarvan74 ,derhalve heeft de ,geest niet drom het vermogen dingen onder het gezichtspunt van eeuwigheid te beschouwen1 doch wijl het tot den aard der ,rede behoort de dingen aldus op te vatten 7vlg4 ,gevolg ,,ii ,st4 ,,xliv ,d4 ,,ii7 en wijl het tot den aard des ,geestes eveneens behoort het wezen des ,lichaams onder het gezichtspunt der eeuwigheid te beschouwen 7vlg4 ,st4 ,,xxiii v4d4 ,d471 en wijl buiten deze beide zaken niets anders tot het wezen des geestes behoort 7vlg4 ,st4 ,,xiii ,d4 ,,ii74 ,derhalve komt het vermogen om de dingen onder het gezichtspunt der eeuwigheid te beschouwen den ,geest slechts toe voorzoover hij het wezen des ,lichaams onder het gezichtspunt der eeuwigheid beschouwt4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,op tweerlei wijzen worden de dingen door ons als werkelijk bestaande opgevat3 f voorzoover wij ze ons denken als bestaande in verband met een bepaalden tijd en plaats1 f voorzoover wij ze denken als in ,god begrepen en voortvloeiende uit de noodwendigheid van den goddelijken aard4 ,wat wij ons nu op deze tweede wijze als waar of werkelijk denken1 beschouwen wij onder het gezichtspunt der eeuwigheid1 en de voorstellingen van dze dingen sluiten het eeuwige en oneindige wezen ,gods in zich1 gelijk wij in ,stelling ,,xlv van ,deel ,,ii hebben aangetoond4 ,men zie ook de ,opmerking daarbij4 ,stelling ,,xxx4 ,voorzoover onze ,geest zichzelf en zijn ,lichaam onder het gezichtspunt der eeuwigheid beschouwt1 heeft hij noodzakelijk kennis van ,god en weet hij dat hij in ,god is en uit ,god verklaard kan worden4 ,bewijs4 ,eeuwigheid is het wezen ,gods zelf1 voorzoover dit een noodzakelijk bestaan insluit 7vlg4 ,definitie ,,viii ,d4 ,i74 ,de dingen onder het gezichtspunt der eeuwigheid beschouwen wil dus zeggen ze opvatten als werkelijke wezenheden1 zooals ze uit ,gods wezen zijn te verklaren of voorzoover ze krachtens ,gods wezen bestaan4 ,derhalve heeft onze ,geest1 voorzoover hij zichzelf en zijn ,lichaam onder het gezichtspunt der eeuwigheid beschouwt1 noodzakelijk kennis van ,god en weet hij enz4 ,h4t4b4w4 ,stelling ,,xxxi4 ,de derde soort van kennis hangt af van den ,geest als haar werkelijke oorzaak1 voorzoover de ,geest zelf eeuwig is4 ,bewijs4 ,de ,geest beschouwt niets onder het gezichtspunt der eeuwigheid dan voorzoover hij het wezen van zijn eigen ,lichaam onder het gezichtspunt der eeuwigheid beschouwt 7vlg4 ,st4 ,,xxix v4d4 ,d471 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,xxi en ,,xxiii v4d4 ,d47 voorzoover hij zelf eeuwig is4 ,derhalve heeft hij 7vlg4 voorgaande ,st47 voorzoover hij eeuwig is1 kennis van ,god1 welke kennis 7vlg4 ,st4 ,,xlvi ,d4 ,,ii7 noodzakelijk adaequaat is4 ,dus is de ,geest voorzoover hij eeuwig is1 in staat alles te kennen wat uit deze gegeven kennis van ,god kan voortvloeien 7vlg4 ,st4 ,,xl ,d4 ,,ii71 d4w4z4 om de dingen te kennen met de derde soort van kennis 7zie de ,definitie hiervan en ,opmerking ,,ii ,st4 ,,xl ,d4 ,,ii71 van welke kennis daarom de ,geest 7vlg4 ,definitie ,i ,d4 ,,iii7 voorzoover hij eeuwig is1 de adaequate of formeele oorzaak is4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,hoe meer men dus in deze soort van kennis uitblinkt1 hoe beter men zich van zichzelf en van ,god bewust zal zijn1 d4w4z4 hoe volmaakter en gelukkiger men zijn zal2 wat nog helderder uit het volgende blijken moge4 ,hier moet ik echter doen opmerken dat1 ofschoon wij er thans van overtuigd zijn dat de ,geest eeuwig is voorzoover hij de dingen onder het gezichtspunt der eeuwigheid beschouwt1 wij toch 7evenals wij tot dusver deden7--teneinde wat wij willen aantoonen gemakkelijker uiteen te zetten en beter te doen begrijpen--zullen doen alsof hij eerst thans in zijn tegenwoordig leven begonnen was te bestaan en eerst thans begonnen was de dingen onder het gezichtspunt der eeuwigheid te beschouwen4 ,wat wij zonder eenig gevaar voor vergissing kunnen doen1 indien wij er slechts voor zorgen alleen gevolgtrekkingen te maken uit volkomen duidelijke gegevens4 ,stelling ,,xxxii4 ,over al wat wij met de derde soort van kennis begrijpen1 verheugen wij ons en wel met de vergezellende gedachte aan ,god als oorzaak4 ,bewijs4 ,uit deze soort van kennis ontspruit de grootst mogelijke zielsrust ofwel 7vlg4 ,definitie ,,xxv der ,aand47 ,blijheid1 en dat wel vergezeld door de gedachte aan zichzelf 7vlg4 ,st4 ,,xxvii v4d4 ,d471 en bijgevolg 7vlg4 ,st4 ,,xxx v4d4 ,d47 ook vergezeld door de gedachte aan ,god als oorzaak4 ,h4t4b4w4 ,gevolg3 ,uit de derde soort van kennis ontspringt noodzakelijk een geestelijke ,liefde tot ,god4 ,immers uit deze soort van kennis ontspruit 7vlg4 voorgaande ,st47 ,blijheid1 vergezeld door de gedachte aan ,god als oorzaak1 d4w4z4 7vlg4 ,def4 ,,vi der ,aand47 ,liefde tot ,god1 niet voorzoover wij ons ,hem als aanwezig voorstellen 7vlg4 ,st4 ,,xxix v4d4 ,d471 maar voorzoover wij begrijpen dat hij eeuwig is en dat is het ook wat ik geestelijke ,liefde tot ,god noem4 ,stelling ,,xxxiii4 ,de geestelijke ,liefde tot ,god1 welke uit de derde soort van kennis voortspruit is eeuwig4 ,bewijs4 ,immers de derde soort van kennis is 7vlg4 ,st4 ,,xxxi v4d4 ,d4 en ,axioma ,,iii ,d4 ,i7 eeuwig en derhalve is 7vlg4 zelfde ,axioma ,d4 ,i7 de ,liefde welke uit haar ontspruit1 noodzakelijk eveneens eeuwig4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,ofschoon deze ,liefde tot ,god geen begin gehad heeft 7vlg4 voorgaande ,st47 vertoont zij niettemin alle volmaaktheden der ,liefde1 evengoed als wanneer zij wl een begin genomen had1 zooals wij in het ,gevolg der voorgaande ,stelling reeds aannamen4 ,er is geen verschil dan slechts dit dat de ,geest die volmaaktheden1 welke wij daareven als verworven voorstelden1 reeds van eeuwigheid af bezat en dat wel vergezeld van de gedachte aan ,god als hun eeuwige oorzaak4 ,wanneer nu ,blijheid bestaat in den overgang tot grooter volmaaktheid1 dan moet toch zeker de ,gelukzaligheid wel daarin bestaan dat de ,geest de volmaaktheid zelve deelachtig is4 ,stelling ,,xxxiv4 ,de ,geest is slechts tijdens het bestaan des ,lichaams onderhevig aan aandoeningen welke tot de lijdingen behooren4 ,bewijs4 ,een verbeelding is een voorstelling1 krachtens welke de ,geest iets als aanwezig beschouwt 7zie haar ,definitie in ,opmerking ,st4 ,,xvii ,d4 ,,ii71 welke echter meer den oogenblikkelijken toestand van het menschelijk ,lichaam1 als den aard eener uitwendige zaak weergeeft 7vlg4 ,gevolg ,,ii ,st4 ,,xvi ,d4 ,,ii74 ,een aandoening is dus 7vlg4 ,alg4 ,definitie der ,aand47 een verbeelding voorzoover zij ons den oogenblikkelijken toestand des ,lichaams doet kennen4 ,derhalve is 7vlg4 ,st4 ,,xxi v4d4 ,d71 de ,geest slechts tijdens het bestaan des ,lichaams onderhevig aan aandoeningen welke tot de lijdingen behooren4 ,h4t4b4w4 ,gevolg3 ,hieruit volgt dat geen ,liefde eeuwig is dan alleen de geestelijke4 ,opmerking3 ,letten wij op wat de algemeene opvatting hieromtrent is1 dan zullen wij bevinden dat de menschen zich weliswaar van de eeuwigheid des ,geestes bewust zijn1 maar dat zij deze niettemin met een duur verwarren1 terwijl zij haar tevens toekennen aan de verbeelding of het geheugen1 waarvan zij gelooven dat het na den dood blijft bestaan4 ,stelling ,,xxxv4 ,god heeft zichzelf lief met een oneindige geestelijke ,liefde4 ,bewijs4 ,god is volstrekt oneindig 7vlg4 ,definitie ,,vi ,d4 ,i7 d4w4z4 7vlg4 ,definitie ,,vi ,d4 ,,ii71 ,gods aard verheugt zich in oneindige volmaaktheid1 en dat wel 7vlg4 ,st4 ,,iii ,d4 ,,ii7 met de gedachte aan zichzelf1 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,xi en ,definitie ,i ,d4 ,i7 met de gedachte aan zijn eigen oorzaak4 ,en dit is het wat wij in het ,gevolg van ,stelling ,,xxxii van dit ,deel geestelijke ,liefde genoemd hebben4 ,stelling ,,xxxvi4 ,de geestelijke ,liefde van den ,geest tot ,god is de ,liefde ,gods zelve1 waarmede ,god zichzelf liefheeft1 niet voorzoover hij oneindig is1 maar voorzoover hij zich in het wezen van den menschelijken ,geest1 beschouwd onder het gezichtspunt der eeuwigheid1 openbaart4 ,d4w4z4 de geestelijke ,liefde van den ,geest tot ,god is een deel dier oneindige ,liefde waarmede ,god zichzelf liefheeft4 ,bewijs4 ,deze ,liefde des ,geestes moet gerangschikt worden onder zijn handelingen 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,xxxii v4d4 ,d4 en ,st4 ,,iii ,d4 ,,iii72 zij is dan een handeling waarbij de ,geest zichzelf beschouwt met de gedachte aan ,god als zijn oorzaak 7vlg4 ,st4 ,,xxxii en ,gevolg v4d4 ,d47 d4w4z4 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,xxv ,d4 ,i en ,gevolg ,st4 ,,xi ,d4 ,,ii7 een handeling waarbij ,god1 voorzoover hij zich in den menschelijken ,geest openbaart1 zichzelf beschouwt met de gedachte aan zichzelf4 ,derhalve is 7vlg4 voorgaande ,st47 deze ,liefde des ,geestes een deel dier oneindige ,liefde waarmede ,god zichzelf liefheeft4 ,h4t4b4w4 ,gevolg3 ,hieruit volgt dat ,god1 voorzoover hij zichzelf liefheeft1 ook de menschen liefheeft en bijgevolg1 dat de ,liefde van ,god tot de menschen en de geestelijke ,liefde van den ,geest tot ,god n en hetzelfde zijn4 ,opmerking3 ,wij kunnen nu helder inzien1 waarin ons heil1 onze gelukzaligheid ofwel onze vrijheid bestaat2 te weten in de standvastige en eeuwige ,liefde tot ,god1 of in de ,liefde van ,god jegens de menschen4 ,deze ,liefde of ,gelukzaligheid wordt in de ,heilige ,schrift ,roem genoemd1 en niet ten onrechte4 ,want onverschillig of deze ,liefde aan ,god dan wel aan den ,geest wordt toegeschreven1 kan zij met recht ,zielsrust1 welke toch inderdaad niet van ,roem ,zelfverheerlijking onderscheiden is 7vlg4 ,definities ,,xxv en ,,xxx der ,aand47 genoemd worden4 ,immers voorzoover zij tot ,god behoort is zij 7vlg4 ,st4 ,,xxv v4d4 ,d47 ,blijheid--indien ik dit woord hier nog gebruiken mag--met de gedachte aan zichzelf2 wat evenzeer het geval is wanneer men haar toeschrijft aan den ,geest 7vlg4 ,st4 ,,xxvii v4d4 ,d474 ,waar voorts het wezen van onzen ,geest alleen in kennis bestaat1 welker begin en grondslag ,god is 7vlg4 ,st4 ,,xv ,d4 ,i en ,opmerking ,st4 ,,xlvii ,d4 ,,ii71 zal het ons thans duidelijk zijn op welke wijze en in welk opzicht onze ,geest naar wezen en bestaan uit den goddelijken aard voortvloeit en voortdurend van ,god afhangt4 ,ik heb het der moeite waard geacht dit hier op te merken1 om door dit voorbeeld te kunnen doen zien van hoeveel belang die kennis der bijzondere dingen is1 welke ik de intutieve of kennis van de derde soort genoemd heb 7zie ,opmerking ,,ii ,st4 ,,xl ,d4 ,,ii71 en hoeveel machtiger zij is dan de algemeene kennis welke ik die van de tweede soort noemde4 ,want ofschoon ik in het ,eerste ,deel in het algemeen aantoonde dat alles 7en bijgevolg ook de menschelijke ,geest7 in wezen en bestaan van ,god afhangt1 maakt toch dit bewijs1 hoe geldig en boven allen twijfel verheven het ook moge zijn1 niet zulk een indruk op onzen ,geest1 dan wanneer wij hetzelfde bewijzen uit het wezen van elk bijzonder ding dat wij van ,god afhankelijk noemden4 ,stelling ,,xxxvii4 ,er bestaat niets in de ,natuur1 wat met deze geestelijke ,liefde in strijd is of haar zou kunnen opheffen4 ,bewijs4 ,deze geestelijke ,liefde volgt noodzakelijk uit den aard van den ,geest voorzoover hijzelf1 als eeuwige waarheid1 beschouwd wordt als deel van den aard ,gods 7vlg4 ,st4 ,,xxxiii en ,,xxix v4d4 ,d47 ,indien er dus iets bestond dat met deze ,liefde in strijd was1 zou het in strijd zijn met de waarheid en bijgevolg zou datgene1 wat die ,liefde kon opheffen1 bewerken dat wat waar is valsch werd1 hetgeen 7gelijk vanzelf spreekt7 ongerijmd is4 ,derhalve bestaat er niets in de ,natuur enz4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,de ,grondwaarheid van het vierde ,deel heeft betrekking op de bijzondere dingen1 voorzoover zij beschouwd worden in verband met een bepaalden tijd en plaats2 waaromtrent wel niemand in twijfel zal verkeeren4 ,stelling ,,xxxviii4 ,hoemeer dingen de ,geest met de tweede of derde soort van kennis begrijpt1 hoe minder hij zelf van slechte aandoeningen te lijden heeft en hoe minder hij den dood vreest4 ,bewijs4 ,het wezen des ,geestes bestaat in kennis 7vlg4 ,st4 ,,xi ,d4 ,,ii74 ,hoemeer dingen de ,geest dus kent met de tweede en derde soort van kennis1 hoe grooter deel er van hem overblijft 7vlg4 ,st4 ,,xxix en ,,xxiii v4d4 ,d47 en bijgevolg 7vlg4 voorgaande ,st47 hoe grooter deel van hem niet wordt getroffen door aandoeningen1 welke met onzen aard in strijd1 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,xxx ,d4 ,,iv7 welke slecht zijn4 ,hoemeer dingen dus de ,geest begrijpt met de tweede en derde soort van kennis1 hoe grooter deel van hem ongedeerd blijft en bijgevolg hoe minder hij van zijn aandoeningen heeft te lijden enz4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,wij kunnen thans begrijpen wat ik in ,opmerking ,st4 ,,xxxix ,d4 ,,iv reeds aanstipte en wat ik beloofde in dit ,deel nader te zullen uiteen zetten3 dat namelijk de dood te minder schadelijk is1 hoe helderder en duidelijker de kennis is welke de ,geest bezit1 en bijgevolg hoemeer de ,geest ,god liefheeft4 ,wijl verder 7vlg4 ,st4 ,,xxvii v4d4 ,d47 uit de derde soort van kennis de hoogst mogelijke zielsrust voortspruit1 volgt hieruit dat de menschelijke ,geest zoodanig kan worden1 dat wat van hem1 gelijk wij aantoonden 7zie ,st4 ,,xxi v4d4 ,d47 tegelijk met het ,lichaam verdwijnt1 van niet de minste beteekenis is vergeleken bij wat er van hem overblijft4 ,doch hierover straks meer4 ,stelling ,,xxxix4 ,wie een ,lichaam heeft dat tot velerlei in staat is1 heeft een ,geest welks grootste deel eeuwig is4 ,bewijs4 ,wie een ,lichaam heeft dat in staat is velerlei dingen te doen1 zal het minst gekweld worden door slechte aandoeningen 7vlg4 ,st4 ,,xxxviii ,d4 ,,iv7 d4w4z4 7vlg4 ,st4 ,,xxx ,d4 ,,iv71 door aandoeningen welke met onzen aard in strijd zijn4 ,hij zal dus de macht hebben 7vlg4 ,st4 ,x v4d4 ,d47 om zijn lichaamsindrukken te rangschikken en te verbinden naar orde des begrips en bijgevolg om te bewerken 7vlg4 ,st4 ,,xiv v4d4 ,d47 dat al zijn lichaamsindrukken in verband komen met de gedachte aan ,god4 ,dientengevolge zal hij 7vlg4 ,st4 ,,xv v4d4 ,d47 jegens ,god een ,liefde gevoelen1 welke 7vlg4 ,st4 ,,xvi v4d4 ,d47 het grootste deel van zijn ,geest moet innemen of uitmaken1 zoodat hij dus 7vlg4 ,st4 ,,xxxiii v4d4 ,d47 een ,geest zal hebben1 welks grootste deel eeuwig is4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,wijl de menschelijke lichamen tot velerlei in staat zijn1 lijdt het geen twijfel of het ligt in hun aard1 dat zij behooren kunnen bij ,geesten die groote kennis van zichzelf en van ,god hebben en wier grootste en belangrijkste deel eeuwig is1 zoodat zij den dood nauwelijks vreezen4 ,opdat dit evenwel nog duidelijker worde1 zij er hier op gewezen dat wij leven in een voortdurende wisseling en nu eens in beter1 dan weer in slechter toestand geraken en dientengevolge gelukkig of ongelukkig genoemd worden4 ,immers wie van kind of knaap in een lijk verandert1 wordt ongelukkig genoemd2 daarentegen beschouwt men het als een geluk wanneer men den geheelen levensstrijd met een gezonden ,geest en een gezond ,lichaam kan doorloopen4 ,en inderdaad1 wie1 zooals een kind of knaap1 een lichaam heeft dat tot zeer weinig in staat is en in de hoogste mate afhankelijk van uitwendige invloeden1 heeft ook een geest die op zichzelf beschouwd1 zich haast niet bewust is van zichzelf1 van ,god of van de dingen4 ,omgekeerd1 wie een lichaam bezit1 tot veel bekwaam1 heeft ook een ,geest1 die op zichzelf beschouwd zich sterk bewust is van zichzelf1 van ,god en van de dingen4 ,wij streven er dus in dit leven in de eerste plaats naar om het kinderlijk lichaam1 voorzoover zijn aard dit gedoogt en voorzoover het nuttig voor hem is1 te veranderen in een dat tot velerlei bekwaam is en bij een ,geest behoort die zich zoo sterk mogelijk bewust is van zichzelf1 van ,god en van de dingen4 ,en dat wel zoozeer dat ten laatste al wat betrekking heeft op zijn geheugen of verbeelding1 in vergelijking met zijn verstand van nauwelijks eenige beteekenis wordt1 gelijk ik in de ,opmerking der voorgaande ,stelling reeds heb gezegd4 ,stelling ,,xl4 ,hoe volmaakter eenig wezen is1 hoe meer handelt het en hoe minder lijdt het4 ,en omgekeerd3 hoe meer het handelt1 hoe volmaakter is het4 ,bewijs4 ,hoe volmaakter een wezen is1 hoe meer werkelijkheid bezit het 7vlg4 ,definitie ,,vi ,d4 ,,ii7 en bijgevolg 7vlg4 ,st4 ,,iii en ,opmerking ,d4 ,,iii7 hoe meer handelt het en hoe minder lijdt het4 ,welk bewijs in omgekeerde volgorde op dezelfde wijze geleverd kan worden1 waaruit volgt dat ook omgekeerd een wezen des te volmaakter is hoe meer het handelt4 ,h4t4b4w4 ,gevolg3 ,hieruit volgt1 dat het deel van den ,geest dat overblijft1 van welken omvang het ook zij1 volmaakter is dan het overige4 ,immers het eeuwig deel van den ,geest is 7vlg4 ,st4 ,,xxiii en ,,xxix v4d4 ,d47 het verstand1 het eenige waardoor wij handelen 7vlg4 ,st4 ,,iii ,d4 ,,iii74 ,dat deel echter dat1 naar wij aantoonden1 te gronde gaat1 is de verbeelding voorstelling zelf 7vlg4 ,st4 ,,xxi v4d4 ,d471 het eenige waardoor wij lijden 7vlg4 ,st4 ,,iii ,d4 ,,iii en de ,alg4 ,definitie der ,aand474 ,derhalve is het eerste 7vlg4 voorgaande ,st471 van welken omvang het ook zij1 volmaakter dan het tweede4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,dit is wat ik mij had voorgenomen aan te toonen omtrent den ,geest1 beschouwd buiten verband met het lichamelijk bestaan4 ,waaruit blijkt1 evenals uit ,stelling ,,xxi ,deel ,i en andere stellingen1 dat onze ,geest1 voorzoover hij begrijpt1 een eeuwige openbaring des ,denkens is1 welke door een andere eeuwige denkwijze bepaald wordt1 en deze wederom door een andere en zoo tot in het oneindige1 zoodanig dat al deze openbaringen tezamen ,gods eeuwig en oneindig verstand uitmaken4 ,stelling ,,xli4 ,zelfs al wisten wij niet dat onze ,geest eeuwig is1 zoo zouden wij toch vroomheid rechtschapenheid godsdienstzin en in het algemeen alles wat wij in het vierde ,deel als behoorende tot ,kloekheid en ,edelmoedigheid hebben aangeduid1 van het grootste belang achten4 ,bewijs4 ,de eerste en eenige grondslag der ,deugd of der juiste levenswijze is 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,xxii en ,st4 ,,xxiv ,d4 ,,iv7 het behartigen van het eigen belang4 ,om echter uit te maken wat de ,rede als nuttig beschouwt1 hebben wij in het geheel geen rekening gehouden met de eeuwigheid van den ,geest welke wij eerst in dit ,vijfde ,deel hebben leeren kennen4 ,ofschoon wij dus toentertijd nog niet wisten dat de ,geest eeuwig is1 hebben wij niettemin al wat1 naar wij aantoonden1 met ,zielegrootheid en ,edelmoedigheid in verband staat1 als van het hoogste belang beschouwd4 ,derhalve3 al wisten wij dit nu nog niet1 zoo zouden wij nochtans die voorschriften der ,rede van het hoogste belang achten4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,het gewone volk schijnt hieromtrent een andere meening te hebben4 ,de meesten toch schijnen te gelooven dat zij vrij zijn voorzoover zij hun lusten kunnen botvieren en dat zij afstand doen van hun recht1 wanneer zij gehouden zijn volgens het voorschrift der goddelijke wet te leven4 ,vroomheid en ,godsdienstzin1 en in het algemeen alles wat met zielskracht verband houdt1 vinden zij een last1 welken zij na den dood hopen af te werpen1 om het loon voor hun slaafschheid--die ,vroomheid en ,godsdienstigheid namelijk--te ontvangen4 ,en niet alleen door deze ,hoop1 doch ook1 en veel meer nog1 door de ,vrees dat zij na den dood zwaar zullen worden gestraft1 worden zij er toe gedreven om volgens de voorschriften der goddelijke wet te leven1 voorzoover tenminste hun zwakheid en machteloosheid van ziel dit vermag4 ,indien deze ,hoop en ,vrees de menschen niet vervulden en zij integendeel geloofden dat de ,geest met het ,lichaam te gronde ging en dat zij1 rampzaligen1 nadat de last der rechtschapenheid hen had uitgeput1 niet langer hiernamaals behoefden te leven1 zouden zij terugvallen in hun oorspronkelijken aard1 alles naar hun eigen lusten willen inrichten en liever aan het lot dan aan zichzelf gehoorzamen4 ,wat mij niet minder ongerijmd voorkomt dan dat iemand1 wijl hij niet gelooft dat hij zijn ,lichaam in alle eeuwigheid met kostelijke spijzen zal kunnen voeden1 zich liever maar verzadigt met vergiften en doodbrengende zaken2 of dat hij1 inziende dat de ,geest niet eeuwig of onsterfelijk is1 liever krankzinnig zou willen zijn en zonder ,rede leven4 ,hetgeen zoo ongerijmd is dat het nauwelijks verdient ter sprake te worden gebracht4 ,stelling ,,xlii4 ,de ,gelukzaligheid is niet het loon der ,deugd1 maar de ,deugd ,zielskracht zelf en wij verheugen ons niet in haar omdat wij onze lusten bedwingen1 maar omgekeerd1 wijl wij ons in haar verheugen1 zijn wij bij machte onze lusten te beheerschen4 ,bewijs4 ,de ,gelukzaligheid bestaat in de ,liefde tot ,god 7vlg4 ,st4 ,,xxxvi en ,opmerking v4d4 ,d471 welke ,liefde uit de derde soort van kennis voortspruit 7vlg4 ,gevolg ,,xxxii v4d4 ,d474 ,derhalve moet deze ,liefde 7vlg4 ,st4 ,,lix en ,,iii ,d4 ,,iii7 den ,geest eigen zijn voorzoover hij handelt en is zij dus 7vlg4 ,definitie ,,viii ,d4 ,,iv7 de ,deugd zelf4 ,dit wat het eerste betreft4 ,hoe meer voorts de ,geest zich in deze goddelijke ,liefde of ,gelukzaligheid verheugt1 hoe meer begrijpt hij 7vlg4 ,st4 ,,xxxii v4d4 ,d47 d4w4z4 7vlg4 ,gevolg ,st4 ,,iii v4d4 ,d47 hoe grooter macht heeft hij tegenover de aandoeningen en 7vlg4 ,st4 ,,xxxviii v4d4 ,d47 hoe minder heeft hij te lijden onder aandoeningen welke slecht zijn4 ,derhalve3 doordat de ,geest zich in die goddelijke ,liefde of ,gelukzaligheid verheugt1 heeft hij de macht om zijn lusten te bedwingen4 ,en wijl de menschelijke macht tot bedwingen der aandoeningen alleen bestaat in begrijpen1 verheugt zich dus niemand in ,gelukzaligheid mdat hij zijn lusten bedwingt1 maar komt integendeel de macht om zijn lusten te bedwingen voort uit de ,gelukzaligheid zelf4 ,h4t4b4w4 ,opmerking3 ,hiermede heb ik alles afgehandeld wat ik over de macht van den ,geest tegenover de aandoeningen en over de ,vrijheid van den ,geest heb willen betoogen4 ,er blijkt hieruit1 hoeveel de wijze vermag en hoeveel sterker hij is dan de onwetende die alleen door lust geleid wordt4 ,immers behalve dat de onwetende door tal van uitwendige oorzaken her en der gedreven wordt en nooit waarachtige zielsrust erlangt1 leeft hij bovendien als onbewust van zichzelf1 van ,god en van de dingen1 en zoodra hij ophoudt te lijden houdt hij tevens op te bestaan4 ,de wijze daarentegen1 voorzoover men hem als zoodanig beschouwt1 wordt nauwelijks van gemoed bewogen en houdt--met eeuwige noodwendigheid zich bewust van zichzelf1 van ,god en van de dingen--nooit op te bestaan1 en is steeds de waarachtige zielsrust deelachtig4 ,indien al de weg1 welke1 naar ik aantoonde1 daarheen leidt1 zeer bezwaarlijk lijkt te zijn1 hij kan nochtans worden gevonden4 ,en voorzeker1 wl moet het moeilijk zijn1 wat men z zelden aantreft4 ,want indien de redding voor het grijpen lag en zonder groote inspanning te bereiken was1 hoe ware het dan wel mogelijk dat zij door bijkans iedereen wordt voorbij gezien8 ,doch l voortreffelijks is even moeizaam als zeldzaam4 ,,einde4 ,,aanteekeningen 99 99 99 99 99 ,,aanteekeningen 99 99 99 99 99 ,deze aanteekeningen geven geen volledig commentaar1 nog minder kritiek4 ,zij bedoelen slechts de aandacht te vestigen op woorden die voor sommige lezers verklaring behoeven1 of op plaatsen die aanleiding tot misverstand zouden kunnen geven4 ,waar ik vertalingen van anderen aanhaal 7dr4 ,h4 ,gorter1 ,dr4 ,w4 ,meyer en de ,duitsche van ,j4 ,stern7 geschiedt dit allerminst met kritisch opzet1 doch alleen om den lezer te doordringen van het besef dat ,spinoza's terminologie somtijds voor verschillende uitlegging of omschrijving vatbaar is en dat men bij hem1 zoo ergens1 meer op den geest dan op de woorden moet letten4 ,aanteekening #a3 ,essentia4 ,wezen4 ,de eeuwige1 onveranderlijke aard of natuur van iets4 ,in de ,korte verhandeling van ,god1 de ,mensch en deszelfs welstand zegt ,spinoza3 ,de wezentheden van de zaaken zijn van alle ,ewigheid en zullen in alle ewigheid onveranderlijk blijven4 ,zie ook ,definitie ,,ii ,deel ,,ii4 ,over zijnszelfs oorzaak zie aanteekening #h4 ,aanteekening #b3 ,substantie4 ,ik gebruik niet het door ,spinoza zelf gebezigde woord ,zelfstandigheid1 daar het in den tegenwoordigen tijd een te beperkten1 stoffelijken zin heeft4 ,ook niet zelfstandig-bestaan1 het zelfstandige of zelfbestaan 7,meyer71 hoewel deze termen minder tot verwarring aanleiding geven4 ,het lijkt mij een overdreven taalzuivering1 woorden als substantie en attribuut1 die met ,spinoza's leer gemeengoed der geheele wereld zijn geworden1 door ,nederlandsche te vervangen4 ,de vreemde termen dwingen tot nadenken1 eerst na tal van herhalingen en omschrijvingen worden zij volkomen verstaanbaar1 maar zijn dan tenslotte ook duidelijker dan ,nederlandsche uitdrukkingen1 waaraan men gemakkelijker nog een andere beteekenis hecht4 ,aanteekening #c3 ,attributen4 ,meyer vertaalt wezenskenmerk4 ,bedoeld is echter niet zoozeer dat waaraan men het wezen van iets herkent1 maar dat waarin zich het wezen aan ons openbaart1 de vorm waarin het verstand het wezen opvat4 ,wezensvorm ware dus juister4 ,spinoza zelf spreekt in de ,korte ,verhandeling over ,eygenschappen en ,eygene ,eygenschappen1 geeft echter toe dat dit onduidelijk en dubbelzinnig is1 daar men met dit woord meestal aanduidt kenmerkende eigenaardigheden van dingen 7,latijn3 propria7 die wel aan een zaak behooren1 edog nooit en verklaren wat de zaak is4 ,men voelt het verschil wanneer men overweegt dat ,gods 7voor ons menschen kenbare7 attributen zijn3 ,denken en ,uitgebreidheid 7moderner3 ,geest en ,materie74 ,deze werkelijkheden1 die ,godzelf zijn1 voorzoover hij zich aan ons menschelijk verstand openbaart1 kan men wel ,gods wezensvormen noemen1 maar niet zijn kenmerken1 nog minder zijn eigenschappen4 ,wel zou men deze laatste woorden kunnen bezigen voor ,gods onveranderlijkheid1 eeuwigheid1 almacht1 alwijsheid enz4 ,zij worden1 zooals ,spinoza het uitdrukt3 toegepast aan de eigene eigenschappen 7attributen71 zooals bijv4 verstaning 7begrip7 aan het ,denken1 beweging aan de ,uitgebreidheid4 ,aanteekening #d3 ,bestaanswijzen4 7modus1 modificatio1 affectio74 ,spinoza spreekt in de ,korte ,verhandeling van bezondere wijzing of toeval4 ,bedoeld zijn de dingen als 7geestelijke of stoffelijke7 verschijningen4 ,aanteekening #e3 ,openbaringen 7affectiones74 ,meyer3 wijzigingen2 ,gorter3 aandoeningen2 ,stern3 ,erregungen4 ,al deze woorden kunnen tot misverstand aanleiding geven1 zij drukken1 zooals trouwens ook het ,latijnsche woord affectio1 een lijden1 een ondergaan uit1 wat geheel en al in strijd is met ,spinoza's ,godsbegrip4 ,alleen waar het de menschelijke gemoedsbewegingen betreft heb ik affectio en affectus met aandoening vertaald2 zie aanteekening #cc4 ,aanteekening #f3 ,eene substantie4 ,sommigen vertalen de substantie4 ,spinoza bewijst echter eerst later dat er slechts ne substantie bestaan kan4 ,aanteekening #g3 ,letterlijk3 uit oneindige attributen4 ,de bedoeling is echter blijkens de toelichting3 uit een oneindig aantal4 ,aanteekening #h3 ,de zelfstandigheid staat wegens zijn natuur voor alle zijne ,toevallen 7modificationes74 7,korte verhandeling1 ,aanhangsel4 ,ax4 ,i74 ,dit vrgaan is niet in tijdelijken1 maar in logischen zin bedoeld4 ,spinoza's causaliteitsbegrip is niet de gewone oorzaak en gevolg-voorstelling1 maar die van wiskundige afhankelijkheid1 van logisch in iets anders begrepen zijn4 ,vandaar ook dat hij oorzaak 7causa7 en reden 7ratio7 als synoniemen gebruikt4 ,causa sui1 zijns-zelfs oorzaak1 wordt daarom ook niet gedefinieerd als iets dat zichzelf zou hebben geschapen1 maar als datgene wat krachtens 7om reden van7 zijn eigen wezen bestaat4 ,aanteekening #i3 ,rerum natura4 ,eigenlijk in de natuur der dingen4 ,het woord natura wordt echter afwisselend gebruikt in de beteekenis van aard1 wezen1 karakter en van ,natuur1 ,heelal4 ,ik vertaalde slechts met natuur waar dit woord geheel ondubbelzinnig is4 ,aanteekening #aj3 ,onder1 als openbaring van4 ,aanteekening #aa3 a posteriori1 van achteren beschouwd1 afgeleid uit de ervaring omtrent voorgaande dingen4 ,aanteekening #ab3 a priori1 van voren aan1 voor of zonder de ervaring1 alleen door redeneering afgeleid4 ,aanteekening #ac3 ,passio1 heeft hier meer de beteekenis van hartstocht4 ,overigens gebruikt ,spinoza het woord meestal in den letterlijken zin van lijden1 het ondergaan van een gemoedsbeweging 7door hemzelf in de ,korte ,verhandeling1 en ook voortaan in deze vertaling1 weergegeven door lijding7 in tegenstelling met het begrip actio1 7vrije7 handeling4 ,zie de definities van ,lijding en ,handeling 7,def4 ,,ii ,deel ,,iii74 ,aanteekening #ad3 ,quantitas1 hoeveelheid1 hoegrootheid4 ,bedoeld is hier echter een lichamelijke1 stoffelijke uitgebreide massa 7de continue stof7 en niet de oneindige ruimte4 ,aanteekening #ae3 ,abstract1 heeft hier niet de beteekenis van zelfgewilde1 redelijke1 logische afzondering1 maar van de onwillekeurige afzondering der dingen die door onze zintuigelijke waarneming op zichzelf reeds plaats grijpt4 ,aanteekening #af3 ,het begrip imaginari 7zich verbeelden7 wordt door ,spinoza niet steeds in denzelfden zin1 of liever steeds in een zeer ruimen zin1 gebruikt4 ,in ,opmerking ,st4 ,,xvii ,d4 ,,ii definieert hij het als3 zich iets als aanwezig voorstellen en de bedoeling schijnt daar blijkens het zinsverband te zijn3 ,iets1 dat er in werkelijkheid niet is4 ,dit is ons gewone zich verbeelden of zich inbeelden4 ,spinoza gebruikt echter meestal het woord in den ruimen zin van3 zich een beeld vormen1 dus zich iets voorstellen1 onverschillig of het voorwerp dier voorstelling feitelijk aanwezig is of niet4 ,zoo bv4 in ,bewijs ,st4 ,,xviii ,d4 ,,ii1 waar de voorstelling van een voorwerp1 dat uitdrukkelijk als in aanraking zijnde met het menschelijk lichaam genoemd wordt1 een verbeelding heet4 ,in de ,opmerking bij ,st4 ,,xvii ,d4 ,,ii heet het dat wij ons de zon dichtbij verbeelden 7zien1 waarnemen7 ook al weten wij dat zij zeer ver af staat4 ,ook in het ,bewijs van ,gevolg ,st4 ,,xxvi ,d4 ,,ii wordt 7met een beroep zelfs op de ,opmerking bij ,st4 ,,xvii7 iedere zintuigelijke waarneming verbeelding genoemd1 waarbij dan tevens betoogd wordt dat deze zintuigelijke waarneming ons de dingen niet adaequaat doet kennen4 ,in de ,opmerking bij ,st4 ,,xlix ,d4 ,,ii wordt gewaarschuwd om verbeeldingen1 woorden en voorstellingen met elkaar te verwarren en onze voorstellingen te beschouwen als stomme schilderijen op een paneel4 ,hier bedoelt ,spinoza dan echter met voorstelling meer uitsluitend een zuiver redelijk begrip1 zooals hij dit in de ,opmerking bij ,st4 ,,xlviii definieert3 geen beeld zooals het op den achtergrond van ons oog gevormd wordt1 maar begrippen van het ,denken4 ,meestal vertaalde ik imaginatio met verbeelding om den lezer met ,spinoza's terminologie vertrouwder te maken4 ,waar verwarring te vreezen was gebruikte ik het woord voorstelling4 ,aanteekening #ag3 ,causa efficiens1 bewerkende oorzaak2 naast causa finalis1 oorzaak voorzoover daarbij tevens aan het resultaat gedacht wordt1 doel-oorzaak1 doel-einde1 beweegreden4 ,aanteekening #ah3 ,per se1 door zichzelf1 krachtens eigen noodwendigheid1 en per accidens1 door een andere1 bijkomstige1 toevallige zaak of omstandigheid veroorzaakt4 ,aanteekening #ai3 ,formalis rerum essentia1 ,ens 7of ,esse7 formale of reale1 door ,spinoza zelf vertaald met formelijk1 dadelijk wezen4 ,vorm-hebbend1 werkelijk-bestaand1 feitelijk1 in tegenstelling met ens rationis 7wezen van ,reden1 ,sp471 wezen voor zoover het slechts in de voorstelling bestaat4 ,forma1 aard1 wezen1 natuur1 bestaansvorm4 ,aanteekening #bj3 ,objective1 als iets voorwerpelijks1 7d4w4z4 als een beeld7 bestaande in de voorstelling4 ,zie ook in ,gevolg ,st4 ,,viii ,deel ,,ii3 het objectief bestaan der dingen ofwel hun voorstelling4 ,aanteekening #ba3 ,principia philosophiae ,cartesianae4 ,deel ,i ,stelling ,,xix4 ,stelling ,,xix ,god is eeuwig4 ,bewijs4 ,god is het meest volmaakte wezen1 waaruit volgt dat hij noodzakelijk moet bestaan4 ,indien wij hem echter een beperkt bestaan toekenden1 zouden de grenzen van zijn bestaan noodzakelijk zoo niet door ons1 dan toch door ,god zelf begrepen moeten worden1 aangezien hij het hoogste verstand is4 ,zoodat ,god zich bewust zou zijn dat hijzelf1 te weten het hoogst volmaakte wezen1 buiten die zekere grenzen niet bestond2 hetgeen ongerijmd is4 ,derhalve heeft ,god niet een beperkt1 doch een oneindig bestaan1 hetwelk wij eeuwigheid noemen4 ,god is dus eeuwig4 ,aanteekening #bb3 ,absoluut1 vrij1 onafhankelijk1 op zichzelf staand1 onvoorwaardelijk1 volstrekt4 ,ex absoluta natura1 uit niets dan het wezen1 uit het wezen geheel op zichzelf1 afgescheiden van zijn verschijningsvormen beschouwd4 ,aanteekening #bc3 ,cogitatio1 in de ,korte ,verhandeling vertaald met ,denking4 ,waar ons begrip ,denken alle geestelijke verschijnselen omvat1 achtte ik het niet noodig het ongewone woord ,denking te aanvaarden4 ,aanteekening #bd3 ,het gebruik van het woord modus1 modificatio 7bestaanswijze1 wijziging7 voor iets noodwendigs en oneindigs1 lijkt in strijd met ,spinoza's eigen opvatting en omschrijving der verschijningswereld als een samenstel van tijdelijke1 begrensde en dus eindige dingen4 ,wat ,spinoza in deze stellingen ,,xxi1 ,,xxii en ,,xxiii bedoelt met deze oneindige bestaanswijzen1 zijn niet dingen1 in de attributen voortgebracht1 maar de onmiddellijke openbaringswijzen der attributen zelf1 datgene wat1 zooals ,spinoza elders zegt1 moet worden toegepast aan de eigene ,eigenschappen 7zie aanteekening #c74 ,dit blijkt ook uit de opheldering die ,spinoza zelf geeft in een brief 7,,lxiv7 aan ,c4,h4 ,schuller1 die hem verzocht had voorbeelden te noemen van zaken die onmiddellijk door ,god1 en van zaken welke eerst door bemiddeling van een oneindige wijziging zijn voortgebracht4 ,spinoza antwoordde hierop3 ,de voorbeelden tenslotte1 welke gij verlangt van de eerste soort1 zijn in het ,denken het absoluut oneindig verstand nl4 ,gods verstand of wil1 zie ,st4 ,,xxxii ,gevolg ,,ii1 in de ,uitgebreidheid de ,beweging en de ,rust2 voorbeeld van de tweede soort echter is het aanzien van het gansche ,heelal dat1 hoewel het op oneindig vele wijzen wisselt1 toch steeds hetzelfde blijft4 ,aanteekening #be3 ,concludi sive percipi4 ,ook het gebruik dat ,spinoza maakt van de woorden percipere1 concipere1 sentire1 staat niet vast4 ,hier is percipere gelijkgesteld met begrijpen1 elders met in zich opnemen1 opvatten1 waarnemen1 gewaarworden1 voorstellen1 of wordt het als synoniem beschouwd met sentire1 dat weer meestal voelen1 gewaarworden1 zich bewustzijn beteekent 7,zie ,opmerking ,st4 ,,xlix ,deel ,,ii3 sentire sive percipere1 waarnemen of in ons opnemen74 ,daarentegen vindt men in ,axioma ,v ,deel ,,ii weer3 sentimus nec percipimus 7waarnemen noch gewaarworden7 waardoor dus weer een onderscheid tusschen de beide begrippen gesteld wordt4 ,in ,def4 ,,iii ,deel ,,ii tracht ,spinoza te onderscheiden tusschen conceptio en perceptio 7waarneming en gewaarwording1 zie ook aanteekening ,a#cj7 zonder evenwel verder die onderscheiding streng vol te houden4 ,in ,st4 ,v ,deel ,,ii bijvoorbeeld spreekt hij alweer van3 ideata sive res perceptas 7het voorgestelde of de waargenomen dingen74 ,ik heb deze begrippen overal vertaald met die schakeering welke mij voor iedere bepaalde plaats het duidelijkst leek4 ,aanteekening #bf3 ,natura naturans1 ,god als absolute1 uit zichzelf werkende1 eerste oorzaak1 als actief scheppend beginsel4 ,natura naturata1 ,god als schepping1 geschapenheid1 als zijn eigen openbaring1 als verschijning van zichzelf1 als wereld der dingen1 als ,natuur in den gewonen zin4 ,aanteekening #bg3 ,actu1 actief1 werkend1 en in potentia3 potentieel1 gedacht als een vermogen om te denken1 verstand-in-aanleg4 ,aanteekening #bh3 ,bedoeld is3 zouden zij allen1 ook al brachten zij in ieder mensch1 naar elks gevoel verschillende aandoeningen teweeg1 toch1 evenals wiskundige waarheden1 door alle menschen op dezelfde wijze worden begrepen4 ,aanteekening #bi3 ,corpus4 ,om alle verwarring te vermijden heb ik overal waar corpus niet in wiskundigen zin gebruikt wordt1 of waar niet in het bijzonder het menschelijk lichaam bedoeld is1 het woord voorwerp gebezigd4 ,aanteekening #cj3 ,andere vertalers 7,gorter1 ,meyer1 ,stern7 hebben3 liever begrip dan waarneming4 ,m4i4 is deze vertaling verwarrend4 ,immers begrip heeft voor ons juist een engere beteekenis dan voorstelling zonder meer4 ,bovendien ligt in het woord waarneming niets passiefs1 zooals in gewaarwording4 7,zie ook aanteekening ,a#be7 ,aanteekening #ca3 ,adaequaat4 ,letterlijk3 evenarend1 gelijkend op1 gelijkkomend aan4 ,de vertaling van dit begrip1 zooals het door ,spinoza wordt gebruikt1 door n woord is onmogelijk4 ,dikwijls zou juist of waar voldoende zijn1 dan weder ware volledig of helder en duidelijk1 of overeenstemmend met1 beantwoordend aan het voorwerp der voorstelling beter4 ,inadaequaat1 gedeeltelijk 7in ,def4 ,i ,deel ,,iii7 of1 als tegenstelling met helder en duidelijk3 gebrekkig en verward4 ,overigens blijkt de beteekenis dezer woorden zoo duidelijk op tal van plaatsen1 dat ik het ,latijnsche woord1 dat trouwens evenals substantie en attribuut overal burgerrecht verkreeg1 onvertaald laat4 ,aanteekening #cb3 ,perfectio4 ,hier is het woord volmaakt in zuiver letterlijken zin op te vatten als geheel-af gemaakt1 zoodat aan alle denkbare voorwaarden van het bestaan ervan inderdaad voldaan is4 ,aanteekening #cc3 ,affici4 ,spinoza gebruikt afficere1 aandoen1 voor iedere inwerking1 zoowel geestelijk als lichamelijk 7,def4 ,,iii ,deel ,,iii74 ,omdat het moderne spraakgebruik echter bij het woord aandoening 7k zelfs bij lichaams-aandoening7 in de eerste plaats aan gemoedsbeweging1 7den weerslag der inwerking op onzen geest7 doet denken1 heb ik in mijn vertaling overal waar deze laatste niet bedoeld is1 gesproken van inwerking4 ,aanteekening #cd3 ,d4w4z4 de mensch heeft niet den aard 7forma1 zie aanteekening ,a#ai7 van een zelfstandig bestaand wezen4 ,aanteekening #ce3 ,feitelijk bestaan1 aanzijn1 ,duitsch3 ,dasein4 ,aanteekening #cf3 ,bedoeld is3 en in dit geval1 voorzoover wij namelijk den mensch1 met voorbijzien der andere attributen1 slechts als ,geest beschouwen1 bestaat zijn wezen uit bestaanswijzen van het ,denken4 ,aanteekening #cg3 ,waarop zich bijvoorbeeld ,a bevindt1 zooals een of ander voorwerp op de aarde4 ,aanteekening #ch3 ,forma4 ,de eigenlijke vorm1 gedaante1 is in ,ax4 ,,iii reeds figura genoemd1 het schijnt dus dat hier iets anders bedoeld is4 ,dit blijkt ook uit ,hulpstelling ,v waar1 door vergrooting of verkleining der deelen1 de gedaante van het geheel wel degelijk zou veranderen4 ,het best lijkt mij de beteekenis weer te geven met3 eigenaardigheid1 karakter1 wat ook blijkt uit het ,bewijs3 de forma hangt af van het verband2 het verband blijft bestaan1 dus behoudt het individu zijn natura4 ,eigenlijk beteekenen dus wendingen als1 zal het individu zijn aard 7natura7 behouden en geenerlei verandering van karakter 7forma7 ondergaan hetzelfde en lijkt hun koppeling overbodig2 tenzij men wezen en karakter niet geheel als identiek beschouwt1 maar karakter opvat als wijze waarop zich het wezen in de werkelijkheid vertoont 7zie ook de beteekenis van formalis als werkelijk bestaand in aanteekening ,a#ai7 ,aanteekening #ci3 ,vera1 ware4 ,spinoza bedoelt volledige4 ,deze botsings- en terugkaatsingstheorie lijkt vrij naef1 maar verschilt in wezen niets van iedere andere mechanische of physische verklaring der indrukken van het menschelijk lichaam4 ,overigens verlieze men nooit uit het oog dat ,spinoza nooit de geestelijke verschijnselen modern-materialistisch op mechanische wijze verklaart1 d4w4z4 niet leert dat stoffelijk-mechanische verschijnselen de geestelijke verschijnselen veroorzaken1 maar dat zij die verschijnselen zelf zijn onder een ander gezichtspunt 7als openbaring van een ander attribuut7 beschouwd4 ,aanteekening #dj3 ,transcendentale begrippen4 ,oorspronkelijk wordt hiermede bedoeld3 wat 7de zintuigelijke waarneming7 te boven gaat2 bovenzinnelijk2 niet op ervaring berustend4 ,hier heeft het echter de beteekenis van afgetrokken1 waarbij van alle bijzonderheid is afgezien4 ,aanteekening #da3 ,intutief3 door onmiddellijke aanschouwing 7doorzien7 van het wezenlijke in iets4 ,aanteekening #db3 ,volitio4 ,ik gebruik het woord willing naar analogie met lijding om een bijzondere bestaanswijze van den wil aan te duiden4 ,het gewone wilsuiting toch slaat eigenlijk meer op het resultaat van dien bijzonderen wil1 of althans op de manier waarop hij zich openbaart4 ,aanteekening #dc3 ,in evenwicht1 d4w4z4 wanneer hij geen keus weet te doen1 wijl vr en tegen elkaar opwegen4 ,jean ,buridan1 #abig-aceh1 rationalistisch wijsgeer4 ,de vergelijking van den ezel1 die tusschen twee evenver verwijderde bossen hooi staande1 van honger omkomt1 is in zijn werken niet te vinden1 maar waarschijnlijk verzonnen door zijn bestrijders om zijn determinisme belachelijk te maken4 ,aanteekening #dd3 ,inculcare non teneor1 quid unusquisque somniare potest4 ,volgens anderen3 maar omdat ik niet gehouden ben in te gaan op al wat men belieft te droomen4 ,aanteekening #de3 ,ook in het zeldzamer geval dat wij wten dat wij droomen1 bekijken wij weliswaar kritisch en oordeel-opschortend onzen eigen droom1 maar oefenen toch niet een willekeurigen invloed uit op zijn beloop4 ,aanteekening #df3 ,pietas4 ,vroomheid in de ruimste beteekenis3 rechtschapenheid1 flinkheid1 plichtsbetrachting4 ,aanteekening #dg3 ,bij ,spinoza staat derde4 ,het wordt echter feitelijk in het vierde ,deel betoogd4 ,in den oorspronkelijken opzet had de ,ethica evenwel een andere indeeling1 vandaar ,spinoza's vergissing4 ,aanteekening #dh3 ,de onderstelling van ,spinoza dat handelingen van redelooze dieren of van slaapwandelaars buiten den geest om zouden plaats kunnen grijpen is natuurlijk geheel willekeurig en in strijd met de hedendaagsche opvattingen omtrent de onderbewuste werkingen van den geest4 ,aanteekening #di3 ,toespeling op het later ook aangehaalde ,video meliora proboque1 deteriora sequor4 7,wel zie ik het betere en prijs het2 toch jaag ik het slechtere na7 ,ovidius1 ,metam3 ,,vii4 #bj4 ,aanteekening #ej3 ,appetitus4 ,drang4 ,bij anderen3 lust1 verlangen4 ,het komt mij echter voor dat hier het woord een nog algemeener beteekenis heeft4 ,aanteekening #ea3 ,potentia agendi4 ,dit vermogen tot handelen moet niet als geheel gelijkluidend met werkkracht of energie worden opgevat4 ,immers lichaam of geest kunnen zeer werkzaam zijn en daarbij toch lijden in ,spinozistischen zin4 ,wel geeft levenskracht1 opgevat als kracht om in zijn bestaan te volharden1 de beteekenis weer4 ,aanteekening #eb3 ,de vertaling van ,spinoza's terminologie der gemoedsaandoeningen is bijzonder lastig1 daar hij zich--naar hijzelf erkent 7,toelichting ,def4 ,,xx der ,aandoeningen ,d4 ,,iii7--geenszins houdt aan de gewone gangbare beteekenis der woorden4 ,daardoor geeft hij soms definities die aan een eenmaal bestaanden term een beperkter of wijder strekking geven4 ,onze taal is rijker aan uitdrukkingen voor allerlei gevoelsschakeeringen dan het ,latijn1 zoodat men er ,spinoza's bedoeling dikwijls in kan benaderen4 ,in dze zinsnede is m4i4 het vertalen van hilaritas door opgeruimdheid of vroolijkheid en van melancholia door zwaarmoedigheid minder juist4 ,immers deze woorden duiden bij ons zuiver geestelijke toestanden aan1 terwijl ,spinoza hier uitdrukkelijk doelt op aandoeningen die met een lichaamsgevoel gepaard gaan4 ,aanteekening #ec3 conscientiae morsus4 ,eigenlijk gewetens-knaging1 wroeging4 ,blijkens de definitie bedoelt ,spinoza echter niets anders dan ,spijt4 ,hartzeer 7inderdaad een knagende pijn74 ,voor ons is gewetenswroeging echter gelijkluidend met ,berouw1 d4i4 ,spijt met het bewustzijn van eigen schuld4 ,aanteekening #ed3 ,spinoza blijft steeds van res1 ding1 spreken2 ik heb echter in 't vervolg meestal wezen gebruikt4 ,aanteekening #ee3 ,causae externae4 ,volgens andere uitgaven internae1 inwendige4 ,wat schijnbaar beter aan de bedoeling beantwoordt4 ,men kan echter ook zeer goed voor den geest1 voorzoover hij zichzelf beschouwt1 het eigen ,zelf als iets uitwendigs1 als een voorwerp1 opvatten4 ,aanteekening #ef3 ,deze definitie geeft aan het begrip ,wreedheid een veel beperkter beteekenis dan het woord in het spraakgebruik 7ook het ,latijnsche7 heeft4 ,er bestaat echter voor deze zucht om een wezen dat ons liefheeft te kwellen1 geen afzonderlijk woord4 ,aanteekening #eg3 ,admiratio1 letterlijk3 aanstaren als een wonder4 ,het woord bewonderen1 door sommige vertalers gebruikt1 heeft bij ons een te eenzijdige beteekenis2 ik vertaalde daarom waar de zin algemeener was3 verbazing4 ,aanteekening #eh3 ,plus curiositatis quam utilitatis haberent4 ,meyer3 zouden meer strekken tot aanvulling dan tot nut4 ,gorter3 zouden meer zeldzaamheid dan nuttigheid hebben4 ,aanteekening #ei3 ,impetus1 onstuimige1 plotseling opkomende drang4 ,aanteekening #fj3 ,sive ea sit innata1 sive quod ipsa per solum ,cogitationis1 sive per solum ,extensionis attributum concipiatur4 ,het komt mij voor dat achter innata een tegenstelling is weggevallen1 bv41 dan wel verworven4 ,spinoza bedoelt iedere gesteldheid1 hoe ook in ons teweeg gebracht en onder welk attribuut ook beschouwd4 ,aanteekening #fa3 ,op haar gewoonte3 op een daaraan beantwoordende duurzame gemoedsgesteldheid4 ,aanteekening #fb3 ,modestia4 ,in verband met andere plaatsen leek mij gematigdheid1 minzaamheid meer in overeenstemming met ,spinoza's bedoeling dan het gebruikelijke bescheidenheid1 waarin veelal een ongerechtvaardigde geringschatting van zichzelf ligt opgesloten4 ,aanteekening #fc3 ,animi pathema3 gemoeds-lijding1 hier uitdrukkelijk zoo genoemd om haar te onderscheiden van de aandoening van 7inwerking op7 het lichaam1 welke door ,spinoza eveneens affectus genoemd wordt4 ,aanteekening #fd3 ,deze onderscheiding tusschen de begrippen toevallig en mogelijk is misschien het best weer te geven door theoretisch 7logisch7 mogelijk en praktisch 7feitelijk7 mogelijk4 ,aanteekening #fe3 ,hier is met imaginatio 7zie aanteekening ,a#af7 niet bedoeld edere zintuigelijke voorstelling 7verbeelding71 maar in het bijzonder de z onvolledige en verwarde1 dat wij haar dwaling noemen4 ,aanteekening #ff3 ,cum nostra comparata4 ,niet vergeleken bij de onze1 want het betreft hier de feitelijke verhouding van den invloed1 en niet ons oordeel daaromtrent4 ,aanteekening #fg3 ,affectus erga3 de aandoening jegens1 d4w4z4 de aandoening door iets in ons te weeg gebracht4 ,meyer3 stemming tegenover en op andere plaatsen3 belangstelling in 7,st4 ,,xi1 ,,xii en ,,xiii74 ,m4i4 heeft echter affectus hier steeds de beteekenis van aandoening in het algemeen2 immers de stellingen gelden evenzeer voor tal van gevallen waarbij heel andere aandoeningen in het spel zijn dan vage stemming of zelfs belangstelling1 bv4 angst voor een onafwendbare ramp etc4 ,aanteekening #fh3 ,temeraria4 ,ook onbezonnen ware misschien juist1 als tegenstelling tot de ware 7bezonnen7 kennis van goed en kwaad4 ,aanteekening #fi3 ,potest prior hac concipi4 ,m4i4 moet ook deze prioriteit niet worden opgevat als een tijdelijke1 maar als een logische4 ,het streven om zichzelf te handhaven is de eerste1 fundamenteele deugd1 waaruit de andere deugden moeten worden afgeleid2 slechts als zoodanig kan men zeggen dat het aan alle deugden voorafgaat4 ,aanteekening #gj3 ,mea haec est ratio1 et sic animum induxi meum4 ,anderen beschouwen et sic enz4 als een herhaling van het voorgaande4 ,meyer3 wat mij betreft1 ik denk hierover aldus4 ,stern3 ,ich meinerseits denke so und habe folgende ,ansicht gewonnen4 ,m4i4 echter is de vertaling van animum inducere met zich voornemen hier niet alleen toelaatbaar1 maar zelfs de eenige die het anders slappe en overbodige zinsdeel krachtig en zinrijk maakt4 ,aanteekening #ga3 ,meyer3 overmoed en uitgelatenheid4 ,het is m4i4 echter niet noodig hier gerustheid en verheuging in hun overdrijving te beschouwen4 ,ook de niet overdreven gerustheid en verheuging zijn reacties op vrees en als zoodanig voor ,spinoza bewijzen van geestelijke machteloosheid2 evenals medelijden1 overdreven of niet4 ,aanteekening #gb3 ,bene agere en laetari4 ,wl doen moet hier niet worden opgevat als weldaden bewijzen in de gewone beteekenis1 maar als goed1 flink1 krachtig1 redelijk handelen in den ,spinozistischen zin van het woord4 ,aanteekening #gc3 ,nullius rei ipsos puderet1 nec ipsi quicquam metuerent1 quo vinculis conjungi constringique possent8 ,andere lezing1 zonder vraagteeken3 zouden zij zich nergens voor schamen en niets vreezen1 waardoor zij thans nog in den band worden gehouden en beteugeld4 ,deze laatste lezing sluit m4i4 minder logisch aan bij den volgenden zin4 ,aanteekening #gd3 ,met verbeteren is hier bedoeld3 temperen1 overwinnen door een andere aandoening4 ,aanteekening #ge3 ,ignaros1 onwetend1 onontwikkeld1 nog niet tot inzicht gekomen4 ,andere lezing3 ignavos3 krachteloos1 zwak4 ,deze laatste opvatting zou hier1 in tegenstelling tot den vrijen1 krachtigen mensch1 wel toelaatbaar zijn4 ,maar ook verderop wordt telkens het eerste woord gebruikt4 ,aanteekening #gf3 ,atque tum magis discordia quam concordia fovetur4 ,andere lezing3 discordi quam concordi 7ablativus71 waardoor de zin zou worden3 in welk geval zij 7nl4 de abnormale1 tot waanzin gestegen zinnelijkheid7 door tweedracht mr nog dan door eendracht geprikkeld wordt4 ,dit is echter moeilijker in verband te brengen met ,gevolg ,st4 ,,xxxi ,d4 ,,iii waarnaar juist verwezen wordt4 ,aanteekening #gg3 ,compendium4 ,samenvatting4 ,meyer3 kort begrip4 ,stern3 ,inbegriff4 ,gorter leest compensatio1 vergoeding4 ,als ,ruilmiddel weegt het geld tegen alle dingen op en vertegenwoordigt het ze tevens4 ,aanteekening #gh3 ,spiritus animales1 dierlijke geesten4 ,bedoeld zijn de verschillende krachten die door ,descartes e4a4 als oorzaken der verschillende levensverschijnselen ondersteld worden4 ,aanteekening #gi3 ,non nisi ratione distinguetur4 ,meyer3 ,geen ander dan een denkbeeldig onderscheid4 ,stern3 ,nur nach dem ,verhltnis verschieden sein4 ,m4i4 is de bedoeling deze3 de nieuwe voorstelling is een 7adaequate7 voorstelling omtrent een 7oorspronkelijk inadaequate7 voorstelling1 dus niet feitelijk maar alleen in redelijk opzicht 7voor ons begrip7 er van onderscheiden4 ,in werkelijkheid zijn beide voorstellingen n 7zooals lichaam en geest7 en dus kunnen uit de nieuwe voorstelling1 omdat zij adaequaat is1 slechts handelingen voortvloeien1 m4a4w4 de oorspronkelijke aandoening houdt op lijding te zijn4 ,aanteekening #hj3 ,simpliciter2 eenvoudig1 zoomaar4 ,aanteekening #ha3 ,secundum ordinem ad intellectum4 ,volgens een orde1 welke door het verstand vereischt wordt1 of welke hen geschikt maakt om begrepen te kunnen worden4 ,aanteekening #hb3 ,men verwarre ,spinoza's eeuwigheid van den ,geest niet met een persoonlijk voortbestaan4 ,onze persoonlijkheid immers is naar ,spinoza's opvatting slechts een tijdelijke1 vergankelijke bestaanswijze 7modus7 die afhankelijk is van onze lichaamsindrukken1 zich met deze wijzigt en met het lichaam te gronde gaat4 ,zie de ,opmerking bij ,st4 ,,xxxix ,deel ,,iv1 waar ,spinoza zegt dat een individu zich onder bepaalde omstandigheden zoozeer kan wijzigen1 dat hij niet gaarne zou willen volhouden dat hij dezelfde mensch was als voorheen4 ,zelfs den volwassene kent ,spinoza daar blijkbaar een andere individualiteit toe als het kind4 ,dat de stellingen die over de eeuwigheid des ,geestes handelen voor velen zoo duister zijn ligt m4i4 in de eerste plaats hieraan dat men1 ofschoon ,spinoza zelf er telkens voor waarschuwt1 zijn onsterfelijkheid of eeuwigheid verwart met een voortbestaan in den tijd4 ,maar een tweede aanleiding tot verwarring is dat ,spinoza niet uitdrukkelijk genoeg doet uitkomen dat eigenlijk het ,lichaam even eeuwig en onsterfelijk is als de ,geest4 ,immers ook het individueele lichaam gaat met den dood als zoodanig te gronde1 ofschoon het als stof 7,uitgebreidheid7 onvernietigbaar1 eeuwig is4 ,het ljkt wel alsof ,spinoza in de eenigszins slordige ,stelling ,,xxiii ,de menschelijke ,geest kan niet met het ,lichaam geheel en al te niet gaan1 leert1 dat dus het ,lichaam wl absoluut vernietigd wordt2 maar het is duidelijk dat dit volkomen in strijd zou zijn niet alleen met de ervaring1 maar met ,spinoza's eigen leer4 ,het wordt bovendien in het ,bewijs dier ,stelling zelf indirekt ontkent1 waar gesproken wordt over het tegenwoordig bestaan des ,lichaams1 in tegenstelling dus met zijn eeuwig bestaan4 ,een dualistische opvatting van ,geest en ,lichaam1 als van twee dingen1 die gescheiden zouden kunnen worden1 is in ,spinoza's systeem ondenkbaar4 ,geest en stof1 ,denken en ,uitgebreidheid1 zijn bij ,spinoza immers niet in eigenlijken zin verbonden1 maar identiek1 n en hetzelfde4 ,wat wij dus van den mensch bij zijn dood zien teniet gaan1 of liever zich oplossen1 is zijn tijdelijke verschijning 7bestaanswijze7 als ,geest-,lichaam1 dus zijn lichamelijke n geestelijke individualiteit4 ,voorzoover hij echter stof-op-zichzelf is1 d4w4z4 ,god1 gedacht als ,uitgebreidheid1 is zijn ,lichaam eeuwig en in dienzelfden zin is zijn ,geest eeuwig1 als keerzijde van dit eeuwige lichaam1 als voorstelling ervan1 als ,god1 voorzoover hij ,denken is4 ,ons lichaam wordt stof1 d4i4 ,uitgebreidheid zonder bepaalden vorm1 en zoo wordt onze geest ,denken1 ,verstand1 zonder verbeelding en herinnering1 welke juist aan dien bepaalden lichaamsvorm gebonden waren4 ,hoe meer de mensch nu n is met ,god1 dat wil in den ,spinozistischen gedachtengang zeggen3 hoe beter hij ,god begrijpt en hoe meer hij hem lief heeft d4w4z4 hoe redelijker hij denkt en leeft2 hoe meer hij ook doordrongen zal zijn van het besef van noodwendigheid en eeuwigheid en hoe minder de illusie van zijn tijdelijk bestaan en de vrees voor zijn dood hem zullen hinderen4 ,spinoza drukt dit1 in een m4i4 verwarrende beeldspraak1 uit in de woorden3 hoe grooter deel van zijn ,geest zal overblijven4 ,nog iets duidelijker wordt ,spinoza's opvatting van eeuwigheid wanneer men haar in verband brengt met zijn 7mathematisch7 causaliteitsbegrip 7zie ook aanteekening ,a#h74 ,begrijpen is de dingen zien in hun logische afhankelijkheid in plaats van in hun tijdelijke opeenvolging1 zulk begrip is even tijdloos1 even eeuwig als een of andere mathematische waarheid1 die in ,god bestaat4 ,voorzoover wij dus begrijpen zijn wij eeuwig1 hebben wij deel aan het oneindige ,verstands ,gods4